CUBRA

INHOUD PIERRE VAN BEEK
HOME 
BRABANTS
KUNST
FOTOGRAFIE
TEKSTEN
AUTEURS
AUDIO
SPECIAAL

PRINT

Pierre van Beek - Heemkunde-artikelen

 redactie: Ben van de Pol

 

Nieuwkerk 3: Bezat eens twee grenskerken

Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 10 augustus 1968

Wie een stafkaart bekijkt van het gebied van Nieuwkerk ten zuiden van de gemeente Goirle, zal constateren, dat het Belgische grondgebied hier met een verhoudingsgewijs kleine, afgeplatte punt in het Nederlandse staatsgebied naar het noorden dringt. De afplatting wordt gevormd door de weg naar Alphen. Het is juist hier, dat we weer staan bij een belangrijke historische plek van Nieuwkerk, nl. het vroegere St. Jans Gool met het zich over de Nederlandse grens op Poppels territoir bevindende St. Janskapelletje. Nu vegeteert het in vergetelheid maar er is een tijd geweest, dat hier vele bezoekers kwamen en Nieuwkerk gonsde van de stemmen van Goirlenaars en Tilburgers. De kapel is niet zo bijzonder oud. Ze werd vermoedelijk gebouwd rond 1820, maar haar historische achtergrond gaat terug tot de tijd van de Generaliteitslanden toen de katholieken van Staats Brabant belemmerd werden in de uitoefening van hun godsdienst.

 

 

In hetgeen in het verleden over de kerkelijke historie, met betrekking tot dit gebied, werd geschreven, is voornamelijk de nadruk gelegd op de Tilburgse noodkerk omdat men daarvoor over het meeste materiaal beschikte. Dom. de Jong spreekt in zijn boek "Grenskapellen" echter al van twee kerken, nl. die van St. Jans Gool en van Steenvoort. Nog latere onderzoekingen van C. Robben uit Goirle wezen uit, dat de grenskerk van St. Jans Gool de naam van "Goolse Kluis" droeg en dat zij zelfs zeven jaar ouder is geweest dan de Tilburgse grenskerk. Het is op de plaats van de "Goolse Kluis", dat men nu nog het St. Janskapelletje aantreft.

Zoals in een vorig artikel vermeld, werd de Tilburgse kerk op Steenvoort achter het "Wit Huis" in 1650 gebouwd. Bouwer van deze grenskerk was pastoor Augustinus van Dijck, Norbertijn van de abdij van Tongerloo. Kanunnik Rijcken liet de "Goolse Kluis" bouwen en schonk er ook de grond voor. Rond die jaren verrezen er op Nieuwkerk ook enige boerderijen en zo kon pastoor Van Dijck in 1663 schrijven: "Hoe zeer is deze plaats veranderd, waar eertijds wolven en serpenten gewoon waren te wonen."

 

Lieve Vrouw van de Hasselt

De Tilburgse kerk werd op 1 november 1650, Allerheiligen, op plechtige wijze in gebruik genomen, waarbij pastoor Van Dijck de solemnele H. Mis opdroeg in tegenwoordigheid van veel volk. De Hasseltse kapel speelde ook nog een rol op Steenvoort. Pastoor Van Dijck kreeg van twee Hasseltse kapelmeesters voor zijn kerk onder Poppel een voorschot van 100 gulden (16 april 1651). De broederschap van de Allerheiligste Rozenkrans en het miraculeuze beeld van onze Lieve Vrouw van de Hasseltse kapel werden naar Steenvoort overgebracht.

De toeloop van gelovigen naar Steenvoort was z groot, dat de grenskerk in 1654 moest worden uitgebreid. Toen is vermoedelijk de naam Nieuwkerk ontstaan. De kerk was goed van meubilair en paramenten voorzien dankzij vrijgevigheid van de gelovigen. Een kelk en een offerschaal van Steenvoort worden bewaard in de sacristie van het Heike te Tilburg. Een beeldengroep, de Moeder Gods, de H. Augustinus en de H. Norbertus, bevindt zich in de Goirkese kerk te Tilburg. Beschilderde ramen van Steenvoort hebben nog gediend voor de schuurkerk op het Heike te Tilburg, waar zij eerst in 1725 verwijderd werden. In de kerk van 't Goirke berust ook een in zwaar, gedreven zilver uitgevoerde monstrans in de voet waarvan gegraveerd staat: "De Tilburgse kerk in Steenvoort 1667". Al deze goederen waren door Tilburg slechts in bruikleen gegeven. Het is niet bekend of ook Goirle iets voor de installatie had bijgedragen. Wanneer dit niet het geval is geweest, behoeft dit geen bevreemding te wekken daar Goirle immers reeds zijn eigen "Goolse Kluis" had.

