CUBRA

INHOUD PIERRE VAN BEEK
HOME 
BRABANTS
AUTEURS

PRINT

Cantecleer (ps. van Pierre van Beek) - columns

 redactie: Ben van de Pol

 

Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 2 augustus 1940

 

 

Mijn musch

 

Daar zit ze weer! Zonder dat gij er op bedacht zijt, komt ze van ge-weet-niet-waar gevallen op den rand van de schutting, wipt op het kiezel van het tuinpad en dan... tjoep!... het open schuurtje in, naar den hoorn des overvloeds van mijn vuilnisbak. Z zie ik iederen dag een musch in haar strijd om het bestaan. Zoo was het verleden jaar, het jaar daarvoor en zoo is het nu. Zelfs de hoogconjunctuur, die met het eerherstel aan het paard haar intrede deed in de musschenmaatschappij, heeft geen wijziging gebracht in het arbeidsplan van dien durvenden rakker. Ik verbeeld mij graag, dat het altijd dezelfde musch is, die bij mij haar voedsel haalt. Haar verschijnen krijgt dan een manteltje van vertrouwelijkheid en zij wordt een stukje van mijn eigen leven.

Ik ben haar nu gaan zien als een berichtgever-in-vasten-dienst van de groote en vreemde dingen, die gebeuren in de wereld daarbuiten, alleen door musschenoogen waargenomen. En musschen weten veel al zeggen ze het niet tegen u! Ze hebben familie op alle continenten terwijl hun aartsvaderlijke wieg toch maar in Centraal-Azi heeft gestaan, wat men niet van iedereen zeggen kan. Ge behoeft dus over hun geslacht niet zoo gering te denken! Telkens bij haar komst gaan mijn gedachten naar de verten uit en zoo stoffeert dit onnoozele beestje den muur van mijn verbeelding weer met nieuwe schilderijen van exotisch coloriet.

Mijn musch draagt een pakje, dat grauw is als het zand der zongedroogde akkers, een zwarte vlek op de keel als een te groot uitgevallen kokarde, dwarsstreepen over de vleugels... Maar is dit dan niet de musch uit uw tuin? En zijn niet alle musschen zoo?... Ge moet dat mij niet vragen. Ik weet haast niets van mijn eigen musch, laat staan van de uwe! Waar zat het nest verscholen, waar mijn musch haar eerste vlucht begon? Wie vertelde haar van mijn rijken vuilnisbak en wie wees haar den weg? Is zij de dochter van een vader, die hier eerder kwam of was en is zij het altijd zelf? Op geen van deze vragen vind ik antwoord. Maar dat behoeft ook niet. Bij vele dingen immers ligt de aantrekkelijkheid in de raadselen, welke ze omgeven. Zulke dingen moet ge nooit zoo dicht naderen, dat ge ze geheel met uw zinnen betasten kunt want dan worden ze gelijk weleer de kleurige vlinder, dien gij eens met uw onvoorzichtige kinderhand hebt vastgegrepen...

Ng is mijn musch een schoon bezit! Gij moogt haar doopceel niet lichten, haar relaties tot de mesthoopen niet aan de openbaarheid prijsgeven. Laat mij haar toch alleen kennen als de stoute zwerver, die met het stof der straten in zijn kleeren en een onverwoestbaar optimisme in het hart een stukske van de wereld buiten de enge begrenzing van mijn tuin bij mijn venster brengt.

 

CANTECLEER