INHOUD HET IS ALTIJD VANDAAG
INHOUD WILLEM IVEN
HOME
SPECIAAL
AUTEURS
TEKSTEN
BRABANTS
KUNST
FOTOGRAFIE
AUDIO

Print Pagina

 

 

 

Aas


Zateregsavonds moeste ge vruger bij ons thuis de keuken en huiskamer uitblieven, want ge kont dan een lel van ons vader krijgen. Die was in die twee ruimtens bezig um zeen visspullen klaar en visvaardig te maken. Mi de keukendeur open, want n enkelde kamer is voor een visroei te kort. Een visroei daar hoorde toen - jaren vijftig praten we nou over - toch zeker een keuken bij. Ge liept dan ook de kans in de nylon snoeren verward te raken want t was de bedoeling de vissen flink te verneuken. De vissen mochten namelijk niet weten dat er op ze gevist wier, dus mochten ze de visdraad nie zien en mensen hebben net zon soort ogen als vissen, dus ook vur ons waren ze haast nie te zien, die dreuj. En aan de meeste zat nog nen angel ook nog. Die konde in uw vel krijgen. Dus ge had kans op een haakske in w vel, en veulkans van svader een lel, want dat visroei-kerwei was heel moeilijk en ons vader was nauwgezet en brandbaar en ie stond dalijk in de fik, en jouw orren dan ok. En niet naar de plee kennen ook nog niet, want ge moest dan door de keuken. As het roeiwerk ent gepiel mee die leengd gedaan waren, dan deed ie de visgeerden in een hoes stevig vast aan de fiets die tegen den dresswaar in de kamer stond. En dan begon het gedegger van het aas maken. Aas dat was een knedelijk stopverfachtig spul, taai genoeg om aan zon angeltje te knaaien. De vis zou daarheen gelokt worren omdat het heel lekker dee ruiken, zelfs nder water en als ie erge honger had zou die vis in-ins hap dat aasbolleke mt angel ophappen en weer wegzwemmen, tenminste dat zou die willen, maar da ging nie, want het zou blijken dat ie ondertussen was gevangen. Aas maken, daar moete niet licht over denken. Das een moellijk en kunstig werk. Ge moet daarvoor verstand hebben van vissen, hun smaak-, tast-, reuk- en kiekvermogen kennen n ge moet weten hoe ge voedsel moet klaarmaken en welke lokstoffen te gebruiken zijn, gelet op de plantengroei, de insekten, welke vogelmesten en dus waterkwaliteit en alles in het milieu waar ge zult gaan vissen. Nou, verstand, kennis, logische denkwijzen, improviseervermogen en vaardigheid had ons vader zat in huis, ziet allenig mar ns naar meen bruur en meen. Het vis-aas maken had bizunderlijk meen bruurke zeen belangstelling. Da komt, denk ik , dat aas veur vissen zon verduveld lekker speul is, zo lekker det eigelijk hartstikkende zund waar um dien aas allenig maar vur vissen te maken. Kiekt mar ns wa tie er allemol in dee. Erpels die van gisteren en vendaag over waren - die waren nie jover, ons moeder ha ter allenig op gerekend d zer sotteregs (s zaterdags) wa mijer in de erpelpan moest schellen vanwegens t aas maken savends dee tie samen mee n deel vorse witte mik als basis mi een klad rommen - des tegensworig melk, en gij geleuft d? deur mekaar deggeren mee ne stevige verket. Dan kwam er nog van alles bij. Rooi bietjes of allenig t sap daaraf. T ging toch maar um de kleur, dat de vissen t zou opvallen en zouen denken Hee, was da? Zon rooi-bietjes-kleur die zien we hier onder water nie veul, ns efkes gaan kieken. Nou, dan waren ze teminste al gekommen. Da lukte volgens ons vader ok mi rooie kool. Dan kwam er om te lokken als de rooi bietjes- of rooie kool-truuk misschien nie zou lukken nog anijssap of wa janders geurderigs bij, fanielje bevobbeld of n paar spruitjs. 
