Banner: Kees Mandos in zijn atelier. Collectie Regionaal Archief.

 

© 2020

Jan Smits & Stichting Cultureel Brabant

Meer over Kees en Frans Mandos op CuBra: klik hier voor een inhoudsopgave

De complete Rijmkroniek van Tilburg door Kees Mandos en Anton Eijkens op CuBra

Download een artikel over Kees Mandos door Jeroen Ketelaars

Het werk van Frans Siemer op CuBra

Over Anton Eijkens in De Paap van Gramschap (CuBra)

 

Kees Mandos (1913-2001) Kunstenaar

door Jan Smits

Vooraf

Van 2 september t/m 30 september 1995 werd via Galerie Artikel de beeldhouwer Ad Louwinger ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag een tentoonstelling aangeboden in de zaal Zouavenlaan. Daarbij verscheen een levensbeschrijving van de kunstenaar. Dat zelfde gebeurde van 18 november t/m 22 december voor de kunstenaar Hans Claesen en van 13 januari t/m 17 februari 1996 voor Joop Liesker. Voor het schrijven van de teksten werd ik uitgenodigd en dat resulteerde in drie Cahiers, respectievelijk de nummers 3, 5 en 6.

Daarna werd ik gevraagd de kunstenaar Kees Mandos te interviewen voor een dergelijk geschrift bij gelegenheid van zijn 85ste verjaardag. De kunstenaar moest van de tentoonstelling om persoonlijke redenen afzien zodat de publicatie van het bijbehorende cahier niet doorging. Dat manuscript van destijds heb ik nu herzien en enigszins uitgebreid voor publicatie op website CuBra. Het geeft een bijzonder persoonlijk beeld van de kunstenaar. In een zestal bijeenkomsten heb ik met Kees zijn leven en kunstenaarschap doorgenomen. Ik heb getracht zoveel mogelijk zijn typische manier van vertellen weer te geven.

Nadat ik Ed Schilders had gevraagd wat ik met mijn manuscript zou kunnen doen, heb ik het hem toegestuurd. Hij bleek  enthousiast en stelde voor om een vorm van publicatie te zoeken. Ik dank hem voor het redactionele werk dat hij vervolgens verrichtte en voor de vele suggesties die hij gaf omtrent de genoemde personen in Kees' verhaal, de illustraties en de vormgeving.

Ik dank verder allen die aan de totstandkoming van deze uitgave hebben bijgedragen.

 

Najaar 2020

Jan Smits

 


 

 

 

Kees Mandos 1913-2001 - Kunstenaar

 

In het nummer van 13 mei 1941 schreef het blad Graficus lovende woorden over 'Een artistiek werkstuk.' (1) Dit betrof een tweewekelijkse kalender, uitgegeven door de Tilburgse drukker B. van Eerd, die voor elke maand een gedicht bevatte 'aanpassend aan het karakter van de betreffende tijdperiode. De verzen met de bijbehorende ornamentiek werden geheel in lino gesneden door Kees Mandos, naar ontwerpen van Frans Mandos Tzn. De gedichten zijn van Anton Eijkens.'

In de zomer van datzelfde jaar maakte het tijdschrift Brabantia Nostra melding van een Rijmprent van het Brabants Studentengilde van O.L. Vrouw, waarvan de tekst en versiering in lino gesneden waren door Kees Mandos.

Op zaterdagmiddag 2 augustus 1941 opende burgemeester Mr. J.C.A.M. v.d. Mortel in de bovenzaal van  de R.K. Openbare Leeszaal in de Willem II-straat de eerste belangrijke tentoonstelling van werken van Frans en Kees Mandos. (2) Heel cultureel Tilburg van die dagen leek aanwezig: onder de vele  genodigden merkte de Nieuwe Tilburgse Courant op: 'Mevrouw J.E.A.M. v.d. Mortel-Houben, presidente van het Comité ter Bevordering van Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid, de heeren L. Janssens, wethouder, Dr. J. Vercammen, Dr. F. v.d. Ven, Mgr. Dr. Th. Goossens, Stan Donders van Eijck en Jan van Delft, kunstschilder.'

Uit de openingswoorden van de burgemeester koos het blad de volgende: 'Ik sprak niet van schilders alleen, zoo zeide spr. doch van kunstenaars, zooals uit het veelzijdige werk te constateeren valt. (....) Vervolgens wees spr. erop, dat wij hier op deze expositie te doen hebben met twee kunstenaars, die geboren werden in Tilburg, er bleven wonen, er hun opleiding ontvingen en er bleven werken. Al kent Tilburg ook andere kunstenaars als Jan van Delft en Theo Swagemakers, waarvan ook reeds exposities werden gehouden, deze bleven er niet steeds en daarom tevens is deze tentoonstelling zoo bijzonder merkwaardig.'

'Van Kees Mandos', vervolgde het blad, 'zijn het voornamelijk etsen en aquarellen, die geëxposeerd worden en deze toont zich hierin een vaardig kunstenaar. De houtskooltekening “Winter Moergestel" mag ook uitstekend geslaagd heten, vooral uit een oogpunt van perspectief. Voorts treft men op de expositie aan: gebrandschilderd glas, vlaggen met kroonstukken, alle ontworpen door de gebroeders Mandos, wandborden, producten van kunstnijverheid vervaardigd uit hout, als voorzittershamer, fraaie beschilderde moederschapsbekers, kandelaar en vele staaltjes van gelegenheidsgrafiek, waaruit dikwijls tevens een sprankelende en niet van humor ontbloote geest spreekt. Ook omslagtekeningen van verschillende boeken vindt men onder de werken. Lino's, zoowel op papier als op hout, mozaïek en smyrnawerk.'

Het Nieuwsblad van het Zuiden vond het werk 'getuigen van originaliteit en goeden smaak van deze jonge kunstenaars.'

Volgens De Tijd bleek uit het tentoongestelde werk dat 'Kees en Frans Mandos als profeten in eigen land geëerd zijn, daar hun veel werk werd opgedragen.'

Uit de begeleidende catalogus, 'Prijslijst' genoemd, kan men niet opmaken welk werk nu van   Kees of Frans is, maar wel dat vele opdrachten gegeven werden door kerken en verenigingen en instanties van katholieken huize. Men vindt er de N.C.B., A.A.Z., de Regenboog, Rijksbijenteelt, R.K. Boeren- en Boerinnenbonden, de Bond van Landelijke Rijverenigingen NCB, enz.

Opvallend aan deze vroegste berichten uit de carrière van Kees Mandos zijn de vele feiten en personen die een markante plaats in zijn leven zullen blijven innemen. De burgemeester zal hij opnieuw prominent ontmoeten. Anton Eijkens en Frans van der Ven zijn belangrijk in de ontwikkeling van zijn kunstenaarsbestaan, waarin ook het studentenleven, met name dat van de studentenvereniging Sint Leonardus bij de R.K. Leergangen, en het op de bres staan voor het Brabants gedachtegoed niet is weg te denken. Gelegenheidsgrafiek blijft een hoofdaandeel in zijn artistieke werk en zijn binding met kerk en de katholieke wereld zal in vele opdrachten gestalte krijgen. Niet voor niets staat in het wapen van de Mandossen een 'AM': Ave Maria.

 

'Onze naam komt van de Mendosa', zegt Kees Mandos, 'van generaal Franciscus de Mendosa. Van Spaanse komaf. Iedereen die er een beetje van weet zegt dat meteen. En een dokter zei 't ook: dat is Spanje. Maarten, de zoon van mijn broer Frans, schrijft voor de ANWB en hij maakte in een gehucht in de Pyreneeën een foto van een bordje, waarop 'Mandos' stond. Die streek heet Mandos!'

 

De vanzelfsprekende samenwerking met zijn broer Frans, die van meet af aan uiterst hecht en vruchtbaar was, maakte dat ‘De Mandossen' als eenheid in Tilburg een begrip werden. Een op den duur wat lastige aangelegenheid: de verwarring van Kees met Frans en omgekeerd werd hinderlijk. En hoewel men soms hun samenwerking in een opdracht nadrukkelijk eiste, grapte ene Van der Noot in Roomsch Leven van maart 1951 in een column over een bakker die zijn lunchroom wilde vernieuwen als volgt: 'Terwijl de bakker en de aannemer reeds stonden om afscheid te nemen, hoorde uw dienaar: “Hoor eens, aannemer, ik weet niet wat ik doen zal: stucadoren of schuren met zilverzand. Eigenlijk voel ik er nog het meeste voor om het te laten mandossen.”'

 

'Wij waren als broers geen concurrenten,' vertelt Kees, 'onze verhouding was goed. En we hadden veel dezelfde relaties. In het begin, bij die opdracht van de AaBe, stonden ze er op dat we die opdracht samen deden.

 

Een van de wandschilderingen in de AaBe-fabriek, met Tilburgse stadsbeelden. Deze foto is door Joep Eijkens gemaakt tijdens de verbouwing van het fabriekscomplex tot winkelcentrum; daarbij zijn de wandschilderingen verloren gegaan.

 

'Zo zijn we opgegroeid en dat werkte niet onplezierig. Maar toen Frans ten slotte trouwde, zei hij: 'Nou voortaan los van elkaar.' En dat was eigenlijk ook het beste, want die naam van De Mandossen, dat gaf een mengeling en dat was ongemakkelijk. Dat zat zo: er waren er meer die zo heetten en die kregen de post aan van onze Frans, over werk en zo, en toen is hij er Tzn (de zoon van Toon) achter gaan zetten. En daarom heb ik mijn sik laten staan.'

 

Het begin in vooroorlogs Tilburg

Kees Mandos werd op 21 september 1913 geboren. Hij is altijd in Tilburg gebleven en heeft er nooit weg gewild.

 

Vader Toon Mandos, getekend door zoon Kees in 1940. Familiebezit.

 

'Mijn vader was voor hij trouwde kerkschilder op het atelier bij Van den Boer in Tilburg. Destijds werkte hij o.a. in Haarlem, St. Anthonis en Grave. Dat heb ik niet gekend, maar ik weet het: er werd toen niet zoveel getelefoneerd, maar er werden kaarten gestuurd. En zo heb ik nog een hele stapel kaarten van mijn vader van vroeger. Prachtig om te zien. Hij heeft zijn vrouw in Grave leren kennen. Moeder kwam ook uit het kunstzinnige. Ze hadden daar een grote goudsmederij, ze maakten van dat Zeeuwse goud. Toen mijn vader trouwde had hij een schildersbedrijf. Hij schilderde ook voor zijn plezier. Het gezin bestond uit twee jongens en vier meisjes. Wij woonden in de Koestraat en gingen daar naar de lagere school bij de fraters. Daar had je ook de mulo. Daar ben ik één jaar op geweest en toen was 't afgelopen. De mulo lag me niet.'

