CuBra
Inhoud Roothaert
Home
Auteurs
Deze CuBra-website kwam tot stand onder redactie van Ed Schilders en Frans Walch
Copyright 2007 Paul Tensen Stichting & Stichting CuBra

Mr. A. Roothaert

Die Verkeerde Weereldt - 23

Volledige roman van Anton Roothaert - Elke donderdag een nieuw hoofdstuk

Ne una morbida ovis totum inficiat gregem.

Zes uur geleden heeft hij de snotneuzen aangestoken. Een ervan

staat voor het venster, dat uitziet op Deurne. De kapel ligt een

eindje van de weg af en bij zulk weer kan het zo donker zijn, dat

ge zonder erg zoudt voorbijrijden.

De regen heeft opgehouden en nu is het doodstil op Den Grootenberg.

Als het nog lang duurt, zal hij de lampen moeten bijvullen;

daar begint er al een te dansen. Het doffe tikken van de veerklok

maakt zijn hoofd zo zwaar. Zal hij maar in bed klimmen?

Truike wordt onrustig. Hij wil al roepen...

Rommedom, rommedom, rommedom...

Ja! Dat is het geluid, waarop hij wacht. De driftige roffel van

Pierewiet's hoeven komen aandreunen als een verre donderbui, iets

luider bij elke sprong... Oei, wat gaat dat snel! Die komt met nieuws.

Geraerd springt overeind, stampt met een slapende voet, schuift

de grendels van de deur... Half twaalf, het kon niet schoner. Ons

Heer past vandaag op Zijn affaire.

De laatste uren heeft hij wel tien keer alle zelfvertrouwen verloren.

De kleine, willoze Theunis was uitgegroeid tot een robuuste, brutale

kerel, die weet wat hij wil. Zou hem met heel zijn doopgerief de

deur uitgooien, hem dreigen met de drost, als hij niet gauw ging.

Eerst eten en dan zeveren, zeggen arme lui, en zij hebben gelijk.

Tegen honger baat geen redeneren.

Maar nu voelt hij zich weer tegen het karweitje opgewassen.

Alles wat hij nodig heeft zit al in de zadeltassen, wijwater, zout,

olie, het pak van ons-moeder...

Reeds bij het afstijgen roept Wilbert: „'t Is een knechje! 'n Half

uurke geleje. En 't hee rčchte been'!" Bij de laatste woorden staat

hij in de deurstijl. Zijn gezicht ziet rood van de snelle rit.

„Magnificat! Ze zullen content zijn."

„Truiken al gezadeld?"

Hij klakt ongeduldig met de tong en gaat naar de stal, want hij

krijgt geen antwoord. Midden in zijn bedrijvigheid staat Geraerd

207

 

stil en denkt na... Daar op het kastje, in een vierkant linnen zakje,

ligt een vers-gewassen superplie. Hij weet, hoe belangrijk het is,

hoe hij zijn overwicht schaadt, wanneer hij, vermomd in een boeren-

kiel, zich aan zijn mensen moet vertonen. Zodra hij zijn gewaden

draagt, bezien zij hem met andere ogen. Het is een kinderlijk

foefje, bevestigd door een ervaring van eeuwen, oud als alle gods-

dienst, als alle macht over mensen. De geus denkt het zonder deze

duivelse pomperijen te kunnen stellen en dat zal hem duur te staan

komen... Hij rukt de grote schapraai open, grijpt zijn fraaiste

stola, een brede van koolzwarte zijde met dikke, gouden belegsels,

koorden en kwasten. Buiten stampen de paarden. Wilbert ver-

schijnt op de drempel; over zijn schouder komt de nieuwsgierige

snuit van Truike naar voren... Als mijn Heer Pastoor niet voort-

maakt, zijn ze bij Theunis allang aan dat jong gewend. Nu zijn

z'er nog stapelzot van en weten niet krek wat er gebeurt!

Kijk, die jongen kan soms zo gemeen uit de hoek komen, zo recht

op de man af...

„Kan deez' nog in de tassen?", vraagt Geraerd.

