CUBRA

INHOUD PIERRE VAN BEEK
HOME 
BRABANTS
AUTEURS

PRINT

Pierre van Beek - Typisch Tilburgs

 redactie: Ben van de Pol

 

Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 28 maart 1958

 

 

Typisch Tilburgs en Tilburgse typen 13

 

Spreekwijzen in dialect

 

 

"Ge moet gin spek in 'n hondsnest zuuken" zeiden we vorige maal. "Dè zeej onzen blaauwen ook dikkels" was 't antwoord en daarmee bleek, dat 'k in de roos geschoten had. Want "onzen blaauwen" is een vaststaand begrip voor iemand, die rood haar heeft zowel te Goirle als in Tilburg. Bij dit verklaren kwam als wederwoord: "Da's nie gep.... en toch nat" zou ons grôotmoeder zeggen. De bedoeling is, dat 't iets zeer bijzonders was.

Bij de rijmende uitdrukkingen voegde men: "Geld breekt geweld", waarop gerepliceerd werd met: "Heb je geld, dan doe je wonderen. - Heb je 't niet, dan is het donderen."

Men gaf door: "De beste koeien worden op stal verkocht" in de betekenis van: de degelijkste meisjes vinden haar man niet op straat of in de balzaal. Als pendant kwam hierop: "'t Is goed, als ge de schoorsteen kunt zien roken." 't Werd een jongeman toegevoegd, die een meisje uit eigen dorp (of streek) gekozen had. In min of meer afkeurende zin werd er aan toegevoegd: "Wijd is rijk", met de verklarende betekenis ervan, dat men zo weinig of geheel niets kent van iemand en zijn verwanten, die veraf wonen. De spraakmakende gemeente komt met hen niet in aanraking en kan niets van nabij beoordelen.

Als iemand er z'n gemak van neemt en zich goed laat doen (eten, drinken, enz) zegt men naderhand: "Hij ging fijn met de voeten op de stoof zitten."

Heeft men iemand beledigd of toornig gemaakt, dan wordt gezegd: "Toen was 't tegen 't kwaai been" ("kaoi"), d.i. toen werd hij kwaad; door daad of woord werd de ander beledigd en ontstond vijandschap.

Hij voelde zich in die functie zeer op z'n gemak "als 'n luis op 'n zeer hoofd."

"Een koeientand en een vrouwenhand mogen nooit stil staan", wordt gezegd om aan te duiden, dat vrouwen en meisjes steeds in 't huishouden bezig behoren te zijn.

"Hij hangt me de keel in den haak" betekent: Hij verdient zijn kost niet; hij weet niet, hoe het hoofd boven water te houden; hij weet niet van wat hout pijlen te maken.

"Ja, toen zat de kat in de gordijnen" - toen ontstonden moeilijkheden; er kwam meningsverschil.

 

Volksgezegden

Op de enkele uitdrukkingen, die wij uit onze verzameling afdrukten, ontvingen we er nog de volgende bij, die de in de loop der jaren uit Tilburgse monden genoteerde completeren.

"Trouwen breekt de huur." Dit houdt verband met de goede gewoonte, die in onze streek nog op de landbouwdorpen bestaat, om de dienstbode en de inwonende boerenknecht voor een vol jaar te huren in mei. Ook het inhuren geschiedt voor een vol jaar. Alleen als er een huwelijk tussen komt, wordt de termijn met wederzijds goedvinden verbroken.

"Dat gaapt als een oven", zei de boerin. Daarmee bedoelende: dat spreekt vanzelf.

"Een tong als een klapspaan" (Lazarusklep) zegt men van een zegvrije of brutale vrouw.

"Blut zijn" of "rut zijn" wil zeggen, dat men al spelende alles verloren heeft.

"Iemand een watjekou geven" betekent een opstopper verkopen. - "What you call".

"Wouw ligt een uur achter Roosendaal", als antwoord op 't gezegde: "Ik wou..."

't Dorp Haaren werd in 1957 door een grote windhoos verrast, waarbij enkele kippenhokken het moesten ontgelden, terwijl tientallen bomen werden ontworteld. Toen sprak men van een "haauwmaaw". Als 's zomers 't hooi in oppers staat en de wind schiet er onder, dan komt dat door een "haauwmaaw", even goed als vroeger in 't najaar als 't Bosse Veld blank stond en het water werd de lucht ingecirkeld.

Vroeger ging men om "'n tennebruukske" klaore en "'n maotje braandewèn". Toen zei men van iemand, die veel alkohol dronk, dat het "een snevelneus" of "een rooie neus" was, ook wel "jeneverneus".

