INHOUD - WTT -
HOME

De start van het Woordenboek van de Tilburgse Taal werd in 2013 mede mogelijk gemaakt door

 

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

 

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y


De letter L

is voor het laatst aangepast en aangevuld op 8 september 2023. De redactie is nog niet voltooid.


A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

 

WTT

Redactie: Ed Schilders, Hans Hessels

Gebaseerd op de verzameling Tiburgse dialectwoorden van

Wil Sterenborg

 

Van laag tot luwke

laag

zelfstandig naamwoord

de lach

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Hij zeej (tegenwoordige tijd) et meej ne laag; hij zigget (verleden tijd) meej ne laag
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - Et kiendje schot al in zene laag
- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'hij schoot in 'nen laach'

- Piet Heerkens; uit: De Mus, Mijn deuntje, 1939 -  Toen schoot ik hardop in m'ne laach...

- Cees Robben - Dan komt unne laach om mn lippe... (19570706)

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk - la.ch 'in z'ne laach schiejte'

 

laag

werkwoordsvorm

1. lag = verleden tijd van 'ligge'

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Et laag ernffe - het lag ernaast

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 40) Er treedt geen vocaalkrimping op: laagde (lag je)

- Dialectenqute 1876 - ze laage op den grond - zij lagen op den grond

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LAAG - 2e hoofdvorm van 'liggen'

2. gebiedende wijs van 'laache' = lachen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 (blz. 66) imperatief [van lachen]: laagt/ laag

 

laage

werkwoord, zwak

lachen

de uitspraak van de G varieert

1. Uitspraak met zachte G

- laage - laagde - gelaage

- Voorbeeld systeemkaart Wil Sterenborg - Daor moete nie meej laage.

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'gelagen'

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd, Oome Teun op collecte, feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939 - Laagen en borden kapot laoten vallen kos ze [het keukenmeisje] nog et best!

- Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945 - KAREL. J, en soms begiene ze nog te schne k! SJAREL. Och, Karel, daor kunne me ok beter mee laage dan schreuwe. Ge mokt naaw eemel van meensche gin Trappiste

- Cees Robben - Meude hier nie laage...? [in de wachtkamer van de tandarts] (19691205)

- Cees Robben - Van schreuwe tot laage... (19570112)

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941)

"Ehum!" dee de paoter en 't kwaoken hield op

en de kinkenduut laag daor te loere,

mee puilende oogen en laagenden mond

- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken?, Dl. 2, Tilburg 2007 - iedern zaat zen ge kepot te laage.

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - la.gə(n) zw.ww. (vd. gelaagd) intr. - lachen 'Ik laagden da'k schokte'.

- 2020 - Tegen iemand die hem of haar hard uitlacht in gezelschap: - der laagt niemand as gij! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: klik hier

- 2020 - Als het erg druk is op een feest of bijeenkomst: - hier moete in de lngte laage! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006).

Volledige bron: klik hier

2. Uitspraak met scherpe G = CH

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996 - laache - laachte - gelaache

- Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - En laachen van 't begin tt 't end.

- Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926 - 't wordt laachen en schreuwen;

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'de mus laachde'

- Cees Robben - Dan laach ik... (19570706)

Uitdrukkingen e.d.

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Agge oewge nie kietelt, dan laagde not.

- schaojlek laage - overdreven lachen

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - laagende mundjes zn btende hundjes (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - waarschuwing: vertrouw vriendelijke mensen niet altijd.

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - tis nt prmzuur znder laage (Si'69) - gezegd van iemand die vaak lelijk kijkt

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - ek z ng vr van laage, zi de brd, n ze schruwde - ik ben nog lang niet waar ik moet zijn.

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - et laagend rggebrod = Schoenmakers (blz. 70)

- Informant Toine Raaijmakers - Die laacht ng nie as ie ne scheet/strnt teege de muur omhoog zie krpe (m.b.t. een zuurpruim)

- Pierre van Beek "Wocht 'ns efkes, zeej de bruid, 't is nog wijd van laachen!", een uitdrukking, die betekent, dat men geen "Hei!" moet roepen vr men over de brug is. Zolang de bruid nog de bruid en het huwelijk nog niet gesloten is, kan er immers altijd iets tussen komen, waardoor het "afketst". Een wijsheid, die maar al te velen uit de ervaring geput hebben. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

- Cees Robben - ge laacht net as n gt op gummi-hakke... (19650305)

3. Zelfstandig gebruik

Geluk is 't laage van 'n hart vol liefde (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941)

 

laaj

zelfstandig naamwoord

lei, plaat van leisteen

lei (om op te schrijven, in het bijzonder in het onderwijs op de lagereschool, hier in oneigenlijk gebruik als strafmiddel)

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - ...n agge oover die schaansmuur zo es en stintje ooverheene gojde n hij, hij zaag d, dan moeste binnekoome in de klas n dan moeste meej oew haande vurrt gn staon n dan leejie er en paor laajen op n dan stond ie er meej en Spns rietje, stond ie erbij dgge oew haande n as ge ze drft te zakke sloeg ie er lke keer onder! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

figuurlijk als aantekening om een kleine schuld vast te leggen

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - laaj - lei, looprek. Zt et mar op de laaj - op de rekening

- Dialectenqute 1876 - op de laai

looprek voor kinderen

- WBD - III.2.2:32 'lei' = looprek

- Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - laaj zelfstandig naamwoord - looprek

- WNT, lemma Lei II - Misschien mag men hetzelfde woord in een andere uit leiding voortgekomen bet. zien in het brabantse lei in den zin van toestel waarin men kinderen leert loopen; of is dit eene verkorting van het daarnaast gebruikelijke leiwagen en leikorf?

 

Laaj

toponiem

riviertje de Leij (Ley)

dossier Ley

- Dialectenqute 1876 - Hij dokkelt in de Laai

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek), Nieuwe Tilburgsche Courant, Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929) - Ik vergeet d [wieler]bontje nie gemak omd 't-er nog iets bezunders bij was. On den aachterkaant stromde 'n klein revierke, de Laai.

- Piet Heerkens, uit: De Mus, Tussen de blumkes, 1939 - Daor liep er eens 'n jungske / te fluite langs de Laai / en al de blumkes bloosden blij / die er bloeiden in de waai.

- Cees Robben - Mar ochrum langs de Laai/ Liggen naa verbraande waai... (19570704)

- Cees Robben - Aon de kaanten van de Laai/ Kan t schn zn en z fraai... (19570704)

- Cees Robben - Enkel kender in de Laai/ Dokkelen w in dn braai (19570704)

- Cees Robben - Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

- Cees Robben - Ik z mee mn mokkel in de Laai wiste dokkele... (19850607)

- Cees Robben - Hier aon de oevers van de Laaij/ Ben ik geboren... In de waaij/ Heb ik gespuld.. en blom geplukt.../ En hier... z zong ie as verrukt.. / (Swels dettie Dientje kuste)/ Moet laoter men gebinte rusten... (19590815)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 02 02 - Daogiender pruttelt en krabbelt de vuile Laai...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 06 03 - Vier aovenden d'n kker in / Dur bossen en dur haai / Mersjeeren langs d'n Buunder / t Baksven en langs de Laai.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Ge kunt wir fn doen wgge wilt / 's Mrges lekker lang slaopen / Of mee de knder naor de Laai / Om maastappels te raopen...

- Interview Jolen - 1978 - ..nne toen waare ze nt springe! Oover waoter, oover en waoterke, en lop, ik zal mar zgge de Laaj f zoiets, h. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps, transcriptie Hans Hessels, 2015 - In de Laaj hb ik zwmme geleerd! Nouw moete gij es goed kke! De Laaj is niks mir!

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - N daor zo nog veul waoter dur de Laai strome vur d

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de laaj (waternaam); Laajpark

 

laajbaand

zelfstandig naamwoord

leiband

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - (over n hond die weigert op straat te poepen: ) ik haaw m aon de leibaand en nog leetie 'm aaltij op de kaaibaand (09-04-1973)

- Cees Robben - Ik haauw m [de hond] aon de laaibaand.. En nog leettiem op de kaaibaand... (19760430)

- Ed Schilders, W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009 - Mar de schonste hundjesprnt van Keese is dees: Meej n bske d zunnen hond tlaot, en n vraauw die daor iets op aon te mrreke heej. Wrop t bske teege die vraauw zeej: Naa hk m n de laaibaand, en naa leetie m tch ng op de kaaibaand.

 

laajbom

zelfstandig naamwoord

leiboom

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - boom waarvan de takken geleid worden/werden, bijvoorbeeld de linden vr een boerderij

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEIBOOM zelfstandig naamwoord mannelijk - boom die langs een gelint of eenen muur opgeleid wordt

 

laaje

werkwoord, zwak

leiden

- WBD - 'lije' (lei), c.q. 'voermanne' - besturen (leiden van een paard dat de kar trekt

- WBD - 'in de lsse strnge lije; laaje - (een paard) losgetuigd leiden

- Dialectenqute 1887 Willems - laaje - laajde - gelaajd
- WBD - (hs K 185) 'hdde ze al gelaajd' - is ze al bij de bok geweest?' (=Daamen, Handschrift 1916)

- Cees Robben: Jllie nr den heemel laaje; 't bisje nie te laaie'
- Dialectenqute 1876 - laaie
- WBD - III.1.4:326 'leiden' = beheren

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - GELE(D)EN - 3e hoofdvorm van 'leiden'

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEE - (zachte e) 2e hoofdvorm van 'leiden'; daarnaast: leidde

 

laajsel

zelfstandig naamwoord

leidsel

Henk van Rijen - teugels, leidsels

- WNT - LEIDSEL - Benaming voor elk der beide riemen of touwen die, aan weerszijden aan het gebid van een paard bevestigd, dienen om het dier te mennen.

 

advertentie 1922

 

laamp, lamp, lmke

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord

lamp, lampje

- Cees Robben - Dilletrieke laamp is kepot, kster... (19750425)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'Z-is zo maoger, d ge ze dur un laampeglas kunt haole'
- Dialectenqute 1887 Willems - laamp: De laamp hangt te braande

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 20) laamp naast lamp

- Ruud Damen & G.W.J. Steijns, Et Buukske (2008) - Stikt de laamp aon! - oversprong-krachtterm

- A.A. Weijnen - Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - laamp (blz. 12); rekking in het grootste deel v. h. Tilb. (blz. 103)

- Piet Heerkens -"Kek naa toch 'ns aon!" Mee die woorden kwaam den herbergier van "'t Hert" in al z'n dikte opzij deur de binnendeur in de kaomer. (In z'n breedte kos ie nie deur de deur deurkome.) "Kek naa toch 'ns aon, vrouw! De laamp drpt heel de taoffel weer vol! 'nen heelen plaas bronolie midden op taoffel. 't Is me hier 'n keet heurre! Ajasses w'n smerlapperij toch!" () "Prosit, Versteeg," zee den herbergier, terwijl ie 'n glas bier veur den burgemister zette, "nimme-nie-kwaollik, d-t-er 'n plek ollie op taoffel lee, want Katrien, de meid, ha de laamp te vol gedaon!" (A. Wibbelt / Piet Heerkens)

- Piet van Beers, website CuBra -

Mar... van lieverleej wrre de daoge al langer
n steeke we de laamp w laoter aon.
Ik zal blij zn as 't wir zo wd is
dk in munne tn nt spitte kan gaon.

- Piet van Beers, website CuBra -

Och, stikt de laamp aon, d kunde nie maoke,
zgge we as wer nie t kunne raoke.

laand

zelfstandig naamwoord

land

- Dialectenqute 1876 - laand

1 land in de betekenis grond

- WBD - bouwland

- WBD - III.4.4:137 'land = veld
- WBD - (Hasselt) tulaand (= teelland) - land

- WBD - III.4.4:137 'land = ook 'platteland'

- Cees Robben - Hij zaat op zn hukkes, en zaag hoe t laand/ mee huiskes bebouwd wier... (19551119)

- Cees Robben - Hij zaag unne boer... verjaogd en op zuuk/ Naor laand ieveraans... (19551119)

2 Begrensd gebied

- Cees Robben - In de schnste stad van t laand (= Nederland). Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tntje van Zundert. De schonste stad van et laand is de volksnaam voor Tilburg. (19540213)
- Cees Robben - Uit het laand van den Hertog [=het Brabant van hertog Jan] (19580308)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - en kaoj' laand, waor et gin meens goed heej (zie volgende)

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006) - 2020 - Op een moment dat je met zn allen ergens van zit te genieten: - slcht laand wr et niemand goed heej! [Cynisch reactie op pessimisme.]

Volledige bron: klik hier

3 Uitdrukkingen e.d.

- A.J.A.C. van Delft - Hij stak niet onder stoelen of banken, dat hij "ook wel eens neven 't potje gepist had" en drukte dat uit door te zeggen: "Ik heb ook wel eens over geploegd laand geloopen." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ngelaand; ze zn wg nrt laand

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - Gin laand oover den dk kunne kope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972)-arm zijn (= land over de Maas in de polder, vruchtbare kleigrond)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - tis en slcht laand, waor et gin man goed gao ('87)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - gin laand oover den dk kunne kope (Midden-Brabant heeft zandgrond; betere grond ligt over de dijk)
- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'K-h-r zo ut laand aon' - Ik heb er zo'n hekel aan.
- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'laand veroovere' - spel waarbij een mes in de grond wordt geworpen
 

laandloper

zelfstandig naamwoord

landloper

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - laandlooper

- WBD - III.1.4:96 'landloper' = vagebond

 

laank, langk

bijwoord

lang

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "de pastoor hee laank geprikt"

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ik heb er laank genog om motten soebatten"

- Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938 - ..."al kwart veur elleve! Verstaandige meensche liggen al laank te bed!"

- Cees Robben - Laank zulde lve... zingen ze meens... (19560707)

- Cees Robben - Laank geleeje (19560929)

- Cees Robben - Daor lfde laank geleej... (19610915)

- Cees Robben - Z laank... (19600701)

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - (gehoord bij brei-bezigheden:) - Ds broddelwerk, die braainolde zn te laank. - t is zunt want ge zt al aon den buknaovel (23-09-1970)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 61 09 08 - Z hdde urelaank gefietst...

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 03 29 - 'n Kwart euw laank.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 64 12 23 - Z'n lve laank ha aauwe Tiest / In 'n huiske gewond / D erges in de Kningswaai / Schf op n huukske stond.

- Interview met de heer De Kok (1978) En dan krege we dan zo langk amme gewrkt hadde vur lk jaor gld. (transcriptie Hans Hessels 2014)

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

laanterfaante

werkwoord, zwak

lanterfanten, leeglopen

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - laanterfaanten

- WNT - LANTERFANTEN - Zijn tijd verbeuzelen, leegloopen.

 

laast

zelfstandig naamwoord

last

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - laast (blz. 107); komt in gedeelte v. h. Tilburgse voor, naast 'dls'? -'geneuk' is synoniem. (blz. 165) zie ook krt. 95.
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - la.st zelfstandig naamwoord mannelijk - last

 

laasteg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

lastig

- Cees Robben: laasteg sekreet! kln ont laasteg vrukseltje d ge zt;
laasteg potstuk - lastpost, vervelend iemand

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord - lastig

 

laastere

werkwoord, zwak

lasteren

- Dialectenqute Willems 1887 - laastere - laasterde - gelaasterd

 

laaw, lauw, louw

lauw, niets

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - sufferd, iemand die niet wijs is

bijvoeglijk naamwoord

- WBD - III.4.4:33 'lauw weer' = idem, ook 'voos weer', 'zacht, zoel'

sufferd, onoplettend iemand; niets

onbepaald voornaamwoord
- Cees Robben - t brengt louw op... (19870619)
- Cees Robben - Dn dikke die zeej dettie louw h gevangen [bij het vissen] (19590801)
- Cees Robben - Bij ons srt daor vangde louw/ Om detter toch niks zit... (19611020)
 

laawe, lauwe, louwe

werkwoord, zwak

kijken, staren, suf kijken, iets bekijken

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - lauwen

- Naarus (pseudoniem van Bernard de Pont) in: Groot Tilburg 1941 & CuBra - ...iets waor ge mee plezier n ketierke naor kunt gaon staon te louwe

- Cees Robben - [Hij] louwde mar w rond (19590530)

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Die meense zullen wel gedocht hebben, w staon die mennekes ons aaltij z aon te louwe.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Ok agge kameraodjes zaagt, die stonden te louwe, moeste net doen of ge ze nie zaagt.

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007 - We louwde ze niemer nao, we zaage ze eigelek niemer.

- Hein Quinten, Tilburgse spreuken, ca. 1990 - Zaagdum laauwe, dun golliepaoper?

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - suffend kijken, onoplettend zijn, bekijken

- F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - Ik bedoel, sinds hullie Kee em gesmeerd is meej dieje portier van kaffee 't Bomstrunkske zittie daor mar w te lauwe n te zpe.

waoges laawe

gaan kijken naar de opbouw van de wagens in de komende carnavalsoptocht of andere openbare attracties

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'Vlak vur karneval g-me aatj waoges laawe'

- Ed Schilders, W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus,  2009 - lk jaor gaok waogeslouwe omdk zo nuuwschiereg z wsse der dees jaor wir van braoje.

- Ed Schilders, W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus,  2009 - In sommige Tilbrgse krke stonne leevendigge krstalle, meej schaope en alles. Daor gingeme louwe

krstalle laawe

- WTT, 2013 - krstalle laawe - gaan kijken naar de kerststallen die in de Tilburgse parochiekerken bij het altaar waren opgezet, in sommige gevallen met levende figuranten.

krmesbaawlouwer

degene die naar het opbouwen van kermisattracties gaat kijken.

- Karel de Beer, website Bijnamenboek op CuBra, 2023 - een groep mannen die in de stad, dagenlang vr het begin van de Tilburgse kermis, de opbouw van de attracties met grote aandacht zit te volgen. Geboeid zijn zij door de behendigheid, ja zelfs acrobatie van de bouwers, terwijl ze ook uitstekend op de hoogte zijn van de technische snufjes in dit metier.

Klik hier voor dit lemma in het Bijnamenboek.

laawuurke

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - de carnavalsstichting kent 't louwuurke.

 

laawer

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - kijker, gaper

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'Gin kopers mar laawers '

- Tillie B.(pseudoniem van Nicole van Wagenberg) uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012 - n enen hillen hop laawers, puubliek, zak mar zgge.

 

laawloene

bijwoord

- WNT - LAUW LOENE zie LOUW LOENE (lou loenen, lauw loene) - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord. Van Bargoense herkomst en door De Vries in navolging van Moormann teruggevoerd op Hebreews lau lonu 'niet aan ons'. Vaak ook aangetroffen als aaneengeschreven verbinding in de vormen lauloenen, louwloene.1) Bedroevend slecht, om te huilen; 2) niets, niemandal.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'Laawloene meej de klp toe' - Helemaal niets/mis

- Dialoog Karel en Sjarel, in Groot Tilburg, 8 december 1944 - Och meensch schaai uit! Ik heb bekaant al den halven wreldbol erveur afgesjouwd. Mar overal: louw loene!

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 11 25 - De cup-wedstrijd van PeeEsVee / Is iets w'k gre zaag / Mar 't zal wel wir louwloene zn / Ajax zee d't nie maag.

 

Laazerus

eigennaam

WNT- lemma LAZARUS - Lazarus is de naam van twee personen in het N.T., den met zweren overdekten bedelaar uit de gelijkenis in Luc. 16, en den broeder van Maria en Martha, die door Jezus uit den dood werd opgewekt (Johann. 11)

- Robben gebruikt de naam voor een aandoening aan de hoofdhuid - Zunne kop is eene Lazerus...

 

(1983-08-26)

 

labberke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

soort van goedkope schaats; etymologie onduidelijk

- Naarus, pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941 - Vlee jaor hamme ieder zon paor labberkes van vf en twintig stuiver, mar naa hemme schotse.

 

labbezoet

zelfstandig naamwoord

wang, oren, klap

uit het Franse 'l'abajoue' of 'La bajoue'; in beide gevallen samentrekking van 'bas' en 'joue', letterlijk: de lage wang, hangwang, wangzak.

- WTT - 2012 - In het Tilburgs niet in die betekenis aangetroffen maar als 'grote oren'. Daarnaast veelal voor een 'klap', waarschijnlijk dus een klap om de oren; ook het werkwoord 'labbezoete' komt in die betekenis voor.

- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; Nieuwe Tilburgsche Courant 1-10-1938 - "Geen oore," riep den rgeltrapper, "hij hee me aanders nog al 'n paor labezoeten aachter z'n kaoke hange!"

Dossier Labbezoe

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ik gaf hem een labbezoet (een klets)"
- WBD - III.1.2:31 'een labbezoet geven' = slaan
- WBD - III.1.2:34 'labbezoet' = slag

- WNT - LABBEZOET bijvoeglijk naamwoord, flauwzoet (verouderd); Als zelfstandig naamwoord gebezigd was labzoet(e) een naam voor een flauwe, niet degelijke vrouw.

 

labendig

bijwoord

- WNT - lemma Labendig - Geweldig, duchtig. In verschillende oostelijke en zuidelijke dialecten gebruikelijk. 

- WTT - 2017 - de volgende bewijsplaats suggereert toch iets anders, maar wat dat is, is niet helder.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - lk weet er labendig regttoevoort geenen raod toe. Daar echter geannoteerd als een bastaardvloek: Bendig , behendig [Huijdecoper]; waar deze bastaardvloek van daan komt, weet ik niet.

- In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: Labendig, waarlijk, wezenlijk.

 

laboerere

werkwoord, zwak

uit Frans: labourer; de grond omploegen; zwaar werk verrichten

- Jan Jaansen, pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 22-4-1939 8-5-1939) - ...die vremde ziekte [...] waoraon ie naa laboereerde.

 

Vicia faba

 

labbon

zelfstandig naamwoord

tuinbonen, vicia faba; 'boeretene' 'knaawbone', 'moffe(l)bone'

► zie dossier tuinboon

- WTT - 2012 - de labboon, en dus geen verbastering van lap-boon

 

 

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier - 1960-1980)

Iederen dag w-d- aanders

Sjaan schpte en mndag op
nou, d rook lang nie gk
Ik hb geschraanst tt k niemir kos
van lapbone meej spk.

Dinsdag was et presies gelk
d zaat nie goed bij mn
mar ze zeej: Man, ge ziet tch wl,
dt moffelbone zn.

En woensdag wir dezlfden hap
ik vuulde me genpt
Ons Sjaan riep: Heej schiet op, ik hb
knaawbone opgeschpt.

Toen et vandaog krk inder was
ging ik pas goed te keer,
ze laachte n zeej: Asteblief,
tnbone vur meneer.

- Piet van Beers, uit Goeje raod - Kees Hnne zeej: "Ik lg zo medene,/ de Labbon, Knaawbon, Boereten n Tnbon in dezelfde rij/ n ik leg er moffelbone bij."

- WBD - III.2.3:84 'labboon' = tuinboon, ook 'flodderboon' 'knauwboon'

- Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - labbne zelfstandig naamwoord - tuinbonen

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - labo'n zelfstandig naamwoord vrouwelijk labboon, tuinboon, grote boon

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LAB-BOONEN, of 'lap-boonen' heet men hier veel de anders zoogenaamde Roomsche-, boeren- of groote boonen.
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - LABBOON - zelfstandig naamwoord vrouwelijk (< ladboon)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LABBOON zelfstandig naamwoord v. - groote tuinboon
- WNT - Vicia faba - 'bezuiden de Moerdijk' (1911)
- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten
- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - labboon - tuinboon (zelfstandig naamwoord l.)