Wilbert trekt hem zonder complimenten stool en koorhemd uit de

handen. Zijn gezicht zegt: Wat nu weer?

,,'k Zal 't wel bij Pierewiet steken."

Geraerd zet de olielampen op een rijtje naast de deur, slaat zijn

lange, zwarte mantel om en neemt zijn hoed van de nagel. De

grote sleutel van de kerk staart hem aan. Hoe lang nog?

Hij kijkt eens naar het vuur, of zijn gedoente niet achter zijn rug

kan afbranden, blaast dan de snotneuzen uit. Bij het dichtzwaaien

van de deur klopt de zware sleutel hem vermanend na. De Peel is

pikzwart en de uitgeblazen vlammetjes staan hem groen op de

ogen gestempeld.

Dan suizen zij door het donker, zacht wiegend op de razernij van

onzichtbare hoeven. Daar beneden is het een geplas van wonder

en geweld.

Truike loopt al gauw warm en opeens hinnikt zij luid van plezier.

Met één tikje van zijn spoor is Wilbert bij haar hoofd en kletst

haar met de vlakke hand op de neus... Dat moet ze afleren! Zeker

vandaag niet van stal geweest?

,,'t Was me nogal 'n weer," verdedigt hij zich.

„Huh!"

208

 

Tot aan Den Walsberg gaat het in snelle galop, beugel aan beugel.

Daarna wordt het een voorzichtig draven en stappen over de droge

kantjes en Wilbert neemt een goede honderd schreden voorsprong.

W an t hoefslagen als die van Truiken en Pierewiet, wanneer ze

losgelaten worden, bestaan er in de wijde omtrek geen andere. Het

kleinste kind van Deurne kent dit geluid; het gaat zo bliksems

vinnig.

Zonder ongelukken komen ze bij de oud-schepen Jan Pieter

 

 

Conincx, waar zij de paarden onderbrengen. Jan staat hen op te

wachten in de donkere schuur ...Zijn vrouw Marieke is nog bij

de kromme Theunis om te helpen. Geert heeft een erge vloeiing

gehad en moet doodstil blijven liggen. Z’is veel afgezwakt...

Ho, dat is verkeerd aangelegd, denkt Geraerd. Had zo verstandig

kunnen zijn het Sacrament mee te brengen. Een eerste kraambed!

En Geert is niet van de sterksten, ook al niet zo jong meer. Laat

getrouwd met een arme, kreupele scheper om toch iets te hebben...

Er is volop licht in het hutje. Als hij aanklopt wordt hem opengedaan

door de baker en zij speelt haar verbazing niet slecht.

209

 

Ook Marieke van Jan Conincx staat al even eerlijk versteld...

Mijn Heer Pastoor hier, in het holst van de nacht, expresselijk

gekomen!... Het lijkt een grote eer voor Theunis Jansen.

Maar de scheper laat zich niet aansteken, schijnt volstrekt niet

aangenaam verrast. Hij staat daar als een paal, de mond wijd

open. En zoals simpele mensen altijd hun gedachten verraden: hij

schudt nauw-merkbaar met zijn hoofd, zonder het zelf te weten.

Dan begint hij de herd in-en-uit te lopen, zwaar trekkend en

stampend met zijn kwaad, stijf been, waarvan de horrelvoet geheel

naar binnen is gedraaid. Hij trekt een lelijk gezicht, alsof zijn kop

omloopt van de drukte, maar zegt geen woord. De vrouwen sna-

teren zenuwachtig, om niet toe geven, dat er iets bizonders gebeurt,

maar zij bespieden hem voortdurend vanuit hun ooghoeken.

Eerst moet de pastoor het kind bewonderen. En het kost hem

niet veel moeite, want het is een kanjer van over de acht pond.

Hij spreekt overduidelijk in de richting van de beddekoets. Het

blijft doodstil achter de gore gordijntjes.

„Eerst 'ns zien, of ie wel compleet is. Acht, negen, tien vingers...

En tien teentjes, dat komt uit!"

