|
Rilke stierf op 29
december 1926 in het
sanatorium van Val-Mont sur Territet, aan het meer van Genève in de
buurt van Montreux in Zwitserland. Zijn vaste woonplaats was toen
sinds vijf jaar: Muzot, een middeleeuwse woontoren in een dorpje vlak
boven Sierre in het Zwitserse Rhônedal. In zijn werkkamer in Muzot
had hij in 1922 in een wonderbaarlijk kort tijdsbestek zijn Duineser
Elegien voltooid en het eerste deel van zijn Die Sonette an Orpheus
geschreven. Daarna heeft hij in zijn laatste levensjaren nog vele
gedichten in het Frans geschreven, o.a. de bundels Les quatrains
valaisans, Vergers en Les Roses.
Deze zeer productieve jaren van Rilke waren gevolgd op
de tumultueuze jaren na de eerste wereldoorlog, toen hij vanuit
München een goed heenkomen zocht naar Zwitserland, en dat met heel
veel moeite en hulp van belangrijke vrienden vond. De eerste
wereldoorlog had hem uiteraard diep geschokt. Hij was in 1916 als ruim
veertigjarige zelfs nog onder de wapenen geroepen, maar vrienden
hebben hem uit die vreselijke nood gered. Geen wonder dus, dat we voor
een eerder hoogtepunt in Rilkes dichterschap terug moeten naar de
jaren 1907 en 1908, toen hij de twee delen Neue Gedichte schreef. In
die jaren was hij ook bezig met zijn belangrijkste prozawerk Die
Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge, dat hij ondanks grote
vermoeidheid en depressies op het eind van 1909 voltooide.
De periode die voor de Neue Gedichte ligt, noemen we
de periode van de vroege Rilke. De belangrijkste werken daaruit zijn
Larenopfer (1895), Traumgekrönt (1896), Advent (1897), Das Buch der
Bilder (1902 en 1906) en het kassucces Die Weise von Liebe und Tod des
Cornets Christoph Rilke (1904, en definitieve versie in 1906). Het
postuum gepubliceerde Dir zur Feier stamt uit de jaren 1897 en 1898,
toen de vriendschap met Lou Andreas-Salomé zijn leven beheerste.
Vrij algemeen worden Rilkes werken uit de laatste
periode, de elegieën en de sonnetten aan Orpheus, als zijn
belangrijkste beschouwd. De Duineser Elegien verschenen in 1922, het
jaar waarin ook The waste land van T.S. Eliot, Ulysses van James Joyce
en Charmes van Paul Valéry verschenen. In de Nederlandse letterkunde
verschenen in het begin van de twintiger jaren de neo-romantische
bundels Voorbij de wegen (1920) van A. Roland Holst en Het verlangen
(1921) van J.C. Bloem, het gekweld nihilistische Bezette stad (1921)
van Paul van Ostaijen, de vitalistisch-expressionistische Verzen
(1923) van H. Marsman, de bitter-romantische dubuutbundel van de
'gedoemde dichter' J. Slauerhoff, Archipel (1923) en de tweede bundel
van de symbolistische 'wandelaar in de werkelijkheid', namelijk Vormen
(1924) van Martinus Nijhoff.
Rilke heeft nog tijdens zijn leven grote bewondering
ervaren, maar in de loop van de twintigste eeuw is ook verguizing zijn
deel geworden. Vooral in de marxistische literatuurbeschouwing werd
hij gezien als een laat-romantische dichter 'voor adolescenten en voor
vrouwen' en als 'een wereldvreemde dromer, een ijdele dweper met
voorbije aristocratische en esthetische hersenschimmen'. Bij de ene
groep lezers is Rilke populair om de stichtelijke religiositeit in Das
Stundenbuch of om zijn humanistisch-levensbeschouwelijke Duineser
Elegien, anderen bewonderen vooral de kunstenaar van Neue Gedichte, de
woordkunstenaar met zijn prachtige metaforiek en zijn muzikale lyriek.
"De tijd van Rilke-verafgoding is voorgoed
voorbij", aldus Bronzwaer in zijn inleiding op de Duineser
Elegien, maar desondanks wijst deze Rilke-kenner op tekenen van een
herlevende belangstelling voor Rilke. In 1974 bleek dat volgens hem al
tijdens een Amerikaans literair congres. In ons land blijkt dat de
laatste decennia uit nieuwe vertalingen met commentaren van zijn
belangrijkste werken (Bronzwaer, Blok en Jellema (De Elegieën van
Duino en De sonnetten aan Orpheus), Blok en Jellema (Gedichten uit de
jaren 1913-1926), Verstegen (Nieuwe gedichten en Nieuwe gedichten, het
andere deel), Claes (Raadsels van Rilke en De Kornet), Lukkenaer (De
Aantekeningen van Malte Laurids Brigge)) en uit de vertaling door
Theodor Duquesnoy van de gezaghebbende biografie van Wolfgang
Leppmann: Rainer Maria Rilke. Zijn leven en werk. In 1996 verscheen in
de Verenigde Staten een nóg uitvoeriger biografie van Rilke, namelijk
van de hand van Ralph Freedman, getiteld: ‘Life of a poet’.
De
Fondation Rilke die in de Zwitserse stad Sierre zetelt,
organiseert met grote regelmaat meertalige lezingen en
conferenties. In het seizoen 2007/2008 zijn dat er maar liefst
zeven: over de bundel Das Stundenbuch, over zijn
briefwisseling met de Boheemse vriendin barones Sidonie Nadherny
von Borutin, over de gedichten die Rilke in het Frans schreef,
over zijn Florentijns dagboek (dat was de lezing van afgelopen
zondag 27 januari), over het portret van Rilke dat te voorschijn
komt uit het werk van Lou Andréas Salomé, over de houding van
Rilke t.o.v. grote steden en over zijn poetica, d.w.z. de eisen
die hij aan zijn werk stelde. Rilke staat de laatste decennia weer
enorm in de belangstelling, over de hele wereld. Een aantal van
zijn gedichten zijn onvergankelijk.
KORTE BIOGRAFIE VAN RILKE
 
René Maria Rilke wordt op 4 dec. 1875 als
zevenmaandskind in Praag geboren. Hij is het enige kind van Josef
Rilke en Sophie Entz. Beiden behoorden tot de Duits sprekende
minderheid in Praag. Vader Josef had in 1865 als teleurgestelde
aspirant-officier na een tienjarig dienstverband ontslag genomen en
was de rest van zijn leven als stationschef of magazijnmeester
verbonden aan een spoorwegmaatschappij. Desondanks had hij enkele
jaren later als atletisch gebouwde, elegante rokkenjager het hart
weten te veroveren van Sophie Entz, die zich Phia liet noemen en die
tot een vooraanstaande Praagse familie behoorde. Zij leefde met haar
ouders in grote stijl in een barokpaleis, maar na haar huwelijk in
1873 met de kleine ambtenaar leefde ze noodgedwongen in een bescheiden
huurwoning. Het huwelijk ging snel mis. In 1885 gingen de Josef en
Phia Rilke uit elkaar.
Enkele jaren daarvoor, in 1882, was hun tot dan toe
als meisje aangeklede enige zoontje naar de Deutsche Volksschule
gegaan, die ondanks haar naam in de deftigste wijk van Praag lag. Phia
Rilke had de kleine René goede omgangsvormen bijgebracht en tevens de
grondslag gelegd voor diens kennis van de Franse taal. Frans sprekend
bracht zij hem elke dag naar school. Ook haalde zij haar zoontje elke
dag van school af, waardoor ze hem van zijn Duits sprekende
klasgenootjes afzonderde en hem tot een eenling maakte. Het doel dat
de beide ouders bij de opvoeding van hun zoon voor ogen stond, was de
militaire academie, maar ze bereidden hem er wel bijzonder slecht op
voor. De oorzaak hiervan zal wel gezocht moeten worden in het
bijzonder slechte huwelijk.
