|
uit: Traumgekrönt
(1896)
KÖNIGSLIED
Darfst
das Leben mit Würde ertragen,
nur
die Kleinlichen macht es klein;
Bettler
können dir Bruder sagen,
und
du kannst doch ein König sein.
Ob
dir der Stirne göttliches Schweigen
auch
kein rotgoldener Reif unterbrach, -
Kinder
werden sich vor dir neigen,
selige
Schwärmer staunen dir nach.
Tage
weben aus leuchtender Sonne
dir
deinen Purpur und Hermelin,
und,
in den Händen Wehmut und Wonne,
liegen
die Nächte vor dir auf den Knien...
KONINGSLIED
Je
kunt het leven met waardigheid dragen,
slechts
de kleingeestigen maakt het klein;
al
komen er bedelaars als je broers opdagen,
je
kunt toch koning zijn.
Ofschoon
op je voorhoofd het goddelijk zwijgen
door
geen roodgouden kroon wordt gebroken,
zullen
kinderen diep voor je nijgen
zijn
er dwepers in geestdrift ontstoken.
De
dagen weven uit stralende zonneschijn
je
purperen mantel met hermelijn,
met
in hun handen verrukking en weemoed
werpen
de nachten zich aan jouw voet...
Couronne
de rêve (1896)
CHANT
ROYAL
Tu
peux dignement supporter la vie,
ce
sont les mesquins qu‘elle rend mesquins ;
et
si les mendiants te traitent en frère,
tu
n’en seras pas moins un roi.
et
quand bien même nulle couronne de vermeil
ne
rompit le divin silence de ton front, -
les
enfants devant toi s’inclineront,
les
bienheureux, fervents, t’admireront.
Les
jours tisseront de soleil ardent
ta
pourpre et ton hermine,
et,
les mains pleines de délice et de tristesse,
les
nuits devant toi s’agenouilleront...
|