Ewoud Sanders

De kleine bloedgetuige

een antisemitisch jeugdboek

INHOUD EWOUD SANDERS

CUBRA HOME

Copyright

©

2017

Ewoud Sanders

&

Stichting Cultureel Brabant

Download de complete tekst van De Kleine bloedgetuige.

Nicetas Doumen in De Paap van Gramschap (CuBra)

Bestel het boek on line bij de uitgever: KLIK HIER

Onderstaande bijdrage is een hoofdstuk uit het in maart 2017 verschenen boek Levi’s eerste kerstfeest -jeugdverhalen over jodenbekering, 1792-2015 (Uitgeverij Vantilt, Nijmegen). ISBN 9789460042881 Gebonden, 16 x 24 cm Geïllustreerd, deels in kleur, 500 pagina’s, prijs: 29,50. Het boek kan on line besteld worden bij de uitgever: KLIK HIER


INHOUD

Beknopte samenvatting

Uitgebreide samenvatting van De kleine bloedgetuige

-Doelgroep en receptie

-Beschikbaarheid

Bijlage 1 - Het jezuïetencollege in Stonyhurst

Bijlage 2 - Het grove antisemitisme van frater Doumen

Bijlage 3 - De marteling van Abeltje Abels in diverse edities

Noten


 

Het Jodenknaapje van Praag (1890)

Oorspronkelijke auteur: Joseph Spillmann (1842-1905).

Vertaald uit het Duits.

Verhaaltype: gepresenteerd als een waargebeurd verhaal.

 

Beknopte samenvatting

De twaalfjarige Abeltje Abels, die van een dienstmeisje de beginselen van het katholicisme heeft geleerd, is getuige van een wonder: een Mariabeeld op de grote markt in Praag draagt hem op om zich te laten dopen. Abeltje komt in een opvanghuis, wordt ontvoerd en vervolgens door zijn vader, met hulp van een rabbijn, gekruisigd. Door de Praagse bevolking wordt Abeltje als een martelaar vereerd.

 

Joseph Spillmann.

 

De geschiedenis van Abeltje is in 1878 door Joseph Spillmann (1842-1905) gepubliceerd onder de titel ‘Der Judenknabe von Prag’. (1) De in Zwitserland geboren jezuïet Spillmann was in de tweede helft van de 19de eeuw een bekende schrijver van katholieke jeugdboeken. (2) Van 1880 tot 1890 was hij hoofdredacteur van de Katholische Missionen, een tijdschrift met een jeugdbijlage. Spillmann studeerde twee jaar in Engeland en was liefhebber van het werk van sir Walter Scott en Charles Dickens; hij probeerde in hun stijl te schrijven. (3)

          Spillmann schrijft dat hij het verhaal over de moord op Abeltje baseert op een brief die in de bibliotheek van het jezuïetencollege in Stonyhurst in Engeland wordt bewaard. Zonder twijfel is dit een mystificatie (zie de bijlage ‘Het jezuïetencollege in Stonyhurst’).

          In het Nederlandse taalgebied werd Abeltjes bekeringsgeschiedenis tussen 1890 en 1941 minstens twaalf keer gepubliceerd, onder vijf verschillende titels:

 

1. Het Jodenknaapje van Praag

 

 

Onder deze titel verscheen Abeltjes geschiedenis in 1890 in Het bloedgeheim bij de Joden gedurende alle eeuwen van Henri Desportes. Het gaat om de vertaling van een beruchte antisemitische publicatie: Le mystère du sang chez les juifs de tous les temps uit 1889. (4) Spillmanns verhaal ontbreekt in de Franse uitgave. De Limburgse uitgever M. Waterreus voegde het op eigen initiatief toe, verklaarde hij, want ‘wij hebben (…) gemeend de lange lijst van jeugdige martelaren van den Christenhaat der Joden met deze treffende geschiedenis te kunnen aanvullen’. (5)

          Kruistriomf, een ‘geïllustreerd maandschrift uitgegeven door de Kruisheeren tot steun hunner missies’, publiceerde Abeltjes verhaal in jaargang 1923-1924 onder de titel ‘De Jodenknaap van Praag’. (6)

 

2. Een jonge Martelaar

Onder deze titel verscheen dit bekeringsverhaal in 1896 in Wolken en zonneschijn: een bundel novellen (‘naar het Duitsch van J. Spillmann door Alph. van Lindewoude’). Alph. van Lindewoude is een pseudoniem van Alphonse Laudy (1875-1970). Het gaat om een uitgave van M.F. van Piere in Eindhoven.

 

Twee uitgaven van Abeltjes bekeringsverhaal uit 1899. Om te benadrukken dat dit verhaal op historische feiten berustte, zijn deze uitgaven voorzien van foto’s van locaties in Praag die in het verhaal worden genoemd. Zo zijn er foto’s opgenomen van de grote markt, de synagoge, de jodenwijk, de joodse begraafplaats en het stadhuis te Praag.

 

3. De marteldood van een Joodsch kind

Uitgave uit 1899 van Desclée, de Brouwer en Co. in Brugge. Het gaat om een bewerking/vertaling door de ‘eerwaarde’ (pastoor) A. le Seigneur.

 

4. De jeugdige martelaar van Praag

Onder deze titel verscheen Abeltjes geschiedenis in 1899 bij A.N. Govers in Den Haag, in 1899 en 1901 bij Desclée, de Brouwer en Co in Brugge, en in 1900 bij W. van Gulick te Amsterdam.

 

 

Omslagen van de eerste en derde druk van De kleine Bloedgetuige, uit respectievelijk 1932 en 1936. De eerste druk bevat drie illustraties van Petrus van Geldorp (1872-1939); de derde, herziene druk, bevat zeven illustraties van Leo van Grinsven (1912-1994). Bloedgetuige betekent ‘martelaar’.

