CUBRA HOME
INHOUD LOWIE VAN DORRUS MISTERS
Meer heemkundig werk uit Tilburg:
Heemkunde Tilburg Pierre van Beek
Heemkunde Tilburg Lambert de Wijs
Heemkunde Tilburg A.J.A.C. van Delft

Deze rubriek wordt geredigeerd door Ben van de Pol

Copyright 2012 van deze digitale presentatie en ontsluiting: Stichting Cultureel Brabant - CuBra & Ben van de Pol

Foto: Regionaal Historisch Centrum Tilburg

Onze Tilburgse Folklore

 

Nieuwe Tilburgse Courant - maandag 11 augustus 1952

 

17. Rond de boerenhaard 2

 

 

Van buurtavonden en grapjes

Wat onze laatste vertelling een stukje brutaliteit, het volgende is een beetje meer lachwekkend. Het gebeurde ook op zo'n buurtavondje dat de vader aan zijn dochter de opdracht gaf even een boodschap te brengen naar oom Tinus, die wel in hetzelfde dorp, maar toch in een ander gehucht woonde. Vrees om in het donker te gaan kent ze niet en het meisje stond direct gereed om de gekregen order op te volgen. Gauw nog een omslagdoek en met een "tot straks" stapte zij de deur uit. De jongelui hebben echter alles gehoord en kennen de situatie en even later staat er n op, met het voorwendsel dat hij ook nog iets heeft te doen. Met een "wel te rusten allemaal" gaat hij heen. Even later staat nummer 2 op, hij heeft ook zijn smoesje gereed en weg is hij. Maar nummer 1 weet niets van nummer 2. Zij wonen in een aan elkaar tegengestelde richting. Zij spoedden zich naar huis en gewapend met een wit hemd zochten zij een schuilplaats in een sloot tussen een wal, langs de weg die het meisje bij haar terugkomst moest passeren. Dat zij beiden tegenover elkaar zaten, daarvan hadden zij geen vermoeden. Toen zij het meisje hoorden naderen, deden de hemden hun dienst en kwamen de jongelui aan weerszijden de sloot uitgekropen. Het meisje schrok niet, maar wel de twee spoken, die zo onverwacht tegenover elkaar kwamen te staan. Zij keerden zich om en liepen zo hard als zij konden over de akker naar huis. Het meisje begreep de zaak en er werd thuis geen klein beetje om gelachen.

In de winter was dikwijls bij zo'n avond de vuurbol het onderwerp van het gesprek. De weg van daar naar Oirschot liep toen nog over de witte bergen, wel bekend bij onze jongelui als sport- en kampeerterrein. Vroeger genaamd: "den Oirschotsen duin". Daar was het gewoonlijk te doen. Een van de aanwezigen uitte er zijn verwondering over, dat hij zo dikwijls 's avonds die weg moest passeren maar de vuurbol nog nooit had gezien. Toen hij weer die weg langs kwam en juist bovenop zo'n zandheuvel was, zag hij plotseling op een verder gelegen duinheuvel de vuurbol. Men kan zich voorstellen hoe hij verschrok; zijn knien knikten en hij maakte van angst een kruisteken. Maar daarop kreeg hij toch zijn zelfbeheersing terug en stapte verder. Toen hij een eindje de heuvel af was, ontmoette hij een man, die smakelijk z'n pijpke rookte. Hij hield de man staande en vroeg hem: "Vriend, heb je misschien een eindje terug op de heuvel je pijp aangestoken?" waarop de ander een bevestigend antwoord gaf. "Dank je wel, nu weet ik wat de vuurbol is", en beiden gingen huns weegs. Thuisgekomen vertelde hij zijn wedervaren en sindsdien was het met de vuurbol uit.

 

Wat was het?