Op 1 september 1886 gaat René Rilke naar de lagere
cadettenschool Sankt Pölten bij Wenen. De overgang van de moederlijke
verwenning naar de ruwheid van het militaire leven was een enorme
schok voor hem. Vijf jaar lang (vanaf september 1890 op de
Militäroberrealschule in Mährisch-Weiszkirchen) bleef de
cadettenschool voor hem een hel. Hij was er 'een doodongelukkige
modelleerling', aldus Leppmann. Later spreekt Rilke er zelf over als
over de 'geweldige beproeving van mijn jeugd'. Het streng
gereglementeerde internaatsleven was hem een gruwel. De brieven aan
zijn ouders waren vaak hartverscheurend van toon. Hij kreeg tenslotte
ernstige lichamelijke klachten, mocht in december 1890 met verlof en
verliet de school in juni 1891 definitief.
Gelukkig kon de jonge Rilke na zijn ontslag uit de
militaire opleiding bij oom Jaroslav Rilke in Praag op verhaal komen.
In september begint hij dan aan de handelsschool van Linz, waar hij
het uitstekend doet, musea en concerten bezoekt, liefst in zijn
militaire uniform, en waar hij veel leest en gedichten schrijft. Na
een liefdesavontuur met een oudere vrouw vertrekt hij in mei 1892
overhaast uit Linz. In de herfst van hetzelfde jaar kent oom Jaroslav
hem voor zijn verdere opleiding een maandelijkse toelage toe. Hiermee
kan Rilke zijn scholing voortzetten als 'extraneus' van een Praags
gymnasium. Op 9 juli 1895 slaagt hij met lof voor zijn eindexamen. Hij
had toen o.a. acht jaar latijn en Grieks ingehaald, terwijl hij toch
ook tijd had gevonden voor zowel 'de vrouw' als 'de poëzie'.
In de eind 1895 gepubliceerde dichtbundel Larenopfer
bezingt Rilke het Praagse en Boheemse leven, zoals hij op het eind van
zijn leven aandacht aan Wallis zou schenken in Les quatrains
valaisans. Hij geeft in die tijd in eigen beheer een tijdschriftje
uit, Wegwarten, waarvan hij het eerste nummer gratis uitdeelt in
ziekenhuizen en verenigingen. Het geeft hem een zichtbare positie in
het Praagse culturele leven. Hij is een niet onverdienstelijke
promotor van zichzelf. Dat blijkt ook uit zijn lidmaatschap van
kunstenaarsverenigingen en uit zijn vele zorgvuldig onderhouden
relaties, vooral met schrijvers. Dankzij zijn moeder is hij vertrouwd
met de omgangsvormen in de betere kringen en daar heeft hij bijzonder
goed gebruik van gemaakt, ook in zijn latere omgang met adellijke en
welgestelde dames.
In zijn Praagse tijd schrijft Rilke niet alleen
gedichten, maar vooral ook toneelstukken, die niet alleen in druk
verschenen, maar ook werden opgevoerd. Het stuk Im Frühfrost beleeft
in 1897 in Praag de première met Max Reinhardt in de hoofdrol. Voor
zijn verdere vooral artistieke, maar ook wetenschappelijke ontplooiing
heeft Rilke, die nog steeds de maandelijkse toelage van zijn inmiddels
overleden oom geniet, intussen gekozen voor een verhuizing naar
München. In 1896 schrijft hij zich daar in als student wijsbegeerte,
want de toelage werd slechts verstrekt zolang hij studeerde.
In München werkt Rilke met ijver aan zijn netwerk.
Daartoe behoren na enige tijd de schrijvers Von Scholz, Dehmel, Von
Liliencron, Hauptmann, Hofmannsthal, e.a. Op een van de vele literaire
avonden of in een van de stamcafés leert hij ook de schrijver Jakob
Wassermann kennen. Deze wijst hem op een roman van Jens Peter Jacobsen
(Niels Lyhne, 1880) die vervolgens enorm veel indruk op Rilke maakt en
nog jarenlang invloed op hem zal uitoefenen.

Het is begin mei 1897 ten huize van deze Wassermann
dat Rilke Lou Andreas-Salomé leert kennen, aan wie hij korte tijd
later ter kennismaking passages uit zijn Christus-Visionen voorleest,
omdat die zo overeenstemmen met haar eigen essay Jesus der Jude. Lou
(Luise) von Salomé is dan zesendertig en Rilke eenentwintig, vijftien
jaar verschil. Zij is een dochter van een Russische generaal uit St.
Petersburg, die op zijn vijfentwintigste als jongste kolonel in het
Russische leger in de erfelijke adelstand was verheven. Op haar
zeventiende had zij zich onttrokken aan een geestelijk mentor die
verliefd op haar geworden was, zoals zij zich later zou onttrekken aan
de liefdes van de filosoof Nietsche en diens vriend Paul Rée, die
ongeveer gelijktijdig aan haar verslingerd waren geraakt en met wie
zij in 1882 - zij was toen eenentwintig - een ménage à trois had
overwogen. Nietsche was de eerste die zij losliet en die is de breuk
nooit meer te boven gekomen. Ze ging met Rée verder, leefde jaren met
hem samen, maar toen zij zich met de oriëntalist Andreas verloofde en
desondanks de relatie met Rée wilde bestendigen, zegde deze laatste
de woongemeenschap op. Toen Lou von Salomé ook Andreas geen
trouwbelofte had willen geven, had deze een mes in zijn borst
gestoten, wat hem bijna het leven kostte. In juni 1887 trouwde Lou von
Salomé met Friedrich Carl Andreas, maar zij weigerde hem tot zijn
dood in 1930 elke intimiteit.
Rilke is in 1897 de zoveelste (veel jongere) minnaar
van deze zeer uitzonderlijke vrouw, die al meteen een enorme invloed
op hem heeft. Ze is zijn bevrijdende, zeer ervaren minnares maar
tegelijk zijn zorgende moederlijke vriendin. Tevens voert ze Rilke
binnen in de Russische cultuur en in de filosofie van Nietsche. Ze
verduitst zijn naam René tot Rainer en ze zet hem ertoe aan zijn
handschrift te verbeteren. Van de ene op de andere dag verandert Rilke
dat totaal. Hij verlaat vervolgens München en wordt in Berlijn
'familie- en huisvriend' van het echtpaar Andreas. Hij huurt vlakbij
een kamer, maar hij woont praktisch samen met Lou, terwijl de
echtgenoot zich in zijn studeervertrek ophoudt. Hij helpt haar in het
huishouden, studeert met haar, leest haar zijn eigen verhalen en
gedichten voor, gaat met haar uit. Als hij in 1898 Florence bezoekt,
houdt hij voor haar zijn Florentiner Tagebuch bij. In Florence maakt
Rilke kennis met de schilder Heinrich Vogeler die hem later zal
introduceren in de kring van kunstenaars te Worpswede. Hij maakt
uitvoerig studie van de Italiaanse renaissance en houdt vooral van
Botticelli, de schilder van de maagdelijke madonna's. Maar hij deelt
ook volop in het grote enthousiasme voor Michelangelo dat rond de
eeuwwisseling in Duitsland heerst.
In de winter van 1898 ontwikkelt Rilke zich als
dagbladschrijver. Hij schrijft literaire en kunstrecensies en laat ook
als toneelcriticus van zich horen. Hij studeert Russisch met Lou en
volgt colleges kunstgeschiedenis aan de universiteit van Berlijn. In
het voorjaar van 1899 maakt hij met het echtpaar Andreas zijn eerste
Russische reis, in de zomer is hij met Lou te gast bij Frieda von
Bülow, waar hij ijverig werkt aan gedichten die later verschijnen in
Das Buch der Bilder en Das Stundenbuch. In de herfst van het jaar 1899
schrijft hij ook zijn Geschichten vom lieben Gott en de oerversie van
zijn Cornet.
In het jaar 1900 gaat Rilke met Lou voor de tweede
keer naar Rusland voor een langduriger en uitermate zorgvuldig
voorbereide tweede kennismaking met de Russische cultuur.
Hartstochtelijk op zoek naar een vaderland voelt hij een grote
zielsverwantschap met het Russische volk. Hij ontmoet Tolstoj, de
boerendichter Drosjin, de schilder Pasternak en diens tienjarige zoon,
de latere lyricus Boris Pasternak. Veel van zijn Russische indrukken
zijn terechtgekomen in Das Stundenbuch, dat opgedragen is aan Lou. Het
in december 1900 gepubliceerde Geschichten vom lieben Gott kan als een
prozacommentaar fungeren bij de gedichten uit Das Stundenbuch.
Russische motieven zijn ook te ontdekken in de latere belangrijke
werken van Rilke.
