Dierenliedjes - opgetekend door Ben Hartman

Haas (6 liedteksten) - lino's Rolf Janssen

Ik al arm haasje

 

 

1) Ik al arm haasje al in het groene woud

Ik word gejagen, door bossen voortgestouwd,

Door al de edellieden

Die om mij henen vlieden,

Al ben ik dan maar een onnozel dier,

Ik heb hier op deezí aarde gans geen plezier. (2x)

 

2) Ik eet niets anders als nat gras ende groen

Waar kan ik dan nog minder schade aan doen,

Om mij wat te verzadigen

Eet ik van die groene bladeren,

Dan drink ik nog al tot mijn groot plezier,

Een teugje schoon water uit die klare rivier. (2x)

 

3) Ik prijs de jagers, de jagers van de jacht

Die komen wel bij dage, maar nimmer bij de nacht,

Maar dan die lompe boeren

Die komen mij beloeren,

Met koperdraad en strikken, o, zo groot,

Zo brengen zij het arm haasje ter dood. (2x)

 

4) Dan gaan zij in een ronde staan

En vragen: wiens hondeke heeft het nu gedaan?

De een die zegt de zijne

De ander zegt de mijne,

Maar wie me dan ook heeft, dat baat er mij ook niet,

Want ik al arm haasje leef voort in ít verdriet. (2x)

 

5) Maar dan schep ik nog eens goede moed

Omdat ik word gegeten al van het edel bloed,

Op zilveren servetten

Waar zij mij dan nederzetten,

Zij drinken op mij de koele wijn,

Kan er wel een properder diertje zijn? (2x)

 

6) Zo menig jonge dame en schone jonge vrouw

Die dragen van mijn velleke, ít is ook goed voor de kou,

Aan handen en aan armen

Om zich wat te verwarmen,

Dan dragen ze nog zo menige schone hoed,

Al van mijn velleke, zo zacht en zo zoet. (2x)

 

 

De tekst van dit lied stelde ik samen aan de hand van drie veldopnames.

In Loosbroek nam ik 6 koepletten op, in Best 5 en in Vorstenbosch 7.

De melodieŽn stemmen vrijwel overeen, de voorkeur gaat uit naar die uit Loosbroek omdat die het beste past bij deze gereconstrueerde tekst.

Dit lied van het arm haasje stamt af van een lied dat gedrukt is op een los liedblad. Deze liedblaadjes werden uiteraard gemakkelijk verspreid en 'vlogen' zo stad en land door.

Vandaar dat deze losse liedblaadjes al spoedig 'vliegende blaadjes' werden genoemd.

De bekendste drukkers/uitgevers van vliegende blaadjes waren vader en dochter van Paemel in Gent(B).

Leander van Paemel (ca.1778-1846) heeft een reeks van 80 genummerde vliegende bladen op de markt gebracht.

Zijn dochter Isabella, geboren in 1807 in Gent, zette het werk van haar vader voort.

Lied nr.31 uit die genummerde reeks heet: 'Liedeken van het haesken'.

Als beginregel wordt opgegeven: 'Ik arm haesken in 't wilde woud' en de melodie-aanduiding is: 'Klaes in den kandelaer is zoo prat'.

Dit lied telt 30 koepletten!

De 6 koepletten van bovenstaande veldopnames zijn terug te vinden in dit 30 koepletten tellende lied van het los liedblad uit de 19-de eeuw.

De melodie van het lied stamt waarschijnlijk uit de 17-de eeuw.

Een hele mooie variant, zeker voor wat betreft de melodie, van dit klachtlied van de haas staat in

'Limburgse Liederen', Lambrecht Lambrechts, Gent 1936.

Dat lied volgt nu.

 

 

 

Ik ben een haas

 

 

1) Ik ben een haas en ik leef in het veld

Ik offer mijn jong leven aan ít geweld,

Bij dagen en bij nachten

Gaan zij naar mij trachten,

Zij trachten naar het zoete leven van mijn

Ben ik niet een armoedig haasken alleen.

 

2) Ik loop de bergen op en af zo snel

Ik wacht mij van de boze honden wel,

Tot in de nederdalen

Waar zij mij achterhalen,

Dan loop ik eens hoog en dan weer eens leeg

Ik beef voor de jager en zijn geweer.

 

3) En als zij mij dan hebben verslaan

Dan vragen zij: wiens hond heeft dit gedaan?

De ene zegt de mijne

De andere zegt de zijne,

Maar ach, wiens hond het heeft gedaan of niet

Ik armoedig haasken blijf in ít verdriet.