 

5. De kleine Bloedgetuige

Deze bewerking van Spillmanns verhaal, gemaakt door frater Jozef Theodoor Doumen (1876-1955), verscheen bij de ‘Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis’ in Tilburg (de voorloper van Uitgeverij Zwijsen) (7) en beleefde vier drukken:

 

Druk

Jaar

Publicatiedatum

Aantal blz.

Aantal ill.

Prijs (cent)

1

1932

28-06-1932

79

3

40

2

1932

-

79

3

40

3

1936

03-11-1936

111

7

50

4

1941

-

100

7

52,5

 

In de uitgebreide samenvatting is geciteerd uit de eerste druk. De tweede druk, uit 1932, werd in 1935 in prijs verlaagd van 40 naar 15 cent. (8) Vervolgens werd eind 1936 een herziene editie op de markt gebracht. (9)

          In de Nederlandse Centrale Catalogus wordt De kleine Bloedgetuige een ‘grof antisemitisch verhaal’ genoemd. Voor zover bekend is dit inderdaad het meest antisemitische jeugdboek dat ooit in het Nederlandse taalgebied is verschenen (zie de bijlage ‘Het grove antisemitisme van frater Doumen’).

 

 
 

Uitgebreide samenvatting

In De kleine Bloedgetuige volgen we het korte, tragische leven van Abel (‘Abeltje’) Abels, een joodse jongen van twaalf jaar. Abeltje is de enige zoon van Abel Abels sr., ‘de rijkste jood van Praag’. Het verhaal speelt in 1701, rond Pasen.

          Ooit werkte bij het gezin Abels een katholieke dienstbode die graag over haar geloof vertelde, tot zij door Abeltjes boosaardige vader werd ontslagen. Abeltje was zeer onder de indruk van haar verhalen. ‘Nauwelijks had hij over de zuivere Maagd Maria, de Moeder van Jezus, hooren praten, of hij beminde haar als zijn Moeder.’

          Abeltje wil meer over het katholieke geloof weten en daarom maakt hij ‘katholieke kameraadjes’. Een van hen neemt hem geregeld mee naar de kerk. Abeltje gaat daar ook vaak alleen naartoe.

          Op een dag spelen Abeltje en zijn vriendjes op de grote markt in Praag, waar op een zuil een Mariabeeld staat. Als de klokken luiden knielen zijn vriendjes om te bidden. Opeens kan Abeltje zich niet bedwingen. Hij valt op de knieën en bidt tot Maria: ‘O reine Maagd uit de stam van Juda, wil ook mijn Moeder zijn!’

          ‘En toen gebeurde ’t wonder, dat door niemand werd opgemerkt, dan door hem alleen. ’n Stem, die van het Mariabeeld scheen te komen, sprak: “Word christen en laat je doopen, dan zal ik ook uw Moeder zijn.”’

 

Tot verwondering van zijn katholieke speelkameraadjes knielt Abeltje plotseling neer om te bidden tot Maria.

Het Mariabeeld antwoordt met een stem ‘zoo liefelijk, als Abel nog nooit gehoord had’.

Illustratie: Leo van Grinsven.

 

Abeltje besluit de daad bij het woord te voegen en gaat naar het dichtstbijzijnde klooster, van de orde der kapucijnen. Daar heeft hij een gesprek met pater Sebaldus. Na enige aarzeling is Sebaldus ervan overtuigd dat Abeltje oprecht is in zijn wens om gedoopt te worden. De pater schrikt als hij hoort wie Abeltje is, want diens rijke en machtige vader staat bekend als een christenhater. De pater haalt opgelucht adem als Abeltje vertelt dat zijn vader zojuist voor zaken naar Venetië is vertrokken en pas aan het eind van de maand terug zal zijn. ‘Da’s zeker nog drie weken, rekende pater Sebaldus uit. In die tijd kon de kleine Abel gedoopt zijn en dan stond z’n vader voor ’t feit.’

 

 

De ontmoeting van Abeltje met pater Sebaldus en (rechts) met Sebaldus en een andere pater. Illustraties door Petrus van Geldorp (links) en Leo van Grinsven.

 

Pater Sebaldus wil Abeltje het liefst in het klooster voorbereiden op zijn doop, maar de overste laat het ‘jodenknaapje’ naar het zogenoemde proselietenhuis brengen. Dat is gebouwd voor joden die zich willen laten dopen ‘en de knaap is er veel veiliger als hier’. Abeltje verblijft er enkele weken.

          De eerste nacht kan Abeltje er nauwelijks slapen omdat hij zo met zijn lieve moeder te doen heeft – zij zal dodelijk ongerust zijn. Om Abeltje te troosten zegt pater Sebaldus: ‘Bid maar veel tot je hemelsche Moeder, ook voor je aardsch moedertje. En vergeet nooit de woorden, die Jezus gesproken heeft: “Wie vader of moeder meer bemint dan mij, is mij niet waardig.”’

          Op verzoek van Abeltje gaat Sebaldus bij Abeltjes moeder op bezoek. Alleen uit angst voor haar agressieve man heeft zij zich nooit laten dopen, zegt Abeltje, dus waarschijnlijk wil zij ook naar het proselietenhuis komen. Abeltjes moeder staat op het punt om met Sebaldus mee te gaan, als plotseling haar man thuiskomt: hij is hals-over-kop van zijn zakenreis teruggekeerd. Sebaldus wordt in een achterkamer verborgen, maar stormt tevoorschijn als hij hoort dat de oude Abel zijn vrouw afranselt. De woesteling – het ‘schuim stond op z’n mond’ – wordt daarbij geholpen door zijn halfbroer Zadok, rabbijn van de grootste synagoge van Praag.

          De oude Abel probeert pater Sebaldus te wurgen, maar rabbijn Zadok komt tussenbeide. Eerst roept Abeltjes vader: ‘Ze hebben ’t gemunt op mijn geld, maar dat zal hun tegenvallen!’ Vervolgens biedt hij Sebaldus duizend goudstukken om Abeltje uit het proselietenhuis te halen. De bedelmonnik wijst dit hoofdschuddend van de hand.

