CUBRA

INHOUD PIERRE VAN BEEK
HOME 
BRABANTS
KUNST
FOTOGRAFIE
TEKSTEN
AUTEURS
AUDIO
SPECIAAL

PRINT

Pierre van Beek - Heemkunde-artikelen

 redactie: Ben van de Pol

 

Recreatie in boswachterij Dorst

Het Nieuwsblad van het Zuiden - dinsdag 12 november 1968

Ruim duizend ha van Staatsbosbeheer, op slechts vijftien kilometer van Tilburg verwijderd, staan open voor de ontspanning zoekende mens. We hebben hierbij het oog op de "boswachterij Dorst", die zich uitstrekt op het territoir van drie gemeenten, t.w. Oosterhout, Dongen en Gilze-Rijen. Als de naam van de badinrichting "Surae" of de oudere "De Leemputten" valt, weten vele Tilburgers waar het om gaat - daar komen op een mooie zomerse dag soms wel 10.000 bezoekers - maar "Surae" is toch slechts een onderdeel van de boswachterij. En nu lijkt het ons juist het resterende deel, dat in Tilburg weinig bekendheid geniet, eens onder de aandacht te brengen. Tch betreft het hier een uitzonderlijk mooi natuurgebied, dat zich kenmerkt door een bijzonder grote variatie en de gemakkelijke manier, waarop het te bereiken valt. Men rijdt er linea recta heen van Tilburg, voorbij het kruispunt te Rijen en dan rechts over de fraaie weg naar Oosterhout. Aan de linkerkant van deze weg ontmoet u dan enige verharde wegen met een bord "Surae" en elk van deze voert u naar het hart van het gebied. Het plezierige is dat ook de vele zandwegen voor auto's toegankelijk zijn. Men kan zijn wagen op ieder willekeurig plekje kwijt om op de plaats van zijn keuze verpozing te zoeken. Zeer uiteenlopende smaken vinden er hun bevrediging. Dat varieert in de scala van een soort veredeld bermtoerisme, waarbij men nog altijd de auto's over de grote verkeersweg ziet en hoort voorbijzoeven, tot het meer exclusieve genot van de zoeker naar stilte.

 

Wie Dorst zegt, zegt meteen ook: leem. "Heel Dorst zit op leem", beweren de mensen uit de streek en die weten waarover ze het hebben. Hoe het plaatsje aan zijn naam gekomen is, weet echter niemand met zekerheid. Wel is in het verleden in het kerkdorp menige dorst gelest, want men had er vroeger een posthuis annex herberg voor de koetsiers en reizigers van de diligences, maar daar heeft het toch niets mee te maken.

Lang geleden werd de plaats Dorsten genoemd en serieuze onderzoekers hebben de veronderstelling geopperd, dat dit een samentrekking zou kunnen zijn van De Horsten. Daarmee is men dan wel een eindje op weg, want horsten zijn hoge gebieden in een lagere moerassige streek. En dat is hier wel van toepassing. Ook in Duitsland kent men een Dorsten, een plaats in de nabijheid van Wesel.

 

Uit oertijden

De prehistorie heeft ook haar sporen in de bodem achtergelaten, zij het dan ook niet in die mate als ze in meer oostelijk gelegen gebieden van Brabant aan het licht zijn gebracht. Boringen van de Bredase Waterleiding wezen uit, dat zich op een diepte van 125 meter schelpenbanken bevinden, zodat hier uiteraard miljoenen jaren geleden de zee gegolfd heeft. Bij de Moerputten in de Baarschot, dat ooit een uitgestrekt moerassig gebied is geweest, werden sporen van rendierjagers aangetroffen, welke wijzen op een bewoning van mr dan honderd eeuwen vr Christus. Fossielen van mammoeten spreken er hun eigen taal, evenals de in zand en leem aangetroffen zwerfstenen, die afkomstig blijken van gebergten uit Duitsland en Belgi. Deze zwerfstenen werden in het verleden wel gebruikt voor het plaveien van verkeerswegen. Dit betekende dan al een hele vooruitgang, want in het begin van de vorige eeuw waren alle Brabantse wegen nog onverhard met als enkele uitzondering de verbinding 's Hertogenbosch - Boxtel. Een gedeelte van de oude rijksweg te Dorst heeft ooit een bestrating van veldkeien gekend.

