INHOUD WTT
CUBRA HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Deze pagina is een digitale versie van de letters in het boek Van Aajkes tot Zaandkl (2012) van Ed Schilders, een Tilburgs alfabet, geschreven op een berijmd alfabet van Jace van de Ven. De teksten verschijnen met toestemming van de uitgever 'Stadsmuseum Tilburg'.

Tekst - Ed Schilders & Stadsmuseum Tilburg 2014, 2015 Tilburgs ABC - Jace van de Ven 2015 - Website Stichting Cultureel Brabant 2015 - Beeldmateriaal Regionaal Archief Tilburg 2015 tenzij anders vermeld.

 

WTT
A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Van aajkes tot zaandkl

Ed Schilders

Wortelen, of liever peen uit het Kruidboek van Rembert Dodoens

 

Aardappelen, ui, winterpeen, flink stampen met een klontje boter, en een stukje vlees erdoor of erbij. De dichter van het Tilburgs ABC eet het met spek, maar hutspot combineert ook goed met hachee (hansjee, anzjeej). Peestamp is inderdaad een petzzie, het algemene woord in het Tilburgs voor stamppot, ongeacht de ingredinten. Petzzie is een verbastering van het Franse potage, dat tegenwoordig in het Frans in de eerste plaats (dikke) soep of maaltijdsoep betekent.

Wie in het Tilburgs petzzie eet, kan echter van alles eten, maar geen soep. Dat komt doordat potage in het Frans  pas later de betekenis soep heeft gekregen. Daarvr, zeker al vanaf de dertiende eeuw, was een potage eenvoudigweg elk gerecht dat in n keer in n kookpot bereid werd. Een stoofpot zouden we tegenwoordig zeggen. Hutspot is de maaltijd die in een pot werd bereid door te hutsen, te vermengen. Vergelijk hutselen.

De verbastering komt veel voor in de Meijerij, de Kempen, en het Antwerps, en wel in de meest uiteenlopende vormen: betassie, petosie, petazzie, peteus, betazzie, petos, petuis. Behalve stamppot kan het ook aardappelpuree betekenen, maar niet in Tilburg. Voor Tilburg tekende N. Daamen in 1916 potaazie op met de verklaring: gestoofd middageten.

 

Stamppotten

Met gruune stamp (boerenkoolstamp, ook wel boeretppekolestamp genoemd), appelestamp,  en zuurkolstamp (uitgesproken met een korte u, witte kool) is peejstamp lang een belangrijk gerecht in de Tilburgse volkskeuken geweest. De winterpenen konden in de eigen hof geteeld worden en waren lang houdbaar. In een Prent van de week heeft Cees Robben weergegeven waar dat toe kon leiden, als hij een hoftuinder laat zeggen: Ik beteul zelf munnen hof en win veul. s Middags hek vort driederaand sort gruuntes op taofel peekes, peeje, en wortele (17-5-1985)

Boerenkoolstamp kwam liefst pas ter tafel als de vorst eroverheen was geweest. Zuurkool had als voordeel dat hij bewaard kon blijven in Keulse potten (die dicht werden gehouden door een zuurkolkaaj bovenop het deksel te leggen). De dichter-tekenaar Kis-ke wijdde een vers aan de komst van het najaar en de bijbehorende gerechten:

 

De wnd giert rontelom t huis

Mee kaauwe rgenvlaoge

n haauw-maauw doe gestaog zn bist [Haauw-maauw = wervelende wind]

De blaoier vort te jaoge.

 

Ge kruipt weer bij de plattebuis

Mee kaorte in oew haande

en snert of peestaamp mee hasjee

Doen oe wir waotertaande. (Rooms Leven ca. 1970)

 

En ook Kis-ke wist dat de winterkost weleens wat eenzijdig was, al had hij daar zo zijn eigen gedachten bij in de volgend berijmde dialoog tussen een klagende man en diens vrouw:

 

Nord:  Naa hk al van n dstag aaf [dstag = dinsdag]

            Niks as peestamp gehad

Dchte dk n kenntje waar?

Ik z oew peeje zat.

Wies:  Gij koetert zelf in oewen hof

            Gij hgget in de haand

            Agge nie gre peeje lust

            Zet dan ne puddingplaant.

 

Schabberdebonk

Een van de mooiste rijmprenten van Cees Robben is getiteld t Schabberdebonkmenu. Het is een merkwaardig woord, schabberdebonk, of schobberdebonk, dat in veel Nederlandse regios voorkomt. Wie op schabberdebonk loopt, gaat, of iets doet, is een klaploper of wil gratis ergens van profiteren, meestal van drank of spijs. Robbens rijmprent gaat over twee zwervers die ons al klaplopend een doorkijkje geven naar de voedselbanken van vroeger. Ik citeer echter niet uit de tekst bij de prent, maar uit een geschreven tekst van Robben:

De sociale wetgeving heeft de armoede van de straat verbannen en daarmee ook de romantiek van de armoede bij de kloosterpoorten. De zwervers, dat waren de vaste klanten die bij de Rooi Harten,  de Gutjesnonnen en Den Goeden Herder gingen eten. Zij wisten precies van dag tot dag wat daar de pot schafte. Zij sloegen met een schalkse grijns een groot vroom kruis voor ze aanvielen en prezen volmondig het bier van broeder portier, of den zaolige smaok van de peestamp van soeur Sophie van de Gutjesnonnen. Boerend en bulkend trapten ze t daarna af na eerst nog de gulle gevers een God zal t oe lone te hebben toegefluisterd. (Robben en Rooms, Vruuger, in de blauwe periode 1981)

 

Pee en pleej

Peejstamp met hachee was de favoriete combinatie. Echter niet zonder ongemak. Piet van Beers wijst erop in het gedicht Ik lus t gelk:

 

De week daornao, dan eete we

wir Peestamp meej Hasjee.