 

Tot 1668

De diensten op Steenvoort werden gestaakt in 1668 toen in Tilburg de eredienst weer was hersteld in twee schuurkerken respectievelijk op 't Heike en op 't Goirke. De kerk op Steenvoort werd in 1715 afgebroken door Gijsbertus Steenbergensis, graaf van Hogendorp.

Intussen had zich op St. Jans Gool reeds vroeger een bedevaart ontwikkeld ter viering van het St. Jansfeest, hetzij in de "Goolse Kluis", hetzij in een provisorisch bedevaarthuis. Die bedevaarten leidden echter tot excessen zodat de bisschop van Antwerpen Jacobus Th. J. Wellens op 10 december 1799 het celebreren van H. Diensten verbood. Het huidige St. Janskapelletje werd omstreeks 1820 gebouwd door Johan Diederik Franois graaf van Hogendorp met materiaal van de oude Goirlese grenskerk. De kerk van St. Jans Gool was in 1671 nog in gebruik en in 1720 trokken de mensen op St. Jansdag voor een jaarlijkse processie naar Nieuwkerk. Wanneer de kerk op de plaats van het huidige kapelletje werd afgebroken, is niet bekend. Vermoedelijk is dit in het begin van de vorige eeuw geschied.

 

Twintiger jaren

Het St. Janskapelleke was in de twintiger jaren een eerbiedwaardige plaats, waarbij niemand ontkwam aan de romantische bekoring, die er van uitging. Alles werkte er eigenlijk toe mee dit plekje 'n geheel bijzondere sfeer te geven. Men betrad het vanaf de weg door een brede "poort", die geheel uit grillige boomstronken was opgebouwd. Kolossale beuken, die ook het kapelletje zelf overhuifden, maakten de korte toegangslaan tot een hooggewelfde kathedraal, waarvan het karakter geaccentueerd werd door een tegen die bomen bevestigde miniatuurkruisweg. Daarachter vondt ge dan, nederig en bescheiden onder zijn rieten dak, het kapelletje als een in gebed verzonken oud vrouwtje. Rechts van het kapelletje lag nog een, weer uit opeengestapelde boomstronken gebouwde, soort Lourdesgrot, waarin - als we ons niet vergissen - ook nog wel ooit kerststalbeelden hebben gestaan.

En hoe ziet de situatie er thans uit. Het grootste gemis is wel de afwezigheid van de trotse beuken, die aan oorlog en tand des tijds ten offer zijn gevallen. Een troost betekent het te constateren, dat er nieuwe beuken en sparren werden aangeplant, maar het zal generaties duren alvorens er weer een nieuwe boskathedraal is opgetrokken. Toegangspoort en Lourdesgrot en kruisweg laten ook verstek gaan.

 

Baldadigheid

De stronken zullen wel - voor zover niet vergaan - wel in de oorlogsjaren de weg naar de kachel gevonden hebben en de kruisweg is al vr de oorlog geleidelijk door baldadigheid de weg van de vernieling gegaan. Statie na statie hebben we daar successievelijk zien verdwijnen. Dit in aanmerking nemend verbaast het eigenlijk het kapelletje nog te vinden in de staat, waarin het thans verkeert, al is ook dit niet aan de schendende handen ontkomen: een raampje met houtwerk en al uitgebroken, van het andere glas vernield, interieur dooreengesmeten en beroofd. O.a. werden er twee geschilderde, houten engeltjes gestolen. Ook het bidbankje voor het kapelletje is niet meer. Een uit de grond getrokken paal, die het eens mede droeg, vormt er het laatste spoor van. Maar verder is het kapelletje intakt - mede dankzij zijn rieten dak, dat het regenwater tenminste buiten heeft gehouden.

 

Piteit en charme

De kleuren van de oude muren zijn door de tijd nog mooier geworden. Op de daktop prijkt nog altijd het sierlijke smeedijzeren kruis en het rieten afdakje boven de met namen en data volgesneden deur verhoogt - mede door de groene varens die zich op het riet genesteld hebben - de schilderachtigheid. Boven het afdakje is tegen de voorgevel, onder het kruis, een voor het gebouwtje te zware Christusfiguur met uitgestrekte armen in een opvallende stijl, bevestigd. Vroeger heeft dit beeld, dat thans doormidden gescheurd is, enige jaren op de grond tegen het kapelletje gestaan. Het maakt een artistieke indruk maar bezit geen kunstwaarde. Het is gewoon een cementen afgietsel van een beeltenis, ergens in Bretagne (Frankrijk). Het werd waarschijnlijk vervaardigd door de reeds eerder door ons vermelde "rotsenmaker" uit Oude God bij Antwerpen. Alles bijeen vormt ook nu nog dit kapelletje een reliek, dat een weldadig aandoende piteit en charme uitstraalt, omdat het voor vele geslachten gestalte heeft gegeven aan de herinnering aan moeilijke tijden.

