INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

A

B

BL

D

E

F

G

H

I

J

K

KIK

KRA

L

M

N

O

OOD

P

PLA

R

S

SIEB

SPR

T

U

V

VIE

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van kik tot kousenbraajer

Van kaaj- tot kiezelgoer

Van kraaj tot kwossebons

Kinkenduut

kik

werkwoord, persoonsvorm, gebiedende wijs

kijk

Kik hum daor. Kijk hem daar

Van inf. ►'kke'

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): Hoe zuukte d te doen mee de slaoperij? O zizze, kom mar is mee, kik, eenen op
den divan zizze, en guilie hierin, en daarbij wees ze op dr eige bed in dr eige kaomer, en ik gao nor bove zizze."

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): "Kik zittie: staode hier nog, k was oe vloore."

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): Kik, zittie, ge het toch dikkels genog geheurd desse praoten van luizen as kameelen.

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): ...en dan zin we: Kik naa daor! Daor gaon die kaole Bossenaers w deur waandele as ze schl kke van den honger...

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): kik naa, waor
lkent d naa op?

Lechim - pseudoniem van Michel van de Ven, ongedateerd knipsel, Tilburgse Koerier 196-1980: En dan zeetie: 'Kik, m'ne jonge,/ Ds 't schoonste gruun w Tilburg hee'
Jo van Tilborg (2007): Kik, en hij laot ons zen haand vol bloed zien.

Jo van Tilborg (2007): Kik, zittie dan, terwl ie naor boven ws...

 

kikkendril

zelfstandig naamwoord.

kikkerdril, kikkereieren, kikkerrit, kikkerschot

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  kikkendril - kikkerrit - kikvssendril - kikkerrit

WBD III.4.2:113 kikkendril - kikkerdril, 'kikvorsendrek', 'dril' ook genoemd: 'paddengedrek'

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):  (blz. 96) kikkendril

 

Raapstelen - kiltjes - Brassica rapa

kiltjes

zelfstandig naamwoord., meervoudig

keeltjes; met krimping van de stamvocaal: ee > i

Brassica rapa - meiraap

Van Dale (raapstelen): jonge, gesteelde bladeren van de meiraap; gegeten als voorjaarsgroente; ook: 'stiltjes', 'keele'

H. van Rijen (1988): jonge bladeren van de meiraap (Rapum)

It oe kiltjes es op. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)

Antw. KELEN znw.v.mrv. - jong raaploof zonder knollen, dat men in t voorjaar als moes eet.

Hft. KEELEN - zeker moeskruid (z.a.)

 

kiltjesstamp

zelfstandig naamwoord.

stamp van keeltjes

►zie: kiltjes

 

kimme

Werkwoord, zwak
WBD (v.e. paard) harkend over de grond klauwen met de voorbenen, ook genoemd 'klaawe', (Hasselt) 'klawe'

 

Gravure van Jacob de Gheyn - 17de eeuw

kinkenduut

Ill.: Tijs Dorenbosch

zelfstandig naamwoord.

kikvors - Rana esculenta; nieuwere benaming: Pelophylax lessonae

- kink is een variant op kik, een klanknabootsing; zoals het WNT schrijft, lemma kikker: Eigenlijk: het dier dat kikt, het geluid kik doet hooren

- duut is een variant van 'puut', kikvors; zie lemma pt in het Oudnederlands woordenboek (online), en lemma puut in het Vroegmiddelnederlands woordenboek (online).

Kiliaen: puyt, Fland. Zeland. j. vorsch, rana; puyde, j. puyt, rana.

Plantijn:  puyt, vorsch, une grenouille, rana.

Van Maerlant: Rana dat es die vorsch of die puut (Nat. Bl. VII, 836)

Zie Middelnederlandsch woordenboek (on line) voor vele citaten.

Rana esculenta

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  kinkenduut

Met uitgesproken n (wegens volgende dentaal)

Daamen - Handschrift 1916:  "kinkenduut - kikvorsch"

-- hij reej meej zene kreugel ene kinkenduut harstikke jantje marinus

Kinkenduut, mijn bruurke,

kwaoker van beroep,

'k luister dik 'n uurke

naor oe rauw geroep.

(Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Kinkenduut, mn bruurke, 1941)

Er zaat eenen dikke kinkenduut / te kwaoken in 't lekkere waoter (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941)

kinkeduuten-grgels... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Oproep, 1941)

De koekoek koekoekt deur et hout

en wilde duifkes koere,

de kinkeduuten worre stout

en kwaoken in de moere

(Piet Heerkens; Den aovend, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

Cees Robben Ik krj [kruij] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

Stadsnieuws:  Ik reej krk mee mene kreugel teege de kaajbaand ene kinkenduut kept (270909)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.4.2:110 kinkenduut - kikker, ook genoemd 'kikker', 'kikkebil' of 'broeknachtegaal', 'puit' of 'kinkvors'

Bijnamenboek Karel de Beer - de kinkenduut = Jan Jansen (blz. 45)

Ge ziet r veul veugeltjes, n saoves hurde ng wel s unne kinkenduut. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
Ge moogt oewe schoen ztte, n de vllegede mrege waare de peeje nt aaw brod wg, n laager en spikmnneke in, f en marsepne vrekespotje, f ene kinkenduut van gevulde seklaa. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Detail uit de 'Leidse Taalatlas' kaart 'De kikvors' (nr. 58, 1937), opgesteld door Tonitte van Beusekom - Duidelijk te zien is het oranje hartje bij Tilburg dat op 'kinke(n)duut' duidt en dat nergens anders op de kaart voorkomt. Alle oranje ingekleurde tekens duiden op een naam die met 'kink-'begint.

Verh. KINKENDUUT m. - kikvors (Tilburgs?)

Antw. KAKKEDUUT znw.m. - vogeltje, ook linnenweverken genaamd, dat kakkeduut! kakkeduut! roept (eene soort grasmusch).

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - zie Kienkvuit + Taalk. mag. I: 254, 304

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kinkenduut - kikvors (Tilburg)

WNT Kinkvorsch; KINKEN I: geluidnabootsend woord (VII:3093)

Made (Kooiman) - kinkeluut: kikker

Dong. (v.d. Elshout) - kinkeluut: kikker

Bl kinkpt (groene) kikker

Ill.: Rolf Janssen

Twee gedichten van pater Piet Heerkens uit, en over, De kinkenduut (1940)

 

kip

zelfstandig naamwoord.

Daamen - Handschrift 1916:  "kip - groote blikken kan, waarin men vroeger bij de boeren karnemelk ging halen".

 

kirke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
H. van Rijen (1988): keertje

 

kirs

zelfstandig naamwoord.

Cees Robben: kers

Cees Robben: kirzenbom - kersenboom

 

kiskasse

werkwoord, zwak

klanknabootsing - het geluid van vlees dat gebakken wordt

De Wijs -- As ik vruuger uit de naachtmis kwaam, stond t kenn al te pruttele en lagen de kortelette in de pan te kiskassen (10-01-1970)

Cees Robben As ik vruuger uit de naachtmis kwaam stond t kenn al te pruttele en lagen de kortelette in de pan te kiskassen... (19691212)

 

kitje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
keetje

verkleinwoord van 'ket', met vocaalkrimping

 

kits

bijwoord

in orde

Van Beek - "Alles kits en 't keind hiet Jaoneke." Of: "Alles kits! de kachel op bed en de kleine in de kolenbak." Alles is in orde. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

Cees Robben Mar ast bijgeleet is, is alles wir kits... (19631122)

 

kitse

Werkwoord, zwak
spuwen

- kitse - kitste - gekitst

Henk van Rijen - we kitsten em in zene nk - we spuugden hem in zijn nek

Stadsnieuws:  Grote lummels dnke d op de kaaje kitse stoer stao - Grote jongens ... (090610)

WBD III.1.2:254 'kitsen' = braken

WBD III.1.1:191 'kitsen' = spuwen

Verh. KITSEN onov.ww - braken, kotsen

Bont kɪtsə(n), zw.ww.intr. 'kitsen' - braken, overgeven

Biks kitse ww - kotsen, overgeven

WNT KITSEN (IX) klanknabootsende benaming voor: (vocht) straalsgewijze tusschen de tanden door uitspuwen.

 

kittel

zelfstandig naamwoord

ketel

H. van Rijen (1988): ketel

Dialectenqute 1876 - 'ktel'

 

klaacht

zelfstandig naamwoord

klacht

Cees Robben n Stille klaacht... (19580531)

 

klaaj

zelfstandig naamwoord

klei

uitdrukking  - t de klaaj getrkke - lomp

Dialectenqute 1876 - klaairrepels

Die knikkers waren veur de rme lui, die waren gebakken van klaai. Agge der op gongt staon, per ongeluk, waren et k ineens gin knikkers mr. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) [bedoeld is de knikker die ►kaajscheut werd genoemd

WBD III.2.3:204 'klei' = niet doorbakken brood, ook 'klef', 'derf'

WBD III.4.4:155 'gele klei' = kwartszand;

WBD III.4.4:156 'klei' = zavel

 

klaajboer

zelfstandig naamwoord

kleiboer; handelaar die met kar of wagen langs de deuren gaat om aardappelen te verkopen

Elie van Schilt - De gruunte en de melkboer heb ik al genoemd, mar dan hadden we ook nog de vis en de ksboer, de kolen en de klaaiboer, de klaaiboer kwaam mee erepel. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

 

klaank, klank

zelfstandig naamwoord.

klank

'k Steek men aawe breeje klaanke

noot meer onder stoel' en baanke,

'k zal oe zinge, stug en stoer,

klaor en open as 'nen boer! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Moedertaol, 1938)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  p et Gurke waor de klaank zat, in de stad waor de staank zat (RL'53) - uitvaart en klokkegelui op het Goirke, waarna begrafenis in de stad

WBD (III.3.3:85) klaank = klank v.e. klok, ook: ton, klkketon

 

klaavere

werkwoord, zwak
WBD III.1.2:165 'klaveren' = klauteren

... as aopen klaoveren ze tege die ketels omhoog... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Toen ik zo in de helft van Maai is op mn fietske was geklaoverd... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

De Peer h en goei nutje op/ n wo nr bd toe gaon/ hij klaoverde oover de trap/ kwaam bekaant boovenaon./ De liste treej was em te veul/ den afstaand was te grot/ hij laazerde bots-boem omleg/ n ie braak zene pot. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aaventoe liege maag...)

 

klaaw, klw

zelfstandig naamwoord.

WBD hoef van de koe, ook 'klw' of 'voet' genoemd

WBD klw - gedeelte v.d. huid dat een poot bedekte (II 594)

Dialectenqute 1876 - klouw (au = ou in: blouw, grouw, klouw,...)

WBD III.4.4:17 'klauwlucht' = bewolkt

 

klaawe

werkwoord, zwak

klaawe - klaawde - geklaawd

WBD (v.e. paard) harkend over de grond klauwen met de voorbenen, in de Hasselt 'klawe' genoemd, elders ook 'kimme'

WBD (III.2.1:506) 'klauwen' = krabben v.e. kat; ook genoemd: krabben, krabbelen, kratselen

 

klabak
klanknabootsing
geluid dat de weefspoel maakt bij het schieten door het weefraam
Cees Robben Zingt t spoeleke zn lieke/ links klabots.. en rechts klabak.. (19560630)
 

klabbttere

werkwoord, zwak

alleen aangetroffen bij Leo Heerkens; mogelijk samenhangend met 'klabots'; hoe dan ook een klanknabootsend werkwoord

En de spoelen [van het weefgetouw] klabetterden: retteketet

van krijg-de-colre, van retteketet (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), n Weeverke schoot..., 1940)

 

klabots

zelfstandig naamwoord.

1. proppenschieter

Daamen - Handschrift 1916:  "klabots - vroeger kinderspeelgoed met elzenproppen"

Et vrke t de kooi op de plots lokken. De slachter zette dan zenne klabots tegen de kop van et vrke, hij drukte em in en pang daor laag ie te spartelen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.4.4:252 'klabats', 'klawats' = hevige slag; ook 'klawemmes'

Verh. KLABOTS, v. klapbus, proppenschieter, gemaakt van vlierhout

Bont KLABTS, tussenw. en znw. 1) tussenw.: gezegd v.h. afschieten v.e. zwaar-geladen geweer. 2) znw.vr. klapbus, z.a.

Antw. KLABOTS znw.m. - Versterking van 'bots', harde en doffe slag.

Biks 'klabts' zn - proppenschieter

WNT KLABOTS (I) schietwerktuig, klakkebus, proppenschieter

2. snel reagerende vrouw

Daamen - Handschrift 1916:  "klabots - vrouw die wat snel van zeggen en doen is"

klanknabootsing; mogelijk uit klap en bots

WNT lemma KLABOTS II - Harde, doffe slag of val, bots.

Cees Robben Oew schtje kwaamp rejaol rcht klabots (...) op (...) den paol... (19630517)  [voetbal tegen de paal van het doel.]

● geluid dat de weefspoel maakt bij het schieten door het weefraam

Cees Robben Zingt t spoeleke zn lieke/ links klabots.. en rechts klabak.. (19560630)

 

klad

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.2:241 'klad' = fluim, rochel

WBD III.3.2:265 'kladje' = restje bier, ook 'kwakje'

 

kladderwolk, kladderwollek

zelfstandig naamwoord

stapelwolken (?)

De lucht zaat volgestaopeld mee groote kladderwolken, schots en scheef op mekaar, die hoe langer hoe dichter vaastgroeiden. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

klak

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:182 'klak' = pet; ook: 'klep'

 

klam, klamp, klammig, klamzig, klammes

bijvoeglijk naamwoord

-- iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen

ook: taaj, taai, week

WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klam & klamp frequent in Tilburg
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klammig - frequent in Tilburg
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klamzig / klamsig Tilburg
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klammes zeldzaam midden Tilburg
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klef frequent midden van het Tilb. [?]
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - taai zeldzaam in het midden van het Tilb. [?]
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - week zeldzaam in Tilburg
Kubke Kladder - Uit 't klokhuis van Brabant 3 - 't Begon stillekes aon te donkeren. Uit de klamme grond klom 'n blauwe nevel, die de bosschen dicht spon. (Nieuwe Tilburgsche Courant 23 oktober 1929)

H.A. Sterneberg s.j. - Me trekken treurend deur ons bosschen,/ waor naoktgeplunderd klam en kil/ Och god, die 't nie ontloopen kossen/ nou boom bij boomke sterven wil. (Uit: Een busselke Braobaansch, 1932)
 

klampe

werkwoord, zwak
WBD III.4.2:56 'klampen' - grijpen door roofdieren; ook genoemd: 'vangen' of 'vatten'

 

klamper, klaamper

Ill.: Naumann - klamper - buizerd - Buteo buteo

zelfstandig naamwoord.

WTT 2012 - naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J.  Eigenhuis; 2004)

In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: "klaampvogel - sperwer"

 

Accipter nisus

'Nen klaamper *) die viet z'en *) -noot van Sterneberg bij dit woord: sperwer
die heej ze [de duif] vermoord,
en nou dwerlen nog ennigte veeren;
die doen aon d'r denke' as
zo'n hil enkeld woord
aon gedachten, die noit niemir keeren. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vluchtende gedaachten, 1932)
WBD III.4.1:196 'klamper' - sperwer (Accipiter nisus), ook 'klampvogel' of 'schietklamperd' genoemd

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 94) as de kiepe ene klamper zien zn ze bang

Kees en Bart:  klamper

Cees Robben - Toen was't de beurt aon smellekes.../ Aon klampers en dn uil (19600708) (19600708)

WBD III.4.1:198 'klamper', 'klamperd' - buizerd (Buteo buteo buteo)

WNT KLAMPER - In Vl. Belgi de alg. naam der dagroofvogels, zooals sperwers valken, haviken enz.

Hees klamper (II:17)

Bont klampvogel, havik

WNT KLAMPER. In Vlaamsch Belgi de algemeene naam der dagroofvogels, zooals sperwers, valken, haviken enz.

Antw. KLAMPER znw.m. -Algemeene benaming voor de dagroofvogels, zooals sperwers, valken, haviken, enz.

Biks klamper(t) zn - sperwer, havik

WBD III.4.1:200 'klamper', 'klamperd' - torenvalk (Falco tinnunculus)

Falco tinnunculus

WBD III.4.1:200/201 'klamper', 'klamperd' - roofvogel (algemeen)

 

klamtrkke

werkwoord, sterk

WBD klam trekken (teken van drachtigheid van een koe)

WBD klamtrkker - klamvaars (drachtige koe)

Verhoeven - KLAMTREKKER m. - koe die klam trekt, waarbij vocht uit de spenen komt ten teken dat zij drachtig is.

Bont klamtrekər, znw.m. 'klamtrekker' - maal die enige tijd drachtig is, zgn. 'gewonnen heeft'.

 

klander

zelfstandig naamwoord.

verkorting van kalander; ook genoemd: 'mijt' of 'wemel'

WBD III 4,2:158 lemma Kevers - De kalander (Calandra granaria, een snuitkever die in meel of graan leeft) heet in het Kempenlands Wb. 1 en het Noordmeierijs Wb. wemel.

WBD III 4,2:235 lemma Mijt - De mijten (Acari) vormen een zeer uitgebreide familie van kleine spinachtige diertjes, die veelal schadelijk zijn. Sommige leven parasitair op andere organismes en voeden zich aan hun gastheer, anderen leven van producten van de mens, zoals meel en kaas.
mijt Tilburg
wemel zeldzaam in Noorden van Tilburg
kalander, klander Tilburg
 

klaoge

werkwoord, zwak
klagen

B klaoge - klaogde - geklaogd

MP gez. Klaoge meej geznde ben.

Cees Robben: tis godgeklaogd;

WBD III.3.1:275 'klagen' = idem

Bont zw.ww.intr. - klagen

 

klaoger

zelfstandig naamwoord.

klager

Henk van Rijen: n klaogers gin nod, n zwtsers gin brod - geen medelijden met klagers en snoevers (ontspoord spreekwoord! WS)

 

klaor

klaar

bijvoeglijknaamwoord, bijwoord

1. klaar, gereed

R.J. klaor te krge

Cees Robben En mee Possemis klaor... [namelijk het nieuwe kostuum] - (19550402)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ene mees moet vur zen vrou klr staon - de man moet zijn vrouw beschermen

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 '... vurd k kl(a)or z' (blz. 95)

2. helder; louter

W-d-is den hemel naa toch klaor,

persies van glas, - 't is wezelijk waor! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Naacht, 1938)

Cees Robben Zeg kende gij d brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood... (19600624)

Henk van Rijen van waoter drinke krde ne klaoren hals - ... word je niet dronken

Frans Verbunt: klaoren blom - duidelijkheid, heldere zaak

Mar wij leerde van ons moeder: As r twee deure teegenoover mekaare oope staon, moeter en dicht doen. En zo ist. Dan was alles wir klaoren blom en dikke mik. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

WBD III.4.4:8 'klaar' = onbewolkt, ook 'helder'

Verh. KLAAR (klaor) 1. bijvoeglijk naamwoord  - gereed, voltooid; als nw-deel v.h. gez. uitsluitend; 2) bw.- louter en alleen, puur: 't is klaor boter. (toch BN?)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klaor (krt.94); blz. 40: vocaalverkorting in 'klaor' (?) 

Biks klaor bw, bijvoeglijk naamwoord  - puur, enkel

 

klaorbraoje

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: klaarmaken, presteren

Stadsnieuws:  W braojde me naa tch klaor? - wat flik je me nou? (200906)

 

klaore

zelfstandig naamwoord.

klare (heldere) jenever

Kees en Bart:  en glske klaore; jenever is een heldere, 'klare' sterkedrank.

Naa moppert ons Sjaan wl: Ds niks mir vur jou/ nao de twidde klaore is oewe kokkerd al blauw. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kk zeej aauwe Giel)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  sinte Peetrus weende bitter, zi drnke Piet, dan zal ie k wl klaore gelust hbbe (Daamen - Handschrift 1916) zeispreuk

Piet van Beers Sil... Haauw de bintjes strak: Eene raod z ik toch wille geven./ Vur d ge s'aoves slaope gt./ Vat dan unne goeie borrel klaore,/ tegen de wurrem en de mot. (With Love; 1982-1987)

WBD III.2.3:272 'klare' = brandewijn

Buuk: jonge jenever.

 

klaovere

werkwoord, zwak
klauteren

► zie klaavere
 

klaoze

werkwoord, zwak
V stuntelen

- alleen als infinitief gebruikt

- wsch. afleiding van 'klaas' - onbeholpen persoon

WBD III.1.4:150 'klaas' = prutser

WNT KLAZIG = sullig

zelfstandig naamwoord

meervoud van klaos, klaas, hier: sinterklaas

Cees Robben Siendereklaos d is iemand/ die bang is vur niemand.../ Hij stao boven alle partijen.../ Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ D paast nie in deez dure tijen! (19541127) Met de tekening en klaozen verwijst Robben naar de ongewenste situatie dat er in Tilburg Noord en Zuid een apart sinterklaascomit was met ieder een eigen Sinterklaas.

 

klap-kas-afzak

uitdrukking

variant op het bokspring-spel

Cees Robben: Mar z as wij kosse kasse

 

klapbus

zelfstandig naamwoord.

proppenschieter

WBD (III.3.2:128) klapbus, klapbuks, klabots, propschieter = proppenschieter

 

klapmuts

zelfstandig naamwoord.

slaapmuts

MP gez. Et klinkt nt f dgge meej en klapmuts p enen houteren drpel slaot.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  meej en klapmuts p enen houteren drpel slaot - et klinkt asf ... (Daamen - Handschrift 1916) - spreekwoordelijke vergelijking: het klinkt slecht.

WNT KLAPMUTS - naam v.e. hoofddeksel voor mannen; overdrachtelijk: iemand met een klapmuts

 

klappaaj

zelfstandig naamwoord.

klappei, vrouw die veel kletst, babbelt; iem. die kwaadspreekt 

Daamen - Handschrift 1916:  "klappij of klappaai - verklikster"

WNT KLAPPEI - 1) Min of meer smadelijke naam voor een klapachtige, babbelachtige, praatzieke vrouw; een babbelaarster

 

klappe

werkwoord, zwak
klappen (in de handen)

klappe - klapte - geklapt

R Klap et nie, dan bots et (mar) (uitroep: 'op hoop van zegen') 

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  Klap et nie dan bts et (Daamen - Handschrift 1916) - raakt het niet dan botst het: stemt het niet overeen, dan stuit het maar.

 

klappees

zelfstandig naamwoord.

WBD legger (bep. gewrichtsziekte bij een paard), ook genoemd 'legger', 'gal' en (Hasselt) 'ligger'

 

klappere

Werkwoord, zwak
doorvertellen; van klappen = praten

...die klapperde alles daolijk et drp deur... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; NTC 19-11-1938)

 

klappinkere

Werkwoord, zwak
kinderspel

Van Delft - "Willen we gaan klappinkeren?" vraagt een jongen voor een spelletje, dat elders "sjennien" genoemd wordt en in Loon op Zand "janejen" heet. Wil men deze woorden verklaren, dan zou het kunnen zijn, doordat het opgeklapte (opgewipte) houtje ja (j) of neen (nie) het doel bereikt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

Van Delft - Een ander eenvoudig spelletje was het "klappinkeren" (elders ook "sjennien" genoemd). De attributen hiervoor bestonden uit een mooi sterk knuppeltje dat handig te hanteeren was en een tweede slechts 15 centimeter lang eindje hout, dat aan beide einden spits gesneden was. Dit korte puntige stokje werd in een schuin, ondiep kuiltje in den grond gelegd. Er werd eens flink met den voet op gestampt, zoodat het wat vastlag en met het knuppeltje werd met zekere handigheid en elan op het opstekende puntje geslagen, waardoor het "sjennie" door de lucht omhoogschoot en een heel eind verder belandde. Wie het verste zoodoende dit stukje hout door de lucht wist te doen slingeren, was de matador. De medespeler moest tijdens het spel den "klappinker" (het houtje sjennie) om te winnen in den kring kunnen gooien, waarin het kuiltje gemaakt was, doch hij mocht als handig slager ook tijdens het door de lucht vliegen den klappinker wel met zijn stok een terugslag geven. Als het reeds op den grond lag, mocht hij vandaar af ook den klappinker wel terugklappinkeren. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

 

klaps(e)

bijvoeglijk naamwoord, eponiem

- een gekweekte peersoort: 'Clapp's Favourite', wereldwijd populair geworden

WTT - 2012: De peer die onder de handelsnaam Clapps Favourite bekend is, werd gekweekt door Thaddeus Clapp uit Dorchester (Mass) U.S.A. in 1860. Sinds 1867 verspreid.