 

laf

bijvoeglijk naamwoord.

- WBD - III.4.4:29 'laf weer', 'lui weer' = benauwd weer

 

lakaaj

zelfstandig naamwoord

lakei

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'lakaai'

 

lam

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

dronken

- Lodewijk van den Bredevoort, pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - Tontje waar me toch lam mar die hatter ok veul t, heurde ik dan.'

 

lambls

zelfstandig naamwoord

bepaald soort olielamp van Belgisch fabrikaat

- Jan Naaijkens, Biks: lampbls zelfstandig naamwoord - petroleumlamp

- WBD - (III.2.1:272) onder 'lampe belge' wordt Tilburg niet genoemd

- WTT - 2012: ook in Tilburg voor de invoering van electriciteit wel degelijk een bekend product, zowel in staande als hangende uitvoering. Het systeem werd in 1884 gepatenteerd door de Belgische firma Lempereur & Bernard. Al in 1885 waren de lampen te koop in Tilburg.

 

Advertentie: Nieuwe Tilburgsche Courant 1885

 

 

 

lamhannese

werkwoord, zwak

- - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ligt d'r nie te lamhanisse (flauw, aklig doen ook wel bedriegen)

 

lamke, lmke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van lamp

lampje

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  uit cluster mpk wordt de p verzwegen

 

lamlndeghei

zelfstandig naamwoord

lamlendigheid
- WBD - III.4.4:325 (zonder het achtervoegsel) 'lamlendig = langzaam'

 

lamme

werkwoord, zwak

- WBD - (Hasselt) lammeren ter wereld brengen

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lamə(n) zw.ww. intr. en tr. - lammeren werpen

► lammere

 

lammer
bijwoord
verbastering van langer
- Cees Robben - Hoe lammer hoe lammer... (19781013)
 

lammere

werkwoord, zwak

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - betalen

► lamme

 

lammeteere

werkwoord, zwak

lamenteren, weeklagen over onwerkelijk leed

...mar gre of nie, ge hed 't te nemen zooas Onze Lieve Heer 't opschept en 't biste is er nie over te lammenteeren. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

- Cees Robben - Ze [de echtgenote] liekont en lammenteert/ en zeurt aon munne kop. (19650507)

- Cees Robben - [soldaat tegen vrouw:] En mocht ik sneevlen... (...) Dan nie gelammenteerd... / Dan zdde gij gebrooid.. Ge wit ik ben goed verastereerd... (19551217)

- Cees Robben - Dus nie gelammenteerd, ik ben (...) goed verastereerd... (19760514)

- Cees Robben - Hier zn al veul kuuskes w steeg en w knorrig/ En fel lamenterend de pp uit gegaon... (1970) [Geen Prent van de week, maar een advertentie bij het zeventigjarig bestaan van Slagerij Ooms]

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 02 05 - As onzen opa lammenteert / Dttie r nie teege kan

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - Z zaat ons Sjaan te lammenteere

Ze heej volgens Lia nog wel staon te lamenteere (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Vruuger zeeje ze d Tilburgers nie ont mar pront zn. f ok wl: Nie lammenteere mar akkedeere. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LAMMETEEREN (met zachte e) - lamenteren, jammeren

 

Typha latifolia

 

lampepoetser

zelfstandig naamwoord

zo genoemd omdat de aar gebruikt kon worden om het glas van olielampen aan de binnenzijde te reinigen

- WBD - III.4.3:411 lampepoetser - lisdodde (Typha latifolia), ook genoemd: lis of lisdt, tompoes of riet
- WBD - III.4.3:412 lampepoetser - aar van de lisdodde, ook genoemd: lisdt, kolf, tompoes of kattestrt

 

lamstraol

zelfstandig naamwoord

lamstraal

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - lammeling, vervelend iemand

 

lang

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - wie et langst lft, heej hil de vl broeke

 

lang

zelfstandig naamwoord

de lengte

- Piet Heerkens, uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944 - Al w'k van d'r weet over Baokels verlee, / d zal ik van boven toe onder

aon llie vertellen in 't lang en in t bree...

 

langbinder

zelfstandig naamwoord

- WBD - koe met hoge poten, ook genoemd 'hogbinder', 'ndiepe koej' of 'lochte koej'

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk langbeender - die lange benen heeft (bijvoorbeeld paard)
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - 350. Ook voor mensen van toepassing.

 

langdraojerig
bijvoeglijk naamwoord
lang van draad, langdradig
- Cees Robben - Slachter.. Gif men mar n stuk langdraoierig vlees, kortdraoierig gaoter bij ons nie in... (19860801)
 

langenaon

bijwoord

langena

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Ze wnen z diep in, as ge denkt degger zt, zedder nog bij langenaon nie (16-01-1975)

 

langt

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

languit

- Cees Robben: Hij schof langt in de geut.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LANGSUIT bw. - ten volle uitgestrekt

 

langs

voorzetsel

naast

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  'daorlangs' (zin 87, blz. 99.)

- Verh. - LANGS vz - niet alleen gebruikt om een beweging parallel met een lengte aan te duiden, maar ook in de betekenis van 'naast', in rust: op school zit ik langs...

 

langsem

bijwoord

langzaam

- Cees Robben - De potternoster gao na hil langsem dur mn vingers.. (19540501)

 

langst

voorzetsel

langs

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "langst - langs"

Want iederendeen die draogt z'n kruis,

en 't hangt in ieder, ieder huis,

en 't stao langst al de wege.

(Piet Heerkens; uit: De Mus, t Kruis, 1939)

Nt as meej Driekoninge wier langst de deure getrokke (circ. Grot diktee 2000)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LANGST (veeltijds gekrompen tot 'last') vz + bw. - Wordt gebruikt om eenvoudig een betrekking v. plaats, een ligging, ook wel om een richting van of naar zekere zijde aan te duiden. Langst den eene kant van de straat staan huizen; langst de waterkant.

- WNT - LANGS, langes, langst

 

lank

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

lang

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - zis jaor laank (sic)

 

lantre

zelfstandig naamwoord

lantaarn, lantaarnpaal

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'lantres' (plur.); 'lanteirn'

- Pierre van Beek - Ge zt ene grote lantre, mar ge gift nie veul licht (uitdrukking ) gezegd tegen iemand die een ander in het licht staat.

- Cees Robben - Wij schudden ons mlderkes mist uit de heg (...) of vonge ze rond de lantre op straot... (19570525)

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - diejen lanternpaol hee ginne td om ut zunnen grondverf te koome (23-09-1970)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 04 04 - / 'n Stuk van de muur afgereeje / En d'n ne lantre kwaam dur dieje klap / Ok mee veul geweld naor beneeje.

- WTT 2023 uitdrukking: Ge zt ene grote lantre, mar ge gift wneg licht. Gezegd tegen iemand die in het licht staat waardoor de ander niet goed ziet.

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - was er zonne man, zon man van et gaslicht ngestld meej zonne lange stk meej zon lmpke veur derin, petrollie, h, en knoetje in meej bronnollie n dan gingie saoves dieje lantre veur in d gtje steeke, de lantren nmaoke.

Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Elie van Schilt; ut was un schn gedenktken, Schn smeewerk, bovenin 5 lanteerns, ik denk det die toen nog op gas braanden, onderaon un hardstnenblok, mee daorin gewerkt un drinkfontein. (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)

- Elie van Schilt; De gaslantrns daor was un menneke veur mee un kort ladderke en poetsgeridschap, die mokte ut glas schn en zette nuuw kouskus in de lantrn as ut nodig was. Die kouskus waren nogal frutdingen, ene trap tegen de lantrn-paol en ut ding was kapot. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

- We han wel straotverlichting, om de 25 meter stond wel zonne gaslantrn, die elke dag aongestoken wier deur ne van de gasfebriek... (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- De gaslantrns han plots gemaokt vur elektriese lampe. D baontje van lantrnopsteker waar dus ok overbodig gewrre, net asset baontje van gasmaoker. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Piet van Beers Beeter licht: Al virteg jaor stond ie hier vur schandaol./ Dieje grze, gebutste lantrepaol. (t lfde buukske, 2010)

- WBD - (III.3.3:264) 'lantaarn', 'lantaarntje', 'flambouw' = flambouw

- WBD - (III.4.3:396) 'lantaarntje' = stijve ogentroost (Euphrasia officinalis)

- WBD - (III.2.1:277) 'lantaarn' = idem

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - lantre (krt.37)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LANTREN zelfstandig naamwoord v. en mannelijk lantaarn
- Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lantre zelfstandig naamwoord - lantaarn
 

lantremnneke

zelfstandig naamwoord (verkleinde vorm)

lantaarnmannetje

lantaarnopsteker

Kinderspotlied op het werk van de lantaarnopstekers: Een, twee, drie lantremenneke / Val mee oe g.... [gat] in t oliekenneke/ Van avond schent de volle maon/ Dus na kunde wel naor huis toe gaon;

(Bij volle maan werden de lantaarns op veel plaatsen niet ontstoken.) Gerard van Leyborgh, geciteerd in Nieuwe Tilburgsche Courant 28-09-1938

 

lantrennsteeker

zelfstandig naamwoord

lantarenopsteker

- Interview Jolen - 1978 - Ik hb aatij veugeltjes gehadin de fejr, aatijik ging ze zllef vangevinkein de DiepestraotSanneke Hns, Sanneke Haans, d was ene lantrennsteeker, die ha zllef ene vinkeslag aachter zenen hfgrote ntte. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

lantrepaol

zelfstandig naamwoord

lantaarnpaal

Henk van Rijen - ek liep meej men harses teegen ene lantrnpaol

 

Ferry van de Zaande-sticker -2013

 

lanzjeej

zelfstandig naamwoord

uit het Franse 'lancier', in het Frans uitgesproken als 'lansjee'

volksdans

- lancier werd in de uitspraak verbasterd tot 'lancee' - 'lanzjee' drie kwartier durende dans met lansiers (gelegerd in Tilburg)
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - Lanzjee (eigenlijk 'lancier') lanciersquadrille

 

laobes
zelfstandig naamwoord

goedzak, 'goeje klot'; lobbes

Anoniem 1959
"Staode daor naauw wir te slaope,
lilleke laobus daor ge daor staot,
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm
Pierre van Beek - 'klossenbak', 'gaoper'

- Cees Robben - W bnde toch unne laobes, Louw... (19820507)

- Cees Robben - J, kket mar nao laobes..! (19870410)

- WBD - III.1.4:64 'goede lobbes' = goedzak

- WNT - VIII 2529 lobben (I), zelfstandig naamwoord verwant met lob (I) 2525/26, dat weer verwant is met o.a. lub en lubberen. Deze woorden betekenen nog steeds volgens het WNT, in het alg. iets kwabbigs, diks, slaps, flodderigs en zijn wsch. van onomatopotische aard

►loebes

 

laoj, laojke

zelfstandig naamwoord

la, lade, laatje

Voorbeels op systeemkaart Sterenborg - Lt d mar in de laoj ligge; lmme naa mar - laat me maar met rust
- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'die zitten bij 't laoike'

- WBD - laojbalk (II:953) - ladebalk van een handweefgetouw (ook: II:981)
- WBD - laoj (II:979) - lade, weeflade, onderdeel van een getouw

- WBD - snllaoj (II:979) - snellade, onderdeel van een getouw; ook wel schietlaoj
- WBD - laojrme, laojrme (II:980) - ladebenen, twee verticale latten aan de weeflade

- WBD - nderlaoj (II:981) - onderlade; ladeboom

- WBD - laojbaon (II:983) - ladebaan: loopvlak van de weefspoel; ook: laojvlakte
- WBD - gladde loaj (II:986) - gladde lade: enkele lade (voor de weefspoel)
- WBD - wissellaoj (II:986) - wissellade (onderdeel van weefgetouw)
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk laoi, laai - lade (in alle bet.) dim.'laoike(n).
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (52) loaj - laojke

 

laoje

werkwoord, zwak

laden

- WBD - mist laoje - mest laden

- WBD - inlaoje (II:1050) - inladen (?) van een nieuwe draad = inlgge, inlei

- Dialectenqute 1887 Willems - laoje - laojde - gelaoje

- WBD - III.4.3:33 laoje - vrucht zetten, c.q. spenen, zetten, dragen, krijgen

- Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - laoje ww - laden

 

laoje n lsse

uitdrukking

eten en naar de wc gaan

- Cees Robben - Korsemis.. Vrede... En toepertoe mar laoie en losse... (19851227)

 

laojelichter

zelfstandig naamwoord

ladenlichter, iemand die steelt uit de la van kassa of tafel

 

Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946

 

laojtffel

zelfstandig naamwoord

ladenkast

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ladetafel (kastje met, gewoonlijk, vier laden).

 

laoke

zelfstandig naamwoord

laken als naam van de stof

- Henk van Rijswijk - Laken: effen en dichte wollen strijkgaren stof, meestal in platbinding of vierschachts satijnbinding geweven, gevold, geruwd, geschoren, gestreken en gedecatiseerd, waardoor een kort naar n richting gestreken glanzend haardek ontstaat. Vooral door het sterk vollen wordt een grote dichtheid verkregen zodat men van de oorspronkelijke draden bijna niets meer kan zien. Afhankelijk van de dikte van de stof, de zwaarte van de stof en het gebruiksdoel komt ook een van de onderstaande specifieke namen voor laken in aanmerking.

Ordinair laken: de meest eenvoudige en lichtste uitvoering.

Biljartlaken: kort geschoren, fijn laken, in groene kleur geverfd. Ketting wollen kamgaren, inslag fijn strijkgaren. Binding 3 schachts ketting- of inslagkeper of 9 schachts schuine ribs.

Grijs keperlaken, dik uitmonsteringslaken, dun uitmonsteringslaken, fijn donker indigolaken, cadettenlaken, zwart laken, uniform laken zijn veel gebruikte namen om onderscheid aan te brengen in de verschillende uitvoeringsvormen. Veel van deze stoffen werden gebruikt als uniformstof voor leger, postbeambten en muziekkorpsen. Veel gebruikt als monnikspijen.

 

 

Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), KLIK Hier

- Ze stonke nr smoutolie, d wl, mar ze mkten ok laoke n ze mkte flenl. n rips, n baaj, n ok mesjster. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- WBD - laoke (II:874) - laken, effen stof met keperbinding geweven

- WBD - biljartlaoke/biljrtlaoke (II:898) - biljartlaken

- WBD - laokewver (II:942) - lakenwever

- WBD - laokeketaaw (II:946) - lakengetouw

- WBD - III.1.4:327: 'de lakens uitdelen' = de baas spelen

overtrek van de matras

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 01 14 - En as t gao 'n paor nuuw laokes / Want 'k h niks mir op m'n bed.

 

laokens

bijvoeglijk naamwoord

van laken stof gemaakt

- Kubke Kladder (pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit 't klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929 - Z'n postuur brengt d trouwens al eenigszins mee. Op 'n paor korte beentjes torst-ie 'n gezellig kogelbuikske waorover 'n laokensche-broek-mee-presenteerblad spant, die z gruun zie alsof er mos op groeit.

 

Laor, 't

toponiem

Het Laar

- 't Tweede bedrijf is de zitting van den Krvelschen gemnteraod, Krvel vurgesteld as stad, mee t Krvelsch Huukske, het Laor en den Berrendijk as vursteen; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

 

laot, laoter

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

laat

- Cees Robben -
Heel laot op den aovend... (19540925)

- Dialectenqute 1876 - 's oaves loat

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij kmt not en menuut te laot
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - laote haover komt ok op

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  ltst, lst en list: superlatieven van 'laot'

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord - laat

 

laote

werkwoord, sterk

laten

met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij lt

- Dialectenqute 1887 Willems - lao'k - laat ik, lmme - laat me, laotewe - laten wij

- Dialectenqute 1887 Willems - laote - liet - gelaote; lomme = laat me; laotewe = laten wij

- Dialectenqute 1876 - Loan m'is 'n lutske proate - laten wij eens keuvelen

- Mar overigens: losse toch betije! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)
- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'L-me naa mar' - Laat mij met rust.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'W klopt, motte laote blve klppe' - Wat goed is, moet je zo laten
- WBD - III.1.1:240 ''laten kijken', 'laten zien' = tonen

- WBD - III.1.1. lemma Geluidloos een wind laten er een laten vliegen Tilburg [als enige plaats van opgave]

laote schiete

werkwoordelijke uitdrukking

het laten schieten; dat wil zeggen: sterven, het leven loslaten; met de ondertoon: het (leven) opgeven

- Cees Robben - Aon de raand van de stad/ Leej unne zaanderige pad/ Nog efkes en dan laot-ie t schiete... Hij is uit de td.. (19580222) [Over de Reitse Hoevenstraat; Robben bedoelt hier de asfaltering van de zandwegen in het toenmalige buitengebied van Tilburg]

- Cees Robben - Laote t lieve lve schiete... (19591031)

- Cees Robben - Ik ben sjuust op de ks [sic] gebid... Want ze heeget laote schiete... (19590328)

- Cees Robben - [Een aanzegger spreekt] - Merie heeget laote schiete.../ Van de mrege om vf uure/ Heese dr gat dichtgeneepe.. (19640605)

 

lap

zelfstandig naamwoord

lap

- A.J.A.C. van Delft - Wanneer iemand een weduwe met veel kinderen trouwt, klinkt het: "Hij durft nogal wat aan. Weet ge hoeveel lappen er op staan?" Als dan de ander het aantal kinderen niet alln 'n bezwaar vindt, verduidelijkt hij zijn meening nog door er aan toe te voegen: "Ja, en 't is toch altijd nog maar opgewarmde potage." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Pierre van Beek Van iemand, die een weduwe met een aantal kinderen trouwt, zegt men, dat hij nogal "w aon durreft omd-t-er zoveul lappen op staon". Met die "lappen" zijn dan de kinderen bedoeld. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

- WTT - 2014 - Ter aanvulling op Van Delft en Van Beek: 'Lap' is in dit gezegde bedoeld als een lap waarmee gaten in kleding worden 'opgelapt'. Het betreft dus jonghe kinderen wier kleding nogal eens versteld was.

 

lap n leur

uitdrukking

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - jan en alleman

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - As lap n leur derge dermeej gn moeje, komt er niks van terchte. - als iedereen zich ermee gaat bemoeien... (290807)

- Marc de Coster, Woordenboek van Populair Taalgebruik - slecht volk, nietswaardige mensen. Oorspr. de marktkramers die met textiel langs de deuren leuren. De uitdrukking komt al voor bij Roemer Visscher (Brabbeling. 1614).

 

lapbone

zelfstandig naamwoord, meervoud van lapbon

lapboon, tuinboon (Vicia faba)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 80 07 10

Ied'ren dag w aanders

 

Ons Sjaan schepte 'n maondag op

Nou, d rk lang nie gek

Ik heb geschraanst toe'k niemir kos

Van lap-bne mee spek.

 

'n Dinsdag was 't presies gelk

D zaat nie goed bij mn

Mar ze zee: "man ge ziet toch wel,

D't moffelbne zn."

 

 'n Woensdag wir dezelfden hap

Ik vuulde me genpt

Ons Sjaan riep: "hee schiet op, ik heb

Knaauwbne opgeschpt.

 

Toen 't vendaog krek inder was

Ging ik pas goed te keer,

Ze laachde en zee: "Asteblief,

Tuinbne vur menheer."

laplaazerus

bijvoeglijk naamwoord.

ten einde toe; suf

Ik hb mengen et laplaazerus gezcht
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - laplaazerus - ongans, stomdronken

 

lappe

werkwoord, zwak

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - bijzetten, de inzet verhogen

- WBD - (III.3.2:22) lappe = extra geld in de pot doen; ook: bijlgge

 

lappeet

zelfstandig naamwoord

vervangende peet
- Cees Robben: lappeet (vervangende peter)

- WBD - III.2.2:92 'lappeet' = plaatsvervangende peter

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LAPPEET zelfstandig naamwoord v-peet of meter die de plaats vervangt v.d.meter die verhinderd is te komen.

 

lappermaand

zelfstandig naamwoord

lappenmand, ziekbed

- Pierre van Beek - Hij is in de lappermand. - Het is met zijn gezondheid niet in orde, zodat er iets aan gedaan moet worden. - Hij is aan de sukkel. (Deze laatste uitdrukking kan ook op moeilijkheden in zaken slaan). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

lapzoet

zelfstandig naamwoord

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lapzoet - flauwe akelige vent"

Sch. LAPPIS, LAPIS - kinderachtige jongen (Limb.)

 

Schilderij van Gerard Portielje - 19e eeuw - Een goed glas wijn (detail)

Latn

zelfstandig naamwoord

Latijn

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - Latn drinkt wn (Kn '34) - mensen met een gymnasiumopleiding drinken wijn

 

lauwe

laawe

 

lawaaj

zelfstandig naamwoord

lawaai

in het Tilburgs meestal lewaaj

► lewaaj, lawaaj en samenstellingen

► lawt

 

lawaaje

werkwoord, zwak

lawaai maken

- A.J.A.C. van Delft - Boerejongens mee rooie zakdoeken om derre nek en boeremeiden, die kwekten en lawaaiden d heuren en zien oe vergong! (Nieuwe Tilburgsche Courant, 5 dec. 1929)

 

lawt

ook: lawaai, lewaai

zelfstandig naamwoord

laweit, lawaai

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ge mot do'r zo'n lawait nie moaken (geweld, rumoer)"
- WBD - III.4.4:244 'laweit = lawaai, ook geweld , 'spektakel'

EWN 'Met het oorspronkelijk Amsterdamse woord lawaai heeft laweit etymologisch niets te maken.' z.o. Dozy en Lokotsch.

- WNT - LAWEIT - lawijt, laweet, lauweit; een ten Z. van de Moerdijk alg. gebruikelijk woord van onbekenden oorsprong. 2) rumoer, spektakel, lawaai

 

Ldderom

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Ledderom, van

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - Van Ldderm zn (Daamen, Handschrift 1916), - goed zijn, raak zijn (v. Ledderom was een spullebaas op de kermis)

 

led

zelfstandig naamwoord

leed

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - meej led n vret gegaon (Kn'50) - (WS:) hoewel sjiek, toch gebukt onder (financile) zorgen, of lichamelijk lijdend (?)

 

leedekaant

zelfstandig naamwoord

ledikant

uit Frans: lit de camp, 'veldbed' en/of 'lit de champ'

- de uitspraak is algemeen vanaf de 16de eeuw, en later regionaal bepaald; het - WNT - lemma Ledikant - geeft:

- WNT - lemma Ledikant, 1912 - sinds de 16de eeuw alleen ledekant en ledikant (het laatste werd afgekeurd door HUYDECOPER, Pr. 2, 180 volgg.) Thans is het woord in de volkstaal van het Zuiden onbekend.
Ledekant, oft lidekant, veltkoetse. Vn lict de champ, PLANT. [1573].
Rijst Aurore bleeck en bestorven uit de saffrane ledekant van haren Tithon, VONDEL 5, 87 [1646]. Artikel gepubliceerd in 1912.


