INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van gaa tot guuts

gaa, gaaw

bijwoord

gauw, vlug

Gao naa gaa! - Ga nou gauw weg!

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 twaoter zal gaa kooke - het water zal dadelijk koken

Goem. GAUW - ga: bijwoord

Te Winkel - De grammatische figuren, blz. l05: "Ga, bijvorm van gauw, o.a. te vinden Floris 1284, Hist.v. Troyen 546, 6325, Rijmbijbel 5935, 33014; evenals galike (...), galinge (...) en de samenstelling gadoot, d.i. plotselinge dood, beroerte (...). De wortel van ga en gauw is die van het werkwoord gaan. Zie De Vries, Taalkundig Magazijn IV (1842):87."

Verwijs/Verdam - Mnl.wdb. II:860 - GA, bijw. - spoedig, schielijk, gauw.

Vroegmiddelnederlands woordenboek - II:1375; lemma ga II: snel, bijwoord.

1. weldra, binnenkort
toe Miekelief, wor gaaw mijn vrouw,/ ik haaw verpoepies veul van jou
Piet Heerkens - Sjandoedelida; 1938
2. m.b.t. een snelle handeling
Mar na was er inne jonge en die lekte zn pr gaaw aaf en toen sopte ie nog eens. - Naarus Brieven van een oud-Tilburger; 1940
Uh!-Uh!-Uh! - gaaw, red oe huid!/ Kooning auto mot veuruit! - Piet Heerkens Claxon 1940
Frie Oomen die kwaam/ al daolijk geloopen/ en kreeg bevel om
den herd gaaw te sloopen. - Piet Heerkens De gemeenteraod van Baokel; 1941
3. meteen, zonder dralen
onneuzelen hals, kom gaaw in mijn huiske,/ hier hedde mijn brood, maok mar gaaw 'n kruiske! - Piet Heerkens Vrouwke misre; 1941
Daor slao de veurdeur open,
de Lente staot er veur...
gaaw is de Wenter deur
de keuken weggeslopen...
Piet Heerkens Wenter en lente; 1941
Cees Robben Gao-naa-toch-gaa... (19570817)
Cees Robben Zeg naa gaa worraon of worraaf... (19670603)
Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Miet, gao mar gauw daor bij Bert Hns (Haans), gao mar gaa vur en dubbeltje bintjes haole, dan hbbe we mrege soep n kaojkes, zo (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Interview met de heer De Kok (1978) n dan hdder ng ene diek naa nie zo gaa kan noeme KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

4. na korte tijd
Slecht gelijmd kan nie lang haawe,
dus, 't begos al gaaw te naawe!
valse liefde is kort van zang;
't leeve gong z'nen harden gang
Piet Heerkens Liefde?; 1949

Veul te buurten ha onze vadder not, tegen onze opa. Wij han et k
aaltij al gaaw gezien en wn er wel t, t d halfdonkere kot.
Lodewijk van den Bredevoort Kosset den brne eigeluk wel trekken?; 2006

Hij was vant vllesbakkeras,
br
n, meej hier n daor w streepe,
n hij had al gaaw begreepe,
dt hier nog zo slcht nie was.
Henritte Vunderink Onzen hond; 2007

5. zodra
Z gaaw de zon gezakt is gao'k de tn on't spte.
Piet van Beers Zomermiddag; 2004
 

gaaf, gaave

werkwoordsvormen - verleden tijden van geeve

gaf, gaven

Dialectenqute 1876 - gve - gaaf - gave

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GAAF - 2e hoofdvorm van 'geven'

 

gaans

zelfstandig naamwoord

Ill. Naumann - anser anser

gans, ook volgens WBD

Dialectenqute 1876 - gaanze - ganzen

Cees Robben n Gaans op t Zaandend (19780609)

WBD III.4.1:211 'gans' - grauwe gans, wilde gans (Anser anser)

WBD gaans, gans - roepwoorden voor de gans

WBD gaans, gans, gaanske - vleinamen voor de gans

WBD gansje - roepwoord voor een jonge gans

WBD gaans, gansje - vleinamen voor de jonge gans

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Nr de gaanze gaon, mar ophaawe waor ze begiene te zwmme (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - Bij tegenslag snel de moed laten zakken.

Frans Verbunt -- et bier is nie vur de gaanze gebrouwe

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de gaans - frater Amabilius (blz. 100)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Bartje Gaanzenek = Bart van Iersel (blz. 45)

 

gaanzeblom

zelfstandig naamwoord

Ill.: onbekend - gaanzeblom - prsblom - kaankerblom - chrysanthemum segetum

WBD III.4.3:393 gaanzeblom - gele ganzebloem (Chrysanthemum segetum), ook genoemd: prsblom [prs = van het paard, 'van et prd']

 

gaanzetong

'ganzetong' zelfstandig naamwoord  - paardebloem (Taraxacum officinale)

 

Ill.: Thom - gaanzetong - mlslaoj - taraxacum officinale

- blad v.d. paardebloem, molsla, 'molslaoj' (Taraxacum)

Frans Verbunt -- = pisblomme

Vadder w zodde gij lusse, moet ik van ons moeder vraoge? Gif men mar gaanzetonge, zittie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Stadsnieuws - Onze paa ging saoves nao et wrk langs de Golsewg gaanzetonge steeke vur de knne (070609)

WBD III.4.3:287 gaanzetong - paardebloem (Taraxacum officinale)

WBD III.2.3:88 'ganzentong' = molsla, ook 'veldsla

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 
 

gaar

bijwoord

Van Delft - "'k Wou die duif gaar veur geen geld kwijt." Gaar wil zeggen heelemaal (niet). (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

gaars

gaarsteg

bijvoeglijk naamwoord

ranzig; in het eerste stadium van bederf verkerend

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GARST (gaarst) bijvoeglijk naamwoord  ranzig, garstig, van geel geworden spek gezegd: gaarste spek is symbool voor armoedig en onsmakelijk eten.

► gaarsteg

 

gaarst

zelfstandig naamwoord

gerst als voer voor kippen

Cees Robben Gin ochtendvoer of kiepegaarst (19670922)

Dialectenqute 1876 - trf en gaarst - tarwe en gerst

WBD I:1405: gaarst

Henk van Rijen --  garst - gerst

A.P. de Bont -- ga.rst, zelfstandig naamwoord m. 'gaarst' - garst, gerst

 

gaarsteg, gaars

bijvoeglijk naamwoord - bijwoord

Pierre van Beek -- ranzig, o.a. van spek gezegd (= gaars?)

WNT GARSTIG, voorheen met uitstooting der r, ook GASTIG. Van vette zelfstandigheden ... sterk van smaak en kwalijk riekend, ranzig, galsterig.

Cees Robben Of t gaarstig waar.. of licht behaord (19590919)

Bij et brod, gereukt spek en zlang et nie gaastig waar best lekker. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Et spek kwaam wel nie ons neus t, mar et schilde nie veul. Et kos k z verrekkes zout zn, en asset tegen november liep, wier et k steeds mar gaastiger. D spek d zaag niemer wit mar steeds gler, ik kan nie zeggen det lekker waar. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.2.3:53 'gaarst' = ranzig

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 - 'gaast' bijvoeglijk naamwoord  - ranzig

 

gaast, gasje

zelfstandig naamwoord

gast

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'kermisgaast' - kermisgast, kermisbezoeker

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'gaaste'; 'gasjes'; 'zukke gaaste'

Dialectenqute 1876 - de genoddigde gaaste

Cees Robben Dn vremde gaast (19590912)

Diktee 2000 - 'Vural die gaasten t rme laande ...'

A.P. de Bont -- ga.st, zelfstandig naamwoord m. 'gaast' - gast: l) vent, kerel, kwant; 2) kind

 

gaasths

zelfstandig naamwoord

gasthuis, ziekenhuis

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

GD07 die bteshs kosse wreke zoas int gaasths

Van Delft - Maar de buurvrouw vergoelijkt haar houding, want "ze heej in 't gaasthuis gelegen waor ze geopereerd is en nie afgemaokt", hetgeen wil zeggen, dat zij niet onder narcose gebracht werd.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Cees Robben Hij kwaamp in t gaasthuis tercht (19650528)

[Nonne] waare vrmd genog hier bekaant de enigste vrouwe die en beheurlek vak leerde n bteshs kosse wreke, zoas int gaasths. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2007)

 

gaaw, gaa

bijvoeglijk naamwoord

gauw, vlug

Pierre van Beek -- en gaawske - een vlug klein kind, een vluggertje, een haastig gedronken borrel;

Cees Robben - Dur ene sntneus verweete, ds gaaw vergeete; nt zo gaaw

Cees Robben - Ik hb mar gaaw meej de kaaw ene pulling p et voetnd geleej

Cees Robben - Hoepelt naa tch gaaw p;

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 de zwleme zulle vrt gaaw trugkoome

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge kunt stikken as ge gaaw zt (D'16)

Cees Robben - doe es gaaw oew aaw aon

WBD III.4.4:324 'gauw' = rap

A.P. de Bont -- ga.u, bnw. en bijw. 'gaauw' - gauw: Als aansporing tot iemand om spoed te maken, hoort men Gaauw!, of met herhaling! Gaauw! Gaauw!

Jan Naaijkens - D's Biks - 1992 - gaaw bijwoord - gauw, licht, gemakkelijk

 

gaawd

zelfstandig naamwoord

goud

Dialectenqute 1876 - gaaud en zilver

 

gaawe, gouwe

bijvoeglijk naamwoord

gouden, van goud

Frans Verbunt -- gaawe gaast - toffe kerel

 

gaaweghd

zelfstandig naamwoord

in de gaaweghed - in de vlugte

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GAUWIGHEID zelfstandig naamwoord; spr. Alles is 'en weet, maar vlooien vangen is 'en gauweigheid.

 

gaawer

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap

Henk van Rijen --  gauwer, vlugger

 

gaawke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

MTW vluggertje (vlug nog een borreltje)

Buuk - Drinkeme ng en gaawke? - drinken we nog een vluggertje /afzakkertje?

 

gaawte

zelfstandig naamwoord

haast

uitdrukking -  in de gaawte - inderhaast, vlug -- In de gaawte viet ie et meej.

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'om mee de gaawte iets te vatten'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GAUWTE zelfstandig naamwoord v. - Met de gauwte - in der haast

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  in de gaawte - inderhaast

 

gabbelat

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek -- dolle trien

 

gabberdiene

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

gabardine

WBD II.4. p. 866 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij gabardine": Kamgaren of katoenen weefsel in stijle keperbinding geweven. Indien voor regenkleeding, waterdicht gempregneerd." - gabberdiene, K 183 (= Tilburg)

Henk van Rijswijk - Gabardine: een dicht meestal kamgaren weefsel in keperbinding met een steil diagonaal verlopend lijnenpatroon (steilkeper) en afgewerkt met kaalappretuur. Door de kettingdichtheid te verhogen gaat de keper ook steiler lopen. Gebruikt voor regenmantels en jassen, mantelpakken en japonnen. Vaak waterafstotend gemaakt.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm

 

gadeeseme

►gaddeezeme

 

gaddeezeme

bastaardvloek

Jan Jaansen (Piet Heerkens) -- De mergen daorop kos oome Teun haost nie uit z'n bed kome, zoo stijf waar ie. "Wel gaddezeme," bromde-nie, "m'n beene slaope nog nao en ze willen mar nie wakker worren (uit Oome Teun op collecte, Nwe. Tilb. Courant, 1939)

Cees Robben Gadeeseme-nog-aon-toe (19610901)
Cees Robben En desseme gadeeseme nog tesse mosse k... (19621005)
Overzicht van bastaardvloeken

 

gaddimme, gaddimmes

bastaardvloek

Jan Jaansen (Piet Heerkens) -- Die geleerde architecten jaogen oe mar op onnoodige onkosten. W ze buitengewoon goed kunnen: rekeningen schrijven, d kunne ze gaddimmes goed." uit Bad Baozel; Mwe. Tilb. Courant, 1939)

"Gadimme," riep den aawe Stokkermans... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

Overzicht van bastaardvloeken

 

gadoome

bastaardvloek

gadoome
bastaardvloek; uit: God & verdomme
Cees Robben - Ik heb 'm jaore zo/ van Beek zien koome/ 't was fikkie,/ en vendaog gadoome/ stond ie ineens weer op de vloer... (In: Goirle, 1975)
Lechim - Ds gadoome lang geleeje... (uit: Sneeuw...; Tilburgse Koerier, ca. 1970)
Lechim - Ds gadoome nie mar niks... (uit: Mee pesjoen..., Tilburgse Koerier, ca. 1970)
Lechim - 't Viel gadoome echt nie mee... (uit: Fftig jaor Kunst en Kraacht", Tilburgse Koerier, ca. 1970)
Overzicht van bastaardvloeken


gaddoome
bastaardvloek; uit: God & verdomme
Karel de Beer Bijnamenboek - "Kts (Kaatsheuvel, zie pag. 91) n Lon zn eene gaddoome" (dit is n pot nat.) (website)
Gerard Steijns - n ds gaddoome ok en goej reeje vur fist! (Tien jaor diktees, 2010)
Overzicht van bastaardvloeken

 

Ge heur'et bekaant alle daoge :
Wanneer komt 'r nog is sneuw ?
Ds gadoome lang geleeje
't lkent wel 'n halve euw.
Lechim uit Sneuw, ongedateerd knipsel uit De Tilburgse Koerier; ca. 1975

W Juliaon vur ons gedaon hee
Ds gadoome nie mar niks
Lechim uit Mee pesjoen, ongedateerd knipsel uit De Tilburgse Koerier 1975

't Wordt gadoome ammol duurder
Heurde daogeluks duuzend keer
'n Klootig pekske sigerette
D kost vort 'n kwartje meer.
Lechim BeeTeeWee-wee

Ik had men vertier en fietste mee veul plezier
in de verte zaag ik altij den heuvelse toren.
Mar op ene keer mee hul men gekk
verzelde ik in 'n vremde wk
en gadomme, ik was harstikke verlore.
Elie van Schilt Toon den zoon (van Nilleske)
 

Karel de Beer -- Kts (Kaatsheuvel) n Lon zn eene gaddoome" (dit is n pot nat.) -- (2000, van de website over Tilburgse bijnamen van Karel de Beer)

Gerard Steijns --  n ds gaddoome ok en goej reeje vur fist! (Tien jaor diktees van Grdjes, 2010)

 

gadjn

bastaardvloek

"Gadjen!" vloekte Bartje. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

Overzicht van bastaardvloeken

 

gadoorie

bastaardvloek

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gadoorie

Jan Jaansen (Piet Heerkens) -- Gaddorie," riep oome Teun (Oome Teun en de Iemkers - door A. Wibbelt, naoverteld deur P. Heerkens S.V.D.; 1941)

Jan Jaansen (Piet Heerkens) -- Gaddorie, gij bent nog magerder as vruuger, mensch. (Oome Teun en de Iemkers - door A. Wibbelt, naoverteld deur P. Heerkens S.V.D.; 1941)

...zes-honderd-duuzend, et is zoo gadories veul! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Overzicht van bastaardvloeken

 

gadsjonge

bastaardvloek

...gadsjongens, w hee dien meens 'nen strot! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

Overzicht van bastaardvloeken

 

gadverdeezeme

bastaardvloek

Goed? Nee, wel gadverdzemes goed k! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

Overzicht van bastaardvloeken

 

gadverdimme

bastaardvloek

'k Heb gadvergimme nog noot in m'n leven zoo heure zinge... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

oei-oei, daor kwaam ineens, den hond aon, gadvergimme... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Mijn irste broek, 1941)

Overzicht van bastaardvloeken

 

gadvergeeme

bastaardvloek

Gadvergemennogaontoetoch... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; NTC 18-11-1939)

Overzicht van bastaardvloeken

 

gal

zelfstandig naamwoord

gal

WBD legger (bep. gewrichtsziekte bij paarden), ook genoemd 'klappees', 'lgger' of (Hasselt) 'ligger'

WBD galle (Hasselt) - gal (vochtophoping in een peesschede)

 

galander

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - gelande, belendende grondeigenaar

WNT GELAND bnw. Eigenaar zijnde van een of meer stukken grond, t.w. in de uitdrukking -  'geland zijn' = land in eigendom hebben.

 

galge

zelfstandig naamwoord, geen enkelvoud (plurale tantum)

bretels

Hij ha en broek meej galge.

- Cees Robben - waor zn men galge?

- N. Daamen - Handschrift 1916 -- "galgen - bretels"

- De straote waare vol mee wvers/ Mee galge over durren boezeroen Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

- WBD III.1.3:123 'galg' = bretel

- Heestermans - Witte nog? I, p. 21 - galg 'bretel'

- Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  galg zelfstandig naamwoord  - galg, bretel

De Bont, zelfstandig naamwoord vr 'galg' - 1) bretel; 2) onderdeel v.e. spinnewiel; 3) (weverst.) elk v.d. beide leren riemen die de kammen in op- en neergaande beweging brengen; 4) (Molenaarst.) bep. draaiboom.

- WNT GALG 2d) draagband (t.w. bij manskleeding) over de schouders gedragen en aan de broek bevestigd, om het afzakken daarvan te beletten; bretel.

 

galggissele

werkwoord, zwak

Henk van Rijen --  afstraffen, onder handen nemen, een pak slaag geven

 

gallopre

werkwoord, zwak

galopperen

WBD (Hasselt) gallopaers; elders: type 'viervoets'

 

gang, gangske

zelfstandig naamwoord

gang (concreet en abstract)

WBD n de gang zn - beginnen te rijzen (gezegd van deeg)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GANK zelfstandig naamwoord m. - in gank - aan den gang

 

gangske

zelfstandig naamwoord, verkleind

kleine gang, gangetje

WBD stalgangetje ( verbinding tussen voorstal en achterstal, opzij langs de koestand heen)

 

gaodoe
samentrekking
ga je je
Cees Robben Gaodoe bos verkpe..? (19870619)
 

gaof

M goaf

zelfstandig naamwoord

gave

bijvoeglijk naamwoord

M heel

 

gaogelbroek

zelfstandig naamwoord

met gagel begroeid stuk land

 

Myrica gale - gagel

 

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - deur de gaogelbroeke moete (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1972) - door de gagelbroeken moeten = een moeilijke tijd doormaken (Het Gagelbroek = een laag gelegen, met gagel begroeid stuk land) (gagel = Myrica gale)

 

gaoget

persoonsvorm van gaon met voornaamwoord het; ook gebiedende wijs

gaat het, gaat dat

Cees Robben Gaoget op de mert mar vraogen. (19540306)
Cees Robben Hullieje pa is unne wous.. hullie moeder unne abbetjoek.. en zelf is t k mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel. (19840330)
Cees Robben Hoe gaoget, Drikka.? (19870925)

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- Hoe gaoget, Bart?

B hoe gaoget? 2e en 3e pers. enk. 'gao' + 'et'

Het fonetisch hiaat tussen 'gao' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g' (Schuurmanss Encl. pron., blz. 22) A.P. de Bont -- 242.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GAGET - gaat het

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GAGET - gaat het

 

gaojke

zelfstandig naamwoord

MTW wederhelft (m.b.t. een vogelpaar)

WBD III.4.1:25 'gadetje (gaaike)' (= gaojke) - wederhelft v.e. vogelpaar

 

gaojslaon

werkwoord, sterk

gadeslaan

Cees Robben Slaoget toch goed gaoi dan hedder genaoi van.. (19650115)

Henk van Rijen - slaoget mar gaoj - bekijk het maar (?)

Allnig op-'n pltske/ waor ik nie wor gaoigeslaon. (Lauran Toorians; Njaorsaovend; CuBra; 200?)

Stadsnieuws - Slaoget tch goed gaoj, d de draojer nie in de frut lope - Blijf toch goed opletten dat de draden niet in de war raken. (230510)

WBD III.1.4:336 'gadeslaan' = zorgen voor

A.P. de Bont -- goislo'n st.ww.tr. en wederk. 'gaoislon' - gadeslaan, zorg dragen voor, behartigen.

 

gaon

werkwoord, sterk

gaan

Praesens: ik gao - gij gaot - hij gao - wij/zullie gaon/gn; imp. gao!

Dialectenqute 1876 - ik gao, hij gaot, we gaon

Cees Robben De goei gaon aaltij t irst... (19720519)
Cees Robben Asser ammol ingaon... (19610707)
Cees Robben Hrt d bist toch is te keer gaon... (19590905)
Cees Robben [dirigent tegen koorzanger:] Fortissimo, d wil naa krek nog nie zegge degge ddgemoedereerd gewoon moet gaon staon te kwke. (datum onbekend)
Cees Robben Hij haauwt lang weg mee zunne gaoren-bol... Dan kumme niet gaon katsele.. (19671215)
Cees Robben We gaon gevangertje doen.. en blt slao dd... (19670908)
Cees Robben Zumme naa is gaon proeme of doede liever hakdolle... (19670908)
Cees Robben - Ik zie (...) Mn kiendjes vur slaoi al dn hofpad op gaon... (19570309)
Cees Robben De kender gaon t list... (19540724)
Cees Robben Dan kunme slaope gaon... (19670428)
Cees Robben En dan gaon we bij omas thee-leppen... (19640228)
Cees Robben Ik en dn onzen zen er tegen in gaon ligge... (19641106)

Dialectenqute 1876 - gao de me? Plur. gellie gao me, war?

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - daor gaon de zaogers van Beek (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1968) - achter elkaar lopen (z.a.)

Henk van Rijen - ek zal es gn kke

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  gaon ww - gaan: hoe ggget?

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GINK 2e hoofdvorm van 'gaan': ging, gong, gonk

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - gaon/ goan (krt.19)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

WvM 'da mun bloet twee keer soo snel ghingk'

Dirk Boutkan (blz. 38) gaon: plur. met verkorting: 'gn'n- in inf. over het alg. geen verkorting; 'k ha nia moete gaon, gaon en staon. Als hulpww. wel verkorting: gn kke, stn te kke (blz. 66)

imperatief uitsluitend 'gao'

 

Oude vervoeging met O

Tegenwoordige tijd eerste persoon meervoud

SJAREL. J, d zik. As we naaw zomer han dan ginke we nor den wenter. En naame in de wenter zitte gomme nor den zomer. Des teminste n goei vruitzicht.  (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

Verleden tijd - Derde persoon enkelvoud

...en nie lang daornao gonk-ie dood... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
Cornelissen keek er van op en ie vroeg, of et om 'n flinke som gong... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Op staonde voet gonk ie naor huis terug... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
De zon waar nog mar amper op of Teun gonk op pad... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)Ze gonk de gang in... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)
Ze gong aon 'n sleutelgat luisteren... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)
...hij gong veur et venster staon en keek naor den overkaant. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

...mar 't waar beter as ie naor huis gonk. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
Toen et vis-sezoen wir oope waar/ gong kaort-club Schuppe aacht/ as en van dirste nr de Maos/ int hartje van de naacht. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onder waoter)

...en t gonk goed (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

t Gong er over thermiek, thermise strooming en alderhande vliegterme die in hil endje boven mn petje gonken. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Toen et vis-sezoen wir oope waar/ gong kaort-club Schuppe aacht/ as en van dirste nr de Maos/ int hartje van de naacht. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onder waoter...)

Driek gong meej en bejaorde-rs/ enen dag meej nr de zee... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin zin mir...)

Ge gongt dan meej zon zwarte ziel rcht naor de hel (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

en ons moeder zette mar thee, d gong er wel in... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Verleden tijd - Eerste persoon meervoud

...w dunkt oe as we 'ns saomen gongen roeien op een van de vennen daor in Oisterwijk? (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

- dan gonken we vaoren, schotsenrijers vangen, steentje kletsen en spatten en poelien (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Toen de groote verhuiswaogen et drp binnen kwaam gerejen, gongen al de gerdijntjes opzij... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Zo gonge wij ok teege tiene/ mee de kiepe mar op stk... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zo gao d dan, zeej Peer)

En uur te vruug gonge we al... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krsmes vruuger...)

Asset afgelope waar, gongen we meej hil de femilie bij onze opa eten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

We gongen veur d we naor school gongen aaltij irst nog naor de kerk, naor de mis van half aacht. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Verleden tijd - Derde persoon meervoud
...nao 't eten gongen ze aon den heerd zitten om den aovond in te praoten. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)
...die gonken mee de kermis nor den Haag... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
...d schon vertessel van die drie mnnekes die saome gonke waandele... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Twee oude vrouwtjes uit de Koningswaai stonden gisterenavond te bibberen bij de generale repetitie en bij het (weer) zien der Duitse uniformen merkte een harer op: "J, z was 't krk. W gonge ze toch te keer!" (Jan Triborgh, pseudoniem van John Majoie, in een serie van 4 artikelen uit de Nieuwe Tilburgsche Courant over de feestelijkheden vanaf 27 oktober 1954 ter herdenking van de tiende bevrijdingsdag van Tilburg.)

Oude vervoeging met I
Verleden tijd - derde persoon enkelvoud

En toch gink ut vruit! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

Verleden tijd - eerste persoon meervoud

SJAREL. J, d zik. As we naaw zomer han dan ginke we nor den wenter. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

Verleden tijd - derde persoon meervoud

En toen de auto's wir durgereeje ware, ginke die medjes mee bekare staon te smoeze. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

 

gaonde

tegenwoordig deelwoord van gaon
uitdrukking: niks gaonde; niets aan de hand
Cees Robben Daor is niks gaonde Wout... (19791012)
Jan Jaansen - "Vergimd, daor hedde 't gaonde!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

gaopbl

gaapbol, papaver somniferum

zelfstandig naamwoord

Gaap- of slaapbollen zijn vruchten van de papaver (Papaver somniferum)

Frans Verbunt -- hdde soms laaw soep meej gaopblle op? - waarom kijk je me zo hinderlijk aan

GG gaap- of slaapbol = vrucht v.d. papaver (Papaver somniferum)

Stadsnieuws - Hdde soms laaw soep meej gaopbllen op? - waarom zit je zo naar me te staren? (020806)

 

gaope

werkwoord, zwak

kijken, gapen

gaope - gpte - gegpt (met vocaalkrimping) ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimpings gij/hij gpt

Stao nie z te gaope, gaoperd! - Sta niet zo te kijken, sufferd!

...ze willen natuurlijk allemol wete w Kubke Kladder te vertellen hee, d gopt as 'nen oven! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

GAOPE "D gopt (gaapt) as 'nen oven" of "d is z klaor as 'n klontje" zoudt ge daarop ten antwoord kunnen krijgen. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Van Beek - "Dat gaapt als een oven", zei de boerin. Daarmee bedoelende: dat spreekt vanzelf. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Frans Verbunt -- d gpt as enen oove - dat is zo klaar als een klontje

Hey klein drlleke, wet zitte toch te gaopen...  (Tony Ansems, Hey klein drlleke; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

WBD (III.2.1: 586) gaope - geeuwen, gapen

 

gaoper, gaoperd

zelfstandig naamwoord

gaper, toekijker

Cees Robben - leuwegaoper die ge zt;

WBD III.1.4:9 'gaper' = nieuwsgierigaard; ook 'gaperd'

 

gaoperd, gaoper

uilskuiken, sufferd

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek -- gaoper = + 'klssenbak', 'laobes'

Stadsnieuws - Hee gaoperd, kunde nie t oe dppe kke! (190809)

WBD III.1.4:9 'gaperd' = nieuwsgierigaard; ook 'gaper' 37 'gaperd = ezelachtig persoon

 

gaor, grder, gaorst

bijvoeglijk naamwoord

gaar, gaarder, gaarst

WBD nie gaor - te nat (gezegd van brood)

Cees Robben Vrouw.. De bntjes zen nie gaor... Nou dan knaauwde ze mar gaor... (19770805)
Cees Robben t Was vurrekkes goed gaor... (19760820)

WBD gaor - gaar, d.w.z. voldoende gelooid (in de leerindustrie; II 620)

 

gaore

zelfstandig naamwoord

garen

Cees Robben - Meej veul raozen n tiere kwaamp er bij hum gaoren op de kls.

Pierre van Beek -- Zien dtter gaoren op de kls komt (T 184)

WBD (II:698) hnnepgaore, kmpgaore - hennepgaren (niet vermeld)

WBD (II:702) spienaolgaore - spinaalgaren (niet vermeld)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gaore vernaojen n td verkwiste (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1968) - nutteloze arbeid verrichten

WBD gaore (II:919) - garen

WBD lnggaore (II:1012) - lenggaren: ter reparatie van kettingdraden

Frans Verbunt -- der mot gaore op de kls koome - er moet iets gebeuren

Frans Verbunt -- hij heeget zwarte gaoren tgevonde

Stadsnieuws - Der valt gin goej gaore meej te spinne - je kunt er niets mee aanvangen (080306)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - gaore (krt. 61)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GAREN (uitspr. gaoren en goaren) vrnw.- allen: geen van garen. GAREN zelfstandig naamwoord o. Fr. fil

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  gaore zelfstandig naamwoord  - garen

 

gaorenbl
zelfstandig naamwoord

garenbol
bol garen; bal die van garen gemaakt is; kaatsbal voor kinderspel
Cees Robben Hij haauwt lang weg mee zunne gaoren-bol... Dan kumme niet gaon katsele.. (19671215)
 

gaorenbom

zelfstandig naamwoord

garenboom

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - iemand rllen as nen vrdagsen gaorenboom (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1979) hem erdoor halen (Vrijdags werden de stukken van de doekboom gerold, waar ze tijdens het weven omgedraaid werden, om ze 's zaterdags bij de fabrikant in te leveren.)