Cees Robben Ik heb mlpre, suikerpre, juutepre en klapse... en dan hek nog Glse vringpre, mar die zen enkelt goed vur de stoof... (19850927)

 

 

De 'klapse peer' heeft zijn eigen monument en wel in Dorchester, een stadje nabij Boston.

 

klapskoord

zelfstandig naamwoord.

WBD einde v.h. snoer v.d. zweep (voor een paard)

 

klapspaon

zelfstandig naamwoord

Van Beek - "Een tong als een klapspaan" (Lazarusklep) zegt men van een zegvrije of brutale vrouw. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

klapzaand

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): onsamenhangend, leemachtig geel zand

WBD III.4.4:151: 'klapzand' = stuifzand, ook 'vliegzand'

WNT KLAPZAND - een soort van zeer fijn zand, ook kwel-, loop- en welzand genoemd.

 

klapzuur

zelfstandig naamwoord.

gez. Pierre van Beek --  zen ge et klapzuur wrke - z dat men er bijna bij neervalt (Tilburgse Taaklplastiek 173) et klapzuur krge -

Biks klapzuur zelfstandig naamwoord. - heel hevig, beroerd

 

klasjeneere

werkwoord, zwak
klasjeneere - klasjeneerde - geklasjeneerd

-- druk praten (over gewichtige zaken, maar ook over zaken die slechts in schijn gewichtig zijn)

-- verbastering van 'collationeren' > uit het Frans: collationner > met  betekenisverschuiving naar 'babbelen', 'gezellig praten'

WTT 2012 -  'Collationner' heeft van oorsprong (ca. 1200) betrekking op de lezing die 's avonds gehouden werd tijdens de maaltijd van kloosterlingen, en de daaropvolgende bespreking van de voorgelezen tekst.

Begin van de Collationes van Cassianus

Het woord is gebaseerd op de Collationes (Gesprekken) van Johannes Cassianus (4de of 5de eeuw), geschreven in de vorm van gesprekken tussen kluizenaars en monniken. (Rey, Dictionnaire historique de la langue franaise; 1998)

WTT 2012 - de Tilburgse uitspraak is zeer uitlopend opgetekend.

Klasjeneere

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klasjenere - kletsen (nbrab.) = fr. collationner

Naarus - Lst hak innen Bossenaer bij mn en daor hak gezellig mee kunnen klasjeneeren. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Stadsnieuws:  meej de geminteraodsverkiezinge stonne ze op den Heuvel vur de kraant aatij oover den tslag te klasjeneere (070307)

Piet van Beers De Aaw Warand: Mistal zn ' t de zelfde krels/ die ge klasjeneere ziet. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Klasjionneere

Jaansen - Iederen dag waar ie er te zien en klasjionneerde druk op mee Pietjes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Klassieoneere

 

Daamen - Handschrift 1916:  "klassioneeren - wij zullen 't soamen wel kl. (uit de war doen)"

Klassionneere

Jaansen - ...en d-t-er druk geklassionneerd wier... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Klasjonneere

Jaansen - ...daor moeste em over heurre klasjonere! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Jaansen - "Goei dingen gebeure nie in eentweedrie van je hupsakee, meneer Petit, daor mot over geklasjonneerd worre... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Klazineere

Kees en Bart, Tilburgsche Post ca. 1930 - 'klazineeren'

Kubke Kladder - Na h'k 't daor meer dan eens meegemokt, d'k aachter 'n paor meskes liep, die druk on 't klazineeren waren - net as zullie d kunnen - zoo gewoon op z'n Tilburgsch en potdome z gaaw as ze in de gaote krege d't er iemand aachter hullie was, begossen ze ineens in 't "hoog Hollandsch" za'k mar zegge. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
...ik h daor [op de krantenredactie] w geklazineerd mee den redacteur (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Klazieneere

Cees Robben Heurt ze toch is klazieneeren... (19590228)

Piet van Beers Parads: Waor meens meej mekaore klazieneere en toch ieder in zen ge wrde lot. (Het zeventiende boekje, 2010)

Vunderink - W verderop en tffel, waoraon jongere meense stonne,/ die zoo te zien meej veul gebaor goed klazieneere konne. (Henritte Vunderink, Fist?, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Klazjeneere

Piet van Beers Hoe gaoget: We klazjeneere hil w aaf oover allerhaande zaoke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Andere bronnen

C. Verhoeven - KLASJENEREN onov.ww. druk redenerend en gewichtig praten over zaken van wereldbelang. Z.a.

A.P. de Bont kla'sine.rə(n) zw.ww.intr, 'klassineren' - redeneren, kletsen, praten.

Jan Naaijkens - D's Biks - klazieneere ww - kletsen, eindeloos praten

Bosch - klasjenere - druk redeneren, gewichtig praten

 

klaviere
zelfstandig naamwoord, meervoud
handen
Cees Robben Laot die schaol (...) nie uit oew klaviere valle... (19690613)
 

kldderiedtse

werkwoord, zwak
kliederen

Frans Verbunt: knoeien

WBD III.4.4.209 'kledder' = dril, ook -dedder' of -druddel

Stadsnieuws:
 D waar gin vreve wttie di, d waar mar en bietje kldderiedtse (291008)

 

kled

zelfstandig naamwoord.

kledingstuk, kleed, in het bijzonder een jurk; ook vloerkleed

► zie kleeke, kler, kleraozie

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 54) kled, plur. kleeje

Meej de Paose krgt ze en nuuw kled. - Met Pasen krijgt ze een nieuwe jurk

Naa wil ik wl es en nuu kled./ zeej Taante Bt spontaon./ Want hil de tdde diek naa hb/ doek dees jaor nie mir aon. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: AST MAR NUUT IS.)

n ze w gre dan en kled/ meej blote schouwers aon. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dan maag et)

Piet van Beers Euwig sund: Gesminkt, n krontjes op derre kop/ gehuld in toffelkleeje. (t lfde buukske, 2010)

Dialectenqute 1876 - w vur 'n kld haad de bruid oan? (zie opm. bij steene)

- (bij 'steene' staat toegelicht: Voor de ee is moeilijk in andere talen een aequivalent te vinden; 'steejne' ware wellicht juister)

WBD III.1.3:63 'kleed' = jurk

Antw. KLEED znw.o., vklw. kleken. Zie wdb.

Biks 'kld' zn - kleed, jurk

Etym. G ? D. Kleid N. kleed, T. kled

 

Kleef

zelfstandig naamwoord., eigennaam; gebruikt om gierigheid aan te duiden

Kleef

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  tisser ene van Kleef, daor haawe ze meer van den hb dan van de geef (Daamen - Handschrift 1916) (z. a. onder Geffen)

 

kleje

Werkwoord, zwak
kleden

B kleje - kleedde - gekleed - geen vocaalkrimping

Bont kle.jə(n) zw.ww.tr. - kleden

 

kleeke

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord
 ► zie kled, kler, kleraozie

1. (niet al te dure, eenvoudige) jurk

R.J. ''n helder kleejke'

Cees Robben: ons Keeke heej der kleeke zlf gemkt

Ze slep em gaaw mee nr de stad/ Om en kleeke te gn kope. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den dubbeltjespt)

Naa zon ze nr de Schouwburg gaon/ Trees kocht en zwart-grs kleeke/ omd die kleure zo op de haor/ van durre meens geleeke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D kos nie)

Ze dcht: as ik daor meej men kleeke/ strak oover den Heuvel gao/ dan lope alle knappe jnges/ me vanges aachternao. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Annekes kleeke)

Sjaan heej en smrreg kleeke... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ene schraole trost)

Piet van Beers Nie gre stadte: n d schoon kleeke, d blft nog wl hange. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Ik weet ng, dk en schon nuuw kleeke droeg... (Henritte Vunderink, Bewaarschool, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

2. klein vloer- of tafelkleed

Witte kleekes oover de tffels kunne der ok niemer aaf, mar we zinge wl liekes t en buukske. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2003)

3. textiel

WBD kleejke (II:937) - lattendoek (voor de wolmolen)

4. Herenkleding

Antw KLEKE(N) znw.o. - vklw. van kleed. - Zwarte mansrok, kleed, pitteleer; Fr. habit. 'Kleed' gebruikt men nooit in dezen zin.

 

kln, klnder, klnst

bijvoeglijk naamwoord .

klein

- Met epenthetische d in comparatief; vocaalkrimping in comp. en superlatief.

Kees en Bart: 'veul kleinder'

Cees Robben Dn klne man (19600422)

Telangeliste zeej de paa:/ Merie ik rust en bietje./ ene pils, citroen n vur de kln/ aacht ranjas meej en rietje. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)

Dialectenqute 1876 - z'nen klnzon - zijn kleinzoon

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  ik kcht vur de klne en trm; et is en klntje mar en fntje

De Wijs -- (In de straat gehoord) (17-10-1966) - Ze zegge wellis: hij lkt op um as unne druppel waoter mar dr, hij is t gelk in ut kln (17-10-1966)

Frans Verbunt: we woone rm kln, zittie

Cees Robben:10 (blz. 25) 'in die hille klne benkskes'
Stadsnieuws:  Ik z laoter getrouwd: mn knder zn klnder dan de jouw. (291109)

WvM 'De q van het quken, da doen de kln jong'

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 'kln mar fn' (zin 115, blz. 100)

WBD III.1.1:10 'klein', 'klein van stuk' = klein van gestalte 

WBD III.2.2:7 'een kleine krijgen' = bevallen

WBD III.2.2:38 'een kleine', 'het klein' = kind

Bont kl.n, bijvoeglijk naamwoord  - klein

Goem. KLEIN - kla:n bijvoeglijk naamwoord  (klndər, klnst)

 

Kln Amsterdam

zelfstandig naamwoord, toponiem

Klein Amsterdam, volksnaam voor een buurtschap in Tilburg met de [huidige] Houtstraat als centrale locatie

1896 - Mijnheer de Redacteur, Ik verzoek u een bescheiden plaatsje voor het volgende :
Sedert eenigen tijd heeft zich in klein Amsterdam" of daaromtrent gevestigd, de beruchte Stams, die, toerekenbaar of niet, geheel 't Goirke in rep en roer brengt.
Donderdag-namiddag verwoestte hij bijna het geheele politie-wachthuis en werd daarna door een agent geboeid naar 't stadhuis gebracht.
Ik vraag UEd.: is dat nu een doen , zoo'n woest sujet een half uur ver mede-slepen en de halve stad in oproer brengen?
Zou het niet mogelijk zijn, dat aan geenen kant" een gevangenis werd gebouwd, of een huis gehuurd, dat werd ingericht tot cachot, onder toezicht van een veldwachter, dan zoude veel rust voor Veldhoven , Hasselt en Goirke ontstaan , vooral des Zondags.
Mag ik dit den heer Commissaris ter lezing en overweging aanbevelen ?
X. (Ingezonden brief aan Tilburgsche Courant, 5-1-1896)

1904 In de buurt Klein Amsterdam was Zaterdagmiddag de goeie vriendschap veranderd in gramschap tusschen een paar buurjongens, S. en v. d. L. Zij gingen elkaar te lijf en sloegen elkaar gaten in het hoofd. (Tilburgsche Courant, 31-3-1904, volledige bericht)
1905 - Zaterdagavond werd de gemeente-politie te hulp geroepen in de Houtstraat alhier, z. g. Klein Amsterdam waar een viertal slungels in de herberg van F. meer kabaal maakten dan de welvoeglijkheid toelaat. De politie dreef hen de herberg uit, doch nam tegelijkertijd n hunner den bekenden G. S. in arrest wijl deze eenige oogenblikken te voren met een stok zekeren J. E. zoodanig op het hoofd gebeukt had, dat de man in het politiebureau aan de Veldhoven moest worden verbonden. (Nieuwe Tilburgsche Courant, 27-3-1905)
1908 - Stroopers gearresteerd. Een tweetal politie agenten op surveillance zijnde in Klein Amsterdam slaagden er daar in eenige stroopers, waarvan een in 't bezit van een geweer terwijl zij op de duivenjacht waren, te verrassen. Proces verbaal is opgemaakt. (Nieuwe Tilburgsche Courant 7-12-1908 volledige bericht)
1911 Levensgevaarlijke verwonding - Een nieuw drama, het tweede binnen een week tjjd komt weer een huisgezin in diepen rouw dompelen en oneer doen aan den naam onzer goede stad. Gisterenavond te 8 uur omstreeks is zekere P. Geboers, huiswever, oud 59, wonende in de Houtstraat, een buurt bijgenaamd Klein Amsterdam, door J. M. Versteden, straatmaker wonende in de Prinses-Sophiastraat, met een mes in den buik gestoken, zoodat hij levensgevaarlijk verwond werd. Hedenmorgen was de toestand van Geboers nog steeds uiterst zorgelijk, zoodat voor zijn leven gevreesd wordt. (Tilburgsche Courant 19-12-1911)
 

klne
zelfstandig naamwoord, mannelijk en vrouwelijk
de kleine, een klein kind, baby in de luiers
Cees Robben Jan.. wilde gij dn klne efkes unne vorse luur aonspeeten... (19691219)
Cees Robben Dn ijsco lokt klnen... (19580524)

 

klneghd

zelfstandig naamwoord.

kleinigheid

Bijnamenboek Karel de Beer - et klneghdje = M. de Rooij (blz. 69)

 

klnklutjesmrt

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: kindermarkt tijdens oranjefeesten

 

klnmanne

zelfstandig naamwoord meervoud

kinderen, zowel jongens als meisjes

Zodde de klnmanne nie tslaote? - Zou je de kinderen niet thuislaten?

Kees en Bart:  'de klein-mannen'; 'klein mannen'

Cees Robben: naa stuure em zen knder meej der kln manne te vld;

Cees Robben: 'te midden van al die kln mannen'

Frans Verbunt: de klnmanne zn nie geboore om de grote in der kont te kke

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 'de klmanne bleeve de mister veur'

Verh. KLEINMANNEN (klmanne) - kinderen (zie blz. 56)

WS - De ingelaste p is vermoedelijk afkomstig uit het presens: tussen de nasale labiaal 'm' en de explosieve denteel 't' voegt zich een labiale explosief 'p', eufonisch perfect: hij kompt als hij kampt.

 

klnpielekesweer

zelfstandig naamwoord.

koud weer

Stadsnieuws: Schotse n klnpielekesweer gao mistal saome - Als je kunt schaatsen, is het meestal koud; dat is in bepaalde situaties niet zo handig. (030110)

Buuk - koud weer

 

kler

zelstandig naamwoord meervoud

kleding, kleren

ook 'klere' komt voor

► zie kled, kleeke, kleraozie

Hij [de pastoor op de preekstoel] h 't over bloote nekken, vleeschkleurige kouskes, te duur kleer, polka haor enz., afijn, hij w eigenlijk zeggen d 't er vul te veul geneuk in de wereld is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
...zonder fatsoenlijke kleer' aon 't lijf in et waoter te ligge! 'nen Meensch is toch ginnen visch. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
..[ik] trok m'n Zondagsche kleer' aon... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Naor oome Teun; NTC 24-2-1940)
En 't waar 'n schoon duifke in d'r witte kleer' en ze zong as 'nen nachtegaol! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938)
En kleere! Ammaol van d spinnekoppe-goedje, floddertuig, slap en dun! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Cees Robben kost en kleer. (19540213)
Un goeij stuk kleer zal nie zo gaaw lebbere... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

kleraozie

zelfstandig naamwoord.

klerage, kleren

WNB III.1.3:1 ' klerage' = kleren, kledij

► zie kled, kler, kleeke

"Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon." (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

H. van Rijen (1988): 'kliraozie'

Cees Robben - W d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade.../ De kleeraozie... de seklade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor het oog van het kerkvolk gemaakt werden.]

Van Dale - klerage - (gew.) kleren

WNT KLEERAGE zie 'kleedage' KLEEDAGE - met overgang v. d. intervoc. d tot j: klee(j)age, znw.vr. - 1) Coll. benaming voor kleeren, kleedij; 2) Met dez. bett. zeker jongere, populaire bijvorm KLEERAGE, zeer gewoon in vele dialecten.

Antw. KLEERAGE (uitspr. kliereuzzə) znw.v. - kleeding

Bont kle'ra'zi znw.vr. klerazie - klerage, kleren (in collectieve zin)

WNT KLEERAGE, kleedage - kleeding, kleedij

Haor KLERAZIE - kleding

 

kleever, klver

zelfstandig naamwoord

klaver

- de uitspraak varieert tussen [kleever] en [klver] zowel voor de plant als de kleur in het kaartspel

1. klaver (plant)

klaver, veldklaver (Trifolium)

Meer dan 300 soorten uit het plantengeslacht Trifolium. De botanische naam Trifolium verwijst naar de bladeren, die meestal uit drie deelblaadjes zijn samengesteld (Latijn: tres is drie en folium is blad).

Bij de witte klaver komt zeer soms een vierbladig exemplaar voor; de zeldzaamheid wil dan ook dat het vinden van een klavertjevier geluk brengt.

Trifolium - Klavertje vier

Witte klaver

Rode klaver

Dialectenqute 1876 - klever - klaver (Trifolium)

Cees Robben [de stier spreekt] Ik (...) snoepte van dn  zwiers en t gras/ Dn klver en dn rme... (19600415)

WBD I:1409 steenklaver: 'stinkklver, witte klver, blklver

WBD I:1410 rode klaver: (Hasselt) 'roojə klvər'

WBD III.4.3.262 kleeverzurkel - witte klaverzuring

WBD I:1409 steenklaver: 'stinkklver; witte klaver: (Hasselt) 'witte klver'; bolklavers (Hasselt) 'blklver'

Bont kle.ver, znw.m. - klaver 

Antw. KLVER znw.m. - klaver

2. klaveren (kaartspel)

klveres - klaveren, kaart met het teken 'klaver'

M klaver (in het kaartspel)

in het kaartspel ook:  kleeveres - klaveren

Bont kle.ver - znw.m. klaver kle.veres znw.mv. (minder vaak 'ene klevere') - kleverens - klaveren

CuBra - Brabants kaartspel

 

klffere

werkwoord, zwak

waarschijnlijk van 'klepperen'

...in de week iederen mrgen om kwart veur aachte op de zwartgelakte klumpkes nor de kerk klefferen... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

 

klmbakkes

zelfstandig naamwoord.

kaakklem (trismus), krampachtige samentrekking van de kauwspieren als gevolg v.e. infectie, waardoor de mond niet meer geopend kan worden

- wordt toegewenst aan iemand die te veel praat. [bron/bewijsplaats niet bekend]

► zie volgende

 

klmmond

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.2:364 'klemmond' = tetanus

WTT 2013 - de bacterile infectie tetanus veroorzaakt verlamming van de spieren, te beginnen met die in het aangezicht.

► zie vorige

 

klnder

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap

kleiner

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 35) klnder (met vocaalreductie en d-epenthesis)

Met epenthetische d, naast 'kln'; met vocaalkrimping.

Klnder hskes ziede nrgeraand. - Kleinere huisjes zie je nergens.

Henk van Rijen hdde gin klndere? - hebt u ze niet kleiner?

Goem. klndər

 

klnneghd, -hei

zelfstandig naamwoord

kleinigheid

Antw. KLEINIGHEID znw.v. zonder mrv. - Het vleesch v.e. geslacht verken, ter uitzondering van den kop, de hespen en het spek; ook kleine moeskruiden zooals salade, wortelen, peterselie, kervel, porrei enz.

 

klns

bijwoord

uitdrukking  van klns af aon - van kindsbeen af

Van klns af aon sukkeldenie

Van klns af aon hakkeldenie - van kindsbeen af stotterde hij

Bont Van kleins af aan

 

klnst

bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap

kleinst

Van 'kln', met vocaalkrimping.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  'de klnste zn de biste', zi de begijn, n ze naam de dikste ('72) - uiting van valse bescheidenheid

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): (blz. 35) klnst (van 'kln' met vocaalreductie)

 

klp

zelfstandig naamwoord.

klep (met name van de broek), ook in de bet. 'deksel'

Iemand vur zen klp schuppe. - Iemand onder het gat schoppen.

MP gez. Et paast as en klp p en gaanzekooj (Iets klopt goed, of twee zaken komen goed bij elkaar.)

Cees Robben: tis mist lou-loene meej de klp toe;

gez.: op de klp valle - onverwacht binnenkomen (ontl. aan duivensport)

Piet van Beers Jonges, lster is: Hij valt hier aaltij p de klep... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): pt f klp = pet

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  d klopt as en pliesiemuts znder klp (Pierre van Beek --  TT-64)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  et paast as en klp p en gaanzekooj (Pierre van Beek --  TT '69) - gezegd als twee zaken goed bij elkaar komen.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  en klp p en gaanzekooj ('69) - antwoord op de vraag 'Wat ben je aan het maken?

Frans Verbunt: op de klp valle (duivensport) - onaangekondigd op bezoek komen

Bijnamenboek Karel de Beer - de klp (= ... Mutsaers) (blz. 56)

Bont znw.vr. I muts, pet; II (plat gezegd voor) mond

Biks klp zn - klep, mond, smoel

WBD III.1.3:182 'klep' = pet

 

klpbroek

zelfstandig naamwoord.

bep. mannenbroek, lijkend op de tirolerbroek

Daamen - Handschrift 1916: "klepbroek - scheldnaam voor geestelijken"

Biks klepbroek zn klepbroek

"Klepbroeken" kent onze huidige samenleving niet meer. Het was weleer een mannenbroek, die van voren met een ruim overslaand stuk sloot zoals men dat nu nog aan de gemsleren Tiroler broeken kent. "Klep" schijnt hier de betekenis van "deksel" gehad te hebben. In die zin wordt het trouwens wel meer gebruikt: "doe er de klep (het deksel) maar op !"... De platte uitdrukking: "Iemand voor zijn klep schoppen" kan o.i. hiermee wel verband gehouden hebben.

Militaire instructeurs hadden vroeger - en misschien ng wel - het woord "menageklep" in hun vocabulaire, waarmee wel zeer plastisch "mond" werd aangeduid. De associatie met "deksel" dringt zich ook hier op.

En tot slot: In de periode van de "klepbroek" deden de oude vrouwkes het met een "open-toe-broek". De inrichting daarvan moet ge maar eens aan uw grootmoeder vragen... [Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 5 mei 1964]

klpke
zelfstandig naamwoord verkleinwoord van klap

klapje
Cees Robben Hier n douwke.. Daor n klepke (19580726)
 

klpkrf

zelfstandig naamwoord.

van klepdeksel voorziene mand die aan een arm gedragen werd

 

klpmeule

zelfstandig naamwoord.

GG klappermolen (kleine windmolen met een ratelwerk, gebruikt als vogelverschrikker), iemand met veel praats

 

klppe

werkwoord, zwak
klppe - klpte - geklpt

vangen, betrappen; te grazen nemen, beetnemen ; klikken, (verklappen)

Mn klppe ze nie.

Ze zullen ns naa niemer klppe; ik dcht: hij zal me nie klppe;

Cees Robben Mar ze kleppe me nie... (19570720)

 

klpper

zelfstandig naamwoord.

WBD (Hasselt) - langbenig paard, elders 'klippel' genoemd of 'hoge'

WBD III.1.3:226 'klepper' = houten sandaal

WBD III.4.4:221 'klepper' = iets groots in zijn soort; ook 'bonk', 'joekel', 'kanjer', ' knoert', 'kadee'

Antw. KLEPPER znw.m. - ... Buitengewone jongen, iemand die zich onderscheidt door geleerdheid, verstand, bekwaamheid, stoutmoedigheid, deugnietenstreken enz. 'Ne geleerde klepper; 'ne felle klepper.

 

klpschouw

bijvoeglijk naamwoord .

verlegen, schuw, schichtig

Uit de duivensport: een duif die bang is, of treuzelt, om 'op de klep te vallen'

H. van Rijen (1988): 'klpschaaw' - met drempelvrees, verlegen

Verh. klepschouw, bijvoeglijk naamwoord . schichtig, verlegen, te bang om te praten (kleppen)? vooral gezegd van iemand die gentimideerd is.

