CUBRA

INHOUD PIERRE VAN BEEK
HOME 
BRABANTS
AUTEURS

PRINT

Pierre van Beek - Typisch Tilburgs

 redactie: Ben van de Pol

 

Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 19 januari 1957

 

 

Typisch Tilburgs en Tilburgse typen 3

 

Ouden van dagen vertellen van vroeger

 

 

Voor iemand die ervan houdt jeugdverhalen door ouden van dagen te horen vertellen, is het interessant zo'n praetvaer aan het woord te krijgen. Dat is gelukt en volgenderwijs noteerde ik wat hij zei.

Op den Heuvel had men vroeger nog een korenbeurs waar Devenijns nu woont. Nu is de officiële benaming Looiersbeurs, aan de overkant waar Remmers woont. De namen zeggen het hunne ervan. De Pastorij was vroeger de marechausseekazerne. Daarnaast de kerk, waar ik door een zekere Kuyten het kruis nog op heb zien zetten. Die was niet bang en hij had geen last van duizeligheid al stonden er heel veel te kijken toen hij bezig was. Waar nu de "Industrie" is, was vroeger een grote boerenherberg. Daar was het gilde thuis. Ook was er de brouwerij van Van Roessel en achter het huis werd jaarmarkt gehouden waar meestal oude paarden verhandeld werden. Nu we toch op den Heuvel zijn, wat hebben we daar veel genoeglijke uren doorgebracht onder de lindeboom, waar toen al zitbanken stonden. Zo 's avonds daar te zitten als de Harmonie speelde, die toen bij Hofland en later nog bij Geelen thuis was, waar nu Remmers woont.

 

De molen draaien

En dan de kermistijd. Daar heb ik nog ooit als kind de mallemolen mee helpen draaien. Dat was er een, waar onder spaken (speken) zaten, waar de jongens tussen moesten lopen om hem op gang te brengen. Had hij naar 't oordeel van de spullebaas lang genoeg gedraaid, dan commandeerde de baas: "opzitten!" Dat was het sein waarop de jongens er op mochten springen en meedraaien tot hij stilstond. Heb je ook wel eens de dikke dame gezien en de vuurvreter? En dan die "hardlopers", waar ge als kind een onbestemde angst voor had. Dat drentelen tussen al die kramen en tentjes had 'n bekoring, die niet onder woorden te brengen is.

Al voortgaand kwam je in de Heuvelstraat. Bij de fabrikant Goyarts stond daar een hoge fabrieksschoorsteen, die lelijk uit het lood hing, zodat men er "schaand" van sprak. Toen was er een metselaar, Bartje Heeren, die aannam hem recht te zetten. Hij plaatste er een stelling rond en op zekere hoogte zaagde hij met een klompenmakerszaag er in. Toen sloeg hij er spiehout tussen en hij begon terug te hellen, totdat hij weer te lood stond. Daarna werd hij goed voorzien en bijgestopt. Naast de poort woonden de heren De Greef, nogal bejaarde bakkers. En daarop volgde de eerste fotograaf, een Duitser, die grof geld verdiende. Adrianus van Beurden heeft er zijn eerste opleiding genoten. Dan volgde de groente- en fruitwinkel van Van der Linden. Dan kwam een ellegoedwinkel van Bergmans, waar toen "Het Schaap" uithing. Want vroeger waren er heel wat huizen aan hun uithangbord kenbaar. Daarop volgde, waar nu juwelier Willems is, het huis van de burgemeester van Tilburg. Dan kwam nog Jantje Kersten.

Op deze wijze ging de verteller voort. Hoe meer hij sprak, des te meer wilde hij praten, want zijn herinnering bracht telkens weer iets anders op 't tapijt.

 

Brandkuilen

We zullen in gedachten ook eens naar 't Ven of Piusplein gaan. Daar waren twee grote brandkuilen. De een was eigenlijk voor het spoelen van wol bestemd voor de fabrieken. Maar ook de hoedenfabrikant Maantje Thys kwam er geregeld met de hoge hoed op. Als hoedenmaker en blauwverver kwam ook hij zijn wol daar spoelen. Op de ene kuil dreven twee vlotten, waarop twee bakken met gaatjes bevestigd waren. Daar werd de wol in gedaan en dan schommelde men de bakken op en neer in het water terwijl ondertussen nog met een rijf (hark) de inhoud flink door elkaar gehaald werd om de wol zo zuiver mogelijk te krijgen.

De andere kuil was voor de brandspuit als er brand kwam. En dit gebeurde in die dagen om de haverklap. Avond op avond was er hier of daar de rode haan te zien en de mensen gingen als regel voor het naar bed gaan even buiten naar alle kanten kijken of er geen brand was. Zo'n brandje gaf soms heel wat consternatie. Vooral in de zomer als de brandkuilen droog stonden of zo goed als leeg. Men kon dan niets anders doen dan laten branden wat brandde. Toen in later jaren het assurantiewezen toenam, is er een periode geweest, dat de Tilburgse fabrikanten vaak hogere premies moesten betalen dan anderen: het brandde te vaak.

 

Waker op de toren

Later heeft men op de Heikese toren een nachtwaker, ik geloof dat hij Van Opstal heette, aangesteld, die 's nachts met een horensignaal het sein gaf, dat er voor de brandgasten werk aan de winkel was. Alle vaste mensen, die bij de spuit behoorden, moesten dan met een armband om en de leren wateremmers opkomen. Zolang de schutterij bestond, moesten ook de schutters present zijn. Dan werd appèl gehouden en de namen afgeroepen. Wie mankeerde, moest boete betalen of werd gestraft.

De schoonste brand, die ik heb meegemaakt, was wel die van de Heikese toren. De vrijdagse markt was helder verlicht, maar dat het een moeilijk karwei was valt te begrijpen. Dit werk was zo gevaarlijk, omdat men met die oude brandspuiten vroeger nog niet tot boven het kerkdak kon komen, terwijl de grote bol in vlammen stond. Alles moest dus met de leren emmers naar boven aangereikt worden. Begrijpelijk liepen er velen een nat pak mee op. Maar alle eer voor zijn moed aan J. Donders, de timmerman, de vader van de architect Jos Donders en de timmerman Toon. Hij heeft zowat gedurende de hele brand als het ware aan de bol van de toren gehangen om toch maar te kunnen blussen.