CUBRA

INHOUD PIERRE VAN BEEK
HOME 
BRABANTS
AUTEURS

PRINT

Cantecleer (ps. van Pierre van Beek) - columns

 redactie: Ben van de Pol

 

Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 12 juli 1940

 

 

Weerhaan

 

Telkens als ik door mijn venster tuur, vliegen mijn gedachten uit naar dien weerhaan op den toren der abdijkapel. Ook gij kent zoo'n weerhaan wel! Maar wist ge misschien ook, dat ge onder weerhanen standen zooals bij de menschen hebt? Daar zijn dan op de eerste plaats de weerhanen van de kerktorens. Die glanzen van verwatenheid omdat zij zich zoo hoog geplaatst weten. Dat zij dit niet door eigen kracht bereikten, moet ge hun niet vertellen gaan want ze zouden subiet den kop van achteren laten zien. Ook al wijl zelfs weerhanen niet graag aan een lagen komaf herinnerd worden. Dan hebt ge de hanen van de kloosterkapellen. Die zijn wijs - dus eenvoudig en zonder pretentie gelijk de bewoners van het huis, dat zij bewaken omdat zij uit het leven, daar onder hen, geleerd hebben hoe betrekkelijk de dingen van de wereld zijn. Dan hebt ge nog de weerhanen van oude kasteelen, waar het spookt. Dit is een bijzonder slag van hanenvolk, omdat het altijd op verroeste spillen staat en 's nachts sinister knarst. Vraag het maar eens aan de romanschrijvers!...

Mijn haan is, gelijk ik u reeds zeide, de haan van een abdij. Hij kreunt niet op zijn spil, klimt ook niet glanzend tegen den hemel aan, maar staat toch wel z hoog, dat hij ziet, over de vierkant gesneden velden heen, hoe alle einders de wereld als een ring omvangen houden. De toren onder hem, waarop de blauwe leien liggen als de schubben op een visch met diens glans van den buik aan den kant van de zon, is spits gelijk een tandenstoker. En daarom springt die haan, die een staart heeft van ajour, zoo sierlijk uit tegen de lucht. Voor wie niet beter weet, zal het vaak lijken of mijn haan altijd slechts naar de wolken tuurt, welke als schepen met gebolde zeilen naar verre havens van verlangen varen. Toch is mijn haan geen droomer maar een realist! Den heelen dag door - en ook als het licht te slapen ging - tast hij, met de nauwgezetheid van een boekhouder uit een voorbije eeuw, met zijn luchtigen staart de winden af om te weten hoe hij zijn kop richten moet.

Steekt hij dien kop het Westen in dan zegt u dit, dat de lucht zwaar zal gaan van het water, dat als damp de zee ontsteeg. Draait hij naar het Oosten toe dan komt tot u de boodschap over van de vlakten en de steppen, die dor en schraal en droog zijn. Als die wijze kop star in het Noorden staat, voelt ge den killen adem van de ijsbergen, welke uw hoofd tusschen de schouders huiveren doet. Maar ge weet ook, dat onze eigen lucht die warmer is, het meegevoerde vocht gretig opslurpt om het vast te houden. Zoekt hij het Zuiden op dan verhaalt hij u, dat de koelte van onze contreien de overmaat van neerslag wel niet zal kunnen torschen. Stuurt hij midden tusschen Zuid en West dan weet ge, dat nat bij nat geschoten is en twee bondgenooten de fiolen van hun overvloed over uw en mijn hoofd zullen gaan uitstorten. Want daar heeft de regenhoek zijn troon gebouwd.

Zoo ziet ge hoe mijn rustelooze weerhaan verhalen vertelt aan elkeen, die maar luisteren wil, op ieder uur van elken dag. Hoe hij zwenkt naar Oost en West, naar Noord en Zuid, meedraait met alle winden. En wat het schoonste van dit alles is: gij kunt er van op aan! Wat ge van menschelijke weerhanen niet zonder liegen zeggen moogt...

 

CANTECLEER