Biks klpschaaw bijvoeglijk naamwoord  - schuw, verlegen

 

klptiet

zelfstandig naamwoord.

klikspaan

Hij kwaam et aaltij te weeten, aaltij waar der wel intje, die vur kleptiet spulde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Stadsnieuws:  Ge moet oppaase as hij in de buurt is; tis en chte klptiet (270607)

Verhoeven - lultiet, v. (van 'lullen', kletsen, en 'tiet', kip) kletsmajoor, ook lulbroek, - kous, -muts, -kont en -meier.

Biks klptuut zn - klikspaan

 

klpzweper

zelfstandig naamwoord

De Wijs -- (n rijdende bazaar komt langs) Moeder, hedde w noodig, daor komt weer unne klepzweeper (27-12-1968)

WTT 2013 - mogelijk van 'klapzweeper': iemand die de zweep laat klappen om het paard dat de kar trekt aan te sporen.

 

kls

zelfstandig naamwoord.

WBD III.4.3:376 kls - klit of klis (Arctium)

WTT-2012: zie WNT lemma Klisse I, waarin wordt uiteengezet dat de benaming een verbastering is van 'Klis' of 'Klisse' -- "inzonderheid in Z.-Nederl." -- omdat de bloem zich gemakkelijk hecht aan kleding en ook in haar. ► WNT KLES (I). Vergelijk 'klitten'.

 

klts, kltske

zelfstandig naamwoord.

klets

1. verkoudheid

- uitdrukking  en klts vatte - kou vatten, een verkoudheid oplopen

...en d'r moeder gooide gaaw 'nen doek om d'ren langen hals, d ze geen klets zou vatten... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

WBD III.1.2:295 'een klets te pakken hebben' = een verkoudheid hebben

WBD III.1.2:296 'een klets vatten' = idem;

WBD III.1.2:299 'klets' = verkoudheid

Hees 'n klets pakke (VII:20)

Antw. KLETS znw.v. -  En klets pakken - eene verkoudheid of wat ergers opdoen.

2. samenstellingen met kletsen = praten

► kltskoek, kltskop

► kltse

Cees Robben: W heej jllie zjuuleke tch ene kltskp!

WBD III. 3.1:280 'klets', 'kletserd, kletswijf' = kletswijf

3. kleine hoeveelheid, kliekje

kZaag in de kaast zon viertal flsse,/ meej w kltskes derin, staon./ Omdk et sund vond wg te goje,/ hk et bij mekaar gedaon. (Henritte Vunderink, Wn?, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD III.2.3:126 'kletsje' = kleine hoeveelheid eten

WBD III.4.4:262 'klats', 'kletsje' = scheut

WBD III.4.4:265 'klets', 'kletske' = klein overschot

Antw. KLETS znw.v. - KLETS, kletsken - kleine hoeveelheid die in een glas, eenen pot, eene mand of een vat overschiet; eene kleine hoeveelheid graan, en [ontbrekend woord?]

4. klap

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KLETS: Iemand de klets geven: slaan of wonden, i.a.

Antw. KLETS znw.v. - Fr. coup, soufflet.

Cornelis Verhoeven - KLETS (klts) 1) m. kletspraat; 2) v. verkoudheid: 'n klts vatte.

 

kltse

werkwoord, zwak
ketsen - in de zin van 'kaatsen'

bijvoorbeeld het ketsen van steentjes op het water (spel)

- dan gonken we vaoren, schotsenrijers vangen, steentje kletsen en spatten en poelien (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

kltskoek

zelfstandig naamwoord.

kletskoek, kletspraat, onzin

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  kltskoek p en stkske verkope (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1971) - onzin vertellen

 

kltskp

H. van Rijen (1988): schurftig hoofd

Cees Robben: w heej jllie zjuuleke tch ene kltskp!

WBD III.1.4:116 'kletswijf' = vrouw die graag kwaadspreekt

WNT KLETSKOP - benaming voor een door het hoofdzeer (favus) aangetast hoofd; benaming voor deze ziekte; z.a.

 

klf, klfke

zelfstandig naamwoord.

kluif

Verh. KLEUF (kleu:f) m. gekliefde blok hout, gereed voor het gebruik in de kachel.

 

kleure

Werkwoord, zwak
kleuren; zegswijze in kaartspel

Van Beek - "Kleuren is geld beuren" zegt men, als men een medespelende aas vraagt van dezelfde kleur als waarin men troef maakt; dus rood bij rood, zwart bij zwart.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

 

kls
zelfstandig naamwoord
kluis; in de betekenis: klooster
Cees Robben De klaore vrome stilte/ Van n aauw vergeten kluis... (19700417)
 

klurke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kleur
kleurtje
Cees Robben W krge ze n kleurke... (19571207)
 

klt, kltje

zelfstandig naamwoord.

kluit, kloot

Ge vernukt de klt = Je belazert de boel

t de klte geschoote - uit de kluiten gewassen

WBD III.2.3:145 'kluit boter' = klomp boter; ook: 'wigt', 'weg', 'klotje'

Verh. KLOT m. kluit (kltje) - homp: 'ne klot boter.

 

kleutergat

zelfstandig naamwoord.

klein kind

Daamen - Handschrift 1916:  "kleutergat - klein kindje, aardig klein kindje"

 

kleuve

werkwoord, zwak

klieven

WBD III.1.2:77 'kleuven ' = klieven, verdelen

WBD III.1.2:355 'kleuven' = kloven; ook 'klieven'

 

kleviere

zelfstandig naamwoord, meervoud

handen, klauwen

GG blft er meej oew kleviere vanaaf

Stadsnieuws:
 Blft er meej oe kleviere vanaaf, d zn de mn - Blijf er met je tengels af; die zijn van mij (250508)

Cees Robben:10 (blz. 65) 'Laot die schaol nie uit oew klaviere valle'

 

klies

zelfstandig naamwoord.

klit = verwarde, verstrikte massa - 'tis hier in noord eene klies

EWN 'klit', Mnl. clithe 'klis'

 

klimme

werkwoord, sterk

klimmen, ook: stijgen, rijzen, klaveren

WBD III.1.2:8 'klimmen' = omhooggaan

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): klimme - klm - geklmme

 

klink

zelfstandig naamwoord.

WBD schede van een rund

WBD uitwendig zichtbaar geslachtsdeel v.d. merrie

WBD sluiting aan de ovendeur (in een bakkerij)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  de klink van de deur ng nie vaast hbbe (Daamen - Handschrift 1916) - nog niet van plan zijn weg te gaan

Bont I - znw.vr. klink - uitwendig geslachtsdeel v. merries

Bont II - znw.vr. klink - ijzeren voorwerp dienende ofwel om de stof v.d. wever gespannen te houden, ofwel om ze op de onderloper te winden.

Antw. KLINK znw.v. - bilnaad van dieren

 

klinke

werkwoord, sterk

klinken

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 klinke - klnk - geklnke

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster nkt de k verzwegen klingt

 

klinkerd

1. zelfstandig naamwoord

Kees en Bart:  p den Klinkert

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  hij had ene kaoter gestrikt p de klinkert ('58) - een rijk huwelijk gesloten (klinkert = klinkerweg)

WBD III.3.1:397 'klinkerd' = openbare weg, ook genoemd: 'weg, baan'

WBD III.3.1:403 'klinkerd' = straat; ook genoemds: 'klinkerweg, klinkerpad, keiweg, straat'

2.toponiem

Lange Nieuwstraat

 

klinkklaor

zelfstandig naamwoord.

finaal

Cees Robben: 'ik stao wir klinkklaor tep'

 

klippel

zelfstandig naamwoord

knuppel

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  meej alle klippels kunne slaon (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1968) - met alle knuppels kunnen slaan = van alle markten thuis zijn

Daamen - Handschrift 1916:  "klippel - knuppel"

WBD III.1.2:66 'klippel' = knuppel, knots; ook: 'knoest'

WNT o. a. knuppel

Stadsnieuws:  'Hij was zo bang snaachs, der ston ene klippel nffe zen bd' (141107)

Hees klippel (V:64,67)

Verh.KLIPPEL m. - knuppel; lomperd

Bont klɪpəl , znw.m. 'klippel' - 1) stok; 2) langbenig paard; 3) penis.

Antw. KLIPPEL znw.m. - knuppel, Fr. bton

Biks klippel zn - knuppel

WBD langbenig paard, ook genoemd 'hoge', of (Hasselt) 'klpper'

 

klippels

bijwoord

de etymologie is onduidelijk; waarschijnlijk is er een verband met klepel in de betekenis klepel van een kerkklok

Cees Robben Den onzen [mijn man] is net z kerks as unne hond klippels... (19651105)

 

klirbrsel

zelfstandig naamwoord.

kleerborstel

GG vat de klirbrsel es t de klirkaast

WBD (III.2.1:305) klirbrsel - kleerborstel

 

klirkaast

zelfstandig naamwoord.

kleerkast

WBD (III.2.1:107) 'Kleerkast'

 

klirkes

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
plur.

kleertjes

R.J. 'oew kleurige kleerkes', moeder moet er oew klirkes nog driegen'

verkleinwoord van 'kleere', met vocaalkrimping

 

klirmaoker

zelfstandig naamwoord.

kleermaker

R Alles meej maote, zi de klirmaoker, en hij sloeg zen vrouw meej d'el.

Daamen - Handschrift 1916:
 "wij hebben de kleermaker in de wan (de kleermaker aan huis om te komen snijderen, voor een klein daggeldje en de kost (of dat nog bestaat?)"

 

kliske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
H. van Rijen (1988): restje

Biks 'klis' zn - rookvlees aan het stuk

 

Klisstk

Kaart Topografische atlas; ca. 1900

toponiem

Quirijnstok

Audioregistratie 1978 -- n zo ging hij et Lijnsheike n zo ging hij, war, ik zal zgge dur Klisstk n daor ooveral heene n zo noeme wij de wg nr Waalwijk toe. FvI: Waor hdde d woord nouw wir? Klisstk? Ds eigenlijk Quirijnstok?  J, mar gij wilt toch hbbe d ikja, ja, ja (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

WBD III.1.4:38 'kwezel' = ezelachtig persoon;

WBD III.1.4:87 'kwezel' = huichelaar

WBD III.2.1:346 'kwezel' = idem (om hete voorwerpen aan te pakken)

 

klocht

zelfstandig naamwoord.

zwerm, troep, vlucht, klucht

van Ned. 'klucht', vlucht, troep

Kees en Bart:  'de klocht loopjongens'; "n klocht ganzen'

Cees Robben t Is unne streup... n heele klocht... (19580531)

Moeders meej hel klchte knder... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aovendvierdaogse)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  asser rges en kraaj neerstrkt, laandt er sebiet en hele klcht (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1972) - waar aas is, verzamelen de gieren zich.

Henk van Rijen en klocht knder - veel kinderen

Stadsnieuws:  De mister heej aatij en hil klocht jong om em heene. (020510)

Verh. KLUCHT (klocht), v. - zwerm vogels, toom biggen, menigte mensen, groot aantal kinderen: 'n hil klocht.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klcht (krt.107); zie ook blz. 182/183.

Bont klcht, waarnaast zeldzamer: kloecht, znw.vr. - troep

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klocht, klucht, kluft, kloft - troep (bv. van vogels)

WBD troep (gezegd van dieren); ook 'klcht' genoemd

en klcht duve; en klcht knder;

WBD klcht - kudde volwassen varkens, ook genoemd 'hop' of 'staaw'

WBD 'klcht' of 'kloocht' - kudde (m.b.t. schapen)

WBD 'klcht' - troep kippen; III,4.1:180 'klocht' - groep patrijzen

WBD 'klcht' - troep ganzen; III.4.1:33 'klocht' - zwerm vogels

 

kloek

bijvoeglijk naamwoord .

wijs

van Dale. (gewestelijk: verstandig, wijs)

Daamen -Handschrift 1916: "ik kan er mar nie kloek uit worren (wijs)"

 

kloeke

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): gezellig bij elkaar klitten (zitten)

 

klfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kluifje

- verkleinde vorm van 'klf'

Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klfkes.../ Kienebak soms uit de nek...  (19550205)

 

kljster

zelfstandig naamwoord

kluister

WBD blok (ketting met een blok aan een been v.e. paard om te beletten dat het uit de wei springt), buiten de Hasselt 'springblok' genoemd

Bont znw.vr. 'klouster' - kluister, hangslot

 

klk

zelfstandig naamwoord.

1. de klok, uurwerk

Van Beek - Als kinderen lelijke gezichten trekken of zeuren, zegt moeder: "Als ge 't klokske van Rome hoort slaan, blijft ge z kijken!" (Als de kleine de fopperij niet snapt, zal hij wel een ander gezicht zetten.) (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

WBD II.1.2:245 'de klok optrekken' = snotteren

WBD III.3.3:75 torenklok, 'kerkklok';

WBD III.3.3:76 kerkenklokje

2. kip

WBD hen met kuikens, ook 'kloek' genoemd

WBD broedende kip die men op eieren heeft gezet

Biks 'klok' - kloek zelfstandig naamwoord, broedende kip

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KLOEK noemt men hier eene kloekhen. Men leidt het af van 'glocire';

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klk (krt.18 en blz. 165)

Bont klk znw.vr. - kloek (hen)

 

Ill.: Thom - vaccinium myrtillus - bosbes - klkkebaaj

klkkebaaj

zelfstandig naamwoord.

bosbes - Vaccinium myrtillus, gewone of blauwe bosbes

WBD: De blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) is een klein struikje uit de heidefamilie. Het is een bodembedekker in bossen op zure grond met fijn getande, lichtgroene blaadjes, met bleekpaarse bolvormige bloempjes en met blauw bestoven besjes met kenmerkend blauw sap. In Tilburg ook: Klokkebei, Klokkebeien, Sint-jansbezem.
Biks moerbeejzem zn - blauwe bosbes

Daamen - Handschrift 1916:
 "klokkebaai - Boschbessen"

...daor groeien de klokkebaaie mee duuzende kilos. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Wieste, d bosbessen in ons tltje/ klkkebaaje hiete? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Stadsnieuws:
 Klkkebaaje vnde op pltse in et bos waor et en bietje donkerder is (280109)

WBD III.4.3:178 klkkebaaj - blauwe bosbes, ook bosbes genoemd of sint-jansbeezem

WBD III.4:200 klkkebaaj - vrucht van de sneeuwbes

WBD III.2.3:223 'klokkenbezinvlaai' = bosbessenvlaai

WNT KLOKKEBEI, -beier - Westbrab. benaming voor de blauwe boschbes, Vaccinium Myrtillus

Hees klokkebaaje (1:18)

Antw. KLOKKEBEIER znw.v. - kraakbes KLOKKEBEIS znw.v. - kraakbes, blauwbes, boschbezie (klokkebeier)

Biks 'klokkebaaje ' zn - bosbessen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klokkebaai - bosbes (wnbr)

Str. klokkebaaje (2:20)

 

klkske

zelfstandig naanwoord, verkleinwoord
klokje

1. bloem

akelei - Aquilegia vulgaris - wilde akelei

In Tilburg ook: akelei, klokjesbloem, klokskesblom, soms pantoffelbloem (WBD)

WBD: De akelei (Aquilegia vulgaris) wordt 30 tot 80 cm hoog. De stengels groeien rechtop en zijn bovenaan vertakt. De bladeren zijn meestal 3-tallig met brede, diep gekartelde blaadjes. De bloemen zijn groot en hangend, blauw of donkerviolet van kleur (soms roze of wit); de kroonbladeren zijn trechtervormig, met aan de top een naar binnen
gebogen spoor. Akelei bloeit van mei tot juni en groeit vrij zeldzaam in
lichte bossen, aan oevers en in weiden.
WBD III.4.3:240 klkskesblom - akelei (Aquilegia vulgaris)

WTT - 2012: De minder gangbare maar typisch Tilburgse naam 'pantoffelbloem' heeft mogelijk betrekking op de vorm van de bloem met bladeren die opkrullen, overeenkomstig de neus van marokkaanse en turkse sloffen.

Foto: Leo Michels

2. klokje

as 't klukske klept drie keeren... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Maonnaacht , 1932)

't Klkske rikketikt op taoffel (Piet Heerkens; uit: De Mus, Tijd en nood, 1939)

tik-tik-tik as van n klkske... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

Cees Robben In mn kaomer tikt n klkske (19700220)

WBD III.3.3:81 klkske, kln klkske, bimmelebom = klepklok

Biks klkske - klokje

 

klomp

Ill.: Tijs Dorenbosch

zelfstandig naamwoord.

klomp

 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

...daogs dr nao rgenden ut aauw wve op klumpkes... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  k meej klmpen aon kunde wd koome, mar dan meuder nie meej klssenbakke (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.

Henk van Rijen de klomp thaole - eruit halen wat Sinterklaas erin gelegd heeft

WBD (II:2956) 'klomp' (I83a); 'kloomp' (183c)

WBD (III.1.3:224) 'klompschoen' = klompschoen

Nieuwe Tilburgsche Courant 1944

 

klompeschlp

zelfstandig naamwoord.

bovenste deel van een klomp

 

klonterbrojke

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord
Frans Verbunt: zoet witbroodje met kandijklontjes bestrooid

WBD III.2.3:197 'klontebrooike' = wittebroodje

 

kloojoow

zelfstandig naamwoord.

stuntelaar: onhandig, kwaadaardig

Henk van Rijen hdde ot zone kloojoow gezien? ... stuntelaar

- Eufemistische variant op 'klooier', of samentrekking van 'klootjong'?

Bakker (OT 54:147) Een kluns is nog geen klojo.

Laps (Nat. Scheldwdb) KLOJO - onhandige figuur die alles laat mislukken

WNT KLOOI verzachting van 'kloot' = sul, stuntelaar

 

kloris

zelfstandig naamwoord

man, vrijer

De Wijs -- Zal ik veur jou is naor unne goeije kloris uitkke [?] - N, veur men ginnen opgesolferde (13-07-1966)

Laoter hk geheurd d ons Nelleke meej de klorus waor ze toen verliefd op waar, tien meter verder tussen et riet ha geleegen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

klot

Dialectenqute 1876 - kloot, klutje

1. zelfstandig naamwoord

1.1. man, manspersoon, mens, gewone man

Cees Robben: Et prakkezeere is tgevnde dur enen reme klot.

- goeje klot - goedig iemand, goedzak

Cees Robben: wiebelklot d ge zt

Cees Robben: zit nie zo te knlle, dabklot

WBD III.1.4:36 'slome kloot' = ezelachtig persoon

n ome Jan, dieje goeje klot,/ die klaogde toen es zene nod. (Henritte Vunderink, Taante Aldegond, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

1.2 kloot, kloten, teelbal

WBD III.1.1:224 'kloten' = teelballen

Hees oot over kloot (VI:40) [?]

Antw. KLOOT znw.m. Fr. testicule; wordt in de allerlaagste spreektaal veel gebruikt

NB. KLOOTVEGER is opgenomen in Nationaal scheldwoordenboek (= misselijke kerel);

Verh. KLOOT (kloo:t) m, veel gehanteerd woord, zelden = teelbal; meestal = manspersoon: 'n goeje kloo:t - goedaardige sul. Als achtervoegsel z.a.

Goem. KLOOT - kluət, znw.m., verkleinwoord - klutə - teelbal; nen van een vent

WBD III.2.3:258 'een stuk in zijn kloten hebben' = dronken zijn

WBD kloote (Hasselt) - teelballen of testes v.d. hengst, ook genoemd 'blle'

1.3 kloot - als eerste lid in samenstellingen - iets kleins, iets dat minder belangrijk is

WBD III.4.4:224 'klootding' = iets kleins in zijn soort, ook 'geneuk'

WBD III.4.4:284 'klootding' = iets onbelangrijks

►klotjong, klotkrel, klotvger

1.4 kloot - als tweede lid in samenstellingen met de betekenis als onder 1.1.

Cees Robben Zit nie z te pitse.. pie-lie-klt.. (19800718)

Cees Robben Mopperklt... (19800510)

Cees Robben Zit toch nie z te knelle, dabklt... (19841130)

Cees Robben Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

2. bijwoord

Pierre van Beek --  tis klote meej den bk - het draait op een fiasco uit

GG ik z himml nie goed, ik vuul menge klote, ik voel me allerbelabberdst z.a.

De Wijs -- As ge Opa bent is t goed klote aon den bok (23-02-1972

Cees Robben: Meej mn ist aaltij klote

Cees Robben: de zaok nor de klote;

Henk van Rijen tis klote meej den bok - het verloopt niet naar verwachting

Henk van Rijen lopt nr de klote - loop naar de maan

Daamen - Handschrift 1916: "lopt nor de klooten (naar den drommel)"

Daamen - Handschrift 1916:  '"t is klooten ('t is mis, 't is huilen)"

Cees Robben: Meej mn ist aaltij klote

 

klote, kloje

werkwoord, zwak

Daamen - Handschrift 1916:  "ze zullen me nie klooten (bedriegen)"

dwarsdrijven, mislopen

klote - klotte - geklot

n agge onhaandeg beezeg zt,/ dgge zit te kloje? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD III.1.4:52 'kloten' = aarzelen

WBD III.1.4:289 'kloten' = er zich niets van aantrekken

WBD III.1.4:367 'kloten' = iets slordig doen

WBD III.1.4:412 'kloten' = bedriegen

Goem. KLOOTEN wkw (klutə, gəklut) - foppen, tergen

Antw. KLOOTEN - foppen, bedriegen

Biks 'klte' zelfstandig naamwoord, ww - kloot, kloten

 

kloteg

bijvoeglijk naamwoord .

onbenullig

Cees Robben ...die kltig aacht percent... (19660401)

 

klootere

werkwoord, zwak
klutsen

klootere - klooterde - geklooterd

... en geklooterd aaj, n d dur mekaare

 

kloterij

zelfstandig naamwoord.

bedriegerij

Daamen - Handschrift 1916:
 "klooterij - bedriegerij"

Stadsnieuws:
 ch, d zeegeltjesplkke, ds amml mar kloterij as puntje bij pltje komt, betldet tch zlf (260709)

 

klotjong

zelfstandig naamwoord

vervelend kind, rakker

ook het meervoud is 'klotjong'

GG die klotjong van hiernffe waare wir vliegende braanweer nt speule

n d klotjong tch w/ leuker klinkt as deugeniete? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

klotkrel

rotvent

Daamen - Handschrift 1916:
 "klootkairel (een beroerde vent)"

 

klotvger

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

misselijke kerel

Cees Robben Klt-vger die ge zd... (19780623)

Cees Robben Dieje kltvger was k niks vur jou (19840629)

Cees Robben Munne zoon (...) is unne echte kltvger... (19801121)

Frans Verbunt: ook: 'klotjavaan'

Elie van Schilt - Zplap, zatlap, schnsmarcheerder, klootveger en hij dugt van gin kaanten, waren toen gewone woorden... (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

Nat. Scheldwdb.: KLOOTVEGER - misselijke kerel

Bont klo'tfe.gər znw.m. 'klootveger' - sul, hannes; synoniemen: klootvent, kloothannes, klootzak, dorus, gathannes enz.

Biks kltveejger

 

klphngst

zelfstandig naamwoord.

WBD slecht gesneden hengst, ook 'klaphingst' en in Hasselt 'piet' genoemd

 

klpkaaj

zelfstandig naamwoord.

WBD klopkei: de steen waarop het leer v.d. bovenzool wordt geklopt (II:757)

Antw. KLOPSTEEN znw.m. - bij schoenmakers: steen waar men het leder op effen klopt

 

klppe

Werkwoord, zwak
kloppen, overeenstemmen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  d klpt as en pliesiemuts znder klp (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1964)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  et klopt as twaalf aajer meej nen mikken btteram (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970)

 

klpper

zelfstandig naamwoord.

garde

WBD (III.2.1:169) 'klopper' = garde

 

Kloris, Kloores

de eigennaam Kloris

figuurlijk: arme sukkel, sympathieke sufferd

WNT lemma KLORIS - Oorspronkelijk, bij de Ouden, een godinne- en vandaar een meisjesnaam (...) vervolgens is het als soortnaam gebezigd om , min of meer schertsend, den uitverkorene van een in het verband genoemd of bedoeld meisje aan te duiden. Dit gebruik vindt zijn oorsprong in de groote bekendheid van het kluchtspel met zang en dans De Bruiloft van Kloris en Roosje, dat sedert de eerste helft der 18de eeuw in het begin van ieder jaar na de opvoering van Vondel's Gysbreght van Aemstel in den Amsterdamschen Schouwburg wordt vertoond; zie over dit, en andere zangspelen waarin een persoon Kloris optreedt, vooral TE WINKEL, Ontwikkelingsg. 4, 520 volgg.

