Detail from Avati's cover painting for The Roman Spring of Mrs. Stone, by Tennessee Williams

INDEX AVATI
HOME
AUTHORS
FINE ARTS

Print

Dit portret van Horace McCoy verscheen oorspronkelijk in 1976 in de boekenbijlage van Vrij Nederland.

Ed Schilders

Horace McCoy


 

Horace McCoy was sportverslaggever voor een plaatselijke krant maar schreef liever over het Amerikaanse rassenprobleem. Hij begon detectiveverhalen te schrijven voor het legendarische pulpmagazine Black Mask maar de enige pulpheld die hij creëerde was geen ‘private eye’ maar een kruising tussen Lindbergh en Biggles: superpiloot Jerry Frost. Hij spuugde in twee romans zijn gal uit over Hollywood en het sterrensysteem, hetzelfde Hollywood waar hij twintig jaar lang zijn brood zou verdienen. Hij werd bejubeld in Frankrijk en daar de evenknie van Hemingway en Faulkner genoemd; in eigen land werd hij op z'n best een slecht imitator van James M. Cain geoordeeld. Het levensverhaal van Horace McCoy is een aaneenschakeling van dergelijke contrasten, persoonlijke conflictsituaties en meningsverschillen, die ook nu, twintig jaar na zijn dood, nog maar ten dele zijn vereffend. Anno 1976 kan hij nog steeds het best aan de lezer voorgesteld worden als: Horace McCoy, die het boek schreef waar Sidney Pollack die schitterende film van maakte over de dansmarathons: They Shoot Horses Don't They?


Bijeenkomst van Black Mask-schrijvers in Los Angeles 1936. Staand v.l.n.r.: Raymond J. Moffatt, Raymond Chandler, Herbert Stinson, Dwight Babcock, Eric Taylor, Dashiell Hammett. Zittend: Arthur Barnes, John K. Butler, W.T. Ballard, Horace McCoy, Norbert Davis.

Horace McCoy - afbeelding van achterzijde Signet Book
Paperback cover by James Avati (1949)
James Avati's originele schilderij voor de paperback cover
Paperback cover by James Avati (1953)
Franse uitgave van McCoy's pulpverhalen over oorlogsvliegeniers in de Eerste Wereldoorlog (1975)

Titelblad van de eerste Nederlandse vertaling van They Shoot Horses Don't They? (1936)
Een van de vele uitgaven (1970) in het kielzog van Sidney Pollacks verfilming
Eerste Nederlandse vertaling van No Pockets in a Shroud (1976)
Tweede Nederlandse uitgave van They Shoot Horses... (1970)
Derde en tot nu toe laatste Nederlandse editie (1981)
Signet-editie (1948) - cover artist: T.V.
Franse editie van Kiss Tomorrow Goodbye (1949)
Franse editie van No Pockets in a Shroud (1946)
Penguin Crime-reeks (1962)
Engelse editie (1960)
Verkorte editie (1960)
McCoys laatste boek, gebaseerd op een van zijn filmscenario's (1959)

Over McCoys jeugd is weinig bekend. Amerikaanse bronnen vermelden: geboren in 1897 te Pegram, een dorpje in de buurt van Nashville. Vanaf zijn twaalfde jaar verschillende 'beroepen', zoals krantenjongen, taxichauffeur in New Orleans en colporteur. Zeker is, dat hij dienst neemt bij de Amerikaanse luchtmacht en gedurende de Eerste Wereldoorlog boven Frankrijk de strijd aanbindt met de Duitse piloten. Hij raakt gewond, herstelt langzaam. Opnieuw wordt het spoor duister, tot hij in 1922 zijn intrede doet als sportverslaggever op de redactie van de Dallasite, voor welke krant hij negen jaar zal blijven schrijven. In die periode begint hij voor het eerst zijn creatieve talenten te ontplooien. Hij is een van de oprichters van het eens befaamde toneelgezelschap Dallas Little Theatre, waaraan hij enige jaren verbonden blijft als acteur. Daarnaast begint hij korte verhalen te schrijven die hij naar de pulptijdschriften stuurt.