 

 

Pater Sebaldus onderbreekt de afranseling van Abeltjes moeder. Zij wordt mishandeld door Abeltjes vader en diens halfbroer Zadok, rabbijn van de grootste synagoge van Praag. Illustraties door Petrus van Geldorp (links) en Leo van Grinsven.

 

Abeltjes vader biedt de directeur van het proselietenhuis duizend goudstukken om Abeltje uit te leveren, maar ook hij slaat dit enorme bedrag af. Vervolgens slaagt de oude Abel erin om Abeltje met een list uit het huis te krijgen – via Frans Roos, een joodse ‘vuige huichelaar’ die zich louter uit ‘berekening’ heeft laten bekeren (namelijk ‘om eenige tijd gratis ’n goede kost en verzorging te hebben’).

 

Links: Frans Roos, een jood die zich uit opportunisme heeft laten bekeren, spreekt met vader Abels af dat hij Abeltje voor tweeduizend gouden dukaten met een list uit het proselietenhuis zal lokken. Rechts: samen met een oude vrouw sluit Roos de geboeide Abeltje op in een koude, donkere, vochtige kelder. Vader Abels: ‘Als mijn zoon gedoopt is in de naam van die gehate Nazareër, is hij voor mij ’n vervloekte. In dat geval krijg je geen cent, hoor je ’t, geen rooie cent.’ Illustraties door Petrus van Geldorp (rechts) en Leo van Grinsven.

 

‘Meen niet dat ik er naar verlang m’n eigen kind te dooden’, zegt vader Abels tegen rabbijn Zadok nadat Abeltje aan hen is uitgeleverd. ‘Maar de Galileër [Jezus; ES] moet ie afzweren en zoo de schande uitwisschen, die hij over m’n naam gebracht heeft. (…) Eerder zal ik hem wurgen met mijn eigen handen, dan dat ik hem laat leven onder de christen honden!’

          Maar Abeltje zegt dat hij moet gehoorzamen aan Maria, die tot hem heeft gesproken. ‘De vader was nu zijn woede niet meer meester. (…) Als ’n woedend dier viel ie op de arme jongen aan, sloeg en stompte hem, dat ie machteloos neerbotste op de planken vloer en begon ’m toen onbarmhartig te geeselen met ’n leeren riem. De hardvochtige man hield eerst op, toen de knaap bont en blauw geslagen was en ’t bloed van alle kanten uit z’n onschuldig lichaam vloeide.’

          Omdat Abeltje niet door slaag op andere gedachten kan worden gebracht, probeert rabbijn Zadok het op een andere manier. Eerst met ‘honderden bewijzen van liefde en teederheid’, vervolgens tracht hij Abeltje met theologische argumenten te overtuigen. Maar hoewel Zadok ‘een van de beste kenners der joodsche wet’ is, haalt de twaalfjarige Abeltje (bijgestaan door de Heilige Geest) zoveel teksten uit de profeten en het evangelie aan, dat de rabbijn in de discussie het onderspit delft. Hij is zo boos dat hij Abeltje drie weken lang opsluit in een ‘donker kamertje’. De jongen krijgt alleen droog brood te eten, maar Zadok laat hem steeds ‘de fijnste lekkernijen’ zien; de jongen mag daar pas van eten als hij Jezus afzweert.

          Als zelfs dit niet baat, draagt de rabbijn Abeltje – die door uitputting niet meer kan lopen – terug naar zijn vader. ‘Ach vader, dood me niet’, smeekt Abeltje, ‘laat mijn bloed niet komen over uw ziel!’ Maar vader en Zadok zijn niet te vermurwen. Zij brengen Abeltje naar een zolderkamer en duwen een prop in zijn mond. Moeder en de dienstmeid horen ‘zacht gekreun’ en vervolgens ‘woeste hamerslagen’, tot vier keer toe. ‘O God, ze kruisigen hem’, zegt moeder Abels. ‘Opeens viel er ’n druppel door de reten van ’t plafond naar beneden en spatte uiteen op de vloer. Even daarna ’n tweede druppel en altijd sneller tikten de druppels neer.’

          ‘Kom nu kijken naar ons kind’, dwingt vader Abels zijn vrouw. Abeltje ligt in een ‘klein praalbedje, gekleed in ’n blank doodshemd, dat z’n voetjes bedekte en waarvan de mouwen over z’n handjes heen hingen. Z’n gezichtje was zoo lief en rustig, alsof hij niets geleden had, en er zweefde ’n zachte glans over, alsof ’n hemelsch licht het bestraalde.’

          Vader Abels laat Abeltje in het donker begraven en zegt tegen de doodgraver dat zijn ‘arme jongen’ is gestorven aan een ‘geheimzinnige ziekte’. Hij geeft de doodgraver vijf goudstukken onder voorwaarde dat hij met niemand over de begrafenis zal spreken, maar bij een toevallige ontmoeting met pater Sebaldus verspreekt de doodgraver zich. Sebaldus waarschuwt de politie, vader Abels en rabbijn Zadok worden gearresteerd en het lichaam van Abeltje wordt opgegraven.

          De kleine Abel heeft zijn ogen nog open. ‘’t Gezichtje was niet geschonden, maar was helder en frisch, de lipjes waren kersrood; ’t leek niet ’t gezichtje van ’n doode, maar van ’n slapend kind.’ Op Abeltjes ‘teedere handjes en voetjes’ vindt men ‘de vreeselijke wonden’. De doodgraver roept: ‘Hij, voor wie dat kind gestorven is, moet de ware Messias zijn. Hij heeft het lijkje voor bederf bewaard.’

          Abeltjes lichaam wordt door verschillende dokters onderzocht en vervolgens opgebaard in de grote zaal van het stadhuis te Praag. ‘’t Moest ’n grootsch eerherstel worden voor de gruwelijke misdaad, en ’n heerlijke hulde aan de kleine held, die zoo dapper voor z’n heilige overtuiging gestorven was.’