Cees Robben Zal ik vur jou is naor unne goeie kloris uitkke...? (19660819) [Een lieve, zorgzame man voor je zoeken?]

Cees Robben Heiligen Isedoris/ Wil mij arme kloris/ Lekker laten p...../ Nu we u aan gaan roepen... (19740104)

Cees Robben [Kloris:] Moette we naa deeze kaant in... [zijn vrouw:] N Kloris... geene kaant uit... (19800425)

 

klrmaoke

Werkwoord, zwak
klaarmaken

klrmaoke - mkte klaor - klrgemkt

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): klrmaoke

WBD 'klaormaoke' (II:948) - klaarmaken

WBD 'getaaw klaorztte ' (II:948) - getouw klaarzetten

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 ik zal et klrmaoke - ik maok et klaor (42: kwalitatieve mutatie)

WBD III.2.3:43 'klaarmaken' = de tafel dekken

 

klrztte

Werkwoord, zwak
klaarzetten

WBD 'getaaw klaorztte' (II:948) - getouw klaarzetten

WBD 'klaorztte' (II:999) - klaarzetten (v.d. ketting); ook: pztte of beume genoemd

WBD 'klaorztter' (II:948) - klaarzetter

WBD III.2.3:43 'klaarzetten' = de tafel dekken

 

kls
Anoniem 1959
Nillus ha de klosse over laote loope
en daor haddet gatverjuw,
Dieje zuukert, de meulesteller,
stond bezije de contenu.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

 

klsbraaje

werkwoord, zwak

punniken

Onze Co, aaltij goed gewist in punniken, d toen nog klosbraaie hiete, ha un prdetg gemaokt. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

klske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
klosje

WBD klske (II:985) - klosje: trekklos

WBD klskes (II:1050) - klosjes (v.h. lenggaren)

 

klsse

Werkwoord, zwak
Frans Verbunt: in de biljartsport: twee ballen die elkaar ongewenst raken en daardoor het scoren van een carambole verhinderen

WBD III.1.2:154 'klossen' = sloffen

 

klssebakke

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): sloffen

Frans Verbunt: luidruchtig aan komen lopen

WBD III.1.2:154 'klossebakken' = sloffen

 

klssembak

zelfstandig naamwoord. (lett. bak waarin garenklossen werden gedeponeerd) lomperd, lomperik, onhandig iemand (bijz.m.b.t. gedrag en beweging)

in  geschreven vorm altijd 'klssenbak'

Pierre van Beek --  sullig, traag, weinig intelligent persoon, 'laobes', 'gaoper'

Vur dieje klssenbak stao alles in de weeg.

Kees en Bart:  'klossebak'

Van Delft - "'t Is 'ne klossenbak." Dit is: 't Is een sufferd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Van Beek - Van 'n sufferd zegt men: "'t Is 'n klossenbak".  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Cees Robben Unne klossenbak van unne vent (19650430)

Et waar rondt enne klossebak. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  k meej klmpen aon kunde wd koome, mar dan meuder nie meej klssenbakke (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.

WBD klossenbak (II:943) - bijnaam v.d. wever

n assimileert aan b, wordt dus m (wel uitgesproken)

WBD 'klssəmbk' (II:1032) - klossenbak: pijpenbak v.d. pijpenspoel

WBD 'klssəmbk' (II:1033) - klossenbak: pijpenbak v.h. weefgetouw

Biks 'klossebak' zelfstandig naamwoord. - lompe vent

 

kloster

zelfstandig naamwoord.

klooster

Cees Robben D din [sic] klster blommen bloeien... (19550806)

GD05 die zaat int kloster n et Fraatersgat

Bont klostər, znw.o. 'klooster' - klooster.

 

klot

persoonsvorm van werkwoord

tegenwoordige tijd enkelvoud van 'klote'

Henk van Rijen - hij klot zo mar aon - hij doet zo maar aan (zonder resultaat)

WBD III.4.4:271 'klot' = kluit, kaanes, kop, hoofd

Frans Verbunt: zene kaanes vlvreete - onbeschoft veel eten

WBD III.1.1:194 'kanes' = maag

WNT VIII:1249 KANIS (II) znw. (m?) 'bargoensche' term, een straatwoord voor 'hoofd; 'kop', 'test'. Kanes, hoofd, Boeventaal

 

klt

zelfstandig naamwoord

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KLOT, voor klomp (een klot aarde, deeg)

KLOTJE, klompje, voornamelijk voor een klotje suikers

 

kltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kalotje, priestermutsje, vroeger ook door bejaarde mannen binnenshuis gedragen.

WBD III.2.3:145 'klotje boter' = klomp boter; ook: 'wigt', 'kluit'

 

kltje

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord

kluitje
Cees Robben: kltje

Nao en pan gebakke rpel/ meej en kltje vrkesvt/ stuurde ze vruuger de knder/ meej en volle maog te bd.  (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De prs van drpel)

Dialectenqute 1876 - kltje, diminutivum van 'klt' ( = doffe u)

 

kltte

Werkwoord, zwak
WBD III.3.1:70 'klotten' = katten: de verkoper met zijn waar laten zitten.

 

klttere

werkwoord, zwak
klttere - kltterde - gekltterd

1. vallen

Daamen - Handschrift 1916:  "klotteren - vallen"

...en ze klotterde over 'nen eemer mee waoter... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Cees Robben [Hij] klottert ldrecht naor beneeje../ En valt hil zn vruut kepot.. (19700925)

Cees Robben Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. (19720915)

WBD III.1.2:11 -'klotteren' = struikelen; ook: 'stulperen', 'stronkelen'

1.1 de markt bezoeken op klompen, op klompen lopen

- A.J.A.C. van Delft -- klttere -- 'k Heb nog is geklottert. Mr 't ies toch lang nie, w 't vruger was. () Ge zaagt er nog die echte Tilburgsche meenschen loopen, mist op klompen, die zo lekker op de kaaien kletterden.

- ...en 't geklotter van mijn klompe... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Inleiding, 1949)

WBD III.3.1:72 'klotteren' = markten (inkoop)

Biks 'klottere' ww - kltteren (v. oorsprong Tilburgs woord)

1.2 de markt op klompen bezoeken, in het bijzonder op de avond voor 5 december

Artikel in Nieuwe Tilbursche Courant - december 1943

 

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klottere - op de laatste dag sinterklaasinkopen gaan doen (Tilb.)

Dit op Sinterklaasavond opgevangen praatje eischt voor niet-Tilburgers de folkloristische verklaring, dat de Klottermarkt een speciale jaarmarkt te Tilburg is, welke in den avond van vijf December op de Markt gehouden wordt. Haar naam ontleent zij vrijwel zeker aan het "klotteren" (klepperen) der klompen in vroeger dagen van de bezoekers, die meerendeels met holleblokken geschoeid waren. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

Gerard van Leyborgh (=ps. van Lambert de Wijs) - "Hedde wiste klottere" zegt de eene buurvrouw tegen de andere, wanneer zij met pakken en pakjes beladen elkander tegen komen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 5 december 1925 - Klottermarkt)
Ons moeder gong toen al wl klttere in de Heuvelstraot n op de klttermrt, mar d waar meer vur t grot, want die deeje sepries, meej rmkes n alles. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD III.3.2:297 'kloteren' (ook: klotteren) = sinterklaasinkopen doen

 

Tilburgsche Courant 2-12-1918

 

1.3 algemeen: winkelen in het centrum van Tilburg tijdens de dagen voor 6 december

...ik geleuf d alleman ont klttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

Grote tasse wiere wggedraoge, de meense liepe der van te waggele, zoveul dsse gekltterd han. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

 

Twee advertenties in het Tilburgs dialect - Nieuwe Tilburgsche Courant van 27 en 30 november 1942

 

Reacties op de website 'Je bent een echte Tilburger als...'

Onderwerp: 'Je bent een echte Tilburger als... je geen sinterklaasinkopen doet maar... gaat klotteren in de ondergrondse!' (gestart 28 februari 2013)

Dennis Masselink - Ik wist gewoon niet beter als dat klotteren 'normaal nederlands' was
Maykel van Antwerpen - Stervensdruk, veel vocht, lange sjokkende rijen, brillen die beslaan....
Ik zou het zo wr doen!
Danielle van Son - En dat sinterklaas op 'tafel reed' dat is in de rest van Nederland niet echt bekend.
Astrid Lamberts - Hahaha, ja klotteren, had t er afgelopen december nog over met mn niet Brabantsche vriend die er niets van begreep!!
Margo Sengers - Ja is cht tilburgs, klotteren! !
Erwin Danklof - Klotteren was briljant, nu is het gewoon koopavond...
Desiree van Doremalen - Klotteren in de parkeergarage heel gezellig. En Sinterklaas die op tafel reed kennen ze behalve in Limburg [Tilburg?-WTT] nergens. Mijn man uit Rotterdam wist niet wat ie hoorde Sint die op tafel rijdt!!! Wat doet ie dan...
Petra Donders - oh ja, de klottermrt! Heb hier nog steeds een houten tekendoos die daar vandaan komt.
Dorri Eijsermans - Ja! Klotteren; n van de leuke dingen van Sinterklaas. Spannend, ook! En, inderdaad, toen wij nog in de Sint geloofden, "reed" hij op tafel. En niet alleen bij ons; hij had ook op oma's tafel gereden! Voor alle kleinkinderen...
Lizette Steijns - Als ik hier in limburg zeg van wij gingen klotteren voor sinterklaas, kijken ze je stom aan. Was altijd gezellig de klotter markt in de garage. Als het er weer zou komen daar, kom ik er wel voor naar tilburg.
Marga Mols - Gezellig klotteren op d'n klottermert!
Marga Mols - Ik woon al jaren in Den Haag, maar een Sint die op tafel rijdt kennen ze hier ook zeer zeker niet!
Resy Smulders - Dat was leuk, samen met je eerste liefde klotteren en benzine snuiven.
Anneke van Vliet - De klottermert!
Anglique Rther- de Liefde - Jaren met mijn vader en broer nootjes verkocht op de klotermert. Je bent een echte Tilburger als je Loeks notenbar kent :))
Monique Thijs-Govers - Heb er nog worstenbroodjes verkocht op de klottermarkt onder het koningsplein
Diana Erkeland - Ojeh stond altijd een bels vrouwke en die had nog van die oudverwetse holle grote suikerbeelden, eej die waren me lekker!
Mieke Damen - ja leuk en lekkere belse chocolade poppen was echt gezellig ja
Jeroen van Ingen - Klotteren...n van de mooiste Brabantse woorden...
Nathalie Michielse - Zooooo leuk, jammer isnie mir, Koningsplein ja, en dan lekker broodjes met worst en zuurkool eten
Suzanne Van Den Abbeelen - Weet iemand de herkomst van het woord? Ik herinner het me ook nog!
Anita Kuijpers - Ik heb pas een aantal jaar geleden ontdekt dat niet iedereen weet wat klotteren is. Voor ons Tilburgers toch zo normaal om voor de feestdagen lekker te slenteren langs de kraampjes en verpakte cadeautjes kopen zonder te weten wat erin zit.
Door van Heesch - Klotteren is wel leuk en warm in de parkeergarage van het koningsplein helaas mag het niet meer i.v.m brandgevaar geloof ik nu is het alleen winkelen in heuvelstraat niks klotteren dat is verleden tijd
Lisseth van Bebber-Versluis Jaren lang op de markt gestaan met kleding. De klotermarkt had altijd wel wat speciaals!
Sander van Rooij - "Klotteren" een echt Brabants woord waar we trots op mogen zijn
Linda Werdmller von Elgg - Ja klotteren dat deed ik meestal op de westermarkt. En mijn ouders trouwens ook.
Kim Wolfs Vd Broek - ooo dat is e[c]ht al weer lang geleden, zelfs ik ken het nog. wat was dat altijd leuk zeg. zo in de donkerte
Noortje Nijs - Alleen het woord klotteren al in den bosch weet men dan alniet waar je het over hebt
Hans van Dongen - Klottermrt, in de parkeergarage onder het koningsplein.

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

1.4. rondslingeren

Witt. W leej daor te klttere? (rond te slingeren)

Verh. KLOTTEREN, onov.ww., te onderscheiden v.h. door v. Dale genoemde 'kloteren': prutsen, knutselen. 'Klotteren' is: onbeheerd achterblijven, zo maar ergens liggen, meestal gebruikt in de uitdrukkingen: 't ligt te klotteren en laote klotteren; ook: vallen.

Oh, klott'rende klompen


Oh, klott'rende klompen
wijdklinkend van vr;
ik luster naor ullie
ik heur oe zo gir.
Bij kerels, bij keinder,
't is al inderhaand:
Ge zijt 'n muziek van
M'n Braobaansche laand.


Ge klopt bij ons wrken,
ons zweetend gezwuug,
as 't maansvolk te velde,
mot 's mrgens zo vruug.
Traogtreend, traogkloppend,
Dofdreunend in 't zaand:
Zo zingd 'n muziek van
m'n Braobaansche laand.


Ge klottert vol ijver
rond vuurheeten heerd,
as moeder zich zurgzaom
veur 't huishouwen weert;
ge klopt d' ren dribbel,
van rust gin verstaand,
en zingt 'n muziek van
m'n Braobaansche laand.


Ge kloppert en klompert
in driftigen draaf;
de keinder zijn krek van
de schoolbaanken aaf.
Ge rommelt lk trommels
hun daans t' allenkaant,
en zingt 'n muziek van
m 'n Braobaansche laand.


Ge klottert en klompt, en
driesurtig deureen
klopt Zondaags lk klokken
g' ons volk op de been ;
op klompen ter Mis, meej
den beejboek in haand:
Schoon klompenmuziek van
m'n Katteliek laand.

(H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, 1932)

kltterkr

zelfstandig naamwoord.

Daamen - Handschrift 1916: "klotterkair - iemand die gemakkelijk valt"

En wie isser na wir gevlle meej der fiets of van dre trap , n wie heej dan de miste blauwe plkke, J want ge htter klotterkre bij hrre. (Nel Timmermans; Onze klpclub; CuBra; 200?)

 

klttermrt

zelfstandig naamwoord.

markt op sinterklaasavond

Daamen - Handschrift 1916:  "klottermert Sinterklaasavondmarkt (op klompen door arbeiders in de werkuren bezocht)"

Van Delft - De markt op Sinterklaasavond heet "de Klottermrt" en de menschen die deze bezoeken "gaon klotteren" of "ze zn wiste klottere". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

KLIK HIER voor een artikel van A.J.A.C. van Delft uit 1929

De Wijs -- Gao de gij kke naor t uitgepakt / of wochtte op de klottermert? (11-02-1965)

Cees Robben Kunst-klottermert; de Kunst-klottermarkt werd in 1954 voor het eerst georganiseerd; Tilburgse kunstenaars verkochten er hun werk. (19541120)

 

klw

zelfstandig naamwoord.

klauw

WBD klw - gedeelte v.e. huid dat een poot bedekte (II 594)

 

klumke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'klomp'

klompje

Cees Robben: bevaore dur en klumpke

H. van Rijen (1988): 'klumke'

-- verkleinwoord  van 'klmp', met umlaut en assimilatie van de 'p'

Van Delft - "Klompke schuiven" gebeurde eveneens met tien of meer. Men vormde een grooten kring en n moest zich omdraaien. Er werd weer afgeteld, en wie het lot trof, moest uit den kring treden, terwijl de anderen zich op den grond of in de wei met de voeten tegen elkaar gedrukt plaatsten. De klomp liet men nu onder de beenen van den kring doorschuiven en middelerwijl moest hij, die buiten den kring stond, trachten den jongen te pakken bij wie op een gegeven oogenblik de klomp onder het been was. Dit viel niet mee, wijl tijdens het spel de klomp ook opgenomen mocht worden en bijv. naar de overkant geworpen. Daardoor moest dan de tikker den kring weer rond en tegelijkertijd verhuisde de klomp natuurlijk weer naar een ander kind. Gelukte de vangst echter, dan moest hij die getikt was, in zijn plaats treden. Zoo speelde men in 't vrije veld vroolijk voort. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

klurke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'kleur'
kleurtje

R.J. 'oew fleurige klurkes', 'meej en klurken p zen wang'

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): (blz. 30) klurke - verkleinwoord van 'kleur', met vocaalkrimping

 

klutje, klutsje

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord van 'klot' d.m.v. umlaut.

-- nog denigrerender dan 'klot' in 'goeie klot' [?]

Dialectenqute 1876 - klutje (met doffe u)

Daamen - Handschrift 1916:  "klutje - 't is zo'n oardig klutje (klein jongetje, manneke)"

...en t klutsje begreep er niks van want hij ha niks gedaon, docht ie. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

k Zeg stil mar klutje... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Ons klutje d strooit... W plezier in t rond... (19561222)
Cees Robben Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

Ik zie en hel schriel maoger klutje/ op de Kop van Jut staon slaon. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes haauwe)

"Klutje gao tch nr Spanje toe/ of aander wrme laande/ agge hier in en tntje slpt/ ligde te klappertaande". (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D gaaf den durslag...)

...n langs de kaant stao zonnen aawen Tilbrgse meens meej en kln klutje te kke, n ik heur diejen brak zgge... (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Hoe groter de strp hoe beeter. Ge had toen ok ng veul mer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte knder. D waare de kiendjes die ng nie kosse lope. Die wrre dikkels ok haawknder genoemd, omdt moeders ze n de mm moes haawe. Asse dan groter wiere van et zg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Antw. KLUD znw.v. - sukkel, sloof (N-O der Kempen) 'En goeklud; zij ziet er zoo'n klud uit.

 

klutje-klot

koosnaam

Cees Robben Mn klutje-klt (19751212)

 

klutse

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): 'als tijdens het biljarten de bal waarop gespeeld wordt ongewenst de andere bal raakt'

WBD III.4.4:314 'klutsen' = vermengen

 

kluuve

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): klieven

 

knaaw

zelfstandig naamwoord

iets om op te kauwen, tussendoortje

Moeder kopt bij de pllingkraom/ w knaaw vur onderweege. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)

 

knaawbon

zelfstandig naamwoord.

tuinboon, 'tnbon', 'lapbon', 'boereten'

 

WBD III.2.3:84 'knauwboon' = tuinboon - frequent en uitsluitend in Tilburg

►zie dossier tuinboon

Daamen - Handschrift 1916:  "Knaauwboonen - tuinboonen"

Wurrom kunne die jong van de tegesworrige td ok nie mir mee knaauwboone speule? Hoe koom ut d d ut de mode is gegaon? (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Witte wek-wek.. Wies? ... Knaauwbne... (19580712)

WBD III.2.3:84 'knauwboon' = tuinboon, ook 'labboon', 'flodderboon'

- Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980, Tilburgse Koerier:

Iederen dag w-d- aanders

Sjaan schpte en mndag op
nou, d rook lang nie gk
Ik hb geschraanst tt k niemir kos
van lapbone meej spk.

Dinsdag was et presies gelk
d zaat nie goed bij mn
mar ze zeej: Man, ge ziet tch wl,
dt moffelbone zn.

En woensdag wir dezlfden hap
ik vuulde me genpt
Ons Sjaan riep: Heej schiet op, ik hb
knaawbone opgeschpt.

Toen et vandaog krk inder was
ging ik pas goed te keer,
ze laachte n zeej: Asteblief,
tnbone vur meneer.

knaawe

Werkwoord, zwak
kauwen, knauwen; plat praten

Cees Robben - Ze zeggen.. (...) as detter nie deugt... De meensen nie praoten... Mar knaauwen... (19561006) [Prent ter gelegenheid van Robbens verhuizing van Tilburg naar Goirle]

- Zo zaag ik list ene meneer/ zen brd vol zitte kwakke/ hij knaawde meej enen oope mond/ ge kostem heure smakke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Risteraosie)

Henk van Rijen ze meugenet haawe; khb liever w te knaawe - ze mogen het houden; ik heb liever iets te eten

WBD III.2.3:5 'knauwen' = kauwen

Bont kna.we(n), zw.ww.tr.+intr. 'knaauwen'

 

knaawer

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): kankeraar, zeurpiet

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

knaawnffepap

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: pruimenpap (pas op voor de pitten!)

 

knaol

zelfstandig naamwoord

kanaal; in het Tilburgse altijd het Wilhelminakanaal

► kenaol

Elie van Schilt - Ons knaol, mee aon swirskaanten unne grte dijk, un smal jaogpad langs ut knaol en aachter dun dijk on de zuidkaant unne breeie slt, die ok dienst hee gedaon bij ut graoven van ut knaol om ut grondwaoter af te voeren. (Uit: Ut knaol; CuBra, ca. 2000)

 

knaop

zelfstandig naamwoord.

knaap

Daamen - Handschrift 1916:  "knoap - de knecht der vroegere gilden en van het koor"

WBD (III.3.2:269) knaop, schildknaop = gildeknecht

WBD (III.4.4:222) 'knaap' = iets groots in zijn soort

 

knapper

zelfstandig naamwoord.

1. zoete kers; Spaanse kers

Prunus avium; ook: Cerasus avium

WBD III.2.3.168: donkerrode kers met grotere pitten

WBD III.2.3:169 'knapper' = zoete kers, ook' vleeskers'

2. verpakkingsvorm van munten

WBD III.3.1:142 'knapper', 'knapperd' = cartouche (voor muntgeld.)

 

knar
zelfstandig naamwoord
hoofd
Cees Robben W bonst munne knar... (19540424)

 

knaspert

zelfstandig naamwoord.

zeer slechte tabak

Daamen - Handschrift 1916:  "knaspert - tabak van het allerminste soort"

 

kncht

zelfstandig naamwoord.

knecht

Cees Robben ...zunne kncht (19591224)

Dialectenqute 1876 - diejen boer heed'n luien kncht - die boer heeft een luien knecht

WBD III.3.1:216 'knecht' = idem

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 20) kncht; (blz. 54.) plur. knchte

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kncht (krt.55)

Bont znw.m. 'knaecht' - knecht

 

knel

zelfstandig naamwoord.

kaneel

 

knelstk

zelfstandig naamwoord.

kaneelstok, bep. snoepgoed in stangvorm

 

Konijn op een beschilderd bord, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

knn, knntje

zelfstandig naamwoord.

konijn

langs de knnen aaf - bij de konijnen af, meer dan erg

Kees en Bart:  en jng kernijn; kenijnen

Cees Robben Onze Jan is vegetarier geworre... Hij fret vort mee zn knn uit de ruif... (1810717)

"Jaon, hddet knntje al bestld? / of zdet wir vergeete? / W moette we vant aaw int nuuw/ in godsnaom dan wir eete?" (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zo zmme amml)

Want brod van vier vf daoge oud/ kan niemir lkker zn/ D is lk onzen buurman zeej / Goei voeier vur et knn. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin brod n gin mik)

H. van Rijen (1988): 'kenn, knn'

Frans Verbunt: en knn graoft en hl omdttie gin kooj kan timmere

Riet had giestere 't knn al opgezet gehad. Naa msset wel lekker gaor zn. (Jos Naaijkens; Krsemis meej zonder dn ammarillus;  CuBra, ca 2005)

Aachter in et strotje wonde enne meens en die waar nie vies van un kat, net z lekker as knn, zittie aaltij. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Et moet gezeej, ons moeder ha echt der biste best gedaon. Van te vurre waar der al om geloterd. Wie krgt dees jaor de kop van et knn. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Wij han, bte de vrkes en kiepen, k knn, daor moese wij dikkels gras en aander gruun veur gaon snijen, die knn wieren vetgemest veur Kerstmis en Nieuwjaor. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

lekker in et bos naor de wilde knentjes kke (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Eerlek gezeej waar ik zo duf as un knn. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

mar bij ons ts waare onze Pa n onze Kees, ds en bruur van mn, k aaltij meej veugeltjes n knne bezig. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)

Piet van Beers Peeje, knne n jonge mt: En Jan die ging te lange liste/ meej z'n kenne nr de mrt./ Ze waare zwaor n vt gewrre./ En vur den haandel hil w wrd. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers De knntjes: 't ls mar goed d de kenne/ vlug vermeenigvuldige./ Drrom vuul ik me, as ik knn eet/ k nie zonne schuldige. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

De knntjes die ge soms ziet springe... (Henritte Vunderink; Bosvreugd; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Bont kərne.n, resp. kne.n, znw. o. "kornijn' resp.'knijn' - konijn

Antw. KNIJN, KERNIJN, KORNIJN znw, o.- konijn, Fr. lapin

 

knnekoj

zelfstandig naamwoord

ook: knnskoj

konijnenkooi

Frans Verbunt: de Tiest ha zen knnskooj geezoleerd meej dubbelt gaos
 

knpe

werkwoord, sterk

knijpen

B knpe - kneep - gekneepe vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij knpt

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 40) verl. tijd knep, maar: knipte gij?