Henk van Rijen --  (textiel) kettingboom

WBD 'gaoremboom' (II:957) - garenboom

 

gaos

zelfstandig naamwoord, vrouwelijk

gaas

Henk van Rijen - gao es gaos haole - ga eens gaas halen CiT (30) 'Gao's gaos haole'

Jawel, hij liep meej nog un paor aander seldaote un sigretje te roke, aachter de gaos. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

gaote, gaoter

zelfstandig naamwoord, meervouden van gat; gaten

mar ik haaw ze sekuur in de gaoter (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941)

Cees Robben Kek toch is wen diepe gatte vadder../ D zen gin gatte bruurke.../ D zen gaoter... (19671208)
Cees Robben En gaoter waorin ge bleeft steken (19590822)
► gatte

Oopaa, der zitte namml gatter in den opstoet. n toen zeej dieje meens: D zn gin gatter, mnneke, d zn gaoter. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Henk van Rijen --  'H lult oe de gaoter in oew sokke' - Hij praat de oren van je hoofd

WBD (II:2767) 'spkgaoter' - spaakgaten in de naaf

WBD III.1.4:336 'in de gaten houden' = zorgen voor

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gaoter, meerv. van 'gat'

 

gaotje [gtje]
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van gat het meervoud is gaoter
gaatje
Cees Robben Of z mar in t zaand... in n gaotje... (19570525)
 

gaowg

tussenwerpsel

Frans Verbunt -- uitroep van ongeloof

 

gas

zelfstandig naamwoord

gas

Doe de gas mar t

 

gasfebriek

zelfstandig naamwoord

... wij zin aaltij de gasfebriek ok al waar daor de elektrciteitscentrale gevestigd.  (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

gasje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

gast - verkleinwoord van 'gast'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gasjes

Dirk Boutkan (blz. 53) gast - gasje

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - GAST - gezel. In Brabant zeer gemeen, en in de meierije ook zeer bekend; b.v. een brouwersgast, een kleermakersgast. Noch bij Kil., noch bij Plant.

WNT GAST, dim 'gastje', in de volkstaal GASJE

 

gaslantre

zelfstandig naamwoord

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

gaslantaarn

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  Gaslantren zelfstandig naamwoord v + m. - gaslantaarn

 

gasths

zelfstandig naamwoord

Ill.: Regionaal Historisch Centrum Tilburg/ Stadsmuseum

gasthuis, ziekenhuis

WBD III.1.2:395 'gasthuis' - ziekenhuis

A.P. de Bont -- ga.sthous, zelfstandig naamwoord o. - gasthuis, ziekenhuis

 

gat, gtje, gtje

zelfstandig naamwoord

1. gat = achterste, kont, billen, aars

- in deze betekenis is het meervoud eveneens 'gat' (ze zaaten op d'r gat)

- het verkleinwoord is 'gatje'

gez. Et zal oew gatje/kuntje vaore - Het zal je tegenvallen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gat - de pap, melk of room hee t'r gat omgegooid (gehottelt; geschift)' [WTT 2013 - schiften, zuur worden; er lijkt een verband met 'dere krf omschudde' ►krf]

MP gez. Hij hlden en roej vur zen ge gat

MP Wie de blaos wil hbbe, moet irst et vrke zen gat kusse.

MP gez. Haawt Gd vur oge n de haand vur oew gat, dan zal oe niks ntvalle.

MP gez. Ast nie waor is, geef ik mn gat vur en kummeke soep.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - (bij kleine kwalen): bid mar dt vur oew gat schiet, dan kundet tpoepe

Frans Verbunt -- meer meej zen gat mgoje as meej zen haande rchtztte

Frans Verbunt -- meej zen gat in de booter valle

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - gat, frequent in Tilburg

WBD III.1.1. lemma  bil c.q. dij gat, gaat, noordelijk Tilburg

1.1 in de uitdrukking 'vur oe gat schiete'

naar de wc kunnen; gebruikt als men wil zeggen dat een goede stoelgang een einde maakt aan een kwaaltje.
Cees Robben Det rap vur oew gat schiet.. Dan bender z van aaf... (19831118)
Cees Robben Ik heb bkpent moeder.. Dan bidde mar tot Sinte Piet det vur oew gat schiet... (19841102)
1.2 uitdrukking voor afstand; verder weg dan gedacht
Cees Robben Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... Mar t stikt zn gat aanders wd aachteruit, en t lekt wel op n Bossche rs... (19850504)

2. gat = opening in een vaste stof

- het meervoud is gaote of gaoter

- Dirk Boutkan - gat - gaote (36)

- Jan Naaijkens - D's Biks -- 1992 -- meervoud: gaoter

- het verkleinwoord is gtje

MP gez. Kaanters gat is rnd.(= Wij moeten alles over onze kant laten gaan.)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - en gat meej en gat is gin gat, mar en gat znder en gat is en gat (D'16) raadsel; antwoord: WC-bril

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et gat afdraaje (JM '50) - een taak of verplichting niet nakomen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge vangt em nie vur en gat waor der twee zn (Kn'50) - dat is een slimmerik

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - z schrp as en gat (D'16) - spreekwoordelijke vergelijking

Frans Verbunt -- ge vangt em nie vur en gat

Frans Verbunt -- et zn kaoj katte die vur en gat mze

WBD III.1.3:242 'gat = gat in een kous' ook: 'kot' of 'knol'

3. samenstellingen

WBD schrgat - hooiluik (naar de hooizolder)

WBD (Hasselt:) drinkesgat of drinkkl - waterkuil (natuurlijke of gegraven kuil op het erf of op de weide, waarin men het vee drenkt)

WBD schpgat - schepgat van de (water)put

4. bastaardvloek

gat = verbastering, vermildering van 'God'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gat hier n giender (bastaardvloek)

5. verwensing

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - kwge verroestte meej en blik n oew gat (Si'65) - verwensing

6. toponiem 't Gat

Bij Robben = Het gat van Lievengoer langs de Donge aan de Gilzerbaan. (19570119)

 

gatdrm

zelfstandig naamwoord

gatdarm

WBD III.1.1. lemma endeldarm, dikke darm gatderm frequent Tilburg

 

gatnd

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.5:52 gatnd - ondereinde v.e. stam; ook genoemd: kontnd, voet of stronk

WBD III.4.5:59 gatnd - boomstronk; ook genoemd: kontnd, strk, pst of knst

 

gatgedag

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  ondeugd, kwajongen

 

gatje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

gaatje

WBD spangatjes (of: -gtjes) - spoelgaatjes (II:1035); ook: gtjes, gtjes

 

gatjn

bastaardvloek

Jan Jaansen (Piet Heerkens) -- "Haaw op mee d gekreun," zee taante Hanna, "ik wor d'r zemellappig van, gatjn (uit Oome Teun en den dokter, Nwe. Tilb. Courant, 1939)

Lechim (M. v.d. Ven) -- Gatjn w hemme toch genoten/ Van 't prachtig weer in maai/ Gin vgeltje heeter gefloten/ Gin blumke bloeit 'r langs de Laai. (ongedateerd knipsel uit De Tilburgse Koerier; ca. 1975)

Telangeliste wast gatjn/ nie mir om t te staon. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Taandpnt....)

Ik z drie daoge vrij gewist/ gatjn, w was ik muug... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: In et zwet van oe aonschn)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatjevergimme

bastaardvloek

Piet Heerkens -- "Wel gatjevergimme,/ die kraai krijgt et verrig,/ riep Jan, 't is 'n slimme!" (uit De kster van Baokel, in: Vertesselkes, 1941)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatjuu

bastaardvloek (uit God en Dieu)

Lechim (M. v.d. Ven) -- En Sjaan zaat in d'r nuuwe baank/ Gatju w was ze frd. (ongedateerd knipsel uit De Tilburgse Koerier; ca. 1975)

Lechim (M. v.d. Ven) -- Gatju, w zumme dan fiste strak. (ongedateerd knipsel uit De Tilburgse Koerier; ca. 1975)

Lechim (M. v.d. Ven) -- Ik hagge't gezee, dus mos ik mee/ Gatju, ha'ik mar niks gezee (ongedateerd knipsel uit De Tilburgse Koerier; ca. 1975)

Lechim (M. v.d. Ven) -- Vleeje week is de St.-Anna-kerk/ in 't openbaor verkocht/ Gatju Kriesje, w was 't 'r druk/ D hadde nt verwocht. (ongedateerd knipsel uit De Tilburgse Koerier; ca. 1975)

Gatju, waor blft de td ? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dees is den duuzendste Koerier)
...gatju w wasse fred. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Te zwaor op de (aachter)haand)
Cees Robben - gatjuu

Henk van Rijen --  verdorie: uitroep van teleurstelling (God oh God)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatsamme

bastaardvloek (= God zal me ....)

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gatsamme (passim)

Cees Robben Bij dees heerlijk jubileum heurt gatsamme n Te Deum (197906) [Geen Prent van de week, maar een tussendoortje om het koperen bisschopsjubileum van monseigneur Bluyssen te vieren.]
Cees Robben Lpter k de kentjes aaf/ En zegde gatverdikke... Dan snapter k gin bal mir van/ Gatsamme net as ikke... (19700403) [Deze regels, zo gaf Robben in de Prent aan, te zingen op de wijze van Zde gij unne pronte meens.]
Cees Robben Reesde mee de BBA [openbaar vervoer] en zidde gatverdikke...?! Dan wierde gij toch k deurnat gatsamme... net as ikke... (19540828) [deze prent speelt in op de actualiteit: in de vakantiemaand augustus had het meer dan een hele dag achter elkaar geregend. Bovendien is het een variant op het zogenaamde Tilburgs volkslied]

Cees Robben - Gelukkige is t  woord nie, zik deuzig en zat.. mar zaolig gatsamme.. d-wel.. (nieuwjaarsgedicht; 02-01-1970)

Piet van Beers -- Biljarte z nog gaon,.. messchien k damme./ Daor zwitte k nie zveul van, gatsamme. (uit Roland Garros; ca. 2005)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatservtje

zelfstandig naamwoord, dim

stuk toiletpapier

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gatservetje (Closetpapier)"

Neffen de closetpot stond un kiesje, daorin lage de gatservetjes, stukskes kraant, in nette vierkantjes geknipt. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

gatslag

zelfstandig naamwoord
- klap op de billen; een probleem
Cees Robben Hij maokt er unne gatslag van.. (19600219)
WNT - bilslag, in het spreekw. Kermisgaan is een bilslag waard, voor een pretje moet men wat over hebben (zie b.v. Gew. Weuwen. 3, 25 [1709]; POTGIETER 6, 224 [1838]; en verg.: Spelen gaen te lande-waert, Dat is wel een bil-slagh waerd, DE BRUNE, Spreeckw. 47 [1636]; Een kus van zulk een mond is wel een bilslag waard, Spyt d. Verl. 31 )
Cees Robben Virtien daoge op sjanternel.. Ons Tonia maokt daor himmel ginne gatslag van... (19861124) [maakt daar geen probleem van]
Cees Robben Ge maokt er unne gatslag van.. (19700918)

Pierre van Beek -- We mkten er ene gatslag van. (overbodige drukte) (Tilburgse Taaklplastiek 145)

(gatslag: klap tegen de billen)

Frans Verbunt gatslag = kwinkslag

WNT XIV:1511 gatslag - bilslag (verouderd)

WBD III.4.4:245 'gatslag = lawaai

 

gatspie

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1. lemma  aarsspleet gatspie, uitsluitend opgetekend voor Tilburg

Henk van Rijen --  holte tussen de billen

Henk van Rijen --  'Jan gatspie' - smalende betiteling, scheldnaam voor een kwajongen

 

gatstp

zelfstandig naamwoord

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gatstop - scheldnaam voor een kwajongen"

 

gatte
zelfstandig naamwoord, meervoud van gat
gaten; door Cees Robben gebruikt om zijn lezers correct Tilburgs te leren:
Cees Robben Kek toch is wen diepe gatte vadder../ D zen gin gatte bruurke.../ D zen gaoter... (19671208)
► gaoter
 

gatverdikke

bastaardvloek

gat = God
Cees Robben Gatverdikke dan ben ikke/ Net unne rijke fabrikaant..! (19540612)
Cees Robben Lpter k de kentjes aaf/ En zegde gatverdikke... Dan snapter k gin bal mir van/ Gatsamme net as ikke... (19700403) [Deze regels, zo gaf Robben in de Prent aan, te zingen op de wijze van Zde gij unne pronte meens.]
Cees Robben Reesde mee de BBA [openbaar vervoer] en zidde gatverdikke...?! Dan wierde gij toch k deurnat gatsamme... net as ikke... (19540828) [De prent werd gemaakt naaraanleiding van zeer langdurige regenval in Tilburg.]

Karel de Beer -- Praote gij van "gienderwd,"/ Koomde wl es dur de Rt,/ Witte gij ok wort Kednt is,/ Itte plling meej de Krmis,/ Knde gij et Fraatersgat,/ n zgde "gatverdikke!"/ Dan zijdegij van onze stad,/ Van Tilbrg, nt as ikke! -- Tussen haakjes: dit lied moest bij speciale gelegenheden plechtig gezongen worden, staande en uit volle borst, herinner ik mij van vieringen van belangrijke verjaardagen van mijn oma. Voordat dit gebeurd was mocht de aanval op het familiediner beslist niet worden ingezet. (2000, van de website over Tilburgse bijnamen van Karel de Beer)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatvergiele

bastaardvloek

Cees Robben - Gatvergiele, gienderwd.. daor gao die Golse giebergt (25-10-1985)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatvergielegtekeutel

bastaardvloek

Stadsnieuws - Gatvergielegtekeutel, ws d het (160909)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatvergimme

bastaardvloek

gat = God; vergimme = vergeef me

ook adjectivisch gebruikt: Die gatvergimmese kwjng!

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gatvergimme

Cees Robben - ik kan d gatvergimmes gaotje nie vne (15-04-1965)

Cees Robben - Ge staot zonder benzine meneer Wel gatvergimme.. daor kan ik bist al drie daoge mee gereeje hebbe (14-03-1975)

Stadsnieuws - J, ds gatvergimme nie op sneublle gekokt (311208)

Cees Robben - ge zit gatvergimme net te loere as unne hond in n vleeshal.. (02-07-1976)

Cees Robben - Ik ben geboren en getogen/ in de aauwe Koningswaai/ en ik had daor int verleeje/ gatvergimmes munnen draai (over Pieta Melis; 19-02-1971)

Willem van Mook k Heb gatvergimme m'n ziel toch nie aon den duvel verkocht, 'k Ben 'ne goeie katholieke meens. (Nieuwe Brabantse novellen; ca. 1970)

Jodocus (J. Stroucken) -- En w 's d, gatvergimme?/ D zn rooj spruite, zeej ik fier (Toemet hooj; 1993)

Piet van Beers -- Ge ht me doen simme/ gatvergimme. (uit Lieve Annelieke)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatverjuuw
bastaardvloek - gat = God; juuw = juu = verbastering van Dieu/ God

Anoniem 1959
Nillus ha de klosse over laote loope
en daor haddet gatverjuw,
Dieje zuukert, de meulesteller,
stond bezije de contenu.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm
Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gatvermiedenhoed

bastaardvloek; wsch. persoonlijk taalgebruik

Tony Ansems -- Zondags ging ie gerre nor 't caf toe/ Mar ons Oma vond/ Dat ie ut mar nie moes doen/ Ze verstopte zijn schoenen/ En den Opa zachtjes vloeken/ Gatvermiedenhoed. (Tony Ansems, Gatvermiedenhoed;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

Ja, den Opa die zi, of ie kwaot was of nie/ Gatvermiedenhoed... (Tony Ansems, Gatvermiedenhoed;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gawalo
zelfstandig naamwoord
Robben noemt gawalo in een reeks van onderwijsvormen als Mulo, MTS, Gym. De betekenis is niet duidelijk. (19560721)
 

gazt

zelfstandig naamwoord

krant

WBD III.3.1:310 'gazet = krant

 

ge

gij, maar ook: men

persoonlijk voornaamwoord

Ge meut nie vloeke; ge zt zgge

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GE vrnw - Wordt veel gebruikt voor 'men': Ge zoudt zeggen dat

- gij - gullie - persoonlijk voornaamwoord  -je, u, jullie

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - ge

► g

 

g, gij, ge

persoonlijk voornaamwoord

gij, u, jij (zie ook ge)

Cees Robben - omd gt zt

Dialectenqute 1876 - g daacht nie, d 'k d wiest ( is volgens toelichting van fr. mme)

Verhoeven - DE (als in 'hdde' e.d.) uit 'du'! Z.a.

 

geaawehoer

zelfstandig naamwoord

geouwehoer, zaniken, kletsen

Cees Robben - 'Gin geaauwehoer mar saauwelpraot'

 

geaffeseerd
► affeseere
► geavveseert
 

geaffronteerd
voltooid deelwoord van affronteere uit Franse affronter, beledigen
beledigd
Cees Robben - ... zeej [zei hij] geaffronteerd. (19601230)
 

geappeld

bijvoeglijk naamwoord

WBD gezegd van een zgn. appelschimmel, in Hasselt ook wel 'gepnningd' of 'pmmeleej' genoemd [WTT 2013 - het laatste wsch. van het franse 'pomme', appel]

 

geavveseert
voltooid deelwoord van affeseere, opschieten, haast maken
haast gemaakt
Cees Robben We hebben mar nie geavveseert, en alles op staoi-aon gedaon... (19660325)
► affeseere
 

gebakke Jaop
zelfstandig naamwoord
een gebakken bokking
afgeleid van de naam van een visboer (Jaap)
Cees Robben Enkelt gebakken Jaop (19870220)

 

gebakkraom

zelfstandig naamwoord

gebakkraam

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaaaene mallemeule n enen hoogaatie n ene ootoosktters n zo n dan gebakkraome n snoep n nooga, ollieblle n, j, pllinge n zo. As ge dan saoves nr de krmes waart gewist dan moeste enen bl ollieblle meejneeme f et was nie goed, h, dan hoefde nie ts te koome! Klik hier om dit bestand te beluisteren
 

gebeeje

voltooid deelwoord van bidden (naast 'gebid'); zelfstandig naamwoord meervoud van gebd, gebed

'k h veul geleeje,

ok veul gebeeje,

ik zee tevreeje (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Ouwe man, 1938)

 

gebeeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van gebd

Aoventgebeejke, Murgengebeejke Titels van gedichten van H.A. Sterneberg s.j. in Een Busselke Braobaansch,  1932)

...de veugeltjes zongen d'r aovondgebeekes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Henk van Rijen --  'gebeejke' gebedje

 

gebeetere

werkwoord, zwak

verhelpen, voorkomen (?)

P Ik kan et k nie gebeetere. - Ik kan er ook niets aan doen.

N. Daamen - Handschrift 1916 -- Gebetere 'ik kan et nie gebeteren' (helpen)

Van Delft - ik kan het niet "gebeteren" wil zeggen: ik kan er niets aan doen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Met - Wanneer ge 't niet kunt gebetere", heb dan geen zorg want ge hebt er geen schuld aan. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

GEBEETERE Pierre van Beek en wie het niet "gebeteren" kan, wanneer er bijv. iets verkeerd gegaan is, heeft aan die verkeerde gang van zaken geen schuld. (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)A.P. de Bont -- zw.ww.intr. 'gebeteren' - beter worden: 'D gebetert v. aege

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEBETEREN - verhelpen: uitsl. in onbep.wijs en vergezeld van 'kunnen', in vragende en loochende zinnen; Kan ik 't gebeteren dat ...

WNT GEBETEREN v.h. ww. BETEREN met het voorv. ge- ter versterking der met het ww kunnen verbonden negatie. - beter maken, verhelpen

 

gebeure

werkwoord, zwak

gebeuren

B gebeure - geburde - gebeurd

- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: et gebeurt

 

gebid

werkwoord, voltooid deelwoord

gebeden
Cees Robben we hebben nie gebid... (19670428)
Cees Robben Daor wier gevrukt, gezwit, gebid... (19610915)
Cees Robben Ik ben sjuust op de ks gebid... (19590328)
Cees Robben Zde gij k op de ks gebid.. (19700814)

Henk van Rijen --  gebeden, aangezegd

MTW 'K-z nie gebid' - Ik heb geen bericht gekregen van het overlijden

 

gebinte

gebeente

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:27 'gebeente' = geraamte

Cees Robben - hier moet laoter mn gebinte ruste

WBD III.1.1:28 'gebeente' = been, beenderen

 

gebit

zelfstandig naamwoord

gebit

Frans Verbunt -- en gebit gelk de krmes van Riel

 

gebitoge

zelfstandig naamwoord, meervoud

WBD (Hasselt) bitringen (de beide ringen aan het einde van de bitstang v.h. paard)

 

geblikt

zelfstandig naamwoord

gebleekt

WBD geblikten blm - bloem (meel) van bleke kleur

 

geboer, geboert

zelfstandig naamwoord

boerenbedrijf

...Eerst mar de kom van et drp en dan iederen dag 'n aandere wijk 't geboert afaozen! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

't Moet indruk maoke, 't geboert moet er wakker van worren! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)

Cees Robben Dieje weg (...) die rchtevort naor t geboer van de Van de Braante lopt... (19791102)

A.P. de Bont -- GEBOER - boerenbedrijf.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEBOERT zelfstandig naamwoord o. - al wat boert of het boerenbedrijf uitoefent; GEBOER zelfstandig naamwoord o. - het boeren, wijze van boeren, meest spottend gebezigd.

WNT GEBOERTE - de gezamenlijke boeren; de boeren of landlieden. Meest met een zekere minachting gezegd.

 

geboje, geboje

zelfstandig naamwoord, meervoud van gebd

geboden

MP gez. Et lfde gebd: Doe gin man goed, dan zal oe gin kwaod geschieje.

Henk van Rijen - vat et mar meej oew vf geboje - pak het maar met je vingers

WBD III.3.1:323 'gebooi' =aankondigingskastje, c.w. 'aanhangbord'

Dirk Boutkan gebd - geboje (blz. 54)

WBD geboje (III, 3.3:293) = huwelijksafkondigingen

WBD III.1.1:1148 'tien geboden' = handen: 153 idem = vingers

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - (de tien; gabooj: uitgangsloos meervoud (blz. 118.)

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord mv. 'gebooi' - geboden

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'gebooj' zelfstandig naamwoordmv - geboden, mededelingen, vingers

 

gebont, gebonte

zelfstandig naamwoord

WBD tasruimte in de schuur (v.d. dorsvloer gescheiden door 't tasmuurtje) (ook in Hasselt); wordt eveneens 'tasrmte' genoemd

WBD gebinte (balkenstelsel bestaande uit 2 stijlen en 1 ankerbalk)

WBD gebnte (meervoud) - tasruimte in de schuur (idem als enkelvoud)

vM durgebnt - de deurstijlen; hij stn tussen et durgebnt

naa'k stao te droomen in 't deurgebont (Piet Heerkens; uit: De Mus, Merel, 1939)

Cees Robben - in et deurgebnt.

- Int Kednt daor stint un echtpaor/ Te praote in ut durgebont Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GEBONT o.- gebinte, ruimte tussen de staanders waarop een huis gebouwd is: 't vurste gebont = het woonhuis, soms alleen de bedstee: goed boeren in 't vurste gebont - actief en vruchtbaar zijn in de bedstee, veel kinderen hebben; in 't aachterste gebont - achter in het huis of de schuur (waar het soms ook niet pluis was).

A.P. de Bont -- gebnt zelfstandig naamwoord o. - kozijn (v. deur of venster)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - gebont - gebint (Meierij). Ablautend bij 'binden'

 

gebmt [gebomt]
zelfstandig naamwoord
geboomte
Cees Robben ... geburen en gebmt.. (19590905)

 

geboore, verkeerd

zegswijze

verkeerd geboren zijn, gezegd van meisjes die zich als een jongen gedragen
Ons moeder heej aatij gezeej: Gij bnt en kwjonge! Gij zt verkeerd geboore! zisse dan! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

gebraaid [gebraajd]
voltooid deelwoord van braaje
gebreid
Cees Robben Aachter de gebraaide broek van ons Berta... (19730216)
 

gebreeje

werkwoord, voltooid deelwoord van 'braaje', breien

Frans Verbunt -- gebreid. Dees kled hk ges gebreeje gehad.

 

gebrk

zelfstandig naamwoord

gebruik

Cees Robben - en schoon gebrk van jaore hr

WBD III.3.1:189 '(gebruik; bij (het) leven', 'tocht'= vruchtgebruik

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEBRUIK zelfstandig naamwoord o. - Hoeveelheid lands, die een landbouwer gebruikt.

 

gebrke

werkwoord, zwak

gebruiken

B gebrke - gebrkte - gebrkt

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij gebrkt

 

gebrcht

werkwoord, voltooid deelwoord van brnge

gebracht

 

gebroek

zelfstandig naamwoord

- Gebroek, zin wij vruuger aaltij h, die kwbbe dan, d moeras, h. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Niet elders aangetroffen, ook niet in WBD. Hetzelfde als 'broek', waarvan WNT zegt: 'Moeras, laaggelegen, dras land.'

Kwebbe staatinderdaad in het WBD, ook als kwep en kweb: 'moerassige plaats die met gras en mos overwassen op vasten grond gelijkt, maar waar men inzinkt als men er op gaat...'

 

gebrkt(e)

persoonsvorm van werkwoord.

gebruikt(e)

- tegenwoordige tijd sing. resp. verleden tijd van 'gebrke', met vocaalkrimping

 

gebrojd

bijvoeglijk naamwoord

gebrood; z'n dagelijks brood hebbende, zijn bestaan hebbend

voltooid deelwoord van het werkwoord broden, van brood voorzien, levensonderhoud bieden

►WNT lemma GEBROOD
Cees Robben [soldaat tegen vrouw:] En mocht ik sneevlen... (...) Dan nie gelammenteerd... / Dan zdde gij gebrooid.. Ge wit ik ben goed verastereerd... (19551217)
GR assie er den aord ha, dan was ie gebroojd n nder de panne

Henk van Rijen --  'Ze zn gebrojd vur hil dur lve' - Ze zijn voorgoed binnen.

Stadsnieuws - Hij heej nie te klaoge, hij is ommers goedgebrojd - hij is immers verzekerd van een goed bestaan (3006l0)

 

gebrooke

werkwoord, voltooid deelwoord van breeke

gebroken

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - (krk) int gebrooke (koome) (JM'50) - ongelegen (komen)

 

gebruurs

zelfstandig naamwoord, meervoud

gebroeders, gebroers

Cees Robben Drie gebruurs... (19600304)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEBRUURS zelfstandig naamwoord m.mrv. - gebroeders: 't zijn drij gebruurs.

 

geburde

persoonsvorm van werkwoord

gebeurde

B verleden tijd van 'gebeure', met vocaalkrimping

 

gebuurt

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- mensen in een bepaalde buurt; buurtgenoten

is den duuvel oew gebuurke, / dan is et leeven een vaogevuurke! (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Van Kees en Kee, 1941)

WBD III.5.1:319 'gebuurt' = buurt; 321 'gebuurt' = gebuurte; ook genoemd: 'geburen, gebuur, buren, buurt of buurlui'

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  gebuurt zelfstandig naamwoord  - de buurt

WNT GEBUURTE - 2) Zeker aantal naast of nabij elkander staande huizen, die een bepaald deel van eene stad of een dorp, of eene onderafdeeling van een stadskwartier of wijk vormen.

 

gedaacht

zelfstandig naamwoord

gedachte; idee; opvatting.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Met dt gedaacht heb ik al ning daog vaoren draogen. Hier dus blijkbaar onzijdig (dt in plaats van die).

- Toch was daor gin gedaacht van. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

- Ik zeg potdome Drik, d was gin kwaoi gedaacht... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

- KAREL. Vergimme, daor hok nog gin gedaachte op gehad. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 19 januari 1945)

- De Wijs -- (Gehoord na n communiefeestje) Jaons, Laot naa de schaal van de kau-schotel nie valle. - Indirekt heb ik daor z gezeed gin gedaacht op gehad. (20-03-1968)

- De Wijs -- (uit diepzinnig gesprek opgevangen) - ik zeg ik docht dekket goed daacht mar j, ik was er neffe omdk daor z gezegd zogezeed gin gedaacht op gehad had. (17-10-1966)

- Cees Robben Daor hek (...) nog gin gedaacht op gehad... (19690613)
- Cees Robben Z kwaamp ons boerke op t gedaacht (19610929)

- Henk van Rijen - hij h er gin gedaacht op gehad - hij was het vergeten

- Jo van Tilborg - ...en d waren un stelletje druktemaokers, daor hedde gin gedaacht van. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  gedaacht zelfstandig naamwoord  - gedachte

- WBD III.3.1:244 'van gedacht zijn', denken, geloven = menen

- WBD III.1.4:4 'zijn gedachte hebben' = redeneren

- A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'gedaacht' - gedachte

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEDACHT zelfstandig naamwoord o. - gedachte

 

gedallaast

bijwoord

WTT-2017: Uit het jiddische dalles, armoede. Zie WNT lemma dalles, met uitdrukkingen als In de dalles zitten en Dalles hebben, beide: in de armoede zitten, aan lager wal raken. Een werkwoord dallassen hebben wij niet aangetroffen, wat niet  heeft kunnen verhinderen dat in het Tilburgs toch de vorm van een voltooid deelwoord voorkomt: gedallest, gedallaast. De vorm met a wsch. uit het Bargoens = 'genillest'.

Afgezwakte betekenis: het slecht getroffen hebben;

Cees Robben W zemmer toch wir mee gedallaast... (19730519); Cees Robben Ik werk vort mee unne ballaast (...) Dan bender mee gedallaasd (19860418);

Cees Robben We zen-der wel mee gedallaast... (19670901)

 

gedamme
bastaardvloek; uit: God & verdomme
Piet Heerkens - Toen riep er den boer al naor de meid:/ "ge mot er 's efkes koome,/ gedimme-gedamme-gedome!"/ en de meid kwaam deur die gruune waai,/ vol lollige blumkes al in de Maai....../ en ze hebbe mekare genoome! (In: Den rgel, 1938)
Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gedaon

werkwoord, voltooid deelwoord

gedaan

Cees Robben D hebben de klokken van Rme gedaon! (19550409)
Cees Robben Wie heej nog niemand kaot gedaon... (19570615)
afgelopen, voorbij
Cees Robben Naa is t gedaon. (19540925)
Cees Robben gedaon waar t fist (19590822)
gedaan hebben = zijn behoefte gedaan hebben
Cees Robben Mar assie gedaon heej mottie effegoed vge... (19650828)
Cees Robben Jonge, waor wilde ligge... Ik heb al gedaon vur gij oew broek los ht... (19780714)
uitdrukking - gedaon gehad/ gedaon gekreege - ontslagen

Bij X hbbe ze amml gedaon gehad/gekreege.

