INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Wil Sterenborg

 Van daaliea tot dwipte

daaliea

zelfstandig naamwoord

dahlia

WBD (III.2.1:455) 'dahlia', 'dahlida' (Korvel); plur. dahlidassen

►daalida

 

daalida

zelfstandig naamwoord.

dahlia

De Wijs -- w staode toch te snuffelen - kruuk liever kruinaogels (seringen) dan snoffels (anjers), mun dalidassen staon schon maar ruuken nie (10-03-1967)

Cees Robben Welke blomme wilde op oew begraofenis? Snoffels... dalidas.. paosblomme.. of stinkerkes... (19850118)

Vier dahlia's gefotografeerd in een cultureel project met aandacht voor zowel de natuurlijke als de woonomgeving van Huize Assisi in Biezenmortel (2006)

 

daander

bijvoeglijk naamwoord

de andere, en dan met name 'de volgende'

In daander week opt Heuvelplein/ valt er iets te belve. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ws wn tch fn)

Marylin Monroes behaatje/ is in daander week te koop./ Daor zulle kopers zat vur koome/ God maag weete hoenen hop. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Behaa-haandel...)

Voor hoeveel Marilyn Monroe's bh uit de jaren '50 in Lechims tijd geveild werd, is niet bekend. In 2009 kwam hetzelfde kledingstuk (zie foto) opnieuw onder de hamer bij Sotheby's en werd toen verkocht voor 5.200 dollar.

 

Ast daander week wir woensdag is/ ist in hel Tilburg fist... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vergeet et mar)

Goddaank, naa ng en kln kepltje/ n men vrsje is gered,/ Daander week doek et wl beeter/ mar naa ist me vuls te het. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vuls te het)
 

daamp

zelfstandig naamwoord

damp

WBD (III.2.1:218) 'damp' = 'rook' = 'blaak'

WBD (III.4.4:59) 'dampig' = mistig

WBD (III.4.4:212) 'damp' - damp, stoom

WBD (III.2.1:217)'dampen' = idem (ww)

 

daampe
werkwoord, zwak
dampen
D. Boutkan: (blz. 27) - et daamt - uit het cluster mpt wordt de p verzwegen: et daamte
 

daank

zelfstandig naamwoord

dank

B daank - dank

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DANK zelfstandig naamwoord. m. - wil, zin, welbehagen: tegen mijnen dank

 

daanke

werkwoord, zwak

danken

Kees en Bart: 'Dat dankt me de stoep!'

Kees en Bart: 'D-d-hangt me de koekoek!'

B daanke - daankte - gedaankt

- geen vocaalkrimping ?

 

daans

zelfstandig naamwoord

dans

- Toneelspul, zang, meziek en daans; advertentie voor de Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926.

 

daanse

werkwoord, zwak

dansen

B daanse - daanste - gedaanst/gedaanse

Kees en Bart: gedaansen (passim)

- Hij heeft de fieteldans gehad. - Dit is de St. Veitsdans (dansziekte, zenuwaandoening). (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

- De horlepiep dansen. - Doet ons denken aan een merkwaardige ziekte, die in 1954 in een Engelse zeepfabriek geconstateerd werd bij zeepinpaksters, de zg. "zeepinpaksters-horlepiep". Meisjes, die maandenlang niets anders doen dan elke minuut drie pakken zeep inpakken, gaan, buiten controle van de wil, rythmisch handen en voeten bewegen, terwijl het gehele lichaam heftig schokt. Het schijnt ongevaarlijk te zijn. Sommigen vinden de ziekte prettig. "Het is net de Jitterbug ('n wilde moderne dans)", zeggen zij. Anderen menen, dat zij op deze wijze veel vlugger werken. "Je kunt niet ophouden, als het je eenmaal te pakken heeft." (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Cees Robben Hij daanste gewillig/ Den dd tegemoet... (19541211) [De prent steunt een actie om het aantal verkeersslachtoffers in Tilburg terug te dringen.]

Daor wier gedaanse op straot. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as de vs oud wrdt, daanse de kiepen p zene rug (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - een oud mens verliest energie en gezag

Interview met de heer De Kok (1978) Dinsdag dan hbbe we hier karneval. Daor geef ik niks om. Daor geef ik niks om. Ik kan niemer daanse! KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

daanser

zelfstandig naamwoord

danser

WBD daanser (II:1069.) - danser: grote trede v.d. jacquardmachine

 

daanszaol

zelfstandig naamwoord

danszaal

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Toen was er bij Knibbelaor in de Koejstraot ok en daanszaol aachteraon n as ik de kaans kreg dan liep ik ts wg n dan was ik daor netuurlek, kos ons moeder mn daor vne netuurlek, d kunde wl begrpe (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

daaps

bijvoeglijk naamwoord/bijwoord

Henk van Rijen: zot, niet goed wijs, futloos, suf

Henk van Rijen: 'Daor wr de daaps van - Daar word je zot van.'

 

daas

zelfstandig naamwoord

das (kledingstuk.), insect

oewen daas - je sjaal

WBD III.1.3:144 'stropdas' = stropdas

WBD III.1.3:147 'winterdas' = dikke wollen das

WBD III.1.3:147 'das' idem

WBD III.4.2:28 'daas' = idem (ook: 'blinddaas')

A.P. de Bont: daas II zelfstandig naamwoord. m. das: 1) halsdoek, 2) (stroperst.) schertsende benaming voor 'strik'; 3) proces-verbaal

 

daasspang

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:146 'dasspang' = dasspeld

 

daaw

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:154 'dauw' = stijf steenvruchtensap, ook:'most', 'snot'

A.P. de Bont: daauw zelfstandig naamwoord.m. - dauw

 

daawe

werkwoord, zwak

Henk van Rijen: duwen

Henk van Rijen: 'Ze riepe "durlope" n-k kreg unnen daaw.'

Henk van Rijen: 'Daaw ut mar du de deur deur!'

Frans Verbunt: as et goed daawt, hoeft et niemir te rgene

D. Boutkan: (blz. 24) daawe

 

daawtrappe

werkwoord, zwak

dauwtrappen = op (bij voorkeur de eerste) zondag in de meimaand in alle vroegte ter voetbedevaart gaan naar het Mariabeeld in de Sint Jan in Den Bosch, of naar bedevaartoorden in de omgeving. Daarbij ging de harmonie vaak voorop.

Frans Verbunt - dauwtrappen, mei-uitstapje in de vroege morgen

Lechim - Want daawtrappe is vur onze Paa/ et schonste fist vant jaor. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daawtrappe)

Cees Robben   Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... Mar t is kepot...../ dauwtrappen is vort van de baon....../ d hee jandoome afgedaon! (19540508) Deze prent werd gemaakt naar aanleiding van een hernieuwing (handhaving) van het oeroude verbod op katholiek getinte manifestaties op de openbare weg, meestal het processieverbodgenoemd.

Daauw-trappe

Den daauw lag as purpere prels
Te fonkele over de waai;
In 't hout sloege vinke en mrels
En de leeuwerik schoot ut de haai.

De koeie die kwame gelope
Njschierig as koeje zn;
Mar ut vreke docht: laon we hope
Desse gaauw opgetrommeld zn!

In Osterwk ginge ze kerke:
Ds punt een van de dauwtrapperij.
Daornao waar den dorst gaauw te merke
En wier ut un gaauw-tapperij.

Want ut bier smakt zo goed in de mrge
Nao un brojke meej zoute worst;
En ge kunt van oew ge nie verge
Degge thuis komt meej honger en dorst.

Opgewekt, mar w slap in de kuite
Kwame ze 's middegs wir trug:
De meziek ging zun buukske te buite
En de daauw liep dun langs durre rug.
(Jodocus J. Stroucken Toemet-hooi 1995)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 --  Mar j, dan stonne de meense aatij hil vruug op n dan ginge zeden ene ging meej de fiets n, jAsser toen fietse waare mar zoveul waaren er toen die td ng nie n dan ginge ze, den ene ging meej de fiets mar ge had er enen hop die te voet nr Den Bosch ginge n te voet trug (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Jan Naaijkens -- In de nacht van 30 april en 1 mei "spien 't" (spande het) in het dorp. Meiskes sliepen op n oor, vol verwachting of er 's anderendaags hen hulde werd gebracht met een mastetak (dat is: goed en schoon) een kersentak (hier wordt aan geplukt), of een doorntak (pas op: ze is stekelig) of misschien wel een rotte koolstronk, dat was "grote schand", want zo'n meisje deugde van geen kanten.
De jongemannen sleepten in het holst van de nacht alles wat binnen hoorde te zijn maar buiten was blijven staan door de straten van het dorp en stapelden het op tot een gigantische piramide op het Mrtveld. Daar kwamen sloten bier bij te pas. Er werd een hels kabaal gemaakt en ongepermitteerde deugnieterijen leverden de veldwachters, geassisteerd door de "rijks" Tegelaars en de "massesees" (marchaussees) veel nachtelijke uren overwerk op.
De eerste zondag van mei werd de lentelucht vol muziek geblazen. Harmonien en fanfares uit de omliggende dorpen veroverden met trommels en trompetten het dorp en bezetten de cafs waar ze zich bezatten, want "dauwtrappen" is vanouds een dorstverwekkende onderneming geweest. (Het dorp van onze jeugd 1995)
 

daawtrappe op CuBra - alles over naar Den Bosch lopen op zondagen in mei

 

dabbe

werkwoord, zwak

knoeien, morsen

dabbe - dabde - gedabd

N. Daamen - Handschrift 1916 -- dabbe - morsen

Nog nu kan 'k me niet voorstellen, dat die man, toen hij nog "zonnen dabber waar", ooit Adriaantje of Josje genoemd zou zijn. Dat bestt nie! En dabben kon ie. Dat geknoei in en om z'n duivenkooi zie 'k nog aan. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

Van Beek - dabben is morsen  (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

Cees Robben Naa kunde op oe slabbeke dabbe, vergimmese dabklt... (19870529)

Ziezo. Naa kunde op oe slabbeke dabbe, zeevereer !!! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1985)

Dan mkte we in et midde vant brd in de boerekol en kltje om de sjuu in te doen. n dan mar britse, meneer. Lkker! n dabbe, n prakke. Gin gepielie. Spaoje! (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Pierre van Beek: ook gezegd van een paard dat stilstaand met een hoef de grond omwoelt

Hees dabbere (I:34)

Cornelis Verhoeven:  DABBEN l. ov.ww, met de voeten aanstampen; 2. zich moeizaam voortbewegen over een slechte, modderige weg; ook wel: opzettelijk door het slijk lopen; 3) onov.ww, knoeien, morsen, bv. met pap. Z.a.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dabbe - graven, knoeien

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DABBEN - al stampende met de voorpooten de aarde uitgraven, sprekend van paarden; gaan met eenen bijzin v. moeite of onbehendigheid.

A.P. de Bont: dabbe(n) zw.ww. intr.+ tr. 1) met de voorpoten al harkende graven; 2)wroeten, krabben

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DAPPEN zeggen de bouwlieden om Breda niet alleen voor het maken van eenen kuil door de paarden, maar ook voor het maken van denzelven met mensehenhanden. Z.a.

Goem. DABBEREN - dabere, wkw (daberde, gedabert) - met de handen of de voeten in water of slijk morsen; door water of slijk gaan zonder acht te slaan op schoenen of kleederen.

WBD III.2.3:9 dabbe = morsen (niet vermeld)

WBD III.4.4:217 'dabben' = nat maken, ook: 'pletsen'

WBD III.4.2:68 'dabben' - graven v.e. pijp (konijnenhol), ook 'buten' genoemd

WBD III.3.1:209 'verdabben', 'verkwisten, opmaken, vergooien, verbrassen' = verkwisten

WBD III.1.2:73 'dabben' = een kuil graven

WBD III.1.2:74 'dabben' = wroeten

WBD III.1.2:96 'dabben' = morsen; ook: 'zeveren, kliederen, muikelen'

WBD III.1.2:97 'dabben' = plassen met water; ook 'poelin'

 

dabberd

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: knoeier

Frans Verbunt: dabber, dabbert, dabklot - knoeier

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

dabbere

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:162 'dabberen' = met schoeisel door water lopen

 

Sticker van een carnavalsvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

dabklot

zelfstandig naamwoord

knoeierd

Cees Robben: zit nie zo te knlle, dabklot

Stadsnieuws: w zde tch enen dabklot; ge kunt ok not es niks zver haawe(20080l)

Cees Robben Cees Robben Zit toch nie z te knelle, dabklt... (19841130)

Cees Robben Naa kunde op oe slabbeke dabbe, vergimmese dabklt... (19870529)

►dabbe

 

dabklutje

zelfstandig naamwoord

uit dabbe = morsen & klutje = klootje = klein klind

Cees Robben Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

►dabbe

 

dag

zelfstandig naamwoord

dag

meervoud = daog(e)

virtien daog

alle daog

dag en naacht - zeer veel

uitdrukking: een mens van de dag zijn; oud zijn

Cees Robben We zen er vort van unne dag en unne vurmiddag... (19671110)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'we eeten alle daoge spk', zi den boer, 'n vrddags spk meej sple'

(Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) (spk meej sple = vis)

A.P. de Bont: dag zelfstandig naamwoord.m. - dag; mv. 'daog'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DAG zelfstandig naamwoord.m. - dag: spr. den ou(d)en dag - de ouderdom met zijn kwalen.

► daogen

 

dagvaardiging

zelfstandig naamwoord

dagvaarding

WBD III.3.1:357 'dagvaardiging' = dagvaarding

 

dak

zelfstandig naamwoord

dak

D. Boutkan: meervoud = daoke (36)

 

dakhaos
zelfstandig naamwoord
dakhaas; schertsbenaming voor een kat
WBD III,2,1 lemma KAT - dakhaas: zeldzaam in Tilburg en Kempenland; ook in Hoogerheide, Roosendaal, Breda, Gilze en Oss.
WTT 2013 In Tilburg werd dakhaas ook meestal schertsend gebruikt om aan te geven dat het verschil tussen een gevild konijn en een gevilde kat nauwelijks waar te nemen is. Ook de smaak zegt men is dezelfde. Vooral rond de feestdagen in december moest er gewaakt worden tegen malafide handelaren / stropers / kattenmeppers die dakhazen verkochten als zijnde konijnen. Men zegt dat dat de reden is waarom poeliers de sokken van het konijn niet verwijderen; alleen daarmee is het verschil met een kat aantoonbaar. Cees Robben: Schoon hij [de kater Kaerel] slechts vulgair gemept wier../ In het West-End... zijn domein.../ Lag hij later... kloek en nobel/ op de feestdis... as kenijn... (19560107)
De Bont Dialect van Kempenland IV Bestiarium - Onder kat hebben we aangegeven dat met balkhaas een kat bedoeld wordt. Men kan dit woord vergelijken met beunhaas, dat oorspronkelijk 'zolderhaas' dan wel 'kat' betekent: Franck van Wijck s.v. beunhaas. (2005)
Cor Hoppenbrouwers - Taal van Kempenland - ballekhaos m. Liejp daor gnnen haos? J, mr 't was n'n ballekhaos. De 'kat', die elders wel eens 'dakhaas' wordt genoemd, heet hier n'n ballekhaos.
 

dakschter

zelfstandig naamwoord

dakschijter, een duif

Dieje gruunteboer waar enne hille dikke vent. Hij waar veural bekend om zen dve. Hij is hl dikkels kampioen gewist op de lange afstand meej die dakschters. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

dal

zelfstandig naamwoord

dal

Dialectenqute 1876 - heuvels en doale

 

dallaas

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: ongemak

hij is ermeej gedallaast - hij zit met de rompslomp

Bosch dalles - moeilijkheden, armoede

WNT DALLES - uit jidd. 'dalles' = armoede < hebr. 'dalloet' = armoede

 

dam

zelfstandig naamwoord

erf bij het huis

WBD III.4.4:187 'dam' = krib

Cornelis Verhoeven:  DAM - erf bij het huis, in bet. ongeveer gelijk met 'missem' en 'werf' maar iets eigendommelijker en meer afwerend gebruikt: iemand van den dam af schuppe.

WNT DAM - 5) erf (oorspr. door een wal omgeven stuk grond?)

 

dan derbij

bijwoord

R bovendien, daarenboven

n dan derbij issie ng gin virtien - en bovendien is hij nog geen 14

Kees en Bart: n dan derbij . . .

 

dancher

samentrekking van dan je er

spellingsvariant alleen aangetroffen in:

SJAREL. Sjuust, ik zie wel dechche nie zo lomp bent dancher uit ziet. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

 

danneete

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek: brandnetel

Henk van Rijen: hennepnetel (Galeopsis Tetrahit)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - en verstaandege kiep leej ng wl es en aaj in de danneetels ('72)

WBD III.4.3:329 danneetel - brandnetel, ook 'prikkel' of neetel genoemd.

WBD III.4.3:327 dannetel - hennepnetel (galeopsis tetrahit)

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord.vr. 'dannetel' hennepnetel; mv. 'danneitele(n)'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DANNETEL zelfstandig naamwoord.m. - soort v. onkruid (Galeopsis tetrahit); ook damnetel

 

dannie

samentrekking

dan niet

Cees Robben Dus naa-nie of dannie of nt nie... (19640710)

 

daod

zelfstandig naamwoord

daad

WBD III.1.4: 'daad' = handeling

 

daog

zelstandig naamwoord, meervoud van 'dag' maar als zodanig verouderd en tegenwoordig (2012) 'daoge'

 

daoge

werkwoord, zwak & zelfstandig naamwoord meervoud van 'dag'

dagen

1. werkwoord, zwak

dagen

daoge - daogde - gedaogd - geen vocaalkrimping

2. zelfstandig naamwoord meervoud - dagen - vroeger ook 'daog'

- alle daog [alle dagen, elke dag; altijd]

- virtien daog [veertiend agen; twee weken]

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'we eeten alle daoge spk', zi den boer, 'n vrddags spk meej sple' (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) (= vis)

Cees Robben Nao al t zuut der vurrige daogen/ t zilte naa op oewen dis..... (19540306)

Cees Robben Zeuve daoge toepertoe.... [namelijk op de kermis] (19540814)

Cees Robben Meej vrije daogen en kaoj weer dan rket bij ons thuis... (19650507)

Cees Robben [Een landbouwer spreekt:] Drie daoge luiplocht... (19711015)

Cees Robben t Was alle daoge vruug koesjee (19670428)

Cees Robben Zeuve daoge banjerheer....!!/ Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe... (19540814)

Cees Robben Virtien daoge op sjanternel.. Ons Tonia maokt daor himmel ginne gatslag van... (19861124) [maakt daar geen probleem van]

Cees Robben Over twee daog is t prd kepot... (19730316)

Cees Robben Dertig daog (19780609)

D. Boutkan: alle daog(e) - elke dag ; virtien daog - veertien dagen

-- al zen daoge - beslist, vast en zeker: Ik gelf et al zen daoge.

Dialectenqute 1876 - in zeuve doage

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tis vort daoge tllen n de touwe ls (JM'50) - Ontboezeming van iemand die het niet lang meer zal maken.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - en Tilburgs prtje duurt mar drie daoge (SV'75) - Roddelpraat duurt niet lang

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- daog - dagen

 

daogeleks

bijwoord., bijvoeglijk naamwoord

dagelijks

Kees en Bart: daogeliks

 

daogs

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

daags

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dgs n de mrt koome, nt as Jan meej zen kieviete (= draagmars) ('70) - te laat komen

► dgs

 

daole

werkwoord, zwak

dalen

- daole - dlde - gedld

Boutkan: daole - daolde - gedaold

- in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping gij/hij dlt

 

daor, dr

bijwoord

daar

Op die plaats

Cees Robben En w vond ie daor..? / Alles vur m kaant en klaor. (19540213)

Cees Robben Wrrom zum daor hn neergezet (19590912)

Cees Robben Die worren daor bewaord. (19600826)

Cees Robben Hier lotte w, en daor vnde w... (19870123)

Cees Robben krek passeerde daor n medje... (19660401)

Cees Robben Hier n douwke... Daor n klepke (19580726)

Cees Robben Daor zaate twee dfkes/ hil dicht bij mekaar... (19590822)

Cees Robben Daor zwemmen gin vissen en paolingen (19540515)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 d bumke zal daor moejlek kunne groeje

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 drrefde gij daor p te douwe?

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 daor hbbe ze en stuk van de brug gevaore

Henk van Rijen: van hierte tt daorte - van hier tot daar

D. Boutkan: 'daorlangs' (zonder vocaalkrimping) (zin 87, blz.99)

Toen

Cees Robben Daor wieren zn ptjes z muug as van ld. (19551119)

Daarginds

Cees Robben Daor gao Sooike mee zn vrouw.. (19800229)

Cees Robben Dieje aauwe Sjassee daor (19840302)

Cees Robben Daor is Jantje Kapoen en Mie Tuureluut (19600102)

Uitdrukking die gelatenheid uitdrukt

Cees Robben Daor staon we dan... (19730519)

In plaats van 'waar'

- op d gebied komt er iets te zien daor niemand rg in hee; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- Mar wl stukskes over sjieke restaurants daor ge veur hil veul geld kunt gn frte. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

daortunne

bijwoord

daar, daartoe, tot daar

Cees Robben Van hiertunne toe daortunne... (19640814)

 

daotum

zelfstandig naamwoord

datum

Kees en Bart: daotum, daotums

Frans Verbunt: td is gld, zi den oober, n hij tlde den daotum bij de reekening

Frans Verbunt: de mlk is nie zuur, mar wl oover den daotum

 

daoverjaanus

zelfstandig naamwoord

bevende man

N. Daamen - handschrift 1916 - "doaverjanus - een bevende man"

 

daoze

werkwoord, zwak

dazen, kletsen, zwammen

Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ D paast nie in deez dure tijen! (19541127)

 

darde

telwoord

derde

Pierre van Beek: darde - derde (naast 'driede')

WNT DERDE, darde

 

darteg, dartig

telwoord

dertig

...d ze vruger mee d'r dartig jaor pas begosse te vrije! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

...hij is nog mar 'n goeie dartig jaor oud, schat ik (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

Cees Robben Vier en dartig jonge snuiters... (19591017)
Cees Robben Dartig weken (19600923)
Cees Robben vf en dartig jaor bij de Reiniging (19720310)

B dartig

A.P. de Bont: telw. 'dartig', dertig

WNT DERTIG - dartig

 

dartien

telwoord

dertien

Kees en Bart: den dartiende

Cees Robben Ik geef dartien stuiver... (19650709)

Henk van Rijen: twaolf aajer n dartien kkes - een buitenkansje of meevaller

Wil Sterenborg - den dartiende flt - gezegde bij het kaarten, als er slechts twaalf troefkaarten 'uitgehaald' worden

B dartien

A.P. de Bont: dartien telw. dertien

WNT DERTIEN, dartien

 

daunloode

werkwoord,zwak

downloaden; van digitale bestanden

- n naa heej ze dus k vort ene kompjoeter. Kan ze mar surrefe. n daunloode al dsse geleerd heej.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- n netuurlek op zene td 'n netuurfilm kke n ielegaale ceedees daunloode. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

de

lidwoord

de

Komt voor in combinatie met aanw.vn.: de dees, de die

-- Ziede de dees liever as de die?

D. Boutkan: (blz.43) t te diepte; hij graoft te kl -- Het lidwoord wijkt af van de normale assimilatieregels (blz. 61) In het m + vr. enk. kunnen de demonstrativa vergezeld worden van het lidw. als ze zelfst. gebruikt worden: den deeze, de dees; den dieje, de die.

Nieuwe Taalgids (1917) XI:51,100,188 (v.d. Ven) 'de(n)' vor eigennamen: den Harrie e.d.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DE, lidw. Wordt te Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  vr eigennamen v. mannelijke personen geplaatst. Ook voor namen van dagen als ze enkel voorkomen: Hij gaat de Maandag.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DE. Dit lidwoord wordt hier veel in het spraakgebruik vr 'die, deze' en diergelijke woorden gezet. ... De ouden zeiden zelfs 'de eenigen, de sommigen' enz. Z.a.

Cornelis Verhoeven:  DE lw, ook gebruikt om de aanw. vnw. 'deze' en 'die' (niet: dat) te substantiveren: de dees - deze hier, den dieje (die daar).

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- DE lidw.; soms voorafgaand aan aanw.vd: de dees

 

d, dt

betrekkelijk voornaamwoord, voegwoord, aanwijzend voornaamwoord

dat

D. Boutkan: (blz.20) d

De vw's as en f worden vaak gevolgd door 'd': as d, f d.

Ik wies nie d d d betekende. - Ik wist niet dat dat dat betekende.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --  d bumke zal daor moejlek kunne groeje

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --  de md zi dttie gelk ha

B dk, dgge, d-ie, dttie, dsse, dt (dat het)

Kees en Bart: ... wrm d wij ...

Cees Robben ...zeure, dan om dees of d... (19661021)

Cees Robben ...d witte war.... (19540417)

Henk van Rijen: ds zo waor as de Lonse tram tuut - dat is beslist waar

Cornelis Verhoeven:  DAT, vw en vn; altijd uitgesproken als 'd', soms als 'dtte'. Z.a.

Dialectenqute 1876 - g daacht d 'k d nie wiest

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DA (korte a)= uitspr. van 'dat' aan einde v.e. zin of vr een woord dat niet met h of een klinker begint.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DAT neemt in deze streken dikwerf op het einde de letter aan, waarmede het volgende woord begint, zoodat het daarmede n woord schijnt uit te maken. B.v. Dagge, damme (dat men). Zie wijders 'dagge'.

Weijnen, Dialectaltlas: d, geen 'da' (blz.12)

 

d nie d

uitroep, stopwoord

- helemaal niet, in tegendeel

Ik zeg nie detter in Wagner niks in zit, d nie d...  (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; NTC 29-10-1938)

Cees Robben: ...d nie d

Cees Robben: Naa schrk ik nie, o n d nie? ds goed; n, d nie d

 

d nukt nie

uitdrukking

dat maakt niks uit

Cees Robben n Pond zaod vur mn vink... Wit of zwart, menneke... D-nukt-nie.. Zis blend... (19721222)

 

d wl d

uitroep, stopwoord

- inderdaad

Cees Robben llieje Sjennie is n nch hundje... D-wel.. Hij is vernoemt flnich.. (19600122)

Cees Robben Mar den grtsten braand is er wel aaf... d-wel-d... (19690815) [Op onze leeftijd doen we het seksueel wat rustiger aan]

Cees Robben Naase dd.. t is sunt d-wel-d (19700220)

Cees Robben Jllie moeder is wir oppenuut getrouwd, war... d-wel... (19800222)

Cees Robben Pierre Claessens die groet u/ D-wel-d... d doet ie (19820917) [Prent ter gelegenheid van het afscheid van Pierre laessens als chef van de redactie van het Nieuwsblad van het Zuiden.]