WBD afknpe - castreren, ook 'lubbe', 'snije' of 'afbne' genoemd

WBD III.3.1:200 'knijperd' = gierigaard

 

kneevel

zelfstandig naamwoord.

knevel, bovenlipbaard

WBD bosje haren aan de bovenlip v.e. paard, ook 'snor' genoemd

WBD III.1.1:60 'kneveltje' = snor

 

knze

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): klaren, doorhebben

H. van Rijen (1988): 'D knst ie-j-um wl' - Dat klaart hij wel

 

Kngtel

zelfstandig naamwoord, eigennaam

een bekende Tilburgse slijter, laatstelijk tot ca.1985 in de Heuvelstraat gevestigd.

Buuk Hij heej te veul Kngtel gezien - hij heeft te veel gedronken.

 

knlle

Werkwoord, zwak
R morsen, kliederen

De Wijs -- Zit mee oew eten toch nie z te knelle en te dabbe (17-10-1972)

Cees Robben Zit toch nie z te knelle, dabklt... (19841130)

Zit nie zo te knlle. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)

WBD III.1.2:96 'knellen' = morsen; ook: 'dabben, kliederen, muikelen'

WBD III.1.2:98 'knellen' = plassen met water; ook 'dabben'

WBD III.1.3:212 'knellen' = knellen, gezegd v. schoenen; ook: 'nijpen'

 

knlpestoor

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: kind dat zit te knoeien

Stadsnieuws:
 W zde tch ene knlpestoor
; kom hier dk oe ene slabber ndoe. (250309)

 

knntje

konijntje

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord  van knn, d.m.v. vocaalkrimping

 

knttere

werkwoord, zwak

knetteren, een scheet laten

WBD III.1.1. lemma Een wind laten Tilburg [als enige plaats van opgave]

 

kneukel

zelfstandig naamwoord.

1. alikruik, eetbare zeeslak met huisje - Littorina littorea L.

- In piepend kreugeltje mee twee maande dr op, en innen meens dr aachter, die riep "kneukels" (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- K heb in gin zeuven jaor mir in kneukeltje gepruufd. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Krabben n kneukels riep Boudje Grnaol

WBD III.2.3:76 'kneukel', 'kreukel' = eetbare slak

Hees kneukel (III:34), (IV:36)

Zeel. (Ghijsen) kreukel,- eetbare zeeslak, alikruik (littorina littorea)

Etym. (De Vries) alikruik - eerst in 17e eeuw, komt van Zeeland; vgl. Antw. kreukel, 'eetb. zeeslak'; 2e lid kan aanduiding zijn voor de gekronkelde vorm v.h. hoorntje der slak.

Antw. KREUKEL znw.m.+v eetbare zeeslak

2. een lichaamsdeel

WBD III.1.1:46 'kneukel', 'armkneukel' = elleboog

WBD III.1.1:159 'kneukel' = vingerkootje

►zie kneukelvaast

 

kneukelboer

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: venter op zaterdagavond met alikruiken en krabben

 

kneukelvaast

bijvoeglijk naamwoord
van knook (bot) en vast; oorspronkelijk alleen de hand- en vingerbotjes; bij uitbreiding ieder bot, waarbij vast zoveel betekent als gezond
Cees Robben Ik ben niemer z kneukelvaast Willem... n glas bier gao nog, mar krom staon en op mn hukkes zitten desser niemer bij... (19670825)
 

knp, knupke

knoop (sluitingsmiddel, toegehaalde strik, moeilijkheid); navel

Et zit in de knp; dieje knp zit los.

R Zde van Gd verlaoten f hdde gin knpe mir n oew nderbroek? = Denk je dat ik gek ben?

R.J. bij iedere knp zittie ...

Cees Robben: ene knp in zene start te lgge; ds ginne knp vur on men glp;

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 36) meervoud: knpe

Van Delft - "Daor ies gin woord Fraansch bij" zegt men bijv. als iemand nogal in grove taal uitpakt, of "er een knoop oplegt". De Vlaming zegt hiervoor: "Dat is plat Vlaamsch", d.w.z. dat is onbewimpelde taal, dat is duidelijk gesproken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

...daor zit 'm de kneup!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Frans Verbunt: hij ha vier botteramme aachter zene knp (navel)

WBD platte knp (II:1051) - platte knoop, of kattekop; ook wversknp

WBD 'beene knp' (II:1100) - benen knoop

WBD 'haorne knp' (II:1100) - hoornen knoop

WBD 'manelknp' (II:1100) - mangelknoop

WBD 'kneujp' (III:1390) - knoop (als versiering v.e. pet)

WBD III.1.1:119 'knoop' = tepel; ook 'knopje'

Bont kn.p, znw.m. 'kneup' - knoop 1) nodus; 2) vloek;

mv. 1) teelballen; 2) de gezamenlijke spenen v.e. zog.

Bosch kneup - knoop, vloek

WBD III.1.3:82 'knoopschort' = jasschort

WBD III. 1.3:108 'knoop' = knoop

 

knpe

werkwoord, zwak

knopen

B kneupe - knupte - geknupt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij knupt

M knpe

Cees Robben Ik kos mn schoene niemer knpe... (19590307)

 

kneut

zelfstandig naamwoord.

margarine

Frans Verbunt: onaangenaam vrouwspersoon: 'en kneut'

Cees Robben [Onderwijzer:] As is zeg.. t land van boter melk en kaas.. W bedoel ik dan... [leerling:] t Laand van de rme den kneut en de lub, mister... [onderwijzer:] Goed, Gijs... (19701030]

...gin goei booter mir op oe brod/ allen mar kneut, of kaoikes. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Oktober... spaormnd)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KNEUTEREN - foppen, bedriegen.

SB Wordt met 'kneut' derhalve bedoeld dat het 'fop-boter', onechte boter

Antw. KNEUT v. kwezel, Fr. devote, bigote; 2) bw - term in het knikkerspel 1) vrouw die nooit tevreden is; bijvoeglijk naamwoord, bijwoord stil, koes

 

kneuter, kreuter

Ill.: Naumanns - kneuter - acanthis cannabina ofwel carduelis cannabina

Cees Robben [Onderwijzer:] As is zeg.. t land van boter melk en kaas.. W bedoel ik dan... [leerling:] t Laand van de rme den kneut en de lub, mister... [onderwijzer:] Goed, Gijs... (19701030]

H. van Rijen (1988): kneuter (Carduelis cannabina), zangvogeltje ter grootte van een vink

H. van Rijen (1988): 'kreuter' idem

WBD III.4.1:137 kneuter, 'heikneuter', kreuter - kneu (Carduelis cannabina)

WBD III.4.1:138 'steenkneuter', 'berkkneuter', 'steenkreuter', 'steenvink' benamingen voor de vogel: frater

Bijnamenboek Karel de Beer - de kneuter = Harry Versteynen (blz. 82)

Bijnamenboek Karel de Beer - de kneuter = Van Beurden(blz. 25)

Biks kneuter zn - kneu (zangvogel, Acantis cannabina)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kneuter, knuiter - kneu (Brab., Land v. Hulst)

 

knie, knieke, kniejes

zelfstandig naamwoord

knie

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 knieje (plur.) 'op oe kniejes' (blz. 55)

Van Delft - "Die meid heeft mos aan der knien (kuiten)."  (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929) = die meid is rijk...

Cees Robben op zn kniejes (19751024)
Cees Robben Gin mos aon dr kniejes... en toch lief... (19561215) Niet rijk en toch lief.

Ut is un feen weef, de wel de. Gin haor op dur taande mar wel flink mos aon dur knieje... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Onze Paa krpt op zen kniejes rond... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir td vur den hf)

Henk van Rijen n zen kniejes trkke - er tussenuit gaan

WBD knie - knie van een paard, ook genoemd (Hasselt) 'sprnggewref'

Biks rd on de kniejes hbbe - bij het huwelijk veel meebrengen (de jongen)

 

kniebaand

zelfstandig naamwoord.

WBD ijzeren beugel of ring om de voet van een koe

Bont knibndəl, znw.m. 'kniebendel' - knieband (als boven)

Antw. KNIEBAND znw.m - lederen band aan de knie der peerden, om de knie bij 't vallen niet te bezeeren.

 

knijs

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: in de knijs - in de gaten (lopen)

Ik heb lang veur de gek gelopen/ Dikkels in de knijs gelopen... (Tony Ansems, Gin wonder dek zo muug ben; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

Stadsnieuws:  Meej zon frllie nffen oe lopte ok goed in de knijs (040710) - Met zo'n juffer naast je loop je ook goed in de gaten.

-- n 'knijzen' (Barg.) in de gaten hebben

WNT KNIJZEN B) in de gaten hebben, kennen, weten, vatten

 

knikngel, knikngeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord


engelenbeeld met ingebouwd offerblok, waarvan het hoofd buigt als er geofferd wordt

 

knikker

zelfstandig naamwoord

knikker; figuurlijk: hoofd

Cees Robben Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. Daorvandaon hek naa zonne proem op munne knikker... (19720915)

 

knillesros, kernillesros

zelfstandig naamwoord.

kornelisroos, ook pioenroos - Paeonia officinalis

Hees knillesroos (VI:31,34)

Str. knillesros (2:75)

 

knip

zelfstandig naamwoord.

verende knijper of klem; klap

Van Delft - een "knip" om z'n ooren is een klap;  (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  de knip van de prtemeneej zwrt (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1973) - de portemonnee kan niet open (gezegd als iemand niets wenst te geven)

H. van Rijen (1988): knip - portemonnee of beurs

WBD III.3.1:125 'Knip', 'knipbeurs' = portemonnee

WNT KNIP VII 2) c) - Sluiting van een beurs, en bij uitbreiding, meestal in verkleinvorm, de beurs zelf (ook wanneer er geen veerende sluiting aan zit).

 

knipmik

zelfstandig naamwoord.

WBD knipbrood (brood waarin met behulp van schaar of mes een gleuf is aangebracht); = schurmik ?

 

knipmis

zelfstandig naamwoord.

zakmes

WBD (III.2.1:152) 'knipmes', ook zakmes

 

knippe

Werkwoord, zwak
knippen

WBD een gleuf aanbrengen in het deegbrood

knippe - knipte - geknipt

 

knippel

zelfstandig naamwoord

knuppel [?]

- en aaf en toe n knippeltje hout mee in de zkskes gedouwd (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

knipschr

zelfstandig naamwoord.

schaar

contaminatie

Zntw. KNIPSCHR znw.v. - bij goudsmeden: soort van kleine tang met omgebogen stangen, wier platte en scherpe uiteinden dienen om metalen draden door te knippen.

 

knbbelben

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.1:29 'knobbelbeen' = kraakbeen

 

knbbele

werkwoord, zwak

WBD III. 2.3:9 'knobbelen' = knabbelen

WBD III.4.4:231 'knobbel' = bobbel, ook 'bult'

 

knoebele

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): knabbelen

 

knoedel

zelfstandig naamwoord

knoedel [?]

Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WNT Knoedel - meelbal, deegspijs

 

knoeperd

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:3 'knoeperd' = man

WBD III.4.4:222 'knoeperd' iets groots in zijn woort, ook 'kadee', 'klepper'

Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters:


Knoepert

Een knoepert is heel grof gebouwd,
hij is haast als een stier zo sterk,
doet met plezier het lomper werk,
of hij nou spaait of maait of sjouwt.
 

knoerselbintje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
van Dale: knoers(t) - (stuk) kraakbeen

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "knoerselbeentje - kraakbeen"

Bosch knoerzel - stukjes kraakbeen in vlees

 

knoest

zelfstandig naamwoord.

boomstronk, datgene wat achterblijft na het omhakken/omzagen v.e. boom

H. van Rijen (1988): koppig persoon, boomstronk

WBD III.4.3:57 knoest - korte dikke wortel; ook genoemd: knol, mllestrt of dikke wortel

WBD III.4.3:77 knoest - tak; ook genoemd rangel

WBD III.4.3:125 knoest - stronk v.d. wilg; ook genoemd: knsje of stomp

WBD III.1.2:67 'knoest' = knuppel, knots; ook: 'klippel'

WBD III.4.3:68 'knoest' = knoest in het hout

Bont knoest znw.m. - groot onbehouwen stuk, bonkig onhandelbaar persoon: 'ene stijve knoest'

 

knoet

zelfstandig naamwoord.

kluwen

WBD (III.2.1:579) knoet, bl

 

knoezel

zelfstandig naamwoord.

kruisbes (Ribes uva-crispa; ook: Ribes grossularia)

Zn de knoezels b llie al rp?

Daamen - Handschrift 1916:
 "knoezelen of kroezelen - kruisbessen"

Van Delft - - Wij plukken "brem bezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD III.2.3:175 'knoezel', 'kroezel' = kruisbes; ook 'knoersel'

Bosch kroesel - kruisbes

Hees knoezel, kroezel (IV:20)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kroesel, kroezel, knoesel, knoezel, knoerzel, kroensel - aalbes, kruisbes

Biks knoezel - zn - kruisbes

Antw. KNOESEL zelfstandig naamwoord.v.- stekelbezie, vrucht v.d. Ribes Uva-Crispa

Goem. KNOESEL - znw.vr. stekelbezie, meest in 't mv.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KROEZELS worden, aan den Meijerijschen kant, de kruisbezin genaamd, in het overige gedeelte der Baronie 'kruisdoorns'. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KROESEL - kruisbes. Kiliaen heeft kroes-besie, kroeselbesie.

Verh KNOERZEL v., ook wel 'knoezel'; kroezel, kruisbes.

Bont knurzəl/knursəl znw.vr. knoerzel/knoersel' - kruisbes 'knuzəl' gehoord in Esbeek.

WNT KNOESEL - Bij vergelijking - tenzij het woord in dezen zin een vervorming is van KROESEL - een benaming in verschillende streken ten Z. van den Moerdijk voor de kruisbes en vervolgens ook voor de kruisbessenstruik, Ribes grossularia.

 

knoezelben

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.1:29 'knoezelbeen' = kraakbeen; ook 'knobbelbeen'

 

knoezelbos

zelfstandig naamwoord.

kruisbessenstruik; onverzorgd kapsel

Informant Raaijmakers - Hij vlog erop aaf as nen haon op ne knoezelbos.

Kees en Bart:  ...vlog op ... as enen haon p ene knoezelbs.

H. van Rijen (1988): 'Mn haor ziet ur vort t as unne knoezelbos' - gon ze derop los as enen haon op ene knoezelbos

Bont knursələnbs znw.m. 'knoerselenbos' kruisbessestruik.

Antw. KNOESELBOS znw.m. - stekelbessenstruik

 

knl

WNT KNOL (I) A, 7) b) bepaaldelijk een groot horloge (oudtijds waren de horloges gewoonlijk in het midden vrij dik). In gemeenzame taal [►knlraop]

WBD III.1.3:242 'knol', 'gat' of 'Kot' = gat in een kous

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  as gewilt gn vrije, dan moete ene knl p zak hbbe (Daamen - Handschrift 1916: zie aldaar onder Made)

WBD III.1.3:261 'knol' = zakhorloge

WBD III.2.3:108 'knol' = meiraap

 

knldk

zelfstandig naamwoord.

kanaaldijk, ook straatnaam

zie: kenaoldk

 

knlderedske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
radijsje (Raphanus)

H. van Rijen (1988): knldereds, knlderedske

WBD III.2.3:109 'knolderradijs'; ook 'radijsje'

 

knlderaop

zelfstandig naamwoord

Brassica oleracea

Piet van Beers t og moet ok w hbbe: Nst Bontjes slaoj n knlderaop,/ spinzzie praaj n jn. / Hek ok ng hil w blomme staon/ d og gift n de tn. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Biks 'knolderaop' zn koolraap

► knlraop

 

knlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'knl', met umlaut
meiraap

'keel', 'knl'; lief meisje

Dialectenqute 1876 - knol, knulleke (u = fr. oeu)

Daamen - Handschrift 1916: "knolleke - 't is toch zo'n lief knlleke, lief meisje"

WBD III.2.3:108 'knolletje' = meiraap

 

knlliekoj
zelfstandig naamwoord
kanariekooi
Cees Robben Ons menneke (...) zit op zn hukkes vur de knollie-kooi... (19791109)
►knrriekoj
 

knlraop

zelfstandig naamwoord

Brassica oleracea

► knlderaop

koolraap, koolrabi, 'knlleraop', 'knlraop'

WBD I:1420 knoprapen; 'knlraopə', enkelv. 'knlraop'

H. van Rijen (1988): 'knlraop'

Frans Verbunt: 'knlraop' - koolrabi

WBD III.2.3:106 'knolraap' = koolraap, ook 'knolderraap', 'knollerraap'

WBD III.2.3:108 'knolraap' = meiraap

Antw. KOOLDERAAP (scherpe o) znw.v.- soort v. knolplant voor het vee

Bont znw.vr. 'knolderaap' - 1) knopraap; 2) (schertsende benaming voor) groot lomp horloge.

 

knook

zelfstandig naamwoord.

bot, been

R.J. enen s moet wl geknkt zn

Cees Robben: ene knook vur nzen hnd

WBD III.1.1:28 'knook' = been, beenderen

Antw. KNOOK znw.v. - spr.: zijn knoken stijf en krom werken.

WNT KNOOK - 2) been, bot, hetzij afzonderlijk of als deel van het skelet beschouwd.

 

knootwilg

zelfstandig naamwoord.

WBD III.4.3:123 knootwilg - geknotte wilg; ook genoemd kpwilg of wilg

 

knpke

zelfstandig naamwoord.

knopje

WBD ' knpkəs' (II:1057) - kno(o)pjes

WBD III.1.1:119 'knopje' = tepel

WBD III.1.3:264 'knopje', '(oor)knop(je) oorknop; ook: 'oorbel(letje)'

 

knppert

zelfstandig naamwoord.

joviale benaming voor mannelijke personen

H. van Rijen (1988): kerel, kanjer, flinke knaap

Laps KNOEPERT - (ouwe - ) rare oude man

 

knrft

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): knurft, lomperd, onbehouwen iemand

Biks knrft zn - pummel, kinkel

WNT KNURF - Bij overdracht als gewestelijke benaming met verschillende gevoelswaarde voor een persoon, in gunstigen zowel als ongunstigen zin.

 

knrrie

zelfstandig naamwoord.

kanarie; serinus canaria domesticus

Gevange vogel in gouwe cel,

w klinken oe liekes helder en fel!

 

Hoe komde gij aon oe gelukkig geluid?

W lierde gij blij en w haolde diep uit!

 

W fraozelde zuut en w leuterde vlot,

W zingde gij, zingde gij, zingde gij zot!

 

W schokkelde, klingelde en kloekte gij vol

mee tie-tie-fluiten en waoterrol!

 

Gekooide zanger, as goud zo geel,

'k bewonder oe hartjen, oe liekes, oe keel!

(Piet Heerkens; uit De knaorrie, De knaorrie, 1949)

Piet Heerkens - De knaorrie - 1949

H. van Rijen (1988): knllie, knrrie

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD (III.2.1:514) 'kanarie', 'kanarievogel', 'kanollievogel', 'kanariepiet'

Biks 'knorrie' zn - kanarie

►knrriepiet

►knrrievoogel

 

knrriekoj

zelfstandig naamwoord.

kanariekooi

Cees Robben Unne handoek over de knorrie-kooi... (19690110)

En knrriekooi... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wtter was)

Bijnamenboek Karel de Beer - de knrriekoj = Antoon de Rooij (blz. 69)

Stadsnieuws:
 Hij h in et schp en knrriekoj meej en paor poppe n aoreg w manne die schon kosse zinge (140307)

►knlliekoj

 

knrriepiet

zelfstandig naamwoord.

kanariepiet(je)

R.J. ''t knorriepietje in z'n kooike'

't Knorrie-pietjen in z'n kooike (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Stilleeve, 1938)

En juffrouw Jaanse ha gezien, d den nuuwen kapelaon ook al 'n kanarieveugeltje ha, zooals zijzelf. "Hij hee 'n kanaoriepietje, 't zal wel 'nen goeien meens zijn, aanders hield ie nie van veugeltjes." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Cees Robben Tilburgse knorrie-pietjes en keurmeester op zang naor Lissabon (19570126) [In Lissabon werd een wedstrijd gehouden]

Et knrriepietje stao op zulder/ den hond leej jaankend in et schp... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den hrt op)

Ik heb ene knorriepiet gerven/ en mnneke, ng wl w jng... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Oopas Pietje)

As es moeder de gerdne waast/ witte nie wgge ziet/ Niemand heej dan nog aord in hs/ nog nie de knorriepiet. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de gerdne gewaasse worre)

Bij ons op school zit ok nne knrriepiet. (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

 

knrrievoejer

zelfstandig naamwoord.

kanarievoer, -zaad

 

knrrievoogel, knrrieveugel

zelfstandig naamwoord.

kanarie(vogel)

Kees en Bart:
 'knorrievogel'

..."hier in Baozel zitten zooveul veugeltjes, d'r moeten wel enkelde nachtegaoltjes en kanaorieveugeltjes onder zitte! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; NTC 22-10-1938)

Mienen knorrievogel zingt veul schonder as ie ooit hee gedaon... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WBD (III.2.1:514) 'kanarievogel' = kanarie

Bont znw.m. 'ke(r)narievogel' - kanarievogel

 

knrrievoogeltungskes

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kanarievogeltongetjes

"Hartje-wat-lus-je?" - Kanaorrietonge!

"Tafeltje-dek-je!" - Ge pruft hoe ze zonge!

(Piet Heerkens; uit: De Mus, Geld, 1939)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  we zullen oe knrrievoogeltungskes te eete geeve (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1964) - gezegd tegen een opschepper die kieskeurig is bovendien: we zullen je tevredenstellen (verband met de nachtegaaltongetjes die voor de Romeinen een delicatesse waren?)

 

knsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
knuistje, vuistje, hoofdje

verkleinwoord van 'knst', met uitstoting van de t.

ook: WBD III.4.3:125 knsje - stronk v.d. wilg; ook genoemd: knoest of stomp

 

knst

zelfstandig naamwoord.

1. lichaamsdeel: knuist, vuist, kop, hoofd

Daamen - Handschrift 1916: " 'k zal oe tegen oe knst sloan (hoofd)"

Waast oewe knst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Cees Robben - ...zonne kaole gladde knst... (19730223)

Verh. KNUIST (knst) m. - lomp wezen; lelijke kop.

Stadsnieuws:  Dieje knrft heej gin harses in zene knst - die lomperik ... in zijn hoofd (170110)

WBD III.1.4:179 'knuist' = stijfkop

WNT KNUIST - 4) Grove, harde, sterke hand of vuist.

1.1. grote, sterke handen

Alleen meervoudig gebruikt

Cees Robben D zn pas knste... (19620608)

2. boomstronk

WBD III.4.3:59 knst - boomstronk, ook genoemd: post, strk, gatnd of kontnd

Verh. KNUIST (knst) m. - knoest, stronk v.e. boom met kleine takken eraan; weerbarstig stuk hout; lomp wezen; lelijke kop.

Biks knst zn - knoest, lomperik, hoofd

 

knsteg

bijvoeglijk naamwoord .

Frans Verbunt: knoestig

 

knstks

zelfstandig naamwoord.

hoofdkaas

Daamen - Handschrift 1916: "knstkais - hoofdkaas"

 

kntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van knt

Der haor in en kntje... (Henritte Vunderink; Ons Moeder; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

knupke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'knp', met vocaalkrimping
knoopje

Cees Robben Ge peutert t paoterke t knupke van zunnen toog los... (19550514) (Prent bij een inzamelingsactie bij het honderdjarig bestaan van de missionarissen MSC, in Tilburg ►Rooie Harten genoemd. In plaats van collectebussen hadden de collectanten een pop in de vorm van een missionaris van MSC, en moest de bijdrage onder de toog gedaan worden.)