Na een reis van bijna vier maanden door Rusland reist
Rilke eind augustus onmiddellijk door naar Worspwede, naar de door hem
in Florence ontmoete schilder Vogeler. In Worpswede leert Rilke zijn
latere vrouw, de beeldhouwster Clara Westhoff,

en haar vriendin, de
schilderes Paula Becker kennen. Hij wordt door de
kunstenaarsgemeenschap hartelijk ontvangen, vooral door de genoemde
vrouwen. Clara Westhoff wekt Rilkes belangstelling voor Rodin, in
wiens werk hij zich gaat verdiepen. Ook leest hij Jacobsen en
Hauptmann en schrijft hij gedichten. Op de gezamenlijke uitstapjes
naar Hamburg of Bremen worden musea en theaters bezocht. Als Paula
Becker zich verlooft met de schilder Modersohn, gaat Rilke nadenken
over een verhouding met Clara.
De winter van 1900-1901 brengt hij weer in Berlijn
door. Hij schrijft Clara heel vaak en stuurt haar het manuscript van
zijn Cornet toe. De eerste versie daarvan had hij op een winderige
herfstavond van het jaar 1899 in één vloedgolf neergeschreven. Een
tweede versie verschijnt in 1904 in het tijdschrift 'Deutsche Arbeit',
een derde versie is de boekuitgave van Axel Juncker in 1906. Maar pas
als uitgever Kippenberg het prozagedicht in 1912 laat verschijnen als
eerste deeltje van de Insel-bibliotheek, begint de Cornet aan zijn
publicitaire triomftocht: in 1917 100.000 exemplaren, in 1934 500.000
en in 1959 één miljoen.
In januari bezoekt Clara Westhoff samen met Paula
Becker Rilke in Berlijn. In februari verloven Rilke en Clara zich,
waarna ze op 28 april 1901 in Bremen trouwen. Ze gaan vlak bij
Worpswede in Westerwede wonen. Op 12 december wordt hun dochtertje
Ruth geboren, hetgeen sommigen doet denken, dat het een 'gedwongen'
huwelijk was. Toen ze trouwden, kenden ze elkaar immers nog maar een
half jaar. Eind februari had Rilke een dramatisch schrijven van Lou
ontvangen met als bovenschrift: 'Laatste kreet'. In die brief had ze
zich geheel van hem losgemaakt om haar innerlijke onafhankelijkheid en
vrijheid weer terug te krijgen. Ze deed het voorkomen alsof de
hypochondrie van Rilke haar te zwaar was geworden, maar misschien was
deze verwijdering wel haar reactie op het bericht van zijn verloving.
Tot een breuk met Lou komt het niet. Ze blijven levenslang vrienden.
De pasgetrouwde Rilke werkt hard, o.a. aan gedichten
die in 1902 in Das Buch der Bilder zullen gaan verschijnen. Vader
Josef en moeder Phia komen na elkaar hun zoon en zijn vrouw opzoeken.
Als het kind eenmaal geboren is, blijkt Rilke weinig talent voor het
vaderschap te bezitten en nauwelijks tijd voor het gezin te kunnen
vrijmaken. Hij bezoekt meerdere weken achter elkaar een bevriende
prins die op kasteel Haseldorf aan de monding van de Elbe woont. Veel
ervaringen die Rilke hier opdoet, zijn in Malte Laurids Brigge
terechtgekomen. Het is het eerste kasteel waar hij tijdelijk onderdak
vindt.
Na meer dan een jaar wordt duidelijk dat het
gezinsleven niet wil lukken en dat noch Rilke noch Clara zich volledig
als kunstenaar kunnen ontplooien. Ze besluiten de kleine Ruth bij Oma
Westhoff onder te brengen en naar Parijs te verhuizen, waar Rilke een
Rodin-monografie wil schrijven en Clara haar kunstenaarschap nieuw
leven wil inblazen. Rilke gaat eind augustus 1902 naar Parijs, terwijl
Clara vooralsnog in Westerwede blijft. Rilke wordt heel hartelijk
ontvangen door Rodin, die dan tweeënzestig is. Het samenzijn met
Rodin wordt voor Rilke een geweldige artistieke ontdekkingsreis.
De kunst stelt Rodin ver boven zijn leven; een
kunstenaar moet werken en niets dan werken. Rilke voelt zich tegenover
de gedreven reus Rodin erg zwak, maar hij houdt het verfoeilijke leven
in de afschuwelijke stadsomgeving (zie Malte Lauridds Brigge) goed
vol. Clara arriveert in Parijs en ze gaan samenwonen. Rilke vertoeft
veel in het Louvre en in de Bibliothèque Nationale. Hij is daar
vooral gericht op de klassieke oudheid, maar hij werkt er ook hard aan
de Rodin-monografie waarin hij de beeldende kunstenaar beschrijft in
zijn passie, het naakte menselijke lichaam, én in zijn artistieke
ontwikkelingsgang. Zo analyseert Rilke in 1907 in een reeks brieven
aan Clara ook de schilder Cézanne heel scherp.
In maart 1903 is Rilke doodmoe van het geconcentreerde
werken aan de Rodin-studie. Hij reist dan in z'n eentje naar Italië,
waar hij veel brieven schrijft en waar hij ook aan de reeks Brieven
aan een jonge dichter begint, die aan Franz Xaver Kappus zijn gericht.
Hij logeert in Genua, Santa Margherita en Viareggio. Net als vijf jaar
eerder krijgt hij daar in het hotel Florence een balkonkamer met
uitzicht op zee. In de vroege morgen baadt hij bij voorkeur naakt, hij
maakt lange wandelingen op blote voeten en eet vegetarisch. Hij zoekt
de eenzaamheid en schrijft in één week het derde deel van Das
Stundenbuch: Das Buch von der Armut und vom Tode.
Die gedichten overvallen hem bijna en vloeien in
vrijwel volmaakte vorm uit zijn pen. Hij ziet daarin een aanwijzing
dat zijn gedichten hem 'gedicteerd' worden. Hier in Italië geneest
hij van de verschrikkingen van de grote stad Parijs. In de
gedichtencyclus over de armoe en de dood legt hij zijn overtuiging
neer, dat de bewust gekozen armoe de enige levenreddende houding is
tegen de materialistische opdringerigheid van de grote stad. De dood
die ons uiteindelijk zal grijpen, moet onze 'eigen dood' zijn, vindt
Rilke. Onze eigen dood is al vanaf onze geboorte in ons aanwezig, hij
is de laatste schakel van de levensketting.
Terug in Parijs is Rilke weer snel ziekelijk. Als hij
samen met Clara op uitnodiging van Vogeler een aantal weken terug kan
naar Worpswede, doet hij dat graag. Hij wil ook Lou bezoeken maar hij
schrijft eerst een reeks elkaar snel opvolgende brieven vol van
ontstellende Parijse indrukken. Vele daarvan vinden we in Malte
Laurids Brigge terug. Rilke en Clara verblijven ook een poos in het
ouderlijk huis van de Westhoffs, waar de verhouding tussen Rilke en
zijn schoonvader nogal gespannen is. Daarna vertrekken ze naar Rome,
waar ze dankzij een studiebeurs kunnen overwinteren. Onderweg bezoeken
ze Rilkes vader in Marienbad. Rilke zoekt in Rome vooral
overblijfselen van de antieke cultuur, de barok bevalt hem niet. Over
de aquaducten en fonteinen van Rome is hij echter enthousiast. Dat
blijkt later ook uit zijn Neue Gedichte.
Sinds hij de schrijver Jacobsen heeft leren kennen,
wil Rilke graag naar Scandinavië. Ellen Key, met wie hij een
briefwisseling onderhoudt, bezorgt hem een uitnodiging voor een bezoek
aan het landgoed Borgebygård in Zuid-Zweden. In juni 1904 reist hij
daarheen, nadat hij eerst een bezoek aan zijn moeder heeft gebracht.
Bij het kasteel Borgebygård ligt een park en het geheel ligt temidden
van akkers en weiland. Rilke geniet enorm van het buitenleven. Hij is
veel en graag alleen. Hij laat zich vrijstellen van de
gemeenschappelijke maaltijd, omdat die hem zijn hele avond kost. Het
landgoed Borgebygård komt in Neue Gedichte voor in het gedicht In
einem fremden Park.
