HOME CUBRA

INHOUD AUTEURS

Brabant Cultureel • Brabant Literair

Tijdschrift voor kunst, cultuur en literatuur

62ste Jaargang - oktober 2013

 
HOME BC / BL Contact / Reageren Archief Brabant Cultureel Archief Brabant Literair
 
 

Willem Witteveen (1952) werkt bij de Universiteit van Tilburg als decaan van het bachelorprogramma in Liberal Arts and Sciences. Na zijn periode in de Eerste Kamer bracht hij een bundel met wetgeversgedichten uit: Tijdens de werkzaamheden, buiten de orde (2006). Daarvan zijn nog enkele exemplaren verkrijgbaar bij boekhandel Van Kemenade in Breda. Zijn eerste ‘Ambassadeursbrief uit Venetië’ verscheen in Brabant Literair van december 2012.

 

©Brabant Cultureel / Brabant Literair – oktober 2013

Ambassadeursbrief uit een stad die met terugwerkende kracht uit de golven opduikt

 

door Willem Witteveen

 

 

Majesteit!

 

Ik moet deze stad verlaten. Terwijl ik mijn schamele bezittingen inpak, voel ik dat ik al bijna vertrokken ben. En opeens, majesteit, komen deze brieven aan U mij onbetekenend voor. Het is bijna niet te verdragen dat ik elke keer weer mijn ziel en zaligheid in het proza leg, ik haast mij naar de brievenbus of in streken zonder geregeld postverkeer vind ik een koerier, ik zit in spanning over deze of gene frase die onbedoeld niet het juiste licht werpt op de gebeurtenissen. En dan: niets. U antwoordt mij niet. Ik weet dat de spelregels zo zijn: U wordt geïnformeerd, U deelt niet mede. Via de diplomatieke dienst wordt mij indirect de suggestie doorgespeeld dat U mijn brieven wel degelijk leest. Dat is geen troost, het verlengt de onzekerheid waarin ik leef. Daarom weet ik nu ook waarachtig niet zeker of het zin heeft deze ambassadeursbrief te schrijven.

Ab urbe condita: bij het stichten van de stad (Livius). Maar deze stad is in een voortdurend verval verwikkeld dat elke dag een stichtingshandeling noodzakelijk maakt. Als ik opstond keek ik eerst vanaf mijn dakterras over de huizen, ik haalde diep adem, ging het huis uit. Daar was een stroom mensen op weg naar de groentemarkt, naar de bakkers, naar de viswinkels. Door verse waar te kopen bevestigden de mensen hun verbintenis met de stad. De klok van de transacties begon te lopen. En als ik mij met mijn sinaasappelen en broodjes naar huis haastte, om op het dakterras te ontbijten, had ik een aandeel in deze oeroude stichtingshandelingen zonder welke een stad het leven laat. Vandaag zet ik alleen vuilnis buiten, gescheiden zoals dat hoort, rationeel geordend. Er is een zak plastic en glas, een papieren zak met oude kranten, een gesloten plastic zak met restafval. Ik kijk er niet meer naar om en trek mijn koffer achter me aan naar de schele brug. Veel is er niet te zien. De regen stroomt over mijn gezicht. Een harde wind drukt mijn jas tegen me aan, de kap van mijn mantel schudt heen en weer boven mijn schamele haren. Op de boot is het ijskoud, alle deuren en ramen staan open. De andere reizigers zwijgen. Alleen de motor maakt beukende geluiden als de boot tegen de wind het Grote Kanaal doorploegt. Hoe verder de boot zich van mijn vertrekpunt verwijdert, hoe minder ik om me heen zie. De blik richt zich naar binnen. Haarscherp zie ik de vismarkt, de straten eromheen, ik zie de groeven in het gelaat van een oude man die elke dag deze paar straten rondloopt, hij heeft een pet op het hoofd en altijd dezelfde zwarte jekker aan. Zijn wereld, dat zijn drie, vier straten. Maar daar weet hij ook alles van, hij kent er de geschiedenis, hij heeft zijn leven op straat doorgebracht, een huis heeft hij niet nodig. Hij is als een vorst die zijn koninkrijk voortdurend kan overzien omdat hij elk denkbaar standpunt beurtelings inneemt. Hij is als een koning die zijn bevolking in zijn hart heeft gesloten. Alleen is niemand zijn onderdaan. Hoeveel mensen hem ook als vaste aanwezigheid in de stad herkennen, geen van hen richt het woord tot hem. Ze laten hem slenteren. Hij is alleen. Een vorst in verheven eenzaamheid.