De Wijs -- d kan na daorom toch wel zn, k wel, d wel, d (10-03-1967)

 

-d

voornaamwoord

-dat: als tweede lid van voegwoorden:

met een voorzetsel: vurd, nd , durd, zod, umd

met een voegwoord: asd, ird

met een bijwoord: toed, meed, swlsd

 

dddele, dddere

werkwoord, zwak

knoeien

Henk van Rijen: dddere = sudderen

Henk van Rijen: Vur mn meuge ze nt zolang dddere tt er rome van komt - Wat mij betreft mogen ze wachten tot ze een ons wegen

WBD III.4.4:09 'dedder' = dril, ook 'druddel'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - DEDDER zelfstandig naamwoord.m. - dun slijk, modder. DEBBEREN

Bosch dddel - geknoei; dddele knoeien in slijk en modder trappelen

 

dddist

samentrekking

dat is het, zo is het

Cees Robben Ut is n heel schn knd.. D-dist... (19580705)

 

dee, di

werkwoord, persoonsvorm.

deed (verleden tijd van doen)

D. Boutkan: (blz.76) ik/hij dee/di, gij deed/dit, wij/zij deeje/din, gullie deed/dit

 

deg

zelfstandig naamwoord

deeg (om te bakken)

WBD degmesjien - mengmachine voor deeg

WBD degtrg - baktrog (kuip voor eerste bewerking van deeg)

WBD degkrst - krabsel (deeg dat zich aan de zijkanten en op de bodem van de trog heeft vastgezet)

WBD zuurdeg, zoerdeg - zuurdeeg (door gisting verzuurd deeg)

WBD verrkten deg - te lang gerezen deeg

WBD keptten deg - ongeschikt deeg (dat niet wil rijzen)

WBD schraolen deg - uitgedroogd deeg (gezegd van slecht deeg)

WBD beschtdeg - beschuitdeeg

WBD III.2.3:225 'deeg' = pannekoekendeeg, ook 'beslag'

 

degkorst

zelfstandig naamwoord

WBD krabsel (deeg dat zich aan de zijkanten en op de bodem van de trog heeft vastgezet

 

degmesjien

zelfstandig naamwoord

WBD mengmachine voor deeg

Henk van Rijen: kneedtrog

 

deej

persoonsvorm van doen (verleden tijd)

deed

- verleden tijd van doen, naast 'di'

► doen

 

dk, dkske

zelfstandig naamwoord

dijk

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tusse dn n dk ('76) - tussen duin en dijk; tussen neus en lippen;

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gin laand oover den dk kunne kope (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - arm zijn (over de dijk = vruchtbare kleigrond over de Maas, in de polder)

WBD III.3.1:396 'dijk' = heerbaan (grote, brede weg); ook 'baan' genoemd

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- Dk - dijk; niet alleen voor waterkeringen, ook voor enigszins verhoogde wegen

 

deekatieseere

werkwoord, zwak

decatiseren -- textielterm

- het laken zo bewerken dat er een glans op blijft

WBD deekatieseere (II:1056) - decatiseren; ook 'deekazeere'

 

deeke

zelfstandig naamwoord

deken

meervoud is deekes

Audioregistratie 1978 -- Mar wanneer d gij, war, de Hllanse schaope ht, die groove, daor wier eigelek gin tkstiel goed van gemkt as heerestf n daamesstf mar daor wier ok deekes van gemkt, die waare grf! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

 

del

zelfstandig naamwoord

deel, part

dorsvloer

WvM 'de d van de dullekes by os op den deel'

De Wijs -- Ze wil dr dl hebbe mar ik z nie mesjokke waant ze hee al unne slodder gekregen (17-08-1964)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
'dl'- deel, dorsvloer

Bosch een heel deel = een heleboel

Etymologie:
Got. dails, D. Teil, N. deel, T. del

 

Theodoor Rombouts - Kaartspelers - 17e eeuw

 

dele

werkwoord, zwak

delen

MP gez. Ieder et zne n de kaoj ervan dele.

WBD III.3.1:187 'delen' = schikken (bij een erfenis)

WBD III.3.2:172 'delen' = kaarten ronddelen, ook 'geven', 'afgeven'

B dele - dilde - gedild

- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij dilt

 

den of daander

het een of het andere; een of ander

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Nt as toen die lui, nt as die van, van Kessels. Ge had aaltij hier of daor meense die mkten en monieka f den f daander instruumnt n zo. En d zn ok wl pltse dsse zon kln konsrtje b mekaare kosse krge, zak zegge, meej en paor man. Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

drf

bijvoeglijk naamwoord

vDale derf = ongaar of klef (van brood)

WBD III.2.3:203 'derf' - bederf in het brood, ook 'bederf', 'schimmel', 'rek'

WBD III.2.3:204 'derf' = niet doorbakken brood, ook 'klef', 'klei'

 

drm

zelfstandig naamwoord

darm

MP gez. Liever in den drm dan p den rm. (Liever voedsel dan opschik.)

Dialectenqute 1876 - drm (lange )

D. Boutkan: het verkleinwoord = dremke (blz. 16, 51) meervoud: dreme

WBD III.1.1:200 'darmen' = ingewanden

Goem. DARM - zelfstandig naamwoord.m. Van menschen of dieren; 't woord is zeer plat.

pijp, tuinslang

WBD III.3.1:335 'darm' = brandslang, ook genoemd: 'brandspuit of ader'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - DARM, DERM (uitspr. darrem) - lange dunne pijp of buis van leder of lood: de dermen van 'en brandspuit.

WNT DARM, derm - 4) Bij vergelijking, in Z-Ndl.: lange, dunne, buigzame buis of slang.

 

drme

zelfstandig naamwoord, meervoud van drm

darmen, ingewanden

WBD III.1.1. lemma ingewanden frequent noordelijk Tilburg

 

dees, deeze

aanwijzend voornaamwoord

deze; dit

dees knd, d knd; dees knder; dees tffel

dees straot, dees strtje

deeze waoge, deezen dag

Den eene zom dees en den aander zom d, mar 't za naa niemir noodig zn. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Cees Robben ...zeure, dan om dees of d... (19661021)

Cees Robben Ik z dees jaor feftig jaor stikkedoor (19810130)

Cees Robben Zn dees aaier vors, baos..? (19740419)

Cees Robben Bij dees heerlijk jubileum heurt gatsamme n Te Deum (197906)

Cees Robben En naa mee dees schuupke spaoide n spit diep n enkelt gat... (19780210)

Cees Robben Dees buske blommen/ Is vur jou... (19600506)

Cees Robben Mee dees [mooi] weer laot ik munne borstrok en boezeroen mar is uit (19760612)

 

T-shirt met reclame voor de Kringloopwinkel Tilburg (2018)

 

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 ... ziede nie veul langs dees kaante - ... ziet men hier niet veel

GG deeze kaant - bezuiden de spoorlijn

WNT DEZE, dees

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEDEZE vrnw. m. dendeze(n), v. en mrv. dedees, o. (he)tdees - deze

Fr. celui-ci. Dendezen is mijn bruur.

v Helten 'Vondels taal' 120 - DEZE apocopeert meermalen zijn suffix, vanwaar DEES passim als nom.s.m., nom.acc.dat.s.fem., nom.acc.dat.plur.; zelfs een acc.s.masc. dees veroorlooft V. zich te bezigen.

Boekenoogen 'De Zaansche volkstaal' zie Par. 153.

Bosch dees - deze; de die of de dees?

- diejen brommer doeget nie, vat den deeze mar; die pen doeget nie, vat de dees mar d potlood doeget nie, vat dees mar (geen lidw. in 't onz.)

 

deestij

Bijwoord

Samentrekking van deze + tijd.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): De s deestij s jaors toch geenen stiel van doen - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: op dit getijde van 't jaar.

 

deeting

zelfstandig naamwoord

dating; afspraken maken op het internet

- Ik doe veul kke nr deeting. Wittenie? Dgge dus kunt aafspreeke meej 'n vrouwke. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

deezjeneeke

zelfstandig naamwoord

ontbijtstel; uit Frans: un djeuner; deezjenee met verkleining

WTT 2012 - niet als zodanig opgetekend maar zie: ►desineetje

 

dgge

samentrekking

dat gij, dat jij

GG ge dnkt dgget kunt, mar ge mkt niks klaor

Cees Robben Wegge ruurt/ Degge meevuurt [Wat je aanraakt, dat moet je nemen] (19640313)

Cees Robben - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kpe..? (19640424)

Cees Robben Ik docht degge hier nie waart... (19720911)

 

dggem

samentrekking

dat je hem

Cees Robben As ge meej oewen remoei ginne raod wit... Dan zde nie werd deggem het... (19840420)

 

dgger

samentrekking

dat je er

Cees Robben Het mar ginne bange degger tussen uit nept, Jaon... (19720519)

 

dgget

samentrekking

dat je het

Cees Robben ge ziet mar degget stelt... (19700116)

Cees Robben t Is goed degget zegt (19880129)

 

dggetwit

samentrekking

dat je het weet

Dggetwit. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

dggis

samentrekking

dat je eens

Cees Robben - ...deggis veraandert.. (19600701)

 

dk

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) paardedeken (tegen de regen of als het paard zweet)

 

dk

samentrekking

dat ik

Cees Robben Hij zeej ddgemoedereerd dek unne interessaante meens z... (19591107)

Cees Robben Ge denkt zeker dek den hemel vur unne doedelzak aon zie.. (19650402)

Cees Robben En dek nie gemak afschiet... (19591107)

Cees Robben En toen viel ik op mn batterij, meneer dokter, en../ En naa denk dek munne/  startschroef heb begerbeleurd. (19700313)

 

dkke

werkwoord, zwak

dekken

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Veul moete dkken n schte (Kn'50) - In stilte veel hulp verlenen

WBD III.4.2:25 'dekken', ook: 'bespringen', 'rijden'

 

dkker

zelfstandig naamwoord

(dak)dekker

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tis z ast valt, zi den dkker (D'16) - Dit is een uiting van berusting of fatalisme.

 

dkker

samentrekking

dat ik er

SJAREL. Diejen admiraol kan zegge wettie wil, mar 't za lang dure eer dekker iets van gleuf. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

Cees Robben Ge ziet toch dekker z... (19720911)

 

dkketoe

samentrekking

dat ik het jou

Cees Robben t Spet me dekketoe moet zegge... (19591003)

 

dkkoe

samentrekking

dat ik je

Cees Robben Des lang geleeje dekkoe gezien heb... (19810116)

 

dksel

zelfstandig naamwoord

datgene wat in een bed boven op de slaper ligt

WBD (III.3.2:333) dksels = bekkens (muziekinstr.)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - DEKSEL zelfstandig naamwoord.o. - het deksel van een bed - al wat tot dekking van den slaper dient: lakens, dekens, spreien

 

dkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

dekje, dakje

WBD onderzadel (vilten of kussenachtig geheel dat onder het paardezadel ligt) (Hasselts woord)

 

dl

zelfstandig naamwoord

viezerik

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "del - ge bent 'ne viezen del (vuile man, jongen)

WBD III.2.2:113 'del' = zedelijk slecht meisje

WBD III.4.4:145 'del' = dal

Hees flauwen dl (VII:21); 'Luilebol' blz. 38: meisje ... (< bedillen)

WNT DEL (II) - slonzige vrouw, slons, sloerie, slet

MNW DELLE <DILLE - babbelaarster, klappei, ook meisje in het alg.

Kiliaen - DILLE, dilleken - klappeye

 

dlk

voornaamwoord

alleen als reactie op de vraag 'wlk?'

R Als correctie op het niet met-twee-woorden-spreken luidt soms het vraagwoord 'welk?' (= Wat?): 'dlk!'

 

deluuvie

zelfstandig naamwoord

- van een oudere generatie, iets dat of iemand die ouderwets of verouderd is

WTT 2012 - de verbastering van 'diluvium' in de betekenis 'zondvloed'. Vandaar dat Verbunt en Mandos (hieronder) deluuvie verklaren vanuit het Franse 'dluge' (zondvloed). In het Tilburgs lijkt het woord echter vooral als metafoor gebruikt om 'de oude stempel' of 'gehecht aan oude gewoonten' aan te duiden. Opmerkelijk is dat 'deluuvie' in het Tilburgs niet onzijdig is maar mannelijk.

Frans Verbunt:: zondvloed (Fr. dluge)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dsser ng en(e) van d'aaw deluuvie ('69) - Dat is er nog een van het oude diluvium. Variant: ik haaw mengen n d'aaw luuvie = aan de oude gewoonte, (het vermoede lidwoord is vervallen)

► aawluuvie

 

demastmesjien

zelfstandig naamwoord

damastmachine

WBD 'demastmesien' (II:1038) - damastmachine

 

dmpeg

zelfstandig naamwoord

kortademig, aamborstig

Cees Robben k Waar n weltje trug z dempig/ kort van ossum... (19590307)

WBD dmpeg - kortademig (bij paarden)

Stadsnieuws: 'As ge veul in de stobber moet wreke, dan wrde op den duur dmpeg.' (101007) - Als je vaak in een stoffige omgeving moet werken, dan word je op de duur kortademig.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dmpig - kortademig

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEMPIG (kemp. ook dampeg) - kortademig, kortborstig

Goem. DEMPIG - dmpeX, bijvoeglijk naamwoord/bijwoord - Dampig in den zin van aamhechtig; opgezwollen van het veel eten. Gezegd van paarden en menschen.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DEMPIG voor 'dampig', doch alleen wanneer van een aamborstig paard gesproken wordt.

Cornelis Verhoeven:  DAMPIG (dmpig) bijvoeglijk naamwoord (van paarden en mensen gezegd) aamborstig, kortademig

A.P. de Bont: bijvoeglijk naamwoord - dempig, kortademig, aamborstig (v. paarden en mensen)

WNT DEMPIG - aamborstig, kortademig

 

den

lidwoord

de (lidwoord, ook in nominatief)

Henk van Rijen: 'As d lukt, dan kalleft den os.' - Als dat lukt, is het een wonder.

 

Den Bos

zelfstandig naamwoord

Den Bosch, 's-Hertogenbosch

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - In Den Bs p de wal schte maag k nie, n d doen ze k wl ('50)

- Reactie van iemand die op zijn vingers getikt wordt.

 

den dieje

betrekkelijk voornaamwoord

een bepaald iemand die eerder genoemd is

Cees Robben Om meej dn dieje te kunne akkerderen (...) moette schaopebloed hebbe... (19641106)

 

den onzen

zelfstandig naamwoord

echtgenoot; dus gezegd door een vrouw [een man zou over zijn echtgenote zeggen: 'die van ons']

Cees Robben Ik en dn onzen (19641106)

Cees Robben Wek van den onzen krg.. (19650416)

► die van mn

 

denaop

samentrekking

de aap

Cees Robben [Onderwijzer tegen leerlinge:] Maaike.. noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister... (19861121)

 

deneezel

samentrekking

de ezel

Cees Robben [Onderwijzer tegen leerlinge:] Maaike.. noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister... (19861121)

 

denl

samentrekking

de uil

Cees Robben [Onderwijzer tegen leerlinge:] Maaike.. noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister... (19861121)

 

dngbaor

zelfstandig naamwoord

denkbaar

D. Boutkan: dengbaor (blz.28)

 

 

Houten beeld van Dionysius uit de zeventiende eeuw; uit bezit van Kolveniersgilde Sint-Dionysius

Denies (Sint)

eigennaam

de heilige Dionysius (van Parijs)

WTT 2012 - De naam Denies (de s wordt al dan niet uitgesproken) is de Nederlandse variant van het Franse Saint Denis (de s wordt niet uitgesproken). In Vlaanderen en Nederland werd de heilige ook wel Denijs genoemd. Sint Dionysius is de stadspatroon van Goirle en Tilburg, maar ook patroonheilige van de parochies Heike, Goirke, en Korvel. De R.K. Werkliedenvereniging (1896-1921) werd naar hem vernoemd, evenals het Kolveniersgilde dat in 1665 werd opgericht. Uiteraard heeft hij ook een straatnaam.

 

Dionysius in het portaal van de kerk van het Heike (links) en in het 'Norbertijnenpoortje' bij de kerk van het Goirke. Foto's WTT.

 

De naam Denijs was redelijk gangbaar als voornaam van jongens. Een Tilburgs gezegde luidde: Sint Denijs/ Patroon van Tilburg en Parijs. 'Denijs' wordt dus niet dialectisch uitgesproken, wat wel het geval is met Diejenies, Denies.

Aankondiging van de opening van Leesbibliotheek St. Dionysius, 1909. Rechts: scne uit de Tilburgse revue Nostalgie in Tivoli (2007) met Dionysius en 'Jan kopaaf' de volksnaam voor de onthoofde Johannes de Doper in Goirle.

 

Volgens de legende stierf Dionysius in de derde eeuw de martelaarsdood als bisschop van Parijs. Hij werd onthoofd op Montmartre (Berg van de martelaar), maar nam niettemin zijn hoofd op en liep door tot de plek waar nu de kathedraal van Saint-Denis staat. Dionysius wordt daarom vaak afgebeeld zonder hoofd op de schouders maar terwijl hij het in de handen houdt. Modernere afbeeldingen zijn minder macaber en laten hem zien met twee hoofden, het afgeslagen hoofd wordt dan vaak afgebeeld op een schild.

Zijn feestdag is 9 oktober.

Kees Mandos

dnk

samentrekking

denk ik

Cees Robben En naa denk dek munne/  startschroef heb begerbeleurd. (19700313)

 

dnke

werkwoord, zwak

denken

-- dnke - docht - gedocht

Cees Robben: W dnkte gij daorvan? w dnkte gij naa van de liefde?

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 hij heej gezeej dttie n me zal dnke

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dnken n gisse kan wd misse

tusse dnken n gisse kunde wd misse ('56) = reactie op 'ik denk...'

D. Boutkan: (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster nkt de k verzwegen dngt

A.P. de Bont: zw.ww. - docht - gedocht: denken

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEDOCHT, in 't W. ook GEDOECHT: 3e hoofdvorm van 'denken'

 

dens

samentrekking

de os

Cees Robben [Onderwijzer tegen leerlinge:] Maaike.. noemt na is ennigte naome van diere die meejen N begiene... Denaop, denos, denezel, en denuil, mister... (19861121)

 

der

bijwoord, voornaamwoord

er

der was is - er was eens

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 der waare vf prze

Henk van Rijen: der boj gin man hogger

D. Boutkan: (blz.69) als objectsencliticum: -er / -der (3. sing., fem.)

 

der

bezittelijk voornaamwoord

haar, hun

haar

Cees Robben: ik kan naa nie p deren naom koome;

Cees Robben: dan haawt ze meej der knder saome! ze haawt deren pot stf;

Cees Robben: ze hkt saome meej deren Fons; ze zakt hst dur der knieje;

Cees Robben: meej dere sjeklaade;

Dialectenqute 1876 - durren vrier is rg ziek ( als in gte - geiten)hun

Cees Robben: ze doen der bist

Cees Robben: de miste kasteleins dope dere sneevel;

 

dr

bijwoord/tussenwerpsel

daar

Pierre van Beek: dr dan

"En gij 'ne klont boter, dr dan!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Staank veur daank, dr, d's alles! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

A.P. de Bont: bijw. 'der' (al of niet met veel klem gezegd), daar. 'Kreeg ik dien appel?' Dr heddem.', resp. Der hddem!

WNT DER (II) voegw. Bijvorm van 'daar'; met klemtoon: daarheen, daar, alleen in de verbinding 'her en der', hierheen en daarheen, hier en daar.

 

derbij / durbij

bijwoord

daarbij

En dan durbij vraog ik m'n ge wellis aaf of..  (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 19 januari 1945)

 

drde

zelfstandig naamwoord, onzijdig

Robben gebruikt het woord in combinatie met verzekeren van een auto; waarschijnlijk: verzekerd tegen aansprakelijkheid door derden

Cees Robben khem tegen t derde verzekerd mar hij is nog alle riks werd.. (19681101)

 

derdeur

voornaamwoordelijk bijwoord

erdoor, erdoorheen

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mn vadder ha vruuger, die was timmerman, die ha zon str gemkt. Zon, zon, zon, zon dinge rond gemkt n dan zon spilleke derdeur n wirskaante en str, en str gemokt, zo van die hout mar, n dan hj ie onder de dinge zon, onder spilleke en touwke aon en agge dan trok dan begs die strre rond te draajen, h! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

derge

voornaamwoord

uit 'der' (haar, hun; zie boven) en 'eigen'; zich, zichzelf

Dialectenqute 1876 - Ze laote derge waasse - zij laten zich wasschen

Dialectenqute 1876 - Ze kunne derge nie verdiffendre - ... verweren

WTT 2012 - de mannelijke vorm is ►'zenge'

 

deren

bezittelijk voornaamwoord van dur, haar; dur wordt durre als een mannelijk zelfstandig naamwoord volgt; de n dicht het hiaat als dat zelfstandig naamwoord met een klinker begint.

Cees Robben n Stuup knd vur durren aauwer..! (19550806)

Cees Robben Ik kan nie op durren naom komen... (19780818) [de n achter durren is eigenlijk overbodig]

Cees Robben Die fn trip (...) mee dr prevelementje en durre seklaade.. (19850215)

 

dernffe

bijwoord

ernaast

dernffe doen - blunderen

dernffe vatte - misgrijpen

Hij heej dernffe gevat - hij heeft de verkeerde keus gemaakt (inz. m.b.t. het huwelijk)

 

der onder gaon

uitdrukking

begraven worden

Cees Robben Of ge naa begraove wordt in n kiest van waai-bme-hout of van ke.. dr onder gaode.. (19750704)

 

drriejre

zelfstandig naamwoord.

Frans: derrire, achterste, achterwerk

Mar as ge unne stinpst op oewen drriejre had, n as bidde nie hielep, dan moeste bij t feitvrouwke van Van Hees zn. Die mkte dr ge zallefkes. Vur pste, kseem, fratte, padscheete, n alles. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

drts

telwoord

Henk van Rijen: derde

Verkorting van 'drdes'

 

drve

Werkwoord, in het dialect sterk: drve, dierf, gedrve

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): En daor en up spinningen kan i zen wammis niet derven.

- De Bont missen.

 

ds

samentrekking

dat is > dt is > ds

Cees Robben Des naa veertien jaor geleeje... (19660429)

Cees Robben Des nog n aauwverwetse fn trip... (19680809)

Cees Robben Des aaltij al unne bonzjoerder gewist... (19850419)

Cees Robben Des lang geleeje dekkoe gezien heb... (19810116)

 

desineetje

zelfstandig naamwoord

geschenk bij het feest van de Eerste Heilige Communie, ontbijtstel

Elie van Schilt - Mar de communiedag zelf, dan was er fist, dan kwamen de femielie en ok de buurt mee kudokus, rpen sjoklade mee un communieprentje, un bildje van unne heilige, unne rzenkraans, unne nuuwe kerkboek, van opoe en opa kreegde mistal un 'desineetje'. Det was un botterhammenbordje en un kumke mee un schoteltje, op die bordjes stond dan unne communiekaant en verder nog 'Ter herrinnering aon oe heilige communie'. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

WTT 2012 - Mogelijk is de weergave door Elie van Schilt (boven) niet geheel de juiste. Het woord lijkt immers een verbastering van het Franse 'djeuner', in het Nederlands in gebruik voor 'ontbijtstel'. Zie WNT lemma djeuner (1910). De Tilburgse uitspraak zou dan eerder 'deezjneeke' zijn of 'deezjeneeke'.

 

Traditionele cadeautjes voor een communicant - onderaan: een djeuner

 

dske

zelfstandig naamwoord verkleind

Henk van Rijen: dasje, sjaaltje

 

dsneteur

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: dessinateur, (textiel) weefpatroonontwerper

 

dsse

samentrekking

dat ze (enkel en meervoud)

Cees Robben Den lotweet desse is... (19600219)

Cees Robben t Wordt td desse dr opkuile... (19791116)

Cees Robben Ze heeter gin rig in desse slaoi-beene heej.. (19691024)

Cees Robben Ik keek wel effenaaf toen ik zaag desse mn fiets gejat han.. (19870918)

 

dssem

samentrekking

dat ze hem

Cees Robben en ze wit dessem heej... [namelijk een vrijer] (19641106)

 

dsseme

samentrekking

dat ze me

Cees Robben En desseme gadeeseme nog tesse mosse k... (19621005)

 

dstag

zelfstandig naamwoord

dinsdag

Cees Robben: as d ons taante Toonia 'tstag-taate-middag' komt

Cees Robben: beschient en tstag-taatemiddeg; en destag-saate-middags;

Ik was blij dk wir nt wrk kos gaon/ en dstag smrges vruug. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: In et zwet van oe aonschn)

Dialectenqute 1876 - Densdaag - dinsdag

WBD III.4.4:126 'desdag' = dinsdag

Zie Pijnenburg: Etymologie v.h. oudste Nederlands

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - zie 'diessendag'

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord.m. 'densdag' d.i. 'dijnsdag' - dinsdag.

Goem. DINSDAG - zelfstandig naamwoord.m.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DESTDAG zelfstandig naamwoord.m. - Dijnsdag, Fr. mardi; ook DESTAG

 

dstaggemerege

zelfstandig naamwoord bijwoord.

Henk van Rijen: dinsdagmorgen

 

dt, d

dt: samentrekking van dat en het

et rgent dt zkt

ook als aanwijzend voornaamwoord:

dees f dt? -dit of dat

d: dat

aanwijzend voornaamwoord

d weet ik nie

 

dt ok scht ok

uitroep

zich ergens niet meer druk over maken

Cees Robben En hier kan ik mn ge toch z over opsteuke war... Mar och.. det-k-schet-k.. (19870403)

 

dtjoe

samentrekking

dat hij je

Cees Robben Pooit m naa mar vur detjoe bij oew lrve vat.. (19780811)

 

dtteme

aanwijzend voornaamwoord

Robben gebruikt het als eufemisme om de borstomvang van een vrouw aan te duiden.

Cees Robben Dan heese-me-nogal-w... J zeker, z van dtteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien. (19710424)

 

dtter

samentrekking

dat het er; dat er

Cees Robben - Ze zeggen.. (...) as detter nie deugt... De meensen nie praoten... Mar knaauwen... (19561006) [Prent ter gelegenheid van Robbens verhuizing van Tilburg naar Goirle]

Cees Robben Mn kumke wiegelt z detter de koffie uit-kwaanselt... (19660826)

Cees Robben Detter vuls te veul vrouwen op de wreld zen... (19720818)

 

dttie

samentrekking

dat hij

-- dttie mar verkt

Naarus, column in GrootTilburg, 1940: t Is kollesaol, nor wie dettie den aord hee d snap ik nie.

Naarus, column in GrootTilburg, 1940: Mar t viel nogal mee, want nao drie daoge zwaor verdriet kwaamp er innen [een] brievekaort van Keese, as dettie t goed mokte en dettie al goeien aord begos te krge...

Piet Heerkens - In: De Zaaier, bijlage van de NTC, 1941: Hoe slim is dien beest/ dettie 't middeltje vond!

Cees Robben Weffur moeite dettie deej... (19571214)

Cees Robben Dn dikke die zeej dettie louw h gevangen [bij het vissen] (19590801)

Cees Robben Hoe meer dettie uit doe hoe lillukker dettie wordt... (19781222)

Cees Robben Swels dettie Dientje kuste... (19590815)

Cees Robben Mn hundje is weggelpe (...) Ik denk dettie op kerwaai is (...) t is n menneke... (19710730)

Cees Robben [Moeder over baby:] Ik denk dettie iets onder de lee-hee.. (19740308)
Piet van Beers - uit ''t Kan saome gaon', CuBra 2004: Den irste keer dettie 't prebeerde...