Nieuwe Tilburgsche Couant 9-10-1886

 

lf, lfke

zelfstandig naamwoord

lijf

- WBD - baarmoeder van de koe

- WBD - (Hasselts) het middendeel van het paard, ook genoemd (Hasselt:) 'midderib' of elders: 'middehaand, 'middelhaand'

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
Ge meugt alles mee me doen, as ge mar van mn lf afblft (27-12-1968)

Cees Robben: Ge meugt meej me doen w ge wilt, agge mar van men lf afblft.
Cees Robben: Naa moete den draank vrt t oew lf laote

Cees Robben: Hij heej den hits in zen lf; we hn allebaaj den hits in ns lf;
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - wie de vrouw trouwt om et leef, haawt et weef mar nie et leef
WvM 'deur mun layf'

Cees Robben: 'de meensen vroegen 'm z'n hemd van 't lf aaf'
- WBD - III.1.1:6 'lijf' = lijf: ook: 'flikker'
- WBD - III.1.1:120 'lijf' =buik; ook 'pens'

 

lfmieljeu

zelfstandig naamwoord

levensmilieu

- Cees Robben - hiegiejne... lfmieljeu (19701016)

 

lftocht

zelfstandig naamwoord

- WBD - (Korvel) - koekje dat veulens bij de geboorte in de mond hebben, elders 'plske' genoemd

- WNT - LEEFTOCHT (in Mnl. lijftocht) - collectieve benaming voor spijs en drank in 't bijz. voor de proviand die vereischt wordt voor...

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - zie LEEFKOEK

 

leeg

bijvoeglijk naamwoord.

leeg, ledig

- WBD - (van een koe) niet bevrucht bij de dekking, ook 'verlope' of 'leejg'

D'r geduld waar leeg. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938)

leege kaorte - speelkaartje zonder prentje

- WBD - leeg (van een merrie) - niet drachtig, ook 'gust' genoemd of (Hasselt) 'nie behaawe'
Cees Robben: mar jou prtemenee is leeg;
- WBD - III.1.4:439 'leeg' - sober
- WBD - III.4.4:200 'leeg' = leeg, verlaten

 

leegsjaak

zelfstandig naamwoord, mannelijk

leegloper, profiteur

- De hlleft van mn tkering gao fort nr die leegsjake. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

leg
zelfstandig naamwoord; de lagere klasse
- Cees Robben - Van hg toe lg (19651224)
 

leg, leger, legst

bijvoeglijk naamwoord.

laag

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - D zn daor zn lege hskes dgge wl plat mt praote; aanders kunde nie binne
Cees Robben: n hij zingt en tntje leger;

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij zong hil leg: toe et wit zaand toe - met een heel lage basstem. (070710)

- Dialectenqute 1876 - leeg (scherpe klinker)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - alles zit en verdieping te leg (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 71) - gezegd van een vrouw met hangborsten en een hangbuik
- WBD - leger hange (II:1011) - de weefkam lager hangen
- WBD - 'leege klompen', - lage klompen
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - hij zong hil leg: toe er wit zaand toe
- WBD - III.1.4:70 'leeg' (sic) = eenvoudig
- WBD - III.1.4:76 'laag' = gemeen

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LEEG voor 'laag'; men vindt dit ook veel bij oude schrijvers.
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bnw - laag

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEEG (scherpe e) bvw - hetzelfde als Holl. 'laag'
- WNT - LAAG, gewestelijk ook LEEG

 

Legemierd

toponiem

Lage Mierde

 

leeget

samentrekking

ligt het

legt het (met ge/gij/gullie, hij/zij/et als onderwerp)

- Daor leeget

- Hij leeget ernffe.

- 3e pers.enk. 'leej' + et (uitsl. vn, onderw.)

Het fonetisch hiaat dat ontstond tussen 'lee(j)' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g'. (Zie Schuurmans: Enclit. pron., blz. 22 )

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LEEGET voor 'leet het', ligt het. Waar leget? Daar leget.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEGET (in 't Z. ook lget) - samentrekking van 'leet' en 'het', 1) voor ligt het en 2) voor legt het

 

leeglaoje

werkwoord, zwak

leegladen

Henk van Rijen - afladen, uitladen, leegmaken

 

legst

bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap van 'laog'

laagst

- Dialectenqute 1876 - hij is den leegste

- Dirk Boutkan - legst(e) zonder vocaalreductie, superlatief van 'leg'

 

legte

zelfstandig naamwoord

laagte
Henk van Rijen - 'legt' - laagte

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEEGTE (scherpe e) zelfstandig naamwoord v. - laagte
Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lgt zelfstandig naamwoord - laagte

 

leej

persoonsvorm

ligt, legt

1 - tegenwoordige tijd van ligge

ligt

- Cees Robben - Waor leej mn schaors, troeleke..? (19580118)

- Cees Robben - Aon de raand van de stad/ Leej unne zaanderige pad (19580222)

- Cees Robben - Dn ekker-gods die leej z schn vol blommen... (19571102)

- Cees Robben - dan leej tenminste Pius goed... [in zijn graf] (19600916)

- Cees Robben - W leej-leej... (19620824)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de 'snuw' leej dik

- WBD - (de ketting/inslag) wrkt/ leej boove (II:1047) - bovenwerken
- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - d leet eraon - dat ligt eraan

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - leeter ginne pulling op et schoor? - ligt er geen peluw op de vliering?
- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - onzen oopaa leej al virtien daog - opa is al veertien dagen ziek

2 tegenwoordige of verleden tijd van lgge

legt of legde

- Cees Robben - Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram... (19560428)

Henk van Rijen - as en kiep leej, stao se - als een kip legt, staat ze

Henk van Rijen - hij leej et in de laoj - hij legde (?) het in de la

- Cursus in Tilburgs krantenrubriek circa 1940 - Azzen kiep lee, staose (44)

 

leeje, leej

zelfstandig naamwoord meervoud

meervoud van lid

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - lejen

- Cees Robben - of ie n ziekte onder de leej-heej... (19860221)

- WBD - III.1.2:195 'een ziekte onder de lee hebben' = idem

- WBD - III.1.1:145 'leden' = ledematen

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 28) leeje - leden

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord o. lid; mv. lei, Brabantius 'leei'; "'n ziekt onder de lei hebbe" - door een ziekte aangetast zijn, die zich nog niet openbaart.

 

lek

zelfstandig naamwoord

leek, niet-deskundige

persoonsvorm

leek

verleden tijd van het werkwoord lke, lijken

 

lk

1. zelfstandig naamwoord

lijk, dode

- Cees Robben - [over begrafenisondernemer]: den zoon van et lk komt zegge d we der enen op kunne vatte; [ES 2012 - de humoristische dubbelzinnigheid is een subtiel verschil in nadruk; als de nadruk op 'op' ligt, wordt het lijk door de begrafenisondernemer opgepakt, opgehaald; ligt de nadruk op 'vatte', dan betekent de uitspraak dat de begrafenisondernemer een borrel te wachten staat. In de praktijk vielen beide mogelijkheden samen.]
- Pierre van Beek - en geznke lk - lijk dat niet langer thuis mocht blijven (bijvoorbeeld in geval v. besmettelijke ziekte) en dus naar het lijkenhuisje moest).

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Dan wier zon zandkar meej prd n waoge, wier zon lk op zon zandkar geleejegeztn dan ginge der nkele femielieleeje, ginge der rondom op zon kar zitte n dan brnge ze oe van t de haaj t, zak zgge, dsse oe nr et drp toe brnge! Klik hier om dit bestand te beluisteren

- WBD - III.4.2:32 'lijk', ook: kadaver, kreng, dood beest of dode

- WBD - III.3.3:102) lkenhske = lijkenhuisje

- en schaojlek lk - waarvan niets te plukken valt, eerder het tegengestelde?

2. voegwoord

gelijk, net als

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 08 17 - 'ze Pa zee: "Ds naauw nmaol z, / Mee 'ne sportman lk ikke.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 60 01 15 - ze Willemm, die skoeter rijdt / Hee laast van kaauwe oren / Veural as t vriest lk van de week / Dan zn ze host bevroren.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 79 11 22 - Want brd van vier vf daoge oud / Kan niemir lekker zn / D is - lk onzen buurman zee - / Goei voeier vur 't kenn.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - toen ie daor zo gl laag, leek ie lk en lk


lke

werkwoord, sterk

lijken

lke - lek - geleeke
in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij lkt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 40) verl. tijd lek, maar: likte gij?

- - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - - gezegd van de zoon: D lkt naa nt nen lliefaant. - Dat lijkt nou net een olifant.

- Cees Robben - t Lekt hil w... Mar t is novvenaant niks.. (19620316) [over een modern schilderij]
- Cees Robben - W lekt jou, Drikka? (19801031)
- Cees Robben - [over een vrouw:] Ze lekt net de ster van betteljem.. J, alleenig blinkt ze nie... schne doese wel.. (19800105)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - van vurren p zen vadder lke n van aachtern p hil zen femielie

Zie de oudere vorm: lkene

 

lekend(e)

bijvoeglijk naamwoord.

in: lekende nat - drijfnat; lekkend

- Cees Robben - Naa leeget laand wir leekend nat/ en glunder fris te kke... (19600902)

- Cees Robben - leekend-nat... (19581011)

- Cees Robben - En [hij] krp toen leekend-nat uit t waoter... (19590815)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 72 03 16 - Leekende nat van kop toe tn / Gelk verzoope katte.

Henk van Rijen - hij wier lekendenat - hij werd druipnat
- Grot diktee van de Tilburgse taol 94... dttie nie wir leekende nat wrt

- WNT - LEKEN (I) onzijdig; en bedr. zw.ww., Mnl. leken, verwant met lek en lekken. In sommige dialecten is 't woord zeer gewoon; in de algemeene taal, althans tegenwoordig, behoort het echter tot den hoogeren stijl en bezigt men in den gewonen omgang in dezelfde beteekenis lekken.

 

lkene

werkwoord, zwak

lijkenen; verkorte vorm van gelijkenen; verouderde vorm van lke

- WNT - IV:1192 'gelijkenen' - bijna uitsluitend gebruikt in de onbepaalde wijs, in den tegenwoordige tijd en de beide deelwoorden.

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 't lijkent wel...

- Cees Robben - Dan lkenet veul meer... (19651203)
- Cees Robben - lkent wel... (19681004)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 67 02 03 - Mee blauwe kiele en 'n pet / Lkende dan ineens / Wgge nermaol ok doe of zt / nen Hlen aand're meens.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 02 21 - t Is netuurluk goed bedoeld / Mar t lkent nergens naor...

- F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010 - 'T lkent toch himmel nggeraans p.

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'deh 't ie sprekend lkend is deh zeej iederen'

- WBD - III.4.4:301 'lijkenen' = gelijken

- Jan Naaijkens - D's Biks (1992) - 't lkene wel Watt n Half Watt

 

lkmis

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - uitvaartmis

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lkmisse n trouwmisse zn kkmisse

 

lkwaoge

zelfstandig naamwoord

lijkwagen

Lodewijk van den Bredevoort - Toen et Pauske, de kompaan van de Metser, meej wie ie aaltij vocht, plotseling et leven liet, bleek wel d den drank zen nige kameraod waar gewist. Niemand liep er aachter de
lkwaoge. D vonden wij eigeluk ok mar un triest gezicht. (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
 

Nieuwe Tilburgsche Courant 27-3-1892

 

lem

zelfstandig naamwoord

leem

- WBD - III.4.4:156 'leem' = zavel; 170 'leemgrond' = zware grond

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord o., - leem

 

lm

zelfstandig naamwoord

lijm

- WBD - lm - lijmvlees, de resten vlees-, bind- en vetweefsel van de vleeskant van een huid (II 610), ook 'vlees' genoemd

- WBD - lmhoop - lijmkuip, kuip waarin lijmvlees wordt bewaard (II 610)

- WBD - lmraom - lijmraam, raam waarop lijmvlees wordt gelegd om te drogen(II 611)

- WBD - lmvl - lijmvleeskoek (II 611)

- WBD - lmfebriek - lijmfabriek (II 611)

- WBD - lmroej, lmstk (II:1023) - platroede

- WBD - lmvllelm (of: lm- ?) (II:1025) - ljmvellenlijm; ook: lm

- WBD - lmkeetel, lmkeetel (II:1025) - lijmketel: sterkbak

- WBD - 'lmbk', 'lmbk' (II:1027) - lijmbak; ook: papbak, 'lmsjien'

- WBD - 'lmasjien' (II:1027) - lijmmachine: lijmbak

lme

werkwoord, zwak

lijmen

fig. overhalen, bepraten

- Voobeeld systeemkaart Sterenborg - Hddoe wir laote lme?

- Informant Toine Raaijmakers - Meej ne natte vinger te lme zn - zich makkelijk laten overhalen
- WBD - lme (blme) (II:1022) - lijmen (bijlijmen): sterken (v. kettinggaren)

- WBD - lmroej, lmstok (II:1023) - platroede

- WBD - lmvllelm (of: lm ?) (II: 1025) - lijmvellenlijm; ook: lm
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - zenge laote lme - zich laten bepraten, overhalen

 

leme

stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

lemen, van leem

- Audioregistratie 1978 - Leme vloereDie hb ik wl geknd Net de Visser. Hier wont Net de Visser, zi pestoor Brendonk. Jan van Hulten hiete hij, de man, n die heej enen vloer meej bulte, zi pestoor teege de kappelaon.

 

lmer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - (textiel) kettinglijmer (bediener 'lmmesjien')

 

lemkl

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - leemput

 

lmmesjien

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - (textiel) machine om de 'kttings' te lijmen

- Audioregistratie 1978 - Bij ons stonde tweej houte ketaawe in hs, d weet ik ng goed n wij han en, en schrraom n wij han en lmmesjien ammel int hout, kompleet! Wij waare hilleml as ene, ene tkstielfabriekaant mar ammel int hout! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

lmpinneke

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lijmstokje gebruikt bij de (illegale) vogelvangst

 

len

zelfstandig naamwoord

leen

hij ha de fiets van zenen buurman in len

 

ln, lntje

zelfstandig naamwoord

lijn, spoorlijn

et Bls lntje, de ln nr Den Bosch
- Informant Toine Raaijmakers - Et Bls lntje ister mar en bisje bij (schamper gezegd van iets kleins
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'ze hield van slanke ln' of onbeduidends)

- WBD -
III.3.1:409 'lijn' = spoorweg
- waor ik iedere ln van kn

 

lene

werkwoord, zwak

lenen

lene - linde - gelind

- A.J.A.C. van Delft - "Met leenen volle neef, met teruggeven hoerekind." Dit is: Als hij geld wil leenen, is hij poeslief, doch als het later op teruggeven aankomt, is hij onbeschoft. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ge leert de wrde van ene ffteger pas knne, as ge der ene moet gon lene (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970)

Vocaalkrimping, behalve in inf., praes.plur. en praes. ik-vorm

 

lne

zelfstandig naamwoord meervoud

lendenen

- WBD -
III.1.1:132 'lenen' = lendenen
133 'lende' = zijde

 

lnollie

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - lijnolie

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lnllie zelfstandig naamwoord - lijnolie

 

lnwaod

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - lijnwaad, linnengoed

- WNT - LIJNWAAD - 1) als collectivum voor het linnen als handelsartikel,..., linnen goederen, linnengoed, waschgoed.

 

lnzaod

zelfstandig naamwoord

lijnzaad, vlaszaad

►lzzend

 

leepeltjeskrd

zelfstandig naamwoord

- WBD -
III.4.3:412 leepeltjeskrd - herderstasje (Capsella bursa-pastoris)

 

lpere

werkwoord, zwak

lebberen

lpere - lperde - gelperd

bij het rikken met opzet een aas achterhouden = ltere

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "laipere - het laipert, stof die op ongewenschte wijze uitgerekt is"

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Die trui is aoreg versleete, ze begient n alle kaante te lpere. Die trui is best wel versleten: ze begint aan alle kanten te lubberen. (270610)

- WBD -
III.4.4:210 'lijperen' = kleverig worden; ook 'lijpen

- WNT - LIJPEN (I) - A1) Lijp zijn, scheef zijn, verkeerde plooien of vouwen vertoonen; 2) uitrekken, langer of wijder worden; LEIPEREN (- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ) = lijpen

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIJPEREN, LEIPEREN onoverg. - freq.van 'lijpen' - valsche plooien hebben, beurzen, lobberen (van kleederen). Wordt ook gezegd van bier, wanneer het bij 't schenken dik en olieachtig schijnt. Frans: filer, graisser.
Hees lebbere (VIII:48)

 

lpog

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - sluwerik

- Van Dale - iemand met tranende ogen

- WBD -
III.1.1:245 'leepogen' = tranende ogen

- WNT - lemma LEEPoog - druipend oog : ontsteking in de randen der wenkbrauwen, tusschen de wanden der traanklieren.

 

leer

zelfstandig naamwoord

ladder

- Dialectenqute 1876 - klim op de leer

DANS der is ene sprt t de ler

- Audioregistratie 1978 - Dan wrd hil die dinge [het geslachte varken] durgesneeje, h, van die pote n die pees, h, n wirskaante. Der wrd en touw durgedaon, h, n die wrd zo n die sprte van die ladder f die leer gehange n dan wrd ie oope gesneeje! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - le:r, zelfstandig naamwoord vrouwelijk 'leer' - ladder (welk laatste woord ten onzent gebruikelijk is)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEER (scherpe e), zelfstandig naamwoord v. - ladder

 

lr

leer, leder

- Mee de tram konde nor Wolluk/ Die ha schoon zittinge van lr Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

- WBD -
genrfd lr - generfd leer (II 663)

- WBD -
'jassəlaer' - jassenleer, kledingleer (II 664)

- WBD -
'bəkleedinglr' - bekledingleer (II 664)

- WBD -
'napalr' - nappaleer (II 664)

- WBD -
'prtəməneelr' - portemonneeleer (II 664)

- WBD -
voeringlr - voeringleer (II 676)

- WBD -
vrekeslr - varkensleer (II 675)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LR zelfstandig naamwoord o. - leder, Frans: cuir

 

leere

werkwoord, zwak

leren
- Dialectenqute 1876 - hij wil niks lre (tusschen ee en in.)

- Dialectenqute 1887 Willems - leere - lirde - gelird

- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij lirt

 

lre

bijvoeglijk naamwoord.

leren, lederen
ene lre jas

 

lerlojeraaj

zelfstandig naamwoord

leerlooierij

Daor heej irst daor de Volt is, h, d is vruuger en lrlojeraaj gewist van Gust Smetsers (?). n toen isser en lampefebriekske ingekoome [- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

lrs, lrske, lrze

zelfstandig naamwoord

laars

Piet van Beers Snuupkes: Drie knder t de buurt, drie zwarte snuutjes./ Meej krontjes op der blleke n lrze n der vuutjes/ zonge ze "Gif mn enne nuuwen hoed". (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- WBD -
ztlrs zetlaars, een laars die de bewerking van het spannen op een houten vorm heeft ondergaan (II:735)

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - l.rs zelfstandig naamwoord mannelijk - laars

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LRS zelfstandig naamwoord v. - laars, Frans: botte

- WNT - LAARS, leers, leerze

 

ls

zelfstandig naamwoord

lijs

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - die lange ls heej lange schoepe - dat lange meisje heeft lange nagels

- WNT - LIJS - eigennaam, verkorting van Lijsbeth

 

lschteg

bijvoeglijk naamwoord.

lijzig, sloom

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - ls zelfstandig naamwoord vrouwelijk - vrouw die veel en langdradig babbelt. lsə(n) zwak werkwoord intransitief - snappen, langdradig babbelen.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIJSACHTIG bvw. - traag in het spreken, vgl. LIJZEN - traag spreken.
- WNT - LIJSACHTIG - langzaam, traag

 

leesplngske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

leesplankje

- WTT - 2020 - In navolging van de leesborden en -plankjes die vroeger in het lager onderwijs werden gebruikt (Aap, Roos, Zeef...) bedacht de Stichting Tilburgse Taol in 1997 een 'Tilburgs Leesplngske'. Daarop zijn alle klanken van het Tilburgs vertegenwoordigd.

De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

 

 

In 2020 liet de Stichting Tilburgse Taol een meer eigentijdse variant vervaardigen in samenwerking met het TijdLab in de LocHal (Stadsmuseum Tilburg en Bibliotheek Midden-Brabant) en Erfgoed Tilburg. De illustraties werden verzorgd door Ruben de Bruijn.

 

 

lst

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - lijst

 

lster, lster

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - lijster (Turdus)

 

lter

zelfstandig naamwoord

leidsel, teugel syn. 'laajsel'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - n de lter haawe ( '70) - aan het lijntje houden, afleiden, afschepen
Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - n de lter blve ('70) - treuzelen, melken

Haor LITER - lijntje: on de liter haawe

- WNT - LEITS - 1) smalle riem waaraan een jachthond wordt vastgehouden; 2) paardetoom; teugel, leidsel, (wsch. een vervorming van LEIS, onder invloed van 'leiden'.)

 

leeter
samentrekking
ligt het er
- Cees Robben -
Van dn aandere kaant leeter mar te ligge (19870619)
 

ltere

zie: lpere
werkwoord, zwak

treuzelen, rekken, vertragen

- ltere - lterde - gelterd

- van Frans: 'lait'?

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - (bijvoegsel) vərl.tərə(n), zw.ww.tr. 'verleiteren'? - verlullen: 'hel z'nen teed verlaetere'

- WNT - VERLATEREN (II) - verschuiven (naar een later tijdstip)

 

leetie

samentrekking

ligt hij

Leetie wir int gaasths? Leetie naa al te bd?

3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'ligge', met vocaalrekking en samengesmolten enclitisch pronomen

 

lve

werkwoord, zwak

leven

- Informant Toine Raaijmakers - Ik weet nie mir f ik van vurren f van aachteren lf - Ik weet niet meer hoe ik het heb van de drukte.
Cees Robben: daor kan ik nie van lve

- Dialectenqute 1887 Willems - lve - lfde - gelfd ; M: lve - lef - gelfd
geen vocaalkrimping
- Dialectenqute 1876 - lve en strreve (tusschen ee en in); lve, gelefd

'Geleefd' luidt iets langer dan gelifd); lve, pre
Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - die et langst lft, heej tch alles

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 37) lve, (hij) lft'; (blz. 39) geen verkorting: lfde

Zou imperf, 'lef' analogie zijn bij 'blef'?