Een andere kennis van Ellen Key nodigt vervolgens
Rilke uit om naar Jonsered vlakbij Göteborg te komen. Daar vertaalt
hij in de herfst Kierkegaards brieven aan zijn verloofde. Kerstmis
1904 is hij dan weer bij vrouw en dochter, maar kort daarna moet hij
wegens bloedarmoede en uitputting gaan kuren. Alweer dankzij Ellen Key
wordt er door Praagse literatuurliefhebbers geld ingezameld voor een
werkbeurs. Rilke gaat van dat geld zes weken met Clara naar een duur
sanatorium bij Dresden, waar ze ook de wittebroodsweken hadden
doorgebracht. Deze ogenschijnlijke 'geldverspilling' van de straatarme
Rilke, die een heel onburgerlijke houding had met betrekking tot geld,
levert hem uiteindelijk toch erg veel op. In dat kuuroord maakt hij
namelijk kennis met gravin Luise von Schwerin. De ontmoeting tussen
Rilke en deze gravin, op wie hij een onuitwisbare indruk maakte, was
de eerste in een lange reeks ontmoetingen met veelal adellijke
beschermvrouwen, van wie Marie von Thurn und Taxis de bekendste is.
Rilkes fluïdum en grote aantrekkingskracht op deze
adellijke dames, bestond uit zijn dichterroem, zijn exquise
omgangsvormen, zijn onmannelijke onbeholpenheid in allerlei praktische
zaken en zijn voor de verwennende vrouwen 'veilige' status van gehuwd
man. Hij werd snel zo geliefd in aristocratische kringen, dat hij
gedurende zijn hele leven meer uitnodigingen moest afslaan, dan hij
aannam.
Kort na het verblijf in het kuuroord reist Rilke naar
Göttingen voor een ontmoeting met Lou, die hij viereneenhalf jaar
niet had gezien. Hij staat dan op het punt om als dichter voor een
groot publiek door te breken met Das Stundenbuch, de eerste
boekuitgave van de Cornet en met het uitgebreide Das Buch der Bilder.
De echtgenoot van Lou is in Göttingen als hoogleraar benoemd en ze
hebben daar een (eigen) huis betrokken, waarvan ze ieder een
verdieping bewonen: Andreas de begane grond, Lou de eerste verdieping.
De naam van het huis was samengesteld uit hun voornamen: 'Loufried'.
Na het bezoek aan Lou verblijft Rilke op verschillende plaatsen in
Duitsland, o.a. op kasteel Friedelhausen van Luise von Schwerin, waar
ook Clara enkele weken doorbrengt.
In de nazomer van 1905 krijgt Rilke een brief van
Rodin, waarin deze hem verzoekt, om bij een volgend verblijf in Parijs
bij hem in Meudon te komen wonen en hem te helpen met zijn al te
uitgebreide correspondentie. Rilke gaat daarop in, krijgt een klein
eigen huis met een weids uitzicht over het Sèvres-dal en een
maandsalaris van tweehonderd franc voor twee ochtendlijke werkuren.
Hij wordt behandeld als een lid van het gezin, vergezelt Rodin op
diens bezoeken en is dikwijls aanwezig als er gasten moeten worden
ontvangen: diplomaten, kunstminnaars, dichters en schilders. Een
uitstapje met Rodin naar Chartres levert het gedicht Ange du Méridien
op, dat ieue Gedichte staat. Maar alle gedichten van Neue Gedichte
zijn in zekere zin aan Rodin te danken, omdat die Rilke een 'nieuwe
manier van kijken' leerde. Op aanraden van Rodin ging Rilke vaak naar
de Jardin des Plantes, waar o.a. het beroemde gedicht Der Panther is
ontstaan.
Ondanks zijn 'secretarisfunctie' bij Rodin gaat Rilke
twee keer vrij langdurig naar Duitsland voor lezingen over Rodin en
voordrachten uit eigen werk. In het vroege voorjaar van 1906 bereikt
hem daar het bericht dat zijn vader in Praag op sterven ligt. Samen
met Clara gaat hij erheen, maar hij treft zijn vader niet meer levend
aan. Als zoon verricht hij de noodzakelijke taken, bericht zijn moeder
waar de begraafplaats is, keert terug naar Parijs, naar die andere
vaderlijke figuur, Rodin, die hem echter kort daarna nodeloos grof op
staande voet ontslaat. Rilke vertrekt en neemt op 12 mei in een zeer
waardige brief afscheid van Rodin, die pas een jaar later het contact
weer enigszins herstelt.
De bundel Neue Gedichte, waarvan het hierboven
genoemde gedicht Der Panther het oudste en bekendste is, verscheen in
1907. Het tweede deel (Das andere teil) verscheen in 1908. Rilke geeft
in beide bundels blijk van een haarscherp observatievermogen en een
zeer indringend inlevingsvermogen. De directe lyriek van Das
Stundenbuch en Das Buch der Bilder is hier vervangen door een veel
objectievere 'gestaltenlyriek', ook wel indirecte lyriek genoemd. Dat
blijkt heel duidelijk uit de titels. In Das Buch der Bilder komen veel
titels voor als: 'Bangnis', 'Klage' en 'Einsamkeit'; in Neue Gedichte
zijn het vaak titels als: 'Der Blinde', 'Die Greisin', 'Der Gefangene'
of 'Der Panther'. De dichter Rilke toont een groot inlevingsvermogen
in al deze 'gestalten'. De gedichten van Neue Gedichte tonen ook een
krachtiger geslotenheid van vorm - het zijn vaak sonnetten -, en een
grotere precisie in de woordkeus en de metaforiek. Rilke is een
rijpere persoonlijkheid geworden en een trefzekerder kunstenaar.
Terwijl Clara de zomer in Worpswede doorbrengt,
bezoekt Rilke een aantal Vlaamse steden (Oostende, Brugge, Ieper,
Gent), die hem zowel door Rodin als door Emile Verhaeren waren
aanbevolen. Vanaf september is hij met vrouw en kind in kasteel
Friedelhausen, waar hij door de zus van Luise von Schwerin wordt
uitgenodigd om 'in volkomen werkvrijheid' de winter bij haar op het
eiland Capri te komen doorbrengen. Eind november vertrekt hij daarheen
vanuit Berlijn, waar Clara intussen een eigen atelier heeft ingericht.
Hij komt op zijn eenendertigste verjaardag, 4 december 1906, op het
eiland aan. In de tuin van de prachtige Villa Discopoli krijgt hij een
rustig onderkomen toegewezen, het 'Rozenhuisje'. Hij kan daar
ongestoord werken. 's Avonds vervoegt hij zich voor het avondmaal bij
het adellijke damesgezelschap (Alice Faehndrich (49), haar stiefmoeder
Julie von Nordeck zur Rabenau (64) en Manon zu Solms-Laubach (24)),
dat hij de rest van de avond onderhoudt met voorlezingen en
gesprekken. Hij wandelt ook daar veel, vaak vergezeld door Manon.
Tijdens de kerstdagen blijft hij op Capri. In januari
komt Clara, op doorreis naar Egypte, even langs. Zij verwijt Rilke
zich veel te weinig van vrouw en kind aan te trekken. Lou
Andreas-Salomé, met wie zij intussen vriendschap heeft gesloten,
heeft haar daartoe aangezet. Rilke beantwoordt het verwijt met een
verwijzing naar hun beider kunstenaarschap en naar de
'wereldbinnenruimte' waarin het 'huis' staat waarin zij beiden wonen.
Eind april 1907 komt Clara op terugreis uit Egypte weer langs Capri,
waar Rilke intussen voorbereidingen maakt voor zijn terugkeer naar
Parijs.
Rilke huurt een kamer in de rue Cassette 29, waar hij
uitkijkt op een kloostertuin met hoge kastanjebomen. Heel de zomer
werkt hij aan zijn hoge lessenaar heel hard aan zijn Neue Gedichte en
aan Malte Laurids Brigge. In de herfst bezoekt hij vele malen een
herdenkingstentoonstelling van werken van de in 1906 overleden
Cézanne. Hij legt zijn indrukken vast in een reeks brieven aan Clara.