Lodewijk van den Bredevoort, Kosset den brne eigeluk wel trekke (2006) -- Wij kke naor boven en zien ons Jaoneke t et dakraom hangen en spouwen dettie doe.
Tony Ansems - Ook al doede gij nie in Sinterklaas geleuven/ Onze Opa, heeft bewijs, dettie bestaot... (Ons Oma Is Aangereden Deur Ene Schimmel; van de cd Tilburgse Liedjes - American Style; ca. 1990)

 


Illustratie: Rolf Janssen

 

df, dve, dfke

Ill.: Naumann - houtduif - columba palumbus Ill.: Naumann - tortelduif - streptopelia turtur

zelfstandig naamwoord

duif

Cees Robben: Hij zit wir bij zen dve. Ge kunt beeter dve haawe.

Cees Robben: Hij schiet zo nder zenge dve?

Interview Jolen - 1978 - Dve wl! Dve wl! Daor was mn bruur meej van de biste van hier in Tilburg, Willeke Jolen! D was ene goeje liefhbber. En ik hb ok goej dve gehad, goej prze verdiend. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Interview Jolen - 1978 - Frankrijk n, n, n dan ginget hier, dan ginget van vurraon aaf, h, van Baarle Nassau ging d omhog hje, de irste vluchte kwaampe van, mist van Baarle-Nassaun ge had wir aander vereeneginge die vloge den aandere kaant irst t. De was sondagsmreges aatij dve lope h, dve lope. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Henk van Rijen: 'dve-lope' -estafetteloop met duif, vanaf het duivenkot naar het clublokaal, om deze te klokken

WBD III.4.1:120 'duif - algemeen en vrouwelijke duif

WBD III.4.1:121 'koolduif' - houtduif (Columba palumbus)

WBD III.4.1:121 'bosduif' - houtduif (Columba palumbus)

WBD III.4.1:121 'wilde duif' - houtduif (Columba palumbus)

WBD III.4.1:123 'tortelduif' - tortelduif (Streptopelia turtur), ook

'tortelduifje' genoemd

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de dve = dames Diepen (blz.33)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de grze df = mej. Paijmans (blz.105)

 

deuge 

werkwoord, zwak

deugen

Van Delft - "Van mekaar meugen ze niet en bij mekaar deugen ze niet", zegt men over een echtpaar, dat veel kijft en over kleinigheden twist. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

D. Boutkan: deuge 'geducht' (blz.38) deuge - dugt (vocaalkrimping)(ook 39)

B deuge - dugde - gedeuge; D. Boutkan: (blz. 4l) gedugd

- vocaalkrimping ook in tegenwoordige tijd: gij/hij dugt

WBD III.1.4:320 'van geen kanten deugen' = zich als een beest gedragen

 

deugeniet

zelfstandig naamwoord.

deugniet

"'t Is 'nen losbol, 't is 'nen deugeniet... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; NTC 26-11-1938)

 

deugnieterij

zelfstandig naamwoord

kwajongensstreken (uithalen)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n deugenieterij hbbek not gin tgehld hor, flauwekul n zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

dk

zelfstandig naamwoord

deuk

D. Boutkan: plur.: deuke; blz.52: naast sing. 'deuk'; ook 'dk', plur. 'deuke' (36)

 

dke

werkwoord, sterk.

duiken

-- dke - dok - gedooke; M: verleden tijd dok

-- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dkt

-- D. Boutkan: (blz. 40) verl. tijd dok, maar: dokte gij?

 

dkele

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:11 'duikelen' = vooroverduikelen; ook: 'tuimele', 'stulpen'

 

dm, dme, dmke

zelfstandig naamwoord

duim

lengtemaat van 2,87 cm, verdeeld in 4 kwartier 0,71 cm.

10 dm = een voet 0,287 m, waarvan er 20 een roede maakten, 5,75 m (in Tilburg in gebruik vr de invoering v.h. Ned. Metriek Stelsel, 1820)

zie: Verhoeff

Cees Robben: et spk moet enen dm dik zn

Henk van Rijen: 'K-stao hier mar dme te draaje' - Ik sta hier mijn tijd te verdoen.

 

dmsjp

zelfstandig naamwoord

duimdrop, zachte drop die op de duim plakte om opgelikt te worden

Gin dmszjp mir bij Sjoo de Lpper/ Alle cnte die zn op. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gao de cnt foetsie?)

Frans Verbunt: duimdrop

 

dn(e)

zelfstandig naamwoord (plur.)

duinen

de Druunense en de Lonse dne

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tusse dn n dk ('76) - tussen duin en dijk; tussen neus en lippen;

Henk van Rijen: gaode soomers meej de knder nr de dne, et kan nie fnder!

WBD III-4.4:139 'duin' = idem

 

deur, durke

zelfstandig naamwoord

deur

Van Delft - "Ze kunnen niet door n deur in en uitgaan." Dit is: Ze kunnen als man en vrouw niet in vrede leven.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

uitdrukking -  Pierre van Beek: meej et pak gaon - met ellegoed langs de deur gaan (Tilburgse Taaklplastiek 149)

uitdrukking -  Pierre van Beek: meej bliksem n nweer langs de deur gaon (= weer of geen weer) (Tilburgse Taaklplastiek 149)

Pierre van Beek: p de deur paase - op het huis passen (Tilburgse Taaklplastiek 187)

Henk van Rijen: gruun deur - verraadde vroeger dat de bewoner werkte op het Atelier NS

Mar wij leerde van ons moeder: As r twee deure teegenoover mekaare oope staon, moeter en dicht doen. En zo ist. Dan was alles wir klaoren blom en dikke mik. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Dialectenqute 1876 - vur de deur

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 die deur is van beukenhout gemakt

Henk van Rijen: de wg lopt er ok langs de deur - het is ook voor-de-hand-liggend

Hees D is 'r ene van over de n'alve deur (II:33)

WBD staldurke (de grote dubbele deuren die toegang geven tot de koestal)

WBD schuurdeur, schuurdeure - schuurdeur (bestaande uit twee vleugels)

WBD kln schuurdurke - schuurpoortdeurtje (het kleine deurtje in een van de beide vleugeldeuren)

WBD ovendeur (van een bakoven: van hout of ijzer)

 

deur, dur

voorzetsel, bijwoord

door

Dur de drukte ksseme der nie deur.

Tis zis uur deur - Het is over zessen, (zie Hft: door)

"Gao liever naor bed, want et is al lang negen uur deur!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

D. Boutkan: (blz. 41-42) durlope - lopt is en bietje deur

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 de burries van de kreugel bge deur nder et gewicht

D. Boutkan: (blz. 41) 'deur/ dur' als ww-deel

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DEUR in stede van 'door'; reeds bij Kiliaan; geene verbastering, doch zelfs ouder dan 'door'.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEUR vz + bijwoord - door, fr. par, travers de, enz.: er doorheen; voort, weg, voorbij: Hij is al meer as en uur deur. De(n) kwa(d)e deur zijn.

 

deurgat
zelfstandig naamwoord.

deuropening

Gelukkig schent de wenter 't deurgat van ons laand nog nie te kunnen vnen om binnen te kruipen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

 

deurgebont

zelfstandig naamwoord, onzijdig

de deurstijlen

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: in t durgebont - daar geannoteerd met: deurgebint, op den drempel.

- WBD gebinte (balkenstelsel bestaande uit 2 stijlen en 1 ankerbalk)

- Cees Robben Mee oew luie kont (...) in t deurgebont... (19830325)

- Cees Robben Het gammel deurgebond (19610915)

uitdrukking -  in et deurgebont staon - in de weg staan

- Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; 'Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939): Oome Teun kwaam mee z'n pijpken in de mond in et deurgebont staon...

- Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938: Den herbergier zee: "Die kunnen deur de vensters kijken en in et deurgebond staon, daor is plaots genog

- De Wijs  -- Rijd den kreugel mar deur t deurgebint int schop (20-07-1962)
- vM hij ston tussen et durgebont

 

dvemlker

zelfstandig naamwoord

duivenmelker

Van Beek - Liefhebbers van de duivensport zijn "duivenmelkers";  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Ut Caf zaat wir vol mee deuvemellekers... (Tony Ansems, Pieter Post plein; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

WBD (III.3.2:241) dvemlker, ook 'poeler' = duivenmelker

 

deuverik

zelfstandig naamwoord

deuvik, deuvel

WBD 'deujverik' - drevel / deuvel(II:2749)

WNT DEUVIK, eene afleiding van denzelfden stam als DEUVEL - houten pin, die eene opening in een vat sluit.

 

deuzeg

bijvoeglijk naamwoord

duizelig, licht in het hoofd

Henk van Rijen: 'dzeg' - afwezig, in gedachten

Cees Robben [Vraag aan een zieke] Hoe is ter meej bruur...  [Antwoord] Nog aaltij deuzig war.. (19600212)

Cees Robben deuzig en zat.. (19700102)

GG enen deuzege - een slome: mannelijk equivalent van dos

Stadsnieuws: Ons oopoe waar aatij en vief wfke gewist, mar op et list wier ze tch en bietje deuzeg - ... een beetje suffig (260706)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- 'deuzig' = duizelig

WNT DEUZIG - dozig - van denzelfden stam als 'duizelen', maar met korten stamklinker. 1) duizelig, draaierig, 2) slaperig, suf, soezig, 3) beneveld, verward, verhit, 4) stompzinnig, bot, stomp

 

dzeleg

duizelig

WBD III.1.2:222 'duizelig' = duizelig

WBD III.1.2:224 'duizelig zijn' = duizelig zijn

 

dzeleghd

zelfstandig naamwoord

duizeligheid

WBD III.1.2:226 'duizeligheid' = duizeling, duizeligheid

 

dwet

samentrekking

dat we het

zelfstandig naamwoord

Cees Robben - Dwet overmrege alwir gehad hebben... (19700320)

 

dwwer

samentrekking

dat we er

Cees Robben Ze stond er z breed bij mee dr braoi dewwer bekaant mee gdrieje aachter kosse... (19861003)

 

di, din

werkwoord, persoonsvorm

deed, deden

D. Boutkan: di-degj, gj di-get; (76) ik dee/ di

► zie verder doen

 

dichtbij n vraaf

gezegde

eufemisme voor dronken, aangeschoten

Cees Robben Zat was ik nie (...) mar (...) verrekte dichtbij en veraaf... (19720721)

 

dichtenbij

bijwoord

dichtbij, na(bij)

Cees Robben: dan moetem is van dichtenbij bekke

Henk van Rijen: 'dichtenbj' - dichtbij, op korte afstand

A.P. de Bont: bijw. 'dichtenbij', dichte bij

WNT citaat van Beets: ... dichtebij

 

dichtgeneepe

voltooid deelwoord van dichtnpe

dichtknijpen; hier: om een sterfgeval aan te duiden

Cees Robben [Een aanzegger spreekt] - Merie heeget laote schiete.../ Van de mrege om vf uure/ Heese dr gat dichtgeneepe.. (19640605)

 

dichthd

zelfstandig naamwoord

dichtheid

WBD dichthd (II:1047) - dichtheid (v.d. binding), ook 'krsing' genoemd

 

die

aanwijzend voornaamwoord

die

wordt bij zelfstandig gebruik voorafgegaan door een lidwoord: den dieje, de die, dieje meens, diejen aovend, diejen boek

Cees Robben: nt as den dieje; zi dieje meens; den dieje daor;

Cees Robben: ongelk is er bij die van mn (= mijn vrouw) not bij;

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Veel hoort men hier 'de die' met nadruk, in tegenoverstelling van 'de andere' of een soortgelijk woord. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEDIE vrnw. : m. dendie(n), dendee(n); o. (he)tda(t), (he)tedatte(n); v. en mrv. dedie - Fr. celui-l - die

 

die van mn

zelfstandig naamwoord

echtgenote

Cees Robben Ongelk isser bij die van men nt bij.. Ze haauwt aaltij dren pt stf... (19790518)

 

dieder

aanwijzend voornaamwoord

van die, van haar, dier

n dieder grutvadder hj en prd

- die d'r = dier

Zie: Stutterheim 'Uit de verstrooiing' blz.155

Cornelis Verhoeven:  DIEDER aanw. vn, van die (die daar?) b.v. in de uitdrukking -  'van dieder dikte' - ongeveer zo dik (gellustreerd met een gebaar)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dieder - vnw. van die, van haar; diedere mins is kaaj gk.

 

diedjee

zelfstandig naamwoord

acroniem van disc jockey, Engels uitgesproken

- Azzik bij jou ths maag znde, meude gij diedjee wrre, meude hil den dag goei meziek draaie  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Dus meense, ammel aafstmme op Radio Moonbeam, meej kaaigoei plaote n profsjenele diedjees.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

diege-me-daor-staot

bijwoordelijk bepaling

die je bent

Cees Robben Lillukke drn-r diege-me-daor-staot... (19670603)

 

diejabooloowe

werkwoord, zwak

het kinderspel diabolo

op de Krvelseweg moeste aanders diejabooloowe meej zon gummieringeskes aon, h. Dan krede bij de margariene krede zonne, cht zonnen blkke diejabooloow, h. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Repe n, n touwke springe n diejabooloowe! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

diejagonaol

zelfstandig naamwoord/bijvoeglijk naamwoord

diagonaal

WBD diejagnaol (II:917), als dessin voor weefsels

 

dieje

aanwijzend voornaamwoord

die

den dieje (eventueel met telgebaar van duim en wijsvinger) - geld, contanten

agge den dieje mar genog ht!

Cees Robben Kek diejen bok is..! ... (19560317)

Cees Robben Diejen stobbernist... (19601104) [omdat nistals mannelijk wordt beschouwd]

Cees Robben Kik-is-eens-aon... W diejen meens nog gezwakt is... (19681115)

Cees Robben Hoe hiet dieje meens, moeder... (19711001)

Cees Robben Dieje weg (...) die rchtevort naor t geboer van de Van de Braante lopt... (19791102)

Cees Robben Dieje aauwe Sjassee daor (19840302)

Cees Robben [Vrouw bij marktkraam:] Dieje appel is z rot as n mispel, Martien ... (19811009)

►dn dieje [den dieje]

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- den dieje die daor nkmt; dije mis; dije ms

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- we zn dije put in en uur kunne vldoen

D. Boutkan: 'Wie ...? Oen dieje die daor nkomt.' - Degene die ... (blz. 95)

zelfstandig naamwoord

geld

altijd voorafgegaan door 'den', en begeleid door het gebaar voor 'geld' (toppen duim en wijsvinger over elkaar gewreven)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Et ging oover den diejen, hmeer gldndderaand hbbe ze d gedaon gekreege, zo stillekes aon, h. Klik hier om dit bestand te beluisteren

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dieje (den) - geld

 

diejooraama

zelfstandig naamwoord., onz.

diorama

Van Dale: van Grieks dia, doorheen, en horama, gezicht; kijkast waarin door bepaalde opstelling en belichting een perspectivisch effect wordt verkregen.

In Tilburg: het diorama van wollenstoffenfabriek AaBe, ook wel 'de etalage van AaBe' genoemd. Deze levensgrote opstelling bevond zich in een etalage aan het Heuvelplein bij het busstation, en was 's avonds hel verlicht.

Foto: Regionaal Archief Tilburg

 

Het Diorama

Voor een grotere weergave KLIK HIER

 

Dezelfde voorstelling werd door AaBe gebruikt op de etiketten van de dekens

Op den Heuvel koste vruuger in et Diejooraama zien hoe wrem de Lappe onder die Tilbrgse AaBee-deekes laage. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

diek

samentrekking

die ik

Cees Robben Unne vriend diek nie veul zie (19821231)

 

diekomsa, di-kom-sa

bijwoordelijke uitdrukking

van heb ik me jou daar; kom-sa uit het Franse comme a;

De straot waor tie wonde was nie bestraot, en d was me daor aaltij innen modderpoel van diekomsa. Mee in gewoon stotkrke koster nie deur kome of ge most wel mee zis man zn... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

En ze sloeg de deur mee 'nen bons van di-kom-sa aachter d'ren rug toe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Hij hee-g-et verschrikkelijk hoog in z'nen test, mar 't is naovenant nie van di-kom-sa! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Cees Robben Dan heese-me-nogal-w... J zeker, z van dtteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien. (19710424)

[?] Frans Verbunt: van alle markten thuis (Fr. comme a)

 

diemet, diemit

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

diemit

Henk van Rijswijk - 2013 - Ik ken de stof maar meer ook niet. Hier in Tilburg hadden we vooral te maken met wollen stoffen en dit is katoen. (Schriftelijke mededeling)

WBD II.4. - Het WNT zegt bij diemit/diemet": Zekere katoenen stof t.w. eene soort van keper met overlangsche strepen en waarvan de inslag aanmerkelijk fijner is dan de schering." Van Dale spreekt niet van overlangse strepen maar meer in het algemeen van een ingeweven patroon. Bij Bonthond wordt onder diemet " verwezen naar molton-piqu". Daar wordt gezegd: Dik katoenen weefsel in verstelde kettingsatijnbinding. Ketting: blauw; inslag: dikke draad (2 cyl. garen). Achterzijde geruwd.Ook diemet. Toepassing: boerenondergoed
Burgers zegt bij dimet": Vrij zwaar katoenen weefsel voor onderkleding en tafelgoed". De respondent van P 112 zegt dat diemet ook Turks leer" genoemd wordt.
WNT lemma Diemet -1911 - DIEMET, znw. onz. Ontleend aan ital. dimito, mlat. dimitum, gr. δᬝμιτος, uit twee draden bestaande, verg. ook eng. dimity. Zekere katoenen stof, t.w. eene soort van keper met overlangsche strepen en waarvan de inslag aanmerkelijk fijner is dan de schering. - Winkeliers, doende in Sayen, Bombasynen, Diemitten, gestreepte Sergien, en andere, Handv. v. Amst. 832 a [1718]

 

Dien

zelfstandig naamwoord, eigenn.
vrouwennaam: Dien, Dina, Dientje (verkorting van Huberdina, geerardine, Bernardina, etc.; meestal vervrouwelijkte heiligennamen)

Cees Robben Dien Verpaolen (19590815)

Cees Robben Ons Dien... (19641106)

Cees Robben Dien Dankers (19820122)

Cees Robben Ziede d daor, Dien..!? (19840720)

Cees Robben Meude gij d van den dokter, Dientje..? (19840817)

 

diep

1. bijvoeglijk naamwoord .

diep = niet hoog

WBD diepe koej - koe met korte poten

2. bijw.

Ver weg, achteraf

De Wijs -- Ze wnen z diep in, as ge denkt degger zt, zedder nog bij langenao nie (16-01-1975)

 

dier
zelfstandig naamwoord
Tilburgs Engels: dear
Cees Robben Helloo may dier... (19670811)

 

dierf

werkwoord, persoonsvorm, verleden tijd

D. Boutkan: 'diref' - durfde (blz.6)

Verleden tijd van 'drve' (Onder invloed van 'bedierf')?

 

dies

bijwoord; tweede of vierde naamval van die: daarom, om die reden; plechtstatig gebruik

Cees Robben Dies verzuuk ik oe ootmoedig (19660916) [een missionaris schrijft een brief aan zijn bisschop]

 

diesterbuutie

zelfstandig naamwoord.

distributie, in het bijzonder de distributie van goederen in de Tweede Wereldoorlog

- we waoren gelaoien mee proviaand en diesterbuutiebonnekes (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

digget

werkwoordsvorm van doen; verleden tijd

2e + 3e persoon enkelvoud; 'di' (verkorting van 'deej') + 'et' (voornaamwoord 'dat' of lidwoord 'het'')

deed het (na ik, gij, hij/zij/et en gullie)

Hij digget not nie goed

Na ik komt ook voor: 'ik dit'. (in plaats van 'digget')

Daarnaast bij ik ook: 'ik deet' en 'ik deejet'

Cees Robben: Hij digget op et list

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- ik, gij, hij, gllie digget

Het fonetisch hiaat tussen 'di' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g' waar eigenlijk 'j' thuishoorde (Schuurmans: Encl. pron. blz.22);

A.P. de Bont: Par. 242.

► doen

 

dijben

zelfstandig naamwoord

dijbeen

WBD schenkel v.e. paard, ook 'dijben' genoemd

WBD III.1.1:168 'bil' = dij

 

dik

dik

1. bijvoeglijk naamwoord, verwijzend naar de omvang van iets of iemand

Henk van Rijen: dikke mik meej zuure zult - prima voor elkaar

Henk van Rijen: dikke mik - dik in orde

Frans Verbunt: ik z zo dik as mied - ik heb te veel gegeten

Frans Verbunt: hoe wildet hbbe? dik, dun f dur en duukske?

2. bijwoord

Henk van Rijen: Tis dik aon - het is nauwe vriendschap

Frans Verbunt: dik doen n nie hbbe - opscheppen

Frans Verbunt: ik z zo dik as mied - ik heb te veel gegeten

[?] WBD III.4.4:17 'dik' = bewolkt

 

dik

samentrekking

deed ik

Cees Robben Ak bij jou te biechte moes/ Dik net z lief gin zonde... (19830121)

 

dik

bijwoord

dikwijls, vaak

ook: dikkels

vergrotende trap: dikkelder, dikker

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dik - bijwoord - dikwijls (dikker, dikkelder)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DIK bijwoord - dikwijls, vaak, Fr. souvent. Hoe dik valt da' veur? DIKKELS en DIKKES bijwoord - dikwijls, Fr. souvent.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DUK voor dikwijls, 'twelk ook wel eens door DIK wordt uitgedrukt. Z.a.

Cornelis Verhoeven:  DIK bijwoord, dikwijls; dik zat - tamelijk dikwijls.

Weijnen, Dialectaltlas: Op krt. 76 zegt men in T 'dikkels', in het N echter 'dik'.

A.P. de Bont: dik II bijw. 1) v. tijd.: dikwijls, vaak; 2) v. modaliteit: soms, bijgeval

WNT DIK 9) dikwijls, vaak; in dezen zin gewestelijk nog in gebruik, o.a. in Gelderland en de Kempen.

WNT sub DIKMAAL en maal - Uit dik (dat op zichzelf reeds de bet. dikmaal heeft)

► zie ook diksentij, diksewle, dikzat, duk

1. dik

Ge zaagt em nie dik op straot

2. dikkelder

Ge moet ene keer dikkelder koome.- Je moet een keertje vaker komen.

Mieke Stok (...)zee d ze 's mergens wel 'ns dikkelder 'n eindje opstapte (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

De Wijs --  (bij knikkerspel) naa hedde gij gewonne, mar ikke veul dikkelder (17-08-1964)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
dikkelder of dikker - vaker

3. dikkels

Dialectenqute 1876 - dikkels, nog dikker - dikwijls, nog vaker

Cees Robben: prakkezeere ak tch dikkels doe;

GD07 Naa zn wrkende vrouwe hel dikkels mevrouwe ...

1938 - Piet Heerkens: Och blumke,/ 'k heb oe zo dikkels bekeeke [Dn rgel, Blumke]
1939 - Piet Heerkens: Kender zie ik dikkels speule [De mus, Kenderpraot]

...en zoo gao-g-et mee de waorheid dikkels: er is geen plaats veur d'r in de herberg! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

1940 - Naarus: t Is euwige sunt d de daog zo kort zn, en d t zoo dikkels kaoi weer is [1940]
1949 - Piet Heerkens: Kwezels stoote d'r teere teene/ dikkels tegen dezelfde steene [De knaorrie, Van kwezels en ezels]
1970 (ca.) Lechim over biljarters in het caf: Ze motte dikkels smren
1981 Cees Robben: We hebben dikkels zat spek op taofel [Zilver, Dn ooievaar]
1984 Opgetekend door Rolf Janssen uit het veel oudere lied Onder de lindeboom: wie kent er naa nie' Lopend Joke/ die zie duh z dikkels op straot [We hebben gezongen]
2000 (ca.) Piet van Beers: den ngelbewaorder n de Romse Jeugd/ die laazeme zo dikkels asme konde./ n de Kattelieke Illustraasie/
wier ntjes ingebonde. [CuBra]
2006 Jo van Tilborg: Ok vur vrijbankvls hk dikkels in de rij moeten staon.
2008- Tony Ansems in het lied Achter in de sintelpad: Ik hebbet dikkels in t wild gedaan/ Aachter in de Sintel Pad

WNT DIKWIJLS van 'dikwijl' met adverbiale -s. In oudere taal ook in den vergrotenden trap: dikwijlser. DIK 9) dikwijls, vaak (gewestelijk in Gelderland en de Kempen).

Weijnen, Dialectaltlas: Op krt.76 loopt er een grens door T zuidelijk 'dikkels', noordel. 'dik'.

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Goem. DIKWIJLS - dikels bijwoord

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DIKKELS en DIKKES - dikwijls

Bosch dikkels - dikwijls

4. dikker

...hij ha al dikker 't plan gehad... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Dialectenqute 1876 - dikkels, nog dikker - dikwijls, nog vaker

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
dikkelder of dikker - vaker

 

dikdouwer

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:14 'dikdouwer' = iemand met gedrongen postuur

 

dikkont

zelfstandig naamwoord

iemand met een dik achterwerk

S&S DIKKONT: Dik iemand (vooral met een flink ontwikkeld achterwerk).

Possessieve samenstelling die evenals 'dikgat' voor zichzelf spreekt.

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord. vr. 'dikkont', dik iemand (vooral met een flink ontwikkeld achterwerk).

 

dikmok

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

Elie van Schilt - Mar vur dik hadden ze ok wir unnen naom Verekte dikmk of vetkwal waren mar gewone benaomingen. (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

 

dikoor

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:283 'dikoor' = bof (parotitis epidemica)

 

diksentij

bijwoord

meestentijds, meestal

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "diksentij - meestal"

A.P. de Bont: bijw. diksentij(d), meestentijds, meestal

DeBo - den diksten tijd - meestendeels, fr. le plus souvent, presque toujours

 

diksewle

bijwoord

meestentijds, meestal

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DIKSTERWIJL bijwoord - meestentijds, Fr. le plus souvent

A.P. de Bont: bijw. dikstewijlen - meestentijds, meestal

 

diksjenr

woordenboek, dictionaire

zelfstandig naamwoord

= fr. 'dictionnair' met vocaalreductie

Cees Robben Zk munne diksjenr meej naor school nemen, moeder... / Ge gaot mar te voet.. d moesse wij vruuger k... (19610120)

 

dikzat

bijwoord.

vaak genoeg

'k z der dikzat gewist.

A.P. de Bont: diksat, bijw. 'dikzat' - vaak genoeg, vaak, dikwijls: da he'k dikzat gezie'

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dikzat - dikwijls genoeg

 

dil

zelfstandig naamwoord

deel; aantal, hoeveelheid, partij

R Kh ng en hil dil kooien in et schp. -

Ik heb nog een hele voorraad kolen in het schuurtje.

Kees en Bart: 'n dil (aantal)

Cees Robben - ...n hil dil... (19560512)

Henk van Rijen: 'un dil, unnen dil' - een aantal, veel

B dil; vierendil

WBD III.4.4:259 'deel' = boel; 260 'deel' = grote hoeveelheid

WBD III.4.4:261 'deel' = onbepaalde hoeveelheid

WBD III.4.4:271 'deel' = brok

WBD III.4.4:276 'deel' = portie

WBD III.4.4:299 'deel' = kwart hectoliter

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- DIL zelfstandig naamwoord veel; 'n hil dil - nogal wat

Cornelis Verhoeven:  DEEL (del) ....; wordt gebruikt als vage aanduiding van een niet al te geringe hoeveelheid, met onbepaald lidw.: 'n del volk; verrassend grote hoeveelheden heten: 'n hil del - een heleboel.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEIL (uitspr. dail) zelfstandig naamwoord.o. - deel: een heel deil volk.