Anoniem 1959
Nillus kon gin paf mir zegge,
d'r hielp niks gin permetaosie,
Op staonde voet krig ie gedaon,
en 't errigste: 'n kaoi rikkemedaosie.

(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEDAAN bvw. - geeindigd, uit; 't Is met de' vent gedaan - hij is dood

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  gedaon deelw. - gedaan; hij h gedaon gekreejge

 

gednkplts

zelfstandig naamwoord (m/v)

gedenkplaats

Tussen Tilburg en Loon op Zand bevindt zich in de deelgemeente De Moer een Gedenkbos. Op zaterdag 29 juni 2019 werd in dat bos op initiatief van de Stichting Tilburgse dan wel Tilbrgse Taol de asbus bijgezet met het stoffelijk overschot van Wil Sterenborg, en wel onder een nieuw aangeplante beukenboom. Naast de beuk werd een plaquette met informatie aangebracht en onthuld.

 

 

 

Grad de Laat roept herineringen op aan Wil Sterenborg in diens loopbaan van concirge en leraar Nederlands tot conrector  van het Sint-Odulphuslyceum in Tilburg.

 

 

Peter Smulders - eigenaar van het Gedenkbos maar ook oud-directeur van Stichting Onze Taal herdenkt Sterenborg.

 

 

Tim van den Avoird, voorzitter Stichting Tilburgse Taol, over zijn herinneringen aan Wil.

 

 

gedije

werkwoord, zwak

gedijen, groeien, in grootte toenemen

- gedije - gedijde - gedijd

 

gedild
voltooid deelwoord van zwak werkwoord dele
gedeeld, verdeeld
Cees Robben Dr valt hil w te bedillen Merie asser gedild moet worre.. (19650402) [het verdelen van geld]
 

gedilte

zelfstandig naamwoord

gedeelte

 

gedimme
bastaardvloek; uit: God & verdomme
Piet Heerkens - Toen riep er den boer al naor de meid:/ "ge mot er 's efkes koome,/ gedimme-gedamme-gedome!"/ en de meid kwaam deur die gruune waai,/ vol lollige blumkes al in de Maai....../ en ze hebbe mekare genoome! (In: Den rgel, 1938)
Overzicht van alle bastaardvloeken

 

gedoegeter
samentrekking
je doet het er
Cees Robben gedoegeter neffe [je doet het ernaast = verkeerd] (19560707)
 

gedoejke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen --  gedoetje

 

gedoentes
zelfstandig naamwoord, meervoud
nering, bedrijf; vaak ook als gedoentje voor kleine boeren
Cees Robben Hij zaag de gedoentes, vervallen, keduuk (19551119)
 

gedoentje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

bedrijf, in het bijzonder boerenbedrijf of kleine nering

Ze waar vruug weduwvrouw geworre en ze moes heel 't gedoentje van de boerderij besture en d kreeg ze nie enkeld klaor, mar ze kreeg 't klaor mee groot gemak... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

"As we deez' kpke koffie op hebben, mijnheer pastoor, dan gaon we ons gedoentje 'ns bekijke." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Frans Verbunt -- kleinschalig bedrijf

Daor giender onder d'iepen lee/ 't gedoentje van d'r boerestee. (Piet Heerkens; uit: De Mus, Sterke vrouw, 1939)

Graot zaat op zen aaw gedoentje/ rges midde op de haai/ vr van de bewonde wreld/ wd van trubbel n lewaai. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Graot zene Krsmes

WBD III.3.1:86 ' gedoentje', 'gedoe, bedrijf, fabriek' = zaak

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gedoentje zelfstandig naamwoord  - klein boerderijtje

WNT GEDOENTE - II) abstract: Doen in den zin van 'zaak, nering, bedrijf', - iemands zaak,nering of bedrijf, met inbegrip van de gebouwen, den grond enz.

 

gedoome
bastaardvloek; uit: God & verdomme
Piet Heerkens - Toen riep er den boer al naor de meid:/ "ge mot er 's efkes koome,/ gedimme-gedamme-gedome!"/ en de meid kwaam deur die gruune waai,/ vol lollige blumkes al in de Maai....../ en ze hebbe mekare genoome! (In: Den rgel, 1938)

Overzicht van alle bastaardvloeken
 

gedreugd [gedrgd]
bijvoeglijk naamwoord
gedroogd
Cees Robben Dan eten ze gedreugde schar (19600520) [de traditionele lekkernij bij de bedevaart van Sint Job in Enschot]
 

gedrukt

bijvoeglijk naamwoord

gedrukt

WBD gezegd v.e. paard met witte vlekken, ook genoemd 'wilde haor'

WBD gezegd v.d. paardehuid bij slechts passend tuig

 

geduld

zelfstandig naamwoord

geduld

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - veul geduld, en schrpe schr n en zittend gat (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 197l) - dit waren de eisen die aan een goede wever gesteld werden

 

geduureg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

telkens weer; steeds maar

Et sneut geduureg.

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'd-t-er nog gedurig bij komen'

"Mar mee den tijd worren de jongelui gedurig aawer, d-d-is 't vervelende van de zaok." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Ik heb in [een] aorig sort gevuul vur huiselikhei, zon sort daor ge alle geduurige mee in botsing komt mee de aander helft. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Ze hield nie van geduureg praote/ et was meer en meens van doen (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Meej pesjoen)

Stadsnieuws - 'Hij is en bietje ongeduureg; hij lopt geduureg hrs n geens' (181107) = Hij is wat onrustig; hij loops alsmaar op en neer.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GEDURIG bijwoord, telkens weer, steeds opnieuw: hij is gedurig ziek. Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  'geduurrig bijwoord - voortdurend

WNT GEDURIG 3) zonder ophouden of tusschenpoozen voortdurende; voortdurend, aanhoudend.

 

geduuregte

zelfstandig naamwoord

- voortdurendheid

gez. alle geduuregte - steeds maar weer

korte uu

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GEDURIGTE, alleen in de uitdrukking -  'alle gedurigte' - met grote frequentie, zeer dikwijls en toch onverwacht.

WNT GEDURIGHEID - 1) gedurig, in den zin van volhardend; volharding, standvastigheid; 2) gedurig in den zin van voortdurend, hetzij zonder ophouden, hetzij met geringe tusschenpoozen.

 

et ge

werkwoord, persoonsvorm

PM 't gaat

Hoe gaoget? et ge.

Dirk Boutkan (blz. 23) ge - ('t) gaat

 

gef, gf

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

redelijk goed, apart, gaaf

et gao gef goed meej em

Ds ene geve - Dat is een exemplaar!

R Se heej en gef gezichje

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gef - 't is 'n gef (knap, net) meisje"

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- ''n geeve waai'

...k trof ut nog krek, want ze [de bus] zaat al gfkes vol, mar k ha nog in plotske. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Wel geefkes muug want t is tegesworrig wel 100 kielemeters (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Dan dacht hij aan zijn kinderjaren hoe zijn moeder moest sparen om 't grut gf veur den dag te laten komen. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

Cees Robben Om t [de akker] geef te leggen war.../ Des unne hillen toer (19830401)
Cees Robben t Moet er geef uitzien (19830930)

Pierre van Beek -- die zieter gef t

V ds en gef mdje, die van den bkker

Piet van Beers Belgge: Ak m'n borreltje mar krg, 'n stuk spek in de pan/ n m'n brod nog w gf kan BELEGGE. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

D leek me wl gef, Tilbrgs Kampiejoen Tilbrgs Knaawe wrre. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gf bijwoord, bijvoeglijk naamwoord  - mooi, gaaf, goed, vlak, effen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GF - gaaf, ongeschonden, Fr. intact; gelijk, effen; fraai,bevallig

Hft. GEEF, gaef, voor 'gaaf'.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GAAF (gee:f), bijv. en bijw. gebruikt : het tweede wijkt het meest v.h. ABN af: gee:f goed - tamelijk goed. Ook verkleind: gee:fkes.

A.P. de Bont -- - gaaf: l) ordelijk, net; 2) vlak, effen, gelijk.

Hees gf (I:40)

Bosch geef - goed uitziend, mooi

CiT (21) 'Des nog een geef pietelairke'

WBD III.1.4:67 'gaaf' = braaf

WBD III.4.4:228 'gaaf' vlak. ook 'egaal', 'effen',. 'plat'

Dirk Boutkan (blz. 35) superl.'geefst(e)', zonder vocaalreductie Etymologie: Got., D. gbe, N. gaaf, T. geef

 

geffereerd

bijvoeglijk naamwoord

bedrijvig

Pierre van Beek geffereerd doen - bedrijvig doen; Nederlandse woordvorm op basis van Franse 'affaire'.

 

gl, gler, glst

bijvoeglijk naamwoord

Ill. Naumann - oriolus oriolus

Luister naar het geluid van de gle wiewaaw (wielewaal)

 

 

1 geel, geler, geelst

- schon gl blomme

Cees Robben - ...rd en gl... (19600715)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de glste pre wrren et irst geplkke (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - de gekste meisjes lopen het eerst tegen de lamp

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gaile wiewouw - wielewaal, gele merel"

- Ik zaag er [paddenstoelen] z wit as roome, z gl als boter, wir aandere z bruin as peperkoek en vettig blinkend of er ollie over gesmrd zaat... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Henk van Rijen -  gle wiewaaw - wielewaal (Oriolus oriolus)

WBD III.1.2:323 'geel', 'gele verf' = geelzucht

A.P. de Bont -- ge'l, bnw. 'geel', komp.: geelder

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GL - geel: zoo gl als 'ne pee, als oker, als was

 

2 geil

- WTT maart 2018: 'Zkers In Gl Onderbroeke'; spotnaam voor voetbalvereniging ZIGO (eigenlijk: Zonder Inspanning Geen Overwinning).

 

CV De gle hesjes. Carnavalsgroep in Tilburg 2019. Foto: Joep Eijkens.

 

WBD (III.3.3:355) gl, het 'vies', 'vl' = onkuis? ook: hitsig, los, gek

WBD III.2.2:108 'geil' = geil, wellustig

 

gl blauwe, de

zelfstandig naamwoord

- GG - aanduiding voor voetballer bij NOAD, welke club speelde in de stadskleuren van Tilburg.

 

gldppedos

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- onderbroek met veel urinevlekken

 

gleg

bijvoeglijk naamwoord

gelig

WBD III.1.4:440 'geilig' = wulps

 

gle-vref
zelfstandig naamwoord
geelzucht
Cees Robben Heet-ie naa echt ginne gle-vref..? (19650507)
 

gloge

werkwoord, zwak

vervelen, meestal in combinatie met zitten of staan te...

Henk van Rijen --  begerig kijken

- stn te gloge - zich staan te vervelen

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Radio Brabant: inwoner Terheijden zegt: afleiding van werkwoord gle (gijlen) m.b.t. het gistingsproces in de bierbrouwerij: ogenschijnlijk: niets doen

- Alleen de infinitief wordt gebruikt, in comb. met 'te'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GLOOGEN - zich zitten of staan te vervelen. Wordt gemeenlijk maar in de onb. wijs gebezigd. We zaten daar te gloogen. Ook: niets zeggen en anderen afgunstig bekijken.

 

geene

aanwijzend voornaamwoord

die daar, gindse

Cees Robben - Moete we naa deeze kaant t? N, geene kaant in.

Cees Robben - den pronten staand van geenekaant ...

et Gurke leej n geene kaant = over de spoorlijn van het zuiden uit geene kaant = de overzijde van de van oost naar west lopende spoorlijn;

bijvoeglijk naamwoord met zelfstandig naamwoord

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- D was daor teege gene kaante waor naa die grote graazje stao, zo daor van dinges, zo veur op den Bosschewegvan de Leepel (Lepelaers)! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

geenekaant

zelfstandig naamwoord

gindse kant; volksnaam voor het noorden van Tilburg, namelijk alles boven de spoorlijn; het zuidelijk deel van de stad is deeze kaant.
- Cees Robben Peer van Dun van geenekaant... (19570119)
- Cees Robben Den pronten staand van geene kaant (19570706) [de bemiddelde bevolking (fabrikanten) uit het noorden van Tilburg]

- Buuk - de andere (vanuit het centrum gezien noordelijke) kant van de spoorlijn en dan m.n. de stadsdelen Goirke, Hasselt en Heikant

- Tiesje was un Tilburgs jungske/ Un menneke van geenekaant Uit: Den blaawslot, Ad van den Boom, circa 2005.

 

geenekaants

bijvoeglijk naamwoord

van de overzijde van de spoorlijn (die Tilburg van oost naar west doorsnijdt)

Is oewe maot ene geenekaantse?

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "geenekaanse of te wel Turken, zie Turken"

 

geenekaantse

zelfstandig naamwoord

iemand die aan 'gene kant' van de spoorlijn woont, dat wil zeggen in het noorden van Tilburg.

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Ik ben inne gene kaantse, ene van 't Gurke, van 't geitepark zo gezee!

 

geens

bijwoord

ginds

vgl. 'hers n geens'

Dialectenqute 1876 - hers en gndsch (: vgl. gte - geiten) - hier en gindsch

Cees Robben Want in d giense hske geens../ Wier vruuger bier gebrouwen... (19560908)

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - geens bijwoord - die kant, ginder

 

geensgns, giensgns

bijwoord

op de heenweg

Met adverbiale s

Geensgns begs et te rgene. - Op de heenweg begon 't te regenen.

In 't geensgaons hebben we 'ne keer aongeleed, en toen we terugkwame ng 'ne keer. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)
...in et geensgaons kreeg ik 'n glas waoter veur niks en in et terugkomes 'n glas rome veur twee cente.. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)

Van geens gons, gong ut beter as toen we trugkwaampe... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Henk van Rijen - hij waar int "giensgons" al tne - hij was op de heenweg al doodmoe

Stadsnieuws - Geensgns gao rap, mar trug hk de wnd van veure (050809)

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'ginsgons bijwoord - op de heenweg

 

ger

zelfstandig naamwoord

WBD geer (II:1225) - geer

Van Dale - geer: naar boven spits uitlopende lap of strook

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEER (scherpe e) zelfstandig naamwoord m. en niet v. - scherptoeloopend stuk, dat men in een kleedingstuk naait om de breedte te vergrooten.

 

gere, gre

werkwoord, zwak

gre - grde - gegrd

ook in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

WBD (Hasselt; geren, geervormig zijn (= niet rechthoekig), gezegd van een stuk grond

WBD (Hasselt) 'geere' - geerakker ploegen

WBD geere (II:1226) - geren: schuin laten uitlopen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEER (scherpe e) zelfstandig naamwoord  m. en niet v.- scherptoeloopend stuk, dat men in een kleedingstuk naait om de breedte te vergrooten.

 

Sticker van 'JongerenPUNT. Midden-Brabant'. Tilburg, Koningslein 23 maart 2019. Foto: CuBra.

 

gre, gr

bijwoord

gaarne, graag

Hddet gre? - Heb je het graag?

- Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'nie gerre': 'gerre'

- 'k Zie oe daor zo geere ligge, / Tilburg, waor 'k geboore ben, (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Tilburg, 1938)

- 'k Heur ze geere, mijn taol... (Leo Heerkens; uit De mus (Piet Heerkens), mijn taol, 1939)

- De R die komt wir in de mnd/ de heur ik nie zo gre... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De R van rre)

- Cees Robben Ik teul toch z gre... (19570309)

- Cees Robben k Was nog gre w gebleven... (19580215)

- Cees Robben [vrouw over haar man:] Hij tuutert gre moeder... (19660610)

- Henk van Rijen - dietem ng gre lusse - die geen borrel afslaan

- Vunderink - ik zo oe gr iets wille vraoge.... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- Stadsnieuws - Enen bak kffie hk wl gre, mar ene klaore hk ng liever (220309)

- D kunde gullie nnnie al hddet gre. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 - eete zullie k gre ks?

WBD III.1:230 'gaarne mogen, mogen', 'lijden, goed kunnen zetten, staan op = iemand gaarne mogen

WBD III.1.231: 'gaarne zien','(veel) houden van, veel ophebben met, verkikkerd zijn op, verliefd zijn op' =houden van

WBD III.1.4:433 'gaarne hebben'= begeren

WNT GAARNE, gaarn, garen, geerne

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gre bijwoord - gaarne

A.P. de Bont -- g.r, bijw. 'geer', geern, gaarne

Antw GRE(N), bijwoord -gaarne: Ik zou nie' gren.

Bosch gere - graag

WBD III.2.3:29 'gaarne lusten/ hebben' = lusten

Buuk Hij lustem gre - hij is niet vies van een borrel.

 

grf, grfke

zelfstandig naamwoord

garf, garve, schoof

Cees Robben - grf, grfke

WBD III.4.4:238 'garf' = bundel

A.P. de Bont -- grsf zelfstandig naamwoord vr. en m.'geerf' - garf

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - grf zelfstandig naamwoord  - garf

WNT GARF, garve, voorheen bij dichters ook GERVE

 

Gsel

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Moergestel

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

Cees Robben

gt, gtje

zelfstandig naamwoord


Illustratie Rolf Janssen

geit

WBD geit, ook 'sik' genoemd of 'gjt'

Dialectenqute 1876 - gte - geiten ( =mme)

Gezegde - Pierre van Beek -- voejer zuuke vur aandermans gt

Gezegde - Pierre van Beek -- fkes de gt gn verztte (smoesje om te vertrekken voor een kleine boodschap)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - iemand p en natte gt ztte (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1968) - voor de gek houden

De Wijs -- Ze laacht as un gt op gummie hakke (11-02-1965)

Ill.: Regionaal Historisch Centrum Tilburg/ Stadsmuseum

Cees Robben ge laacht net as n gt op gummi-hakke... (19650305)Cees Robben - ge moet de gt gn mlleke; vurt dan meej de gt; (Tilburgse Taalplastiek l31)

Lechim - Der komt ng gin goei gt vandaan/ wort in de stad gezeej,/ mar agge Gol es goed bekkt/ valt d tch hel veul mee. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin aaw zer)

Frans Verbunt -- alles viere, ok de verjrdag van de gt

Frans Verbunt -- iemand op en natte gt ztte - voor de gek houden, te kijk zetten

Frans Verbunt -- van Gol komt ng gin goej gt

Frans Verbunt -- fkes de gt gn verztte - gaan plassen

Frans Verbunt -- ik hb die stm not geheurd, zi de kster, n der stond en gt op et koor

Frans Verbunt -- ieder zrgt vur zenge n et gtje vur de kffierom

Frans Verbunt -- ene gtestart n en vrouwetong staon not stil

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Mieke de gt = bep. simpel vrouwtje (blz. 93)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - van de gt gehad hbbe - erg nieuwsgierig zijn; varianten: gtevles phbbe ('70), en gt n de kp hbbe ('64), hdde sms gt p? ('82)

D waren meense die waren nie katteliek, d waren protestantse bokken, volgens w ze tegen ons vertelden. Die protestanten schene ons k t veur kattelieke gte. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

De gte van Gol, f de Golse gte? (Henritte Vunderink, Q-korts, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD gtestal - geitenstal

WBD 'gijt', 'gt', 'mieke', 'mieke mieke' - roepwoorden voor een geit

gez. Pierre van Beek -- Ik hb die stm not geheurd, zi de kster, n zen gt stnd p et koe???

WBD III.1.1. lemma urineren  - Tilburg De geit verzetten.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEIT zelfstandig naamwoord v. - dwaas, onverstandig vrouwmensch

CiT (10) 'G'het gt-oge'

De gt van Jan Pigge

► Jan Pigge

 

gtekp

zelfstandig naamwoord

geitenkop

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - oover hnderd jaor hbbe we tch ene gtekp (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - over honderd jaar zijn we allemaal dood

Stadsnieuws - Oover honderd jaor hmme tch amml ne gtekp (l90409) - Over honderd jaar zijn we toch allemaal dood.

 

gtemlker

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  nachtzwaluw (Caprimulgus europaeus)

Afb.: Naumann

WNT GEITENMELKER - eig. iemand die geiten melkt; doch inzonderheid in gebruik als benaming van een Nachtvogel, tot de familie der zwaluwachtige vogels (hirundines) behoorende ...

WTT-2012: de naam 'geitenmelker' duidt op de klassieke legende waarin deze vogel 's nachts geiten doodde en de geitenmelk dronk. (Bron: Britannica)

► gtevoogel

 

gtepaol

zelfstandig naamwoord
geitenpaal
Door Robben gebruikt als een term uit de handboogsport; de betekenis is niet duidelijk. (19560714)
 

gtepark

zelfstandig naamwoord, toponiem

Frans Verbunt -- aanduiding van het Julianapark

1926 - Uit het smalle steegje, dat de Goirkesche leesbibliotheek van een hoog heerenhuis scheidt, kwam een klein ventje getippeld. Voordurend gooide hij een sinaasappel eenige meters boven zich uit om hem even zoo vele malen weer op te vangen met een klemvastheid, die alle doelverdedigers der wereld hem benijden konden... Uit de richting van 't befaamde Geitenpark kwam k een jonge tippelaar; en of Tilburg Vooruit nu alle Goirkesche kinderen getrakteerd had (wellicht uit vreugde, dat de gondelvaart 1925 zoo buitengewoon schitterend geslaagd was!) ik weet het niet, maar feit was, dat het ventje uit de Geitenparkwijk k kaatste met n sinaasappel. Op het kerkplein ontmoetten de kaatselaars malkander. (Tilburgsche Courant 18-03-1926; ATILLA EN ORPHELIUS. Een Goirkesch novelleke van wringen en wrijven - Een boksmatch om een appelesien)
1937 - Voor niet-ingewijden merken wij op, dat het Julianapark in den volksmond nog wel Geitenpark genoemd wordt. Red (Nieuwe Tilburgsche Courant - 13-11-1937)

1950 - - Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Ik weet nog d 't geitepark 'n waai was mee waai- en boterblumkes. De omwonende meense teuide de geite op die waai, daarom de naom geitepark.

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor hadde ok wir de firma van Olphen zittefemielie t de Tnstraotge had Walter Dirkx zitte, d was ok en grote slachterij n et Wilhelminapark... ge had Gust Vromans zitte, ge had Pessers zitte, daor n d gteparkske (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

gtesik

zelfstandig naamwoord

Filipendula ulmaria

WBD III.4.5:400 gtesik - moerasspirea (Filipendula ulmaria), ook spirea genoemd

 

gtestart

zelfstandig naamwoord

geitestaart

Van Beek - "Een vrouwetong en een geitestaart staan nooit stil." - Vrouwen praten altijd. (Zeer schilderachtig voor wie wel eens 'n geit bezig zag. Hier hielden de huiswevers destijds veel 'n geit.) (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

Cees Robben Un vrouwetong en unne gtestart .. staon nt stil.. (19640626)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - en vrouwetng n ene gtestart stn not stil ('69) - ironische opmerking over het gepraat van vrouwen

 

gtevles

geitevlees

Henk van Rijen - den dieje heej zeeker gtevles op - wat is die nieuwsgierig!

 

gtevoogel

beo; vogel

zelfstandig naamwoord

WNT - lemma BEO - 1. (Dierk.) Indische praatvogel, met glanzend blauwzwart gevederte, gelen snavel en gele koplellen (Gracula religiosa). Praten als een beo, gedachteloos napraten.

WNT IV:916 - GEITENMELKER zelfstandig naamwoord m. benaming v.e. nachtvogel, tot de familie der zwaluwachtige nachtvogels (hirundines) behorende, die veel gelijkenis met de zwaluw heeft.

 

gtoge

zelfstandig naamwoord, meervoudig

geite-ogen

Henk van Rijen - ge ht gtoge - je hebt geite-ogen

 

geeve

werkwoord, sterk

geven

Dirk Boutkan (blz. 38) geeve - gift (met vocaalkrimping)

Et gift niks agge niks gift. - Als je niets geeft, is het ook goed.

- geeve - gaaf - gegeeve

- In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij gift; imp. gif

MP gez. Tis er ene van Kleef, daor haawe ze meer van den hb as van de geef.

Mar ullie moeder hee-t-oe over oew broek gegeven d 't kletste en ge hebt gekweken d'k et naaw nog heur! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

WBD geeve - aanzetten (het toevoegen, in een brouwerij, van gist aan de (afgekoelde) wort)

Cees Robben Van geven (...) gao de biste gt kepot [vrijgevigheid leidt tot armoede] (19650416)

Dialectenqute 1876 - gve, gaaf, gave - geven, gaf, gaven

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - van geeven is men grutmoeder gestrve; ha ze den gist nie gegeeve, dan lfde ze ng ('66) - reactie van iemand op geschooi.

Henk van Rijen - van geeve gao de biste gt ng dood - je kunt niet blijven geven

WBD III.3.2:172 'geven' = kaarten ronddelen, ook 'delen'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - geeve (krt.11)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEGOVEN: 3e hoofdvorm van 'geven'

 

gefrrefiejeerd

voltooid deelwoord van 'riffereere', 'refereren', 'waarmerken'

Audio-opname 1978 -- Mar dan moese die biste gefrrefiejeerd wrre, d was zogezeej aksijnze derop witte nie n dan krege ze en lojke in dere start! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013) KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

gegeeve

gegeven

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der gaon veul gegeeves in ene zak (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - een bedelaar moet veel krijgen eer zijn zak vol is

 

geflsterd
voltooid deelwoord van flstere
gefluisterd
Cees Robben k Heurde n geflsterd lied (19600715)
 

gehad

werkwoord, voltooid deelwoord van hbbe

gehad, gekregen

- Hddet gehad f gevat?

Cees Robben - ... medllie gekreege ..., dan hak ze nie gehad.

Cees Robben - Ik hb en naogelschrke gehad;

Pierre van Beek -- gehad is lillek

Haor -- GEHAD is lillek

Toegevoegd aan een voltooid deelwoord ter versterking van het verleden

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n daor hbbek lang saome meej gewrkt gehad Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Ik heb toen bij Jantje Brouwers gewrrekt gehad in den ollgstd want toen bn ik meej, meej wrkverlf gekoome... Klik hier om dit bestand te beluisteren

- WTT - april 2019 - Het betreft hier het verschijnsel dat in de taalkunde 'participium perfectum' wordt genoemd of 'participium remotius' of 'verwijderd voleindigde tijd'. De Bont beschrijft het met vele dialectische voorbeelden in 445 van deel 1 van 'Dialekt van Kempenland'.

► Zie lemma hbbe.

 

gehaorplukt
voltooid deelwoord van haorplukke
haarplukken; vechten; haarplukken houdt waarschijnlijk verband met het uittrekken van haren tijdens een gevecht.
Cees Robben t Is tegen dn duvel gehaorplukt... (19641106) [vechten tegen de bierkaai; bij voorbaat een verloren strijd]
Cees Robben t Is tege de duuvel gehaorplukt... (19600318)
 

gehm

zelfstandig naamwoord

geheim

 

geheurd
voltooid deelwoord van heure
gehoord
Cees Robben De blaoikes van den lendenbm... die hebben veul geheurd... (19540522)
Cees Robben Hedde gij dan van men geheurd wek list van jou geheurd heb... (19731012)
 

gehooretje

zelfstandig naamwoord

De Wijs -- Gao de mee gehoretje doen? (gehoorentje speule = verstoppertje spelen) - N, want gij haauwt not loos in de kiepeds. Ds wel, waant k h aaltij n loerig plaotske (10-01-1970)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- ..n gehoorentje, gehoorentje zin wij vruuger h, gehoorentje doenverstppe draachter dur de zaak rges, hnou, mskes n jonges dur mekaar, d din jonges n mskes  tesaome netuurlek, d din jonges n mskes tesaome jaoojeejao (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

gehst

bijvoeglijk naamwoord

gehaast, door haast gedreven

 

gehupt

bijvoeglijk naamwoord

WBD schef gehupt - (paard) met een scheve heup, ook 'nthupt' genoemd

 

gejeremiejas

zelfstandig naamwoord

van de Bijbelse (klagende) figuur Jeremias

vergelijk 'jeremiren'

- Onder hartverscheurend gejeremias drukte ze de zakdoek onder de neus want ze bloeide dood. Uit het snikkende relaas kon Mieke distilleren dat ze mee d'r toet op innen grooten kietelkaai was terechtgekomen! Uit:  Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

 

gejuudas
zelfstandig naamwoord
uit het werkwoord juudasse; naar de apostel Judas die Jezus verraden heeft; vals spel spelen; in het algemeen: treiteren, sarren, zeuren
Cees Robben [Vader tegen twee zoontjes] En as ge nie ophaauwt mee d gejudas... (19830902)
 

gk

zelfstandig naamwoord

gek

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge kunt de gkke knne n der kuure (65)

BrSp z gk zn as ene kreugel (87) zwoegen

Frans Verbunt -- z gk as en krrad stapelgek

 

gekrreseerd
voltooid deelwoord van krreseere
uit Franse carosse, koets; de koets besturen; commanderen
Cees Robben [kinderen die] naor buiten worre gekerreseerd... (1650115)
 

geklot

zelfstandig naamwoord

gedonder

Frans Verbunt -- geklungel, gesukkel

WBD III.1.4:368 'gekloot' = slordig werk; ook 'klootwerk'

Cees Robben - Daor hddet naaw meej oew geklot

Stadsnieuws - Wn geklot is d tch amml daor in de polletiek; dsse es w doen n nie zoveul maawe! (28020)

A.P. de Bont -- gekl.t, zelfstandig naamwoord o. 'gekleut' - gekloot, getalm, geteut

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEKLOOT zelfstandig naamwoord o. - het klooten

 

geklooterd
bijvoeglijk naamwoord
geklopt
Cees Robben n Geklooterd aai... (19840525)
 

gkschoove
werkwoord, waarschijnlijk zwak, maar vervoegingen zijn niet aangetroffen
gekscheren
Cees Robben Hij (...) gekschooft mar meej alles... (19600226)
 

gekuld

bijvoeglijk naamwoord

gedupeerd, beetgenomen, gefopt

uitdrukking -  rges meej gekuld zijn - ergens mee gedupeerd zijn

Henk van Rijen - den ooverwg is dicht; daor zmme meej gekuld

Nou, daor zde goed meej gekuld - ... gefopt (060208)

Ik vuul me naa dus wl gekuld... (Henritte Vunderink, Geene, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Mar toen der en paor wdstrijde dur oranje waare gespuld,/ toen wier gezeej: "Meej dieje Van Basten zn we wl gekuld. (Henritte Vunderink, "Fans van Oranje", uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Daor waar ik toen moj meej gekuld,/ marj, et was men ge schuld. (Henritte Vunderink, Et vaastetrommeltje, uit: Tis de moejte wrd; 2011)
Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gekuld ww.: gedupeerd

 

gekwaansel

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.4:368 'gekwansel' = slordig werk

► kwaansele

 

gelaag

zelfstandig naamwoord

gelag

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tis en hard gelaag en knd te kusse meej en stene bakkes (D'16)

WBD III.2.3:4 'gelag' = drank

 

gelaajd

Werkwoord (voltooid deelwoord), zwak

Laaje, leiden.

