CUBRA

INHOUD PIERRE VAN BEEK
HOME 
BRABANTS
AUTEURS

PRINT

Cantecleer (ps. van Pierre van Beek) - columns

 redactie: Ben van de Pol

 

Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 3 oktober 1941

 

 

Avondnevel

 

Langzaam komt de avond aangegleden als een roeier, die de riemen rusten laat. De nevel klimt uit de weiden, waar hij zich voor het daglicht verscholen had. Hij gaat op zijn teenen en houdt den adem in bij het spreiden van zijn vlerken, die zijn als het floers, waarvan de bruiden hun sluiers maken. Indien de spinnen ook bij avond werkten, zoudt ge ze nu hun web hooren weven want niets ter wereld gaat met lichteren tred dan een nevel, welke uittrekt op avontuur. Zelfs de feen en de elfen niet, die toch familie van de nevels zijn! Me dunkt, gelijk de nevel van dezen avond begint, z manifesteeren zich de geesten en de spooken uit de occulte boeken, welke ge niet lezen moet. Wat zal het er nu druk zijn op de kerkhoven! De nevelen en spoken wandelen gearmd tusschen de kruisen en de zerken tot schrik van de zwarte gewetens. Of zou het daarvoor wellicht twaalf uur eerst moeten zijn?

Maar wat malen gij en ik eigenlijk om die kerkhofspoken? Laten we liever vanaf een heuvel kijken naar den nevel over het vlakke land want daar spookt het evenzeer. De nevel op de velden omdonst de pooten van de koeien. Z ziet ge enkel zwartgevlekte lijven als zeppelins in wolken op de aarde drijven. Zoodra de zeppelins weer zijn vergaan doordat de nevel stijgt, speurt ge hoe alle dingen in een grijze falie staan. Wees nu op uw hoede voor de hallucinatie! Ze maakt van iederen struik een hurkend beest, van iederen boom een monster vol gevaar! Het park, dat ge op den dichtgeschoven einder weet, wordt een oerwoud, door nog geen menschenvoet begaan. Daar zoeken wilde dieren naar hun prooi. Dat is het avontuur van de benevelde gedachte. Doch in werkelijkheid zit er een vereenzaamd paartje, dat de wereld en den tijd vergat, te minnekozen op een klam geworden bank. Beweert gij nu maar, dat dit de verbeelding niet ver in schoonheid overtreft!

Dichterbij, waar de gewone menschen wonen, pinkt een licht, dat moest verduisterd zijn maar niet is. Gelijk mr dingen niet zijn zooals ze moesten zijn. Het danst als een dwaallicht boven het moeras. Een hond bast naar den boer, die zich met een lantaarn stalwaarts spoedt daar vannacht de zeug haast zeker biggen zal. De lucht scheurt open door een gil. Een vurig oog boort door den mist als een gloeiende priem en een rillende trein draaft in zichzelf gekeerd naar zijn bestemming toe. Met donkere vensters maar lichte gedachten van de reizigers die naar huis verlangen... Dit alles zag ik eens op een nevelavond vanaf mijn kleinen berg, waar ge altijd iets beleven kunt.

 

CANTECLEER