Black Mask

De pulps vormen een vrij uniek verschijnsel in de Amerikaanse literatuur. Het waren goedkope - op houtpulp gedrukte - uitgaven boordevol spannende lectuur, verpakt in kleurige omslagen die zonder uitzondering weinig verhullende dames en harde heren in actie lieten zien. Tegen het einde van de jaren twintig heeft dit verschijnsel zijn commerciële hoogtepunt bereikt: de kiosken worden wekelijks voorzien van honderden verschillende titels die stuk voor stuk nauwkeurig zijn geconcentreerd rond een mogelijke behoefte bij de lezer, met avontuur, misdaad, (verhulde) seks, liefde als meest voorkomende thema's, en dat alles in een bijna oneindige combinatie van genres: western, SF, detectives, piloten, jungle, vreemdelingenlegioen, treinen en vele andere. Eén van die pulpmagazins stond toen al bekend om zijn hoge kwaliteit - hoewel het toen nog niet literair werd genoemd - Black Mask, het tijdschrift dat de meesters van de harde misdaadliteratuur heeft voortgebracht: Dashiell Hammett, George Harmon Coxe, Frank Gruber, Raoul Whitfield en Raymond Chandler. Ook Horace McCoy begon zijn literaire carrière bij Black Mask, en wel in december 1927, als zijn verhaal The Devil Man verschijnt. Een gedeelte van McCoys pulpproduktie is nu in Frankrijk in twee bundels bij elkaar gebracht. Dat is in zoverre bijzonder omdat die eer, de bundeling van de korte verhalen, tot nu toe slechts te beurt is gevallen aan de grondlegger van het harde genre, Dashiell Hammett en zijn kroonprins Raymond Chandler. De Fransen hebben echter altijd al een zwak gehad voor het werk van McCoy - we komen daar nog op - zodat het vreemde verschijnsel zich nu voor kan doen, dat de bundels wel in het Frans maar niet in het Amerikaans verkrijgbaar zijn.

In 1927 voerde Black Mask de slogan Mysterie, Detective, Adventure, Western, Horror and Novelty nog als ondertitel: er was plaats voor alles wat maar spannend was, en McCoys debuut kunnen we rangschikken onder Adventure met 'n scheutje Horror. Het is een Zuidzeeverhaal waarin de duivelsman en insekten op een bijna ontoegankelijk eiland de hoofdrol spelen. De twee gangsterverhalen in Black Mask Stories zijn van latere datum, toen Joseph Shaw, de hoofdredacteur van het blad, de slogan had ingekort tot Smashing Detectives. Wie tijdens het lezen van Wrong Victim de titel in gedachten houdt zal voor weinig verrassingen komen te staan. In het lange Killer's Killer maken we kennis met Jim Sherman, het prototype van de professionele moordenaar die in actie wordt geroepen wanneer de politie geen uitweg meer ziet. In beide verhalen is de invloed van Hammett duidelijk aanwezig. Art Compton, uit Wrong Victim, noemt zijn baas niet alleen ook ‘de ouwe’, maar hij denkt en praat ook als Hammetts held, de Continental Op: ‘Hij (de ouwe) antwoordde me dat het stom van me was dat ik ze niet alle twee had neergelegd. Ik was het volledig met hem eens.’ Ook Jerry Frost, de captain van de Hell's Stepsons - de vliegende brigade van de Texas Rangers werkt voor 'n ouwe baas, maar hij is eigenzinniger, onafhankelijker, veel meer een echte held voor het grote publiek.

Oorlogsvlieger

McCoy haakte ermee in op een zeer populaire trend, de ‘aviation pulps’. Frost duikt voor het eerst op in Black Mask in Dirty Mess maar later moest McCoy zijn en Frosts werkterrein, gedwongen door de veranderde formule, verleggen naar de in vlieghelden gespecialiseerde pulps als Battle Aces, Wings en War Birds. De helden uit deze pulps, Dusty Ayres, Bill Barnes, G-8 en ook Jerry Frost, bestrijden vrijwel zonder uitzondering Duitse vliegeniers - vaak in flash backs van hun oorlogsverleden. En als de setting Texas of Midden-Amerika is, zoals bij Frost, dan zijn de schurken altijd piloten die het oorlogje spelen hebben overleefd en die zich bezig zijn gaan houden met vee stelen of revoluties op touw zetten. Ze zijn allemaal net zo vaardig en gevaarlijk als de rode baron Von Richthofen zelf, alleen, de held is beter.