- Een roestpraatje, Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882; en niet in dezelfde tekst in Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): En 't [vaarsje] is sens den uitkome al ning keere gelaaid. Echter daar niet geannoteerd.

- De Bont - zw. ww. tr. leien, leiden; () 'n gaet [geit] laeie: ze bij de bok brengen, 'n koew laeie:  ze bij de stier brengen;  - WNT, kol. 1479 b; Z' is gelaeid: De koe is gestierd.

 

gelaajgoed

zelfstandig naamwoord

porselein (?, zie Hoeufft) ; serviesgoed, aardewerk

WNT GLEIERGOED, GLEIERWERK = GLEISWERK - verglaasd aardewerk uit gleier, dat misschien pottenbakker beteekent, en werk = aardewerk. GLEI is wsch. pottenbakkersklei.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GLEIWERK noemt men hier hetgeen, wat men elders aardenwerk noemt. Z.a.

Antw GLEIWERK, GELEIWERK zelfstandig naamwoord v..o. - vaatwerk van fijne witte aarde met tinasch verglaasd. (is geen porselein!)

 

gelaajkaast

zelfstandig naamwoord

kast met opbouw en glazen deurtjes voor het opbergen van porselein

 

gelammenteer
zelfstandig naamwoord
uit werkwoord ►lammenteere, uit Franse Lamenter: klagen; geklaag
Cees Robben Waor blft dan ons gelamenteer... (19700213)
Cees Robben Heurt toch wen gelamenteer... (19590228)
 

gelanders

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen --  slingers, versiering (Fr. guirlande)

Stadsnieuws - As we verjaorde dan hing ons moeder gelanders n de zulder. (200108.)

WNT GUIRLANDE (uitspr.: gierlande) l) Eigenlijk: slinger van groen en bloemen; 2) in vrijer gebruik: slinger in het algemeen.

 

gld

zelfstandig naamwoord

geld

Pierre van Beek Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbten (doorbijten) al was 't d-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)
Pierre van Beek Nu we dan ongezocht toch bij het geld verzeild geraakt zijn, mogen we er wellicht ook even aan herinneren, dat "de pastoor k gin twee missen vur n geld" doet. Men kan dit ten antwoord krijgen als men bijv. iemand iets voor een tweede keer wil laten vertellen. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)
Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - gld is et slk der aarde, mar ge dabt er zlf tch gre in ('70) (vB)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - naa gld vur den houthakker (JM'50) - boter bij de vis

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zde hoer, schlm f dief, hdde gld, ik hb oe lief (JM'50) - geld maakt alles goed

Frans Verbunt -- nr et gld stinken as en vrkesknt nr den brmllie

Frans Verbunt -- td is gl, zi den oober, n hij tlde den daotum bij de reekening

Cees Robben - 'wrrom komde wir half-zat aon? omdkker gimmer ha' (=duiten=geld)

 

glde

werkwoord, sterk

gelden

Dirk Boutkan glde - gld - geglde

 

geleegeneghd, geleegendeghd

zelfstandig naamwoord

gelegenheid

 

geleej
voltooid deelwoord van lgge
gelegd
Cees Robben Ik heb mn schaai aon dn aandere kaant geleej... (19661104)
 

geleeje

voltooid deelwoord van lije

Van Dale: in de verouderde betekenis van voorbijgaan

Cees Robben - drie uur geleeje; ds laank geleeje; taageteg jaor geleeje;

Cees Robben - Ds lang geleeje dkkoe gezien hb;

Pierre van Beek -- pas geleeje - kort geleden (contaminatie)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 et is en 'uw' geleeje dk oe gezien hb

voltooid deelwoord van lije = lijden

Henk van Rijen --  'Ut heej vort veul geleeje!' - Het ergste hebben we nu wel gehad.

Frans Verbunt -- de kaaj n de straot hbbe nie zo geleejen as hij

 

gelk

zelfstandig naamwoord

gelijk

n gelk hj

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- Daor hdde gelk aon.

Cees Robben - nze vadder heej aaltij gelk; ge ht al wir is gelk;

Cees Robben - ngelk is er bij die van mn not bij; gelk f ngelk;

Cees Robben - Ik wil er mene kp nder verwdde dk gelk hb; ge ht gin gelk;

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 de md zi dttie gelk ha

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge had al gelk vurd ge begst (D'16)

D16 ge ht gelk dgge nen s kpt: die hoefde nie te mlke

Henk van Rijen - gelk heej gin neus - het gelijk heeft twee kanten

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GELIJK (gelk) 1. recht, het juiste inzicht

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - et kenaol d was ng nie gelk oope Klik hier om dit bestand te beluisteren

bijwoord

helemaal, compleet, allemaal, in elk opzicht, meteen

WBD III.4.4:228 'gelijk' = vlak, ook plat', 'egaal', 'effen'

WBD III.4.4:273 'gelijk' = helemaal, geheel

Verhoeven - GELIJK (gelk) 3. bijwoord alles, allemaal, helemaal: hij weet 't gelk.

Cees Robben Dan hek ze gelk gehad. (19770527)

Cees Robben As t vant vreke is dan lus ik t gelk... Mar sjem en kwatta-strooisel d kan ik nie pruimen... (19660204)

Cees Robben Akkoe mar zie Sofie zk gelek van munne apprepoo... (19641127)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GELIJK bijwoord - geheel en gansch, ten eenenmale; in 't gelijk - in t geheel; van s gelijken - desgelijks: Ik wens(ch) oe van s gelijken. Gelijktijdig.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GELIJK (Lat. omnino), voor 'geheel en al', 'ten eenen male', b.v. 'het is gelijk aan stukken'; z.a.

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gelk bw., tw - gelijk, helemaal, vlak, onverschillig, tegelijk

Verhoeven - GELIJK (gelk) 2. bijvoeglijk naamwoord gelijk, hetzelfde.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GELIJK en LIJK bw.- zoodra, toen. Komt achter het ww in menigvuldige spreekwijzen voor en geeft daaraan eenen zweem van schimp of verwondering

 

geleegendigheid
zelfstandig naamwoord
gelegenheid
Cees Robben Ze zitter ginne eene bij die gelegendigheid... (19680920)
 

gelkene

werkwoord, zwak

gelijkenen

WNT (IV:1192) onz. en bedr. zw.ww., bijna uitsluitend gebruikt in de onbepaalde wijs in de tegenw. tijd en in de beide deelwoorden. Afgeleide frequentatieve vorm van 'gelijken'.

 

geleerd

bijvoeglijk naamwoord

geleerd

WBD III.1.4:25 'geleerd' = wijs

voltooid deelwoord

in de uitdrukking 'geleerd hebben': wat je maar kunt, zo veel mogelijk

- n naa heej ze dus k vort ene kompjoeter. Kan ze mar surrefe. n daunloode al dsse geleerd heej.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

gelk, gelk
bijwoord
gelijk; zoals
Cees Robben Gelek ge zegt... (19660812)
 

gelks

bijwoord

gelijk, even hoog, op n lijn - Met adverbiale S.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GELIJKS (gelks) bw., recht, op n lijn, even hoog: 'gelks staon' is het tegendeel van 'schriks staon'; mogelijk is de adv. s uit de analogie te verklaren.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GELIJKS (uitspr. geleks) zelfstandig naamwoord o. - gelijken, Fr. gaux, in de uitdrukking -  mijn (uw, zijn, heur, hun) een, geen gelijks; Die jongen is gee' gelijks veur u.

 

gelng

zelfstandig naamwoord

WBD hol, het smalle middenstuk v.d. zool v.e. schoen, dat hoger ligt dan de rest v.d. zool (II:669)

 

gels

zelfstandig naamwoord

verbastering van 'lezen' ?

WBD gels erin den (II:995) - een kruis inlezen; ook: leejze, fens erin doen, de fls erin doen, fls indoen, in de fls doen

WBD gels (II:996) - dradenkruis; ook: fls of fens

Schu - GELES - voor 'gelees', het lezen, het gebed.

 

geld

zelfstandig naamwoord

geluid

- et was dodstil, der was niks gin geld

 

gelf

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  geloof; ook 'glf'

Naglijder op basis van verwantschap met 'geloof', met scherplange oo.

 

geleuter

zelfstandig naamwoord

De Wijs -- Ds gin zinnige praot, ds geleuter (nog platter zou men in Tilburg zeggen) Des zk op unne riek (13-07-1966)

 

gelve

werkwoord, zwak

geloven

gelve - gelfde - gelfd

- Ik gelf dtter en diepe gleuf in ns gelof zit. Ik denk dat er een diepe kloof in ons geloof zit.

- Gij gelooft zeker d onze Lieve Heer Gerrit hiet en in dun Kieviet stao te spoije? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Cees Robben - as ge men sms nie gelft; dan kunde em ng nie gelve

- Dialectenqute 1876 - zuldet geleuve (eu iets zachter dan in fr. peur)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 ik gelver niks van

- Henk van Rijen --  'gelve, glve' - geloven

WBD III.1.4:57 'geloven' = vermoeden

WBD III.3.1:245 'geloven' = menen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GELEUVEN, ten platten lande, voor gelooven'. Het is volmaakt gelijk met de Neder-Saksische uitspraak.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Braban (1937) - gelve, met umlaut (krt.48)

Ook gebruikt om in de uitspraak uit te drukken dat men iets juist niet gelooft

'Gij moet p daansls gaon,' zeej. 'J d gelf ik ok, zggik. 'Ik z tch zekers ginnen homo? (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

gelimmeneerd
voltooid deelwoord van limmeneere
genieten van het leven; mogelijk uit Frans werkwoord illuminer, feestelijk verlichten
- het er goed van nemen
Cees Robben Ze hee aaltij geere gelimmeneerd (19570223)
Cees Robben Ik heb aaltij goed gelimmeneerd... (19790202)
 

gelind

werkwoord, voltooid deelwoord

geleend

lene - linde - gelind

 

gelint

omheining, hekwerk, schutting

zelfstandig naamwoord

WNT: GELINT/GELIND. Voorv. ge- in collectieve zin + grondwoord dat in onze taal niet meer voorkomt, maar duidelijker wordt aangewezen door het hd. 'gelnde'.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GELEND, gelind, of bij verkorting 'glind', is hier algemeen voor eene schutting of omtuining in gebruik. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - GELIJND of GELIND: ene houten heining of schutting.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GELINT en GELENT zelfstandig naamwoord o. hek van latten

 

gelirdeghd

zelfstandig naamwoord

geleerdheid

 

gllie

persoonlijk voornaamwoord

variant op gullie = jullie; van gij lieden

- Mie de mutsewaasser kan alle meskes van den Heuvel nog aon schoon gewaasse mutsen helpen; dus knder, as ge ze mee d'ren kurf op den Heuvel ziet dan weet-te gellie hoe laot 't is! Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Naa weet ik nie of gellie oe Brabantse geschiedenis zon bietje kent... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

glle

werkwoord, sterk

gelden

Henk van Rijen --  'D gol ok vur mn' - Dat gold ook voor mij.

B glle - gl/gou - geglle/gegouwe

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GILLEN, gol/gou, gegollen/gegouen - gelden, weerd zijn, Fr.valoir

 

gelof

zelfstandig naamwoord

geloof

R.J. 'van ou gelof en liefde'

Cees Robben - geloof of gelve:

geloof; in de figurlijke zin van bewustzijn
Cees Robben Ons oma viel van dr stkske en dn opa van zunne graot... en verloor bekaant zn gelf... (19860620) [flauwvallen]
 

glst

bijvoeglijk naamwoord

geelst

- superlatief van 'gl'

 

glt

zelfstandig naamwoord

WBD gesneden vrouwelijk varken

WBD vrouwelijk varken dat nog niet gejongd heeft

WBD birglt - vrouwelijke, niet meer zuigende big

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GELT zelfstandig naamwoord v. - vrouwelijk zwijn, verken dat nog geene biggen heeft gehad. Eene gelt is geene zeug, want eene zeug heeft biggen gehad.

 

geluk

zelfstandig naamwoord

geluk

Van Delft - - Een boer zegt: "Als geluk en schoon weer bij elkaar schieten, dan kalft den os", waar wij zeggen: "Als de as breekt, valt de kar" of "Als de hemel valt, zijn alle musschen dood".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Ast geluk nt goej weer b mekaare slao, j dan kant gebeure dt lukt (D'16) - Als het geluk en het goede weer samengaan, ja dan kan het gebeuren dat het lukt. Variant: ast geluk nt goej weer b mekaare slaope ('67)

WBD III.1.4:193 -'geluksvogel' = idem

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zoo gelukkeg as nen hnd die p zene verjrdag verzoope wordt (D'16) gelukkeg ironisch voor: ongelukkig; Variant: ge ziet ert as ene jngen hnd die p zene verjaordag verzoope wordt ('69)

 

gemaacht

zelfstandig naamwoord

WBD de geslachtsorganen v.d. hengst

Henk van Rijen --  manlijke schaamstreek

WBD III.1.1:218 'gemacht' = mannelijk geslachtsdeel

n dan staode daor meej oew gemaacht te kk... (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2007)

Stadsnieuws - Assie zeenuuwchteg wier, dan stond ie n zen gemaacht te frunnneke - dan stond hij in zijn kruis te krabben (031208)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - gemecht, gemacht, gemachm gemechs - mann. geslachtsdelen

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 
gemaacht zelfstandig naamwoord  - mannelijk geslachtsdeel

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEMACHT zelfstandig naamwoord o.- mannelijkheid; Kil.: virialia

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'gemach', 'gemacht' - manlijk schaamdeel

WNT GEMACHT zelfstandig naamwoord onz. De bet. wisselt tusschen die van manlijk schaamdeel en die van lies, doch 'gemachie' wordt in de volkstaal ook gehoord voor vrouwelijk schaamdeel. Z.a.

Ook bij Keyser, v.d. Water, Gunnink, Karsten, Ter Laan, Corn.-Vervliet.

 

gemajenst
voltooid deelwoord van wat waarschijnlijk een fantasiewerkwoord is: majenze
Robben gebruikt het voor een garagehouder die een auto heeft gemajjenst, doorgesmeerd
Cees Robben - ...hillemol gemajjenst (19681101)
 

gemak

zelfstandig naamwoord

WC

WBD (III.2.1:112) gemak = wc, ook 'huiske'; ook 'pleej' genoemd

 

gemak

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

gemakkelijk

Cees Robben - Ds gemak zat agger mar rg in ht. D zal nie gemak gaon.

Cees Robben - Ds gemak m repels te ztte;

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej twee veur en gespan, d trkt gemakker ('64) (zie: span)

Frans Verbunt -- der gao veul gemak in ene klene zak

Tilburgers zn gemakke meense. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

WBD III.1.4:354 'gemak' = gemakkelijk

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - "Tilburg: volgens mijn proefpersoon 'mekkelek' maar ook 'gemak ' (blz. 93); '(ge)makkelek' volgens kaart 52. 'Gemak' in een strook ten zuidoosten van T langs de Belg. grens vanaf Reusel tot Haaren."

A.P. de Bont -- gemak, bnw. en bijw. 'gemak' - (ge)makkelijk (komp.: 'gemakker')

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  gemak bijvoeglijk naamwoord, bw. - gemakkelijk

 

gemakke

zelfstandig naamwoord

een gemakkelijk persoon; meestal met ontkenning: ongemakkelijk persoon

Interview Jolen - 1978 - Mar bij ons hadde, ha, ha, zak ok es vertlle, fraater Matthaeus. Hdde daor ot van gehrd? D was dan den baos op Krvel, in de Kappesienestraot, dieter ng is! Enne d was ginne gemakken!! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

gemakker

bijvoeglijk naamwoord, comp.

makkelijker (vergrotende trap van 'gemak')

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej tweeje veur en gespan, d trkt gemakker ('64)

 

gemaon
zelfstandig naamwoord
gemaan; namelijk aanmaningen, rekeningen
Cees Robben En daornao [ na de kermisweek] ... toezjoer gemaon [rekeningen]/ van slachter en van bekker... (19540814)
 

gemard
voltooid deelwoord van marre, zwak werkwoord
maar zeggen, tegensputteren
Cees Robben Toe vuruit, en nie gemard... (19820903)
Cees Robben Wrrom toch z gemard... (19610915)
 

gemn, gemnder

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

gemeen, laag

Cees Robben Z gemn as goed van vf cent t el... (19810501)

WBD (III.3.2:34) gemn speule = vals spelen

WBD (III.1.3:88) 'gemeen' = leep, doortrapt

WBD (III.1.4:409) 'gemenerik' = geniepige plager

WBD (III.4.4:53) 'gemeen koud weer' = guur weer

A.P. de Bont -- gem.n, bnw. 'gemein' - gemeen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEMEIN bvw - gemeen, Hgd. gemein - gering, arm, behoeftig

 

gemneghd

zelfstandig naamwoord

gemeenheid, slechtheid, laagheid

 

gemneks

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - komijnekaas

Cees Robben (19680405)

Henk van Rijen --  ook 'pitjesks'

Stadsnieuws - Enen botram meej gemneks, d waar pas fist. (140310)

f brojkes meej gemne ks n uikes. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD III.2.3:147 'gemene kaas' = komijnekaas

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'gemne ks zelfstandig naamwoord  - verbastering van komijnekaas

 

gemnd

voltooid deelwoord van 'mne'; bijvoeglijk naamwoord

gemeend

Cees Robben Ik heb t nie gemend... (19610106)
Cees Robben Des nie gemend (19660401) [Dat kun je niet menen; dat is niet serieus bedoeld]
Frans Verbunt -- gemeend; ook 'mnes'

 

gemnder

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

gemener, lager

Cees Robben - ds ng gemnder as rebarber znder sker

Dirk Boutkan gemnder; hiernaast: geminder (met vocaalreductie van resp. 'gmn' en 'gemen'; met d-epenthesis) met epenthetische d

 

gemnlek, gemnlik, gemllek

bijwoord

gemeenlijk, doorgaans, gewoonlijk, in de(n) regel

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gemenlik (passim); gemeinlijk (passim)

Dikke meensen zijn gemenlijk nog al goeiig en gemoedelijk! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
...de ondeugden, die daor gemenlijk mee verbonden zijn... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
- Om te begiene wiere we veul laoter wakker as gemenlijk (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Gemnlik duuret nie lang (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- s Zaoterdags is d gemenlik te doen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
s Zondags is t gemnlik kaoi weer... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben W denkte gij naa in t algemeen bekeken dan gemellik over alles an z van ge wit wel..? (19660923)

Henk van Rijen - gemnlek schfte nie pt heubrd van de kr - gewoonlijk schaft je niet op het kopschot van de kar.

CiT (47) 'Gemnlek schfte-n-ie op 't hubbert van de kr'

A.P. de Bont -- gamnlek, bw., 'gemeinlijk' - gemeenlijk, gewoonlijk

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEMEINELIJK bw. -gemeenlijk, Fr. ordinairement

 

gemeut

zelfstandig naamwoord

gebabbel, geklets

Agge meej un half oor meej lsterde nao der gemeut waarde subiet hillemaol op de hogte  meej wetter in de buurt splde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

►meute

 

geminschap

zelfstandig naamwoord

gemeenschap

Dirk Boutkan (blz. 34) geminschap (met vocaalreductie)

 

geminte, gemnte

zelfstandig naamwoord

gemeente

B gemnt

- 't Tweede bedrijf is de zitting van den Krvelschen gemnteraod; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gemnte (passim); gemnteraod; 't juwel van de geminte.

Cees Robben - bij de geminte hdde de miste vaasteghd

Henk van Rijen - t de geminte- f oopaas bosse gehld? - Ben je daar wel eerlijk aangekomen?

WBD III.3.1:316 'gemeente' = gemeente

WBD III.3.1:329 'gemeente' = gemeenteheide; ook 'gemeentehei' of 'hei'

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gemnt, de - zelfstandig naamwoord  - de gemeente - 'geminte' zelfstandig naamwoord  - gemeente

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEMEINT zelfstandig naamwoord v. gemeente, Fr. commune; daarnevens: gemeente

 

gemintepils

zelfstandig naamwoord

leidingwater

Cees Robben 75 Jaor gemintepils van de T.W.M. (19730831)

Henk van Rijen - leidingwater

Henk van Rijen - 'Drink mar gemintepils; daor haaw de unne klaoren hals van' - Drink maar leidingwater, daar blijf je nuchter van.

 

geminteraod

zelfstandig naamwoord

gemeenteraad

meervoud: geminteraoj

KAREL. Sjarel, ik heb geleze detter binnenkort wir geminteraoj kome. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

 

gemoed

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  borst(en)

WBD III.1.1:117 'gemoed' = borsten v.e. vrouw

 

gemoejd
voltooid deelwoord van zwak werkwoord moejen
bemoeid
Cees Robben Ik heb er mn gen nog nt meej gemoeid... (19580201)
 

gemoejeg

bijvoeglijk naamwoord

Frans Verbunt -- meegaand

WBD III.1.4:74 'gemoedelijk' - bezadigd

WBD III.1.4:350 'getnoedig' = gewillig

WBD III.2.3:146 'gemoeiig' = mals, gezegd van boter; ook 'mals', 'zacht', 'smeuiig' of 'smerig'

Haor GEMOEI-IG - zacht (van aard)

 

gemkt

bijvoeglijk naamwoord, voltooid deelwoord van 'maoke'

gemaakt

Hij heeget schon gemkt n zij heeget schngemkt.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEMAAKT bvw - door de kunst verveerdigd of nagemaakt, Fr. artificiel. Gemaakte bloemen, gemaakte vogels

 

genaajd

bijvoeglijk naamwoord

gedupeerd, benadeeld

As oewen baos ertschaajt, dan zder meej genaajd.

WBD III.1.4:419 'genaaid' = gedupeerd

 

genaas, genaaze

persoonsvorm

genas, genazen

- verleden tijd van 'geneeze'

 

genaoj

zelfstandig naamwoord

voldoening, (B) genade, aangenaam

- er zo veul genaoi van heb gehad as naauw (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Niks as plezier en genaoi hek lvenslaank van die bisjes gehad. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Slaoget toch goed gaoi dan hedder genaoi van.. (19650115)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der genaoj van hbbe ('66) - er genade van hebben, plezier aan beleven

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - genaoj (krt.39)

A.P. de Bont -- gano.i zelfstandig naamwoord vr. 'genooi' - genade, hulp, bijstand, verlichting van pijn

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GENADE, GENAAI zelfstandig naamwoord v. -als tusschenwerpsel, voorafgegaan van: God, Deezes, Meere, enz.

 

genaoke
uitdrukking: 'te genaoke zn' - vaak met ontkenning; Nederlands 'niet te genaken zijn'

Anoniem 1959 Mar de meulesteller was nie te genaoke,/
die liet zun eige nie vur gleupert en neetoor uitmaoke.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm
 

genve
zelfstandig naamwoord, meervoud
zeer oude vorm voor neven; al in de 14de eeuw opgetekend
MNW - Slechts in het mv. voorkomende. Mhd. genven; vgl. got. ganithjis, verwant. Zij die onderling neven, neven van elkander zijn. Ook in ruimeren zin verwanten. De tegenwoordige taal heeft dit woord, alsmede gevriende, geviande, genichten verloren, doch gebroeders, gezusters en gelieven behouden.
Cees Robben De knder van Drieke van Hanne.. en Mart (...) d waren genven... (19580201)
 

geneeze

werkwoord, sterk

genezen

B geneeze - genaas - geneeze

vocaalkrimping in tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk.?

Goem. GENEZEN

 

geneuid

Voltooid deelwoord van nodigen

Genodigd (zijn)

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ge weet ummers, det ti mergen ten herdlaai is geneuid?

- Voor de merkwaardige eu-klank zie ook beneuid.

 

geneuk

zelfstandig naamwoord

troep, rotzooi, lastig gedrag, aanstellerij

naajt em mar meej hil oew geneuk - Hoepel maar op met je hele troep.

Ze heej veul geneuk b der = Ze is erg verwaand

- innen zegelrink, die k droeg vur t geneuk. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Hij [de pastoor op de preekstoel] h 't over bloote nekken, vleeschkleurige kouskes, te duur kleer, polka haor enz., afijn, hij w eigenlijk zeggen d 't er vul te veul geneuk in de wereld is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Geneuk as de meenschen tegenswordig krijge d's gewoonweg verschrikkelijk, k bij ons op 't drp en de boerinnen gon er k al on mee doen! De gawe ketting mee 't kruis, die doen ze niemer aon... ph!... d's vul te awerwets. De groote muts blijft in de kaast: die is te zwaor, daor krge ze vort koppent van - zeggen ze - en darrum zette ze liever 'n huudje op. D z'n ding op hullie kop net z min vuugt as ne vulpenhaawer in 'nen boerenvisjeszak willen ze nie geleuven. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
...en dorrum h'k niks gezee mar meelijend in m'n eige gelaachen en gedocht: "Geneuk, Kubke... niks as geneuk van veur tot aachter!" (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
Cees Robben - Dieje klotveeger was k niks vur jou; ene meej veul geneuk n nat;

Henk van Rijen - der is vusteveul geneuk in de wreld - rotzooi

WBD III.3.1:303 'geneuk' = bekakte praat; 301 'geneuk' = bluf

WBD III.1.4:170 '(veel geneuk hebben' = zich heel wat inbeelden

WBD III.1.4:174 'geneuk' = pralerij; 393 'geneuk op niks' = koude drukte; 404 'geneuk' = vervelend werk

Bosch geneuk - het hele zaakje; irriterend gedrag

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - geneujk zelfstandig naamwoord  - deftig, voornaam volk

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GENEUK o., vooral gebruikt in de uitdrukking -  'hil 't geneuk' - het hele zaakje, de hele zwik, alles wat erbij komt kijken; meestal niet van waardevolle of gerespecteerde zaken gezegd. Los van deze combinatie betekent het woord ook wel: vervelend gedoe, irriterend gedrag.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Op blz. 165 wordt 'geneuk' genoemd in een opsomming synoniemen van laast en dls. (zie ook krt.95)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GENEUK zelfstandig naamwoord o. - prulwerk, voddewerk

WBD 111.4.4)223 'geneuk' = iets kleins in zijn soort, ook 'neuk', 'neukding', 'neukepietje'

Haor GENEUK - ratteplan

 

geneukstamper

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- aansteller

Stadsnieuws - Dieje geneukstamper lopt geduureg nffe zen schoene (070107)

 

gngske, gngeske

gangetje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

et gao zen gngeske

 

geniemand, geniemaand

voornaamwoord

...ze maoken alles bekend w toe dan toe geniemand wies! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...mar geniemand wies er iemand... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Gij zegt: ons oogen zijn te blend,/ ons ooren zijn te doof, ons hart te klein - geniemand kent/ den hemel as deur et geloof. (Piet Heerkens; De schoone weereld, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

Henk van Rijen --  niemand

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - geniemes vn - niemand

► ginniemand

 

geniete

werkwood, sterk

genieten

- ast zondagaovend wrt, heetie genoote van zen sprt

B geniete - genot - genoote

 

genillest

bijvoeglijk naamwoord

Pierre van Beek -- opgelaten; 'gedallaast' daor zk meej genillest

 

genog, genogt, genoegt

bijwoord, telwoord

genoeg, voldoende

Pierre van Beek -- zat geng - vaak genoeg

M gengt

'et Sneuwt! 'et sneuwt! - Ik ha' 't verwocht! / Naa worren alle waaie wit,/ want in de grijze locht daor zit / nog sneuw genocht! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Sneuw, 1938)

...mar er waar nog bij langenao geen geld genogt! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

SJAREL. Des makkeluk genog uit te rekene. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

Cees Robben Nt genog en nt content... (19601007)
Cees Robben ...vat die maand waas op ge zd maans genog .. (19640904)
Cees Robben Ge het genog aon oe ge... (19790824)

Cees Robben Ge wit genogt det z zal zn... (19660812)

Cees Robben De wegt is wel lang.. mar ik heb tij genogt.. (19760423)

De Wijs -- As gllie k mee hellept assisteren zn we wel mee genogge (20-03-1968)

Pierre van Beek -- Ik wil d geng doen = zonder tegenzin, graag (Tilburgse Taaklplastiek 126)

Not Genog Geoefend


Onze Grutvadder ging veul beljrte
bij Jantjes op den Biksendk
daor waare ze toendertd al
en chte beljrtclub rk

Die hiette: Nooit Genoeg Geoefend
D was ene schone naom
want dur d gestaog ge-oefen
wiere ze in et spul bekwaom

Onzen Oopaa kos veul krbols maoke
mar assie n et plkke blef
liep ie saoves bijt nr hs gaon
Sewle wl is lilluk schef.