 

knuppel

zelfstanadig naamwoord

Van Delft - "Hij heeft een knuppel ingeslikt" zegt men van iemand, die overdreven recht en stijf loopt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

knupsgat, knupsgtje

zelfstandig naamwoord.

knoopsgat

Kees en Bart:  knupsgat

Henk van Rijen gimme et knupsgaoterschrken es

Hij moes meej enne kraant in zen rechterhaand tkke naor un dame, die gekleed waar in un blauw maantelpekske meej un anjer in et linkerknupsgat van der jeske. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Want die aander vf, die hbben ok gin mundje as en knupsgtje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

knut, knutje

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): knot, kluwen

WBD III.1.3:226 'knut' = haarwrong

 

knutje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
bosje ineengedraaid en opgestoken haar

WBD III.1.3:226 'knutje' = haarwrong

van Dale KNOT - bosje ineengedraaid en opgestoken haar

Antw. KNOD, KNODDE anw.m. - knobbel, knoop, knop, knoest

 

knutse

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): kneuzen, botsen

Biks knutse ww - kneuzen, stoten

WNT KNUTSEN bedr. en onz. zw.ww: A) Bedr.: door slaan of stooten stuk maken, verbrijzelen of kneuzen; B) Onz.: stooten, botsen

 

koebak

zelfstandig naamwoord.

houten voerbak voor de koeien

Bont kubak znw.m. - koebak, houten bak voor het voeren van koeien

WNT KOEBAK - ter bewaring van veevoeder

 


Schilderij van Willem Roelofs - Koeien drenken (detail)

koej

Tijs Dorenbosch - Vignetten uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

zelfstandig naamwoord.

koe

meervoud: koej, koeje

De meervoudsuitgang blijft vaak onuitgesproken.

Dhr. Bertens En as naa dieje man, dieje dieje kommies die koej takseerde n der stond en briefke zak zgge meej de prs op dttie zeej, nouw die e die houw ik, d kos ok n dan hadde niks te zgge, dan koste gij wir gewoon en aander koej vur kope n dan koste gij wir n de gang gaon (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Audioregistratie 1978 -- Asse daor en koej nie verkcht hn dan ginge ze nr de Bosse mrt, die Tilburgse boere (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

WBD koej - koeien

-- De koej stn in de waaj.

WBD kalfkoej - koe die kalven moet, ook kalfvrs genoemd

WBD jnge koej, aftaandse koej - koe die meermalen gekalfd heeft

WBD vleinamen v.d. koe: koej, kouke, koejke; et koejke, ns koejke

WBD roepnamen v.d. koe: koej, koes, kuus

Cees Robben: bewaor ns koejke vur de pst

Henk van Rijen en blauw koej - hiervan is sprake als de melk te opvallend is aangelengd met water

Dialectenqute 1876 - koei koeien

Biks koej zn - koe

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):
 de rome spt t den jer van de koej

Goem. KOE - kuj, znw.vr.

Antw. KOĔI znw.v., mrv.'koei' koĕi

WvM 'De k ziede by 't kallef en ok by de koe'

WBD III.1.4:36 'koe' = ezelachtig persoon

Stadsnieuws:
 mlk van de blaaw koej - waarbij te veel water gegoten is (030506)

 

Ill.: Rolf Janssen

Gezegden

MP De biste koej stn p stal... De mkskes vnde ooveral. (m = kalfjes)

MP Fltende mskes n brullende koej zn zlde goej.

MP Hij heeter nt zveul verstaand aaf as en koej van saffraon eete.

MP Ksters koej maag pt krkhf waaje.

Pierre van Beek --  Hij zit erp te wchten as nen hnd p en zieke koej. (Tilburgse Taaklplastiek 136)

Pierre van Beek --  Dan wordt et kalf grtter as de koej. = de kosten wegen niet op tegen het resultaat (Tilburgse Taaklplastiek 143)

Van Beek - "De leste koe maakt het hek toe". (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
Van Beek - Fluitende vrouwen en brullende koeien zijn zelden goei, zegt men tot of over meisjes, die fluiten. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
Van Beek - Men gaf door: "De beste koeien worden op stal verkocht" in de betekenis van: de degelijkste meisjes vinden haar man niet op straat of in de balzaal. Als pendant kwam hierop: "'t Is goed, als ge de schoorsteen kunt zien roken." 't Werd een jongeman toegevoegd, die een meisje uit eigen dorp (of streek) gekozen had. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  As nze kat en koei was, dan knde gij ze mlke (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1964) reactie op herhaalde bezwaren (ja maar, als ...)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  daor gaoget heene, zi den boer, n zen ske d bisde (Nicolaas Daamen - handschrift 1916) - Men is geneigd elkander na te lopen.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  'wie de koej trouwt, heej et kalf ok' zi den boer, n d sloeg p en gedwngen huuwelek ('70)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  ksters koej maag pt krkhf waaje ('50) die heeft een streepje voor.

 

koejeneere

werkwoord, zwak
Frans: couillonner - uitkloten

Mar nie dek me van n bietje nat laot koeijeneere... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Iemes die ons goei vuraawerkes platgebraand en doodgekoeieneerd hee... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben ...stiekem koeieneren... (19600415)
- Iemand koeieneren. - Plagen, pesten. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

 

koejetaand

zelfstandig naamwoord

tand van een koe

Van Beek - "Een koeientand en een vrouwenhand mogen nooit stil staan", wordt gezegd om aan te duiden, dat vrouwen en meisjes steeds in 't huishouden bezig behoren te zijn. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

koejhaomer

zelfstandig naamwoord.

WBD tuierhamer (grote houten hamer met lange steel om de tuierpaal in de grond te slaan)

WBD koejhaomer; Hasselt: koejhaomer

Antw. KOEIHAMER znw.m. - klophout, hout dat dient om de tuierstaken voor koeien in den grond te slaan.

 

Koejmrt

toponiem

gedeelte van de Heuvel tussen Spoorlaan en Telegraafstraat

 

koejmis

zelfstandig naamwoord.

koemest

WBD (Hasselt) koemest

Antw. KOEIMES, in 't N. 'koeimis'

 

koejstal

zelfstandig naamwoord.

WBD koestal (deel v.h. boerenhuis waar het rundvee verblijft), ook genoemd: 'koejestal' of 'stal'

 

koejstaok

zelfstandig naamwoord.

WBD (Hasselt) tuierpaal (ijzeren of houten paal, die met een tuierhamer in de grond wordt gedreven)

Antw. KOEISTAAK znv.m. - tuierstaak

WNT KOESTAAK - 1. koepaal; 2. staak waaraan de koe in de weide wordt vastgebonden.

 

koejstrf

zelfstandig naamwoord.

koestront

Kees en Bart: koejstruf

 

koek, kuukske

zelfstandig naamwoord.

koek

H. van Rijen (1988): koek, bierviltje

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  van koek zn (Daamen - Handschrift 1916) - raak zijn, in orde zijn; zwak zijn

Daamen - Handschrift 1916:  "koek - hij is van koek - het is raak, het is in orde"

Cees Robben: 'aaltij gin koek en aai'

In de kuukskestrommel zaat genoeg om iederen iets te geeve. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

koekebak

zelfstandig naamwoord

pannenkoeken

Soms bakte ons moeder dan ok koekebak, laoter heurde wij d d pannekoeken waren, mar ons moeder zeej aaltij koekebak. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

koekert

zelfstandig naamwoord

dwaas

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

koekwous

zelfstandig naamwoord.

koekebakker, koekert; dwaas, dromer

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WNT KOEKEBAKKER De opvatting van sommigen dat het bereiden van zoetigheden een bedrijf is, een flink man onwaardig, gaf aanleiding tot het gebruik van koekebakker voor: onmanlijk persoon, knoeier, prutser; in het bijzonder: slecht zeeman.

 

koelschip

zelfstandig naamwoord.

WBD koelbak (kuip of platte bak waarin, in een brouwerij, de (gekookte) 'wort' wordt afgekoeld)

Antw. KOELBAK znw.m. - bij brouwers: houten bak waar het bier uit den ketel op getrokken wordt om af te koelen.

 

koeprd

zelfstandig naamwoord.

WBD roodbont paard, ook 'rojbnt' of 'vsbnt prd/prd' genoemd

WNT KOEPAARD - bruin paard met groote witte vlekken

 

koeponneke

zelfstandignaamwoord, verkleinwoord
couponnetje

WBD koepnneke (II:918) - couponnetje, stuk (afgesneden) weefsel

 

koer

zelfstandig naamwoord.

speelplaats; uit het Franse 'cour', binnenplaats

WBD III.3.1:447 'koer' speelplaats

 

koes

zelfstandig naamwoord.

WBD roepnaam v.e. koe, ook ' kuus' of 'koej'

WBD roep- of loknaam v.h. kalf; ook 'koes koes koes' of 'kalf'

 

koesjee
bijwoord
uit Frans coucher, slapen; naar bed
Cees Robben t Was alle daoge vruug koesjee (19670428)

 

koeter

zelfstandig naamwoord.

iemand die alsmaar heen en weer loopt

ook: koeterkont; onrustig, bedrijvig persoon

 

koetere

Werkwoord, zwak
(onrustig) heen en weer lopen

koetere - koeterde - gekoeterd

Cees Robben Ze muikelt en koetert in t rond (19700102)

WBD III.1.2:18 'koeteren- = mompelend heen en weer draaien; ook: muikelen

WBD III.1.2:145 'koeteren' = ijsberen

Bont bijvoeglijk naamwoord  koeterig; tochtig, geil (van mannen en sommige mannelijke dieren als rammelaars gezegd).

 

koeterkont, koeter

zelfstandig naamwoord

iemand die alsmaar heen en weer loopt

Cees Robben Omd ge zon koeterkont zd... (19790302)

Stadsnieuws: Ons taante Nl waar en chte koeterkont: ze kos nie stilzitte (060906)

En taante van me, Aldegond,/ d was en chte koeterkont./ Hil den dag liep ze mar rond,/ omdsse nrges rust tch vond. (Henritte Vunderink, Taante Aldegond, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

koeverkoot

zelfstandig naamwoord

PM halflange overjas van betr. lichte stof, met onder ca. vijf naden

Van Eng. 'cover' + 'coat' (covered coat = jagers-, ruitersjasje)

► kooverkooke

 

koewe

Werkwoord, zwak
koewe - koede - gekoed -- lange oe

Pierre van Beek --  roepen bij het kinderspel verstoppertje, nl. wanneer men zich veilig waant en de zoeker mag starten; vermoedelijk werd er 'Koe-oe-oe' geroepen.

Antw. KOEWEN - iemand in de verte roepen met 'koe' te schreeuwen.

 

koezemm ****

zelfstandig naamwoord.

kamperfoelie, haagkers, geitenblad - Lonicera periclymenum; volgens Linnaeus: Lonicera caprifolium

Daamen - Handschrift 1916:
 "koezememmen - kamperfoelie, geitenblad"

 

Handschrift Damen 1916

 

WBD III.4.3:234 koezemmme - kamperfoelie (Lonicera periclymenum)

Etymologisch

ES 2012 - De Nederlandse naam 'kamperfoelie' is een verbastering van de middeleeuwse naam (7de eeuw) 'caprifolium'.

- Caprifolium betekent letterlijk 'geitenblad' (Philippa e.a. Etymologisch woordenboek van het Nederlands 2003-2009).

- Het woorddeel 'kamper' is een verbastering van het Latijnse 'caper', geit; 'capri' betekent: 'van de geit'; 'foelie' is van 'folium', blad.

- De bloem van kamperfoelie vertoont (zie foto) in haar typische buisvormige bloeiwijze een visuele overeenkomst met de contouren van de spenen van geiten.

- Het tweede lid van de Tilburgse volksnaam - 'mm' - is zonder twijfel in de volksmond gekozen om een speen aan te duiden. ►zie mm

- Het eerste lid van de Tilburgse volksnaam - 'koeze' - is mogelijk voortgekomen uit 'kuuze', tweede naamval van 'kuus', in de betekenis 'koe'; dus: men van de koe.

Voorlopige conclusie: Kamperfoelie werd in het Tilburgs 'koezemm' genoemd omdat de buisvormige bloeiwijze deed denken aan de speen, dan wel spenen, van een koe.

 

 

- De vele volksnamen voor kamperfoelie laten er geen twijfel over bestaan dat we te maken hebben met een naam die gebaseerd is op zogen, uiers, en spenen.

- Heukels (Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten - 1907) noemt onder andere:

-- onder Lonicera: Mammekenskruid, Mammetjes, Zoegertjes, Zuiger, Zuigertjes, Mammekers.

-- onder Lonicera Periclymenum : Memmekensbloem, Memmekenskruid.

- WBD III.4.3: Flora, geeft de volgende bewijsplaatsen met 'koe' en 'mem': koesmemmen: Reusel; koezenmemmen (ook koesememmen): Tilburg; Kempenland.

- IDEM: dat het woorddeel 'mem' breed verbreid is geweest in Brabant:

mempoes: Hooge Mierde,
memmenkruid: Veldhoven; Antwerps
memmetjeskruid (memmekeskruid): Mechelen; Antwerps
memmetjes (memmekens, memmekes): Wechelderzande; Antwerps
memzuiger: Kaatsheuvel.
memzuigers (ook mamzuigers): Roosendaal, Hoeven en Kaatsheuvel; zuigers: Deurne in de Peel.
zuigertjes: Nispen.
honingzuigers (honikzukers): Cuijk.
honingbloem (ook honingblom): Baarle-Nassau en Retie.
- IDEM: dat verschuiving van het beeld niet ongewoon is, mag blijken uit de benoemingen van kamperfoelie als zijnde van de geit, de koe, de poes, de haan (en diens kam), en de haas.

 

kffer

zelfstandig naamwoord

koffer

et kffer is te zwaor (onz.; ABN: m.)

 

Koffiekopje, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

 

kffie

zelfstandig naamwoord.

koffie

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  de kffie is daor mar koud (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van een koele vrouw

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  hete vrouwen n kaawe kffie is tdwinst ( '72) - ironische opmerking van mannen: bij beide komt men sneller tot het gewenste doel.

WBD III.1.1:32 'koffiedrup' = moedervlek

WBD III.2.3:40 'koffie' = maaltijd in de namiddag

 

kffiedrinke

werkwoord, sterk

Praktisch uitsluitend als infinitief in gebruik; meestal ondersteund door het hulpww. 'gaon' of 'moete'. Verbuiging leidt tot letterlijke interpretatie.

-- de broodmaaltijd gebruiken (eventueel zonder koffie, doch met thee)

Cees Robben: Ist koffiedrinken of truste?

As we ths kwamen, ha onze vadder zen brod al op en koffiegedronken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.4.4:125 'koffiedrinken' = koffietijd

Stadsnieuws: Blfde ng meej kffiedrinke, f gaode vur den dnkere nr hs? (25020)

Bont znw.o. - koffiedrinken, ook gebruikt voor 'ontbijt'

 

kffievs

zelfstandig naamwoord.

WBD (Hasselt) bep. donkerrood paard, elders 'dnkere vs' genoemd

WNT KOFFIEVOS - koffiekleurig vaspaard

 

kfke

zelstandig naamwoord, verkleinwoord
kuifje

verkleinwoord  van 'kf', met vocaalkrimping

 

kg

zelfstandig naamwoord.

WBD III.4.4:271 ' kog' = brok

 

kojboj

zelfstandig naamwoord.

cowboy

met regressieve afstandsassimilatie: w > j

Hees kojboj (V:40)

 

kjeghd, -hei

zelfstandig naamwoord.

kwaadheid, boosheid

WBD huidschimmelziekte (bij koeien), ook 'nrf' genoemd

H. van Rijen (1988): 'kojjeght/-hj, kaojeght, -hj

 

kkse

zelfstandig naamwoord, altijd meervoud

residu (slakken) van uitgebrande cokes, nog bruikbaar voor huiselijke verwarming

Kees en Bart:  kksen

Meej ons moeder meej, om kokse te gaon raope op de gasfebriek. Ge krgt dan zon harkske in oew haand, daormee moeste gij tussen de sintels de nog gloeiende kokse apart rve. Asse afgekoeld of bekaant koud waren, moeste ze in enne baole zak doen. Ons moeder kosse wij nie bijhaawe. Fn wrk waar et k nie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Hlde gllie zlf oew kkse p et gasfebriek? - Halen jullie zelf je cokes bij de gasfabriek?

- en stm as ene kkseklpper

 

Advertentie voor de verkoop van cokes door de 'gasfabriek'; NTC 1905

 

Bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant, 16-1-1920 [H.L. = hectoliter]

 

Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant - 3-12-1921

 

Ingezonden brief over de prijs van cokes in Tilburgsche Courant 13-2-1902

 

kkseklppersstm

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): zware stem

Van Dale: onaangename, rauwe stem

 

kkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
H. van Rijen (1988): kaakje

 

kokt

werkwoord, persoonsvorm

kookt

2e + 5e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'kooke'

Cees Robben: Et waoter kkt al.

Cees Robben: Mn vrouw kkt van kaojeghd ak zat nkoom

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  twaoter kkt al

 

kl, kol

zelfstandig naamwoord.

WBD witte vlek op het voorhoofd van een koe (zowel kl als kl)

WBD 'kol', (Hasselt:) 'kol' - wit stervormig vlekje op het voorhoofd van een paard, ook 'drpkl' genoemd

Bont znw.m. 'kl' - kleine witte plek aan het voorhoofd v.e. donkerharig paard.

WNT KOL (II) - 1) voorhoofd of voorhoofdsbeen v.e. paard of rund 2) witte plek op het voorhoofd v.donkerharige paarden of runderen

 

Ill.: Naumann - klder

klder

zelfstandig naamwoord.

vogel: wulp (Numenius arquata)

Daamen - Handschrift 1916:
 "kuilder - groote vogel uit de heide; hij legt eieren juist als die van de kievit maar viermaal zoo groot; bij het vliegen roept hij 'Tuureluut'"

zie tuureluut

 

Cees Robben - ...klders die bij vennekes/ w vruuten in t vuil... (19600708)

WBD III.4.1:222 'kuilder' of 'wulp' - wulp (Numenius arquata) ook 'tureluut' genoemd. De wulp (Numenius arquata) is een grote waadvogel van 55 cm, die gemakkelijk te herkennen is aan de lange
omlaag gebogen snavel. Hij heeft een grijs-beige verenkleed en in de vlucht een opvallend witte driehoek op de rug. De zang klinkt jodelend. De wulp komt vrij algemeen voor in vochtig heideland en in moerassen en legt zijn eieren in een kuiltje.
Sch. KUILAART, een vogel in Westvl., ook nog zeesnep genoemd, en in de Kempen: kuilder, kluiter of kluter en zandlooper; in het Fr. heet hij: courli of pluvier dor.

Biks klder zn - wulp (numenius): Rond de Flaes stikte het vroeger
van de klders. Ze legden meestal vier eieren in een kltje. Daarvan
is de naam afgeleid.

Pierre van Beek: in: Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 4 mei 1968, 'Eendegoor en Zwartven'. Over het Zwartven:

"...dan spreidt daar plotseling het grotendeels door bos omringde
Zwartven zijn waterspiegel voor u uit. (...) Het ven is ondiep
en valt menigmaal helemaal droog in de zomermaanden. Zolang dit niet het geval is, houdt er nog de kievit zijn vliegoefeningen, stappen er de kluut en de wulp op hoge poten langs de oever en roept in de lucht de grutto zijn eigen naam."

 

klder, klst

bijvoeglijk naamwoord .

kaler, kaalst

gez. MP Hoe klder/grtter hnd, hoe meer vlooje

comparat./superlat. van 'kaol, met vocaalkrimping

 

kldf

zelfstandig naamwoord.

Houtduif - Columba palumbus palumbus

H. van Rijen (1988): houtduif (Columba palumbus)

ES 2012: Tilburg: vliegende rat

 

kljakker, kaoljakker

zelfstandig naamwoord.

onbemiddelde man die dit poogt te verbergen door heer te spelen

WNT kaaljager (kaoljaoger), aanmatigende arme duivel (Molema)

Verh. KAALJAKKER (koljakker) m. kale neet, opschepper. Z.a.

Biks koljakker zn - kale meneer, kaalhans

 

kollesaol

bijvoeglijk naamwoord

kolossaal

K-B kollesaol

Cees Robben: ene kollesaole niemendal

 

Klleverse
bijvoeglijk naamwoord van het toponiem Krvel
Korvelse
Cees Robben Swels dn lleger spulde/ stlperdenie over den dlleper van de Klleverse kerk.. (19651015)

 

klloosieke

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): sober of karig iets [?]

 

koltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kooltje en bloemkoltje

verkleinwoord  van 'kol', met vocaalkrimping

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  as ge en kltje ht, wilde en trfke teege ('84)-geld trouwt graag geld

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  die en trfke brngt, kmt en kltje teege ('50) - geld trouwt graag geld.

WBD (III.3.3:157) koltjes = houtskool voor het wierookvat

 

kltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kuiltje

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 51) kltje

verkleinwoord  van 'kl', met vocaalkrimping

MP gez. Ze zulle van mn cnte gin kltje mis in de grnd piese.

MP gez. Ge zult van mn gld gin kltjes piese.

Frans Verbunt: 'kltjeknikkere' - knikkerspel

Dan mkte we in et midde vant brd in de boerekol en kltje om de sjuu in te doen. n dan mar britse, meneer. Lkker! n dabbe, n prakke. Gin gepielie. Spaoje! (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Biks kltje knikkeren - spelletje

 

kltjeknikkere

Werkwoord, zwak
bepaald knikkerspel

 

Kom, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

kom, kummeke, kumke

zelfstandig naamwoord.

kom

sauskummeke

WBD III.3.1:317 'kom' of 'dorpskom' = dorpskom, centrum v.h. dorp

WBD III.2.1:186 kom, ook 'komke', kopje of tas

 

komaaf

zelfstandig naamwoord.

afkomst, afstamming

De Wijs -- (Gehoord van 'n oud-papier ophaler: ) Ik z van unne goeje kom-aaf, mar daor z ik van-aaf gekoome (13-07-1966)

WBD goeden kmaaf - goede afstamming (gezegd van een koe), ook genoemd: goeje(n) tuk, goejen aord;

Cees Robben: zotie zeej, is ie van hoge kmaaf;

WBD III.2.2:58 'komaf' = afkomst

Stadsnieuws:
 Dsser wl ene van goeje komaaf, mar ik weet nie waor et meej em nrtoe gao - Die man heeft wel zijn familie mee, maar ik maak me zorgen om zijn toekomst (060808)

WNT I: afleiding van 'afkomen', 'gemeenzame uitdrukking  voor 'afkomst'. WNT VII: 'komaf' in minder beschaafde taal: komf 'Vooral in lagere taalkringen gebezigd en dialectisch zeer verbreid.'

 

kombineetje

zelfstandig naamwoord.

bepaald kledingstuk: rok en blouse en eventueel jasje van dezelfde stof

Naar Franse 'combiner'

ES 2012: kombineeke

 

kom-dis-aon
samentrekking
kom je eens aan; kom je eens bij mij langs
Cees Robben Wanneer kom-dis-aon Anna...? (19640710)

 

komdom
samentrekking van persoonsvorm kom & d = de = je & om
kom je om
Cees Robben Komdom daaier zuute kiendjes..? (19540417)

 

komme
zelfstandig naamwoord, meervoud van kom
figuurlijk voor de borsten van de vrouw
Cees Robben Ze heej n paor flinke kommen op dr kaast staon... (19670616)
 

kommielfoo
bijwoord
uit Frans: comme il faut, zoals het betaamt, correct is
Cees Robben Was oe spraok nie kom-iel-foo..? (19561027)
 

kommies

zelfstandig naamwoord

douanebeambte, grenspolitie

Hij waar aaltij smokkelr gewist en hil w aachternao gezeete gewist dur de kommieze, aggem wot gelve. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

kompelemnt, komplemnt

zelfstandig naamwoord

uit Frans 'compliment'

groet (door bemiddeling van een derde), gewoonlijk in het meervoud

De kmplemnte van ns moeder n f d ge... (inleidende formule, vooral men (iets van) de aangesprokene nodig had)

De Wijs -- (Jongetje belt aan, netjes petje in de hand) Dag mevrouw, de kompelementen van ons moeder en ons moeder hee gevraogget of ge 'ns kke wilt, hoe hard ik kan lpe (Jongen loopt hard weg)  (13-07-1966)

De Wijs -- Doe in ieders geval de kompelemente (23-10-1963)

Cees Robben De kompelemente van ons moeder... (19710604)

Goem. COMPLIMENT - komplemnt znw.o., verkleinwoord
 ...mnke de - doen, - maken; Z.a.

S.G. blz. 86, 111, 113, 182 (aant. Witters)

 

komvort

zelfstandig naamwoord.