'Wij werkten als jongens al in de zaak: reclames schilderen. Toontje Mandos kenden ze in Tilburg tot en met. Ik weet nog wel: op de Heuvel stonden borden die mijn vader en ik vol schilderden. Frans bleef altijd thuis: die zat aan een stuk te ontwerpen. Het was best primitief, hoor, hoe het allemaal begonnen is. Frans was drie jaar ouder en die mocht op de academie studeren. Hij kreeg er les van Albert Verschuuren en Jan van Delft, en hij heeft nog les gehad van Gerard Bourgonjon, de beeldhouwer. Ik heb daar geen les van gehad. Ik had maar zijdelings contact met die mensen. Ik ben al op mijn dertiende naar de academie gegaan. Dat kon toen, op zaterdagmiddag. Daar kreeg ik stilleventekenen van Henri Sicking. De oude Bonsel was toen directeur. Eigenlijk vond ik dat stilleventekenen niet zo interessant. Je moest zo precies en academisch te werk gaan. Eerlijk gezegd zat het vrije werk in mijn hart. Maar ik kon niet overdag naar de academie omdat we volop in het werk zaten. Hoe lang ik 's zaterdags bij Sicking heb getekend weet ik niet meer. (3) Ik heb daar nooit les gehad in vakken waar ik later in mijn werk op kon terugvallen. Het was alleen stilleventekenen. Als jongen van vijftien hield ik binding met de anderen,  en zo leerde ik. Ook via Frans. Als ik uitgewerkt was en thuis kwam dan stond hij te tekenen en dan schoot ik er naar toe. Zo ging dat samen. Ik ben in zekere zin blij dat ik niet de academie heb gedaan, want ik heb nu mezelf op mijn manier kunnen ontplooien. Over kunstenaar worden werd thuis nooit gepraat. Je hoorde wel zeggen: kunstenaar is èèrremoei. We wilden ons bekwamen voor het bedrijf. Er moest gewerkt worden om te verdienen. Mijn zusjes zaten op kantoor. Ik heb geen diploma gehaald. Onze Frans heeft nog Lagere Akte gedaan in Den Haag, dat zat in de opleiding.'

 

De kunstenaar in ontwikkeling

Kees vertelt enthousiast verder: 'Wij werden vroeger veel voorgelezen uit Moeder de Gans, dat boek, nu half versleten, heb ik nog. Het had mooie illustraties van Arthur Rackham. Die tekeningen hebben indruk gemaakt. Mijn vader nam mij mee naar tentoonstellingen. Op het Piusplein, in De Beurs, een houten gebouw dat daar toen stond, exposeerde Albert Servaes zijn kruisweg en die is me altijd bij gebleven. Ik heb er de reproducties van. De AaBe heeft die kruisweg later cadeau gegeven aan de trappisten. De staties mochten niet bij elkaar hangen, die moesten uiteen, op de gangen.' (4)

 

Derde statie van Servaes' ‘Kruisweg van Luithagen'.

 

'En naderhand heb ik een boekje gekocht over Valerius de Saedeleer, prachtige schilder. Daar kreeg ik niet genoeg van. Dat kun je ook zien in mijn werk. Er werd over kunstenaars gepraat en vader was toch wel iemand die ons meenam om dingen te bekijken, naar kastelen en zo en naar Brugge. Zo raakten we toch wel op de hoogte van een en ander.'

'Bijna iedereen kende mijn vader. En daar had je, eigenlijk gezegd, ontzettend veel plezier van want daardoor kenden ze ons ook. Zo traden wij naar buiten. Frans tekende af en toe voor de krant en in een reclameblad van Smits, dat wekelijks huis aan huis verspreid werd. Het werd Kees en Bart genoemd vanwege een rubriek die er in stond.' (5)

'Maar je zat toch wel geïsoleerd. Een voorbeeld: Frans kreeg op de academie modeltekenen, dat wil zeggen naar een gipsen beeld. Hij is naar Mgr. Goossens geweest om te vragen waarom ze geen levend model mochten tekenen. 'Dat is helemaal niet nodig', had Goossens gezegd, 'dat kunnen jullie wel van een gipsen beeld.' (6) Het gevolg was dat we een advertentie zetten. Maar je kon niet gewoon zeggen dat je een model zocht, je moest de tekst voorzichtig opmaken. Je moest er een vreemde bij vragen om mee te tekenen, een soort chaperonne. Er was iemand op de advertentie gekomen en die wilde er niets voor hebben. Zij poseerde bij ons thuis.'

'Van ons zeiden ze altijd: "Bij jullie kan alles." Dat was niet waar. Wij kwamen zelf bij mensen waar van alles kon. Dat was bij ons niet. Ik heb van die katholieke tijd geen last gehad. Ik ben zo opgegroeid dat ik heel goed fouten zag, maar ik had wel zoveel verstand om in te zien dat dat altijd gebeurt. Voor de oorlog vond ik ook niet alles goed. Maar onze opvoeding was zo. Ik noem een klein ding: je mocht geen kniekousen dragen. Maar mijn moeder zei: 'Het is wel goed, ik kan wel aan 't stoppen blijven.' En dat werd geaccepteerd. De mensen deden soms toch hun eigen zin.'

'Je kende op een gegeven moment Jan Sluijters wel, en Hendrik Chabot en je wist wel wat er gaande was, maar de wereld was klein. En er waren in Tilburg maar een paar kunstenaars, waar samen mee werd getekend en ook wel geëxposeerd: Gé Hurkmans, die wat jonger was, Frans en ik dan, Theo van Delft, Jan van Riel en Jos Zeegers, die ook een stuk jonger was. Je had toen Kunstzaal Donders, daar hebben we als groep herhaaldelijk geëxposeerd. Luc van Hoek werkte ook voor de oorlog. Hij was eigenlijk neerlandicus en is als autodidact verder gegaan met schilderen. Hij was ook voorzitter van St. Leonardus. Hij tekende niet mee met onze groep. Hij heeft in de Korvelse kerk gewerkt. Piet Clijsen, de glazenier, hoorde niet zo tot onze club. Daar hadden we niet zoveel contact mee. Hij werkte in de schilderszaak De Jong, die had op 't Besterd-plein een groothandel in glas. Daar is Piet Clijsen begonnen met glasramen te maken. Later is hij in de Lange Nieuwstraat gaan wonen. Daar had hij een atelier en daar werkte hij dus. En er was in die tijd Manus Evers, een beeldhouwer. Die woonde in een leeg gebouw in de Wolstraat waar Rath en Doodeheefver gezeten heeft. Hij heeft dat beeld boven de zij-ingang  van de Lovense kerk gemaakt. Ik geloof dat hij vroeger op de academie was geweest. Hij had ook contact met Leonardus. Ik heb nog een uitnodiging voor een tentoonstelling met Theo van Delft, Gé Hurkmans, Jos Zeegers en Frans Mandos Tzn.'

'Er was in Tilburg niet zo veel te doen. Er was een schouwburg bij de overweg. Ik heb daar Stefan Askenase nog een concert horen geven. (7) En dan kwam de trein ertussen!' (8)

'Maar als je het vergelijkt met nu, dan zit er nu meer vaart in. Het is haast niet meer bij te houden. De Tilburgse textielbaronnen van die dagen droegen niet zoveel aan de cultuur bij. Hun enige standaard was geld, meer niet. Er waren er maar een paar die wel uit het goede hout gesneden waren. Barend van Spaendonck was er zo een. Die heeft toen ook Toon Eijkens aangetrokken. Toen die van het lyceum afkwam werd er daar gezegd: Dat is er ene voor van Spaendonck. Toon Eijkens was getrouwd met mijn zus Thea en schreef veel gedichten. Daar heb ik later nog mee gewerkt.'

'Noud Heerkens – die een architectenbureau had – was een jaar jonger dan ik. Daar zijn we veel mee op reis gegaan. Hij was na de oorlog de eerste die een auto had. Daarmee gingen we een week naar Duitsland, het Ahrtal in of naar een boerderij langs de Moezel om te tekenen en te aquarelleren. Hij had veel contacten met kunstenaars. Hij tekende ook. Ik ben er van jongs af aan veel mee omgegaan. Ik heb nog een portret van hem geaquarelleerd. Dat was een geïnteresseerd mens, maar hij kwam tegen het donker en na een kwartier was ie al weer weg. Voor Heerkens van Bavel heb ik veel aquarellen gemaakt. Die bouwden onder andere het station. De PNEM en Heineken hebben ook werk van mij. Die contacten had ik wel, maar over het algemeen was toen de binding met de wereld nog zo klein.'

'Totdat wij contact kregen met Harry Dreesen, die een heel stuk ouder was dan wij. Hij was bevriend met de dichter Antony Kok en met Jan van Delft, maar ook met Theo van Doesburg. Dreesen was een binnenhuisarchitect. Die kende heel Nederland. Hij kwam uit Helmond en kende Van Schaijk en Princée. Hij was een van de eersten die een ruime blik hadden. Hij had een zaak in de Nieuwlandstraat  met prachtige meubels, zoiets van Jugendstil zou je kunnen zeggen. Hij exposeerde een enkel schilderij tussen zijn meubels. Hij had het met ons over Van Gogh en zo en zei dat die jongens destijds ook gestimuleerd moesten worden, anders gebeurde er niks. Hij wees ons op al die namen. Hij liet werk zien van Jan van Delft die veel met Frans op had. Zodoende kwamen wij bij Dreesen terecht. Hij woonde in de J.P. Coenstraat en dan gingen we wandelen door de Moerenburg en dan vertelde hij over internationale dingen. Hij ging overal naar toe. Wij waren toen een jaar of achtentwintig en van de academie af. Frans exposeerde bij Dreesen een portret dat hij van mij geschilderd had en een carnaval-stilleven in een witte lijst, wat toen heel modern was, en nog wat meer werk. Harry Dreesen heeft eens Theo Swagemakers mee naar ons huis genomen en toen Swagemakers dat portret gezien had zei hij: ‘Verrek, ik kan wel vooraan beginnen!' Dat werk werd gezien door Frans van der Ven, die was ook uit onze tijd. Die had, geloof ik, gestudeerd in Rotterdam. Dat hier op den duur een Hoge School is gekomen hield verband met Mgr. Goossens van de Leergangen. Maar voor die tijd moest je, als je een diploma wilde halen, altijd naar het noorden. Ze lieten je altijd voelen dat je katholiek was, dat blijft zo bij je hangen. Frans van der Ven was een echte Tilburger, een geleerde, een econoom  en hij dichtte onder de naam Frank Valkenier. (9) Later is hij professor aan de KUB geworden. Toen hij Frans' portret van mij had gezien kwam hij naar ons toe en zei: ‘Jullie moeten bij Leonardus komen.'

'En zo zijn wij lid geworden van St. Leonardus. Daar zat ik de meeste tijd. Daar leerde je veel mensen kennen, waar je mee omging, ik bedoel, dan krijg je de invloed van buiten af. Ik heb altijd naar buiten getrokken als ik tijd had. De contacten die wij hadden zijn toch ontzettend fijn geweest, ze maakten me rijk. In die sfeer hebben wij geleefd en ons ontwikkeld.'

 

St. Leonardus is voor de vorming van de kunstenaar Kees Mandos van enorme betekenis geweest. Met name Frans Siemer, een leidende figuur binnen die studentenvereniging,  was voor Mandos een stimulerende kracht (en niet alleen voor hem: Siemer was in studentenkringen de brenger van kameraadschap), waarover hij niet kan ophouden te spreken. Wij komen daar op terug. Maar er is nog een reden geweest waarom de loopbaan van Kees Mandos zich in de richting van de beeldende kunst heeft ontwikkeld en waarom hij de bijeenkomsten van St Leonardus zo heeft gekoesterd.