Piet van Beers Harrie de Vet: Ik zi nog: "Val dod Harrie... lfde gij ok nog." (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Grot diktee van de Tilburgse taol 07 hil oew lve
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LVEN - leven, Frans: vivre
Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lve ww leven

zelfstandig naamwoord

leven

al zen lve - vast en zeker

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 39) ww lve - lfde (geen vocaalkrimping)

't volk lift er leutig in tijen van vreej... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vaonelied , 1932) [- WTT - : Dus in 1932 toch vocaalkrimping]

k Vergeet 't ze lve nie... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

'et Leeven is 'nen boemeltrein: / stap-in, stap-uit, - en 't zit nie fijn! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, t Leeve, 1938)

- Cees Robben -
t Lve is kort war. (19560707)

- Cees Robben -
Ge doet mar vort.. Des t lve war.. (19580705)

Piet van Beers Aawkes op Internet: Ze zeej: ' k Z blij d ik 't lve hb. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - Hij is es ot in zen lve gebeete
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - dieje 'mis' heej en lven as ene prins

Henk van Rijen - 'Val dot.' Lf de g ng? - Wat een verrassing! Leef je nog?
- WBD -
III.4.3:65 'leven' = spint, zachte houtlaag onder de schors

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LVEN zelfstandig naamwoord o. - leven, Frans: vie
Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lve zelfstandig naamwoord - leven

 

lvendeg

bijvoeglijk naamwoord.

levend

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'vijf mensen zijn levendig verbrand'

In sommige Tilbrgse krke stonne leevendigge krstalle, meej schaope en alles. Daor gingeme louwe. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord - levend.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LVENDIG, LFDIG - levend, Frans: vivant

 

lver

zelfstandig naamwoord

lever

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 22) lver naast leever

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - lver (krt. 13)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEVER zelfstandig naamwoord m en niet v. - lever, Frans: foie

 

lvesdaoge

zelfstandig naamwoord , plur.

Henk van Rijen - levensdagen

 

leewieke

werkwoord, zwak

- WBD -
(Hasselt) kortwieken, leewieken

Zie - WNT - 'leewieken' = kortwieken (bij vogels)

 

leeze

werkwoord, sterk

lezen

- leeze - laas - geleeze

Geen vocaalkrimping: hij leest

Cees Robben: Hdde d geleeze?; Ik hb vur nzen Pietom gin mis laote leeze;

- WBD -
leeze (II:995) - een kruis inlezen; ook: gels erin doen, fens erin doen, de fls erin doen, fls indoen, in de fls doen

- WBD -
(III.3.3:107) leeze = (de mis) doen, ook: opdraoge

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - le.zə(n), st. (lao's) en zw. (leesde) - lezen
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEZEN - leesde - gelezen

 

lzeg

bijvoeglijk naamwoord.

lijzig

Cees Robben: Hij was toen wl w lzeg en tijlijend
- WBD -
III.3.1:292 'lijzig praten' = traag praten
- WBD -
III.4.4:325 'lijzig' = langzaam

- WNT - LIJZIG - saai, zeurderig, traag

 

lzendml

zelfstandig naamwoord

- WBD -
lijnzaadmeel: 'pap van lzendml

- WBD -
leezendmeelepap - lijnzaadmeelpap
- WBD -
lnzaodpap - lijnzaadpap
Cees Robben: lzzendml - lijnzaadmeel

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de koeje frte gre lnzaotkoeke

- WBD -
III.2.3:139 'lijzendpap' = lijnzaadpap; ook 'lijnzaadpap'; 'pap van lijzameel

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk lezendenolie - lijnzaadolie.

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - lijzend, lijzem - lijnzaad (Meierij)

- WNT - LIJNZAADMEEL - meel van lijnzaad (= vlaszaad)

 

lfduukske

zelfstandig naamwoord

lefdoekje

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - pochette

 

lfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

lijfje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''t slaanke van d'r lfke'

- WBD -
III.1.3:98 'lijfje' = onderhemd; ook: kamizool

- WBD -
III.1.3:100 'lijfje' = bustehouder

- WBD -
III. 1.3:100 'onderlijf je' = onderjurk

- WBD -
III.1.3:126 'lijfje' = bovenstuk van een jurk

 

lg
in de uitdrukking: van de lg af zn
kip die geen eieren meer kan leggen; vrouw die geen kinderen meer kan krijgen
- Cees Robben - En as ik nog is t trouw.. Dan moet ze nog goed in de vre zitte en van de leg af zn k... (19760130)
 

lgbalk

zelfstandig naamwoord

- WBD - (Hasselt) het geheel der geslachtsorganen van een kip

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk - baarmoeder van een kip.

 

lgge

werkwoord, sterk

leggen

- Cees Robben: ze (de aajer) han eigelek mrege pas geleej meuge wrre;

- Ik heb deez' passage w meer uitgelee omd ge, as ge 't ziet, zelf zult zeggen, dt't schonste en aondoenlijkste deel uit de revue is. Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- Cees Robben: ik hb ene pulling p et voetnd geleej;

- WBD - I:1426 bieten zaaien: 'lggə', 'zaajə', 'peejə zaajə'

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  lgge - lee/lgde - geleed/ geleej ; (66) imperat.: lgt/lg

- Dialectenqute 1887 Willems - lgge - li(n) - geleej

tegenwoordige tijd: ik leg, hij leej, gij lgt

verleden tijd: ik li(n), wij lee, gij li(n)t

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lagə(n) zw.ww. (lei, leen (en leene(n)), geleid) - leggen tr.

 

lgger

zelfstandig naamwoord

legger

- 2019 gezegde in combinatie met hffer: De hffer n de lgger: de regelaar/organisator (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.

Voor de volledige lijst Klik hier

 

leije

werkwoord, zwak

- WBD - besturen (het paard leiden terwijl het de kar trekt), ook 'voermanne' genoemd

- WBD - 'in de lsse strnge lije; laaje; (een paard) losgetuigd leiden

- WBD - inlije (II:1050) - inleiden van een nieuwe draad; ook: inlgge, inlaoje

 

leike

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

leitje (dakbedekking)
- WBD - (III.2.1:60) leike - leitje

 

lk

bijvoeglijk naamwoord.

lek

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - z lk as en zeef nffe de gaote (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - ironisch voor 'lek' - hij ha ne lkke tuut - hij had een lekke band

 

lk

voegwoord

gelijk, zoals

gelk'

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'jouw twee ugskes zen lk blumkes'

...d blinkt net lek zilver! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939)

- Cees Robben - Lek n prentje... (19601118)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - toen ie daor zo gl laag, leek ie lk en leek

 

lkasbllie
samentrekking
net als bij jullie
- Cees Robben - Kwossebons lekasbllie drtzagge... (19540605)
 

lkke

werkwoord

1 - likken (sterk)

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de schipper lkte zen lippen aaf. 'De schipper lkte zen lippen aaf.' (blz. 94)

Naarus - Wij lekken tegesworrig bekaant ammel smiddags ons bord aaf. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben - Dn ijsco lokt klnen... Die toe-per-toe lekken... (19580524)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 70 11 05 - "Juffrouw ik mot op deezen brief / Unne poszegel plkke, / Mar ik heb znne dreuge mond / Wilde gij nie is lkke?"

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de kaoter zen knt gelkt hbbe ('50) nadorst hebben, na overmatig alcoholgebruik

- Ik koos veur enne kanlstok, van enne zuursteel krgde zon schraol tong, trouwes die waar k lang nie z lekker. Al lekkend gingen we wir op hs aon. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Meej oewe vinger deur de romboter en dan deur den hagelslag haole, detter veul aon blf hangen en dan aflekke. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

2. lekken (zwak)

lkke, likte, gelikt

- Gieleke (wsch. pseudoniem van Michel van de Ven) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980 - Dan zit ie frd op de tribune/ Z'n lekkend nuske af te buunen.

- - Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 08 14 - De rgen viel mee strmen neer / Ik drupte en ik likte...

 

Stickers, ontworpen door Sander Neijnens en Ivo van Leeuwen in het kader van hun lettertype TilburgsAns (2016) om 'lekker' op de vuilcontainer te 'plkke'.

 

lkker

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

lekker

iets wat goed smaakt

iets wat aangenaam is

gezegde: Et hoeft nie op, al ist lkker

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LEKKER, in ''t is w lkkers' - het is niet zo moeilijk als je suggereert.

 

Snoepkraam bij de Hasseltse kapel van Van den Dries, met de slogan 'efkes w lekkers' (mei 2017).

 

lkkers

zelfstandig naamwoord, onzijdig

iets wat goed smaakt

Slogan: 'Efkes w lekkers' bij een snoepkraam bij de Hasseltsr kapel, mei 2017.

 

lkkertjestaand

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - snoeptand, tand die houdt van iets lekkers; dure lekkernij

- WNT - LEKKERTAND 1) tand die op lekker eten gesteld en kieskeurig is; 2) iemand die een lekkeren tand heeft, een smulpaap, lekkerbek
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - APPELTAND: Ge zult uwen appeltand meugen uittrekken - (schertsend) om te beduiden dat de appelen op zijn.

 

lkkes

Voegwoord

Alleen aangetroffen in Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Gij gao lekkes aovend nie bizzen veur de eerste baauw. Lekkes wordt daar niet verklaard; wel: Bizzen veur de eerste baauw d. i. op de eerste vermaning heen gaan. Bizzen, biezen, bijzen is alleen nog gewestelijk en beteekent snuiven, brieschen en t gevolgelijke rondhollen. Baauwen zijn groote vliegen.

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lekkes aovend (lees lekkes t' aovend) = van avond, deze avond.

- WTT - 2017 - Lek lijkt een verkorting van gelijk, ongeacht welke.

 

Afbeelding uit het 'Tilburgs Leesplngske' dat in 1997 door de Stichting Tilburgse Taol werd samengesteld en uitgegeven. De illustraties zijn gemaakt door Jan van de Wiel.

 

lksteel, lkstk, lkstel

zelfstandig naamwoord

- Informant Ad Vinken; bep. snoepgoed, in steelvorm, dat al likkende wordt geconsumeerd
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - zuurstok, kermistraktatie

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Van ons oopoe krege we meej de krmes en dubbeltje vur ene leksteel (180707). ... voor een zuurstok.

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Zonder lksteel hamme gin krmes gehad. (240310)

Schilders - Mar ik vonnet wd zat lope vur ene lkstk f ene schar. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- WTT - 2012 - Op het 'Tilburgs leesplngske' komt voor: lkstel; het naglijderteken (^) is terecht. Het gaat om een zachtlange ee.

N.B. Geen naglijder; de 'ee' is zachtlang; volgens - WNT - meervoud: stelen

- Enqute over
Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie' (zie dat lemma). Afbeelding: facebook.com/dejaozeetie, 2019.

 

lktuutje

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - stroopsoldaatje

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lktuutje zelfstandig naamwoord - stroopsoldaatje

 

lllepote

werkwoord; alleen de infinitief wordt gebruikt:

hulpeloos liggen, + te

ligge te lllepote - op apegapen liggen, naar adem snakken
- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij is zo muug: hij leej gewoon te lllepote - hij is uitgeteld (151006)

- Enqute over
Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LELLEBEENEN - lillebeenen (overal in Brab. en - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - )

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lllepte ww - stuiptrekken

 

lmde

persoonsvorm

lijmde

verleden tijd van 'lme', met vocaalkrimping

 

lmke, lmpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

lampje

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'en ze hangen lempkes'

...ware grootheid moete mee 'n lempke zuuken... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)
Ik h de [kerst]verlichting gezien; 't was crimmeneel!... "'n Laon van licht" noemen ze 't. Mar dan toch 'n laon mee kaol plakken erin, want er hangen nie overal lempkes. Ik docht irst, d ze 'r nie genog bij mekare hn kunnen vnen - er hangen er w - mar laoter z'k te weten gekomen d't-er meer aachter zit. De winkeliers, bij wie gin lempkes vur d'r huis hangen, hebben straf. Gin lempkes hebben beteekent naa in de Heuvelstraot ongeveer 't zelfde as op school in den hoek staon. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

- Cees Robben - de lempkes langs de Lieve Vrouw (19600715)

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - was er zonne man, zon man van et gaslicht ngestld meej zonne lange stk meej zon lmpke veur derin, petrollie, h, en knoetje in meej bronnollie n dan gingie saoves dieje lantre veur in d gtje steeke, de lantren nmaoke. Klik hier om dit bestand te beluisteren

Den kerststal mee zn lempke drin/ had ons pa ot tgezaogd./ t triplexplaot, ge wit d wel./ En d waar hel geslaogd. (Jos Naaijkens; Et Krstkled; CuBra, ca 2005)

Cees Robben: 'de lmpkes langs de Lieve Vrouw'

Henk van Rijen - kk tch es wnne strp lmkes n vlgskes!

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lmkes kke (de klnmanne saoves meej de krmes)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - De klnmanne meugen enen aovend meej nr de krmes lmkes kke. (200509)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  lamke (blz. 28)

 

lmmert

zelfstandig naamwoord

- WBD -
III.2.1:271 'lemmert' = lampenpit

 

lndenbom

zelfstandig naamwoord

de Lindeboom (op de Heuvel te Tilburg) (Tilia) (wsch. 8 eeuwen oud) [al vele jaren geleden gekapt]

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - de lndebom

- Cees Robben - De blaoikes van den lendenbm... die hebben veul geheurd... (19540522)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 71 04 15 - Onder d'n lndenbm

- Irst hamme den aawe lndenbom. D waar ot ene grote, schonen bom, ak de teekeningen n footoos maag geleuve. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

- Op Den Heuvel is deeze week ene nuuwe lndenbom geplaant. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  lndenbom - linde

- WBD - III.4.3:140 lndenbom - linde (Tilia), ook genoemd: lnde

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk lendenboom d.i. lijndenboom - lindeboom

- WNT - LINDEBOOM zelfstandig naamwoord mannelijk Mnl. lindeboom; uit LINDE en BOOM. Daarnaast LINDENBOOM waarin 'linden' soms als bijvoeglijk naamwoord zal bedoeld zijn.

 

lnderiem

zelfstandig naamwoord

- WBD -
(Hasselt) rugriem (riem over de paarderug, die aan beide zijden de strengen draagt)

 

lngte

zelfstandig naamwoord

lengte

uitdrukking De lngte krge - de gelegenheid krijgen

 

lnne

zelfstandig naamwoord /bijvoeglijk naamwoord.

linnen

- WBD -
II.4. p. 868

puur linnen (lijnen): puur linne, K 183 (= Tilburg) ;

puur lnne, K 183 (= Tilburg) ;

zuiver linnen (lijnen): zver linne, K 183 (= Tilburg) ;

zver lnne, K 183 (= Tilburg) ;

linnenweefsel: het type (...) linne wefsel, K 183 (= Tilburg)

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord lenden d.i. lijnden - linnen
zelfstandig naamwoord o. lennen, d.i. lijnnen - linnen

 

Lnshaajke

toponiem

Lijnsheike ('t)
- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - ''t Linshaaike'

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n van Tilburg aaf kwaam et tt hier op de Lnshaajke, zak zgge Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Audioregistratie 1978 - asse dan beurden, hi, dan ginge ze aatij en paor borreltjes vatte bij dingen, hi. Daor in de Koejstraot op diejen hoek, daor den dinge bij den Engel, bij den EngelIk hb onze paa vruuger heure vertlle, dan stond hier hilt Lnshaajke daor nffe de Kraon hadde ok rges en kefeej gelf ik, dan stond hiiiilt Lnshaajke vol kruiwaoges! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Lnsezijstraot

toponiem

Lijnsezijstraat

- Audioregistratie 1978 - et Linsheike, van Jaonus Tuurlings Lnsezijstraot waor naa die hoge flt stao, die hil hoge, zstien hog (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

lnt

zelfstandig naamwoord

lint

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lent - een touw of teugel, waarmede den boer zijn paard ment"

- A.J.A.C. van Delft - Een boer rijdt "zen prt mee een lent en haauwt bij het uitwijken hot (rechts) of aar (links) aon". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WBD -
kordeel (enkele band die aan de loenje wordt vastgemaakt boven de schoft van het paard)

- WBD -
(Hasselt) lijnt (de enkele band van leer of touw die aan het paardehoofdstel is vastgemaakt)
- WBD -
(hs K 183) - touw, teugel waarmee de boer zijn paard ment.

- WBD -
krslnte- ploeglijn (het leidsel van het paard dat gebruikt wordt bij het ploegen)

- WBD -
'meej nkele lnt vaore', (Hasselt) 'meej en lnt laaje' leiden (van een paard) met een enkele lijn
- WBD -
'voermanne meej twee lijste', (Hasselts) '... meej tweej lnte' - leiden (van een paard) met een dubbele lijn
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LENT v. - lijn waaraan het paard loopt; -t zoals bij pent, nt (nieuw), enkelt, wegt. 'Lijn' in de zin van 'streep' luidde als in ABN.
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk lent (d.i. lijnt, zoals bij Brabantius) - lijn, leidsel.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LENT zelfstandig naamwoord o.- bij landb.: lang leizeel dat in 't bebouwen van het land gebruikt om de werkossen of peerden te geleiden.
Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lnt zelfstandig naamwoord - leidsel, lint

- WBD - III.1.3:133 'linten' = lange linten van een schort; ook; 'binders'

- WBD - III.1.3:133 'gatlinten' = korte linten van een schort; ook 'bindels' of 'gatbanden'

 

lepiene

zelfstandig naamwoord

lupine, hop
- WBD - I:1417 hop:
'ləpienə', 'bontjes'

 

lpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

lapje

verkleinde vorm van 'lap', met umlaut

- Cees Robben - men lepke grond (19830401)
- Ons moeder heej vruuger hil de femilie vurzien van nne krstman. Ze mkte die van vilte lpkes. Dr zaate vkskes in om de krstkaorte in te stoppe. (Jos Naaijkens; De krstman die mar nie vol kwaam; CuBra, ca 2005)

Der waar niks te krge, gin lpke ketoen veur un jurkske, ginne lap stof veur un ordenteluk jaske. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ik heb van aaw lepkes en houtwol nog pupkes gemokt. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - p zme nao n en kln lpke (HM'70) - bijna klaar
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "Jan Lepkus - de arlekijn bij de oude gilden"

- WBD - III.3.1:307 'lapje (lepke)' = snipper (strook papier of stof)

- WBD - III.1.3:18 'lapje' = vod

 

lppe

werkwoord, zwak

drinken, vooral van thee door vrouwen onder elkaar
- Cees Robben - Lept toch nie z, zuipschuit... (19731005)
- Cees Robben - En dan gaon we bij omas thee-leppen... (19640228)
 

lpscht

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - iemand die de hele dag door koffie of thee drinkt

 

lpvlle

zelfstandig naamwoord

- WBD - moederloos veulen, ook 'lpvulle' genoemd

- WNT - LEPLAM - een lam dat men met vreemd zog opvoedt, oplept, zegt men in Gelderland.

 

lrke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

leertje, stukje leer

- Cees Robben - n lerke in de kraon [tegen het lekken] (19680816)

Henk van Rijen - er lrke leej en laojke leger - het leertje ligt een laatje lager

 

lrske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

laarsje

verkleinde vorm van 'lrs', met vocaalkrimping

- Dialectenqute 1876 - lerske

- WBD - III.1.3:221 'laarsje' = halfhoge damesschoen met knopen opzij

ook: 'knooplaarsje'

 

lsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Van Dale - lestje - het laatste tikje (bij een kinderspel)
- - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lesje spelen (krijgertje)"

- A.J.A.C. van Delft - Hoe heerlijk onschuldig staat daar tegenover het "lesje doen" of "gevangetje". Een vlot elkaar na loopen en als men elkaar bereikt had een tikje geven, waardoor de "getikte" het contraspelletje ging vertoonen. Wie het "lest" tikte, was ditmaal ook het best af. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

 

lst

zelfstandig naamwoord

lijst

- WBD - tmeutelende lst, tgemeutelde lst (II:1051) - uitmeutelende/uitgemeutelde lijst (v. een geweven stof); ook slchte kaant genoemd
- WBD - lst (II:911) - zelfkant; ook: zlfkaant of kaant genoemd
- WBD - (II:2797) 'lst' - bovenbouw van een karbak

 

lst(e), list(e)

bijwoord

op de laatste plaats; van tijd: onlangs

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 35) ltst, lst, list (van 'laot' met vocaalreductie)

- Dialectenqute 1876 - hij is den leste

- List waarde gij de lste, - Laatst was jij de laatste.

- Cees Robben - t Is kazzjewel die kiep van mn.../ z zrgt ze vur de Paose.../ t Is de leste van den tm.../ En asse lee.... dan staose... (19550312)

Uitdrukking

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - p et lst lope - de bevalling voelen naderen

- 2020 - Wanneer er gesproken wordt over een vervelend kwaaltje: - d ha onze paa op zen lst ok! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: KLIK HIER

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - - lst bijvoeglijk naamwoord - laatst; de lste Mis
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEST bw. - laatst, Frans: dernier; bw. onlangs

 

lste

werkwoord, zwak

- WBD - (III.3.2:52) lste, ook lsje speule = krijgertje; ook gevangertje

 

lster, lster

zelfstandig naamwoord

lijster (Turdus)

 

Turdus viscivorus - grote lijster; afbeelding uit Naumann

 

Luister naar het geluid van de grote lijster (turdus viscivorus)

 

Luister naar het geluid van de zanglijster (turdus philomelus)

 

- WBD - III.4.1:85 'lijster', 'todlijster', ' schijtlijster' , balklijster' - grote lijster (Turdus viscivorus)
- WBD - III.4.1:88 'dubbellijster', ' kramlijster ' = kramsvogel, ook genoemd: vlierscheut; 81 'lijster' = merel; 85 -balklijster' = grote lijster 85 'schijtlijster','todlijster' = grote lijster

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIJSTER (uitspr. lestər) - zelfstandig naamwoord v. en niet mannelijk Frans: grive - lijster

 

ltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

latje

- WBD - rietlatjes, rietltjes (II:982) - rietlatjes (v.d. rietkam)
- WBD - ltjes, kronltjes (II:1032) - kroonlatjes; ook: kroonsple


Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home


leugenr

zelfstandig naamwoord

leugenaar

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'leugenaer'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - tis ene leugenr dieter w afdoe ('76) - gezegd als men vindt dat iemand overdrijft, of bij twijfel aan de echtheid van zijn verhaal.

Henk van Rijen - leugebist, liegebist

- Karel de Beer; Tilburgse bijnamen (2000) - Hein de leugenr = Hein de Groot (41)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEUGENR zelfstandig naamwoord mannelijk - leugenaar (zoowel van vrouwen als van mannen)

 

lk, lkske

zelfstandig naamwoord

luik

 

leune

werkwoord, zwak

leunen

 

lper, loperke

zelfstandig naamwoord

vogelkooitje van klein formaat, dienend om een gevangen vogeltje stiekem te vervoeren (bijvoorbeeld onder de jas)

- WNT - LOOPER (II) 21) - In Z.-Nederl. bij vogelvangers. Lange kooi die aan een draagstok, en waar de lokvogels in zitten, of waar men de levende vogels in zet die men vangt.

 

lpes

zelfstandig naamwoord

lopens

- WBD - een half hond (oppervlaktemaat)

- Verhoeff: morgen (0,99 ha) = 6 lopens/hond (van 0,165 ha)
roede ( 33,06 m2). Zie ald.

- Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'lepes' zelfstandig naamwoord - lopens (oppervlaktemaat)

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - leupese, lopsel, loopsaat - bep. landmaat (Meierij, - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899))

 

'Dreigend onweer boven de Hudson' - schilderij, 19e eeuw; kunstenaar onbekend

 

lplocht

zelfstandig naamwoord

zware bewolking

- W ist tch en lplcht: der kmt rge. - Wat is er toch een zware bewolking: er komt regen.

