INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

 

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Wil Sterenborg

Van baad tot buute

baad

werkwoord, persoonsvorm

enkelvoud van verleden tijd van 'bidde': bad

Cees Robben: zis keer den 'paoternoster' baad ze in de liste mis

Cees Robben En ik baad meej... (19601111)

► bidde

 

baaj

1. telwoord

beide(n)

Al zijn ze baai wa jong... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: De bie zit op de blom , 1932)

in baai oew eugkes... (Piet Heerkens; uit: De Mus, Mijn deuntje, 1939)

Hij keek me lang, aondaachtig aon; in baai z'n ooge blonk 'n traon. (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Ouwe man, 1938)

Cees Robben En mee t aai in baai zn haand... (19560428)

Frans Verbunt: gin van baaje - geen van beiden

Stadsnieuws: en van baaje vatte, aanders krde sebiet gin van baaje (020706)

W was et schoon daor op de haaj,/ meej niemand as allen wij baaj... (Henritte Vunderink; Saome; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Hij wier n baaj de kaante wl w dof. (Henritte Vunderink, Vergeefse mankemnte, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Jan Naaijkens, Ds Biks - 1992 -- (1992): BAAJE - telwoord beiden - Envanbaaje, ginvanbaaje

2. zelfstandig naamwoord

baai

zowel de uitspraken 'baaj' als 'baoj' lijken voor te komen

En korte onderbroek laag klaor/ gin lange van wrm baai/ die ha ons Sjaan in de kaast geleej/ Ze zeej: Tis ommers Maai (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Amaai, wnne maai...)

Ze stonke nr smoutolie, d wl, mar ze mkten ok laoke n ze mkte flenl. n rips, n baaj, n ok mesjster. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- WBD II.4. p. 855 - J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij baai": Dubbelbreed , zwaar, jaeger of gekleurd weefsel, sterk geruwd en gevold. Ook zware katoenen flanel noemt men wel baai (molton)." - baoj, K 183 = Tilburg

- Henk van Rijswijk - Baai: zware wollen stof met strijkgaren ketting en inslag, meestal in platbinding geweven. Na het weven gevold en sterk geruwd. De gebruikte grondstof was vaak van de wat mindere soort wol. Vroeger vooral geverfd met mekrap waardoor de typische roodbruine kleur ontstaat. Toepassing: rokken en goedkope bovenkleding. ►Jopperbaai: de zwaarste uitvoering van baai, waterafstotend gemaakt, meestal zwart en gebruikt voor werkkleding geschikt om door te werken bij slechte weersomstandigheden.


(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm

WNT lemma BAAI I
znw. vr., en bij overdrachtelijk gebruik ook m.; mv. baaien, voornamelijk ter aanduiding van verschillende soorten. In het Mnl. nog niet aangewezen; hd. boi, eng. bay (MURRAY 1, 713) en baize (a.w. 1, 629): die laatste vorm wordt verklaard als eene verminking van het mv. bayes. In Engeland werden de baaiweverijen overgebracht uit Frankrijk en Nederland, omstreeks het midden van de 16de eeuw. Den oorsprong vindt men in fr. baie, bij GODEFROY (1, 551) in eene aanhaling uit 1570, waar gesproken wordt van les baies et sarges faon de Beauvais; men gelooft dat met baie eene stof wordt bedoeld die om hare bruinroode kleur (fr. bai, lat. badius) aldus werd genoemd. (...)  Verg. ook it. baietta, sp. bayeta, evenzoo namen van wollen stoffen.
- Jemandt , die met Sayen [►sajt], Bayen, ofte andere Leydtsche waren handelt, COSTER 466 [1619].
(...) In Zuid-Nederland ook overdrachtelijk, en dan m., voor: een baaien borstrok.
WBD II:4 & Van Dale: Dik en grof wollen weefsel, op molton gelijkend flanel, meestal donkerrood, ook wel bruin, geel of blauw van kleur, waarvan onderkleren, vrouwenrokken , hemden voor zeelieden en boeren werd gemaakt.

WBD II:4.855 - in Tilburg (K 183) genoemd in de toepassingen 'borstrokken' en 'rokken'

WNT BAAI - Benaming van zeker grof, op molton gelijkend flanel.

►baoj

Nieuwe Tilburgsche Courant 20-11-1889

baoj

raandbaaj

 

baaje

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen: en baaje broek - te wijde broek (wegens overeenkomst met een broek van de stof baai?)

WBD III.1.3:101 'baaien rok', 'baaien onderrok' = dikke baaien onderrok

Cees Robben Dn baaijen rok (19570706)

baoje

 

Baajgard

Onbepaald voornaamwoord

Allebei.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ik staauw ze [de kalveren] baaigard. Daar geannoteerd als: Beide te gader.

 

baand, bndje

zelfstandig naamwoord

1. fietsband

 

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

 J j, ge kunt zo nog al w laoie op in fiets as de bendjes mar hard staon (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Van Rijen (1998): 'Dur waar slcht n baande te koome' [in de oorlog]

2. termen uit de industrie en ambachten

WBD (II:997) nderbaand  - onderband (touw v. e. dradenkruis)

WBD (II:1000) nderbaand  - vitskoord; ook: flsroejlus

WBD (II:l050) 'lssem baand'  - losse band (dubieuze aanduiding voor 'schie', bij breuk v.h. inslaggaren)

WBD (II:2765) 'vurbaant' - naafband (buitenzijde)

WBD (II:2766) 'aachterbaant' - naafband (binnenzijde)

WBD (II:2766) 'spgbaande' - naafband (aan weerszijden v.d. spaakgaten)

WBD (II:2868) 185c 'baande' - banden (voor kuipen en vaten)

WBD (II:2868) 183 'rpe' - idem

WBD (II:2907) 183c 'hawtere(n) baant' - houten band (voor een vat)

WBD (II:2868) 'baant' - (kuip)band

3. anatomie (dieren)

WBD baande - spieren tussen de staart en het kruis van de koe, ook genoemd: 'plaote'

4. overige betekenissen

Netuurluk moes ik nog wel meejhelpe kraante vouwen en der un bendje meej naom en adres om heene plekke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD (III.3.3.111) baand = bandelier v.d. suisse

WBD (III.1.3:134) 'gatbanden' = korte linten v.e. schort

 

baank, bangske, bngske

zelfstandig naamwoord

bank, werkbank

Cees Robben: dur de baank - door de bank, door elkaar genomen

WBD bddebaank, bddeplank - beddeplank (in bedstede aan hoofd- of voeteneinde, waarop iets kan worden gelegd of gezet)

WBD zitbaank, baank (II:956) - zitplank v.d. weefgetouw; ook: zitplank

WBD III.4.4:22 'bank', 'wolk(en)bank' = wolkenbank

WBD III.4.4:148 'bank' = aardlaag

WBD III.3.3:41 'banken', 'kerkenbanken' = idem

Jan Naaijkens, Ds Biks - 1992 - 'BANK' - dur de bank - gemiddeld

 

baarst

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): barst

 

baast

zelfstandig naamwoord

bast, schors; lijf (buik); harde huid van een noot, ook bast, schaol, schlp of blster genoemd

Henk van Rijen: pnt in menen baast - pijn in mijn lijf

WBD III.1.1:123 'bast' = buik

WBD III.2.3:80 'bast' = schaal van peulvruchten

WBD III.4.3:104 'bast' = schors van naaldbomen

WNT BAST 4) als een platte naam voor het lichaam v.e. mensch, of eigenlijk voor de huid; het meest in verbinding met de voorzetsels aan of op.

 

baaste

werkwoord, zwak

bassen, blaffen

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "baasten - heurde die'en hond nie baasten? (blaffen)"

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "baasten - Tilb. uitdrukking - het stukgoed dat geverfd moet worden en waarvan men wenscht dat de zelfkant niet mede wordt geverfd, werd eerst gebaast, d.w.z. de zelfkant wordt met een zwaar lint omnaaid zoodat deze bij het verven ongeverfd blijft."

WNT BASSEN werkwoord. - eigenlijk van honden: blaffen

 

baaw / baauw

zelfstandig naamwoord

horzel

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - Gij gao () nie bizzen veur de eerste baauw.

- De Bont Bestiarium - Baauw, znw. vr. De naam van eene (koolzwarte) horzel die het vee plaagt (WNT onder biesbouw). Het woord komt voor in de zegswijze Van d'eurste bauw nie gaon bizze letterlijk van koeien en kalveren in de wei gezegd, die met den bek open en de staart in de hoogte op en neer draven uit vrees voor den biesbouw (WNT), dan: niet licht op de loop gaan, een gevaar durven afwachten.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Hij gao nie bizze vur d'irste baaw. - Hij gaat voor de eerste horzel niet op de loop.

bouw, gebouw, bouwwerk, de bouwsector

Van Rijen (1998): 'Zn bruurs wreke in den baaw.'

 

baawe

werkwoord

bouwen

Dirk Boutkan: (blz. 24) 'bawe' = baawe

 

babbiekiendje

zelfstandig naamwoord

ook: beebieke

Frans Verbunt: baby, ook: beebiekiendje

 

bag

zelfstandig naamwoord

WBD jong varken, big, ook genoemd 'big', 'kuuske' of (Hasselt:) 'kab'

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BAG - m. big

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Naast 'drift' in T, ook 'kuuske' en 'kap/kabbe' rond T, alsmede 'bag' in een gedeelte v. Midden-Brabant, (blz. 153, krt. 86)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - bag - big, mnl. bagghe

WNT BAGGE 3) zie BIG

 

bagge

werkwoord, zwak

-bagge - bagde - gebagd

WBD (Hasselt) jongen, biggen ter wereld brengen, ook 'kabbe' genoemd

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BAGGEN - onoverg. werkwoord. - een toom biggen ter wereld brengen.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bagge(n) zw.ww.intr. baggen werpen 'De zog moet korts bagge'.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BAGGEN zelfstandig naamwoord - biggen

WNT BAGGEN zie 'biggen' - jongen werpen

 

baggermeule

zelfstandig naamwoord

baggermolen

Audioregistratie 1978 - Meej ene baggermeule hn ze et ok wl gedaon [nl. het  kanaal aanleggen] mar d ging nie zo goed. Dieje grond was te hard, d was te leemachteg! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

bak, bakske, bkske

zelfstandig naamwoord; het verkleinwoord ook met umlaut: bkske

bak in diverse betekenissen

1. In de uitdrukking '...halven bak' - van zelfstandig naamwoord 'bak' in de betekenis 'het bakken' ofwel 'baksel', met 'half', niet geheel, dus: 'halfbakken'

WNT lemma Halfbakken 2.a: Bij qualitatieve persoonsnamen. Niet volslagen , in gebrekkige mate datgene zijnde wat door den naam wordt aangewezen; onvolkomen of gebrekkig in zijne soort.

WTT-2012: In het dialect is de uitdrukking dichter bij de oorsprong gebleven: het baksel (het bedoelde werk) is gebrekkig.

- halven bak - half werk: Tis amml halven bak wttie doe (slecht werk)

Een bijwoordelijk gebruik vinden we bij Frans Verbunt: halven baks gedaon

2. De voederbak

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Iemand van den bak bte - Hem in de hoek drukken

Frans Verbunt: zenge van den bak laote bte - zich laten verdringen

Als ze goed ter been waren, mochten ze hooguit wa zaad in het bakske van het kanariepietje doen, nie meer,... (Wil van Pelt, Brabant's knipoog uit het verleden; 2001 CuBra)

3. Kom, kop, bak om uit te drinken, maar ook ieder komvormig voorwerp; meestal voor koffie; waar het thee betreft ►tas

Frans Verbunt: en lkker bakske kffie

Ze gaven schon schilderijkes, un wijwaotersbekske of un lievevrouwebildje. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WNT BAK 2) in de volkstaal v. verschil. streken: kopje

WBD (III.2.1:l86) bakske = kopje, ook genoemd: kom, kumke of tas

WBD (III.2.3:40) bakske = maaltijd in de namiddag [de warme maaltijd werd vaak gebruikt na het middaguur; de broodmaaltijd aan het eind van de middag (werkdag) werd vaak aangeduid als 'koffiedrinken']

"Daor is naa eenmaol niks aon te doen, we zullen er mar 'n bekske troost op drinke." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Toen d'n oudste terug kwam mee de boodschap dat vrouw Sjaane al onderweg was zette Sjareltje al vast mar koffie want ze zou eerst wel 'n bakske lusten. (Wil van Pelt, Brabant's knipoog uit het verleden; 2001 CuBra)

Maar allee... we zullen eens gaan kijken of de vrouw de koffie al klaar heeft, gij lust toch zeker ok wel 'n bakske? (Wil van Pelt, Brabant's knipoog uit het verleden; 2001 CuBra)

Het vrouwvollek lust onderwijl wel 'n bakske koffie. (Wil van Pelt, Brabant's knipoog uit het verleden; 2001 CuBra)

Na de Mis gebruikte die dan bij haar de koffie, soms kwamen meerdere buurvrouwen "op een bakske". (A. van Delft; Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 30 november 1929 - Van vroeger dagen 142: Van vrijen en trouwen 2)

n Buurvrouw komt tegen half elf "een bakske doen", dat wil zeggen zij komt een tas koffie slurpen met een "bestel" [ soort beschuit] en suiker onderwijl de nieuwtjes der buurtgenoten te releveeren of kwaad... (A. van Delft, Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 1 februari 1930 - Van vroeger dagen 151: Folklore en Ambacht 1)

Een "half elfke" is het bakske koffie, dat buurvrouwen des morgens om half elf plegen te drinken. (Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek nr. 66; NTC 4 november 1968

Cees Robben Dan maolt ze dn koffie.. en zet unne bak... (19580201)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BKSKE, vkw. van 'bak': 'n lkker bkske koffie

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bkske - kop met oor, in tegenst. tot 'kumke'

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Men zegt hier wel 'een bakje thee drinken' onder den burgerstand ... Dat BAK zeer goed in dezen zin zij, kan men o.a. zien uit Kiliaan. Z.a.

4. Grap

Den burgemister hee 'ne schoonen bak utgehold. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit 't klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

WBD III.3.1:249 'bak' = grap

5. Bak = doosvormig voorwerp

WBD II:601 bak - weekbak, soort spoelbak in een looierij

 

bakhs

zelfstandig naamwoord

bakhuis

WBD bakhuis, vrijstaand gebouwtje of deel v.h. boerenhuis, waarin de bakoven zich bevindt en de baktrog

Ik moes netuurluk alles zien. Allerirst et prd, de vrkes, de kiepenkooi en et bakhs. D waar un hske meej en schn dak, neffen de prdestal. In d hske wier et brod gebakken. In den oven wiere irst takkenbossen, musterd genoemd, geschoven en in braand gestoken. As die tgebraand waren, wier de aas der tgeveegd en de te bakken dg erin geschoven. Et deurke ging dicht en un uur of aanderhalf laoter waar et brod gebakken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

bakke

werkwoord, zwak

bakken

B en poets speule - een poets bakken gez.

B bakke - bakte - gebakke

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Kakke gao vur't bakke.

Van Delft - "Hij bakt met alle pannen." Dit is: Hij is van alle markten thuis. Ook wel: Hij huilt met de wolven, waarmee hij in 't bosch is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

Frans Verbunt: bakke me en aaj of bakkeme en aaj? doen we het of doen we het niet?

Frans Verbunt: bakkeme en aaj f maokeme en kiendje?

WBD bakhs - bakhuis (vrijstaand gebouwtje of deel v.h. boerenhuis, waarin de bakoven zich bevindt en de baktrog)

WBD bakoove, oove, oowve - bakoven (in het bakhuis v.e. boerenhuis)

WBD III.4.4: 91 'bakken' = vriezen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - die is mee et bakken t de pan gesprnge - gezegd van een buitenechtelijk kind en van een buitenbeentje in de familie.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): bakke, ik bak, gij/hij bakt, wij bakke; ik bakte; wij hbbe gebakke

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bakke - st. (biejk, biejke(n)) en zw.ww., tr. en intr. - bakken.

Dirk Boutkan: bakke: ww-vormen; zie zin 113, blz.100

 

bakkelaaje

werkwoord, zwak

bakkeleien - uit Maleis berkelahi = twisten (Van Dale); ruzie maken, kibbelen

In Brabantse dialecten volgens Brabantius echter ook: Brabantius (1884) - Bakkelaejen, mee iement (W.), iemand naloopen en flikflooien om zijne gunst te verwerven. Het tegendeel dus van ndl. bakkeleien - elkander afrossen. (Onze Volkstaal, 1882, nr.4; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal).

 

bakker, bkker

zelfstandig naamwoord

bakker

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Waor den bakker zit, hoeft den dkter nie te zitte.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Den bakker heeter zen vrouw durgejaogd. (brood met gaten);

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): bkker

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - den bkker heej in den oove gascheete (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916):) - hij heeft geen klanten meer.

 

bakkerij

zelfstandig naamwoord

achterste

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): Ze heeft een flinke bakkerij (achterste)

 

bakkes

zelfstandig naamwoord

I het gezicht, in het bijzonder de mond als deel van het geheel; meestal van een man. Vaak spottend bedoeld voor een lelijk of uitzonderlijk uiterlijk.

WS: bakkes, gezicht; mond (bek)

Cees Robben: as ik d bakkes van jou ha...

Cees Robben: nze paa heej meej zen schaors in zen bakkes gesneeje;

Cees Robben: as ge naa ng ene keer teegen et smoel van nze paa bakkes zgt...

Cees Robben: W heej d strntjng tch en straant bakkes war.

Frans Verbunt: fn bakkes - kieskeurig

Frans Verbunt: bakkes vol meej sjp - een mondvol drop

Henk van Rijen: haawt oew bakkes - hou je mond

Frans Verbunt: zo gaaw we geslacht hbbe, krde gij de bakkes (zoethoudertje)

hil d volk zaat meej zen bakkes vol taande. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Stadsnieuws: Ge kunt den draank t zen bakkes tappe (260206)

- Die zeergeleerde meense aaltij meej der groot bakkes. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

II  Grimassen, bekken trekken

Cees Robben: Ge hoeft enen aawen aop gin bakkese te leere trkke;

Pierre van Beek: Hij was z gediensteg dttie nen aawen aop ng bakkese z lere trkke. (Tilburgse Taaklplastiek 24-11-73)

Dikkels waren et van die zuurkes, waor ik al hillemol niks van moes hebben. Daor krgde zon schraol bakkes van, vond ik. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

III Bakkes met stofnaam

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tis en hard gelaag en knd te kusse meej en stene bakkes (N. Daamen - Handschrift 1916)

Henk van Rijen: kb ok gin houtere bakkes - ik tel evengoed mee

Frans Verbunt: hk soms en houtere bakkes? (opm. v. iem. die in caf overgeslagen wordt bij een rondje).

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Stadsnieuws: Hk soms en houtere bakkes? (210506)

- Want die aander vf [drinkers], die hbben ok gin houtere bakkes. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): - bakkes zelfst. nw.  o. en vr. gezicht ''k Zan is aan ew bakkes slaon.'

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BAKKES - bakes, zelfst. nw. o.- Muil der dieren; in platte taal 'aangezicht' of 'mond'.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAKKES zelfst. nw. o. - Muil der dieren. In de gemeenetaal gebezigd v. 'mond'. Houd uw bakkes - zwijg! ook; gelaatsverwringing, grimas.

WBD III.4.2:32 bakkes - bek, muil, mond v.e. dier, ook 'kweek' genoemd

WBD III.4.2:33 bakkes - voorste deel v.h. gezicht v.e. dier, ook genoemd: snufferd, wroet, neus of toot

WBD III.1.1:63 'bakkes' = gezicht

WBD III.1.1:80 'bakkes' = kaakgestel

WBD III.1.4:269 'een bakkes trekken' = een lelijk gezicht trekken

 

Object, tentoongesteld als onderdeel van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.

bakkesvol

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek: soort snoepgoed, ook genoemd 'kattespouw' , zijnde nogal grote blokjes waarin vermoedelijk nogal wat druivesuiker verwerkt is, rose van kleur, met als hoofdkenmerk de erin verwerkte hele olienootjes.

Cees Robben t Snoeppepier en bakkesvol (19580329) [Bij Robben is kattespouw onderscheiden van bakkesvol ►kattespouw

Van Rijen (1998): mondvolle dubbeldikke zwartwit-toffee

Frans Verbunt: snoepgoed voor een halve cent te koop bij de Hasseltse kapel

Frans Verbunt: bakkesvol meej sjp - mondvol drop

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.4.4:278 'bakkesvol' = mondvol

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAKKESVOL zelfst. nw. m. - babbelaar die zoo groot is dat men er maar een enkelen van in den mond kan steken.

 

bakketl

zelfstandig naamwoord

kleinigheid, onbenulligheid, bagatel

Enen baand plkke is vur mn mar en bakketl.

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): gin bakketel

WBD III.3.1:364 'bagatel' =kwajongensstreek van fr. bagatelle = kleinigheid, beuzeling, wissewasje, vrijage

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BAGATEL - bagatl of bagetl (ook met p) - kleinigheid

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAGATEL zelfst. nw. v., niet o. Zie wdbb.

WNT BAGATEL - ontleend aan fr. bagatelle en dit aan it. bagatella

 

bakoove

zelfstandig naamwoord

bakoven

WBD bakoove, oove, oowve - bakoven (in het bakhuis v.e. boerenhuis)

 

bakpan

zelfstandig naamwoord

lui vies wijf

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bak-pan - lui vies wijf

WBD (III.2.1:195) bakpan, ook braojpan

 

bakske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kopje

► bak

 

baktaand

zelfstandig naamwoord

kies

WNT BAKTAND - een thans verouderde naam voor 'kiezen'

 

baldaodeghei

zelfstandig naamwoord

baldadigheid

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): baldaodeghei

 

balk

zelfstandig naamwoord

balk

WBD III.3.1:126 'op de balk schrijven' (uitstel van betaling geven), op de lat schrijven = borgen

 

balkenbraaj

zelfstandig naamwoord

PVb balkenbrij

Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klfkes.../ Kienebak soms uit de nek...  (19550205)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BALKEBRAAJ zelfstandig naamwoord balkenbrij

Sjef Paijmans - Ome Herman en tante Bertha mestten elk jaar een varken en wij namen dan als het geslacht werd, een helft over. In het late najaar maakte moeder dan zult en balkenbrij... Herinneringen aan mijn jeugd (2000)

Piet van Beers -

De stinpst
Gaode fkes langs de slaager...
komde ok ng op de mrt?
Zurgt dan vur w platte ribbe
n w praaje vur de snrt.
Vier ons... vrse wrst n peeje...
doet er mar w jne bij.
'n Bkske zult 'n half pond kaoje
n tweej schve balkenbrij.

Op dieet
Soms lig ik naachtelang te drome
van BLOEDWORST BALKENBRIJ n ZULT.
Mar... DIE-EETE d is NIE-EETE
zeej "Ons Kee"...n dan zde tgeluld.

 

Van t vrreke -- 58 jaor terug
n Stuk ribstuk , n hil pan worst n
ok tweej komme vol meej zult!
Balkenbrij, vier flsse braoivlees,
himmel tot de raand gevuld!

Jan Naaijkens - Het dorp van onze jeugd (1999) - Hoe ze de puntbuilen, die aan een spekhaak hingen, vulde met suiker of 'boekende meel' voor de balkenbrij en die zorgvuldig en bedachtzaam afwoog op een blinkend koperen dubbele schaal.

Ed Dalderop - Pro Memorie (CuBra) - De reputatie van de slager berustte voor mijn moeder voor het grootste deel op zijn prachtige balkenbrij, de echte, met rommelkruid, en een beetje op zijn ooit behaald diploma voor de aanlevering van de beste vaars van 1939. Vette vaars met zes tanden", vermeldde de Gotisch-geschreven akte, plechtig opgehangen in de winkel.

De krmenaoj, de platte ribbe, de zult of krp, et zwoert n spk. Toe den hiel aon toe. Durreege spk n ballekebraaj. Et smdderptje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WNT BALKENBRIJ - benaming van een zekere spijs, die in verschillende streken, b.v. in Gelderland, gedurende den slachttijd wordt gegeten...

► Zie Dossier Balkenbrij

 

balklster

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): grote lijster (Turdus viscivorus)

 

ballaast

zelfstandig naamwoord

ballast, grote schop; nutteloze last

grote schop met opstaande randen ; uit 'ballastschop'

Cees Robben Daor staon we dan mee onzen ballaast.. (19730519)

Cees Robben Ik werk vort mee unne ballaast (19860418)

WNT BALLAST, wsch. uit 'barlast' (bloote last): last onder in een schip om het de noodige vastheid te geven.

 

Goirles kunstwerk ter ere van de ballefrutters - Archief Pierre van Beek - Het bijschrift luidde: Z zag de Goirlese artieste Mevrouw H. Mols-van Gool de "ballenfrutter".

ballefrutter

zelfstandig naamwoord

bijnaam, scheld- spot- en geuzenaam voor en van een Goirlenaar. Goirle was een van de belangrijkste leveranciers van kaatsballen; frutte betekent dan zoveel als in elkaar zetten, vervaardigen met de hand

Cees Robben t Zen [de Goirlenaren] nie vur niks al zn lve al ballefrutters gewist.. (19761210)

Cees Robben - 19681206

Cees Robben - 19790209

A.J.A.C. van Delft - Als spotnaam der inwoners van Goirle noemt men "Ballefrutters", wijl er vroeger een fabriek bestond, waar kaatsballen werden gemaakt, niet van gomelastiek, want die waren toen nog niet bekend, doch gevuld met draden, waarschijnlijk afval van draad der handwevers, welke tot een vasten bal ineengewerkt, "ineengefrut" werden. De werklui uit die fabriek noemde men spottend "Ballefrutters", welke schimpnaam op de geheele bevolking is overgegaan. ( Nieuwe Tilburgsche Courant - 7 juni 1930; 'Van vroeger dagen 159: Spotrijmen 3)

Anoniem - In de Tilburgsche gemeente-archieven zijn tal van bescheiden te vinden, die spreken van de fabrikage van 'n soort kaatsballen te Goirle in vroeger eeuwen. Die ballen werden niet
vervaardigd van elastiek, want die grondstof kende men vroeger nog niet, maar werden gevuld met afval van de weversdraden. Dat afval nu, werd "ineengefrut" tot ballen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - vrijdag 8 december 1933 Folklore 2)

Piet Heerkens - De Goolse Ballenfrutters/ Zijn rooie mannekesputters... (in: 'Brabantse scheldprocessie', uit: Brabant; 1941) [Goirlenaren werden ook bespot - door Tilburgers - wegens de  vermeend overheersende haarkleur aldaar.]

August Sassen -  'balfrutters'. Verwijst naar de (huis)industrie van het vervaardigen van lederen kaatsballen, gevuld met koehaar of zand. (Geciteerd uit: A. Hallema, 'Scheld- schimp- en spotnamen, voorheen en thans', Naarden, 1946, die zich op zijn beurt baseerde op een handschrift (eind 19de eeuw) van August Sassen in de collectie van het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en wetenschappen in Noord-Brabant.)

Dirk van der Heide - geeft vier varianten op Ballefrutters en ook 'geiten' dat zou slaan op de vrouwen uit Goirle, n.a.v. de uitdrukking 'Er komt nog geen goei geit uit Gol'. (Groot schimpnamenboek van Nederland', 1998.)

Jozef Cornelissen, 'Nederlandsche Volkshumor op Stad en Dorp, Land en Volk', deel III; De Bikkel, Antwerpen, z.d. [ca. 1930]. Dit is met voorsprong de beste bron over deze materie.

Anoniem - De Brabantse volkshumor is vroeger kwistig geweest met het geven van spot- en bijnamen. De Goirlese "ballefrutters" is uit het tegenwoordige spraakgebruik vrijwel reeds verdwenen, maar
de bijnaam onzer stadgenoten [=kruikenzeiker], ontleend aan het textielbedrijf, leeft voort. (Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 2 februari 1957; Typisch Tilburgs en Tilburgse typen 4, Oude zegswijzen en oude verhalen.)

Anoniem - De spotnaam der naburige Goirlenaars is "ballefrutters", ook alweer een uitdrukking, die aan het bedrijfsleven ontleend werd. Er is een periode geweest, dat "Tilborg ende Goerle" administratief verenigd waren. Vandaar dat men in de Tilburgse archieven bescheiden vindt, die duiden op een vervaardiging van een soort kaatsballen te Goirle in vroeger eeuwen. Die ballen werden niet gemaakt van elastiek, want die grondstof kende men toen nog niet, doch zij werden gevuld met afval van weversdraden. Dat afval nu werd "ineengefrut" tot ballen en zo ontstond de scheldnaam.  (Nieuwe Tilburgse Courant - dinsdag 18 oktober 1955; Toen Tilburg nog dorps was: Bekende straattypen uit vervlogen dagen.)

Lechim - Aaventoe zok cht wille dk/ enen Ballefrutter waar. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin aaw zer)

Lechim -Ze zgge d ene Glse meens/ zen neus zlf niet kan snutte/ n dsse daor den hillen dag/ niks doen as ballefrutte. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gol is wir veur...)

Pierre van Beek - De bijnaam "ballenfrutters" voor inwoners van Goirle is afkomstig van een zeer oude, thans echter verdwenen tak van nijverheid, die meer dan twee eeuwen geleden een tijdperk van bloei beleefde. Het betreft hier de vervaardiging van ballen voor de kaatssport. In de middeleeuwen gold deze als 'n ridderlijk spel, dat zelfs aan het weelderige Bourgondische hof zijn beoefenaars vond. Ook Karel van Gelder was er een liefhebber van. Het betrof 'n
openluchtsport die waarschijnlijk van de  Romeinen afkomstig is. In Nederland vond zij veel ingang vooral in Friesland, waar men 't nog kent. Zij het in een andere dan de oude vorm, wordt de sport ook nog beoefend in Spanje, Frankrijk en Belgi. Karel van Gelder en ook de latere prins Maurits lieten de benodigde ballen vervaardigen in Brabant. We denken daarbij dan speciaal aan Goirle, dat naast Dongen een centrum vormde van de kaatsballenproduktie. Deze typische Goirlese tak van huisnijverheid ging omstreeks 1860 definitief ten gronde bij de opkomst van de gummibal. Ze was voornamelijk gevestigd in de huidige Kerkstraat, die tot minstens in de twintiger jaren nog vaak met de naam "Ketsheuvel" wordt aangeduid. (Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 15 februari 1969 - Goirle was vroeger centrum van kaatsballenindustrie.)

Cees Robben -  "Er was eens-----er was eens een tijd dat die van Goirle hier over de grens hun grens-kapel bouwden...." dan liet de jeugd Onze Lieve Heer aan het kruis hangen en luisterde naar het begrijpelijke lijdensverhaal van de armzalige "ballefrutters" in vroeger eeuwen. (uit: De Sint Janskapel op Nieuwkerk, in: Goirle, 1975)

Jan Hoogendoorn - IN DE LITANIE VAN BRABANTSE spotnamen staan de inwoners van ons goed Goirle bekend als "ballenfrutters". In tegenstelling met wat sommigen beweren, dat deze spotnamen zouden voortkomen uit een bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid, meen ik dat onze spotnamen veelal niet meer zijn dan een typerende uiting van een min of meer milde spotlust, die getuigt van de Brabantse menselijkheid en een essentieel onderdeel vormt van de aangeboren zin voor humor. (...)De plaatselijke spotnamen zijn oud. Zij leven nog steeds voort en vele ervan zijn terug te voeren op een geschiedkundig feit, zoals dat met onze spotnaam "ballenfrutters" ook het geval is, want eens was 't ambacht van Caetsballen maken" een voorname bestaansbron voor Goirle. Die kaatsballen waren nodig voor het kaatsspel, een internationale sport die overal in West-Europa is beoefend en die zich momenteel wat ons land betreft in Friesland heeft gehandhaafd. (...)De kaatsbal werd gemaakt van zes segmenten bazaan of zacht schapenleer die door een pekdraad aaneen gehecht werden. En segment bleef gedeeltelijk open, dat was de zgn. mond waardoor de bal al naar gelang de kwaliteit gevuld moest worden met geloogd koe- of varkenshaar of run, wat gemalen eikeschors is. Dit vullen van de bal door die nauwe opening heette in de volksmond "frutten" en dit nu bezorgde de Goirlenaren de spotnaam van "ballenfrutters". (...)Maar al kunnen wij dan niet de oorsprong van de ballenfrutterij exact in een jaartal aangeven, we beschikken wel over talrijke feiten, vastgelegd in oude folianten aanwezig in het Archief van Tilburg. Ze geven ons toch wel een aardige kijk op de tijd toen de kaatsballennijverheid naast de landbouw een hoofdmiddel van bestaan vormde in het Goirle van weleer. Het oudst bekende gegeven over een balmaker van Goirle dateert van 28 juni 1552. In een schepengelofte wordt dan genoemd een zekere Laureys, die balmaecker tot Goerle" is. In 1560 laat Frans Peterssen een gerechtelijke vervolging instellen tegen Jan Cornelis Geryts Hermanssen. Genoemde Hermanssen is als leerlingbalmaker in de leer geweest bij Peterssen, die hiervoor 2 Rijnsgulden had bedongen. Deze vergeet de leerling te betalen en wordt voor deze nalatigheid op het matje geroepen. Uit de verklaring van de Mr. Balmaker dat hij hem gewasschen ende gewrongen ende pottage gegeven heeft" blijkt dat de opleiding intern is geweest. (...)Niets meer herinnert ons aan het feit dat Goirle eens daarvan de bakermat was dan alleen onze bijnaam "ballenfrutters", die als spotnaam bedoeld, achteraf bekeken, meer een erenaam is daar hij ons herinnert aan de werklust en ondernemingsgeest van ons voorgeslacht. (uit: De Goirlenaren zijn ballenfrutters, in: Goirle; 1975)

Pierre van Beek - Het woord "frutten" is gewestelijke taal voor het Algemeen Beschaafd Nederlands "frutselen". Het betekent: slordig in elkaar prutsen en heeft derhalve een denigrerende betekenis. Uit
hetgeen wij hierboven meedeelden blijkt duidelijk, dat er van "frutten" of slordig in elkaar prutsen van ballen geen sprake kon zijn. Hier werd een volwaardig, met zorg gefabriceerd produkt geleverd.
In de combinatie van "frutten" met Goolse ballen proeft men duidelijk de bedoeling van neerhalen en eventueel kwetsen. Van deze intentie ontdaan blijft er echter van de hele "ballenfrutter" niets anders over dan een "maker van ballen". En dit was een zeer eerzaam
beroep of bijverdienste. Men zat in ieder geval niet duimen te draaien maar probeerde op een fatsoenlijke manier met werken de kost te verdienen - ook al waren de verdiensten ng zo schraal... Nu kan men niet eisen, dat iedereen op de hoogte is van de historie van de
Goirlese kaatsballenindustrie. Als dit wel het geval was, zouden we zeggen, dat wie de term "ballenfrutter" als scheldnaam hanteert gewoon met zijn eigen domheid te koop loopt. (Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 15 februari 1969 - Goirle was vroeger centrum van kaatsballenindustrie.)