Dan wier ie veur al op den drpel
dur ons oopoe afgetruufd:
"Tis nie Not Genog Ge-oefend,
et lkt meer op Not Genog Gepruufd".

 

Lechim - pseudoniem van Michel van de Ven; knipsel uit de Tilburgse Koerier (1960-1980)

Ze wilden cht wl langer meej oe pronke,/ mar knde jou meschien nie goed genoegt. (Henritte Vunderink, Oode n de lindenbom, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Bosch genogt - genoeg

A.P. de Bont -- telw. en bijw. 'geng' - genoeg

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GENOG wordt hier dikwijls ... gezegd voor 'genoeg'. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GENOEG (genog) bw. voldoende, zat; 2. zeker, wel; dikwijls inleiding v.e. bedenking; ... d wit men ammal genog ...

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GENOG bw. - genoeg

 

genot

zelfstandig naamwoord

genoot

 

genot

persoonsvorm

genoot

- verleden tijd van geniete

 

gerve

voltooid deelwoord; gerfd

Henk van Rijen --  'gerreve'

Piet van Beers Laandhonger: M'n schnvadder ha w bos en w laand van Kees-omke's ge-orve. (With Love; 1982-1987)

 

gp

bijwoord

Van Beek - Bij dit verklaren kwam als wederwoord: "Da's nie gep.... en toch nat" zou ons grotmoeder zeggen. De bedoeling is, dat 't iets zeer bijzonders was. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

gepannaast

voltooid deelwoord

zwak werkwoord

WNT lemma Pan I: Panaarzen, met eene pan voor den aars slaan, en bij uitbreiding: britsen. Verouderd. Verg. meer dergelijke afleidingen van aars (botaarzen, polaarzen enz.) bij DE JAGER, Freq. 1, 3, en zie ook Pannegatten. Pan-aersen, bridse slaen, Caedere nates ferrea patella, KIL. Henk van Rijen - onder handen genomen.

 

gepeesd
voltooid deelwoord van zwak werkwoord peeze
ervandoor gaan
Cees Robben Hij was m gepeesd (19551119)
 

gepnningd

bijvoeglijk naamwoord

WBD in Hasselt gezegd van een zgn. appelschimmel, evenals 'pmmeleej'; de namen 'appelschimmel' en 'geappeld' gelden ook

A.P. de Bont -- bnw. gepenni(n)gd -- in de verbinding 'gepennigde vaerkes, varkens met hier en daar zwarte plekjes ter grootte v.e.dubbeltje of een kwartje op de huid, meest aan de rugzijde

 

geprmeteerd

bijvoeglijk naamwoord

gepermitteerd, geoorloofd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEPERMETEERD bvw. - geoorloofd (enkel als gezegde in vragende en loochenende wendingen): Is da' nu toch gepermeteerd van 'ne' mens(ch) zoolank laten te wachten?

 

gepesjonkeld
voltooid deelwoord van zwak werkwoord pesjonkele
gespesjonkeld; volle aflaten verdienen in de kerk van de capucijnen op Korvel, maar afwisselend met het kerkbezoek een caf bezoeken.
Cees Robben Ze [twee vrienden] han saome gepesjonkeld/ En te veul van t goei gehad... (19620504)
Cees Robben [twee mannen aan de bar:] Zde aon t pesjonkele..? D wel.. En dorst naorgelang devotie..! ..D snapte.. (19620223)
► pesjonkele

 

gepik

zelfstandig naamwoord

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gepik - ik heb m'n gepik, zeggen de kinderen als ze bij het spelen hun aandeel hebben"

WNT GEPIK zelfstandig naamwoord  onz. als benaming eener voortdurende handeling ...

 

gepllesjaank

zelfstandig naamwoord

rumoer, gemaakt door spelende kinderen; alleen bij Robben aangetroffen
Cees Robben Heurt de knder toch is speule/ Heurt toch d gepollesjaank... (19590228)

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

gepraot

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  gepraat, geklets

Henk van Rijen --  'Doe-g-ut mar nie, al is-t mar vur ut gepraot van de meense.' - Je kunt het beter niet doen, anders wordt er tooh maar over gekletst.

 

Geps, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

 

gps

zelfstandig naamwoord

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

 

gesp

n ene riem meej ene grote geps. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

WBD gps (op een bepaalde schoen) (II:721)

WBD gips (II:1102) gesp (in de kleermakerij)

Str. geps (I:81)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEPS zelfstandig naamwoord v. - gesp, Fr. boucl

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gps zelfstandig naamwoord  - gesp; ook: gips

WNT GESP, in de volkstaal ook wel GEPS

 

geraaj

spullen, gerei, bepaald soor mensen, kinderen

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- eetgeraai

WBD III.1.1:216 'gerei', neukgerei', 'trouwgerei' = geslachtsdelen

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. gerei; in de weverstaal verstaat men door 'geraei' het 1,5 m lange deel v.d. schering dat de wever telkens strekt

...die twee waren allebaai van die ras-echte aawerwetsche vertellers, die uren en uren aon den gang kossen blijven over roovers en spoken en heksen en zu'k geraai meer. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)

Cees Robben Daase afgezwabberd pp-geraai (19871113) [Daase = van het as]
Cees Robben Snoep-geraai (19680412)

Mar nie alleneg vur de oudjes./ ffe goed vurt jng geraaj. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vf jaor  ns Hrmenieke)

 

geraojbrkt

bijvoeglijk naamwoord

geradbraakt
Cees Robben Zelf ben ik k al geraoibrokt... (19670901)

Henk van Rijen --  geradbraakt, doodmoe

 

geraoje

aan te raden, raadzaam

voltooid deelwoord van raoje, ook als bijvoeglijk naamwoord
geraden; in de betekenis aangeraden, raad geven
Cees Robben Ge bent unne ge-geraaide meens/ En ge wilt niet geraoje zn... (19660729) [Je neemt niet aan van een ander]
Henk van Rijen - ds oe mar geraojen ok - dat is je maar aan te raden

 

geraomt [ook: germt, ►germt]
zelfstandig naamwoord
geraamte, skelet
Cees Robben - ...t Geraomt uit de Sch..f... (19561201) [Prent over het in aanbouw zijnde politiebureau in de Lange Schijfstraat (tegenwoordig Noordhoekring; het bureau is ondertussen alweerafgebroken)
 

geraos

zelfstandig naamwoord

geraas

Cees Robben - et geraos

 

gerdn, gerdntje

zelfstandig naamwoord

gordijn

►grdn

WBD (III.2.1:117) 'gordijn' = glasgordijn; ook genoemd: glasgordijn

Ons moeder heeget aaltij druk/ zo gaaw de zon gao schne/ Dan zeejse : Ik maok not cht schon,/ mar ik waas wl men gerdne  (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et schnt gelk te schne)

As es moeder de gerdne waast/ stao alles ooverhop. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de gerdne gewaasse worre)

As de zon scheen, deej de zuster de gerdne dicht. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Tis ot gebeurd dttie snaachs in de hskaomer op ene stoel vur et raom zaat, in et donker meej de gerdne dicht. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)

GD08 aachter de gerdntjes

 

gerchteghei

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek -- zen gerchteghei krge - bediend worden, de laatste sacramenten ontvangen (Tilburgse Taaklplastiek 154)

Cees Robben - zen gerchteghei heetie gehad, meneer dkter

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "geraichtighei - hij hee behoorlik z'n geraichtighei gehad - is voorzien van het H. Sacrament der stervenden"

WBD III.1.4:302 'gerechtig' = rechtvaardig

 

gered

bijvoeglijk naamwoord

klaar

frequent gebruikt als 2e lid v.e. samenstelling met inf.+s als 1e lid

aflggesgered - op het punt te sterven; de rpel ston opzttesgered

B springesgered - gereed om te springen

gez. MP Lui zwet is gaa gered.

Cees Robben - den boer zaat gered

Henk van Rijen - de rpel stn pzttesgered

Cees Robben - 'm'n portemenee laag vattesgereed'

WBD III.1.4:318 'gereed' = idem

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - krt. 94 geeft voor T 'klaor'? onmiddellijk ten noordwesten strekt zich een gebied uit waar 'gereed' gezegd wordt.

 

germt

zelfstandig naamwoord

mager persoon (= geraamte, 'germt' ?)

- Zon dartig pond zek naa kwt en as d zoo nog innen td durgao dan zek over in paor maonden net in germt. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - p zen germt gn zitte (Kn'50) - gaan rentenieren, en dan moeten rondkomen met bescheiden middelen.

Cees Robben ...maoger geremt.. (19670811)

 

grfkamer

zelfstandig naamwoord

sacristie

WBD (III.3.3:71) grfkamer = sacristie

WNT GERFKAMER. uit Gerwen (verscherping rw tot rf), in de bijzondere opvatting van 'aankleeden' (Kil.: adornare) en kamer, reeds in de Middeleeuwen in gebruik voor de kamer waar de priester zich kleedt voor den dienst.

 

gericht

bijvoeglijk naamwoord

kort, rechtstreeks

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GERICHT, bijvoeglijk naamwoord  - kort; gezegd van een weg, vergeleken bij een andere mogelijkheid om op dezelfde plaats te komen. Tegenstelling: 'm'.

A.P. de Bont -- bnw 'gericht' - korter wat afstand betreft; komp. 'gerichter'.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GERECHT en GERICHT bvw, bw. - recht, zonder omweg: gericht gaan

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - gericht - bijvoeglijk naamwoord  korter in afstand

Hees de gerichtste weg (VII:28)

 

geridschap

zelfstandig naamwoord

gereedschap

Dirk Boutkan (blz. 34) geridschap (met vocaalreductie)

 

geriefhaawt

zelfstandig naamwoord

geriefhout, timmerhout

Cees Robben En ik vuul me as geriefhout verzinken... (19550730)

Lowie van Dorrus Misters - Maar er was nog meer nodig voor hof en stal, namelijk geriefhout om bijvoorbeeld de omheining en/of vloer van het varkenshok in stand te houden of voor de afscheiding der andere stalbewoners, ook voor boonstaken en palen voor de droogdraden enz. Die werden ook wel eens stiekem gekapt, maar dat bleef toch altijd gevaarlijk. Meestal werd dat geriefhout gekocht op verkopingen in de wintertijd. De dennenbossen aan de Bredaseweg of in de Blaak werden geregeld gedund. De uitgekapte boompjes werden in hoopjes gelegd en genummerd. Dan werd gelegenheid gegeven de kopen te bezichtigen en konden de kijkers de nummers noteren van de kopen, die hun het best aanstonden. In de Warande, eigenaar notaris Daamen, en de pannenbakkerij van de familie v.d. Mortel was geregeld ieder jaar zulk een verkoping. Na de verkoping trokken de kopers er op uit om de boompjes van takken te ontdoen. Hiervan werd met eiken wissen mutserd gebonden en als alles klaar was, bestelde men een voerman die de boel thuis bracht. Voor het mutserd binden gebruikte men een eiken wis, dit is een lange eiken stok, omdat deze bij het draaien boog zonder te breken. Later toen die wallen meer werden gerooid, nam men gebrande ijzerdraad om mutserd te binden. Wallen waren 3 4 meter brede schaarhoutbosjes, die dikwijls om de akkers lagen. Zij bestonden uit oude stronken, die als het bovenhout groot genoeg was voor mutserd, werden gekapt en dan weer opnieuw uitschoten. Door de behoefte aan meer bouwland werden die oude tronken uitgegraven, zodat ze thans in de omstreken van Tilburg zo goed als niet meer voorkomen. Ook de jaarlijkse houtverkopingen hebben afgedaan. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken; NTC 29-3-1951)

 

geriffemeerd

onklaar

gez. en kr geriffermeerd maoke - (stiekem) onklaar maken

zie Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - onder 'kar'

Henk van Rijen --  De bak van een 'hoogkr' laten kippen en de 'dmp' ertegenaan zetten, zodat deze onbruikbaar wordt.

Een kar geriffemeerd maoke: Audioregistratie 1978 - En kr geriffermeerd maoke! Dan din ze die op zene zijkaant goje, d din ze saoves f snaachs, h! Op zene zijkaant n dan de burrie die konde himmel ondersteboove draaje! n dan wir trugztte! Dan moeste aatij vllek gn haole! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WBD III.1.5:11 'gereformeerd' = binnenstebuiten; ook: 'links'

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GEREFORMEERD (geriffermeert), bijvoeglijk naamwoord  - verkeerd, averechts; weinig oecumenische aanduiding van alles wat 'anders' en weerbarstig is.

A.P. de Bont -- bnw. gereformeerd, hervormd: 'ene geriffemeerden boer'; 'n kaar geriffemeerd maoke' - de burries onder de kar doorhalen. Z.a.

Bosch geriffemeerd - gereformeerd

 

gerij

zelfstandig naamwoord

rijtuig

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 't gerij (= auto)

WBD III.3.1:390 'gerij' = voertuig

WBD III.3.1:394 'gerij' = koets

Verhoeven - GERIJ (gerj) o. rijtuig; nogal ouderwets. Het woord rijtuig wordt uitgesproken als in ABN

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. - gerij, rijtuig (tilbury of dgl.) dem.: 'gerijke(n)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GERIJ zelfstandig naamwoord o. -verkeer met rijtuigen: In onze straat is veul gerij

Bosch gerij - rijtuig

 

gerilhaoke

zelfstandig naamwoord, meervoudig

WBD (Hasselt) - treiten (de lederen omwikkelingen v.h. haam, waaraan de haken bevestigd zijn)

WBD (Hasselt) - treithaken (de haken op de treiten, waaraan de trekstrengen bevestigd worden)

geril = gareel

 

gerilspaon(e)

zelfstandig naamwoord, meervoud

WBD (Hasselt) beide pluralisvormen worden evenals de dito 'hmspaon(e)' gebruikt voor: haamspanen, de twee houten hoofdbestanddelen v.h. haam

geril = gareel

 

grling

zelfstandig naamwoord

WBD moederloos of door de moeder verstoten lam

 

grm

zelfstandig naamwoord

WBD vrouwelijk schaap, ooi, ook 'schaop' genoemd of 'oj'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GERM zelfstandig naamwoord v. - vrouwelijk schaap, ooi

WNT GARM, ook GERM: ooi die nog niet gelammerd heeft

 

grnaol

zelfstandig naamwoord

garnaal

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- meej zon kruk meej tweej maande meej grnaole kwaampie hier aatijWoutje, Woutje... Van Arnemuije (Arnemuiden), die kwaam van Arnemuije aaf n die kwaam hier aatij leure meej grnaole! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

gerkt

bijvoeglijk naamwoord

geraakt

WBD III.1.4:227 'geraakt' = boos

 

germt

zelfstandig naamwoord

geraamte

Cees Robben - et germt t de Schf

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - p zen germt gn zitte (Kn'50) - gaan rentenieren en dan rond moeten komen met bescheiden middelen, (germt = mager persoon.)

Frans Verbunt -- gewld maoken as en neukend germte in de dakgeut

WBD III.1.l:27 'geraamte' = geraamte

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEREMT zelfstandig naamwoord o. - geraamte

 

geroole

werkwoord, voltooid deelwoord

geruild

- voltooid deelwoord van 'rle'

 

gerooziekraanst, gerozziekraanst

uitdrukking: ermee -- zn

in de aap gelogeerd

de etymologie is niet duidelijk; mogelijk cynisch gebruik van 'rozenkrans'

ook 'gerooziekast' is gehoord, maar is niet schriftelijk vastgelegd

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

grritse

werkwoord - fantasiewerkwoord, afgeleid van de naam van een Tilburgse NSB'er: Gerrits genaamd. Op hem werd een aanslag gepleegd door het ondergronds verzet. De aanslag mislukte en kostte het leven aan de leden van alle leden van de verzetsgroep.

SJAREL. D meugeme nie vergete. Ge kunt nie wete waor 't goed vur is. Ik gleuf aanders wel dessem aon de Zwitsersche grens wel zulle Gerritse. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945) Deze passus heeft betrekking op de onzekerheid aan het eind van de oorlog over de verblijfplaats van \hitler en andere nazi's.

 

gerukt
voltooid deelwoord van roke
gerookt (van vlees of vis)
Cees Robben Cees Robben Mee unne vurrukkullukke gerukte spekbukken toe... (19870220)
Cees Robben Hij hield van (...) braoikes... en van overschot... van kaoikes... en gerukte sprot.. van pirzekes op sap... (19590919)
 

gerusteghd

zelfstandig naamwoord

geruststelling ds en hil gerusteghd

Verhoeven - GERUSTIGHEID (gerustight), vr., gewoonlijk in ' 'n hil gerustight' een grote geruststelling, een geruststellende gedachte.

Hft. GERUSTIG voor 'gerust', of ook wel voor 'rustig'.

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord vr. 'gerustigheid' - gerustheid

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GERUSTIGHEID zelfstandig naamwoord m. - gerustheid

 

geschieje

werkwoord, zwak

geschieden

MP gez. Et lfde gebd: Doe gin man goed, dan zal oe gin kwaod geschieje.

B geschieje - geschiedde - geschied; et geschiedt

 

geschiemer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  flitsend beeld, trillend aanzien

WNT SCHEMER - 3)vage schijn, vage gewaarwording

SCHIEM - Gewestelijk verschillende vorm naast scheem en schim.

 

geslaon

werkwoord, voltooid deelwoord

geslagen

Henk van Rijen --  van de vang geslaon - van het goede pad geraakt

 

gesleepe

werkwoord, voltooid deelwoord

Henk van Rijen --  geslepen, gesleept

- voltooid deelwoord van 'slpe' (slijpen) en van 'slpe' (slepen)

 

gesloote

bijvoeglijk naamwoord

gesloten

WBD gesloote, (Hasselt) 'gesloowte' - harmonisch van bouw (v.e. paard), ook 'srteg' genoemd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GESLOTEN huis: waar geene nering gedreven wordt.

 

gesmoord
voltooid deelwoord van smoore
smoren, achterhouden (vooral van geld)
Cees Robben Dan hodde gij toch k gesmoord... (19560804)
 

gespnneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - gespan, gereedschap

 

gesps

zelfstandig naamwoord

gespuis

 

gespind

bijvoeglijk naamwoord

WBD gespind brod - brood dat onderhevig is aan zgn 'leng': bederf waarbij de broodkruim slijmig wordt en zich tot draden laat trekken; ook 'lng' genoemd

 

gespuld

voltooid deelwoord van 'speule'

gespeeld

Cees Robben Ik heb al minstens duuzend keer/ Van t Aauw in t Nuuw gespuld..! (19601230)

Henk van Rijen --  'oe laot is ut? Kwart oover den bult heej sjuust gespult.' - Hoe laat is het? Ik weet het niet, vraag dat maar aan een ander.

 

gst

zelfstandig naamwoord

gist

Dialectenqute 1876 - gest - gist

WNT GIST - in ouderen en thans nog gebruikelijken vorm: GEST

 

gestaog - gestaojeg - gestaoj - gestaojkes

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

aanhoudend, onophoudelijk, bestendig, gestadig

►staoj

De aander han gestaoig beet/ mar Nilles zaat vur aop... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onder waoter...)

Tch draait de wreld gestaojeg deur... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: En nuu begien )

...mar ze liete der taande zien/ nt ging gestaoikes deur. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: SISTIG JAOR)

Henk van Rijen - naa kunneme wir gestaog nroke - nu kunnen we weer flink doorroken

WBD III.4.4:325 'gestaai' = langzaam

Dur de straot rejen zeker zes keer per dag waogens meej kolen veur de gasfebriek. D ging mar stapvoets, die knollen, dieter vurstonden liepen gestaoi aon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Haor GESTAOJ(-KE) - gemak

 

gestld

bijvoeglijk naamwoord

voorzien; in de problemen

R Ge kpt mar ne nuuwe, dan zde wir gestld. - ... dan is het weer ok

R Ge zt er wl meej gestld. - Je bent er wel mee klaar!

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dermee gestld zn as en drp mee ne gkke pestoor ('66) - pastoors werden vroeger benoemd ad vitam

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GESTELD - welstellend, welgesteld; gestelde mens(ch)en; in goeden of slechten staat. Met iemand/iet gesteld zijn - er mede op zijnen stel zijn, in staat zijn.

 

gesticht

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:331 'gesticht' = gekkenhuis

WBD III.3.1:332 'gesticht' = rusthuis

 

gestlpt

bijvoeglijk naamwoord

Frans Verbunt -- onder een stolp gezet

Frans Verbunt -- der is gin maand oover gestlpt - het zou me niks verbazen

 

gestoole of gevlooge

Uitdrukking gestolen en gevlogen; om aan te geven dat iets of iemand verdwenen is zonder dat ook maar iemand kan verklaren waardoor of waarheen; mogelijk uit de wereld van de duivenhouders.

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882:  en niemes heurde ooit, wor ie gestole of gevloge waar.

 

gestrreve
voltooid deelwoord van streve
gestorven
Cees Robben Mar ddgewerkt is k gestrreve... (19810918)
 

gestrpt
voltooid deelwoord van strpe
gestroopt
Cees Robben aon n draoike gestrpt.. (19570525)
 

getaauw
zelfstandig naamwoord
weefgetouw
Cees Robben Den wver rook naor zn getaauw... (19701016)
 

getal

zelfstandig naamwoord

getal

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'in grooten getaole'

 

getld

bijvoeglijk naamwoord

geacht

Voltooid deelwoord van tlle = meetellen, waarderen

- Wanneer ge niet geteld" zijt bedoelt men dat men niet op uw aanwezigheid of vriendschap gesteld is. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

Frans Verbunt -- meetellend, gewaardeerd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GETELD bvw. - geacht: Geteld worden gelijk 'en 0 in 't cijferen.

WNT XVI:1442 9) Uit de bet. meerekenen laat zich ook het gebruik van 'tellen' verklaren in den zin van: aanzien (als), beschouwen (als), achten, houden (voor).

 

getg

zelfstandig naamwoord

gereedschap; mannelijk geslachtsorgaan

Cees Robben Dr gao niks boven aauwverwets getuig... (19720310)
ook als gereedschap in de figuurlijke zin van mannelijk geslachtsdeel; in die zin door Robben uitgebreid tot voorbehoedmiddel
Cees Robben Ik kan er niks aon doen, pa... [dat mijn vriendin zwanger is] Ik h mn getuig nie bij me... (19810710)

WBD III.2.1:225 'ketsgetuig' = idem (vuurslag+ vuursteen)

WNT GETUIG - voorheen, en thans nog in vlaamsch Belgi, in denzelfden zin gebezigd als TUIG, gereedschap, gerei ...

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GETUIG: gereedschap, mannelijk geslachtsorgaan; 'z'n getg afnemen' = castreren; dubbelzinnig: 'hij haj z'n getg meegebrocht'.

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord 'getuig'- 1) gereedschap; 2) minachtende benaming voor de vrouwen); 3) de vrouwelijke resp. manlijke geslachtsdelen; 4) gerei, soort, tuig

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GETUIG zelfstandig naamwoord o. - hetz. als in het Holl. tuig, gereedschap

 

getge

werkwoord, zwak

getuigen

B getge - getgde - getgd

- geen vocaalkrimping

 

getrd

werkwoord, voltooid deelwoord

Henk van Rijen --  getuid, met een touw vastgezet

 

getijd

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.4:307 'getijd zijn' = voornemens zijn

 

gtje

zelfstandig naamwoord, verkleind

geitje

WBD 'gtje', 'klijn gtje' - vleiwoorden voor jonge geit

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de zeuve gtjes = gezusters Mutsaerts (blz. 57)

gaatje

WBD gtjes (II:1035) - gaatjes, spoelgaatjes; ook: (span)gatjes of -gtjes

 

getld

bespraakt

Ze is goedgetld = welbespraakt, goed van de tongriem gesneden; m.a.w. ze heeft een luide stem

Stadsnieuws - D meens is goedgetld, mar ze kwkt wl - Die vrouw weet zich goed uit te drukken, maar haar volume is wel aan de forse kant. (030908)

N.B. 'getld' is participium praeverbale

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - hlgetold: moete as geminteraodslid zijn

 

getuurelepiep

zelfstandig naamwoord, klanknabootsing

alleen aangetroffen bij Piet Heerkens

Daor fluit 'ne kalme merel
in et tpke van 'nen iep,
en ik denk: waor haolde gij, kerel,
oe zot geturelepiep?! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, De merel, 1938)
 

gt-zd
samentrekking
jij het bent
Cees Robben [onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. (19720128)
 

geure
werkwoord, zwak
geuren; in de betekenis: ervan genieten
Cees Robben Dan geur ik m (19701016)
 

Goot met pomp en afvoer via het moosgat in de muur

geut, gutje

zelfstandig naamwoord

goot; keuken

Ill.: Regionaal Historisch Centrum Tilburg/ Stadsmuseum

Lowie van Dorrus Misters - Verder rondgaande zag men een deur naar de goot, waar de gootsteen stond met er onder of er naast het moosgat, waardoor het afvalwater een uitweg had om in het mooskuiltje bij de mesthoop zijn einde te vinden. Ook zagen wij er meestal de bezem, een bundel bremtakjes, berketakjes of heideplanten, bovenaan vastgemaakt door gespleten eikenwissen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 Rond de boerenhaard 1; NTC 27-6-1952)Cees Robben - en bietje teut schof ie langt in de geut

Heurde smrges vruug in de geut/ musse meej veul lewaai/ vchte n speule meej mekaar/ dan witte: Tis wir maai. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tch maai)

Audioregistratie 1978 - En vruuger de keuke, d was de goot! De goot, j! De geut! Ik dcht de goot! De goot! De goot! De goot! De geut of de goot? Goot! De goot!? En dan hadde zon gtje in, zo agge de geut schuurde dgge et waoter zo bte kont vge! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WBD mestgoot (ter afvloeiing van het mestvocht)

WBD voejergeut - voedergoot in de koestal, ook 'koebak' genoemd

WBD III.3.1:405 'goot' = straatgoot

WNT GOOT, gote, geut, geute

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - geut, goot - bijkeuken

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GEUT v. l) goot, afvoer; 2) keuken met pomp en spoelbak.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEUT zelfstandig naamwoord  hoeveelheid vocht die men ineens ergens in of uit giet.

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - geujt zelfstandig naamwoord  - goot

 

geutgat

zelfstandig naamwoord

WBD gootgat (afvoergat door de buitenmuur van de bijkeuken), ook genoemd: moozegat, (Hasselt:) moowsgat

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gootgat - gootgat voor 't vuile water"

 

gze

werwoord, zwak

begerig kijken

- gze - gsde - gegsd

Stao tch nie aaltij z te gze! - Sta toch niet altijd zo begerig te kijken

Cees Robben Ik gao dr nog wel is guize... (19790921)

Wij mar gze, is mn helft nie klender, dan d van dieje aandere. Ik waar nie veul beter dan de hle reut en kk t naor de grotste helft. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)   

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WNT GUIZER - bedelaar (?)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GUIZEN - slenteren, lui en traag gaan.

Van Dale (XI): giezen (allen onbep. wijs) (gew.) begerig kijken (naar), gieren (I) gieren (I) (veroud.) hevig begeren, gretige blikken op iets slaan.

N.B. Ned. kent geen 'guizen', wel 'guizig'= begerig, verlangend, tuk op.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GUIZEN (gze) onov.ww, staan gapen, nieuwsgierig en begerig kijken, v.Dale 'giezen'.

 

gevangetje - gevangertje

zelfstandig naamwoord

Van Delft - Het "gevangetje" werd met meer kinderen gespeeld. Allen holden mede en blijde weerklonken de kinderkreten bij een al of niet geslaagde achtervolging. Waren er al flink wat gevangen, dan gingen de "gevangenen" mede voor achtervolgers spelen en zoodoende was en bleef de heele kinderschaar in uitstekende beweging. De hindernissen stapelden zich al spelend hierbij meer en meer op en het werd een wilde jacht, die warm bloed door de aderen joeg en kleur op de wangen tooverde. Zoo'n laatste "loslooper", een echt haantje de voorste, prat gaande op zijn langdurige vrijheid, wist met echte jongensrapheid en overmoed het vaak tot flink in den avond vol te houden zijn achtervolgers te ontloopen en na eindelijke overwinning ging hij met hooge borst en snoevende op zijn vlugheid naar den dikken boterham met spek of suiker. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

Cees Robben We gaon gevangertje doen.. en blt slao dd... (19670908)

...ze deeje onderweege ginne bokkesprong of gevangertje net as wij aaltij deeje as we in un gruupke ergens naor toe moese. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Onderweege deeje we gevangertje, wieter getikt wier, moes wir iemes aanders perbere te raoke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
 

gevaor

zelfstandig naamwoord

gevaar

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'gevaar' - gespan, voertuig met paard

 

gevaore
voltooid deelwoord van vaore
gevaren; in de zin van hoe het zo gekomen is
Cees Robben Hoe d ik z gevaore ben.../ D zakkoewis vertelle (19661021)
 

gevaorlek

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

gevaarlijk

Cees Robben - ik vn d gij mar gevaorlek rijdt;

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 in de Schelde zwemmen is gevaorlek

Dirk Boutkan gevaorlek, gev(r)lek (blz. 34;

WBD III.1.4:298 'gevaarlijk' = idem

 

gevoggelt

zelfstandig naamwoord

gevogelte

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. Gevogelt -gevogelte

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEVOGELT zelfstandig naamwoord o. -gevogelte

 

gevraoge

werkwoord, voltooid deelwoord

gevraagd - (analogie met dragen en slagen (= slaan)).

Hk oe w gevraoge? - Heb ik jou iets gevraagd?