Wilbert is binnengekomen met het pak linnengoed en de rest van

de bagage. Als Meester Geraerd zo bezig is, kan de jonge ruiter

hem niet uitstaan... Kouwe gatjesvoelers, zou Dielis Vogels zeggen.

„Jonge-jonge, 't is 'n mirakel van 'ne kerel," gaat het voort, op

dezelfde zoetige toon.

„Schei mer uit," bromt Wilvert ongeduldig, „'t Is 'n kijnd gelijk

all' aander. Theunis hee goe gewerkt. Hij kent da stieltje."

Jacobs heeft hartkloppingen, als hij de bedstee nadert. De baker

schiet behulpzaam toe en schuift de gordijnen open. Veel te wijd

open...

Geraerd neemt de hand van de kraamvrouw en begint zijn praatje.

Tevoren heeft hij zijn woorden gekozen, zoals een courtisane haar

reukwerken uitzoekt.

Maar dan begint de vloer van het hutje te golven. Er komt een

nevel voor zijn ogen, zijn hoofd loopt akelig leeg. Vanuit de verte

hoort hij zijn eigen stem...

Geert leit vanaf heur haar tot heur hielen in het bloed.

Zijn maag steigert hem naar de keel... Nu niet flauwvallen! Dat is

geen bloed, dat is iets anders... Wijn, het is wijn! Dat kind moet

210

 

gedoopt, dat kind moet gedoopt! Dopen, dopen, dopen! Zeg dan

toch dat het geen — dat het wijn is!

Nooit heeft hij zo hard moeten vechten om zich op de been te

houden. Toch gaat hij voort, spreekt met klapperende tanden.

Zelfs aan de hand, die hij vasthoudt, kleeft een grote bloedsmeur...

Door de mist ziet hij, hoe Wilbert de gouden stool laat schitteren.

De rekel doet, alsof hij hier baas is, zet het doopgerief klaar met

de resolute gebaren van iemand, die geen tegenspraak duldt...

Geraerdt voelt zich naar de tafel drijven, steekt werktuiglijk de

armen in het superplie, dat Wilbert voor hem ophoudt als een echte

koster. Het zicht en de geur van het propere linnen frist hem wat op.

Dit is helder, gezond, rein! En als hij er met zijn hoofd inzit, krijgt hij

een gelukkige oprisping, zacht, doch diep en lang. Het droge geritsel

van het gesteven koorhemd verdrinkt het onfatsoenlijk geluid.

Het doet hem deugd; hij wordt weer mens. Maar nu voelt hij,

hoe de spanning is gestegen. Theunis stampt steeds vlugger en

zwaarder op zijn dolle rondrit langs de herd, de goot en de verlaten

geitenstal. Hij is zich kennelijk aan het opblazen en iedere

stap lijkt een slag met de pompslinger. De ontploffing kan niet

lang meer uitblijven...

Geert ligt dit alles te bezien met flauwe, halfgesloten ogen... Zij

is het vooral geweest, die in de laatste moeilijke dagen zichzelf en

Theunis heeft opgewonden tot het besluit: daar komt geen pastoor

aan dat kind, al gaat heel het dorp op de kop staan!... Met dopen

stonden ze seffens gereed, maar verder kondt ge verrekken van

honger en de kleine erbij! De enige, die iets scheen te kunnen

geven, was de predikant. Van de andere kant kreegt ge niets dan

goede raad en wijwater. Goed dan: wiens brood gij eet, diens

woord gij spreekt, stond er geschreven volgens Geert. Alsof het

van zo grote importantie was, of de kleine nu zus of zó zijn

Vaderons bad; zij vond het veel gewichtiger, dat het schaap niet

crepeerde van armoei, lang voordat het aan bidden toe was...

Maar nu zij ligt te kijken naar de pastoor, is dit alles lang geleden.

Het hagelwitte koorhemd met de fraaie kanten lubben en de schitterende

stola hebben het vuile hutje opeens veel lichter gemaakt.