►Voor het complete artikel van Pierre van Beek op CuBra KLIK HIER

Wim van Boxtel - Hier wieren wij zelfs ballefrutters,/ al warre we dikkels rare schutters. (in: Zo is t gekoome; Brabants Bont Sprokkels 3; 1981)
Willy van Rooy D kan iedere ballefrutter wel zeggen." (in : Schoon en lilluk, 1983)

Ed Schilders - t Gol kwaam toen unnen ballefrutter/ Meej de bus nr nze stad./ n die bespruuide toen d bumke [namelijk de lindeboom]/ Meej wttie bij Bet Koole ha gevat. (in: De Ballade van Kees Kruik, 2000)

Jan Naaijkens - Tussen Gl en Beek heerste van oudsher enige rivaliteit. De Peejzerikken of Inhangers hadden nogal een hekel aan de Glse geijte of Ballefrutters. (Des Biks; 1992)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ballefrutters

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - ballefrutter = Goirlenaar (blz.86.)

Buuk - scheldnaam voor de Goirlenaar, samenhangend met het feit dat in Goirle tot in de 19e eeuw nog de vervaardiging van kaatsballen een belangrijke huisnijverheid was.

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

ballefruttersgat

zelfstandig naamwoord, carnavalesk toponiem

Goirle

 

bam, bammeke

zelfstandig naamwoord

boterham(tegenover kinderen gebruikt)

WBD III.2.3:206 'bam' , 'bammetje' = kinderwoord voor boterham

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BAM - m. tegenover kinderen gebruikt voor boterham: does mooi bammetjes happen.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bam (kindert.) boterham

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAM zelfst. nw. m. - boterham in de kindertaal

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bam - boterham (kindertaal)

 

bambesjoerder

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: uitgaander met veel belangstelling voor vrouwen

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bambesjoerder - pierewaaier, losbol, schuinsmarcheerder

bombezjoerebamboezjoer

 

bambezjoere

[bombezoejre]

werkwoord, zwak

de bloemetjes buiten zetten, verbrassen

Carnavalsmotto Tilburg 2015: We gn wir bombezjoere.

bamboezjoer

zelfstandig naamwoord

Van Delft - Een "bamboezjoer" is 'n fuifnummer, 'n lefmaker. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

bombezjoerebambesjoerder

 

bammeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bam, dat een verbastering is van boterham of botram; kindertaal

boterhammetje

Cees Robben   n bammeke mee n harteluk stukske vorse worst... (19840615)

 

bang van

bijvoeglijk naamwoord

bang voor

Ik z van jou nie bang - ik ben voor jou niet bang

 

bange

zelfstandig naamwoord (m)

schrik, angst

Cees Robben Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... (19641127)

Cees Robben Het mar ginne bange degger tussen uit nept, Jaon... (19720519)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): Zelfst. gebruikt betekent 'den bange': schrik; b.v. 'Den bangen is eraan' of 'Hij stee mee den bange', d.w.z. hij is door schrik bevangen;

WNT BANG - in ouderen vorm BANGE - bijw/bnw, uit vz. be- + ang (eng, nauw)

werkwoord, zwak

bange - bangde - gebangd

ergens bang voor zijn, iets vrezen, meestal met ontkenning: je hoeft niet bang te zijn dat...

Ge hoeft nie te bange, as onze paa ts is. - Je hoeft niet bang te zijn, als vader thuis is.

KAREL. Ik geleuf nie detter de irste honderd jaor nog iets vur de Moffe te bange valt. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 11 mei 1945)

En toen zee de irste commissie: daor hoefde nie vur te bange, d komt wel. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Van Beek - Ge hoeft niet te bangen. Ge behoeft niet bevreesd te zijn. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

...want ge hoeft nie te bangen d ze in Brussel [bij een voetbalwedstrijd] 'nen Hollander 'n overwinning kedoo geve. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

Ge hoeft niet te bangen d ge 'n preces zult krijge... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bange(n) zw.ww.intr. (alleen in de infinitief gebruikt) - bang zijn (dat), vrezen voor, denken (dat).

WNT BANGEN - bedr. en onz. ww., thans verouderd. Bedr.: benauwen, beklemmen; onz.: benauwd, angstig wezen

Haor. BANGE - bang zijn, erop rekenen. Nie vur te bange - niet op rekenen

 

bange brlft

zelfstandig naamwoord

bange bruilof; namelijk de 45-jarige bruiloft; bang omdat men vreest de gouden bruiloft (50 jaar) niet te zullen halen

Cees Robben Cees Robben Over n weltje ben ik vf-en-virtig jaor getrouwd, dan vier ik de bange bruiloft, omdek de gouwe toch nie haol... (19850322)

 

bangeghd

zelfstandig naamwoord

bangheid, angst, schrik

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - van bangeghd in zene schmelkl krpe (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 197l) - van angst onder de voetplank van het weefgetouw kruipen

 

bangeschter

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): bangerik

 

bangstl

zelfstandig naamwoord

bankstel

Dirk Boutkan: bangstel (blz. 27)

 

banjerheer
zelfstandig naamwoord
verbastering van baanderheer, een ridder die het recht had een banier te voeren; van daaruit: iemand die dik doet, of het ervan neemt (zie Robben)

Cees Robben Zeuve daoge banjerheer....!!/ Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe... (19540814)
Cees Robben Hij spult mar dn banjerheer.. t komt er meej de schoep binnen en t gaot er meej de kr uit. (19641106)
Cees Robben Ik vuulde me dn banjerheer... (19590523)
banjermeneer

Frank Klaroen - pseudoniem van Willem van Mook - uit: BRABANTSCHE NOVELLEN. De wandelende schooier met zijn hond. door FRANK KLAROEN. Nieuwe Tilburgsche Courant 18-07-1933.

Noord en Zuid - Baanderheer - (banierheer), nog voorkomende in de spreekwijze: Den baanderheer spelen groot leven. De baanderheer of banierheer was een edelman, die in het leger van den leenheer een eigen banier mocht voeren. Banjerheer, banjer, verbasterd uit baanderheer en baander; deze verbastering ontstond uit de omstandigheid, dat het volk in baanderheer het woord banier niet meer herkende. Men zegt: Den banjerheer spelen," maar 't is een banjer." (T. van Lingen, Woordfamilies; in: Noord en Zuid, 1871, jrg. 4., p. 71)

Brabantsche folklore - In 1312, riep Hertog Jan II, een beruchte vergadering te Kortenberg bijeen; leenmannen en baanderheeren van Brabant, afgevaardigden van Brabantsche steden waren op deze plechtigheid aanwezig. (Jrg. 4, 1924, p. 159)

Gerard van Leyborch - Baanderheeren waren ridders die het recht hadden een banier te voeren. Echter was hunne waardigheid niet erfelijk, men moest in tijden van strijd 50 soldaten in 't veld kunnen brengen en deze dan onder eigen banier ten strijde voeren. De naam "banjerheer" (grootdoener) is er nog een overschotje van. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 21 november 1925 Historische Tips 1: De volhardende Brabanders)

Pierre van Beek - Dit brengt ons weer op "de banjerheer uithangen" (...) Die "banjerheer" - of ook wel mijnheer! - vormt een verbastering van het woord "baanderheer". Dat was eertijds een edele, die "het recht had zijn welgeboren mannen onder zijn banier ten strijde te voeren", zoals Van Dale dat wat plechtstatig vertelt. (Tilburgse Taalplastiek, 2-01-1965)

G.J. Boekenoogen - Baanderheer, ook banderheer en banjerheer; bij verkorting banjer (Eig. een edele, die het recht had zijn welgeboren mannen onder- zijn banier ten strijd te voeren). Een banjer (Bij overdrijving: iemand die als een heer leeft, of die zich parmantig aanstelt : Wat een banjer! Den banjer, den baanderheer spelen, uithangen (Den grooten heer spelen). (In: Volkskunde, jrg 16, 1904, p. 82)

WNT lemma BAANDERHEER - De koude winter teert op 't zweet der zomerdagen, Gelijck een banderheer, VONDEL 8, 202 [1660].
 

banjermeneer

zelfstandig naamwoord

banjerheer

Cees Robben Dn banjermeneer/ Die stapt en die treedt/ En die gao mar te keer... (19600325) [het gaat over een haan in de lente]

 

Uit: Nieuwe Tilburgsche Courant, 19 februari 1940

 

bankrs

zelfstandig naamwoord

WBD het voorrijzen van deeg buiten de trog (op de bank of tafel)

 

baoj

zelfstandig naamwoord

► baaj

WBD baai (II:855), dik en grof wollen weefsel, op molton gelijkend flanel, meestal donkerrood, ook wel bruin, geel of blauw van kleur, waarvan onderkleren, vrouwenrokken, hemden voor zeelieden en boeren worden gemaakt (v. Dale).

WTT 2012 - het WBD geeft voor Tilburg (K 183) uitdrukkelijk de uitspaak 'baoj', niet baaj

WBD baojwver - baaiwever (II:942)

WBD baojgetaaw / baojketaaw (II:946)- baaigetouw

WNT BAAI - Benaming van zeker grof, op molton gelijkend flanel.

 

baoje

werkwoord, zwak

baden

Pierre van Beek: baoje, baojere (Tilburgse Taaklplastiek 124), resp. baden en waden.

WBD III.1.2:152 'baden' = met grote stappen lopen

WBD III.1.2:160 'baden' = waden

WBD III.1.2:161 'baden' = pootjebaden

B baoje - baojde - gebaoje - geen vocaalkrimping

...ik zit te baoie in men zwet... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tis not nie goed)

WBD III.4.4:5 'baden' = schuilgaan in een wolk (v.d. maan)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): baoje(n) zw.ww.intr. baden, waden, met zekere moeite en op zekere diepte gaan door.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): verdedigt 'baaijen', zonder d. Z.a.

 

baoje

bijvoeglijk naamwoord

baaien, van baai

Lt ons dan nie lang prakkezeere/ ds gemak as gesneeje koek/ we geeven em dan van ons tweeje/ en nuuwe baoie onderbroek. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Van allebaaj w)

Pierre van Beek: enen baoje rk (van een dik grof wollen weefsel, dat vroeger in Tilburg veel vervaardigd werd in verschillende kleuren, en o.a. door vrouwen werd gebruikt voor rokken) (Tilburgse Taaklplastiek 175)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij heej daor nen baoje rk binnegegoojd (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als een fabrikant een niet onverwacht bezoek aan een arbeidersvrouw aflegde

 

baoker, baokster

zelfstandig naamwoord

baker

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - d nukt de baoker nie, ast kiendje mar geznd is - dat is weinig ter zake of ondergeschikt aan iets belangrijkers

Frans Verbunt: ook: baokster

Audioregistratie 1978 - Ik wies vruuger aaltij al, h, waor rges ene klne moes koomen, h. Want toen was ik mar en jaor f aacht f zo, dnk, h. n dan kwaame ze ons moeder roepen, h. Ik dnk ch, ch, meens ng toe tch, h. Dan blef ze ot hil lang wg, hil de naacht f zo! Die was en baoker! Die ging baokere dan ng, h! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - et baokerke (= Toepoel) (blz. 78)

WBD III.2.2:14 'baker', 'baakster' = vroedvrouw

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): baokster - zelfstandig naamwoordw-vr. baker

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BAOKSTER zelfstandig naamwoord - baker

 

Baokertaand

toponiem

Bakertand, gebied tussen Tilburg en Goirle

 

baol, bltje

zelfstandig naamwoord

baal

een zak van jute of grof linnen

Asse [de nog warme kolen uit de ovens van een gasstoker] afgekoeld of bekaant koud waren, moeste ze in enne baole zak doen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): baol zelfst. nw. m. baal (in AB vr.)

 

Baol

zelfstandig naamwoord, toponiem

Baarle-Nassau

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - Bij Gd n in Baol is alles meugelek

Gin gemier mir meej en fiets of bus/ gin laast mir meej de knder./ Hil de streup meej de trein nr Baol/ ds vur iederen veul fnder. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Meej et spoor nr Bls)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - aachter Baol schnt de zn - Na tegenspoed zal de situatie verbeteren.

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

Baolboemel, Baol boemel

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: boemeltrein Tilburg - Baarle-Nassau

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Baolboemel = museumtreintje (blz. 110)

ES 2012/WTT - Bedoeld is de stoomtrein tussen Tilburg en Turnhout, met haltes in Riel, Alphen, Baarle-Nassau, Baarle Grens, en Weelde. Deze treinen (voornamelijk bedoeld voor goederenvervoer) reden over het zogenaamde 'Bels Lijntje'.

- Heurde gij Baol Boemel wel s blaoze?/ Baol Boemel die blaost als n blaoskepl!/ Ik liet m stome, tuute, remme, raoze/ As ik in Baol kwaam, wies zij t al wel. (Ed Schilders - column in Brabants Dagblad/ Tilburg Plus; 27-09-2012)

Foto's: Regionaal archief Tilburg. Onderste foto: stoomtrein op het Bels Lijntje met links de gevel van de Muziekinstrumentenfabriek van Kessels in de Noordhoek

Bls

 

baolketoen

zelfstandig naamwoord

- Hij is gemeen als 'n stuk baalkatoen van 'n cent de el. - Men zegt het bijv. van iemand, die "politiek pleegt" en daarbij vaak verre van edelaardig blijkt. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Van Rijen (1998): katoen, speciaal bestemd voor het maken van balen, katoen van de minste kwaliteit

 

baolzak

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: slecht passende japon

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): baolzak - slecht passende jurk

 

Onbekende tekenaar; circa 1970 in Bisdomblad

baomes, baomis

zelfstandig naamwoord

1. De feestdag van St. Bavo, 1 oktober

- WNT lemma BAMIS - inzonderheid gebruikelijk als tijdsbepaling. Ontstaan uit 'baafmis', dat is de mis van St. Bavo, op 1 October. In Z-Nederl. nog zeer gebruikelijk, ook wel in den ruimeren zin van 'herfsttijd

Tilburgsche Courant 1892

 

- Op deze dag werden tot in het begin van de 20ste eeuw ook zakelijke overeenkomsten afgerond of aangegaan.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mer prencipaol aon den baomis, die nog dubbeltjes-briefkes doe verwachten. [Dubbeltjes-briefjes: rekeningen.]

- Van Delft - - "Mee Baomus" (St. Bavomarkt) betaalt de boer zijn landhuur en "mee Kauwmert" (Koudemarkt) huurt hij zijn personeel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Verhoeven -- uit: (St.-)Bavomis, 1 oktober, vaste termijn voor betalingen e.d.; ook herfstweer (Cornelis Verhoeven: )

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Bamis, voor St. Bavo's Mis, de 1e dag v. October, is een van die, welke in dezen omtrek, bij de boeren, tijdmerk maken, gelijk Lichtmis, St. Jan, St. Maerten, enz.

Tilburgsche Courant 1881

 

2. Zeer slecht weer; herfstweer, de herfst

- 't is baomes - Int njaor kan et baomes zn. - In het najaar kan het bar slecht weer zijn.

- Et was alle daoge baomisweer/ meej strm n donderbuie... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik moog ok braoie)

- t'Is baomus-weer baos ! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Cees Robben Zukkes weer is baomis-weer... (19701009)

- Wim van Boxtel --

Goud is 't zonlicht, 't ketst uit de ruiten
en lokt in de herfst, de mensen nor buiten.
'n Processie van blaoikes, als 'n waandelend tapijt.
Straks zen we mee baomis al die schoonheid wir kwijt.
(in 'Brabants Bont')

- Et waar ene echte baomisdag, regen en wnd. Bij et fotos maoke vur de kerk blef et gelukkig efkes drg. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): bamisweer (I:22)

- Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BAOMES zelfstandig naamwoord Baafmis: baomesweer

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAMIS (toonl. i) feestdag v. St. Bavo, 1 oct.; tijd rond B.; de herfst

Uitdrukking

Van Rijen (1998): 'G mot hir gin baomes koome zaaje'- ... geen onrust komen stoken.

Frans Verbunt: baomes zaaje - onrust stooken

 

Bavo als jonge ridder - schilderij van Geertgen tot Sint-Jans

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. m. - dialekt v. Hilvarenbeek e.o. -Bamis, Baafmis Z.a.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - baomes = herfst (krt. 46 en blz. 160)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BAAFMIS - herfstweder.

Str. baomes (2:35)

WBD III.3.1:129 'bamis' = vervaldag

WBD III.3.3:250 'bamis = feestdag van St.-Bavo

WBD III.4.4:40 'bamisweer = wisselvallig weer

WBD III.4.4:44 'bamis', 'bamisweer' = slecht weer

WBD III.4.4:48 'bamisweer' = druilerig, nat weer

WBD III.4.4:119 'bamis(tijd)' = herfst; ook 'natijd'

►Dossier baomes

 

baon, bntje

zelfstandig naamwoord

baan (weg)

baan (betrekking)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'stadsbaontjes'

De Wijs -- ik zuuk nog aaltij n baon van s merreges vrij en s middags nie hoeven te komen en salaris over de giro (16-01-1975)

Cees Robben De steekes langs de groote baon (19601125)

WBD laojbaon (II:983) - ladebaan (v.d. weefspoel); ook: laojvlakte

WBD III.3.1:396 'baan' = heerbaan (grote, brede weg); ook genoemd: 'dijk'

WBD III.3.1:397 'baan' = openbare weg

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): baon zelfst. nw. vr. baan 1) de grote weg; 2) een strook van enige meters breedte over het veld.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAAN zelfst. nw. v - openbare weg die niet gekasseid is; ook pad of spoor; ook: tamelijk brede aardeweg, waar men met eene kar kan rijden

 

baor
zelfstandig naamwoord
baar; draagbaar met daarop de doodskist
Cees Robben Bij n lze baor fiste... (1979130) [De zogenaamde loze baar is een katafalk: een loos getimmerte dat, behangen met een doodkleed, de gedaante van een doodkist op een draagbaar vertoont en waardoor bij kerkelijke rouwplechtigheden de kist met den of de overledene wordt vertegenwoordigd (WNT lemma BAAR). De loze baar werd bijvoorbeeld gebruikt bij missen die kort na de begrafenis gehouden werden ter nagedachtenis van de overledene.]
 

baord, baordje, brdje

zelfstandig naamwoord. Uitspraak = 'baort', vklw.: 'brtje, bortje'.

baard

Dialectenqute 1879: 'nen ruigen board

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dur zenen baord zke - zich onbetrouwbaar gedragen (variant: schte)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): en vreke meej nen baord is zlde van goejen aord

Cees Robben Noemde gij d baord... (19780902)

WBD III.1.1:55 'bakkebaard', 'bakkenbaard', 'bakkebaardjes', 'bakkenbaarden'

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): baord zelfst. nw. m. baard; mv. 'baorte(n)'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAARD zelfst. nw. m. - Vuiligheid rond den mond: Kuis(ch)t uwen baard af.

 

baordje
zelfstandig naamwoord verkleinwoord van baord
baardje; het woord is nergens anders aangetroffen in de hier kennelijk bedoelde betekenis van onderkleding voor een kind; mogelijk betekent het borstrok; mogelijk is het een verbastering van 'boord'
Cees Robben Krgt ie [het kind] irst van men n baordje../ Dan zn hanne-sjpke aon... (19581122)
 

baore

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): baren, (spel) waarbij twee groepen in twee vakken blokken omgooien

 

baors, brske

zelfstandig naamwoord

baars

WBD III.4.2:92 'baars' - baars (Perca fluviatilis)

WBD III.4.2:92 'baarske' - pos (Gymnocephalus cernua), ook genoemd: 'pos', 'schele jood' of 'koolbaars'

 

Baors, de
toponiem
De Baars
ven in het oosten van Tilburg nabij Koningshoeven
Cees Robben Blauwslt.. Buunder.. Baors en Broek.. (19570316)
 

baos, bske

zelfstandig naamwoord

baas

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Baos is baos, k al is ie van hout/ strooj.

WBD gistbaos - gistkelderbaas (leidinggevende persoon die belast is met de gisting, in een brouwerij)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'ze zijn nog den baos'; zn dees aajer vrs, baos?

Cees Robben: asse mar enen baos hbbe, dan ist gemkt;

Cees Robben: Ik bn ts den baos, mar ast er naawt, is ns vrouw den baos;

Cees Robben: ffteg jaor stikkedoor bij en n denzlfden baos;

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - baos mlwrm: as gem p zene kp trapt, is ie dod (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916):) - op een baas met weinig gezag, (zie aldaar onder meelworm)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BAOS zelfstandig naamwoord baas; z'n igeste baos - onafhankelijk

Interview met de heer De Kok (1978) Den baos die maag nie iem den baos om zen nk geeve int bijzn van zen prseneel! (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

Frans Verbunt: ge baos - zelfstandig zakendoend

Frans Verbunt: den baos in hs - het hoofd van het gezin

Frans Verbunt: baos is baos, ok al issie van stroj

WBD III.3.1:326 'grote baas' = vooraanstaande

WBD III.1.4110 'baas' = bazige vrouw

WBD III.2.2:87 'baas'= echtgenoot.

WBD III.1.4.326 'bazen''de baas spelen' = idem

 

baot

zelfstandig naamwoord

baat

WBD n de baot, n (de) tlling - de koe heeft het einde van de dracht bereikt, ze is 'tgetld', 'tgereekend'

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): - zelfst. nw. vr. en m.: baat, genezing, herstel (baot zuujke, veenne); II. zelfst. nw.  m. baat (weinig gebr. in een zin als 'We haaan geenen, resp. goeien baot gevonde'.

 

baote

werkwoord, zwak

M baten

baote - baotte - gebaot

vocaalkrimping ?

 

baozele

werkwoord, zwak

M bazelen

WBD III.1.2:221 'bazelen = ijlen

baozele - baozelde - gebaozeld

-geen vocaalkrimping

Ge baozelt gepraotte muziek! (Piet Heerkens; uit: De Mus, Merel, 1939)

WNT BAZELEN - freq. van 'bazen'. Eigenlijk: bevelen; bij overdrijving: onzin praten, beuzelen.

 

baozin

zelfstandig naamwoord

bazin

WBD III.3.1:35 'bazin' = boerin, ook 'vrouw'

 

Bartje de Ganzennek

bijnaam

bekend tilburgs straattype

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Mar Bartje de Ganzennek die, die was vroeger loopjongen bij de vishandel, h? Bij de vishandel, j, bij de Leuw, bij de Leuw op de Krvelsewg (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

bats

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - bats, ook in Tilburg

Van Rijen (1998): grote schop; achterwerk, kont

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BATS zelfstandig naamwoord korenschop

 

batterij

zelfstandig naamwoord

achterwerk, kont; uit het Franse batterie = vuurmond

Cees Robben En toen viel ik op mn batterij, meneer dokter (19700313)

Cees Robben W hee d schokwammes toch n batterij war... (19720225)

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - batterij, verspreid in  Tilburg

Ik vond et aaltij un koddig gezicht. Al die dikke vrouwen t de buurt, meej van die vette batterijen, zittend op die kr. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ed Schilders op CuBra over batterij en andere namen voor het achterwerk

 

bazzeloen - bazzeroen

zelfstandig naamwoord

boezeroen, overhemd

►boezeroen

Een bijzondere Tilburgse variant is ► toekiel

WTT 2012 -- In  Tilburg (na 1950?) valt bazzeloen / boezeroen samen met 'kiel', met name de blauwe kiel van boeren (en het hemd, gedragen tijdens de lokale carnavalsviering. In oorsprong betreft het echter twee duidelijk onderscheiden kledingstukken voor mannen, waarbij de boezeroen een onderkleed is waaroverheen nog een vest en een jas gedragen werden, terwijl de kiel juist vest en jas vervangt en het bovenkleed is van de boer of arbeidsman. In het algemeen kan gezegd worden dat het moderne woord voor bazzeloen / boezeroen 'overhemd' is, een hemd gedragen over het onderhemd en/ of de borstrok. (zie Van den Bredevoort, hieronder)

-- Sindreklaos ha me goed bedcht/ d was harstikke fn/ mar et bazzeroen d was te grot/ de sloffe vuls te kln... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ruilen)

-- ...d mn bazzeroen zo dartel is... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ons Wies d'r waas)

-- Ons moeders hmd, jouw bazzeroen/ mn broek... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et begien van de kndervekaansie)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n dan ginge wij om twaalef uur, gn wij schfte n dan ztte we de zaak stil n dan vlug, vlug in et bazzeroentje zo mar n en paor klumpkes aon nt doen f ge stond te wrreke, gauw fkes nr Fonske Illese (Elissen), gauw en glske bier drinke n dan wir in et febriek! Klik hier om dit bestand te beluisteren

-- Hattie zen ge geschoren en afgewaase dan trok ie zen overhemd aon. D noemde hij men bazeroen. Daor zaat ginne kraog aon. Aachter in de kraog zaat un knupsgat, waor un boordeknupke in paaste. Hattie d bazeroen dichtgeknupt, et waar mistal un blauwwit gestript geval, dan vatte ie dieje boord, die er los bij heurde. Meej et gaotje in dieje boord naor aachteren, perbeerde ie dan d boordeknupke in d gaotje te krge. D lukte netuurluk not aachtermekaar. Dieje boord waar k z stf as un plank. Mistal nao zon drie mislukte pogingen, riep ie er ne van ons. Wij moese et al hillemol op ons gevuul doen. Wij zagen nie w we deeje, daor waren wij nog te kln veur. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

-- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

-- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BAZZELOEN - v - boezeroen, kiel

WNT BOEZEROEN .... barzeloen, bazeloen (Leuven)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): BAZELOEN, bezaloen, boezeroen.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BAZELOENTJE zelfst. nw. o. - kort lijnwaden kieltje, gedragen door arbeiders bij vuil werk.

WNT (1897) -- Korte kiel met lange mouwen, meestal van blauw gestreept katoen of linnen; door zeelieden, sjouwers en ambachtslieden, vooral als onderkleed, gedragen. In Zuid-Nederland zijn nevens boezeroen allerlei andere vormen in zwang als boezeron, buzeron, bazeron (West-Vlaanderen), barzeloen, bazeloen (Leuven), bazeroentje (Limburg), boe(r)zelaan (Lier en Mechelen); zie SCHUERM. 33 [1865-1870], SCHUERM. 65 [1865-1870] en DE BO [1873]. Al deze vormen kunnen onstaan zijn uit het gelijkbeteekenende fr. bourgeron, over welks onzekere afleiding men LITTR vergelijke.

 

b

uitroep

voorafgaand aan een mededeling - wel nee! b-nee!

"B-nee, den baos is taai zat... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

b, bij

voorzetsel., bijwoord

bij

Toe teej toe haj bm. - Zelfs thee had hij bij zich.

CiT (71) 'Kem bemme'

Met vocaalreductie ontstaat 'b' uit 'bij' in o.a. bdehaand en werkwoorden als bhaawe, blappe, bpre, bschiete (cfr. Dirk Boutkan: 41)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): B vz: bij

 

bbbel

zelfstandig naamwoord

kwebbel

Henk van Rijen: hak menen bbbel mar dichtgehaawe -had ik maar niet zoveel gepraat

Piet van Beers Ndderhaand moete nie maawe: Dan moete oewen bbbel haawe (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

WBD III.1.1:100 'babbel'= mond

 

bd

zelfstandig naamwoord

Cees Robben: Hij is nie goed f niks, n leej te bd n alles;

Cees Robben: de gt wier p et bd gedraoge;

Van Beek - Iemand, die zijn vriend precies verkeerd ergens mee helpt, helpt hem "van bed op strooi". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Henk van Rijen: leetie naa al te bd?

Frans Verbunt: et is mn om et eeve, f ik in bd lig f erneeve

WBD(III.2.1:100) bed

WBD (III.2.2:31) 'nog alles in bed' = nog niet zindelijk (kind)

WBD bddeplank, bddeplaank - bedsteesponde (losse plank in de opening van de bedstede, die verhindert dat de slaper eruit valt)

WBD bddeplank, bddebaank - beddeplank (plank in de bedstede boven hoofd- of voeteneinde, waarop iets gelegd/gezet kan worden)

WBD bedstee - bedstede (geheel door omtimmering afgesloten ruimte waarin een slaapplaats is gemaakt)

 

bedaanke

werkwoord, zwak

bedanken

Pierre van Beek: Dgge bedankt zt, d witte (Tilburgse Taaklplastiek 183)

gg bedankt - dankjewel (ook ironisch)

dgge bedankt zt, d witte - nou, dank je wel hoor!

bedaanke - bedankte - bedankt

in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij bedankt

ontslag nemen

Interview met de heer De Kok (1978) D moete doen, zgge ze, ge moet alleml bedanke, zeetie, want et gld is op! Ge zult nr Duitsland moete as d gld op is. n toen hbbe we ammel bedankt bij Jan van Aorendonk, h. Ammel bedankt!! (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

bedankt

bijwoord

bedankt

- In het traditioneel gezegde: 'n dgge bedankt zt d witte'

Dankbetuiging van Ferry van de Zaande - internet 2013

 

bedaore

werkwoord, zwak

bedaren

WBD III.1.4:74 'bedaard' = bezadigd

B bedaore - bedaorde - bedaord

- geen vocaalkrimping

 

bddekes
zelfstandig naamwoord meervoud, verkleinwoord van bd
bedjes
Cees Robben Ze slaope daor, de drllekes/ In beddekes... as mllekes... (19580531)
 

bddeplaank

zelfstandig naamwoord

beddeplank

Frans Verbunt: tisser ene van de bddeplaank - wordt gezegd van een kind dat precies negen maanden na de huwelijksvoltrekking geboren is.

WBD bddeplank, bddeplaank - beddeplank (plank in de bedstede boven hoofd- of voeteneinde, waarop iets gelegd/ gezet kan worden)

WBD bddeplank, bddeplaank - bedsteesponde (losse plank in de opening van de bedstede, die verhindert dat de slaper eruit valt)

gd07 aachter de bddeplaank

WNT Hij is van de beddeplank - waarmede waarsch. bedoeld is dat de bevruchting reeds plaats had vr de jonggetrouwden nog ordelijk te bed lagen.

 

bdding

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:396 'bedding' = heerbaan (grote, brede weg); ook 'baan' genoemd

 

bedrve

werkwoord, sterk

bederven

Dirk Boutkan: bedreve - bedieref - bedreve

B bedrve - bedrf - bedrve (in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping)

gez. Beeter en aaw prd kept as en jng bedrve.

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'bedurreve eetwaoren'

Cees Robben: Beeter en aaw prd kept as en jng bedrve.

Waar et gin kwaste bedrve dettie deej, dan waar ie wel kaomers n et behange. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej waoter valt niks goed te maoken n meej sker kunde niks bedrve (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1965) - om iets te verbeteren dient men de juiste middelen te gebruiken

WBD III.2.3:203 'bederf' = bederf in het brood 

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BEDERVEN - bedreve wkw (bediref, bedoreve) (opm. over deelw. Z.a.)

 

bdehaand

bijvoeglijk naamwoord

bijdehand

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Bdehaand as en vrouwehaand n en prdetaand.

De Wijs -- Zij is aaltij haontje de veurste gewist, echt bdehaand; ze vree mee dur zistien al thus en mee t trouwen mos ze k hard lope (10-03-1967)

WBD bddehaandsketier - linker voorkwartier v.d. koeie-uier

WBD b de haand - linkerkant van het paard, ook genoemd 'ndehaand' of 'van de haandse kaant'

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij is bdehaand as en pan znder steel (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 19 64) - spreekwoordelijke vergelijking: hij is dom.

 

bedille

werkwoord, zwak

bedillen

De Wijs  --  Die zitten naa te bedillen, wietter bedld mot worre. (10-02-1963)

Cees Robben Dr valt hil w te bedillen, Merie, asser gedild moet worre.. (19650402)

 

bedisseld
voltooid deelwoord van bedissele of 'bedistele'
in orde gemaakt
Cees Robben Dur n vrouwehaand bedisseld... (19700220)
 

bedistele

werkwoord, zwak

bedisselen, in orde maken, beredderen

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bedistelen - in orde brengen

 

bedoen

werkwoord, sterk

Van Rijen (1998): aandoen, veroorzaken

bedrve bijvoeglijk naamwoord

bedorven

-- Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Beeter en aaw prd kept as en jng bedrve.

K+S 'bedurreve eetwaoren'

Cees Robben: Beeter en aaw prd kept as en jng bedrve.

WBD III.1.4:93 'bedorven = idem

WBD III.2.2:34 'bedorven' = verwend kind

WBD III.2.3:202 'bedorven' = beschimmeld (brood)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEDRVEN bvw - Spr. Bedrven zijn tot in 't merk van zijn beenen - door en door bedorven zijn.

