INHOUD VEUGELTJES VANGEN
INHOUD VAN RIJSWIJK
CUBRA HOME

- Vink

- Keep

- Kneu

 

- Sijs

- Barmsijs  

- Groenling

- Geelgors

- Goudvink

- Frater

- Europese kanarie

- Nachtegaal

- Zwartkop

- Zanglijster

- Merel

- Veldleeuwerik

- Pestvogel

- Europese kwartel

- Europese tortel

 

Henk van Rijswijk & Karel Hermans

Distelvink of putter (Carduelis carduelis)

We onderscheiden bij de putter een kleine en een grotere soort. De kleintjes komen in onze streken het meest voor als broedvogel en als trekvogel. Putters zijn meestal passanten en worden vooral gezien op uitgebloeide distels. Heel behendig klautert hij op de stengels en op de vruchtlichamen. De vlucht van de putter is golvend. In grote sierlijke bogen dansen ze door de lucht. Het is een prachtig gezicht om een vlucht putters in de herfst op distels en klissen te zien rondklauteren. Ze zijn opgewekt en attent en laten regelmatig de lokroep, die als "stiglitz" klinkt, horen. De plaats waar je de putters vangt is belangrijker dan het materiaal waarmee je ze vangt. We hebben gemerkt dat putters nogal eens worden gevangen bij het vissen b.v. aan de Maas door lijmpijlen te plaatsen op enkele distels. Meestal staat er wel een draad als afrastering in de buurt. Dat is handig want dan kunnen de putters daarop gaan zitten voordat ze op de distels landen. Zo’n distel wordt van huis uit meegenomen en is enigszins geprepareerd. Op de eerst plaats is onder aan de voet een flinke spijker (een 10 duimer wordt gezegd) gebonden zodat de distel in de grond kan worden gestoken. Op de distel worden een aantal lijmpijlen gelegd. Dat gaat gemakkelijker als de distel enigszins schuin in de grond is geplaatst. Het beste is het om allebei de uitvoeringen te installeren. En dan maar geduld hebben. Want dat heb je zeker nodig bij het vangen van putters. Als een putter vast zit gaat die meteen hangen en valt dan dikwijls op de grond. Daar moeten dus ook lijmpijlen liggen. Het nadeel van distels is dat ze meestal tegelijk in bloei staan en snel uitvallen. Daarom is het handig om er een paar te prepareren. Een aantal koppen wordt met naaigaren dicht gehouden. Eén kop mooi open maken zodat die heel wit is van bovenaf gezien en dan inspuiten met haarlak. In december, januari en februari vang je putters alleen maar op kaardenbollen. Je hebt nodig een aantal takken kaardenbollen, een hoeveelheid losse kaardenbollen, een putter aan de broek en een hangnet of treknet. Voor het hangnet zit de putter aan de broek. En het voordeel van een putter is dat die roept zelfs als die aan de broek zit. Voor de putter liggen een hoeveelheid kaardenbollen op de grond en daar weer vóór staan de takken kaardenbollen. De opstelling moet goed gekozen zijn want de putters die er op zitten moeten opvliegen in de richting van het net. En dus loopt de vanger achter de putters om. Putters laten zich heel goed voorzichtig opdrijven. Putters worden ook met een "top" gevangen. Een klein latje waaraan de mogelijkheid is gemaakt om er enkele lijmpijlen op te zetten. Dat wordt dan langs een distel gebonden en dan is het afwachten. Via via hoorden we dat een wat oudere vanger die al jaren gespecialiseerd is in het vangen van putters deze met lijmpijlen vangt op een door hem aangelegde voederplaats tussen de zomerdistels en de kaardenbollen. Om gevangen putters op zaad te krijgen moeten ze eerst weer een tijdje in een "stalleuper" zitten. Naast water wordt daarin meestal wit zaad en negerzaad verstrekt. Gooi er in ieder geval ook wat koolzaad bij want heel veel overtrekkende putters hebben een tijd lang op grote koolzaadvelden doorgebracht b.v. in Zeeland. Bij een putter lijkt het in eerste instantie niet zo voor de hand te liggen om koolzaad er bij te doen. Van een oude doorgewinterde Belgische vogelvanger hoorden we dat hij de vers gevangen putters nooit langer dan één dag in een stalleuper houdt maar ze meteen in een grote kooi zet waar meerdere vogelsoorten inzitten en het aanbod van zaad heel divers is. Hij had nooit veel uitval. Putters werden ook regelmatig gevangen op het "vinkenslag" zoals boven omschreven. We hoorden ook van het vangen van putters met behulp van kleine klapnetjes (40 x 20 cm). Op een klein platformpje worden òf kaardebollen òf paardebloemen aangeboden. Er wordt een lokker naast het netje geplaatst. De lokvogel wel goed beschermen door extra fijne gaas over het kooitje te spannen. Het voordeel van deze vangmethode met een netje is dat je er niet bij hoeft te blijven. Een vanger werkt dan meestal met meerdere netjes op verschillende plaatsen en gaat dan rondfietsen om ze in de gaten te houden.