Zoals Hammett in zijn verhalen en romans zijn ervaringen als Pinkerton-detective kon verwerken, zo kon McCoy steunen op zijn praktische kennis van het oorlogsvliegen. Het verschil in literaire verdienste tussen Hammett en McCoy laat zich echter het best uitdrukken in termen die letterlijk ook voor hun helden golden: waar Hammetts Continental Op met beide platte voeten op de grond blijft, cirkelt Jerry Frost te veel boven de lezers rond, ongenaakbaar, alleen herkenbaar in de jongensdromen van de toekomstige Lindberghs en daarom ook alleen met die gedachte in het achterhoofd verteerbaar.

Maar McCoy wilde meer zijn dan een populaire pulpschrijver, en dat is al te merken in zijn laatste jaren als redacteur van de Dallesite. In 1929 krijgt hij een eigen column, die hij de toepasselijke titel Loud Voices Off geeft. Hij houdt zich daarin bij voorkeur bezig met maatschappelijke problemen en in het bijzonder met de positie van de neger in de Amerikaanse samenleving. In februari 1930 ondertekent hij een artikel over de neger in Hollywood met het pseudoniem The Black Knight, en dat is precies wat hij met zijn romans, althans de eerste drie, heeft willen zijn: een ridder, een eenzame strijder tegen het onrecht - een schrijvende privédetective, zou je kunnen zeggen. Na zijn ontslag bij de krant, eind 1930, begint hij al met de voorbereidingen van zijn eerste boek, They Shoot Horses Don't They?, dat echter pas in 1935 gepubliceerd zal worden. Gedurende de tussenliggende vier jaren trekt hij langs de Amerikaanse westkust, van stad tot stad, van baan tot baan. De legendes willen dat hij in die tijd sinaasappels plukt, lijfwacht van een gangster is, en uitsmijter in een dansmarathon. Ten slotte belandt hij in Hollywood en probeert hij 'bij de film' te komen, aanvankelijk als acteur, daarna, met succes, als schrijver van dialogen en scenario's.

De publikatie van zijn eerste roman valt zodoende samen met zijn inlijving in Hollywood, dat hij met Horses en later met zijn derde roman, I Should Have stayed Home (1938), zonder veel effect de oorlog verklaarde. Want in beide werken heeft McCoy achter de tragische belevenissen van de hoofdpersonen Hollywood als de grote boosdoener gekenschetst. Gloria en Robert doen in Paarden schieten ze toch ook dood? aan de slopende marathon mee met slechts één doel voor ogen: ontdekt worden door de regisseur of de producent die zich ongetwijfeld ergens tussen het publiek bevindt. Het omslag van de Penguin-uitgave van I should verbeeldt McCoys bedoelingen met het boek even symbolisch als duidelijk; we zien het levenloze lichaam van Dorothy Trotter, die de fan-magazines nog in de hand houdt.

De eerste druk van Horses was een redelijk succes, maar blijkbaar toch niet groot genoeg om de uitgevers - Simon and Schuster - onvoorwaardelijk vertrouwen in de schrijver te geven, Ze weigeren tenminste in 1936 zijn tweede roman, No Pockets in a Shroud, omdat McCoy op zijn beurt weer weigert de tekst uitvoerig te herschrijven. No Pockets is deze zomer - precies veertig jaar later dus - voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen en wel onder de titel Een doodshemd heeft geen zakken, in de Crime de la Crime-reeks van De Arbeiderspers.

Wat er in die veertig jaar met het boek is gebeurd is een ingewikkeld verhaal, dat echter curieus genoeg is om hier in het kort weer te geven. Na de weigering van Simon and Schuster bleek de Engelse uitgever, Barker, bereid om met McCoy in zee te gaan. Barker pakte het wat minder formeel aan dan zijn Amerikaanse collega's, en deed hier en daar wat aan zelfcensuur.

We hebben het originele manuscript niet ter beschikking om na te gaan hoe ingrijpend zijn wijzigingen zijn geweest, maar vergelijking van de Engelse (1937) met de Amerikaanse tekst (1948), brengt bijvoorbeeld het volgende subtiele verschil aan het licht. Waar ene Mrs. Marsden in de Engelse tekst uitriep: ‘En die illustraties! Dit is de eerste erotische literatuur die ik sinds jaren onder ogen krijg’, roept zij in 1948: ‘En die illustraties! Dit is de eerste pornografie die ijc sinds jaren …’

Misschien was Barker in 1937 nog wat preutser, maar het is lang niet zeker dal we hem voor alle ingrepen die we zo vergelijkend vaststellen verantwoordelijk kunnen stellen. McCoy zelf heeft namelijk halverwege de jaren veertig het boek op verzoek van Marcel Duhamel herschreven. Hij ontmoette Duhamel tijdens een bezoek aan Parijs, waar hij tot zijn grote genoegen bemerkte dat mensen als Jean-Paul Sartre en Claude-Edmonde Magny zijn werk kenden en hem beschouwden als de eerste Amerikaanse existentialistische romancier. Duhamel deelde hun enthousiasme wel maar zag McCoy toch liever als een prima aanwinst voor de zojuist door hem gestarte Série Noire. In 1947 verscheen het boek als nummer vier in die serie onder de titel Un Linceul n 'a pas de poches, als eerste vertaling van een buitenlands auteur ook.