 

bedllie
zelfstandig naamwoord
medaille, medaillon
Cees Robben [De vrouw:] Ik kan nie verder.. zeej ze toen.. [De man:] D hedde goed gedaon../ Sprak Jan.. Kust de bedollie mar../ Dan kumme slaope gaon... (19670428) Robben doelt op de medaillon die onderaan de rozenkans bevestigd is. Na het bidden van de rozenkrans of het rozenhoedje werd die medaille tegen de lippen gedrukt. ► tientje
In de prent van 28 april 1967 krijgt bedllie echter een andere betekenis: bij gebrek aan een rozenkrans stelt een slaperige man aan zijn vrouw voor dat zij in plaats van een rozenkrans zijn ruggengraat gebruikt (de wervels als kralen van de rozenkrans). De vrouw bidt het eerste tientje, vervolgens het tweede, al ging d dan mar krap. Robben gaat uit van van 12 borstwervels en 5 lendenwervels, dus inderdaad is dat krap twee tientjes.
►rillekwie
 

bedrve

werkwoord, sterk

bedrijven

B bedrve - bedref - bedreeve

- geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd

 

bedriege

werkwoord, sterk

bedriegen

B bedriege - bedrog - bedrooge

 

bedrog

verleden tijd van 'bedriege'

bedroog

 

bdstee

zelfstandig naamwoord

WBD bdstee - bedstede (geheel door omtimmering afgesloten ruimte waarin een slaapplaats is gemaakt)

 

bdstroj

zelfstandig naamwoord

beddenstro

Van Beek - Verhuizen kost bedstrooi. - Verhuizen brengt meestal vele ongedachte kosten mede. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

beduije

werkwoord, zwak

beduiden

tbeduije: contaminatie uit uitleggen en beduiden

B beduije - beduide - beduid; ik bedui, gij/hij beduit

 

bbel

zelfstandig naamwoord

bijbel

 

beebieke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

ook: beebiekiendje

Van Rijen (1998): baby

Frans Verbunt: beebiekiendje

Cees Robben: ''t beebieke hiette Marjanne'

- baokers n beebiekiendjes

 

bek

zelfstandig naamwoord

beek

Dirk Boutkan: plur. beeke. blz. 32: naast sing. 'beek' ook 'bek'

 

Beek

zelfstandig naamwoord - toponiem

Hilvarenbeek

Cees Robben Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... (19540508)
Cees Robben En naor Beek gao de rs... (19600102)
Cees Robben Over Brees naor Beek.. (19751121)

Want, want Beek as gij in Hilverenbeek vruuger en verbaol kregt dan moeste gij in Orscht vurkoome! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hier n te Beek en: Spottend, als er bijv. maar weinig rozijnen in het brood zijn. Variant zie 'krint'

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Oover Beek n Esbeek nr Pppel gaon - Met een omweg zijn doel willen bereiken.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Gaon as de zaogers van Beek (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1968) achter elkaar lopen (z.a.)

Frans Verbunt: hier n te Beek - krentemik met weinig krenten

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): zelfst. nw.  Hilvarenbeek; z.a.

 

bl, bltje

zelfstandig naamwoord

bijl, 'hakbl'

et bl (onz.) - dus: het bijl

t Bijl staot er om zoo te zeggen al tegenaon. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Het volksgebruik verandert op verscheidene plaatsen de geslachten der naamwoorden: het bijl. Z.a.

 

ben, bintje

zelfstandig naamwoord

een been, verkleinwoord: beentje

ben komt ook regelmatig voor als meervoudsvorm naast bene

1. Enkelvoud

Ik h gin ben mir om op te staon.

Van Beek - Heeft men iemand beledigd of toornig gemaakt, dan wordt gezegd: "Toen was 't tegen 't kwaai been" ("kaoi"), d.i. toen werd hij kwaad; door daad of woord werd de ander beledigd en ontstond vijandschap. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Pierre van Beek: teegen et kaoj ben (Tilburgse Taaklplastiek 123)

Cees Robben: Et gao goed, zi den dkter: et aander ben moet er k aaf.

Cees Robben: et ben is wir hel; Cees Robben: men ben d slpt;

Ons moeder waar der wel wir mooi klaor meej, daor laag ze te bed
in de hskaomer. In de bedstee zal et wel te benauwd zn gewist
omdesse naa in un normaol bed laag, laag ze aaltij asse wir un kiendje
krg, meej un schon spraai erover. Ze ha der haore los over et kussen liggen. Ons moeder ha van d lange haor tot op der kont. Aanders vlocht ze d elke mrge tot tweee sterten en rolde die dan op tot un kntje, desse meej haorspelden bij elkaar hield. Zeker gin td gehad, omd dieje ooievaar ineens vur de deur stond. Dieje vogel ha ze wir in der bn gepikt, de rotzak. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

2. Meervoud

Boutkan: (blz. 36) meervoud: bene

Van Delft - "Ze bleef zitten met twee platte kinderen, terwijl ze weer op d'r leste beenen liep." Dit is: Haar man stierf terwijl ze twee kinderen had, die nog niet loopen konden, terwijl spoedig een nieuw kindje verwacht werd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

Van Beek - M'n vrouw loopt op d'r laatste benen. - Haar zwangerschap loopt ten einde. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

Cees Robben uitdrukking: van de bn; ziek - Mn vrouw is van de been afgeraokt (19671006)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Pieta zit in Fatima, die heej alletweej der bene kwt vruuger asse, aatij siegaare roken, h, n veul vur reme meense doenhil veul!. (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Lodewijk van den Bredevoort Trouwes daor liepe der un paor bij waorvan de toekomstige echtgenoote al op der liste bne liep, w die daor nog moesse koome leere, waar vur mn un raodsel. (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Lodewijk van den Bredevoort Gelukkig han we nog jonge ben (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Klaoge meej geznde ben.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej twee ben ineens schuppe - erg kwaad zijn

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ast vles deraf is, gooje ze de bene bte (HM 5O) - typering van werkgevers die personeel ontsloegen als het oud was.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BEEN - bien zelfst nw.o.; mv. -?

3. Verkleinwoord

Dirk Boutkan: (blz. 31) bintje

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - p de Mookerhaaj meej zen bintjes ligge te rammele (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1968) - dood zijn

Beenderen

Cees Robben: et vles liever as de bene;

WBD III.1.1:28 'benen' = beenderen

WBD III.1.3:239 'beenkap' = lappenkous

Etymologie:
Got. baina, D. Bein, N. been, T. been

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Op krt. 64 m.b.t. suffixloos plur. is T een grensgeval.

 

bene

stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

benen

En bene handvat. - een benen handvat

WBD 'beene knp' (II-1100) - benen knoop

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BEENEN - biene, bijvoeglijk naamwoord - Uit been vervaardigd

 

bne

werkwoord, sterk

binden

WBD III.2.1:365 'binden' = idem (dik worden van gerechten.)

WBD afbne - castreren, ook 'lubbe', 'snije of 'afkn' genoemd

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'beinen'

Dialectenqute 1879: bne ( als in fr. mme)

B bne - bn(de) - gebnde;

Dirk Boutkan: bne - bnd - gebnde

- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bnt

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): bne, ik bn, gij bnt, hij, gllie bnt, wij, zullie bne, bntie, bntie, ik h gebnde

Cees Robben: ''t bisje vaast te bne'

Dirk Boutkan: bne: ww. vormen; zie zin 139, blz. 102

WBD III.1.3:132 binders' = lange linten v.e. schort

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Braban (1937) - bne (krt. 15)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): be.ne(n) st.ww.tr. 'beenen', 'bijnnen', 'bijnden' - binden

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899):BIJNEN - binden. 'En koor(d) aan 'ne' stok bijnen. GEBONNEN: 3e hoofdvorm van 'bijnen'

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beinde, opbeinde - binden, opbinden, vastmaken

 

beenedije

werkwoord, zwak

benedijen

Dialectenqute 1879: benedije

-beenedije - beenedijde - gebeenedijd

 

beentjessoep

zelfstandig naamwoord

Soep, getrokken uit beenderen en knoken.

- rrepel mee juin of w sloeber van beentjessoep. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

 

br

zelfstandig naamwoord

beer

WBD volwassen mannelijk varken

WBD binnenbr - mannelijk varken dat door geslachtelijke afwijking niet als zodanig herkenbaar is

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'brombeir'

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - brne bre = trappisten (blz. 87)

Dirk Boutkan: (blz. 22) br naast beer

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): br - beer, mannelijk varken

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): be:r zelfst. nw. m. 'beer', volwassen manlijk zwijn dat ter dekking wordt gehouden; II beer (ursus)

J. Berns e.a., Brabantse spot- en schertswoorden (1975): BR: dikke persoon; Corn.Vervl. 194. Metaforisch gebruik. De omschr. bij CV doet vermoeden dat de betekenis 'ruwe, onbeschofte kerel' gangbaarder is.

 

bre

werkwoord, zwak

WBD laten dekken v.e. varken (in de Hasselt), aldaar ook 'nbre' genoemd

- bre - brde - gebrd (geen vocaalkrimping)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): be.re(n) zw.ww.tr. 'beren' Z.a.

 

brg

zelfstandig naamwoord

berg

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): breg - zelfstandig naamwoord berg z.a.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): in ietaalieje zn er brge die vuur spouwe

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - van de langen brg koome - iets tergend langzaam doen

WBD III.4.4:139 'berg' = duin

WBD gesneden mannelijk varken, ook 'brreg' genoemd

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. m. 'brg' , manlijke (gesneden) big II berg, hoogte

 

brege

werkwoord, sterk

bergen

Dirk Boutkan: brege - breg - gebrege

brge - brg - gebrge

geen vocaalkrimping

zelfstandig naamwoord, meervoud van brg

bergen

Cees Robben As unne ezel tussen twee brege hooi (19780825) [als uitdrukking voor een moeilijke keuze of twijfel]

 

brk

zelfstandig naamwoord

berk

Dirk Boutkan: (blz. 22) brk, naast brk

 

Brkel

zelfstandig naamwoord, eigenn.

Berkel (gem. Berkel-Enschot)

 

brput

zelfstandig naamwoord

beerput

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n toen zaatie dan op zen gemak, zaatie daor ok op diejen ballekik zg teege mnne maot,  ik zg gdverdomme, ik zg daor zittie, ik zg naa zummem tch es te pakke neeme n wij stillekes aachteraon ok ammel bij diejen ballek n ik stot meej menne schouwer zo in ene keer teege dieje klikker aon n hij viel aachteroover in diejen brput, h, h, h, ik zg gdverdomme, heej! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

Brs

zelfstandig naamwoord eigenn.

Frans Verbunt: Middelbeers; de Beerzen (Oost-, West- en Middelbeers)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): Brs - alleen voor Middelbeers; Oostel- en Westelbeers worden steeds bij de volle naam genoemd.

 

bet

verleden tijd van bte

beet

 

bte

werkwoord, sterk

bijten

Bttie ak em aaj? = Bijt hij als ik hem streel?

...mn schonste Tilburgse spreuk. Die gao zo: Bttie akkum aaj? (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

De Wijs  -- Kw dettie oe bt (feb. 1962)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ng gin strooj kunne bte ('77) - arm zijn

Henk van Rijen: kwottie oe bet - ik wou dat hij je beet

bte - bet - gebeete

Vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bt

Dirk Boutkan: (blz. 40) verl. tijd bet, maar: bitte gij?

 

btel

zelfstandig naamwoord

beitel

 

beeterder

bijvoeglijk naamwoord, comp.

beter (comparatief van goed)

WBD III.1.2:410 'beter' = genezen

 

beeters

bijvoeglijk naamwoord

beter

Pierre van Beek: nie beeters te weeten f .. (= ... tenzij ik me vergis) (Tilburgse Taaklplastiek 123)

Pierre van Beek: nie beeters te weeten f .. (= naar mijn mening) (Tilburgse Taaklplastiek 171)

WNT BETER C) Bijw. - In Zuid-Ned komt ook als bijwoord de bijvorm 'beters' voor

 

beevaort
zelfstandig naamwoord
bedevaart
Cees Robben t Pastrke van Esbeek (...) zijn beevaort liep terug... (19810807)
►bvert
 

beve

werkwoord, zwak

beven

B beve - bifde - gebifd

- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bift

 

beever

zelfstandig naamwoord

[niet uitgesproken als bver]

bever - stofnaam - uit Engels 'beaver' of Duits 'Biber'

Henk van Rijswijk - Bever: Namaak beverhuid. Een sterk aan n zijde geruwd en gestreken wollen weefsel in 8-schachts versterkte kettingsatijnbinding geweven met hardgedraaide ketting en iets losser gedraaide inslag. Soms ook geweven in 5 schachts inslagsatijn. Gebruikt voor sportkleding of winterbedrijfskleding. De boven- en de onderzijde zien er geheel verschillend uit.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), ►http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm

WNT lemma Bever II (1900) - Bij KUYPER (Technol. 2, 270 ) wordt bever vermeld als naam van eene katoenen stof met het voorkomen van dik, grof en langharig laken: waarschijnlijk eene navolging van eng. beaver in den zin van "a felted cloth, used for overcoats etc." (MURRAY 1, 745).
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Biber. Van oudsher zeer gewilde pelssoort. (Bever). In Europa levert Duitschland de meeste vellen. Roodachtige kleur. Platte staart. Door overgroote jacht op het dier, is de kans op uitsterven zeer groot. Biber of bever. Grof, sterk geruwd en daarna geschoren wollen of katoenen weefsel voor onderkleeding. Effen binding. Donkere kleuren.

 

bvert

zelfstandig naamwoord  

bedevaart  

R l0 sept. naar Eindhoven om Sint-Nicolaas van Tolentijn aan te roepen 'vur et vee'

Nicolaas van Tolentino

R 2e Pinksterdag in Loon-op-Zand 'vrekesbeevert'

R.J. 'de Golse mannen die bvurten gre'

Cees Robben ter bvert in de maond van maai... (19600520)
Cees Robben Saome trokke ze ter bvert (19700925)
►beevaort

- Vruuger wast meej Heemelvaort/ smrges om vf uur op/ n dan dur de Enschotsebaon/ op bvert nr Sint Job. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nr Sint Job)

- In de Maaj mee vrouw en kender/ Gonge ze op bvert nor St. Job/ Dan wir nor huis mee unne stok/ Van fltjeshout, unne schar in top Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005

- Piet van Beers Bvert: En zo, waare der overal pestoors/ die unnen hellige op stal han staon./ Op zon bvert wier flink/ mee de schaol rondgegaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Onze vadder en ons moeder ginge ng op beevert. Nr Keevelr. Zlf zk not vdder gewist as de Hasseltse kepl n Sint Jb. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD (III.3.3:27l) op/te bvert gaon

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bvert - bedevaart, z.a.

 

beezeg

bijvoeglijk naamwoord

bezig

WBD III.1.4:352 'bezig zijn' = idem

WBD III.2.2:31 'bezighouwerke' = nog niet zindelijk (kind)

 

beezem, beezie

zelfstandig naamwoord

bes

Gmme mrege beezeme plukke?

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "beezeme - bessen"

WBD III.4.3:91: vergifbeezie, kriek, vergiftegde beezem, vergiftege beezem - oneetbare bes

WBD III.4.3:174 lievevrouwbeezem - jeneverbes

WBD III.4.3:179 sint-jansbeezem - blauwe bosbes, ook genoemd: klkkebaaj

WBD III.2.3:174 'bezem', 'bezie' = bes

WBD III.2.3:176 'bezem', bezie' = aalbes

WBD III.4.3:179 'bosbes', 'bosbezem' = blauwe bosbes

WBD III.4.3:180 'bosbes' = rode bosbes

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BIZZEM, v. bes, bezie; ook -bei in rbizzem, aardbei.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): beizi zelfst. nw. vr. 'bezie', bes

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BEEJZEM zelfstandig naamwoord - bes; ook: beejzie

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): bizzeme (IV:40)

Str. beezie (2:19)

 

begaaje

werkwoord, sterk

►begaoje

 

begaffeld
voltooid deelwoord van zwak werkwoord begaffele
slordig werk verrichten
Cees Robben Ge hegget meej de riek begaffeld... (19620914)
 

begaffele

werkwoord, zwak

aan de steel steken, handig aanpakken

Van Rijen (1998): klaarmaken, afmaken

Cees Robben Ik zal oe w teugws maoke hoe degge d vort moet begaffele... (19650115)

Frans Verbunt: beeindigen, voltooien

WBD III.4.4:302 'begaffelen' = ordenen

Stadsnieuws: Ik zak oe es teugws maoke hoe dgge d moet begaffele (071208) - Ik zal je eens presies uitleggen hoe je dat zo efficint mogelijk doet.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEGAFFELEN - misdrijven, misdoen

WNT BEGAFFELEN - l) den mond zoo ver opendoen dat men een groot brok eten naar binnen kan krijgen; 2) vandaar: handig en snel iets weten gedaan te krijgen; 3) ten slotte verschilt het weinig van 'bedisselen'.

 

begaofd

bijvoeglijk naamwoord

begaafd

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'begaofdheid'

 

begaoje

werkwoord, zwak

Van Dale - begaaien - uit het Middelnederlandse begaden: het gelijke bij elkaar brengen. Gewestelijk echter: bevuilen, bezoedelen; het in de broek doen (van kinderen); en 'zich begaaien', zich te goed doen aan voedsel of drank.

WNT - [begaden] met uitstooting der d ook 'begaaien', bedr. zw. ww; begaadde, heeft begaad. Thans verouderd, maar in de Frankische dialecten nog gewoon, vooral in het deelw. 'begaaid. In de Middeleeuwen een groote reeks bett., in 17e eeuw slechts enkele overgebleven. In het alg.: iets in een zekere toestand brengen, in orde brengen, ook versieren. Bij Cats ook: bevuilen, bezoedelen.

-- begaoje - begaojde - begaojd (geen vocaalkrimping)

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: Op 't lest begaoide ie den boel zoo rg, d Driek () 't nie laanger kon thaauwe. - daar geannoteerd met: bedierf, maakte hij 't zoo bont.

-- Hij hagget tch zo begaojd! - Hij had het toch zo bont gemaakt!

- Brabantius (1884) - Begaojen, mishandelen, leelijk toetakelen, er slecht doen uitzien (Onze Volkstaal, 1882, nr.4; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal).

- Daamen, 1916 -  "begoait - w waas ie begoait (toegetakeld)"

...as ze mnen d'k 't volgens hullie te veul begaoi. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

- Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): W hbbe ze et tch wir begaojd!

- Cees Robben Ge hegget me hier wir is begaoid... Bastiaantje... (19570608)
- Cees Robben Toen ge t vleeje week mee t karnevalsbal z begaoid had.. (19800215)

- De Wijs -- Hij hee hil w te verstouwe mar hij begaait t nogal is (17-08-1964)

- De Wijs -- Hij heeget t toch wir begaot; assie vandaog wir iets goed doet, isset dn irste keer (13-07-1966)

- Piet van Beers t Draaihs: n paast er vur op dgget nie gaot begaoie. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Piet van Beers t Maag wir lente worre: 't Is nou te hope d t weer/ t'nie te veul gao begaoie/ Dan kan ik wir zo zuutjesaon/ den hof mee om gaon spaoie. (With Love; 1982-1987)

- Piet van Beers t Maag wir lnte wrre:  Tis naa te hope, dt t weer/ 't nie te veul g begaoje. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): maken, miskleunen, begaden, begaaien

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): II:38 'Ik begaai m'n eige'

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - begaden

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BEGAOJE - bevuilen, tekeer gaan

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEGA(D)EN, BEGAAIEN - bevuilen, besmeuren, bemorsen, bederven, schenden

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): begaoje(n) zw.ww.wederk. en tr. begaden: 1) bevuilen, 2) grof maken

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEGADEN (begaoje) - het

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): maken, de zaak bederven.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Begaden = bevuilen, besmetten; z.a.

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): Ik begaai m'n eige (II:38); begaojing (VII:55)

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): begaoie - smerig maken; verprutsen

OT 72:196 (v.d. Sijs) begaaijen: Sewel "bevuilen"; van gade 'gelijke', dus: gelijkmaken, in een bep. (slechte) toestand brengen.

WBD III.1.4:340 'begaden' = het lelijk laten liggen

WBD III.4.4:320 'begaden' = bevuilen

 

begfchteg

bijvoeglijk naamwoord

misselijk

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): 'begaif-aichtig - misselijk'

 

begre

werkwoord, zwak

begeren

Dialectenqute 1879: D beger ik vaan jaau te wte (: tussen ee en ) - Dat begeer ik 'begeerte' = idem

WBD III.1.4:433 -begeren' = idem: 435

B begre - begrde - begrd

geen vocaalkrimping

 

begnkenis

zelfstandig naamwoord

ook: begankenis

heel gedoe, zware opgave: moeite, werk - de oorsprong is echter (cf. Van Dale) de grote inspanning die een bedevaart vereist, of ook wel een processie. Vergelijk:

WNT: van begang, een der stammen van begaan, + nis. Mnl. begankenisse, hd. begngniss. Bett.: het begaan, d.i. het bezoeken van eene plaats; het volbrengen, verrichten v.e. handeling, en wel kerkelijke; in bijz. gebruik: begrafenis, bedevaart

R Daor zulde veul begnkenis meej krge.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "begnkenis - 't waas 'n hil begnkenis (drukte)"

Cees Robben - ..t Is me n hil begenkenis... (19570209)

Van Beek - "'t Is me 'n hil begengkenis". - 't Is een tobberij, moeizaam werk. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Van Beek - "'t Is un begengkenis". Het is een tobberij, een moeilijkheid. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

Frans Verbunt: ook: begankenis

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): begankenis - drukte, gedoe: 't is 'n hil begankenis; ook: begenkenis

Brabantius (1884) - Begenkenis vr, bedevaart, In 't O. drukte, feestelijkheid. (Onze Volkstaal, 1882, nr.4; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal).

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEGANKENIS - bedevaart of toeloop v. bedevaarders op 'n bepaalde dag.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. vr. begenkenis, begankenis, drukte, beweging 'vuil (veul) begnkenis maoken op niks'.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEGANKENIS (begnkenis), heel gedoe, omslachtige aangelegenheid, persecutie.

WNT vermeldt 'begangenis'.

WNT wsch. = 'begangenis, begankenis'

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Begankenis = begrafenis, bedevaart; z.a.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BEGANKENIS - begankenis, zelfst. nw. vr. zie wdb.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - begenkenis, begankenis

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): begankenis (I:27), (VII:19,27)

 

begrbeleure, begrveleure

werkwoord, zwak

verwaarlozen, bederven

begrveleure - begrveleurde - begrveleurd

van Fr. gure valeur ?

Hij vgde alleman de maantel/ mar heeget not begrbeleurd (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1979; uit: Vfntwintig jaor: De prnt van Keese) [Bedoeld wordt de Prent van de week van Cees Robben]

Cees Robben Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram.../ Naor daffaire waar t kiepke/ iet of wet begerbeleurd... (19560428)
Cees Robben - ...begerbeleurd van kop toe teen (19650326)
Cees Robben En toen viel ik op mn batterij, meneer dokter, en../ En naa denk dek munne/ startschroef heb begerbeleurd. (19700313)

Frans Verbunt: varianten: begarbeleure, begrbeleure, begrveleure

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): Verhoeven: ouderwets en tamelijk zeldzaam; niet in WNT, noch bij A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958):. Misschien van fr. 'gure' en 'valeur', dus: nauwelijks waarde aan iets hechten, iets als van weinig waarde behandelen (vgl. verbellemonden).

 

begrreg

bijvoeglijk naamwoord

begerig

WBD III.1.4:434 'begerig' = begerig 435 'begeerlijk'= idem

WBD III.2.3:20 'begerig' =gulzig

 

begien

zelfstandig naamwoord

begin

...In et begien... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): begien zelfst. nw. o. begin

 

begiene

sterk werkwoord

beginnen

- begiene - begos(se) - begonne

Dirk Boutkan: beginne/begiene - begs/begn - begnne

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): begiene zw.ww.tr.+ intr. beginnen; verleden tijd begs; part. begst.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): begiene - beginnen; vt: ik begs

WBD III.1.2: 4 'gebinnen', 'op gang komen'

WBD III.1.4:315 'vanher beginnen' = opnieuw beginnen

I Infinitief en tegenwoordige tijd

Pierre van Beek: Begiene te kraoke - de eerste barensween voelen (vergelijk voor de bevalling: J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Beginnen - heet hier van de vrouwen 'jamjam instantis partus signa dare. z.a.)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'Hoe laot begien 't? (bis)

- 't Begient mee ne Proloog; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

En naa zon ze in eenen keer z begiene! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Cees Robben Meej n schn laai gaok begiene (19701023)
Cees Robben Ak mrege iets nuus begien (19710122)
Cees Robben Hij zit daor as unne ezel tussen twee brege hooi... Waor zal ie naa t irst aon begiene? (19840824)

s Aovens onder et eete wiesse te vertelle dk s maondags om 9 uur op et ketoor van de Tilburgse Courant as lopjongen kos begiene. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): et 'begint' [korte ie] te klppe vur dirste mis

gd94 ik dnk dt oover en uurke begient te rgene

Mar kom allee, doe goed oew bist!/ Begient mee goed te willen... (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

Allemol deeje ze d'r bist/ D'n beker te verdienen/ Mar kossen tegen Willem II/ Ten liste niks begienen. (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

II Verleden en voltooide tijd

begos(se); hiernaast ook de vormen begon/begonne

WMT ook: begonde en begonste, begost, begoest, met deelw.: begonst, begost, begoest.

Kwosse begosse - Ik wou dat ze begonnen.

...en toen begossen al de heeren rondjes te geven... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)
...en ie sloeg op de taofel detter de borreltjes van begosse te daanse... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)
...de heeren gongen dan naor d'r kaomers en de naacht begos. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)
Toen begos et! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)
...en 't begos me toch te regene... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

R.J. toen ik w begos te wnne

Piet van Beers Asperges me: Boove op 't koor zonge de heere/ saome meej 't allergrotst gemak./ Die hadde vur dsse begosse/ soms al gepruufd van de kejak. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge had al gelk vurd ge begst (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916):)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): begiene: verleden tijd enkelvoud l. begs, 2. begst, 3. begs; mv. 1. begsse(n), 2. begst, 3. begsse(n).

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEGOST - 2e en 3e hoofdvorm van 'beginnen'

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): kwsse begsse

 

begienter
samentrekking
begint er
Cees Robben t Begienter te naauwe... (19691010)
 

begos
verleden tijd van begiene
Cees Robben Mar as ik ks... begs ik nog eens...! (19560707)
Cees Robben Gin wonder d diejen bond daor begs (19570727)
 

begzziedraoger

zelfstandig naamwoord

bagagedrager (van fiets o.d.) ook 'pakkendrager'

Stadsnieuws: Sprinkt mar op mnne begzziedraoger, dan brng ik oe wl fkes ts (160507)

 

begraove

werkwoord, sterk

begraven

Cees Robben: begraoven in en kiest van waajbomehout; hij is begraove;

Pierre van Beek: van den rme begraove - op kosten v.h. Burgerlijk Armbestuur (Tilburgse Taaklplastiek 181)

Pierre van Beek: meej et kln bimke begraove - met slechts het gelui van het kleinste klokje, wegens onvermogendheid, op kosten v.h. burg. armbestuur (Tilburgse Taaklplastiek 181)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - in iemes zen hart begraove liggen as en boereknt in en turkslre broek (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916):) - In iemands hart gesloten zijn

begraove - begroef - begraove (geen vocaalkrimping)

 

begrpe

werkwoord, sterk

begrijpen

R.J. 'deh g' 't nie' kunt begrpen'

WBD III.1.4:32 begrpe = begrijpen

begrpe - begrep - begreepe

-in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: gij/hij begrpt

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEGRIJPEN - bevatten, inhouden, behelzen, Fr.contenir: Wa ' begrijpt dien boek? Kiliaen: Be-grijpen - continere

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BEGRIJPEN wordt in deze streken veel gebruikt in den eigenlijken zin van 'omvatten', in welken zin alleen Kiliaen: het woord heeft.

 

begrpte
samentrekking
begrijp je?
Cees Robben En dan waasewum.. begrepte... (19560630)
 

begrffenis

zelfstandig naamwoord

begrafenis

B begraofenis

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): begroffenis

Cees Robben: De biste plts bij en begrffenis n en brlft, ds den twidde waoge.

Cees Robben: ge zult nr de begrffenis moete;

Cees Robben: p begrffenisse wrdt nie eens mir gelaage;

Des un hil beleevenis, zon begroffenis. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

WBD (III.3.3:320) begrffenis = begrafenis; ook: tvaort

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): begraffenis zelfst. nw. vr. begrafenis

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): begroffenis - begrafenis z.a.

 

begrotelek

bijvoeglijk naamwoord

Frans Verbunt: te duur

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): begrotelek - te kostbaar

WNT BEGROOTELIJK - Zoodanig dat iets iemand moet "begrooten", spijten; spijtig, verdrietig. Alleen gewestelijk.

 

begulzeg

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.2.3:20 'begulzig' = gulzig

 

behaandele

werkwoord, zwak

behandelen

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): behaandeld

gd07 agge daor wrt behaandeld

behaandele - behaandelde - behaandeld (geen vocaalkrimping)

 

behaawe

1. werkwoord, sterk, voltooid deelwoord

behouden

- Cees Robben Dan bende behaauwe, man... (19720204) (Gezegd door een huisarts tegen een  81-jarige man.)

2. drachtig zijn van dieren

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): t Vaol versken () witte wel,   wil nie behaauwen. Daar niet verklaard, evenmin als in Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882).

- De Bont - van een koe die gestierd is en het zaad van de stier niet a.h.w. weggeworpen heeft, heet het: Ze he behaauwe d.i. Ze is bevrucht () Volgens De N. Taalgids XIV, blz . 248 heet dit op Goeree en Overflakkee gehouwen;  De Bo noemt het onthouden.

WBD (van een koe,) drachtig, ook genoemd: 'draogend' of 'ze draogt', ofwel 'der is en kalf in', 'der zit en kalf p'

WBD 'nie gehaawe' (Hasselt) - niet drachtig (v.e. merrie), elders genoemd: 'leeg' of 'gust'

WBD behaawe zn - (v.e. merrie) afscheiding geven uit de tepels als bewijs van zwangerschap, ook genoemd 'dppen n de speene hbbe' of (Hasselt) 'nt re zn'

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEHOUDEN (behaawe) bijvoeglijk naamwoord, gezegd van een koe die met succes gedekt is.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEHOU(D)EN bvw. - bij landb.: behou(d)en zijn - kalf inhebben, drachtig zijn.

 

bhaawe

werkwoord, sterk

haaw b, hiel b / hiel baaj, bgehaawe

bijhouden

 

behange

werkwoord, sterk

behangen

WBD goej behange koej, schon behange koej - harmonisch van bouw, ook genoemd: 'vierkaante', 'geljnde', 'goej gesloowte', 'goed gestpte' koej

behange - behng - behange

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BEHANGEN part. praet.: de kamer is goed - .

 

behaoge

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: krde et nr behaoge, dan wrde nr et krkhf gedraoge

 

behmeld

bijvoeglijk naamwoord/bijwoord

Van Rijen (1998): geheimzinnig

uitdrukking -  beheimeld doen - de indruk wekken dat men iets verzwijgt

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEHEIMD (behmd) bijvoeglijk naamwoord (v. Dale: beheimst) geheimzinnig, geheim doend.

WNT onbekend; wel: BEHEIMEN ww., beheiming, beheimsel (= ca. omheinen)

 

behmd - behmst

bijvoeglijk naamwoord - bijwoord

geheimzinnig (van 'gehm'?)

Cees Robben Hij deej nogal behemst (19650402)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - behmd doen as en kat meej der jng (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) Spreekwoordelijke vergelijking.

WBD III.1.4:416 'behemd = geheimzinnig

WNT BEHEIMEN (= ca. omheinen) z.a.

WNT II:1491 BEHEMSTIG (thans onbekend) geheim, op eene geheimzinnige wijze

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEHEIMD (behmd) bijvoeglijk naamwoord (v. Dale: beheimst) geheimzinnig, geheim doend.

Haor. BEHMD - geheimzinnig

 

beheurlek

bijwoord/bijvoeglijk naamwoord

behoorlijk

Dirk Boutkan: 'behrlek, behoorlek' (blz. 34)

Cees Robben: ds beheurlek in rde

gd08 meej enen beheurleken hop tjmtjm

 

behippere

werkwoord, zwak

langzaam van een ziekte herstellen

behippere-behipperde-behipperd

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "behibberen - hij is wir an't behibberen (bijkomen, herstellen)"

Van Beek - Geef die man eens 'n flinke bedrag tot steun, dan kan hij wat behipperen. - Dan kan hij wat bijkomen; uit zijn moeilijkheden raken; aansterken; ruimer in de middelen komen. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

Cees Robben Onze Jaon die z behippere/ As zn Willem II mar won...! (19551217)
Cees Robben Ik ben wir behipperd.. (19820326) [Met deze prent kondigde Cees Robben zijn herstel aan na een hartaanval, waarvan hij aan het herstellen was in een verpleeghuis op Nuukerk.
►Nuukerk

'n Paor daoge vur z'n kemuunie was ie zver behippert dttie mee d'aander knder nr de kerk kon om te biechte. (Nel Timmermans; t Rke Roomse lve; CuBra; 200?)

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEHPEREN, onov.ww. beter worden, verkoevereren. Herkomst en zelfs schrijfwijze (met ij en met e?) zijn mij niet bekend.

