INHOUD FEESTLIED
HOME
AUTEURS
TEKSTEN
BRABANTS
AUDIO
SPECIAAL

Print pagina

Liedjes van vroeger

 

De drie ruitertjes

Gezocht door Marianne Schoone - gevonden en ingezonden door Marc Blokland, CuBra, & Hannie van Hoof

 


Inzending Marc Blokland

 

DE DRIE RUITERTJES.
Toen ik op neerlands bergje stond
Keek ik het zeegat in
Daar zag ik een scheepje zeilen
Daar zaten drie ruitertjes in
En van die drie was naar mijn zin
En van die drie was naar mijn zin.
 
Het allerliefste ruitertje 
Die in dat scheepje zat
Die bood mij er aan te drinken
't Was koele wijn uit het vat
't Was van het beste wat hij bezat
't Was van het beste wat hij bezat
 
Ik zette het glaasje aan mijn mond
En dronk het uit met zijn
Ik zei; meneer stout ruitertje
Hier hebt gij een trouwring van mijn
En die trouwring schenk ik jou
En die trouwring schenk ik jou.
 
Wat zal ik met dioe trouwring doen
Wat zal ik daarmee doen
Gij zijt een zedeloos dienstmaagd
En ik een gravenzoon
En wat zal ik daarmee doen
En wat zal ik daarmee doen
 
't Is goed dat gij hem niet hebben wil
't Is goed er zijn er nog veel meer
Dan ga ik het klooster dienen
Daar dien ik de lieve Heer
En dan ziet gij mij nooit meer
En dan ziet gij mij nooit meer.
 
Toen 't nonnetje halverwege was
Haar vader en moeder waren dood
Er was geen rijker nonnetje
Op Nederlands berg zo groot
Ja haar vader en moeder was dood
Ja haar vader en moeder was dood
 
Toen 't ruitertje dat ter hore kwam
Was 't knecht kom zadel mijn paard
Dan ga ik naar 't klooster rijden
Dat is mij het kansje waard
Kom knecht kom zadel mijn paard
Kom knecht kom zadel mijn paard
 
Zij sprak, meneer stout ruitertje
Wat doet gij mij ten schand
Want laatst toen ik U die trouwring bood
Toen weigerde gij mij de hand
Ga en vertrek nu uit mijn land
Ga en vertrek nu uit mijn land.
 
Het ruitertje keerde zich om
En sprak geen enkel woord
Maar toen hij bij de fontijn aankwam
Schoot hij zichzelve dood
Hij was verslagen, ja hij was dood
Hij was verslagen, ja hij was dood
 
't Was op een donderdagmorgen
Toen 't nonnetje halen moest brood
Maar toen zij bij de fontijn aankwam
Vond zij haar ruitertje dood
Zij was verslagen, ja hij was dood
Zij was verslagen, ja hij was dood.
 
Zij sprak, meneer stout ruitertje
Is dat terwille van mijn
Ik zal U dan laten begraven
Hier onder die rozemarijn
Waar al die stoute ruitertjes zijn
Waar al die stoute ruitertjes zijn.
 
'k Zal bloempjes voor U plukken
En strooien op Uw graf
Dan zal ik tulpjes planten
Tot aan de jongste dag
Al waar ik eens mijn zoetelief zag
Al waar ik eens mijn zoetelief zag.

Inzending Hannie van Hoof

 


Inzending CuBra

 

De drie ruitertjes

 

Ik stond op hogen bergen

Ik zag ter zeewaart in

Ik zag een scheepken drijven

Daar waren drie ruitertjes in

Den enen stond in mijnen zin (bis)

 

Den allerjongsten ruiter,

Die in dat scheepken was,

Die schonk mij eens te drinken

Den wijn al uit een glas:

God loons hem die dat was. (bis)

'Ik breng 't/u, klein ha/veloos meisken,

Gij zijt van haven bloot; [haven = have / goederen]

Omdat/gij een ha/veloos meis/ken zijt,

Daarom ik u laten moet:

Gij en hebt er ja geen goed.' (bis)

Ben ik/een klein ha/veloos meisken,

Ik/en bens alleine niet;

In/een kloos/terken wil ik rijden,

God loons hem die 't mij ried,

Dat ik uit al/le genoegten schied. (bis) [schied = scheidde]

'Och jonk/vrouw als gij ten kloos/ter gaat

En als gij wij/ding ontfaat, [ontfaat = ontvangt]

Hoe geerne zoud' ik weten,

Hoe/u nonneklederen staan,

Als gij in een kloos/ter wilt gaan.' (bis)

 

Maar toen zij in dat kloos/ter kwam,

Haar vader die was dood;

Men vond in al mijns he/ren land

Geen rijker kind, ende was groot

Ende niet van haven bloot, (bis)

 

Den rui/ter, zo haast/hij 't vernomen,

Sprak: 'zadelt mij mijn peerd

Dat zij in 't kloos/ter is/gekomen,

Dat is wat mijn herte zo deert,

Het is/mij wel rijdens weerd.' (bis)

 

Maar toen hij voor dat kloos/ter kwam,

Hij klopte aan den ring:

'Waar is dat jongste non/neken,

Dat hier lest wijding ontving?

Het is/er zo schonen kind.' (bis)

'Dat aller jongste non/neken

En mag niet komen uit:

Zij zit-alhier besloten

En zij is Jesus' bruid,

Zij looft Hem overluid.' (bis)

 

Dat allerjongste non/neken

Ging Voor den ruiter staan;

Haar haar/ken was afgeschoren,

Die minne was al gedaan;

Nonnekle/deren had zij aan. (bis)

 

'Gij moogt wel thuiswaart rijden,

Gij moogt wel thuiswaart gaan;

Gij moogt een ander kiezen,

Mijn minnen is al gedaan:

Nonnekle/deren heb ik aan. (bis)

 

Toen ik/een klein ha/veloos meisken was,

Toen stiet/gij mij met den voet,

Omdat ik jong/ende arm was;

Ik hadde toen genen spoed.

Stelt nu tevreden uwen moed!' (bis)