- Volt. deelw. v.h. ww. 'vragen', naar de sterke vervoeging der VIe kl.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt.70 plaatst T in het 'gevraogd'-gebied; even ten Z komt 'gevrooge' voor, en in het O ligt een eilandje van gevraoge/gevraogd'.

WNT VRAGEN - oorspr. uitsluitend en volledig zwak; naast 'vraagde' komen sinds de 17e eeuw ook sterke vormen voor: gewestelijk sterk volt. dw.

 

gevrk

zelfstandig naamwoord

gewrik, gewring

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEWROOK, GEWRUK zelfstandig naamwoord o. - het wrooken

WNT WREKEN (II) - wreiken, wrieken, wreuken, wrooken, vreken, vreiken, vreuken

 

gevricht

zelfstandig naamwoord

wreef

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - gevricht (blz. 188)

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'gevricht' - gewricht

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'gevricht' zelfstandig naamwoord  - wreef

 

gevrukt
voltooid deelwoord van vrke
hard gewerkt, geploeterd
Cees Robben Aon d kerwaai gevrukt... (19830401)
Cees Robben Daor wier gevrukt, gezwit, gebid... (19610915)
►vreuke
 

gevuugelek

bijvoeglijk naamwoord

MTW gevoeglijk

 

gevuul

zelfstandig naamwoord

gevoel

korte uu

R.J. z'n raor gevuul, z'n gk gezaog

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gin gevuul

Cees Robben - daorveur hk teveul gevuul; ik hb et gevuul dk vals zing

Cees Robben - 'as g'unne meens zt meej gevuul'

WBD III.1.4:191 'blij gevoel = vreugdevol zijn

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'gevuul' - gevoel

 

gevuuleghd

zelfstandig naamwoord

gevoeligheid

korte uu

 

gewaajd
voltooid deelwoord van waaje, koeien weiden
geweid
Cees Robben Mar naa ze [de koeien] nie gewaaid meuge worre (19860509)
 

gewaas

zelfstandig naamwoord

gewas

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- houtgewaas

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'gewaas' - gewas, wasdom, groei, gestalte

 

gewaase
voltooid deelwoord van waase
gewassen
Cees Robben Vur n kwartje gewaase... (19570216)
 

gewaod

zelfstandig naamwoord

gewaad

Cees Robben - gewaod

WBD III.3.3:73 'gewaden' = liturgische gewaden

 

gewaorwrre

werkwoord, sterk

gewaarworden, merken, te weten komen, ontdekken

Henk van Rijen - d zudde gaa genog gewaorwrre - dat zul je vlug genoeg merken

Henk van Rijen - kht gewaorgewrre - ik heb het ondervonden

 

gewd

werkwoord, voltooid deelwoord.

gewed

Cees Robben - ast gewd is, dan ... (= als het erop aankomt? )

Frans Verbunt -- gewijd (bijv. van geestelijken)

 

geweeje

voltooid deelwoord van 'wije', 'wijden'

Frans Verbunt -- ze zn wl geweeje mar nie gesneeje ('t zijn ook maar mensen)

 

gewr

zelfstandig naamwoord

geweer; warboel, wirwar

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'geweir'; ''n gewair mee 't verkeer'

geweer (wapen)

Dialectenqute 1876 - hij liep mid'n gewr ( als in mme)

- tusschen het geknetter van de gewren en mitrailleurs komt het kanongebulder opzetten...; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

 

gewld

zelfstandig naamwoord

lawaai

Mkt nie zn gewld. - Maak niet zo'n lawaai.

R Leuze van een kinderharmonie: Veul gewld vur wneg gld.

WBD III.4.4:244 'geweld' = lawaai

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'geweld', grote hoeveelheid, menigte

 

gewid
de betekenis is onzeker; mogelijk het voltooid deelwoord van wtte
Robben gebruikt het om een gierige man te typeren
Cees Robben - En assie is afschiet.. Nou dan kan t, as t gewid is op unne wetsteen... (19650416) [een vrouw over haar man: als hij eens geld geeft... dan is het heel magertjes]
 

gewin

zelfstandig naamwoord

winst

MP gez. Et eerste gewin is kattegespin, et twidde krpt den zak in.

Van Beek - Is men aanvankelijk aan de winnende hand, dan luidt het: "'t eerste gewin is kattegespin", waarop gerepliceerd wordt: "Maar 't leste gewin gaat de zak in".  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

 

gewist

werkwoord, voltooid deelwoord

geweest

- met vocaalkrimping: ee> i

B ze zn wisse visse - ze zijn wezen vissen; ik ben (ook! heb) gewist

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- Gewist is lillek! - (realistisch gezegde)

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'nog nooit hee de wereld geregeerd gewist ...'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'Ik ben 's weest-te kijken' Volt.deelw. v.h. ww 'wezen', 'zijn'

Cees Robben As t twaalf uuren was gewist... (19660527)
Cees Robben ...overal waor ge nog nie gewist zd... (19770722)
gewist wordt door Robben ook gebruikt in de betekenis naar de wc geweest zijn
Cees Robben [Man 1:] En ik z overal gewist... [Man 2 relativeert deze grootspraak:] D zal wel... Aachter t huis zeker... (19800704) [Achter het huis stond et hske, de plee]

NN Ik hb er ot gewist dtter gin man was.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 de schoolknder zn meej de mister nr de zeej gewist; et is wrm gewist

Antw - GEWEST verldw. - uitspraak van 'geweest'; in N. der Kemp. ook 'gewist'

 

gewitwl

zelfstandig naamwoord, als zodanig meestal een eufemisme voor iets onwelvoeglijks

je weet wel

KAREL. 't Is aanders wel gek, Sjarel, ut schent tegesworrig wel dechche irst oe gewitwel tegen de krib moet zette r dechche iets berke kunt! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)

 

gewonte

zelfstandig naamwoord

gewoonte

WBD III.1.4:306 'gewoonte' = idem

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- gewnte

Dirk Boutkan (blz. 53) meervoud: gewontes

 

gewrre

werkwoord

Henk van Rijen --  zijn gang gaan; doorgaan waar men mee bezig is

Henk van Rijen --  Lt ze mar gewrre - Laat ze hun gang maar gaan

Bosch geworre - ermee overweg kunnen

 

gewrreg

bijvoeglijk naamwoord

waakzaam (gezegd van een hond)

Ik zuuk un gewrrig hundje. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Cees Robben Z geworrig as unne hond... (19650430)

Henk van Rijen --  gewillig, volgzaam

WBD (III.2.1:485) gewrreg = waakzaam

WBD (III.1.4:13 'gewarig' = waakzaam

WBD (III.1.4:331) 'gewang' = gehoorzaam

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - gewarig - waakzaam (zelfstandig naamwoord l.) = mnl. gewarich 'opmerkzaam'

- Zal wel samenhangen met 'gewaarworden'

Goem. GEWARIG

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GEWARIG, voor 'waakzaam', doch even als 'gewahrsam' in het Hoogd. niet van een mensch, maar wel b.v. van eenen hond; eertijds echter ook van eenen mensch.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GEWARIG (gewarrig) bijvoeglijk naamwoord, waakzaam; z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEWARIG - waakzaam, v.e. hond

WNT GEWAARWORDELIJK (?)

 

gewrreghd

zelfstandig naamwoord

waakzaamheid

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEWARIGHEID zelfstandig naamwoord m. - waakzaamheid

WNT GEWAARWORDELIJK

 

gewrcht

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.4.4:226 'gewrocht' = krom

 

gezaodje, gezdje, gezaoj

zelfstandig naamwoord

aandeel

uitdrukking -  zen gezaoj / gezdje gehad hbbe - z'n aandeel gehad hebben

Cees Robben Mar gij het oew gezaodje ook wel gehad... (19790202)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zen gezaoj hbbe ('70) - gelijk staan met de inzet bij spelen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gezoat - ik heb m'n gezoat, zeggen de kinderen als ze bij het spelen hun aandeel hebben"

WBD III 4.4:277 'gezaad', 'gezaai' = portie

WNT GEZAAI - l) datgene wat men zaait; 2) datgene wat opkomt uit hetgeen men heeft gezaaid

 

gezaogd
voltooid deelwoord van zaoge; ook gezaoge
gezaagd
Cees Robben Turks eiken.../ Op t Gurke nog gezaogd [Turk is de spotnaam voor Tilburgers uit het noorden van de stad] (19560714)
 

gezeed, gezeej

voltooid deelwoord van 'zgge'

gezegd

Verbunt - hij heeget gezeed gehad - hij heeft het gezegd

Henk van Rijen --  'Teegen oe gezeej n gezwege' - Tegen jou in vertrouwen verteld.

Bosch gezeed - gezegd

WNT ZEGGEN - Naast 'gezegd' komt thans nog gewest. voor: GEZEID, GEZEED

 

gezk
zelfstandig naamwoord
gezeik; de ellende
Cees Robben Toen den import bij ons tege pisse plasse begos te zegge is t gezk begonne... (19800523)
 

gezeever

zelfstandig naamwoord

geklets, zachtjes regenen

Cees Robben - n naa gin gezever;

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEZEEVER zelfstandig naamwoord o. - het zeeveren

 

gezicht

zelfstandig naamwoord

uitdrukking -  gezicht van aaw lappe - bedrukt gezicht

gezicht

Die h er gezicht op. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

gez. Pierre van Beek -- en gezicht van zeuve daoge rge - somber, boos gezicht (Tilburgse Taaklplastiek 131)

gez. Pierre van Beek -- Hij zt en gezicht as enen l vur et geutgat - van verbazing (Tilburgse Taaklplastiek 740125)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEZICHT zelfstandig naamwoord o.: Een gezicht trekken; zij(n) gezicht hou(d)en - zwijgen; gezicht hebben - toonen, goed voorkomen

 

gezdje, gezaoj

zelfstandig naamwoord

aandeel

verkleinwoord van 'gezaoj', met terugkeer van de weggevallen d van zaod.

uitdrukking -  Zen gezdje/ gezaoj gehad hbbe - z'n aandeel gehad hebben

WBD III.4.4:277 'gezaad', 'gezaai' = portie

 

gezond

zelfstandig naamwoord

gezond

Dirk Boutkan (blzt.27) in de superlatief wordt de d niet uitgesproken: gezonst

WBD geznd - zonder beschadiging, gaaf (m.b.t. huiden; II 583)

A.P. de Bont -- bnw. gezond; 'gezond maoger' antwoord dat gewoonlijk gegeven wordt op de vraag 'Hoe geiget?'

 

gezwaaj

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:84 gezwaaj - takken (collectief), ook genoemd: kron, kp, bundel of bussel

 

gezwakt

bijvoeglijk naamwoord

lenig

Frans Verbunt -- gespierd, lenig, goed gebouwd, getraind

uitdrukking -  goed gezwakt - nog lenig van leden

Cees Robben Kik-is-eens-aon... W diejen meens nog gezwakt is... (19681115)

Toenk ng goed gezwakt waar gink r ok ng hardlope ok ng. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

WBD III.1.1:26 'gezwak', 'gezwakt' = lenig

Haor GEZWAK - lenig

WNT ZWAKKEN II 7) Iets met behendigheid, vaardigheid doen, verrichten. In aansluiting bij ZWAK = behendig, vaardig.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - gezwak- lenig, flink (oostnbr.) Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 
'gezwak' bijvoeglijk naamwoord  - lenig

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GEZWAK bijvoeglijk naamwoord  lenig: hij is goed gezwak - hij is zeer lenig.

A.P. de Bont -- bnw. en bijw. -'gezwak' - lenig, vlug, rap, wakker, behendig. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  VERZWAKKEN ww - beweegbaarder, leniger maken: en wandelingsken verzwakt de beenen

 

gezwit
voltooid deelwoord van zwete
gezweet
Cees Robben En die nog nt z ver ak weet/ n Drpke heef gezwit (19651231)
Cees Robben Daor wier gevrukt, gezwit, gebid... (19610915)

 

gibberkont

zelfstandig naamwoord

lachebek (= 'gieber')

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gibberkont (lachebek)"

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'giebelkont' zelfstandig naamwoord  - lachebek! ook: giebelgeit

 

gieber

zelfstandig naamwoord

meisje dat altijd de slappe lach heeft

R Ds me tch en gieber

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord  vr. 'giebelkont' - vrouw of meisje die (dat) graag giebelt; ook 'giebelmuts'

 

giebere, gibbere

werkwoord, zwak

- giebere - gieberde - gegieberd

R zacht proestend of zenuwachtig lachen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gibberen - gibberkont (lachebek)"

Henk van Rijen --  giechelen, ingehouden lachen

Jag. GIBBEREN - gibben. Gibberen is Vlaamsch voor lachen. Het primaire GIBBEN kwam onder de vorm GIEBEN (giebelen) voor; Eng. to ghybe.

WBD III.1.4:204 'gibberen','giebelen' = giechelen

A.P. de Bont -- zw.ww.intr. 'giebelen' - bedwongen lachen, gichelen

WNT GIJBELEN en GIEBELEN - bedwongen lachen, gichelen (in Oost-Friesland, Groningen, Overijsel, Gelderland.

A.P. de Bont -- zw.ww.intr. 'gieberen', variant van giebelen

WNT GIECHELEN, giggelen, giegelen, gichelen; gewestelijk ook: gicheren, kicheren, kichelen

Jag. GIBBEREN - is Vlaamsch voor lagchen; In het eng. is 'to gibber' snappen (v. Dale: brabbelen, snateren, kletsen).

 

giebergt

zelfstandig naamwoord

= 'gieber', meisje dat altijd de slappe lach heeft

Cees Robben Daor gao die Glse giebergt... (19851025)

Stadsnieuws - Ge zut drteg van die giebergte in de klas hbbe! - ... van die pubers (240110)

 

gieleke

werkwoord, zwak

vals spelen

-gieleke - gielekte - gegielekt

 

Giels

toponiem

Gilze

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- Giels

Interview Jolen - 1978 -  As we gre nr et vliege ginge kke, ginge we nr Gielsaachterdeur waarder zo. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

Gielsebaon
toponiem
Gilzerbaan
Cees Robben Heel op zn gemak dur de aauw Gielsebaon (19551119)
Cees Robben t Waoter van de Gielsebaon/ Is zonder reuk of smaok... (19580830) [Bedoeld is het pompstation van de Tilburgsche Waterleiding Maatschappij (Robbens werkgever) aan de Gilzerbaan, en afgebeeld op deze jubileumprent bij het 60-jarig bestaan.]
 

gielssje

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  Europese kanarie (Serinus canarius)

 

gieltjes, op

zelfstandig naamwoord - uitdrukking -

informeel, slonzig gekleed

GG kkt nie nr mn kleere, ik z mar op men gieltjes - let niet op mijn kleren, ik heb maar snel wat aangetrokken

 

Gielze-Rije

plaatsnaam

Gilze-Rijen

Interview met de heer De Kok (1978)  Daor bn ik nr toe gegaon. d was b Gielze-Rije! Gielze-Rije! () Booven op de trein zaate we, zo ginge we nr Gielze Rije toe! Mar we moese van Gielze-Rije nr et vliegveld ng en half uur lope! KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

giender

bijwoord

ginder, ginds

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- giender; gat hier n giender (bastaardvloek)

R.J. toen ik giender kwaam

Cees Robben Giender... waor d wegske kromt. (19590905)

Henk van Rijen - ws daor ginder wir gnde? - wat is daarginds weer aan de hand

A.P. de Bont -- giender bijw. - ginder, ginds

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - giender bw. - ginds

 

gienderwd, gunderwijd

bijwoord

ginds, ginder, daarginds

bns, bllie n gienderwd - Bij ons, bij jullie en ginds

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: an in aander taofel, giender wd(8), gaon zitte. - daar geannoteerd met: daar ginder.

- 'k Geniet dan 't gunderwijd gelegen/ gedaone goed... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Levenswaandel,  1932)

- "Wie weet w-t-ie ammaol hee meegemaokt giender wijd... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

- Cees Robben In den Haaikaant giender wd... (19590905)
versterking van ginder door wd= wijd, ver weg
- Cees Robben Daor gienderwd in zunnen hof... (19550129)
- Cees Robben Gienderwd.. daor gao die Glse giebergt... (19851025)

- Audio-opname 1978 -- n dan daor gienderwd die koeje n die vrze stonden ammel vaastgebonde (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013) KLIK HIER om het bestand te beluisteren

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n toen zn wij op de schtse, zn wij ng ojt oover et kenaol gereeje gienderwd nr den Biestenhoutakker toe toendertd n toen is d, is d durgetrokke gienderwd gelk nr Dongen op aonn van Tilburg aaf  kwaam et tt hier op de Lnshaajke, zak zgge Klik hier om dit bestand te beluisteren

- A.P. de Bont -- bijw. 'gienderwijd' - ginds (in de verte)

 

giens

bijwoord, ook bijvoeglijk naamwoord

Cees Robben Want in d giense hske geens../ Wier vruuger bier gebrouwen... (19560908)

Henk van Rijen --  ginds

 

giensgns, geensgns

bijwoord

Henk van Rijen --  op de heenweg

Henk van Rijen --  'H waar in-t giensgns al tne' - Hij was op de heenweg al doodop.

 

giereg

bijvoeglijk naamwoord

gierig

Cees Robben - giereg, vl, van den haawvaast ...;

korte ie

 

gierkiest

zelfstandig naamwoord

WBD gierbak (houten kist die geplaatst kan worden op een kar waarmee men gier naar het land brengt.)

tweemaal korte ie

 

giestere

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'giesteren'

gisteren

Cees Robben - Ik bn giestere oover ene kaajscheut gekltterd

Cees Robben - Hoe ist giestere verlope? Ik hb giestere ng en spraaj prsmoppe gezien

Henk van Rijen - As ge mn giestere gehuurd ht, hdde me naaw w te kommendeere.

mme kreege sondaags ok dikkels Soupe la giestr. In goei Tilbrgs: Soep van giestere. Meej dikke frmesllie. Die soep konde eete meej ene verkt. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

A.P. de Bont -- bijw. 'giesteren' - gisteren

 

giete

werkwoord, sterk

gieten

Dialectenqute 1876 - giete, hij goot, gegoote (OO luidt ietwat naar ou)

Dirk Boutkan 'Mene vriend is de bloeme gn begiete' - gaan gieten (blz. 94)

WBD III.4.4:64 'gieten' = regenen; ook 'sauzen'

WBD III.4.4:66 'gieten' = hard regenen

WBD III.4.4:68 'regenen dat het giet' = hard regenen

B giete - goot - gegoote

WBD III.4.4:218 'gieten' = gutsen, ook 'plenzen', 'spetten'

WBD III.4.4:72 'gieten' = aanhoudend regenen

WBD III.4.4:218 'gieten' = uitgieten, uitschenken

WejD giete (krt.9)

 

gieteling

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  merel (Turdus merula)

WBD III.4.1:81 'gieteling' = merel

 

gieveraans
samentrekking van ge & ieveraans
je ergens
Cees Robben as gieveraans gaot kke... (datum niet bekend
 

gif(t)

persoonsvorm

geef

Gif me ng en drpke

imperatief van 'geven', met vocaalkrimping - eveneens in tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers.

Cees Robben Gif mn mar de frutblaos vadder... (19550205)

DANS die krs gift en goej licht war

Henk van Rijen - gif is hrs - geef eens hier

Henk van Rijen - gifde niks mir om em om? - geef je niets meer om hem?

WBD III.1.4:229 'gift' = woede

 

gij, g, ge, e

persoonlijk voornaamwoord

jij, je, u (zie ook -e)

Cees Robben - md gt zt; vatte gij mar gaaw en kuukske;

- In een verwijt wordt 'gij' aan het slot herhaald: Gij ht not ginnen td gij!

Gij haawt alles vur oewge gij!

WvM 'daor sedde ghay gedopt'

 

gijlkp

zelfstandig naamwoord

WBD gistkuip (kuip waarin men de wort laat gisten, in een brouwerij)

WNT Gijl - brouwersterm voor 'gistend'

 

gillemestie

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  gymnastiek

 

Gils, Giels

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Gilze

 

gimmeljeerd

bijvoeglijk naamwoord

gemailleerd

...zn messien, mee veul nikkel en glaanzende tegels of gimmeljeerd gewitwel kwiezeljaer noemen ze die dinger. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

gimmer

bijwoord; samentrekking van 'geen meer'

We hmmer gimmer. - We hebben er geen meer.

 

gin, ginne

telwoord

'geen' met vocaalkrimping

Cees Robben - In de schnste stad van t laand/ kwaam... En mee gin lege haand/ Tntje...  [Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tntje van Zundert. De schonste stad van et laand is de volksnaam voor Tilburg.]  (19540213)

Cees Robben Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... (19641127)
Cees Robben Ge lpt er mee ginne riek deur... [van een degelijk kledingstuk; onverslijtbaar]
Cees Robben Heet-ie naa echt ginne gle-vref..? (19650507)
Cees Robben Mar t is toch ginne staand.. (19600826)
Cees Robben Isser d eene van t Gurke Tonia...? Nee hrre... dr wordt bij ons ginne Turk vermist... (19560303)
Cees Robben De kender hebben ginne rust (19650507)
Cees Robben As ge meej oewen remoei ginne raod wit... Dan zde nie werd deggem het... (19840420)
Cees Robben k Heb ginne aord meej deeze maantel.. (19680119)
Cees Robben Men kender wille toch wel elke week w nuus, Nel... En zelf hek nog ginne buuste-haauwer aon mn kont... (19860926)

Henk van Rijen - we hmmener gin mir / w, hmmener gin mir?

Henk van Rijen - ze hj er gin knd aon - ze had er geen kind aan

Henk van Rijen - ginne klaoren blom - geen zuivere koffie

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --  witte ginne waogemaoker.

WvM 'die hn we hier ghin'

 

gin man

voornaamwoord

niemand

variant: ginniemand

D gelft gin man. - Dat gelooft niemand.

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- Dan wit er gin man mir waor 't schaait

A.P. de Bont -- ge'mn (geen man) vnw. 'geenman' - geen mens, niemand

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEE(N) MAN - niemand

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GEEN MAN - geen mensch of niemand (man beteekent eigenlijk 'mensch')

 

gineens

bijwoord

niet eens

Agger nie op geweeze wrt,/ dan ziedem nog gineens. (Henritte Vunderink, De krkezker, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'ginins' bijwoord - niet eens

Bosch gineens - niet eens

 

gink

oude verleden tijd van 'gaon'

meestal opgetekend als 'gong'

het betreft niet de samentrekking van 'ging ik'

Interview Jolen - 1978 - d gink oover, j, den bond, war, de afdeeling van den bond n zo, war, d weet ik nget lon, h! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

ginnenene

niet een, geen enkele

...al w'k schrijf is vur ons eigen Brabantsche volk en daor hee ginneneene vremde sjandoedel z'n snotneus tusschen te steke. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 ginnenene 'mins' is vlmkt.

niets - geen enkel woord

Cees Robben Ze zeeter ginne eene ... (19651022)
Cees Robben Mar [hij] zitter ginne eene... (19661021)
Cees Robben Ze zitter ginne eene bij die gelegendigheid... (19680920)
Cees Robben Ge zegt er ginne eene... (19700827)
- Zi onze paa vruuger as we zaate te eeten al not veul, naa zittie der mistal hillemol ginnen ne mir. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- En ok hil deren tlaot laag erondert. Naa mokt heur d nie z veul t want ze heurt er tch ginnenene.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

niets - geen geld

Cees Robben Meense dieter ginne eene hebbe,.. hebben t aaltij over aander meense geld... (19850816)

 

ginnerallieteitslandje

zelfstandig naamwoord, verkleind

generaliteitslandje; de generaliteitslanden waren in de tijd van de Republiek landsdelen die geen stem in het landsbestuur hadden; onder andere Staats-Brabant; aan het woord kleeft in Zuid-Nederland de betekenis van uitbuiting door het Noorden.

Audioregistratie 1978 - Virtien Achtien! Toen krege wij ineens zo tacheteg Amsterdammers in de schuur n in de stal! nne d was ook en drukke n Daor koste al n zien d wij wd aachter liepe, die zuiderlinge, h! Want die [Amsterdammers] hn van alles! Rokwrek! Kwatta! J, wij zn hier aaltij zo mar et ginnerallieteitslandje gewist hor! Zgt d daor (tegen de interviewer, Jan Briefies, een 'Hollander') in Noord-Holland mar bij jllie! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

ginneraol

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord

generaal

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- ginneraole rippetitie

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- ginneraol

 

ginniemand

voornaamwoord

niemand

variant van 'gin man'

Cees Robben Ge zaagt er gin niemand (19590822)

Want in zene td in vruuger jaore/ kon em bekaant gin niemand aon. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: n Bartjes)

Taollied - 'daor hoefde ginniemand t te lgge ...

Bosch ginniemand - niemand

► geniemand

 

ginvanalle, gineenvanalle

voornaamwoord

geen van allen; niemand

... ons meenschen die gineenvanalle weten waoraon we 't verdiend hebben... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

gips

zelfstandig naamwoord

gips

Hij ha zenen rm in de gips.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - gips (krt.41)

 

gissele

werkwoord, zwak

geselen

Henk van Rijen - w hbbe ze dieje sneevel tch gegisseld - ... toch mishandeld

Buuk = geselen, overdrachtelijk: water bij de jenever doen.

 

gisselek

zelfstandig naamwoord: de geestelijkheid, de geestelijken; ook onzijdig: et gisselek

Hil't gisselek waar derbij. - Alle geestelijken waren present.

Cees Robben - Ik bn 'geestelijke' advieseur van jllieje gtenbnd gewrre.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as ge de gisteleke wilt eere, moete der nie mee verkeere (MP'86)

- De waardering daalt namelijk bij het constateren van hun gebreken.

- gesubstantiveerd adjectief

...de priester, pestoor of kapelaon, et zal wel enne gisseluke gewist zn, goot w waoter over menne krn... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Daor hebben hil w gisseleke wel un dagtaak aon gehad, denk ik naa. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Soms vertelde d gisseluk in die godsdienstlessen wel leuke verhaole.Gisseluk waar de naom die onze vadder gaaf aon alles w enne zwarte lange rok droeg en meej de kerk te maoke ha. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD (III.3.3:369) 'geestelijk (ook geselijk)' = priester

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEESTELIJK zelfstandig naamwoord o. - Het geestelijk - de geestelijkheid, de geestelijken.

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  'gistelek 't' zelfstandig naamwoord - de geestelijkheid

 

gist

zelfstandig naamwoord

geest

K&B in mene gist

R.J. 'die zie zwart as ene gist'

Dialectenqute 1876 - gist

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zene gist zien krne (MP'36) - ergens vreselijk tegenop zien

Cees Robben Bezeten dur den helsen gist (19660527)
Cees Robben Den tobber (...) gaaf al lang den gist... (19570313)
Cees Robben Heej jouw perd verstaand..? Verstaand, d weet ik nie.. Mar gist zit er in. (19800725)

Henk van Rijen - hij gaaf de gist - hij ging dood

WBD III.1.4:207 'geestig' = grappig

 

gist

zelfstandig naamwoord

gist

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - van gist tt kanelwaoter (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1972) - van het kastje naar de muur.

 

gjeemies

bijvoeglijk naamwoord

chemisch

die gjeemiese stffe wffer rtzoj dttet is [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

glaans

zelfstandig naamwoord

B glans

Cees Robben - t eksaome van t verkeer/ wier dan k mee glaans genomen... (19540717)

WBD III.2.3:163 'glans' = dauw (laagje op vruchten}

 

glaanze

werkwoord, zwak

WBD glaanze - glanzen, het leer aan de nerfkant glanzend maken (II 662), ook 'glaansstote' genoemd

WBD III.4.4:241 'glanzen' = blinken

 

glad

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

glad

geheel en al

WBD III.4.4:227 'glad' = vlak, ook 'effen', 'egaal', 'plat'

WBD III.4.4:210 'glad' = glad, ook 'gladdig' Ik z et glad vergeete. - Ik ben het helemaal vergeten.

Frans Verbunt -- zo glad as ne plling in nen emer snot

WBD III.1.4:27 'glad' = slim; 88 'glad' = leep, doortrapt

WNT GLAD - bijwoord van graad: als bepaling bij werkwoorden: geheel, volstrekt; ook: stellig. Glad vergeten = totaal vergeten.

Hoeufft: 'Ik heb het glad vergeeten' - geheel en al

ook glatteg

glad, gladdig

Henk van Rijen - wst tch gladdeg - wat is het toch glad!