Bij een verbouwing van de uit 1854 daterende boerderij - thans een kampeerboerderij - van Hermans (de "Eekhoorn") in het gebied, dat de naam Seters draagt, werd een zg. "baardmannetje" gevonden. Dit is de populaire benaming voor een geglazuurde, stenen kruik met aan de hals het gezicht van een man met lange baard in relif. Ze werden in de zestiende en zeventiende eeuw in Duitsland vervaardigd en van deze exemplaren zijn er in Nederland genoeg aan het licht gekomen. Interessanter is het te weten, dat het 'n bijgelovige, heidense gewoonte was onder de drempel van de hoofdingang van een woning een kruik in het zand te graven om de boze geesten te weren.

 

Oude namen

In de boswachterij stuit men op enige oude namen, zoals Seters, Baarschot, Breedven, De Keeten, Moerken, Duiventoren, Kurassiersheide en Frederiksbossen. De naam Seters wordt door sommigen verklaard als afkomstig van "oude ceeters", waarmee dan het huidige Seters werd bedoeld, en van "nieuwe ceeters" voor het tegenwoordige Klein Oosterhout. Ceeters waren onvruchtbare stukken grond, waarin zich oerbanken bevonden. De steenfabriek van Dorst heeft hier vroeger leem gegraven van welke arbeid nog twee kleine putjes als getuige zijn overgebleven. De op de kaart voorkomende Seterse en Lange Heide bleven alleen als naam bewaard. Zij hebben plaats gemaakt voor bebossing. Een gedeelte van Seters bestaat echter nog uit bouw- en akkerland, waar zich de reeds genoemde kampeerboerderij bevindt.

Men heeft ook een periode gekend, dat 80 ha van de Seterse heide uit stuifzand bestond tengevolge van het feit, dat Prins Frederik, de te Berlijn geboren tweede zoon van de latere koning Willem I, het westelijke deel der bossen geheel liet kaalslaan. In deze kale woestenij met zijn grote zandverstuivingen was het in die dagen bij avond moeilijk de weg te vinden, omdat deze wegen, die niet veel meer dan sporen waren, herhaaldelijk onderstoven.

 

Seterse berg

In 1897 werd er met herbebossing een begin gemaakt, maar tot de dag van vandaag heeft een deel van Seters nog iets van zijn oude karakter overgehouden. En hieraan dankt het zijn aantrekkelijkheid. Seterse berg is een begrip voor de boswachterij en alle natuurvrienden en ontspanningzoekenden, die in deze contreien bekend zijn. Nu gooien we in ons vlakke land graag met de naam "berg" wanneer er van enige bodemverhoging sprake is. Op dit niveau bezien mag er onze Seterse berg zijn, al is hij dan enkel een hoge duin tussen twee wegen. Aan de ene zijde wordt hij afgeschermd door dennenbossen met een tapijt van dennenaalden, dat de jaren hebben opgestapeld en dat nu zacht veert in de droge grond onder de voet van de klimmer. Aan de tegenovergestelde kant daarentegen is hij geheel kaal en daar daalt de helling van stuifzand in een sierlijke boog, als van een doorgezakt zeil, af naar de weg. Rechts en links wordt hij geflankeerd door schilderachtig verwrongen dennen, die met hun breeduitgespreide wortelstelsel met moeite om hun bestaan vechten. nmaal was de Seterse berg nog groter, maar bij de vernieuwing van een weg aan zijn voet in 1953 moest hij worden doorgesneden en werd er 12.000 kubieke meter zand weggegraven.

 

Wijds uitzicht

Doordat de blik naar het noorden geheel vrij is, vormt de berg niet alleen een heerlijke speelplaats voor de jeugd maar ook het mooiste uitzicht van de boswachterij. Staatsbosbeheer is er de laatste jaren bijzonder op uit geweest zijn voorheen afgesloten bossen voor het publiek aantrekkelijk te maken. Vanzelfsprekend werd er dus boven op de berg ook een van de rustieke, zo goed aan de omgeving aangepaste picknickbanken geplaatst, zoals men die op nog verschillende andere punten van de boswachterij aantreft. Op vrije dagen en weekeinden heerst hier gejoel van de spelende jeugd, maar het jaar kent heel wat meer stille dagen en dan is hier het uur van dromers, dagenmelkers en poten. Daartoe rekenden wij op die mooie, late herfstdag toen de schaduwen al zo lang geworden waren, de schilder, die in tere tinten van waterverf, op de top van de berg gezeten, zijn impressie in vorm en kleur vastlegde.