Dom. de Jong en ook Janson maken melding van een St. Jansbeeldje uit de noodkerk, dat "thans" (1963) volgens eerstgenoemde nog in de kapel staat. Wij herinneren ons dit beeldje niet. In ieder geval is het sinds jaren niet meer aanwezig. We hebben ook niemand kunnen vinden, die te vertellen wist waar het gebleven zou zijn.

 

Gedenknaald

Het huidige Nieuwkerk bezit ng een monument, dat de aandacht trekt. Het is een hardstenen gedenknaald in het bouwland recht tegenover de toegang tot het kapelletje. Het vormt een herinnering aan de redding van De Meester de Betzenbroeck uit de handen van de Duitsers op 13 maart 1916. Op het monumentje staat de naam van de maand in het Frans vermeld.

Bij de inval van de Duitsers in Belgi in 1914 was de naar Nederland uitgeweken eigenaar van Nieuwkerk door de Duitsers vogelvrij verklaard wegens het verschaffen van overtocht naar Engeland aan Belgische jongemannen. Op zijn hoofd stond een losprijs. Enige Duitsers, tuk op die beloning, grepen De Meester de Betzenbroeck op Nederlands grondgebied en probeerden hem over de grens te slepen. Soldaten van de Nederlandse grenswacht bevrijdden De Meester echter. Zijn redders waren de Landweerlieden Hubertus Backx, Baptist van Roessel, Noud Priems en Baptist van Gestel, allen uit Goirle, met als hun leider Willem Grimelius, wachtmeester van de in de Tilburgse kazerne aan de Bredaseweg gelegerde huzaren. Ter herinnering aan deze "narrow escape" heeft De Meester de Betzenbroeck later de gedenknaald laten oprichten. Vele jaren droeg zij op haar top een leeuwtje. Vandalen hebben dit echter meer dan eens vernield totdat er niets van is overgebleven.

 

Klooster

De weg naar Alphen verder vervolgend komt men aan het door De Meester gebouwde klooster met kapel, waarin tientallen jaren de paters missionarissen van de H. Familie gevestigd zijn geweest. Klooster en kapel werden op 1 juni 1913 plechtig ingewijd, waarbij Dom Albert de Meester, Benedictijn te Leuven, broer van de eigenaar van Nieuwkerk, de eerste H. Mis opdroeg. Het klooster stond aanvankelijk in een kale vlakte, maar door aanplantingen heeft het in de loop der jaren een riante omgeving gekregen.

Een aantal jaren na de tweede wereldoorlog is het klooster, na vertrek der paters, eigendom geworden van de Trappisten te Tilburg en was er het Instituut "Pro Africa" in gevestigd, dat de bedoeling had inheemse leiders voor Afrika te kweken. Rond 1965 is het klooster overgegaan in handen van de Zusters Franciscanessen van Etten. In de zomermaanden dient het nu als vakantiehuis voor zusters en verder wordt het gebruikt voor verdiepingsdagen voor scholen, jeugdgroepen en bepaalde instellingen.

 

Engels landhuis

Op Belgisch Nieuwkerk heeft De Meester de Betzenbroeck al vr 1914 een fraai landhuis in Engelse cottagestijl laten bouwen. Het ontwerp hiervoor was in een prijsvraag met een eerste prijs bekroond. De bouwer heeft het zelf enige tijd bewoond. Later is het o.a. ook nog bewoond geweest door de Tilburgse familie Gimbrre, die het huurde. In een tegeltableau in de voorgevel getuigen de woorden: "Mijn lust en leven" nu nog van de liefde, die de bouwer voor Nieuwkerk koesterde en hoe hij zich hier thuis voelde.

Aan de villa is de tijd niet zonder sporen voorbijgegaan. In de eerste wereldoorlog hebben er Pruisische en Beierse patrouilles, o.a. Uhlanen, die de villa bezet hielden, reeds geducht huisgehouden. Kostbare meubels werden vernield en in de haard opgestookt of weggevoerd. Alle koperwerk, loden en zinken onder- en bovengrondse buizen geroofd. Kortom, het eens zo mooie landhuis bleek einde 1918 tot een rune herschapen. Slechts met veel kosten en moeite kon de eigenaar weer enige orde in de chaos brengen. Na de tweede wereldoorlog kwam de villa opnieuw erg gehavend uit de strijd.