          Vier weken lang ligt Abeltjes lichaam op het praalbed, ‘zonder dat het de minste verandering onderging’. ‘Groote wonderen van bekeering en boetvaardigheid hadden plaats iedere dag. De kleine Bloedgetuige preekte, volgens pater Sebaldus, door zijn heldhaftigheid en door ’t wonder van z’n ongeschonden lichaam, beter dan honderd missiepaters.’

          De joden van Praag vrezen een uitbraak van volkswoede, maar ‘er gebeurde gelukkig niets’. Aangezien de joden dit ‘aan de bescherming van de kleine martelaar’ toeschrijven, bekeren ‘velen’ zich tot het christendom. Als eersten bekeren zich de moeder van Abel, de dienstmeid en de doodgraver met zijn gezin. Vader Abels pleegt in een ‘vlaag van razernij of krankzinnigheid’ zelfmoord; rabbijn Zadok wordt drie dagen lang op het ‘folterrad gebonden en leed de vreeselijkste pijnen’. Een paar uur voor zijn dood bekeert ook hij zich.

 

Doelgroep en receptie

De kleine Bloedgetuige verscheen in de Klasbibliotheek-serie ‘onder goedkeuring van de Keurraad voor Roomse Jeugdlectuur’. Het boek was tevens beoordeeld door de Censor van het bisdom ’s-Hertogenbosch die het ‘Evulgetur’ gaf (‘Het mag verspreid worden’) en door de Censor van de kloosterorde Missionarissen van het Heilig Hart, die geen bezwaar had (‘nihil obstat’). Ons eigen blad, halfmaandelijks orgaan voor praktische roomse opvoeding raadde het in 1936 aan ‘voor kinderen van ± 12 jaar’. (10)

          Van De kleine Bloedgetuige is één bespreking aangetroffen. ‘Een jeugdboek dat een 3e druk beleeft, heeft geen aankondiging of aanprijzing meer nodig. ’t Is immers een teken dat het door de jeugd graag gelezen wordt, al zouden wij groteren dit werkje niet bepaald een ideaal kinderboek willen noemen’, aldus Ons eigen blad. Het eindoordeel luidde: ‘Vlotte stijl en zeer boeiend verteld.’ (11)

          In 1941 werd de derde druk van harte aanbevolen in een ander boek van het R.K. jongensweeshuis. ‘De kleine Bloedgetuige is geen sensatieromannetje voor kinderen, maar ’n pakkend verhaal, dat hen blijft boeien van ’t begin tot het einde, zonder dat hun verbeelding geweld wordt aangedaan. Ze leven hartelijk mee met den edelen kleinen held van ’t verhaal, met den goedig-gemoedelijken pater Sebaldus, met de edele maar ongelukkige moeder van den kleinen Abel. (…) Het lijden, strijden en zegepralen van den kleinen Bloedgetuige leven ze mee, alsof de roerende geschiedenis zich onder hun ogen afspeelde. De kinderen zullen ’t hele boekje doorlezen in ademloze spanning en de inhoud nog lang meedragen in geest en hart als ’n blij bezit.’ (12)

          Dat veel katholieke kinderen de inhoud van dit boek inderdaad lang met zich hebben meegedragen, bleek in 2002. De Tilburgse journalist en letterkundige Ed Schilders vroeg lezers van het Brabants Dagblad toen: ‘Wat is uw favoriete jeugdboek?’ De reacties werden gepubliceerd op de website cubra.nl. Een van de lezers schreef ook iets over ‘mijn onsympathiekste boek’: De kleine Bloedgetuige. Dat lokte allerlei andere reacties uit.

          Ik citeer hieronder uit enkele reacties omdat ze interessante informatie bevatten over de ontvangst en het gebruik van dit jeugdboek.    Uit de reacties op cubra.nl blijkt dat De kleine Bloedgetuige geregeld cadeau werd gedaan. Twee lezers ontvingen het als Sinterklaascadeau: de ene omstreeks 1934, de ander schreef: ‘Mijn onschuldige kinderziel werd met dit boekje geconfronteerd op Sinterklaas 1941 of 1942. (...) De Kleine Bloedgetuige is een ziekelijk boekje en het is onbegrijpelijk en stuitend dat het verscheen en dan ook nog in de verschrikkelijke oorlogsjaren 1940-1945.’

          Een vrouw kreeg dit boek, dat zij ‘het meest verschrikkelijke kinderboek’ noemt, omstreeks 1934 voor Sinterklaas en nam het vervolgens mee naar de nonnenschool. Daar werd De kleine Bloedgetuige voorgelezen tijdens de handwerkles.

          Nog twee andere reacties: een lezer die het boekje in de jaren dertig op een school in Den Bosch kreeg voorgelezen, vertelde: ‘Het werd door de kinderen niet direct als antisemitisch ervaren maar wel als uiterst dramatisch, en als verhaal over de “ware godsdienst”.’ En: ‘De heer G. hoorde het verhaal klassikaal voorlezen circa 1948, na de Tweede Wereldoorlog dus. En wel in Cuyck in de derde of vierde klas. Er zat ook een joods jongetje bij hem in de klas. Ook hij herinnert zich duidelijk de “druppeltjes bloed van de zolder”.’ (13)

 

Beschikbaarheid

Jaar

Titel

Uitgever

Aantal ex. PiCarta

Locatie(s)

Collectie ES

1899

De marteldood van een Joodsch kind, Abel Abele

Desclée, de Brouwer en Co (Brugge)

2

RUN; UBT

ja

1899

De jeugdige martelaar van Praag

A.N. Govers (Den Haag)

0

-

-

1899

De jeugdige martelaar van Praag

Desclée, de Brouwer en Co

0

-

ja

1900

De jeugdige martelaar van Praag

W. van Gulick (Amsterdam)

1

TRES

-

1901

De jeugdige martelaar van Praag

Desclée, de Brouwer en Co

2

RUN; UBT

-

1932 (1e)

De kleine Bloedgetuige

R.K. Jongensweeshuis

0

-

ja

1932 (2e)

De kleine Bloedgetuige

R.K. Jongensweeshuis

0

-

ja

1936

De kleine Bloedgetuige (14)

R.K. Jongensweeshuis

1

RUN

ja

1941

De kleine Bloedgetuige

R.K. Jongensweeshuis

2

KB; RUN

ja

 

KB: Koninklijke Bibliotheek, Den Haag; RUN: Radboud Universiteitsbibliotheek Nijmegen; TRES: Tresoar Leeuwarden;

UBT: Universiteitsbibliotheek Tilburg.