Eind oktober gaat hij naar Praag voor voorlezingen uit eigen werk. Hij
bezoekt er het graf van zijn vader, ontmoet er zijn moeder, bezoekt
kasteel Janowitz van de familie Nádherný von Borutin (vriendin
'Sidie') en ontvangt er ook de verzoeningsbrief van Rodin, waarop hij
per omgaande heel zakelijk en beheerst reageert. Behalve in Praag
treedt hij ook in Breslau en Wenen op, niet alleen met voorlezingen
uit eigen werk (waarbij vooral Das Karussell het erg goed doet) maar
ook met de altijd zeer succesvolle voordracht over Rodin. Na Wenen is
Rilke een aantal dagen in Venetië, waar hij logeert bij
kunsthandelaar Piero Romanelli. Hij wordt verliefd op diens zus Mimi,
die hij desondanks veel vertelt over Clara en zijn dochtertje.
De kerstdagen brengt hij weer door in Oberneuland bij
de familie van Clara. Hij blijft er tot in februari (1908). Dan heeft
mede door grote geldzorgen de lusteloosheid zo toegeslagen, dat hij
moet gaan herstellen op Capri. Hij krijgt dan enkele grote giften die
hem ruim anderhalf jaar uit de zorgen houden, zodat hij kan doorwerken
aan Malte Laurids Brigge.
Op 1 mei 1908 gaat hij terug naar Parijs, waar hij in
augustus van Clara het atelier in het voormalige klooster van de
Sacré Coeur in Hôtel Biron (77 Rue de Varenne) overneemt. Hij
schrijft zo enthousiast over deze nieuwe behuizing aan Rodin, dat deze
er ook zijn intrek neemt. Rilke wordt dan onderhuurder van Rodin, die
zelf de hele benedenverdieping in gebruik neemt. Rilke heeft op de
eerste verdieping in de linkerhoek twee vorstelijke ruimten. Hij
geniet van de vriendschap met Rodin, aan wie hij het tweede deel van
zijn Neue Gedichte opdraagt. Hij werkt naarstig door aan Malte Laurids
Brigge en krijgt in Hôtel Biron bezoek van o.a. Mimi, Lou en Ellen
Key, tegen wie hij klaagt over zijn gezondheid, die dit keer volgens
hem door meer dan de 'jaarlijkse influenza' wordt ondermijnd. Kuren in
de Provence en in het Zwarte Woud helpen niet. Toch maakt hij eind
1909 zijn roman af. Als hij begin 1910 een tournee door Duitsland gaat
maken, heeft hij het manuscript bij zich voor zijn uitgever
Kippenberg. Hij heeft er dan zes jaar aan gewerkt.
Malte Laurids Brigge is een jonge Deen, laatste telg
uit een adellijk geslacht, die in de eerste jaren van de twintigste
eeuw heel eenzaam en armoedig in Parijs woont Zijn 'Aantekeningen'
lijken op een dagboek vol herinneringen, uitweidingen en citaten.
Rilke heeft er veel autobiografisch materiaal in verwerkt. De plaats
van handeling in Parijs is vooral de buurt rondom de Jardin du
Luxembourg, een buurt die Rilke erg goed kende, omdat hij er op
verschillende adressen gewoond heeft. Hij beschrijft de ellende van de
grote stad (o.a. onder invloed van Baudelaire) en duikt regelmatig in
zijn eigen verleden. In de roman heeft hij grote brokken van zijn
onverwerkte jeugd beschreven in een soort psycho-analytische
zelfbehandeling. Ook van zijn correspondentie komen hele gedeelten in
de roman terecht, alles in een heel nauwkeurige, doordringende en
poëtische taal.
Eind 1909 heeft Rilke een uitnodiging ontvangen van
vorstin Marie von Thurn und Taxis-Hohenlohe. Die uitnodiging van de
vorstin om naar Duino te komen, accepteert hij in de zomer van 1910,
nadat hij een maand lang in Rome heeft verbleven, waar hij o.a. zijn
vriendin Sidonie Nádherný ontmoette en Jakob Wasserman en Samuel
Fischer, en waar hij de drukproeven van Malte Laurids Brigge
corrigeerde. In 1910 logeert Rilke dus voor de eerste keer in het
'kasteel aan zee', dat hoog op een rots boven de Adriatische zee
uitsteekt en dat volgens de overlevering ook Dante ooit onderdak moet
hebben geboden.
Marie von Thurn und Taxis was een zeer onderlegde
vrouw met een grote talenkennis, die veel kunstenaars uitnodigde op
het immens grote kasteel. Met Rilke heeft zij van meet af aan een
sterke vriendschapsband, ondanks het leeftijdsverschil van twintig
jaar. Zij moedert over hem en neemt hem in vertrouwen in
familieaangelegenheden. Ze noemt hem 'Dottor Serafico', terwijl de
jonge dichter Kassner, die al op Duino was toen Rilke er aankwam, de
titel 'Dottor Mistico' droeg. Al gauw kent ze Rilke zo goed, als
alleen Lou hem kende, maar ze gaat niet op zijn depressies in en
analyseert ze al helemaal niet. Ze accepteert alle symptomen van zijn
neurasthenie, zijn uitzonderlijke weersgevoeligheid, zijn enorme
slaapbehoefte en zijn uitputtingsverschijnselen.
Na de voltooiing van Malte Laurids Brigge begint voor
Rilke een periode van rusteloze omzwervingen, die zal duren tot 1921,
als hij zich op Muzot vestigt. Hij logeert veel op kastelen en soms in
de betere hotels. Zijn honoraria zijn opgelopen, hij ontvangt
reguliere giften van bewonderaars en nu en dan onvoorziene forse
legaten. Hofmannsthal hielp hem soms ook aan forse bedragen. In 1911,
toen Rilke zonder financiële middelen uit Egypte terugkwam, zamelde
Hofmannsthal bij Helene von Nostitz, graaf Harry Kessler, uitgever
Kippenberg, Karl von der Heydt, Rudolf Kassner en anderen een groot
bedrag in, waaruit Rilke in drie jaar tijd telkens vierduizend mark
uitgekeerd kon worden. In 1914 kreeg Rilke vlak voor het uitbreken van
de oorlog van de filosoof Ludwig Wittgenstein een gift van
twintigduizend kronen.
Behalve de vele reizen door Midden-Europa maakt Rilke
de al eerder genoemde Egyptereis en een reis naar Zuid-Spanje, waar
hij in 1912 de hele maand november in de stad Toledo vertoeft. De
belangstelling voor Toledo was al in Parijs opgekomen bij het zien van
schilderijen van El Greco. Ook spiritistische seances in de herfst van
1912 op Duino verlevendigen zijn belangstelling voor Spanje. In Toledo
is hij gefascineerd door de engelen die de extatisch-mystieke El Greco
schilderde. In de Duineser Elegien hebben die o.a. hun neerslag
gevonden. Op het gebied van de literatuur maakt Rilke in deze jaren
nader kennis met de schrijvers die hij op school nauwelijks had leren
kennen: Kleist, Klopstock en Hölderlin, maar vooral met Goethe. Hij
bezoekt voorstellingen van modern ballet en stelt zich ook open voor
de expressionistische literatuur in het tijdschrift 'Die Weissen
Blätter', o.a. voor 'De gedaanteverwisseling' van Kafka, die diepe
indruk op hem maakt.
De muziek wordt hem nader gebracht door Marie von
Thurn und Taxis, maar vooral door Magda von Hattingberg, die zich in
1914 met een brief over Geschichten vom lieben Gott bij hem
introduceert en waarmee hij al snel daarna een liefdesrelatie krijgt.
Hij geeft haar de naam 'Benvenuta' (= degene die welkom is). Zij
speelt erg goed piano en in Parijs in 1914 zien zij elkaar dagelijks.
Ze reizen ook samen naar Duino, waar Marie von Thurn und Taxis Rilke
ervan probeert te overtuigen dat Benvenuta niet de ware voor hem is.
Korte tijd later gaan ze dan ook als vrienden uit elkaar.
In de eerste zomerweken van 1914 verblijft Rilke
zonder het te weten voor de laatste keer in Duino. Het was daar toen
'een groots séjour', schrijft Kassner, waarop zelfs aartshertog Frans
Ferdinand aanwezig was, vlak voor zijn reis naar Serajevo, waar hij in
juni wordt doodgeschoten: de aanleiding tot de eerste wereldoorlog. In
het begin van 1912 was Rilke daar aan zijn elegieën begonnen. De
eerste twee zijn daar toen ook geschreven, alsmede enkele aanzetten
voor latere. De meeste van de elegieën van Duino zijn dus niet in
Duino geschreven, maar Rilke noemde ze zo uit dankbaarheid jegens zijn
gastvrouw. De derde elegie schrijft hij in de herfst van 1913 in
Parijs, de vierde eind 1915 in München, de overige zes in het vroege
voorjaar van 1922 in Muzot.
