INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Wil Sterenborg & Ed Schilders

Van paa tot putjesrepel

paa

zelfstandig naamwoord

pa, vader

onze paa - vader

Dirk Boutkan: (blz. 59) onze / jullie(je) / hullie(je) paa

WBD III.2.2:64 'grotepa' = grootvader

WBD III.2.2:67 'pa' = vader; ook 'va'; 68 'papa' = vader

 

Paaj

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Karel de Beer, Bijnamenboek: ene Paaj = lid v.d. familie Pa(a)ijmans

Karel de Beer, Bijnamenboek: wuwke Paaj = weduwe Paaijmans (blz.59)

 

paand

zelfstandig naamwoord

pand

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAND (in 't N. en W. 'paand' met Ned. a) zelfstandig naamwoord m. - pand

 

paane, paone

zelfstandig naamwoord

kweek, kweekgras

WBD III.4.3.: "Kweek (Elymus repens, vroeger ook Triticum repens, Elytrigia repens of Agropyron repens) is een wat op tarwe lijkende grassoort, die door zijn snelgroeiende sterke witte wortelstokken
een moeilijk uit te roeien onkruid is. De bladeren zijn ruw en dof blauwgroen. De aren zijn afgeplat."

Opgave voor Tilburg aldaar: 'panen' (zeldzaam, behalve in het noorden); ijzergras.

Opgave in WBD I:1483 lemma Kweekgras: Triticum repens, paane, paone; ook: hondsgras, maar niet voor Tilburg genoteerd.


Ill.: Thom - triticum repens

 

Cees Robben t Is paone en tis enkelt rcht.. (19600219)

Henk van Rijen (1998): 'paone, zergras'

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): paone zn - kweek (Triticum repens) een wilde grassoort

Hoeufft, Proeve van Breda's Taaleigen (1836): PANEN noemt men het zgn. peen-gras of honds-gras, Lat. gramen caninum. Ik heb ook wel 'peunen' of 'puinen' gehoord. Wsch.= peen. Z.a.

WBD I:1483 'paane' - kweekgras

WBD III.4.3:345 paone - kweek (Elymus repens, Triticum repens), ook genoemd: peene of peeze of zergras

WBD III.4.3:416 peene, pnte, bieze - rus (Juncus)

Heukels: triticum repens; kweek, kreekgras, hondsgras, panen

Kiliaen: lidgras

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANEN zelfstandig naamwoord v.mrv. - hondsgras, Fr. chien-dent [=hondstand]

WNT PAAN (III) - mv. panen. Volksnaam in Brabant en Antwerpen voor de kweek of het kweekgras, Triticum repens

 

paap (paop?)

zelfstandig naamwoord

bepaalde kegel

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "paap - groote kegel van het kegelspel"

WNT PAAP 7) Bij het kegelen. Hier en daar in Brabant als benaming voor den middelsten kegel of koning.

 

paapke steeke

Werkwoord, sterk

kinderspel

WTT 2013 - In Tilburg ook opgetekende in de verbasterde uitspraak 'papsteeke' (zie onder: Daamen). Met het spotwoord 'paap' (rooms katholiek) heeft de naam niets te maken. 'Paap' is waarschijnlijk de Vlaamse uitspraak van 'pijp', verwijzend naar de vorm van het voorwerp waarop de muntstukken geplaatst werden (zie onder: Volkskunde). 'Paapke' is daarvan de verkleinde vorm, 'pijpje'. Temeer daar de Tilburgse uitspraak voor 'paap' = rooms katholiek 'paop' is; ► paopekltje

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "papsteken - 'n kinderspel"

Van Delft - Dan had men nog het paapke steken. Hierbij diende een rond hout van circa dertig centimeter lengte, waarop men centen zette, elk n of twee al naargelang de afspraak luidde. Was dat gebeurd, dan werd weer pijltje getrokken en de langste was de beginner. Men had ieder een stuk steen. Wie het paapke raakte, zoodat er centen afvielen, mocht de centen hebben, die er afgevallen waren. Met het opraken der centen, eindigde het spel vanzelf. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

WTT 2013 - In Vlaanderen werd het spel 'paap steken' genoemd.

Volkskunde 1932 - De Folklore van een Kempisch Dorp [Hoogstraeten] Beschrijving van kinderspel Paap Steken (p. 39) -- Ieder speler zet een cent op een kurken stop, welke recht geplaatst wordt op den grond; een meet wordt op zekeren afstand (drie of vier meter) van den stop op den grond getrokken. Van daar steekt ieder op zijn beurt naar den stop; die beurt wordt op de volgende wijze bepaald: voorafgaandelijk steekt ieder speler met een groot muntstuk van aan den stop naar de meet; die het dichts bij de meet ligt, speelt het eerst. Het doel van ieder speler is den stop van af de meet met zijn muntstuk omver te steken en de centjes alzoo ten gronde te doen vallen; gelukt hij daarin niet, dan steekt de volgende speler op zijn beurt, en zoo voort, totdat de stop valt. Degene die de centjes alzoo verspreidt, neemt ze in zijn handen op, rammelt er eens mee, en werpt ze dan omhoog. De centen die dan kop vallen, zijn de winst van den opgooier: de stop wordt vervolgens weer recht gezet en de centen die let (pile) vielen, er terug op geplaatst. De beurt van steken is nu aan den tweeden speler, die handelt zooals de eerste; de eerste speler plaatst zich laatst; de bij het opgooien let vallende centen worden telkenmale op den stop gezet, en de beurt van eerst steken komt alzoo aan den derden speler; vervolgens aan den vierden, enz., totdat de opgezette centen alle verwonnen zijn. Het spel herbegint zoolang het den spelers belieft, met een nieuwen opzet van centen.

 

paas

zelfstandig naamwoord

pas (van pas, te pas)

Pierre van Beek: et heej gin paas - het is ongepast

Frans Verbunt: paas maoke - pasklaar maken

uitdrukking: in de paas staon, zn
waarschijnlijk van pas als aanduiding voor goed passen
Cees Robben t Was waor... / t Was in de paas... (19550402)
Cees Robben Hij stond er heel goed in de paas... (19600701)

WBD III.1.2:153 'pas' = stap, schrede

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pa.s, zelfstandig naamwoord m. 'paas' - pas. Z.a.