Het is deze nieuwe tekst geweest die ook de basis vormde van de Signet-editie in 1948. Om het verhaal nu nog gecompliceerder te maken: die editie is op het laatste moment uitvoerig gecensureerd in de politieke uitspraken die de hoofdpersoon – de journalist Mike Dolan - doet ten aanzien van ‘het Amerikaanse systeem’. Het was de tijd van McCarthy en zijn communistenjagers, en de uitgever wilde, volgens eigen zeggen, McCoy behoeden voor een marxistisch imago.

Voor de Nederlandse lezer zijn die uitspraken grotendeels bewaard gebleven, omdat in Crime de la Crime de Engelse tekst is vertaald, en niet - zoals in het nawoord abusievelijk is vastgesteld - de Amerikaanse. Al vergelijkend kunnen we nu dan nagaan hoe men in de VS iemand voor een marxistisch imago behoedt. Zo bijvoorbeeld: in de Nederlandse (Engelse) tekst is Dolans tegenspeelster Myra in het verleden een politiek activiste geweest: ‘Ze heeft in Texas gezeten voor het verspreiden van communistische lectuur.’ Wat als volgt werd opgelost: ‘Ze heeft in Texas gezeten voor onzedelijk gedrag met een minderjarige.’ Het ligt er maar net aan welk imago je verkiest voor een schrijver met een grote mond. Zoals zo vaak is ook in No Pockets de censuur inconsequent doorgevoerd. Het is mij althans een raadsel hoe een opmerking als de volgende kon blijven staan: ‘...het 'committee' voor on-Amerikaanse activiteiten begint 'm op z 'n huid te zitten en plotseling wordt hij vogelvrij verklaard. Is de Gestapo of het concentratiekamp erger?’ Heel wat auteurs zijn om heel wat minder voor datzelfde ‘committee’ gedaagd en veroordeeld - ik denk opnieuw aan Hammett - en de enige reden die ik kan bedenken dat McCoy dat niet is overkomen, is het feit dat zijn werk niet was opgenomen in de Amerikaanse overzeese bibliotheken van de overheid. Dat voordeel heeft hij dan althans nog gehad bij zijn betrekkelijke onbekendheid.

 

Schandalen

Een doodshemd heeft geen zakken is het verhaal over de reporter Mike Dolan, die uit onvrede met het tamme beleid bij zijn krant ontslag neemt en zelfstandig een tijdschrift gaat uitgeven waarin hij het ene schandaal na het andere onthult. Achtereenvolgens zijn dat: een baseballschandaal met steekpenningen, de abortuspraktijken van een plaatselijke arts en tenslotte de Ku Klux Klan - in het boek ‘Crusaders’ genoemd - een organisatie die te machtig zal blijken voor een individualistische reporter. Net als Gloria in Horses krijgt Dolan aan het eind van het boek een schot door het hoofd: ‘Hij probeerde zijn hand nog omhoog te brengen om zijn neus dicht te knijpen.’ Ook journalisten schieten ze dood.