Aan de voet van de berg aan de overkant van de weg filosofeert onder een laag pannendak een langgerekt boerderijtje, dat de naam "Het Hoefke" draagt, maar dat in vroeger dagen een caf was en "Het Heihuiske" werd genoemd. Nu een symbool van in zichzelf gekeerde rust maar in de overlevering, die de geslachten al anderhalve eeuw hebben levendig gehouden, een lugubere herinnering. Hier is namelijk 150 jaar geleden ooit een moord gebeurd en dat vergeten de mensen niet gemakkelijk...

 

Romantiek

De namen "De Keeten" en "Kurassiersheide", die echter geen heide meer is, roepen historische herinneringen op. Daar komen de adellijke geslachten van Van Strijen en Van Duivenvoorde op het toneel, wier namen aan de geschiedenis van Oosterhout verbonden zijn. In de midden in het Oosterhoutse polderland in het noorden staande "Slotbossetoren" kan men heden ten dage nog, in de vorm van een rune, 't laatste restant zien van het "Huis ten Strijen", dat in 1289 gebouwd werd door Willem van Strijen. Er heeft zich heel wat afgespeeld tussen de oude muren. De volkverbeelding is daaraan niet zonder meer voorbijgegaan. Hoe kan het ook anders als Willem van Duivenvoorde bij een bestorming van zijn kasteel met zijn dochter Aleide door een onderaardse gang naar Geertruidenberg ontsnapt naar het toen daar gelegen kartuizerklooster! Later vestigde Willem van Duivenvoorde zich, met zijn dochter, die intussen getrouwd was met Herman van Strijen, op het destijds onder Oosterhout gelegen slot "Ter Horst". Over dit huwelijk zijn lezenswaardige verhalen in omloop. Dat de romantiek er wel aan zijn trekken komt, blijkt als een kroniekschrijver over de rune van "Huis ten Strijen" de retorische ontboezeming loslaat: "Hier beminde Aleide den edelen Herman van Strijen en zong de valse minstreel zijn liefdesboutades". Wat wil je nog meer!...

 

Ridderspelen

Maar om nu terug te keren tot de Kurassiersheide: daarvan wordt nu verteld, dat eenmaal de geslachten Van Strijen en Van Duivenvoorde hier hun ridderspelen hebben gehouden met alle daaraan verbonden schittering. En wat nu "De Keeten" heeft - een gebied, gelegen aan de Oude Bredase Baan - dit is de plaats, waar rond 1300 de houten paardestallen van de familie Van Duivenvoorde hebben gestaan.

Bij de nieuwe snelweg, niet ver van de Hoevestraat, moet zich nog een grenspaal uit 1725 bevinden, die aan de ene zijde het wapen van Oosterhout en aan de andere kant dat van Breda draagt. Hij geeft de scheiding van beide gemeenten aan maar... we hebben hem op onze zwerftocht niet kunnen vinden. "De Keeten" en "Seters" zijn in de jaren 1701 en 1732 ook het toneel geweest van grote militaire oefeningen.

De Moerputten vormden reeds in prehistorische tijd bewoond gebied. Zij waren lange tijd moerassig terrein en in de middeleeuwen werd hier turf gestoken. Rond 1850 werden ze evenwel ontgonnen en vormen nu weidegrond.