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): paas bw - te pas 'd komt nie te paas'

 

paase

Werkwoord, zwak

op of bij elkar passen; kleding passen; betamen

Dialectenqute Willems (1887): paase - paaste - gepaast

En dan: 't komt in dees geval hillemaol nie uit, d die twee bij mekaar paase, Kareltje Vinken en de dochter van 'n keuterboerke, d paast krek as 'nen pollepel op 'n onjeklonjefleske!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Cees Robben D paast nie in deez dure tijen! (19541127)Pierre van Beek: p de deur paase - op het huis passen (Tilburgse Taalplastiek 187)

Cees Robben Bij unne Paose paast n aaike. (19540417)

Henk van Rijen: op de deur paase - opletten of er iemand binnenkomt

Henk van Rijen: d paast as ne pik in en weedevraaw - dat past als een bus

Henk van Rijen: d paast nie meej Paose - dat hoort niet met Pasen

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et paast as en klp p en gaanzekooj (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van twee zaken die goed bij elkaar komen; iets dat goed klopt

Cees Robben Vur Paose is t paase zee Snijers... (19550402) [De prent refereert aan de gewoonte om ter gelegenheid van Pasen nieuwe kleding te kopen Paasbest. Vandaar paase, passen, bij de kleermaker genaamd Snijers.]

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): st. (pies - gepaasse(n)) en zw. (paaste, gepaast) ww., tr. en intr. - passen

WBD II:1211 et paast goed - het past goed

WBD III.1.3:9 'niet passen' = niet passen

WBD III.1.3:9 'goed passen', 'precies passen' = passen (van kleding)

 

pachter

zelfstandig naamwoord

kind (?)

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'klein pachters'

 

pad

zelfstandig naamwoord

pad, weg

verkleinwoord: padje, pdje, paojke, pjke

►pdje

►paojke

Dirk Boutkan: plur.: paoje (36)

De paoikes in et bos ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, In et bos, 1941)

Cees Robben: et was er stil daor op den pad

WS: et Riels padje

Hoeufft: ... 'pad' wordt in het mannelijk geslacht gebezigd. [de pad]

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): paajke zn - paadje

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: langs den hfpad gescheeten hbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben (in Tilburg: pad(de)scheet).

WBD III.3.1:402 'pad, padje' = pad; ook: 'zandpad, weg'

 

paddegedrk

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:112 'paddegedrek' - kikkerdril, ook genoemd: 'kikvorsendrek', 'dril', 'kikkendril'

 

paddevoet, paddepot

zelfstandig naamwoord

1. weeffout als gevolg van een gebroken kettingdraad

WTT 2013 - vaste uitdrukking: 'ene paddevoe schiete'

Leo Heerkens --

'n Weeverke schoot...

'n Weeverke schoot eene paddevoet
potjeverdie, zoo'ne paddevoet,
en 't weeverke schoot eene paddevoet
en de ketting die knapte kapoet.

En et weeverke ketterde: potverdot
potjeverdikkie wel potverdot,
en et weeverke ketterde: potverdot
d'r zijn er wel duuzend kapot!

En de spoelen klabetterden: retteketet
van krijg-de-colre, van retteketet,
en de spoelen klabetterden: retteketet
ge h't er nie opgelet!

En et weeverke daocht: w doe ik er mee,
w doe 'k er verdimme-verdomme naa mee,
en et weeverke daocht: w doe ik er mee,
w doe 'k er toch mee, sakee!?

Toen is er de weever aon 't kneupen gegaon,
aon et knippen en knappen en kneupen gegaon,
toen is er de weever aon 't kneupen gegaon
mar et stuk was naor de maon.

En bij iedere kneup zee ie: Potverdot,
potjeverdikkie wel potverdot,
bij iedere kneup zee ie: potverdot,
d'r zijn er wel duuzend kapot!

En de weever kwaam thuis zonder centen aon,
zonder sinten en santen en centen aon,
en de weever kwaam thuis zonder centen aon
en ie spraak zijn vrouwken aon:

"Zeg, vrouwke, ik schoot eene paddevoet,
potjeverdie, zoo'ne paddevoet,
zeg vrouwke, ik schoot eene paddevoet
en de ketting die knapte kapoet".

En 't vrouwke d ketterde: potverdot,
potjeverdorie toch potverdot,
en 't vrouwke d ketterde: potverdot,
dan hebben we niks in de pot!

En de kender trompetterden: retteketet,
van krijg-de-colre, van retteketet,
en de kender trompetterden: retteketet
en gongen mee honger te bed.

En ze droomden van 'ne paddevoet,
potjeverdie, zoo'ne paddevoet,
en ze droomden van 'ne paddevoet
mar slaopen d deejen ze goed.

Ze ketterden droomende: potverdot,
potjeverdikkie wel potverdot,
ze ketterden droomende: potverdot
d'r zijn er wel duuzend kapot!
(Uit: De mus, Piet Heerkens s.v.d., 1939)
Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): ''n wverke schot 'ne paddevoet':

► Gotere weergave muzieknotatie

Stadsnieuws: Hk daor gaddomme wir ene paddepot in men stuk - Heb ik daar potverdorie weer een fout in mijn weefsel. (110209)

WBD paddevoet (II:1048) - paddevoet: ongewenste wirwar van draden op 't getouw

WNT PADDEVOET - (bij wevers) zeker gebrek in het weefsel;

II stapel turf

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PADDEVOET zelfstandig naamwoord m. - bij landb.: drie turven tegen elkander en een er boven op (Retie). Men zet de turf in paddevoeten om ze te laten drogen

 

paddewaajke(s)

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  & eigennaam ofwel volkstoponiem

Samenstelling van 'Padde' en 'waajke'.

Het lid 'padde' waarschijnlijk om aan te duiden dat aldaar padden hun biotoop hadden. Mogelijk dus inderdaad een moerassig gebied, zoals Henk van Rijen (1998) zegt: moerasweide waar zich veel padden ophouden.  Wat door Van Mook wordt bevestigd:

'Indien ze nog leefden zouden ze ver over de honderd jaar zijn, de mensen van Korvel die me vroeger vertelden over  Den Uilenvlucht, de Paddewaaikes, het Kretshuis, de Keet, en de Kracht? (...) Van het vroeger Korvels Huukske ging men over een lang voetpad, tussen twee hagen, naar den Uilenvlucht. Dat lange pad en de moerassige weiden eromheen, die vol kikvorsen en padden zaten, noemde men de Paddewaaikes. In de avondschemering waren die Paddewaaikes een eldorado voor vrijende paartjes. De pastoor van Korvel preekte er over: Die Paddewaaikes, zei hij, zijn het voorgeborchte van de hel.' (uit: Nieuwe Brabantse novellen; 1971)

Bij Cees Robben vinden we: 

(...) Hij gaat op pad, maar 't is wel vreemd.
Hij vindt geen Oel of Loven
Geen Korvelshoekske of 't Zaand
Geen Paddewaaikes en geen Vraand... [Warande]
Geen hfkes meer en hoven. (Uit: Robben en Rooms, 'De ballade van broeder Jan', 1981)

Robben had de tekst al in 1965 gebruikt in een Prent van de week met een enigszins afwijkende bewoording: Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Krvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen hfkes en geen hoven. (19651224) De prent gaat over de verstedelijking van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.