Bij de villa bevindt zich een grote vijver, die vroeger veel vis bevatte en waarover zich destijds een sierlijke brug welfde. De laatste jaren zijn er door de huidige eigenaar enige pogingen ondernomen er opnieuw vis uit te zetten, o.a. karpers en rode goudvissen. Het blijkt echter niet meer te lukken. Alle vissen sterven een ontijdige dood, vermoedelijk doordat 't water vergiftigd is door aanvoer uit sloten van landerijen, waar schadelijke chemische stoffen gebruikt worden. Op de vijver dreef vroeger ook een merkwaardig bootje, nl. een soort bank op twee houten drijvers. De Meester had het uit Duitsland meegebracht en het vormde een herinnering aan zijn studententijd in Bonn. In de eerste wereldoorlog brachten Duitsers het tot zinken. Wij hebben het vaartuigje echter nog later gezien toen het was opgevist en door de timmerman "Jaon" Puyenbroek uit Goirle weer was gefatsoeneerd. De cementen rustbank met leuning, die weleer bij de ingang van de "doolhof" lag, is nog in ongeschonden staat aanwezig. Groenbemost droomt zij er bij de vijver van vroegere tijden, als een Doorneroosje verborgen in een bos met metershoge rododendrons, die het voetpad hier en daar tot tunnels maken.

Een tweede landhuis van veel jongere datum dan de villa, dat eens de naam "Les Abeilles" (De Bijen) droeg, vlak nabij de voormalige "doolhof", heeft de tweede wereldoorlog maar kwalijk doorstaan.

 

"Bostempel"

Tot slot willen we nog iets van Nieuwkerk in herinnering roepen dat we nu gemist hebben. Ten zuiden van het St. Janskapelletje bevond zich in de twintiger jaren een uniek, weinig bezocht plekje. Een met gras begroeid weggetje voerde naar een complex machtige beuken midden in een dennenbos. De grote bomen stonden z dicht bijeen, dat ze met hun kronen in elkaar grepen en zo een koepel vormden, waar de zon niet kon doordringen, zodat er altijd schemering heerste als in een Romaanse kerk, waar het licht maar schaars door de gekleurde ramen binnenzeeft. Een groen mostapijt bedekte de bodem. Tegen een der bomen van deze "bostempel" hing een houten kruisbeeld met een bidbankje aan de voet. Het was toen reeds een oud, onooglijk beeld. Honderden kleine gaatjes hadden de Christusfiguur deerlijk misvormd, want de houtworm had zijn werk reeds ver gedaan. Een afdakje van boomschors was al lang niet meer in staat het crucifix tegen het weer te beschermen. Het leek toen reeds te wachten op een hevige windstoot om van zijn doorgeroeste spijker te vallen en tot stof ineen te storten. Op een klein bordje onder het kruis viel met moeite een Frans opschrift te ontcijferen, waarvan al enige letters waren uitgewist. Het luidde: "La croix est mon soutien" (Het kruis is mijn steun). Getuige deze woorden vormde het kruis geen herinnering aan een of andere tragische gebeurtenis, maar leek het meer een devotie-uiting van de toenmalige eigenaar van Nieuwkerk.

Deze plaats, waaraan de herinnering nooit is uitgewist - we weten zelfs nog zeker, dat op n der bomen de naam "Hoffmann" stond gesneden en dat er in de mobilisatiejaren een Duitse pater van die naam in het Nieuwkerkse klooster verbleef - is sinds jaren in bouwland veranderd. De mensen van Nieuwkerk noemen dit stuk grond echter nog altijd "Het Kruis". Toekomstige speurders naar akkernamen behoeven dus niet ver naar de herkomst van deze naam te zoeken.

 

 

Dit was dan onze pelgrimage naar Nieuwkerk, een tocht door heden en verleden. Er is hier en daar wel wat veranderd, maar er wordt toch nog steeds een oude traditie voortgezet in die zin, dat de bosbouw er serieus voortgaat. Wanneer we 20 jaar verder zijn, zullen de resultaten daarvan wel voor zichzelf spreken.

Als we bij Nieuwkerk uitvoeriger hebben stilgestaan dan gebruikelijk, geschiedde dit, omdat de streek historisch zo bijzonder interessant is, maar zeker niet minder om onszelf te bevrijden van 'n ereschuld voor de vele schoonheidsontroering en levensvreugd, die we eens op Nieuwkerk hebben genoten. Hoewel een groot deel van Nieuwkerk tot afgesloten terrein behoort, vallen enige zaken, waarbij we hier stilstonden, vanaf de openbare weg waar te nemen.

 

(slot)

 

PIERRE VAN BEEK