 

dilbaor

bijvoeglijk naamwoord

deelbaar

D. Boutkan: (blz.34) dilbaor (met klinkerverkorting)

 

dilt

werkwoord, persoonsvorm

deelt

tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers. van 'dele', met vocaalkrimping

 

dimdamme

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: aarzelen

 

din

werkwoord, verleden tijd

deden

ze din f ze niks zaage

Cees Robben Oew ge din zeer van de rk... (19571221)

Mar as ze din we ze zin, dan trapt ur nie in... J, as ze deeje w ze zeeje, waar ik dik tevreeje... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

► doen

 

ding

zelfstandig naamwoord

ding

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - alle ding meej vriendschap, zi goovert swls dttie d'aajer b den buurman t den nist naam (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972)

D. Boutkan: verkleinwoord: dingske (blz.53) of dingetje

 

dinger

zelfstandig naamwoord, meervoud

dingen

Cees Robben: Wij zn in Riel schnder dinger gewnd

Henk van Rijen: in dieje winkel hbbe ze duuzendterhaande dinger

- Ammel interessante dinger over vanalles n ng w. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Gullie wit waarschijnlek wl d ik al jaore zon bietje in de artiestewreld zit. Mnnetsjment n d sort dinger.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

D. Boutkan: dinger (blz.54)

GD05 d kan twee dinger betekene

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dinger: wie h die dinger daor nirgemieterd?

 

dinges

zelfstandig naamwoord.

menstruatie

De Wijs --  (Moeder trots, de ene moeder tegen de andere) W wordt ze toch grt, en hee ze al dn dinges? (de menstruatie) (04-07-1969)

 

dingeske-ding

koosnaam

Cees Robben Mn dingeske-ding (19751212)

 

dings

zelfstandig naamwoord.

onkruid

Van Delft - - In een slechte weide groeit "veul dings" (veel onkruid) en op een "vuilen ekker groeit veul rugt".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

dint
samentrekking
[ze] deden het
Cees Robben Of ze dint overnuut (19571221)
 

dinteloordspk

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: suiker; enen bottram mee dinteloordspk

Stadsnieuws: Enen botram meej dik booter en dinteloorspk (101206)

 

dippeljeur

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: (textiel) afnemen (deel v.h. assortiemnt)

 

dippendnsie

zelfstandig naamwoord.

tegenslag (?)

De Wijs  -- t Gong ammaol goed, zonder veul ap- en dippendensies. (appernsie = aanstalten maken) (10-02-1963)

 

dirrek

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: den dirrek - de directeur

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- drik - directeur

 

dismber

zelfstandig naamwoord, eigenn.

Henk van Rijen: december

 

dissel

zelfstandig naamwoord

WBD latierboom (hangende boom die in de paardestal twee plaatsen scheidt)

 

disselktting

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) - jukriem (verbinding tussen haam en disselboom, als men met een tweespan rijdt)

 

dissem

zelfstandig naamwoord, mannelijk

desem; waarschijnlijk door Robben bedoeld als uitwerpselen

Cees Robben Den dissem uit den pot... (19650917)

 

dist

bijwoord

hier

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "dist - Kom is dist (kom eens hier)"

 

dit

samentrekking

deed het

Cees Robben t Dit en t aat goed... (19790622)

 

dittie

samentrekking

deed hij

Cees Robben Rits-rats.. dittie meej zn mis (19660429)

 

Divvenijns

Eigennaam - Devenijns; naam van een bioscoopuitbater aan de Heuvel; Devenijns opende in 1911 de Aollo Bioscope.

Regionaal Archief Tilburg

Interview Hermans - 1978 - Ge had vruuger niks as veugeltjes vangebiejeskoope d was er ng nie as presies Divvenijns op den Heuvel mar d was en kwartje intreej!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

dbbel, dbbeld

bijvoeglijk naamwoord

dubbel

'nen dikken driedobbelden zoen! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Michieltje, 1938)

...driedobbel en dik... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

...op zukke oogenblikken bende driedobbeld zoo taai as aanders. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)

Cees Robben - ... ook al vouw det dobbel... (19720714)

VB dbbelen trits - langer dan normaal, dubbel zolang (zie onder WNT)

WBD dobbeldoekwver / dubbeldoekwever (II:942) - dubbeldoekwever

WNT DUBBEL, dobbel, doubel, dubbeld, dobbeld.

A.P. de Bont: bijvoeglijk naamwoord . 'dobbel' - dubbel

WNT onder TRITS: Volgens Schuerm. te Antwerpen in de uitdrukking -  'dat is dobbel en trits' of: ' dobbelen tris' om aan te duiden dat iets zeer overvloedig is.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOBBEL - dubbel, 'en dobbel' deur.

 

dbbelbil - dubbelbil

zelfstandig naamwoord

WBD dikbil, dubbelbil (kalf met dikke billen)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens En die kcht daor zak zgge en koej f en vaars f, f onverschilleg wt f, f enen s eejJan van den Booij die ging aatij nr Ossendrecht nr toe. Die hadde boere zitte die daor speesjaol vur sse zogezeej vtmste, van die dubbelbille n zo (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord.m. 'dbbelbil' - kalf dat van achteren bijzonder breed en flink ontwikkeld is, nog meer dan bij een dikbil.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOBBELBIL zelfstandig naamwoord. m. - een kalf met dikke billen; billeman

 

dbbeldoek

zelfstandig naamwoord

dubbeldoek

WBD dbbeldoek (II:1048) - dubbelweefsel

 

dcht

werkwoord, persoonsvorm.

dacht

CH gezegde - Ik dcht, ik dcht! Dchters lope int Haagse bs. (Als reactie op iemands twijfelachtige uitlating 'Ik dcht')

R.J. 'ze docht bij d'r igen'

Cees Robben En k docht, lieve lezer,... (19540403)

Cees Robben Ik docht degge hier nie waart... (19720911)

Cees Robben Ik docht aon goud en kemels... (19591224) [namelijk met Driekoningen]

Cees Robben Hij docht t zn... (19590912)

Cees Robben De verleden tijd van.. ik denk..? Ik docht, mister...Des fout, Lewieke, des Tilburgs... Oh, mar ik docht det goed was, mister... (19790209)

Dialectenqute 1876 - g daacht nie, d 'k d wiest - gij dacht niet, dat ik zulks wist

WvM 'mar ik dogt da ...'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 - DOCHT - 2e hoofdvorm van 'denken'

WNT DENKEN: onv. verl. tijd: dacht, waarnaast 'docht'

 

dchte

samentrekking

dacht je

Cees Robben Nou w dochtte... (19580315)

 

dchter

zelfstandig naamwoord

dochter

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - Van en dchter kunde gin twee schoonzoons krge - ongeveer: Wie het onderste uit de kan wil hebben ... (Tilburgse Taaklplastiek 128)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Bootermans waogde zen dchter wl, n d was zn ksselek paand ('77) - Botermans ... en dat was zo'n rijk bezit (aanmoediging tot iemand die aarzelt bij een beslissing)

WBD III.2.2:72 'dochter' = idem; 75 'voordochter' = stiefdochter

A.P. de Bont: dchter zelfstandig naamwoord. vr. dochter; rav. 'dchter'; 'n jong dochter - een pasgeboren meisje.

 

dods

bijwoord,bijvoeglijk naamwoord

doods

 

dodsbang

bijvoeglijk naamwoord

doodsbang

D. Boutkan: (blz.35) dodsbang

 

dodsbidder, dodsbidder

zelfstandig naamwoord

doodbidder, aanspreker

LDM: Voor de tijd dat de stichting "Rooms leven" de begrafenissen regelde, werd dit particulier door de "doodbidders" verzorgd. Deze hadden voor hun raam een bordje, waarop behalve hun naam ook te lezen stond: "Aanspreker en lijkbezorger". Nu was het geen zeldzaamheid, dat voor de woning van een ernstige zieke, waarvan een spoedig einde verwacht kon worden, een of soms mr van deze mannen in de buurt bleven rondwandelen om zodra de zieke de laatste adem had uitgeblazen, direct hunne diensten te kunnen aanbieden. Hier werd dan het spreekwoord: "De een zijn dood is de ander zijn brood" tot een waar woord gemaakt. Het is natuurlijk wel te begrijpen, dat wanneer dat op en neer kuieren door de naastbestaanden van de zieltogende werd opgemerkt, dit bij hen een minder prettige indruk maakte. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 Doden-cultus van eertijds; NTC 16-11-1950)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jao, ge hd van die dod, ge hd van die dodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul pltse as de meense enen dojen in hs hadde, dan wier der zon wpke bte gezt, en paor stene teege mekaaren aon n daor zon palmtkske tusse, en boske stroj Klik hier om dit bestand te beluisteren

Hij is dodsbidder, mar ut is ok unne echte dooije diender ook! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Henk van Rijen: doodbidder, aanzegger v.e. sterfgeval, aanspreker

Soms kwaam enen dodsbidder langs om n te zgge hoeneer de begrffenis waar. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

 

dodsbildeke, dodsprntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

doodsprentje, bidprentje

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "doodsbildeke (doodsprentje)"

Frans Verbunt: 'dodsprntje': hij liegt as en dodsprntje

WBD (III.3.3:332.) dodsbildeke, dodsprntje - doodsprentje

 

dodskiest

zelfstandig naamwoord

doodskist

WBD (III.3.3:325) dodskiest = doodskist

 

dodskp

zelfstandig naamwoord, mannelijk

doodshoofd (onzijdig)

Cees Robben Dn ddskop (19590912)

Interview Jolen - 1978 - zon ding, zon bomstammeke, zo dikzo dik n dan die n daor stond delatje, dikke latjes teegenaon, war, meej en krske derop f de en f de aandere f en dodskp! (transcriptie Hans Hessels, 2013) [bedoeld is: een wpke, ofwel busselke] ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

dodstil

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

doodstil

R.J. 'doodstil'

 

doew

samentrekking van gebiedende wijs van doen en oew= bezittelijk voornaamwoord jouw

doe je

Cees Robben Doew-nissels-vaast... (19580503)

 

doebes

zelfstandig naamwoord

goedzak

Cees Robben: Jan Sffers, diejen doebes

WBD (III.2.1:478) doebes = roepnaam van de hond; ook: zoek, zoek zoek, braaf beest, goede lobbes, loeres, doetje of joekel

 

doede             

samentrekking

doe je

Cees Robben En dan doede mar net... (19580301)

 

doedele

werkwoord, zwak

geluidjes maken; vergelijk doedelen in doedelzak

Alleen aangetroffen bij Piet Heerkens

Den rgel die heur ik zo geere / zuut doedelen over de straot, (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Dn rgel, 1938)

Toe draai dan en doedel mar, zieltje, [klein kind] / want zitte nie stampvol meziek? (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Dn rgel, 1938)

 

doedelzak

zelfstandig naamwoord

gezegde: de heemel nie vur ene doedelzak aonzien niet achterlijk zijn

Cees Robben Ge denkt zeker dek den hemel vur unne doedelzak aon zie.. (19650402)

 

doeget

samentrekking

doet het

Cees Robben Zveren... d doeget naa.. (19580315)

Cees Robben Wnteren... d doeget nie (19580315)

Cees Robben Dooien doeget as de weergaoi.. (19580315)

Cees Robben Ik doeget vur n tas koffie... (19681206) [In een prent over een inzamelingsactie die in Goirle gehouden werd om een moderne kraomkliniek in te richten in missiegebied Kongo.]

Cees Robben En doeget mar aachtermekaar dan heddet z vurmekaare.. (19691219)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 ik, gij, hij, gllie digget; gij, hij, gllie doeget

2e en 3e pers.enk. 'doe' + vn/lw 'et' + 2e pers.mv.

Het fonetisch hiaat dat ontstond tussen 'doe' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g'. (Zie Schuurmans: Enclit. pron., blz.22)

De A.P. de Bont: Paragraaf 242

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DOEGET, vragenderwijze voor 'doet het?' Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOEGET - samentrekking van 'doet het'; Hij doeget niet.

 

doek

zelfstandig naamwoord

doek

MP gez. Waor broeke zn, betaole gin doeke.

luier

Cees Robben t zn toch nog mar prullekes,/ pas amper uit den doek... (19551231)

samentrekking

doe ik

Cees Robben D doek z mar makketijen... (19671013)

Cees Robben s naachts doek niks as ruure en wne... (19780407)

Cees Robben Schl zien.. hik.. doek impetts...

 

doel

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: schietbaan voor handboogschutters: 'den doel'

Cees Robben k Keek is in den doel... (19560714)

WBD (III.3.2:226) doel of guld - vereniging van boogschutters

 

doen

werkwoord, sterk

doen

Stamtijden

- doen - di - gedaon de verleden tijd met i lijkt te verdwijnen en plaats te maken voor vormen met ee

- Boutkan - doen - dee - gedaon

- Boutkan voor de verleden tijd: di - dee

- Tegenwoordige tijd - ik doe / gij doet / hij doe

- Gebiedende wijs - doe (Boutkan: gij doe, imp. doet)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --  doen, ik doewet, wij doenet

Tegenwoordige tijd

- altijd vormen met korte oe

ik doe, gij doet, hij doe, wij doen, gullie doet, ze (zullie) doen

Dialectenqute 1876 - W doet ie doar? Ze doen der niks goeds.

Cees Robben: z ge doet, z worde gedaon

Cees Robben: et doe hier amml zeer

Cees Robben: schne doe ze wl

Cees Robben: W God doe, is wel gedaon
Tegenwoordige tijd vragend, en bij inversie van onderwerp en persoonsvorm het onderwerp wordt vaak samengetrokken met de werkwoordsvorm

doek / doede, doede gij / doetie, doeze, doeget // doeme / doede, doede gullie / doenze, doen hullie

Jan Jaansen - "Nou, dan doeme mee! Veuruit! Duvels dan mar!" (ps. van Piet Heerkens - uit: De nuuwe kapelaon van Baozel; NTC 938)
Cees Robben: dan doeme d saome t de frut

Jodocus - mar toch doeget me goed... (ps. van Jac. Stroucken; uit Toemet-hooi, 1993)
Tony Ansems - Ok al doeget gin pent... (uit: 'Za'k Moete Niese Akkum Aai; van de cd Tilburgse Liekes, American Style, Vol. II; 2009)
Verleden tijd

Verl. tijd van 'doen' (deed) met vocaalkrimping: di(n)

ik di, ik deej / ge dit, ge deet/ hij di, hij din, hij deej/ we din, we deeje/ gullie dit, gullie deet/ ze din, ze dinne, ze deeje, ook met 'zullie'

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- wij dinnet/deejenet; dik d; dittiet mar; din zullie d mar

Henk van Rijen: hij dit gre - hij deed het graag; ze zin dsset nie din

B Al di(n) ie ok niks

Hi wo nie doen, w d'aander din. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Ons volk,  1932)

De Wijs -- Zinneze d zennet dinnen? (feb. 1962)

Cees Robben: Wk k di, zllie din et aanders.- Wat ik ook deed, zij deden het anders.

Cees Robben: ak et ks, dik et ok: lk alle manne din; dan dik niks;

et knd mog nr hs: et dit n et aat goed; w didde gij vruuger?

w didde gij vruuger vur oewe kost?

Elie van Schilt - Dan nog de processie daor alle scholen aon meedin, de heilig hart processie naor dun Heuvel. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

Lodewijk van den Bredevoort - Op de nrregt laag de moter van et wasmesjien, die digget niemer. Ik waar hillemaol nie nuuwsgierig naor die dingen en hoefde ok nie te weete hoe d ziets in mekaare zaat. Ik vond d mar smrrig wrk zon ding t mekaare haolen om te kke wetter naa eigelek kepot waar, omdettie et niemer di. (ps. van Jo van Tilborg; uit: Kosset den brne eigelek wel trkke?, deel 2, 2007)

Lodewijk van den Bredevoort - Ze di net of ze dof waar... (ps. van Jo van Tilborg; uit: Kosset den brne eigelek wel trkke?, deel 2, 2007)

Henritte Vunderink - Ik di meej nt groot dikteej... (uit: 'Grot dikteej van de Tilbrgse taol', 2007)

- Dus d dik. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)
Verleden tijd vragend, en bij inversie van onderwerp en persoonsvorm het onderwerp wordt dan samengetrokken met de werkwoordsvorm

dik, deej ik / didde gij, deede gij/ dittie, deetie/ dimme, deeje me / didde gullie, deeje jullie, deede gullie / din ze, deeje ze

Cees Robben: w didde gij vruuger vur oewe kost?

Verleden tijd samentrekking van werkwoordsvorm, persoonsvorm, en voornaamwoord

De Wijs -- Mee d ze zaat, disset (feb. 1962) [deed ze het]

De Wijs -- Meej d ze zaat disst! (17-3-1962) (15-06-1963) [deed ze het]

Lodewijk van den Bredevoort - Op de nrregt laag de moter van et wasmesjien, die digget niemer. [deed  het] (ps. van Jo van Tilborg; uit: Kosset den brne eigelek wel trkke?, deel 2, 2007)

► digget

Verleden tijd, gebruikt als een verleden toekomende tijd

Lodewijk van den Bredevoort - As der kaort gespuld wier, vroege ze wel of ik meedeej. (ps. van Jo van Tilborg; uit: Kosset den brne eigelek wel trkke?, deel 2, 2007)

Voltooid deelwoord

- altijd: gedaon

Kubke Kladder - ...blij as 'n kend d z'n irste kemunie gedaon hee. (Uit 't klokhuis van Brabant 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929)

Kubke Kladder - ...en bovendien ik h m'n wordje goed gedaon, want ik z nie op m'n mundje gevallen al zeg ik 't zelf... (Uit 't klokhuis van Brabant 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929

Piet Heerkens - Zoo gezeed, zoo gedaon... (Uit: De gemeenteraod van Baokel; in Vertesselkes; 1941)

Cees Robben: W God doe, is wel gedaon

Cees Robben: tis gedaon

De Wijs -- Ach jonge, ik heb al gedaon veur d gij oe broek los ht. (23-10-1963)
Cees Robben: ik hb al gedaon vur gij oew broek los ht

Uitdrukkingen

- et nie doen, et slcht doen - verpieteren, wegkwijnen (van planten)

R - rges oover doen - ergens over tobben (Hij heeter veul oover gedaon)

R - oew ge doen - voor zichzelf zorgen: hij doe zen ge

MP - Tis niks gedaon - Het haalt niets uit.

De Wijs -- Al blaost ze nog zo hog van de toren, ze mt ve goed veege asse gedaon hee (20-03-1968)

De Wijs -- Dettie aaltij zo hg van de tren blaost, heettie van gin vremde, mar as ie gedaon hee, mottie vengoed veege! (17-08-1964)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- doen - gaan, doen (ik doe mar wir es p his aon)

Cornelis Verhoeven:  DOEN z.a.

Weijnen, Dialectaltlas: ik doe,(zonder j) krt. 68

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOEN ... ook: bedragen, weerd zijn

WBD III.4.3:27 'het niet doen', c.q. verrmoejen, niet willen groeien, armetierig, niet aarden, niet tieren, wegkwijnen, voor het begrip 'niet gedijen'.

Als hulpwerkwoord

WTT 2018 - Net als in het dagelijks gebruik van de standaardtaal kan doen gebruikt worden als een soort van hulpwerkwoord bij een infinitief. Zoals zullen een hulpwerkwoord is om een infinitief op de toekomst te richten, helpt doen het hele werkwoord om de activiteit daarvan te versterken. In het Standaardnederlands was deze  vorm enige tijd populair maar het gebruik ervan lijkt af te nemen (2018). Het gebruik lijkt gebaseerd te zijn op de manier waarop kleine kinderen vaak worden aangesproken. Ook de verleden tijd dik is aangetroffen in het Tilburgs. In geschrifte is het werk van Ferry van de Zaande tot nu toe de enige bron.

-  Dus ik zit daor meej ene grote tulbaand op mene kop n ene kwak kaorte vur men neus. n dan deej ik dus de toekomst vursplle wittenie? (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- n dan doede ammel grappen thaole wittenie?  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- n dan iets over eksposieties van van die kunstenrs. Die manne doen ammel van onze belastingsnte schilderije maoke  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- n d doe ik ammel netjes zonder vurrijkste bij heur binne zette.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Ik doe meej mnne kompjoeter dus af n toe ene natuurfillem kke n ik doe k ammel dating doen hi?  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Ik doe veul kke nr deeting. Wittenie? Dgge dus kunt aafspreeke meej 'n vrouwke. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Dus naa doe ik gewoon praote n doen zullie et vur mn tiepe. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Ik zg; Doede gij ok kooke?  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- As mene wiet rp is dan doe ik die aaltij zllef knippe meej ene grote knipschr. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Dan ging ik smreges de straoten aaf om de zak van Max p te haole. n die di'k dan wir verkope p de mrt. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

doening

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:87 'doening' = winkel

 

doerak

zelfstandig naamwoord

meestal gebruikt om een ondeugend kind aan te duiden. De etymologie twijfelt echter omtrent de afleiding. WNT lemma Doerak geeft: Ontleend hetzij aan russisch doerak, domoor of aan maleis doerhaka, ongehoorzaamheid, verzet. Robben gebruikt beslist de Russische variant in een prent over een jongetje dat is blijven zitten. De prent heeft als titel Stom.

Cees Robben ...Luijen doerak... (19580719)

Cees Robben Och munne lekkere doerak... (19751212)

 

does

zelfstandig naamwoord

hond (in kindertaal)

WBD (III,2.1:476) does = hond, ook 'hundje'

Cornelis Verhoeven: DOES m., oud en kinderlijk woord voor hond: doe 't doesje mr je.

A.P. de Bont: does zelfstandig naamwoord. m. 1) hond (kindertaal,); 2) de verbinding 'ene rwen does' wordt van een persoon gebezigd die slordig is op zijn kleren en in zijn werk.

 

doeskin

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

van Engels doe [spreek uit doo], hert, & skin; letterlijk hertenhuid; wollen stof die daarop lijkt.

Henk van Rijswijk - 2013 - Uitgesproken met een oe. (Schriftelijke mededeling)

Henk van Rijswijk - Doeskin: een oude naam voor wollen stof van fijne strijkgarens in keperbinding geweven, afgewerkt in kaalappretuur en gebruikt voor uitgaanskleding van leger-eenheden.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm

J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Doeskin - Minder zware Bukskin voor uniformen e.d. in 5 sch. satijn-binding.

 

doesser

samentrekking

doet ze er

Cees Robben ksie-ze-nie... Mar zn doesser... (19620622)

 

doffel

zelfstandig naamwoord

goedzak

N. Daamen - handschrift 1916 - "doffel - 't is zo'n goei doffel (goedmoedig en niet bij de hand)"

WNT DOFFELEN ww - inwikkelen, inpakken, t.w. een persoon in doeken instoppen, t.w. iemand die in bed ligt.

 

dfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

duifje

Cees Robben Daor zaate twee dfkes/ hil dicht bij mekaar... (19590822)

 

dgs

zelfstandig naamwoord in de tweede naamval; van de dag

Audioregistratie 1978 --  Mar dgs ndderaand moes de klne ngegeeve wrre bij de geminte, moeste en getge hbbe, war, mar die koste toen al ene vatte van de straot, die zeej Jan, kom fkes meej getge zn, mar ge had mist d de buurman meej gong (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Audioregistratie 1978 - En dan kwaam de slager, h, f de slachter dgs ndderhand. Dan kwam ie saoves gewoonlek n dan kwaamie die zaak kept snije n d ging dan in en hille grote tn  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

dojer

zelfstandig naamwoord

WBD dooier

 

Schilderij van Otto Modersohn (detail)

dkkele

Tekening: Cees Robben - uit: Fraters...

werkwoord, zwak

pootjebaden; (B) duikelen; dkkele - dkkelde - gedkkeld

-- Meej schon weer gingeme dkkele in de Laaj. Bij mooi weer gingen we pootje baden in de Ley.

Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - En weet ge, wat de schavuit had uitgevoerd? Hij was liefst gaan dokkelen" in het Bax-ven, en had bij Mie in den Baars een glas melk gedronken en den vos in de kooi bewonderd en de kauwen op het dak. (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "dokkelen - met de bloote voeten door het water loopen"

Kees en Bart: 'as 't blank stao moete dokkelen'

Piet Heerkens --

STERKE VROUW

Ziede gij daor d weuwke gaon?
Ze hee d'r witte klumpkes aon.
Ze staawt nog stevig deur de sneuw
al is z'al ruim 'n halve euw.

D'r muts is sneuw, d'ren rok is roet,
d'ren maantel, jao, die stao se goed.
Ze dokkelt nog zo dapper deur,
't is nog 'n kraachtig wijfken, heur!
Uit: De Mus, Piet Heerkens; Tilburg 1939

Cees Robben Enkel kender in de Laai/ Dokkelen w in dn braai (19570704)
Cees Robben Ik z mee mn mokkel in de Laai wiste dokkele... (19850607)
Cees Robben Gaode zwemme, Naris... / Zwemme... / Ik kan nog mar aamperkes dokkele... (19610630)

Henk van Rijen: dur et slk dkkele - door de modder lopen

Pierre van Beek: dokkelen, verband met 'dokkeren'? Klanknabootsing?

Elie van Schilt - Bekaant tegen Ln op Zaand lagen de plakken, ok wel genoemde ut Lons Laaike, ut waren verschillende plaassen, rondom groeide er haai, daor gingen we 's zomers ok wel dokkelen, zwemmen konde er nie, ut was te ondiep. (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)

Ed Schilders -- Tilburg aan de Ley (Het lied van Peerke Donders; uit de Tilburgse Revue 'Gloria Historia', 2009):

Ja, ik heb in Suriname heel mn leven hard gewerkt
Tussen lepra en melaatsheid, tussen ziekenhuis en kerk
Het was uit naastenliefde, en het was een hels karwei
En ik droomde cht waar lke nacht van Tilburg aan de Ley.
 

Bij het laatste zonlicht las ik vaak een stuk uit mijn brevier
Of ik bad een rozenhoedje in mijn boot op de rivier
Dan stroomde traag de Coppename links en rechts voorbij
En dan dacht ik bij mn eige: Kijk, t water van de Ley.
 

Ik zag ziekte, dood, dag in dag uit, ellende, slavernij
En dan smeekte ik Wi Tata - Onze Vader, maak ze vrij
Wat zou ik dan nog treuren om mijn schaapjes op de hei
Maar ik wou nog n keer dokkelen int water van de Ley!
 

Refrein
Dit maakt me blij! Dokkele in de Ley!
Dit maakt me vrij! Dokkele in de Ley!
 

Nee, ik ben nooit meer teruggekeerd, ik had het veels te druk
Met verzorgen van melaatsen, en hun vleugje klein geluk.
Ik kan niet trug en daarom maakt dit water mij zo blij
Dat ik hier nu kan staan dokkele int water van de Ley.

Foto: Frans van Aarle

 

Dialectenqute 1876 - Hij dokkelt in de Laai - baadt in de Lei

Stadsnieuws: In de vekaasie fietsteme nr Esbeek om te gn dkkele in de Flaos. (151210) - In de vakantie fietsten we naar Esbeek om te gaan pootjebaden in de Flaas.