- titel van een scne uit de Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926.
- ok Oel en de Paddewaaikes, het Kretshuiske en iets over tuiten..., de blende Fiel; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.
- Zelfs de streupers op de Paddewaaikes en de smokkelaers komen op; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.
- In Oel of op de Paddewaaikes/ Aachter d'Porkes mee kietelkaaikes; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.
 

padscheet

zelfstandig naamwoord

klein gezwel aan het ooglid, gerstekorrel, strontje

Van Delft: ziekten () die door den Tilburgschen volksmond volgenderwijs benaamd worden: "padscheet, leepoog, schurbeuk, snotvruut, prutlip, schurbek, krintenbaord, kletskop (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Stadsnieuws: Ds hel ont, zon padscheet op oew og - Dat is erg vervelend, zo'n strontje aan het oog. (221210)

Mar as ge unne stinpst op oewen drriejre had, n as bidde nie hielep, dan moeste bij t feitvrouwke van Van Hees zn. Die mkte dr ge zallefkes. Vur pste, kseem, fratte, padscheete, n alles. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): padscheejt zn - klein bultje op het ooglid

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: langs den hfpad gescheeten hbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben, in Tilburg: pad(de)scheet

C.J. Verhoeven, Haorese woorde (2007): PADSCHEET - wegescheet

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): paddescheet, padg (I:19), (V:14)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PADSCHIJTER zelfstandig naamwoord m. - weeroog, Fr. orgelet. Zoo geheeten naar het volksgeloof dat wie zijn gevoeg op den weg doet, een weeroog krijgt.

WBD III.1.2:336 'padscheet' = strontje; ook: 'paddenscheet'

WNT PADDESCHEET - naam voor een zeker klein gezwel (gerstekorrel) op het oog, strontje

 

pak

zelfstandig naamwoord

pak

Pierre van Beek: met et pak gaon - met ellegoed langs de deur gaan (Tilburgse Taalplastiek 149)

Dirk Boutkan: verkleinwoord  pakske (blz. 53)

WBD III.4.4:238 'pak' = bundel

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pak, zelfstandig naamwoord  m. (in de bet. van 'Bundel') en o. (in de bet. v. kostuum).

►pkske

 

paketeman

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: bep. marskramer

Tijdens grote werkloosheidsperioden in Duitsland, bijv. na de beide wereldoorlogen, kwamen Duitse ondernemers met pakketten (Pakete) koopwaar naar het welvarende Nederland. In Tilburg trad een groep mannen op die lappen stof, opgekocht bij textielfabrieken, aan de boeren in de omgeving verkochten.

 

pakkendraoger

zelfstandig naamwoord

bagagedrager (van fiets o.i.d.)

Hoeufft, Proeve van Breda's Taaleigen (1836): PAKKENDRAGER of PAKDRAGER = marskramer. Z.a.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. - bagagedrager (op een fiets)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAKDRAGER zelfstandig naamwoord m. - een leurder in ellegoed, die zijne waren in een pak op den rug draagt.

  

pallesjanke

werkwoord, zwak
huilen
Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - #29 - 20-02-1965 -- Als ze aan het huilen waren, of tegen elkaar te keer gingen, placht een Tilburgse moeder tot haar kinderen te roepen: "Lig toch nie zo te pallesjanke". Een nogal buitenissig werkwoord, dat toch wel geen algemene gangbaarheid gehad zal hebben. Of heeft iemand het mr gehoord? We vinden hierin terug "sjanken". dat men in Twenthe voor "schreien" gebruikt. En om maar gewoon bij huis te blijven: wij kennen immers toch ook het woord "janken", eveneens in de betekenis van "schreien". In de 17de eeuw, ten tijde van Vondel, vormde "janken" zelfs het normale woord voor "schreien". We bedoelen dat het te allen tijde en in ieder gezelschap rustig gebruikt kon worden. Thans echter klinkt het grof en hoort men het alleen in volkstaal.
WTT 2013 - Van Beek (hiervoor) verklaart het eerste lid 'palle(s)' niet. Een aannemelijke verklaring lijkt de volgende te zijn, afkomstig van A.C. Hoogendoorn uit een brief aan Van Beek: '...het betekent hier [Goirle]: dreinerig en treiterend lawaai schoppen van kinderen onder elkaar (...) ik herinner me nog de geestige verklaring van een vroegere leermeester: - op alles janken...' Van Beek heeft deze verklaring niet opgenomen in zijn Tilburgse Taalplastiek.

Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

 

palletoo, palletooke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

WNT PALETOT (uitgesproken als in het Fr.), in 19e eeuw overgenomen uit fr. 'paletot'. Los bovenkleedingstuk van mannen en vrouwen; wijde zakvormige of nauw aansluitende overjas of overmantel.

WTT 2011 - Frans: paletot < Middelengels: paltok, paltock < mogelijk Latijn: pallium (mantel). Vanaf het begin van de 19de eeuw in gebruik voor uiteenlopende modellen jassen voor zowel mannen als vrouwen en ook kinderen; in het algemeen: overjas. De lengte varieert.

- Daarnaast ook de stof waarvan dergelijke kledingstukken gemaakt werden.

Cees Robben - Prent van de Week, 13-10-1967

Cees Robben Ik heb munne heuj op  en munne palletoo aon (19671013)

- We droege gin boezeroen mir, mar missiezonnekes. n en palletoo n kooverkookes. D waar amml vur ooverdaags. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Henk van Rijen (1998): 'palletooke'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. - paletot

WBD III.1.3:21 'paletot' = jas

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): PALETOT - palto, zelfstandig naamwoord m.