 

4) Gij graven en gravinnen welgemoed

Die dragen over mij de hogen moed,

Om handen en om armen

ís Winters te verwarmen

Zij dragen over mij de hoge moed

Omdat er mijn velleken zo zachtjes voelt.

 

 

 

Het haasje

 

1) Er liep een haas door bos en struiken (2x)

Het haasje liep, liep, liep al in een strik. (2x)

 

2) Er kwam een man door ít bos gereden (2x)

Die Ďt haasje mee, mee, mee naar huis toen nam. (2x)

 

3) Daar moest het met de kinderen spelen (2x)

Het haasje had, had, had een groot verdriet. (2x)

 

4) Op zekere dag toen allen sliepen (2x)

Liep ít haasje weg, weg, weg en nam de vlucht. (2x)

 

5) ít Haasje was toen heel erg blij (2x)

Nu loopt het weer door bos en struiken. (2x)

 

 

Tot zover Mevrouw van Ballekom-Blommers uit Schijndel,1982.

Een uitgebreide versie van dit lied namen we op in Boxtel bij Mevrouw van de Wijdeven-van de Dungen. Bij haar gaat het niet over een haas maar over een aapje.

De melodieŽn van beide opnames zijn hetzelfde en zijn afkomstig van een Frans liedje: ' Le petit navireí.

(Zie: ĎZangzaad voor Kampeerders Ď)

We vonden het lied nog in "Limburgse Liederen" van Lambrecht Lambrechts.

Woorden en melodie zijn identiek aan die uit Boxtel.

 

Het aapje

 

 

1) Een aapje liep door bos en struiken (2x)

Helaas het liep, liep, liep al in een strik. (2x)

 

2) Daar kwam een man door ít bos gereden (2x)

Die ít aapje mee, mee, mee naar huis toe nam. (2x)

 

3) Daar moest het met de kinderen spelen (2x)

En ít meende dat, dat, dat ít zijn broerkens zag. (2x)

 

4) Het ging somtijds ook mee ter schole (2x)

En allen, aap, aap, aapten ít aapje na. (2x)

 

5) Doch als de kinderen groter werden (2x)

Toen moest het schei, schei, scheiden van zijn broers. (2x)

 

6) Toen moest het ganse dagen slaven (2x)

En ook al ka, ka, kamerknechtje zijn. (2x)

 

7) Het moest daar wassen, plassen, schuren (2x)

En ook de pot, pot, pot doen en zo voorts. (2x)

 

8) Op zekeren nacht toen allen sliepen (2x)

Sloop ít aapje weg, weg, weg en nam de vlucht. (2x)

 

9) Toen liep het weer door bos en struiken (2x)

Helaas het liep, liep, liep al in een strik. (2x)

 

 

Heer Langoor wou op reis gaan

 

 

Heer Langoor wou op reis gaan, op reis gaan voor plezier

Ging recht uit naar Parijs aan, wel twintig uur van hier,

Hij droeg een vuurrood jasje, zijn vest was blauw geruit

En achter uit zijn broekje, daar stak een staartje uit.

 

Daar liet de boer zich horen, wat was dat voor gerucht

Heer Langoor spitst de oren, en zettenít op de vlucht,

Ging recht door moddersloten, och, och wat ongeluk

Heer Langoor brak twee poten, en ít broekje scheurde stuk.

 

 

Broer en Zus, Toon en Regine Gevers uit Loosbroek, zongen dit schoolliedje voor mij in 1982.

Ik ben vaak bij hen op bezoek geweest om liedjes op te nemen, zij kenden er zeer veel en waren daar ook enorm trots op.

Ze vonden het prachtig dat iemand belangstelling had voor hun repertoire en waren dikwijls zo enthousiast dat ik af en toe nauwelijks de kans kreeg om mijn cassetterecorder aan te zetten voordat ze gingen zingen!

 

Een aapje.

 

1. Een aapje wou eens lollig zijn

2. Hij beet in de billen van de kapitein

3. De kapitein werd vreselijk boos

4. Hij stopte het aapje in de poederdoos

5. De poederdoos was veel te wit

6. Hij stopte het aapje in de kolenkit

7. De kolenkit was veel te vies

8. Hij stopte het aapje in het theeservies

9. Het theeservies was veel te mooi

10. Hij stopte het aapje in de apenkooi

11. De apenkooi stond open

12. Het aapje kon weer lopen.

 

Dit liedje werd in Oss door Rolf Janssen gezongen in zijn schoolperiode.