 

Leemputten

Het onmiskenbare middelpunt van de boswachterij uit een oogpunt van recreatie vormt de plaats, waar zich de leemputten bevinden, die ontstaan zijn door het leemgraven voor de nog steeds in bedrijf zijnde Rijense steenfabriek bij "De Vijf Eiken". Tegen het einde van de vorige eeuw begon die leemgraverij toen V.J. van den Heuvel uit Tilburg de zg. Lange Heide kocht. Hij droeg die weliswaar in 1894 aan de gemeente Breda over voor de Bredase waterleiding, maar behield toch tot 16 januari 1995 het alleenrecht van leemgraven in dit gebied. In de loop der jaren ontstonden er grote met water gevulde gaten, waarvan de diepten varieerden van vier tot veertien meter. Aanvankelijk waren er negen gescheiden putten, maar doordat sommige werden samengetrokken, zijn er nu nog vijf over. Twee hiervan liggen nu in het fraaie natuurbad "Surae" terwijl de drie andere sportvisserij als bestemming hebben gekregen. Twee verenigingen van sportvissers hebben de putten van Staatsbosbeheer in pacht. Jaarlijks wordt er karper en snoek uit gezet.

Hoewel dicht bij de weg gelegen kan men de visvijvers vandaar niet zien. Een smal voetpaadje door het dichte gewas van de onderbeplanting brengt de wandelaar, die ook hier vrij toegang heeft, echter snel bij de vijvers in de serene rust en stilte, die aan een paradijs voor de hengelaars eigen behoort te zijn. 'Twee vijvers liggen geheel ingesloten in bossen te mediteren. Wie gaat peilen, zal hier tot een diepte van veertien meter komen. Voor het oog verraadt eigenlijk niets meer, dat men met oude leemputten te doen heeft. De natuur heeft er haar rechten weer opgeist na zijn bodemschatten te hebben afgestaan aan de nijverheid. Hier en daar groeit er wat riet aan de oevers en op de onberoerde waterspiegel drijven, dicht bij de oevers, de grote bladeren van de koningin der waterplanten, de witte waterlelie, die hier - tijdens het hoogtij van haar seizoen - geen andere taak heeft dan mooi te zijn als een jonge bruid op haar trouwdag.

 

Als een zeestrand

Wie, van welke kant hij ook mag komen aangereden, het bord "Surae" in het oog houdt, komt vroeg of laat altijd terecht bij een enorme, komvormige vlakte van duinzand, die in haar diepste punt met water is gevuld. Na een rit door een ingesloten bosweg werkt zij als een verrassing, waarvan men eerst even bekomen moet. Nergens in de boswachterij klatert het licht zo klaar van de hemel als hier en ge krijgt het plezierig gevoel aan het strand van de zee te staan. Een woestijn van heerlijk zand, alleen maar hier en daar onderbroken door de donkere silhouetten van enige picknickbanken. Men heeft hier te maken met een oude leemput, die wloverlegd voor het grootste deel gedempt werd totdat men deze kom had overgehouden, waarna men die met het fijne zand heeft gevuld.

Ver op de achtergrond liggen echter nog grauwe bergen en ook daar schemert water. Die bergen bevatten het leem voor de steenbakkerij want daar gaat de produktie door. Daarom kan het u op een weekse dag overkomen, dat ergens in de bossen een puffend diesellocomotiefje met een dertigtal wagentjes erachter over smalspoor uw weg kruist. Er wordt dus nog steeds gegraven en er ontstaan nog altijd nieuwe putten. Eenmaal leeg worden deze echter voortaan opnieuw gevuld en dan komt er weer beplanting op. De nog jonge den, die ge aan een zijde van de zandvijver waarneemt, heeft aan dit werksysteem zijn ontstaan te danken. Hij staat thans vier jaar op de voormalige afgravingen als sprekend getuigenis van de kringloop van komen en gaan.

 

Bad "Surae"

De ontwikkeling van het huidige natuurbad "Surae" begon reeds schuchter in 1927 toen het Staatsbosbeheer gelegenheid tot baden en zwemmen in de leemputten gaf. We kennen de situatie uit de dertiger jaren met de twee gescheiden baden, hun grens van rietmatten en primitieve accommodatie. Sindsdien is er heel wat veranderd. Men maakt nu kennis met een charmant, van alle gerief voorzien natuurbad, met diepe en ondiepe bassins en altijd wakende ogen van badmeesters.

Menigeen heeft zich wellicht afgevraagd, hoe de inrichting aan haar exotische naam is gekomen. Ze werd zo genoemd naar de Bredase sportleraar Kuit, die zich veel moeite gegeven heeft de zwemgelegenheid tot ontwikkeling te brengen en die er van 1931 tot 1957 de leiding heeft gehad. "Kuit" als deel van het been luidt in het Latijn "sua" en van dit woord heeft men de Latijnse meervoudsvorm "surae" gekozen. Bij een "kuitenbad" is het niet gebleven, maar er zit in ieder geval de naam van een zwempromotor in verborgen, wat waarschijnlijk slechts aan weinigen bekend is.