► Dossier Palletoo

 

pallissaoj

zelfstandig naamwoord

palissade, paal-omheining

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'palissaoj'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'pallesat' (woord met vage bet. dat men gebruikt voor kleine kinderen; 'enen klaene palleso't' - een klein kind.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PALLESAAT (klemt. op saat) zelfstandig naamwoord m. - mager, lang opgeschoten mensch. 'Ne pallesaat van e meisken. 'Ne lange pallesaat. (Fr. palissade)

WNT PALISSADE - omheining van palen of staken in den grond

 

palm

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:288 'palm' = decimeter

 

palmmrt

Naam

Palm-markt. De markt rond Palmpasen.

 

palmtkske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van 'pallemtak'

palmtakje

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jao, ge hd van die dod, ge hd van die dodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul pltse as de meense enen dojen in hs hadde, dan wier der zon wpke bte gezt, en paor stene teege mekaaren aon n daor zon palmtkske tusse, en boske stroj Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

pampier, pepier

zelfstandig naamwoord

papier

-- lange ie

- daor moest Staf, bij den brouwer, 't een en aander op pampier zetten. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'pampier' (passim)

Cees Robben Hij greep naar int en naar pampier (19651224)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. 'pampier' - papier

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAMPIER zelfstandig naamwoord o. - papier

WNT PAPIER. Daarnaast, zoowel in N.- als in Z.-Nederl., pampier.

 

pan

zelfstandig naamwoord

1. pan (keukengrei)

verkleinwoord: ►pnneke

Dialectenqute 1879: potten en panne

Cees Robben Ik hebt z druk as n pan op vaasten-aovend (19671006) [op Vastenavond werd traditioneel pannenkoek gebakken; de bakpan had het die avond druk]
- uitdrukking: n schn pan; iets lastigs
Cees Robben ..Des n schn pan... (19671006)

Pierre van Beek: Bij et bakken t de pan gesprnge zn - niet aarden naar zijn vader (Tilburgse Taalplastiek 178)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: daor zulde nie veul panne vant vuur doen (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1971) - daar zul je geen goede zaken van kunnen doen: je wordt er niet vet van.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Ze han et z druk as de pan meej vastenaovend.

Zonnen burgemister die heej et druk as en pan meej vaastenaovend. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)WBD III.4.4:313 'pan' = warboel

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAN zelfstandig naamwoord v., vklw. panneken, Kemp.: panneken, penneken

2. dakpan

verkleinwoord: panneke

- uitdrukking: onder de panne zijn, geraken: goed terechtkomen, in het huwelijk treden

Goed desse dieje weduwman teegen et lf gelope was, waar ze toch nog onder de panne geraokt. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- uitdrukking, meestal met het werkwoord lgge: ophouden met iets, iets voltooien; we lgge de panne derop
Cees Robben Dan de pannen er op... (19580308)
 

panaarste, panaaste

werkwoord, zwak

Veronderstellingen

Pierre van Beek - Tilburgse taalplastiek # 12 - 04-09-1964 -- "Ze moesten hem panaarsten", zal men wel tevergeefs in ieder woordenboek zoeken. Het betekent: "Men moest hem eens goed onder handen nemen". Het o.i. zeer typisch Tilburgs werkwoord "panaarsten" werd op speelplaatsen van vroegere jongensscholen geducht "vervoegd". Wanneer een jongen in de ogen van zijn schoolmakkers wat misdreven had, werd hij "gepanaarst op 'nen klomp". Men nam de knaap vast bij armen en benen en liet hem dan vele malen achtereen met zijn "derrire" op een klomp botsen. Men noemde deze behandeling ook wel "jonassen".

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: flink onder handen nemen (persoon), lichamelijk ( jonassen) panaarsten p ene klmp (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1964) - panaarzen op een klomp: afstraffing op speelplaatsen van jongensscholen (uit: pan + aars, ook 'bridse slaen') Het slachtoffer werd vastgepakt als bij jonassen, bij de voeten en de armen, en dan telkens met zijn achterwerk op een klomp gegooid.

-- Van Lat. 'poena'? [WTT 2013 - dit lijkt niet juist; zie verder]

Betekenissen

WTT 2013 - het door Mandos genoemde 'bridse slaen' houdt mogelijk verband met het werkwoord 'laarzen' als strafmaatregel, gezien: 

Noord en Zuid - jrg. 1897, p. 415 -- Laarzen - de matrozen straffen met slagen op het achterdeel. Met een Engelschen term noemen wij dit bridsen (van breeches = broek).

WTT 2013 -- De veronderstelling in Noord en Zuid (vorige) dat het 'een Engelschen term' betreft, afgeleid van 'breeches', lijkt echter niet juist. Zie volgende.

WNT - lemma Britsen - 1899 -- Volgens eene andere verklaring, reeds in de Naam-lyst achter MEERMAN'S Com. Vet. en ook bij BILD., Verkl. Geslachtl. op Bokse te vinden, zou het woord ontleend zijn aan eng. to breech, op de billen kastijden. Doch, hoe zeer vorm en beteekenis ook overeenstemmen, deze afleiding kan niet juist wezen.

WTT 2013 - Het in Noord en Zuid (hierboven) genoemde 'laarzen' komt als 'synoniem' inderdaad voor in WNT lemma Brits I (volgende).

WNT - lemma Brits I (1899) voorheen, en in Zuid-Nederland nog  BRIDSE , znw. vr. (voorheen ook, en in West-Vlaanderen nog, m.), mv. (...) B 1 - de benaming eener soort van houten sabel, een (eenige malen gespleten) stok of lat, dienende om klinkende slagen, klappen mede te geven (...) B 2 - Een dergelijk werktuig schijnt ook wel bedoeld in de volgende uitdrukkingen: a.  De(n) brits ontvangen enz., (op de billen of de broek) slaag krijgen; Britse slaan, de brits slaan, (iemand) met eenig plat voorwerp (als een knuppel, de zool van eene muil, pantoffel of laars, eene pan, of ook met een touw) op de billen slaan, kastijden, tuchtigen; hetzelfde als Britsen; De Brits slaen. Donner ad soleas, ou la paelle par le cul. Solea vel sartagine nates verberare,   PLANT. [1573]. Bridse slaen. j. panaersen. Caedere nates ferrea patella. Obiurgare solea siue sandalio. Solea pulsare nates. vulgo dare ad soleas,   KIL. [1599] Bot-aersen, leersen, bridse slaen. Xylegogio castigare: ocrea, assere vel rudente ferire nates,   KIL. [1599] -- b.  Uitdrukkingen als de brits slaan konden aanleiding geven tot eene verkeerde opvatting van brits, hetzij als: achterste, hetzij als: broek

WTT 2013 - panaersen komt in het WNT niet voor behalve in de hiervoor en hierna genoemde uitgave van Kiliaen.