 

Het hoofdstuk zang

'Ik heb ook nog 'ns gekozen,' zegt Kees Mandos. 'Tussen zanger worden of schilder. Ik was al bij het kerkkoor in de Koestraat toen ik zes jaar was. Ik was al vroeg bij het jongenskoor dat geleid werd door Weijnand Janssens de Horion. In de Koestraat stond een villa naast zo'n textielfabriek en daar repeteerden we tegen Kerst en Pasen van acht tot half twaalf 's avonds. Je was helemaal opgenomen in de katholieke wereld. Het was een groot jongenskoor waar we gregoriaans leerden zingen als de benedictijnen. Weijnand Janssens was enthousiast en eens, tegen Pasen, zat mijn neus dicht. Ik was verkouden en hij kwam naar ons toe, bracht sinaasappelen mee en zei dat ze me naar dokter Gimbrère moesten sturen. “Laat 'm daar maar behandelen en dan zingt ie weer met Pasen” had hij gezegd. Als kind denk je er niet aan om in de muziek te gaan. Toen ik een jaar of achttien was gaf Jo Immink uit Amsterdam hier les op het conservatorium. Zij was uit de tijd van Louis van Tulder en Jo Vincent en zo. Ik heb zeven jaar les van haar gehad. Ik heb wel uitvoeringen gegeven in de aula van het conservatorium. Ik kon een  liederenrecital geven en heb overal veel gezongen. In 1937 heb ik twee keer voor de radio gezongen, dat vonden ze hier geweldig. Je had nogal wat kennissen en als die trouwden dan vroegen ze of je wilde zingen. Je deed het. En dat was allemaal pro deo. Het hindert me dat nu zowat alles betaald moet worden. Ik heb dat alles beschouwd om te leven en niet om geld te verdienen, zoals ze het nu voorschotelen. Wij hebben een ontzettend fijn leven gehad. En dan valt je dat op.'

'Indertijd hield Leonardus de bijeenkomsten in L'Industrie en daar repeteerde ook het Sacramentskoor. Daar ben ik toen ook bij gegaan. Dirigent Bonants van het koor van Den Besterd  ging verhuizen naar het Boerhaveplein. Toen hij dirigent werd van het Sacramentskoor ben ik daar ook lid van geworden. Toen kreeg hij een beetje mot met pastoor Van Oirschot, maar een jaar later kwam ie weer terug. Ondertussen was ik naar het koor van Loven gegaan. Toen had ik twee koren. Ook in de oorlog gaf ik binnenskamers wel eens een uitvoering. Ik heb in Amsterdam gezongen. Toen is het begonnen dat ik nogal 'ns ergens voor gevraagd werd. Maar ik ging er niet veel op in. En nu heb ik een aard dat ik 's avonds niet graag weg ga. En mijn oom, Louis van de Sande, die een bekende operazanger was, een bariton, zei tegen mij: “Je hebt een prachtige stem. Maar het is zwaar op de bühne. Je moet zo opletten om goed te leven.” Ja, nu is dat heel gewoon. Maar toen bekeek je dat wat anders... Dus ben ik altijd voor mijn plezier blijven zingen. Ik was bij het Toonkunstkoor en daar deden we de Carmina Burana, een modern stuk met allerlei instrumenten. Dat inspireerde ook. En ik ben na de oorlog nog lang blijven zingen. Ik heb vaak gezongen op de avonden van Leonardus. Ik zat toen op het conservatorium. En Joris Bedaux was een uitzonderlijk pianist. In Oirschot, toen de Siemer veertig jaar priester was, heb ik daar in de kerk gezongen, op het orgel begeleid door Joris Bedaux.

 

En plotseling, ongelooflijk, met een nog vrij heldere tenor, zet Kees Mandos spontaan het lijf lied van St Leonardus in, na zowat vijftig jaar:

 

Daar is een wil en daar is een weg,

En nu, laat waaien wat kan;

En leve de zon en het schoon gevecht

En een man wordt een man.

Kameraad laat juichen je jonge hart

Sint Leonard.

 

Zeker, de tekst is van ene O. Mulder, pseudoniem van de Siemer.

 

Leden van St. Leonardus in café Voskens, 1940.

V.l.n.r. Jo Bedaux, Luc van Hoek en Frans van der Ven.

Collectie Regionaal Archief Tilburg.

 

Sint Leonard en DE Siemer

In 1913 verhuisden de in 1912 door Hendrik Moller opgerichte R.K. Leergangen van Amsterdam naar Den Bosch. En op 17 september 1917, nadat het eerste lustrum 'in een stemming van grote vrolijkheid waarin pret en jool de overhand hadden', was gevierd, meldden zich in het achterzaaltje van Lohengrin in Den  Bosch de eerste leden voor Leonardus aan. De oprichtingsvergadering vond echter plaats op de 26e januari 1918, onder leiding van J. Vlekke, de eerste voorzitter. Bij de opening van de R.K. Leergangen op de 28e september 1918 te Tilburg belegde de vereniging een vergadering in het gebouw 'Souvenir des Montagnards' waarin men Johan Bechtold het woord gaf. Deze keerde zich, met christelijke hartstocht, tegen stoffelijke welvaart en materialisme en hij zag als tweede opgave het omhoog stuwen van Brabant op cultureel en wetenschappelijk terrein, omdat, zo zei hij dat 'Het helverlichte Holland zich nooit bekommerde om dat donkere en geknechte zuiden.' Met die doelen kon St. Leendert, zoals het gemeenlijk werd genoemd, jaren vooruit. Op een studenten-landdag in 1920 wees men op het 'biergevaar, dat nog erger was dan de jeneverziekte' en men bad: 'Heer redt ons zuiden van de drankzucht, anders zal het vergaan.' Maar ondanks die kranige taal waren nog tot 1993, toen een laatste reünie werd gehouden, bier en jenever bij Leendert de favoriete dranken. Leendert kende een reeks van voortreffelijke voorzitters en de leden, die Leonardijnen en Leonardinnen werden genoemd (voor intimi Dijnen en Dinnen),  hebben zich het ontslag van Dr. Hendrik Moller erg aangetrokken. (10)

Men benoemde pater Gervasius tot moderator en de vereniging vernieuwde zich herhaaldelijk, waarbij het doel telkens omschreven kon worden met één woord: omhoog. (11)

Henri Sicking had een vaandel ontworpen en in 1925 kreeg het 'Brabant- isme' bij de komst van de Siemer, wiens naam voor het eerst voorkomt in de geschriften bij de eerste opvoering van 'De Cid', een andere wending. Men kreeg intensief contact met Vlaanderen, getuige de Vlaamse Landdagen, die alle door Dr. Moller werden bezocht. Nadat dit contact allengs minder werd ('Er waren er wel die sympathieën hadden voor de Verdinaso-beweging', weet Kees Mandos nog) compenseerde de Siemer dit ruimschoots met zijn beroemde fietstochten en wandelingen door Brabant. Hij werd de centrale figuur van Leendert, wist het provincialisme te doorbreken door in zijn gesprekken, zegt de kronikeur, “weidse perspectieven te openen en – zeer belangrijk – hij zag kans het katholicisme een moderne vorm te geven.” In 1930 waren de baretten, die men ging dragen, onderwerp van heftige disputen, waarbij 'zelfs het meubilair niet ontzien werd'. In 1938 verliet men L' Industrie, voerde Cia van Boort een poppenspel op waarin Gervasius en Siemer hun rol speelden en men verhuisde naar café Voskens. De jaren waarin men de oorlogsdreiging zag naderen waren zwarte bladzijden, ook in de geschiedenis van Leendert. Vanaf juli 1940 werd op de boerderij van Siemer, 'Den Oliemeulen' bijeengekomen. Voorwendsel: de financiële toestand der vereniging. Reden: de grotere vrijheid van spreken. Hier ziet Leonardus zich voor het eerst geplaatst voor een politieke keuze. Dat was in de dagen der voorbereiding van de Nederlandse Unie. Er was op dat moment alleen nog maar sprake van N.S.B., en van het zo pas uit het Zwart-front voortgekomen Nationaalfront van Arnold Meijer. Er kwam een verzoek van het Nationaalfront te Oisterwijk om voor de Leendertleden een informatieve avond te beleggen. Na lang wikken en wegen hakte Siemer de knoop door en werd er in L'Industrie vergaderd waarbij de voorzitter vooraf duidelijk maakte dat het niet de bedoeling was de vereniging politiek ergens bij te betrekken. Daarbij zwaaiden enkele dames provocerend met de zojuist verschenen straatcourant van Brabantia Nostra.

Het vergaderverbod dat Leendert later trof werd met medewerking van de Ortscommandantur en de Procureur-Generaal, opgelost door iedere Dijn en Din van een persoonlijke invitatie te voorzien. Aan de ingang van de zaal lag dus een stapeltje blanco-convocaties en zo ging alles weer zijn gewone gang.

Na de oorlog vierde Leendert traditiegetrouw zijn feesten, werden er reeksen causerieën georganiseerd van soms hoog niveau en maakte pater Gervasius  als moderator plaats voor de enorme pater Jan. Het voortbestaan van Leendert wankelde aanhoudend en het hing van de energie van de voorzitter af – zoals van Lambert Tegenbosch die in zijn periode voor een opleving zorgde - of er op interessante avonden sprekers, literatoren, politici werden uitgenodigd die de studenten voor bijeenkomst konden boeien, zodat zij na felle, liefst op tafel uitgevoerde discussies tot een conclusie konden komen als "het niet oneens te zijn met het ontkennen van de mening die het tegenovergestelde van wat de spreker beweerde in twijfel trekt". Maar de belangstelling van studenten voor een vereniging ebde weg bij het ontstaan van de crypto- en andere dagopleidingen die in het leven werden geroepen. De Leergangen gingen er anders uitzien. St. Leonardus verwaterde. Het valt zelfs niet te achterhalen of zij wel officieel is opgeheven. Sinds eind jaren zestig hoort men er niets meer van. En van de reünie in 1993 is geen verslag voorhanden.

Een van de Leendert-voorzitters, Gerard Ruygers, gaf in een jaarboekbijdrage 'Uit de Yeesten van Sint Leendert' een onovertroffen sfeerbeeld van de Leendert-geest tijdens de beroemde wandelingen. Kees Mandos kent zich hierin nog volledig. Hij blijkt een lyrische verteller:

 

'Die wandel- en fietstochten, wat zijn dat eigenlijk. 't Lijkt niet veel, maar wij, die ze meemaakten, weten hoe zo'n tocht een onmisbaarheid wordt . Een stel jonge mensen trekt uit. Er wordt veel gezongen, er zijn minneliedjes onder en een romantische noot wordt lang uitgehaald, een voorbijgaand burger glimlacht misschien over de naïviteit van menig lied. De schoonheid van ons land doordringt ons, wij voelen iets van de oneindigheid op de grote hei, waar aarde en lucht elkander raken, wij zien de mensen van Brabant met hun zwaar werk, met hun simpelheid en hun soberheid, met de blijheid van hun geloof, dat een zekerheid is in de onzekerheid dezer tijden. Er wordt eens gerust, hier stijgt een blij lied omhoog onder de bomen, en ginder zitten er enigen druk te discussiëren. Uit onze eenzaamheid met de boeken en vaak dorre wetenschap, zijn we hier in een levende gemeenschap. Uit het persoonlijk contact van een paar mensen bloeit een ideaal op dat wij stil droomden over de toekomst. In onze dierbaarste uren vinden wij dat terug bij onze kameraden; een enkel woord over gemeenzaamheid van streven en werken kan een sterkte zijn en een bemoediging. In dolle leute dansen we eens een zevensprong, er wordt gezongen, gedeclameerd, er worden foto's gemaakt, er is vrolijkheid, er is stemming, het is alles als een blije gemeenschap. Wij allen voelen zo iets van een grote broederschap, van wat ons ideaal is komen voorstaan in de stilte onzer eenzaamheid: hoe uit de chaos der verdeeldheid een nieuwe gemeenschap moet oprijzen. Maar wat het precies is, dat die tochten onmisbaar maakt, ik kan het u niet vertellen.'