Haor BEHPERE - bekomen

 

beitel

zelfstandig naamwoord

beitel

WBD (II:2708) 'bjtel' - beitel

'haGbjtel' - hakbeitel (II:2709)

'steejGbjtel' - steekbeitel (II:2710)

'schiedbjtel' - schietbeitel (II:271l)

'draajguuts' - draaiguts (II:2395) 'beitel' - beitel

 

bekaampeg - bekaampig

bijvoeglijk naamwoord

wedijverig, jaloers - uit kampen

Cees Robben W zen ze toch bekaampig (19590228)
Cees Robben t Was unne bekaampige meens.. (19691107)
 

bekaant, bekaanst

bijwoord

bijna, bijkans

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'mekaanst'

Cees Robben Z w van mn eigen, bekaant de sigaar.... (19540403)
Cees Robben Ik heb er naa bekaant al tien... (19580705)
Cees Robben Bekaant unne plezaante klaant... (19811127)
Cees Robben Is ie al dreug, Drieka..? Bekaant, Miena.. Af en toe verliest ons broekpoeperke nog wel is w... (19850412)
Cees Robben Ze stond er z breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gedrieje aachter kosse... (19861003)

De Wijs -- (gehoord over n kind dat pas loopt en praat) Is ie al dreug? - Bekaant, zo af en toe verliest ie nog wel is w (16-01-1975)

Henk van Rijen: bekaant aflggesgered - stervende

Piet van Beers Visse: 't Is bekaanst 'n jaor geleeje/ d menne maot is overleeje./ Ik denk daor steeds opnuu wir aon/ Ak m'n vistg in de schuur zie staon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Opeens schrokken we ons ge kepot van enne knal, we gingen bekaant zelf de lucht in. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

...ik geleuf d alleman ont klttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

Teegesworreg kan bekaant alles. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WNT BIJKANS - bekans, bijkant, bekant

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): bekant (II:40)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BEKANT - bijwoord. bijna

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEKANT bijwoord., bijkans, bijna: 'nog nie bekant' - op geen stukken na.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bekant bijw. bijna (Zie WNT bijkans)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEKAN, BEKANST, BEKANT bijwoord - bijkans, bijna, Fr. presque

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - bekant - bijna

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bekant

 

bekaare, mekaare, mekaor

wederkerig voornaamwoord

elkaar

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'bekare', 'bij bekare', 'aachter bekare', 'van bekare gaon'

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): ''t zal wel veur bekare koomen'; 'mee bekare overeenkoomen'

KAREL. Nou me dunkt! Ge ziet bekaant niks aanders dan naoie! Ik wed dettie wel uit virtig verschillende lepkes bestao, diechche aon bekare het gedriegd. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

Hoe zit d dan in bekare? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

dan vchte ze wel nie direct, mar dan peste ze bekare 'n bietje veul (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

KAREL. J allemol goed en wel, mar ge kunt toch gin vier en twintig uur aachter bekare slaope. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): vnw. 'bekander', 'mekander', 'malkander'. vnw. 'bekaar', mekaar, malkander

 

bekke

werkwoord, sterk

bekijken

Cees Robben: dan moeten is van dichtenbij bekke; aachteraaf bekeeke;

WBD III.1.4:336 'bekijken' = zorgen voor

WBD III.1.41:51 'bekijken' = proberen

bekke - bekek - bekeeke

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij bekkt

 

bekks

zelfstandig naamwoord, genitief

bekijks, belangstelling

Veul bekks hbbe - in de belangstelling staan

WNT BEKIJK, zelfstandig naamwoord onz. Het bekijken van iemand

Veel bekijk (of bekijks) hebben - ergens het voorwerp der algemene nieuwsgierigheid zijn.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEKIJK zelfstandig naamwoordn.o. - Geen bekijks wrd zijn - niets waard zijn

 

beknne  

werkwoord, zwak

wederkerend + ontkennend = geen weg meer weten

Cees Robben: Ge kunt oewge hier niemer beknne

Pierre van Beek: Ik bekn me hier nie - Als iemand zich vreemd voelt op een plaats waar hij vroeger toch goed de weg geweten heeft of zich thuis gevoeld heeft. (Tilburgse Taaklplastiek 171)

beknne - beknde - beknd

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): beknne(n) zw.ww.tr.: bespeuren; wederk. 'z'n aegen erges niks/goewd bekenne' - niets uit de omgeving herkennen.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEKENNEN: zijn eigen ievers bekennen - eene plaats, waar men vroeger geweest is, nog herkennen.

 

bekt

zelfstandig naamwoord                                                  

boeket, tuiltje, 'buske'

WBD III.4.3:208 bekt - boeket; ook genoemd: bektje, boske, strkske, blommeke, bos blomme = fr. 'bouquet' met gereduceerde vocaal

 

bkker, bakker

zelfstandig naamwoord

Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

bkker - volksliedjes over de bakker op CuBra, verzameld door Ben Hartman

1. bakker van brood

R.J. Van den luien bkker

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): bkker, bkkers

Mar de luien bekker sliep en sliep / en droomde van veul mikke (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Van de luien bekker, 1938)

Cees Robben En daornao [na de kermisweek] ... toezjoer gemaon [rekeningen]/ van slachter en van bekker... (19540814)
Cees Robben Bekker Verstippen (19570706)
Cees Robben Hier kan unne bekker nog is unne taas wegtaase... (19730929) [veel brood leveren in een kinderrijk gezin]

Frans Verbunt: nzen bkker heej in den oove gescheete - heeft zijn zaak gesloten

Schn tegenover ons wonde enne bekker en enne gruunteboer en
aon den aandere kaant, op et huukske, zaat enne slager, tegenover un
sigarenboer, die ok taxi reej. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Den bkker n de slaager die kwaamen aaltij aachterom, die han en transportfiets bij der , meej en grote maand veurop en die kwaame lken dag. (Nel Timmermans; Wtter amml n de deur komt; CuBra; 200?)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): bkker (krt. 45); met umlaut (krt. 48 en blz. 92)

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BAKKER - bkar, zelfst. nw. m.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bkker

Een bakker blaast op zijn hoorn om de omgeving te laten weten dat het verse brood gereed is. - Schilderij van Job Adriaensz Berckheyde; 17de eeuw.

Nieuwe Tilburgsche Courant 27 juli 1944

2. bakker; soort meikever (met witachtig dekschild)

WBD III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn.
mulder Tilburg
mulderke Tilburg
molenaar Tilburg
bakker frequent in Tilburg
bakkerke Tilburg
kapucientje Tilburg, Goirle
manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

WBD III 4,2:164 lemma Kleine bruine meikever - Voor kleinere, glimmend bruine meikevers zijn er ook specifieke benamingen in gebruik.
kapucien Tilburg, Goirle, Hilvarenbeek
bakker Tilburg
Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bkker - bakker; ook bep. meikever

Piet Brock, uit Vuurstintjes ketsen (1996) Mlders/ Ge he't z'in soorten:/ 'nen bkker of kappesien,/ 'n mnneke of 'n wfke,/ d kunde hil goed zien.

Meer over meikevers in het WTT...

► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

bkkerke

zelstandig naamwoord, verkleinwoord van bkker

kleine meikever

Cees Robben - We han capecientjes en bekkerkes... (19570525)

WBD III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn.
mulder Tilburg
mulderke Tilburg
molenaar Tilburg
bakker frequent in Tilburg
bakkerke Tilburg
kapucientje Tilburg, Goirle
manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

 

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► hgmlder ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

bkkerskr

zelfstandig naamwoord

bakkerskar

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): bkkerskr

 

bkkese

zelfstandig naamwoord, meervoud van 'bkke'

bekkens (muziekinstrument)

Interview Jolen - 1978 -  Ik heb irst meejmeej de bkkese geslaogej! De tromet gebeurt ot wlles dk et hb moete doen omd dan de trombaone er nie wa, dk et dan wl di mar aanders dik d nien, ik blef bij mn n dinge n zo ist meej alles!. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

beklansjeneere

werkwoord, zwak

in elkaar steken, mentaal

Van Rijen (1998): uitweiden over quasi-gewichtige zaken

Frans Verbunt: beklansjeneere - mentaal in mekaar steken

WBD III.4.303 'beklassineren' = ordenen

beklansjeneere - beklansjeneerde - beklansjeneerd

Van fr. 'collationner' ?

 

bekoevreere

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: er beter op worden

 

bekoome

werkwoord, sterk

bekomen; in een beters toestand geraken, passen bij iets of iemand

bekoome - bekwaam - bekoome

in tegenwoordige tijd vocaalkrimpings gij/hij beknt

De Wijs -- zoals gij, z is er gin, mar d bekomttoe wel (13-07-1966)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): st.ww.intr. 'bekommen' - bekomen, in een betere toestand

geraken 'Ge bent erop bekomme! Z.a.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BEKOMEN wkw - verkrijgen

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEKOMEN - tot zijn zelven komen, weder tot het bewustzijn komen.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bekomme - bijkomen; opfleuren

 

bekoore

werkwoord, zwak

bekoren

B bekoore - bekoorde - bekoord

vooaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bekrt

 

bekomt
tegenwoordige tijd van bekoome
de precieze betekenis is niet af te leiden; waarschijnlijk betekent bekomt hier: daar zul je nog spijt van krijgen
Cees Robben [man tegen vrouw:] Z as gij bestaoter gin een of gin... Mar d bekomt oe nog wel... (19770617)
 

bekstege

werkwoord, zwak

bekostigen

- bekstege - bekstegde - bekstegd

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr. - bekostigen, betalen

 

bkske, bakske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bk
bekje
Cees Robben zn snaovelig bekske [van een kanarie] (19570126)
Cees Robben In oew bekske... dur oew nekske (19601007)

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van bak

bakje; kopje koffie
Cees Robben Luste k n bekske leut... koffie lut... (19870213)
Cees Robben Zon bekske doe deugd (19580201)

Piet van Beers Unne mooien open dag:  't Vrouwvolk vat 'n bekske Thee (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers De stinpst: Vier ons vrse worst n peeje../  doet er mar w jne bij./ 'n Bkske zult 'n half pond kaoje/ n tweej schve balkenbrei. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

bekulle

werkwoord, zwak

betreuren (?)

Henk van Rijen: ge schuld wrdt nie bekuld - om eigen schuld wordt niet getreurd

 

bekwaom

bijvoeglijk naamwoord

bekwaam; in staat (tot iets); nuchter; rijp (volgroeid)

uitdrukking -  Nie mir bekwaom - onder invloed

M bekwoam

De Wijs -- (Gehoord van een volkstuinder:) munne rooie kl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zn nog nie bekwaom (17-08-1964)

Frans Verbunt: ge zt ng nie bekwaom om meej de gt nr den bok te gaon

Cees Robben Mun peekes zn nog nie bekwaom... (19640918) [ongetwijfeld met een ondertoon die symbolisch is voor voortplanting]

Alleen mistetd zk niemer bekwaom om nr et twidde keffeej te gaon. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

WBD III.1.2:182 'bekwaam' = gezond

WBD III.2.2:46 'bekwaam' = meerderjarig

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bekwaom - bijvoeglijk naamwoord bekwaam, in staat

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEKWAAM (bekwaom) bijvoeglijk naamwoord, deskundig; ook: rijp, genoeg gegroeid om voor een bepaald doel gebruikt te worden, b.v. gegeten, geslacht of gedekt.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnw - bekwaam, in staat, geschikt.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEKWAAM: Veur alles bekwaam zijn - zeer te mistrouwen zijn: geschikt om verkocht, geslacht, geplukt, geoogst enz. te worden.

WBD geslachtsrijp (van koeien)

 

bekwke  

werkwoord, sterk

beroepen, beschreeuwen

R.J. 'ge elkaor nie bekwken kunt'

Ik ks em nie bekweeke gekreege krge - ik slaagde er niet in met hem door te roepen contact te krijgen

CiT (39) 'Ze kossenem nie kekweke gekrege krge'

- bekwke - bekwek - bekweeke

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij bekwkt

 

bekwkt
tegenwoordige tijd van bekwke
bekwijken
Cees Robben Hij bekwekt mee gemak vf, zis ekkers ver.. (19870717)
 

belaasting

zelfstandig naamwoord

belasting

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'belaasting' (passim)

 

belaojtffeld

bijvoeglijk naamwoord - bastaardverwensing

belatafeld = bedonderd

LDM: een latafel. Deze ziet men heden niet meer in de stad. Zij is vervangen door het dressoir, maar in tegenstelling met het laatste, dat zowat uitsluitend met wat er in en er op staat voor pronk dient, had de latafel een mr practisch doel. Zij was iets hoger en bevatte gewoonlijk drie diepe laden, waarvan dan in de onderste onderkleding, in de tweede betere kleding, zoals de grote poffermuts, moeders zijden pelerine en/of neusdoek (wollen omslagdoek) en in de bovenste meer kleinere maar meestal ook kostbaardere voorwerpen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 1 Wijkbuurten in vroeger dagen; NTC 8-11-1950)

Henk van Rijen: zde belaojtffeld! - ben je belatafeld / bedonderd!

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): BELAOJTOFFELD - gek, bedonderd; z.a.

 

belaojtffele

werkwoord, zwak

voor de gek houden

Ieder jaor schreef den riddacteur van den Bode van Baozel daogs veur den irsten April iets in z'nen kraant, waor ie al z'n lezers mee belaoitaofelde. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

 

blappe  

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: inzet verhogen; verklikken

bijbetalen

Van Rijen (1998): bijbetalen, verraden

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIJLAPPEN - bijvoegen: Lapt er nog 'ne frang bij, dan is 't verkocht.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): blappe - bijlappen: er inluizen; inzet verhogen

 

beleeje  

verleden tijd van 'belgge' of 'belijden'

belegden, beleden

 

belve

werkwoord, sterk

beleven

- belve - belef - belfd

- geen vocaalkrimping

 

bljaa

tussenwerpsel

welja

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BELJA bijwoord. uitdrukking - , in allerlei varianten uitgesproken: bejjah, beljat, bajjahs wel ja! Niet altijd gebruikt om ondubbelzinnig te bevestigen.

WNT WEL-JA bijw. en tusschenw., ook verbasterd tot we'ja en be(l)ja, be(l)jaat (uit: wel ja 't).

 

beljrt, biljrt

zelfstandig naamwoord

biljarttafel; verbastering van fr. 'billard'

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): biljert

R.J. Drik Heeren heej en biljrt

Cees Robben: et biljrt is nie wrm;

De Wijs -- j j, t biljert is nie wrm, de ballen zn nie rond, de keu is te glad  (17-08-1964)

Cees Robben: biljrten is tch en schon spl;

As gij van de beljrtklub komt... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et stonk in Schiedam...)

WBD biljartlaoke/ biljrtlaoke (II:898) biljartlaken.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): biljrt zelfst. nw. vr. en (minder vaak) m. - biljart

 

beljrte, biljrte

werkwoord, zwak

biljart spelen

Cees Robben Ge kunt toch biljrte... (19730810)

Lechim - pseudoniem van Michel van de Ven, krantenknipsel uit de Tilburgse Koerier, ongedateerd (1960-1980):

Not Genog Geoefend


Onze Grutvadder ging veul beljrte
bij Jantjes op den Biksendk
daor waare ze toendertd al
en chte beljrtclub rk

Die hiette: Nooit Genoeg Geoefend
D was ene schone naom
want dur d gestaog ge-oefen
wiere ze in et spul bekwaom

Onzen Oopaa kos veul krbols maoke
mar assie n et plkke blef
liep ie saoves bijt nr hs gaon
Sewle wl is lilluk schef.

Dan wier ie veur al op den drpel
dur ons oopoe afgetruufd:
Tis nie Not Genog Ge-oefend,
et lkt meer op Not Genog Gepruufd.

Et wkhs moet van rmoei toe/ hij kan niemir beljrte. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tis ongeleuflek...)

Kiske, Willum n de Sjef/ beljrten alle weeke./ Iedere krbol wort gewikt,/ gewooge n bekeeke. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krt op td...)

 

blklver

zelfstandig naamwoord

steenklaver

WBD I:1409 'blklver' - steenklaver

kleever

 

blle

werkwoord, zwak

bellen

WBD (van een koe) afscheiding geven uit de schede

blle - blde - gebld

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww. intr., bellen (van koeien gezegd).

 

Bloemen van de bellenboom - fuchsia hybrida

bllenbom [bllebom ?]

zelfstandig naamwoord

fuchsia (Fuchsia hybrida)

WBD (III.2.l:438) bllenbom - fuchsia ook genoemd: blleplaant of bllekesplaant

 

blne

tussenwerpsel

wel nee!

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978):

BELNEE (belnee:), bijwoord.uitdrukking - , door ouderen soms ook 'belnent' - wel neen 't (zie blz. 77-78)

WNT welnee(n), bijw. ook verbasterd tot belnee en belneent, belnint, resp. welnint, welneenk, welnenik. Ter uitdrukking -  v.e. sterke ontkenning.

 

belon

zelfstandig naamwoord

ballon

Dirk Boutkan: belon - belonneke

 

Bls - blze

zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord

Belgisch; Belgi; Belg

1.1 zelfstandig naamwoord; Belgi, en dan soms onzijdig

Ze stonden er daor in 't Bels van te kken... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit 't klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

Ast waor is wk geleeze hb/ hrlve de aaw tije./ Asset lntje nr den Bels alwir/ opnuu gn laote rije. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Meej et spoor nr Bls)

Audioregistratie 1978 -- Ik weet goed, vroeger h, we zitten hier dicht in Bls, n dan gebeurde ng wlles dgge smkkelaars had (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - De pestoor Zinnicq Bergmann isser van gestrreve, de kster, die isser toen nr Bls toe gevlucht n de schilder Mutsers (Mutsaers) hbbe jaoren in Bls gezeete, dus ds not nie beknd gewist! Klik hier om dit bestand te beluisteren [Van den Aker doelt op verdachten in de zaak rond de moord op Marietje Kessels in 1900-1902]

Echte kenderkpkes waren et, ingevoerd vant den Bels. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Radiodistributie wel te verstaon, waor ge drie zenders op kost krge, Hilversum 1 en 2 en den Bels. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- D koop ik in bij 'n aaw maot van mn t Bels.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)-

WS: Kkte gllie ot nr den Bls (= de Belgische zender)?

1.2. zelfstandig naamwoord voor de inwoner: een Belg

Neffen ons wont 'nen Bels... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

Awl riep Sjuuleke den Bls / ik z nie te verraasse/ de baank laot ik al jaorelang/ op al men frankskes paasse (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Alles op de baank)

Der wont sins krt enen allchtoon in onze tn./ Ze zgge, tis femielie van de kraaj./ Hij heej gineens en paspoort f en staates./ n al et voedsel dttie it, d krgt ie graates./ Van hrkomst enen Bls, die Vlmse gaaj. (Henritte Vunderink, Vlmse gaaj, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

1.3. zelfstandig naamwoord; een Belgisch trekpaard

Apart in un waai stond hier en daor ene bels of z ge wilt den brne, die et mar moes zien te trkke, brd op vier pilre van pote meej van die flosse, die over zen hoeve vielen as gerdne. Zon prd stond aaltij te drome, meej ene pot opgetrokke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD bls (Hasselt) - zwaar paard, ook 'bnk' genoemd, of 'zwaore'

2. bijvoeglijk naamwoord - Belgisch

Het Bls lijntje

Hij leest aaltij nog Belze kraanten... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

Nieuwe Tilburgsche Courant 22-6-1928

KAREL. Heddet geleze, Sjarel, den Belzen koning hebbe ze los gelaote. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Blze sjk - Belgische shag (in W.O.II veel gesmokkeld van Belgi naar Nederland)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Want nt as hier vruuger de Bredssewg, d was, d was mar ene grote kaajewg want der laage van die grote Blze kaaje laage derin (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Als den ogst [van eigen geteelde tabak] tegengevallen waar, rokte ie belze sjek. Hij wies aaltij wel aon rokwrk te komen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Piet van Beers Op vekaansie in Den Bls: t Stond in enen Blze gazet. (t lfde buukske, 2010)

- ds speciaole Blse import  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

2.1. Bls spoor in plaats van Bls lijntje

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et Bls spoor isser niks bij (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1965) - tegen iemand wiens opschepperij men doorziet.

Nieuwe Tilurgsche Courant 7-12-1940

3. Tilburgse bijnamen

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - et Blske = Jantje van Halsteren (blz. 41)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den Bls = De Zwart (blz. 85)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - et Bls boerke = Aug. Daems (blz. 31)

4. Overige bronnen

WNT BELS (II) verbastering v. 'belge': l) spreektaal; 2) Belg. trekpaard.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bls zelfst. nw. o. Belgi; II zelfst. nw. m. Belg; III bnw. Belgisch.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BELG - bls, zelfst. nw. m. (soms in volksmond: bls, blze)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BELS zelfst. nw. m. - Belg; BELS(CH) - Belgisch: de Belze vlag

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): Bls zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord Belgi, Belg, Belgisch

 

bltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bijltje

WBD (II.2731) 'bltje' - handbijl

WBD (III.2.1:250) ' bijltje' = bep. hakmesje; ook 'Kapbijltje'

- verkleinwoord van 'bl' (met vocaalkrimping)

 

belul

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): benul, besef

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): belul zelfstandig naamwoord benul

WNT BENUL, bij oudere schrijvers altijd BELUL

 

bm

samentrekking van 'bij' en 'hem'

Frans Verbunt: bij zich (uit 'b' + 'em')

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bm, vz. bij zich

 

bemisse  

werkwoord, zwak

bemesten

Audioregistratie 1978 - Drrom ginge wij ok hskesmis haole, zimme vruuger, [uit] weejseejs haole int stad. Hskesmis om de weilande en alles te bemisse n as we gruun moese zaaje!  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

bmmele  

werkwoord, zwak

loshangen, bengelen, bungelen

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "bemmelen - het hing er los bij te bemmelen (los, luchtig aanhangen)"

CiT (28) 'Haj okkene noemer tussche z'n schouwerblaoie bemmelen?'

WBD III.1.2521 'bemmelen' = bengelen; ook 'bungelen'

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bmmele - bungelen; rondhangen in de stad; luiden v. kleine klokken

 

bemoeje

werkwoord, zwak

bemoeien

WTT - uitdrukking: zich ergens tegenaan bemoeien

- n netuurlek kwaam Tieske van Grven zenge der teegenaon bemoeie.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

bnde

samentrekking

ben je

- Cees Robben Bende al getrouwd Piet...? (19650910)
- Cees Robben Bende klaor meej oe wrik Merie? (19650917)
- Cees Robben Bende zot, Serafien... (19811009)

- Goedgetld - bnde nie goed ws of doede mar zo...

- Trottoirtegels met tekst in een bushalte op de Heuvel. Waarschijnlijk een tekst ter promotie van de fabrikant.

 

Foto: CuBra 2018

 

bnder
samentrekking
ben je er
Cees Robben Dan bender z van aaf... (19831118)
 

beneej, beneeje

bijwoord

beneden

Cees Robben deugskes zeejig naor beneej... (19550827)

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BENEDEN - bijwoord. en vz., alleen locatief

 

beneujd

Beneuid zijn

Nodig hebben

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ons Drieske is er mar daonig me beneuid;

- De Bont - bnw. benood, verlegen om, behoefte hebbende aan.

- Voor de eu-klank vergelijk geneuid.

 

bngske

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van 'baank'

bankje

meestal geschreven als 'benkske'

Zie echter Dirk Boutkan: bngske - bankje (27)

- Henk van Rijen: op et bnkske laag en plnkske n en tngske

- Cees Robben Sjareltje geniet.. d ziede,/ Op zn benkske in de zon... (19560929)
- Cees Robben In die hille klne benkskes van de Hasseltse kapel... (19540501)
- Cees Robben Meej t zekske langs de benkskes (19580426) [namelijk het zakje waarin de kerkgangers die in de banken zitten hun bijdrage kunnen doen]

- K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Bts van et bnkske (Karin Bruurs) blz. 30

- En we vreejen op een benkske/ Want in 't gras, det wou ze nie... (Tony Ansems, 't Willeminapark; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

- Bordje op een rustbank aan het Wilhelminakanaal; Tilburg-Noord, 2018 (foto):

 

Foto's: CuBra.

 

WBD (III.3.3:46) 'bankjes, bankskes' = armenbanken (in de kerk)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): bnkske, met umlaut (krt. 48)


bnneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

mandje

"Hanna, ik h gedroomd d Onzen Lieven Heer mee 'n benneke neuzen veur me stond en d-t-ie zee: Oome Teun, ge hebt de keus! Kies 'n goei uit mijn benneke, menneke, want 'n goeie gevel siert et huis! En vat naa nie zoo'n snotneuske, nie zoo'n wipneuske, mar hr z-iets bijveurbeeld..." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Briefke van duuzend; NTC 5-10-1939)

Zooas ik dan zee, ze kwaam op me afgedrippeld mee d'r bodschappenbenneke onder d'ren errem. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

Van Beek - 'n "Benneke" is een mandje;  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Van Rijen (1998): mandje

WNT BEN, verkleinwoord 'BENNEKEN'

 

bnt

werkwoord, persoonsvorm  

bindt

Dirk Boutkan: (blz. 37) (hij) bnt 3e p. sing. van bne

 

benuut, benuud, benuuwd

bijwoord

benieuwd

- Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'benuuwd'

- Ik ben alleen mar benuut hoe z'm d zullen lappe! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

- Cees Robben k Was benuut.. d snapte warre (19560714)

- WBD III.1.4:7 'benieuwen', 'benieuwd zijn' = benieuwen

- WBD III.1.4:14 'benieuwen = veronachtzamen (!)

- WBD III.1.4:187 'erg benieuwd zijn' = (vol) verwachting

 

bepaole

werkwoord, zwak

bepalen, vaststellen

- bepaole - beplde - bepld

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij beplt

 

bpre

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): een afranseling geven

 

bepld

bijvoeglijk naamwoord., bijwoord

bepaald

 

beraoje

werkwoord

Van Rijen (1998): beraden

 

beraome

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:86 'beramen = reiken naar

WBD III.1.4:19 'beramen' = broeden

 

brd

zelfstandig naamwoord

plank (schot) van een kruiwagen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - BERD, bt - plank

WNT BERD, daarnaast ook wel BARD, mv. berderen en berders (Vlaams: berdels)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BERD (Kemp. ook bd) zelfst. nw. o., mrv. berden, berder en berderen - plank, bord, Fr. planche

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BERD in de bet. van 'bord '(tabula, asser); z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - BURDEN: de zijplanken op de zijde van ene kar. Van 'berd', een plank. Men zegt zowel Berrie als Burrie.

 

Berdao

zelfstandig naamwoord, eigennaam, toponiem

Breda

Ik pak em, scheur em open en lees dk de week derop, zo en zo laot in Berdao moet zn in de Kloosterkazerne om gekeurd te worre vur militaire dienst. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Ik werkte ondertussen bij De Stem in Berdao. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Dieje deftige meneer meej zen sigarewinkeltje zaat naa in Berdao, in de preplu. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

T[ilburg] is gin Berdao n zeeker gin Den Bosch. (Henritte Vunderink; Tilbrg; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

Berdaos

bijvoeglijk naamwoord

Van Rijen (1998): Berdaos, Berdsse

'Un Berdaos mdje meej unne Berdsse jonge'

 

Berdssewg

toponiem

Bredaseweg in Tilburg

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'den Bredosschenweg'

 

berke

werkwoord, zwak

bereiken

Cees Robben: berke

-berke - berkte - berkt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij berkt

 

Brndk

toponiem

Berkdijk(sestraat)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Meindert van Gaalen, as ge die knt. Die zulde gij noojt geknd hbbe dnk, van t den Brndk (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

beroerdeghd

zelfstandig naamwoord

narigheid

Van Rijen (1998): ook 'berrdeghj'

meerv. beroerdegheeje

WBD III.1.4:258 'beroerdigheid' = ellende

 

beroow, beroo, broow

zelfstandig naamwoord

bureau, kantoor

et beroow - het politiebureau

Cees Robben En dan maag ie meej... naor t consolataasie-beroo... (19640228)
● met name het oude politiebureau aan de Bisschop Zwijsenstraat
Cees Robben Ze waren op t beroo/ wel van vat-aon (19590523) [Deze prent verscheen ten tijde van de afbraak van dit bureau.]
►boove
Hij ging er meej nr et beroo... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kkt nie zo fn...)

 

brput

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): ook 'birput' - beerput

 

brrebier, brbier

zelfstandig naamwoord  

barbier

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'bij den berrebier'; 'barrebier'

Cees Robben Ik koom rcht van den berrebier... (19861031)

Frans Verbunt: 'brbier'

 

Brrendk

zelfstandig naamwoord, toponiem

- 't Tweede bedrijf is de zitting van den Krvelschen gemnteraod, Krvel vurgesteld as stad, mee t Krvelsch Huukske, het Laor en den Berrendijk as vursteen; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

Berkdijk, Berkdijksestraat

Frans Verbunt: Brrendk

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den Brndk = Berkdijksestraat (blz. 110)

 

brrevoeter

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: kapucijn

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): brrevoeter zelfstandig naamwoord Capucijn

 

brrevoets

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

Pierre van Beek: barrevoets, blootsvoets

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): et mnneke lpt brrevoets

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zne brrevoetse kp hbbe dtter alle vliege de ben p breeke (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1968) - originele beeldspraak over kaalheid.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnw. en bijw. 'berrevoets' - barrevoets

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BERREVOETS - barvoets: berrevoets gaan.

 

brst

zelfstandig naamwoord

barst, scheur

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): der is en brst (of: scheur) in de kan

WNT BARST, ook berst

 

brste

werkwoord, sterk

bersten

B brste - brst - gebrste

Antw BERSTEN - sterven, van beesten, soms ook van menschen.

Zijn eigen te bersten eten, drinken, lachen, loopen, schreeuwen, werken, zingen = zodanig ... dat men er kwalijk van zou worden.

WNT BARSTEN, ook bersten

 

Bertha
eigennaam
uit Norberta
Cees Robben (19850726)
 

brzie

zelfstandig naamwoord

massa, boel, hoop

Der laage tch en brzie aaw spkers. - Er lagen toch een boel oude spijkers

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): ''n heel berzie fleschkes odeur'

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): "n heele berzie wilde vrammessen'; 'n heel berzie collectanten

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "berzie - ze kwaamen mee 'n hil bersie (aantal)"

Un berzie sperzie. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Piet van Beers Kerstverhaal 2009): Mar toen kwaame der en brzie engeltjes n die zonge der op los. (Het zeventiende boekje, 2010)

CiT (19) 'Siendereklaos hee wir 'n berzie gereje'

WBD III.4:260 'berzie' = grote hoeveelheid

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): brzie - grote hoop, troep

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BERZIE (Fr. berge, schuit), v. grote hoeveelheid: 'n hil berzie: ook wanorde, chaos, rommel.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): 236 localiseert 'brzie' in Wagenberg en Tongelre; Tilburg wordt niet genoemd.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): 'berzie', menigte, hoop, troep: 'n heel brzie (kinderen appels, centen, enz.)

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): berzie - grote hoeveelheid, rotzooi, wanorde, bende

WNT BERZIE, ook barzie, een woord dat in de spreektaal van veel gewesten zeer gewoon is, hetzij in den zin van: 'ongeordende wilde troep van koeien, van kinderen, van gemeen volk', hetzij in dien van 'ongeordende boel, rommel', of ook in dien van 'drukte, herrie'.

Kiliaen: 'bersch'

 

beschaaje

werkwoord, zwak

bescheiden = beslissen

Cees Robben D laoten we God.. en/ Dn mlder beschaaijen (19580524) [uitdrukking om te zeggen dat het antwoord op een vraag moeilijk of niet te geven is.]

Henk van Rijen: d zumme Gd en de mlder mar laote beschaaje - daar zullen we maar niet over redetwisten

Frans Verbunt: overeenkomen, vaststellen

WBD III.1.4: 49 'bescheiden = beslissen

WNT lemma BESCHEIDEN II

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): beschaaje - bedingen, afspreken

 

beschaaje

bijvoeglijk naamwoord

bescheiden

Van Rijen (1998): ' D-s ginnen onbeschaaje meens'

 

beschaffe

werkwoord, zwak

volgens WNT in West-Vlaanderen: Opmerken

WBD III.1.4:422 'beschaffen' = een aanmerking maken

 

bescha(a)ndeliezeere

werkwoord, zwak

beschadigen, schenden; waarschijnlijk onder invloed van 'schandaal'

- beschandeliezeere - beschandeliezeerde - beschandeliezeerd

- heb ik verschaaie meensen die hier wone, grouwelijk beschaandeliseerd, dur ze ammel over dezelfde kam te schre. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Zegt d mn gezicht beschandeliseerd is... (19581004)

Mn wang is naa beschandeliezeerd... (Henritte Vunderink; Enen appel; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Stadsnieuws: We mogen op zondag not bte speule om onze kleere nie te beschandeliezeere (080409)

- n toen kwaam er ene vrachtwaoge langs n daor viel toen dieje kompjoeter aaf. n himmel nie beschaandeliseerd of niks. Zoodoende staotie naa hier. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

Witt. beschandelezeren (S.G. 329) 'et keske is en bietje beschandelezeert'

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr. 'schadaliseren' - toetakelen, schenden

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beschandalisere - vernielen, beschadigen

 

beschaodege / beschaojege

werkwoord, zwak

beschadigen

- beschaodege - beschaodegde - beschaodegd

Ze beschaoiige de boel hier nie onverdoens. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WBD beschaodegd - beschadigd (m.b.t. huiden; II 583)

 

beschreme

werkwoord, zwak

beschermen

Dirk Boutkan: (blz. 22) beschreme (+96)

 

bescheete

bijvoeglijk naamwoord

bescheten, ongewenst zwanger

Frans Verbunt: der bescheete tzien - er beroerd uitzien

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Der wier ons not niks gezeej! Ons moeder heej not niks teege mn gezeej! Not! J, hadde bescheete ngekoome, j, dan hadde ze, dan wast vurbij h!. (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Cees Robben [moeder tegen dochter:] Ben mar blij degge nie bescheeten zeed thuisgekoome... (19840629)

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beschete bijvoeglijk naamwoord 'verprutst'

WNT bescheeten - smerig, niet fraai, niet oprecht gemeend

 

bescheije

werkwoord, zwak

bescheiden, bedingen, als voorwaarde stellen

bescheije - bescheidde - bescheide (of: bescheeje?)

