CUBRA HOME
INHOUD LOWIE VAN DORRUS MISTERS
Meer heemkundig werk uit Tilburg:
Heemkunde Tilburg Pierre van Beek
Heemkunde Tilburg Lambert de Wijs
Heemkunde Tilburg A.J.A.C. van Delft

Deze rubriek wordt geredigeerd door Ben van de Pol

Copyright 2012 van deze digitale presentatie en ontsluiting: Stichting Cultureel Brabant - CuBra & Ben van de Pol

Foto: Regionaal Historisch Centrum Tilburg

Onze Tilburgse Folklore

 

Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 2 december 1950

 

3. De stadsomroeper van Tilburg

 

 

Bij welke gelegenheden hij in functie trad

In onze jonge jaren bestonden er in Tilburg nog geen dagbladen. Wanneer er toen met spoed iets moest worden afgekondigd, werd de hulp ingeroepen van de stadsomroeper. Wij herinneren ons nog de heer Kees Oppermans, die gewapend met een koperen bekken (een grote gong) de hem aangewezen wijken afliep om bijv. verloren voorwerpen van waarde af te roepen. Dit was meestal 's Maandags te doen, want 's Zondags gingen de vrouwen, vooral de jonge boerinnen, in vol ornaat naar de late H. Mis. Zij waren getooid met zware gouden oorbellen, gouden broche, gouden slot, gouden ketting met medaillon. Nu kwam nogal eens voor, dat een dier kostbaarheden onderweg werd verloren. De omroeper deed dan hiervan kond in die buurten die bij het ter kerke gaan dezelfde weg moesten of konden passeren als de verliezer. Hij gaf daarbij een omschrijving van het verloren voorwerp en het adres van de verliezer, waar het kon worden thuis bezorgd. Dit omroepen leverde altijd gunstig resultaat op.

 

"Uithallen"

Een ander ook nog al veel voorkomend geval was het "uithallen" bijv. van een koe bij noodslachting. Het gemeentelijk abattoir bestond nog niet en keurmeesters waren er al evenmin. De slager die in zulke gevallen ter hulp werd geroepen, moest zelf maar uitmaken of het vlees al dan niet in zijn geheel of gedeeltelijk voor de consumptie geschikt was. De omroeper bewerkte dan die buurten die niet al te ver van de slachtplaats verwijderd lagen en noemde daarbij de prijzen van de verschillende vleesdelen die zouden worden aangeboden. Daar deze prijzen gewoonlijk vrij wat lager genoteerd waren dan in de slagerswinkel, togen de huismoeders er graag heen.

Boven spraken wij van noodslachtingen maar dat "uithallen" had ook en zelfs nog al dikwijls een andere oorzaak. De accijns op het "geslacht" bestond toen ook al en de slagers die op de Bossche markt bij heer of bij boer een beestje gekocht hadden, moesten dit bij de Rijksontvanger aangeven. Bij het schrijven van deze laatste naam een kleine opmerking. De Rijksontvanger, destijds de heer Kooy, huisde in de Zomerstraat in een pand waarvan thans de plaats is ingenomen door de firma v. Boxtel. Men had toegang tot zijn kantoor door een smal gangetje en in een achterkamer van het huis was het belastingkantoor. De meubilering was een paar kasten en een hoge dubbele lessenaar. Het publiek kwam voor een soort toonbank. Gedurende geruime tijd bestond het personeel behalve de heer Kooy uit twee klerken, waarvoor de heren Kees en Noud van de Ven lange tijd dienst deden. Als men aan die tijd terugdenkt en dan het tegenwoordige paleis-belastingkantoor met personeel bekijkt, is er toch wel iets veranderd in Tilburg. En wat de belastingen betreft, die zulke uitbreiding nodig maakten, ook in Nederland!