Op 19 juli 1914 verlaat Rilke Parijs voor, naar hij
meent, een korte reis naar Duitsland. In München wordt hij verrast
door het uitbreken van de oorlog, die in Oostenrijk en Duitsland met
een juichstemming wordt begroet. Kort daarna ervaart hij de
gruwelijkheden ervan, als goede vrienden sterven op het slagveld of
doodziek naar huis komen. Temidden van een opgehitst volk is hij de
vredelievende enkeling. Hij heeft als echte Europeaan niets met de
Donaumonarchie. Zijn emotionele vaderland is Rusland, zijn
intellectuele vorming heeft hij voornamelijk in Parijs opgedaan, hij
voelt zich thuis in Scandinavië, Italië en Spanje. De
oorlogspsychose gaat langs hem heen. Hij heeft last van zijn maag,
bezoekt een arts en deze stuurt hem naar een herstellingsoord in
Irschenhausen, dicht bij München. Daar ontmoet hij Loulou
Albert-Lasard, een jonge getrouwde vrouw met koperrood haar en groene
ogen. Deze ontmoeting heeft prachtige gedichten opgeleverd, o.a. het
bekende Ausgesetzt auf den Bergen des Herzens, dat hij drie dagen na
hun ontmoeting op 20 september 1914 schrijft. Hun innige
liefdesrelatie - ze gaan in een pension in München samenwonen -
bedreigt haar huwelijk, maar zij weet haar dertig jaar oudere man te
bewegen met de scheiding te wachten tot na de oorlog. Zij is een
schilderes en schildert in 1916 een portret van Rilke.
Tijdens de stormachtige huwelijksperikelen van Loulou
in het najaar van 1914 vertrekt Rilke naar Berlijn, waar hij afscheid
neemt van een stervende vriend (Heymel) en oude vrienden terugziet: de
Von der Heydts, de Hauptmanns, Magda von Hattingberg. Hij leert er de
mooie Marianne Mitford kennen, die pas gescheiden is van een Engelse
lord en die haar prachtige huis aan Rilke aanbiedt, terwijl zij zelf
in de ouderlijke woning terugkeert. Tot na Kerstmis 1914 blijft Rilke
in Berlijn. Het grootste deel van 1915 is hij in München, vaak samen
met Loulou, die hij in contact brengt met Clara en Lou, met Kassner,
Hofmannsthal e.a. De schilder Paul Klee is er een poos de buurman van
Loulou. In de zomer bewoont Rilke de kamers van Hertha Koenig om beter
te kunnen werken. Daar staat hij vaak lange tijd voor Picasso's
schilderij 'La famille des saltimbanques', waaraan even wordt
gerefereerd in de aan Hertha Koenig opgedragen Vijfde Elegie.
Eind 1915 wordt Rilke onder de wapenen geroepen.
Ondanks het feit dat al zijn Parijse bezittingen verloren zijn gegaan
(geveild wegens een huurschuld) is hij dan welvarend, dankzij de
schenking van Wittgenstein en dankzij het enorme succes van de Cornet.
Hij heeft in de herfst van 1915 een creatieve periode waarin hij o.a.
de Vierde elegie voltooit. De dag na de voltooiing ervan, namelijk op
24 november 1915 wordt hij gekeurd en geschikt bevonden voor actieve
landstormdienst. Hij beweegt hemel en aarde om in Wenen gelegerd te
worden, want daar hebben zijn machtige vrienden waarschijnlijk de
meeste invloed. Op 4 januari 1916 meldt hij zich daar. Hij wordt er in
een haveloos uniform gestoken en moet drie weken lang velddienst doen.
Hij raakt volkomen uitgeput, valt flauw tijdens een oefening en wordt
dan na een herkeuring op 27 januari op het oorlogsarchief
tewerkgesteld. Veel vrienden spannen zich voor hem in: Von der Heydt,
Katharina Kippenberg, Marianne Mitford, 'Sidie' Nádherný, Alexander
Thurn und Taxis, prins Ludwig Ferdinand van Beieren, en ook de
schrijvers Hofmannsthal, Karl Kraus en Stefan Zweig. Rilke, die door
zijn Cornet de reputatie van heldendichter had gekregen, weigert om op
het oorlogsarchief 'helden te stileren' en krijgt vervolgens eenvoudig
kantoorwerk opgedragen. Hij mag in een hotel logeren en is vaak op
bezoek bij Marie Taxis in de Victorgasse, maar ook bij veel andere
vrienden. In diensttijd moet hij een uniform dragen. Buiten diensttijd
vat hij het rijke leven op, dat hij tevoren in München had geleid.
Als Loulou Albert-Sasard naar hem toe komt, gaat hij voor langere tijd
met haar in een hotel in Rodaun logeren. Daar heeft zij ook het eerder
genoemde portret gemaakt.
In juni 1916 wordt Rilke uit militaire dienst
ontslagen en gaat hij terug naar München, waar hij tot juli 1917 zal
blijven. Echt creatief werken is uitgesloten in de
oorlogsomstandigheden. Hij vertaalt wat en verdiept zich in de
nieuwste kunst van Kokoschka en Klee en in de
humanitair-expressionistische literatuur van Else Lasker-Schüler,
Alfred Wolfenstein en Johannes Becher. Hij heeft na het einde van de
relatie met Loulou Albert-Lasard (in de zomer van 1916), ook weer vele
nieuwe relaties met jonge vrouwen, als minnaar (o.a. met Claire
Studer, 'la grande dame du dada') of als vaderlijke vriend (o.a. met
Wera Ouckama Knoop, die op negentienjarige leeftijd aan leukemie
overleed en aan wie Die Sonette an Orpheus zijn opgedragen). Iedereen
roemt zijn elegantie en exquise smaak. Rilke's relatie tot Lou
Andreas-Salomé, Katharina Kippenberg en Marie Taxis is sterk en
trouw. Daarnaast heeft hij hevig oplaaiende relaties van hooguit
enkele jaren, bijvoorbeeld met Magda von Hattingberg, Loulou
Albert-Basard en in de Zwitserse tijd Balladine Klossowska, en
vervolgens vele kortstondige relaties, die hij soms zeer abrupt
beëindigde. Voor zijn vrouw Clara zorgt hij als voor een vriendin uit
oude tijden. Voor zijn dochter Ruth is hij niet veel meer dan een
vriendelijke oudoom.
In de winter van 1918-1919 is Rilke weer helemaal in
de ban een dweperige jonge vrouw, Elya Maria Nevar, en krijgt hij,
ondanks zijn elitaire en aristocratische sociale context, in de
'snelle' tijd van de Beierse radenrepublieken uitnodiging op
uitnodiging. Door zijn vriendschap met Sophie Liebknecht leert hij het
extreem linkse milieu goed kennen. Vriendin Hertha Koenig betrekt
Rilke in haar plannen om op haar Westfaalse landgoed een sociale
hulporganisatie op te richten voor de armen. Hij bezoekt in München
massale bijeenkomsten van linkse groeperingen en geniet van de geur
van 'bier en rook en volk'. Maar al gauw ziet hij in dat er geen grote
structuurveranderingen in de maatschappij zullen plaatsvinden. Van
Rusland heeft hij ooit gezegd, dat een revolutie er alleen een
oppervlakterimpeling zou zijn, en dat ziet hij nu in Duitsland
uitkomen.