- WBD - III.4.4:14 'luiplucht' = lucht die onweer voorspelt

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ziede die lplocht, et zal naa gaa gn rgene - Zie je die donkere wolken, het zal nu vlug gaan regenen (270408)

- Cees Robben: 'Kek is wn luiplocht; j, 'thaauwt er om det rgent'... (130985)

- Cees Robben: 'Sjonge,sjonge.. drie daoge luiplocht.. en de spurrie is wir naor de klote' (151071)

- WNT - LUIPEN - van dezelfde basis l- als loeren en luimen; verwantschap met gluipen en misschien met sluipen is niet onaannemelijk. Met valschheid en baatzuchtige en boosaardige bedoelingen kijken, loeren, gluipen.

 

lpog

zelfstandig naamwoord

luiper, gluiper(d)

 

ls, lske

zelfstandig naamwoord

luis

- 2020 - Biologieles: - en vloj is en zver bisjeet heej gin ls! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: klik hier

als metafoor voor armoede

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'die hadden gin lis'

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - - 'lis' zelfstandig naamwoord - z rm as n lis

- Pierre van Beek Om iemands welstand uit te drukken houdt men er in Tilburg ook een paar kernachtige uitdrukkingen op na. Zo zegt men van iemand bijv. dat "hij geen luis heej om dood te trappen", wat betekent, dat hij heel arm is. "Geen luis in de mars hebben" betekent hetzelfde en wanneer iemand "z hard is as 'nen spijker op z'nen kop" dan is het met zijn materile welstand al even erg gesteld. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)

- n hij heej ok ng es gin ls om dod te npe ok nie. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

andere metaforen

- Pierre van Beek - Hij voelde zich in die functie zeer op z'n gemak "als 'n luis op 'n zeer hoofd." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- Cees Robben - Vruuger zaate in de luis... En naaw vort in de neeten (19721208) [De prent gaat over de kosten van het sinterklaasfeest; na de tekst van Robben is een gedrukte Voetnoot toegevoegd: Luis moet men verstaan als kinderen. Neeten staan hier voor kleinkinderen.]

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - hij liegt dtter de lzen p zene kp van barste (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '71)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - irst vangen n dan knippe (Daamen, Handschrift 1916)-de huid niet verkopen, voordat.. (Men kan luizen pas doden nadat ze gevangen zijn)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - z veg as en ls p ene kam (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '73) - in doodsgevaar (variant: as en vreke p enen bak: een mestvarken)

 

leut

zelfstandig naamwoord

plezier, koffie

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - en tas leut - een kop koffie

- WBD -
III.1.4:188 'leut' = vermaak; 191 'leut' = vreugde ;'leutig' - vrolijk

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - leut (= pleizier) (krt.99)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

- Cees Robben -
Ik lfde louter vur de leut.. (19600415)

- Cees Robben -
Luste k n bekske leut... koffie lut... (19870213)

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - leujt zelfstandig naamwoord , plezier, koffie

Str. leut (2:54)

- WNT - LEUT (II). In min of meer platte taal in Holland een naam voor koffie in 't alg.

 

leute

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - drinken; kffie leute

 

leutere

werkwoord, zwak

leutere - leuterde - geleuterd

1. plassen, wateren (inz. in de broek)

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "hedde nie in oe broek geleutert (p....)?"

- WBD - III.4.2:38 leutere - ook: 'zeiken', 'pissen', 'plassen'

- WBD - III.1.1. lemma urineren - Tilburg

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LEUTEREN onov.ww 3) langzaam een plas doen, speciaal: in zijn broek pissen.
2. praten, en wel onsamenhangend of onzin verkopend; tijdens carnaval: tonpraten, sauwelen, in wedstrijdverband (pperleuterr worden)

- Cees Robben - Ik leuter mn lieke (19570713)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 77 12 15 - 'n Zaoterdag gaon ze vur 't Karneval / Aon 't leutere en aon 't blre / Alles op z'n Tilburgs, z plat as mar kan / Kk, ziets d heur ik naa gre.

- n nr et leutere lstere, d doek ok gre. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
- Witte gullie dtter in Tilbrg ene Tonpraotakkedeemie is? Wr ge kunt leere leutere? (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LEUTEREN onov.ww 2) onverstandig en onsamenhangend praten in een laag tempo;

3. Andere betekenissen

- WBD - III.4.4:248 'leuteren' = rammelen

- WBD - III.4.4:317 'leuteren' = loszitten; ook 'uitleuteren'

- C. Verhoeven; Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LEUTEREN onov.ww 1) loszitten, door slijtage losraken, vooral in verbinding met 'uit-', bijvoorbeeld van een slot;

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zwak werkwoord intransitief luiteren -leuteren - 1) het onvaste uitlopen
van draaiende tollen; 2) urineren.

 

leuterr

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lijzig prater, tonprater

- WBD - III.1.4:161 'leuteraar' leegloper

- WNT - LEUTEREN 2) onvast, onzeker zijn, verslappen; 3) aarzelen, weifelen; 4) talmen, treuzelen; 5) haperen; enz.
LEUTERAAR - treuzelaar

 

leuw, luwke

zelfstandig naamwoord

leeuw

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  verkleinde vorm leuwke

- Dialectenqute 1876 - leuw

- Cees Robben - Meej den leuw in t blazoen (19580308)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 04 15 - En leuwen in d'r kooien / Daor waren ze net stukken vls / Bij aon 't binnengooien. / "Pa - zee de klne - wrom wordt / D vls hier z gegeven? / Gij zelf serveer 't aaltij fn / Soms staotig overdreven. / "lk zet 't eten netjes neer, / De oppaassers die gooien / Mar daor is 'n goei reeje veur: / 'ne Leuw die gift gin fooien."

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk - leeuw.

 

leuwrk, leuwerik

zelfstandig naamwoord

leeuwerik

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEEUWERK zelfstandig naamwoord mannelijk - leeuwerik, Frans: alouette
- WNT - LEEUWERIK, leeuwrik, leeuwerk(e)

Dossier Leeuwerik - Brabantse namen, dialectkaarten, afbeeldingen - citaten

 

 

- H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Aon mnen geburtegrond, 1932 - Heurde d'n leuwrk wel,/ hoe hel hi zingt...

- Piet Heerkens: Oproep. In: De kinkenduut, 1940 -

Drom roep ik al de vinke,
leuwerikke, wielewaole,
meeze, kneuters, naachtegaolen,
al w hier in Brabant piept,
al w neuriet, kwaokt en kriept,
om mar hardop mee te zingen,
blij te zijn en rond te springen
in den lieven Heer z'n boome

- Leo Heerkens, Op mn bene. In: Piet Heerkens, De knaorrie, 1949 -

lijk den leuwerik fladdere, zeile,
vliege naor 't luilekkerlaand,
smelten in den zonnebraand

- Zoo tob ik, gekooide kenaorriepiet,
swijls de leuwerik de locht in schiet... (Piet Heerkens, De knaorrie. In: De knaorrie, 1949)
- Pas wakker worren as ge de leuwerik heurt tuureluure terwijl ie hoog in de lucht z'n rondjes draait (Tontje: Op mn eendje in: Goirle, 1974)
- In de hagen botte 't jonge leven... een dalende leeuwerik spiraalde tierelierend naar beneden, en een verborgen merel zong met overmoedige levenslust... (Cees Robben, Maria, d been van Annas moete geneze; in: Robben en rooms, 1981)
- Den daauw laag as purpere prels
te fonkele over de waai;
in ut hout sloege vinke en mrels
en de leeuwerik schoot ut de haai. (Jodocus (Jacques Stroucken), Daauw-trappe. In: Toemet-hooi, 1993)
- Ziede dieje leeuwerik, hog vliege die j, heej daor springt enen haos weg, zaagde gullie d knn in zen hol schieten? (Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg): Kosset den brne eigelek wel trkke? Jeugdherinneringen van een gewone volksjongen, deel 2, 2007)
- WBD - III.4.1:164 'leeuwerik', ook: 'tureluut, 'tuutuut' of 'strontpikker'

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord mannelijk - leeuwerik

 

lzepadje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

scheiding in het hoofdhaar
- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ons moeder kamde bij mn en schon rcht lzepadje (140107)
- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - scheiding in het haar

 

lzetmel

- Pierre van Beek Wa zde gij tch ene lzetmel (tot iemand die de eenvoudigste dingen nog verkeerd doet) Herkomst onbekend (Tilburgse Taaklplastiek 174).

- WTT - 2017 - mogelijk samengesteld uit het denigrerdende 'luis' - vergelijk 'luizig', en 'tuimelaar' in de zin van 'potsenmaker', zie - WNT - lemma Tuimelaar I.1.

 

lewaaj, lawaaj

zelfstandig naamwoord

lawaai

- Piet van Beers:

OP DIEET
Men vrouw zeej "Ak jouw liet betije
dan aate,wl vier sneeje op.
Lt tch 'n bietje op oe ge,
ge ht tch al zonnen dikke kp."
 

Ik krg smrges naa ng mar tweej sneekes.
en, dun beleej meej dreuge ham.
't Aander moet ik mar besmre
meej van dieje zuure Prmezjam.
 

Smiddags krg ik aanderhalven rpel
meej unne flinke scheut lawaai.
Den enen dag 'n maoger lpke.
Den aanderen dag 'n harde aaj.

lewaajsaus, lawaajsaus, lawaaisaus

zelfstandig naamwoord

- Ed Schilders - 8 mei 2019 Lewaajsaus (lawaaisaus) is strikt genomen geen dialect. In het laatste kwart van de 19de eeuw wordt de aanduiding in kranten nog algemeen gebruikt voor een saus die is samengesteld uit het kooknat van aardappelen waaraan bij gebrek aan vet, smaak en kleur, mosterd en azijn werden toegevoegd, of een van beide.

 

Frans Fransen, Muk de drakendoder, R.K. Jongensweeshuis, Tilburg 1940. Illustraties van Carl Storch

 

Daar kwamen de dwergen aandragen. n Hele terrine vol soep voorop

 

 

Toen volgden aardappels met lawaaisaus, grote bonen en elk n kippepoot. Dat was kostje!!

 

 

 

 

Receptuur

- WNT - geeft in lemma Lawaai bij lawaaisaus: eene saus van meel, water, azijn en een weinig vet door elkaar gekookt, door de armen over de aardappelen gegeten.

- Een nog wat armere variant vinden we in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 26 januari 1896:

Een meerder gebruik van bier zou op eenige ontluiking van welvaart kunnen wijzen, doch dit geldt zeker niet van azijn, die in niet geringe hoeveelheden de zoogenaamde lawaaisaus helpt genietbaar maken.

- Dat mosterd het hoofdbestanddeel was, wordt bevestigd door een advertentie uit 1902 waarin het honderdjarig bestaan van Zaansche Mosterd wordt aangekondigd in de Leeuwarder courant van 18 februari 1902.

Wat de humor is in het leven, is de mosterd by den maaltyd, hetzij gemengd in een smakelijke saus by een fijn gerecht, hetzy in de lawaaisaus by de aardappels der armen.

- In het lemma lawaaisaus schrijft Boekenoogen in De Zaansche Volkstaal (1897): Een soort van saus, die door de arme bevolking over de aardappelen gegeten wordt. Meel, water, azijn en een weinig vet door elkaar gekookt. En: Het woord lawaaisaus is ook elders gebruikelijk, bijvoorbeeld in Holland en in Overijsel.

- Meel als ingredint werd al eerder genoemd:

Lawaaisaus. Water- en meelsaus met mosterd. (Noord en Zuid; taalkundig tijdschrift voor de beide Nederlanden, ten behoeve van onderwijzers, jaargang 3, 1880.)

- In het begin van de 20ste eeuw prijst een anonieme journalist margarine als vervanger van lawaaisaus:

De veel geringere prijs van de margarinesoorten dan van natuurboter heeft dit zoo uitstekende voedsel gebracht onder het bereik van duizenden, die zich vroeger moesten behelpen met wat vet of wat lawaaisaus. (De Grondwet, Roosendaal, 23 juli 1905.)

Armeluisvoedsel

Lawaaisaus wordt zonder nadere aanduiding van de ingredinten tot in de 20ste eeuw vaak gebruikt om aan te geven dat we te maken hebben met het voedsel van de allerarmste mensen. Zoals in dit fragment uit Recht voor allen (Amsterdam, 9 juni 1883) -

Is het maal van aardappelen met lawaaisaus een sprookje uit vroegere dagen? Wie kan zijn kindren voldoend voeden bij een loon van f 12. ? En twaalf gulden is een loon, dat de meesten doet watertanden!

Een opsomming van drank en voedsel voor de arme mens kwam ik tegen in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 23 juni 1893, met daarin de bevestiging van de oude receptuur maar ook een variant die troet werd genoemd, en vooral van de armoede die bij de armsten op tafel stond;

Op vele plaatsen geen drinkbaar water: bier zoo niet zeer duur, dan slap en slecht, wijn onbetaalbaar. Blijft voor den minderen man over: cichoreinat dat koffie voorstelt en de nationale voor hem bovendien met foezel en andere ingredienten vervalschte jenever. Daarnaar grijpt hij, als menigen dag, een maaltijd van aardappels met lawaaisaus (azijn met mosterd) of van troet (meel met water) die hem bij zwaren arbeid flauw en wee maakt.

In het Sociaal weekblad (1 januari 1890) lezen we:

Wat eet de werkman? hoe voedt, hoe kleedt hij zich? hoe woont en slaapt hij? Wat hij eet, kan ik u zeggen: slechte aardappelen met zoogenaamde lawaaisaus, meel met water en wat azijn, kool (roode en witte), slechte rijst, slechte erwten, dikwijls slecht brood, hoewel dat beter wordt, dunne melk (hoewel niet als afzonderlijken drank, alleen met de koffie, die geen koffie is). Vleesch wordt eenvoudig niet gegeten.

Koude drukte en bombarie

In de 20ste eeuw krijgt lawaaisaus ook andere bedoelingen, en wel als metafoor voor zaken die met veel bombarie gepresenteerd, zeg maar verbaal overgoten worden maar die op zichzelf weinig voorstellen, bijvoorbeeld in Het nieuws van den dag van 20 februari 1900 in een artikel over de boerenkrijg in Zuid-Afrika:

Het wil ons, met betrekking tot de jongste, met de bekende lawaai-saus opgedischte Britsche overwinnings-berichten, voor de Engelschen een bedenkelijk verschijnsel dunken, dat hun censuur geen of nagenoeg geen vrijheid vindt tot doorlating der doorgaans zoo sober en altijd juist gebleken berichten van Boerenzijde.

Tot in de Tweede Kamer, in een debat over het bankwezen:

Wat betreft de rede van den heer Teenstra in zake de Exportbank, merkt spreker op, dat hij zelf zeker geen tegenstander is van krachtige uitdrukkingen, maar alleen dan als zij argumenten onderstrepen, niet als dergelijke uitdrukkingen argumenten moeten vervangen. Nu had het veel van lawaaisaus met veel peper, met hier en daar een aardappeltje. (De Maasbode, Rotterdam, 26 juli 1917)

Na de Tweede Wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog verdwijnt lawaaisaus uit het algemene taalgebruik. Het woord overleeft dan, zoals veel andere woorden, de slijtage in het Nederlands dankzij de streektaal, maar niet altijd, en zelfs niet overwegend, in de originele betekenis maar eerder in nieuwe duidingen. Lewaajsaus wordt dan betrokken op de bereiding van vlees, of op de uitwerking van de toegevoegde ingredinten, zoals uien. Het afblussen met water van de vlees-jus met het bijbehorende sissende geluid wordt dan gehouden voor de oorzaak van lawaai. Het toevoegen van uien wordt als verklaring genoemd van dat lawaai, zij het via de spijsvertering en de darmen van de eter.

- Cor Swanenberg, zegsman (april 2019): Denkelijk is de term 'lawaaisaus' vooral door de onontkoombare 'darmwerking' na de maaltijd met deze 'lekkernij' in de wereld gekomen. Het betreft 'juinsaus' of 'mlkejuinsaus', in Helmond ook wel 'schreuwsaus' genoemd. Gebakken uien veroorzaken vaak veel winderigheid.

Tilburgse bewijsplaatsen

1925 Rubriek Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'matskoppen van aaw errepuls mee lawaaisaus'.

1950 - Pierre van Beek en "lawaaisaus" is het afgietsel van de aardappelen, dat vroeger in de arme gezinnen als saus gebruikt werd. (Tilburgse taalplastiek 15, Nieuwe Tilburgse Courant 5 juni 1950)

1968 - Pierre van Beek Vroom waren ze wel, die Tilburgse wevers rond 1830. En arm misschien nog meer. Dat gold zowel voor de thuiswevers als voor degenen, die op de fabrieken werkten. Een dagloon van 75 cent per uur betekende al heel wat. Geen wonder, dat het 's middags nogal eens vaak aardappelen met lawaaisaus was. Met deze weidse sausbenaming camoufleerde de volksmond het water, waarin de aardappelen (uit eigen hof) gekookt waren. (Nieuwsblad van het Zuiden - 21 december 1968.)

1964 Pierre van Beek ... aardappels met "lawaaisaus", een alledaags weversgerecht. Deze saus bestond uit niets anders dan het water, waarin de aardappels gekookt waren. Ook sprak men wel van lawaaisoep waarin het element water eveneens de hoofdrol speelde. (Tilburgsche Taalplastiek, Nieuwsblad van het Zuiden 24 juni 1964.)
1964 - Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
t is vlees van den bakker (gehakt met veel brood) mee lawaai-sju (17-08-1964) ['vlees van de bakker' werd ook gebruikt voor 'worstenbrood']
2011 Henritte Vunderink, uit: Tis de moejte wrd:

 

Lewaajsaus


Op Vrddag wier gin vles gegeete,
aanders didde en grote zonde.
Ok zjuu t vles mogde nie eete.
Daor is toen iets op gevonde.

Waoter in en pan gedaon,
waor ok kneut in was gegaon.
D wier saome dan gekokt,
n drnao meej bloem gebonde.

Van vroomheid hak bepld gin laast,
mar w hb ik Vrddags dik gevaast!

 

Herinneringen

- Internet 2012 'Recept: Lawaaisaus nep-jus - doet me denken aan mijn moeder die - als er geen vlees was, maar ze wel jus wilde hebben, lawaai-saus ging maken. Klont margarine in de koekepan, bruin laten worden, half maggiblokje en/ of fikse scheut ketjap doorroeren en afblussen met water. (www.tournedos.nl/sauzen/)

- J.P. Stam-Dresselhuys - BRUINE BONEN MET LAWAAISAUS Grootmoeder klopte een paar eieren in de juspan, schonk daar wat melk bij, liet het aan de kook komen (het ei mocht schiften, vandaar ook de naam kloddersaus) en bond de saus met aardappelmeel. Later spekvet en het bruine bezinksel van spek er op. Hier worden aardappels bij gegeven, gebakken spek en in de zomer sla. Uit de Achterhoek. (Oudnederlandse streekresepten; 1980)

- J. Jobse-Van Putten - Het hoeft nauwelijks betoog dat men de ideale saus vroeger niet gauw te vet vond. Aan puur of 'klaar' vet kende men de hoogste waardering toe. Vooral bij de armeren was de saus echter vaak niet meer dan 'lawaaisaus', ook wel 'oogjesvet' genoemd... (Eenvoudig maar voedzaam, Cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nederland; ; 1995) [zie voor 'oogjesvet' ook Stoll en De groot hieronder bij 'lewaajsoep']

Synoniemen en aanverwante benamingen

Lawaai was niet de enige troost die de taal bood door armzalige gerechten met een kwinkslag te benoemen.

- Haagsche slinger-om-de-trap. Tot nu toe niet verklaard. (Recht voor allen, Amsterdam, 22-08-1887.)

- Houten schinken en margarine. Waarschijnlijk wordt de houten ham bedoeld. Zeer algemeen. Eerder een lawaaibenaming dan een werkelijk gerecht. (Provinciale Drentsche en Asser courant, 03-09-1906.)

- Kattenburger lawaaisaus. Kattenburg was een van de armste wijken van Amsterdam. (Recht voor allen, Amsterdam, 22-08-1887.)

- Kruiwagenpooten in het zuur. Tot nu toe niet verklaard. (Recht voor allen, Amsterdam, 22-08-1887.)

- Lollemanstip. Mengsel van stroop, boter, melk en meel; wordt als saus gebruikt. Tip is waarschijnlijk van tippen ofwel dopen, soppen. (Uit: Tweede lijst van Woorden en Spreekwijzen, gebruikelijk in t Stadsfriesch. [Anoniem]. In: Onze Volkstaal, jaargang 2, 1883.)

- Lollemansdoop. Een soort van schrale saus, bestaande uit meel, water, azijn en een weinig vet door elkander gekookt [] Synon. lawaaisaus. - De lollemansdoop wordt door de arme bevolking over de aardappels gegeten als surrogaat voor vet. (Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, 1897.)

- Mosterddoop. Een soort van schrale saus, gekookt van meel, water, mosterd en een weinig vet, welke door die arme bevolking over de aardappels genuttigd wordt. (Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, 1897.)

- Slappe sloerie. Waterige soep. Zie lemma Lewaajsoep. (Provinciale Drentsche en Asser courant, 03-09-1906.)

 

lewaajsoep, lawaajsoep

zelfstandig naamwoord

lawaaisoep, met veel water aangelengde soep

- Van Dale XIe: lawaaisoep (dunne, magere soep)

- [Ons moeder] mkte ooveral en fist van. Die deej waoter bij de soep, n dan zisse dmme Lewaajsoep han. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- WTT - 2012 - Het - WBD - heeft 'lawaaisoep' uitsluitend opgetekend voor Breda, en wel onder het hoofd 'Waterachtig voedsel' (III.2.3:3). Tilburg wordt in dit lemma vertegenwoordigd met 'sloerie', 'slappe sloerie', en 'slierp'.

- Claessens 2019 zegsman, bericht aan Ed Schilders Zoals ons moeder zei: Als het maar geen lawaaisoep wordt, als ik vroeg of jij kon mee-eten.

Onderdeel van de gaarkeuken dan wel voedselbank

Bij gelegenheid van de opheffing van de Centrale keuken in Amsterdam plaatste Het Parool op 26 februari 1968 een bericht met een opsomming van de gerechten die daar geserveerd werden in tijden van honger en tegenslag.

- TOCH mogen we volgend jaar wel met een tikje weemoed van de centrale keuken afscheid nemen, want boven een bepaalde leeftijd, heeft Amsterdam heel wat aan die keuken te danken. In de hongerwinter van lang geleden verschafte die keuken duizenden de enige warme hap, die ze nog kregen. Stamppot andijvie, stamppot rode kool, stamppot suikerbiet, stamppot wortelen, aardappelsoep, lawaaisoep, bruine bonensoep, ja het menu was wel een beetje eentonig, maar we hebben er allemaal van gesmuld, mensen!

 

 

- Cees Robben - Prent van de week 28 juni 1974 (het Nieuwsblad van het Zuiden)

 

 

Ed Schilders over deze prent van Cees Robben

Uit Slaoj meej aaj mee jn meej rpel - Aan tafel met - Cees Robben - Tilburgs Prentebuukske nr. 9; 2008

We zien een pan met daarin een pollepel, en die pan staat onder een kraan. En doordat Robben die pan daar en nergens anders heeft neergezet, en omdat er uit diepe borden gegeten wordt met lepels, weten we wat het hier aan tafel verenigde gezin aan het eten is: lawaajsoep. Lawaajsoep was de volksnaam voor soep die uit armoede verdund werd met water. De tekst is daarop een wrang commentaar: we zijn blijkbaar beland in een van die huishoudens waar het eten uit noodzaak nogal magertjes is. Om het allemaal nog wat slanker te maken heeft Robben ook nog eens een karaf met water op tafel gezet. Net als bij lawaaisaus duidt lawaai erop dat het gerecht dan misschien wel soep wordt genoemd maar dat dat sterk overdreven is.