De voor de slacht bestemde beesten moesten bij de ontvanger worden aangegeven met de waarde. Deze waarde was de maatstaf voor de te betalen belasting. Dat er bij die aan te geven waarde wel eens gesmokkeld werd, ligt voor de hand, dat schijnt de mensen aangeboren te zijn. Maar dat smokkelen had ook zijn grenzen, want de ambtenaar (kommies) die kwam controleren, had er ook wel een beetje verstand van en ging met het aangegeven bedrag niet altijd accoord. Als nu de slager maar iets wilde verhogen, liep het nog al los, maar deed hij het niet, dan kon de kommies van zijn recht gebruik maken en het beestje "benaderen", d.i. voor de waarde welke de slager had aangegeven overnemen. De kommies, die hiertoe overging, had de keus om de koe aan een ander met min of meer winst te verkopen (maar dat ging niet zo gemakkelijk, want de slagers hielden elkaar de hand boven 't hoofd) of ze zelf "uit te hallen". Doch ook daarvoor had hij weer een slager nodig. Die schijnt echter nog wel te vinden te zijn geweest, want "Kommieske v.d. Za(a)nde" op de Korvelseweg halde bijna iedere week een beestje uit.

De boeren deden zulks ook wel eens wanneer de slager de koe of het kalf naar hun zin te goedkoop wilde meenemen. Bij dergelijke gevallen had de omroeper weer werk. Na de bekkenslagen of het luiden der bel (van de heer Kees Donders, de laatste die deze betrekking waarnam) werd halt gehouden en klonk het met een forse stem door de straten: Er zal morgenmiddag om 2 (of 3) uur worden uitgehald bij... volgden naam en adres, een dikke vette koe. Dan volgden de prijzen en zo ging het verder straat in straat uit. Of in 't noordelijk stadsgedeelte zo iets ook voorkwam, is ons niet bekend. Natuurlijk wel noodslachtingen enz. bij de boeren.

 

Steenovens

Nu was er nog n geregeld terugkerend geval dat door geheel de stad en zeker de buitenwijken werd afgekondigd.

Voor het bestaan der steenfabrieken werd de baksteen gestookt in veldovens. Als de boer een stuk grond had waar veel leem in zat, was dat geen goede teeltgrond, omdat deze het hemelwater niet doorliet. De boer verkocht die leem dan aan een nabij staande steenoven of zette er zelf een. Zo waren er in de Berkdijk de ovens van de Gebr. Brekelmans, Jan v. Pelt en Bartje Wouters. Ook in de Reit was er een. Het Gemeente-Archief bevat verschillende namen van personen die het bedrijf van steenbakker uitoefenden bijv. in 1848 D.J. v. Pelt (2 mannelijk volwassen werklieden), Corn. A. de Kok (3 mannelijk volwassen werklieden), Jan Baptist Smulders (6 mannelijk volwassen werklieden), Joh. v.d. Hout (9 mannelijk volwassen werklieden). In 1853 J.F. v. Dun (2 mannelijk volwassen werklieden). In 1881 waren er elf maar ze worden niet meer met name genoemd.

De later genoemden zijn steenfabrieken, die concessie kregen in verband met de Hinderwet of de Stoomwet. De steenovens waren begrijpelijk ook verplaatsbaar en het is wel gebeurd dat bij het bouwen der kerk in een of ander dorp de steenoven er bij werd geplaatst. Zo'n steenoven werd opgebouwd met in de zon gedroogde leemstenen met langs de vr beneden kant mondingen, getal naar gelang de grootte, lengte en breedte, waarin de gehele mutserd kon worden ingeschoten. Ging men de oven aansteken, dan moest dit op het gemeentehuis worden aangegeven met de juiste tijd, dag en uur en de plaats waar deze steenoven was opgezet. Die tijd werd dan door de stadsomroeper door de gemeente bekend gemaakt. Dan wist de burgerij wanneer ze 's avonds een rode gloed in de lucht zagen, dit niet het gevolg was van een brand, maar van een steenoven.

 

LOWIE VAN DORRUS MISTERS