Het ziet er naar uit dat de putter in onze streken in steeds grotere aantallen voorkomt en dan speciaal in het Noordwestelijke deel van de stad. In de Reeshof zijn al broedende putters gevonden en in het boekje "De Oude Ley" uitgegeven door het Natuurmuseum Brabant zijn daarover ook cijfers gepubliceerd. Op 11 juli 2002 zijn er 9 gezien in de Brand in Udenhout, 20 augustus meer dan 40 in het Noorderbos, 27 augustus meer dan 75 in het Noorderbos, 3 september 20 bij het Leikeven, 6 september meer dan 30 bij het Leikeven en meer dan 20 in het Noorderbos, 11 september 6 bij het Leikeven, 15 september 5 in het Noorderbos en 27 september meer dan 50 bij het Leikeven.

Vroeger zag je bij veel liefhebbers een putter in de keuken hangen in een typische putterkooi waarbij de putter zowel het zaad als het water moest bemachtigen door een touwtje binnen te halen. Hij pakte dan steeds het touwtje een eindje verder en zette er zijn poot op. Het voer zat in een karretje en het water werd met een vingerhoed opgehaald. Bastaardputters deden dat kunstje trouwens ook heel goed. Maar heel veel andere vogelsoorten doen het ook. Bijvoorbeeld "biedieven", koolmezen dus. Het vergt nogal wat aandacht om ze dat kunstje te leren en er wordt ook flink met zaad gemorst. Meestal werd zo’n putter op "den aorrecht" in de keuken gezet waar die weken moest staan voordat hij het kunstje kende. Maar tegenwoordig wil men alles schoner hebben in de keuken en is er minder ruimte voor dit soort zaken. Of zoals een liefhebber het uitdrukte "vruuger toen ze alleen nog mar unne vèèger had mocht ik alles, mar tegenworrig hee ze unne stofzuiger en nou maag dé nie mir".

Op dit moment wordt al veel gekweekt met putters in aparte broedkooien en de resultaten zijn heel goed. Niet zo’n goede kenners van het verschil tussen man en pop van een putter moeten goed opletten als ze een koppel willen kopen. Op beurzen worden regelmatig koppels aangeboden die bestaan uit een mooie (un schôôn) en een lelijke (un lilleke) pop. Van vroeger zijn nog enkele streken bekend die er toe moesten dienen om de koper op het verkeerde been te zetten. Zo was er iemand die "de schoeften" (de schouders) van een pop met een viltstift zwart maakte en ze dan verkocht als man. Ook waren er kunstjes om verse putters te verkopen alsof ze al "op zaod zaten". De putters hingen in aparte kooitjes tegen de volière aan en kregen veel negerzaad te eten. Uit de volière werden handenvol gepeld zaad geraapt en over de bodem van de putterkooi gestrooid. Ze lieten dan trots zien dat er al volop wit zaad was gepeld. We hoorden dat grote hoeveelheden te verhandelen putters iets speciaals door het drinkwater krijgen. Dat zou gaan om delen chloor en kalk waardoor de maagfunctie wordt verbeterd. Ze frissen daar kennelijk flink van op. Maar zekerheid valt over dit soort zaken natuurlijk heel moeilijk te krijgen. Het blijft de vraag of dit een bekend gegeven is en of de bescherming slechts van tijdelijke aard is. Tijdens de zomervakanties in Zuidelijke landen (Griekenland en Spanje b.v.) zijn de putters een dagelijkse verschijning op de campings. Karel bestudeerde met behulp van een verkijker op een camping in Luxemburg een groepje putters dat het zaad van paardenbloemen kwam oogsten. De putters vlogen niet op de bloem maar liepen over de grond naar een bloem toe en pikten het bloemsteeltje aan de onderkant kapot waardoor de bloem omviel en het zaad kon worden bereikt. Wij hadden nog nooit eerder van dit gedrag gehoord. Naarmate je zuidelijker komt worden de putters overigens kleiner. In "de witte spreeuwen" van maart 1985 lazen we een verhaal van een Belgische liefhebber over de verzorging van zijn putter. "Wil men hem echt lang houden, dan moet men hem zeer netjes verzorgen. Geen vogel kuist zich zoveel en baadt zoveel als een distelvink. Het komt zelden voor dat hij op het zand zit. Mijn distelvink is nu al acht jaar bij mij en hij zingt nog altijd vlot. Als voedsel krijgt hij maanzaad, geplet (niet veel) negerzaad, distel- en slazaad. Als groenvoer krijgt hij de gekende vogelmuur die hij graag eet. Aan een goed verzorgde distelvink kan men veel jaren vreugde beleven."

En in "onze vogels"van februari 1969 stond een verhaal over de ouderdom van een putterman.

"Ook wil ik iets vertellen over mijn ervaring welke ik heb gehad met een putter. Meer dan 30 jaar ben ik reeds volièrehouder. Hierin heb ik kanaries en enkele tropische vogels. Ook behoorde hierbij een man-putter, welke ik destijds van een kennis heb overgenomen. Deze putter moet dus al enkele jaren oud geweest zijn voordat deze in mijn volière kwam. En nu komt het, hij is bij mij 24 jaar in leven gebleven. De laatste jaren was hij gepaard met een kanariepop. Ik heb hier zeker 18 jongen mee gekweekt. Prachtzangers en mooi van kleur. Zelfs het laatste jaar voordat de putter stierf kweekte ik nog een nestje met 4 jongen, welke alle door de putter mee werden grootgebracht."