Dierenliedjes - opgetekend door Ben Hartman

Geit (4 liedteksten) - lino: Rolf Janssen

De geit die gaat

 

Dit is een voordrachtje waarbij iemand, meestal een jongen, de geit is.

Deze komt binnen met een touw om de nek en wordt aan alle kanten geaaid ; over zn kop, zn uiers, zn buik, zn nek en zn benen enzovoorts.

Hij heeft meestal een laken of zo om met een echte staart en roept alsmaar b , b .

Hij krijgt een stukje peperkoek en aan het einde van de voordracht begint de geit te keutelen, onder grote hilariteit van de aanwezigen.

Gaandeweg het lied worden de lichaamsdelen van het dier geprezen en opgenoemd en tevens welke functie die schone lichaamsdelen zouden kunnen hebben.

De coupletten worden gesproken(opgezegd), het refrein iedere keer gezongen.

 

 

1) De geit die gaat en die h toch zon schoon kpke

Zon glanzend kpke, zn de snijer,

En da kon wel dienen vur n koffieptje

D geite gate kpke.

 

Refrein: En is dat niet n schande voor n snijer alleen

En ik wil dr van mn leven gene snijer meer zijn.

 

2) De geit die gaat en die h zon schoon hoorn

Zon glanzende hoorn, zei de snijer,

Die kon wel dienen vur de knpsgaten te boren

Die geite gate hoorn.

 

Refrein.

 

3) De geit die gaat en die h zonne schone rugstrang

Zonne glanzende rugstrang, zei de snijer,

En die kon wel dienen vur n persplank

Die geite gate rugstrang.

 

Refrein.

 

4) De geit die gaat en die h zon schoon bkske

Zon glanzend bkske, zei de snijer,

En die kon wel dienen vur n olliekrkske

Da geite gate bkske.

 

Refrein.

 

5) De geit die gaat en die h zon schoon poten

Zon glanzende poten, zei de snijer,

En die konden wel dienen vur de kwezel durre tip af te stoten

Die geite gate poten.

 

Refrein.

 

6) De geit die gaat en die h zon schoon vuutje

Zon glanzend vuutje, zei de snijer,

En dat kon wel dienen vur een vingerhuutje

Da geite gate huutje.

 

Refrein.

 

7) De geit die gaat en die h zon schoon uierke

Zon glanzend uierke, zei de snijer,

En dat kon wel dienen vur n tabakszkske

Da geite gate uierke.

 

Refrein.

 

8) De geit die gaat en die h zon schoon stertje

Zon glanzend stertje, zei de snijer,

Da kon wel dienen vur n scheerbursteltje

Da geite gate stertje.

 

Refrein.

 

9) De geit die gaat en die h zon schoon ingewand

Zon glanzend ingewand, zei de snijer,

En daar had de boer zn kolen op geplant

Op dat geite gate ingewand.

 

Refrein.

 

Mevrouw Schelle-Habraken, Moergestel, 1977. Zij legde deze voordracht uit en zong het refrein voor ons.

Ook mevrouw van Dijk uit Schijndel kende dit liedje, zij legde het als volgt uit:

 

 

Nou heb ik nog een geit

 

 

Het gesproken gedeelte begon met:

Nou heb ik nog een geit.

De toehoorders vroegen dan:

Wat is dat voor een geit ?

De solozanger begon vervolgens de geit te beschrijven; bijvoorbeeld:

Het is een geit met een uierke, zon mooi uierke, n figelegante uierke en dat uierke moest dienen voor een tabaksbuileke.

Vervolgens werd dan gezongen:

 

En onze broeder Lazarus en die was dood .

 

Dan ging het weer verder met:

Nou heb ik nog een geit . En zo verder.

 

 

 

De snijer

 

1) En de geit had zon lieve kop, o, zon lieve kop

Hup, zei de kleermaker, dan gaan we nu naar St.Job.

 

Refrein: Holadibola, die snijer zo fijn

Van mn leven wil ik er geen snijer meer wezen

Holadibola, die snijer zo fijn

Van mn leven wil ik er geen snijer meer zijn.

 

2) En de geit had zon lieve sik, o, zon lieve sik

Hup, zei de kleermaker, die doen we in de krentenmik.

 

Refrein.

 

3) En de geit had zon lieve huid, o, zon lieve huid

Hup, zei de kleermaker, haal er maar gauw een broek en een vest uit.

 

Refrein.

 

4) En de geit had zon lieve staart, o, zon lieve staart

Hup, zei de kleermaker, die is maar een kwartje waard.

 

Refrein.

 

5) En de geit had zon lieve uier, o, zon lieve uier

Hup, zei de kleermaker, daar komt wel drie liter melk uit.

 

Refrein.

 

6) En de geit had zon lieve buik, o, zon lieve buik

Hup, zei de kleermaker, alle jaren een jonge bok en een jonge geit eruit.

 

Refrein.

 

7) En de geit had zon lieve poot, o, zon lieve poot

Hup, zei de kleermaker, die is goed voor kruiwagenpoot.

 

Refrein.

 

 

Rolf Janssen nam dit lied op bij mevrouw Broers te Tilburg.

De coupletten worden opgezegd en het refrein wordt elke keer gezongen.

 

 

 

De bokkenwagen

 

 

1) Ik zag vanacht een bokkewagen

Voor mij rijden in mijn droom,

En de straten die waren tulband

En de plasjes waren room.

 

2) Voorop in die bokkewagen

Zat een meid van tante Jet,

Aangekleed als schoorsteenveegster

En een trommel vol banket.

 

3) Achterin die bokkewagen

Zat een man die rijden kon,

En ik zat op het middelste bankje

In mijn moeders nachtjapon.

 

4) Zeven uren sloeg het klokje

En ik sprong mijn bedje uit,

En mijn lieve moeder lachte

Mij al om mijn dromen uit.

 

 

Opgenomen bij Mevrouw van Ballekom-Blommers uit Schijndel, 1982.