Van onderen vindt zij Meester Geraerd net een Spaanse ruiter, in

die ouderwetse, hardleren laarzen tot over de knie. Maar van

boven is hij een engel! Dat lange golvende haar en dat wuivende

211

 

kantwerk... De mens is mager geworden, denkt ze, ziet er niet al

te best uit. Hij zit daar ook niet voor zijn plezier midden in de

Peel. Moet bij nacht en ontij als een dief rondsluipen in zijn eigen

dorp, zijn eigen parochie. En als hij gevat werd... Waarom moet er

zoveel verdriet zijn onder de mensen?

Daar komt de kreupele weer aanstampen. De spanning wordt

ondraaglijk. Geraerd overlegt met zichzelf, of hij nu voor de dag

zal komen met zijn patakon en het kindergoed... Gevaarlijk! Het

zou een averechtse uitwerking kunnen hebben.

Wilbert maakt er een eind aan: ,,Ge mot 'n bietje vortmaken,

menheer! Seffens hebben z'oe nog vaast."

„Geert!", schreeuwt de scheper. „Gij mot 't weten! Mot ie gedopt

worren, of nie? Ge wit er alles van!"

Oei-oei, nu kunt ge een speld horen vallen. Geraerd gaat verder

met zijn onnodig gescharrel, alsof hij volstrekt niet twijfelt. Doch

hij maakt er niet het minste gerucht bij en zijn lijf staat strak.

Uitgemeten op dit ogenblik begint daar boven op de schouwrand

een olielamp te sputteren. En het dansende lichtje ketst langs de

blanke sporen van de pastoor in Geert's ogen. Nu ziet zij opeens,

dat er aan die sporen geen punten zitten; het zijn dikke metalen

schijven... Ruim twintig eindeloze uren heeft zij de wreedste

pijnen doorstaan, met een grote vloed als toegift. En nu ziet zij,

dat de pastoor geen punten aan zijn sporen heeft. Hij wil zijn

perdje geen zeer doen! Hij wil niemand zeer doen, heeft het met

alleman goed voor, dat weten we. 't Is 'n goei, zacht manneke.

Maar dat hij ook zijn perdje —

„Laat 'em mer dōpen, Theunis," zucht Geert.

„Dōpen?!" buldert hij.

„M—m."

„Vurruit dan mer!", roept hij en het klinkt zo genadig, dat Wilbert

op zijn lip moet bijten.

„Wel natuurlijk," valt Geraerd bij. ,,'t Zou toch zunde zijn, als

ge van zo'nen schonen kerel genen fatsoenlijken christenmens

liet maken."

Theunis gaat zitten en loopt leeg. Zijn drift is bekoeld en hij is

tevreden over zichzelf... Dat heeft hij daar eens flink gezegd. Ja,

als 't erop aankomt, gaat hij voor geen pastoor en ook voor geen

baker opzij. Aa — neen! En als de predikant iets te zeggen heeft,

212

 

zal hij hem óók te woord staan, mardi nog toe! Hij zal zeggen,

dat hij zijn best genoeg heeft gedaan, maar dat Geert niet anders

wou. En daarmee uit! Denken ze soms, dat hij over zich henen

laat lopen?

Nu het besluit is gevallen, begint de kromme scheper pas plezier

te krijgen in zijn schone, rechte zoon... Daar spartelt hij al op

tafel en daar moet ge mee lachen, of ge wilt of niet, mee zo'n vers,

klein biggeske. Dat gekakel van die vrouwen!...

Maar nu... W e gaan er een wettig doopsel van maken. Geert en

Theunis hebben geen familie. Wie moeten over de doop staan?

„Ikke!", zegt Wilbert op zijn brutaalst. „Iets op tegen?"

De vrouwen gillen, omdat het er zo schielijk en komiek uitkomt.

Maar Wilbert lacht niet mee, houdt zich beledigd... Is het geen

gekheid van hem? ...Neen?