Omdat hij bolsjevisten (zoals Claire Studer) onderdak
biedt, is Rilke bij de burgerlijke partijen verdacht. Na de tweede
ruwe huiszoeking door zwaarbewapende politiemannen verlaat hij
München definitief. Hij had inmiddels zijn Zwitsers visum gekregen en
hij gaat in op de uitnodiging van 'Sidie' Nádherný om naar Nyon aan
het meer van Genève te komen. Hij is nadien nooit meer naar Duitsland
teruggegaan. Na diverse omzwervingen in Zwitserland (van vrienden naar
vrienden van vrienden) vindt Rilke een poos rust in
Zuidoost-Zwitserland, in Soglio bij de Italiaanse grens. Maar zijn
tijdelijke verblijfsvergunning baart hem zorgen. Met de ontbinding van
de Oostenrijkse staat is hij zijn Oostenrijks staatsburgerschap
kwijtgeraakt en een Tsjechische pas heeft hij nog niet. Ook financieel
heeft hij grote zorgen, want van het Duitse geld blijft bij
omwisseling in Zwitserse francs weinig over. Daar komt bij dat ook
zijn gezondheid veel te wensen overlaat. Hij zoekt hartstochtelijk
naar een rustige plek waar hij eindelijk na zes jaar zijn werk kan
voortzetten en zijn elegieën kan voltooien. Marie Taxis houdt in de
kasteeltuin van Lautschin in Bohemen een huisje voor hem vrij, maar
hij heeft in Zwitserland vele toezeggingen gedaan voor lezingen uit
eigen werk. In Soglio bereidt hij zich daarop voor. Tevens moet hij
daar zijn omvangrijke correspondentie afwerken.
De lezingentournee begint op 27 oktober 1919 in
Zürich en eindigt op 28 november in Winterthur. Hij leest niet alleen
voor uit eigen werk, maar houdt ook voordrachten over Rodin en
Cézanne. In Zürich maakt hij kennis met de veertigjarige Nanny
Wunderly-Volkart, die een trouwe vriendin zal blijven. Om haar kleine
gestalte en grote geestkracht noemt hij haar 'Nike' naar de Griekse
godin van de overwinning. Haar neef Werner Reinhart, die Rilke in zijn
rijke huis in Winterthur ontvangt, zal uiteindelijk het 'Chateau de
Muzot' voor hem afhuren (en later kopen) maar voor het zo ver is,
heeft Rilke nog veel onzekerheid en vertwijfeling rond het vinden van
een eigen plek doorgemaakt. In het najaar van 1921 is het pas zo ver.
In de voorzomer van 1920 bezoekt Rilke Marie Taxis in
Venetië, maar na een maand vertrekt hij om Eleonora Duse te ontlopen.
In Genève ontmoet hij Baladine Klossowska ('Merline') met wie hij
meteen een hartstochtelijke liefdesrelatie aangaat. Met Merline is hij
in de zomer van 1920 in Genève, in Zürich en in Bern en samen
bezoeken ze Sion en Sierre. 'Nike' weet Rilke dan een onderkomen voor
de winter te bezorgen, het kasteeltje Berg aan de Irchel in kanton
Zürich, en ze regelt ook een huishoudster voor hem. Omdat het een
ideale plaats is om te werken, kiest Rilke tot teleurstelling van
'Merline' er niet voor om bij haar in (het dure) Genève te blijven.
Hij reist eind oktober eerst nog naar Parijs, wandelt
daar in de Jardin du Luxembourg en langs de oevers van de Seine,
brengt daarna nog twee weken met 'Merline' in Genève door en gaat dan
naar 'Nike' die hem in de auto naar het kasteeltje brengt. Met de
huishoudster kan hij het uitstekend vinden en als in de streek de
ziekte mond- en klauwzeer uitbreekt, dwingt de quarantaine hem tot
eenzaamheid. Maar de voltooiing van de elegieën blijft uit en kort na
Kerstmis roepen liefdesbrieven van 'Merline' hem uit de eenzaamheid
weg. Hij reist naar Genève en keert met Merline naar Berg terug,
terwijl haar beide zonen onder de hoede van haar zus in Genève
blijven.
In het voorjaar van 1921 moet Merline met haar
zoontjes om financiële redenen bij haar broer in Berlijn intrekken en
Rilke verhuist naar Etoy in het kanton Vaud, waar Marie Taxis hem
korte tijd later komt bezoeken. Hij vraagt haar waar hij zich vestigen
moet. Er zijn verschillende aanbiedingen maar hij blijft in
onzekerheid. Eind juni komt Merline uit Berlijn over en samen met haar
bezoekt hij Sierre, waar hij in de etalage van een kapper een foto van
de woontoren Muzot ziet en hoort dat die te huur is.

Het is een gebouw
uit de dertiende eeuw, zwaar verwaarloosd en zonder electriciteit.
Rilke schrijft een lange brief aan Nike, met het eerder vermelde
resultaat, dat hij er door toedoen van haar neef kan gaan wonen, nadat
het volgens de plannen van Merline voor bewoning geschikt is gemaakt.
Op de begane grond bevinden zich het toilet, de eetkamer en de
woonkamer en de kamer voor de huishoudster. Op de eerste verdieping
liggen Rilkes werkkamer en slaapkamer. Op de verdieping daarboven zijn
nog twee kamertjes en een logeerkamer.
In november 1921 betrekt Rilke de woontoren samen met
een door Nike en Merline zorgvuldig geïnstrueerde huishoudster. Hier
kan hij in eenzaamheid beginnen aan de voltooiing van de elegieën.
Bij haar afscheid op 8 november hangt Merline een afbeelding boven
Rilkes schrijftafel: een reproductie van een zestiende-eeuwse
pentekening van Cima da Conegliano, voorstellende een tegen een boom
geleunde Orpheus die al zingend en viool spelend een vogel, twee
herten en twee hazen weet te boeien.
Eind januari 1922 staakt Rilke zijn correspondentie en
concentreert zich zo goed mogelijk op de sfeer van Duino en op de
reeds bestaande elegieën. Zo zoekt hij aansluiting bij een
vooroorlogse atmosfeer. Begin februari schrijft hij dan in enkele
dagen zesentwintig sonnetten. Vervolgens, in de week van 7 tot 14
februari voltooit hij de zes ontbrekende elegieën waarvan al vrij
grote aanzetten bestonden. Daarna schrijft hij nog eens negenentwintig
sonnetten en op 26 februari schrijft hij tenslotte het slot van de
zevende elegie. In één maand tijd, in een enorme creatieve eruptie,
voltooit hij zijn Duineser Elegien en schrijft hij het eerste deel van
Die Sonette an Orpheus.
Rilke beschouwt de Duineser Elegien als zijn
hoofdwerk. Het zijn tien gedichten van ongeveer gelijke lengte, 21/4
pagina elk, in totaal 853 regels. De eerste twee ontstonden in het
begin van 1912 op kasteel Duino van Marie von Thurn und Taxis. De
derde schreef Rilke in de late herfst van 1913 in Parijs, de vierde
eind 1915 in München en de reeks werd, zoals we zojuist zagen, in
1922 voltooid in Muzot. De elegieën lijken sterk op gedramatiseerde
innerlijke monologen. Rilke beschouwt zich niet zozeer als hun
schepper, maar als hun ontvanger. Hij ziet ze als moeilijk te
doorgronden openbaringen. Aan het duistere erin moet de lezer (of de
hoorder) zich nederig onderwerpen, want de gedichten spreken over de
'laatste dingen' van een mensenleven in het algemeen, maar ook over
het individuele levenslot, de persoonlijke symboliek en mythologie van
Rilke. Meteen al in de eerste regel van de eerste elegie treden
engelen op. De engel is bij Rilke geen mollige putto uit de
rococo-tijd, maar een vreeswekkende oudtestamentische figuur die met
groot ontzag en grote huiver moet worden benaderd. Hij is ver verheven
boven al het aardse en tijdelijke waarin de mensen en de dieren leven.
De elegieën gaan over engelen en mensen, over dieren,
planten, rivieren en bergen, kortom over het aardse én het
bovenaardse. Liefdesverlangen en leed, helden en heiligen, moeders en
jonggestorvenen, verleden, heden en toekomst van mens en wereld, het
verstandelijk onderscheidingsvermogen van de mens, het 'uitleggen' van
de wereld en de transformatie ervan in de 'wereldbinnenruimte', dat
zijn de thema's van de elegieën. Ze kunnen niet iedereen bekoren.
Sommigen begrijpen 'er geen jota van', maar anderen zijn geboeid door
Rilke's poging om buiten elke religie om de zin van het menselijk
bestaan te onderzoeken. Rilke looft het leven in de bekende uitspraak:
"Hier zijn is heerlijk" en is verheugd om de
scheppingskracht van de mens, die zich door zijn bewustzijn
onderscheidt van het dier. Verinnerlijking is de mens zijn voornaamste
opdracht, de pijn is zijn eigenlijke woonplaats, de dood zijn
bestemming.