WBD III.4.4:210 'gladdig' = glad

WNT GLADDIG - tamelijk glad; glibberig

 

gladdeghei

zelfstandig naamwoord

gladheid

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GELATTIGHEID zelfstandig naamwoord v. - zonder mrv. - gladheid

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - glattighd

Haor. GLADOIGHED - gladheid

 

gladkker

zelfstandig naamwoord 

gladakker

t Was me wel innen gladdekker den dien... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

glaoze

zelfstandig naamwoord, plur.

glazen

Dialectenqute 1876 - mok de gloaze is vol - vul de glazen

plur. van 'glas

 

glaoze

stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

glazen

R.J. 't 't glaozen drinkfonteintje'

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 gif ns vier glaoze bier

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'glaozende' bijvoeglijk naamwoord  - glazen

 

glaozeg

bijwoord

De Wijs  -- W kkt d menneke toch glaozig. (10-02-1963)

 

glaozewaaser

Frans Verbunt -- libel

Panken - 1850 - Snijders of kleermakers, noemt men hier meestal de koorn- of rombouten, ook puistenbijters genoemd, insecten, welke van vliegen en vliegende insecten leeft. In sommige streken onzer Provincie noemt men dezelve Glazenmakers of Schoenlappers, met welken naam ik dezelve ook hier wel eens heb hooren bestempelen. De Noord-Brabantsche Volks-Almanak van 1845, zegt daarvan o.a. in eene noot, bl. 12: "Men heeft zeer vele soorten van deze mooie diertjes, met uitmuntend heerlijke kleuren, vooral aan den rand van slooten en stilstaande poelen, voornamelijk onder de kleinere soort Juffertjes genaamd. In Vriesland geeft men ze den naam van wilde Hengsten, dit is wilde paarden." (Biemans, Johan (red., 2010): Kempensch taaleigen () verzameld en toegelicht door den Onderwijzer te Westerhoven P.N. Panken () Maart 1850.)
 

glas

zelfstandig naamwoord

- verkleinwoord glske
Dirk Boutkan (blz. 52) glaas of glas
WBD III.1.1:110 'glas' = glazuur (op tanden); ook 'email'

 

glas in ld sokke
zelfstandig naamwoord, meervoudsvorm (het enkelvoud komt niet voor)
glas-in-lood-kousen; dameskousen met een blokmotief; hippe kousen dan wel nylonkousen in de eerste helft van de jaren zestig
Cees Robben - ... Daor hedde ze wir... Meej dr glas in lod sokke... (19631213)
De Wijs  -- (Passeert 'n meisje met geruite kousen aan) Daor hedde ze wir mee dr glas in ldsokke (23-10-1963)

glassees

zelfstandig naamwoord, meervoudig

zachtleren vingerhandschoenen

van Frans: glac

 

glatteg, gladdeg

gladdig, tamelijk glad

Pierre van Beek -- et s is glatteg

WNT gladdig - tamelijk glad (Glattig - gladdig, glad, glibberig, DE BO)

A.P. de Bont -- bnw. 'glattig' - gladdig, glibberig, glad

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GLATTIG, GELATTIG - glad, glibberig

 

gleej

persoonsvorm

gleed

verleden tijd van 'glije'

 

glf

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  geloof

 

glpe

werkwoord, zwak

gluipen

WBD III.1.2:13 'gluipen' = sluipen; ook 'glippen'

WBD III.1.2:124 'gluipen'=verdacht rondlopen; ook: 'sluipen', 'struinen'

WBD III.1.4:92 'gluiper' = idem

 

glperd

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

gluiperd

Anoniem 1959

Mar de meulesteller was nie te genaoke,/ die liet zun eige nie vur gleupert en neetoor uitmaoke. (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)

► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

 

glije

werkwoord, sterk

glijden

WBD III.3.2:154 glije, slippere, slibbere = glijden op het ijs

WBD III:1.2:13 'glijden' = glijden, ook slipperen schuiven

B glije - gleej - gegleeje

 

glijer

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- step, autoped

Henk van Rijen --  'gljerke' - houten stepje

WBD (III.3.2:131) glijer, autopd, aveseerplngske, stp = step

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - glijer zelfstandig naamwoord  - step

 

glijermnneke

zelfstandig naamwoord; jongen op een step

't jungske glijert op zn stepke... (Piet Heerkens; uit: Brabant, Stokperdjes, 1941)

Glijermenneke

 

Menneken in oe overalleke,

volgelapt mee lepkes blauw,

'k veen oe op straot een lief gevalleke,

op oe glijerken aon de sjouw.

 

Tippetippetip zoo doet oe vuutje

ieder stepke geefde gij gas

en ze zien oe vurig snuutje

z nooit gloeien in de klas.

 

Soepel as waoterke schiete gij tussen

auto's fietsen en waogeltjes deur

en de zwaore loggere bussen

blijfde gij in et druk verkeer nog vr.

 

Lollige glijende gloeienden bengel,

ongelukskes krijgde gij nie

onder de vleugels van oewen engel

die oe zeker geeren zie.

 

Menneken in oe overalleke,

volgelapt mee lepkes blauw,

'k veen oe een lief en vief gevalleke

op oe glijerken aon de sjouw.

(Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, 1941)

glimkeever

zelfstandig naamwoord

glimworm

WBD III 4,2:174 lemma Mannelijke glimworm -
glimkever frequent in Tilburg
glimworm zeldzaam in Tilburg
 

glimme

werkwoord, sterk

glimmen

WBD III.4.4:241 'glimmen = blinken

Dirk Boutkan glimme - glm - geglmme

 

glimwrm

zelfstandig naamwoord

glimworm

WBD III 4,2:172 lemma Glimworm - De glimworm (Lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm.
glimpworm Middennoordbrabant
lichtworm frequent in Tilburg
dwaallicht Tilburg
pierworm Tilburg
pier Tilburg
WBD III 4,2:174 lemma Mannelijke glimworm -
glimkever frequent in Tilburg
glimworm zeldzaam in Tilburg
 

glienstere

werkwoord, zwak

glinsteren

glienstere - gliensterde - gegliensterd

 

gloejeg

bijvoeglijk naamwoord

PM gloeiend heet...

stookte den braand in de pijp mee 'n stukske gloeiig hout... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Stadsnieuws - Braand oewen mond nie, dieje kffie is ng gloejeg. (020907)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GLOEIIG - bijvoeglijk naamwoord  - gloeiend heet

A.P. de Bont -- bnw. en bijw. 'gloeiig' - gloeiend, brandend

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GLOEIENDIG, GELOEIENDIG, GLOEIIG - gloeiend

WNT GLOEIIG - verouderd: heet, warm

 

gloejend

gloejendeg bijvoeglijk naamwoord /bijwoord

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GLOEIENDIG, GELOEIENDIG, GLOEIIG, bvw.- gloeiend

HFT. GLOEIJENDIG, voor gloeiend. Schoon zelfs door vondel gebruikt, keurt Huydecoper het af.

 

gloorie

zelfstandig naamwoord

glorie

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - die gloorie heej moet pnt lije (JM'50) - wie mooi wil zijn, moet pijn 1ijden.

 

glske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

glaasje

Vat ng en glske.

Cornelissen ha den bijnaom van "Bitterkesboer", want hij waar groot van stuk en kos er veul aon van die glaoskes. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
Ze dronken mee d'r tween enkelde glaoskes in de veurkaomer... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Cees Robben vieze glaoskes vet van t roet... [namelijk de glaasjes met roet waardoorheen naar zonsverduistering wordt gekeken] (19540703)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - gauw fkes nr Fonske Illese (Elissen), gauw en glske bier drinke n dan wir in et febriek! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

glufke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen --  gleufje

 

Gd

zelfstandig naamwoord

God

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij stikt Gd de ogen t (Pierre van Beek -- TT69) - gelegd van iemand die ondanks dat hij het goed heeft, altijd klaagt

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nie van en 'Gd zeegent oe' bevrijd zn (JM'50; - een knappe dochter nog niet uitgehuwelijkt hebben

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zde van Gd verlaoten f hdde gin knpen n oew nderbroek? ('72) - ben je nou helemaal gek; reactie op onmogelijk verzoek

 

gddaank

goddank

Cees Robben - gddaank

 

gddoome

bastaardvloek

Tot dsse ineens van kaojeghd zeej:/ "Ik lig vur piet snt hier, Gddoome!" (Henritte Vunderink, Kaawe jatte, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Tis lke naacht etzlfde Gddoome! (Henritte Vunderink, Slaopeloosheid, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

gdsakkerdekont

bastaardvloek

Henk van Rijen --  bastaardvloek

 

gdsgaans

bijvoeglijk naamwoord

Frans Verbunt -- godgans

Frans Verbunt -- de gdsgaansen dag - de hele dag

 

gdvere

werkwoord, zwak

Frans Verbunt -- vloeken

WBD III.1.4:236 'godverren = opspelen

Stadsnieuws - Dieje meens is ngal vlgetld: hij lpt hil den dag te gdvere (081106)

 

gdvergrammer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  rotzak

 

goed

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  kledingstof, ellegoed, goederen

Henk van Rijen --  'Goed van vf cnt t-l ' - slechte kwaliteit stof

Henk van Rijen --  'Zo slcht as goed van unne cnt ut l'- iets v.d. minste kwaliteit

WBD III.1.3:5 'goed goed' = zondagse kleren

WBD III.1.3:6 'zomergoed' = zomerkleren; 'wintergoed' = winterkleren

 

goed, goej

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord

goed(e)

MP gez. Goeje praot kst niks en goeje raod is gld wrd.

MP gez. Et lfde gebd: Doe gin man goed, dan zal oe gin kwaod geschieje.

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'gij het goei praoten'

Pierre van Beek -- goej booter = roomboter

Henk van Rijen --  'Goej botter'

Pierre van Beek -- goed van inneeme - veel drinkend

Pierre van Beek -- goed van nneeme - lichtgelovig

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 die krs gift en goej licht war! de pestoor heej goeje wn

Henk van Rijen - te goeje koome - tegemoet komen (in zeker opzicht)

Henk van Rijen --  goej kaomer - pronkkamer, salon

GD94 hij is pas ten goeje wg - hij maar net weg

Hees goeie botter (IV60)

Frans Verbunt -- et is nie goed f et dugt nie - het is nooit goed

WBD III.3.1:249 'een goeie' - kwinkslag

WBD II.1.2:185 'nie goed' = zwak van gezondheid; onwel

WBD III.1.3:4 'goede kleren' = zondagse kleren

WBD III.1.3:5 'goed pak', 'goed goed' idem

WBD III.1.4:329 'goed' = gedwee

 

goedmaoke

werkwoord, zwak

WBD III.3.l:229 'goed maken', 'weer goed maken' = bijleggen

 

goe-ge
samentrekking
je jezelf
Cees Robben Hoe-goe-ge mot verschne... (19600116)
 

goej
zelfstandig naamwoord, onzijdig
alcoholische drank
Cees Robben Ze [twee vrienden] han saome gepesjonkeld/ En te veul van t goei gehad... (19620504)
 

goejeghd

zelfstandig naamwoord

goedheid

Cees Robben Ze deugde nie van goei-jig-hed (19740510)

WBD III.1.4:67 'goedig = braaf; 69 'goedig' = zachtzinnig

WBD III.1.4:330 'goedig' = gedwee

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GOETIGHEID zelfstandig naamwoord v. - goedheid

WNT GOEDIGHEID - goedheid, welwillendheid, vriendelijkheid

 

goejekop

bijvoeglijk naamwoord

goedkoop

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'goeikooper' (bis); 'goeiekooper' (passim);

Cees Robben - zolang de snijblmme ng zo goejekop zn;

A.P. de Bont -- bnw. en bijw. 'goeiekoop' - goedkoop

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GOEDEKOOP (uitspr.: goeiskoop) - goedkoop (goeiekooper = betere koop)

 

goejendag

zelfstandig naamwoord

goedendag, goeiendag

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - te lui zn m gen'dag te zgge ('66) - zeer lui zijn

 

goejkes

zelfstandig naamwoord  verkleinwoord

van: goed

De Wijs -- (Gehoord bij t trekken van de H. Hartstoet) des toch unne schne manskrel en ds un schn vrouwspersn. Ze doen dan toch mar mee, en dan die knder, t zn ammaol goeikes! (17-10-1966)

 

Goerle
toponiem
Goirle
alleen aangetroffen als detail in een prent van Cees Robben (19670609):

 

goesting

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.4:188 'goesting' = zin

WBD III.2.3:26 'goesting' = eetlust

 

goffere

werkwoord, zwak

Henk van Rijen --  de mond volproppen, snel eten

 

gol

persoonsvorm

Henk van Rijen --  gold (verleden tijd van gelden)

 

glde liesjes

zelfstandig naamwoord, meervoudig

Frans Verbunt -- golden delicious (merkterm voor de appels 'golden delicious')

 

glderij

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek -- troep, rommelzooi (verbastering van 'galanterie' (collectivum)?)

WS Is het geen verbastering van 'galerij', waarnaast een vorm met 'd' (gaanderij) gangbaar is? L treedt vaker in de plaats van N: hun/hullie.

 

gllie, gullie, vroeger ook gllie

persoonlijk voornaamwoord

jullie, gijlieden

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'en gellie toch ook!'; gellie (passim)

Dirk Boutkan (blz. 58) als onderwerp: gullie, anders: jullie

Dialectenqute 1876 - gllie kree wnig - gijlieden kreegt weinig

In een verwijt wordt 'gllie' aan het slot herhaald: Gllie wit not niks gllie! Gllie drft er nie in gllie!

Cees Robben lliede-gllie den llieje-k... (19560825) [Olin jullie die van jullie ook?]
Cees Robben Gllie komt pas kke... (19580705) [Merk op: het meervoudig gllie wordt gevolgd door het enkelvoudige komt]
Cees Robben Gllie doet zmar deur... (19640522)
Cees Robben Dan witte gllie t wel. (19670428)
Cees Robben Hoe witte gllie d..? (19871106)
Cees Robben Luste gllie sewle n tas koffie.. Ik neuk m aanders toch mar in den gtsteen.. (19720804)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 toen kwaamde gllie hier lk jaor nr de krmis

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 wij moete daor de hlft van hbbe n gullie (gllie= boers) daander.

Henk van Rijen - hdde gllie dllie ok bllie? - hebben jullie die van jullie ook bij je?

Henk van Rijen - zllie verdiene meer p llie, as gllie op hllie

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 66 maakt geen onderscheid tussen 'gllie' en 'gullie" maar plaatst T in de streek waar gullie gezegd wordt, tegenover 'gellie' juist ten oosten van T.

Bosch gllie, ook gullie

 

gllieje

werkwoord, zwak

Henk van Rijen --  gapen, kijken

WBD III.1.1:238 'gollin' = nieuwsgierig kijken; ook 'spitssmoelen'

 

glliepaop

zelfstandig naamwoord

sufferd

- Van Delft - De zoutleurder (zoutsmokkelaar) was "ginne gollipaop". Dit is: Geen sufferd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

- Cees Robben Kek uit oew soepers, golliepaop.... (19560211)

- Cees Robben Gollie-paop.. (19700612)

- Et wrt gelk et vruuger was:/ en gt wrt wir en gtje./ ene suffer hiet wir gaoliepaop/ en stuk wir lkker mdje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Lt zet mar heure)

- Van Beek - "'n Gaolliepaop" is een sufferd. Ook "ne louw". (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

- Van Beek - 'n "Golliepaop" is 'n sufferd. 'n "Taotolf" is ook zo iets. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

- Quinten - Zaagdum laauwe, dun golliepaoper ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Henk van Rijen - kkt t oe soepers, glliepaop.' - kijk uit je doppen, sufferd

- Piet van Beers De buurvrouw vertlt: Zo teege ene issie ths/ dieje grote Gaolipaop. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Van Tilborg - Hoe komde daor na wr bij, gaoliepoap d ge zt. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Vunderink - Ge zaagt ze n en tdje dnke:/ "Wnne glliepaop." (Henritte Vunderink; Et naojmesjien; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- WBD III.1.4:35 Hieronder is 'glliepaop' niet vermeld; ook elders niet.

- Stadsnieuws - W zde tch ene glliepaop, ziede d naa nie? (250307)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

- Bosch galleperd - gaperd, sufferd, deugniet, kwajongen

- Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - golliepaop - iem. die staat te suffen of erg onhandig is. Wordt voornamelijk gebruikt voor vrouwspersonen.

- Hees 'Witte nog?' 3: goalipoap blz. 15+19: herkomst onbekend

- May galliepaop - sympathieke vlegel

- Hees goalipoap III:15, 19, 22)

- A.P. de Bont -- galperd, hannes, sulachtig persoon, suffer, dromer z.a.

 

Brabants bier: Galliepaop.Menukaart van een Tilburgs caf in 2018.

 

glliepaope

werkwoord, zwak

onoplettend zijn

R verveeld (en zinloos) wachten

Stao toch nie te glliepaope

R Ik h en uur ston glliepaope, ir dttie kwaam.

Cees Robben - oew pt ts phaawe, nt as hier, glliepaop;

Alleen de infinitief is gangbaar, meestal vergezeld van 'staon' of 'zitte

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - Golliepaope - suffen, gapen

 

glp

zelfstandig naamwoord

gulp

R ds ginne knp vur n men glp;

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "gulp - 'n broek mee 'n gulp (vierkante voorsluiting van een broek), klepbroek"

 

Gols

bijvoeglijk naamwoord

van Goirle, Goirles

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de Golse Tilburger = Cees Robben (blz. 67)

Piet van Beers Priventief: Blf t de buurt van Gol vandaon,want daor loope Golse gte. (Het zeventiende boekje, 2010)

► Golse

 

Golse

zelfstandig naamwoord

iemand uit Goirle

Al is Tilburg en grote stad/ n Gol daorbij mar kln/ tch zo ik bist es aaventoe/ ene Glse wille zn. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gol is wir veur...)

 

goltje

zelfstandig naamwoord, dim

Henk van Rijen --  doelpunt, doel; gaol

 

gom

zelfstandig naamwoord

stijfgeworden sap uit steenvruchten, ook snot of slm genoemd

 

gmme

persoonsvorm met voornaamwoord

gaan we

Ast td is, gmme.

Cees Robben - saome gmme et nuuwe jaor in: dod gmme amml

Henk van Rijen - gmme f zumme ng blve?

Versmelting van ww-uitgang(n) met persoonlijk voornaamwoord  (w) levert m op.

 

gn

werkwoord, sterk

gaan

Dirk Boutkan (blz. 23) gn (tegenwoordige tijd pluralis) - = gaon, met vocaalkrimping

 

gnde, gaonde

tegenwoordig deelwoord van 'gaon'

gaande

Cees Robben - Ws hier naa wir 'gaonde'? W is er tch gnde?

Cees Robben - daor is niks 'gaonde';

 

gong

persoonsvorm van werkwoord gaan, verouderde verleden tijd

ging

- R.J. die nt vrze maoke gng

- Henk van Rijen --  ginke, gonke - gingen

imperfectum enkelv. van 'gaon'; meervoud + -e

- Geen vocaal krimping! maar wisseling

- Cees Robben Ik gong om raod... (19651231)
- Cees Robben Mar t spel gong deur.. (19710102)

- Audioregistratie 1978 --  Mar dgs ndderaand moes de klne ngegeeve wrre bij de geminte, moeste en getge hbbe, war, mar die koste toen al ene vatte van de straot, die zeej Jan, kom fkes meej getge zn, mar ge had mist d de buurman meej gong (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- Audioregistratie 1978 -- Mar die om hallef twaalf nr de krk moese, war, waare die kleere van die alwir vulste grot n die schoene vulste grot want die om hallef twaalf nr de krk gonge, die schoene waare vul te grot, die klapperde daor oover die kaaje van die grote wg heene, dsse van de vrte omkeke, daor koome die zoone (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- Hij gong unne nuuwe vlieger maoke/ Mee latjes, hevel en veul gepaas Uit: Den blaawslot, Ad van den Boom, circa 2005.

- As smiddaags de fubrieksflit gong/ Stond ut eete op de toffel klaor Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GONG en GONK: 2e hoofdvorm van 'gaan'; daarnaast ook: ging en gink

►gaon ►gonk

 

gongterop
samentrekking
ging het erop; toen werd er gevochten
Cees Robben En van t een wrd kwamet taander, .. en toen gongterop... (19720825)
 

gonk
oude verleden tijd van gaon; ook ►gong
ging
Cees Robben Ik zeej saluu.. en gonk naor huis (19600708)
Cees Robben Ons Siska gonk drie keer van dren sus... (19860620)
Cees Robben Ze gonk te veld... (19600219)
Cees Robben [Ze] vergonken in dr ongeluk... (19600304)
 

Gonneke
eigennaam, verkleind uit Gon, van Aldegonda (heiligenkalender: 30 januari)
Cees Robben Gonneke (19671110)

Cees Robben [Moeder roept kind:] Gonneke.. Gon.. Gonda... heurde-me-nie dve kwartel... (19680621)  - Robben heeft bewust de naam Gonda gebruikt: de heilige Aldegonda van Maubeuge gold voornamelijk als geneesheilige tegen kanker maar zij werd ook aangeroepen ter genezing of voorkoming van doofheid. (Jo Claes e.a., Geneesheiligen in de Lage landen; 2005.)

 

gns

tegenwoordig deelwoord van gaon.

gaande

R van gns - op de heenreis, heenweg

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GAANS - gaande: Wat is daar gaans?

 

goje

werkwoord, zwak

gooien

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij ha zveul as ge meej bei oew haande in oew gat kunt goje (D'16) - hij had dus niets; de kunstgreep levert niets op

WBD goje (II:1038) - gooien: inschieten v.d. weefspoel; ook: inschiete, schiete, inslaon, durslaon of slaon

 

Gol

zelfstandig naamwoord, plaatsnaam, toponiem

Goirle

gez. Gol, dr kmt ng gin goej gt vendaon!

MP gez. Hij kmt van Gol n wit van niks. (Zie bijwoordVS II,112)

Cees Robben W issetter goed... in Gol.. (19561006) [Prent ter gelegenheid van Robbens verhuizing van Tilburg naar Goirle]
Cees Robben De driede parochie van Gl... (19660527)
Cees Robben Witte gij waor Gl leej, bruur.. (19710212)


Detail uit Cees Robben - Prent van de week 26-2-1960

 

Der komt ng gin goei gt vandaan/ wort in de stad gezeej,/ mar agge Gol es goed bekkt/ valt d tch hel veul mee. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin aaw zer)

Dan moette en zondag is gn kke/ Bij Mill-Hill, giender in Gol. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op Gol aon)

....ok al komt ie dan van Gol aaf/ ik mn dttie bij Tilburg heurt. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vfntwintig jaor: De prnt van Keese)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de wnd van Gol dugt nie ('76)

De gte van Gol, f de Golse gte? (Henritte Vunderink, Q-korts, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WvM 'bay os in Ghool'

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  'Gl' eigen. Goirle

 

Glse
bijvoeglijk naamwoord
uit Goirle
Cees Robben - ...Ds un zoft Gls brieske... (19570631)
Cees Robben Die Glse bloei... (19570704)
Cees Robben Vol Glse krolse kuren... (19610929)
►Golse

 

Glse vringpr
zelfstandig naamwoord
de etymologie is niet duidelijk; waarschijnlijk geen soort peer maar een verwijzing naar dwarsliggers in Goirle
Cees Robben Ik heb mlpre, suikerpre, juutepre en klapse... en dan hek nog Glse vringpre, mar die zen enkelt goed vur de stoof... (19850927)
 

goot

zelfstandig naamwoord (v)

R keuken

WBD bijkeuken (op de boerderij), ook 'moos' (hs K183), washs'of 'aachterhs' genoemd.

WBD (Hasselts) goowt - vuilwatergoot (voor vuil water van keuken en elders, ook genoemd 'moozegoot'

N. Daamen (handschrift 1916) "goot - achterkeuken"

Cees Robben Op de goot stao enkelt de waas te wosseme... (19791012)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - GEUT voor 'goot', een vertrekje aan de boerenhuizen, alwaar het morswerk wordt verricht. Een vatenhok. Wsch. omdat in dat vertrek doorgaans ene goot is die het water ... naar buiten brengt. Men zegt niet IN, maar OP de geut zijn.

 

got

persoonsvorm

goot

-verleden tijd van giete

 

gpt(e)

persoonsvorm

gaapt(e)

tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'gaope', met vocaalkrimping

 

grdn

zelfstandig naamwoord

gordijn

►gerdn

Wij sliepen meej zen allemolle op enne grote zolder meej un gordn in et midden. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

grder, grst

bijvoeglijk naamwoord

gaarder, gaarst

vergrotende en overtrefende trap van 'gaor', met vocaalkrimping

 

grdewikt

tussenwerpsel

N. Daamen - Handschrift 1916 - "gordewikt! 'n uitroep - wel verduld!"

 

grdie
bastaardvloek
de verbastering is onduidelijk; betekenis is zoveel als goeiendag..!

Verkorting van 'grdewikt' ?
Cees Robben Gordie, w heej Merieke n grte spie... (19801205)
 

grgel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  keel

 

gsjemijne

bastaardvloek

"Gosjemijne, m'nen kop draait as 'nen mallemeulen"... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)

 

gsjemsje

bastaardvloek

KAREL. Gosjemosje wen wreldje war! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

KAREL. Gosjemosje j! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

 

gssie-nkke
bastaardvloek

'gssie' = verkleind en verbasterd uit 'God'; 'nkke' is waarschijnlijk uit 'nog aan toe'
Cees Robben (19870515)
Ed Schilders - gekend als 'gssienkkie' (Hasselt, 1960)

 

gtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

gaatje

- verkleinwoord van 'gat', via 'gaote' naar 'gtje'

Dirk Boutkan gtje, gtje (zeer klein) (blz. 32)

R.J. 'die kkt nr oew krtjes en knipt ze vol gtjes'

Cees Robben - 'Ik kan d gatvergimmes gaotje nie vne'

Dialectenqute 1876 - gotje

WBD gtjes (II:1035) - gaatjes (spoelgaatjes); ook: spangatjes, spangtjes, gtjes

Cees Robben - 'om de gaotjes aon te vullen'

 

gtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

R.J. 'meej allemaol gutjes erdeur'

gaatje (kleiner dan 'gtje')

Dirk Boutkan gtje (zeer klein); daarnaast; gtje (blz. 32)

 

gtjestang

zelfstandig naamwoord

WBD gaatjestang: een tang om rijggaten in schoenen te maken (II:725)

 

gotsten, gutsten

zelfstandig naamwoord

synoniem: pompsteen

gootsteen

Waoter moeste meej enne zwengel neffen de gotstn omhog pompen, deur dieje zwengel omhog en naor beneje te bewegen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Boove de gotstn kundoe ge toch nie fetsoenlek waase. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

goudgle  rakker

zelftandig naamwoord

pils, pilsje

- Ik zeg; 'Zo', zg ik, 'Ik z wl ene goudgle rakker meej 'n witschmende kraog lusse.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

goudkeever

zelfstandig naamwoord

gouden loopkever

WBD III 4,2:178 lemma Gouden loopkever - De gouden loopkever (Carabus auratus) is een glanzend groene, slanke kever van 25 mm die snel kan lopen. Hij leeft in velden en tuinen en eet insecten en wormen. De benamingen uit dit lemma kunnen een enkele keer ook de gouden tor gelden. De gouden tor (Cetonia aurata), 18 mm, is een groenzwarte kever met een geelgouden glans op de dekschilden die bij het vliegen gesloten blijven.
goudkever Tilburg
junikever Tilburg


Carabus auratus - Wikipedia

Cetonia auratus

 

goudvink

zelfstandig naamwoord

goudvink

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tis mis meej de goudvink: ze zingt nie (D'16) - Het meisje waarmee de vrijer wilde trouwen, bleek minder te bezitten dan hij verwachtte.

 

gouwe, gaawe

bijvoeglijk naamwoord

gouden

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'die gouw Brlft'; 'ne gouwen lzzie

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den gouwen bult (Bern. Pessers) (blz. 61)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de gouwen aop = E. van Spaendonck (blz. 73)

 

graas

zelfstandig naamwoord

gras

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 -- 'kh hier graas gezaojd'

WBD I:1396: 'gras', 'graas'

A.P. de Bont -- gra.s zelfstandig naamwoord o. 'graas' - gras

 

graawe

zelfstandig naamwoord, werkwoord

Henk van Rijen --  misser bij het boogschieten

WBD III.3.1:299 'grauwen' = snauwen

WBD III.2.1:480 'grauwen' = grommen v.e. hond, ook: brommen, grommen

 

graawel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  gruwel

 

graawke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Ill.: Naumann - heggenmus

Luister naar het geluid van de heggemus

 

MTW heggemus (Prunelle modularis)

Cees Robben - ...meej grouwkes... (19600708)

WBD III.4.1:73 'grauwke' c.q. 'blauwke' c.q. 'hegmus' ook 'blauwpieper' of 'blauwpiepertje'

WBD III.4.1:78 'grauwke' - grauwe vliegenvanger (vogel), ook genoemd: 'weverke', 'spinnerik', muggensnapper'

 

grande sinjeuren
zelfstandig naamwoord, meervoud
dikke, grote sigaren
Cees Robben Zijn grande sinjeuren die geuren (19820917)
 

Gratje, Graod, Graotje, Grtje, Graortje

zelfstandig naamwoord eigennaam

Gerard

Cees Robben (19870619)
Cees Robben In de wei van Graotje Govers... (19611201)
Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'Gratje' zelfstandig naamwoord e. - Graad, Gerard

 

graon, grntje

zelfstandig naamwoord

graan

R.J. 'moeder bakt van graon'

Cees Robben - rpend graon

 

Graortje

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Gerardje

►Gratje

 

graot, grtje

zelfstandig naamwoord

graat

in vis

Hattie ons vrijdags kunnen trakteren op un voorntje baorske of forelleke bij de rpel. Han wij kunnen kankeren op de grtjes. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.4.2:137 'graat' - honingraat, ook 'raat' genoemd

ruggegraat

Cees Robben Ons oma viel van dr stkske en dn opa van zunne graot... (19860620) [flauwvallen]

 

graove

werkwoord, sterk

graven

B graove - groef - gegraove

- geen vocaalkrimping

Der waar gin gat gegraove, de grond waar te hard bevroore gewist. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD III.4.2:68 'graven' - graven v.e. pijp in de grond door konijnen; ook genoemd: 'dabben', 'buten', 'wroeten', 'een hol maken'

WBD III.1.2:73 'graven' = een kuil graven; ook: 'spaden'

 

graoze

werkwoord, zwak

grazen

graoze - graosde - gegraosd (geen vocaalkrimping)

 

gras

zelfstandig naamwoord

gras

Pierre van Beek "Hij ziet het gras aon de verkeerde kaant groeien." Een dode op het kerkhof "kijkt" immers aan de onderkant tegen de graszoden aan. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - alle gras is gin hoojgras (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1973) - niet iedere zoon brengt het even ver als zijn vader

WBD I:1396 'gras', 'grs'

 

greeg

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:27 'greeg' = hongerig, ook 'gretig'

 

grep

persoonsvorm

greep

verleden tijd van grpe

 

grpe

werkwoord, sterk

grijpen

Dirk Boutkan grpe - grep - gegreepe

 

grs

bijvoeglijk naamwoord

grijs

gez. Beeter grs as ks - Beter grijze haren dan geen haren.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - beeter grs as ks (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1971) - beter grijs dan kaas: reactie op de opmerking 'Wat word je grijs'

 

grze

zelfstandig naamwoord

hoofd met grijze haren; spottend bedoeld

Pierre van Beek -- ooveral meej zene grzen b zn - bemoeizuchtig zijn, zich niets laten ontgaan.