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dokkele - pootje baden

A.P. de Bont: zw. ww. intr. I gezegd v. geluid door stoten op straatstenen; II. teuten,'kloten', niet vooruit kunnen.

Jager DOKKELEN - dokken - beide heeft Kil. voor duikelen, duiken: zie ook Ten Kate II 172. In De Jagers citaat betekent 'dockelende' bukkende of duikende.

Cornelis Verhoeven:  DOKKELEN onov. ww. - wat onhandig en onzeker lopen, gezegd van kinderen en van mensen die zich over een slechte weg, bv. door de modder te voet voortbewegen. Ook: pootjebaden.

De Bo DONKELEN = duiken

De Jager - wdb. Frequentatieven - DOKKELEN - dokken: Beiden heeft Kiliaan voor 'duikelen, duiken'.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - DOKKELE- pootjebaden (midden v. nbrab.) Mogelijk iterativum bij 17e-eeuws dokken 'duiken' (of 'doen duiken'?)

WBD III.1.2:160 'dokkelen' = waden

WBD III.1.2:161 'dokkele' = pootjebaden

WBD III.4.4:185 'dokkelplaats' = doorwaadbare plaats

 

dkkeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

dokkeltje

Frans Verbunt: klein meisje.

WTT 2017: waarschijnlijk gezien de wijze waarop kleine kinderen enigszins waggelend lopen.

 

dkmardeur

zelfstandig naamwoord

Buuk - donateur van de carnavalsstichting Tilburg: dok maar door; dokken = betalen, geld doneren.

 

dkplank 

zelfstandig naamwoord

duikplank

D. Boutkan: dkplank

 

dkt

persoonsvorm van 'dke'

duikt

tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers. van 'dke', met vocaalkrimping

 

dkter

zelfstandig naamwoord

dokter

MP gez. Waor den bakker zit, hoeft den dkter nie te zitte.

MP gez. Oewe gang is ginnen dktersgang.(= geen kostbare onderneming; = behoeft geen haast)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den dkter = dr. Schuerman (blz. 71)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den dctr = P.C. de Brouwer (blz. 29)

 

Dokus

eigennaam

verkorting van Judocus

Cees Robben (19590620)

►dookus

 

dl

zelfstandig naamwoord

dol

Henk van Rijen: dlle kop - 'koopje'

WBD III.1.4:230 'dol' = razend van woede

WNT DOLLEKOOP - koop tegen spotprijs, spotkoopje

 

dlder

zelfstandig naamwoord

daalder (destijds munt van anderhalve gulden); waarde van anderhalve gulden

En goej klap is enen dlder wrd.-

Cees Robben Vur n haffel dolders...(19851122)

Henk van Rijen: den irste klap is enen dlder wrd - Een goede klap is 'n daalder waard. - de eerste klap is een daalder waard

 

dlderij

zelfstandig naamwoord

moeilijkheden

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - rges meej in de dlderij koome (D'16) in moeilijkheden komen

 

dlleke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

lief meisje

GG d kln dlleke van onze Toon

 

dllekes

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen: denneappels

WvM 'de d van de dullekes by os op den deel'

 

dllik

bijwoord

dadelijk, meteen

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: docht ik dollik - daar geannoteerd met: dadelijk.

-Idem: Truike kik dollik nuwsgierig op.

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

dlper, dlleper

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: dorpel, drempel; ook: 'drrepel'

- Met metathesis uit 'drpel'

Van Delft - Een dorpel noemt hij een "dulleper"; een orgel een "ulleger"; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit "Kullever" noemen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Cees Robben Swels dn lleger spulde/ stlperdenie over den dlleper van de Klleverse kerk.. (19651015)

 

dls

zelfstandig naamwoord, meervoud

moeilijkheden, trubbels

Meej den dieje hmme veul dls gehad.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - rges veul dol(s) meej hbbe ('87)

WBD III.1.4:358 'dols' = moeite; 383 'dols' = drukte

'dol' als in Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  + genitief-s (partit.)?

Hees - dol 'moeite, last' (I:43)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - 'veel of grooten dol met iets hebben' voor 'veel moeite'; z.a.

Weijnen, Dialectaltlas: blz.165: dols komt voor naast 'laast'; 'geneuk' = synoniem, (krt.95)

A.P. de Bont: dla'si zelfstandig naamwoord.vr.'dollatie' - drukte, herrie, beweging.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOL zelfstandig naamwoord. m., zonder meerv. - last, moeite, leed, beslommeringen

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
'dols' - moeilijkheden

WNT DOL (V) Thans boven den Moerdijk niet meer gewoon: 1) last, moeite

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - DOL (I) - moeite, last

 

dlt, dlde

werkwoord, persoonsvorm

daalt/ daalde

tegenwoordige tijd/ verleden tijd van 'daole', met vocaalkrimping

 

dom

zelfstandig naamwoord

naaf (nevenvorm van 'duim')

WBD 'dm' - naaf (II:2764)

WBD III.1.4:33 'dom' = idem

WNT DOM (II) - doem -, zelfstandig naamwoord. bijvorm van 'duim' - Naaf

 

Domien

eigennaam; van Dominicus

Cees Robben Oew slekbord rammelt... riep Domien (19600722)

Cees Robben Moete d zien, Domien... (19840302)

 

dmke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

duimpje; centimeter

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de dmkes is vur iemand wrm haawe (D'16) - De duimpjes eens voor iemand warm houden = Duimen voor iemand.

WBD III.1.1:155 'duimke' = duim

 

dms

bijvoeglijk naamwoord

duims, een duim dik

A.P. de Bont: bijvoeglijk naamwoord  'duims' een duim dik; dmse planke.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUIMS(CH) Enen duim lang, breed of dik: duims(ch)e planken

 

dondekaoters

Tussenwerpsel, krachtwoord.

uit donders + kater

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - Komt hersop, in 't huukske; griest en lutske t is dondekaoters kaauw.

 

donderdaag

zelfstandig naamwoord

donderdag

Dialectenqute 1876 - Donderdaag

 

donderjaoge

werkwoord, zwak

herrie maken, vervelend doen

Zn de knder wir nt donderjaoge!

WBD III.1.4:401 'donderjagen' = zich vervelen

410 'donderjagen' = vervelen

dnderjaoge - dnderjaogde - gednderjaogd

A.P. de Bont: dndarja.ge^n) zw.ww.intr. - donderjagen, razen, tieren, leven en rumoer maken.

WNT DONDERJAGEN - het iemand lastig maken, zaniken, zeuren,vervelend zijn.

 

donderleider

zelfstandig naamwoord

bliksemafleider

WBD (III.2.1:65) donderleider - bliksemafleider

 

Dongesewg

toponiem

Aan de Dongenseweg was jarenlang een woonwagenkamp gesitueerd

Cees Robben Op den Dongeseweg... bij de minsten van al (...) Bij het woonwagenkamp (19600102)

 

donker

bijvoeglijk naamwoord

donker

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - z dnker as et bakkes van de hl ('31)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Onze Lieve Vrouw stao int dnker ('73) -men zit er krap bij

WBD III.2.3:190 'donker brood' = zemelenbrood

WBD III.4.4:2 'donkere maan' = nieuwe maan

WBD III.4.4:16 'donker'= bewolkt

WBD III.4.4:238 'donker worden' = schemeren

 

donkere, donkerte

1. zelfstandig naamwoord: de duisternis, de avond, het donker

Cees Robben: Vur den dnkere teus!

Henk van Rijen: 'Ge wit d ge vur den donkerte ts mot zn, war?'

Henk van Rijen: 'W zit te daor tch mmol in den donkerte?' Wat zit je daar in het donker

Cees Robben As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... (19661202) [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]

GD94 Ik kwaam in den donkere wir ts

Frans Verbunt: ik zie in den donkere nt zo goed as zonder licht

d deeje fetsoenleke jongens en mskes nie, die waare vur den donkerte ts. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Piet van Beers Gin strom: dan zitte we amml tegelk/ in den donkere meej z'n alle. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord.m. 'donkere' - duisternis:'veur den donkeren thous zen'

Goem. in den dungkere; v den dungkere; van den dungkere.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DONKERE zelfstandig naamwoord.m. - het donker, de duisternis

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- 'donker' zelfstandig naamwoord donker: vur d'n donkere thuis!

Frans Verbunt: het invallen van de duisternis

WNT DONKERTE - l) duisternis, 2) donkere plek, plaats

2. werkwoord, zwak

donker worden

't Begon stillekes aon te donkeren. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WBD III.4.4:238 'donkeren' = schemeren

 

dons

samentrekking

die van ons

Frans Verbunt: dons - die van ons (samentrekking)

 

dod

bijvoeglijk naamwoord/zelfstandig naamwoord

dood

gez. Ge gaot nie dod vurd ge en kr zaand p ht.

Je sterft niet voor je tijd.

Kees en Bart: 'dodsveraachting'

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- et kiendje was dod vurdsset ksse dope

gez. om de doje dod nie - beslist niet

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as ge dod gaot, gaode int paopekltje (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1968) - kinderplagerij

Frans Verbunt: dod is nie rg, mar ge mot zo verrkkes lang stilligge

Frans Verbunt: zrgt dgge nie dod zt vurdgge dodgaot

WBD III.1.2:194 'mee de dood in zijn ogen lopen' = wegkwijnen

WBD III.1.2:219 'dood' = verkleumd

WBD III.1.1:256 'dood' = gevoelloos; ook 'doof'

WBD III.2.3:266 'dood' = verschaald (bier)

GD08 Och val dod, meens, lfde gij ng!

 

dodgemoedererd

bijwoord

doodgemoedereerd, zonder blikken of blozen, alsof het niks is

Meej ene gestripten brsrk aon/ aachter enen bol aonjaoge/ n daor ng dodgemoedereerd intree vur drve vraoge... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Van den aandere kaant bekeeke)

Cees Robben Hij zeej ddgemoedereerd dek unne interessaante meens z... (19591107)

Cees Robben [dirigent tegen koorzanger:] Fortissimo, d wil naa krek nog nie zegge degge ddgemoedereerd gewoon moet gaon staon te kwke. (datum onbekend)

 

dodmaoke

werkwoord, zwak

doodmaken

D. Boutkan: (blz. 33) dodmaoke (geen klinker-verkorting)

 

dodmuug

bijvoeglijk naamwoord

doodmoe

Kees en Bart: dodmuug

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOODMUUG - doodmoede

 

dof

bijvoeglijk naamwoord

● doof, dove; van gehoor

Cees Robben [Moeder roept kind:] Gonneke.. Gon.. Gonda... heurde-me-nie dve kwartel... (19680621)  - Robben heeft bewust de naam Gonda gebruikt: de heilige Aldegonda van Maubeuge gold voornamelijk als geneesheilige tegen kanker maar zij werd ook aangeroepen ter genezing of voorkoming van doofheid. (Jo Claes e.a., Geneesheiligen in de Lage landen; 2005.)

Frans Verbunt: ne meens mt veul nheure assie nie dof is

Hij wier n baaj de kaante wl w dof. (Henritte Vunderink, Vergeefse mankemnte, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

● gevoelloos; verdoofd

Cees Robben Mn been is df... (19680419)

Cees Robben [zieke vrouw:] Dokter, mn haand is wir df (19831216)

WBD III.1.1:256 'doof' = gevoelooos; ook 'doof'

WBD III.4.4:2 'dove maan' = nieuwe maan, ook: 'donkere maan'

 

doj

zelfstandig naamwoord, meervoud

doden, overledenen, meervoud van doje

Kees en Bart: gin dooi

Kees en Bart: bang dtter dooj bij valle

Dikkels ging et ok oover de dooj in de buurt. D waare we dan gewaor gewrre omd de gerdne daor dicht waare f omdtter zon busseltje vur de deur ston. As daor witte strikskes n zaate dan waarder en kiendje dod. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DOODE voor 'het lijk'; oud gebruik, reeds bij Melis Stoke. Z.a.

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord. m. 'dooie' - dode; mv.'deui' - doden

bijvoeglijk naamwoord

doods, dor

Dialectenqute 1876 - dooi bloajer - dorre bladeren

Cees Robben - ...in d dooi vervallen huis (19600826)

WBD III.3.3:322 'dooimis' = dodenmis

 

doje

zelfstandig naamwoord

dode, overledene

Tweej, drie daoge stonde ze zoiets ... den dojen in hs n dan brchte ze em wgj, d was de kl in! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

dojer

zelfstandig naamwoord

dooier

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- d maoke ze meej den dojer van en aaj

 

dook, dookus

sul

Stadsnieuws: 'den, et is ene goejen dook, mar hij heej nrgeraand rg in' - Och, hij is een goede sul, maar je kunt hem van alles wijsmaken. (281107)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - DOKUS, (verkort) DOOK - sukkel, sul (Zeeland, Tilb.) wsch. Verkort uit de eigennaam Judocus

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - (2e druk) ... Van een basis die 'zwellen' betekent en ook aanwezig is in Lat. tumor 'gezwel' en in nl. duister.

 

dok

werkwoord, persoonsvorm.

dook

D. Boutkan: (blz. 66) 2e pers. pl. gullie dokt/ dokt

- verleden tijd sing. van 'dke'

 

dooka

zelfstandig naamwoord

trage trut

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "docha -'t is zo'n docha (dutsel)"

Cees Robben t [de vrouw] is en blft n dooka... (19830617)

Stadsnieuws: 'Et is me tch en dooka; ge kunt er nie meej hrt f vort' (270108)

 

doole

werkwoord, zwak

dolen

doole - dolde - gedold

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij dolt

 

dop

zelfstandig naamwoord

doop, doopsel; voltrekking van het eerste sacrament bij rooms-katholieken

Cees Robben Maag ik k meej naor den dp zuster... (19690530)

 

dope

werkwoord, zwak

dopen

Boutkan - doope - dpte - gedpt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dpt

R.J. Thske hk em laote dope

figuurlijk gebruik van het doopsel, het sacrament van de doop waarbij de pasgeborene wordt begoten met water; vandaar: verdunnen met water

Cees Robben En de miste kasteleins zen nog  t biste rms k... Ze dpen dren snevel nog aaltij aauwverwets... (19831007) [water bij de jenever doen]

Cees Robben [Over slappe koffie:] Meej t volgende zetsel kunde vort dpen... (19621116)

Dialectenqute 1876 - doapen - doopen

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --  et kiendje was dod vurdset ksse dope

Henk van Rijen: meej et vlgende ztsel kunde vort dope (gezegd als er slappe koffie geschonken wordt)

D. Boutkan: dope, dopkled, dopvont

 

doore

zelfstandig naamwoord

dorens

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- die roze hbbe lange doores

D. Boutkan: die rozen bbe lange dorens

 

doorevink

Ill.: Naumann - doorevink - groenvink - chloris chloris

zelfstandig naamwoord

groenvink, Chloris chloris (?)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "doorevink - groene vink"

WBD III.4.1:131 'doornvink' - groenling

 

dos, duske

zelfstandig naamwoord

doos; (fig.) onnozel vrouwspersoon, doetje

w zde tch en dos! - Wat ben je toch een doetje.

Cees Robben: Hdde d tch onderaand deur, dos d ge zt!

gez. PPierre van Beek: (Van een vrouw die gevallen was met een doos als bagage): n daor laag ze dan: den dos nffe daander.

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "dos - 't is zo mar een dos (meisje zonder energie)"

WBD III.1.4:34 'doos' = domme vrouw

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- 'ds' - doos, gans

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOOS (scherpl. o), verklw. doozeke(n), dooske(n), Kemp. dske(n), zelfstandig naamwoord.v. Wijf. Wordt niet enkel verbonden met 'oud': 'n o doos, maar ook met gierig, lui, smrig en vuil

Bosch doos - doos, domme vrouw, onnozele vrouw

WNT DOOS - weinig bij de hand, onnoozel vrouwspersoon die gemakkelijk is beet te nemen.

 

dove

werkwoord, zwak

Henk van Rijen: doven

WBD III.3.3:115 'doven' = idem (kaarsen)

zelfstandig naamwoord

dove

Pierre van Beek -- "Hier zie ik oe, zeej den blende!" en "Naauw heur ik oe, zeej den dove!" kan iemand wel eens ten antwoord krijgen als hij "goed uit den hoek komt" of de spijker op de kop slaat. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den dove = (Jan Kortenray jr.) (blz. 50)

 

dp

zelfstandig naamwoord

dop

WBD dppen n de speene hbbe - (v.e. merrie) afscheiding geven uit de tepels als bewijs van zwangerschap, ook genoemd 'behaawe zn' of (Hasselt) 'nt re zn'

 

dpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

dopje

V -- Aftelrijmpje! pke dpke booterstpke, pke dpke dons

verkleinwoord van 'dp', met umlaut

 

dopkled

zelfstandig naamwoord doopkleed

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --  dpkled

WBD (III.3.3:279) dopkleeke = doopkleed

 

doppeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Frans Verbunt: dubbeltje (op Korvel en in Goirle)

 

dopsel

zelfstandig naamwoord

doopsel

Cees Robben: van et dpsel tt den dod

WBD (III.3.3:279) dopsel = doopsel

 

dopt(e)

werkwoord, persoonsvorm

doopt(e)

tegenwoordige tijd / verleden tijd sing. van 'dope', met vocaalkrimping

 

dopvont

zelfstandig naamwoord

doopvont

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --  dpvnt

WBD (III.3.3:60) dopvont = doopvont

D. Boutkan: dopvont

WBD III.3.3:60 dopvont, dopvontkepl

WTT 2012 - Ook onzijdig gebruikt:

Elie van Schilt - In de kerk aongekomen bij ut dopvont, daor wier oe kupke onder al die lappen uytgefrut en mee un " Ik dp oe in de naom van de vadder en de zoon en ok nog dun heilige geest"... (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

 

dr, daor

bijwoord

daar

As ge dr zt, moete dr blve.

 

drnve

bijwoord

daarnaast

Interview Hermans - 1978 - Op Broekhooven en Toen wij en jaor f twaalef waare stond die krk er ng nie want d was irst en hil grote waaj n drnve hadde boer de Brouwer woone en toen is daor en krk gezt n is d ammel veraanderd. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

drp

zelfstandig naamwoord dorp

Den Haajkaant is gin drp mir.

MP gez. On et drp de praacht, mar hier de maacht. (Gez.van Goirkenaren: het geld was op 't Goirke te vinden)

Cees Robben: et drp d spraak van en wnder;

Dialectenqute 1876 - durp - dorp (vgl. de spelling 'putjes' voor 'ptjes'); durpspln

gez. et kan beeter van de stad as van et drp (wegens het vermogen)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - n et drp de praacht, mar hier de maacht (Ps) - Het geld was op 't Goirke te vinden.('Het dorp' het Goirke, een deel van Tilburg)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der gebeurt in en stad meer as in zeuve drpe (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970)- waar veel mensen wonen, kan veel gebeuren

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DORP (uitspr. drrep) zelfstandig naamwoord.o., Fr. village - dorp; heeft ook de bepaalde beteekenis van 'dorpskom', het gedeelte v.e. dorp dat rond de kerk ligt en gewoonlijk het meest bebouwd is.

WBD III.3.1:317 'dorp' = dorpskom, centrum v.h. dorp, ook 'kom'

 

drpel

zelfstandig naamwoord, dorpel, drempel

MP gez. Et klinkt nt f dgge meej en klapmuts p enen houteren drpel slaot.

Dialectenqute 1876 - drpel ( van 'Mrder), sleepend: drrepel

Henk van Rijen: 'drrepel, dlper'

B drpel

WBD (III.2.1:41) dorpel - vensterbank buiten

WBD (III.2.1:42) vensterdorpel - vensterdorpel

WBD (III.2.1:65) dorpel = drempel

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - dorpel, durpel, delper - drempel ( = deur + paal)

Weijnen, Dialectaltlas: drpel (blz.18, 74)

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord.m. - dorpel, drempel

WNT DORPEL, in de schrijftaal is 'drempel' meer gewoon...

als dlleper

De verwisseling van de R en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie: Van Delft - Een dorpel noemt hij een "dulleper"; een orgel een "ulleger"; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit "Kullever" noemen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Cornelis Verhoeven:  DORPEL (drpel, maar dikwijls ook: dlleper) m. drempel: go mr op den dlleper zitte; hij komt hier nie over den dlleper. (Samen met dam een woord dat geladen is met territoriale instincten.)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - dorpel, durpel, delper - drempel ( = deur + paal)

Henk van Rijen: 'drrepel, dlper'

- L -- Wordt met R verwisseld, en omgekeerd. Zulker (zurkel), flamboes (framboos), kellever (kervel), hallever (armvol), enz. (Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon, 1865-1870)

 

drreve, drve

werkwoord, zwak

durven

Kees en Bart: ge dorft nie; as ie dorf dan ...

Mar Kees toch zin de toeheurders, en dorrufde gij d? Ja, dat dorf ik, zi Kees. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Hoeveul taartjes d Sien op heej/ d drf ik nie te schatte. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Pertrtjes keke)

Audioregistratie 1978 -- daor drref ik nie, daor drref ik alles nie oover te vertlle, van vchtpartije n van allerhande dinge, n, n, n d doewek nie, n, daor hoefde ok nie bij te zn ok nie! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Dialectenqute 1876 - ik drf, ik dierf

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- drfde gij daor p te douwe?

D. Boutkan: dreve - dieref - gedrefd/gedreve

B drve - drfde - gedrfd; ik durf, gij drft, hij durft, mv. durve,

Henk van Rijen: 'drreve - drs'

- verleden tijd 'doorf' (Gols ?)

WBD III.1.4:129 'durf' = moed; 132 'durver', 'durfal' = durfal

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DORF in den verl. tijd van 'durven' gebruikt men hier vrij algemeen, zelfs onder beschaafde lieden; ook in den 3den persoon: hij dorf. Z.a

Weijnen, Dialectaltlas: Krt.71 geeft een zwak verleden tijd; het 'dorf'-gebied (met korte vocaal) ligt even ten N, resp. ten W. van T.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DERVEN (in 't Z. der Kempen ook: darren en drven); verleden tijd 'dorref' DRVEN (uitspr. drreven) - durven, Fr. oser. Vd: gedorven/ gedrven.

 

drrom, drrem

bijwoord.

daarom

Henk van Rijen: 'drum'

Frans Verbunt: ook: om drrom

WvM 'Durrum ghinge way ...'

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
drrem - vnw. daarom

 

drse

werkwoord, zwak

dorsen

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 drse, hij drst, hij drste, hij heej gedrst (sic)

B drse - drste - gedrse

A.P. de Bont: drse(n) ww (verl. tijd 'drste', verl. deelw. 'gedrse(n)' en zeldzamer

'gedrst' tr. - dorsen

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
'dorse' - dorsen; deelw.: gedorse

 

drst

zelfstandig naamwoord dorst

Frans Verbunt: et zn bedrve kiendjes die van drinke drst krge(ook Stadsnieuws: 120706)

 

dster

bijvoeglijk naamwoord

duister

Den aawen Wenter zit in z'n hut;

et is er koud en dster (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, Wenter en lente, 1944)

Cees Robben: de kster int dster

WBD III.4.4:238 'duister = donker; 238 'duisteren' = schemeren

WBD III.4.4:238 'duister worden' = schemeren

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUISTER (uitspr. dster): Zoo duister as e graf.

 

dsternis

zelfstandig naamwoord duisternis

Cees Robben Daor uit de dsternis/ kwaamp unne vremde stoet (19600715)

 

Dts

bijvoeglijk naamwoord

Duits

nen dtsen sldaot

Ok de veurlichting, ok in un pril stadium, w waar d eigeluk? kwam nicht im frage, om mar ens op den Dtse toer te gaon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - dtske = uit Duitsland afkomstige vrouw (blz.87)

n et valt me steeds op dt er lke ker/ Dtse toeristen n koome draove,/ die daor dan diepe kle gn graove... (Henritte Vunderink, "Dtse klegraover", uit: Tis de moejte wrd; 2011)

A.P. de Bont: dts, bijvoeglijk naamwoord . - Duits

Goem. DUITSCH - dts

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUITS (uitspr.dts) zelfstandig naamwoord.m. (niet als bijv. nw. vermeld)

 

Dts, den

zelfstandig naamwoord

de duitsers

Sommegte waare vur den Dts. - Sommigen waren duitsgezind.

synecdoche

Op enen aovend, t moet Vrijdag of Zaoterdag zn gewist want ons moeder was de knder in bad n t doen, kwaam ons overbuurvrouw binne n vertelde d den dts had gecapituleerd (Nel Timmermans; den orlog; CuBra; 200?)

A.P. de Bont: dts bijvoeglijk naamwoord . Duits; 'den Dts' - de Duitsers

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUITS(CH) (uitspr. dts.) zelfstandig naamwoord. m. -Duitscher: 'nen Duits(ch); de duits(ch)er

Die man is 'nen Duits(ch).

 

Dts mesjien
zelfstandig naamwoord

hulpmachine bij het weven; letterlijk 'Duitse machine'

Gerard van Leijborgh - Het weefgetouw", zoo antwoordde hij, is het persoonlijk eigendom van den wever; die weven wilde, moest maar zorgen, dat hij een getouw had. Het getouw, waarop ik altijd geweven heb, werd door de firma Van Meerendonk gemaakt, evenals het Duitsch machien*. Van Meerendonk was zoowat de alleenheerscher op dit gebied, op 't Goirke, Hasselt en Heikant. Het maken van zulk een weefgetouw kostte plm. 40 gulden, dat was voor vele wevers dikwijls een heele som, zoodat hij in eere gehouden werd.
* Duitsch machien = een soort jacquard of harnas, in tegenstelling met Fransch machien.
(De laatste Tilburgsche huiswever 3, Nieuwe Tilburgsche Courant, 16-11-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)

 

Dtser

zelfstandig naamwoord, eigenaam

Duitser

- Vlak bij de grens worren ze opgejaogd dur de kommiezen, de smokkelaers zuuken lijfsbehoud in 't vrmde laand. Mar om daor te komen moeten ze dur den elektrieken draod, de moordende afrastering die de Dtschers in de oorlogsjaoren tusschen Brabant en Vlaonderen spanden. Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- de tweej dtsers kwaame nr bte

 

double face

zelfstandig naamwoord mannelijk - stofnaam (textiel)

double face

Henk van Rijswijk - 2013 - Ik ken de uitspraak alleen in de Engelse versie. (Schriftelijke mededeling)

Henk van Rijswijk - Double face: de naam geeft aan dat de stof een dubbel uiterlijk heeft. Men noemt dat ook wel reversible. Een reversible-coat is een jas die aan twee zijden gedragen kan worden. Het is een dubbelweefsel waarbij de twee zijden gewoonlijk door bindkettingdraden met elkaar verbonden zijn. De bovenzijde heeft meestal een andere structuur en kleursamenstelling dan de onderzijde. Het onderweefsel is vaak geruit. Toepassing winterjassen (ulsters

 

 

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm

J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Double-face. Weefsel met verschillend gekleurde of bedrukte zijden, b.v. dekens.

WNT lemma Doubleface 2001 - znw. m., mv. -s. Uit fr. double-face (T.L.F.); zoo ook du. doubleface; vgl. eng. double-face (1966). Ook nog wel los geschreven, of met een koppelteeken. ↪ (Text.) Dubbel geweven stof met aan de twee zijden verschillende patronen of verschillende kleuren. Double face, kaardgaren wollen stof, dubbel geweven met verschillend patroon in onder- en boven weefsel, meestal gemleerd boven, geruit onder, V. HOYTEMA, Garen 176 [1917]. Dubbelweefsels. Hieronder verstaat men weefsels, die uit minstens twee ketting- en twee inslagstelsels bestaan en als het ware twee weefsels vormen, die boven elkaar liggen en van verschillende kleur en/of kwaliteit kunnen zijn (double face), V. PAASSEN en RUYGROK, Textielwaren 206 [1965].