Onmiddellijk na de voltooiing van de elegieën meldt
hij het Marie Taxis. Hij schrijft haar dat zijn hand nog trilt van de
laatste elegie, dat hij de elegieën opgedragen heeft aan Kassner,
maar dat het werk geheel van haar is. Diezelfde avond meldt hij het
ook aan Lou. Maanden later pas krijgen ook zijn vrouw en dochter het
te horen, in een brief die hij in mei schrijft naar aanleiding van
Ruths bruiloft op 12 mei (echtgenoot: Carl Sieber).
Veel vrienden komen hem daarna in Muzot bezoeken, o.a.
Nanny Wunderly-Volkart ('Nike'), Anton en Katharina Kippenberg,
Fürstin Marie von Thurn und Taxis en natuurlijk Baladine Klossowska
('Merline'). Belangrijke bezoekers in 1923 zijn: Carl J. Burckhardt,
Regina Ullmann, Werner Reinhart, Alma Moodie, Rudolf Kassner. Clara
komt pas in 1924 op bezoek bij haar man, samen met haar broer. Ook
Valéry is in 1924 bij Rilke te gast.

Sommige vriendinnen uit vroeger
jaren heeft Rilke in Zwitserland echter niet meer gezien: Helene von
Nostitz, 'Sidie'Nádherný en Lou Andreas-Salomé. Ook met zijn moeder
heeft hij alleen maar schriftelijk contact.
In maart 1923 verschijnen Die Sonette an Orpheus en in
juni de Duineser Elegien. Eind 1923 verschijnen de eerste recensies,
maar dan is Rilke bezig met vertalingen uit het Frans, o.a. de bundel
Charmes van Valéry, én met het schrijven van Franse gedichten. In
1926 verschijnt een vrij grote verzameling Franse gedichten van Rilke
onder de titel Vergers. Als appendix is aan de bundel toegevoegd:
Quatrains Valaisans: een verzameling vierregelige gedichten die het
landschap van Wallis bezingen. Later werden ook een aantal
rozengedichten onder de titel Les Roses en gedichten met etsen van
Merline, de bundel Fenêtres, aan de verzameling toegevoegd. Rilke is
dan al echt een klassiek auteur geworden, want in 1922 waren er van de
Cornet al 250.000 exemplaren gedrukt, van Das Stundenbuch 50.000 en
van Das Marienleben 60.000. In 1921 maakt uitgever Kippenberg voor het
eerst plannen voor een verzameld werk van Rilke.
Sinds Rilke in Muzot is neergestreken reist hij
nauwelijks meer. Hij is een kluizenaar geworden, die met zijn rozen en
zijn kleine wijngaard bezig is. Maar zijn vegetarische maaltijden
nuttigt hij, helemaal alleen en in stilte bediend, in stijl: in
smoking en aan een met zorg gedekte tafel. In de zomer van 1923 voelt
hij zich uitgeput en ziek. Hij laat zich in september en een groot
deel van oktober verplegen in sanatorium Schöneck bij het
Vierwoudstedenmeer. Eind december laat hij zich opnemen in de kliniek
Valmont bij Montreux. Vanaf 20 januari 1924 is hij weer op Muzot, maar
het einde van dat jaar (vanaf 24 november) brengt hij weer in Valmont
door. Rilke spreekt vanaf midden 1922 regelmatig van 'grote
vermoeidheid' en een grote behoefte aan slaap. Hij observeert zichzelf
zorgvuldig en constateert pijnlijke gevoeligheid aan de nervus
sympathicus vlak onder het middenrif, het gedeelte van het
zenuwstelsel dat de werking van de ingewanden, de klieren en de
bloedvaten regelt. Ook neemt hij hinderlijke 'zwellingen van maag- en
lichaamsspieren' waar. Maar in de kliniek leveren röntgen- en andere
onderzoeken niets op. Met zijn grote sensitiviteit ervaart hij echter
veranderingen in de 'inwendige secretie' en voelt hij het 'jusque dans
la moelle de mes os' (tot in het merg van mijn botten). Later blijkt
het inderdaad leukemie te zijn (een stoornis in de productie van witte
bloedlichaampjes in het beendermerg), waaraan hij lijdt.
Ondanks grote geldzorgen, mede vanwege de hoge
verpleegkosten, gaat Rilke in januari 1925 vanuit Valmont naar Parijs,
waar hij genezing hoopt te vinden. Hij neemt zijn intrek in een hotel
vlakbij de Jardin du Luxembourg. Merline, die in 1924 naar Parijs is
teruggekeerd, woont daar vlakbij, zodat ze elkaar heel vaak zien.
Rilke's verblijf in Parijs duurt tot 18 augustus. Hij ontmoet er vele
oude vrienden en naar het uiterlijk succes gemeten zijn het de
gelukkigste maanden van zijn leven. Zijn gezondheidstoestand is er
draaglijk.
Met Merline reist hij terug naar Sierre, vandaar naar
Milaan en vanaf 8 september is hij weer op Muzot, alleen en ziek. In
die tijd beginnen zich de eerste specifieke ziekteverschijnselen voor
te doen: knobbeltjes aan de binnenkant van zijn lippen, die hem het
spreken soms ernstig bemoeilijken. Op 27 oktober schrijft hij zijn
testament en stuurt het op aan 'Nike'. Voor het geval hij
wilsonbekwaam zou worden, bepaalt hij dat priesters bij hem vandaan
gehouden moeten worden. Zijn familiefoto's zijn voor Ruth en zijn
meubilair is voor Nike en haar neef Werner Reinhart. Verder verklaart
hij dat hij in Raron begraven wil worden en wat er op zijn grafsteen
moet komen te staan: het rilkeaanse familiewapen en de versregels:
Rose, oh reiner Widerspruch, Lust,
Niemandes Schlaf zu sein unter soviel
Lidern.
Ook op zijn vijftigste verjaardag (4 december) is hij
alleen. Kort daarna verlaat hij zijn huis voor de derde opname in het
sanatorium Valmont. Hij brengt er vijf maanden door en neemt in mei
zijn intrek in Hotel Bellevue in Sierre, omdat op Muzot
herstelwerkzaamheden worden verricht. In juli gaat hij naar Ragaz om
een paar dagen met Marie Taxis door te brengen in een
herstellingsoord. Na haar vertrek blijft hij daar nog een aantal weken
en heeft hij tedere contacten met verschillende jonge vrouwen. In
september is hij in een hotel in Lausanne, waar hij via vrienden een
jonge Egyptische ontmoet (Nimet Eloui) met wie hij autotochten
onderneemt. Aan de andere oever van het meer van Genève heeft hij op
13 september een ontmoeting met Valéry. Kort daarna keert hij met een
jonge Russin, Génia Tsjernosvitov, als secretaresse terug naar
Sierre, waar Génia haar intrek neemt in een hotel en Rilke weer naar
Muzot gaat. Samen met deze secretaresse werkt hij aan de vertalingen
van Valéry.

Eind september komt Nimet Eloui met een vriendin op
bezoek. Rilke plukt voor de dames een paar rozen en bezeert zich aan
een doorn die diep in zijn vlees dringt. De wond ontsteekt en moet
verbonden worden. Kort daarna doet ook zijn andere arm pijn. Daarna is
hij veel bedlegerig, voornamelijk in Hotel Bellevue, waar Génia hem
voorleest en zijn correspondentie helpt ordenen. Hij krijgt
ondraaglijke pijn en na veel uitstel reist hij tenslotte op 30
november met Génia naar Valmont. Nike komt op 9 december en blijft
tot aan zijn dood. Op 13 december schrijft Rilke nog een brief aan
Lou. Een paar dagen later schrijft hij zijn laatste gedicht op in zijn
notitieboekje:
Komm du, du letzter den ich anerkenne,
Heilloser Schmerz im Leiblichen Geweb:
.....
Rilke wil ondanks de ondraaglijke pijn geen verdovende
middelen gebruiken. Hij wil niet de dood van de artsen maar zijn eigen
dood. Hij sterft in de vroege ochtend van 29 december 1926 en wordt op
2 januari 1927, een zeer koude winterdag, op het kerkhof van Raron
begraven.
TERUG NAAR BEGIN VAN DEZE PAGINA
|