As ge er te veul van it schtte

de plaanke van de pleej... (CuBra)

 

In een prent die Cees Robben kort na Kerstmis 1987 publiceerde, is die plee nog een hske in de tuin. Een man rent eropaf. Robben geeft een subtiel commentaar dat het verschil tussen arm en rijk relativeert: En vur t hske maoket niks uit of ge reerug of peestamp het gegeete (17-4-1987)

Overigens: de plaanke van de pleej schte was in het Tilburgs een vaste uitdrukking voor de stoelgang die gepaard ging met zeer heftige aandrang. Op een van Robbens prenten zien we hoe een man zich naar het hske in de tuin spoedt, en lezen we hoe hij zijn vrouw waarschuwt dat ze maar beter uit zijn buurt kan blijven, want: Ik blaos de plaanke van t hske (23-7-1976)

 

Siendereklaos en peeje

De peen, de winterwortel, speelde uiteraard een belangrijke rol in de dagen vr 6 december om zowel de Sint als diens paard goedgunstig te stemmen. De peej werd in de klomp gelegd als beloning voor het paard van de Sint. In een fragment uit Jo van Tilborgs herinneringen lezen we daarover, maar ook over de uiterst noodzakelijke zuinigheid van vroeger, vooral in grote gezinnen:

Onze vadder kocht aaltij un kiest wenterpeeje, tegen de td d de Goed Heilig Man z komen. Et waar un hil gek gezicht en un hil wrk, veur al die klompen en schoenen, gevuld onder de schouw stonden, op et heerlijk avondje. We aten de weken daornao, bekaant daogeluks peestamp, tot die ons de neusgaote tkwaam mar weggooien waar ok zund. (Kosset 1)

 

De Tilburgse dialectdichteres Henritte Vunderink had dezelfde ervaring:

 

Siendereklaos gojt wl kedookes

dur de schorsten nr beneej,

mar krpt zlf nie dur d gat.

Wie heej die wortels dan gevat,

die ik in men schuuntje hb geleej?

 

Aaltij mkt ons moeder

daogs drnao ok peestamp klaor.

Zo ze mn daormeej bedriege?

n, smoeder zo daor nie om liege,

die is eerlek, eerlek waor. (2007)

 

Cees Robben had daar zo zijn eigen idee bij: Sinterklaas, die in Spanje al die winterpenen moet opeten, met knollen als bijgerecht, en het oude brood als toetje:

 

Prent van de week 3-12-1955

 

Piet van Beers

 

Peeje , knne n jonge mt

 

W motte tch meej al die peeje?

zeej Sjooke Braans teege dere man.

Ge dnkt tch nie dk alle weeke

ok twee keer peejstamp kook, hee Jan.

 

N Sjoo, d kan ik nie verlange,

al vn ik peejstamp nog zo fn.

Ik ha gedcht, ik bouw w kooje,

zo vur n stuk f tien kenn.

 

As ge mar wit, zeej Sjoo tot Janne,

dk lke week gin knntje braoj.

Ik hb liever blnde vinke, Jaantje

vur bij de rpel n de slaoj.

 

n Jan die ging te lange liste

meej zn kenne nr de mrt.

Ze waare zwaor n vt gewrre

n vur den haandel hil w wrd.

 

Jan heej vur t gld (ds ongelooge)

zon twaalef flsse draank gekcht.

n die heetie meej mn tesaome

in t klderke op zunne tn gebrcht.

 

Ik bn naa kammeraod meej Janne

n we hbbe lken dag veul leut.

Ast fkes kan... dan gn we zitte

n vatte saome ng ne neut.

 

Ik dnk.... dk t vlgend jaor mn tntje

ok vur n del vol peeje zt

want... Peejstamp n Kenn zn lkker

mar... ik hb ok gre ... JONGE MT.

 

Verder nog een kluit varkensvet

 

Mochten de aardappels wat glazig zijn of licht aangevroren, of door een teveel aan schot

dooraderd zijn, in een stamppot was er van al die ongerechtigheden niet een spoor meer zichtbaar. Soms kwam men tijdens het aardappels eten een ietwat glad brokstuk tegen, maar dat werd dan zonder te kauwen doorgeslikt. De stamppot, boerenkool, zuur- en savooiekool, roodewortel of van gele wortel, kortom, in de stamppot kon men van alles kwijt, zelfs uienstamp hoorde tot de mogelijkheden () Nu denkt iedereen bij het woord stamp ook aan kookworst, spek met een lekker sausje, of nog een andere garnering. Die dure fratsen waren in die tijd alleen voor de welgestelden weggelegd; nee, het was aardappels met de reeds genoemde bijgerechten, verder nog een kluit varkensvet, en inderdaad, al was het niet altijd kool, maar we groeiden er wel van als kool. (Elie van Schilt; uit: De aardappeleters - CuBra)