 

douw

zelfstandig naamwoord

duw

Cees Robben: Gift mn df en xtraa douwke

Henk van Rijen: 'daaw'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOUW zelfstandig naamwoord. m. - duw: iemand 'nen douw geven.

WNT DUW, douw

 

douwderiedouwke

zelfstandig naamwoord

alleen aangetroffen bij Piet Heerkens

deuntje, melodietje

en zong z'n douwderidouwke:  (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Aaw Tilburg, 1938)

 

douwe

werkwoord, zwak

duwen

Cees Robben: ge douwt em in den zoeren azn;

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 drfde gij daor p te douwe?

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dan moete aandersm gn zitte, dan douwt et (ED'84) - reactie op de klacht 'Het trekt hier'.

B douwe - douwde - gedouwd

Henk van Rijen: douw et mar du(r) de deur deur

Frans Verbunt: dernder gedouwd wrre - begraven worden

Henk van Rijen: 'daawe'

WBD III.1.2:82 'douwen' = stoten

Weijnen, Dialectaltlas: Krt. 69 geeft 'douwde' als verleden tijd en 'gedouwd' als part., waarnaast in westelijke stukken van T. 'gedouwe' voorkomt.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOUWEN - duwen, Fr. pousser; er van gedouwen zijn - er aan toeleggen, het bekoopen.

GEDOUWEN: 3e hoofdvorm van 'douwen'

WNT DUWEN, douwen

 

douwkr

zelfstandig naamwoord 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

Frans Verbunt: stootkar, ook 'sttskr'

En n de vurdeur kwaam elken dag de melkboer meej en douwkr meej enen hond eronder die moes hlpe trkke. (Nel Timmermans; Wtter amml n de deur komt; CuBra; 200?)

 

draacht

zelfstandig naamwoord 

dracht

WBD III. 4.3:26 'dracht' = drachtig zijn

 

draaibom

zelfstandig naamwoord

WBD draaiboom voor de koeketel (draaibare boom aan een staande paal)

LDM: Velen van ons hebben nog wel de leurders gekend uit Kaatsheuvel met bezems en boenders. Was de stal aan het huis verbonden, dan was er vanaf de goot ook een deur, die toegang gaf op de voorstal, de ruimte waar het vee gevoerd werd. In de woonkamer naast de gootdeur was dan de draaiboom, een staande balk, die draaide tussen vloer en zolder met aan het boveneind een liggende balk, tussen beide zat een schuine stutbalk. Aan het vrije uiteinde hing een stang of ketting met haak, waaraan de sopketel op juiste hoogte boven het haardvuur kwam te hangen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 Rond de boerenhaard 1; NTC 27-6-1952)

A.P. de Bont:: dreiboom zelfstandig naamwoord. m. - draaiboom, 'op ene spil draaiende boom, waarmede men een last verplaatst' (WNT s.v. 2)

 

draajbrd

zelfstandig naamwoord.

Van Beek - "'t Is een draaibord" - Hij waait met alle winden. - Hij huilt met de wolven, waarmee hij in 't bos is. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

draaje

werkwoord, zwak draaien

WBD schon gedraajde koej - koe met mooie billen, ook genoemd: 'vierkaante', 'meej goej / mooje bille', 'meej goej aachterstl'

WBD et kalf zit gedraajd, resp 'aachtersteveure' - met de kop naar achter, dus verkeerd (vr de geboorte,)

WBD in zen hakke draaje - (v.e. paard) bij het stappen de voeten naar binnen keren, ook genoemd 'haoks' (loope)

WBD draaje - keren (v.d. ploeg, aan het eind van een akker)

- draaje - draajde - gedraajd

WBD 'dur de meule draaje' - worstvlees en -vet kleinmaken, ook genoemd 'durdraaje'

Kees en Bart: der duukskes m draaje

Cees Robben: Zdde gij oew braoj daor k in wille draaje?

Van Beek - "Ik ben er mee gedraaid". Ik ben er mee klaar! 't Valt niet mee. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Frans Verbunt: draaien as ene stront in ene pispt

Weijnen, Dialectaltlas: geen umlaut (blz. 91/92)

Antw DRAAIEN - Iemand iet draaien - hem iets kwaads toebrengen.

WBD III.1.4:417 'draaien' = slinkse streken

 

draajers

zelfstandig naamwoord, meervoud

WBD knobbels (kleine heupen achter de grote heupen, meestal in de vorm van uitstekende botten of knobbels, bij koeien)

 

draajhkke

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) draaiend weidehek

 

Dendrocopos minor

draajnk

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: kleine bonte specht (Dendrocopos minor; ook: Picus minor)

WBD III.4.1:142 draajnk - bonte specht

 

draank

zelfstandig naamwoord

drank

Kees en Bart: sterken draank

Cees Robben: naa moete den draank vort t oew lf laote

Cees Robben: ge moet den draank en mnd laote staon;

Frans Verbunt: ge kunt den draank t zen bakkes tappe (gezegd van iemand wiens gezicht drankmisbruik verraadt)

Cees Robben: 'ge moet d'n draank 'n maond laote staon ...'

 

draant

bijwoord.

Henk van Rijen: intussen, inmiddels

Samentrekking van 'onderhaand' ?

 

drab

zelfstandig naamwoord WBD III.4.4:l68 'drab' = modder, slijk

236 'drabbig' = troebel

WBD III.2.3:267 'drab' = droesem (bezinksel in wijnfles)

WBD III.2.3:276 'koffiedrab' = koffiedik

 

drang

zelfstandig naamwoord.

het gedrang

Derde rang [in de bioscoop], dan moete hil den tijd staon en in den drang staon ok nog! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

 

draod, drjke, draojer

zelfstandig naamwoord

draad

Cees Robben - ...de vring van dn draod... (19560630)

- Er was geen goeie draad mee te spinnen. - Hij was onhandelbaar, er was niets mee aan te vangen. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Interview Hermans - 1978 - want affktgaores op zichzllef die zijn van ketoen mar ge ht ok veel die gevrfd zn dt wol is, war..want ene wollen draod kunne ze nie zo dun maoke as ene gewoone hillen dunne zijen draod fwl ene ketoenen draod. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

WBD kttingdraod (II:989) - kettingdraad

WBD lngdraod (II:1012) - lengdraad: ter reparatie v. kettingdraden

WBD inslagdraod (II:1029) - inslagdraad

WBD prikkeldraod, prikdraod, pikkeldraod - prikkeldraad

Meervoud

Zowel draojer, draoje als draoj

- de buitenwvers van Krvel, och rm, och rm, och rm, d'r braken toch zoveul draoi...; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

R.J. 'ik knupte de draoier'

Henk van Rijen: de draoj zn dur bekaar gewrd - ... zijn in de war geraakt

D. Boutkan: draojer, draoje (plur.) (54)

Vergelijk

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DRAAD, DRAAT zelfstandig naamwoord. m., vklw. draodje, dreudje, draaiken, draoken; mrv. draoi(d)en en draoten; Fr. fil; als stofnaam m, niet o.

 

draodhkke

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) sluitdraad voor een weide-ingang

 

draoge

werkwoord, sterk.

dragen

Cees Robben: gedraogen p de wnd; dgge dees medllie nog lang meugt draoge;

WBD (de koe) draogt - ze is drachtig, ook genoemd 'draogend' ofwel 'der is en kalf in', 'der zit en kalf p'; ze is 'behaawe'

WBD draogt oover - (van een koe) heeft de drachtigheidsperiode overschreden c.q. is 'oover td'

B draoge - droeg - gedraoge

in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

Dialectenqute 1876 - ze droeg 'n maand op den rug

WBD III.4.3:33 'dragen' = vrucht zetten

D. Boutkan: (blz.37) draoge, (hij) draogt

 

draogend

bijvoeglijk naamwoord

WBD drachtig (van een koe), waarvan men ook zegt: 'behaawe'

 

draove

werkwoord, zwak

draven (ook in WBD)

draove - draofde - gedraofd

geen vocaalkrimping

 

drapeej

zelfstandig naamwoord  - stofnaam (textiel)

WBD II.4. p. 861 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij drap": Kamgaren weefsel in versterkte satijnbinding. Licht geruwd en geschoren. Meestal zwart geverfd. De binding is in tegenstelling met Laken, meer of minder zichtbaar. Toepassing: smokings."

drap : drpeej, K 183 (= Tilburg)

WNT lemma Drap -2001- Fijne zwarte of donkerblauwe, uit kamgaren geweven wollen stof, inz. gebruikt voor gelegenheidskleeding, kostuums e.d. Drap. Kamgaren weefsel in versterkte satijnbinding. Licht geruwd en geschoren. Meestal zwart geverfd. De binding is in tegenstelling met Laken, meer of minder zichtbaar. Toepassing: smokings, BONTHOND, Wdb. Manufact. [1942]. Drap. Fijne, wollen meestal kamgaren stof, geweven in speciaal versterkte satijnbinding met lakenappretuur. Soms ook kamgaren ketting en strijkgaren inslag. Gebruikt voor damestailleurs, officierslaken en, zwart geverfd, voor heren gelegenheidskleding, V. PAASSEN en RUYGROK, Textielwaren 334 [1965].

 

dras

zelfstandig naamwoord 

WBD III.2.3:276 'dras', 'koffiedras', 'koffiedrats' = koffiedik

WBD III.2.3:267 'dras' = droesem

III.4.44:236 'drassig' = troebel

 

dref

werkwoord, persoonsvorm

dreef

verleden tijd sing. van 'dreeve'

 

drfdlleke

zelfstandig naamwoord, verkleind

drijftolletje; kinderspeelgoed: drijftol, tol die met een zweepje in beweging moet worden gehouden (aandrijven)

►hakdllekes

Cees Robben [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkpte sewle nog drfdllekes meej n zwipke en hakdllekes meej n piske... (19800418)

Henk van Rijen: drijftolletje

WBD (III.3.2:81) drftl, draajtl, drfdl

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- drfdlleke - drijftol

 

drge

werkwoord, zwak dreigen, bedreigen

D. Boutkan: 'Hij bedrgde mn meej ene knuppel' (blz.94)

drge - drgde - gedrgd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEDREGEN: 3e hoofdvorm van 'dreigen': DREIGEN, dreeg, gedregen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GEDREGEN, voor 'gedreigd'. Men zegt het ook meestal in Zuid-Brabant.

 

Dreej

eigennaam

verkorting van Andreas

Cees Robben - ...onzen Dreej... (19641231)

 

Dreeke

eigennaam; verkleind van Dr uit Andreas [Dree, Dreej]

Cees Robben Ons Dreeke wordt pastr, opa.. (19700501)

 

drne

werkwoord, zwak

dreinen, lastig zeuren

- drne - drnde - gedrnd (met vocaalkrimping)

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: drnt

Hij blef mar drne. - Hij bleef maar zeuren.

Dialectenqute 1876 - drne ( van fr. mme) - pruttelen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "draine - zaniken"

We zaate aamper in de bus/ toen begosse de klne/ oover de mallemeule/ al op vurhaand dur te drne. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nr de krmis)

WBD III.1.4:252 'dreinen' = drenzen

A.P. de Bont: zw. ww. intr. - dreinen: 1) staan te draaien, onzeker zijn wat te doen; 2) dreigen te regenen: Et hee den heelen dag al gedrend.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DREINEN, zie: drnen

 

drnoor

zelfstandig naamwoord

dreinoor; dreinen lijkt een verbastering van drenzen; oor is een gangbaar achtervoegsel in berispingen als verondersteld wordt dat de aangesprokene niet wil luisteren; vergelijk druiloor, ►neet-oor

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "drainoor - zaniker"

Naa motte nie mne d ik innen dreinoor z, die tegen alles in de oppusietie komt... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Lillukke drn-r diege-me-daor-staot... (19670603)

Cees Robben Vat de schuup (...) drnr... (19821022)

De Wijs  -- Meetoere bende nne lillik drver, dreiner! (feb. 1962)

 

drve

werkwoord, sterk

drijven (overg. + onoverg.)

Cees Robben: en waoterke d zuutjes drft; drftlleke (speelgoed)

- drve - dref - gedreeve (geen vocaalkrimping)

 

drver

zelfstandig naamwoord.

koppig persoon

De Wijs -- Toent nog nen klnen brak waar, dacht ik al dettet aaltij 'nen drver z blve (23-10-1963)
De Wijs -- Meetoere bende nne lillik drver, dreiner! (feb. 1962)

Cees Robben t [het kind] zal aaltij wel unnen drver blven... (19631129)

 

drverke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

opvallend klein persoon, wel beweeglijk

WBD III.1.1:11 'drijvertje' = iemand van kleine gestalte

 

drfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Cees Robben - ...op n drefke... (19570525)

Henk van Rijen: drafje

WBD III.1.2:125 'op een drafje lopen' = op een sukkeldrafje lopen;

ook: 'op een schokje lopen', 'op een kiependrafje lopen'

 

drk

bijwoord

direct, zo meteen

Cees Robben Doew-nissels-vaast... Drek-trap-trop... (19580503)

Audioregistratie 1978 - En dan moes et [vlees van het geslachte varken] drk nr de pestoor! Die, die aat er goed van, dieje krel! Die vret ze wl op, h, h, h daor koste meej gin wit spk nr toe! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Interview met de heer De Kok (1978) Jao, d di hij! Hij ging meej sponze langs de deur Hij, Jan J, ik kan et ammel zo drk meej de naom niemer noemen, h.. KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

drl

zelfstandig naamwoord

dril, geleiachtige substantie

Cornelis Verhoeven:  DREL (drl) m, dril, geleiachtige substantie

 

drm

zelfstandig naamwoord

A.P. de Bont: drem, zelfstandig naamwoord. m. (weverst.) 'drem, drom' - het niet meer te verwerken uiteinde v.h. kettinggaren. Z.a.

 

drnt

ww. pv. dreint

tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers. van 'drne, met vocaalkrimping

 

drf

zelfstandig naamwoord

Schilderij van Osias Beert (detail) - 17e eeuw

druif; zonderlinge

WBD (II:2375) 'drf' - een v.d. knoppen waartussen het zaagblad v.e. spanzaag bevestigd is

WBD III.1.4:197 'druif' = pretmaker

WBD III.2.1:466 'druif' = wijnrank

WNT DRUIF 4) In toepassing op personen, inzonderheid in de verbinding 'een fijne druif' van iemand die zich onwaardig gedraagt.

 

drg

bijvoeglijk naamwoord

droog

Giestere rgenden et n naaw ist drg.

WBD drg staon - geen melk meer geven (van een koe gezegd)

Cees Robben Unne mond z dreug as schar... (19560714)

Dialectenqute 1876 - 'nen dreugen zommer

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 hullieje mnd is drg van den drst;

D. Boutkan: (98) .. drg fan den drst

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - z drg as en hrt (HM'70) - zo droog als een horde; erg droog

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge ht venaacht zeeker nie drg geleege (D'16) - gezegd tegen iemand die nogal vroeg uit de veren is.

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den drge = George Drge (blz.35)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DROOG (scherpe o, Kemp. oog drug), Fr. sec.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DREUG voor 'droog'. In Neder-Saksen zegt men ook 'drge'.

Weijnen, Dialectaltlas: drg, met umlaut (krt.48)

A.P. de Bont: Onder 'dreuge(n): voor het vocalisme van 'dreug' en 'dreugen' zie par. 134 v.d. klankleer.

WBD III.1.4:263 'droog' = sip (kijken)

WBD III.2.2:31 'droog' = zindelijk

WBD III.4.4:28 'droog houden' = droog blijven (weer); ook: 'overblijven'

 

drge

werkwoord, zwak

drogen

D. Boutkan: verleden tijd drgde naast drugde (blz.39)

B dreuge - dreugde - gedreugd (zonder naglijder)

- geen vocaalkrimping (D. Boutkan: 41)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens En dan liete die blaos w drge n zo gauw asse w gedrgd was, j dan gingder meej voetballen op straot. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Cees Robben Verder gaot ie [de wol] op dn taas/ om te drge.. (19560630)

Lechim - ...meej et dreuge van de waas... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et gift gin paas, zon gore waas. )

Appeltjes dreuge waar un bezigheid, die elk jaor terugkwaam. Ons moeder schelde un wasmaand appel en sneej die in schefkes. Die schefkes appel wieren in de zon te dreuge geleed. Asse dreug waren hadde nog gin kwart maand over. Om ze dreug te haawe, wieren ze boven op de vliering op kraante geleej. Meej gedreugde prme saome, wier daor tuttiefruttie van gemaokt, d waar un toetje veur de fistdaoge en veur bij de pudding. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD drge - drogen van leer (II 640)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - iederen moet er zen neus oover drge, tot Jan Rap mee zenen rgel ('70) - iedereen meent zich ermee te moeten bemoeien

WBD de derde keer bakken van beschuit (de tweede keer heet 'kleure')WBD drge (II:1026) - drogen: droogwaaien; ook: blaoze

A.P. de Bont: zw.ww.tr. en intr. 'dreugen' - drogen. Voor het vocalisme zie 134 v.d. Klankleer.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DROOGEN (Kemp. ook drugen) - drogen, Fr. scher.

Haor. - D'n dreuge - droge plek: dan moeste onder d'n dreuge zien te komme

 

drger

zelfstandig naamwoord

droger, iemand die iets droogt

WBD drger - droger, van leer (II 642)

 

drgkaomer

zelfstandig naamwoord

de kamer waarin sigaren gedroogd werden

Interview Jolen - 1978 - De siegaarefebrieke die ik gewrkt hb die hadde en, en drgkaomer, h, n daor wrde de siegaare in gedrgd n asse dan gedrgd waare dan ginge ze in rkke staon. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

drgklot

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: droge-humorist

Stadsnieuws: B diejen dreugklot moete geduureg fkes dnke, vurd ge kunt laage. (161209) - Bij die droogkomiek moet je meestal even nadenken,voordat je kunt lachen.

 

drglgge

werkwoord, sterk

droogleggen = alcoholgebruik verbieden

Ons kermis is dees jaor vur den irsten keer "dreug gelee", d wil zeggen, d ge in de caf's vur oe goeie centen eigenlijk gin drupke snevel z't kunnen koopen. De kster was in den raod den eenigste die z'ne mond er tegen durfde open te trekken. Van den eene kaant valt d te begrijpe, want hij hee-t-'m verduveld gre; en dan ten twidde: die thuis niks as leege briefkes meuge lezen, hebben op 'n aander de miste prots. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

 

drgmaoke

werkwoord, zwak

droogmaken

WBD drgrmaoke (II:1056) - droogmaken: ook: drge

 

drgmesjien

zelfstandig naamwoord

droogmachine

WBD II:1057 - droogmachine

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- ...n toen zk nr de wolle stffe febriek oovergegaon n daor beurde ik netuurlek meer. Bij Janssen-De Horion hb ik toen gewrkt n toen hbbe we op de dinge gewist, op et drgmesjien gezeete. (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

drgrk

zelfstandig naamwoord

WBD droogrek voor vaten en emmers buitenshuis, ook genoemd 'kannerk', 'drugrk', 'pannerk', 'rk', 'mlkrk' of (Korvel:) 'droeprk'

 

drgschaove

werkwoord, zwak

WBD drgschaove - droogschaven, van huiden, d.w.z. aan de vleeskant uitdunnen c.q. op gelijke dikte brengen (II 613)

 

drgzulder

zelfstandig naamwoord

droogzolder

WBD drgzulder - droogzolder, voor het leer (II 643)

 

drle

werkwoord, zwak

trullen

WBD (III.3.2:102) drle - trullen: knikkers laten rollen

ook 'stuiteren' genoemd

WBD III.1.4:82 'druiloor' = persoon met een lastig karakter

WBD III.1.4:161 'druiloor' = leegloper

WBD III.4.4:47 'druilweer', 'druilerig weer' = nat weer

WBD III.4.4:66 'druilen' = lichtjes regenen

WBD III.4.4:102 'druilregen' = natte sneeuw

 

drpe

werkwoord, sterk.

druipen

B drpe - drop - gedroope

- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij drpt

 

drpkl

zelfstandig naamwoord

WBD wit stervormig vlekje op het voorhoofd van een paard, ook 'kl' genoemd

 

drpsnr

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

druipsnor, hangsnor

- Ik zg, 'Moeide gij oewge nreges tegenaon, verrekten drpsnr!'   (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

drvevger

zelfstandig naamwoord

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "druivevaiger - druivenstok tegen den muur"

WBD (III.2.1:465) druvevger of drfger - wijnrank

 

drie

telwoord

drie

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Drie dingen zijn niet te stuiten: en aaw schuur die braandt, en aaw vrijster die wil trouwe, n enen boer meej en percssievaon in zen klaawe ('73)

D. Boutkan: drie - derde, maar 'driedes' - ten derde

 

drieappelepap

zelfstandig naamwoord

kinderspel; bokspringen

Cees Robben Oversprong.. hiet d vandaog... (...) t aauw drie appelepap (19570427)

De Wijs  -- Gaon we driehappelepappe of pliesieke speulen mee vreuke? (15-06-1963)

Henk van Rijen: spel

Frans Verbunt: variant op bokspringen: n jongen steunt met zijn handen tegen een muur en de anderen bespringen hem

►kassen

 

driede

rangtelwoord

derde

As ge driedes waart, krede ng ene prs.

Pierre van Beek: driede (ook 'darde') derde

B driede; ten driede

...'nen Driede vent stond er stillekes bij te louwen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

Dees is naa al 't driede velleke. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

En naa de driede reje... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Er was 'ne boer en die ha drie zoone,

den eene hiette Cis,

den aandere hiette Sas

en den driede hiette Sus van Kempen. (Piet Heerkens; uit: Brabant, Brabantse psalm, 1941)

Cees Robben De driede parochie van Gl... (19660527)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DRIEDE voor 'derde'. Het is een zeer goed, schoon thans minder gebruikelijk woord; 'twelk, of wel 'dryde' bij Kiliaan nog voorkomt, en bij vele Ouden gevonden wordt. Z.a.

Cornelis Verhoeven:  DRIEDE ouderwets voor 'derde'; ook 'darde' werd gezegd.

A.P. de Bont: driede, telwoord - derde

 

driederaand

telwoord

drierlei

Cees Robben k Heb driederaande srt... (19640214)

Cees Robben Ik beteul zelf munnen hof en win veul. s middags hek vort driederaand srt gruuntes op taofel... peekes, peeje en wortele... (19850517)

De Wijs  -- De weffere mende van die driederaande (feb. 1962)

Henk van Rijen: 'driederhaande/-te'

Frans Verbunt: der zn driederaande leuges: kln leuges,grote leuges en dodsprntjes

A.P. de Bont: drierhande

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- driederande - drie soorten

 

driedes

telwoord

Frans Verbunt: derde

D. Boutkan: (blz. 43) driedes 'ten derde'

 

driedraods

bijvoeglijk naamwoord 

driedraads

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - en driedraodse strke tas koffie (D'16) (driedraads = stof die uit driemaal zoveel draden geweven wordt als het gewone linnen)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "driedraadse - 't is driedraadse (zeer sterke kop koffie)"

Frans Verbunt: en driedraods strke tas koffie (sterke stof werd met driedubbele draad geweven)

 

driegdraod

zelfstandig naamwoord rijgdraad

WNT DRIEGEN II: samenstelling 'driegdraad' filum leuis suturae. Z.a.

A.P. de Bont: driegdraod zelfstandig naamwoord.m. - rijgdraad

Goem. rijfdraad, Fr. faufil

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DRIEGDRAAD zelfstandig naamwoord. m. - Ge moet de driegdraten nog uit het kleed trekken.

 

driege

werkwoord, zwak

rijgen

R.J. 'moederke moet er oew klirkes nog driegen'

Den herfstweind driegt z'n witten draod/ deur t laoken... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Jaors-brullof; 1932)Mientje mijn kiendje, slaop,
d'engeltjes komen al vliege, vliege,
moederke moet er oe kleerkes nog driege... (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Slaopliekes 2, 1938)

- KAREL. Sjarel, ge moet me nie kwaoluk neme, mar w hedde naaw toch vur innen gekken jas aon?

SJAREL. Vende gij die gek?

KAREL. Nou me dunkt! Ge ziet bekaant niks aanders dan naoie! Ik wed dettie wel uit virtig verschillende lepkes bestao, diechche aon bekare het gedriegd. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

WBD driege (II:ll73) - rijgen; ook 'rge' genoemd

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - driegen - met losse steken rijgen (zelfstandig naamwoordl.)

WNT DRIEGEN II, van dezelfde stam als 'dringen'. Met een losse draad hechten, rijgen. Thans in N.-Ndl. verouderd.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DRIEGEN wordt hier gebruikt voor 'rijgen, aanrijgen'. Z.a.

A.P. de Bont: driege(n) zw.ww.tr. - met een losse draad en wijde stenen rijgen.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DRIEGEN - met een lossen draad hechten, rijgen

 

driehoekerig

bijvoeglijk naamwoord

driehoekig

Bij ons oomaa hing ng zon driehoekerig brdje n de muur meej in et midde en og d zeej d Gd alles zaag. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

Driek

eigennaam

van Hendricus

Cees Robben Dn Driek zeej... (19800912)

Cees Robben De knder van Drieke van Hanne.. (19580201)

 

Driekaa

eigennaam; verkorting van Hendrica en andere vrouwelijke heiligennamen op - ica

Cees Robben 19560714

Cees Robben Drieka (19850412)

 

drieklts

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:133 'op een drieklts lopen = vlug lopen; ook: 'stiefelen, stouwen'

 

Driekonning

eigennaam, enkelvoud

een van de Driekoningen

Cees Robben De zwarte Driekning die hedde genekt... (19561222)

 

Foto: Regionaal Archief Tilburg - Beeld On Line

Driekoninge

1. zelfstandig naamwoord eigennaam

Driekoningen - de feestdag van 6 januari, in de Roomse kalender Epifanie, de openbaring van Jezus als mens

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- - Drieknninge - Driekoningen [de o is in Beek dus kort]

Piet van Beers --uit: 'Krsemes 1996' -- Ik hb vur nkele jaore terug/ unnen bom meej klt gekcht./ n...nao Driekooninge hk 'm/ nao munne tn gebrcht.
1.1. Een van de beelden uit de Kerstgroep

Cees Robben: den zwarten driekooning die hdde genkt. [datum?]