Het boek is door de keuze van deze thema's een in deze tijd weer zeer herkenbare roman. Het hoofdthema, Dolans idealisme en eenzame strijd, staat voor een journalistieke aanpak die de laatste jaren vooral op politiek gebied met veel succes is beoefend en die in de VS wordt aangeduid met ‘Investigative Reporting’. De verwikkelingen die McCoy beschrijft kenmerken zich door treffende overeenkomsten met op dit gebied en op dit moment gangbare situaties en praktijken. Nog niet zo lang geleden hebben Peter Maas (van The Valachi Papers), George V. Higgins (auteur van The Friends of Eddie Coyle) en Hank Messick, alle drie jarenlang gespecialiseerd in journalistiek op misdaadgebied, in een interview met het blad Oui 'n boekje opengedaan over de consequenties van Investigative Reporting. Messick vertelt onder andere hoe zijn onderzoek naar misdaad in Boston door één telefoontje van hogerhand van de redactietafel werd geveegd, en Maas moest bijna de helft van een artikel over corruptie onder liefdadigheidsinstellingen schrappen alvorens Look wilde publiceren. Niettemin, zegt hij, verloor het blad een week na publikatie van het verhaal zo'n slordige zes miljoen dollar aan advertenties. Vergelijk daarmee een cynische McCoy in 1937: ‘Natuurlijk bagatelliseerden we de zaak. Het feit dat zijn ouwe heer een van onze grootste adverteerders is had er niets mee te maken...’ En wat geldt voor dit boek, geldt evenzeer voor de auteur: McCoy was een ‘Investigative Romancier’, in een tijd, vlak na de Depressie, waarin de Amerikaanse droom koste wat het kost in ere hersteld moest worden en er derhalve weinig behoefte bestond aan afbraakliteratuur. Toen het boek na de Tweede Wereldoorlog dan toch verscheen deed de uitgever opnieuw een greep in de grote trukendoos en karakteriseerde Dolan in het voorwoord als: het prototype van de Amerikaanse Soldaat in de Tweede Wereldoorlog. Niet gek voor een boek dat in 1936 werd geschreven. McCarthy kon tevreden zijn.

McCoy heeft Geen zakken zijn meest autobiografische werk genoemd. Voorzichtigheid is dan geboden. Het is een feit dat we in het boek een groot aantal elementen kunnen vinden (journalistieke carrière, Little Theatre, rassendiscriminatie) waarvan we met zekerheid kunnen zeggen dat ze een fictionele weerspiegeling zijn van McCoys eigen activiteiten of betrokkenheden. Verder ben ik geneigd in Dolan ook de McCoy te herkennen die McCoy zelf graag had willen zijn. Dat hij geen Dolan was, of slechts gedeeltelijk, in zijn denken namelijk, vindt zijn oorzaak in wat Thomas Sturak McCoys divided character heeft genoemd. In ieder geval lijkt hij even trots en koppig geweest te zijn als zijn protagonist. Marcel Duhamel bijvoorbeeld, heeft in een interview eens verteld hoe McCoy bij de aanvang van een diner in Parijs nogal wat opschudding verwekte door glashard de uitgestoken hand van zijn Amerikaanse tafelbuurman te weigeren. Na afloop verklaarde hij dat de persoon in kwestie goede relaties onderhield met de onderwereld. En z'n trots betrof voornamelijk zijn verdienste als literator. In een brief aan zijn agent in New York, Harold Matson, schreef hij eens dat Matson er vooral voor moest zorgen dat exemplaren van vertalingen van zijn werk doorgestuurd werden, die waren as welcome as the money, even more so. McCoy werd heen en weer geslingerd tussen de materiële voordelen van het succes - in Hollywood o.a. - en de droom van onvergankelijke grootheid. Een grootheid waarin hij zonder twijfel is gaan geloven na zijn bezoek aan Parijs. Voor enige tijd keert hij Hollywood de rug toe en voltooit hij zijn meest ambitieuze roman, zijn eerste in tien jaar, Kiss Tomorrow Goodbye (1948), over een moordenaar met een zeer hoog IQ. De doorbraak schijnt te komen. Horses wordt herdrukt, Pockets verschijnt, en één jaar later staat McCoy centraal in Philip Durhams - de Chandler-expert – doctoraalstudie. McCoy schrijft aan Matson: ‘Het lijkt wel een wonder na zoveel jaar met zoveel tamtam herontdekt te worden.’ Inderdaad, de Franse waardering sloeg tijdelijk over naar de VS, waar de critici de door Magny aangetoonde existentialistische gegevens probeerden op te sporen in Kiss Tomorrow Goodbye. Ze konden ze niet vinden. Ze waren er ook niet. McCoy was een andere weg ingeslagen die in schril contrast staat tot zijn werk uit de jaren dertig. Het is daarom des te cynischer dat hij alleen met Scalpel, door een Nederlandse uitgever eens raak getypeerd als een veredelde damesroman over een chirurg en diens verwikkelingen met aardige Venusmeisjes, in 1952 zijn enige grote commerciële succes boekt. Het is zijn laatste roman. Hij is teruggekeerd naar Hollywood, waar hij nog een jaar of vijf scenario's produceert. Hij sterft in 1955.