Overigens, die pollepel (in de pan, in de prent aan de muur, in de Prent van de week) is ook niet onbelangrijk. Van Beek vermeldt dat verdunde soep ook wel soep mee den heiligen pollepel werd genoemd. Een verklaring voor deze uitdrukking heeft hij niet behalve dat het een schrale troost was. Ik denk dat het, in het dialect, soep meej den hllege plleepel was. Hllege komt van heiligen, ofwel wijden. In dit geval is de pollepel echter niet door een priester geheiligd met wijwater, maar door moeder de vrouw met water uit de kraan.

 

Dope

 

Uit de kookboeken

 

- Internet 2012 - Sommige mensen denken dat die soep lawaaisoep heet omdat er altijd uien of bruine bonen in zitten. Daar ga je van winden. Maar als dat zo was, dan had mijn oma die soep nooit lawaaisoep genoemd, want van dat soort grapjes was ze niet gediend. Nee, lawaaisoep heet zo omdat je die met een hoop poeha kunt opdienen, maar die eigenlijk niks voorstelt een soort herrie in de keuken, dus. En die soep stelt zo weinig voor doordat je er restjes in gooit. (Menno Steketee - nrc.nl/krant/)

 

- Frderique Mathilde Stoll en Wilhelmina Hendrika de Groot - De heldere soepen of consomms worden gemaakt van geurige, sterke, geheel ontvette bouillon van vlees, wild, of gevogelte. (...) Voor huiselijk gebruik zijn deze soepen te duur, te bewerkelijk en dikwijls ook niet voedzaam genoeg. Om ze beter aan het doel te doen beantwoorden, neemt men minder vlees, doet er meer vulsel in, laat men de eiwitvlokjes er in en de vetoogjes er op, en kookt men het vulsel in de soep gaar. Zodoende verkrijgt men een goedkopere, voedzamere, minder bewerkelijke, maar troebele soep, die, al is de bewerking in hoofdzaak gelijk aan die van de heldere, fijne soep, toch heel veel er van verschilt. (Uit: Recepten huishoudschool Laan van Meerdervoort, 's-Gravenhage; 1948)

 

lzzend-meel
zelfstandig naamwoord
lijnzaadmeel; in de volksapotheek bekend als purgeermiddel
- Cees Robben -
[Vrouw tegen dokter:] Hl oe lzzen-meel en kalmoes/ saovieblad... kemille-thee/ hskes-lf en hoest-sjuup-sjuupkes../ Dingen... waor ie [de patint] niks aon hee... (19551217)

 

li

persoonsvorm van lgge

legde

verleden tijd van lgge; hiernaast ook: 'lgde'

 

lichelek

bijwoord

lichtelijk, allicht, enigszins

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - lichelijk, bw. lichtelijk, wat naar alle waarschijnlijkheid zal gebeuren of wat op grond van ervaring te verwachten is: 't is lichelijk w - er gebeurt altijd wel iets.

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijwoord lichtelijk - 1) gauw, spoedig, gemakkelijk; 2) (hoogst-)waarschijnlijk, vermoedelijk.

 

licht

zelfstandig naamwoord

licht

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lichtndonkere - schemering (< tussen licht en donker)

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - licht(e) zelfstandig naamwoord licht(en); Ge staot in de licht!

 

licht

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

licht, niet donker

t licht - klaarlicht, volop licht
- WBD - III.1.4:354 'licht' = gemakkelijk
- WBD - III.4.4:29 'licht' = zeer warm (van het weer), ook heet
- WBD - III.4.4:235 'licht' = helder

 

licht-onneuzel-wicht
zelfstandig naamwoord
vrouw van lichte zeden
- Cees Robben - t waerelds licht-onneuzel-wicht (19610317)
 

lichvrdeg

bijwoord

Pierre van Beek - allicht, waarschijnlijk

Pierre van Beek - As alleman et doe, zal ik et lichtvrdeg k doen.

Henk van Rijen - 'lichvrdeg' - lichtvaardig, allicht, gemakkelijk

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LIGTVAARDIG voor 'ligtelijk'. B.v. Ik kan het ligtvaardig toestaan, dewijl het Mij niets kost. - Ik wil het ligtvaardig gelooven, d.i. gaarne, ligtelijk gelooven.
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijwoord - lichtvaardig

 

lichtwrm

zelfstandig naamwoord

lichtworm

- WBD - III 4,2:172 lemma Glimworm - De glimworm (Lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm.
glimpworm Middennoordbrabant
lichtworm frequent in Tilburg
dwaallicht Tilburg
pierworm Tilburg
pier Tilburg
 

lid

zelfstandig naamwoord

lid, meervoud: leeje

- WBD - et nder de leeje hbbe - (van een koe) aanstalten maken om te gaan kalven

- WBD - III.1.1:145 -lid', 'lidmaat' = lidmaat

- WBD - III.1.1:159 'voorste lid' = vingerkootje

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - l:t, zelfstandig naamwoord o., lid; mv. 'lei', Brabantius 'leei'. (zie ook: 'leeje')

 

liebertt

zelfstandig naamwoord

vrijheid uit het Franse libert

- Interview met de heer De Kok (1978) n toen zeetie (Jaon van Aorendonk) van: Bartje, zeej, Wrrom zde gij bij den bond? Ik zg Vur men ge liebertt

KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

liege

werkwoord, sterk

liegen

liege - loog - gelooge

- Informant Toine Raaijmakers - Als men zich niet meer herinnert wat men wilde zeggen: 'Dan zalt wl gelooge zn'

Pierre van Beek - "Hij liegt as 'nen houtraper" zegt men van iemand, die er "ongegeneerd" op los liegt. Dus "liegt dat-ie zwart zie", zoals Lowie van Dorrus Misters zei. Waarom het nu juist de houtrapers waren, die om hun liegen berucht schenen, is ons niet duidelijk. Wl weten we, dat het houtrapen of houtsprokkelen door de arme bevolking in Tilburg vroeger mr beoefend werd dan thans.. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

- Gezegde: Henk van Rijen - liegen in kmmissie - buiten eigen verantwoordelijkheid: Ast nie waor is, dan lieg ik in kmmissie.

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - hij liegt dtter de lzen p zene kp van barste (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - hij liegt dat ier barst

- Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - liege ww - liegen

 

liegebist, leugebist

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - liegbeest, leugenaar

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - liegbist, leujgebist zelfstandig naamwoord - leugenaar

- WNT - LIEGBEEST - leugenaar

 

lieke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

liedje

verkleinde vorm van 'lied'; samentrekking van 'liedeke'?

...allemaol bekende aaw melodien en kerkliekes... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; Nieuwe Tilburgsche Courant 29-10-1938)

- Cees Robben - En de wend die fraozelt zuutjes,/ liefdesliekes in mun oor.. (19540612)
- Cees Robben - n Lieke zonder end... (19600715)
- Cees Robben - Ik leuter mn lieke (19570713)
- Cees Robben - Zingt t spoeleke zn lieke/ links klabots.. en rechts klabak.. (19560630)
- Cees Robben - Ze zingen n lieke.. (19590110)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'de taol waorin liekes zat zitten'; 'heur ons lieken es aon'
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - zen lieke was krt mar goed

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  'zen lieke was krt, mar goed' (zin 90, blz. 99)

- De meense wille daor tch ng aatij gre en schon lieke bij heure. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2006)

f ik vur heur en lieke wilde zinge... (Henritte Vunderink, Bewaarschool, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - LIEDJE - li:kə zelfstandig naamwoord o.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIKE(N) zelfstandig naamwoord o. -lied, liedje, Frans: chanson

 

liekesboek

zelfstandig naamwoord

liedjesboek

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIEKESBOEK (met korte oe) zelfstandig naamwoord m., niet o. - liederboek

 

liekesmaoker

zelfstandig naamwoord

liedjesmaker, componist?

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'liekesmaoker'

 

lienekenolie
zelfstandig naamwoord
linoleum
- Zaand wil haost niemand meer. De meensen worren vort zoo
grotsch d z'oe nog nie meer zien staon mee oe zaand. Er Is geen huisken zoo klein of daor lee vort van d lienekenolie (linoleum)
in. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.
 

lienieke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'linie'

- WBD -
III.3.1:314 'linieke' = grens

 

lies

zelfstandig naamwoord

lis

Witt. 'lieze'

- WBD -
III.1.1:171 'lies' = knieholte

- WNT - VIII:2493: LISCH, in Z-Ned. ook les(ch) - ben. voor een hier te lande in het wild aan waterkanten en in moerassen veel voorkomende plant van het geslacht Iris, in het bijz. Gele Lisch, Iris Pseudacorus.

 

lietenie

zelfstandig naamwoord

litanie, klaagzang

- 'De Hasseltse Litanie'; vroeger een bekend volksliedje in Tilburg; het begint met:

Tirres van Besouw zat in de hei, Viva brokken lorum
Daar maakte hij alle meskes blij. Viva brokken lorum

Voor de volledige tekst en verklaring KLIK HIER

littenie

 

lieters

bijvoeglijk naamwoord.

een liter inhoudende

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - liters, bijvoeglijk naamwoord liters: 'n literse fles - een fles die n liter inhoudt.

 

lievenheeretietje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

lieveheersbeestje

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lievenheeretietjes - lieveheerebeestjes (Coccinellae)"
Blinkend lieven-

heeretientje,

glaanzend knpke,

rood gelakt,

zwart getikkeld

keverkiendje,

och, w bende gij

fraai gefrakt! (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Lievenheeretientje, 1949)

- WBD -
III.4.9:170 'lieveheertietje', 'lieveheretietje', 'lieveheerhenneke', 'lieveherehenneke', 'lieveheerbeestje', 'lieveherebeesje'

Koenen I (1872) maakt bij onze-lieven-heers-beestje de volgende opmerking: Men hoort ook onze-lieven-heere-beestje. Dit komt daar vandaan dat in de streken, waar deze en soortgelijke koppelingen gehoord worden, de h niet wordt uitgesproken. Maar al wierd zij er gehoord, de n van lieven dient behouden te blijven om der welluidendheid wille.

Piet Heerkens svd - uit: DE KNAORRIE (1949) Blinkend lieven-
heeretientje, /glaanzend knpke, /rood gelakt, /zwart getikkeld/ keverkiendje, / och, w bende gij /fraai gefrakt!

Dossier lieveheersbeestje

 

lieverij

zelfstandig naamwoord

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "mar w kreeg ie op z'n lieverij (scherpe terechtwijzing)"

- WNT - LIVREI - Kleedij waardoor zich een bepaalde categorie van personen onderscheidt.

 

lieverleej

bijwoord

lieverlede (alleen met 'van')
Cees Robben: van lieverleej begs et zo te lope

- WNT - VAN LIEVERLEDE - geleidelijk, gaandeweg, kalm, zonder overhaasting; langzamerhand, allengs, beetje voor beetje

 

Dianthus barbatus

lievermnnekes

zelfstandig naamwoord, verkleind, meervoud

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - duizendschoon (Dianthus barbatus)

►snffel

- WBD -
(III.2.1:425) lievermnnekes = duizendschoon, ook genoemd: snoffel of boeresnoffel

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lievermnnekes zelfstandig naamwoord - duizendschoon
Bosch lievermnnekes - duizendschoon
Heuk Lievermannetjes (Br. O.) duizendschoon

 

ligge

werkwoord, sterk

liggen; ziek of bedlegerig zijn

ligge - laag - geleege

in tegenwoordige tijd vocaalrekking: hij leej

Onzen oopaa leej al virtien daog. - Opa is al veertien dagen ziek.
Cees Robben: Waor wilde ligge? Lt den hf tch ligge, Jan;
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - nder diejen k ligge veul kels

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ge ht venaacht zeeker nie drg geleege (Daamen, Handschrift 1916) - gezegd tegen iemand die opvallend vroeg uit de veren is.
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - niks laote ligge as meulestene n gloejend zer

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - ligge ww - liggen; wordt dikwijls gebruikt in een andere betekenis.

 

ligger

zelfstandig naamwoord

- WBD -
(in de Hasselt) putzwengel (balk of paal die balancerend aangebracht is in de gaffel van de putgalg)
- WBD -
(Hasselt) - legger, (bep. gewrichtsziekte bij paarden), ook genoemd 'legger', 'gal' of 'klappees'

 

lighalle

zelfstandig naamwoord meerv.

sanatorium

- A.J.A.C. van Delft - "Z'n vuil stinkende sigret, waor ze 'n briefke veur de lighallen bij moesse geve as ze verkocht wierre" wordt met graagte opgepaft ten nadeele der gezondheid. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

 

ligte

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - leegte

 

lije

werkwoord, sterk

lijden

- A.J.A.C. van Delft - "'n Eerlijk hart moet w lijden, zee Poeper de Lepper" klinkt het bij verongelijkt worden. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Cees Robben: zen maog stao nr et hngerlije;
Henk van Rijen - 'D maa-k lje' - Dat hoop ik.

- WBD -
III.3.1:230 'lijden', '(gaarne) mogen, goed kunnen zetten, staan op' = iemand graag mogen
lije - leej - geleeje
- WBD -
III.1.4:250 'lijden' = treuren; 261 'lijden' = idem
- WBD -
III.4.4:97 'lijden' = dragen (van ijs)

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - st. ww. tr. en intr. - lijden
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LIJ(D)E(N) - ww, onoverg.

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lije ww - houden, lijden: 't s lijdt; d lij ik nie van jou

 

lijn, de

zelfstandig naamwoord

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - de spoorlijn die Tilburg doormidden deelt

 

likkisaon
samentrekking
leg ik eens aan; aanleggen in een cafeetje.
- Cees Robben -
En onderweege likkisaon... (19550716)
 

- Cees Robben - Prent van de week 20-04-1973

 

Getekende poster van een prent van - Cees Robben - in de kraam van marja van Trier op boekenmarkt Boeken rond het paleis in 2022.

 

Ed Schilders op CuBra over lillek bij Cees Robben

 

lillek, lilleker, lilluk

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

lelijk, erg, danig

Ze han em lillek te pakke. - Ze hadden hem danig te pakken.
- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - innen lilleke wnd
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'en lilleke woorden gezeej'

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
- (Hondenshow)Hij is nie lillik in zn srt, maar t srt is lillik. (ook opgestuurd: 16-1-1975) (15-06-1963)
lillek
- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
- Meetoere bende nne lillik drver, dreiner! (feb. 1962)
lillek

- Cees Robben -
Dn onrust is n lilluk ding (19651231) 

- Cees Robben -
Lillukke drn-r diege-me-daor-staot... (19670603)

- Cees Robben -
Van unne kreugel worde nog is lilluk k... Daor krde grte neusgaoter van en lang reme... (19730330)

- Cees Robben -
Ik vnet nie lilluk (19860516)

- Cees Robben -
Hoe meer dettie uit doe hoe lillukker dettie wordt... (19781222)

- Gezegde: Pierre van Beek - As lillek zeer di, w zde gij dan en pnt hbbe. (Tilburgse Taaklplastiek 124)
Henk van Rijen - "geht is lillek" - wat je had, daar heb je niets meer aan
Henk van Rijen - naaw, kz er lillek meej afgespannen -... er erg mee ontriefd
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lillek in de luier, schoon in de sluier (ook - Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - (180407)

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEELIJK (uitspr. leelək, lillək, Kemp.: lellək) - lelijk

LILLIK (2e lettergr. toonloos)- leelijk; in de Kemp. LELLIK

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lillek bw - lelijk, erg

Bosch lillek - lelijk, brutaal, erg (flink)

 

lillekerd

zelfstandig naamwoord

iemand met een slecht karakter

- Cees Robben -
Ik zeg: n lillukkerd... (19650402)

- echter ook wel gebruikt om sympathie uit te drukken:

- Cees Robben -
En witte w den lillukkerd toen zeej... (19671110)

- WBD -
onelegant paard, ook (in de Hasselt 'loeves' genoemd)

Henk van Rijen - plaaggeest, lelijkaard

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LEELIJKAARD zelfstandig naamwoord w-m- leelijke mensch

- WNT - LEELIJKERD, leelijkaard - 1) akelig, naar, beroerd wezen, beroerling 3) slecht, gemeen, naar persoon, schurk, booswicht

 

lillekers
zelfstandig naamwoord, meervoud; het enkelvoud wordt niet gebruikt
- in een uitdrukking met trkke; lelijke gezichten trekken, uit angst of pijn; mogelijk het meervoud van lillukkerd maar dit enkelvoud is in de hier bedoelde betekenis nergens gevonden
- Cees Robben -
Kek-is wen lillukkers d bluuike trekt... (19680223)
- Cees Robben -
Daor trekte gin lillukkers [een vrouw spreekt over een moderne kraamkliniek] (19681206
 

lillepote

werkwoord, alleen infinitief

- Pierre van Beek - Hij lag te lillepoten. - te stuiptrekken. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

 

limmenaade

zelfstandig naamwoord

limonade

ook: 'liemenaade'

- Cees Robben -
Gift dan mar limmenade zeej...! (19661021)

 

limmeneere

werkwoord, zwak

- mogelijk uit het Franse illuminer, feestelijk verlichten

- het er goed van nemen; de fijne meneer spelen.

- limmeneere - limmeneerde - gelimmeneerd

Cees Robben: Ik hb aaltij goed gelimmeneerd;

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "ze limmeneeren mar dag in dag uit (de bloemetjes buiten zetten)"

1965 - Een banjermijnheer kan wel eens lopen te "limmeneren". Met dit werkwoord duiden onze mensen aan het fijne mijnheer spelen, waarbij dan soms op de achtergrond nog wel de gedachte meespeelt, dat het van andermans centen gebeurt. (Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek 23 - 02-01-1965)

1965 - Reactie op het voorgaande -

A.C. Hoogendoorn - brief aan Pierre van Beek - archief erven Pierre van Beek


2007 - Wij mar werken en aaltij ons geld hillemaol afgeeven en zij mar limmeneren, waar et waor wij ons aon stoorde. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

2009 - Piet van Beers 1ste Lezing uit Lukas 15: Z' n grotste beezighd was: Schnsmarsjeere/ n daogelang fiste n limmeneere. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers Groeten uit Mallorca: De jeugd gao dan flink limmeneere... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hij is zondag wir goed wiste limmeneere - heeft de bloemetjes buiten gezet

Mstr. limmenere uit illimenere uit illumineren = feestelijk verlichten

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LIMMENEREN onov.ww - uitbundig feestvieren en potverteren; verbastering van 'illumineren' - de feestverlichting ontsteken.
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zwak werkwoord intransitief (illumineren) - feestvieren en pretmaken (niet zelden door halfdronken kerels in een herberg).

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - limmeneere ww - hevig vieren, tekeer gaan
Bosch limmenere - illumineren

 

limput

zelfstandig naamwoord

leemput

Hij en zen bruurs gingen aaltij dikkoppen vangen meej un schepnet, in de limputten. (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

linde

persoonsvorm

leende

verleden tijd van 'lene', met vocaalkrimping

 

lings

bijvoeglijk naamwoord.

links, linker-

- Dialectenqute 1876 - rchs en links

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord 'lings' links - mƐ de lingse hand - met de linkerhand
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LINGS bw - links

 

Linhouwers

verbastering van de achternaam Leenhouders

- 2020 - Als je het geleende niet teruggeeft: - zde gij er ene van Linhouwers? (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: klik hier

 

link

bijvoeglijk naamwoord.

scheef; riskant

- WBD -
III.3.1:362 'link' = verdacht (onder verdenking staand, onbetrouwbaar, onguur)

- WBD -
III.1.4:27 'link' = slim

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LINK bvw - Frans: gauche. Spr. Hoe linker hoe flinker, hoe rechter hoe slechter

 

linke

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - lonken

 

links, lings

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 27) van het cluster nks wordt de k verzwegen: lings

- WBD -
III.1.3:11 'links' = binnenstebuiten; ook: 'gereformeerd'
- WBD -
III.4.4:309 'links' = verkeerd, averechts

 

linkse

zelfstandig naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 27) van het cluster nks wordt de k verzwegen: lingse

- WBD -
III.1.2:28 'linkse' = linkshandig persoon; ook 'linkspoot'

 

linkspot

zelfstandig naamwoord

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 27) van het cluster nks wordt de k verzwegen: lingspot

- WBD -
III.1.2:28 'linkspoot' = linkshandig persoon; ook 'linkse'

 

lint

persoonsvorm

Henk van Rijen - leent

 

lip

zelfstandig naamwoord

lip

- 2020 - Tegen iemand met een brede mond: - der zit een vlieg op oew lip, dr bij oew oor! (Zegsman dhr. Hessels (1931-2006). Volledige bron: klik hier

 

lippert

zelfstandig naamwoord

bepaald krentenbrood

- - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lippert - een soort heel fijn krentenbrood, 'ne krentenlippert"

 

lirde

persoonsvorm

- Dialectenqute 1887 Willems - leerde

verleden tijd van 'leere', met vocaalkrimping

 

lirke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

Henk van Rijen - laddertje, trapje

verkleinde vorm van 'leer' (ladder)

 

lirzaom

bijvoeglijk naamwoord.

leerzaam

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 34) lirzaom (met vocaalkrimping)

 

lis

zelfstandig naamwoord

lelie

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs
- Hij hee n luchtje bijm as fraanse lis in de zomer (20-03-1968)

 

liske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lusje (om kledingstuk op te hangen)

 

list

zelfstandig naamwoord

- WBD - leest, de (beukehouten) pasvorm waaraan men de schoenen maakt in het algemeen (II:688)

- WBD - schflist - schuifleest, de houten leest met een los bovengedeelte, een zogenaamde schuif of kap (II:691)

 

Uit het weekblad Groot Tilburg, dat tussen 1939 en 1946 verscheen. De tekening van Frans Mandos van een professor voor een schoolbord dateert uit 1939 en was het vaste kader van de rubriek 'Cursus in Tilburgs'. Lezers konden korte Tilburgse zinnetjes insturen, die op het schoolbord werden afgedrukt.