 

 

Bijlage 1 - Het jezuïetencollege in Stonyhurst

 

Spillmann schrijft dat hij het verhaal over de moord op Abeltje baseert op een brief die in de bibliotheek van het jezuïetencollege in Stonyhurst in Engeland wordt bewaard. Het gaat om een verslag met getuigenissen van pater Sebaldus, Abeltjes moeder en de doodgraver. De brief is samengesteld door een Engelsman die ten tijde van de kindermoord in Praag verbleef ‘en wiens opgave derhalve volkomen vertrouwen verdient’. Spillmann volgt de brief ‘getrouw’, schrijft hij, en heeft slechts hier en daar ‘de omlijsting en opsiering’ verzorgd. De identiteit van de Engelsman is hem niet bekend. ‘Het fragment van den brief breekt met den zelfmoord van den ouden Abeles midden in den zin af; zoo komt het dat wij den naam van onzen zegsman niet kennen’, aldus Spillmann. (15)

          In de vertaling/bewerking uit 1899 door A. le Seigneur (De marteldood van een Joodsch kind) wordt niet alleen naar de brief van de anonieme Engelsman verwezen, maar zijn twee ‘aanhangsels’ opgenomen om ‘allen twijfel’ over de historiciteit van het verhaal weg te nemen. (16)

          Marcel Poorthuis en Theo Salemink noemen Spillmanns bron – de anonieme brief in Stonyhurst – in 2006 in Een donkere spiegel: Nederlandse katholieken over joden, 1870-2005 ‘ongetwijfeld (…) een mystificatie’.

(17) Dat geldt zonder twijfel voor die brief, maar dit wil niet zeggen dat Spillmann het hele verhaal verzon. In feite baseerde hij Der Judenknabe von Prag losjes op de geschiedenis van Simon Abeles, een joodse jongen in Praag die op 21 februari 1694 overleed, omstreeks 12 jaar oud.

          Verschillende joodse families in Praag waren indertijd verwikkeld in een machtsstrijd. Simon was de zoon van Lazar Abeles, een rijke koopman. Zijn ouders en getuigen uit hun huishouden hielden bij hoog en laag vol dat Simon aan een ziekte was overleden. Een informant van een rivaliserende joodse familie vertelde een ander verhaal. In de processtukken kwam te staan dat Simon vanwege ruzies met zijn vader van huis was weggelopen, dat de jongen zich wilde laten dopen en dat hij vervolgens door zijn vader en een handlanger zo was mishandeld dat zijn nek was gebroken.

          De Praagse overheid liet Simons lichaam opgraven. De jezuïeten, indertijd verwikkeld in een religieuze machtsstrijd in de regio, stelden vast dat Simon door een misdrijf om het leven was gekomen en riepen de jongen uit tot martelaar.

          Simons vader werd gemarteld en stierf voordat hij een bekentenis kon afleggen; de handlanger, een zekere Löbl Kurtzhandl, verzocht keizer Leopold I een paar keer om een rechtvaardig proces, maar zijn verzoeken werden afgewezen en hij werd geradbraakt.

          Op welke bronnen Spillmann zich precies heeft gebaseerd, is niet vast te stellen, maar de geschiedenis van Simon Abeles werd in 1696 vastgelegd door J.W. Ebelin von Friedberg en door de jezuïet Johannes Eder. (18) En later in diverse volksverhalen en balladen. (19)

 

  

Twee afbeeldingen uit de Processus Inquisitorius van J.W. Ebelin von Friedberg (tweede druk, 1728). Links: de jonge ‘martelaar’ Simon Abeles nog in leven; rechts: de vermoorde jongen op een wolk, begroet door engelen.

 


 

Bijlage 2 - Het grove antisemitisme van frater Doumen

 

 

Twee portretfoto’s van Jozef Theodoor Doumen.

 

De kleine Bloedgetuige is geschreven door Maria Nicetas Doumen (Jozef Theodoor Doumen, 1876-1955). In 1894 deed Doumen zijn intrede bij de Congregatie van de Fraters van Tilburg. Doumen werkte als onderwijzer op lagere scholen in Noord-Brabant en Belgisch Limburg. (20) Doumen is ‘een rasschrijver van jeugdboeken’ genoemd. (21) Tussen 1925 en 1928 publiceerde hij vijf jeugdboeken in de zogenoemde ‘Roomsche Reeks’.

          In de Nederlandse Centrale Catalogus wordt De kleine Bloedgetuige een ‘grof antisemitisch verhaal’ genoemd. Ook Poorthuis en Salemink stellen in hun studie over de historische relatie tussen katholieken en joden, dat dit jeugdboek ‘antisemitisme van het grofste soort’ bevat. (22) Voor zover bekend is De kleine Bloedgetuige inderdaad het meest antisemitische jeugdboek dat ooit in het Nederlandse taalgebied is verschenen.

          Toch predikte Doumen in dit jeugdboek geen jodenhaat, integendeel. Pedagogisch gezien luidt de centrale boodschap van dit boek: oordeel niet te snel, heb je naasten lief. Doumen verbindt die boodschap aan de relatie tussen christenen en joden. (23)

          Zo zegt pater Sebaldus, als hij hoort dat een joods jongetje hem te spreken heeft gevraagd, eerst: ‘Heeft dat jodenjong naar mij gevraagd?’ Als hij vervolgens de engelachtige Abeltje heeft gezien, is hij boos op zichzelf. ‘Hij (…) dacht: O, oude pater Sebaldus, wanneer zul je toch eens wijs worden en niemand veroordeelen, als je hem niet kent!’