Henk van Rijen --  'H zit ooveral meej zunne grze tusse' - Hij bemoeit zich overal mee.

werkwoord

Henk van Rijen --  grijzen, grijs worden; grijs

WBD III.1.4:204 'grijzen' = grijnzen

WBD III.1.4:265 'grijzen' = mokken

WBD III.1.4:251 'grijnzen' = huilen

WBD III.1.4:252 'grijnzen' = drenzen

WBD III.1.4:270 'grijnzen' = een lelijk gezicht trekken

 

grnsjaoge

werkwoord, zwak

Frans Verbunt -- jongensspel, soort gevangertje

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - grnsjaoge ww - grensjagen: jongensspel

 

grpt
tegenwoordige tijd van sterk werkwoord grpe
grijpt
Cees Robben t grept oe (19610915)
 

grs

zelfstandig naamwoord

gruis, sintels

R.J. nder stf n grs

WBD III.2.1:257 'gruis' = kolengruis

 

gribbel de grabbel

uitdrukking

te grabbel

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "iets te gribbel de grabbel gooien"

Cees Robben alles is te gribbel-de-grabbel gegooid... en hil de mieter onverdoens verdaon... (19650205)

 

griebel

zelfstandig naamwoord

kriebel

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de griebels oover de grabbels kreege (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1969) - herhaalde rillingen over de rug krijgen bij verwachting van sneeuw

 

griep

zelfstandig naamwoord; de ziekte

onzijdig!

Interview Jolen - 1978 - Tis te hoope dk goed gezond blf! Alloewl, alloewl dk zo vr wg z gewistdk wl vr wg z gewist!  D wast griep, zin ze danet griepet griep!! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

griesel

zelfstandig naamwoord

griezel

Henk van Rijen --  tuinhark

GG gruis, fijn verdeeld materiaal of patroon; tuinhark

WBD III.4.4:206 'vergriezelen' = verpulveren

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - griesel zelfstandig naamwoord  - tuinhark

 

grieze

Werkwoord, zwak

Griezen

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - Komt hersop, in 't huukske; griest en lutske, t is dondekaoters kaauw. Daar geannoteerd met: Griezen, vuur op de plaat doen om de voeten te warmen; dit geschiedt met beetjes, met griezeltjes. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: vuur op den haard uitspreiden om zich de voeten te warmen.

- De Bont 2 harken.

- Zie onder griesel.

 

griezelemnte

zelfstandig naamwoord, meervoudig

Henk van Rijen --  gruzelementen, scherven, stukken

 

griffelmeerd

bijvoeglijk naamwoord

gereformeerd

Vruuger dilde daor innen pastoor de laokens uit, naa is ie [de kerk] griffelmeerd... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

Grint, de

toponiem

Audioregistratie 1978 - Daor langs de Lonsewg, langs de Grint, h, daor moete eigelek ng fondeeringe ligge! Ok van ene meule die daor ot gestaon heej! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

grippel

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek -- slootje, sleuf, greppel

CiT (85) 'Kunde gij stieks over die grib?'

Schm. GRIPPE, v. in Wvl. 't zelfde als elders: grep, greppe, greppel, breb, groeb, groef, groep, goot, riool, zeppe, zode.

Kil. GRIPPE / gruppe - groeve, Sulcus (= greppel, geul)

WNT GREPPEL, grippel, gruppel

 

grit
zelfstandig naamwoord
voer voor kippen; eigenlijk fijngemalen schelpen; bij kippen meestal de eierschalen
Cees Robben Gin haover mas of grit... (19670922)
kuil (?), greppel (?)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En die weejseejs, die waaren er toen ng gin. En dan wieren er en paor van die paolen in de grond gezt n daor laag zonnen ballek laag ooverheene n as gij behoefte moest doen dan koste gij meej oew blote reet op zonnen ballek gn zitte, dan viel d aachter oewe rug, viel d in zonne grit neer! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

groeje

werkwoord, zwak

groeien

't [is] on 't groeien gegaon as spurrie. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

De Wijs --  (Gehoord van een volkstuinder:) munne rooie kl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zn nog nie bekwaom (17-08-1964)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der mar teegenn gegroejd zn (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 197l) - er maar tegenaan gegroeid zijn: er niet voor de volle 100% bijhoren.

WBD III.1.1:8 'nie groeien' = slecht groeien

WBD III.4.4:10 'groeien' = betrekken (v.d. lucht)

WBD III.4.4:14 'groeiende lucht' = lucht die onweer en regen voorspelt

WBD III.4.4:15 'de lucht groeit' = lucht die onweer en regen voorspelt

Dirk Boutkan (blz. 24) 'grujs' = groeje (geen umlaut wegens volgende j)

 

groesros
Zelfstandig naamwoord
Samenstelling uit groes (gras) + rs (weide, weiland). Ook landbouwgrond.
- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): patrasen, die op den groesros zijn gewassen.
 

grf, grffer, grfst

bijvoeglijk naamwoord

grof

WBD grffe koej - stukkige koe (forsgebouwde), ook 'zwaore' of 'stugge' koej genoemd.

WBD grf - gezegd v.e. paard met zware poten

WBD grffe krn - met gaten in de kruin (gezegd van brood)

WBD 'grvve krookoo' - grove kroko (soort leer) (II 663)

A.P. de Bont -- grof, bnw - grof; 't Is grof! - 't Is bar

 

grommes

zelfstandig naamwoord meervoud

gemopper, standje(s)

uitdrukking -  grommes krge - een standje krijgen

Piet van Beers Den haon sprikt: W we krge, d is grommes"/ En nog staank vur daank erbij. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers Dippiedoe: En strak dan kr'k wir grommes van ons moe. (Het zeventiende boekje, 2010)

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 'grmmes' zelfstandig naamwoord  - een standje

Haor GROMMES - gemopper

 

grond

zelfstandig naamwoord

grond, aarde

Van Beek - En uit boerentaal herinner ik me "Grond vervliegt niet" om uit te drukken, dat men beter een stuk land kan hebben, dan geldswaardige papieren, die aan schommelingen onderhevig zijn. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

GG ds daor goeje grond - het is daar vruchtbaar (ook overdr.: een gezin met veel kinderen)

GG hij heej nie meer grond as d wt onder zen naogels zit

 

grondzuuker
zelfstandig naamwoord; soort meikever
Cees Robben - We han capecientjes en bekkerkes... en grondzuukers (19570525)
 

grntje

zelfstandig naamwoord, verkleind

Henk van Rijen --  graantje

 

grot, grotter, grotst

bijvoeglijk naamwoord

groot

Van Delft - "Ik heb 't er niet groot op": Ik ben er niet op gesteld. Of: Ik ben er bang voor. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Cees Robben - as ik groot bn war; en groot hshaawe;

Cees Robben - p en grot kerwaaj; et moet en grot fist wrre;

Cees Robben - ds dan mtrnt zo grot; z grot as ene riksdlder;

Cees Robben - ik z fn grotgebrcht; wie krgt laoter den grtsten kron?

Cees Robben - die heej de grtste kp;

Cees Robben - 'snert lust-ie as unne grote'

Henk van Rijen - aander meense knder zn aatij gaawer grot

Frans Verbunt -- grote lut - grote meid

Frans Verbunt -- zo grot as mrege den helen dag

 

grote
zelfstandig naamwoord, meervoud van grote
de groten, de volwassenen
Cees Robben t Ballet lokt de grten... (19580524)
 

grp

zelfstandig naamwoord

greep, letterlijker dan handvol, alleen m.b.t. wat werkelijk gegrepen kan worden

en: grp = snuupkes

Pierre van Beek -- Destijds verkocht een groenteboer de peulerwten 'meej de grp', d.w.z. per handvol

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "grop - een handvol"

WBD III.4.4:266 'grobje' = kleine hoeveelheid

WBD III.4.4:277 'grob' = handvol, ook 'handje' en greep'

WNT GROBBELEN = grabbelen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - grob - zoveel men met de hand kan pakken; mnl. 'grobbe' = vrek

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GROP v. (van 'grijpen') een handvol; in tegenstelling tot 'haffel' alleen gezegd van iets wat werkelijk in de hand genomen wordt: 'n grop ding;

A.P. de Bont -- grop, zelfstandig naamwoord vr. 'grob'- zoveel men met de hand kan grijpen, handvol.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GROB zelfstandig naamwoord v. greep, zoveel als men met de hand kan grijpen.

 

Grtje, Graod

zelfstandig naamwoord, eigennaam

ook: Graordje?

Gerardje

Henk van Rijen --  Grrtje, Grtje - roepnaam voor Gerard

 

grtje

zelfstandig naamwoord, verkleind

(vis)graatje

WBD III.4.2:74 - 'graatje' -graat, ook 'spijl' genoemd

 

grotseg, grots, gruts

bijvoeglijk naamwoord

trots, fier, verwaand, hoogmoedig

R.J. 'vremd van grotsighei'

R.J. 'de meskes van Gol die zen schon en nie' grts'

Henk van Rijen --  'grots, grotseg'

Schn meske mee oe gruts gedaacht'... (Lauran Toorians; Blauwke; CuBra; 200?)

n ds dus ok nie iets/ om naa zo grotseg op te gaon. (Henritte Vunderink; Tilbrg; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD III.1.4:167 'groots' = deftig; 168 'grots' = trots

WNT: grootschig, dialectisch 'groozig'. Van grootsch met -ig. 1) verheven, edel, nobel; 2) trotsch, fier; hoovaardig, hoogmoedig, hooghartig, laatdunkend

Hees grtsig (IV:37)

 

grotseghei

zelfstandig naamwoord

verwaandheid, trots, hoogmoed

R.J. 'vremd van grotsighei'; 'grootsighei'

WBD III.1.4:169 'grootsigheid' = trots (subst.)

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord vr. 'greutsigheid' - grootsigheid, grootdoenerij, hoogmoed.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GROOTS(CH)IGHEID(Kemp.: grtssghd) zelfstandig naamwoord v. - grootschheid, trotsheid.

WNT GROOTSCHIGHEID - heerlijkheid, verhevenheid; hoogmoed, hoovaardij

 

grotst

bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap van grot

grootst

Henk van Rijen - den grotsten braand is eraaf - de felheid/drift is eraf

Cees Robben - die heej de grotste kp

Frans Verbunt -- as de grotste de biste waare, kosse we ze gelk knne

Dirk Boutkan (blz. 35) grotst (van 'groot' met vocaalreductie)

 

grotte

zelfstandig naamwoord

grootte

Audioregistratie 1978 -- Dan hadde vruuger ene grote kaaj meej zere blle van die grotte, war, n daor deej llek die meej di ene snt. Op dieje kaaj! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

WBD III.4.4:196 'grootte' = uitgestrektheid

Dirk Boutkan (blz. 34) grotte (met vocaalkrimping)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GROOTTE (Kemp. grtte, Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  ook grutte) - grootte

 

grotter

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap van grot

groter

ge zt nie grtter as mn

Henk van Rijen - zoo wrret kalf grtter as de koej - de kosten worden zo groter dan de koe

WBD III.1.1:8 grtter wrre = groeien

Dirk Boutkan (29) kwantitatieve mutatie: groot - grotter (35) met vocaalreductie.

 

grouwe

Zelfstandig naamwoord

Schemering, ochtend- of avondschemering

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): doe ge t mergen op staoi zoo tegen den grauwen.

- De Bont - bnw. grouw, grauw; bij het aanbreken van de dag of bij het vallen van de avond.

- Brabantius - grouwen, znw. m. schemering.

 

 

grouwelek

bijvoeglijk namwoord

gruwelijk

...'nen grouwelijken roofridder... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
...waar ik z grouwelijk t laand aon heb... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

grzzie

zelfstandig naamwoord

garage

- Ferry van de Zaande: De Grozzie van Men Buurvrouw (Derin, Deruit) (2014)

- Dus naa hb ik ondertusse z zuutjesaon men ge sportschool opgezet bij mn ths in de grzzie  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

gruitere

werkwoord, zwak

Pierre van Beek -- heen-en-weer wandelen van de winkel van De Gruyter aan de Markt naar die op de Heuvel, v.v., de pantoffelparade in de Heuvelstraat.

(Tilburgse Taaklplastiek 116) Later sprak men van 'een Heuvelstraatje pikken' of van 'mskesmrt'

 

Het pand van De Gruyter op de hoek met de Heuvel - foto: Regionaal Archief Tilburg

Elie van Schilt - Ons scharrelterrein om ut zo mar te noemen was "De Heuvelstraot". Aon de kaant van dun Heuvel op dun hoek tegenover de Hema laag toen unne winkel van De Gruyter, on dun aandere kaant van de Heuvelstraot, dus aon de kaant van de mert [Oude Markt], laag ok unne winkel van De Gruyter, en dees stuk van de straot was de plek waor wij 's zaterdags en 's zondags liepen te lopen om naor de medjes te kken en de medjes keken naor ons natuurlijk, want die kwamen ok naor de Heuvelstraot om unne vrijer op te doen.

Soms moeste wel unne keer of zis op en neer van De Gruyter naor De Gruyter vur ge iets gevonden had waor ut mee klikte. We hadden toen nie van die draogdingen waor muziek uit kwaam, wij zongen er zelf wel un liedje bij. (...)

Dikwels was ut medje opgedaon bij ut lpen van De Gruyter naor De Gruyter mar vur ene aovond, mar ik ken er ok zat die zen er inmiddels onderhaand veftig jaor mee getrouwd. (Uit: Van de Gruyter nao de Gruyter; CuBra ca. 2000)

Dossier gruitere

 

grutje

zelfstandig naamwoord

1. meestal de oma, grootmoeder, het grootje

Pierre van Beek -- grut - grote grootmoeder, b.v. 'nze grut'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- grutmoeder

Cees Robben Ons grutje (19601118)

Dialectenqute 1876 - grutje - grootmoedertje

WBD III.2.2:62 'grootje' = grootmoeder, ook 'opoe'

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - grutje zelfstandig naamwoord  - grootje ('grootmoeder' wordt alleen in het sprookje van Roodkapje gebruikt)

2. soms ook meervoudig: de grootouders, zonder geslachtsonderscheid

och, en et wieren zoo'n pronte grutjes!  (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Van Kees en Kee, 1941)

 

gruts, grotseg, grots

bijvoeglijk naamwoord

trots, aanstellerig fier

"Heelheuvel" stond er mee groote letters boven te lezen; de Baozeleers gingen gin klein bietje gruts op dien grutsen naom. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...en onze Vadder was gruts op mn... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Hij is er vuste invoudig en te weinig gruts veur. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Daar hoeft ie niet groots op te zijn. - Zich niet op laten voorstaan, trots. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- GROOTS (gruts) bijvoeglijk naamwoord  - op tamelijk kinderlijke manier trots

A.P. de Bont -- bnw. groots, trots, ijdel, hovaardig (bijz. op kleren)

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  gruts bijvoeglijk naamwoord  - ijdel, trots

Bosch gruts - trots

 

grutmoejer

zelfstandig naamwoord

grootmoeder

"Och, grutmoeder," zee de jonge boerin... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

grutvadder, grutvaojer

zelfstandig naamwoord

grootvader

uitdrukking -  nze grutvadder - de gemeente, het armbestuur

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Stien Ollie! Ds de grutvadder van mn irst, mn twidde vrouw! Hahahahahahaha! Die wonde vruuger op Broekhoove n deeze kaant Bosmanne.  (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Van Beek - Een andere vernederende belediging klonk uit de woorden: "Ik heb nooit 'n pekske van Grutvadder gehad lek gij". Het feest der eerste H. Communie was vroeger voor de kinderen een echte hoogtijdag. En de ouders wedijverden vaak om hun communiecantje dan het mooist gekleed in de ingetogen kinderrij door de kerk en over de straat te zien gaan. Zelfs de armsten moesten op die dag een nieuw costuumpje aan hebben, zodat voor die gelegenheid het Armbestuur menigmaal bijsprong. Met "Grutvadder" werd euphemistisch het Armbestuur aangeduid. Zodoende wordt de uitdrukking duidelijk. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)
Van Delft - "Ik gao naor onze grutvadder." Dit is: Naar het Burgerlijk Armbestuur. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)
Van Delft - "Vruuger zaten ze naacht en daag in de bosschen van onzen grutvadder." Dit is: Vroeger gingen ze dag op dag sprokkelen in de gemeentebosschen. Het sprokkelen en door de bosschen zwerven is voor sommige Tilburgers van behoeftigen komaf een soort levensbehoefte geweest. Vandaar mogelijk de geijkte Tilburgsche uitdrukking, die kort als parlementaire taal in de raadzaal gebezigd werd: "Hij liegt als een houtraper." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

Zelfs 't aaw grutvadderke Stokkermans moes 'n kaortje hebben. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

Pierre van Beek -- Wl weten we, dat het houtrapen of houtsprokkelen door de arme bevolking in Tilburg vroeger mr beoefend werd dan thans. Men ging daartoe naar "de bossen van onze grutvadder", waarmede de gemeentebossen bedoeld werden. De uitdrukking van "onze grutvadder" voor de gemeente werd trouwens nog meer gebruikt. Zo sprak men ook van "nor onze grutvadder gaon" als men bedoelde bij het Burgerlijke Armbestuur te gaan aankloppen. . (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)
Pierre van Beek Tot het specifiek Tilburgs behoort zeker: "In grutvadders bos is hout genog!", dat in waarde overeenkomt met het beschaafd Nederlands: "'t Is goed riemen snijden van andermans leer." Zoals wij hier vroeger reeds mededeelden, werden in Tilburg de gemeentebossen aangeduid met "de bossen van onze grutvadder". De armere ingezetenen plachten hier hout te gaan sprokkelen. (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)

Audioregistratie 1978 - Wij kwaame toen veul bij ze grutvadder. Die wonden op Love.  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)
Frans Verbunt - onze grotvadder - de bsse van nze grutvadder - de gemeentebossen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nr nze grutvadder gaon (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1934) - bij sociale zaken aankloppen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - tapt ene pt vant biste bier want grutvadder is dod (D'16)- Men loopt vooruit op een erfenis

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - grutvaoder

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GROOTVADER zelfstandig naamwoord m. - fig. Armbestuur. Bij grootvader gaan - door het armbestuur ondersteund worden.

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord m. grootvader: (verouderde maar nog bekende benaming voor) armmeester.

 

grutvaojer, grutvadder

zelfstandig naamwoord

fluim, rochel, grootvader

WBD III.1.2:242: 'grutvaaier' = fluim, rochel

 

gruun, gruuner, gruunder, gruunst

groen in diverse betekenissen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - gruun (krt. 48), met umlaut (blz. 88)

bijvoeglijk naamwoord

groen (de kleur); niet rijp (v.e. vrucht), ongekookt

gruun van mos... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, In et bos, 1941)

Henk van Rijen - gruun deur - hadden veelal werknemers v.h. Atelier der NS, omdat de locomotieven vroeger ook groen geschilderd werden.

Dialectenqute 1876 - grune tkskes - groene twijgen

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 et hoj is ng gruun

WBD III.2.3:32 'groen' = rauw (ongekookt)

WBD III.2.3:162 'groen' = onvolgroeid (vrucht), ook 'vernepen', 'kriel'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GRUUN - groen, Fr. vert, Hgd. grn. Zoo gruun als gers, als prei.

bijwoordelijk met een werkwoord

We lusse ze gruun - We zijn er niet bang voor

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "ik lust em gruun (groen) - ik kan hem gemakkelijk aan"

Z'n postuur brengt d trouwens al eenigszins mee. Op 'n paor korte beentjes torst-ie 'n gezellig kogelbuikske waorover 'n laokensche-broek-mee-presenteerblad spant, die z gruun zie alsof er mos op groeit. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

R.J. 'weh scht duh gij toch gruun'

Frans Verbunt -- Heej van Arendonk, w scht jouw mnneke gruun, ik weet nie w et gegeeten heej, omd et zo gruun gescheeten heej.

zelfstandig naamwoord

Cees Robben We gaven ze gruun [als voedsel] (19570525)

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) -  gruun zelfstandig naamwoord  - groenvoer

Audioregistratie 1978 - Drrom ginge wij ok hskesmis haole, zimme vruuger, [uit] weejseejs haole int stad. Hskesmis om de weilande en alles te bemisse n as we gruun moese zaaje!  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WBD I:1420 'gruun', 'knlls' - stoppelknollen

WBD III.1.2:247 'groene' = slijm (fluim)

 

gruuneg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen --  groenachtig

WBD III.2.3:156 'groenachtig' = onrijp

 

gruune ham
zelfstandig naamwoord
groene ham; alleen aangetroffen bij Robben; mogelijk een goedkoop soort ham, mogelijk een woordspeling dan wel verbastering van 'ruwe ham'
Cees Robben (19680405)
 

gruunhk

zelfstandig naamwoord

groenhok

De kannen ston daor altij gereed in 't gruunhok, neffen de verkenskooi. Ik vat ze daor en rij dan wir deur zonder 'n sterveling te zien, mar vandemrge h'k buurt gekrege. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

 

gruunjaoger

zelfstandig naamwoord

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'gruunjaoger'

politieagent buiten de bebouwde kom, 'gruunjas'; waarschijnlijk zo genoemd wegens de kleur van de uniformjas

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GRUNE JAGER (en niet groenjags) - soldaat v.h. voetvolk. GRUUNJAGER zelfstandig naamwoord m. - loofvorsch, boomkikvorsch

 

gruunjas

zelfstandig naamwoord

politieagent buiten de bebouwde kom; 'gruunjaoger'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 --, ene gruunjas (passim)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - gruunjas - veldpolitieagent (blz. 89)

Elie van Schilt - Zwemmen in ut knaol was verbooien en de gruunjassen zoals de Poel en de Knippel die waren er fel op uit om oe te vangen, vur we gingen zwemmen verstopte we ons kleren en zaagen we unne gruunjas aonkomen dan zwommen we vlug naor dun aandere kaant. (Uit: Ut knaol; CuBra, ca. 2000)

WBD III.3.1:346 gruunjas = rijksveldwachter

 

gruunmout

zelfstandig naamwoord

WBD geweekt brouwgraan (graan dat voldoende geweekt is en geschikt is om de kieming te ondergaan)

 

gruunplukke

werkwoord, zwak

Op den oogenblik zen we druk bezig mee gruunplukken en mangelpeejen utdoen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

gruunsel

zelfstandig naamwoord

groente, 'gruunte(s)'

WBD III.2.3:78 'groensel' = groente; ook moes'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GRUUNSEL zelfstandig naamwoord v. - groente, moeskruiden

GRUUNSEL zelfstandig naamwoord v. - groenvink, groenling, fringilla chloris

WNT GROENSEL l) collectieve benaming voor groene plantendeelen 2) eetbaar groen

 

gruunstamp

zelfstandig naamwoord

stamppot van aardappels met boerenkool

Cees Robben Ze loven dn gruunstamp van broeder portier (19570921)

Stadsnieuws - Gruunstamp meej kaojkes n, agge et en bietje bred ht, meej wrst - koolstamppot met uitgebakken vet spek . .. (121008)

 

gruunte, gruuntes

zelfstandig naamwoord, collectivum

groente(n), 'gruunsel'

- Cees Robben Ik beteul zelf munnen hof en win veul. s middags hek vort driederaand srt gruuntes op taofel... peekes, peeje en wortele... (19850517)

- Ze tilde zelf veul sorte gruunte Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

- Stadsnieuws - Den afval van de gruuntes ging nor de knne, n die aate we dan wir meej Krsemis (231207)

- A.P. de Bont -- grnts zelfstandig naamwoord vr. 'gruunte' - groente; mv. 'gruuntes'

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GRUUNTE zelfstandig naamwoord v. - groente? meervoud: gruuntes.

 

Groenteboer Wim Timmermans in de Armhoefstraat, 1936

 

gruunteboer

zelfstandig naamwoord

groenteboer

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - van tl zn as ene rtte kol b de gruunteboer (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1964) - niet gewaardeerd worden

Schn tegenover ons wonde enne bekker en enne gruunteboer en

aon den aandere kaant, op et huukske, zaat enne slager, tegenover un

sigarenboer, die ok taxi reej. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

gruuntekr

zelfstandig naamwoord

groentenkar, de kar van een door de straat trekkende groentenboer.

Henk van Rijen --  groentekar

Gruuntekr, beladen met de oogst uit eigen hof.

Tilburgsche Courant 4-3-1912

 

gruunzaod

zelfstandig naamwoord

stoppelknolzaad

WBD I:1431 'gruunzaot' - stoppelknolzaad

 

gruupke

zelfstandig naamwoord, verkleind

groepje

WBD III.3.1:36 'groepje' = gezelschap

 

guld, de

zelfstandig naamwoord

gilde

Cees Robben De Guld St Dionysius prijsverschieten op den guldendag (19581011)

WBD (III.3.2:226; guld = boogschuttersgilde, ook doel genaamd

A.P. de Bont -- golt zelfstandig naamwoord vr. 'guld' - gilde

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GLD - zelfstandig naamwoord v. en niet o. - Gild, gilde

Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - guld de, zelfstandig naamwoord  - het gilde

WNT GILD, gilde, gulde

 

gullie, gllie

persoonlijk voornaamwoord : jullie'; uit: gijlieden

Mar toch, zi d'aander Hedde guilie ok laast van vlooie... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben - waor gullie z vur het gestreje (19570727)
A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 wij moete daor de hlft van hbben n gullie (gllie = boers) daandere

Frans Verbunt -- gullie verdient meer n hullie as zullie n jullie

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt. 66 valt T nog juist in het 'gullie'-gebied (t.o. 'gellie); 'gellie' geldt ten O van T.

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GELLIE, GELLE(N) vnw. -gijlie, gijle(n), gellie, gelle(n), gllie, glle(n) - gij

 

gultje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'geul'

Henk van Rijen --  geultje

 

gummiehakke
zelfstandig naamwoord, meervoud van gummiehak
rubberen hak onder schoenen
Cees Robben ge laacht net as n gt op gummi-hakke... (19650305)
 

gunne
samentrekking
je een
Cees Robben as gunne meens zt meej gevuul (19610915)
 

et Gurke

toponiem

het Goirke

Afbeelding uit een topografische atlas circa 1900

MP gez.: n et drp de praacht, mar hier de maacht (gez. v. Goirkenaren: het geld was op 't Goirke te vinden)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 --
 et Gurke (.bep. wijk)

Gij bent ok mar op 't Gurke nor school gewist (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

Cees Robben Isser d eene van t Gurke Tonia...? (19560303)
Cees Robben Turks eiken.../ Op t Gurke nog gezaogd [Turk is de spotnaam voor Tilburgers uit het noorden van de stad] (19560714)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - n et Gurke waor de klank zat, in de stad waor de staank zat (RL'53) - Bij begrafenis was de uitvaartmis op het Goirke: daar luidden de klokken; de teraardebestelling volgde in de stad.

Frans Verbunt -- Gurkese turk - Tilburger van geene kaant (benoorden de spoorlijn)

- Kzaag me lope over ut Gurke/ En ok dur de Hasseltstraat Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

Piet van Beers Prsbewust: Ik kop m'n bier in de Hasselt/ want d schilt enen hop./ n de kffie op 't Gurke,/ die is daor goejekop. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers Lief en leed: Nost den altaar zaat et groot Gurkes koor (Het zeventiende boekje, 2010)

Hees - 't gurreke (VIII:74)

 

Gurkes Bos

toponiem

Interview met de heer De Kok (1978) van daor aaf zk nr et Gurkes Bos gegaon. Gurkes bos, noemde ze d vroeger. Ds nouw Kaplstraot gewrre, aachter rras (Eras) Febriek. D noemde ze Gurkes Bos, h. Daor bn ik nr toe gegaon as klne jonge. (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

gust

bijvoeglijk naamwoord

WBD (v.e. merrie) - niet drachtig, ook 'leeg' genoemd, of (Hasselt) 'nie behaawe '

WNT GUST van vrouwelijke zoogdieren: niet drachtig, hetzij: nog nooit bevrucht geweest, of: voor het oogenblik niet bevrucht. enz.

►guust

 

gutje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'geut'

gootje, afvoerkanaal van gootsteen naar moosput

Cees Robben Det gutje van de moosput stonk/ D was mar heel normaol; (19701016)

Cees Robben En hij riep dan k meteen.../ t zn inscripsies... pree-histories/ En hij spelde kazjeneej - .../ - zimmezetje -.. de pertienes/ - Staon op t gutje... bij de pleej... (19570119)

Henk van Rijen - staon opt gutje bij de pleej - staan achter het huis, bij de wc

 

gutjesnon

Ill.: Regionaal Historisch Centrum Tilburg/ Stadsmuseum

zelfstandig naamwoord

bijnaam voor de nonnen van de congregatie der Dochters van O.L. Vrouw van het heilig hart (klooster aan de Bredaseweg). De bijnaam is afgeleid van de vorm van de kap, waarin aan de bovenkant een gootje herkend werd.
gutje is het verkleinwoord van geut, goot.
Cees Robben Hier hedde verdikke n gutjesnon... (19840921)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - gutjesnon - zuster v.e. bepaalde congregatie (blz. 89)

 

gutsteen, gutsten

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  ook 'gotsten'

WBD gootsteen (soms vereenzelvigd met aanrecht)

- 'gut' vocaalkrimping uit 'geut' (= goot)

Bosch gutsteen - gootsteen, aanrecht

Haar gutsteen - gootsteen

 

guust

zelfstandig naamwoord

WBD gust (Koe die wel vruchtbaar geweest is, maar niet meer gedekt wordt); ook 'gust' genoemd

 

guuts

zelfstandig naamwoord

guts

WBD (II:271l) 'draajguuts' - draaiguts (II:2712)