Maar wat een ander, Sjefke Misters, in dezelfde omgeving overkwam, was van geheel andere aard. Des avonds bij het terugkomen van boodschappen doen, hoorde hij duidelijk het getrappel van paardenhoeven en het geratel van kanonnen op de keien alsof er een geheel leger voorbijtrok. Keiwegen lagen er echter uren in de omtrek niet en van legermanoeuvres was niets bekend. Thuisgekomen vertelde hij zijn geschiedenis, doch niemand kon het raadsel oplossen. Enige dagen later drong het tot het dorp door, dat tussen Frankrijk en Duitsland de oorlog was uitgebroken, 't was in 1870. Natuurlijk kon niemand het feit verklaren. Toen wij wat ouder waren en van de "fata morgana" hoorden, meenden wij, dat wat bij de fata morgana met lichtstralen geschiedde, in dit geval het evenzo gegaan was met de geluidsgolven. Later hebben wij daarover inlichtingen gevraagd bij het KNMI te De Bilt, maar ook daar kon men het niet verklaren. Ziet misschien een van de lezers er kans voor? Het feit staat vast en van verbeelding kan geen sprake zijn, omdat de politieke toestand op de dorpen niet doordrong en er in het geheel geen couranten kwamen. Dat wij ons voor dit geval nogal interesseren, zal wel niemand verwonderen, als hij begrepen heeft dat het een oom van ons overkwam.

Hoe men van een kleinigheid verschrikken kan, ondervond eens "mister" Beijsens, de opvolger van mijn grootvader. Meester Beijsens ging op een avond in 't late najaar een kermis bezoeken, een half uur van 't dorp verwijderd. Op een gevorderd uur keert hij huiswaarts en moet daarbij een akker passeren, die rondom in de wallen (schaarhout) lag. Het voetpad liep langs zo'n wal. Er stond een flinke wind en er was iets maneschijn. Hij is even door de eerste wal heen en gaat verder, maar opeens ziet hij van de overkant van de akker een monster aankomen. Het rolt en blijft liggen, een eindje voor hem op de weg, die hij nog gaan moet. Dat hij verschrikt, zal iedereen begrijpen, maar hij voelt ook zijn prestige als meester en gaat met kloppend hart verder. Het monster beweegt zich niet en naderbij gekomen ziet hij wel dat hij zich nodeloos bang gemaakt heeft. Het waren dooie braamstruiken, die de boer uit de wallen gekapt had en tot een hoop op den akker bij elkaar had geworpen om ze te verbranden. Door de felle wind waren ze in beweging gekomen. Enkele jaren geleden zijn wij dezelfde weg nog eens gepasseerd. De situatie was daar nog juist dezelfde als op die avond van de meester.

In ons vorig artikel spraken wij over de draaiboom bij het vuur. Deze diende niet alleen om de sopketel op de goede hoogte te hangen, maar ook om hem op en van het vuur te brengen. Wij hebben gezien, dat deze ketel vanaf de voorstal door duwen naar de goot en de huiskamer heen op het vuur werd gedraaid. Zo was het echter niet overal. Op de meeste plaatsen werd de ketel met een steekwagen op en van de vloer gereden en ook middels de draaiboom op en van het vuur gebracht. Op de steekwagen lag een dikke gevlochten strowis om beschadiging van de ketelbodem te voorkomen. Tegenwoordig krijgen de beesten geen gekookt voedsel meer. Vroeger werden mangelwortelen, penen, knollen en vooral hard graan eerst gekookt.

Misschien heeft voor sommige lezers ook de heiturf een nadere omschrijving nodig. Deze werd op de heivelden gehakt. De boer gebruikte daarvoor de zg. vlagzeis. Dit is een gereedschap, waarvan het mes, de zeis, onder een hoek van ca. 70 graden aan de steel staat. Het mes heeft een afgeronde vorm, ongeveer 13 bij 20 cm. Bij het hakken dringt de snede in de grond, komt dan horizontaal onder de heide en snijdt de bovenheide en een gedeelte der wortels af. Dit is de turf. Voor de boer weggaat, worden de turven of plaggen tegen elkaar opgezet om te drogen. De brandstof leveren dus de opstaande heide en de onderliggende wortels. Is de boer niet van plan van de kale vlakte bouwgrond te maken, dan laat hij ze gewoon liggen. De heide schiet vanzelf weer uit. Hoe de naam "vlagzeis" is ontstaan, is ons niet bekend, maar vermoedelijk is de oorspronkelijke naam "vlakzeis" en is de k door het spraakgebruik een g geworden.

 

LOWIE VAN DORRUS MISTERS