 

Daaraan moet worden toegevoegd het beeld van de met proviand in de rugzak beladen Frans Siemer, die voor veel kerken en kapellen die men passeerde 'Lieve Vrouwkes' sneed.

 

Over DE Siemer

 

Frans Siemer. Collectie Regionaal Archief Tilburg.

 

Frans Siemer werd op 25 september 1887 in Gorkum geboren. Hij trad in bij de congregatie van de fraters van Tilburg en werd in 1922 priester gewijd. Daarmee behoorde hij met dr. P.C. de Brouwer, diens broer Harrie de Brouwer en rector Vingerhoets, tot de maar vier priesters die deze congregatie heeft opgeleverd. Siemer studeerde Duits in Groningen en hij gaf dat vak vele jaren aan het St. Odulphus Lyceum. Hij had geen officiële binding met de Leergangen, maar werd toch een centrale figuur in het studentenleven. Hij bewoonde een gedeelte van de boerderij de Oliemeulen, die een trefpunt voor jonge artiesten en studenten werd.

Men vond hem een talentvol beeldhouwer en linosnijder. De oud-Leendert-voorzitter Eugéne van der Heijden meldt: ‘Siemer was een ascetisch man. Hij leefde uiterst sober. Zijn vrijgevigheid was echter legendarisch. Men zegt, dat op de dag van de maandelijkse salarisuitreiking zich de armoedzaaiers op zijn stoep verdrongen.' (12)

Hij heeft eens een boek dat hij uitleende vijfmaal opnieuw aangeschaft, verheugd dat het de studenten zo aansprak. Het was voor de administratie van het lyceum een hele toer om zijn rapportcijfers op tijd binnen te krijgen. Hij heeft nog een literair tijdschrift uitgegeven, gestencild, met veel te veel inkt. Het heette De Kangoeroe en het was voornamelijk bekend doordat het hoogst onregelmatig verscheen.

 

Collectie Ronald Peeters

 

Tijdens zijn ziekte werd hij liefdevol verzorgd door de zusters franciscanessen aan het Wilhelminapark. Van daar fietste hij naar het atelier in het bos van Arnold Diepen om zijn hobby's uit te oefenen. Hij is op 23 december 1966 overleden.

Er is over Frans Siemer al veel geschreven. Het mooist misschien door Anton van Duinkerken in zijn Brabantse herinneringen: ‘De Siemer: alle studenten gaven hem dit bepalende lidwoord mee als een hoge onderscheiding. Om er de waarde van te doorgronden, moet iemand goed thuis zijn in het Brabants dialect.' Ook Anton  Eijkens wijdt in het door zijn zoon Joep samengestelde boek Enigen uit Velen (1994) een hoofdstuk aan de merkwaardige Siemer. En José Boyens kent hem op zijn sterfbed niet terug: ‘Niet alleen dat een dode nooit wezenlijke overeenkomst toont met de mens die hij geweest is, de Siemer was nog om andere redenen afwezig: hij lag uitzonderlijk stil in een smetteloze toog.' (13)

 

Linosnede van Frans Siemer: ‘De bokkenrijder'.

 

Kees Mandos wijst op een interview in Brabantia van september 1991 met de toneelmaker en artistiek leider van de toenmalige toneelgroep Studio, Kees van Iersel. Deze noemt Frans Siemer een fantastische inspiratiebron: ‘Avonden- en nachtenlang werd er over kunst gesproken. Géén alcohol, maar thee en pijptabak in overvloed. Via de Siemer', schrijft het blad, ‘leert Kees van Iersel een heleboel mensen kennen die later een belangrijke rol in het Brabantse culturele leven zullen spelen: Jan Naaykens, Jos Bedaux, Ria van Gorp, Kees en Frans Mandos, Josef van Gestel, Kees Spierings en Luc van Hoek.' Kees Mandos herinnert zich ook nog de namen van Jan Engelman, Anton van Duinkerken en Jan Vlekke. Die contacten zijn voor Kees Mandos van enorm belang geweest.

 

'Ik heb', zegt Kees, 'na de lagere school één jaar mulo gehad, dat heeft geen betekenis gehad want ik wilde er weg. Ik heb het idee dat ik bij Leendert en de Siemer heb ingehaald wat ik aan schoolvorming te kort ben gekomen. Die hele sfeer is wel zo bepalend geweest. Als je kunt biljarten dat komt dat ook omdat je dat samen hebt gedaan. Ik had met iedereen van doen en ik kon met iedereen praten, met belangstelling voor literatuur. Als ik dat zo zeg lijkt het zo nadrukkelijk, alsof ik dat allemaal gezocht zou hebben, maar het kwam door de omstandigheden en daardoor heb ik me altijd een gelukkig mens gevoeld. Tot op de dag van vandaag. Al voor de oorlog was de Siemer de ziel van Leonardus. Je ging er naar toe als naar iemand waarvan je zegt dat is vriendschap. Het was een prachtige mens. De Siemer was internationaal. Hij speelde een rol in het culturele leven, maar altijd op de achtergrond. Hij was geen Tilburger en daar speelde hij mee. Hij was een figuur die zich nooit opdrong. Hij leerde je denken. En als je dat werk van 'm zag! Ik heb er de duw door gekregen om lino te gaan snijden. Dat kreeg je op de academie niet. Ik heb van de Siemer het snijden geleerd. Dat was heel eenvoudig: ik zag hem dat doen. Je leerde van de Siemer geen technieken. Hij liet alleen zijn werk zien. Hij zei nooit iets over vorm. Hij vond dat ik wel mooi aquarelleerde. Dat viel 'm op. Hij nam je ook mee naar tentoonstellingen. Zijn invloed was opvallend voor die tijd. Hij was echt een artiest. Die dééd het. Die moest het kwijt. Hij zat met een schilmes op zijn schoot te snijden. Er is een prachtige map met linosnedes van hem verschenen. (14) Ik vergelijk zijn werk met dat van Cantré. Die allure heeft het. Het is een andere taal, het is meer toneel, ook in de gebaren. Ik zie er de invloed van het Belgische expressionisme in.'

'De Siemer was een uitzonderlijk priester', vertelt Kees verder. 'Hij was in hoge mate priester voor ons. Hij was een heel christelijk mens. Niet dat hij een stempel op je drukte. Daarin was hij het tegenovergestelde van de wereldgeestelijken: die waren van boven af. Siemer begeleidde. Hij had daar geen officiële taak in, maar hij voelde zich geroepen om dingen uit te dragen aan mensen die zijn pad kruisten. Hij moest naar de bisschop om te weten hoe hij zich als priester moest kleden, met een steek en alles. Hij liep met zo'n sjaal. Zo'n steek heeft hij maar eventjes op gehad en toen zei hij: Dat doe ik toch niet meer, dat ben ik niet. Hij kwam uit het noorden maar is tot en met Brabander geworden.'

'Ja', geeft Kees Mandos toe, 'er waren wel mensen die niks van 'm wilden weten. Omdat hij zich niet aan de regels hield, hij kleedde zich niet zoals het hoorde, zijn toog zat vol vlekken. Men vond hem een viezerik, wat hij niet was. Hij had zwarte handen en nagels. “Ja, zei hij, als je niks doet dan blijven die wel schoon”. Pastoor van Miert vroeg eens aan onze Frans: “Wat vind jij van de Siemer?” Eigenlijk mocht het niet. Van Miert wist er ook geen raad mee. Omdat Siemer een andere manier van doen had. Hij had geen parochie maar hij hield zich met de kluit bezig waarvoor de parochie niet zorgde.'

'Dat hij rechtse sympathieën zou hebben gehad, of dat Leendert die zou hebben gehad, kan ik niet zeggen. Kijk, de laatste tien jaar voor de oorlog is het heel slecht geweest. Toen werd er door verschillenden, en vanuit Rome, bericht dat in Italië de industrie opbloeide en het economisch beter werd. En sommigen zagen daar iets goeds in. Ook Arts schreef artikelen over die toestanden in Italië. Maar politiek was ik niet geïnteresseerd. (15) Frans heeft in het begin een affiche gemaakt voor de Nederlandsche Unie. Daar is De Quay ook nog op aangekeken, terwijl het toch ging om zich af te zetten tegen de Duitsers.'

'Die wandel- en fietstochten waren in de oorlog te gevaarlijk. Dat liep terug. We kwamen het meest bijeen op de Oliemeulen. De Siemer woonde daar alleen op die boerderij, de boer en boerin woonden in een ander gedeelte. De boerin kookte voor hem. Totdat hij ziek werd en hij naar de zusters moest. In de Oliemeulen had hij altijd volk over de vloer. Die boer en boerin bemoeiden er zich niet mee. Maar soms kookte ze voor het hele gezelschap. Het huis stond altijd open. Ik heb het interieur nog 'ns getekend.We waren altijd bezig. Met die sfeer heb ik te maken gehad. De Siemer praatte wat binnensmonds, ja, daar had ik ook wat moeite mee. Maar je kunt er over blijven vertellen!'

 

 

Interieur van De Oliemeulen, de kamer van de Siemer. Tekening Kees Mandos.

 

De oorlogsjaren

'De zaak van mijn vader', vertelt Kees Mandos, 'was in de oorlog al verleden tijd. Hij hield er mee op bij de mobilisatie, want toen werd er niets meer uitgevoerd. Mijn vader kwam op een leeftijd dat hij 't niet meer kon en hij was al 'ns geopereerd. Toen moesten wij het met ons tweeën doen. We waren al heel vlug een reclamebureau begonnen. Frans ontwierp de reclames. We hadden ontzettend veel werk voor de Boerenbond, het Boekhoudbureau, de verzekeringen, en de N.C.B, had op drie plaatsen drie keer per jaar tentoonstellingen. In Hulst en Oosterhout bijvoorbeeld. Dat waren landbouwtentoonstellingen. We maakten stands voor beurzen, we deden veel grafisch werk, we deden van alles. Dat blijkt wel uit de tentoonstelling van 1941 die burgemeester van de Mortel geopend heeft.'

'Dat de oorlog kwam is in zekere zin mijn geluk geweest. Dat reclamebureau, dat eerder  buitengewoon goed ging, lag stil. Je kon geen reclame meer maken. Je kon niks kopen, ook niet. Ik kan van wat we toen deden niet veel laten zien, daar is niet veel van over. Er is wel van overgebleven – en dat was het voordeel van dat we zoveel met letters gedaan hadden - het kalligraferen. Dat is daaruit ontstaan en heeft tot mijn eigen letter geleid. Nou, het is mijn 'geluk' geweest omdat ik toen aan ander, aan vrij werk toekwam. Toen kreeg ik meer tijd om te schilderen en buiten te schetsen. Ik herinner me dat Frans en ik in Hilvarenbeek stonden te schetsen. Er kwam een boer naar ons toe en die zei: “Ga werken!”  Zo keken ze er toen tegenaan.'