Iemand, die praat, dat 't nergens op lijkt, is een "saauwelèr". Van die dialectische uitdrukkingen zijn er vele. Vroeg naar bed gaan, is "mee de kiepen nor bed". "Dè meugde nie" is: dat mag niet. "Hedde naauw ôot zo gezien" bezigt men bij tegenspraak, zogoed als: "lopt naor de maon", hoepelt op!

Draagt een meisje of vrouw een onderjurk, die onder de bovenrok uitkomt, dan heet het: "'t Lof ies langer as de lèste mis".

Een "kakmadamme" is een opschepster, terwijl men van 'n meisje of vrouw, die een trotse houding heeft en heel voorzichtig loopt, zegt: "hemmeke rokt m'n gatje nie". Dat zal wel een "semmeltrien" zijn, heet het dan. Wil men zeggen: schiet toch een beetje op!, of treuzel zo niet, dan klinkt het: "semmeltrien!".

"Wè stobbert het toch!" hoort men zeggen, als er veel stof waait. Of "Stobber zônie!" of: "'t Stobbert zô". (Dat hoort er bij).

Wat "'t huske" of "de beste kamer" is, weet ge. En "mitje stêke", een spelletje om centen, was vroeger bij politieverordening verboden.

"Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt geen gulden", zegt de volksmond. En uit boerentaal herinner ik me "Grond vervliegt niet" om uit te drukken, dat men beter een stuk land kan hebben, dan geldswaardige papieren, die aan schommelingen onderhevig zijn.

Een oud spreekwoord zegt: "Schoon op het straatje maar niet op het baadje". Iets zal er wel van waar geweest zijn, anders was de volksmond er niet vol van geweest.

"Herbergpilaar te zijn is 'n lelijk ding", klinkt het van een drinker.

"Vruuger ging ze schuppen, nou is 't 'n kakmadam." Hierbij duidt het "schuppen" of schoppen op de vroegere gewoonte van bedelvrouwen om op bepaalde dagen bij bepaalde huizen te bedelen en dan ter aankondiging met de klompen tegen de deur te schoppen. Zij was dus van bedelkomaf.

Hij leg te "rillebillen" van de kou.

Ouderen zeggen nog wel ooit: "'t Is een echte sjappietouwer" (of sjanfoeter), waarmee ze een straatslijper bedoelen, waarvan iedereen last heeft; een gemene kerel, 'n doordraaier, 'n lanterfanter, 'n lichtmis, 'n rinkelrooier, 'n sjappie. (In dit verband zij gezegd, dat we bij Pieter v. d. Meer de Walcheren in "Mensen en God" lazen waar hij het voze parlementarisme van Frankrijk terloops aanroert: "Je weet beter dan ik, wat we van dat imbeciele stelletje "jeanfoutres", die als parlementariërs het land zogenaamd regeren, moeten denken." Hier komt dat woord dus tot zijn afleiding).

 

Folkloristisch allerlei

Toen we in 'n vroegere bijdrage de oude "Hasseltse litanie" opnieuw ten tonele voerden, verwachtten we niet, dat er nog reacties op komen zouden, want er zijn meerdere "teksten" van al naar buurt wáár en tijd tóen ze gezongen werd. Doch men vroeg opheldering over het volgende.

(Briefschrijver zal me niet kwalijk nemen te veronderstellen, dat hij van origine niet-Tilburger is, want anders wist hij toch zeker, wat 'n Kèr is!)

'n Kèr. Nou zeg, wie kende vruuger gin boerekèr! Zeg dan maar "kar" of wagen. Hoewel lang niet iedere wagen 'n Tilburgse kèr is. Zeg dat eens tegen "'n slee-van-'n-wagen." Want ook deze begripsaanduiding voor een luxueuse auto zal tezijnertijd nadere toelichting eisen, als op dit gebied - en wie weet, hoe spoedig! - ingrijpende veranderingen plaats vinden.

'n Boerekèr naast 'n tractor; 'n vlaams werkpaard tegen 'n paardekrachten tellende landbouwmachine. Ga zo maar door met historische vergelijkingen.

'n Maaste spèr is een rechte tak Van een masteboom, dienende voor berrie.

Met 'n mölkschep schepte men melk uit de karnton, staande bij de karnmolen, waarin een karnhond al maar voortliep, eindeloos met hetzelfde uitzicht, totdat de boter boven klonterde.

'n Trog was de langwerpige houten bak, waarin naast de bakker ook de boer ijverig hun roggebrood en mik bakten. Al te hygiënisch kon het niet heten, als de boer zowel als de bakker met blote voeten de deeg al trappende bereidden.