Pierre van Beek --  kind dat nauwelijks kan lopen en derhalve aan de hand van een (ongeduldige) moeder wordt voortgetrokken

H. van Rijen (1988): 'kom-vort-knd'

GD07' de waoge meej en plat knd n ng ene komvort dernffe'

Dere meens f kammeraod lopt naa vort aachter de waoge meej en plat knd n, asse en bietje opgeschoote hbben aachter de bddeplaank, ok ng meej ene komvort dernffe. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2007)

Bosch komvortkeind - dreumes die pas heeft leren lopen

 

kondoomooloogie
zelfstandig naamwoord, fantasiewoord van Cees Robben voor verantwoord condoomgebruik
Cees Robben Ik vuul toch wel vur vurlichting en kondomologie en z.. (19720408)
 

konfernsie

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): St. Elisabeth- en St.Vincentiusvereniging, bedeling

 

konfrnsie

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): conferentie, vergadering

 

konnegin

zelfstandig naamwoord.

koningin

Cees Robben: de medllie die ik van de konnegin gekreegen heb

H. van Rijen (1988): konegin

 

konnekteur

zelfstandig naamwoord.

conducteur

Cees Robben Lewie... dn konnekteur (19610929)

 

konningske

zelfstandig naamwoord

koninkje; verkleinwoord van konning

WBD III 4,2:165 lemma Mannetje van de meikever - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor het mannetje van de meikever. Vele respondenten noemen de grotere voelhorens als een onderscheidend kenmerk.
mulder zeldzaam in Tilburg
koninkske zeldzaam Tilburg

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► kappesientje

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

Konningshoeve
toponiem
de wijk Koningshoeven
Cees Robben Koningshoeve... (19561027)

 

Konningswaaj
toponiem
Koningswei; volksbuurt in Tilburg (geheel verdwenen met de renovatie van het centrum)
Cees Robben Koningswaai  (19561027)
Cees Robben Ik ben geboren en getogen/ In de aauwe Koningswaai (19710219)
 

konsiensiestpper

zelfstandig naamwoord.

grote, dikke, propperige aardappel

Daamen - Handschrift 1916:  "conscintiestoppers (heele groote, dikke, propperige aardappels)"

ES 2012: Het woord, zoals door Daamen opgetekend, staat nog steeds in Van Dale, en is in feite geen dialectisch woord. Het heeft echter wel een bijzondere voorgeschiedenis. Het betekent zoveel als iets waarmee men het geweten (conscientie) sust, of gewetensnood tegengaat. het begrip is waarschijnlijk pas een aanduiding voor aardappelen geworden met de publikatie van het boek 'Zes jaren te paard. Herinneringen uit het Hollandsche Dragonderleven' van P. Dekker jr. (1852). Dekker hekelt daarin zeer fel de wantoestanden in het Nederlandse leger. Het boek zelf heb ik niet kunnen inzien, wel een bespreking ervan, waaruit het volgende: "... er [worden] daadzaken in aangevoerd, zoo als omtrent de voeding b.v.; bij wier behandeling verzwegen is den invloed van den hongersnood, door 't mislukken van den aardappeloogst, toen een tijd lang goede aardappelen en zelfs goede erwten niet te bekomen waren, zonder met goud te worden opgewogen..." (Vaderlandsche letteroefeningen, anoniem, 1852)

Dekkers schotschrift riep een reactie op: 'Inspectie over de zes jaren te paard etc.' (1852), waarin J. H. Burlage een tegengeluid laat horen. Onder andere met een passage waarin een officier zijn manschappen juist beschermd heeft tegen het opdrijven van de aardappelprijs: '...den officier [...] die bij de keuring der aardappelen (conscintie-stoppers, zoo als gij ze noemt), er zich geene conscintie van maakte, op de publieke markt, zijn leverancier den degen in de ribben te draaijen, woedend tegen den bedrieger, die zijnen soldaten te kort had willen doen? In mijn tijd noemde men die conscintiestoppers "patrassen," en na 5 dagen dienst, kon ik ze "jassen"...'

Het WNT kent het woord in deze beteknis niet, maar geeft wel, lemma Conscintie: CONSCINTIESTOPPERS, matrozennaam voor bruine boonen.

 

kont, kuntje

zelfstandig naamwoord.

kont

R Van een doorzetter: As die w in zene kop heej, dan heetie et nie in zen knt.

Et zal oew kuntje vaore - het zal tegenvallen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  n ze kltse mar vur zen knt (Daamen - Handschrift 1916) - zonder dat hij luistert

De Wijs -- Ds mieke-muk werk (knoeiwerk). Ge gooit ut veur zn kont. (10-01-1970)

Triske heej en hansjupke aon/ geborduurd meej en hundje/ d is zo hullie moeder zeej/ Fn wrm n dur kuntje... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Slaop)

Wim van Boxtel - Mar gaode ons drpke vergeleeke,/ bij wegger vruger al nie vond./ Dan valde van de alteratie,/ gewoon op oew moderne kont. (uit: Toen en naaw, Brabants Bont, 1979)

Wim van Boxtel - Hij gong nor de kapper,/ omdettie wel moest/ van z'n vrouw, Josefien/ die zigget hum pront/ Tontje, oew haor, hangt/ bekaant op oew kont. (uit: Tontje-de kapper - en zn fiets, Brabants Bont Sprokkels, 1981)

Piet Brock - "Ik z benuut of z't nog holt"./ zi Kees en schupte pront/ meej de teuten van zunne klomp/ 't vreke tegen d'r kont. (uit: t Vreke, Vuurstintjes ktse, 1990)

Henk van Rijen - Tis mar goed d oew kont vastzit, aanders waarde die ok ng kwt

Piet van Beers - W zaate meej ons kont op zonne kaawen harde sten. (uit: Tilburg zingt..., www.CuBra, ca. 2004)

Piet van Beers - Ik neem 'm [de hond] nr de Volkstn meej, hij graoft nr ms f ml./ Hij zit dan, binne krte td, van kp tt kont int hl. (uit: Unne klene grzen hond, www.cubra, ca. 2004)

Piet van Beers - Ons Kee die hee unnen Hrniea, / ze kan der kont nie keere. (uit: Ons Kee, www.cubra, ca. 2004)

Piet van Beers - As ge w aawer wort, z rond de sisteg/ Dan krde mistal bk n ok 'n bietje kont. (uit: Lkker fietse, www.cubra, ca. 2004)

Piet van Beers - Ma Flodder draogt steeds lange rokke/ of leggings, hel strak n der kont. (uit: Ma Flodder, www.cubra, ca. 2004)

Gerard Steijns - Die han dikkels gin rome in der bkske leut, jao zogezeej gineens ene naogel om n der kont te krabbe! (Grot Diktee Tilbrges Taol, 2005)

Frans Verbunt - meense van aadel hbbe gin voor in der kont (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Frans Verbunt - int jaor blok toen de eksters ng gin kont han n deur der ribbe scheete (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Jan Naaijkens - Jos was de goedheid zelf, zo iemand waarvan men zei: "Hij zo zn kont weggeve en zelf dur zn ribbe schte". (Het dorp van onze jeugd, 1999)

Frans Verbunt - oew kled zit zo verfrommeld, et lkent wl f et in den hond zen kont

heej gezeete (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Frans Verbunt - de klnmanne zn nie geboore om de grote in der kont te kke (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Frans Verbunt - hij heej zen kont dichtgeneepe (de man is overleden) (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Frans Verbunt - hij prt nt ffie en vl vur zen kont heej (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Frans Verbunt - ene kontkruper hlt enen brnen rm (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Frans Verbunt - paas mar op d oewe mond nie eer versleeten is as oew kont (gezegd tegen een praatziek persoon) (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Frans Verbunt - strk, ds en lre broek meej en zere kont (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Frans Verbunt - gin zit in et kont (kind dat niet stil blijft zitten) (Het 'zeuvende perbeersel' van het 'Woordeboek van de Tilburgse Taol', 1996)

Ge moest ok zrge dgge nie in opspraok kwaamt, vural ginne praot aachter oew kont krge, want d waar wel et ergste dtter bestond. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Der waren nog aander zusters zat, mar die waare daor te fn vur gebouwd en wiese zo as d zo schon hiet der kont der vanaf te draaie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

W zij in dere kop ha, hasse nie in der kont. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

In allerlei organisaties hasse der kont ingedraaid (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

ik kos verstaandig meej der praote. Et waar gin giechelkont. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Biks 'knt' zn - kont

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  n oew knt gebrduurd ('60) - je kunt de pot op.' Dat kun je net denken

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  prt mar teege men knt, mene kp is ziek ('87)

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - kont frequent in de provincie Noord-Brabant

WBD III.1.1. lemma  bil c.q. dij kont, noordelijk Tilburg

WBD hangknt - hangkont (koe met niet mooi vlak, maar hellend kruis)

WBD slchte knt - slecht paard, ook 'stolper' genoemd

WBD III.1.3:122 'kont' = zitvlak v.e. broek

WBD III.1.4.399 'geen zittende kont hebben' = geen rust hebben

WBD III.2.5:258 'een stuk in zijn kont hebben' = dronken zijn

Antw. KONT znw.v. - Komt, in de platte taal, veel in zegswijzen voor.

kiepeknt - figuur in de nek bij jongenskapsel

 

kontnd

zelfstandig naamwoord.

WBD III.4.3:52 kontnd - ondereinde v.e. stam, ook gatnd, voet of stronk

WBD III.4.3:59 kontnd - boomstronk, ook genoemd: gatnd, post, strk, of knst

 

kontnt, ketnt

bijvoeglijk naamwoord .

H. van Rijen (1988): tevreden

WBD III .1.4:19' zeer content = zeer blij

 

kontenuu

zelfstandig naamwoord.

onafgebroken, (textiel) deel v.h. 'assrtiemnt

 

kontereije
zelfstandig naamwoord
contreien
Cees Robben t mieneke van Jantje Ram/ Moes op gezette tijje/ Vur de vuruitgang naor t Laor.../ Want daor stond vruuger kaant en klaor/ Den bok... der kontereije... (19610929)
 

kontfrt

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.2:322 'kontfruit' = aambeien

 

kontgat

zelfstandig naamwoord

achterwerk

WBD III.1.1. lemma  aars kontgat, uitsluitend opgetekend voor Tilburg en Heeswijk

 

kontkrpe

werkwoord, sterk

WBD III.3.1:259 'kontkruipen', '-likken, -krabben' = vleien

 

kontkrper

zelfstandig naamwoord.

vleier

H. van Rijen (1988): 'kontekrper' - kontkruiper, huichelaar, onderkruiper

Frans Verbunt: ene kontkrper hlt enen brnen rm

WBD III.3.1:260 'kontkruiper, kontkruiperd' = vleier

Bont znw.m. - kontlikker, ergerlijke vleier

Biks kntkriper

Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters:

Kontekriper

'n Kontekriper houdt van slijmen,
wil een wit voetje bij het groot,
z'n maten schopt hij in de goot:
hij weet dat kennelijk te rijmen.

kontspier

zelfstandig naamwoord

sluitspier

WBD III.1.1. lemma sluitspier van de aars Tilburg, Goirle

 

kontwrek

zelfstandig naamwoord

achterwerk van een rund

Audio-opname 1978 -- Dan sneede gij zak zgge van aachtere, boove de koej wier d durgeslaon, zak zgge, d kontwrek zogezeej, dr aachter witte wl, n dan, j, dan moeste diejen nteldrem dert haole n dan lsmaoken n doen n dan viel er hil dieje pns, die viel in ene keer in diejen bak neer! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

Illustratie uit Handboek voor de slager; 1956; onder hoofdredactie van J.W. Baretta,een uitgave vanwege het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.

 

koogel

zelfstandig naamwoord.

kogel

WBD koogel, (Hasselt) koowgel - koot v.e. paard, ook 'haorbaand' genoemd

 

koj, kojke

zelfstandig naamwoord.

kooi

- k Gao naauw nor kooi (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WBD troep, gezegd van dieren, ook genoemd: 'troep', 'klcht', 'klcht,'kudde', 'staw' of 'kudde' of 'hop'

WBD II.4.1:50 'vogelkooike' of 'fejre' -

WBD III.1.2:392 'met een brede kooi lopen' = wijdbeens lopen: ook 'kooien'

WBD III.1.1:133 'kooi' = bekkenholte

WBD lII.1.1.135 'kooike' = schoot

WBD III.4.4:256 'kooi' = menigte, troep

Antw. KOOI znw.v,-kudde, vlucht, Fr. troupe,troupeau,vole

Hft. KOOI, naar ik meen, bij verbastering voor 'kudde' (vnl. v. patrijzen)

Antw. ... In het Bargoens beteekent 'koei' hoop

 

kojlam

bijvoeglijk naamwoord .

Frans Verbunt: uitgeteld

 

kook

zelfstandig naamwoord.

kooksel

WBD (III.2.1:361) kook, kooksel, gekookte 'zooi' = kooksel

 

kooke

Werkwoord, zwak
koken

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): (blz. 38) kooke, (hij) kokt (met vocaalkrimping) (ook blz. 39)

B kooke - kkte - gekkt (Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): 41)

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kkt; imp. kk

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  twaoter zal gaa kooke; t kkt al

WBD koken (van wort in de wortketel, in een brouwerij)

 

kookedoores

zelfstandig naamwoord, naam

H. van Rijen (1988): kwakzalver, goedgelovig iemand

Kokadorus-standbeeld in Amsterdam

Etymologisch

De benoeming is afgeleid van 'Kokadorus', (Leeuwarden, 22 maart 1867 - Amsterdam, 27 mei 1934) de naam van de Amsterdams-Joodse marktkoopman Meyer Linnewiel, die zeer bedreven was in het aanprijzen van zijn koopwaar.

Krantenkop van een artikel uit de Nieuwe Tilburgsche Courant - 3 oktober 1958

 

kookes

zelfstandig naamwoord

cokes - vloerbedekking - cokesmat [kookesmat]

Nuuwe kookes komt er wl/ akkum verinneweer (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op de latte)

 

kooker

zelfstandig naamwoord.

WBD omhulsel v.h. teellid v.d. hengst, ook genoemd (Hasselt) 'koowker'

WBD 'koowker' (Hasselt) - teellid v.d. hengst, ook genoemd 'zaodstrng

WBD 'kooker' - (houten) schede voor slachtersgereedschap

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KOKER. Indien ik wel onderrigt ben, wordt de buis, welke het teellid van eenen hengst bevat, en ook het teellid zelf, hieromstreeks 'koker' genaamd.

 

kookt

zelfstandig naamwoord; waarschijnlijk verfranst Nederlands

Daamen - Handschrift 1916: "koket - 't is 'n goei koket (kookster, kok, keukenmeid)

 

kookwrst

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): rookworst

 

kol, koltje

zelfstandig naamwoord.

kool

Cees Robben: Goej weer veur boerekole-tppestamp meej vrse wrst;

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 plur.: koole (blz. 36)

WBD III.2.3:93 'suikerkool' = spitskool

 

Koole

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Koolen, Jan

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  hij is de rke Jan Koole ('86) gezegd van iemand die het goed gaat (In Tilburg, Eindhoven en Middelbeers zegt men te weten wie Jan Koolen was; de figuur is echter in geheel NoordBrabant en daarbuiten bekend.)

Bijnamenboek Karel de Beer - den zwarte Koole = Adr. Kolen (blz. 50) de rke Jan Koole = Jan Kolen (blz. 50) den dove Koole = ... Kolen (blz. 50)

 

kooleerig

bijwoord

Frans: colre - woede

Den irste keer w'k koleirig worre... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

 

koolekr

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): kolenkar

 

kooleschoepe

zelfstandig naamwoord, alleen meervoud

handen

Ge kost em k nergens aon laote draaien meej die grote koleschoepe van em. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

koome

werkwoord, sterk

komen

koome - kwaam - gekoome; uitsl. stam: ik koom; dan koomet

In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij komt; imp.: kom!

Kees en Bart:  Dan koom et wel in orde

"D komt hier nie bij te paas!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Cees Robben Mar ik koom effe zo getij/ as gij aont nuuwe jaor (19651231)
Cees Robben Ik koom rcht van den berrebier... (19861031)

De Tsunami,/ op twidde Krsdag kwaamie... (Henritte Vunderink; Zuidoost-Azi Vloedgolf 2004; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Dialectenqute 1876 - Waannir komd u bruur jaaw bezuuke?

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  ast kmt, kmmet vruug geng (HM'66) - vervelende dingen komen altijd vlug

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  die nie kmt, wrdt nie getld (HM'66) - afwezigen komen niet in aanmerking

Henk van Rijen te goeje koome - tegemoet komen

WS Agge d doet, dan koomet wl goed.

Oude verleden tijd

- Zoo kwaampe we dan goed muug aon ons ketier aon. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
...en tegen den aovond kwaamp ie er aon. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)
Geen meens kon overigens zeggen, waor al d geld vandaon kwaamp... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
...en gin meensch kwaamp er naor buiten. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)
- Vlee week kwaamp ik op inne mrge thuis van uilie kaant aaf mee innen zwaor gelaoie fielesope. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Zoo kwaamp het... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Van geens gons, gong ut beter as toen we trugkwaampe... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

kon

WBD III.1.1:84 'koon' = jukbeen

 

konegin

koningin

Bijnamenboek Karel de Beer - de konegin van de waaj (Pieta Melis) (blz. 54)

 

koning

zelfstandig naamwoord.

koning

Cees Robben: dan wil ik koning zn

Dialectenqute 1876 - den knning is rk ( van drpel)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):
 de koning zene zoon is k sldaot gewist

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 23) koning

 

Koningswaaj

toponiem

ook: de Waaj

Tilburgse volkswijk die tijdens de vernieuwing van het stadscentrum verdwenen is; het gebied grenzend aan de oostzijde van het Paleis Raadhuis

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):
 de koningswaaj

 

kop

zelfstandig naamwoord.

koop

enen dlle kop = 'n koopje

D kan de kaoje kop nie maoke - daor loop ik nie meej te kop;

 

kope

werkwoord, sterk

kopen

kope - kcht - gekcht - in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij / hij kopt

- p de reutel kope - op de pof kopen

- Vur ene snt kope n en halfke toe. - Snoepgeld besteden in vroeger tijden (1 cent besteden en als toegift een snoepje krijgen van een halve cent).

R.J. 'want tis de lste die we kope'

...want toen ie de preek uitgelee ha waren we net bij n kroegske en daor schoof ie gaauw in om er nog in paor te gaon koope. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben: Waor zn ze die kiendjes tch kope? w kiendjes kope ngao ...;

Cees Robben: ak wir en nuu pt kop, dan kop ik enen hoed;

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  vur en spouke iets gekcht hbbe (Pierre van Beek --  TT '69) -er weinig voor betaald hebben

WBD (III.3.2:183) kope, troeve, aftroeve, slaon = met een troefkaart andre kaarten nemen of slaan

WBD III.2.2:3 'kindje kopen' = zwanger zijn

WBD III.2.2:6 'kopen' = bevallen'; ook '(een) kindje kopen'

 

kooper

zelfstandig naamwoord.

koper (metaal)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  em wl lussen as ie nr kooper smokt (Pierre van Beek --  TT '69) - graag op een borrel getracteerd worden (koper duidt op geld)

 

koper

zelfstandig naamwoord.

koper, hij die koopt

 

kore

zelfstandig naamwoord.

koren

Dialectenqute 1876 - korn (het koorn)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  'ds aander koore' zi de mlder,

WBD I:1402 koore, rg - koren

 

kos

koos

verleden tijd van kiezen

 

Koosje-koosje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
van de naam Koos (Jakobus)

Foto: Regionaal Historisch Centrum Tilburg

 

WTT 2012: Titel van een traditioneel kinderliedje dat door kinderen gezongen werd op 28 december, de feestdag der Onnozele kinderen. De kinderen trokken, net als op 6 januari, Driekoningen, van deur tot deur in de hoop met hun gezang enige beloning te ontvangen. Op 28 december verkleedden zij zich daarbij als grote mensen.

Rolf Janssen (We hebben gezongen en niks gehad, 1986) geeft de tekst van het liedje als volgt:

Koosje Koosje is m'n naom
ik heb 't in m'n broek gedaon
ik zh de helleft ervan verloren
de rest zit in m'n broek gevroren


olie olie van de druiven
laot de droefhed mar verschuiven
laot de droefhed mar vergaon
zet de flessen mar on oew lippen
laot 't stillekes nor binnen wippen
ooh, den vuul ik on m'n hartje
juffrouw, gif me toch 'n kwartje

 

Met deze muzieknotatie:

 

A.J.A.C. van Delft was de eerste die de tekst optekende, en wel in de krantenrubriek Van vroeger dagen, aflevering 122: 'Nog wat Kinderversjes', Nieuwe Tilburgsche Courant, 6 juli 1929. Van Delft geeft de tekst weer in de standaardtaal:

"Ook op 28 December als we Onnoozelen Kinderen vieren (een dag alweder, die door zijn naam tot het volk gesproken heeft, en welke die stoute volksmond daarom ondeugend heeft aangewezen als het patroonsfeest der edelachtbare leden van gemeenteraden) ook op dien
dag ziet men in sommige gezinnen het jongste kind nog "uitgedoscht" (beter gezegd: toegetakeld) met een veel te groote jas van vader of kledingstuk van moeder. Gezongen wordt dan nog volgend Onnoozelenkinderliedje:


Koosje, Koosje, zoo is mijn naam.
Ik ben voor alle dingen bekwaam.
Ik heb mijn ouwers vroeg verloren.
En daar sta ik van bevroren.
Als ik sterf, dan ben ik dood,
Dan lig ik in mijn kistje bloot. *
Dan komen de vogeltjes bij mij zingen,
Dan zal ik uit mijn kistje springen
En als ik spring, dan spring ik snel,
Naar den hemel of naar de hel.
 

Olie, olie, van die druiven,
Laat die droefheid maar verschuiven,
Laat die de droefheid maar vergaan.
Dan zet ik het fleschje al aan mijn lippen,
Dan zal ik het stilletjes naar binnen wippen.
O, wat voel ik het aan mijn hartje.
 

Ik heb gezongen en niks gehad,
Snij een stuk van 't verkensgat,
Snij maar diep, snij maar diep,
Al is 't een vinger diep.


* Anderen zingen voor dezen regel: "Dan lig ik met mijn gatje bloot.""

GG folkloristische gebeurtenis op de dag van Onnozele Kinderen (28 dec.)

Cees Robben:

Cees Robben - Prent van de week, Rooms Leven, 19 januari 1968

Cees Robben [Jong meisje over een te grote jas die ze van moeder gekregen heeft:] t Is net Koosje-Koosje (19680119)

Henk van Rijen ene jas zo grot dk er wl koosje-koosje meej kos gn zinge

H. van Rijen (1988): koosje-koosje - dag der Onnozele kinderen (28 dec.), de dag dat kinderen zich verkleden als volwassene om niet als kind herkend te worden, en zingend langs de deuren gaan.

De Wijs -- Ws d naa wir mee die maksie maantels, t lekt net koosje, koosje (10-01-1970)

WBD (III.3.2:298) koosje koosje = Onnozelekinderendag

Zie ook: Gerard Steijns, Ik zal zinge hil men lve, Tilburgs liedboek (2006; p. 60-61)

 

kot

zelfstandig naamwoord.

koot, gewricht

WBD Hasselts 'koowt' - vetlok (aan een paardebeen), ook 'vtlk' genoemd

WBD 'koot', (Hasselt)'koowt' - boelee (aan een paardebeen), in Hasselt ook 'vtlk' genoemd

WBD ooverkoot zn/staon (m.b.t. een paard) - als de kogel naar voren doorknikt, ook genoemd (Hasselt) 'oowverkoowteg zn'

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  in de koot schiete (R'69) - in orde komen

WNT KOOT - gewricht, gewrichtsknobbel

WBD III.1.1:133 'koot' = bekkenholte

WBD III.1.1:159 'kootje' = vingerkootje

 

kooverkooke

ook: koeverkoot
zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van kooverkoo
uit Engels covered coat, halflange overjas
Cees Robben Ik docht ik laot mn koo-ver-kooke mar is uit en ik trek mee dees weer mn miezezonneke mar is aon... (19740322)
 

kp, kpke

zelfstandig naamwoord.

kop, hoofd

WBD broodkorst (aan de beide uiteinden van het brood)

R Van een doorzetter: As die w in zene kp heej, heetie et nie in zen knt

R Antwoord op 'D lus ik nie'; As get nie lust dan legter oewe kp mar nffe.