'Ik was afgekeurd voor militaire dienst - dat zouden ze nou nog doen! Ze dachten dat er een kwajongen binnenkwam, met mijn Schillerkraag open. Ze hebben eigenlijk niet gekeken. Ze zeiden: “Ga jij maar aardappels eten bij je moeder”. Mijn vader was toevallig aan het werk bij Remmers op de Heuvel: we hebben er een goede pot bier op gevat. Ik heb niet de hele oorlog ondergedoken gezeten. Ze waarschuwden ons. Af en toe kregen we een seintje en gingen we naar Hilvarenbeek. Daar kenden we verschillende mensen. Daar gingen we dan tekenen. Van wie dat seintje kwam heb ik nooit geweten, maar op een bepaald uur werden we weer gewaarschuwd dat het in Tilburg veilig was. En dan kwam ons moeder soms zeggen dat er NSB-ers met geweren waren geweest om te kijken of het bed nog warm was. Op het laatst heb ik ongeveer een half jaar ondergedoken gezeten bij onze Frans. Die had een huis kunnen huren in de J.P. Coenstraat. Maar hij werd er uitgezet voor een NSB-er. Van pastoor van Oirschot mocht ie in de boerderij komen wonen. Daar trokken twee paters van de Rooi Harten, Smeets en Krol, in. Die hadden de boerderij ingericht voor het geval zij uit het Missiehuis zouden worden gezet. Zo kon Frans er in een gedeelte inwonen. Ik ben toen bij hem in de schuur ondergedoken. Ze hebben me niet gevonden. Ik begreep niet waarom ze mij moesten hebben en ik wist ook niet hoe ze aan mij kwamen. Frans hoorde er nooit iets over.' (16)

'We kregen de opdracht voor een groot werk, een wandschildering in de kerk van Valkenswaard. Dan bleef je veertien dagen van thuis weg. Het duurde zowat een dag voordat je er was: er gingen twee bussen per dag, die met hout gestookt werden. We sliepen bij de nonnen. Dat werk daar bracht ook weer relaties mee. Met de dokter, bijvoorbeeld, die zei “Dat ie hier onderhand wel 'ns wat goeie praat wilde hebben”. We hebben daar een hele tijd gezeten. Ik was toen nog niet ondergedoken, maar in het begin zong ik soms de Mis mee omdat we niet op de steiger konden werken, want lui van de marechaussee moesten weten wie we waren. Die vertrouwden het niet. De Mandossen werden een begrip. In Oisterwijk hadden we in De Jonge Hertog vignetten op de wanden aangebracht. En daarna vroegen ze of we in Scheveningen ook zoiets wilden schilderen. Daar kon je moeilijk komen, want er was veel gebombardeerd. Met de trein ging het nog net. En toen ik van Scheveningen goed en wel thuis was, goed moe, belden ze op of ik 'bij de lijn' wilde komen. Ik begreep dat niet, ik was doodmoe van die treinreis. “Direct komt de politie 't wel uitleggen”. Toen bleek dat ik kabelwacht had, op de Bredasewg bij het vliegveld Gilze-Rijen. Daar hadden ze kabels liggen en dan moest er, 's morgens om zeven uur al, iemand tussen de bomen gaan staan om op te letten. In zekere zin was dat in Duitse dienst. Iedereen kwam kijken hoe we daar stonden. Voor de oorlog waren wij toch vertrouwd met allerhande dingen met die Duitsers, met de Duitse Keizer en zo. Je dacht er niet bij, ik bedoel, we waren onnozel. Ook met die vliegtuigen: die had Nederland praktisch geen. Ik zie ze nog over Tilburg komen.'

'Wij zijn de oorlog goed doorgekomen. Frans is op het eind van de oorlog getrouwd en hij had zijn eigen atelier. Bij boer Ketelaars waar destijds de Boerenleenbank gevestigd was, stond een boerderij leeg, meer een schuur, en daarin voerden wij de grote opdrachten uit. We hebben steeds opdrachten gehad. Frans maakte ook portretten. En dan was er aan het eind van de oorlog die Engelsman Slater, die vroeg of ik een nieuwjaarskaart wilde maken voor de '7th Armoured Division.' Er was geen elektriciteit, ze konden nergens clichés maken en dus moest ik die in lino snijden. Ik maakte een verhaal van de bevrijding over meerdere jaren, van Egypte af. En dan kreeg ik die kaart weer toegezonden van mensen die die kaart kregen. Ze heeft nog eens in een Engelse krant gestaan, en ook die heeft mevrouw Slater naar mij gestuurd. Eppo Doeve heeft er in een getekende pagina in Elseviers Weekblad nog aandacht aan besteed. Dat vind ik nou zo apart vanwege die hele geschiedenis. Dat zijn van die aardige dingen. Ik was toen nog niet getrouwd. Ik heb mijn vrouw Bep bij de bevrijding bij toeval leren kennen omdat ik naar Groesbeek ging, want daar mochten mijn zussen Riet en Toos van hun baas Jacky van de Bijl gaan helpen in de vluchtelingenverzorging. Jacky was de broer van Bep. Zodoende. Na de bevrijding in 1944 is onze verkering begonnen. Mijn vader is in 1948 gestorven. Bep en ik zijn in 1949 getrouwd. Met ons reclamebureau was het toen al voorbij en Frans en ik waren sindsdien zelfstandig werkzaam.'

 

Op weg naar verandering

'De kerkelijke opdrachten', vertelt Kees Mandos, 'zijn eigenlijk in de oorlog gekomen. En dat ging na de oorlog door. Ik kan wel zeggen dat alles wat ik gemaakt heb te maken had met katholiek, religieus werk. Voor de scholen, voor Sint Olof, oorkonden, erediploma's, we ontwierpen vlaggen voor verschillende kringen van de Boerenbond. Ook voor de seminaries verzorgden wij drukwerk en oorkondes. We maakten standaarden voor de Landelijke Ruiters. Het was altijd met 'kruis en ploeg.' Dat katholieke kwam overal bij te pas. Dat ging zo tot rond 1960. Toen was het afgelopen met de textiel en ook met de katholieke opdrachten.'

 

Tijs D. schrijft in het Provinciaal Noordbrabants Dagblad van 15 november 1945 lovende woorden over 'Het Laatste Avondmaal' dat Kees Mandos schilderde in de noodkerk op de dijk in Empel. Daar was de Z.E.H. Antonius Claassen, afkomstig van de parochie St. Anna te Tilburg, die het werk van Kees Mandos kende, pastoor geworden. En omdat daar Mandos meer als illustrator bekend stond, keek men de kat uit de boom. Maar de krant schrijft: 'Het moet gezegd: onze verwachtingen zijn overtroffen.'

De pers van die dagen maakte veel melding van het werk van Kees Mandos: van de oorkonde voor Prof. de Quay, van Kersttriptieken, van canonborden voor drs. F. van Miert als scheidende moderator van 'St. Olof', van Kersttentoonstellingen van de Katholieke Actie in de bovenzaal van V & D in Tilburg, en over Mandos' deelname aan de tentoonstelling Zuid-Nederlandsche Kunst in juni '45 schrijft het Eindhovens Dagblad: “Vermelden wij nog fijne voorbeelden van ex-libris kunst, Nieuwjaarswensen, geboorte- en huwelijksaankondigingen van Frans en Kees Mandos. Deze dienen voor het publiek een aansporing te zijn om bij voornoemde gebeurtenissen dergelijke kunstenaars daartoe een opdracht te geven.” En dat is inderdaad in een overstelpende hoeveelheid het geval geweest.

In Oost-Brabant van 14 augustus 1947 schrijft Lambert Tegenbosch een beschouwend artikel over de grafische kunstenaar Kees Mandos en nu eens met nadruk niet in verbinding met zijn broer. Tegenbosch acht hem “aan de Middeleeuwen verwant”, prijst hem “om de beheersing van de levende lijn” en maakt een bijna helderziende analyse: “Alhoewel hij van nature tot het schilderachtige neigt – en ik hoop stil dat hij ooit aandachtiger naar de stem van déze zijn natuur luistert, als hij een ex-libris moet ontwerpen worstelt hij zolang met onderwerp en uitbeelding tot hij een summum aan inhoud met een minimum aan middelen kan verbeelden. Kees Mandos verstaat de kunst een soepele, geschreven dunne letter en een stevige gesneden letter, als in een middeleeuws blokboek, te kunnen gebruiken. En dat in combinatie met de afbeelding en afhankelijk van het gegeven onderwerp. Maar een reeks van illustraties in het blad 'Edele Brabant', die veelal het Brabantse landschap betreffen, getuigen van een geheel andere tekenhand van Kees Mandos. Het zijn gevoelige, uiterst luchtige, bijna impressionistische schetsen, die ongetwijfeld mogelijk werden omdat de oorlogsjaren het buitentekenen intensiveerden.”

 

Het kasteeltje van Loon op Zand. Edele Brabant, jaargang 1947.

 

Deze poëtische stijl kreeg al in 1945 een hoogtepunt in een sinterklaassurprise aan zijn Bep. Kees gaf de dichter Anton Eijkens de opdracht een verhaal te schrijven over hem en zijn vriendin Beppie, die op de Goirleseweg in een huis woonde met een grote romantische tuin. Wiltzang heette dat huis. Eijkens verwerkte het gegeven tot een sprookje 'De prinses in de tuin.' Uit het prachtig intieme boekje spreekt het verliefde hart waarmee het gemaakt en gegeven is: dit is niet zomaar een surprise.

 

'Dat is waar, ' zegt Kees, 'en daarom ben ik er zo zuinig op. Het is geaquarelleerd en alle regels zijn met een kroontjespen geschreven. Een hoop werk. Het is mooi vettig papier. Fons Kafoe, die werkte bij Van Laarhoven, heeft het gebonden in vlinder-binding. Kafoe heb ik leren kennen omdat hij ook binding met kunstenaars had. Ik heb me kapot gewerkt om het klaar te krijgen, want dát kost tijd, hè ! Er was bij Jeannet, de zus van Bep, die op kamers in de Gasthuisstraat woonde, een diner klaargemaakt. En toen kreeg ze dit cadeau. En ik was zo moe. En toen hebben ze me te bed gelegd.'

 

Een topopdracht

En dan kondigt het Nieuwsblad van het Zuiden op 8  januari 1946 aan dat er een Huldeblijk-Comité is gevormd bij gelegenheid van het afscheid van Burgemeester van de Mortel. Er zal een inzameling worden gehouden om “een huldeblijk aan te bieden”  namelijk twee gebrandschilderde ramen in de Burgerzaal van het Paleis Raadhuis. Daarnaast zal de burgemeester “een persoonlijk geschenk”  worden aangeboden.

Kees Mandos en Anton Eijkens werd opdracht gegeven een album te vervaardigen, waarin reproducties van de ramen voor het Paleis-Raadhuis en een zakelijk relaas van de aanbieding ervan zullen worden opgenomen. Op 13 februari 1946 geeft Oost-Brabant meer details over het album.  ‘De meer speciale taak van Anton Eijkens is een Tilburgs verhaal te schrijven, dat door Kees Mandos gekalligrafeerd zal worden. Wellicht zal Anton Eijkens een al of niet berijmd verhaal maken van de geschiedenis van onze stad, waarvan een groot deel gewijd zal zijn aan den tijd van de Duitsche bezetting, de ambtsperiode van burgemeester van de Mortel. Kees Mandos zal het geheel met vignetten en illustraties verluchten.'