Door de ruiten van de boot wordt af en toe iets van water zichtbaar, een paar andere boten komen voorbij, ik zie stukken kade en onderdelen van gevels die in het water eindigen. Dit water spiegelt niet, omdat er geen zon is. Dit water trekt alle beelden naar binnen waar ze in de golven ten onder gaan. Ik huiver, iedereen huivert, men slaat zijn sjaals collectief om zich heen. Opeens zie ik een kajak. Dat is een soort schip dat in deze wateren niet thuishoort. De wet op de gondels verbiedt personenverkeer met andere roeiboten dan gondels. In deze kajak zit slechts één persoon, een man of een vrouw, dat kan ik niet zien. Maar toch: een persoon die zich vervoert. Dat is niet hetzelfde als zich vervoerd laten worden en zo opent zich dan toch een lacune in de inktzwarte woorden van de wet. Het is de geest die vervoert, de geest die de letter overwint. (Majesteit, vergeef dit geraaskal, ik heb teveel gelezen in de geschriften van Romeinse juristen – Paulus, Gaius, Ulpianus – die in mijn woning het enige leesvoer vormden.) Het is de letter die de geest doodt. Het is een juridische rechtshandeling die de eigendom vervreemdt. Ik word weer op mezelf teruggeworpen. In mijn geest hoor ik weer de stem van de Israëlische professor. Hij wilde de stad vanaf het water zien. Daarom had hij een kajak gekocht. Na een triomfantelijke roeitocht die de stad in een geheel ander aanzien liet verschijnen, moest hij aanleggen. Ligplaatsen waren niet vrij. Maar op de benedenverdieping van zijn palazzo was een opslagplaats waar de deur van open was en daar legde hij de kajak in. De volgende dag wilde hij weer varen. De kajak was echter verdwenen. Grote consternatie. De schoonmaakster werd boos. Zij zei: die opslagplaats is helemaal niet van u, u hebt die niet gehuurd. Ik moet daar zijn om mijn werk te doen en die kajak stond in de weg. Ik heb hem op straat gezet. Wat? Wat? De professor wilde dit niet geloven. Maar de kajak was weg. Hij kwam bij mij zijn nood klagen, majesteit, en ik schakelde een jurist in die de zaak op zich nam. Al spoedig bleek dat de vuilnisophalers er iets mee te maken hadden. Een zekere Maurizio werd indringend ondervraagd. Hij wist van niets, maar werd heel bleek en stond te trillen op zijn benen. Vraag het Cornelius. Cornelius was verdwenen. Waar woont hij dan? Aan de overkant van het grote water. Een patstelling dreigde tot de professor zelf aan de overkant van het grote water de boot ging zoeken. Dit was een moedige daad want mensen zoals u en ik, of althans zoals hij en ik, komen daar niet. Te gevaarlijk. Niets gevaarlijks aan. Cornelius woonde in een klein huisje met een hond, een vrouw en veel kinderen. Cornelius had de kajak overgedaan aan een vriend een paar huizen verderop. Die vriend ontkende de transactie niet, hij hief de handen ten hemel en weeklaagde. Voor een klein bedrag kocht de professor de boot terug. Hij voelde er zich schuldig om. Die arme sloebers hadden het niet breed. De kajak kwam weer in de opslagplaats te liggen en nu ging de deur op slot. De volgende dag was de kajak voorgoed verdwenen.

Zo gewonnen, zo geronnen. Ook Livius, meen ik. Of Ulpianus die ik liever lees, de rechtvaardige. De boot legde aan bij een kade die genoemd is naar een kerk die er al stond in de vijftiende eeuw. Stromen gelovigen hebben hier processies gehouden, op bepaalde feestdagen droegen ze lange witte kaarsen op aan de Maagd en na de mis gingen ze dan kermis vieren en aten ze koekjes uit Sicilië. Vandaag waren de deuren gesloten. De engelenbeelden op de muren keken dwars door me heen. In een flits waren ze voorbij en was daar weer de eeuwige schommeling van het water dat alle beelden bewaart en er niets voor terug geeft. Opeens werd ik opstandig. Wat is dit voor een reis door de onderwereld! Waar ben ik? Hoe is de wereld geordend? Ik herinnerde me dat het Grote Kanaal en deze kerk exact zijn weergegeven op een stadskaart uit 1500, net als alle straten en kanalen eromheen. Als je die kaart ziet die op zes houten panelen is uitgekerfd en bewaard wordt in het museum van verloren voorwerpen en verdwenen denkbeelden, dan besef je dat er één punt maar is vanwaar de stad zich laat zien zoals hij in de lagune ligt, een punt hoog boven zee. Het kan nooit bereikt worden, het kan alleen gereconstrueerd worden met behulp van metingen en wiskundige formules. De kaart van Jacopo de Barbari. Terwijl de boot verder voer, zag ik die kaart voor me, mijn ogen volgden alle details. Ik zag de centra van de macht opdoemen, de plekken waar handel gedreven wordt, de wijk waar de hoeren wonen. De stad duikt met terugwerkende kracht uit de golven op.

Majesteit, dit is een allegorie. Er zit een verborgen betekenis in deze beelden en herinneringen verborgen. Mijn vertelkunst schiet tekort om deze betekenissen rechtstreeks te openbaren. U vindt wel een adviseur die de exegese meester is. Zelf dacht ik altoos aan U, terwijl de boot zich van het centrum van de staf verwijderde en het al bijna was alsof ik hier nooit had aangelegd. Vlak voor de eindhalte passeerden wij een museum dat gewijd is aan de cultuur van vreemde volkeren. De voorkant van dit museum is open en op een binnenplaats vlak aan het water is een authentieke langboot te zien die van boomstammen gemaakt is. Deze boot rust op een paar schragen. Het drong tot me door dat als de stad blijft zakken en het zeewater blijft stijgen deze kajak zich op een dag van zijn schragen losmaakt en koers kiest naar zee.