WNT BESCHEIDEN (II) bedr. ww., oudtijds sterk, later met zw. verl. tijd, maar met sterk deelw. (bescheiden) WNT ...A2) bepalen, vaststellen, soms ook bedingen; 4) iemand iets toewijzen, toedeelen

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BESCHEIDEN (beschje), ov.ww., bedingen, als voorwaarde stellen, als toegift eisen.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): beschje, zw.ww., tr. bescheiden, bedingen

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bescheije (vooral volt.dw. bescheeje) vastgelegd, bedongen

 

Nieuwe Tilburgsche Coourant 27 juli 1944

bescht, beschtje

zelfstandig naamwoord

beschuit

WBD beschtenblm - bloem van zeer harde droge tarwekorrels

WBD beschtenblm - meel voor het bereiden van beschuitdeeg, ook 'petnt' genoemd

WBD beschtdeg - beschuitdeeg

WBD bescht snije - doormidden snijden van beschuitbollen

WBD beschtmis - beschuitmes (gebruikt om beschuitbollen doormidden te snijden)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bescht zelfst. nw. vr. beschuit; mv.bescht en beschte(n)

 

beschient
voegwoord
misschien
Cees Robben Hoeneer komde wir... Beschient n testag-taatemiddeg.. (19760423)
 

beschiete

werkwoord, sterk

-- Beschiete - beschot - beschoote

iets betekenen, van belang zijn (gewoonlijk negatief gebruikt)

VB Et beschiet er nie aon = Het is de moeite niet waard

R.J. 'de kender wasen beschiet er nie' aon'

Stadsnieuws: Schaajt er naa mar meej t, d beschiet er tch nie aon (310107)

Stadsnieuws: Schaajt er mar meej t, d beschiet er tch nie mir aon - hou er maar mee op, dat helpt toch niet meer (120510)

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beschiete - voordeel opleveren, ertoe bijdragen

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): beschiete - ertoe bijdragen

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): beschiete(n) st.ww.intr. 'beschieten', helpen, baten: D beschiet nog is wa! (b.v. bij een flinke gift bij een kollekte).

WNT BESCHIETEN (I) B, 2 een zeker belang hebben , iets beteekenen; thans in onbruik

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BESCHIETEN onov.ww., in v. Dale o.a. 'waarde hebben, helpen'; in WNT 'voordeel opleveren'; vooral in de uitdrukking -  'd beschiet er nie aon' - dat maakt op een zo grote hoeveelheid geen merkbaar positief verschil, of: gezien de omvang v.h. werk in zijn geheel is deze concrete inspanning of bijdrage van geen werkelijke betekenis.

Haor. BESCHIETE - nut hebben

 

bschiete

werkwoord, sterk

bijschieten

bschiete - schot bij - bijgeschoote

- mar w za't er aon beschiete (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

R korter zijn (van een route)

R D schiet tch z bij, as ge binnendeur gaot.

 

beschmd

bijvoeglijk naamwoord

beschaamd

WBD III.1.4:70 'beschaamd' = schuchter

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BESCHAAMD (uitspr.: beschamt, beschaomt, beschomt) - schaamrood, Fr. honteux, confus. Beschaamd om, veur, over.

- Verlegen, bloode, bedeesd.

 

beschrve

werkwoord, sterk

inhouden, inhebben; van belang zijn

beschrve - beschref - beschreeve; geen vocaalkrimping

Van Rijen (1998): 'Dieje krremes, d beschrft me w!'

Frans Verbunt: d beschrft w - dat heeft heel wat voeten in aarde

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BESCHRIJVEN (beschrve) onov.ww., inhouden, inhebben, ingewikkeld zijn en lang duren, van belang zijn: d beschrft w.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beschrve - van belang zijn, ingewikkeld zijn

 

bespele

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): beetnemen, overheersen

Van Rijen (1998): 'Lot oe nie bespele - Laat je niet overheersen'

WNT BESIJPELEN - bedruppelen

 

besjoefele

werkwoord, zwak

TW klaarspelen, in orde brengen

 

besjkke

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

"Bende staopel-besjokke, Jan, of krijgde 't?" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

"Bende staopelbesjokke, menneke!? (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

Van Rijen (1998): gek, dwaas (Hebr. meshugo)

WNT MESJOCHE - mesjoege, mesjogge, mesjokke uit Jidd. 'mesjogge', uit. Hebr.'masugg' - krankzinnig. Bargoens en volkstaal: besjoege.

 

besjonkele

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): betalen, opbrengen [?]

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): besjonkele - aflaat verdienen

► pesjonkele

 

beslag

zelfstandig naamwoord

1.deeg voor pannenkoeken

WBD III.2.3:225 'beslag' = pannenkoekendeeg

2. beroerte

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): beslag - beroerte

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): ''n licht beslag' (= beroerte)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): beslag - beroerte

WBD III.1.2:314 'beslag' = hartinfarct

WNT BESLAG l) Slag, en wel in de bepaalde toepassing van beroerte (hd. schlag); gewestelijk, met name in het Overbetuwsch, en, wat Zuid-Nederland betreft, vooral in Brabant.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. o. --1) beroerte;

3. In de bakkerij: aangemengd meel om te bakken

WBD beslagkp - beslagkuip (waarin moutmeel en water werden gemengd, in de brouwerij)

4. In de brouwerij

WBD beslag - beslag (mengsel van moutmeel en water in de beslagkuip, in de brouwerij)

WBD beslagkp - beslagkuip (waarin moutmeel en water worden gemengd, in de brouwerij)

WBD beslagpomp - wortpomp (pomp die, als dat niet gebeurt door hoogteverschil, gebruikt wordt om wort van de lekbak naar de wortketel te transporteren)

5. Andere betekenissen

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. o. -- 2) het gezamenlijke koperwerk waarmee schoonheidshalve het paardetuig is bezet.

 

beslagkp

zelfstandig naamwoord

WBD beslagkp - beslagkuip (waarin moutmeel en water worden gemengd, in de brouwerij)

 

beslagpomp

zelfstandig naamwoord

WBD wortpomp (pomp die, als dat niet gebeurt door hoogteverschil, gebruikt wordt om wort van de lekbak - in een brouwerij - naar de wortketel te transporteren)

 

beslaon

werkwoord, sterk  

beslaan

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dubbel beslaon is aaltij beeter - aan twee heiligen dezelfde gunst vragen, of aan twee personen, vergroot de kans op resultaat. (Men denke hierbij aan het beslaan v.e.paard).

 

beslchte

werkwoord; niet anders opgetekend dan als infinitief en tweede of derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd

- overeenkomst vertonen met; uiterlijk lijken op

WTT 2012 - Dit 'beslchte' is dus niet het 'beslechten' in de zin van 'beslissen' (zoals Pierre van Beek vermoedde, zie onder), maar is een verbastering van 'slachten' (zie WNT hieronder).

R lijken op

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "beslaichten - hij beslaicht die of die (hij gelijkt die)".

Cees Robben Gij beslcht men wel, maotje.... (19790914)

CiT (130) 'Hij beslgt hlje vadder'

WBD III.4.4:301 'beslachten' = gelijken

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beslachte - op iem. lijken, iets gemeen hebben

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BESLECHTEN (beslchte) ov.ww., geslachten, lijken op, iets met iemand gemeen hebben. Slaat niet altijd op familietrekken: hiervoor is 'aorden nor' gebruikelijk: dan zulde gj den aandere beslchte - dan zul je wel lijken op iemand die (dan volgt het voorbeeld).

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr. 'beslaachten' - beslachten, (ge)lijken op. Z.a.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): beslchte - lijken op

WNT SLACHTEN II) (van den stam van 'slaan') onz. zw. ww. Mnl. slachten, mnd. slachten, ohd. slahtn, mhd. slahten, hd. schlachten. Van den stam van Slaan. Gelijken op, overeenkomen met, aarden naar. Thans nog slechts gewestelijk. a. Met betrekking tot een gelijkenis of overeenkomst in het algemeen of in niet genoemde opzichten. -- Voor den quaden boom hem elckerlijc wachten sal. En de tacken ooc den boome meest slachten al, A. BIJNS 20.; -- O duechdelicke vrauwe O vloeyende adere Wel slacht ghy den duechdelicken tronck Van uwe voorders Hout ende jonck Die oynt anders dan pays, ende eere sochten, EVERAERT 552 [1538].

Overdrachtelijk

R Tegen een kleinzerige: Ge beslcht de vtte osse wl; die vuulen et k ooveral.

Overdrachtelijk - Rommelre vink

Van Delft - Als iemand niet veel praat, doch maar stil zit te luisteren en te denken, klinkt het: "Hij beslecht Rommelre vink, die docht d'r deuntje." (Rommelaar had nl. een vink, die niet zong, en als men daarover een aanmerking maakte, zeide hij: "Die denkt z'n deuntje.") (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij beslcht Leyten's/Rmmelaire's vink: hij leert aachtert (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1964 resp. '16) - gezegd als iemand iets slechter doet dan tevoren

Pierre van Beek -- "Hij beslcht Leyten's vink, hij leert achteruit!", wat o.a. gezegd wordt wanneer iemand dingen slechter doet dan hij ze voorheen placht te doen. We treffen hier wederom het werkwoord "beslchten" aan. (Tilburgse taalplastiek 4 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 25 februari 1950)

Pierre van Beek -- En hebt u nooit gehoord: "Hij beslcht Rommelre vink; die docht d'r deuntje!" Men zegt dit als iemand niet veel praat doch maar stil voor zich uit zit te denken. Rommelaar was een "veugeltjesprutter", die een vink had, welke niet zong. Maakte men daar aanmerking op dan luidde steevast zijn slagvaardig antwoord: "Die denkt d'r deuntje!" (Tilburgse taalplastiek 3 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 18 februari 1950)

Pierre van Beek (1964) - We hebben nog een vink onder onze notities met de uitdrukking: "Hij beslcht Leyten's vink, hij leert achteruit!", wat o.a. gezegd wordt wanneer iemand dingen slechter doet dan hij ze voorheen deed. "Beslcht" vinden we een mooi Tilburgs woord. De onbepaalde wijs hiervan moet zijn "beslechten". Het curieuze is, dat het werkwoord "beslechten" in het Algemeen Beschaafd Nederlands wel bestaat, maar in een geheel andere betekenis dan waarin het, in vervoegde vorm, in het zinnetje over de vink van Rommelaar gebruikt wordt. In het Algemeen Beschaafd betekent het "beslissen". Zo wordt bv. "een pleit beslecht". In Tilburg heeft het echter ook de waarde van "gelijken op" of "overeenkomen met". Van Dale's groot woordenboek der Nederlandse taal kent het in de Tilburgse betekenis niet. [Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - 27 mei 1964] [Zie echter WNT hieronder]

- D.S. - In: Nieuwe Tilburgse Courant - 23 februari 1950: In de krant van zaterdag ll. stelt "Tilburger" de vraag hoe de betekenis van het woord beslchten in de zin "Hij beslcht Rommelre vink" moet worden verklaard. Naar mijn mening hangt dit woord beslchten samen met het woord geslacht. In literatuur van de vorige eeuw komen we bijv. bij Van Lennep en meer nog bij de Zuid-Nederlander H. Conscience bijv. de uitdrukking tegen: "In zijn verbasterde spraak slachtte hij de Fransman" (die het Vlaams niet kan uitspreken!). Hier zou dan de letterlijke betekenis zijn: hij wekte de schijn van hetzelfde ras, dezelfde stam, hetzelfde geslacht te zijn als een Fransman, dus: alsof hij echt leek op een Fransman. De in beslchten is een umlautvorm, die in dialect heel vaak voorkomt. Het voorvoegsel be- duidt een begin aan, of de plotselingheid waarmee de spreker de gebeurtenis of het feit waarneemt.
Hierdoor zou naar mijn mening voldoende de betekenis van het geciteerde woord zijn verklaard.
 

besniete

werkwoord - Alleen de infinitief komt voor, meestal gepaard met 'moete'

bezuren, opdraaien voor

Gij hgget gedaon, n hij moet et besniete. - Jij hebt het gedaan, en hij draait ervoor op.

Hij zeej: Int irst viel et nie mee,/ allen tusse die griete/ want ofk iets ha gedaon of nie/ ik moest aaltij besniete. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wrrom zo d nie meuge?')

Henk van Rijen: de goej mottenet meej de kaoj besniete

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): besniete - bezuren, opbreken

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - besniete, misnieten - ontgelden, bezuren

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BESNIETEN ov.ww., bezuren, altijd in verbinding met 'moeten' en 'het'.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): besniete(n) zw.ww.tr. 'besnieten' (iets) ontgelden, (het) bezuren.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): besniete - bezuren

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): besnieten < Middelnederl. 'misnieten'

MNW - lemma Misnieten - st. ww. trans. Mhd. misseniezen. Het tegenovergestelde van genieten; het woord is nog heden in zuidndl. tongvallen bekend in den vorm misnieten (Schuermans 481) en (in Limburg) besnieten (t. a. p. 46).

 

besnt

bijvoeglijk naamwoord

Van Delft - "Als ge niet besnot bent, hoef je je neus niet te vegen" zegt de volksmond om aan te duiden: Wie geen schuld aan iets heeft, behoeft zich van geen smet te zuiveren. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

 

besnut

zelfstandig naamwoord

deel, part

Pierre van Beek: zen besnut krge - zijn part krijgen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zen besnut krge (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - zijn misniet krijgen: ontvangen wat hem toekomt, zijn deel krijgen.

MNW. MISNIET (mesniet) zelfst. nw. o. 'ongeluk', verg. mesnieten - het tegenovergestelde van genieten.

 

besoenieje, bezoeje

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: bezig zijn, in beweging zijn (Fr. besogner)

WNT besogne (besoigne) - zaak, aangelegenheid, bezigheid, moeilijke zaak, affaire. Uit. Fr. besogne, Ofr. busunie, buuine, bosuigne, besogne, besoigne ... In jonger taalgebruik ook juist met vernederl. spelling op grond v.d. uitspraak: besonje.

BESOGNEEREN - handelen, onderhandelen, , ondernemen, nodig hebben.

 

bssem

► bissem

zelfstandig naamwoord

bezem

Dialectenqute 1879: mit den bssem kre - met den bezem keeren

Brabantius (1884) - Bssem m., bezem. (Onze Volkstaal, 1882, nr.4; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal).

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "Hij hee van naacht op den bessem gereejen" - hij heeft diarree gehad

Stina kwaam aongeloopen mee den bessem in d'r haanden... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

"Mien, gaaw 'nen bessem gevat en den herd w bijgeveegd, 't geestelijk komt! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

De Wijs -- .en lillik as ze is, as ge ze op unne bessem zet gao ze z de lucht in (23-09-1970)

Van Delft - "Het is 'ne freete (trotsche, hoovaardige, fatterige) meensch, da kan d'm aanzien, mar zij is z'n interessaant (gierig) wijf, da ze 'n dubbeltje deur zou bijten, al was 't d ze van ouwerdom op d'r taandvleesch liep", sprak de een en de ander antwoordde gevat met de woordspeling: "D doen nou al d'r bessems (bezems) en vegers al." Dit is: Die trotsche man had dus een gierige vrouw en de bezems werden versleten tot op het hout. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

WBD III.1.2:260 'op de bessem rijden' = diarree hebben

WNT BEZEM, gewest. beuzem, en vooral in zuidel. dialecten BESSEM

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BESSEM, mv. bessemen en bessems - bezem

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BEZEM - bsem

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BESSEM zegt men hier voor bezem. Kiliaan heeft beide. Z.a.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bssem zelfst. nw. m. - bezem

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bessem - bezem

Bezembinder - Pehr Hillestroem  

 

bst

bijwoord., bijvoeglijk naamwoord

best

uitdrukking -  z'n bst - op z'n best, in hoge mate, optimaal; superlatief van 'goed'

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEST, in de uitdrukking -  'zn best' - optimaal, in hoge mate (versterkende bijw. bepaling; 't rgent z'n best; hij t wir z'n best (zoals hij het op zijn best doet).

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEST ... Zijn best - zoveel het kan; zeer goed

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bst - bijwoord. hevig, best

 

bestaon

werkwoord, sterk

bestaan

bestaon - bestn(d) - bestaon

et bestao

Cees Robben: Hoe bestaoget! Hoe bestaoget!' D ks nie bestaon.

Cees Robben: Zo as gij bestaot er gin en; men zaok bestao ffteg jaor;

gd08 de Stichting Tilbrgse Taol bestao naa vftien jaor

 

besteeje 

werkwoord, zwak

besteden

B besteeje - besteedde - besteed (geen vocaalkrimpiing)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BESTEED verl. dw. - Spr. 't is er nie(t) aan besteed - 't is het niet waard

 

besteeke

werkwoord, sterk

een cadeau geven

besteeke - bestaak - bestooke

in tegenwoordige tijd vocaalverkorting: hij bestikt

Cees Robben: 'die hem kwamen feliciteren en met een kadootje besteken'

Cees Robben: et klutje wrdt dur heur bestooke;

WBD (III.5.2:263) besteeke, fliecieteere = gelukwensen en een geschenk geven

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): besteke - geschenken aanbieden, gunstig stemmen, steekpenningen geven

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - besteken (met)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): besteejke - een cadeau geven

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BESTEKEN - iem. op zijnen naam- of verjaardag een geschenk anbieden.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BESTEKEN -op het naamfeest een geschenk geven.

Cornelis Verhoeven: : ouderwets woord voor: iemand een cadeau geven, vooral op zijn verjaardag. Werd rond 1930 nog gebruikt met een archasche verleden tijd: hij worde besteke, hij werd bestoken.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BESTEKEN voor 'met bloemen besteken', eene zaak of persoon met bloemen versieren. 'Besteken' voor bekransen, vindt men ook bij Vondel Z.a.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): besteeke (krt. 40) = iemand (met zijn verjaardag) een cadeau geven(blz. l5)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): besteeke(n) -iemand een geschenk geven op zijn verjaardag.

WNT BESTEKEN 6) iemand met bloemen of ook andere geschenken begiftigen en wel om hem geluk te wenschen, b.v. op zijn verjaardag, zijn naamdag of derg. In zuidelijke gewesten nog thans gewoon (1898).

WBD III.5.1:89 'besteken', 'schenken, cadeau geven' = schenken

 

bestl

zelfstandig naamwoord

benaming voor broodsoort of koek

WTT 2012 samenhang

- bestl is vaak synoniem van mastel

- de grondvorm lijkt het Oudfranse mesteil te zijn

- mesteil is van oorsprong brood gebakken van tarwe en rogge

- in het Nederlands was de naam voor dit brood masteluin

- dergelijk brood verdwijnt in de 19de eeuw uit het consumptiepatroon

- ondertussen zijn bestel en mastel in gebruik geraakt voor koekjesachtige producten

- soms wordt de mastel/ bestel dan gelijkgeschakeld met krakeling

- in Vlaanderen is de broodvorm langer in gebruik gebleven, maar niet noodzakelijk als een mengeling van tarwe en rogge

- in Vlaanderen is mastel opgetekend als hubertusbroodje

- mastel/ bestel als koekproduct stond ook bekend met smaakgevende ingredinten, waaronder anijs

- in die samenstelling bekend als tractatie bij gezinsuitbreiding (vergelijk beschuit met muisjes)

- daarnaast is het koekje gebruikt als ingredint voor eenvoudige pap

- in die samenstelling is er verwantschap met luiwvepap en mogelijk ook lammetjespap in een oneigenlijke betekenis

- in de schaarse Tilburgse bronnen wordt het baksel benoemd als beschuit

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): bestellen - groote ronde beschuiten (mastellen)

De Bo - De b en de m verwisselen somwijlen met elkander, b.v. (...)
Bedeen medeen, met een. Bestelle mostelle. Karbonade karmena. (De Bo, Westvlaamsch Idioticon, 1892)

Uit: J.H. Nannings, Brood- en gebakvormen en hunne beteekenis in de folklore; 1932

► luiwvepap

► hverbl (hubertusbroodje)

A.J.A.C. van Delft  -- Nou 'k daorvan spreek, schiete me ineens ok weer de keukenbeschuit van vroeger jaoren te binne () Bestellen hadden ongeveer den vorm van een cadetje en werden hard gebakken met anijszaadjes erin. Het was een gekruid masteluinbroodje, en werd inzonder gebruikt om er pap voor kraamvrouwen en kinderen van te koken. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

WNT BESTEL (I) - eene soort van beschuit, die inzonderheid dient als voedsel voor kraamvrouwen. De b moet ontstaan zijn uit de m van het Oudfranse mesteil ... z.o. mastelle.

WBD III.2.3:213 -- Licht, tweemaal gebakken baksel van tarwe. De b van bestel is ontstaan uit de m van het ontleende Oudfranse mesteil
'mengkoren' dat ook een verlengde vorm heeft opgeleverd: het Middelnederlandse masteluun. De m is nog bewaard in mastel, naast bestel. Mastel is meer specifiek een rond broodje of koekje van tarwebloem, soms met boter, kaneel, suiker, anijs enz. gebakken en met een kuiltje in het midden.

WTT 2012 -- de oorsprong van het Oudfranse mesteil dien te worden verstaan als een baksel dat zowel uit tarwe als rogge bereid werd. (Zie Baumgartner, Dictionnaire Etymologique, 1996)

WBD III.2.3:213 -- bestel (ook bistelt): verspr. Tilb. en Noordmei.; ook in Waalwijk.

WBD III.2.3:143 -- geeft voor 'beschuitenpap': luiwijvenpap: freq. [algemeen in] Tilburg

Anton van Oirschot -- Bestel: rond, hardgebakken, gekruid, masteluinbroodje met anijssmaak, vroeger gebruikt om daarvan pap voor kraamvrouwen te koken; anijs beschuitbol; ook bestellenmelk en bestellenpap. (Plaatselijke en gewestelijke specialiteiten uit Nederland, 1974)

L.W. Schuermans -- MASTEL, v. zeker klein, rond en plat broodgebak. Van de gewone mastellen maakt Weil. melding op het w[oord] masteluin. Edoch thans zijn er van alle soorten van mastellen, groote en grove mastellen en kleine , fijne mastellekens. Men heeft Brusselsche, Mechelsche en allerlei andere mastellen. Het woord is overal in het Zuiden gebruikt. (AlgemeenVlaamsch Idioticon; 1865-1870)

Lambertus Burema -- Scheltema, voornamelijk schrijvend over de "fatsoenlijke burgerstand", zegt in 1830, dat gerst, haver en bonen vroeger wel, doch nu niet meer voor de broodbereiding gebruikt worden. Aan het elders aangeprezen aardappelbrood was volgens hem bij ons geen behoefte. Alleen rogge- en tarwebrood werd gebruikt. Het masteluijnbrood was vergeten, en het woord mastelein diende alleen nog om het brood van de fijnste bloem van tarwe, met melk bereid, aan te duiden. (De voeding in Nederland van de Middeleeuwen tot de twintigste eeuw; 1953)

Lambertus Burema -- Van Meerten meende in 1852, dat in sommige streken van Gelderland en Noord-Brabant nog mastelein gebruikt werd. Gerstebrood werd eigenlijk niet meer gebruikt, doch kon in noodtij den in aanmerking komen voor consumptie. (De voeding in Nederland van de Middeleeuwen tot de twintigste eeuw; 1953)

J.H. Nannings -- Dit Krakelingen- of Mastellenfeest [in Geeraardsbergen in Belgi] heeft sinds onheugelijke tijden plaats op den eersten Zondag van de Groote Vasten en is wel een unicum te noemen, gezien de eigenaardige gebruiken die daarmede gepaard gaan. Men noemt dezen eersten Zondag der Groote Vasten ook wel den Grooten Vastenavond. De krakelingen, die bij dit feest een der hoofdbestanddeelen uitmaken, hebben niet den bekenden 8-vorm, maar zien er meer uit als de ouderwetsche bestellen, die, vroeger meer dan tegenwoordig door de huismoeders werden gebruikt voor het koken van pap. Het zijn groote ringen van een sterk met anijs gekruid gebak, in Nederland B e s t e l l e n , in Vlaanderen M a s t e l l e n geheeten. (Brood- en gebakvormen en hunne beteekenis in de folklore; 1932)

Jos Schrijnen -- Een eigenaardig gebruik heeft plaats te Geeraardsbergen (...) Daar trekken onder de tonen der muziek ,,de regeering met andere ontzachbare heeren en de geestelijkheid met den pastoor aan het hoofd, al deftig uitgedoscht" naar een naburige kapel, waar den pastoor een feestbeker met een levend vischje gereikt wordt, dat hij mee moet doorslikken. Daarna regent het mastellen en haring. (Nederlandsche Volkskunde, deel 1, 1915)

K. ter Laan -- In Belgi worden vooral mastellen (bestellen) als Hubertusbrood gebruikt; men eet deze broodjes op de nuchtere maag. (Folkloristisch woordenboek; 1974)

 

bestld

bijvoeglijk naamwoord

van bestellen, op zijn plaats zijn, komen, brengen

D'ren oudste, Kees, is goed besteld/ getrouwd in eigen huis en veld. (Piet Heerkens; uit: De Mus, Sterke vrouw, 1939)

 

bestte 

werkwoord, sterk

roemen, pochen op

bestte - bestot - bestote

Vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bestt

Ze bestt der dchter vusteveul. - Ze roemt haar dochter veel te veel.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "hij wier nog bestooten ook (geloofd, geprezen)"

Bestuite doe ons vrouw mn nie gemak want dan wor ik overmoedig zeese... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Boerkens uit den buiten,

heerkens van et laand

zullen ons bestuiten

om den aawen traant. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Kinkenduut, mn bruurke, 1941)

Cees Robben [dirigent over een stem in zijn zangkoor:] Anna Nuyten (...) daor kossie nie van stuiten... (19600414)

Cees Robben Ik heb n goei vrouw... En ik bestuit ze overal... (19741011)

Stadsnieuws: Ge moet et nie zo bestte, daor wrt ie mar grotseg van - Je moet hem niet zo (overdreven) prijzen; daar wordt hij maar verwaand van (051008)

WBD III.1.4:429 'bestuiten', 'stuiten' = rijzen/loven

WBD III.1.4:193 'bestuiten = zijn tevredenheid betuigen'

WNT BESTUITEN - iemand of iets ophemelen, prijzen, gunstig er over spreken (in zuidelijke gewesten).

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bestuite - prijzen, waarderen 

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bestite - prijzen, loven

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Bestuiten: prijzen, loven van iets of iemand goedspreken.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Bestuiten: iemand bestuiten = voordeelig van iemand spreken. Z.a.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bestte(n) zw.ww.tr. 'bestuiten', prijzen, loven.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BESTUITEN - bestoefen, grootelijks loven en prijzen, voordelig van iem. of iets spreken.

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): bestte (VII:24)

In de bijzondere betekenis: naar het varken komen kijken (vlak voor of kort na de slacht) om het te prijzen. ► Zie dossier bestuiten

 

bestvere

werkwoord, zwak

betalen (afl. van geldstuk 'stuiver')

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "ge mot et mar kunnen bestuivere" (betalen)

WNT STUIVEREN 2) in 't alg.: dokken en betalen

 

bestrve 

werkwoord, zwak

verwennen, behagen; de etymologie is niet opgehelderd; mogelijk is er een samenhang met struif: met een lekkernij verwennen; Cees Robben koppelt het werkwoord immers aan aajkes

bestrve - bestrfde - bestrfd (geen vocaalkrimping)

R Ze lt erge gre bestrve.

De Wijs -- Ge zt n aachteruit gezet menneke, ik zal jou wellus goed bestruive (verwennen) (20-03-1968)

Cees Robben - ..Mister, ge mot er op td w aaikes onder lgge.. En al broeit ie ze vuil, toch mar bestruive... (19680628)
Cees Robben [mijn man is] ginne kaoie... mar ge mot m wete te bestruive... (19651105)

WBD III.3.1:260 'bestruiven' = vleien

WNT BESTRUIVEN Een woord dat in de oudere taal vaak voorkomt, maar altijd in oneigenlijke beteekenis. 1) iemand of iets bevuilen met uitwerpselen; 2) eene vrouw bedriegen en zwanger maken; 3) ... h) iemand bedotten, teleurstellen, hem bekaaid van iets af doen komen; een blauwtje laten lopen.

WTT 2013 - De etymologie is onduidelijk. Waarschijnlijk is echter dat 'bestrve' gebaseerd is op het werkwoord 'struiven' (WNT). Het betreft dan de woordvorming van be+werkwoord, waarmee zoveel gezegd wil zijn dat het in het werkwoord uitgedrukte idee wordt toegepast op het onderwerp, en wel in meerdere mate. Zie bijvoorbeeld 'bestvere' hierboven. Daarnaast veel werkwoorden als 'bekijken, beroepen, beduiden, etc.'.

WTT 2013 - Vooralsnog lijkt 'bestrve' in de hier bedoelde positieve betekenissen als 'verwennen' en 'vleien' dus een versterking van een onbekend werkwoord 'struiven' of 'bestruiven'. De oorsprong van de 'oneigenlijke betekenissen' (WNT) blijft onbekend. Waarschijnlijk is de eigenlijke betekenis dan toch 'verwennen', in de zin van 'met struif', pannenkoek of ander lekkers goed doen.

► strf

 

bt

werkwoord, persoonsvorm  

bijt

Cees Robben: Bt ie ak em aaj?

- 2e + 3e pers. enk. van 'bte'

 

betaole  

werkwoord, zwak

betalen

dan betaol ik den dkter; belasting betaole; meten betaole

betaole - betlde - betld

Vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij betlt.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Beeter ene goeje betlde as ene kaoje vur niks.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Waor broeke zn, betaole gin doeke.

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'betold'

Cees Robben: z gaaw ge betld ht;

Henk van Rijen: d betlt ie t zen visjeszkske

Van Rijen (1998): ook: petaole

 

betaome

werkwoord, zwak

betamen

B betaome - betmde - betmd

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: et betmt

 

betds

bijwoord

bijtijds

Cees Robben [Drees heeft] beteds den A.O.W. nog uitgevonden.. (19871126)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIJTIJ(D)EN en BIJTIJDS bijwoord - somtijds, Fr. quelquefois.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIJTIJD, BIJTIJDS bijwoord - intijds

 

betekene

werkwoord, zwak

betekenen

W heej d te betekene?

 

beteule

werkwoord, zwak

betelen, veldvruchten telen, bebouwen van grond
Cees Robben Ik beteul zelf munnen hof en win veul. (19850517)

beteule - betulde - betuld; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij betult

 

betienes

zelfstandig naamwoord, plur. tant

schoenen met opzij elastieken inzetstukken, bottines

"Trien, poetst mn bottines... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

WBD III.1.3:219 'bottine' = hoge schoen met elastische tussenstukken

A.P. de Bont: Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. m. 'pettin', bottine; AB vr. Voor het woordbegin vgl. Landheer.

Landh. petienen 'ouderwetse schoenen die van boven met een klep sloten'. Ook: 'petienesen'.

 

betijje

werkwoord

vrijwel uitsluitend als infinitief gebruikt in de uitdrukking: iemand of iets laten betijen; zijn gang laten gaan (ABN)

Zen Trees wo nr de huishaawbeurs,/ hij liet ze mar betije (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ene smrlap blft ie)

 

betjoegd

bijvoeglijk naamwoord

bij de hand

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "betjoegd - 't is ne betjoegde kairel (slim, bij de hand)"

WNT BETOEG(D) - rijk, uit de brand, goed af

 

btjoeoe
samentrekking
bijt hij [een hond] je (Cees Robben 19550528)
 

Btteljm
toponiem
Bethlehem
Cees Robben nie naor Betteljem... (19591224)
Cees Robben [over een vrouw:] Ze lekt net de ster van betteljem.. J, alleenig blinkt ze nie... schne doese wel.. (19800105)
 

betwffele

werkwoord, zwak

betwijfelen

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'betweffelen'

betwffele - betwffelde - betwffeld

 

bge

werkwoord, sterk

buigen

Dialectenqute 1879: buige (ui als in Fr. Meuse, fleuve)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de burries van de kreugel bge deur nder et gewicht

Dirk Boutkan: (blz. 37) doublet 2/3 p. sing.: 'bgt/bgt' (buigt)

Dirk Boutkan: (blz. 40) in verl. tijd variatie: bogde / bogde

B bge - bog - gebooge - in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

 

beugel

zelfstandig naamwoord

WBD koe-kennef (houten of ijzeren koehalsband)

WBD III.1.3:168 'beugeltas' = beugeltas

 

beugelbaon

zelfstandig naamwoord

baan waarop de beugelsport bedreven wordt (zie 'beugele')

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- d keegelen ok al meej die beu, die beugelbaone, d ziede ok niemer, h. D was vruuger zon, zon beugelbaon n d waare tweej van die ringe zo boove mekaare, zak zgge,  h, n dan hadde zonne grote, zonne groten bl nt asse naa zonnen beugelbl hbbe n dan wassie nie zo grot wr ze nou meej keegelen dan moeste op enen afstand moeste probeere om allebaaj dur die beugels te goje n die stonde dan meej zon pin in de grond (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

beugele

werkwoord, zwak

Van Delft - Nog wat ouderen vermaakten zich met "beugelen". Op menig Meierijsch dorp ziet men nog hier of daar zoo'n beugelbaan. Meest had men die te Tilburg bij de boeren, die wat achteraf woonden, en bij buitencafs. Een ruimte van vijf bij drie en halve meter groot was door planken omgrensd en daarin een leemen vloer met op een derde gedeelte vast in den grond een groote ijzeren ring. Eigenlijk drie ringen boven elkaar. De buitenste was iets grooter dan de ballen waar men mee speelde. Die bollen waren gedraaide hardhouten kanjers van zoowat vijftien centimeter middellijn. Men speelde op beurt af van het begin der baan met een slager. Die slagers waren zware planken met een handvat er aan gesneden, waarmede die ballen versjouwd werden, flinke spieroefeningen dus. Het doel was om den bal door den bovenste ring te krijgen, deze telde de meeste punten, de andere minder, wijl het drdoor werken der ballen gemakkelijker ging. Aan het boveneinde was de baan wat hooger voor het uitrollen der ballen. Met het beugelen brachten de buurtjongens zoodoende den Zondag door. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

Interview Jolen - 1978 - Mar mist din ze beugeleWitte waor d gedaon wrd? Agge nouw de Diepestraot ingaot van Krvel t n dan hdde en rij hskes staon n d schaajt bij Gr van Aveldonk (?) dieje, op dieje punt wrd d mist gedaon van die, van die buurt zak nouw mar zgge. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

bk, bkske

zelfstandig naamwoord

buik, dikke buik

ronde bolle bkskes... (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), Kenderdaanske, 1940)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Beeter in de wije wreld as in nen ngen bk.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Schrft et mar p oewen bk; dan kundet meej oewen hmslip tvge.

WBD 'bk' of 'pns' - buik van een paard

Van Beek - "Ge kunt 't op uw buik schrijven en met de hemdslip uitvegen", zegt iemand die het geleende niet wil teruggeven. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Delft - "Die aanstaande heeft iets voor den buik te binden." Dit is: Dat meisje is niet onbemiddeld. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Cees Robben: Ds twee haanden p enen bk; enen bierbk

Cees Robben: Waaren oew oge wir grtter as oewen bk?