Op 6 mei werd afscheid van de burgemeester genomen en werden de ramen van Piet Clijsen geplaatst. Maar Kees Mandos had voor dit monnikenwerk meer tijd nodig, zelfs al had hij met zijn boekje De prinses in de tuin de nodige vingeroefeningen voor dit grote werk gehad. Op 15 oktober 1946 kon het album aan de burgemeester worden aangeboden. De waardering was enorm. De Tilburgsche Courant van die dag herinnerde aan een aantal werken van Kees Mandos en sprak in grote opmaak van ‘zijn chef d'oeuvre tot heden'. En dat is het bij beschouwing nu, nog. Het werd gekalligrafeerd in regels van een gevoelig wisselend corps sierlijke kapitalen en geschilderd in gouache en aquarel op vlinderpagina's van 40 bij 50 cm  van het luxueuze Borregaard Ledger N.F. papier, dat Kees Mandos nog had liggen, want het was in die tijd zowat onmogelijk om aan mooi papier te komen. Zijn contacten met de firma Van Laarhoven droegen er toe bij dat Harrie van der Aa en Kees van Belkom, die daar toen leiding gaven, met groot begrip en uiterst smaakvol het bindwerk konden verzorgen. In de glanzend donkere kalfsleren omslag werd het aloude wapen van de Van de Mortels, door Mandos extra voor het cliché getekend, gestempeld.

 

Titelpagina van de Rijmkroniek van Tilburg.

 

Voorjaar '96 was het boek de Rijmkroniek van Tilburg in het bezit van mevrouw Enneking-van de Mortel, de dochter van de burgemeester.  Met grote omzichtigheid, eerbied en trots haalt hij het gedenkalbum voor burgemeester van de Mortel uit 1946, voor de dag. Hij heeft het met enige moeite bij mevrouw Enneking kunnen vinden: het lag op een andere plaats dan in de boekenkast. (17) Hij had het in geen dertig jaar gezien. Kees beschrijft hoe hij er aan werkte.

 

'Verdiept in het omslag ligt het wapen van de van de Mortels en van Tilburg. Het was een adellijke familie. In het wapen een helm en korenaren. Er zitten wat ijzersproeten in het papier. Ik heb er een half jaar aan gewerkt: je moet 't drie keer doen: voor de compositie, tekenen en dan op het goede blad brengen. Ik heb de tekst eerst getekend op ware grootte. Toen heeft mijn vrouw 't nagelezen. Twee keer. Je weet uit ervaring waar je op moet letten, je hebt van die woorden. Er zitten dus geen vergissingen in. Ik had het al een keer ontworpen ook op ware grootte, dan wordt 't via een kalk overgehaald op het originele papier, en dan wordt het pas op het origineel getekend. Dat overhalen bestaat er in dat het getekende met behulp van houtskool dat aan de achterkant is opgebracht wordt overgetrokken en lichtjes doorgedrukt. Als ik 't maar zag was 't genoeg. De letters zijn met een kroontjespen getekend. De corpsen verschillen afhankelijk van de lengte van de woorden. Het is zorgvuldig opgebouwd, je schrijft niet zo maar raak. Het handschrift zie je er aan af. En dan die illustraties. Het is levendig. Er ligt nu wat nadruk op dit boek vanwege de expositie die er komt. Het moet een kernpunt van de tentoonstelling worden. Het is een stuk geschiedenis en iedereen moet maar zeggen wat ie van mijn werk vindt, ik bedoel, ik voor mij weet goed wat ik allemaal gedaan heb en ik ging steeds verder, je maakte immers vorderingen en je kreeg andere informatie en contacten. Maar dit waren mooie opdrachten.'

 

Pagina uit de Rijmkroniek van Tilburg.

 

'Naast de opbouw van de carrière als illustrator', vertelt Mandos, 'werd het vrije tekenen en schilderen belangrijker. Dat kun je zien aan de Tilburgse groep kunstenaars. Jan van Riel, Jos Zeegers en Gé Hurkmans, Theo van Delft en wij. Na de oorlog is dat gegroeid. Nico Molenkamp kwam hier wonen, Jan Dijker en Egbertje Dekkers en wij exposeerden regelmatig bij Donders in de Zomerstraat, in Breda en Den Bosch. Wij tekenden met de modeltekenclub hier of bij Frans, en later bij Hans Claesen in zijn atelier op de steenfabriek (18) en toen leerde ik Theo Mols kennen op het glasatelier waar Theo toen werkte. Dat atelier is vanuit de Karrestraat naar het industrieterrein verplaatst. En Jacques Kreijkamp kwam er bij en ik tekende ook mee. Die tekeningen zijn nooit geëxposeerd, want ik tekende toen niet zo bar veel. Er wilden er steeds meer bijkomen, maar dat werd te groot. Er waren jongeren die ons al 'de kliek' noemden. Maar iemand die je totaal niet kent ga je er toch niet bijhalen.

We zagen elkaar ook zowat elke donderdagavond bij Kees den Reijer in café Duizend Likeuren.' Daar werd om beurten geëxposeerd, er werd muziek gemaakt, iets voorgedragen, het ging er een beetje 'leonardijns' aan toe. Er was een leuke sfeer en we mochten tot twee uur open zijn. Dat was bijzonder. Dat kregen vreemden in de gaten, en dan kwamen er van die zatlappen en Kees had zijn café graag vol. Die sfeer ging toen kapot. Op die manier is het afgelopen.' (19)

 

Kees Mandos nam deel aan tentoonstellingen ter gelegenheid van de Jubileumfeesten in de etalages van winkeliers. Er volgden 'zinnebeeldige' wandschilderingen in de nieuwe zaak van wijnhandel Vollaers (1948), en zijn bijdrage aan de tentoonstelling in Kunstzaal Donders van '49 werd door Tijs D. in 'Het Huisgezin' "lichtvoetig, poëtisch en speels" genoemd. Een triptiek in de nieuwe kerk in Empel werd in 1950 voltooid. De 'Veluwe- en IJsselbode' van 3 juli 1950 meldde naar aanleiding van een tentoonstelling in 'Potterie Ben Weber' dat “Kees Mandos in het bijzonder, zich blijkbaar sterk voelt aangetrokken door de meer moderne opvatting in het grafisch werk” en volgens De Nieuwe Apeldoornse Courant “verraadt Kees Mandos een gezonde vitaliteit in zijn lino's”. De Tijd deed verslag van de Nederlandse Moderne Gewijde Kunst te Rome, waaraan door Kees en Frans Mandos werd deelgenomen en over de zoveelste expositie in kunstzaal Donders merkte Domien van Gent op: “Aquarellen, fleurige notities van Kees Mandos in een moeilijke techniek, verraden een stevige bedrevenheid in wat wij zouden willen noemen de schone schijn van de doorschijnendheid”. We zien zijn naam ook op exposities in Nancy, via de A.K.K.V. (de Algemene Katholieke Kunstenaars Vereniging, waar bijvoorbeeld ook musici lid van waren) en op een reizende tentoonstelling in Offenbach. Het Stedelijk van Abbe Museum in Eindhoven houdt van 20 juni tot 26 Juli 1953 een tentoonstelling van '11 beeldende kunstenaars uit Brabant.' Harry Pardoel, Jan Dijker, Ad Willemen, Kees Bol, Jean Nies, Paul Gregoor, Janus Sibens, Gerard Princée, Nico Molenkamp, Floris Verster en Marius de Leeuw, dat zijn de namen van de deelnemers.

In het voorwoord van de catalogus schrijft Frans Babylon: “Een stijl, die zich tevens goed leende voor het feestelijk versieren van kerken en kapellen. Deze Brabantse neo-barok was door haar vrijwel uitsluitend teruggrijpen op de renaissance-tradities echter niet progressief zoals een soortgelijke stijlbeweging in Limburg, welke tegelijk allerlei moderne elementen in zich opnam. En daarom hadden bijvoorbeeld volkse en expressionistische tendenzen in het werk van "De Siemer" en de gebroeders Mandos weinig ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst. Bovendien werd de neo-barokke schoolvorming van hen en Lucas van Hoek abrupt afgebroken door de oorlog, waarin de "Brabantia Nostra"-beweging verzwakte en zich afzijdig hield van de "bloed en bodem"-propaganda, welke onder de Brabantse kunstenaars geen talentvolle aanhang wist te krijgen.'

 

'Frans Babylon', zegt Kees Mandos nu, 'die toch ook gedichten schreef in het blad Brabantia, geeft hier af op de schilders van die tijd, op de Siemer, en daar zijn wij dan bij, en op Piet Clijsen, die vond hij niet zo vernieuwend. Maar eigenlijk ging het hem meer om Brabantia Nostra, dát moest er uit. Het protest van Frans Babylon ging er eigenlijk over dat het te weinig was. Je kunt praten wat je wilt, maar Van Gogh is toch maar uit Brabant gekomen, al is dat iets heel anders geweest. Maar ik vind dat er niet zoiets als Brabantse kunst bestaat. Ik vind dat dat niet kan. En toen Frans Babylon zijn openingsrede voor deze tentoonstelling had gehouden, zaten we later met hem aan tafel. Toevallig had hij werk van mij gezien en toen zei hij: “Jouw werk is toch moderner dan ik dacht”. Ik bedoel maar: hij keek maar half. Maar och, die persoonlijke kijk...' (20)

 

Driekoningenprenten, paaskaarsen, opnieuw velerlei drukwerk, schilderingen, deelname aan Kunst-klottermarkten, dat alles gaf blijk van de wijze waarop Kees Mandos in het actieve kunstleven van Tilburg was opgenomen.

 

De kunstklottermarkt (1952) met Frans Mandos Tzn achter de kraam.

 

Het Nieuwsblad van het Zuiden besteedde in oktober 1954 paginagroot nog eens opnieuw aandacht aan het album dat burgemeester van de Mortel bij zijn afscheid was geschonken en het blad zelf gaf Kees Mandos opdracht in haar nieuwe gebouw enkele wandschilderingen te maken. Hij slaagde er in wandschilderingen, een Laatste Avondmaal en een Maria-ten-hemel-opneming, in de Korvelse kerk op gelukkige wijze te laten aansluiten bij het werk dat Luc van Hoek daar al eerder had gemaakt. In dat jaar, 1955, ontwierp hij ook het tegeltableau in het zwembad aan de Ringbaan-Oost, waarmee de bouw van dat bad werd voltooid, tot groot enthousiasme van Het Nieuwsblad.

Kees Mandos schilderde een Onze-Lieve-Vrouw voor de nieuwe kerk in de wijk Zand II, waarvoor hij ook een vloermozaïek moest maken. Voor drukkerij Bergmans werd hem wederom een mozaïek gevraagd en hij verzorgde in 1961 de devotiekapel in de pastoor van Ars-kerk.

Tragisch is de geschiedenis van 'Het Gedachtenisboek' dat Kees Mandos maakte voor de kapel Onze-Lieve-Vrouw-ter-Nood. In dat boek  tekende hij alle namen van stadgenoten, die als gevolg van oorlogshandelingen in 1940-1945 en daarna in Indonesië hun leven hebben gegeven voor het vaderland. Door het slot van de glazen vitrine te forceren werd het boek in 1974 gestolen. Mandos heeft het opnieuw gemaakt. Daarna is het voor de tweede maal gestolen. De lijst met namen moet Mandos nog in zijn bezit hebben, maar hij is nu niet meer in staat het boek voor de derde keer te tekenen.

In oktober 1970 gaf de Brabantse Kunst Stichting te Tilburg Kees Mandos, die zich als een van de eersten aansloot bij de vereniging Het Brabants Edelambacht, later omgezet in de Brabantse Stichting voor Beeldende Kunst en Ambacht, de gelegenheid zich in een solotentoonstelling te presenteren. Hij exposeerde grafiek, tekeningen en schilderijen.