 

list, liste, lst, lste

telwoord

laatst(e)
- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - ''s zondags nor de liste mis'

net zo lang totter te liste de waore schuldigen wel vur den dag kome. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Dieje liste hk niemir motte vatte (15-06-1963)

- Cees Robben - De kender gaon t list... (19540724)
- Cees Robben - Dr zaat er list n veugeltje/ te zingen in de zon... (19600708)
- Cees Robben - Ik heb list heure zegge (19820409)
- Cees Robben - Ik weet nie w d list toch was... (19850823)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 66 07 14 - Dan kunne me te liste / Wir virtien daoge aon n stuk / Lui zn en lekker fiste

- Gezegde: Pierre van Beek - t de liste mis koome - van niks weten, zich van den domme houden (Tilburgse Taaklplastiek 154)

- Dialectenqute 1876 - list - laatst

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de liste mis

- ze lpt pt list - ze dreigt spoedig te bevallen

- Piet van Beers Volkstlling!: 't Was 'n rs mee hindernisse, want Maria liep "op 't list"/ As g' al zo wd op scheut zt, is d hilleml gin fist. (t lfde buukske, 2010)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - liste ketier - bijna op zwart zaad

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - nr de miste van de liste fiste is ie meej gewist

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'List waar de g de lste'

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - et liste heugt et miste

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  ltst, lst, list

- WBD - III.3.3:119 liste mis = hoogmis

 

littenie, littanie

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - litanie, reeks

- WBD -
III.3.1:250 'litanie', 'ceel'

- Audioregistratie 1978 - En as dan gewoon et rozenhuuke afgelope was, dan wrd de littanie gebid n dan moeste op oew knieje, dan zaate zo op, op oew knieje op de bank teege de muur n te kke (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

►lietanie

 

lizzend, lzend

zelfstandig naamwoord

lijnzaad

Cees Robben: hel oew lzzendml n kalmoes

 

lochjes

bijwoord

lichtelijk, een beetje

1940 - Gelijk 'n liefdevolle haand/ die deur m'n haore aait,/ zo vuul ik den aovend over et laand,/ as 't lekker lochjes waait. (Leo Heerkens, uit: Zomeraovend, in: Piet Heerkens, De Knaorrie, 1940)
Henk van Rijen - terloops, op z'n gemak

Henk van Rijen - luchtig, lichtjes; luchtigjes

Haor LOGJES - licht, bijv. m.b.t. ploegen

 

lochjeswg

bijwoord

licht - luchtig - lucht
1969 - Wanneer een boer zijn akker "lochtjesweg ploegt" gaat er de ploeg maar ondiep doorheen. "Locht" heeft de betekenis van "licht" en "luchtig". In sommige streken van Brabant spreekt men trouwens wel van "locht" als men de lucht in de zin van uitspansel bedoelt. Bijv.: De locht zat vol witte wolken. (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 80, 29-5-1969)
terloops
1974 - "Lochtig" krijgt soms ook een enigszins figuurlijke waarde, bijv.: Staande aan het buffet sloeg hij zo lochjesweg in een kwartier tijd zes borrels naar binnen". Het neigt dan al naar "terloops" zoals we dat aantreffen in: "Ik heb hem lochjesweg de waarheid gezegd".
1974 (ca) - lochjesweg Als een boer zijn akker heel ondiep ploegt, dan noemt hij dat ploegen: "lochjesweg ploegen". Men bezigt het gezegde ook in de betekenis, averechts aan "niet gering". bijv.: "Hij wipte er, binnen n kwartier, zo lochjesweg aacht nor binnen. "lochjesweg" wordt ook gezegd in de betekenis van "terloops": lk heb het hem lochjesweg z gezeej". (Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek)


Pierre van Beek - typoscript - archief Pierre van Beek

 

locht, lcht

1. zelfstandig naamwoord

de lucht

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 21) locht naast lucht

- "Bartje oe kneuter is los!" riep de Tuter, die 'n snuit trok of de locht nor benejen gevallen was. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)
- Ik weet d beter want ik ken die lochten al jaoren. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)...as moeder zooiets veur had, dan kos heel de wereld op z'ne kop gaon staon, mee de beenen in de locht, d moes gebeure! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)
-...er waar geen wolkske aon de locht te bespeuren... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 12-8-1939 26-8-1939)
...en slaope kan ik toch nie zoolang et onweer in de locht zit... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939)
- Zelfs de moeder van den burgemister, die bekaant stokdoof waar, staak d'r wipneus de locht in... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; Nieuwe Tilburgsche Courant 8-10-1938)
- Juffrouw Jaanse viel bleek op 'nen stoel en sloeg mee d'r errems in de locht... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; Nieuwe Tilburgsche Courant 17-12-1938)
-... zoodoende krgde host gin buitelocht in oewen snuffert. (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Zu de locht dan noot meer breken? / Straolt dan 't zunneke noot nie meer? (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Zeeverweer, 1941)

- De locht is zo zoft as boter, (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Merel en moter, 1938)

- Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Sneuw, 1938)

'et Sneuwt! 'et sneuwt! - Ik ha' 't verwocht!

Naa worren alle waaie wit,

want in de grijze locht daor zit

nog sneuw genocht!

- Piet Heerkens; uit: Brabant, Op t huwelijk van Tijs Dorenbosch, 1941)

toen et onweer w bedaorde

en de locht w-d-openklaorde (

- Piet Heerkens; uit De knaorrie, Inleiding, 1949 - licht van hart en locht van voet...

- Cees Robben - De locht is grauw waor d ge kekt... (19540724)

de lucht die men ruikt

- Cees Robben - t Zit in de lcht... (19570309)

- Cees Robben - En boven deze soeppot hong (...) Mistal n locht van smr (19701016)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 59 07 10 - Hij brocht n paor sandaole mee / Z van die lochte dingen / Van veure en van aachtere niks / Die nergens kunnen vringen.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 62 05 04 - Waor blft de helder blauw locht / Waor iedern mee smart op wocht?

- Lodewijk van den Bredevoort (pseudoniem van Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006 - We waren al efkes onderwege en z mar opeens wordt et vur ons stikkedonker en die donkere lochte komen steeds dichterbij.

- Henritte Vunderink, 'k Zal van oe blve haawe, 2007 - n zegkaawe lochte...

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - De locht schoof dicht n et viel er drnao meej bakken t (290709)

- WBD - III.4.4:23 'motlucht'? 'moklucht', 'dikke lucht', 'mistige lucht' = mistlucht
- WBD - III.4.4:21 'waterlucht' = regenvoorspellend wolkje
- WBD - III.4.4:17 'wolkenlucht' = bewolkt

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOCHT v. (ouderwets voor:) lucht in de klimatologische betekenis: 'n donkere locht.
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord vrouwelijk - lucht
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - LUCHT - zelfstandig naamwoord vr.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOCHT, LOECHT zelfstandig naamwoord v. - lucht, Fr air, ciel, firmament, climat

2. bijvoeglijk naamwoord

licht (van gewicht); luchtig, lichtzinnig

"En de vrouw van Petit", zee juffrouw Marie mee d'r scherpe stem, "is nog erger dan locht, ze is bepaold wereldsch!" (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 31-12-1938 18-2-1939)
...de stad, daor zijn de meensche lochter van aord! (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1938)

...dan hee 't perdje den weg gevonden naor den stal en dan loopt et locht (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
...ze had dien lochten jongen al enkelde keeren langs de deur zien komen... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; Nieuwe Tilburgsche Courant 22-10-1938)
...al d locht jong volk... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; Nieuwe Tilburgsche Courant 22-10-1938)
... 'nen lochten meneer... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
Pierre van Beek - der lchjes ooverheene aaje - er zacht over aaien
Pierre van Beek - lchteg gebakke - luchtig gebakken

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de schnste boove n de lchste van nder (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek '74) -... en de lichste v. onder (gezegd door bakkers en groenteboeren)
Henk van Rijen - daor motte nie zo locht oover dnke

- WBD - III.2.3:149 'locht gekookt ei' = zacht gekookt ei

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - licht, lcht bw, bijvoeglijk naamwoord - licht (lcht dnke oover)
- Leo Goemans; Leuvens taaleigen (1936) - LUCHT - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord zoo als eene pluim
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOCHT bijvoeglijk naamwoord - luchtig, lichtzinnig: locht volk; als bw: oppervlakkig, vluchtig, ook in de verkleinende vorm 'lochjes': lochjes gebeerd en toch veul bagge.

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 1) licht, niet zwaar, 2) dol, duizelig, min of meer ijlhoofdig, 3) opgeruimd, luchthartig; 4) lichtzinnig, wuft. bnw - 1) niet kompakt, los; 2) koel, fris, luchtig.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOCHT, LOECHT bvw - licht, niet zwaar; koud (wind); niet diepzinnig, luchtig; vroolijk, opgeruimd, blijgeestig; van lichte zeden; dronken

- WBD - III.4.4:35 'locht weer' = fris weer, ook: 'kil, killig, kouwig weer'

- WBD - III.4.4:42 'locht weer' = winderig weer
- WBD - lochte koej - koe met hoge poten, ook genoemd 'ondiepe koej ', 'hogbinder' of 'langbinder'
 

lochteg

bijvoeglijk naamwoord.

Pierre van Beek - luchtig

 

lods

zelfstandig naamwoord

loods

- WBD - schop (vaak primitief gebouwde, alleenstaande of aangebouwde bergplaats

- WBD - karlds - karhuis (soms zelfstandig bouwsel, soms een afdak aan voor- (en achter-)zijde open)

 

loebes

zelfstandig naamwoord

- WBD - (Hasselt) onelegant paard, ook 'lillekerd' genoemd
- WBD - III.1.4:64 'loebas ' = goedzak

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lubəs zelfstandig naamwoord mannelijk loebas - lobbes (van een hond gezegd)

- WNT - LOBBES... In de bet. van 'pummel' kennen versch. dialecten een woord 'loebas', dat wel eveneens van onomatopotischen aard zal zijn. 1) Naam van een hond; 2) goedige kerel, sul.
Ter Laan - LOEBES = 1. lobbes; 2. ploert. 'Oetoe, loebes.'' - ga weg, lummel!
Goem - LOEBAS - zelfstandig naamwoord mannelijk - lomperd, onvriendelijk mensch.
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOEBAS zelfstandig naamwoord mannelijk -loer, lomperd, domme kinkel LOEBBES zelfstandig naamwoord mannelijk - lummel, lomperd, loebas

►LAOBES

 

loeder

zelfstandig naamwoord

Zie ook 'loeter'

- 2019 gemene, hatelijke meid (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. Voor de volledige lijst Klik hier)

 

loene

werkwoord, zwak

- Van Dale - vals doen
Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - we koome nie van loene (Si'66)

- WNT - LOENEN - valsch doen

 

loerzer

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - bril

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Hdde mn loerzer rgeraand zien ligge? Ge hgget op oewe snufferd, koekerd! (221006)

 

loerie

zelfstandig naamwoord; korte oe

slappe koffie/ thee
- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Ds gin lkker bkske leut: ds loerie (200408)
- WBD -
III.2.3:273 'loerie', 'dunne loerie' = slappe koffie
- WBD -
III.2.3:277 'loerie' = koffiedik
- WBD -
III.2.3:286 'loerie' = vuil water in een pijp

Haor - LOERIEJE - drinken
Bosch - loerie - slappe koffie
Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - loerie zelfstandig naamwoord - slappe koffie

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOERIE (met korte oe) v - dezelfde betekenissen als ABN 'sloerie': 1) loeder (ook wel 'loeter' genoemd); onsympathieke vrouw; 2) slappe koffie

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - liri resp. lirəu, zelfstandig naamwoord mannelijk (lierie resp. lierew) - 1) slappe koffie, 2) flauwe, zouteloze praat. luri zelfstandig naamwoord mannelijk loerie - (oude) slappe (dus minderwaardige) koffie.

Hees - sloerie (VII:29)

 

loermrt

zelfstandig naamwoord

sinterklaasmarkt

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "loermert - Sint Nicolaas markt"

 

loeter

zelfstandig naamwoord

loeder, gemenerik
Pierre van Beek - heel slechte vrouw (zwaar geladen scheldwoord;
- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "loeder - O! 't is zo'n loeder (ellendeling)"
- WBD -
III.1.4:109 'loeder' - ondeugende vrouw
- WBD -
III.1.4:111 'loeder', 'loeter' = gemene vrouw

- WBD -
III.1.4:117 'loeder' = vrouw die graag kwaadspreekt

- WNT - LOEDER - 2) scheldwoord voor eenen gemeenen kerel of jongen... wijf

Bosch loeter - loeder, onsympathieke vrouw

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOETER zelfstandig naamwoord mannelijk - afgezaande, afgelaten melk

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LOEDER voor eene dienaresse van Venus vulgivaga; van het Hoogd. Luder, 't welk Wachter afleidt van 'los'
C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOETER v. - loeder (vgl. loerie)

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lutər, zelfstandig naamwoord mannelijk loeter - gemeen en laag sujet, valserik.
Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'loeder' zelfstandig naamwoord - gemeen persoon; meestal een vrouw

 

loeter

bijwoord

PM louter

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOETER bw - louter; alleen gehoord in 'klaor loeter kojight' pure woede. - WNT - vermeldt de uitspr.'luter' als 16e-eeuws: luter ende klaer.

- WNT - LOUTER - In het laatst van de mnl. periode ontleend aan het hd. lauter; het eig. mnl. woord is luter, lutter. 6) zonder iets anders erbij.

zelfstandig naamwoord

- 2019 gemene, hatelijke meid (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980. Voor de volledige lijst Klik hier)

 

lf

zelfstandig naamwoord

middagkerkdienst

In maaj iedren dag nrt lf.

- Pierre van Beek - Draagt een meisje of vrouw een onderjurk, die onder de bovenrok uitkomt, dan heet het: "'t Lof ies langer as de lste mis". (Nieuwe Tilburgsche Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)
- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Et lf is langer as de liste mis. (als een onderrok onder de jurk uitkwam)

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LOF. In het onzijdig geslacht wordt de avond-godsdienst, de vesper, alhier door de Roomschen, het lof genoemd.
- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord o. - namiddaggodsdientoefening.

 

lgske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

laagje

verkleinde vorm van 'laog', met vocaalkrimping

 

ljeghd

zelfstandig naamwoord

luiigheid, lamlendigheid

Hij wies van ljeghd nie hoetie moes gn ligge.

 

lkkemetief

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - locomotief

 

lkooma

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - verklede politieman of -vrouw om tasjesrovers te arresteren

 

lkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

luikje

verkleinde vorm van 'lk', met vocaalkrimping

 

lmme

aanvoegende wijs van 'laote'

laten we

- Grot diktee van de Tilburgse taol 06 lmme d venaovend mar es perbeere

 

lmmerd

zelfstandig naamwoord

lommer, schaduw
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - in de lmmerd is et bist

- WBD -
III.4.4:241 'lommer', 'lommerte' = schaduw

- WNT - LOMMER, lomber, in 't - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ook lommerd(e) - schaduw; gebladerte

 

lomp

bijvoeglijk naamwoord.

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  lmste - lompste; in de superlatief wordt de p verzwegen: lomst

...want ik z zoo lomp as 't aachterste end van 'n vrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej. (Kubke Kladder; pseudoniem van Pierre van Beek; Nieuwe Tilburgsche Courant; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

- Pierre van Beek - "Lomp als 't achtereind van een vrken" (varken). (Nieuwe Tilburgsche Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- WBD -
III.3.1:223 'lomp', 'boers, ruw, rouw' = ruw

- WBD -
III.3.1:225 'lomp' 'onbeleefd, strant' = onbeleefd

- WBD -
III.1.4:33 'lomp' = dom; 'lomperik' = dommerik; 34 'lomperd' = idem
- WBD -
III.1.4:37 'lomperik' = ezelachtig persoon

 

lompeghd

zelfstandig naamwoord

lompheid

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOMPIGHEID (in Z. wn W. loempigheid) zelfstandig naamwoord v. - lompheid

 

lompejan

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - lampion

 

lompe

werkwoord, zwak

foppen

- Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - 'ik laot me nie lompen' (bedriegen)

 

lomst

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord superl.

lompst

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 27) mps > ms lomste

 

lonse

zelfstandig naamwoord

iemand uit Loon op Zand: ene Lonse

bijvoeglijk naamwoord

Piet van Beers Lon op zaand: Mar et miste zaand d vnde toch, daor.....in de Lonse dne. (Het zeventiende boekje, 2010)

► Lon op zaand

 

lont, londe

persoonsvorm

loont, loonde

tegenwoordige tijd, resp. verleden tijd van 'lone', met vocaalkrimping

 

lntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

Henk van Rijen - laantje

 

lod

zelfstandig naamwoord

lood: metaal en gewicht (decagram)

- Rolf Janssen; We hebben gezongen en niks gehad (1984) - 'zwaor a's lod'

- Cees Robben -
Daor wieren zn ptjes z muug as van ld. (19551119)

- Dialectenqute 1876 - kruid en lood

- WBD -
III.4.4:294 'lood' = decagram; pok 'looike'

 

loode

zelstandig naamwoord - stofnaam (Textiel)

loden

- Henk van Rijswijk - 2013 - uitgesproken als 'loode' (Schriftelijke mededeling)

- Henk van Rijswijk - Loden: wollen strijkgaren stof, meestal in platbinding en uit grove wol geweven, soms in gelijkzijdige keperbinding, licht gevold, geruwd en gestreken met lang naar n richting gestreken haardek. Gebruikt voor regenkleding, vaak waterafstotend gemaakt.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Loden (Schweitzer-), Geruwd weefsel, van wol, afkomstig van Zwitsersche geiten, met lang haardek. Wordt waterdicht gemaakt en dient voor regenkleeding. Bij goedkoopere soorten wordt wel een inslag van kunstwol of katoen gebruikt.
Els de Baan - Voor een goede kwaliteit loden wordt wollen kaardgaren gebruikt. Een mindere kwaliteit bestaat meestal uit een combinatie van wol en andere garensoorten. Het weefsel ondergaat diverse bewerkingen zoals vollen, strijken, stomen, persen en het waterafstotend maken. Loden is zeer geschikt voor winterjassen, regenjassen en capes. (Goed garen, 1994)
 

lof

zelfstandig naamwoord

de bladeren van een boom samen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - meej Hasseltse krmes f rpel f lof ('49) rond die tijd (eerste zondag na 2 juli) zijn de aardappels rijp om gerooid te worden
- WBD -
1:1470 bladerkronen van bieten: 'peejloof', 'kppə', 'toppə'
- WBD -
I:1471: loof van de groeiende aardappelplant 'rəpəl-lf'
Henk van Rijen - ik kk nie op nen bos peeje, ak et lof mar h
- WBD -
III.4.3:86 lof - loof; ook genoemd: blaojer, 'blaar'
- WBD -
III.4.4:106 'loofstil' = windstil
- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 27) et lof is nie te eete

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'lf zelfstandig naamwoord - loof; zegsw.

 

log

persoonsvorm

loog

verleden tijd van 'liege'

zelfstandig naamwoord

loog (chemische stof)

 

looj

zelfstandig naamwoord

gemalen boomschors

 

loj, loj

zelfstandig naamwoord

- WBD -
mannelijk kalf; ook loojkalf genoemd

- WBD -
lj, loj - stier

- A.P. de Bont; Dialekt van Kempenland 2 (1958) - Looikalf = stierkalf (in tegenstelling tot maalkalf = vrouwelijk kalf).

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Van t looike valt er goeschiks ook al nie veul te beuren.

 

loje

werkwoord, zwak

looien

- WBD -
loje- looien, het bereiden van leer (II 598)

loje - lojde - gelojd

 

loje

bijvoeglijk naamwoord.

loden

Cees Robben: 'ze is zoo link as 'n looi deur

 

lojeg

bijvoeglijk naamwoord.

Henk van Rijen - zwaar

 

lojing

zelfstandig naamwoord

looiing

- WBD -
'plantaardigə ljing' - plantaardige looiing (II 625)
- WBD -
'chroomljing' - chroomlooiing (II 637)
- WBD -
'witljing' - witlooiing (II 638)

 

lojke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'lod'

Audio-opname 1978 - Mar dan moese die biste gefrrefiejeerd wrre, d was zogezeej aksijnze derop witte nie n dan krege ze en lojke in dere start! (- Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)
KLIK HIER om het bestand te beluisteren
 

lok

zelfstandig naamwoord

look (plantengeslacht)

 

lom

bijvoeglijk naamwoord.

loom

 

lon, lontje

zelfstandig naamwoord

loon

Cees Robben: Ik kan teegen lk lon wrke;

Henk van Rijen - vaast lon, vaaste remoej - vast inkomen, vaste armoede
- WBD -
III.3.1:213 'loon' = loon

 

Lon (op Zaand)

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Loon op Zand

- A.J.A.C. van Delft - "En van Loon (Loon op Zand) heet het: Loon op Zaand/ rm volk, rm laand./ Ze schooien de kost/ En ze stlen den braand." (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

- Cees Robben -
Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... (19540508)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de Kts n Lon.... (zie onder Kts)

Henk van Rijen - Lon en de Kts zn ene gadoome - een pot nat (?)

► lonse

 

Lon-nd

toponiem

Loon-eind (Riel of omgeving?)

- Cees Robben -
Van Braokel toe Ln-end (19810515)

 

lone

werkwoord, zwak

lonen

Cees Robben: Gd zal et oe lone;

- Dialectenqute 1887 Willems - lone - lnde - gelnd

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping gij/hij lnt

 

lop

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - dakgoot, sloot

- WBD - III.1.2:153 'loop' = stap, schrede
- WBD - III.1.2:256 'loop' = diarree

- Zegsman Hans Hessels; Uit het geheugen van Hans Hessels, 2022 - De lop zitter nie in Als de klanten de winkel/gelegenheid links laten liggen

 

lope

werkwoord, sterk

lopen

- lope - liep - gelope; vocaalkrimping in tegenwoordige tijd; gij/hij lpt

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  (blz. 37) lope - gij/hij lopt

- Dirk Boutkan - Het postencliticum 'der' (er) veroorzaakt verkorting, bv. 'ik lob der wl eeve nrtoe' maar: 'ik lop-er wl eeve nrtoe'

- WBD - (van koeien) grazen (= in de wei zijn), ook 'stn' genoemd

-gezegde Lpt nr de klote! - Loop naar de maan.'

- WBD - laote lope - m.b.t. de melk - laten lopen (door een koe), 'nirlaote'

- Cees Robben: we lopen en strtje m; ik lop hil den dag meej doj haande;

- Pierre van Beek - 't Loopt als 'n lintje. - 't Loopt gesmeerd. - 't Loopt als 'n lier. - 't Gaat vlot. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - lopen as ene staole Jeezus ('65) spreekwoordelijke vergelijking: stijf lopen, ongenteresseerd doen (jongens ten opzichte van meisjes)
- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - der ene p zen skke laote loope (Daamen, Handschrift 1916) - een geluidloze wind laten

Henk van Rijen - meej nen bril lope - kromme benen hebben

- Toen ik op et lest liep van ons Corrie (Lodewijk van den Bredevoort pseudoniem van Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD - III.1.4:401 'lopen lanteren' = zich vervelen
- WBD - III.1.4:413 'erin laten lopen' = bedriegen
- WBD - III.2.3:83 'lopen' = verkering hebben; ook 'meelopen'
- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - onder rammelr: aanders lopet t de haand

- WNT - VIII:2826: "Ook in het Ndl. komt loopen voor 'een snelle voortbeweging' voor, en gewestelijk, bijvoorbeeld in Brabantsch dialect, is deze beteekenis zelfs nog de meest gebruikelijke."

 

loperke, lper

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - kooitje om vogels te vervoeren

- WBD - (III.2.1:436) loperkes = Oostindische kers (Tropaeolun majus nana)

 

lopes

bijvoeglijk naamwoord.

lopend, te voet

Zde himml lopes? - Heb je dat hele eind gelopen?
Henk van Rijen - aander jaore ginkeme aatij lopes.