Dan is het iets buitengewoons. Stel u voor: Wilbert van Anneke

van den Bottel, stiefzoon van de rijke Aert van Ebben, als petei

over de kleine van de kromme Theunis! Want de peter heeft een

gewichtige taak. Hij is de geestelijke vader, moet waken over het

zieleheil van zijn doopkind en dat is goed en wel, maar zó goedkoop

komt hij er niet van af. Een petekind komt gedurig aan uw

beurs trekken en het begint al dadelijk met een pillegift. Zo'n

kind is haast familie van u.

Daar moeten ze even aan wennen: de peerdenzot als peetl

„Denk-te-gellie, da 'k gin verstaand heb van da stieltje?" vraagt

hij uitdagend. Er volgt een nieuwe uitbarsting. Theunis slaat zich

op de knieėn.

De pastoor maakt er een eind aan. Het doopfeest wordt te uitbundig.

Marieke Jan Conincx, die zo goed heeft geholpen, zal

meter zijn. Dat is het goede voorbeeld van Wilbert en dat is geen

kleinigheid, want Marieke is een zuster van Jan van den Boomen

en haar eigen man is ook jarenlang schepen geweest. Zij is van

deftig volk!

„Hoe moet de kleine hieten?", vraagt Geraerd.

„Wilbert," commandeert de peter, verbaasd over zo'n domme vraag.

Theunis begint weer op zijn knie te slaan.

Bij de statige klanken der Latijnse gebeden staan de gezichten

weer strak en verheerlijkt. Wilbert en Marieke geven antwoord

namens de dopeling, verzaken de duivel en al wat ge wilt. Opeens,

213

 

met een ruk, begint het daarbuiten weer te gieten. De regen

klettert in de plassen en zoeft op het strooien dak...

Geraerd Heynrik Jacobs staat daar geleersd en gespoord in zijn

koorhemd, dat een zilveren schijn weeft rond zijn wezen en zijn

werk. Nu, in zijn vijf en dertigste jaar, is zijn gezicht wat hoekiger

geworden, daarom lijkt hij wat magerder en harder. Zijn Jacobskin

staat wat strakker gespannen en dat geeft hem iets onverzettelijks,

maar hij heeft nog steeds de goedige ogen van Jenneke Roymans.

Zijn warme stem speelt als vrome muziek door het hutje. Uit

de beddekoets klinkt nu en dan een zachte snik. Hij legt de handen

op, zalft het wikkelkind op het borstje en de rug. Driemaal blaast

hij op de zorgelijk toegeknepen ogen. Eerst wanneer hij met het

zout der wijsheid het mondje raakt, hoort ge dat boze geschrei, dat

heel uit de verte schijnt te komen. Nu bevochtigt hij neus en oren

met wat speeksel op het puntje van zijn tong. Het is een gebaar,

dat de vrouwen altijd vertedert, want ge zoudt zeggen, dat hij het

kind kust. Wilbert vindt het janklaasen. Dan vloeit driemaal het

water over het bruinrode bolleke en doopt hij Willibrordus, filius

Antonii Jansen, in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti.

Wat is hij nu blij, dat hij gewacht heeft met zijn geschenken! Nu

smaakt het niet zo sterk naar omkoperij... Als hij weer in zijn

wambuis staat, herinnert hij zich opeens, dat hij nog wat af te

geven heeft. Dat zou hij bijkans vergeten!

Hij gaat naar het ruwe, withouten wiegje en steekt de patakon

in het handje.

Hé, nu moeten ze toch eens gauw komen kijken!

Het kind houdt de vingertjes geklemd om de kruisdaalder, die

nu sprookjesachtig groot lijkt. Het is wezenlijk een schoon gezicht.

„Mardi, da zal me 'ne geldduvel worre," zegt Wilbert. „Marieke,

we zen ermee gezegend, mee zo ene."

Dan volgt de bundel kindergoed... Ons-moeder vroeg, of Geert

hier nog iets van kon gebruiken. Er zijn windels bij, die hijzelf

nog heeft aangehad...

De twee vrouwen maken er zich meester van. Er volgen kreten

van verrukking. Kijk, hier hebt ge nu dat echte, goeie, ouwerwetse

lennen, ijzersterk en zacht als zij. Ge kunt zeggen, wat ge wilt, maar

het vlas is vandaag niet meer, wat het geweest is...