KILIAEN (1599) - pan-aersen, bridse slaen. Caedere nates ferrea patella. Obiurgare solea siue sandalio. Persius Satyra 5. Solea pulsare nates, Iuuen. Sat. 6 vulg dare ad soleas.

Conclusie

panaarse / panaarste gaat terug tot minimaal eind 16de eeuw en betekent in essentie een straf (obiuigare), die uitgevoerd wordt door met een pan (patella) hard (ferrea) op de billen (aars, aers, nates) te slaan. Daarnaast ook, en vanuit klassiek Latijn: met een zool (solea) of sandaal (sandaal) op de kont slaan of daartegen schoppen. Vandaar het latere leerzen, laarzen.

 

panhrring

zelfstandig naamwoord

1. bakharing

WBD III.2.3:71 'panharing' = ongezouten, al of niet gerookte haring in de pan, ook genoemd: 'gerookte haring', 'zoete haring' of 'lammetje zoet'

J, rme meense vis, enne gebakken panherring, j femilie van de bukkum. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

2. opvallend magere persoon

J. Berns e.a., Brabantse spot- en schertswoorden (1975): PANHRING: panharing, zeer mager manspersoon, Corn.Vervl. A 1957.

WNT XII I 275, s.v.pan (I), samenst. 3e betekenis: (oneig.) "zeer mager mensch". Z.a. (blz.32.)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANHRING zelfstandig naamwoord m. - panharing, zeer magere manspersoon.

Zie het dossier over herring / haring

 

panlat

zelfstandig naamwoord

letterlijk: panlat (bouwmateriaal )

figuurlijk: lang, mager mens

...zoo schraol en maoger bent gewist as 'n panlat. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

En hij was zoo mager as n panlat... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Pierre van Beek Lange, magere mensen zien zich wel eens aangeduid met "panlat", "maogere hannek" of "lange pierewiet". (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)

Henk van Rijen: z maoger as en panlat

J. Berns e.a., Brabantse spot- en schertswoorden (1975): PANLAT Fig. lange, magere mensch (Corn.-Vervl.) PANLAT: Fig. lange, magere mensch.

Corn. Vervl. 937. De eerste betekenis luidt "pannelat", dus is er sprake van een metafoor. Het WNT geeft dezelfde betekenis onder pan I samenst.

WNT PAN(NE)LAT ... 2) Overdr. voor een zeer lang en mager persoon.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANLAT zelfstandig naamwoord v. - lett.; fig.: lange, magere mensch

 

panneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Henk van Rijen (1998): Kleine schop

 

pannekoek

zelfstandig naamwoord

pannenkoek

Ons Hanna zee: "Wie geen pannekoeken kan bakken, hee niks in de keuken te zuuken!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

panschrsel, panschrpsel

zelfstandig naamwoord

samenst. van 'pan' + afl. van 'schre' - schrapen.

panschraapsel (zie WNT: pan, samenst.)

Pierre van Beek: fig. m.b.t. een nakomertje, zgn. 'schrkiendje'

 

paoj

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen (1998): paden (plur. van 'pad')

Elie van Schilt - Lp ik dan te waandelen over al die paoi./ Dan zie ik ze daor liggen, veul goei mar ok veul kaoi. (Uit: Irst Allerheiligen; CuBra ca. 2000)

 

paojke, pjke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

paadje, padje

verkleinwoord  van 'pad', via plur. 'paden; paoden' met d-syncope

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): paojke

En fietspaoike dwars dur de stad!!/ Et zal er tch van koome. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin kaans om te waandele)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): paddeken en paaiken - voetweg

►pad

►pdje

 

paol

zelfstandig naamwoord

paal

verkleinwoord: pltje

Dialectenqute 1879: paol - poltje

Interview Hermans - 1978 - Die ktting die was nat n die moes gedrgd wrren dan han ze ene paol op meej ene zwarte paol derop n dan stond er ammel spkers n pinne op n d was van dieje bridte n daor wier dan. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Kettingdrogen en kettinglijmen; te zien is de T-paal met 'ammel spkers n pinne'; foto door Henri Berssenbrugge (1873-1959) in 1903 in de Berkdijksestraat. Collectie Regionaal Archief Tilburg


Interview Hermans - 1978 - n d is halfwg den Heuvel, dddis van de Veejmrtstraot tt n de Sporlaon toe, hdde midde op et plein, hdde wirskaante ene wg daor ge dur kost rije meej de koetsjes f die enen autoo han enen autoo, mar autoo nie veul, n in de midde ston ammel paole, zere paole n dr bonde ze die koeje ammel aond hk ng meejgemkt d was mistdinsdags! (transcriptie Hans Hessels, 2013)
► KLIK HIER om het interview te beluisteren

De Heuvel met ijzeren palen voor de koeienmarkt. Foto collectie Regionaal Archief Tilburg

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'pool' - paal

WBD (Hasselt) waajpaol - weidepaal

WBD II 601: paol - spanstok, een der palen waaraan een huid wordt bevestigd bij het uitspannen in de stroom

 

paol steeke

spel

Audioregistratie 1978 - Aachter de Rugdk din ze veul paol steeke! Paol steeke! D was en pltje in de grond. D din ze sondagsmiddags die, die, die mannen, h. En pltje in de grond n daor ligt ene snt op n dan moeste meej enen bl daor teegenn goje! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

paop

zelfstandig naamwoord

paap

WBD (III.3.2:222) paop = middelste kegel

 

paopekltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "poapekuiltje - grafkuil"

Pierre van Beek - "Denk er aan, als ge dood gaat. gaode in 't paopekuiltje" placht een moeder tegen haar kinderen te zeggen. Hoewel "paap" oa. verband houdt met grondwerk en ook met de lakenweverij, zien we die relatie hier toch niet. Wellicht wordt hier gewoon een graf op het kerkhof bedoeld. Het kerkhof is dan gezien als eigendom van de pastoor. Of is "Paopekuiltje" soms de naam van een of andere poel? Heeft iemand ooit daarvan gehoord? (Tilburgse Taalplastiek # 79, 08-05-1969)