De laatste tentoonstelling waarvan 'geschreven berichten zijn gebundeld' werd op 11 maart 1976 in het Kultureel Sentrum geopend door Henk Egbers. Er werd aan deelgenomen door: Marit L'Herminez, Jos Smale, Eversky Blom, Frans Blondel, Hans Claesen, Jan Dijker, Nico Molenkamp, Ru van Rossem, Niko de Wit en Kees Mandos.

 

Over werk

'Die schilderijen die hier hangen' Kees wijst op materieschilderijen uit 1979/80, die op prominente plaatsen in zijn kamer hangen - 'zijn van dien aard dat ik dat zelf ontdekt heb en wel doordat de kinderen op de academie zoveel te horen kregen. Zij vertelden daarover en kwamen thuis met hun werk. Dat alles kwam in mijn werk terug; ten gevolge daarvan is dit werk ontstaan, omdat ikzelf het idee had: ik zal zélf wel 'ns mijn eigen verhaal geven. Ik had nog nooit abstract gewerkt. Nou, dit is er uitgekomen door de ontwikkeling van buiten af. Maar ook door het gevoel voor het materiaal. Als ik zo'n tegel zag, dan vond ik dat een mooie vorm. Eigenlijk was het de schoonheid van de natuur die me boeide en daarmee begon ik zelf te componeren. Via allerlei krabbels, zoekend naar eenvoudige dingen. Ik heb nog niet anders gehoord dan dat ze 't goed vonden.'

'Die letter die ik sneed, dat type, en hoe ik dat deed, dat is uit mezelf gekomen. Vanwege die reclame die ik vroeger deed. Daar moesten nogal veel letters bij. Ik had wel een dik letterboek, drukletters, maar ik had een gesneden letter, meestal in linoleum. Daar drukten ze mee.'

 

Kees Mandos: ‘Schelpen'.

 

Hij laat een vel vol opgeplakte exemplaren van door hem ontworpen grafiek zien, ex librissen, kaarten enzovoort. Zo'n vel ziet er kostelijk uit.

Wat is nou bijvoorbeeld een vertrekpunt bij het maken van zo'n ex libris?

 

'Er is altijd een vertrekpunt. Als iemand komt met een vraag dan begin je te praten. Hier, dit is 't ex libris van pater Piet. Piet Heerkens S.V.D. ontmoetten we in de oorlog in Valkenswaard toen we daar die muurschildering maakten. Daar hebben wij veel mee gepraat. Hij was uit de missie gekomen en zat daar nou bij die nonnen op dat ziekenhuis, hij had daar een kamer gekregen. En zodoende. Maar zijn broer was de pastoor van de kerk die er bij stond.'

 

Maar waarom staat er nu een draaiorgel in?

 

'Nou, ken je de dichter van: D'n Örgel, De Kinkenduut, De Knaorie.

 

Dat zijn Brabantse bundels. Die priester maakte Tilburgse gezegden, gedichtjes, net als Cees Robben later. Maar deze kwam uit de missie en die had zo'n binding met Tilburg.'

En plotseling begint Kees te zingen:

 

'k Zie oe toch zo gère liggen

Tilburg, waor 'k geboren ben.

Mee oew kerken en fabrieken

Waor ik ied're lijn van ken.

'k Zie oe toch zo gère liggen

Tilburg, waor 'k geboren ben!

 

In die geest is 't. Piet Heerkens S.V.D. was de dichter.'

 

Dan gaat hij al bladerend verder met zijn toelichting.

 

'Je ziet altijd het beroep. De vis: het geluksmotief. ... Deze is voor Lambert Tegenbosch: een gezichtje in de pauwenveer, als versiering.

 

Dat is 't teken van hem... Voor de Tilburgse Katoenspinnerij: de katoenbol.... Dat heeft natuurlijk niet alles met het katholieke te maken, maar wel ontzettend veel. Het is allemaal teruggelopen... Toch is dit weer 'n opdracht voor de parochie 't Heike... Deze voor St. Lambertus en voor de R.K. Werkgevers heb ik er stapels van... Ik gebruik verschillende letters om te variëren. En het is mijn opmaak. Het houdt verband met hoe ik 't wil hebben. Deze is gesneden, maar het hele ding is gesneden... Dit is weer een zwaarder type en ingekleurd. Dat heeft me niemand geleerd, of 't moest van huis uit mijn vader zijn. Niet met woorden, maar al doende uit de reclame. En er moest veel tekst bij. En je hebt smaak of niet. Je gaat ze zelf ook ontwerpen. Je bent verplicht dat helemaal te snijden omdat er geen clichés gemaakt werden. Dat is heel iets anders. Ik gebruik graag kapitalen, ook geschreven kapitalen. Dat ligt bij mij in de hand. Dat vind ik duidelijk. Dat is mijn letter. Goed leesbaar.'

'De variatie in 't werk van mij is opvallend. Dat komt niet veel voor. Dat komt omdat ik niet zo gebonden ben aan een leermeester. Want Frans had meer last van zijn opleiding, want dan moest je los komen van je leraar. Bij mij is het zo gegroeid ook uit mijn contacten met anderen en dan groei je met de ervaring die je hebt mee. De opdrachten waren ook verschillend, en ik keek naar het materiaal dat ik moest gebruiken. Ik heb eens een stuk perkament gehad, dat ik zo mooi vond, té mooi om er iets op te doen. Er kwam van alles op me af en ik ben altijd blijven schilderen. Indertijd zijn het, na Albert Servaes, vooral die Belgen geweest die mij trokken. Valerius de Saedeleer, een prachtige schilder. Heel naturalistisch maar zo mooi eenvoudig. Mijn tekentrant had er wel mee te maken. Je ging naar tentoonstellingen en dan zag je George Bracque. Paul Klee, die ik voor het eerst zag in een boek bij Dreesen, vond ik ontzettend goed. Later Pijke Koch, Willink. Dat vond ik wel goed werk, maar ik hield meer van dat 'smeuïge.' Het verschil tussen noordelijke en zuidelijke schilders. Ik hield meer van Constant Permeke, en Gustaf de Smedt, voornamelijk expressieve schilders. Er moet een onuitgesproken sfeer van uitgaan. James Ensor, mooi. In die sfeer sta ik met mijn gevoelens. Het is een boeket.'

 

Toch blijven de abstracte materie-schilderijen uit 1979/80 een opvallende verandering in de vormentaal van de schilder Kees Mandos. Dat moet hij eens uitleggen. Tapiès? Birker?

 

'Toen ik ermee bezig was had Joop Birker het nog niet gemaakt. Dit werk begon al in de jaren '60. Ik wilde er een sfeer in brengen die iedereen verschillend kan beoordelen. Het kwam uit het werk zelf voort dat ik dat wilde. Ik had materiaal bij elkaar liggen waarmee ik begon te werken, uitzoeken, bij elkaar leggen en te doen. Het heeft te maken met wat ik ervaren heb. Zelfs als ik hier door de tuin liep, met die Noorse lei, kwartsiet en die steensoorten. Ik heb wel op 'klassieke' wijze met olieverf geschilderd. Het is langzaam gegroeid.'

 

En wijzend op een aquarel aan de muur:

 

'Zo'n vrucht zou ik toen zo niet gedaan hebben: om die door te snijden, zo te leggen, zo te vergroten en er zo op door te gaan. Toen mijn zonen Antonie en Charles hun werk van de academie meebrachten, kwamen er weer andere dingen los. Toen kwam alles los, eigenlijk. Ik werkte aan mijn laatste opdracht in de jaren '70: een met mozaïek ingelegde schoorsteen. En in zo'n schoorsteen dringt zich het abstracte al op. Ik heb niet zo heel veel model getekend, maar ik zal je stapels diertekeningen, landschappen, bouwputten en allerlei schetsen in potlood, pen, flow-master en andere technieken laten zien. Ik tekende in mijn schetsboeken liever de dingen die gebeurden, dingen die niet stilstaan. Ik had meer een illustratieve instelling.'

 

Daar is in dit abstracte materiewerk niets meer van te zien.

 

'Mijn verhaal zit er toch wel in: mijn verhaal, wat ik tegenkom. Als ik iets zie liggen dan zie ik daar een verhaal in. Dit heb ik uit de grond gehaald. Het versletene boeit mij dan. Het is eigenlijk een reïncarnatiegedachte. Het maakt dat eigenlijk alles interessant kan zijn. En dat begint er al mee als je ergens iets op drukt.'

 

De latere Mandos

'Op een gegeven moment waren de inkomsten eventjes aan de lage kant. Ik wilde geen gebruik maken van de B.K. Regeling. (20) Maar ik heb het toch gedaan: het gezin werd duur. Ik heb er geen spijt van gehad. Ze hebben van mij altijd goed werk gekregen: studies van dieren, schilderijen. Ik heb wat teruggekregen maar ze hebben er ook veel gehouden, dat kan ik nog aan de dia's zien. Dat is goed werk. Ik wilde niet meer hebben dan dat ik nodig had. Het was eigenlijk niet zo'n slechte regeling. Je was natuurlijk het liefst zelfstandig, maar je kon je er vrijer door opstellen. Ik was eigenlijk blij dat ik het niet meer zo druk had met opdrachten. Want ik ben ontzettend blij met juist dat vrije werk.'

'Neem nou het zwembad. Het is nu verkocht, maar het tegeltableau wordt er af gehaald. Dat is niet mee verkocht.  Ja, ze krijgen het er wel heel af. Het eerste stuk is tenminste heel en die klok loopt nog. En nu krijgen we het parochiebericht. In de kerk hier heb ik glas-in-loodramen zitten, in de Hoefstraat twee schilderingen. En nou worden die twee kerken afgebroken. De Besterd is al afgebroken, daar had ik in de Mariakapel ook werk zitten, de Pastoor van Ars-kerk is ook weg.

 

De klok in de muur van het zwembad aan de Ringbaan-Oost.

 

Er zat in die vloer nog wel een mozaïek. Je ziet het dus in je leven allemaal verdwijnen. Ik weet 't wel. Jan Dijker heeft ook in zijn boek gezegd dat hij dat heel beroerd heeft gevonden. En die had nog veel meer werk gemaakt dan ik. Je hebt het gemaakt en je maakt het nog mee dat het afgebroken wordt. Dat is triest eigenlijk. En er zijn variaties. Hier in het parkje is een 'centaur', een mooi beeldje van een Italiaan, verloren. Het is van het voetstuk afgebroken, vernield.'

