INHOUD WILHELMUS
HOME
INHOUD VAN DOORN
AUTEURS
TEKSTEN
KUNST
FOTOGRAFIE
BRABANTS
AUDIO
SPECIAAL

Print Pagina

Het Wilhelmus

Analyse van de inhoud, de structuur en de boodschap

Dr. Theo H. van Doorn

De tekst: strofe X tot en met XV

X
Niet doet my meer erbarmen *
In mijnen wederspoet /*
Dan datmen siet verarmen
Des Conincks Landen goet /
Dat u de Spaengiaerts crencken
O Edel Neerlandt soet /
Als ick daer aen ghedencke
Mijn Edel hert dat bloet.

* Niet = niets

* Na de invoering van de tiende penning, veranderde het klimaat in de Nederlanden

Strofe 10
Uit de geschriften van Oranje en uit de weinige gesprekken die opgetekend zijn (Oranje is niet voor niets bijgenaamd de Zwijger), is wat in deze 10de strofe staat de kern van zijn politieke overtuiging. Hij kent de wereld van de Bourgondiers: verarmen is voor hem een gruwel.

XI
Als een Prins opgheseten *
Met mijner Heyres cracht / *
Vanden Tyran vermeten *
Heb ick den Slach verwacht,
Die by Maestricht begrauen
Bevreesde mijn ghewelt /
Mijn Ruyters sachmen draven
Seer moedich door dat Velt.

* opgheseten = te paard gezeten

* Heyres cracht = de kracht van mijn leger

* Vanden Tyran vermeten = de slechte tyran (Alva)

Deze zin betekent: Ik heb de slag verwacht van de slechte tiran, die zich met zijn leger bij Maastricht had ingegraven, en bang was voor mijn geweld, mijn militaire macht.

XII
Soo het den wil des Heeren
Op die tijt had gheweest /
Had ick gheern willen keeren
Van u dit swaer tempeest: *
Maer de Heer van hier bouen
Die alle dinck regeert /
Diemen altijt moet loven
En heeftet niet begheert.

* tempeest = ramp, kwelling

Strofe 11 en 12 zinspelen op het volgende historische feit: in de nacht van 5 op 6 oktober 1568 trok Oranje tussen Stockem en Maaseyck met zijn leger de Maas over. Alva trok zich met zijn leger telkens terug. Hij speculeerde op het geldgebrek van Oranje. Hoe langer Oranje zijn leger op de been moest houden, des te langer moest hij soldij betalen. Alva vermoedde dat het dan vanzelf wel spaak zou lopen zonder verlies van zijn soldaten.

XIII
Seer Prinslick was ghedreuen *
Mijn Princelick ghemoet / *
Stantuastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet / *
Den Heer heb ick ghebeden
Van mijnes herten gront, *
Dat hy mijn saeck wil reden / *
Mijn onschult doen bekant. *

 

* Let u op de herhaling van Prinslick, in de latere drukken van het Wilhelmus en ook in de officiŽle, staat er in de eerste regel van deze strofe i.p.v. Prinslick Christelijk. Maar herhaling van Prinslick is heel zinvol.

* hert= hart

* Van mijnes herten gront = uit de grond van mijn hart

* reden = bepleiten; saeck: ook in juridische zin

* doen bekant = bekend maken, ook weer in juridische zin

XIV
Oorlof mijn arme Schapen *
Die zijt in grooten noot /
V herder sal niet slapen
Al zijt ghy nv verstroyt:
Tot Godt wilt v begheven /
Sijn heylsaem Woort neemt aen /
Als vrome Christen leven /
Tsal hier haest zijn ghedaen. *

* Oorlof = vaarwel; het houdt geen reŽel afscheid in, het woord heeft uitsluitend stilistische waarde. De dichter-rederijker zegt tot zijn gehoor met oorlof: we naderen het einde van het gedicht of van de rede.

* In het Wilhelmus is een christen aan het woord die een sterk besef heeft van het burgerschap in twee vaderlanden het aardse en het hemelse vaderland.

XV
Voor Godt wil ick belijden
End zijner grooter Macht /
Dat ick tot gheenen tijden *
Den Coninck heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere *
Der Hoochster Majesteyt /
Heb moeten obedieren /*
Inder gherechticheyt. *

 

* tot gheenen tijden = nooit

* DAN = MAAR

* obedieren = gehoorzamen

* Inder gherechtigheyt: volgens de rechtvaardigheid gezien vanuit goddelijk perspectief; rechtvaardig niet volgens ons mensen maar volgens God, tevens gezien vanuit de uitersten, het laatste oordeel met andere woorden in der gerechtigheid heeft een chiliastisch betekenis aspect.