Van Delft - De melkboer interrumpeert: "Naa, gij bent ok 'n schn", doch mondvlug antwoordt de ander: "Mr as 'k znne kop ha as gij, liep ik er direct onder uit", en de ander gekscheert daarop weer goedig: "W? As ge zn faosie had as ikke, liepte van verwaondht neffe oew schoene."(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Van Delft - Als het ware eenigszins ter vertroosting bij een gebeurtenis, een feit, dat niet meer te verhelpen of te veranderen is, klinkt het: "Al gingde op oewe kop staon"; ook wel: "Al trokte de kaaien uit den grond", het helpt toch niet. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Van Delft - Mijn man wordt "los van kop": Hij wordt kort van memorie. Hij wordt kort van geheugen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

gez.MP Die prt oe de blnen p oewe kp.

Cees Robben:10 (blz. 43) 'en ons kupkes - schutters - eugskes gluurden'

Cees Robben n schuchtere blom steeket kpke omhoog (19570309)
Cees Robben [Hij] hee gin kaoikes in zn kpke. Nee mar herses.. (19540522)

gez. Pierre van Beek --  kp p start - met gesloten beurzen (b.v. bij woningruil). (Tilburgse Taaklplastiek 167)

gez. Pierre van Beek --  meej ene kaoje kp = boos (b.v. weglopen) (Tilburgse Taaklplastiek 169)

Pierre van Beek --  z zt as tien kp jn (Tilburgse Taaklplastiek 176)

gez. MM Ene kp as nen hktoolieter n gin mtje verstaand.

WBD kp - kop (deel v.d. huid dat de kop bedekte; II 590)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KOP is bij de landlieden algemeen in gebruik van het 'hoofd'. Z.a.

Pierre van Beek --  Hij wit nie waor zene kp stao (overbelasting)

Verhoeff kop = 4,7 liter (= 4 maatjes)

Pierre van Beek --  kp = 4 kg aardappels: en kp rpel

Pierre van Beek --  et hog in de kp hbbe - verwaand zijn

Dialectenqute 1876 - hij schudde ongeleuvig z'nen kop - ... zijn hoofd

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  waor ge zlf not kmt, wrdt oewe kop nie gewaase (Kn'50) - red je zelf, anderen doen het niet voor je

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  der stao ne kp p, mar aanders han ze der nt z goed ene knl p kunne ztte ('68)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  kp p strt rle (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '73) - met gesloten beurzen afrekenen

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  zne brrevoetse kp hbbe dtter alle vliege de ben p breeke (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '68) - originele beeldspraak over kaalheid

WBD I:1470 bladerkroon v.e. biet: kppe, 'toppə', 'peejloof'

H. van Rijen (1988): hij wit nie waor zene kp stao - hij heeft veel beslommeringen, zorgen

H. van Rijen (1988): hij lopt aatij meej zene kp int zak - ... met gebogen hoofd 

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kp Vezummere = J. van Zummeren (blz. 85)

WBD III.1.4:175 'een kop zijn' = koppig zijn

WBD III.4.4:298 'kop' = liter, ook 'kopke' of 'kan'; 'kop' = vijf liter

Stadsnieuws:  Ge mt er ene laote bakke, dan kunde zene kp afbte assie nie bevalt (050306)

Toen kchte rpel bij de klaaiboer/ vur en paor stvers de kp/ mar teegesworrig lpt den rpel/ toe ene gulde de kieloo p. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De prs van drpel)

 

kpbreekeswrk

zelfstandig naamwoord.

hersenwerk

Henk van Rijen hij heej veul kpbreekeswrk - hij heeft veel hersenwerk

CiT (125) 'Hij hee veul kopbrekeswrk'

 

kpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kopje, kuipje

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
(blz. 52) kop- kpke, resp. verkleinwoord van 'kp' met umlaut, en 'kp' met vocaalkrimping

Cees Robben: Ze staake der kpkes hel ws bij mekaar.

Cees Robben: meej zen kpke int zak; et kpke wir mhog steeke;

Cees Robben: ik zal em (de sok) oover et kpke dichttrkke;

WBD oover et kpke naoje (II:1192) - over (het) kopje naaien (= overhandsen)

WBD (III.2.1:87) 'kopke' = kopje

WBD (III.4.4:298) 'kopje' = liter, ook 'kop' of 'kan'

 

kpklve

werkwoord, zwak

waarschijnlijk het afkluiven van vlees van een dierenkop (konijn?)

alleen aangetroffen op:

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

kopman

zelfstandig naamwoord.

koopman

Cees Robben: '... zeej d'n kopman'

 

kppeg

bijvoeglijk naamwoord .

koppig

Dialectenqute 1876 - den ezel is kuppig - de ezel is koppig

 

kppel

zelfstandig naamwoord
twee stuks
Cees Robben Lust ons piskouske n koppel aaikes van de tiet-tiet-tiet... (19840615)
 

kppeltouwke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
WBD (Hasselt) hotlijnt (een touw dat midden onder de kop v.h. paard vastzit aan de schudhalster; de stuurman kan er de richting mee aangeven)

 

kppnt

zelfstandig naamwoord.

Samenst. van 'kp' + 'pnt' - hoofdpijn

Ik krg kppnt van d gewld.

De groote muts blijft in de kaast: die is te zwaor, daor krge ze vort koppent van - zeggen ze - en darrum zette ze liever 'n huudje op. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Tis dekker gin koppnt van krg avvetoe van d gedonderjaog (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

Bont znw.vr. ' koppijnt' - koppijn, hoofdpijn.

Antw. KOPEND znw.o. - bij landb.: Eind v.e. gewent dat tegen den vrrel (dwarsliggend gewent) komt, maar daarvan gescheiden is door een dwarsvoor.

 

kpspaone

zelfstandig naamwoord, meervoud

WBD (Hasselt) - haamoren, de beide boven het haam uitstekende delen

 

kopt

2e + 3e pers. enk. van 'kope', met vocaalkrimping

koopt

MP gez. W nen boer nie knt, d kpt ie nie.

 

kpzeel

zelfstandig naamwoord.

WBD touw aan de horens v.e. koe, ook genoemd 'kptw' of 'kptouw'

Bont kᴐpse.l znw.o.'kopzeel' - zeel dat aan de kop v.e. kalf of koe is bevestigd.

Antw. KOPZEEL (scherpe e) znw.o.-bij slachters: touw, zeel, dat aan den kop der beest gebonden wordt, bij 't slachten

WNT KOPZEEL - touw dat bij het slachten aan den kop v.h. beest gebonden wordt.

 

kpziekte
zelfstandig naamwoord
kopziekte; ziekte van koeien; hypomagnesemie; veroorzaakt door een gebrek aan magnesium in het gras; kan binnen enige uren na de openbaring dodelijk zijn.
Cees Robben Mar naa ze [de koeien] nie gewaaid meuge worre krge ze gin laast van kopziekte... mar wel van stalpte... (19860509)
 

krf, krfke

zelfstandig naamwoord

1. mand

...mee 'ne klont boter in z'ne krf en z'n hart vol zaolige liefde... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
...'n Klein ouwelijk juffrouwke kwaam binnen, mee 'n krf aon den erm. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)
- Waor is de zaolige td gebleve dk mee kurven vol gratis vur niks de vietemienen uit de netuur kos gaon haolen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

R.J. 'meej 'n krfke in d'r'n rm'

Pierre van Beek --  mndjes zn gin krfkes

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): der mske is meej en krfke nr et bs gegaon

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 98) hr dochterken is nr (e)t bos mee eng
krrəfkən om braome te plukke

WBD (III.2.1:133) 'korf' = idem;

WBD (III.2.1:135) 'korf' = marktkorf

Bont znw.m. - korf

Antw. KRF (uitspr. krrəf) znw.m. - korf

2. bedstee met deurtje of klein raampje

3. figuurlijk

Henk van Rijen - krf zonder zrg - zorgeloos iemand

Frans Verbunt: lven t en krf zonder zrg

4. achterwerk

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - korf, in Udenhout.

Cees Robben: de krf omschudde - jongen werpen

 

krk

zelfstandig naamwoord.

kurk

Dialectenqute 1876 - 'n kurreke stupke (u = )

Bont krək, znw.m. - kurk, stop op fles of kruik.

Antw. KRK (uitspr. krrək) m, als voorw. -en als stofnaam - kurk

 

korke

zelfstandig naamwoord. verkleinwoord
koortje

Ons Sjaan is venaovend nr de rippetiesie. Zis teegesworreg onder en korke bij ons in de prchie, vur te zinge meej tvrten n zo meer van die fiste. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2006)

 

korrel

zelfstandig naamwoord.

WBD III.4.4:294 'korrel' = decigram; ook 'korreltje'

WBD III.4.4:149 'zandkorrel' = idem

WBD III.4.4:150 'zandkorreltje', 'korreltje','korreltje zand' = idem

 

kors

zelfstandig naamwoord.

koorts

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 28) uit cluster rts vervalt de t: kors

De Wijs -- Ik mot shep-waoter waant ik hebbet op munnen borstrok en ik wil gin laast krge van de kaoi koorse, aanders begien ik te ijle (17-08-1964)

Cees Robben n slengske in oew neus en firtig krs... (19821001)

Cees Robben Z heet.. om de krs van te krge... (19580201)

Den aandre leej meej firtig krs/ meej griep int liddekaant. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den ene n den aandere)

WBD III.1.2:221 'koortsen' = koorts

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  ik hb wl krs

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 98) ik b w korts

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - krs (blz. 66 en krt.45)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 

krsdaoge

zelfstandig naamwoord, meervoud

H. van Rijen (1988): kerstdagen

 

krsemes, krsmis, krsemes

zelfstandig naamwoord

Kerstmis

WTT 2012 - 'Kerstmis' is in het Nederlands voor het eerst opgetekend in 1274. Het eerste lid 'Kerst' is de gangbare Middelnederlandse naam voor 'Christus'. Daarnaast komen in het Middelnederlands ook reeds de vormen 'Kars', 'Karst', en 'Korst' voor.

WNT - lemma Kerst I - znw. m. Mnl. Kerst (Keerst), Karst (Korst), mnd. Kerst (Karst; Kirst).

WNT - lemma Vrouw - Nae Korsmis soe isser een soe yamerlijcken dinck geschiet des sMaendaechs voer Onser-Liever-Vrouwen-Lichtmis dach, Kron. "Marinburg" 64 [1576].

't Was op een van die vriesaovenden vlak vur Korsmis. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

Cees Robben: ene zaolege krsemes; meej de krsemes ist ppaase geblaoze;

Van Delft - - "In het veurjaor koopen wu een vrreken, een knap vrreke of een trappistevrreke, en als ie het goed gedaon hee, dan gaot ie mee Korsmis op de leer en komt de buurt stuiten en 's avonds op de kaoikes."(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Dialectenqute 1876 - tege Korsemis

Cees Robben Korsemis (19851227)

CiT (66) 'Zaolge Korsmis war'

Bont znw.m. 'Korsmis' - Kerstmis

 

krsje, kostjes

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'krst', met umlaut

korstje

MP gez. Ge zult er beeter van piese as van en krsje brod.

Cees Robben t Krsje kraokt in munne mond... (19600624)

Goed kostjes ete Fraanske, dan kunde laoter goed fluite... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Van Beek - "Er moet wa gedaon worre vur 't ko(r)stje en dan hedde de kruim nog nie". (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Frans Verbunt: kapje van een brood

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 99) dem bok iz in eng krsje gestikt
Biks krsje zn korstje

WBD III.2.3:199 'korstje' (v. brood)

WBD III.1.2:268 'korstje' = roof

 

krst

1. zelfstandig naamwoord

korst

Van Delft - "Ik heb m'nnen grootsten korst brood gegeten" zegt iemand, die aan wil duiden, dat hij reeds op jaren is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 28) van het cluster stj wordt de t verzwegen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt. 57: gerekte vocaal!

2. bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap van 'krt'

kortst

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): (blz. 49) krst

Toen ik linksaaf de VeejnDeej inschoot, de krste roete nr de fietseklder... (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

krt

bijvoeglijk naamwoord .

kort

uitdrukking : zenge te krt doen - zichzelf (financieel) benadelen; zelfmoord plegen

gez. Pierre van Beek --  krt in de kr - kortaangebonden, lichtgeraakt, uit zijn humeur (Tilburgse Taaklplastiek 184)

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): superlatief ► krst
WBD (III.2.1:363) 'kort van nat' = kort koken

 

krtdraojerig
bijvoeglijk naamwoord
kort van draad
Cees Robben Slachter.. Gif men mar n stuk langdraoierig vlees, kortdraoierig gaoter bij ons nie in... (19860801)
 

krtelt

zelfstandig naamwoord.plur.

koteletten

Van Frans 'ctelette', met hypercorrecte r van 'kort'.

Cees Robben As ik vruuger uit de naachtmis kwaam stond t kenn al te pruttele en lagen de kortelette in de pan te kiskassen... (19691212)

Vur heur allen hasse un krteltje gebakken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Goem. KOTELET - kotəlt of kortəlt

Antw. KRTELET znw.v. - verkensribbetje, Fr. ctelette

WNT KOTELET - rib met vleesch v. bep. soorten slachtdieren

 

krtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'kaort'

kaartje

R.J. 'die kekt nor oew kortjes'

WBD III.3.1:413 'kaartje' (treinkaartje, buskaartje) = vervoerbewijs

 

krtoore

zelfstandig naamwoord, plur.

Frans Verbunt: kleine kinderen

H. van Rijen (1988): kinderen

WNT KORTOOR - 1) persoon of dier met korte of gekorte ooren, bepaaldelijk gezegd van paarden.

 

krtstart

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: driftig persoon

WNT KORTSTAART - dier met een korten of gekorten staart, in 't bijzonder zulk een paard.

Haor. KORTSTART - kortstaat: paard met een gecoupeerde staart

 

Krvel

Kaart: D. Zijnen

toponiem

de herdgang, stadswijk Korvel

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  Krvels huukske (bep. wijk)

Actum Tillib. 7:32 - Korvel van 'kurve'? (Smits)

Actum Tillib. 7:33 - Korvel ontstaan uit Korvelo? (Vromans)

op et Krvel f int Zaand,/ den Haajkaant ft Kednt. (Henritte Vunderink, Tilbrg trakteert, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Meej Jan Sanne nr Krvel meejgegaon Fraanske Tuurlings in de Zwijsestraot Sjf Verbunt n de Bredssewg (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

als Kllever

De verwisseling van de R en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie: Van Delft - Een dorpel noemt hij een "dulleper"; een orgel een "ulleger"; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit "Kullever" noemen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Kees en Bart  - 'Kllever', 'Klleverscheweg' (Korvelseweg)

- L -- Wordt met R verwisseld, en omgekeerd. Zulker (zurkel), flamboes (framboos), kellever (kervel), hallever (armvol), enz. (Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon, 1865-1870)

Luister naar het lied 'Krvel, m'n Krvel'

 

Krvels-huukske
toponiem
Korvels hoekje deel van de Tilburgse wijk Korvel
Cees Robben Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Krvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen hfkes en geen hoven. (19651224) De prent gaat over de verstedelijking van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.
 

kos(se)

werkwoord, persoonsvorm

kon(den)

Verleden tijd van 'kunne'

- Ik kos nie begrpe dsse d kosse.

R.J. Nao w praote kos ik binne

Cees Robben Mar as ik ks... begs ik nog eens...! (19560707)
Cees Robben Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belpe (19570119)
Cees Robben Hij pooide m al vur dekkem aon zunne start kos zitten... (19650402)

Cees Robben Bende al getrouwd Piet...? ..Ongebonden is t bist zeej t kelfke.. en t kos rond den schelft... (19650910)

Cees Robben d kosse ze wel heure... (19790803)
Cees Robben ...Mar hij ks me w...! (19801017)
Cees Robben t Kos kaoier... (19860829)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  et kientje was dod vurdset ksse dope

WvM 'da kos nie in Tilburregh'; 'die kos schon speulen'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - ks (blz. 136). Zowel 'kn' als 'ks' gaan op 'konde' terug. 'Ks' is mogelijk geworden doordat 'konde' mouilleerde.

Antw. KOST - 2e hoofdvorm van 'kunnen'

WNT KUNNEN ... Een praet. kost, mv. kosten leest men bij o.a. Huygens.

nevenvorm 'konne'

Dialectenqute 1876 - we konnen nie zien

Kees en Bart: as ze d konnen

 

ksse

werkwoord, zwak
kosten

- ksse - kste - gekst

W zot ksse? - Wat zou het kosten?

...twee Jode wete krek w 'nen bril moet kosse. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Cees Robben t maag nie te veul kosse... (19781110)

Sjef zeej: D knap ik zlf wl op/ dan ksset oe gin gld. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Doeget zelf....)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  as en vrouw et circusprdje thangt, kst ze veul strooj (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - luxe kost geld

Henk van Rijen d zal hil w krm ksse - dat zal veel energie vergen.

Vliegers plekken deeje we k wel ens. Et pepier mocht nie teveul kosse en de latjes han we dan wel ergens gevonden. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Biks 'koste ww - kosten

 

ksselek

bijvoeglijk naamwoord .

kostbaar, waardevol

en ksselek bildje - een kostbaar beeldje

►zie kstelek

Cees Robben: zo ksselek n fraaj

Cees Robben: ksselek = kostelijk, prachtig, mooi, schitterend

Cees Robben:10 (blz. 33) 'mar ksseluk d waoter'

Henk van Rijen ds en ksselek kedoo, war? - dat is een kostbaar cadeau, nietwaar?

Frans Verbunt: 'kstelek' - waardevol

Mee schrik heb 'k-oe kure lere kenne,/ m'n ksselek kiendje, nog vur d't donker waar. (Lauran Toorians; Blauwke; CuBra; 200?)

Stadsnieuws: N, ge krgt vur oewe verjrdag ginne trein, ds vuste ksselek (040207)

WBD III.3.1:120 'kosselijk' = kostbaar

Haor KSSELEK - kostbaar

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KOSTELIJK voor kostbaar, ook al bij Huygens. Z.a.

Bont bijvoeglijk naamwoord  'kostelijk' van grote waarde; heerlijk, voortreffelijk Antw. KSTELIJK - kostelijk; duur: 'en kstelijke reis

 

kossem

zelfstandig naamwoord

WBD kossem (kwab onder de hals van een rund)

Bont znw.m. kossem (ook gebezigd voor de halskwab van een konijn) .

Antw. KOSSEM znw.m. - halskwabbe van rundvee

WNT KOSSEM - 1) onderkin; 2) halskwab v.e. rund

 

kosseme

werkwoord, persoonsvorm+vn.

konden wij

Versmelting van ww-uitgang (n) met pers.vn (w) levert m op.

 

ksset
samentrekking
kost het
Cees Robben Hoeveul kosset.. vroeg ze zuinig (19620413)

 

kossie
samentrekking van verleden tijd enkelvoud van kunne en persoonlijk voornaamwoord hij
kon hij
Cees Robben Nee, die kossie nie gebruike (19571214)
 

kst

zelfstandig naamwoord.

eten

goeje kst - voedzaam eten

- uitdrukking  ginne kst - ondoenlijk werk

Cees Robben kost en kleer. Kost en kleding. (19540213)

Verh. kost, m. eten enz.; in de uitdrukking  't is ginne kost - dat is niet te doen, een onhoudbare toestand.

Antw. KOST znw.m. - spijs, voedsel

 

koste

samentrekking

kon je

Henk van Rijen - hoe koste erin? - hoe kon je binnenkomen?

 

kstelek

bijvoeglijk naamwoord .

kostbaar, waardevol

►zie ksselek

Cees Robben Wddisser de lente toch kstelijk war! (19540424)

Frans Verbunt: kstelek waardevol

Antw. Kstelijk kostbaar; duur: en kstelijke reis

 

ksselekst
verzelfstandigde vorm van de overtreffende trap van kstelek
het kostelijkste, het lekkerste
Cees Robben - Wilde van de vang of t vurstuk.../ Nierkes.. t Kostelijks van al... [van het varken] (19550205)
 

kster

zelfstandig naamwoord

koster

De kster hee dees truuk utgedocht dus gift on de kster w vur de kster is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

MP gez. Ksters koej maag pt krkhf waaje.

Cees Robben Koenraadje, dn kster (19570713)
Cees Robben Toon den kster (19641231)
Cees Robben [Priester:] Moet ik de Prefatie zingen, kster..? [Koster:] N, paoter, t is vandaog n stille mis... We zingen alleen mar w mpkes... (19810619)
Cees Robben Dilletrieke laamp is kepot, kster... (19750425)

Pierre van Beek --  gez. Ik hb die stm not geheurd, zi de kster, n de gt stnd p et koor (Tilburgse Taaklplastiek 131)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  de kster ljt vur de precssie

Bijnamenboek Karel de Beer - et ksterke = Alb. Pessers (63)

WBD (III.3:112) ksterin = kosteres

WNT KOSTER, kuster

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KUSTER voor 'koster'. Beide bij Kiliaan. Daar het woord van het Lat. custos gevormd is, komt 'kuster' nader aan den oorsprong.

Bont znw.m. 'kster' - koster

Antw. KSTER znw.m. - koster

kster -  volksliedjes over de koster op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

kstgnger

zelfstandig naamwoord.

kostganger

Kees en Bart: kstgnger

Bont znw.m. 'kostgenger' - kostganger

 

kt

zelfstandig naamwoord.

hok, krot, gevangenis

uitdrukking  et kt is te kln - er komen problemen

As nze paa d zie, dan is et kt te kln

Schaai tch t meens, ik z raozend/ kweet nie waork et zuuke mt/ bij ons zn ze n et vrve/ khb gin aord mir in men kt. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den hrt op)

Henk van Rijen ge gaot vur et kt kept - je verliest op het nippertje

Frans Verbunt: mekaar et kt ut vchte

WBD III.1.3:242 'kot', 'knol' of 'gat' - gat in een kous

Bont znw.o. 'kot' - hok, verblijfplaats v. dieren (en ook wel v.mensen)

Antw. KOT znw.o. - opening, gat, hol; vklw. kotteken, kotje, ktje Biks 'kot' zn - kot

WNT KOT - 1) klein en armoedig huis, hut; 2) kleine boerderij of klein boerenhuis; 3) kroeg, bordeel en derg.; 4) benaming voor een gedeelte v.e. huis

 

ktje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
klein kot

-- verkleinwoord  van 'kt', met umlaut

Antw. KTJE of kotje of kotteken

 

kttegissemus

zelfstandig naamwoord.

catechismus - katechismus

De kttegissemus moeste van bte knne. - De catechismus moest je uit het hoofd kennen.

...consciencie, d stond in den aawe kottechiesmus en 't beteekent geweten. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  et zn nie aaltij de braafst, die et irst den kttegissemus knne (Pierre van Beek --  TT7?) [onleesbaar] - Fraaie theorie wordt niet altijd door gelijke praktijk bevestigd. WBD III.3.3:336 'catechismus', ook: 'catechisles'

 

koud

bijvoeglijk naamwoord .

komt voor naast kaaw

gez. MP Koud, d ist pas as den boer s scht.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaaw (predicatief): het is koud (blz. 14) resp. kaawt in T noordoost.

 

kous

zelfstandig naamwoord.

kous

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Hij [de pastoor op de preekstoel] h 't over bloote nekken, vleeschkleurige kouskes, te duur kleer, polka haor enz., afijn, hij w eigenlijk zeggen d 't er vul te veul geneuk in de wereld is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  trk mar p meej oew zije kouse (Daamen - Handschrift 1916) - wees maar niet zo veeleisend (zijden kousen werden door deftige mensen gedragen) 

Frans Verbunt: kouse zo dun as jnschlle

H. van Rijen (1988): 'kaws'

zie Dossier Fiel-de-ks

 

kousenbraajer

zelfstandig naamwoord.

WBD paard dat onder het stappen de benen kruiselings plaatst

WBD III.1.5:234 'breikous' = gebreide kous

 

kouwsjer

bijwoord

koosjer

-- D was zogezeej kouwsjer slachte. De Joode die mooge niks slachte of der kwaam ene rabbie bij. (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  


Van kaaj- tot kiezelgoer

Van kraaj tot kwltje

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

koej


Schilderij van Willem Roelofs - Koeien drenken (detail)

Krvel 

Kaart: D. Zijnen

Luister naar het lied 'Krvel, m'n Krvel'

 

kster -  volksliedjes over de koster op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

knrrie

Piet Heerkens - De knaorrie - 1949

klttere

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)