Pierre van Beek - Wie overleden is, gaat "mee Dielemanse waogeltje naor 't paopekuiltje". Over dat "papekuiltje" hebben we het hier vroeger al eens gehad. De rest slaat op de rouwwagen van een nog bestaande Tilburgse begrafenisonderneming. Deze werd aan het eind van de twintiger jaren of het begin van de dertiger opgericht, wat toen aanleiding tot veel gewrijf en geschrijf heeft gegeven. Van bepaalde zijde maakte men hardnekkig aanspraak op het monopolie van begraven. Concurrentie werd niet getolereerd. Dit leidde zelfs tot het onverkwikkelijk toneel, dat het lijk van zekere De Brouwer enige tijd vr de Heikese kerk bleef staan, omdat het niet binnengedragen mocht worden. Zij die het monopolie verdedigden, verloren tenslotte de strijd. Momenteel telt Tilburg zeker vier begrafenisondernemingen, zonder dat de door de "monopolisten" voorspelde wantoestanden uit een nog verder verleden zijn teruggekeerd. (Tilburgse Taalplastiek #158, 12-07-1972)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: as ge dod gaot, gaode in et paopekltje (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - kinderplagerij

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: meej Dielemanse waogetje nrt paopekltje gaon ('72) - overleden zijn (Dielemans: begrafenisonderneming)

Advertentie Nieuwe Tilburgsche Courant - 29 maart 1930 - De Maastrichtse begrafenisonderneming Dielemans opende zijn zaak in Tilburg op 14 december 1929, en kwam daarmee in conflict met begrafenisonderneming Roomsch Leven. De 'begrafeniskwestie' duurde tot november 1932 toen besloten werd dat Dielemans dezelfde rechten als Roomsch Leven had.

 

paopemuts

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:205 paopemuts - kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)

 

Thom - kardinaalsmuts, euonymus europaeus

 

paor

I zelfstandig naamwoord

paar; enkele

Verkleinwoord: prke

-- en paor schoene, en paor aajer, brdspaor

Cees Robben: zo lus ik er nog wel en paor

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. 'paor' - paar

II bijvoeglijk naamwoord

even; naast 'npaor' - oneven

Hoeufft: Paar en onpaar zegt men hier voor 'even en oneven', evenals in het Fransch 'pair ou inpair' [impair]

 

paosaaj

zelfstandig naamwoord

paasei

-- De s wordt stemhebbend uitgesproken

Prent van de week uit Rooms Leven 1970; de ware namen van de tekenaar (PB) en de dichter (Kis-ke) zijn niet bekend

Zie ook het lemma aaj

 

paosbist

bijwoordelijke uitdrukking - op zn paosbist, op zijn paasbest; op zijn allerbest

Wim van Boxtel: In m'n paos biste pkske,/ en mn haor in de schaai. Uit: Brabants Bont, Moederdag (1979)

Cees Robben: Ook de kleermakers beleefden voor de pasen een gouden tijd. Haast iedereen liet een nieuw pak aanmeten, want ze wilden er met de pasen dan ook op zn paosbist uitzien. Vur Paose is 't paase... zee Snijers... 't was waor, 't was in de paas, en mee de Possemis klaor... Cees Robben: In: Robben en Rooms, Vrijen was er vruuger onder de vaaste nie bij; 1981

Cees Robben - Prent van de week 2 april 1955

 

Ill.: Thom - paasbloem - narcissus poeticus

paosblom

zelfstandig naamwoord

1. paasbloem

Van Dale: volksnaam voor verschillende planten die rond Pasen bloeien, b.v. het madeliefje, de gele narcis en de sleutelbloem

Cees Robben Welke blomme wilde op oew begraofenis? Snoffels... dalidas.. paosblomme.. of stinkerkes... (19850118)

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): paosblomme zn - gele narcissen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994) paasblom (II:60)

WBD III.4.3:258 paosblom - sleutelbloem (Primula veris), ook: ►mrtuntje

WBD III.4.3:291: paosblom - madeliefje (Bellis perennis), ook genoemd: 'meizoentje', 'meizoetje' of ►maajbluumke of waajbluumke

WBD III.4.3:380 paosblom - gele narcis (Narcissus pseudonarcissus)

WBD III.4.3:582 paosblom - witte narcis (Narcissus poeticus)

Narcissus poeticus - witte narcis, dichtersnarcis

Antw. - PAAS(CH)BLOEM, PAAS(CH)BLOM zelfstandig naamwoord v. -gele tijloos, eene hofbloem, in de wetenschap Narcissus Pseudo-Narcissus L.

2. als paosblom

zeer netjes, op zijn paasbest

Lechim:

D'r wier gepaast, genaoid, gebraaid

Al kosse ze niks kpe

Iedern zocht 'r toen hl frd

As Paosblom bij te lpe.

Uit: Ze maoke t vort wel van aajer; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier; circa 1970

Lechim:

Mee Paose trek ik n nuuw pak aon

Ds de gewnte, jao of n?

't Maokt me niks d dan d'n buurman

Zee d'k 'n echte Paosblom z.

Uit: Mee paose; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier; circa 1970

► paoskiep

 

Paose - ► zie ook: Pssemis

zelfstandig naamwoord

Pasen

-- Meej de Paose zmme amml int nuut. - Met Pasen hebben we allemaal nieuwe kleren aan.

Pierre van Beek De molenaars schijnen vroeger bij het volk een niet al te goede reputatie te hebben genoten. Vanwaar anders de uitdrukking: "Als de mulder z'ne Paosen gehouwen heej, is de pastoor deur z'n werk"? Hieruit blijkt, dat men aannam, dat een mulder ieder jaar nogal wat op zijn geweten heeft en daarom zijn Paasbiecht maar liefst tot het laatste moment uitstelt. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)

Pierre van Beek Komt men "als Jan met kraaien naor de mert (markt)" of "mee vijgen nao Paosen" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): Paose zn - Pasen

Cees Robben Bij unne Paose paast n aaike. (19540417)
Cees Robben Ieder die zn asse-krske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastr n pekske.../ zee meneer den kapelaon..... (19550226)
Cees Robben Vur Paose is t paase zee Snijers... (19550402) [De prent refereert aan de gewoonte om ter gelegenheid van Pasen nieuwe kleding te kopen Paasbest. Vandaar paase, passen, bij de kleermaker genaamd Snijers.]
Cees Robben - t Is kazzjewel die kiep van mn.../ z zrgt ze vur de Paose... (19550312)
uitdrukking: oud nieuws brengen
Cees Robben [ge] komt bij men meej oew aaier nao de Paose..! (19590328)

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

Meej Paose eet ik harde aaier/ ds lkker, daor geniet ik van/ behalve en paor daoge laoter/ ak nie mir nr de plee toe kan. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Mee Paose)

Gingde meej Paosen nie te communie, en ge kwaamt te strve, dan gingde linea recta naor de hel. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: as de mlder zene Paose gehaawen heej, is de pestoor dur zen wrk (Pierre van Beek: TT64) Molenaars stonden als oneerlijk bekend; ze gingen hun paasbiecht spreken op het allerlaatste moment, nl. op de zaterdag na Pasen.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: Meej de Paose krge me mik p mik n ks dertusse (D'16) Uit de tijd toen wittebrood, 'mik', nog luxe was.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: ge zt nt z rap n Paosen as ikke (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - gezegd tegen iemand die wat hard van stapel dreigt te lopen

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: meej pielepaose - Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): antwoord op de vraag Wanneer?

