CUBRA

INHOUD PIERRE VAN BEEK
HOME 
BRABANTS
KUNST
FOTOGRAFIE
TEKSTEN
AUTEURS
AUDIO
SPECIAAL

PRINT

Pierre van Beek - Pietje Wijsneus - columns

 redactie: Ben van de Pol

 

Pietje Wijsneus - Memoires van een vroeg-rijpen baby (10)

Nieuwe Tilburgse Courant - maandag 13 januari 1947

 

Zag ik er niet tegen op reeds lang vr etensuur een keel op te zetten, van huilen tijdens de nachtelijke uren had ik reeds spoedig afgezien omdat bleek, dat ik hiermede geen harten kon vermurwen en al mijn inspanningen niet het minste resultaat opleverden. Inmiddels hadden ook de eerste geneugten hun intrede in mijn nog kleine leven gedaan. Hiertoe behoorde op de eerste plaats mijn vechten met de dekentjes van mijn wieg. In het wegstampen hiervan verwierf ik mij in een opvallend korte tijd een ongekende vaardigheid, waarvan ik te meer plezier beleefde, omdat mams mij - door me telkens weer opnieuw toe te dekken - ook steeds weer opnieuw in de gelegenheid stelde mijn kunsten te herhalen.

Het baden boezemde mij de eerste maal, dat ik dit bewust onderging, een onbeschrijflijke afkeer in. Nog voel ik de huiveringen over mijn rug lopen, wanneer ik mij herinner met welk een angst ik die oceaan van water beneden me zag spiegelen alvorens mijn vlees er in werd ondergedompeld. Niet zodra echter voelde ik mij door een milde, lauwe warmte omspoeld of er toog een gevoel van hemelse zaligheid door mijn body, die body welke paps aan een "gevild konijntje" deed denken, zoals hij zich meermalen zeer oneerbiedig over mijn verschijningsvorm uitliet. Sinds ik de smaak van baden te pakken had, zou ik iedere morgen wel zelf naar mijn geelgelakte vijver hebben willen snellen, indien mijn nog totale onbekendheid met de kunst van het lopen me dit niet belet had.

De beledigende uitlatingen van paps heb ik in de komende maanden betaald gezet door te groeien als kool, waardoor mijn vormen immer ronder en molliger werden, zodat er voor associatie met gevilde konijntjes geen redelijke plaats meer bleef. Dit streven vormde ook de verklaring voor de gulzigheid en graagte, waarmede ik telkenmale mijn fles wist leeg te schrokken. Mama heeft deze oorzaak echter nooit gekend; zij constateerde alleen het feit van het schrokken en verheugde zich daarover in hoge mate. Ze zag daarin niet alleen een bewijs voor mijn grootse toekomstplannen, maar vond het daarenboven nog erg gemakkelijk ook...

Onnodig te zeggen, dat mams bij de vele gelegenheden, dat zij mij onderhanden kreeg, heel wat kritische blikken over me liet glijden. Bepaald deed het haar leed, dat mijn rechteroortje, hetgeen stond aan de kant waarop ik meestal sliep, vaak dubbel gevouwen zat tengevolge van de nonchalance, waarmede ik met mijn hoofdje in het kussen manoeuvreerde. Hierdoor vertoonde dit oortje hardnekkige neigingen niet congruent te blijven aan zijn collegaatje aan de linkerflank. Dit was zo een van die kleine trubbelingen, waarover thans, nu het bewezen is dat dit oor alle martelingen glansrijk doorstaan heeft en de natuur zich geen geweld heeft laten aandoen, iedereen hartelijk lacht, doch waarover destijds hele bomen werden opgezet.

Een dankbaar object voor discussie vormde ook het probleem of ik nu eigenlijk zag of niet zag. Oma was van oordeel, dat ik "echt verstandig" keek en verhalen, dat babies beneden de zes weken niet zien, vonden bij haar een zeer ongunstig onthaal. Waarheid was, dat ik wl op licht en donker reageerde, hetgeen proefondervindelijk, door het openen en sluiten van de gordijnen, waarop ik de eerste dagen met openen en sluiten der ogen antwoordde, was vastgesteld, doch dat ik eigenlijk niet zag. Wanneer ik dan ook al in de aanvang van mijn memoires verhaalde het uur van mijn geboorte op het wekkerklokje gezien te hebben, dan moet bepaald mijn onderbewustzijn mij dit feit hebben doen registreren. Aangezien ik in die dagen reeds behept was met de zo echt menselijke ondeugd van mr te willen schijnen dan eigenlijk te zijn, heb ik hen, die zich gaarne wijsmaakten, dat mijn ogen werkelijk zagen, maar in die zoete illusie gelaten...

 

PIETJE WIJSNEUS