2. Samenstellingen

2.1. Driekoningezinge

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Dan gingde Driekonenge zinge, dan ginge ze de straoten aaf n dan hadde zon mndje bij, zon krrefke, n dan krede ooveral en paor (???) f en snoepke n zo f meense wr ge ene snt van kregt n agge dan ts kwaamt hadde meschien en kwartje f tweej kwartjes Klik hier om dit bestand te beluisteren

Henk van Rijen: op zis janewaarie gn ze driekoninge-zinge

Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg) -- Gaon zingen meej Driekoninge waar nie zon succes. Oew haande vroren van oew lf en dan moeste nog den hille td, d sigarekiesje rcht hauwe. In d kiesje stond un braandende krs, et waar un miraokel as ge die vlam op den hille lange, barre tocht aon kost haawe. Enne echte lampion, waor de miste kender meej langs de deuren gingen, zaat er bij ons nie aon. Wij behielpen ons ge mar meej un sigarekiesje. Et vroor det klapte, en oew haande hielde nie wrm. In de bjem van et kiesje han ze meej enne gloeiende spker gaotjes gebraand in de vrm van un ster, ge liept asset ware meej un lichtende ster te venten. Veul kiesjes heb ik in braand zien vliegen, in d van men kos ik et krske amper aonhaawe, den hle td waaide et t. N d Driekoningenzingen hk nt zon succes gevonden. W moeste trouwes meej al die plekzooi, diese in oew tas flikkerde, as beloning veur oew zingen. Ge waart nog nie tgezonge of ze knikkerde de deur al dicht. (Kosset den brne eigeluk wel trekken? Jeugdherinneringen van een gewone volksjongen; 2006)

2.2. driekoningenaovend

WBD (III.3.3:240) driekoningenaovend

2.3. Driekoningefist

Piet van Beers --uit: 'Allchtontjes' -- Diejen dag zn der nog veul/ zangerkes gewist./ Ds lk jaor opnuu/ meej 't Driekooningefist.

2.4. Driekoningelieke

Piet van Beers --uit: 'Traditie' -- Ik was de Krstbom af n 't tge./ Toen stond er iemand n de bl./ Ze zonge 'n Driekoningelieke./ Ge knt d vrsje toch nog wl.

► Dossier Driekoningezinge
3. Afgeleide verbeeldingen

3.1. weversterm

WBD Driekoninge (II:1008) - drie naast elkaar gelegen 'smtte', ten teken dat een stuk (weefsel) vol was.

Lambert de Wijs 1928 - "Kunde vandaog niet naar 't durp?" "D leet 'r aon of d de drie koningen op komst zn." "Ze zitte precies tege de veurboom." "Dan rij 'k om tien ure naar 't durp." (...) Dit gesprek had plaats voor 'n groote veertig jaren, in de weefkamer van een eerzaam weversechtpaar aan den Heikant. (...) Dat naar 't durp gaan werd altijd vooraf gegaan door de komst van de drie koningen. Ter verklaring hiervan diene, dat elk stuk ongeveer 12 smet lang was. De smetten nu, 'n teeken van roode aard, "rooird", werden van 1 tot en met 11 gemerkt; de twaalfde echter met drie teekens; 'n ingenieus wever had hiervoor den naam van "drie koningen" uitgedacht.
Gerard van Leijborgh - Wanneer een stuk vol" was dan kon de wever dit reeds van te voren zien aankomen, want dan zag hij niet n, doch 3 smetten bij elkaar. De wevers noemden dit de Drie Koningen.
(De laatste Tilburgsche huiswever 4, Nieuwe Tilburgsche Courant, 22-11-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)
3.2. kaartterm (familietaal?)

WTT 2012 - bij het kaartspel zwikken: alle drie de kaarten zijn 'heren'; als bod ook genoemd 'zes jannewaarie' (ca. 1970)

 

Kis-ke -- Prent van de week in een onbekend weekblad in 1970

4.achtergrond

AUDIO op CuBra -- Tony Ansems zingt over Drie Koningen

FOTOGRAFIE  op CuBra -- Joep Eijkens - Eigen weg

 

Foto: Regionaal Archief Tilburg - Beeld On Line

 

Driekus

eigennaam; verkorting van Hendricus, Fredericus, etc

Cees Robben onzen Driekus (19570216)

Cees Robben (19590626)

 

driekwart

bijwoord

over iemand die zich afwijkend gedraagt.

Cees Robben Hullieje pa is unne wous.. hullie moeder unne abbetjoek.. en zelf is t k mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel. (19840330)

 

drieling

zelfstandig naamwoord

WBD bepaald type klein paard; ook in Hasselt 'drieling'

WBD 'sjtlander' - shetlander

 

drieponder

zelfstandig naamwoord drieponder (brood, kanonskogel?)

R Ik hb mene grtsten driepnder al binne

Ik heb de langste tijd van mijn leven al achter de rug.

 

dries

zelfstandig naamwoord

WBD weide, grasland

(Hasseltse term)

Hoogen dries - topon.

Pierre van Beek: Den dienen hbben ze nr den Hoogen Dries gebrcht - die hebben ze in ongewijde grond begraven (nl. op de algemene begraafplaats aan de Oisterwijkse baan, nabij het Heuvelse kerkhof). (Tilburgse Taaklplastiek 154)

WNT DRIESCH - l)verarmd bouwland; 2) braakland; enz. z.a.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - dries - dicht bij de woning gelegen weide

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DRIES zelfstandig naamwoord. m. - weide, dicht bij de woning gelegen.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DRIES wordt, in de Baronie, genaamd de grond in het gemeen, en het met gras bezette land in het bijzonder, 'twelk binnen eene boerenhofstede besloten is. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - DRIES: Een stuk weiland het geen bij het huis of tusschen de akkerlanden ligt, dus een hoog stuk weiland. Zie Kiliaan.

A.P. de Bont: dries zelfstandig naamwoord. m. - (in de regel) dicht bij de woning gelegen hoog stuk weiland.

 

drieslag

zelfstandig naamwoord

WBD p nen drieslag (lope) - gezegd v.e. paard dat tegelijkertijd galoppeert en draaft

A.P. de Bont: drieslag zelfstandig naamwoord. m. drieslag: 1) zekere onregelmatige gang v.e. paard; 2) term bij het dorsen met vlegels.

 

driespinder

zelfstandig naamwoord

WBD driespeen, koeuier die slechts uit drie kwartieren melk geeft, ook 'driespeejn' genoemd

A.P. de Bont: driespeender zelfstandig naamwoord. m. - koe die uit slechts drie spenen melk geeft.

 

drietaand

zelfstandig naamwoord

drietand

WBD 1461 (Hasselt) 'drietaant' - drietandige aardappelhaak (buiten de Hasselt): 'errepelhaok'

 

drift

zelfstandig naamwoord

WBD big van acht tot twaalf weken, ook 'lopvreke' genoemd (Hasselt)

WBD III.4.4:189 'drift' = vuil in sloten of tegen dijken

Cornelis Verhoeven:  DRIFT, m. o.a. ook: jong varken; wsch. zo genoemd in een tijd dat varkens in een drift of kudde gehoed en langs wegen (dreven of driften) voortgedreven werden.

Weijnen, Dialectaltlas: drift in T, ook 'Bag', 'kap/kabbe' en 'kuuske' (blz. 153)

A.P. de Bont: drift II zelfstandig naamwoord. vr. - halfwassen varken; minder vaak 'drever'

 

Drik

eigennaam

van Hendrik, Hendricus

Cees Robben D-wel-Drik... (19710515)

Cees Robben W krg ik vur munne verjaordag, Drik... (19820827)

 

Drikka

eigennaam

van Hendrica

Cees Robben Schiet toch op, Drikka (19781013)

Cees Robben Hoe gaoget, Drikka.? (19870925)

Cees Robben W lekt jou, Drikka? (19801031)

Cees Robben Drikka van Nillisme [fantasienaam] (19620803)

 

Drikske

eigennaam, verkleinde en verkorte vorm van Drik: Hendrik of Hendrica

Cees Robben Hamme mar ham... Drikske... (19540313)

Cees Robben Drikske (19780526) [jongensnaam]

 

dringe

werkwoord, sterk

dringen

D. Boutkan: dringe - drng - gedrnge

 

drinke

werkwoord, sterk.

drinken

D. Boutkan: drinke - drnk - gedrnke

D. Boutkan: (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster nkt de k verzwegen - dringt

 

drinkesbak

zelfstandig naamwoord drinkbak

WvM ds nen drinkesbak vur d'eekhoorentjes

 

drinkeskl

zelfstandig naamwoord

WBD weterkuil (natuurlijk of gegraven kuil op het erf of op de weide, waarin men het vee drenkt); in de Hasselt genoemd: drinkkl of drinkesgat.

WBD III.4.4:183 'drinkkuil' = drenkplaats in een sloot

 

drinkeskrk

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: 'drinkeskrk' - kruik waarin drinken werd meegenomen naar het werk

 

drippele, dripsele

werkwoord, zwak

trippelen

Zooas ik dan zee, ze kwaam op me afgedrippeld mee d'r bodschappenbenneke onder d'ren errem. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

WBD III.1.2:17 'dripselen' = heen en weer draaien; ook: trippelen

 

droes

zelfstandig naamwoord

WBD goedaardige droes (bij paarden), kooierdroes, vooral bij jonge paarden

WBD droes - verkoudheid (bij paarden); men spreekt ook van 'bevange'

WBD III.2.3:267 'droes' = droesem, ook 'dras', 'drab', 'zakse'

A.P. de Bont: droest zelfstandig naamwoord. m. - droes (paardeziekte)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DROES zelfstandig naamwoord. m. koffiedik, Fr. mare de caf; ook draf en dras.

WNT DROES (II) 2) naam voor verschillende paardenziekten

(III) 2) koffiedik

 

droezeleg

bijvoeglijk naamwoord

WBD (Hasselt) gezegd van een paard dat last heeft van troebele ogen, ook genoemd 'traonoge'

WNT DROEZELIG l) Van paarden: aan droes lijdende

 

drfke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

druifje

D. Boutkan: (blz. 31) drfke

 

drjke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

draadje

R+J draojke

 

drjmaoker

Het knopen van een draad - foto uit: Commandeur e.a.,Ge waart mar arbeider; 1981

zelfstandig naamwoord

draadmaker

Elie van Schilt - Ik zaat nog op ut kleuterschooltje, toen kreeg ik unnen trapauto mee Sinteklaos, un vul te duur stuk spulgoed vur un knd van unne draoimaoker mee un weekln van elf gulden. (Uit: Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was; CuBra ca. 2000)

Elie van Schilt - kender van unne metselr, draoimaoker of duvelr, die wieren gin misdienr. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - enen drjmaoker = spinner, c.q. spinnerijhouder (blz.87)

 

drl

zelfstandig naamwoord 

WBD III.2.2:16 'drol', 'drolleke' = liefkozend woord voor een kind

34 'verwende drol' = verwend kind

WBD III.3.1:249 'drol' = grap

 

drlledraajer

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - drlledraajers = (grasmaaiers v.d. Plantsoendienst (blz.88)

 

drlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van drl; als koosnaam voor kleine kinderen
drolletje
Cees Robben Ze slaope daor, de drllekes/ In beddekes... as mllekes... (19580531)
Dialectenqute 1876 - drulleke (u = fr. oeu)

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
drlleke - drolletje; kooswoord; benaming voor suikerbroodje met kaneel

Bosch drlleke - klein persoon (ook liefkozend), kleine drol

 

drllevanger

zelfstandig naamwoord

GG plusfour

WBD III.1.3:59 'drollenvanger' = pofbroek

Ik zaag der pico bello t, meej menne irste plusfour, in de volksmond drollenvanger geheten. () Dieje drllenvanger zon we al gaaw gaon vervloeken, bij et voetballen zakten die ppe van die broek aaltij op oew schoen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

drom

zelfstandig naamwoord

droom

 

drome

werkwoord, zwak

dromen

Wie ha d naa ot kunne drome! Dromend veej vergit te graoze

Cees Robben: Waor ik snaachs ng wl van drmde ...

Cees Robben: Ik drmde vannaacht dk wrk h;

Dialectenqute 1876 - hij is 'nen droomer

B droome - drmde - gedrmd

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij drmt

 

drop

werkwoord, persoonsvorm

droop

verleden tijd sing. van 'drpe'

 

droze, drozele

werkwoord, zwak

WBD (III.2.l:394) 'drozen, drozelen' = sluimeren, dommelen

 

drp

zelfstandig naamwoord

druppel

verkleinwoord = drppeltje of drpke

MP gez. Den lsten drp is btterknp. (De koe moet goed uitgemolken worden.)

"Veul drppeltjes maoken 'n regenbui", zee oome Teun. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

drp

zelfstandig naamwoord 

WBD ozie van het dak (onderste rij/rijen pannen of onderkant v.d. strobedekking; dit overstekende dakdeel voorkomt dat de muren nat worden door regenwater); ook 'euzel' genoemd

WBD III.4.4:74 'drup', 'drop' = druppel

 

drpke, drupke

verkleind zelfstandig naamwoord; van drop = druppel, druppeltje, dropje, borrel

Gif me ng en drpke.

Kees en Bart: 'ik heb m'n drupke thuis'

...klein te zijn is toch geen schaand, want in de kleinste glaoskes zitten de lekkerste drpkes! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)
Drpke dauw d-d-aon d blaoike / hangt te bibberen in de kou (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Drpke dauw, 1941)

Zo'n lekker drpke pozie... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Er viel n lieken, 1949)

Toen ie al over de zeuventig was, verzeilde hij op 't klster tussen de aauw mnnekes. In den beginne stond 't hem wel nie aon zo alles op uur en tijd en nooit 'n drupke - ook 's zondags nie. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

...al hk meej de karneval/ men drpke wl gelust... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vur den aawe prs)

Cees Robben En die nog nt z ver ak weet/ n Drpke heef gezwit  (19651231)
Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - vlkskes geeve drpkes ('50) - weersvoorspelling

Audioregistratie 1978 - Toen zttenie [de pastoor] me daor in, in et kesjt, daoraachter de krk, ik n Sjefke Dams. Ik vergeet et gaddoome not mir. nne daor stonde en paor grote volle maande vol leege wnflske, flsse n Damske n ikke, j, wij gingen es keure. Der zaat ooveral ng zon drpke in. En toen moes Sjefke t de broek. Ik zg: D kunde hier! Der ligge strojhulze zat! Gao daor mar in diejen hoek zitte! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Henk van Rijen: hij is drpkesverkouwe - hij is verkouden om dropjes te snoepen

WBD III.2.3:250 'dropje' = drop; 268 'drupje' = borrel

WBD III.2.3:251 'droppin' = dropsteel

WBD III.4.4:74 'drupje' = druppel

A.P. de Bont: drpke(n) zelfstandig naamwoord. o.) voorheen een borreltje dat drie cent kostte.

 

drppe

werkwoord, zwak

druppen, druipen

Et aaigl drpte intussen langs ons moeder der vingers op de grond... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 Tegen de pan aon ha iedern un stukske [brood] liggen, waor ie et gesopte op t liet drppe. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
 

drppele

werkwoord, zwak

druppelen

't drppelt uit oe strotjen uit ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

Henk van Rijen: nie drppele mar durpiese

WBD III.4.4:65 'druppelen' = lichtjes regenen

 

drpt

werkwoord, persoonsvorm

druipt

tegenwoordige tijd sing, 1e + 2e pers. van 'drpe', met vocaalkrimping

 

drpveeter

zelfstandig naamwoord.

dropveter, snoepgoed van drop met het voorkomen van een lange schoenveter

Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepl in n n rozehuuke bidde vurdmme vur en of twee cnte snuupkes mochte kope. En ik moet zgge, dan smkte-n-et ok beeter. Et joodevt, de stroopseldtjes, de drpveeters, t zuuthout, toverblle. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

drtzaage

samentrekking

er uit zagen

Cees Robben Kwossebons lekasbllie drtzagge... (19540605)

 

droze

werkwoord, zwak

sluimeren

N. Daamen - Handschrift 1916 -- 'droozen' - Ik heb 'n beetje gedroosd (gesluimerd).

WNT DROZEN - Blijkbaar het grondwoord van treuzelen - suffen, soezen, dutten

 

druddel

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:209 'druddel' = dril, ook 'dedder' of 'kledder'

 

drugt

zelfstandig naamwoord

droogte

Cees Robben Die drugt, die drugt... [klagende tuinder] (19760820)

A.P. de Bont: dreugt zelfstandig naamwoord. vr. - droogte

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DRGT zelfstandig naamwoord. v. - droogte (Kempen)

 

drugte

zelfstandig naamwoord

droogte

D. Boutkan: (blz. 34) 'drugte, drgte'

Cees Robben: 10 'die drugt' (blz. 9)

 

druk

bijvoeglijk naamwoord

druk, bezig

Buuk Et druk hbben as en pan meej vastenaovend - voortdurend bezig zijn

 

druktes

zelfstandig naamwoord meervoud

drukte

Cees Robben Nie veul druktes... (19580426)

Cees Robben De druktes en t geroezemoes (19590711)

 

druktesmaoker

zelfstandig naamwoord

druktemaker

Kees en Bart: druktesmaoker

WBD III.l.4:391 'druktemaker' = idem (!)

 

dubbelbil

zelfstandig naamwoord

WBD dikbil, dubbelbil (kalf met dikke billen)

► zie dbbelbil

 

dubbeld

1. bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

dubbel

Henk van Rijen: dubbele trits - driedubbel zo lang

- met paragogische t

WNT III:3527 DUBBEL, dobbel, doubel, dubbeld, dobbeld

2. zelfstandig naamwoord

Fftig gulde vur en bloeske/ et dubbelde vur en paor schoen. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et moet rges vandaon koome)

 

dubbellster

Ill.: Naumann - turdus pilaris

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: kramsvogel (Turdus pilaris)

 

dubbeltjesmikske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bep. brood dat indertijd 10 cents kostte.

uitdrukking -  Nog vur gin dubbeltjesmikske - beslist niet

 

dubbeltjespt

zelfstandig naamwoord dubbeltjespot, spaarpot (meestal in een caf) waarin de eigenaar wekelijks een of meer dubbeltjes deponeert, ten einde ze uiteindelijk als kermisgeld te gebruiken

Kees en Bart: 'vanwege den gebeurden dubbeltjespot'

...iedere Zondag trouw on den dubbeltjespot betolt (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

 

duf

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.4.4:211 'duf' - muf, ook 'duffig'

 

duffel

duffel - stofnaam (textiel)

WBD II.4. p. 862 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij duffel": Zwaar kaardgaren dubbelweefsel voor winterjassen". Van Dale zegt bij druffel": 1 . Dikke wollen stof met lang haardek die waarschijnlijk haar naam ontleent aan het Belgische plaatsje Duffel. 2 . Zware (winter)jas van de onder 1. genoemde stof".

duffel: duffel, K 183 (= Tilburg)

Henk van Rijswijk - Duffel: zware strijkgaren stof, sterk gevold, aan beide zijden geruwd met een hoog en dicht haardek, in keper- of versterkte keperbinding geweven. Waterafstotend gemaakt. Toepassing winterjassen en joppers. Marineduffel: als duffel maar dan marineblauw geverfd en bedoeld voor de marine. Zeeduffel: extra zware uitvoering van duffel.

 

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm

WNT lemma Duffel 1915 - znw. onz. Ontleend aan den naam van de stad Duffel bij Antwerpen.

1. Eene soort van dikke wollen stof. Van het gekeperd fries onderscheidt zich duffel alleen door dikker spinsel, steviger volling en eenigszins korter geschoren hair, KUYPER, Technol. 2, 459.

2. Winteroverjas van duffel.

 

dugd

zelfstandig naamwoord

deugd

WBD III.1.4:195 'deugd doen = plezier hebben in andermans geluk'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DOGD zelfstandig naamwoord. v. - deugd

 

dugde

werkwoord, persoonsvorm

deugde

Cees Robben: ze dugde nie van goejeghd

verleden tijd van 'deuge' (met vocaalkrimping)

 

dugt

werkwoord, persoonsvorm

deugt

Cees Robben en t gutje dugt van gin kaante.. (19710827)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - sndagse pis dugt nie (Sn'34)- (De in kruiken in te zamelen urine was in het weekend van slechtere kwaliteit)

D. Boutkan: (blz. 30) dugt

Stadsnieuws: et is nie goed of et dugt nie - hst is nooit goed (050406)

tegenwoordige tijd 2e+ 3e pers. enk. van 'deuge', met vocaalkrimping

 

duk, dukkels

bijwoord

dikwijls

►dik

zo duk ons Braobaant geweld wier gedaon... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vaonelied , 1932)

's meenschen daankklok dukkels luit... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Ons lievenheerentieke' , 1932)

 

dukske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

deukje

D. Boutkan: (blz. 32) dukske

 

dun

bijvoeglijk naamwoord

dun

uitdrukking - : n den dunne zn - diarree hebben

WBD III.4.4:37 'dun weer' = fris weer. ook 'zuur, lucht weer'

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
dun bijvoeglijk naamwoord - dun, slap; 'on d'n dunne'

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - DUN, dun in den buik zijn: aan de afgang zijn, een goedaartigen buikloop hebben.

 

dunder

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap

Henk van Rijen: dunner

- Van 'dun' met epenthetische d

D. Boutkan: (blz. 49) 'dunner' zonder infix

Kunde gullie d brod nie w dunder en dieje ks nie w dikker snije? (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

dunke

werkwoord, sterk.

dunken

dunke - dcht - gedcht

D. Boutkan: (blz. 27) in de 3e pers. enk. presens wordt de k verzwegen: dungt

 

duntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen: deuntje

 

dur, deur

voorzetsel

door

dur de week

KAREL. Jao mar diejen admiraol heegut toch officieel dur de radio verteld.  (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

 

durbte

werkwoord, zwak

doorbijten

Pierre van Beek Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbten (doorbijten) al was 't d-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

 

durblaojere

werkwoord, zwak

doorbladeren

Henk van Rijen: ge mot dees buukske mar is durblaojere

 

durbraok

zelfstandig naamwoord

doorbraak

Kees en Bart: 'durbraok'

 

durd

voegwoord

doordat

Kees en Bart: durd

 

durdeweeks

bijvoeglijk naamwoord

doordeweeks

WBD III.5.1:214 'doordeweekse dag', 'werkendag, werkdag' - werkdag

WBD III.1.3:3 'doordeweekse kleren' = doordeweekse kleren

WBD III.1.3:4 'doordeweeks pak' = doordeweekse kleren

 

durdoen

werkwoord, sterk.

R opschieten, verder gaan met iets

R Allee, doe es deur!

Frans Verbunt: doorwerken

durdoen - di deur - durgedaon

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEURDOEN - door een stramijn, eene zift, teems of zoo iets duwen.

Verkwisten, doorbrengen; doorschrappen

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 --
durdoen - doordoen (bijv. 'van 't aaw int nuuw')

Bosch durdoen - door een zeef draaien

 

durdouwe

werkwoord, zwak

doorduwen, doordrukken (ook fig.)

WBD III.1.4:50 'doorduwen' = aandringen

- durdouwe - douwde deur - durgedouwd

 

durdouwer

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: doorzetter

GD08 die durdouwerkes, rollaaters hiete ze gelf ik

 

durdraaje

werkwoord, zwak

doordraaien

WBD worstvlees en -vet kleinmaken, ook genoemd 'dur de meule draaje'

durdraaje - draajde deur - durgedraajd

 

durdrne

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: aanhoudend zeuren

 

durdrver

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: doordrijver

WBD III.1.4:328 'doordrijver' = dwingen

 

durgaon

werkwoord, sterk.

doorgaan

durgaon - ging/gng deur - durgegaon

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEURGAAN - weggaan, vertrekken, heengaan; voorbijgaan; met kracht en spoed gaan.

 

durgat

zelfstandig naamwoord

het gat van de deur, deuropening

Interview met de heer De Kok (1978) Ik zg: Witte w, Jan? N, zeej! Daor ist durgat n gdverdomme dert, ert aachterelkaare! (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

durgebont

zelfstandig naamwoord

deurkozijn, deurstijlen

vM Hij stn tussen et durgebnt

Pierre van Beek: durgebnt = deurstijl (?)

Henk van Rijen: 'deurgebond' zelfstandig naamwoord - deuropening

Frans Verbunt: 'deurgebont'

Frans Verbunt: 'in et deurgebont staon' - in de weg staan

Cees Robben: 'het gammel deurgebond'

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- durgebnt - deurkozijn

 

durgns

bijwoord

doorgaans

 

durheene

bijwoord

Henk van Rijen: doorheen

 

durjaoger

zelfstandig naamwoord

Cees Robben Van kends-af-aon unne durjaoger... (1561020)

Frans Verbunt: snelle eter

Stadsnieuws: Fne kst beschiet er bij hum nie aon, tis ene chten durjaoger / schrkker (100210)

 

durke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

deurtje

R.J. en oope dittie et durke

Cees Robben Rammelt iemand aon t deurke... (19571207)

WBD staldurke (de grote dubbele deuren die toegang geven tot de koestal)

D. Boutkan: (blz. 31) durke

 

durke-durke-dons

de betekenis is niet duidelijk; mogelijk deel van een aftelrijm van kinderen

Cees Robben De kender hebben ginne rust (...) en moeten deurke-deurke-dons (19650507)

 

durlaotbaor

bijvoeglijk naamwoord

doorlaatbaar

D. Boutkan: (blz. 34) 'durlaodbaor'

 

durlope

werkwoord, sterk

doorlopen

Cees Robben: f ie durlpt blft de vraog;

Henk van Rijen: ze riepe 'durlope' n ek kreg nen douw

durlope - liep deur - durgeloope

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEURLOOPEN - heenloopen, wegloopen; voorbijloopen; verder loopen

 

durlopend

bijwoord

continu, onophoudelijk

Henk van Rijen: ze is durloopend op sjanternl - ze is voortdurend op stap

WBD III.4.4:73 'doorlopend zeiken'= aanhoudend regenen

 

durlopende list

zelfstandig naamwoord

naam van een niet nader bekend kinderspel: 'doorlopend laatst' [wie het laatst weg is...]