Cees Robben: Kk tch is w nen bk;

Cees Robben: 9 (blz. 47) 'buiten-buiks te veul eete'

As iederen dan zenne bk volha, begos de vergadering. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Pierre van Beek: gez. Hij heej nen bk as en spurriekoej = dikke buik (Tilburgse Taaklplastiek 131)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nen goejen haon die brngt er den bk n brsten aon -- Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - een goede echtgenoot maakt een vrouw zwanger

Henk van Rijen: as nen boer zenen bk vol heej, is ie vertrkke - als een boer zijn deel binnen heeft, wil hij wel weg

Frans Verbunt: beeter enen bk vant drinke as enen bult vant sjouwe

Frans Verbunt: vur en vloj hoefde nie hil oewen bk kepot te krabbe (+ Stadsnieuws: 300408)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den bk = frater Archangelus (blz. 100)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den bk = Verhiel (blz. l07)

WBD III.1.1:122 'buik' = buik

 

bklop

zelfstandig naamwoord

buikloop

Dirk Boutkan: (blz. 33) bklop (geen klinkerverkorting)

 

bknaovel

zelfstandig naamwoord

navel

De Wijs -- (Moeder breit een borstrok voor haar dochter) Zk al aon dn buknaovel? (15-06-1963)

De Wijs -- (gehoord bij brei-bezigheden: ) Ds broddelwerk, die braainolde zn te laank. -t is zunt want ge zt al aon den buknaovel (23-09-1970)
 

bkpnt

► bkpnt

 

bkzuut

bijvoeglijk naamwoord; korte u

buikzoet; dat wil zeggen: overrijp, beurs; gezegd van vruchten en met name van peren; soms ook 'rot' en 'wormstekig'

WTT 2012 - de (over)rijping van de vrucht tekent zich af op de schil; de bollende vorm van de vrucht heeft wellicht de associatie opgeroepen met 'buik', ook al omdat het eten van dergelijke vruchten buikpijn/ maagpijn kon veroorzaken. 'Zoet' is een verbastering -- onder invloed van de zoete smaak -- van 'ziek'. 'Buikzoet' = 'buikziek'.

Frans Debrabandere -- buikzoet, buikzuut, bukzuut, bokzuit, bn.: buikziek, overrijp, half rot (fruit). Volksetymologisch uit Mnl. buucsocht buikziekte, buucsuchtich buikziek. (Etymologisch Brabants woordenboek; 2010)

Johannes van Dam: Peren rotten vaak van binnenuit. Vanbuiten zie je niks, maar het hart is bruin. Buikziek noem je dat. Als een peer eenmaal rijp is, rot hij trouwens ontzettend snel. (...) Dat dat voor een peer geldt, en niet voor een appel, heeft een duidelijke oorzaak. Stel dat u een vrucht in handen heeft en u weet niet of het een appel of een peer is. Wat doe je dan? Je gooit hem in een bak water. Blijft hij drijven, dan is het een appel. Zinkt hij, dan is het een peer. Dat komt omdat een appel kleine luchtblaasjes heeft, die hem lichter dan water maken. Daarom knapt hij als je erin bijt, drijft hij en kunnen bacterin zich niet zo gemakkelijk in een appel verplaatsen. Een handpeer is een en al sap en knapt niet. 'Peren en vrouwen die niet en kraken / Die acht men allerbest te smaken.' (Cats) (De Dikke van Dam, 2005)

 

WBD III 3.1.2 - De uitdrukking 'buikzoet maken' geeft mogelijk het gevolg van het blutsen van fruit aan (vgl. Van Dale buikziek, 'van vruchten, aangestoken, half verrot').

WBD III 2.3 -- lemma MELIG - buikzoet: Gilze en Tilburg.

WBD III 2.3 -- lemma OVERRIJP - buikziek: alg. Noordmei. en Cuijks, freq.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  en Noorderkemp., verspr. Mark., Bar., Kempenl. en Peell., zeldz. Tilb. en Zuiderkemp.; ook in Hintham, Leende en Dinteloord.

WBD III.2.3 -- buikzoet als bijvoeglijk naamwoord - buikzoet: verspr. Tilb., zeldz. Maasl.; ook in Berghem.

Cees Robben Vleje-week-vrom waren oew pre buikzuut.. oew appelesiene mrf.. oewe knolraop vs... en oew repel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209)
Cees Robben [Vrouw bij marktkraam:] Dieje appel is z rot as n mispel, Martien ... [Markthandelaar:] Bende zot, Serafien... Hgstes bkzuut misschien. (1811009)
Cees Robben:

Cees Robben - Prent van de week 15 september 1956; de tekst is een verwijzing naar de buikpijn die overrijpe peren kunnen veroorzaken, waardoor het eten ervan laxerend kan werken

De Wijs  --  Zn deez pre bikzuut? (15-06-1963)

Cees Robben:

Cees Robben - Prent van de week 9 oktober 1981; marktkoopman probeert inferieure appels aan de vrouw te brengen

WNT lemma BUIK -- Buikzoet, van vruchten: overrijp; beursch. Gewestelijk
SCHUERM. Bijv. [1883]. [?]
DE BONT [1958] Dien appel ies bekzuut, Die appel is buikzoet, Hs. Lett. 1756, n 15, 1, 8 [Langstraat, 1899].

 

bl, bltje

zelfstandig naamwoord

papieren zak, buil

Hij leest de ble van Brnsgist = hij weet van niks (want die ble waren onbedrukt)

Zde getrouwd dan wordt d netuurlijk 'n moeilijker geval mar d'r is toch k wel 'n mouw on te paassen. Ge brengt [van de kermis] vur oe vernomste helft van oe trouwbuukske bij zo'n gelegenheid 'nen buil stroopmoppen of 'n paor kwatta's mee; d is 'n veul beter remedie tegen onweer as 'nen bliksemafleijer: de bui drijft over zonder d-ge't rommelen heurt! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

...m'n stukske, d'k mee 'n nuuw pen op 'nen schoonen gladgestreken buil geschreven h... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Daornao ene groten bl meej friet/ n flink vant majennse... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)

Audioregistratie 1978 - mar dan laag der n bl tabak of tien mar dan han ze wl zolang gewrkt dtter ene op der  voete laag die vur de tonbank ston n dan, h, nie bij Susse mar bij die jonges dan, h. n dan ten liste begonne ze zow te stoeje n dus ztte ze de deur oope n dan schuptenie dieje bl tabak nr bte! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - den bl van De Gruiter leeze - een sufferd zijn; erg geleerd doen, maar weinig weten; oud nieuws vertellen

Ferry van de Zaande-sticker -2013

Frans Verbunt: meer bl as tebak (gezegd van iemand die verwaand is)

Zullie wogen et dan aaf en deeje et in un papieren bltje. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Bekaant alles moes in enne bl geschept worre en afgewogen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Onze vadder meej enne grote bl vol snoep vur de thsblvers.(Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

We zongen en we kwamen thuis/ Meej ene hele buil meej snoep... (Tony Ansems, Drie koningen; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

't Laag vol meej papier, en peukies/ En halve bltjes friet... (Tony Ansems, t Willeminapark; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

WBD III.1.2:376 'buil' = bloeduitstorting

WBD III.1.2:376 'bult' = buil

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BUIDEL ... zelfs gebruikt men het alhier wel voor een papieren zakje. Z.a.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'bil' - papieren zak z.a.

 

bl

zelfstandig naamwoord

beul

Dirk Boutkan: plur: beule (36)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - 'den beul' = tandarts Beukers(blz. 25)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - 'den beul'= Bernard Janssens(blz. 47)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den beul van Gol = Bas Goijaerts (blz. 40)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de prdebeul = G. v. Huijgevoort(blz. 44)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den beul = Bernard Janssens (blz. 47)

WND BEUL, in ouderen vorm BEUDEL, naast BODEL (Als Mnl. spelling boedel een scherplange oo weergeeft, resteert na d-syncope de basis voor een naglijder: boodel - booel - bl. )

 

beume

werkwoord, zwak

bomen (textielindustrie)

- verleden tijd bumde; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: bumt

WBD beume (II:998)- bomen: De geschoren ketting gelijkmatig (met behulp van de effenaar, boomhout, boomstok (etc.) op de kettingboom winden.

WBD te bred gebumd (II:1007) - te breed geboomd

WBD te smal gebumd (II:1007) - te smal geboomd

WBD te eng gebumd (II:1007) - te eng geboomd

WBD te slap gebumd (II:1007) - te slap geboomd

Van Rijen (1998): 'bme - (textiel) bomen, ketting om boom doen

 

beumer

zelfstandig naamwoord

bomer

WBD beumer (II:l004) - bomer: Een van de mannen die het werk van het bomen verrichten of de persoon die daarvan de leiding heeft..

 

beur

zelfstandig naamwoord

loon, het bedrag dat een arbeider 'gebeurd' heeft

Anoniem 1959
Nillus lee zunne beur op toffel,
zonder verder iets te zegge,
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm
 

beure

werkwoord, zwak

in ontvangst nemen

beure - beurde - gebeurd (geen vocaalkrimping)

-- slaog beure - een pak slaag krijgen

-- dan kunde ze beure (dan kun je slaag krijgen)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'vanwege den gebeurden dubbeltjespot'

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836):. BEUREN voor ontvangen, ... opnemen, innemen = heffen (schatting). Z.a.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): beure - beuren: in ontvangst nemen: geld of slaag

WNT BEUREN - in ontvangst nemen; geld, zijn loon beuren

 

beus

zelfstandig naamwoord

buis

 

bs

bijvoeglijk naamwoord

buis

Frans Verbunt: dronken

Stadsnieuws: As ge bs zt maag de kastelein oe bist bterepe (010807) - Als je dronken bent mag de kastelein je best het caf uitzetten.

 

bte

zelfstandig naamwoord

buitenverblijf

de buitenkant van een woning (stoep, ramen, tuintje)

gmme nr den bte? - gaan we naar het buiten/landgoed?

Henk van Rijen: doede gij den bte, dan waas ik swls aaf.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BUITEN vz., bijwoord., zelfstandig naamwoord: hij is van den b. (platteland); op den b. wonen (buitengoed).

 

bte

bijwoord

buiten

Dialectenqute 1879: buite (ui als in Fr. Meuse, fleuve)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de tweej dtsers kwaame nr bte

Henk van Rijen: hij is op den bte - hij is op het land

hij is op zenen bte - hij is op zijn landgoed

Henk van Rijen: den bte doen - de buitenboel schoonmaken

gd94 - de waas hangt nog bte

 

btemeens
zelfstandig naamwoord
iemand die op het platteland leeft
Cees Robben Toen vroeg men unne buitenmeens... (19600708)
 

btemppe

werkwoord, zwak

de laan uitsturen; naar buiten werken; hardhandig verwijderen

- Ik ha geheurd dsse den burgemister btegempt hbbe. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- kkes laoter zie ik hum dur en van die
kermesklaante btegempt wrre omdttie gin krtje ha. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
 

btenbks

bijwoord

buitenbuiks; overdadig, zoveel eten dat de buik opzwelt en last bezorgt

Cees Robben Agge (...) buiten-buiks te veul eet of drinkt... (19670804)
 

bterepe

werkwoord, zwak

buitenzetten (van personen)

bterepe - ripte bte - btegeript (scheidbaar), met vocaalkrimping, ook in het tegenwoordige tijd; hij ript bte.

As ge blft drne, zak oe gaa bterepe.

WTT 2018 - Vergelijk met (hierboven) btemppe.

WTT 2017 samenstelling uit buiten en repen. Repen in de betekenis hoepelen, het spel waarbij met een stok een hoepel rollend moet worden gehouden. Zie lemma Repe. In die betekenis al bij Kiliaen: Ludere circulo ligneo (1599).

Cees Robben: Ik zal oe is bterepe.

Stadsnieuws: As ge bs zt maag de kastelein oe bist btereepe (010307)

WNT lemma Reepen I, 4: Alleen gewest. in Z.-Nederl., Z.-Limb. (in den vorm reipen) en de Bommelerwaard aangetroffen Vandaar: bterepe, naar buiten rollen of slaan.

 

bteshs

bijwoord

buitenshuis

gd07 vrouwe die bteshs kosse wreke

 

btestuupere

werkwoord, zwak

Henk van Rijen: niet al te zachtzinnig buiten de deur zien te krijgen

 

btewker

zelfstandig naamwoord

buitenwijker, namelijk een politiefunctionaris of veldwachter zoals in:

Diejen ome n zene maot waare btewkers, die ginge aaltij saome op de fiets bte de bebouwde kom meej ene grote zwarte bouvir de boeve opspoore. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)

 

btewver

zelfstandig naamwoord

buitenwever, thuiswever

- de buitenwvers van Krvel, och rm, och rm, och rm, d'r braken toch zoveul draoi...; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

Audioregistratie 1978 --  D waare buiteweevers, die hadde en groot huis n daor stond en hil ouw ketaaw in j, die, die, die naome d weet ik ammel zozeer niemer hrre! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

WBD btewver (II:941) - buitenwever, wever die thuis en niet op een fabriek werkte, ook 'tswver' genoemd

WBD btewve (II:949), ook: tswve - weven buiten de fabriek

 

bze

werkwoord, zwak

- bze - bsde - gebsd (geen vocaalkrimping)

R gezellig eten; smakelijk eten en op je gemak; buizen

V hij zaat me toch te bze

De Wijs -- Rken doek nie mar ik hauw wel van goed buze (lekker eten) (23-09-1970)

Frans Verbunt: veel eten, schrokken

Frans Verbunt: kaaw schootel? ds bze geblaoze!

Witte we'k gere te freten heb

We'k gere kook, akker de tijd vur heb

Pee stamp, witte kool, en juine

Rook worst, efkes laote bruine

Lekker, vanavond lekker buize, peestamp

(Tony Ansems, Peestamp;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

WBD III.2.3:9 'buizen' = schrokken

WNT BUIZEN (I) onz. en bedr.zw.ww (verg. noorsch 'busa i seg - vreten); Onmatig drinken, zuipen. Thans nog slechts hier en daar in de platte volkstaal, zoo b.v. in Groningerland (bepaaldelijk: jenever drinken: Taalk. Mag. 4, 675; MOLEMA ), te Gent (bepaaldelijk: bier drinken) en te Antwerpen (CORN.-VERVL.). Absoluut gebezigd. --
Buysen. Cothonissare, largiter potare, bibere ex amphitheto, KILIAEN [1588]. Sij (t.w. de abten) brassen, sij busen, Sij rijden peerden, sij verkeeren, sij flusen, A. BIJNS 39.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BUIZEN - onmatig drinken, overdadig zuipen

 

bzerd

zelfstandig naamwoord

buizerd; meevoud: bzers

bep. roofvogel (Buteo)

Dirk Boutkan: (blz. 28) door de meervouds-s ontstaat het cluster rts, waaruit de t verzwegen wordt.

 

bevange

bijvoeglijk naamwoord

bevangen

WBD bevange - verkouden (v.e. paard) zie droes.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEVANGEN ww - beklemmen, benauwen, v.d. adem of v.d. borst

 

bevaorbaor

bijvoeglijk naamwoord

bevaarbaar

Dirk Boutkan: (blz. 34) 'bevao(r)baor' of 'bevaorbaor'

 

beveele

werkwoord, sterk

bevelen

B beveele - bevol - bevoole - vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bevilt

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEVOOL 2e hoofdvorm van 'bevelen'

 

bevobbeld

bijwoord

bijvoorbeeld; ook - bevurbild

gd2000 'Lopt bevobbeld saoterdags mar es oover de mrt.'

- Zo is er bevobbeld gin auto-afdeling n ginne pin-up in't midde.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

  

bevurbild, bevobbeld

bijwoord

bijvoorbeeld

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'bevurbild'; 'bevorbild'; 'bevurbild'

 

bewaoke

werkwoord, zwak

bewake

- bewaoke - bewkte - bewkt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): bewkt

 

bewaore

werkwoord, zwak

bewaren

B bewaore - bewaorde - bewaord

- geen vocaalkrimping

-- Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Die zenge bewaort, bewaort gin rt appel.

-- Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: As g'oewge goed doet, dan doedet gin rt appel.

-- Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Die w bewaort, die heej w.

-- Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Moeite bewaord n kste gespaord. (bij weigering v.aangeboden dienst)

Cees Robben: onze paa en ons moeder hebbe me onder de stlp bewaord

WBD III.1.4:335 'bewaren' = in acht nemen

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEWAREN - goed blijven, bewaard kunnen worden, Fr. se conserver: Perzen en appelkokken bewaren nie' lank. Ook: houden.

 

beweege

werkwoord, sterk  

bewegen

Daor bewigt iets

B beweege - bewog - bewooge

- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bewigt

 

bewre

werkwoord, zwak

beweren

B bewre - bewrde - bewrd

- geen vocaalkrimping

 

bews

zelfstandig naamwoord

bewijs

 

bewze

werkwoord, sterk

bewijzen

B bewze- bewes- beweeze

- in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

 

bezaajeg

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.4:439 'bezaaiig' = sober

 

bezke

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): bedonderen; niet meer bijkomen van de lach

bezke - bezek - bezeeke

met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: bezkt

 

bezije

voorzetsel

bezijden, naast

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En dan had ze smreges asse dan die kiest daor, diejen dksel omhog di, had ze zon blaos bezije op dieje mond zitte, dan was die, die middelsne n et wrreke gewist f zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

bezjoer

telwoord

goeiendag, bonjour

lange oe

= fr. 'bonjour', met gereduceerde vocaal.

 

bezjoerder

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: uitgaander, levensgenieter

 

bezjoere

►bombezjoere

werkwoord, zwak

V boemelen, kroegen bezoeken ('gaan stappen'), p sjanternl gaon

V zde wir wiste bezjoere?

- bezjoere - bezjoerde - gebezjoerd

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr.+intr. bonjouren; l) (kindert.) iemand met het handje 'bonjour' d.i. vaarwel wuiven, ook 'sjoere' geheten; 2) boemelen, kroegen bezoeken. Een synoniem ten onzent is 'limmeneere'.

WNT BONJOUREN (uitspr. naar Fransche wijze) - Iem. te verstaan geven dat hij kan heengaan, dat men van hem ontslagen wenscht te zijn.

 

bezoeje

werkwoord, zwak

►besoenieje

Frans Verbunt: bezig zijn, in beweging zijn (Fr. besogner = ploeteren)

Frans Verbunt: bezigheden (Frans besognes)

 

bezoelie

zelfstandig naamwoord

beslommering(en)?

Pierre van Beek: in bezoelie zn - steeds met iets bezig zijn?

Frans Verbunt: bezoenie, bezoeje - werkwoord- bezig ziin, in beweging zijn (van Frans besognes = bezigheden; besogner - ploeteren)

 

bezoelieje

werkwoord, zwak

Veel met kleine kinderen optrekken

Van Rijen (1998): aansukkelen

bezoelieje - bezoeliede - bezoelied

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.intr. 'bezoelin' - baby's wassen en bakeren, meer algemeen: veel met kleine kinderen optrekken

 

bezonje

zelfstandig naamwoord

uit Frans: besogne

gedoe, zorgen

D gift daor enen hop bezonje/ ze weete der gin blf mir mee. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik haaw nie van zwmme )

vur d ieder zen pltske ha/ gaaf et al veul bezonje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Asse de kaans mar krge)

 

bezrgd bijvoeglijk naamwoord

bezorgd

Mkt oe mar nie bezrgd - maak je maar geen zorgen

WBD III.1.1:75 'bezorgd kijken' = fronsen

WBD III.1.4:280 'bezorgd' = idem

WBD III.1.4:336 'bezorgd zijn' = zorgen voor

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEZRgd bvw - zorgzaam: Vader is 'nen bezrgde meens (thans nagenoeg verouderd)

 

bezunder

bijwoord/bijvoeglijk naamwoord

bijzonder

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): bezunder (passim)

Want we hbbe iets bezunders/ w nog niemand aanders had/ wij hbbe bij en buike rgen/ kenaole midde in de stad. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: We han ng meer)

Cees Robben En hoe bezunder moet t bezonder onderws na eigeluk zn..? (19770318)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEZONDER, BEZUNDER, bijzonder, fr. particulier: 't is nie' veul bezunders. BEZONDERSTE, BEZUNDERSTE - voornaamste, Fr. principal

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): biezunder

 

bezuuk

zelfstandig naamwoord

bezoek

WBD III.3.1:37 'bezoek', 'visite' = bezoek

WBD III.2.2:5 'mina is op bezoek' = menstrueren

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEZUUK - bezoek, Fr. visite

 

bezuuke

werkwoord, sterk

bezoeken

bezuuke - bezcht - bezcht

korte uu

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): bezuuke

Van Delft - "Ge kunt er wat mee bezoeken" wordt gezegd om aan te duiden, dat men veel moeilijkheden en trubbel ergens mee ondervinden kan. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Dialectenqute 1879: Waannir komd u bruur jaaw bezuuke?

WBD III.3.1:38 'bezoeken', resp. 'opzoeken' = bezoeken

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr.- bezoeken

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BEZUKEN - bezoeken, fr.visiter

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BEZUEKEN voor bezoeken. Het is geene vervalschte, maar verouderde uitspraak, want het komt aldus bij Kiliaen: voor, hoezeer hij aldaar op 'besoecken' verwijst.

 

bezwaai

zelfstandig naamwoord

gevaarte

Wn bezwaaj, znne knderwaogen in hs!

WBD III.1.4:382 'bezwaai' = drukte; 392 'bezwaai' = kouwe drukte

WNT BEZWAAI - beweging, ook (noodelooze) drukte, poeha

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bezwaai - karwei; moeite

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BEZWAAI (Bezwj), v. gevaarte, omvangrijk karwei; 'n hil bezwj; mijn spelling is enigszins willekeurig; van Fr. 'besoin'? WNT heeft 'gezwaai': zwaaien met de ermen, omslag, omhaal, drukte.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. o. 'bezwei, bezwaai' 1) beweging, (nodeloze) drukte; 2) iets dat groot en enigszins onhandelbaar van vorm is.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bezwaaj - onhandelbaar iets

 

bezwke

werkwoord, sterk

bezwijken

B bezwke - bezwek bezweeke

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij bezwkt

 

bezwit

bijvoeglijk naamwoord

bezweet

Vocaalkrimping

Hoeufft: 'bezwit' voor 'bezweet'

 

bidde

werkwoord, zwak

bidde - bidde - gebid (B: gebeeje) M: baad

Dirk Boutkan: bidde - baad - gebeeje (ook zwak)

WTT 2012: ook de verleden tijd 'bidde' komt voor: En aaw vrouwke in et zwart,/ d d van bte kos,/ die bidde veur, tien weesgegroeten... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

►baad

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BIDDEN - bide, wkw (bide, gebit)

1. bidden - een gebed doen, smeken

Waor bij daag den boer gebeen/ heej om zegen op den zaoi... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Maonnaacht,  1932

En as ik m'n aovondgebed nie gebejen ha en m'n drie kruiskes nie gemaokt ha veur ik te bed gong, dan ha'k et er nie leevend afgebraocht. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)

Audioregistratie 1978 - En as dan gewoon et rozenhuuke afgelope was, dan wrd de littanie gebid n dan moeste op oew knieje, dan zaate zo op, op oew knieje op de bank teege de muur n te kke (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Daor wier wel elke dag veur de school begon gebid. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Allen bij ons moeder ha d bidde niks geholpe, ze waar toch dod gegaon, dus n de wrde van d gebid twffelde ik sindsdien allang. Ons moeder ha nie dod meuge gaon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

en waarde gij wir van die dodzonde aaf, agge de penitentie, mistal drie Onze Vaders en drie Weesgegroeten gebid hadt. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bidde(n) - bidde - gebid 1) een gebed doen tot God; 2) verzoeken, uitnodigen enz. Z.a.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. D zn maleure, dr moete vur bidde.

2. op de uitvaart uitnodigen

Cees Robben: Ze was tch kaod d zij nie gebid was;  p de ks gebid (kaas = de maaltijd na de begrafenisplechtigheid)

WBD (III.3.3:318) 'het aanzeggen' = rouwbrief

WBD (III.3.3:323) 'bidden' = op de begrafenis uitnodigen; ook 'aanzeggen'

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): BIDDE - op de uitvaart verzoeken. Z.a.

WNT II II. kol 2528, 4) 'ter begraaffenisse te bidden'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIDDEN fr. prier, bidden; de lieden mondeling op eenen lijkdienst uitnoodigen; ook: te lijk bidden.

3. opzitten

WBD (III.2.1:486) bidde = opzitten v.e. hond; ook: schoje, opzitten, mooi zitten, schoon zitten

 

bidhs

zelfstandig naamwoord

bidhuis

LDM: Eertijds had iedere buurt haar bidhuis, meestal, als het kon, gevestigd in een boerenwoning omdat deze gewoonlijk meer ruimte hadden in - zoals men dat toen noemde - een open voorhuis. () Daar werd iedere Zondag de rozenkrans gebeden. In de Meimaand gebeurde dit iedere dag, maar dan werd ook het Mariabeeld, op kosten der buurtbewoners, extra versierd. Was er van de omwonenden iemand voorzien van de laatste H.H. Sacramenten dan werd ook in het bidhuis gedurende drie avonden de rozenkrans gebeden. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 1 Wijkbuurten in vroeger dagen; NTC 8-11-1950)

Audioregistratie 1978 - D was ok moj! Asser, asser iemand dod was n dan wasser en bidhs n dan hadde daor en paor stoele n daor li en plangk ooverheene zo in de ronde. n dan kwaame de mnse dan saoves bidde! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

bidprntje

zelfstandig naamwoord

gedachtenisprentje, doodsprentje

GG liegen as en bidprentje

 

bie, bieke, bieje

zelfstandig naamwoord  

Tijs Dorenbosch - vignet uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

bij

R.J. 'er kwaam 'n bieke brommen'

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): biejekrf

Al is zo'n bieke nog zo klein, 'z is krek as d' auwe biekes zijn. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: De bie zit op de blom, 1932)

M'n biekes zie ik geere gaon

van blom toe blom, en aaf en aon

toezjoer en toepartoe en vlug

de blumkes aaf en weer terug

van zoeme zom

weerom

van blom toe blom.

(Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Iemker-lieke, 1938)

...en den boer wees naor den bienstal mee z'n pijpke. "Daor heb ik nog veul plezier aon, aon m'n bieje. 't Is zoo gezellig om in et zunneke neffen den biejenstal te gaon zitte en te luisteren naor al d gezoem en 't ruukt er zoo lekker rondom de krve. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Aon die blommen / hong die bie (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De bie, 1941)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - bie - bij (insect)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bie, zelfst. nw. vr. - bij

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BIJ - bi, zelfst. nw. vr, mv: bie, verkleinwoord: bi:ke

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIE zelfst. nw. v. bij, Hgd. Biene, Fr. abeille. in samenstellingen gebruikt men altijd 'bie', nooit 'bien': bieboer, biehal, biekaar, biekorf, -man.

WNT BIJ, daarnaast 'bie'

 

bieboer

zelfstandig naamwoord  

imker

lange oe

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIEBOER - een man, inzonderheid een landbouwer, die bien houdt

 

biechstuultjes, biechtstuultjes (de)

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord, plur. / toponiem

biechtstoeltjes

Frans Verbunt: muur van den Atteljee, bekend bij vrijende paartjes

Tekening: Kees Koster

Lauran van Hezik (e-mail aan WTT 20110526) -- De biechtstuultjes waren inderdaad bij een grote muur, maar niet bij dn atteljee. De bewuste muur was de begrenzing van de tuin van het Fraterhuis en het Jongensweeshuis en stond in de Fraterstraat en wel in het gedeelte vanaf de Lange Nieuwstraat tot aan de afbuiging naar rechts, waar de Fraterstraat uitkwam op de Gasthuisstraat, vlak bij de overweg. Het was een muur met om de paar meter een dikke aan de straatkant uitstekende pilaster en men kon dus aan beide kanten van die pilasters staan te knuffelen, zonder dat het paartje aan de andere van die pilaster dat zag. Vandaar de naam "biechtstuultjes". Ik weet niet of de muur er nog staat, maar destijds woonde ik in de parochie Gasthuisstraat en ik zat in de Stedekestraat op school. Dat was nog voor de 2e wereldoorlog en in het begin van de oorlog. Als kleine deugnieten gingen wij dan wel eens stiekem kijken.

Toos van Poppel-van Es (e-mail aan WTT 20110526) -- Tussen het spoor en het fratershuis met drukkerij zwijsen liep een straatje het fratersgat dat na deze gebouwen afboog naar de lange nieuwstraat en dan fraterstraat heette. Dat fratersgat liep dus ook door achter het gasfabriek, postkantoor en het St. Annahofje (later de medeklinker) Dat was een dikke gemetselde muur met mooie nissen in een boogvorm. Dat waren dus de biechtstoelen. En er werd heel wat afgevreen in de biechtstoelen.

-- Van 'De Biechtstuultjes' is tot op heden geen goede foto gevonden. Hieronder een foto uit het begin van de jaren zestig met daarop de restanten van De Biechtstuultjes.

Boven: een deel van de gasfabriek, begrensd door de Lange Nieuwstraat. De muur van De Biechtstuultjes is dan al geen doorgaand weggetje meer. Onder: de grens van het spoorwegemplacement.

Voor details KLIK HIER

 

biediefke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Afbeelding: Frohawk

koolmees (Parus major)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): biedief - koolmees

Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Cees Robben - ...meej biediefkes (19600708)

Stadsnieuws: Biediefkes ziede swnters aatij in prkes dur den hf btele. (210210) Koolmezen zie je 's winters altijd paarsgewijs door de tuin buitelen.

WBD III.4:1: biedief - koolmees (Parus major)

Str. biedief (2:61)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): biedief - koolmeesje (III:34)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): biediefke - koolmees (Parus major)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIEDIEFKEN zelfst. nw. o. - vogel, vliegenvanger, Muscicapa

WNT WNT II, 2565, BIJ 4) In sommige samenst. schijnt BIJ de beteekenis te hebben van VLIEG, t.w. in 'bieknapper', hetzelfde als fr. gobe-mouche, een vogeltje dat op vliegen aast, ook 'vliegenpikker' geheeten (zie CORN. VERVL. 229); wsch. is daarmede synoniem het bij HOEUFFT (Bred. T. 717) vermelde 'biedief'.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Klein vogeltje, door de landlieden aldus genaamd, niet, gelijk van zelf spreekt, omdat het op de bijen, maar op de vliegen aast. Z.a.

 

bieje

werkwoord, sterk

bieden

bieje -(booj - gebje: ik biej, gij/hij biedt bj geboje).

Dirk Boutkan: bieje - bj/booj - gebje; zie ook zin 114, blz. 100; (75) ik bie / bied

Der boj gin man hogger.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): bieje, ik biej, gij/hij biejt, wij bieje; boj, geboje

WBD III.3.1:54 'bieje', 'loven en bieje, handelen, handel drijven, sjachelen, aanprijzen' = loven en bieden

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIE(D)EN, BEE(D)EN - een bod doen op iets, Fr. offrir

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bien - bieden st.ww.tr. gebooie

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BIEDEN - bie, wkw (boi, geboje)

 

biejeskoop

zelfstandig naamwoord

Interview Hermans - 1978 - Ge had vruuger niks as veugeltjes vangebiejeskoope d was er ng nie as presies Divvenijns op den Heuvel mar d was en kwartje intreej! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Interview Jolen - 1978 - Dan zonge ze et ng, der was ng en lieke van de witte biejeskoop, j, j, een lieke wasser, d weet ik ng mar hoe d naa is d lieke, d weet ik nie!. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Interview Jolen - 1978 - De biejeskoop, die was er toen ng nie de irste die van Divvenns (Devenijns)laoter de witte biejeskoop in de, in de Kappesienestraot. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

biekrf / biejekrf

zelfstandig naamwoord

bijenkorf

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): biejekrf

D lekt dikkels op innen strijd as in innen biejekrf. KAREL. As in innen biejekrf? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. m. - bijenkorf

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIEKRF zelfst. nw. m. - bijenkorf; fig. kegelvormige zomerhoed

 

bieman

meervoud: bielui

zelfstandig naamwoord  

bijenhouder

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "bieman - ijmker; bielui- ijmkers"

 

bier

zelfstandig naamwoord

bier

Van Delft - Wat "een vaatje zuur bier" is, zullen de ouwe vrijsters zelf het minst gaarne uitleggen; die zouden mogelijk nog het liefst voor "'n hipje" aangezien worden in de hoop er zoodoende nog een "aan den haak te kunnen slaan". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Hij fiedelde mar van tierelierelier
en zaogde rauw kris-kras
en ie dronk 'n stevig ptje bier,
as 't geen jenever was.

Z'n ooge blonken as van glas
en gluurden deur 'n kier......
ze dreven, - as 't geen snevel was, -
ze dreven rond in bier!
(Piet Heerkens Jan Viool in: Dn rgel 1938)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et slchtste / kaojste bier is aaltij ng beeter as et biste wrk (Pierre van Beek:-TT ' 71) - je kunt beter slecht bier drinken dan goed werk hebben

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zakken as brn bier (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1966) - snel minder worden

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Frans Verbunt: kastelein, tapt ene pt vant biste bier want onze grotvadder is dood

Cees Robben: ''n glas bier zo grot as mrege hil den dag'

Dirk Boutkan: 'goet vur d bier' (??)

 

bierbrse

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): stroafval, kort stro

 

Schilderij van J.B. Reiter - detail

bierke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

biertje

uitdrukking -  kln bierke - klein gedoe, schriele houding

korte ie

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): Spr. 'Dat is geen klein bier'- dat is geen kleinigheid, dat is de moeite weerd.

 

biest

zelfstandig naamwoord

biest, eerste melk v.e. kalfkoe

Dialectenqute 1879: biest

WNT BIEST - De eerste melk v.e. zoogdier, nadat het heeft gebaard.