          Als de bekeerde jood Frans Roos bij pater Sebaldus op bezoek komt, zegt een dienstmeid: ‘’t Ziet er [als] zoo’n gemeene vent uit; ’t is vast ’n jood!’ Pater Sebaldus spreekt haar toe: ‘Oordeelt niet en ge zult niet geoordeeld worden!’

          Later is pater Sebaldus getuige van een ruzie tussen een veerman en een ‘ouwelijk uitziende man, die naar z’n uiterlijk te oordeelen, ’n Israëliet moest zijn’. ‘Alweer die onderlinge afkeer en vijandschap, dacht pater Sebaldus. Wanneer zullen ze toch ’ns leeren elkaar broederlijk te beminnen!’ Hij spreekt de veerman, die weigert om de jood over te zetten, streng toe: ‘Als christen mag je niemand verachten en zeker niet haten. Deze man is toch ook je evennaaste.’

          Doumen herhaalt deze boodschap nog twee keer. De eerste keer in de Palmzondagpreek van pater Sebaldus. In voorgaande jaren was die preek juist tegen de joden gericht (‘O ondankbaar, onbetrouwbaar en trouweloos geslacht der Joden’), maar door zijn ontmoeting met Abeltje is Sebaldus tot inzicht gekomen. Daarom pleit hij nu, tot verbazing van de kerkgangers, voor meer tolerantie. ‘Ja, ik weet het, mijn dierbaren, er zijn er onder u, die de israëlieten minachten, die hen verachten; ja misschien, – God moge ’t hun vergeven, – die de joden haten! Zijn ze dan niet onze evennaasten? (…) Laten we boetvaardigheid doen in deze tijd van boete en genade. En maken we van heden het vaste besluit, nooit meer te verachten het volk, dat eenmaal Gods volk was.’

          Aan het eind van het boek is pater Sebaldus op de grote markt van Praag getuige van een ‘heftige ruzie’ tussen kinderen van een jaar of twaalf. Zij hebben het met z’n allen gemunt op een ‘klein jodenjochie’. Tegen de aanvoerder zegt Sebaldus: ‘Je bent ’n christen. Maar je katechismus ken je slecht. Je weet niet eens, wie je evennaasten zijn. En je schijnt ook niet te weten, dat Jezus geleerd heeft: “Kinderkens, bemint elkander!”’

          Ook bij monde van Abeltje zelf draagt Doumen zijn boodschap uit. In zijn eerste gesprek met pater Sebaldus zegt de jongen, eerst met een droeve blik en daarna met tranen in zijn ‘schoone oogjes’: ‘Onze voorvaderen hebben zwaar gezondigd, met Christus te dooden. Maar de goede God heeft z’n volk toch niet gansch verstooten (…) en daarom mogen de christenen ons niet haten.’

          Sebaldus beaamt dit. ‘Zeker niet, wij moeten jullie zelfs beminnen en voor je bidden. ’n Waar christen mag niemand verachten en zeker niet het volk, dat zolang het volk Gods geweest is en dat zooveel groote heiligen heeft.’

 


 

Bijlage 3 - De marteling van Abeltje Abels in diverse edities

 

De onderstaande aanhalingen laten zien in hoeverre de originele tekst van Spillmann uit 1878 is gevolgd of bewerkt. Doumen heeft in 1932 duidelijk geprobeerd de tekst toegankelijker en spannender te maken voor jonge lezers. Hij doet dit bijvoorbeeld door personages sprekend op te voeren. Beschreef Le Seigneur in 1899 nog hoe de rabbijn ‘door het opdisschen van kostelijk toebereide spijzen’, Abeltje ‘tot verzaking van het geloof’ probeert te brengen, Doumen laat de rabbijn rechtstreeks aan het woord, waardoor deze scène – verhaaltechnisch gesproken – aan zeggingskracht wint: ‘Verzaak je dwaasheid en je kunt daarvan eten, zooveel ’t je belieft.

 

 

1878, originele Duitse tekst (24)

1890, (eerste) anonieme vertaling

1899, vertaling/bewerking A. le Seigneur

1932, eerste bewerking N. Doumen

Und mit diesen Worten warf er [vader Abels; ES] sich über das weinende Kind her, riss ihm die Kleider vom Leibe, fasste einen Lederriemen und begann den Rücken des unschuldigen Bekenners so grausam zu zerfleischen, dass es einen Stein hätte erbarmen mögen. Als der Rasende endlich atemlos einhielt, lag der kleine Abel, braun und blau geschlagen, ja mit Blut überronnen, wimmernd und wehklagend am Boden…

En bij deze woorden wierp hij zich op het weenende kind, scheurde het de kleeren van het lichaam, greep een riem en begon den rug van den onschuldigen belijder zoo wreedaardiglijk te ontvleeschen, dat het een steen zou hebben kunnen vermurwen. Toen hij eindelijk buiten adem ophield, lag de kleine Abel, bont en blauw geslagen, ja met bloed overdekt, kermend en weeklagend op den grond…

Nog razend en tierend wierp hij zich op den hulpeloozen knaap, scheurde hem de kleertjes van het lichaam, greep een lederen riem en geeselde met felle slagen den rug van den jongen geloofsbelijder. Toen ten laatste vermoeidheid hem belette zijn arm omhoog te heffen, lag het kind jammerend, met doorwonden rug en geheel van bloed overdekt op den grond.

‘Wacht maar, ik zal die lasterduivels wel uitdrijven uit je ellendig lichaam! Als ’n woedend dier viel ie op de arme jongen aan, sloeg en stompte hem, dat ie machteloos neerbotste op de planken vloer en begon ’m toen onbarmhartig te geeselen met ’n leeren riem. De hardvochtige man hield eerst op, toen de knaap bont en blauw geslagen was en ’t bloed van alle kanten uit z’n onschuldig lichaam vloeide.