Touwspringe n durlopende list n, n, n zaddoek lgge n Allerande spllekes din wij n [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

durpinner

zelfstandig naamwoord

doorschieter

WBD I:1477 'durpinner' - doorschieter (aardappelplant die na een periode van stilstand weer doorgroeit en veel kleinblijvende aardappels voortbrengt)

 

durschkke

werkwoord, zwak

doorschokken

WBD 'drschkke' (II:1013) - doorschokken: de kam vastzetten;

ook: 'drschudde' genoemd

 

durschudde

werkwoord, zwak

doorschudden

WBD 'drschudde' (II:1013) - doorschudden: de kam vastzetten;

ook: 'drschkke' genoemd

 

durske

verkleind zelfstandig naamwoord;  alleen in de verkleinde vorm bekend?

meisje

N. Daamen - handschrift 1916 - "durske - 't is zo'n oarig durske (meisje)"

Hi ziet 'n daonig durske staon,/ nou sjuust zo iets vur mij, h! (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: De bie zit op de blom , 1932)

Och, Hannie,

ik kan nie

genog naor oe kijke,

vriendelijk durreske-fijn (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), Och, Hannie..., 1940)

Hoe ik as durske fietse leerde/ op en kar meej blkke... (Henritte Vunderink; Vruuger; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord. o. deurske, deernke, meisje

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- durske - deerntje, meidje

Bosch durske - meisje

 

durslag

zelfstandig naamwoord

vergiet

WBD (III.2.1:172) 'doorslag', temst = vergiet

 

durslaon

werkwoord, sterk

doorslaan, het klieven van een geslacht rund

durslaon - sloeg deur - durgeslaon/durgeslaoge

Audio-opname 1978 -- Dan sneede gij zak zgge van aachtere, boove de koej wier d durgeslaon, zak zgge, d kontwrek zogezeej, dr aachter witte wl, n dan, j, dan moeste diejen nteldrem dert haole n dan lsmaoken n doen n dan viel er hil dieje pns, die viel in ene keer in diejen bak neer! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

WBD bewerken van deeg op de werktafel

WBD durslaon (II:1038) - doorslaan: inschieten v.d. weefspoel; ook: slaon, inslaon, inschiete, schiete of goje

 

durslpe

werkwoord, sterk

er doorheen halen, voor de gek houden

Zo spraak ik vleeje week twee heere/ n die sleepe der mn w deur/ meej men plat Tilburgs tltj... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: n den aandere kaant)

 

dursnije

werkwoord, sterk

doorsnijden

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de peeperkoek p tffel lggen n dan dursnije (Kn'50) - gemeenschappelijk bezit verdelen

 

durspeule

werkwoord, zwak

doorspelen, d.w.z. kaart spelen in de nacht van oud- op nieuwjaar - ook: 'van taauw int nuuw speule'

Dan ginge ze durspeule. Vant aauw int nuuw. Jookere. f rikke. D gong er soms grf aon toen, meese. Sewle wl vur ene stver de kaort. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Nieuwe Tilburgsche Courant 29 december 1937

durstaon

werkwoord, sterk.

doorstaan

WBD deurstaon (m.b.t. een paard) - beervoetig zijn (een bepaalde afwijking in de beenstand hebbend), ook genoemd 'brvoeteg'

WBD III.1.4:261 'doorstaan' = lijden

 

durstl

zelfstandig naamwoord

deurstijl (opstaand deel van een deurkozijn)

D. Boutkan: (blz. 33) durstl

 

durwrder

zelfstandig naamwoord

deurwaarder

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord. m. 'deurwerder' - deurwaarder

 

durzakke

werkwoord, zwak

doorzakken; voortgaan met drinken

WBD inzakken (van brood, doordat de deegpunten niet over elkaar vallen)

durzakke - zakte deur - durgezakt

 

dus

zelfstandig naamwoord

broekturf, groesturf, tus

N. Daamen - handschrift 1916 - "dus - losse turf, broekturf"

Cro - TUSSENTURF [Turf in moerassig gebied gestoken]: tus, tos, dikke laag gras en onkruid op de oppervlakte v.e. stuk land

A.P. de Bont: tos idem.

 

duske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van dos

doosje

Cees Robben Hier hedde n duske (19650528)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Piet Stamp j, meej zen duske luusiefrs n de Hemadie zeej aatij snte dooze, snte dooze mar der zaat niks in n die gaaf ie dan, verkcht ie vur ene snt, h腔 (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

onnozel vrouwtje, doetje

Henk van Rijen: hdde nie en duske blinksmr?

D. Boutkan: (blz. 29) combinatie van kwalitatieve (o- u) en kwantitatieve ( - u) mutatie: dos-duske.

 

dutsel, dutseltje

zelfstandig naamwoord

sloom vrouwspersoon

Cees Robben: ds ginne knp vur n men gulp, dutsel;

Cees Robben: Zij is w dutselchteg, n hij de tl vort kwt;

N. Daamen - Handschrift 1916 -- tis en dutsel (sukkeltje)

Pierre van Beek Onder een "dutseltje" verstaat men een 'n weinig pienter, maar heel goedig vrouwtje. (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)

WBD (III.3.3:197) dutseltje, 'sibbedeeske', bidziel = kwezel

WBD (III.1.4:34) 'dutsel' = domme vrouw

WBD (III.1.4:40) 'dutseltje' = onnozel iemand

Stadsnieuws: Naa dere meens dod is, isse niemer bij de td; tis en chte dutsel geworre (311206)

WNT DUTSELEN - freq. van DUTTEN: suffen, dutten

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dutsel - sukkelachtig iemand

Cornelis Verhoeven:  DUTSELEN, onov. ww, een duts zijn, zich sukkelig en stumperig gedragen, z.a.

Hoeufft -- 'Dutsel' zegt men van een teutelachtig vrouwspersoon, vooral indien hetzelve niet zeer doorzigtig of schrander is.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUTS zelfstandig naamwoord. m.- onnoozele bloed, sukkelaar; beetgenomene, gefopte; troetelwoord voor een kind.

Bosch duts - dom, halfzachte persoon, sukkel; deuk

 

dutsele

werkwoord, zwak

- dutten, soezen, bijna in slaap vallen, suffen

dutsele - dutselde - gedutseld

A.P. de Bont: dutsele(n) zw. ww. intr. - sukkelen, niet voortmaken

Cornelis Verhoeven:  DUTSELEN onov. ww. 'een duts zijn', zich sukkelig en stumperig gedragen, niet goed wakker kunnen blijven; vooral gezegd van oude mensen die aftakelen en 'dutselachtig' worden.

WNT frequentativum v.d. stam van 'dutten' - suffen, dutten; niet algemeen.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - DUTSELEN, voor 'suffen'. Men gebruikt het wsch.als een freq. v. 'dutten', slaperig zijn, en bij Kil. 'delirare'. In het Neder-Saks hoort men op meer dan eene plaats 'dutzig' voor 'dom, stomp van begrip'.

WNT DUTSELEN freq. van DUTTEN: suffen, dutten

 

dutselchteg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

sufferig, sikkelachtig
A. Weijnen Etymologisch Dialectwoordenboek (2e) - duts sukkel (znl.). Wschl. afgeleid van *dutsen (waarvan afgeleid nl. dutselen), dat een intensief was bij dutten (= mnl. dutten waanzinnig doen).
N. Daamen - handschrift 1916 - "dutselaichtig (sukkelachtig) niet als ziek doch als onhandig bedoeld"

De Wijs -- Och, ze is niet kwaod, ze wil wel, mar ze is n bietje dutselechtig (17-10-1966)

Cees Robben Zij is w dutselchtig.. En hij de tel vort kwt... (19841026)

Frans Verbunt: ouderwets

WBD III.1.4:41 'dutselachtig' = niet goed helder van geest

Bosch dutselechtig - vergeetachtig, sukkelig

 

duukske

zelfstandig naamwoord verkleinwoord doekje

en duukske vurt bloeje

MP, R Tegen iemand met veel noten op zijn zang: Zg mar hoe get hbbe wilt: dik f dun f dur en duukske. (koemelk gaat ook door een doek in de melkbus.)

R Iemand heeft geld gewonnen; een ander merkt op dat geld niet gelukkig maakt; een derde zegt: 'k w tch mar dk ze in en bescheete duukske ha

Kees en Bart: der duukskes m draaje

Cees Robben Hoe wilde de pap, pa.. Dun.. dik.. of dur n duukske.? (19860912) [Je mag zeggen hoe je het wilt hebben]

Dik, Dun ? Of dur un duukske ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

duur, duurder, duurst

bijvoeglijk naamwoord

duur

de uu is altijd kort

Henk van Rijen: ds duure msterd! - dat is erg duur!

 

duure

werkwoord, zwak

duren

Cees Robben: Et zal mnne td wl duure; w duur et tch lang;

B duure - duurde - geduurd

geen vocaalkrimping

steeds lange uu

 

duuvel

zelfstandig naamwoord

duivel

1. De duivel als boosdoener

Van Beek - 't Is of de duvel er mee speelt. - 't Is onverklaarbaar, hoe zoiets niet slagen wil. - Telkens is er tegenkanting of ongeluk bij dat werk. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

R Den duuvel scht aaltij op enen hop (gezegd van mensen die vaak geluk hebben)

In nood dan vreet den duuvel vliege! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

2. In vergelijking met een religieus idee

MP gez. De duuvel kmt oover et koor de krk in. [Er is geen houden aan]

Pierre van Beek -- Vroeger placht de "duvel over 't koor de kerk in te komen". Men gaf daarmede aan, dat de eerbiedigheid op het koor wel eens wat te wensen overliet. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Van Beek - Als een engel duivel wordt, is hij de kwaadste van allen. Liefde, die in haat verkeerde, is de felste van venijn. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Pierre van Beek -- De uitdrukking "As O.L. Heer een kerk bouwt, zet de duvel er een kapel neffe" slaat op de cafs die men gewoonlijk nabij een kerk aantreft al kan men er ook wel een diepere zin uithalen, namelijk deze, dat de duivel er steeds op uit is de mens tot het kwaad te verleiden. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Van Beek - Waar God een kerk bouwt, sticht de duivel een "kapelleke" (caf). (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Den duuvel zeej: de fn zn de mn, en de grffe krk vanges - de overdreven godsdienstigen zijn voor mij, en degenen die erop los leven, krijg ik vanzelf (beide uitersten deugen dus niet).

Pierre van Beek "De fn zen de mn, zeej den duvel, en de groffen komen vanzelf wel!" spreekt voldoende voor zichzelf. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

Pierre van Beek -- Zodra iets moet "al z den duvel de krs (kaars) vaasthawen" valt er niet meer aan te ontkomen (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - al z den duuvel de krs vaasthaawe (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1964) - Het moet beslist; er valt niet aan te ontkomen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as de duuvel en ziel n de pestoor en rfenis heej, dan zn ze allebaaj rddeloos verloore. (JM'50) Men zegt dit als geld of voorwerpen in verkeerde handen terechtgekomen zijn.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Variant: as de pestoor de rfenis n den duuvel de ziel heej, zn ze allebaaj rddeloos verloore ('50)

2.1 Wijwater

Van Beek - Hij kijkt als een duivel, die wijwater gelekt heeft. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

gez. Henk van Rijen: spartelen as nen duuvel in en wijwaotersvat - paniekerig te keer gaan

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - te keer gaon/ kke/ zich weere as nen duuvel in en wijwaotersvat ('50) (zie Brabantse Spreekwoorden onder 'spartelen')

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUVEL zelfstandig naamwoord. m. - duivel, Fr. diable: Spartelen gelijk 'nen duvel in e wijwatervat.

3. Als toppunt

Pierre van Beek -- "Z kwaod (kwaad) as 't aachterste end van den duvel" is een ietwat lange superlatief voor "kwaad" (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Van Beek - "De duvel kon 'm niet heffe of draoge". - Hij was zo arm als een Tilburgse schrobbelaar (wiens loon destijds zeer laag was). (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - z hard as nen duuvel op zene kop (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1957; spreekwoordel. vergelijking

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - z hard zn d den duuvel oe nie wil (D'16)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - al z den duuvel de krs vaasthaawe (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1964) - Het moet beslist; er valt niet aan te ontkomen

N. Daamen - handschrift 1916 - "'t is tegen den duuvel hoarplukken" [gevecht - haarplukken - win je niet van de duivel; het is hopeloos]

Cees Robben t Is tegen dn duvel gehaorplukt... (19641106)

...w stinkt oewen tabak toch! Hedde 'm van den duuvel z'n moer gekocht? (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

W gij er in [in de collectezak] zudt doen d waar wel zoo'n verdimd klein bietje d den duuvel et er nog nie in veenen kos al hielp 'm z'n schoonmoeder zuuke! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor hadde ng zonne schone bij, n d was Denie van Lon, die was vur gin hl f duuvel bang (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

4. De mens als duivel

Pierre van Beek -- "As ge van den duvel sprikt (spreekt), rammelen z'n kuiten" en "z den duvel is vertrouwt-ie z'n gasten" vraagt niet om een verklaring. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Pierre van Beek -- "Srt zuukt srt (soort), zeej den duvel tegen den schrsteenveger" behoeft wel geen toelichting (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

Pierre van Beek -- Wanneer men iemand noemt "te lomp om vur den duvel te daansen" slaat men zijn intelligentie niet hoog aan. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Pierre van Beek --  en wanneer het er "ievrans (ergens) uitziet of den duvel er gejongd heej" is het daar maar een rommelig boeltje. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Van Beek - Als hij zat thuis komt, is er de duvel te koop, d.w.z. dan is het er niet pluis, raast en tiert hij. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Beek - Hij is de duvel ontkropen. - 't Is een slimme vocativis. - 't Is een gladde vogel. - Hij is de duivel te glad af. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - den duuvel ntkroope zn, toen ie sliep (D'16) - gezegd van een gewiekste slimmerik of een kwaadaardig mens...

Van Beek - Hij was bij de duvel te biecht, d.i. hij had misplaatst vertrouwen geschonken aan iemand, die hem niet welgezind was. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Cees Robben Van engel naor duvel.../ Van waereld naor cel... (19570112)

Cees Robben Waor geld zit.. zit de duvel.. En waor niks zit.. minstens twee.. (19580726)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der lpt en duuveltje rnd et hs (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - Er heersen spanningen in het huis; er is bijna altijd herrie.

5. De mens in vergelijking met de duivel

Van Beek - Hij is te lomp om voor de duvel te dansen. - Hij is dom en onhandig. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Delft - Dat iemand "te stom is om voor de duvel te dansen" kan moeilijk als eeretitel aangemerkt worden. Evenmin is 't vleiend te hooren, dat hij "rrt als een waterhoentje". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek "D zullen we den duvel en de mulder mar laoten schaaien, die schaaien 't z veul!" waarbij gesuggereerd wordt, dat de molenaar nogal relatie heeft met de duivel. De uitdrukking wordt in het algemeen gebezigd als men bedoelt aan te geven, dat men een zaak maar op haar beloop moet laten - er zich niet in moet verdiepen. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)

Van Beek - Hij laat geen duivel op zijn hart smoren. - Hij zegt, waar het op staat. Hij spreekt rechtuit. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Beek - Gin duuvels p oew hart smoore - liever zeggen waar 't op staat (Tilburgse Taalplastiek 173)

Van Beek - Hij vloekte alle duivels uit de hel. - hij vloekte nog erger dan de duivel. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Beek - Hoe meer de duivel heeft, hoe meer hij hebben wil. - Rijke mensen kunnen vaak het minst iets missen. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Beek - 't Eerste gewin is kattegespin en 't leste heeft van de duvel in. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Beek - 't Is een duivel in mensengedaante. - 't Is een boosaardig mens. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - Wie meej den duuvel it, moet nen lange leepel hbbe. (= in onbetrouwbaar gezelschap dient men op zijn hoede te zijn) (Tilburgse Taaklplastiek 167)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij is as en duuveltje in en duske: zoo ziedem n zoo ziedem nie (Pierre van Beek: TT) - Gezegd over een druk en beweeglijk persoon.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - srt zuukt srt, zi de duuvel teege de schrstenveeger ('84)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij is nt et stpke van den duuvel zen liekrkske (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1971) gezegd van een klein, nietig mannetje

As den duuvel zlf nie kan kome, dan stuurt ie er z'n wijf henen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939) [Vrouwen zijn vaak erger dan mannen]

...en ge trekt 'n gezicht as 'n ptje vol duuvels. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

5.1 as den duuvel op Geerte

...omd-t-ie [baanwielrenner Jan Pijnenburg] in Stuttgart gefietst hee as de duvel, die Geerte aachternao zaat. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

Naaijkens - lemma AS - 't Gong erop as d'n duuvel op Girtjes. 't Ging
er hevig aan toe. (1990)

- Verbunt - Geert, Geerte, Girtje - eig - Geert de Vlug, omstreeks 1767 een Tilburgse misdadiger

Henk van Rijen -  Girt(e) - roepnaam voor Gerardus, vermeend voormalig booswicht uit Tilburg. H hee-g-ut ur op as den duvel op Girte. Hij aast er op als de duivel op een booswicht. (1998)

► Dossier As den duuvel op Geerte

6. Uitroepen

Van Beek - "Dat dank je de duvel!" - Uitroep van dezelfde betekenis als: Dat geloof ik wel! (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Delft - "Ge zoudt er de duvel van geeselen" zegt iemand, die boos is, 't is verschrikkelijk. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der den duuvel van geesele (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1965) - Er de duivel van geselen; iets erg, verschrikkelijk vinden.

Heerkens - As ge 't over den duuvel hebt, dan ziede z'n stertje wiebere! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)

Jaansen - "Kk, as ge over den duvel praot, ziede zn strtje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; NTC 22-10-1938)

Lechim - Wir laoter..toen ik en bietje vreej/ n we meer wo as kusse/ toen zeej de mdjenedoe nie/ daor zit den duuvel tusse. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den duuvel is in slaop gevalle)

7. Kachel

SJAREL. Gelk hedde. Mar achche z riddeneert dan is er zoveul in de wreld wechche wel in oe duuveltje kunt douwe. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

8. Andere bronnen

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 den duuvel

WNT DUIVEL, duvel

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'Ruiterij' zi den duuvel, n hij reej p en vrke (D'16)

...d spiegels over et algemeen liegen as den duvel... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)
 

duuvele

werkwoord, zwak

wolven, duivelen

WBD duuvele (II:937) - wol mengen en malen

► Dossier Weven - voorbereiding

 

duuvelr

De duuvelr in het duuvelhk - foto uit: Commandeur e.a.,Ge waart mar arbeider; 1981

zelfstandig naamwoord

duivelaar, wolmenger, 'vthl'

Interview met de heer De Kok (1978)  Duuvelstoejaoger. Duuvelr, zoiets alleml, h. KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

WBD 'duuvelr' (II:937) - degene die het doet (wol mengen en malen)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - duuvelr = bepaald beroep in textielindustrie (blz.88)

Toen ging et ng beeter meej de stad, n meej de tkstiel. Der kwaame mesjienes, en toen er mesjienes waare, kwaame der duuvelrs en schrobbelrs. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Elie van Schilt - kender van unne metselr, draoimaoker of duvelr, die wieren gin misdienr. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

► Dossier Weven - voorbereiding

 

duuvelhk

zelfstandig naamwoord

ruimte in fabriek waar de ruwe wol gezuiverd werd

WBD duuvelhk (II:937) - wolmalerij

Frans Verbunt: ook: duuvelkt: ruimte waarin wol werd gemengd

TC_23-1-1914

 

TC_9-7-1913

 

TC_1-8-1918

 

NTC_12-2-1940

 

duuvelmesjien

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: (textiel) machine waarin de wol voorbewerkt wordt

 

duuvelmeule

zelfstandig naamwoord

wolf, duivel

WBD duuvelmeule (II:937) - wolmolen

 

duivel of wolf - uit: Dijkmeijer, Textielwarenkenis, 1951

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 3-12-1921

 

duuvelsgewld

zelfstandig naamwoord

de grootst denkbare moeite

Ik kreeg et cht nie vur mekaar/ meej gin duuvelsgewld. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: W rmt op rme?')

 

duuvelstoejaoger

zelfstandig naamwoord

Van Dale - duvelstoejager - benaming voor iemand die allerlei diensten en ongeregelde werkzaamheden verricht

In het Tilburgs soms het zelfde als duuvelr

Interview met de heer De Kok (1978) Toen zk nr van Brkel Abbedam gegaon, van Brkel Abbedam. Daor heb ik en jaor f drie gewerkt, drie f vier jaor. N, ik was gin weever, h, toen ston ik in de spinnerij meer. As duuvelstoejaoger noemde ze d. KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

N. Daamen - handschrift 1916 - "duuvelstoejager - iemand die voor evenveel meedoet, 'n meelooper"

 

duuveltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kacheltje, op pootjes; kleine duivel

Henk van Rijen: Spartele as en duuveltje in en wijwaotersvtje - Erg tegenstribbelen

 

Ill.: Thom - dolle kervel - conium maculatum

duuveltjeskrvel

zelfstandignaamwoord, verkleinwoord

WBD III.4.3:306 duuveltjeskrvel - gevlekte scheerling (Conium maculatum), ook 'dolle kervel' genoemd

 

duuzend

telwoord

duizend

Kees en Bart: duuzend

Naa wo'k d'k duuzend oogen ha',

- den verren horizon waor duuzenden henentrekken om te strven; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- w zu'k geniete (Piet Heerkens; uit: De Mus, Lente, 1939)

- mar aachter d schuurke daor zaagde gij staon/ 'nen boom mee duuzende peeren eraon... (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, Vrouwke Misre, 1944)

Cees Robben Meej duuzend blommen aon de kaant (19600520)

- Sjeraar heej duuzend keer gezeej:/ Lt ons Merie mar maawe... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vekaansie-praot)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUZEND en bij sommigen DUZELD, telw. - duizend, Fr. mille

 

duuzendzinder

Pierre van Beek: wispelturig iemand

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - enen duuzendzinder zn (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - er duizend zinnen op na houden: steeds iets anders willen.

= duizend + zin (lust, begeerte)

 

duuzenste

telwoord

duizendste

(D. Boutkan:. blz. 90)

 

duuzenterhaande

bijvoeglijk naamwoord

duizenderhande, duizenderlei

Henk van Rijen: in dieje winkel hbbe ze duuzenderhaande dinger

 

duuzenterinder

telwoord

Henk van Rijen: duizend dezelfde

 

dwalke

werkwoord, zwak

Pierre van Beek: dwalen

dwalke - dwalkte - gedwalkt

 

dwalkschaop

zelfstandig naamwoord

- letterlijk: een afgedwaald schaap

- alleen aangetroffen in Tilburgse bronnen

- het woord gaat terug op de bijbelplaats(en) waar afvallige gelovigen vergeleken worden met schapen die uit de kudde van de herder treden - zie met name de parabel van het 'verloren schaap', en Psalm 119: 'Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.'

 

WTT 2013 - De bijbelpassage over het afgedwaalde schaap heeft aanleiding gegeven tot een voorstelling van Jezus als 'De Goede Herder', een icoon in de Roomskatholieke beeldcultuur, waarbij de herder Jezus wordt afgebeeld met het geredde schaap op de schouders - In Tilburg is aan het idee van 'De Goede Herder' een parochie toegwijd onder die naam, waarvan de kerktoren in de volksmond bekend stond als 'Magere Josje' (Postelse Hoeflaan; afgebroken).

 

- 'dwalk' lijkt een verbastering van 'dwalen', 'afdwalen' - zie WNT lemma Dwalen

- het woord is overgedragen op zeer uiteenlopende 'buitenbeentjes', zoals:

- WTT - afgedwaald schaap; figuurlijk: iemand uit de familie die aan lager wal geraakt is

Pierre van Beek - Ook ooit gehoord van een "dwalkschaap"? Dit is een bepaald soort mens. Iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken, die niet weet wat hij wil, nu eens hier, dan daar rondhangt, soms ook wel aan de zwerf gaat. Enfin, iemand, die niets presteert en waarmee ook niets valt aan te vangen. Dus een a-sociaal persoon of een in de maatschappij verdoolde. "Dwalken" houdt verband met "dwalen". Het lijkt ons niet uitgesloten, dat ons woord uit de schapenwereld stamt. Waarom zou een schaap met een neiging steeds van de kudde af te dwalen niet "dwalkschaap" genoemd zijn? (Tilburgse Taalplastiek 25-1-1974)

Cees Robben -

Prent van de week - 29-12-1972

Cees Robben [vader tegen zoon:] Ge bent toch mar n dwalkschaop... [zoon:] D zen de biste vadder... Onzen lieven heer gong ze zuuke... (19721229)

Frans verbunt (1993) - dwalkschaop - sukkelaar, zwerver

Goedgetld (2004) - dwalkschaop - zwerver, ontheemde; overdrachtelijk: iemand die de weg in het leven kwijt is. - toen hullie moeder dood waar, wierie en dwalkschaop: toen zijn moeder gestorven was, raakte hij letterlijk en figuurlijk ontheemd.

- We waaren amml schaope van de Goejen Hrder n zeeker gin dwalkschaope. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

Henk van Rijen: 'dwallegschaop' - buitenbeentje, zwart schaap

Stadsnieuws: Toen hullie moeder dod waar, wierie en dwalkschaop - raakte hij letterlijk en figuurlijk ontheemd (021209)

 

dwaole

werkwoord, zwak

dwalen

Pierre van Beek -- "Dwaolen is meenselijk, zei den boer en hij kuste de meid in het donker" wordt vergoelijkend gezegd voor een daad, die eigenlijk niet in de haak is. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

Cees Robben: dwaolen in de dsternis; dwaole;

B dwaole - dwaolde - gedwaold (bij B geen vocaalkrimping)

 

dwaoler

zelfstandig naamwoord

iemand die door de natuur dwaalt

Cees Robben Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belpe (19570119)

 

dwaollicht

zelfstandig naamwoord

dwaallicht = glimworm

WBD III 4,2:172 lemma Glimworm - De glimworm (Lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm.
glimpworm Middennoordbrabant
lichtworm frequent in Tilburg
dwaallicht Tilburg
pierworm Tilburg
pier Tilburg
 

dwaos, dwaozer, dwaost

bijvoeglijk naamwoord

dwaas

Cees Robben: suf n dwaos

WBD III.1.4:39 'dwaas' = ezelachtig

WBD III.1.4:42 'dwaas' = gek

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DWAAS bvw - onbesuisd, wild, uitgelaten

 

dwarsdrver

zelfstandig naamwoord

dwarsdrijver

Ik had en om, hij is al jaore dod./ Enen drammer hij wies aaltij alles beeter./ We noemden em dwarsdrver of btweeter,/ f vringerd, waor ie ok nie van verschot. (Henritte Vunderink, Kriem pasjoonl?, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

dwarsrug

WBD keerstrook/ wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg gekeerd wordt), ook genoemd 'rug', 'tne', 'tnerug', 'vurft' of 'vurnd'

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord. o. - dwarsveld, veld aan het einde van enige andere liggende, en wel rechthoekig daarvan.

 

dwl

zelfstandig naamwoord

dweil

WBD ovendweil (werktuig om een bakkersoven vochtig schoon te maken)

WBD III.1.4:109 'dweil' = ondeugende vrouw

WBD III.2.2:113 'dweil' - zedelijk slecht meisje

WBD III.2.1:310 'dweil' = idem

A.P. de Bont: zelfstandig naamwoord-m. - dweil

 

Sticker van een carnavalvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

dwle

werkwoord, zwak

dweilen; van kroeg naar kroeg trekken; op straat zwalken

- dwle - dwlde - gedwld, met vocaalkrimping; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij dwlt, gij dwlt

- Zumme saome zeume of wilde gij sewle dwle ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- n dan mar dwlen hi? Van tene keffeej nor taandere. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

WBD de oven reinigen (in een bakkerij)

Dialectenqute 1876 - dwle ( = fr. mme.)

WBD III.3.1:43 'dweilen', 'uitgaan, aan de zwier gaan, de hort opgaan, op stap gaan, op sjanturnel gaan, zwalken' = uitgaan

WBD III.3.1:46 'dweilen' = nachtbraken

WBD III.2.1:311 'opdweilen' = dweilen, ook 'aandweilen'

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 -- dwle - rondtrekken. In Carnavalstijd van caf naar caf trekken.

 

dwltcht

zelfstandig naamwoord

Tocht langs een reeks kroegen door carnavalvierders

Interview Hermans - 1978 - d was en dwltocht, war, toed we ts kwaame n dan laagen ons ogen al en bietje boovenop n dan kwaame we ts n dan viele we in de bdsteej oover ons moeder heen omd ge zat waart!. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

dweepe

werkwoord, zwak

dwepen

B dwepe - dwipte - gedwipt

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dwipt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DWEPEN en DWEPEN - naar een onzeker heenkomen rondtasten, ronddwalen als een verstooteling, die niet weet waar te blijven.

 

dwinge

werkwoord, sterk

dwingen

WBD III.3.1:268 'dwingen' = bevelen

WBD III.1.4:50 'dwingen' = aandringen

D. Boutkan: dwinge - dwng - gedwnge

 

dwipt(e)

werkwoord, persoonsvorm

dweept(e)

tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'dwepe', met vocaalkrimping

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home