 

paoshaos
zelfstandig naamwoord
fabeldier uit de volkscultuur. De paashaas brengt de paaseieren.
Cees Robben Paosvogel.. of Paoshaos.....? D kan nie bestaon! (19550409)
 

paoskiep

zelfstandig naamwoord  vr.

paaskip, opgedirkte vrouw

Cees Robben Krimmeneel.... Wn paoskiep...... (19560331)

Cees Robben: Als we naar opa gingen speelde opa achter zijn getouw voor paasvogel, en tante Jana speelde in haar tuintje voor Paoskiep. Alle vrouwen in Tilburg die met de pasen een nieuw kleke aanhadden... dat waren paoskiepen... (In: Robben en Rooms, Vrijen was er vruuger onder de vaaste nie bij; 1981)

Cees Robben - Prent van de week 2 april 1955 - detail - Digitale bewerking Cees Robben Stichting & Stichting Cultureel Brabant CUBRA

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

paoskoej

zelfstandig naamwoord

paaskoe

WTT (2013) -- De koe die door een slager werd geslacht om haar vlees met Pasen te verkopen. Vanaf Witte Donderdag richtten de Tilburgse slagers hun etalages in met fraai opgemaakte vleeswaren en - schotels, in de hoop daarmee veel vlees te verkopen na afloop van de vastentijd. De 'paoskoej' werd, ongetwijfeld bij wijze van reclame, ook door de straten van Tilburg geleid om de kwaliteit te tonen.

Audio-opname 1978 -- Die paoskoeje zogezeej dan, daor gingde meej rond, n ge moester meej dur de Heuvelstraot n dan bleefde staon bij Riesj (Hotel Riche) vur de deur want dan ging den baos, die leeverde daoraon witte wl, n die ging daor en ptje bier vatte n assie dan trugkwaam, dan mogdet ok en vatte! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

Paoskoej - aangeschaft en getoond door slager Ad van Geloven op het terrein van het Tilburgs slachthuis (Abattoir) aan de Enschotsestraat in 1926. Foto: Regionaal Archief Tilburg

► eetallaazjeweek

 

paosvoogel
zelfstandig naamwoord
paasvogel
fabeldier uit de volkscultuur, ouder dan de paashaas. De paasvogel brengt de paaseieren.
Cees Robben Paosvogel.. of Paoshaos.....? D kan nie bestaon! (19550409)
 

paoter, paoterke

zelfstandig naamwoord

pater

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): ... riep de paoter

paoter handvger - onhandig iemand

De Wijs -- (gehoord in t voorbijgaan van n aantrekkelijk meisje:) Ik zie ze liever as unne blte paoter op brne voete! (17-10-1966) [WTT 2011: De Wijs zinspeelt op 'bruine pater op blote voeten', namelijk een capucijner monnik; de kapucijnen droegen een bruine pij en liepen met blote voeten in sandalen]

Cees Robben k Zie ze aaltij toch nog liever dan unne blte paoter op bruine voeten... (19670210) [Ik zie haar liever dan een pater van de capucijnen; de capucijnen werden blotevoetepaoters genoemd wegens hun blote voeten in sandalen; hun pij was bruin]

Cees Robben Ge peutert t paoterke t knupke van zunnen toog los... (19550514) (Prent bij een inzamelingsactie bij het honderdjarig bestaan van de missionarissen MSC, in Tilburg ►Rooie Harten genoemd. In plaats van collectebussen hadden de collectanten een pop in de vorm van een missionaris van MSC, en moest de bijdrage onder de toog gedaan worden.)

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): de paoter

WvM 'de p van de paoter die mn h gedopt'

Karel de Beer, Bijnamenboek: Kiske de paoter = C. Smulders (blz.72)

WBD (III.3.3:372) paoter = monnik

WBD (III.3.3:373) schojpaoter = bedelmonnik

 

paoternster

ook: ptternster

zelfstandig naamwoord

WTT 2011 - van 'pater noster', 'onze vader'; het Onzevader is onderdeel van de rozenkrans

Frans Verbunt: rozenkrans

WNT PATERNOSTER - 3) Bij de R.-Cath.: rozenkrans, rozenhoedje, bidsnoer.

 

paotersbier

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: trappistenbier

De herder drinkt uiteraard bier van 'De Schaapskooi', de brouwerij van de Trappisten in Berkel-Enschot/Tilburg; affiche uit de collectie van Tiny Jansen, zoals tentoongesteld in VVV-gebouw Tilburg 2010; foto's WTT.

Vergroting affiche en gedicht Jace van de Ven

 

pap

zelfstandig naamwoord

pap

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pap me vuursteenen - pap met stukken roggebrood"

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "ik zaiget z muug as kaauw pap"

Frans Verbunt: krgt ze mar grot, voejert ze mar pap

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pap zn - pap ''k z oew z muug as kaaw pap'

stijfsel; versteviging van weefsel

Cees Robben t Is ketoen.. en enkelt pap.. (19620413)
 

papbk

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: hangbuik

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'papbik' zn - dikke hangbuik

 

pappel

zelfstandig naamwoord

zwarte populier, 'pppel', 'blauwe poopelier' = populus nigra ofwel populus italica, Italiaanse populier

Populus nigra (links) - Populus nigra Italica

WBD III.4.3:133 pappel, pppel - zwarte populier

WNT PAPPEL, ook PEPPEL, volksnaam voor den populier in 't algemeen, voor den zwarten populier en den ratelpopulier in het bijzonder.