De romanversie van één van die scenario's, This is Dynamite, is in Frankrijk, dat hem door dik en dun trouw schijnt te blijven, nu weer verkrijgbaar in een herdruk van de al in 1953 door Gallimard gebrachte vertaling Pertes et Fracas. McCoy schreef het verhaal over misdaadbestrijder John Conroy voor Columbia Pictures dat het in 1950 als The Turning Point op het doek zette. De Amerikaanse uitgever vroeg, traditiegetrouw, om uitvoerige wijzigingen, waar McCoy andermaal niet op inging. Waarschijnlijk hechtte hij zelf maar weinig waarde aan het boek en ook nu is het alleen als curiositeit de moeite waard. In de VS verscheen de romanversie in 1959, en Thomas Sturak vermeldt dat het werd vertaald in het Portugees en Italiaans. Vreemd genoeg, voeg ik daar aan toe, werd ook in ons land al snel vertaald en wel bij Van Reemst in 1961 onder de titel Stad van Corruptie; en dat, terwijl tot dan toe van McCoys betere werk alleen Horses in 1936 door 'De Steenuil' vertaald werd als Marathon Dans.

Alles wat hem dwars zat

Amerika is niet warmgelopen voor zijn werk. De oorzaak daarvan ligt in de eerste plaats bij McCoy als schrijver. Ongeacht de kwaliteiten van zijn werk - een maatschappijkritische inslag, bijzondere thematische keuze - zal geen enkele liefhebber, en ik reken mezelf daartoe, kunnen ontkennen dat iedere roman ook gekenmerkt wordt door tekortkomingen op het technische vlak. Hij is er nooit in geslaagd, bijvoorbeeld, om de door hem gezochte stijl te perfectioneren. Dialogen zijn afwisselend sterk en zwak. Zijn vermogen om een plot uit te spinnen was gering. Je kunt zoiets uitleggen als een gebrek, als het onvermogen om de ordening van het materiaal af te stemmen op de relevantie ervan. Dat kan. Ik geloof echter dat juist die grote mond, die Loud Voice Off, zijn werk zo aantrekkelijk maakt. Daarom prefereer ik ook het rumoerige I Should Have Stayed Home boven het meer gestileerde marathonboek, en vind ik Pockets doodgewoon zijn beste omdat hij daarin het hardst tekeer gaat. Het ontbreken van stilistische eenheid maakt het daarnaast vrijwel onmogelijk McCoy in te delen bij een 'school’ of in een 'traditie'. Er is te weinig symboliek om hem naast Nathanael West en diens verpletterende Hollywoodroman The Day of the Locust te plaatsen, te weinig afstand tot de materie om hem met het realisme van John O'Hara te vergelijken; James T. Farrell is geprobeerd, met name voor wat betreft de marathondans, maar Farrell is verteller en McCoy bleef journalist. Lange tijd is hij ook ingedeeld in de Cain-school, de meest voor de hand liggende plaats, omdat ook niemand weet waar Cain bijhoort. McCoy moet er een gruwelijke hekel aan gekregen hebben, want in 1941 schrijft hij aan hun gemeenschappelijke uitgever van pocketedities: ‘Als me nog langer het etiket UIT DE CAIN-SCHOOL wordt opgeplakt, dan snij ik óf zijn óf mijn eigen strot af.’ En hoe dan ook, dit is in ieder geval een prima voorbeeld van het tough-guy proza waartoe hij in staat was Proza met een rauwe, poëtische lading. De lezer van Geen zakken kan er volop van genieten: ‘Hou (die revolver) maar. Doe me 'n lol, steek de loop in je mond en haat de trekker over. Maat niet op mijn bed. Ik heb pas schone lakens.’

McCoy schreef hard proza over onvolmaakte mensen. Mensen als hijzelf, hij wilde wel beter maar kon niet. Hij heeft er zich bij neergelegd, precies zoals het meisje Myra, dat ook wel wil maar voor alle zekerheid toch zegt - in de Amerikaanse druk tenminste – ‘Ik ben geen rijk meisje... Knoop je m 'n jurk voorzichtig los?’

 

De nieuw uitgebrachte werken van Horace McCoy:

  • Een doodshemd heeft geen zakken; De Arbeiderspers, Crime de la crime.
  • Black Mask Stories; Gallimard, Le livre de Poche 4175.
  • Les Rangers du Ciel; Gallimard, Le Livre de Poche 4099.
  • Pertes et Fracas (This is Dynamite); Gallimard, Carré Noir 215.