 

den Biest

toponiem

Frans Verbunt: Biest-Houtakker

 

Biestenoutakker

toponiem

Biest-Houtakker

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n toen zn wij op de schtse, zn wij ng ojt oover et kenaol gereeje gienderwd nr den Biestenhoutakker toe toendertd Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

bietebaawe
werkwoord, zwak
- van oorsprong betreft het een zelfstandig naamwoord: bietebauw
- WNT lemma BIETEBAUW - In toepassing op verschijnselen die vrees aanjagen. znw. m., soms onz. Een woord als boeman, bullebak en derg.: een spook waarmede kinderen worden bang gemaakt. Men vindt ook bijtebauw, maar het is niet waarschijnlijk dat men hier eene samenstelling met bijten moet aannemen, althans DE BO [1873] geeft bijdebauw, bijbauw, biebauw, pikkebauw: uit enkele dezer vormen kan bijtebauw door volksetymologie zijn ontstaan. Naast bietebauw zijn nog andere vormen aan te wijzen, b.v. bieteman, en waarschijnlijk ook bietebeer (zie beneden). In het Engelsch heeft men in den zin van spook een woord bug, dat van Keltischen oorsprong schijnt te zijn, en daarnaast bugaboo, dat men houdt voor de Engelsche vervorming van een Keltisch compositum, alsmede bugbear. Eene zekere gelijkenis tusschen bietebauw, bietebeer en bugaboo, bugbear is niet te ontkennen. Verschillende synoniemen van bietebauw vindt men onder Boeman (Dl. III, kol. 149).
- Cees Robben Den felle wilde wend/ z gromt en bietebaauwt (19600909)
 

Afbeeldingen uit De Engelbewaarder voor de jongere lezertjes, jaargang 59, 1947-48, door Jan Lutz. Derk Bietebauw betovert een bezoeker.

 

 

bietje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'beet', bete, bijwoord

beetje

Dirk Boutkan: bietje

Zelfstandig naamwoord

Cees Robben Z ietje bij bietje (19551126)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - alle bietjes hlpe, zi ... en ...

Frans Verbunt: 'alle bietjes hlpe', zi de mug, n ze piste in de zee

Elie van Schilt - Toen ik nog knd was, ut is al hl lang gelejen/ Toen waren de meessen mee un bietje al tevrejen. (Uit: Td; CuBra ca. 2000)

"Alle bietjes helpen, zee de mug en ze pieste in de zee!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Soms is't mar un bietje, en soms unne kwak... (Tony Ansems, Het klenderke; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

WBD III.4.4:256 'beetje' = een gering aantal

WBD III.4.4:275 'beetje' = weinig

Bijwoord

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): Et duurt wl en bietje lang.

- mar dan nog 'n bietje erger; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

KAREL. Achche soms wilt dek bij jou vast n bietje mee kom elpe, dan gre hurre. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)
Cees Robben Zeg maokt is mensie, zee mn vrouw.../ en affeseert n bietje... (19550716)
Cees Robben Tam en zeeg... n bietje bang (19571207)
Cees Robben Vur n bietje rme.. (19590905)

Henk van Rijen: stalpt es en bietje - ga eens wat opzij

Henk van Rijen: maok et naa en bietje - maak het niet te bont

Frans Verbunt: de meens was bietje bij bietje veul zat gewrre

Frans Verbunt: zenge en bietje (af)waase (een Tilburger ging elke maand een keer in bad, vuil of niet)

Elie van Schilt - zwarte Piet, as knd was ik ur toch wel un bietje bang van... (Uit: Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was; CuBra ca. 2000)

Onze vadder waar ok aaltij un bietje genzinnig, ben ik jaore laoter aachter gekomen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ik waar mar un bietje aachter in de kerk blven zitten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Kk naa toch ens aon, wn bietje spullen ge tegesworrig ht vur twintig gulden, zeej ze... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Z stond ik op enne keer un bietje te lummelen, un bietje te hangen tegen de btemuur (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): Bietje, bieteken, z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BITJE(N), BITSKE(N), BITTEKE(N) zelfst. nw. o. - beetje, een weinig, Fr. un peu

Buuk ge is gin bietje - men moet niet te gering oordelen over het eigene, de eigen familie en zichzelf.

 

bieze, bizze

werkwoord, zwak

WBD met opgeheven staart rondlopen (van koeien); zie 'bizze'

-bieze - biesde gebiesd - korte ie

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bizze zw.ww intr. - onrustig met opgeheven staart door de wei rennen (van koeien en kalveren gezegd die door bauwen geplaagd worden).

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - biezen, bijzen, bizzen - wild rondlopen

WNT BIJZEN - van vee: door de weide rennen, vooral wanneer het tochtig is of door de hitte of door insecten wordt geplaagd. Van menschen: (driftig) loopen.

 

biezemrtele

werkwoord, zwak

poepen

WTT 2017: poepen; conform Daamens opgave, Handschrift Tilburgs (1916): "biezemortelen - ik mot eerst is gon biezemortelen (poepen)". Afgeleid van de plaatsnaam Biezenmortel (nabij Helvoirt), maar om om onduidelijke redenen.

 

bijgeleet
voltooid deelwoord van bijlgge
bijgelegd; goedgemaakt
Cees Robben Mar ast bijgeleet is... (19631122)
 

bijkeuke

zelfstandig naamwoord

bijkeuken

WBD (I.I:64) goot, moos (hs K183), washuis, huis

WBD (III.2.1:79) noemt onder 'achterkeuken' geen Tilburgs equivalent

 

bijlichte

werkwoord, zwak

bijlichten - overdrachtelijk: iemand de waarheid zeggen

Van Delft - "'t Ies goed d 'k nie thues was, aanders ha'k 'm iets bijgelicht": 't Is goed, dat ik niet thuis was toen hij kwam, anders zou ik hem eens terdege de waarheid gezegd hebben. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek Iemand "bijlichten" is iemand de waarheid in het gezicht vertellen. Zo kan men horen: "'t Was mar goed d-t-ie nie thuis was, aanders zou ik 'm 's bijgelicht hebben!" (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)

 

bijtikke

werkwoord, zwak

bijtikken, klappen uitdelen

- n as ze dan soms ene grote smoel hadde, dan deeje wij ze bijtikke. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
- D hoeft toch nie hil Tilburg te
weete, d ik aachter de trllies hb gezeete, omd ik er ene bijgetikt hb? (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
 

bikkele

werkwoord, zwak

Van Dale -- met bikkels spelen

N. Daamen - Handschrift 1916 "bikkelen en bonken - meisjesspel met vier bikkeltjes en een bol, de vier zijden van het bikkeltje heetten: stantjes, snufkes, putters en ruggels"

 

bikkere

werkwoord, zwak

bikken, beitelen

Den beeldhouwer moes weer ophaawen mee bikkeren en Baozel kreeg z'n staandbild nogal nie. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

 

bikkesemnt

zelfstandig naamwoord

etenswaar

Van Rijen (1998): voedsel, eten

Frans Verbunt: voorraad etenswaar

Stadsnieuws: Ons moeder hlde vrddags op de mrt vur hil de week et bikkesemnt. (091209)

 

Biks

bijvoeglijk naamwoord

Beeks, van Hilvarenbeek

enen Bikse - een Hilvarenbekenaar

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord - Beeks z.a.

 

Biksendk

zelfstandig naamwoord, toponiem

Beeksedijk

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): den Biksendk (bep. wijk)

Cees Robben: 'd'n Beeksen dk'

 

bikske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

beekje

Dirk Boutkan: (blz. 32) Jan Naaijkens, Ds Biks (1992):ke

 

bil

zelfstandig naamwoord

dijbeen; bil

WBD koej meej goej/ mooje bille - koe met mooie billen, ook genoemd: 'schon gedraajde', 'vierkaante' of 'meej goej aachterstl'

WBD dikbil, dubbelbil, dbbelbil - dikbil (kalf met dikke billen)

WBD bil - paardebil, ook 'broek' genoemd

WBD III.1.1:168 'bil' = dij

 

bild, bilde, bildje, bildeke

zelstandig naamwoord

beeld, ook in de hedendaagse betekenis, b.v. op de tv

Cees Robben Ze kken naor t bild van Job (19600520) [Sint Job in de kerk van Enschot]

Cees Robben Bij t wonderbild gekomen (19700925)

Der stao en bildje van drie aopen op mn kaast... (Henritte Vunderink, Heure, zien n zwge, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Ik kan me die bilde ng herinnere van de teeveej n t de kraant. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WBD III.3.1:311 'beeldje' = illustratie (in tijdschrift of boek)

WBD III.3.2:352 bildje of pltje = prentje

WBD III.3.3:49 bild, hllegenbild = heiligenbeeld

WBD III.3.3:106 bildje, muurbildje = beeld in muurkapelletje

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bild - zelfstandig naamwoord beeld: 'n bild van 'n meijd

► bildeke

 

bildegoje

werkwoord, zwak

V kinderspelletje: een kind zwaait andere aan de arm van zich vandaan, die verstard moeten blijven staan in de houding waarin ze terechtkomen. Wie de mooiste - of moeilijkste - pose aanhoudt, heeft gewonnen en mag de volgende serie beelden gooien.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bildegooje was een kinderspel

 

bildeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

prentje

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "Bildeke - doodsbildeke (doodsprentje)"

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): beeleke proces-verbaal

 

bildhaawer

zelfstandig naamwoord

beeldhouwer

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BELDHOUWER zelfst. nw. m. - beeldhouwer

 

biljrt

zelfstandig naamwoord

biljart

►beljrt

 

billewaoge

zelfstandig naamwoord

uitdrukking - -- meej den billewaoge (gaon) - te voet, per pedes apostolorum

Stadsnieuws: As oewen baand kept is, kunde vort meej de billewaoge - .. te voet verder (240210)

WNT BIL (I), kol. 2692: bilwagen, voor de grap van de beenen gezegd, als middel van vervoer.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfst. nw. m. - bilwagen, "voor de grap v.d. benen gezegd, als middel van vervoer" (WNT)

 

bimke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Pierre van Beek: hoogtonig, klein torenklokje

Pierre van Beek: Ze hbben em meej et kln bimke begraove - d.w.z. op kosten van het burgerlijk armbestuur, zogezegd 'van den rme' (Tilburgse Taaklplastiek 181) (de eerste klok uit de serie bim - bam - bom)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIMMEKE(N) zelfst. nw. o. - het kleinste klokje uit den toren

 

binderml

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): meel van beenderen (om lijm te maken)

 

binne

bijwoord

binnen

Henk van Rijen: hij is wir binne mee zene zak n zun rfke - daar heb je hem weer!

 

binnebraandje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Van Rijen (1998): binnenpretje

 

binnedeur

bijwoord

binnendoor

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Sint Job d was Berkel-Enschot, d was himmel nie zo wd h, hier bi,  zo w bi, binnendeur dan waar, dan zder zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

binnedoen

werkwoord, sterk

WBD (van koeien) naar de stal brengen na de zomer; ook genoemd: 'indoen', 'inhaole', 'pstalle' of 'binnegaon'

binnedoen - di/deej binne - binnegedaon

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): binnendoen onr.ww.tr. - inhalen, in woonhuis, schuur of stal brengen, et kooren, de haover, de koei.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BINNENDOEN - inhalen, binnendragen: den oo(g)st, de was(ch) binnendoen

 

binnenbr

zelfstandig naamwoord

WBD mannelijk varken dat door geslachtelijke afwijking niet als zodanig herkenbaar is

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): binnenbeer zelfst. nw. m. - ongelubd zwijn waarvan de ballen uitwendig niet zijn te zien (WNT kol. 2722)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BINNENBEER (scherpe e) zelfst. nw. m. -Beer (verken), waarvan de teelballen binnenblijven.

 

binness

bijvoeglijk naamwoord

binnenshuis

Cees Robben: binneshs

WTT 2013 - in de uitspraak vervalt de h: binness

 

binnewver

zelfstandig naamwoord

wever die in een fabriek werkt, in tegenstelling tot een 'hswver, tswver, btewver', die in het eigen huis zijn getouw heeft.

Gerard van Leijborgh - En, zoo gingen wij met ons vraaggesprek verder, het oude weversambacht zal wel zoo geriefelijk niet geweest zijn, als dit met de binnenwevers het geval is, die in de fabriek alles kant en klaar voor zich vinden? "Ja, heel gemakkelijk was het voor ons vroeger niet, want vroeger kregen de wevers het garen aan de fabriek, namen dit mede naar huis, om dan zelf de ketting te scheren, we moesten dus zelf een scheerraam hebben. Verder moesten we dan de ketting lijmen, drogen en opboomen." (De laatste Tilburgsche huiswever 2, Nieuwe Tilburgsche Courant, 9-11-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)
 

binnezker

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): varken met niet zichtbare geslachtsafwijking

 

bintje

zelfstandig naamwoord, verkleind

been > beentje - ben > bintje (vocaalkrimping)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Miet, gao mar gauw daor bij Bert Hns (Haans), gao mar gaa vur en dubbeltje bintjes haole, dan hbbe we mrege soep n kaojkes, zo (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

► ben

 

birglt

zelfstandig naamwoord

WBD vrouwelijke, niet meer zuigende big

Haor. BIRGELT - dekrijp varken

 

bisje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

beestje

verkleinwoord van 'bist', met syncope van t

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): bisje

Des naaw eemel den aord van 't bisje. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

SJAREL. Inne meensch is 't aorig bisje, Karel. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

Cees Robben: As jouwe kp p en vreke stnd, zdde dnke dt bisje ziek was.

Cees Robben: et bisje ha gebroejd

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tis er mar en bisje bij - het ene gespreksonderwerp stelt niets voor vergeleken bij het andere.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - iemand en bisje in en oor ztte - een vrouw zwanger maken

WBD III.4.2:228 'beestje' - hoofdluis (Pediculus capitis), ook genoemd 'pietje'

► pietje

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - et bisje = frater Loyola (blz. 103)

 

biskp

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): bisschop

Frans Verbunt: as den bisschp ne priester wijdt wijdt den duuvel en pestorsmd

 

bissel

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: bezem van takken

 

Cees Robben - Prent van de week - 10-03-1973

bissem - bissum

bssem

zelfstandig naamwoord

bezem

WBD ovenbezem (werktuig om een bakkersoven te reinigen)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Die kan gn staon wr den bissemsteel stao (werkeloos, in de hoek)

Cees Robben: as ge die kernollie op enen bissem zet, gao ze de lucht in;  

Ill.: Tijs Dorenbosch

Cees Robben Ik ben naa vf en dartig jaor bij de Reiniging en ik heb nog aaltij munne irste bissum... (19720310)

Cees Robben Mina.. as gij t werken het uitgevonden... Dan freet ik den bissem meej steel en al op... (19780203)

Hij maag staon waor den bissum stao/ tis nt ene Sintreklaos/ want hullie Trees kwkt hil den dag:/ Vrouwe zn ge baos. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D zn ze wl wille)

Gemeentelijke reinigingsdienst Goirle in vol ornaat. Foto: Reginoaal archief Tilburg.

Elie van Schilt - Och as ge is wiest wet wij allemol zagen as we naor school gingen, de straotveger die mee zunne takkenbissum al vruug stond te vegen, ut waren toen allemal nog kenderkopkus, ut miste vervoer ging nog mee perd en kr, dus er laag veul peerdestrond op straot, was die tussen de kaaien gereien, aon dun aachterkaant van zunne bissumsteel zaat unne ijzere ring om de steel, die kon dan nie splitsen, en daor krabde hij de perdestrond mee van de kaaie. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): stikt is ene steel in diejen bissem

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et vl gao vur den bissem (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1965)- humoristisch opmerking als men iemand voor laat gaan

De moeder drntelt irst w rond/ mar d duurt ok nie lang/ Ze vat enen bissum en enen dwl/ wil steeveg n de gang. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ochrm, die moeders... )

WBD III.4.3:368 bissemhaaj - struikhei (Calluna vulgaris), ook genoemd: haaj of buunderhaaj

WBD (III.2.1:299) bissem = schobbezem, ook 'luiwaoge'

WBD (III.3.2:315) 'de bezem uitsteken' = idem (z.a.)

Dirk Boutkan: (blz. 20) bissem

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BISSEM, BIZZEM, BIZEM zelfst. nw. v. - bezie, bes, bees, Fr. baie

Bezembinder - detail van een centsprent met beroepen

Casper Luyken - rijmprent

Willem-Joseph Laquy (ca. 1765)

Zie het dossier 'Bissem' in de Nederlandse schilderkunst van de 17de eeuw

 

bisseme

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: bezemen; ook 'bsseme'

 ...hoewel ge iemes die aachter den zisdaogen-koning twiddes wordt, toch niemer meugt wegbesemen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

 

bist, bisje, biste

zelfstandig naamwoord

beest, beestje, beesten

R Et Bls lntje ister mar en bisje bij (schamper gezegd van iets kleins of onbeduidends)

Dialectenqute 1879: bist

...des gewoonweg tegen de biste aaf! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 11 mei 1945)

Van Beek - "Ge moet niet zo den beest rijden" in de betekenis van: Ge moet niet zo ondeugend zijn; zo brutaal; zo balorig. (Dit zal wel verband houden met de folkloristische gebruiken, die in sommige streken bestonden, om iemand, die zich misdragen had, op een beest (ezel of paard) te schand rond te rijden.) (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Cees Robben Hrt d bist toch is te keer gaon... (19590905)

Cees Robben Daor zwemmen gin vissen en paolingen in,/ Die bisten zijn wel wijzer... (19540515)

Frans Verbunt: twaalf boeren n eenen hond zn drtien biste

Dirk Boutkan: (blz. 28) uit het cluster stj wordt de t verzwegen.

WBD III.1.4:94 'beest' = beestachtige perspoon

WBD III.1.4:105 'beest' = schavuit

WBD III.1.4:319 'de beest uithangen' = zich als een beest gedragen

WBD III.1.4:320 'de beest spelen' = idem

WBD III.3.1:369 'beest' = galgenaas

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bist - beest, koe

 

bist(e)

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

best(e)

Dialectenqute 1879: bist

Dirk Boutkan: bst naast bist

1. zelfstandig naamwoord

de of het beste (voor biste als meervoud van bist, beest, zie bist)

"'t Is freet koud, h Kubke", zee ze, zodde nie 'n tas koffie lusse; 'k h precies 'n vorsch bekske gezet. 'k Zeg gre meid, as ge men 'n tas koffie gift, zde de biste op n nao. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Cees Robben [vader tegen zoon:] Ge bent toch mar n dwalkschaop... [zoon:] D zen de biste vadder... Onzen lieven heer gong ze zuuke... (19721229)
Cees Robben [Moeder die haar kind naar school brengt:] Hij hee nie veul verstaand, mister.. Mar wettie heej is wel van t biste... (19790923)
Cees Robben En rrepel... de biste... (19550716)
Cees Robben Kom haauw-doe war... en t biste... (19600415)

2. bijvoeglijk naamwoord

Cees Robben D is.. nao Pietje Schel../ van hum zn biste vriendje.. (19601216)

Cees Robben Van geven (...) gao de biste gt kepot [vrijgevigheid leidt tot armoede] (19650416)

Mar kom allee, doe goed oew bist!/ Begient mee goed te willen... (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

Henk van Rijen: van geeve gao de biste gt ng dod - (letterlijk)

3. bijwoord

Cees Robben - ...ocherm we doen ze toch dr bist... (19540724)
Cees Robben k meej karneval doen de vrekesstaauwers dr bist... (datum onbekend)
Cees Robben Bende al getrouwd Piet...? ..Ongebonden is t bist zeej t kelfke.. en t kos rond den schelft... (19650910)
Cees Robben Was ik hier (...) t biste aaf meej unne zjiep... (19660916) [missionaris in een brief aan zijn bisschop]
Cees Robben Den Sjef zingt goed... Mar t biste mee ketaauw-begeleiding.. (19810313) [Milde spot van Robben op de zangkwaliteiten van wevers; thuiswevers kenden vele liedjes om de arbeid van vitaminen te voorzien; het geluid van het weefgetouw gaf de maat aan]
Cees Robben En de miste kasteleins zen nog t biste rms k... Ze dpen dren snevel nog aaltij aauwverwets... (19831007) [water bij de jenever doen]
Cees Robben [vrouw spreekt:] Ik wil bist weten dek n kaoi boor z... Mar gij bent k nie prut... (19761008)
Cees Robben Is dn bjem daor z bist...? (19550806)

n ok zen oge waare niemir al te bist. (Henritte Vunderink, Vergeefse mankemnte, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): in de lmmerd is et bist - in 't lommer (schaduw) is 't best

Hoe herring smokte, daor wiesen we niks van. Volgens ons moeder waar d bist lekker... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

gd05 drem zongde zen bist meej

 

biste

werkwoord, zwak

de beest uithangen, zich liederlijk gedragen

-- biste, bistte, gebist

 

bistebnde

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: rotzooi

 

biste kaomer

bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord

W.C., bestekamer

Van Rijen (1998): voorkamer (salon)

WBD (III.2.1:112 'beste kamer'of 'gemak', 'plee', huiske, 'schijthuis'

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): bistekaomer zelfstandig naamwoord - plee, nummer 100, t hske

WNT BESTEKAMER - pronkkamer; sekreet, gemak.

 

bizze, bieze

werkwoord, zwak

-- bizze - bisde - gebisd

-- op de loop gaan (omdat anderen ook lopen)

Brabantius (1884) - Bizzen, het rondloopen der koeien met opgeheven staart. (Onze Volkstaal, 1882, nr.4; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal).

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Hij gao nie bizze vur d'irste baaw. - Hij gaat voor de eerste horzel niet op de loop.

WBD bieze - met opgeheven staart rondlopen (van koeien)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'daor gaoget heene' zi den boer, n zen ske d bisde (N. Daamen - Handschrift 1916)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BIZZEN, BIZEN (korte ii) - driftig loopen met den steert in de hoogte, van rundvee dat tochtig is of door de hitte gekwollen wordt.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Biesen: Dit wordt gebezigd van ene koe, die met de staart in de hoogte al wild door de weide loopt.

Dumbar BISZEN, BISSEN, idem

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BIZZEN onov.ww., verwant met 'bijster', gezegd van koeien ... z.a.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bizze -onrustig met opgeheven staart door de wei rennen

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

blaaje (ook blaoje)

werkwoord, zwak

- blaaje - blaajde - geblaajd (geen vocaalkrimping)

Bladeren, oogsten

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): blaoije waar t kan, en hopen in Godsnaam op beter tijen. Daar niet geannoteerd. Ook niet in Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882).

- WNT lemma Blad II onder afleidingen - bladeren, bij STALLAERT (1, 252 ) bepaaldelijk als term in den landbouw: de vruchten van een land inzamelen; elders meer in t algemeen: vruchten, inkomsten, voordeelen uit iets trekken.

- WBD veevoer verzamelen (bijv. bietbladeren), ook 'plukke' genoemd

 

blaasjeszeege

► blaaziejuszeege

 

blaaw

blauw

► blauw

 

blaaziejuszeege

zelfstandig naamwoord

Blasiuszegen; katholiek ritueel; eertijds uitgevoerd op 3 februari, de feestdag van de heilige Blasius, waarbij de priester twee gekruiste en gewijde kaarsen tegen de keel van de gelovige hield. Daarmee werd de gelovige gevrijwaard van keelaandoeningen. De kaarsen waren op 2 februari (Maria Lichtmis) gewijd. Elders in Brabant en Vlaanderen ook tegen huidaandoeningen (blazen). Ook als remedie tegen dergelijke ziekten van het vee.

Etymologie

1995 Weijnen - Ziektenamen in Nederlandse dialecten - Van de H. Blasius was hiervoren reeds even sprake. Hij werd in 316 gruwzaam gemarteld. Dat hij sedert onheuglijke tijden de patroon tegen keelziekten is, kan worden gezien als gevolg van een volksetymologisch verband leggen tussen zijn naam en het werkwoord blazen maar ook berusten op de legende dat hij een kind dat een visgraat had ingeslikt, op wonderbaarlijke wijze van de verstikkingsdood heeft gered.

1995 Weijnen - Ziektenamen in Nederlandse dialecten - Het verband tussen de ziekte en de betrokken heilige is zeer gevarieerd. (...) In een aantal gevallen is het de naam van de heilige die tot een bepaalde verering leidde. Zo worden de Westvlaamse Sint-Blasiuszeren (Latijns: rupia) aldus genoemd omdat de huidziekte met blazen of blaren begint. We zouden hier kunnen spreken van een volksetymologisch verband. Ook daarom b.v. wordt Valentijn tegen vallende ziekte aangeroepen.

1959 - W. Knippenberg - Brabants Heem, jrg. 11 - Beter bekend is de H. BLASIUS, bisschop te Sebaste in Armenie, in 316 gemarteld (feestdag 3 febr.). Hij behoort ook tot de uit het oosten ingevoerde heiligen, van wie de legendenvorming zich meester maakte. Omdat hij een jongen, die een visgraat had ingeslikt, van de verstikkingsdood had gered, werd hij aangeroepen tegen difterie en andere keelziekten. (W. KNIPPENBERG, OUDE KAPELLEN IN NOORD-BRABANT IV)

Het ritueel

1925 WvK - Het kosterboek - Feest van den H Blasius [3 Febr] 1. Vr de H, Mis worden twee kaarsen gewijd volgens het ritueel (...) Dit kan in de sacristie gebeuren ; de koster zorge voor wijwater en ritueel. 2. Na de H. Mis legt de priester de kazuifel en manipel af; zoo noodig doet hij de roode gekruiste stool om, en de kaarsen worden aangestoken. De koster verwijdere de kelk van het altaar. 3. Buiten de H. Mis draagt de priester voor deze zegening superplie en roode stool. 4. De kaarsen worden apart bewaard om ook gedurende het jaar den Blasiuszegen, bijv. aan zieken te kunnen geven. [Het is niet bekend wie de auteir 'WvK' is]

Tilburg

1981 Cees Robben - Robben en rooms - In februari had ie achter op zijn fiets onder zijn snelbinders een paar gewijde kaarsen. Dan leurde hij met de H. Blasius zegen in de afgelegen gehuchten. Hij hield bij de mensen die er van gediend waren de gekruiste kaarsen onder d'r kin en bad: Door de voorspraak van de heilige Blasius Bisschop en martelaar, bevrijde U God van keelziekte en van alle ander kwaad. In de naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes. Amen'.

1998 Henk van Rijen - Men Tilburgs woordeboek - Sint-Blaasiejus 3 februari, wordt aangeroepen bij keelpijn.

Gilze-Rijen

1996 Wim van GesteI - Woordenlijst van de streektaal van Gilze en Rijen - Blaosius (den Hligen) Blasius (3 februari). Dag, waarop de Blasiuszegen werd gegeven; met twee gekruiste kaarsen om de hals tegen keelziekten. De kaarsen werden op 2 febr., (Maria Lichtmis) gewijd.

Kaatsheuvel

2002 Andr van Riel - Oe Toch - Het dialect van Kaatsheuvel - D'n Blasiuszeegen hale. Op 3 februari een zegen tegen keelkwalen halen (met 2 gekruiste kaarsen).

Een Tilburgse herinnering - Blasius in de Korenbloemstraat

2007 H. van Boxtel De Ochtendridders van de Korenbloemstraat - De deur ging open, en ze kwamen binnen. Hij [de pastoor] bromde niets tegen ons, helemaal niks. Hij zag ons niet zitten. Hij was helemaal in de andere wereld. Hij ging midden voor de klas op een stoel zitten, en de misdienaars posteerden zich aan weerszijden van hem, met hun brandende kaarsen. De broeder was met de stille trom naar achter in de klas verdwenen, en stuurde ons zacht fluisterend n voor n naar voren.
De eerste, Jan Adriaans, liep naar voren, en wist niet wat de bedoeling was. Hij begreep dat hij de kant van de pastoor uit moest, maar toen hij daar in de buurt kwam, gaf die verder niet thuis. Doorlopen dan maar, moet hij gedacht hebben, met kleine pasjes, dan hoor ik het wel, maar hij hoorde niets. En terwijl hij daar zo op de pastoor aan het aanschuifelen was, wist hij het ook niet meer, en keek hij met een benauwd gezicht over zijn schouder om naar de broeder. Knielen begreep Adriaans heel snel, uit de woeste blik van de broeder, en de hand die hem de grond leek te willen indrukken. Toen hij echter zat, bleef alles stil, en er gebeurde niets. Ook Adriaans bleef zitten, totdat hij het gekuch van de broeder opmerkte, en hij met een half schuin oog naar achteren keek, waar de broeder hem met man en macht verder naar voren leek te willen vegen. Nog dichterbij, begreep Adriaans, en hij kroop op zijn knien dichter bij de pastoor. Toen hij eenmaal zat waar hij leek te moeten zitten, kruiste meneer pastoor twee kaarsen voor zijn keel, en, zoals ook later bij mij bleek, prevelde deze met gesloten ogen een gebed, en dan amen, en was de volgende aan de beurt. En zo trok hij de hele school door, alle klassen langs.
Toen de pastoor vertrokken was, begon de broeder uit te leggen dat het vandaag de dag van de Heilige Blasius was, dat wij zojuist de Blasiuszegen gekregen hadden, en dat Blasius een heilige was die ervoor zorgde dat wij niet zouden stikken in graten, wanneer we vis zaten te eten.


uit: Kroniek van de Kempen 1994

 

blad

zelfstandig naamwoord

1. blad van planten

- meervoud = blaojer

Dirk Boutkan: (blz. 36) meervoud: blaojer

- verkleinwoord = bljke, bljkes

Dialectenqute 1879: dooi bloajer - dorre bladeren

- Nen aawen bk lust k wl en gruun blaojke.

Cees Robben: De blaojkes wiegen af n aon

Frans Verbunt: boombladeren

WBD III.4.3:87 blaojer - loof; ook genoemd: lof, 'blaar'

2. blad, drager van informatie; zoals krant, tijdschrift

- meervoud = blaojer

- verkleinwoord = bljke, bljkes

GG blaadje, tijdschrift et bljke - het clubblad, het parochieblad

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'dagblaoden'

Frans Verbunt: tijdschriften

Wir heej den aawe Vadder Td/ en Blaoike vol geschreve... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: En nuu begien)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLAAIKE(N) zelfstandig naamwoord.o. - Verkleinwoord v. blad, Fr. feuille. Spr. Bij iemand op een goed/ slecht blaaiken staan.

3. andere betekenissen

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): blaaiere - bladeren; ergens minder van worden

Ook: slagvenster, vensterluik, vensterblind, Fr. volet, contrevent.

 

bladaojer

zelfstandig naamwoord

nerf, 'nrf'

 

blak

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

uitdrukking -  ten blakke koome - te voorschijn komen, in het openbaar komen

WBD III.4.4:136 'blak' = vlakte

Haor Blakke - voor de dag

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): blak; vor d'n blekke komen (I:33)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - blak - vlak, effen, kaal

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): BLAK voor 'open, openbaar' = vlak (verwisseling van V en B). Z.a.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blak bnw (alleen in de verbinding 'ten blakke komme/ brenge - te voorschijn komen / brengen. Z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLAK - vlak, effen, open, bloot: de blakke hei, op 't blakke veld; ten blakke brengen / komen - uitbrengen, uitkomen, aan den dag komen

Kiliaen: Black / vlack - aequus, planus: Aequor, planities

WNT BLAK - Gewoonlijk als een bijvorm van 'vlak'. Thans vooral in de zuidelijke gewesten: effen, bloot, kaal; inzonderheid van eene landstreek waar het oog ver reikt. Ten blakke (komen, brengen), te voorschijn, in het openbaar.

 

blaog

zelfstandig naamwoord

denigrerend voor: kind

WBD III.5.1:23 'blaag' = jongere

M'n moeder vertelde, dat ze hum nog as ennen blaog van 'n jaor of tien, toen ie meej kaaischeuten aon 't speulen was, naor z'n vadder zunnen kop mikte meej nen proem, omdat die meej nen kaai op naor de Heilige Fermelie wou gaon. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

 

blaoje(r)

zelfstandig naamwoord, meervoud van blad

bladeren

ik heur geluk in 't ritsele van de blaoier (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941)

Cees Robben de blaoier vallen vruug van ielek bmke... (19570704)

Cees Robben Blaoier vallen... bruin en rd.. (19591031)

en lster nor-'t geflster/ van de wend in de leste blaoier (Lauran Toorians; Njaorsaovend; CuBra; 200?)

n et grasvld leej gelk bezaajd/ meej blaojer, van de bom gewaajd... (Henritte Vunderink, Hrfst, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

►blad

 

blaojere

werkwoord, zwak

bladeren

Ge moet et mar es durblaojere.

blaojere - blaojerde - geblaojerd (geen vocaalkrimping)

 

blaojke, bljke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

1. blaadje (van een plant)

De blaoikes in et bos ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, In et bos, 1941)

Cees Robben De blaoikes wiegen af en aon... (19571102)

Cees Robben De blaoikes van den lendenbm... die hebben veul geheurd... (19540522)

2. tijdschriftje

- Ik wrrek inmiddels al wir verkkes lang vur dees blaoike. De T, wittenie? (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

►blad

 

blaok

zelfstandig naamwoord

walm, door verbranding ontstaan zichtbaar gasmengsel

WBD (III.2.1:218) 'blaak', 'rook' = damp

WBD (III.4.4:212 'blaak' = damp, stoom' ook 'waas, 'rook', 'smook'

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLAOK (ook bij v. Dale) dikke rook, walm; meestal gezegd van damp, die van warm eten af slaat: den blaok slot er aaf; den blaok hangt on de zulder.

WNT BLAAK - gloed van vuur (ook fig.) thans niet meer in gebruik.

 

Blaok, de
toponiem
Stadsdeel De Blaak
Cees Robben En dan langs de Blaok zmar hers en geens (19551119)
 

Ill. uit Kroniek van de Kempen; een zogenaamde panblaker

blaoker

zelfstandig naamwoord

blaker, lage kandelaar met brede, platte voet en een handvat

WBD (III.2.1:265) blaoker = blaker

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLAKER - ijzeren schutsel voor een open vuur; keerspanneken

 

blaos, blske

zelfstandig naamwoord

blaas

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Wie de blaos wil hbbe, moet irst et vrke zen gat kusse.