Ons vader viet den aas die tie intvurren mee de verket op een diep soepbord in mekaar had gedaan in zeen handen en gong die tot stopverf knaaien. D rook altijd lekker degge r honger af deedt kriegen en als ge dat tegen ons vader zoudt zeggen da t lekker rook en er ook apentijtelijk eruit zag, dan glunderde ie, want dan ha tie goeien aas gemaakt. Smergens ging ie vruug eweg, t waar dan nog nie licht. Inne van ons vijven magde mee. Dieje keer waar ik t nou over heb, wast onze Joep zeen beurt, die ha zaterdegsavends ook maggen helpen meet visroeigebeuren en mi in de kelder en zo dinger zuuken en vatten vur den aas. De fiets ging naar buiten, visroei zat er al aan, het kofferke mee de op klein plenkskes opgerolde leengd, angelkes en haakskes, peillood en reservedingen in een stevig plat kistje op de pakkendrager geknupt, onze Joep dor boven op, zeen ijn bijn wa arig vanwegens de roei aan die kant. Brood-boterammen, drinken, wa eppelkes veur den dorst, twije kwattas, zadduuk, visvergunning ,`en den aas dee ons mam gelijk in ne kallebas en die moest onze Joep vur hum eigen tussen zeen bijn houen. Als leste stapte ons vader op, uurst t ijn bijn over stang en roei, veur onze Joep deur, kont opt zadel scheuven en hup! daar gongen zellie. Ons mam douwde hullie aan ik dacht hoe da strakke zou moeten als er genen aandouwer zou zijn? mi jal die gevangen vis ook nog en ze bleef hullie nazien tot ze uit heur zicht waren. 
Zellie waren behoorlijk op tijd in de vissersmis in de paterskerk in de Meulenstraat. De pater - ne schonne spitse sik ha die - waar nog maar net begonnen aan ne preek over Jezus van Nazareth, en d waar ok ne visser lek als gellie Van huis uit waar ie feitelijk timmerman mar ie ha zeen eigen um laten scholen. Ne geweldige kerel moet d gewist zin, en als ge strakke ne sjarel hijl sekuur overt water ziet schrijen dan moete die henen laten doen en ge moet die nie jeweg jagen en nie vloeken ook nie, want veulkans zal ie d zijn, Jezus van Nazareth En dettie t kort zou maken, de sikpater, umdettie geen een mieter verstand ha van vissen, zeker nie zoveul als gullie en det nie zeen doel waar hullie vant vissen af te haauwen. Dus ne geweldigen fijnen dag gewenst, mee veul beet en goeie vangst en mee Gods aangenamen zegen. En die van mjn. Nou eruit allemol en goeie vangst! 
En mee n ketierke waren ze alweer buiten en onderwegen naar Heeswijk-Dinther, waar ons vader wel dikkelder gong gaan vissen. In de verbeterde Aa waart reustig was en vis zat zat. Meen bruurke verveelde zeen eigen daniglijk daar op zeen kistje achter vaders rug. Hij ha jok honger en durrumswegen froemelde ie al s meejendan in de kallebas vr hum. 
Eindeljk waren zer, aan de Aa. Onze Joep dalverde vrij deur het gras, hij spolde en strietste deurt houtgroesel, blij dettie los waar, tierewijl vadder alles in mekaren drijde en knupte, umstandig de watterdiepte peilde, den dobber op hoogte schoof en den os ging aanbrengen. Hj zocht te bleengdes dur de kallebas, hij ging mee de handen zwijzuukende deur het gras, hij zocht in al zeen tessen Nog ns in de tas, nou nie meer te bleengdes mar toch zag ie uvvel nks, wa tie zocht in alle geval nie. 
Ze Joep zat erbij int gras en zag d jaf.
Allee jongen, wor is onzen os? zee vadder. 
Zjoep keek zo onschuldig als wa, schudde teminste zeen kopke volgens die methode, trok de schouwers omhoog en zee Op!