'Ik heb altijd behoorlijk kunnen werken. Iedere keer kwam er wel weer iets. Hoe de prijzen lagen weet ik niet meer precies. Ze waren toch wel aardig. Maar alles is veranderd. Dat was met zingen ook zo. Dan kreeg de zanger vijf gulden en de organist een rijksdaalder. Dat heb ik ook allemaal meegemaakt. Ik ben er niet ongelukkig mee geweest. De meeste mensen gaan kapot aan geld. Je zegt 't wel eens tegen jezelf: Je snapt niet dat het gegaan is. Dat er een gezin van kon leven. En omdat het wat slecht werd heb ik op een gegeven moment - door toeval, omdat de Stichting Kunstzinnige Vorming toen begon - les gegeven. Waarom geeft iemand les? Het is gekomen doordat de NCB een soort cultuurdagen organiseerde. Daar begeleidde ik sommige teken- en schilderactiviteiten in de Schouwburg. Dat duurde een paar dagen. De Stichting had wijkateliers, op De Schans ‘het Heks.' Maar op nog meer plaatsen in de stad. Er was toen nog geen directeur, alleen ene van Roessel en de secretaresse Ineke Klompmaker. Op De Schans was Stef Hagemeijer de leider. Daar werd lesgegeven aan kinderen en aan ouderen. En mij kozen ze om aan bejaarden les te geven. Die liet ik tekenen en lino's maken, houtsnijden, vrij werk. Ik heb ze ook nog geleerd om met een pers om te gaan en af te drukken. Die mensen waren heel dankbaar. Een oude man zei: “Ik wou dat ik dat eerder gekend had!” Die mensen heb ik echt iets meegegeven. Dat vond ik de goede en de leuke kant ervan. Ook later op het Duvelhok. Dan merkte je dat je in die contacten mensen spelenderwijs iets meegaf. Dat heb ik zelf ook altijd bij de Siemer gehad: daar voelde je niet dat je les kreeg. Dat wilde ik op het Duvelhok ook.'

'Ik ben daar eens een keer ingevallen. Jan Vinks had mij eens een meisje zien tekenen en toen zei hij: “Jij moet bij ons komen.” Dat is gebeurd. Op een gegeven moment vond men dat het er op het Duvelhok autoritair aan toe ging. Hagemeijer vond dat toen ook. En toen kreeg je die strijd tegen elkaar. Er is nog een zwartboek uitgegeven, en een oranjeboek. En toen zei ik: “Hoe kom je daar nou bij, ik geef er toch ook les!” Naderhand hebben ze tegen mij gezegd dat er toch wel iets was waar ik gelijk in had. Ze gingen daar namelijk met de spullen om... dat kon ik niet verdragen. Ook de manier van doen met al die dingen. Het leek meer padvinderij in plaats van lesgeven. Het was niet serieus genoeg. Zij bedoelden het sociaal. Maar dat is iets anders. Ik heb daar 's avonds een hele tijd een groep van een vijftien oudere mensen gehad en die hield ik tot het laatst.'

'Ik gaf op het Duvelhok aquarelleren, tekenen en buitentekenen. Ad Willemen gaf grafiek. Ik ben er weggegaan in 1991. Ik heb er 22 jaar lesgegeven. Ik gaf les twee middagen op het Duvelhok en een op het Heks. Daar was je toch een hele week mee bezig en er kwam toch nog wel ander werk tussendoor. Ik moest er mee ophouden omdat mijn ogen te zwak werden. Dat vond ik heel jammer. Want ik zou het nog wel willen doen. Ik heb me altijd tussen studenten thuisgevoeld, en nóg. Ze hebben nog geprobeerd of ik wou blijven, want het viel niet mee om er iemand anders voor te vinden. Ik had eigenlijk al in 1981 afscheid willen nemen maar door allerlei omstandigheden heeft het zolang geduurd.'

'Nee, ik heb nooit les gegeven in kalligrafie. Ik wilde de cursisten voornamelijk leren iets goed in het vlak te zetten, en zo'n stilleven konden ze aan omdat het stilstaat. De meeste mensen weten in het begin niet wat het is. Iemand moet het zien. Alle cursisten die pas beginnen willen 't liefst zo vlug mogelijk 'n bloemke schilderen. Meteen inlijsten. Voor mij ging het er op het Duvelhok om dat die mensen heel anders gingen kijken. Dat is mijn grootste voldoening. Ik zeg altijd: Je moet je uitdrukken als een kind. Kinderen hebben zo mooi iets uit te drukken. En kinderen zetten het praktisch altijd goed in het vlak. Je voornaamste taak als leraar is toch wel dat je ze met gevoel leert kijken. En dat er een volgorde komt. Je hebt wonden-die-moeilijk leren. Hier komt iets bij. Ik zeg altijd: “Schilderen houdt niet op bij dat schilderijtje dat je aan het maken bent. Je moet je smaak en vormgeving ontwikkelen.” En dat je je eigen interieur anders gaat bekijken. Want bij veel mensen breek je de nek over te veel, en als ze dan hier komen – eens per jaar kwamen ze dan 'ns hier - dan zei iemand: “Wat is het hier geordend en smaakvol.”'

 

Kees Mandos was tijdens onze gesprekken 83 jaar. Het leven is bepaald niet ongemerkt: aan hem voorbij gegaan. Maar daar wil hij liever niet over praten. Zijn kwalen doen er niet toe. Hij heeft een blijmoedige kijk op het leven gehouden.  Hij heeft er echt spijt van dat hij met het werk aan het Duvelhok moest ophouden. Onderstaande regels heeft hij zonder enige bijbedoeling en grootspraak gezegd en hij heeft er maar een hekel aan om ze als slotwoord te lezen:

 

'Ik ben wel een keer of vijf geopereerd geweest en toch kon ik telkens weer gewoon lesgeven. Als ik terugdenk hoe ik me gehouden heb... Ik heb mijn leven gehad zo ik het gehad heb. Ik heb fijn geleefd. Ze moeten maar naar mijn werk kijken. Daar gaat het over.'

 

Kees Mandos is overleden op Eerste Kerstdag 2001.

 

 


Noten

 

1 - Graficus was het 'Weekblad van de Grafische Vakken in Nederland'.

2 - Nieuwe Tilburgse Courant , 5 augustus 1941.

3 - Van 1927 tot 1932.

4 - Kees Mandos doelt op de ‘Kruisweg van Luithagen', in 1919 door Albert Servaes (1883-1966) in houtskool getekend in opdracht van de karmelieten in Luithagen. De veertien staties worden zowel geroemd door kunstkenners als verketterd door traditionele religieuzen, en wel om dezelfde reden: het voor die tijd nieuwe en heftige expressionisme. De inwijding vindt plaats op 19 september 1920. Op 30 maart 1921 wordt het werk per decreet van het Heilig Officie verboden voor gebruik in kerkgebouwen. In de maanden daarna wordt de ‘Getekende Kruisweg'  tentoongesteld in vele steden en in Tilburg van  8 oktober tot 4 november door Kunstkring Ons Zuiden, en wel in 't Beursgebouw aan het Piusplein. Servaes was aanwezig bij de opening. De openingstoespraak werd uitgesproken door voorzitter van de Kunstkring, Hendrik Moller. In 1923 word de ‘Getekende Kruisweg' – er is ook een geschilderde versie - aangekocht door Herman van den Eerenbeemt in Amsterdam. In 1951 verkoopt mevrouw Van den Eerenbeemt de kruisweg aan Gijsbert van den Bergh, directeur van de AaBe-fabrieken, die de kruisweg op zijn beurt schenkt aan de trappisten van de Abdij van Onze-Lieve-Vrouw van Koningshoeven. In 1952 wordt de kruisweg in de week voor Pasen nogmaals tentoongesteld in Tilburg, en wel in het Paleis-Raadhuis. Het werk hangt nog steeds in de abdij van Koningshoeven, echter niet in de volgorde van de staties. Daarmee wordt het verbod van het Heilig Officie omzeild.

5 - Het betreft Tilburgsche Post, nieuws- en advertentieblad, een uitgave van Tilburgsche Handelsdrukkerij Jean Smits & Zonen.

6 - Mgr. Th Goossens was Rector van de Katholieke Leergangen van 1921 tot 1956.

7 - Stefan Askenase (1896 - 1985) was een zeer begaafde en wereldberoemde Pools-Belgische pianist en muziekpedagoog.

8 - De Tilburgse schouwburg – Metropole genaamd – lag zeer dicht bij de overweg Heuvel-NS-plein. Elke voorstelling werd daardoor gehinderd door het geluid van de passerende treinen.

9 – Voor uitgebreide informatie over Frans van der Ven alias Frank Valkenier, Klik hier voor deze CuBra-pagina.

10 – Hendrik Moller (1869-1940) was in 1912 oprichter en rector van de Stichting Katholieke Leergangen. In 1918 verplaatste hij deze lerarenopleiding van Den Bosch naar Tilburg. Zijn opvattingen over de invulling en onderwijskundige uitvoering van ‘katholiciteit' brachten hem in conflict met het curatorium en het bisdom, wat tot zijn ontslag zou leiden.

11 – Gervasius is de kloosternaam van  Hendrik Franciscus van der Leemputten (1884-1958). Hij was docent Pedagogie aan de Katholieke Leergangen en publiceerde op dat vakgebied een dertigtal titels, onder andere in de Opvoedkundige Brochuren-reeks van frater Sigebertus Rombouts. Gervasius was vanaf 1921 geestelijk adviseur / moderator – als opvolger van Maurits Molenaar -- van de studentenvereniging van de Katholieke Leergangen, Sint-Leonardus, een functie die hij 21 jaar zou vervullen.

12 - Notulenboek van de Tilburgse studentenvereniging Sint Leonardus verscheen vanaf 1938-1941. Met veel humor zijn in 1938-1939 de belevenissen van Leendert vastgelegd.

13 - In: Gouden Jubileumboek van St. Leonardus, 1968.

14 - Siemer. Hein Knaapen  & Siemercommissie (Tilburg), 1977.

15 - Dr. Antonius Christianus Bernardus ('Antoon') Arts (1873 – 1955). In 1901 werd hij hoofdredacteur en later directeur van de Nieuwe Tilburgsche Courant. In 1937 werden door de N.V. Nieuwe Tilburgsche Courant te Tilburg de artikelen van dr. Antoon Arts uitgegeven onder de titel Van blad tot boek. Deze bundel werd ingeleid door prof. mr. W. Pompe en de bekende priester Wouter Lutkie. Lutkie, die een vorm van Italiaans fascisme in Nederland voorstond, publiceerde ook in de krant van Arts. Voor de tijdschriften Aristo, dat onder redactie van Lutkie stond, en het fascistische maandschrift Oisterwijk schreef Antoon Arts enkele artikelen.

16 – Jeroen Ketelaars meldt in een biografisch portret van Frans Mandos Tzn., in het tijdschrift Tilburg (december 2002), dat Kees door de Duitsers gezocht werd voor de Arbeitseinsatz

17 – Op 6 september 2002 heeft Het Historisch Centrum van Tilburg het boek verworven. In 2003 verscheen een facsimile van het boek op initiatief van Drukkerij Gianotten, het Regionaal Historisch Centrum en website CuBra. Voor de digitale versie: KLIK HIER

18 - De steenfabriek van de firma Claesen bevond zich aan de Lovense Kanaaldijk, bij de brug aan de Petrus Loosjesstraat.

19 – De volledige naam was: Het Huis der Duizend Likeuren. Het bevond zich bij de draaibrug van Prinsenhoeven, en werd bestierd door Kees den Reijer  (1898-1967).

20 - Frans Babylon is het pseudoniem van de Brabantse dichter  Frans Obers (1924-1968). In 1954 stelde  hij de invloedrijke bloemlezing Brabantia Nova samen, met werk van de na-oorlogse dichters uit Noord-Brabant.

21 - De Beeldende Kunstenaars Regeling (1956) was een regeling waardoor kunstenaars in ruil voor diensten of kunstwerken een inkomen ontvingen. Het doel was hen maatschappelijke zelfstandigheid te garanderen. Toen de regeling verviel konden kunstenaars een beroep doen op de Bijstand. De uitvoering van de BKR was in handen van het gemeentebestuur van de woonplaats van de kunstenaar.