214

 

Theunis zegt, dat de pastoor Jenneke maar eens degelijk moet

bedanken en —

Stil 'ns evekens!" Marieke dacht dat ze wat hoorde.

„Wilbert," wordt er gefluisterd in de bedstede.

„Mardi, mens, ge laat me verschiete! Ik docht, dat de drost mee

z'n volk afkwam." In drie rinkelende schreden is hij aan het lompenbed

en kijkt om het gordijn. „Hoe is 't, Geert?"

„Ga-de-ge nog mee de pastoor naar Grootenberg?", vraagt ze.

„Maakt oe mer nie ongerust. Ik leg 'em nog wel in bed, als ge wilt."

Hij wacht nog even, begrijpt niet goed wat ze wil.

„Gij zeet 'ne goeie mens," klinkt het zacht.

„Slaap wel!", roept hij hard en loopt vlug weg naar de deur. Hij

heeft een rood hoofd, hij zal maar eens gauw de peerden gaan

halen. „Slaap wel! Genacht samen!" Maar op de drempel moet

hij nog even de potsenmaker uithangen. Hij vat zijn hoed af en

zwaait er sierlijk mee naar de wieg.

„Slaap zachtkens, geliefde doopzoon!"

Zo heel fraai op zijn Leuvens, gelijk de pastoor het doet in zijn preek.

De volgende dag wordt in Deurne maar half gewerkt. Tot van

Den Zeilberg en Vreewijck komen mensen, die wel iets beters te

doen hebben, op hun gemaak naar het Kerkeind gewandeld om

eens te helloren. Theunis Jansen schijnt ineens beroemd geworden.

En Wilbertien, de baker, wordt er hees van. Bij elk relaas vindt

zij nieuwe bizonderheden uit en het avontuur van Meester Geraerd

wordt een soort wonder... Ze had nog maar zjuust het kind gewassen

— een kwartuurken op zijn hoogst — of mijn Heer Pastoor

stond al over de vloer. Ja, hij is de duvel te vlug af geweest...

Nu weet iedereen, dat het snelste paard niet in zo'n korte tijd

uit en thuis naar Den Grootenberg loopt, maar het wordt gretig

geloofd. En dat vinden ze goed gezegd van Wilbertien: de duvel

te vlug af...

En zoals het gewoonlijk gaat, mensen, die niets te missen hadden,

toen Theunis te langen leste moest aankloppen bij de predikant

en zich kwansuis geus liet maken om in leven te blijven, komen nu

met geschenken aanzetten.

Anneke van Aert van Ebben heeft aan Wilbert gevraagd, of hij

zot was geworden. Aert-zelf heeft gelachen en hem aangeraden

215

 

de paardenmelkerij eraan te geven om voortaan in petekinderen

te gaan doen. Maar die van Den Bottel moeten nu eenmaal de

vlag omhoog houden en flink voor de dag komen. De pillegift is

met kar en peerd naar de kromme scheper gevaren. In den donkere

weliswaar, omdat de rechterhand niet mag weten wat de linker doet.

Maar er stond een schone, jonge melkgeit te blaten tussen de zakken

en heel het Kerkeind weet ervan.

Op Den Grootenberg komen ze vertellen, dat de predikant met de

vuist op tafel heeft geslagen. Hij is direct gaan schrijven en heeft

schrikkelijk aangegaan over Kinderen der Duisternis, die vlugger

bij de hand schijnen te zijn dan Kinderen des Lichts.

Dat vindt de pastoor geestig. En gelijk het tussen die heren gebruikelijk

is, van zijn kant schudde hij staandebeens een half dozijn

bijbelteksten uit zijn mouw, die even toepasselijk waren; over

Dwaze en Wijze Maagden, over de talenten, etcetera.

Maar nooit heeft hij vermoed, dat hij de goede afloop te danken

had aan geuzenpenningen, die hij in zijn sporen liet klinken.

216