 

Intieme hoekjes

Het bosgedeelte, dat aan de ene zijde wordt begrensd door "Surae" en aan een andere door de kunstmatig gevormde zandwoestijn, behoort tot de meest aantrekkelijke plekken natuurschoon, welke wij in de boswachterij ontdekten. "Berg en Dal" luidt de naam. Het terrein is er sterk geaccidenteerd. De heuvels dalen en rijzen er. Daar doorheen kronkelen zich smalle, dichtbegroeide voetpaadjes, die de wandelaar telkens voor verrassingen plaatsen, omdat er na iedere bocht wel een intiem plekje opduikt, dat onweerstaanbaar uitnodigt tot een zitje in het gras of op de dennenaalden. Al deze hoekjes liggen wel verborgen maar toch allemaal ergens in de nabijheid van een of andere brede zandweg, waar men de auto kan achterlaten. Het is heus niet nodig een eind met stoelen te sjouwen om zich van een rustige middag te verzekeren.

Een prettig oord voor dagrecreatie vindt men ook onder Seters nabij de Lange Dreef, een veelbezocht terrein met parkeergelegenheid, picknicks en toiletgebouwtje. Een overeenkomstige gelegenheid voor dagrecreanten vormt "Het Breedven", gelegen ten zuiden van de spoorlijn Tilburg - Breda en aan de zuidkant begrensd door de rijksweg Tilburg - Breda. De uitgestrekte grasvlakte is bij uitstek geschikt voor hen, die niet zonder het gejaag van het leven van alledag kunnen. Hier valt een veredeld "bermtoerisme" te beoefenen. In ieder geval ziet en hoort men - overigens op behoorlijke afstand - van hier de auto's over de rijksweg stuiven. De door ons genoemde Frederiksbossen liggen aan de oostelijke zijde van de weg, die van de Bredaseweg naar Oosterhout afbuigt. Ze zijn echter vrij eentonig.

Een uitloper van de boswachterij vormt "De Duiventoren" in de richting Dongen. Een legenden-omgeven gebied, dat in schoonheid voor de andere niet onderdoet. Het mysterie van onopgeloste historische vragen zweeft hier om de picknickplaats bij de schoongemaakte oude grachten. Misschien hebben deze eeuwen geleden het kasteel van de familie Van Duivenvoorde omsloten. Een intrigerend probleem voor vorsers in de historie...

 

Vol variatie

Als men weet, dat bij de instelling van Staatsbosbeheer in 1899 de bossen van de "boswachterij Dorst" nagenoeg geheel uit grove den bestonden, constateert men nu met genoegen wat er sindsdien ten goede werd veranderd. Er is nu een rijke variatie van niet alleen naald- maar ook loofhout aanwezig. Naast de grove den zal de kenner er aantreffen Corsicaanse en Oostenrijkse den, douglas, lariks en fijnspar en verder zowel inlandse als Amerikaanse eik, beuk, berk, els en vogelkers. Er loopt een imposante beukenlaan langs het complex der waterleiding. Er staan bomen van 80 jaar oud, ge wordt verrast met doorkijkjes door geheel overhuifde wegen, soms geasfalteerd, dan weer rul als een echte Brabantse weg uit oude tijden.

Jammer genoeg wordt dit niet door iedereen voldoende gewaardeerd. De opvoeding tot verblijf in de natuur moet bij sommigen nog beginnen. Daarom steeds weer vernielingen aan het hout en papierrommel in de bossen ofschoon er toch voldoende vuilnisbakken staan. Men vergete niet, dat men op bezoek is en gastvrijheid geniet!

En tot slot: De "boswachterij Dorst" leent zich zeer goed voor een herfst- en winterbezoek. Het loofhout mag er dan kaal staan, men kijkt er wat verder doorheen, maar de dennenbossen blijven wat ze zijn: altijd mooi en beschutting biedend tegen kou en wind.

 

PIERRE VAN BEEK