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Lopes isset ng en hil ndje, mar ge kunt ok de bus vatte (210908)

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'lepes' zelfstandig naamwoord - lopens (oppervlaktemaat)

 

lopesgered

bijvoeglijk naamwoord.

klaar om weg te lopen

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOOPE(N)SGEREED bvw. - gereed om te gaan loopen

 

lopstkke

zelfstandig naamwoord meervoud

loopstekken, benen

...en is gevuuld of oe loopstekken nie gebroke ware... (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

lopvreke

zelfstandig naamwoord

- WBD -
big van acht tot twaalf weken, ook 'drift' genoemd

 

los

zelfstandig naamwoord /bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - slachtafval; leeg

Henk van Rijen - 'D-s unne loze voejerbak' - Dat is een lege voerbak.

- WBD -
III.1.1:184 'loos' = long

- WBD -
III.2.3:183 'loos' = leeg (v.e.noot)

Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ls' zelfstandig naamwoord , bijvoeglijk naamwoord - longen, verborgen, leeg; de longen van het varken
- WNT - LOOS (II) A 4) - ledig
Haor - Ls - (varkens)longen

 

lospp
zelfstandig naamwoord
luchtpijp, longpijp
- Cees Robben -
W piepte toch... Ik heb t aon mn ls-ppe.. (19670303)
 

lootere

werkwoord, zwak

loten

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - ze ha nen spiegel gelooterd

- WBD -
(III.3.2:201) lootere = loten
- WBD -
III.4.4:317 'loteren' = loszitten

lootere - looterde - gelooterd
Frequentativum van 'loten' ?

Bosch lotere - loten
Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lootere ww - loten (wsch. ontstaan onder invloed van loterij)
- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LOTEREN voor loten. In het Neder-Saksisch is Luder een spel, of ook eene grap, en in het Gothisch hlutur, lutr, het Lat. sors.
Men achte het woord dus niet van het bastaardstaartige 'loterij' gevormd.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LOTEREN onov.ww en ov.ww - loten

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zwak werkwoord intransitief (vero.) loten.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOTEREN - aan iets roeren dat waggelt! bier loteren - warm maken

Naar iet loteren - er naar vernemen (= polsen, uitvragen)

Jag. LOTEREN - Volgens - J. H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen, 1836 - is te Breda en in Zuidbrabant 'loteren' in gebruik voor 'loten'.

 

love

toponiem

Loven

- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - Love (bep. wijk)

- WBD -
III.3.1:54 'loven en biejen', 'biejen, handelen, handel drijven, sjachelen, aanprijzen' = loven en bieden

- WBD -
III.1.4:429 'loven' = idem

 

loze

werkwoord, zwak

lozen

- samentrekking van uitdrukking hem lozen = weg gaan
loos hem
- Cees Robben -
Nou salluu... Ik lozem.. (19590912)
 

lopt

persoonsvorm

loopt

- Gezegde: Lpt nr de klote! - Loop naar de maan!

Et lpt van ges. - Het loopt vanzelf.
Cees Robben: dan lpte oewge dod; de wg die nr... lpt; ze lpt nie wg;
Cees Robben: men neus lpt as en krntje: die daor lpt;

2e+ 3e pers.enk. tegenwoordige tijd van 'lope', met vocaalkrimping
- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - d mnneke lpt p zen blote voete; dieje wg lpt krm;
ze lpt pt list - ze dreigt spoedig te bevallen

 

lrk

zelfstandig naamwoord

- WBD - III.43:109 'lork' = idem, ook 'lariks'

 

lrke

werkwoord, zwak

lurken, hoorbaar met kleine teugen drinken; zuigen

Jan Jaansen (pseudoniem van Piet Heerkens svd), 'Oome Teun naor zee', Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939 - Toen z'n pijp schoongemaokt, want ze lrkte den leste tijd asof ze verkouwen waar!

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 63 01 04 - Agge z zondags lekker wrm / Oewe koffie zit te lrken
- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - w zde tch ene kffielrker - wat drink je veel koffie.'

- WNT - LURKEN - hoorbaar zuigen

 

lrrejt

zelfstandig naamwoord

lorgnet

...mee 'n lorrejet op z'n neus en 'n bolhuudjen op... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)

 

lrrie

zelfstandig naamwoord

negatieve betiteling van een vrouw
- - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lorrie - een vrouw van niet veel"

- WNT - LORS, voorheen LORTS(E) - 1 benaming voor een oude personificatie t.w. als vrouw, van het bedrog, in 't bjz. het bedrog dat daarin bestaat, dat men iets op krediet koopt, maar met 't plan om niet te betalen, en 't dan ook dadelijk weer verkoopt.

 

lrve

zelfstandig naamwoord meervoud

meervoud van lurf

- Cees Robben - Ik heb t in mn lrve, meneer dokter... (19650219)

- WNT - LURF, mv. lurven - Van onbekenden oorsprong. In de verbinding 'bij de (of zijn, enz.) lurven, zooveel als; bij den nek of de kraag of de ledematen, zonder dat men kan zeggen wat onder 'lurven' eigenlijk verstaan moet worden.

 

ls

bijvoeglijk naamwoord.

los, niet vast

- A.J.A.C. van Delft - Een meisje, dat wat los van zeden is, noemt men "een meisje dat te los is", terwijl men een flink, niet preutsch meisje "een losse meid" noemt. (Nieuwe Tilburgsche Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - ls van kp - tobbend met geheugenverlies

- Et kripke [van de kerststal] waar ng leeg. Daor leeje ze dan in de naachtmis ene lsse Jezus in. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- WBD - III.4.4:207 'los' = onvast (vlees, groenten, vruchten)

 

lske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - luisje

 

lskp

zelfstandig naamwoord

loshoofd, losbol

- WNT - LOSKOP - onbezonnen, lichtzinnig of losbandig persoon

 

lsse

werkwoord, zwak

lossen

- WBD - lsse - vocht af laten vloeien, inz. uit een kuip of vat (in de looierij; II 696) - in de figuurlijke betekenis naar de wc gaan:
- Cees Robben - Korsemis.. Vrede... En toepertoe mar laoie en losse... (19851227)
 

lstere

werkwoord, zwak

luisteren; eisen stellen

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, In et bos, 1941 - De boome van et bos / staon stillekes te lstere

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Goeie raod, 1941 - Goeie raod is duur, dus lster...

- WBD - III.3.1:270 'luisteren' = gehoorzamen

- WBD - III.1.1:248 'luisteren' = goed, scherp luisteren

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LUISTEREN (uitspr. lstərən), Frans: couter; luisteren naar - den invloed ondergaan van

 

lstrre

werkwoord, zwak

lostornen

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - tornen, naad lossnijden, losmaken

 

ltte
samentrekking
laat je
- Cees Robben - Hier lotte w, en daor vnde w... (19870123)
 

lttem
samentrekking van gebiedende wijs van laote met voornaamwoord hem
laat hem (maar)
- Cees Robben - Lottum mar doen, Toon... (19560414)
 

ltweet

zelfstandig naamwoord

etymologie onbekend

- WTT - de betekenis lijkt zoiets te zijn als betweter maar kan bij gebrek aan bewijsplaatsen en de bestaande tegenstrijdige bronnen nog niet definitief worden vastgesteld.

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980, 2019 griet die van niets weet, onnozele meid

Voor de volledige lijst Klik hier

- Cees Robben - Den lotweet desse is... (19600219)

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - doetje

 

louw

zelfstandig naamwoord

►laaw

 

louwe

werkwoord, zwak

dom kijken, onoplettend zijn, gaan kijken naar iets

► laawe

 

louw loene, louwloene

zonder resultaat, niets

►laawloene

 

lozzie, loozie, logie

zelfstandig naamwoord

horloge

- Dirk Boutkan & Maarten Gosling Kossmann; Het stadsdialekt van Tilburg, 1996  verkleinde vorm = lozzieke

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) - 'lozie'; 'loziemaoker'
-.
..en hij keek op z'ne lozzie... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd;

- 'De nuuwe dokter'; feuilleton in 4 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 27-1-1940 17-2-1940)
-...dan vat oome Teun z'nen lozzie uit z'nen zak en controleert of ie [de trein] wel op tijd is. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; Nieuwe Tilburgsche Courant 18-11-1939)
-...'n dikke gouwe lozzieketting over zn bontvestje... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 20-5-1939 17-6-1939)
-...alles w-t-ie dee, d dee-t-ie z krek op tijd en minuut en regel, asof er in plaots van z'n hart 'nen lozzie zaat te tikken in z'n borstkaast. (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)
-...Den dokter trok wuust z'nen lozzie uit z'nen vestzak... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 25-2-1939 18-4-1939)

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 68 02 15 - Vftig jaor heettie 't volgehaauwe / Tot aon 't nd van z'n latn. / Toen krg ie 'nen doubleeje lozzie.

- Hij ha heel schone kleere aon/ En unne lozzie op zun visje Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

 

- WBD - III.1.3:260 - 'horloge' = horloge; ook ' (vest)zakhorloge'

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - lo'zi, zelfstandig naamwoord mannelijk - horloge

- Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lzzie zelfstandig naamwoord - horloge

 

lub
zelfstandig naamwoord
maag van de koe; stremsel; bij bereiding van kaas
- Cees Robben - [Onderwijzer:] As is zeg.. t land van boter melk en kaas.. W bedoel ik dan... [leerling:] t Laand van de rme den kneut en de lub, mister... [onderwijzer:] Goed, Gijs... (19701030]
 

lubbe

werkwoord, zwak

- WBD - castreren, ook 'snije', afknpe' of 'afbne' genoemd

- WNT - LUBBEN - castreeren

 

lubbert

zelfstandig naamwoord

- Van Dale - lubbert - sul, suffert

- - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - - lubbert ' 't is zo'ne lubbert van 'ne jongen

 

lui

bijvoeglijk naamwoord

- Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980 uitdrukking: luije foep; luie, dikke meid

Voor de volledige lijst Klik hier

- WBD - III.4.4:29 'lui weer', 'laf weer' = benauwd weer
- WBD - III.4.4:325 'lui' = langzaam

 

luierikke

werkwoord, zwak

luilakken

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: det ie zunnen td in 't bosch nie mi luierikke durgebrocht h.

 

Ill.: Tijs Dorenbosch

 

luije

werkwoord, zwak

luiden

- Miep Mandos-v.d.Pol; Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Ge kunt nie de klk luije n meej de persessie meegaon.

- Cees Robben - [Werkster tegen ongeduldige vrouw:] Ik kan na immel nie luien en meepesaant den tooren nog vasthaauwe k... (19821015)

- Cees Robben - Ik kan nie tegelk luije en aachter t lk aon... (19810227)- A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - de kster ljt vur de precssie

- Dialectenqute 1887 Willems - luije - luidde - geluid
- WBD - (III.3.3:86) luije = luiden

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - l.je(n) zwak werkwoord intransitief en tr. - luiden

Ed Schilders over Luije bij Cees Robben

 

luijertzt

zelfstandig naamwoord

luieruitzet; benodigdheden ter voorbereiding van de naderende bevalling

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - n toen bn ik daor gn wrke zolang, hak tt men acht mnde gewrkt ng, hk men luijerstzt gelk verdiend!. (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

 

luikes

bijwoord

lui, op zijn of hun gemak

- Ze kuierden luikes deur den tuin terug... (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1-7-1939 29-7-1939);

- Cees Robben - Zuutjes kuieren, luikes luieren (19540612)

- Cees Robben - Unne schildpad kuierde luikes... (19551119)

- Cees Robben - Luikes bochten nog de wegen (19590905)

- Henk van Rijen 'lj(kes)' bw - langzaam, traag, rustig.

- WTT - 2017 - de (ongewone) woordvorming naar analogie van 'stil - stilletjes', 'zacht - zachtjes'; voor het laatste zie - WNT - lemma 'zachtjes'.

 

luiwaoge

zelfstandig naamwoord

luiwagen

- WBD - (III.2.1:300) luiwaoge = schrobbezem, ook: bezem

 

luiwveknp

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'ljwveknp' - vrijgezellenknoop, aandrukknoop

 

luiwvepap

zelfstandig naamwoord

beschuitpap, zo genoemd omdat de bereiding nauwelijks enige inspanning behoefde

- WBD - III.2.3:143 'luiwijvenpap' = beschuitenpap; ook 'broksel'

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - As ons moeder ginne td ha gehad vur den haavermout, dan aateme smreges luiwvepap (280107)

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LUIWIJVEN-GOED, zekere soort van loog, om mede te schuren, elders ook 'luiwijven-water' genaamd.

- C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - Herinneringen aan mijn moedertaal - LUIWIJVENPAP (l:jwvepap) - een snel te bereiden pap van melk en beschuit.

► broksel

► bestl

 

lul

zelfstandig naamwoord

lul; mannelijk lid; onaangenaam of onbeholpen manspersoon, de gesjochte, het mikpunt

- WBD - III.1.1:219 'lul' = mannelijk lid; 220 'lul' = penis

- Zegsman dhr. Hessels (1931-2006), 2020 - Doe je iets verkeerd: - ge zt ng nie zonne klne lul! of: - lul meej vingers!

Volledige bron: KLIK HIER

 

lulzer

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt - telefoon

- WTT - microfoon

 

lulhannes

zelfstandig naamwoord

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - stommeling

- WNT - LULHANNES - lul(le)broer, kletskous

 

lulle

werkwoord, zwak

lullen, onzin vertellen

- Gezegde: As lullewrst dod is, krgde gij et ndje.

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zwak werkwoord intransitief lullen - onbeduidende dingen zeggen, kletsen,
zaniken

- Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lulle ww - kletsen, zaniken

- WNT - LULLEN - 2) zachtjes praten; 3) onbeduidende dingen zeggen, kletsen

 

lulpraot

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - kletspraat, onzin

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - 'G mot, nie zo-ne lulpraot verkope' -... zo'n onzin vertellen.

- WNT - LULPRAAT - geklets

 

lunde, lunt

persoonsvorm

leunde

verleden tijd resp. tegenwoordige tijd van 'leune', met vocaalkrimping

 

Lupkes, de

zelfstandig naamwoord meervoud

toponiem: de Loopjes

- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - de Nieuwstraat

- A.J.A.C. van Delft, Van vroeger dagen, Tweede reeks nr. 121, Nieuwe Tilburgsche Courant 29-6-1929 - Jan Viool" was in het Geldersche klei-dorpje Batenburg op 7 Januari van het jaar 1842 ten doop gehouden (...) Hij heeft hier op de Brabantsche hei jarenlang op de Lupkes geresideerd, ter plaatse ambtelijk geheeten Nieuwstraat 122 en later Nieuwstraat 118. Totdat het verweerde, verzwakte, onverzorgde lichaam niet langer kon...

- Frank Klaroen (pseudoniem van Willem van Mook), Brabantsche Novellen, Toen Frie werk had, Nieuwe Tilburgsche Courant 28-6-1935 -... en Tiest de Tjoekerd werkt ook hier en onze Nol ook en nog drie andere van de Lupkes die ge nie kent en als hier geen werk meer is kom ik wel terug...
- Frank Klaroen (pseudoniem van Willem van Mook), Brabantsche Novellen, Het Spookgetouwe, Nieuwe Tilburgsche Courant 8-8-1928 - De gedaante, nog onkenbaar, sloot ijlings en zonder gerucht de vensterluiken weer dicht en vluchtte daarna, dwars over de akkers, in de richting van de Lupkes. Na veel inspanning wist de veldwachter haar te achterhalen.

- Lechim (pseudoniem van Michel van de Ven), De Tilburgse Koerier, 78 09 28 - Opa, vroeg ie, kr'k 'n frietje / As we op de Lupkes zn? / (D d vruuger daor z hiette / Hee'tie k geheurd van mn.)
- Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015 - Wie was d? ch die daor oover de, in de Nuuwstraot wonde bedoelde gij? oJaa Och j, hoe hiete d die? Hoe hiete die ok Och d was Nl Fiejol wl! D was Nl Fiejol nie! Die wonde daor op de Nuuwstraot wl, op de Lupkes! Nl Fiejol wonde wl op de Lupkes!!

 

lups

bijvoeglijk naamwoord.

loops

- - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lps (lups) Onzen hond is lups (tochtig)"

- Cees Robben - Ik heb unne lupse hond... (19821220)

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord loops

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LOOPIG (ook; lupəg) bvw. bij landb.: tochtig, loopsch (v. koeien)
Jan Naaijkens - D's - Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - lups bijvoeglijk naamwoord - loops

 

lupse

zelfstandig naamwoord

landmaat ( 1/6 hectare), loopzaad; zie ook 'lpes'

- Cees Robben - Ik heb unne tuin van twee lupse... (19821220)

- Verhoeff: morgen (0,99 ha) = 6 lopens/hond ( 0,165 ha)
( 33,06 m2)

- Audioregistratie 1978 - Gij ht et nouw oover enen buunder, h, mar ge had vroeger lupse n ge had en roej ok, h. D waare ok maote van, van die dingen, h. En roej rappel, ik weet nie hoe, was d gin aacht meeter f zo? Zeuve, zeuve meeter zeuvenentaacheteg! n, n, n, n, n lupse? En lupse was en zisde prt van enen hktaare! (- Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- WBD - III.4.4:153 'loopse' = drijfzand

- A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - leupese, lopsel, loopsaat - bep. landmaat (Meierij, - Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - )

- A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland 2 (1958) - l.pəsə, zelfstandig naamwoord o. leupese, lopense,- benaming van een zekere landmaat, 1/6 ha.

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - 'leupəsa/luipəsə (blz. 148)

- J.H. Hoeufft; Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - LOOPZAAD. Zekere landmaat.

LOOP, LOPE. Eene loope lands is bij Kiliaan hetzelfde als eene zille, honderd roeden.
K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - LOPENSAAT: ene maat doorgaans van vijftig roeden, maar op sommige plaatsen ook wel van dertig roeden. IDEM: ene droge maat, houdende een vat. Uitspraak: lopense.

 

lurve

zelfstandig naamwoord meerv.

lurven

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Ze vietze b dr lurven (feb. 1962)
- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Dokter, ik heb zon pent aan mn lurven. Mn lurven zitten tussen mn kladden. Dan zal ik jou n kluts veurschrve want die zde kwt. (11-02-1965)
 

lusse

werkwoord, zwak

lusten

Ik lus van hilt vreke. - Ik lust alles.
Cees Robben: mene maot lust oe gruun; den hnd ztter ng gin brod van lusse;
Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - em wl lussen as ie nr kooper smkt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - graag op een borrel getracteerd worden (koper duidt op geld)
lusse - luste - gelust

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - sinte Peetrus weende bitter, zi de zatte Piet, dan zal ie k wl klaore gelust hbbe (Daamen, Handschrift 1916)

Henk van Rijen - dietem ng gre lusse - die geen borrel afslaan

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zw.ww.tr. - lusten

 

lusters

bijvoeglijk naamwoord.

gemaakt van een bep. glanzende stof; lustre

- Henk van Rijen; Mn Tilbrgs Wordeboek, 1998 - ene lusterse schlk - een schort van glanzende stof

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - bijvoeglijk naamwoord lusters - lustre: ene lsterse pon - een lustre japon
- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LUSTER zelfstandig naamwoord mannelijk - bij kleermakers: valsche schijn op een kleedingstuk.
- WNT - LUSTRE - oorspronkelijk Engelsche, dunne geweven stof voor bovenkleeding, met een ketting van katoen (vroeger ook zijde) en een inslag van wol

 

lut

zelfstandig naamwoord

- Stadsnieuws Tilburg, rubriek Tilburgs huukske; 2006 e.v. - Die grote lut spulde ng aatij meej der poppe in plts dsse nr de jonge krels keek - die grote meid.... in plaats dat ze belangstelling voor de jongens had. (010709)

- WBD - III.2.2:84 'lut' (Korvel) = jongen met wie een meisje verkering heeft

 

lutske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

poosje

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - Komt hersop, in 't huukske; griest en lutske t is dondekaoters kaauw.

- Dialectenqute 1876 - loam'is 'n lutske proate - laten wij eens keuvelen
- - Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs Dialect, 1916 - "lutske - wcht 'n lutske (een beetje)"
- WBD - III.4.4:263 'lutske = beetje
- WBD - III.4.4:131 'lutske' = poosje

- A.P. de Bont,  Dialekt van Kempenland 2 (1958) - zelfstandig naamwoord o. 'lutske' - poosje - Kom, proot e lutske; Ouver e lutske maok (maak ik) de kachel aan.
- WNT - LUTJE (I) - lut(te)ke, lutske, zelfstandig naamwoord o., geen mv. Een lutje - een kleine hoeveelheid, een weinigje, een beetje.

- Josef Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LUTSKE(N) zelfstandig naamwoord o, -een beetje, een weinig

 

luuks

bijvoeglijk naamwoord

luxe

- WBD - rank, gezegd van een paard, ook 'luks' genoemd, kort uitgesproken uu

 

luur

zelfstandig naamwoord

luier

- Paul Spapens et al; Goedgetld, diksjenr van de Tilburgse taol (2004) - ze heeter ng en in de luure

- As er oot 'n kiendje werm in de luren hee gelegen, dan is 't Kareltje Vinken geweest; (Jan Jaansen; pseudoniem van Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in Nieuwe Tilburgsche Courant 13-4-1940 24-8-1940)
- en hak me d luurke fn aongegespet (Naarus; pseudoniem van Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Cees Robben - Jan.. wilde gij dn klne efkes unne vorse luur aonspeeten... (19691219)
- Cees Robben - Aon de tel? D wel.. Al zis maond op scheut.. En ik heb nog niks aon de luurkrf gedaon.. (19861017)

En vurlichting waar der toen ng nie bij, dus veul vraauwe waare-n-er llek jaor steevaast bij. Dan waare ze wir aon de tl, n asse n mnd of zis op scheut waare, dan werd de luurkrf wir klaor gezt. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
 

Tekening: - Cees Robben - schets van luciferdoosjes en vork; collectie - Cees Robben - Stichting Goirle; foto: CuBra

 

luusiefr

zelfstandig naamwoord

- Theo de Wijs; correspondentie met - Cees Robben - bezorgd door Guido de Wijs - Nou moek n plasje maoken en heb ik mn lucifers vergete (10-01-1970)

Tekening: - Cees Robben - uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. van de Ven jr., 1946

 

- Interview dhr. Van den Aker - 1978 - Piet Stamp j, meej zen duske luusiefrs n de Hemadie zeej aatij snte dooze, snte dooze mar der zaat niks in n die gaaf ie dan, verkcht ie vur ene snt, h腔 (transcriptie Hans Hessels 2014)

Klik hier voor audiofragment

Henk van Rijen - lucifer: plur. 'luusiefre'

Henk van Rijen - 'G mot die luusiefre nie zo onverdoens verschrappe'

 

luuster

zelfstandig naamwoord

- WBD - II.4. p. 877 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij luster": Weefsel in effen binding geweven. Ketting van katoen en inslag van mohair-wol. Apprtuur: stoomen, persen en versterken met gom. Toepassing: z.g.n. luster jasjes, schorten e.d. Ook alpaca, mohair of orleans geheeten."
luster : het type luuster, K 183 (= Tilburg)
 

luuvie

zelfstandig naamwoord

uitdrukking aaw luuvie - oude garde
- Frans Verbunt; Tilburgs vur tonpraoters n aandere saawelrs (7de perbeersel, 1996) - 'aaw luuvie' - iemand van de oude stempel

 

luwke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord.

leeuwtje

verkleinde vorm van 'leuw', met vocaalkrimping


Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home