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En dan had ze smreges () zon blaos bezije op dieje mond zitte, dan was die, die middelsne n et wrreke gewist f zo, h, n d kwaam daor in die blaos n dan din wij die blaos lleke keer aaf Klik hier om dit bestand te beluisteren

Cees Robben Gij zult oew blaos nie scheure.. (19830819) [Jij zult van werken niet doodgaan.]Henk van Rijen: blaar (geen bln:) gevuld met vocht, b.v. pok

WBD III.4.2:75 'blaas - zwemblaas v.e. vis; ook 'luchtblaas' genoemd of 'zwemblaas' of 'luchtzak'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLAAS zelfstandig naamwoord.v. - blaar, bladder, opzwelling v.d. huid of de bovenkorst v. iets, door de hitte, door verbranden enz. Zie blein.

 

blaosslaon

werkwoord, sterk

spel

LDM: Wij herinneren ons nog, dat bij gelegenheid van het huwelijk van een fabrikantszoon op de achter het huis gelegen weide aan het personeel een feest was aangeboden en dat daar allerlei volksspelen werden gehouden als kikvorskruien, sprietlopen, mastklimmen, zaklopen en blaasslaan. Het laatste bestond hierin, dat twee personen beiden gewapend met een strak opgeblazen varkensblaas trachtten elkaar van een smalle plank te slaan, die een eindje boven de grond was aangebracht. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 13 Oude koffiehuizen in Tilburg 1; NTC 16-2-1952)

WTT 2012 - Het spel waarop Lowie van Dorrus Misters (LDW) doelt staat in Tilburg beter bekend als 'blaasvechten'. 'Blaasslaan' heeft eerder betrekking op de carnavaleske traditie om met een opgeblazen blaas aan een koord aan een stok omstanders te slaan. Het slaan met blazen beperkte zich echter niet tot vastenavond:

- Uit 'De Witte' van Ernest Claes: 'Van aan de statie zag hij opeens een vijftal bengels aangedraafd komen, woedend nagezet door Dora, de hond van Jef Weynants, en ze liepen dwars door de weiden recht naar het zwemkot toe. Ze staakten hun vaart halverwege, om niet te erg in 't zweet te zijn, wist de Witte, en hij herkende ze meteen alle vijf: Fompe, Turke Leunes, Krol, Dabbe en Tjeef van Voskes. Alleen Tjeef had een klak op, al de anderen waren blootskop. Daar was er een bij die een dikke varkensblaas in de lucht zwaaide, en daarmede telkens op de anderen sloeg, zodat het dof door de weiden klonk. Dat was Turke Leunes, die zonder blaas niet zwemmen durfde en het daardoor ook nooit leren zou.'

M. D. Teenstra De kinderwereld; 1853) - Zij [de kinderen] vullen de blaas met wind, en met eenigen boonen , enkel en alleen om daarmede geraas te maken, en om met dezen kalen windzak andere jongens, alsmede honden en katten, die voor veel vertooning makende dingen, gelijk eene blaas met boonen, bang zijn, op den loop te jagen.


Detail uit een carnavalsprent van Casper Luyken (1698) - voor de gehele prent en andere prenten met blaasslaan

zie Dossier Blaasslaan & Blaasvechten.

 

blaosvchte

werkwoord, sterk

blaasvechten

een sportief spel voor de jeugd

LDM: Wij herinneren ons nog, dat bij gelegenheid van het huwelijk van een fabrikantszoon op de achter het huis gelegen weide aan het personeel een feest was aangeboden en dat daar allerlei volksspelen werden gehouden als kikvorskruien, sprietlopen, mastklimmen, zaklopen en blaasslaan. Het laatste bestond hierin, dat twee personen beiden gewapend met een strak opgeblazen varkensblaas trachtten elkaar van een smalle plank te slaan, die een eindje boven de grond was aangebracht. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 13 Oude koffiehuizen in Tilburg 1; NTC 16-2-1952)

WTT 2012 -- Deze vorm van amusement was vrijwel exclusief populair in Tilburg tussen 1910-1940. Het blaasvechten was in die tijd een vast onderdeel van de 'volksspelen' die op koninginnedag georganiseerd werden door feestcommitees en winkeliersverenigingen.

Aankondiging in de Nieuwe Tilburgsche Courant - 1 september 1909

 

Voor meer krantenberichten over blaasvechten, zie Dossier Blaasslaan & Blaasvechten

 

blaoszwmme

werkwoord, sterk

zwemmen met een varkensblaas - niet of nauwelijks kunnen zwemmen, maar daarbij geholpen door een opgeblazen dierblaas om makkelijker te blijven drijven

Pieter Breughel - detail uit De Kinderspelen

► Zie beelddossier CuBra

 

blaoze

werkwoord, zwak

blazen

B blaoze - blaosde - geblaoze (geen vocaalkrimping);

Dirk Boutkan: blies

1. blazen, adem uitstoten

R.J. 'die blaosden oe wrem'

- Het zal wel koelen zonder blazen. - Die overdreven ijver mindert vanzelf. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Cees Robben: naa blaos ik alwir en virke ...

Cees Robben: ze blaost der partij goed; meej de krsemes ist ppaase geblaoze;

Henk van Rijen: Ge kunt nie blaoze(n) n tegelk de rok in oewe mond haawe - (geen n maar pauze) - Je kunt geen twee tegengestelde dingen tegelijk doen.

Henk van Rijen: blaost em mar op - loop naar de maan; ge kunt em opblaoze - je kunt naar de maan lopen

Cees Robben: 'blaost giens die krs dan uit'

2. een wind laten, winderig zijn

Cees Robben Ik blaos van onderen en boven (19731231)

Piet van Beers Ik lus t geleijk: En w gedocht, .. van boonesoep/ En lekkere malse snert./ Ge blaost er, en ge stinkt er van/Mar d is 't men wel werd. (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers Jonges, lster is: En drrom eete wij naa snert/ n flink w schrseneere./ Dan kunnen wij 'm ok enne keer/ op 'n blaoskonzert trakteere. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.1.1. lemma Een wind laten Tilburg en Reusel [als enige twee plaatsen van opgave]

3. Overige betekenissen

WBD (v.e. paard) met neus en lippen proesten: (Hasselt) 'briese', elders ook 'snottere' genoemd

WBD blaoze (II:1026) - blazen: droogwaaien; ook: drge

WBD blaoze (II:1028) - blazen: vetten; ook: spte

WBD (III.2.1:502) blaoze = blazen v.d. kat, ook: 'grijnzen'

WBD (III.1.4:156) 'blazerig' = loom door de hitte

WBD (III.3.1:304) 'blazen' = opscheppen

 

blauw

blauw

in de uitspraak ook het scherpere, kortere blaaw; ook geschreven als blaauw

Dialectenqute 1879: blouw (au = ou in: blouw, grouw, klouw ..)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): blow naast blouw (krt. 20)

1 bijvoeglijk naamwoord

Van Rijen (1998): 'blauw'

Cees Robben: blauw van de kaaw; onze vadder ha en blauw neus

Henk van Rijen: en blauw koej - hiervan is sprake als de melk opvallend is aangelengd

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992: blaaw bn

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): blaauw (VI:21)

2 bijwoord

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ze hbben em bnt en blaauw geslaon;

Dirk Boutkan: (99) ...blaw geslaon

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der zen vingers nie blauw n hbbe (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - een erfenis in het vooruitzicht hebben waar niet veel van verwacht wordt ( dus geen blauwe vingers van het tellen)

3 zelfstandig naamwoord, blauwe'

3.1  iemand met rood haar: den blauwe

Van Beek - "Ge moet gin spek in 'n hondsnest zuuken" zeiden we vorige maal. "D zeej onzen blaauwen ook dikkels" was 't antwoord en daarmee bleek, dat 'k in de roos geschoten had. Want "onzen blaauwen" is een vaststaand begrip voor iemand, die rood haar heeft zowel te Goirle als in Tilburg.  (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Frans Verbunt: den blauwe - iemand met rood haar

- Sjaan zcht en aorig truike t/ hel sjiek, meej krte mouwe/ vuurrood, want Jaonus heure man/ is zogezeej enen blauwe. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D kos nie)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992: d'n blaauwe - iemand met rood haar

Van Rijen (1998): 'blaawe'  - scheldwoord voor roodharige

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blauwe = Janus v.d.Biggelaar (blz. 25)

Stadsnieuws: Ge wit wl, diejen blauwe van hiernffe - die roodharige buurjongen (l10410)

3.2 paard

WBD 'blauwe' - (Hasselts voor) bep. gekleurde schimmel

WBD 'blauwschimmel' - bep. gekleurde schimmel, ook genoemd (Hasselt) 'blauwe

3.3 blauw als dag(licht)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tusse de blauwe n de grauwe - tussen licht en donker

3.4 teleurstelling in de liefde

WBD III.2.2:81 'een blauwtje lopen' = idem; ook 'een blauwe lopen'

4 blauw als aanduiding voor dronkenschap of kenmerken daarvan

Van Delft - "Hij was een beetje blauw" wordt gezegd voor: Hij was een beetje dronken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929) [zie 3.1]

Frans Verbunt: zo blauw as en laaj [wsch. bedoeld om dronkenschap aan te duiden]

Buuk - blauw - dronken - hij is zo blauw as de laaj - stomdronken

5 werkwoord: blauwe, blaawe

WBD III.2.1:532 'blauwen', 'blauwselen' = blauwen van de was

 

blauwkpke

zelfstandig naamwoord

blauwkopje; mees

Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

blauwlop

zelfstandig naamwoord

blauwloop = blauwsloot

Vruuger hadde die blaawlope. De blaawslot zin ze vruuger, die liepen er durheene. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

blauwslot

zelfstandig naamwoord

blauwsloot; open riool, speciaal in de periferie van Tilburg, veelal gevuld met door textielfabrieken geloosd afvalwater van ververijen, waardoor het water een blauwe kleur kreeg.

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de blauwslot (i.p.v. den blauwslot)

- Weekblad voor Tilburg 14-4-1866: Bij een vechtpartij belandt een dronken schutter "in een vollen sloot met blauw fabriekwater gevuld ... waaruit hij nu geheel blauwgeverwd te voorschijn kwam". (wsch. oudste vindplaats)

- We hebben hier ok eenen blauwen sloot/ en as ge'm ruukt dan valde dood! (Piet Heerkens; uit: Brabant, Tilburg zingt, 1941)

- binnen kort zullen die bisjes nog zeldzoamer zen as in [een] wolhaand krab in innen blauwsloot. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Toense in [een] end geloope han kwamen ze vur innen blauwsloot en daor kosse ze nie over. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben Den blaauwslt was n zuut ril/ heel open en plezaant (19701016)

- Cees Robben Blauwslt.. Buunder.. Baors en Broek.. (19570316)

- Audioregistratie 1978 -- Ik weet goed, vroeger h, we zitten hier dicht in Bls, n dan gebeurde ng wlles dgge smkkelaars had, war, n asse dan verdacht waare, dan hadde en diepe sloot want vroeger hadde die riejole nie n zoo.dan kroope ze in dieje, in dieje sloot, hil diep h! ()  nt gewas dtter binnenin was, d zchte ze dan n d trokke ze oover der hoofd heene dsse et nie zien (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- Vruuger hadde die blaawlope. De blaawslot zin ze vruuger, die liepen er durheene. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- Ge heurt in de vrije natuur/ en veugeltje d zingt/ vlak nffe enen blauwsloot aaf/ die as enen brput stinkt. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: J, j, gullie fietst mar')

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - stinken as nen blauwslot ('71)

- Hij liep un bietje aachterit/ En viel toen in den blaaweslot Uit: Den blaawslot, Ad van den Boom, circa 2005.

- Van Rijen (1998): 'blaawslot'

Frans Verbunt: 'We hbben hier ok enen blauwe slot, / n as ge em ruukt dan valde dod (fragm. gedicht P. Heerkens)

- K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - blauwslot - soort open riool (blz. 111)

- Piet van Beers Lkker fietse: En [ge] wir opnuu wit, hoe ennen blauwsloot ruukt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- WBD III.5.1:405 'blauwsloot' = straatgoot

blauwslot - dossier

 

blauwscheut

zelfstandig naamwoord

spataderen (of de bezitter ervan?)

Van Rijen (1998): 'blaawscheut'

 

blauwvrver

zelfstandig naamwoord

blauwverver

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blaawvrver = Thom. Thijs (blz. 78.)

 

blauwvlieg

blauwvlieg

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:127 'blauwvlieg' - blauwe vleesvlieg of bromvlieg (Calliphora vicina), ook genoemd: 'blauwe vlieg', 'spekvlieg' of 'bromvlieg'

 

bldschap

zelfstandig naamwoord

blijdschap

WBD III.1.4:190 'blijdschap' = pret

 

blderhoop

samenstelling uit blij en hoop [?]

met of in de blijde hoop, blij [?]

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: Vaan blderhoop liep ze de deur t, om te kke wie 't waar.

 

blef

persoonsvorm = verleden tijd van blve

 

Schilderij van Klaes Molenaer

blek

zelfstandig naamwoord

droogweide, bleekveld, bleek

De waas laag al betds op den blek

De Wijs  --  Ge mot menne waas 'ns zien assie van de blk komt. (10-02-1963)

Alles moes toen meej de roeffel [het wasbord]/ de laokes n de bddetk/ Zis keer spuule, dan durt blauwsel/ n laoter dreuge op de blk. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: N DE WAAS)

Foto uit 1916 van Henri Berssenbrugge. Witgoed op de bleek. De naam van de vrouw is bekend gebleven: Cornelia Brosens. Deze foto had Remco Campert voor ogen toen hij in Tot Zoens schreef: "Er is nog wat mist over van de nacht. Ik loop door het park in dun gouden oktoberlicht. Een dame met een piepklein wit keffertje aan de lijn komt me tegemoet. Ik licht mijn hoed. Op de Keizersgracht slaan de vonken van de hoeven van een brouwerspaard. Henri Berssenbrugge fotografeert in Tilburg Anna Cornelia Brosens die voelt of het wasgoed dat op het bleekveld ligt al droog is."
WBD (III.2.1:401) blek = grasveld

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord. vr. 'bleik', bleek, bleekveld; verkleinwoord 'blkske(n)'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEIK zelfstandig naamwoord mannelijk - niet v. - bleek, bleekplaats: De wasch v.d. bleik halen.

 

blek

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord

bleek

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de bleke Bts = mevr. Schoenmakers (blz. 70)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den bleke - Zoontjes (blz. 85)

Etymologie:
Got. blaika, D. bleich, N. bleek, T. blek

 

bleke

werkwoord, zwak

bleken, in het bijzonder het bleken van gewassen linnengoed in de buitenlucht

Foto Henri Bersenbrugge ca. 1905

Cees Robben Verder gaot ie [de wol] op dn taas/ om te drge.. en dan blke/ in de zon gelek de waas......  (19560630) [De gedroogde wol wordt in de zon gebleekt. Dit gebeurde vroeger ook met de witte was.]

Cees Robben: 10 (blz. 45) "t ongeblekte gao terzijje'

WBD geblikten blm - bloem (meel) met een bleke kleur

WBD (III.2.1:333) bleke - blauwen; (331) 'bleken' = de was bleken

B blke - blkte - geblkt

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij blkt

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr en intr. 'bleiken' - bleken

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEIKEN - bleeken, Fr. blanchir: De was(ch) bleiken.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bleike - bleken

Schilderij van Jan Miense Molenaer; 17de eeuw

uit: Kroniek van de Kempen 1994

 

blke

werkwoord, sterk

blijken

B blke - blek - gebleeke

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij blkt

 

bln, blntje, mv. bln(e)

zelfstandig naamwoord

I blaar

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "blaine - hij hee blaine onder z'n voeten geloopen (blaren)"

Cees Robben Mn haande vol blne van t kreugeltje douwe... (19570309)

Cees Robben ... bloed en blnen.. (19591017)

Daor zitten wij nie op te wochte, wie zen gat verbraandt moet op de blne zitte, is toch et gezegde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Die han un end gelope, nie normaal, volgens de zuster. De blne op der voeten, mar de zuster zeej blaren. D verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig d blaren, blne waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, d kos ie wel vertellen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Hij prt oe de blnen p oewe kp.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Den dieje die zal k gin blnen p zen tng krge.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gin blnen p zen tng krge (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 1971) - weinig of niet praten

Naa fiets ik hil dees joar niemir/ al zosse d ok wille/ ik hb ng van verleeje zaoterdag/ de blne op men bille. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op de fiets)

Jozeeke ha de vleeje week/ enen Biekenie gekreege/ Ze ha netuurluk meet goei weer/ veul in de zon geleege./ Mar ze hatter ginnen rreg in/ d die zo fl zo schne/ ze kreeg op deren onderkaant/ en haffel forse blne. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zonnebraand)

...twee voete vol meej prse blne... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daor gin blne)

Henk van Rijen - ge krgt er de blne van in oew haande

GD 94 - de bln stonde op zen haande

De blne op der voeten, mar de zuster zeej blaren. D verstonden wij netuurluk nie, mar onze vadder wies toevallig d blaren, blne waren, die ha ze wel ens gehad en die deeje zeer, d kos ie wel vertellen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.1.2:348 'blein' = blaar; ook: 'bleintje'

WBD III.1.2:349 'brandblein', 'blein' = brandblaar

WBD III.1.2:358 'blein', 'hondsblein' = nagelbedontsteking

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): bleinen (I:19) (IV:58)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEIN zelfstandig naamwoord vrouwelijk - soort v. harde bobbel in het vel, voortkomende van eene te groote drukking. Ik heb mijne' voet vol bleinen.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLEIN (bln) v. blaar, opzwelling (balein wordt ook zo uitgesproken).

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'blein' - blaar.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BLEIN -zelfstandig naamwoord vr. verkleinwoord: die zijn gat verbrandt, moet op de bleinen zitten.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- (1992): bln - blaar, blaren

WNT BLEIN - Thans vooral in Zuid-Ned.: gezwel, blaar, met eenig plaatselijk verschil van opvatting.

II. balein

We han thuis nog een hl stelletje aaw perreplus staon mee kepotte blne. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

De Wijs -- (moeder tegen haar dochter: )t motte teugeswoordig ammaol steppinnen zn, mar wij waren vruuger blij mee n kesjet mee blnen (17-08-1964)

Cees Robben n Kesjet meej blne.. (19640911)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'bleen', 'blijn' -'balijn', d.i. balein.

WBD III.1.3:167 'balein' = balein uit het korset

 

blre

werkwoord, zwak

blren, blaten; huilen, lawaai maken

blre - blrde - geblrd

geen vocaalkrimping

Cees Robben: geblr n gejaank

Hilversum III blrt dag n naacht/ meej rock n biet n pop/ n al wgger van ooverhaawt/ ds pnt in oewe kop. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Barend, bedankt war)

Zaoterdag gaon ze vurt Karneval/ nt leutere n nt blre... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: n mar leutere)

...de knder hannet in der kl/ n blrde halve naachte. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Waoter drinke ds gevaorlek')

De klnste hong n oewe slip/ te jaanke n te blre (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)

n n w pilskes flink gn zitte blre. (Henritte Vunderink, Jong zn, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD loeien, ook 'brulle', 'blijte', 'kweeke' of 'kwke' genoemd (m.b.t. koe)

WBD (Hasselt) geluid voortbrengen, gezegd van een schaap

WBD III.1.4:251 'blren = huilen; 255 'blren' = luid schreien

 

blrkonkoer

zelfstandig naamwoord

liedjeswedstrijd om het beste carnavalslied aan te wijzen

f meejkwke op et blrkonkoer. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Frans Verbunt: zingen op het blrconcours

 

blrkp

zelfstandig naamwoord

WBD koe met witte kop, ook 'witkp' genoemd

WNT blaarkoe - koe met eene blaar.

blaarkop -  eene zeer breede bles, die zich zijdelings over de wangen uitbreidt en de oogen omvat.

 

blte  

werkwoord, zwak

loeien, blaten

blte - bltte'- geblt, met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: blt

Cees Robben de waai... waor t schaop heej staon te blten (19560630)

WBD loeien

WBD 'blijte' = loeien, ook 'brulle', 'blre', kwke' of 'kweeke' genoemd.

WBD III.1.4:254 'blaten' = luid schreien

WNT BLATEN - in zuidel. gewesten meestal BLETEN, mnl. blaten en bleten; wsch. een klanknabootsend woord: verg. lat. 'blatero'; Corn-Vervl.: de koei blt.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.intr. 'bleiten' - blaten (v. geiten en schapen)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLTEN - hetz. als Holl. blaten, Fr. bler. - schreien, janken, krijten, weenen; luidruchtig luidkeels zingen of schreeuwen; razen, tieren, kijven, schelden

 

blve

werkwoord, sterk

blijven

Cees Robben: Agge daor blft zitte,...; ast nie veraandert, dan blvet zo;

Cees Robben: waor is de td gebleeve; w blfde daor naa wir staon doen.

Cees Robben: blf tch ts; in heuren stal daor blvet wrms

Dialectenqute 1879: blve (als fr. tte)

blve - blef - gebleeve geen vocaalkrimping

Henk van Rijen: den dikke mot zis weeke plat te bd blve

Dirk Boutkan: 'blft' 2e+ 3e pers.sing. (passim), o.a. blz. 67, maar sing. neutr. ook blf-et.

Dirk Boutkan: Met postcliticum: 'blft-et' of 'blv-et'   

Dirk Boutkan: (blz. 37) doublet; ' blft' + 'blft' = blijft

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): blfde (= blijf je) (krt. 23)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 

bleeze

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): ontstrengen

Van Rijen (1998): 'Mot te g al die bontjes ng bleeze? - Moet je al die boontjes nog schoonmaken?

WBD (III.2.1:371) bleeze - erwten of bonen afhalen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): boontjes blze (VII:22)

WNT BLIEZEN afl. van BLIES, vezel op den naad van de schelpen van peulvruchten

 

blk

zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord

1. zelfstandig naamwoord; blik, een houder van glanzend metaal; voorwerpen die van blik gemaakt zijn

blk n veeger - stoffer en blik

Frans Verbunt: stil: f ik veeg oe op et blk

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blk zelfstandig naamwoord onzijdig - blik (om het stof op te vegen)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEK zelfstandig naamwoord onzijdig - blik, Fr. fer-blanc

1.1. schors van bomen

WBD III.4.3:63 blk - schors;

WBD III.4.3:104 'blek' = schors van naaldbomen

2. bijvoeglijk (stoffelijk) naamwoord

Pierre van Beek: ►blkke mieneke -blikken plaatje (rond), geponst uit een garenpijp (zie: mieke); ook 'schierf' genoemd.

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'vleesch in blekken bussen'

WS: blkke krk - drinkkruikje v.d. arbeider

Cees Robben n blekke kan... (19600722)

Cees Robben ...blekken bluffer (19760102) [over de wekker]

Van Rijen (1998): blkke krkske - drinkeskrk

Elie van Schilt - Ut zen allemal vierkaante blekken koektrommels... (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)

Den blekke Jozef, z noemde wij de perochiehermonie brcht, zo as d hiete un muzikale hulde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

blkke

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): hoog voorhoofd, kaal blinkend voorhoofd.

WTT 2017: [niet elders aangetroffen].

 

blkkemieneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Frans Verbunt: dubbeltje; stukje metaal ter grootte van een dubbeltje, gebruikt in de textielindustrie en in het kinderspel (genoemd naar de beeldenaar v.e. dubbeltje: Wilhelmina)

Pierre van Beek --  blkke mieke - blikken plaatje ter grootte van een dubbeltje; waren geponst uit garenpijpen; werden door kinderen gebruikt als fiches bij het kaartspel in het patronaat.

 

blk-out
zelfstandig naamwoord
Tilburgse weergave van het Engelse black out; tijdelijk verlies van bewustzijn
Cees Robben Ons oma viel van dr stkske en dn opa van zunne graot...in unne blek-out (19860620) [flauwvallen]
 

blkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

M blikje(?), kleine droogweide(?)

 

blnd

bijvoeglijk naamwoord

blind

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'dieje blende meensch '; ''n blend perd'

- De Wenter, oud en kleurenblend,/ gaaf witte dekens mee kaawe wend. (Piet Heerkens; uit: De Mus, De jaorgetij, 1939)

Cees Robben n Pond zaod vur mn vink... Wit of zwart, menneke... D-nukt-nie.. Zis blend... (19721222)

Cees Robben n blende vrouw en unne dve meens (19811016)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de blnde Peer = Joh. Rokven (blz. 69)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den blnde Thirus =blinde man, omgeving Julianapark (blz. 86)

Dirk Boutkan: (blz. 27) in de superlatief wordt de d niet uitgesproken: blnst

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blnd - bnw. - blind

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLEND, BLIJND - blind, Fr. aveugle.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): bleind

 

blndaos

zelfstandig naamwoord

paardevlieg, blind(d)aas

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Ik slao niks aaf as vliegen n blndaoze = Ik sla niets af

Cees Robben: Ik slao niks aaf as blauw vliegen n blndaoze;

Pierre van Beek: Et maogerste prd steeke de blndaozen et hardst. - De armsten hebben het 't hardst te verduren

Pierre van Beek Er bestaan verschillende Nederlandse uitdrukkingen en zegswijzen, die wij in Tilburg op een geheel eigen wijze "vertalen". Zo komt "van de vliegen naar de blndaozen" (een soort stekende insecten, die men vooral langs de waterkant aantreft) overeen met "van de regen in de drup". (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "blendoas" - daas, paardenvlieg

Van Delft - "Dat is van de vliegen naar de blindazen" wil zeggen: Dat is van den regen in den drop. Ook hoorde ik hiervoor: "Het is van pissebed op kakkebed." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

WBD III.4.2:128 'blinddaas' - daas (Tabanidae), ook genoemd: 'horzel' of 'daas'

WBD III.4.2:131 'blinddaas' runderhorzel (Hypoderma bovis), ook genoemd 'runderhorzel' en zelden 'bisworm'

WBD III.2:134 'blinddaas'- paardenhorzel (Gastrophilus intestinalis ook 'paardenwesp' genoemd)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): blindaas (II:76)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blndaos zelfstandig naamwoord vr. blinddaas, paardevlieg

Antw DAAS zelfstandig naamwoord mannelijk+v. tweevleugelig insect, aschgrauw van kleur, ook 'blinddaas' en 'dazerik' genaamd.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992: blndaos - daasvlieg

Str. blendaos (I:59)

WNT BLINDDAAS "Blinde dazen of Blindazen, welke benaming, deze dieren (t.w. de paardenvliegen) verschuldigd zijn aan de onbesuisdheid, waarmede zij somwijlen tegen helderwitte muren aan komen vliegen".

 

blnde

zelfstandig naamwoord, meervoud (het enkelvoud komt niet voor)

vensterluiken, blinden

Cees Robben [Ze] doen vruug de blenden dicht... (19601125)

WBD III.2.1:44 blinde' luik (binnen)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLINDEKE(N) zelfstandig naamwoord onzijdig -ieder v.d. twee kleine schermen, die men langs binnen voor de onderste ruiten v.e. venster zet, en die beletten v. buiten naar binnen, maar niet van binnen naar buiten te zien.

zelfstandig naamwoord, iemand die blind is

Pierre van Beek -- "Hier zie ik oe, zeej den blende!" en "Naauw heur ik oe, zeej den dove!" kan iemand wel eens ten antwoord krijgen als hij "goed uit den hoek komt" of de spijker op de kop slaat. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

bijwoord - blindelings

Cees Robben Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belpe (19570119)

 

Blnde Fiel

Eigennaam

Volksnaam voor de sociteit Philharmonie; de buitenmuur daarvan had geen ramen, was een blinde muur.

- ok Oel en de Paddewaaikes, het Kretshuiske en iets over tuiten..., de blende Fiel; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- Dan kwaame we langs de blende Fiel,/ Bij Mie Viool de goeie ziel; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

 

blnde koej

zelfstandig naamwoord

spelletje; blindemannetje

Van Delft - Hetgeen elders blindemannetje heet, noemde men hier "blinde koei, waar heenen?!" Geeft de benaming niet iets onbeschaafds, iets ruws in uitdrukking aan? Men speelde het met een groot aantal kinderen op een weiland. Men vormde een kring en een ervan moest zich omkeeren en zeggen een getal, bijv. 15 of 20. Dan begon de voorman te tellen, gaande in de richting van den zonneloop. Wie het genoemde nummer ten deel viel, was "de blinde koe". Op het blindemannetje terugkomend, "de koe" werd een doek voor de oogen gebonden en hij werd alleen gezet. Ieder mocht hem een tikje met de hand geven op schouder of rug. De blinde moest trachten er een te pakken te krijgen. Had hij hem (of haar), dan moest hij nog zeggen, wie het was. Gelukte dit, dan ging de doek van de oogen en had hij goed geraden, dan trad de gevangene in zijn plaats om het koeschap te aanvaarden, anders bleef de vorige vanger. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

blnde vinke
zelfstandig naamwoord, meervoud
blinde vinken (gerecht)
Cees Robben (19611221)
 

blntje

zelfstandig naamwoordverkleinwoord

Van Rijen (1998): baleintje; blaartje

WBD III.1.2:348 'bleintje' = blaartje

WBD III.4.4:232 'bleintje' = bobbel, ook 'bult'

WBD III.4.4:232 'baleintje' = dubbe reep voor de stevigheid

 

bls

zelfstandig naamwoord

WBD bosje haar (v.e. paard) dat tussen zijn oren naar voren hangt, ook 'maontp' genoemd

WBD langwerpige streep van voorhoofd tot neus (op een paard)

WBD lok-/roepnaam van het paard, resp. de merrie

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bls zelfstandig naamwoord mannelijk - 1) lange witte streep over de kop bij paarden; 2) dat gedeelte der manen v.e. paard dat tussen de oren door over het voorhoofd hangt; 3) weelderige haarkuif bij mensen.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLES - haarlok op het hoofd v.e. paard; witte streep v. voorhoofd tot neus bij paard of koe; zo'n paard

 

blsog

zelfstandig naamwoord

oogaandoening bij een paard, zgn. maanblindheid, ook genoemd (Hasselt) maonog

 

bliek

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:89 bliek - kolblei, ook 'blei' genoemd

 

blieke

werkwoord, zwak [het is onduidelijk of de ie in het Tilburgs altijd kort is]

bepaalde manier van kijken (= blikken?)

WBD III.1.1:239 'blieken' = scherp kijken

WBD III.1.1:203 'blieken' = grijnzen

blieke - bliekte - gebliekt

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): blieke - manier v. kijken, meestal ongunstig, hinderlijk gluren

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLIEKEN onov.ww, een manier van kijken. Het had een wat agressievere klank en leek meer op 'gluren' en 'loeren'; op een nieuwsgierige manier een tafereel gadeslaan dat niet als een schouwspel bedoeld is, van een afstand visueel binnendringen in de intimiteit van anderen. Zie blz. 104.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blieke(n) zw.ww.intr. - in het voorbijgaan glurend, loerend naar binnen kijken.

 

blies

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): vruchtvlees

- verkleinwoord bliske

 

bliksem zelfstandig naamwoord

bliksem

Henk van Rijen: bliksem in ne kaolen bom gift hil et jaor strom - onweer vroeg in het jaar belooft veel regen

 

blinke

werkwoord, sterk

blinken

B blinke - blonk - geblonke

CH Et blinkt as Almkrk d verroest mviel.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Et blinkt as en haonekulleke.

Boutkan -  blinke - et blingt (blz. 27)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): st.ww. intr. - blinken.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLINKEN - doen blinken, doen glanzen met er over te wrijven.

 

blinkmrt

zelfstandig naamwoord

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "blinkmert - zoo noemde men de vroegere kermismarkt"

 

blinksmr

zelfstandig naamwoord

schoensmeer, 'schiemsmr'

Henk van Rijen: hdde nie en duske blinksmr?

WBD (III.2.1:550) blink (in Goirle: blinksmr) = schoenpoets

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blink zelfstandig naamwoord mannelijk - schoensmeer; meer gebr. synoniem: blinkendesmeer.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): blinkendesmeer zelfstandig naamwoord mannelijk - schoenpoets

Noord en Zuid, jrg. 2, 1879, p. 95 s c h o e n e n blinken = schoenen poetsen. Een enkele maal komt blinksmeer voor schoensmeer  voor. (over woordgebruik in de roman Karel Klepperman van Mevr. Courtmans-Berchmans)

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): BLINK - blink - glans op hout, metaal, leder BLINKBORSTEL -kleine gesteelde borstel om schoenen met blink in te wrijven.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLINK - schoensmeer, waarmede men de schoenen zwart maakt en blinkt.

  blinksmr - volksliedjes over de schoenpoetser op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

bliske, blieske

zelfstandig naamwoord

vliesje tussen vruchtvlees en pit bij een appel, ook genoemd: vlies, blees, vlim

WBD III.2.3:165 'bleesje' = vliesje in vrucht; ook 'vliesje' of 'vlim'

bliske: contaminatie v. vlies en bliske?

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): BLEES v. hard, vliezig bestanddeel van een korrel of van het klokhuis v.e. vrucht: 'n bliske tussen m'n taand.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BLIES - vezel op den naad v.d. schelpen v. peulvruchten, zooals erwten en boonen.

 

bloed

zelfstandig naamwoord

bloed; hier: degene die moet bloeden; den bloed

Cees Robben Hij daanste gewillig/ Den dd tegemoet.../ In n raozende vaort.../ En Sjef was den bloed.../ En nt zou den stumper meer rije... (19541211) De prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen.

Cees Robben Ik was den bloed (19590523)

Van Beek - "Hij was den bloed". Hij moest er voor bloeden. - Hij had 't verloren. De sch of de schande kwam over hem. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

 

bloedbln

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: bloedblaar

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 

 

bloedzger

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:221 'bloedzuiger' - oorworm (Forficula auricularia)

 

bloej
meervoud van zelfstandig naamwoord bloed in de betekenis kind,
kinderen; het verkleinwoord bloedjes is bluukes of bluujkes
Cees Robben Gao-de meej oe bloei te veld... (19560804)
 

bloeje  

werkwoord, zwak

bloeden; bloeien