INHOUD VEUGELTJES VANGEN
INHOUD VAN RIJSWIJK
CUBRA HOME

Henk van Rijswijk & Karel Hermans

De vogels uit onze jeugd

Vlaamse gaai (Garrulus glandarius)

De Vlaamse gaai is hier een standvogel en wordt in Brabant ook wel morkolf genoemd. Het is vooral een bosvogel die een enigszins verborgen leven leidt. Iedereen kent hem wel al is het alleen maar door zijn harde geschreeuw waarmee hij elk dier waarschuwt voor de wandelaar. Het is een zeer rauwe schrille kreet "schrččk-schrččk. Daarnaast hebben ze nog een heel vocabulair van scherpe geluidjes. In de broedtijd is hij veel rustiger want dan wil hij niet opvallen. Net voor de winter sjouwt hij zich rot om eikels te verzamelen die hij vervolgens op alle mogelijke plekjes verstopt voor slechte tijden. Maar hij heeft niet zo’n goed geheugen en dus kan hij een aantal van deze plekjes later niet meer terugvinden. En de natuur profiteert daar van want een flink deel van die verstopte eikels loopt in het voorjaar uit. De Vlaamse gaai nestelt in bomen. Het nest is komvormig en niet al te groot. Je vindt het niet zo gemakkelijk. Een volledig legsel bestaat uit 5 tot 7 eieren. De kleur is overwegend lichtgroen tot lichtblauw en zwart gespikkeld met aan het stompe einde een donkere krans. De broedtijd is 16 dagen. Vlaamse gaaien vormen soms een echte plaag voor het broedbestand van onze zangvogels want ze halen graag allerlei nesten leeg. Ook jonge fazanten zijn niet te versmaden. Daarnaast eten ze insecten en bessen. Het is een heel leuke vogel om als jongen met de hand groot te brengen. Je moet bij het uithalen wel heel snel zijn want een Vlaamse gaai vliegt al bij 15 tot 17 dagen uit het nest. Als hij eenmaal in aanwezigheid van mensen is opgegroeid is het een heel gemakkelijke vogel om in een "merelskooi" te houden en dan blijft hij jarenlang in goede conditie en heel aanhankelijk.

In "de witte spreeuwen" van januari 1982 lazen we een mooi stukje over de observatie van deze vogelsoort tijdens het broeden en de periode van grootbrengen.

"Het intrigeerde me bijzonder om eens een blik in zijn kraamkamer te werpen. Van de ene kant wilde ik natuurlijk al zijn gedragingen op dit gebied leren kennen, voornamelijk wilde ik echter te weten komen waarmee hij zijn jongen zoal voert wanneer ze wat groter zijn, zoals jonge hagedissen, slakken, vogeltjes enz.. Jammer genoeg is dit laatste mij niet gelukt, want van de eerste tot de laatste dag (de 21e dag) dat ik de vogels geobserveerd heb, werden de vogels uit de krop gevoerd. Maar dat is eigenlijk heel normaal, want ze transporteren tenslotte ook vaak een grote hoeveelheid eikels en beukenootjes in hun rekbare krop naar afgelegen plekjes. Het nest dat ik observeerde bevond zich op een hoogte van drie meter in een dichte, goed gevulde, spar, die aan alle kanten bovendien door dichtstaande dennen en berken beschut werd. Op 1 mei begon het wijfje de 5 eieren te bebroeden. Het drukte zich helemaal plat in de nestkom toen ik op 5 mei op een afstand van 3,5 meter voorzichtig mijn schuilplaats begon te bouwen. Alleen aan de steil omhoog stekende staart kon ik zien dat ik niet alleen was, maar zelfs scherp in de gaten werd gehouden. Nauwelijks een halve meter hoog spande ik die eerste dag het groene kunstleren zeil, dat helemaal verbleekt en vlekkerig was en dus onopvallend. Gelukkig vloog het broedende vrouwtje niet weg. Ik kwam nu iedere dag terug en na een week was mijn schuilplaats klaar, zonder dat ik het vrouwtje ook maar één keer van het nest verdreven had. Op 16 mei waren de jongen uitgekomen en de volgende dag begon ik te fotograferen. Eerst bedekte het wijfje de jongen. Maar toen ik mijn voorbereidingen trof verliet ze onopvallend het nest. Zodra ik me echter geďnstalleerd had en mijn begeleider was vertrokken, kwam ze terug en verwarmde haar jongen verder. Onder lokgeroep kwam het mannetje toen ook al spoedig naar het nest. Eerst voerde hij zijn wijfje, daarna schoof dit wat opzij, waarna hij de jongen voerde waarbij hij voortdurend onder allerlei verdraaiďngen en kopschudden voedsel opbraakte. Daarna at hij de uitwerpselen van de jongen op. Nauwelijks was hij verdwenen of het wijfje bedekte de jongen weer. Dit ging zo 8 dagen door, ongeveer ieder half uur. Gedurende deze tijd voerde het wijfje slechts heel af en toe. In de tweede week veranderde hieraan niet veel. Het wijfje verwarmde de jongen nog steeds vrijwel ononderbroken maar wel gaf ze nu meer voedsel aan de jongen door. Beide vogels voerden dan samen. Echter nam het mannetje nog steeds, en dat zou ook zo blijven, het grootste deel van de voedering voor zijn rekening. Hij zorgde ook vrijwel alleen voor het zuiver houden van het nest en de jongen en dat met een grondigheid zoals ik nog nooit gezien had. Men mag deze gedragingen echter niet veralgemenen, want bij het paartje dat ik observeerde was het mannetje erg zorgeloos en vertrouwelijk, terwijl het vrouwtje zeer voorzichtig was en pas naar het nest ging wanneer ze zeker was dat er geen gevaar dreigde. Waarschijnlijk was het mannetje nog jong terwijl het wijfje door jaren ervaring in het bos erg achterdochtig was geworden. Hieruit ziet men dat het erg moelijk is en dat men vele factoren in acht moet nemen om een algemeen beeld te krijgen. Erg kwaad werden de vlaamse gaaien toen ik, om close-ups te maken, het nest tot op enige centimeters naderde. Onder veel geschreeuw kwamen ze tot op enkele meters bij mij vandaan. Natuurlijk ken ik ook de kwade streken van de vlaamse gaai en ik hoefde ook niet erg opmerkzaam te zijn wanneer ik op de naar zijn nest komende vogel wachtte. Steeds markeerden waarschuwingskreten van kleine vogels zijn pad. Zo heb ik ook jaren achtereen geprobeerd om kleinere vogels bij hun nest te fotograferen maar steeds waren de vlaamse gaaien ter plekke wanneer de eerste eieren waren gelegd. Sinds lang worden vlaamse gaaien als huisdier gehouden. Wil men deze vogels echter lang gezond houden dan moet men ze een veelzijdig voedsel geven. Grof universeel voer, meelwormen, kwark, hardgekookt ei, gekookte rijst, bessen, eikels, beukennootjes."