Aber dieses auserwählte Kind, an dem der Herr die Stärke seiner Gnade hat offenbaren wollen, hat die Hungerpein zugleich mit täglichen Peitschenhieben drei lange Wochen heldenmütig ertragen, und ist seine Standhaftigkeit um so mehr zu preisen, als der Rabbiner ihm täglich einigemal köstlich zubereitete Speisen mit der Einladung vorsetzte, sich daran gütlich zu tun, falls er den verhassten Nazarener abschwören und ein Jude bleiben wolle. Der Knabe weinte wohl bitterlich und flehte um Barmherzigkeit, konnte aber nicht dazu gebracht werden, dass er, wie der verblendete Esau, um ein Linsenmus den Anspruch auf das himmlische Erstgeburtsrecht verkauft oder verraten hätte.

Maar dit uitverkoren kind, aan hetwelk de Heer de kracht zijner genade heeft willen openbaren, heeft de hongerpijn tegelijk met dagelijks die zweepslagen drie weken lang moeten verduren, en zijne standvastigheid is des te meer te prijzen, wijl de rabbijn hem dagelijks eenige malen kostelijk toebereide spijzen voorzette; met uitnoodiging dat hij er zich aan te goed mocht doen, ingeval hij den gehaten Nazarener afzweren en een Jood blijven wilde. De knaap weende wel bitterlijk en smeekte om barmhartigheid, maar hij kon er niet toe gebracht worden, om voor een linzenmoes zijn aanspraak op het hemelsche eerstgeboorterecht te verkoopen of te verraden.

Met heilige gelatenheid verduurde dit heldhaftige kind, dagen lang, de marteling van den honger; en bovendien striemden felle geeselslagen menigmaal zijn reeds doorwonden rug. Maar hoe de rabbijn den jongen belijder ook folterde, en door het opdisschen van kostelijk toebereide spijzen zijn eetlust prikkelde om hem op deze verfoeilijke wijze tot verzaking van het geloof aan den gekruisigden Jezus over te halen, – liever hadde het kind van honger willen sterven dan zijn hemelsch eerstgeboorterecht verkoopen.

De arme jongen werd nu eenzaam opgesloten in ’n donker kamertje, ’n Beetje droog brood en water was voortaan zijn eenig voedsel. Iedere dag mocht ie even die ellendige gevangenis verlaten. Dan bracht Zadok hem naar ’n kamer, waar ’n tafel gedekt stond met de fijnste lekkernijen. ‘Verzaak je dwaasheid en je kunt daarvan eten, zooveel ’t je belieft. En alles zal vergeven en vergeten zijn,’ zei de verleider dan. Maar de knaap weigerde standvastig. ‘Voor die prijs zal ik ’t nooit doen,’ hield ie trouw vol, ‘ik zal mijn geloof nooit verloochenen.’

[Abeltjes moeder:] ‘Gott Abrahams – sie kreuzigen ihn!’ und als Bestätigung meiner grässlichen Ahnung tropfte es erst langsam und dann immer rascher durch die Dielen zu unsern Häupten in die Kammer herab. Die Magd leuchtete hin und sagte entsetzt: ‘Das ist Blut – rotes warmes Blut!’

 ‘God van Abraham – zij kruisigen hem!’ en als ter bevestiging van dat gruwelijk vermoeden druppelde het eerst langzaam en dan altijd sneller door de planken boven onze hoofde[n] en in de kamer neer. De dienstmaagd hield het licht bij en zeide ontzet: ‘Dat is bloed, rood, warm bloed!’

‘Groote God! — zij nagelen hem aan een kruis!’ riep ik uit; en ik sprak waarheid. Eerst langzaam, toen sneller en sneller sijpelden lauwwarme druppelen door de zoldering neder. Ontzet deinsde het dienstmeisje terug. ‘Dat is bloed!’ lispelde zij met bleeke lippen.

‘O God, ze kruisigen hem!’ Die gedachte was haar plotseling ingevallen en maakte haar sprakeloos van verdriet. Opeens viel er ’n druppel door de reten van ’t plafond naar beneden en spatte uiteen op de vloer. Even daarna ’n tweede druppel en altijd sneller tikten de druppels neer. ‘Kijk ’ns, wat dat is?’ zei de arme vrouw tot de meid. Deze nam de blaker [kandelaar] van de tafel, lichtte bij en moest zich inhouden, om ’t niet uit te gillen. ‘Bloed,’ zei ze, ‘warm bloed!’


 

Noten

Klik op het nootnummer om terug te gaan naar de tekst

 

(1) Het verhaal is te vinden in Wolken und Sonnenschein: Novellen und Erzählungen. Ik maakte gebruik van de derde druk, uitgegeven in Freiburg in 1903 (band 2).

(2) De Tijd omschreef Spillmann op 28-2-1905 in een necrologie als ‘de met roem bekende Zwitsersche belletristische schrijver’, auteur van ‘tal van heerlijke, spannende vertellingen voor de aankomende jeugd’. Zie ook het Lectuur-Repertorium 1936, p. 1263-1264.

(3) N. Scheid, ‘Joseph Spillmann’, in: Catholic Encyclopedia (www.catholic.com/encyclopedia/joseph-spillmann).

(4) Vanaf de 12de eeuw bestaat er in Europa een verhaaltraditie waarin joden in de aanloop naar Pasen een christenkind ontvoeren, martelen en doden, al dan niet om het bloed van het kind te drinken of te gebruiken bij de bereiding van matses. Desportes geeft een overzicht van ruim honderd van dergelijke, vermeende (rituele) kindermoorden. Voor de geschiedenis van wat wel het bloedsprookje of de bloedmythe wordt genoemd, zie o.a.: Joanna Tokarska-Bakir, Légendes du sang. Pour Une anthropologie de l’antisémitisme chrétien (2015); Pieter W. van der Horst, De mythe van het joodse kannibalisme (Soesterberg, 2006); Rainer Erb, Die Legende vom Ritualmord: zur Geschichte der Blutbeschuldigung gegen Juden (Berlin, 1993) en R. Po-chia Hsia, The myth of ritual murder: Jews and magic in Reformation Germany (Yale, 1988).

(5) Het bloedgeheim bij de Joden gedurende alle eeuwen (Roermond, 1890), p. 299.

(6) Kruistriomf, jrg. 3 (1923-1924), in zes afleveringen, vanaf p. 87. De vertaling is gemaakt door ‘J.B.K.’

(7) Deze drukkerij werd door de fraters opgezet om de jongens in hun weeshuis in Tilburg een vak te leren. Zie o.a. Joos van Vugt, ‘Roomsche kleur in ’t werk. Een korte geschiedenis van de Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis (RKJW)’, in: Kennis en Deugd (Nijmegen, 1991), p. 35-53.

(8) Nieuwsblad voor den boekhandel, 30-8-1935.

(9) In de editie uit 1936 is de spelling gemoderniseerd (oogen werd ogen, enzovoorts). Verder zijn er twee opvallende passages geschrapt: een uit de inleiding en een uit de beschrijving van Abeltjes kruisiging. Vanaf de derde druk bevatte het boek ruim twee keer zoveel illustraties en veranderde het formaat enigszins – vandaar de toename van het aantal pagina’s.

(10) Ons eigen blad, jrg. 24 (1936) p. 703.

(11) Idem.

(12) Deze aanbeveling is te vinden in De Hunnenburcht (Tilburg, 1941, p. 162) van Godfried (een pseudoniem van frater S. Rombouts).

(13) Kennelijk werd er dus voorgelezen uit een oude editie van De kleine Bloedgetuige, want deze passage was in 1936 geschrapt. Voor alle reacties, zie: bit.ly/bloedgetuige. Ook Martin Ros beschrijft hoe De kleine Bloedgetuige in zijn jeugd aan hem werd voorgelezen. In zijn herinnering blijkt het eind van het verhaal te zijn veranderd: ‘De dienstbode slaagde erin net op tijd de politie te waarschuwen, zodat het kind kon worden gered en zich mocht laten dopen.’ Zie: Martin Ros, Mijn rijke roomse jeugd (20023), p. 53.

(14) Deze editie is digitaal te raadplegen via cubra: klik hier voor de PDF .

(15) ‘Het Jodenknaapje van Praag’, in: Het bloedgeheim bij de Joden gedurende alle eeuwen (Roermond, 1890), p. 300. Om de betrouwbaarheid van zijn bron te onderstrepen, voegt Spillmann toe dat de Engelsman Abeltje persoonlijk in het klooster van pater Sebaldus heeft ontmoet en dat hij het opgebaarde lijk van de jongen later zag in het stadhuis van Praag.

(16) A. le Seigneur, De marteldood van een Joodsch kind, Abel Abele (Brugge, 1899), p. 79-92. Volgens het eerste aanhangsel (een ‘Uittreksel van het handschrift in kwarto van Florian Hammerschmier, tijdgenoot van Abel Abele’) werd Abeltje op 22 februari 1694 heimelijk begraven en op 27 februari opgegraven; volgens het tweede aanhangsel werd hij op 31 februari 1694 vermoord, op 6 maart opgegraven en op 31 maart 1694 herbegraven. Dat deze data niet overeenkomen en dat 31 februari niet bestaat (deze maand heeft 28 of 29 dagen, 1694 was geen schrikkeljaar) vond A. le Seigneur kennelijk geen afbreuk doen aan de authenticiteit van het verhaal.

(17) Marcel Poorthuis en Theo Salemink, Een donkere spiegel: Nederlandse katholieken over joden, 1870-2005: tussen antisemitisme en erkenning (Nijmegen, 2006), p. 88.

(18) J.W. Ebelin von Friedberg, Processus Inquisitorius (Praag 1696; tweede druk 1728); Ioannis Ederi, Virilis constantia pueri duodennis Simonis Abeles in odium fidei a Iudaeo parente, Lacero Abeles Pragae crudeliter accisi 21 Februarii 1694 in tuendo fortiter fidei Christianae proposito relucens (Praag, 1696).

(19) Zie over de geschiedenis van Simon Abeles o.a.: Victoria Luise Gutsche, Zwischen Abgrenzung und Annäherung: Konstruktionen des Jüdischen in der Literatur des 17. Jahrhunderts (Berlin, 2014), p. 329 e.v.; Marie Vachenauer, Der Fall Simon Abeles. Eine kritische Anfrage an die zugänglichen Quellen (Berlijn, 2011); Elisheva Carlebach, The death of Simon Abeles: Jewish-Christian tension in seventeenth-century Prague (Cuny, 2001); Elisheva Carlebach, ‘Abeles, Shim‘on’, in: YIVO Encyclopedia of Jews in Eastern Europe (www.yivoencyclopedia.org/article.aspx/Abeles_Shimon).

(20) Zie over Doumen onder andere: Berry van Oudheusden (e.a.) (red.), Encyclopedie van Tilburg (Tilburg, 2008), p. 132-133; en: www.cubra.nl/De-paap-van-gramschap/d.htm. In 1952 schreef het Lectuur-Repertorium, een katholiek naslagwerk, over Doumen: ‘Schreef paedagogisch-geslaagde, psychologisch rake jongensboeken en leesboekjes.’ Lectuur-Repertorium (Tilburg, 1952), p. 773-774.

(21) Caesario Peters, ‘Leven voor de taal. Frater Jozef Rijnders (1874-1942), methodenschrijver en manager’, in: Joep Eijkens (red.), Enigen uit velen. Fraters van Zwijsen in 22 portretten (Tilburg, 1994), p. 71.

(22) Poorthuis en Salemink (2006), p. 90.

(23) Dit kwam al kort ter sprake in deel 1 van deze studie.

(24) De Duitse citaten zijn afkomstig uit ‘Der Judenknabe von Prag’ Joseph Spillmann, Wolken und Sonnenschein: Novellen und Erzählungen (Freiburg, 19033), band 2.


 

Begin van deze pagina

Inhoud Ewoud Sanders

Home CuBra