 

papsteeke

werkwoord, sterk

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "papsteken - 'n kinderspel"

►paapke steeke

 

parads

zelfstandig naamwoord

paradijs

Cees Robben: parads

Cees Robben: dur 't lven tot aon 't parads

 

parasjuutveugeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Henk van Rijen (1998): veldleeuwerik (Alauda arvensis)

Jos Swanenberg over de leeuwerik

WBD III .4.1:162 parasjuutveugeltje - leeuwerik

 

Park, et

zelfstandig naamwoord, toponiem

het Wilhelminapark

 

parlevinker

zelfstandig naamwoord

I Gezegd van een (mannelijk) persoon

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "parlevinker - heerachtige veelpraats, niets nutter"

II Gezegd van een paard

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "parlevinker - noemde men de vroegere 'telgangers' - door adellijke jonkvrouwen bereden - paarden die geleerd werden even als de kameelen te loopen, niet zoo als de gewone paarden op volgende wijze de 4 pooten oplichten, maar de twee linker en dan de twee rechter pooten te gelijk voortzetten, dit de paarden te leeren was heel moeielijk en geschiede door de 2 linker en 2 rechter pooten met een lat te verbinden"

WBD (hs K183): paard dat niet deugt, waarop men niet vertrouwen kan

 

parnasses

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): beschermer, engelbewaarder

Van Dale (12e): parnas, parnassim, parnassijn [Hebr.], (joods) kerkmeester, kerkvoogd: (uitdr.) eruit zien als een parnas, er welgedaan uitzien.

 

parreert
werkwoord, zwak: parreere
uit Oudfrans en Middelnederlands parer
mooi bij elkaar passen
Cees Robben [de lamp die] daor al jaorenlang pareert/ aon oewen zuldering (19601104)
bij elkaar of bij iets passen; op kleding toegepast: het kledingstuk staat niet
Cees Robben Die jas pareert nie, taante Miet.. (19700306)
Cees Robben Mar niks pareert er.. (1650115)
 

part
zelfstandig naamwoord
deel; aandeel; bij Robben: sterke drank
Cees Robben Hij had zn part gehad (...) de miste op de lat (19610106)
 

pas geleeje

bijwoord

onlangs, kort geleden

 

paskoomer

zelfstandig naamwoord

neomist, priester die zijn eerste heilige mis opdraagt na zijn wijding

WBD (III.3.3:305) paskoomer = neomist

 

paskwil
zelfstandig naamwoord
van pasquinade; belachelijke vertoning
Cees Robben n grillige paskwil (19600909)
 

patras

zelfstandig naamwoord

aardappel

mogelijk afgeleid van 'pataat'

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mer 't [de ellende] komt van den Heer () deur 't zwart van de patrasen, en 't pluiere van 't jonk, dat naauw dood is.

- 't zwart van de patrasen: een aardappelziekte.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): de patrasen, die ge toen kuilde.

 

patrasfoj

zelfstandig naamwoord

uit batatas = aardappel, en fooi = zowel feestelijke gift als kleinigheid

Van Ginneken: Ten oosten van Tilburg verschijnt patraas, dat sterk aan de officieele naam Batatas herinnert. (In: De regenboogkleuren van Nederlands taal; 1931, 2e)

Aardappelkaart uit Van Ginneken, De regenboogkleuren van Nederlands taal, 1931.

Grotere weergave

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): *patra.s, zelfstandig naamwoord  m. patraas, aardappel; mv . petrase(n): De petrase zen mrw. Het woord is bekend in Reuzel, Hooge en Lage Mierde, Hulsel, Esbeek, Hilvarenbeek, Diessen (hier alleen in petraasfooi) en Moergestel. *petra.sfo'j, zelfstandig naamwoord  vr. en m. petraasfooi, hetz. als aarpelfooi. Geh. in Esbeek, Diessen en Moergestel. Het feestje bestond in een onthaal op koffie met een
snee mik, soms nog met een snee peperkoek.

Van Rijen (1998): karige gift, geringe vergoeding voor het verpachten van landbouwgrond.

WBD (III.3.2:316) patrasfoj = aardappelfooi

 

patriejark

zelfstandig naamwoord

patriarch - bedenkelijk heerschap

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'patriark' - rare, zonderlinge kerel

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PATRIARK (korte a, klemt op ark) zelfstandig naamwoord m. - zeer oud mensch

 

paveljt, paviejt, pavviejt

zelfstandig naamwoord

De Wijs -- Mn paviejotten zet ik aaltij in mee kraante papier, de gaoget biste (04-07-1969

Cees Robben Dan draait er ons Tooke van kraantepapier/ Heel veul paviejotten (19700116) [krantenpapier werd gebruikt om krulspelden te vervangen]

Henk van Rijen (1998): krullapje (lapje stof waarom het haar wordt gewonden en dan wordt vastgeknoopt)

WBD III.1.3:276 'papillotje' = pijpenkrul; ook: 'papillot'

Reelick, Bosch Woordenboek (1993):  paviljotte - papillotten (Fr. papillot): opgerolde papiertjes waaromheen men het natte haar draaide om het te laten krullen.

WNT PAPILLOT - stuk papier dat in het hoofdhaar gedraaid wordt om dit te doen krullen.

 

pebliek

zelfstandig naamwoord

publiek

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): pebliek, publiek; pebliek;

Cees Robben: sjiek pebliek

 

pdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

1. landweggetje

verkleinwoord  van 'pad', met umlaut; ook paojke

2. padje, smalle doorgang, middenpad

dan als verkleinwoord altijd pdje, niet paojke

wij die twee aon twee in de banken zaten in vier rijen meej un pedje dertussen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Audioregistratie 1978 - Nffe de tramlijn was en zwart, zwart pdje daor ze kosse fietse vort. Nffe de kaajwg (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

David Teniers - 17de eeuw

peej

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord: peeke

meervoud: peeje

► Dossier Peej

1. wortel, peen, pee

-- We kke nie op nen bos peeje; peekes, peeje n wrtele

Dirk Boutkan: (blz.52) pee - peeke, enen bs peeje

Cees Robben Ik beteul zelf munnen hof en win veul. s middags hek vort driederaand srt gruuntes op taofel... peekes, peeje en wortele... (19850517)
Robben gebruikt diverse spellingen.
● meervoud
Cees Robben Mar ik zit mee knollen en peje... (19541204) [Ik = Sinterklaas, die na 6 december blijft zitten met de knollen en wortelen die de kinderen in de klomp legden voor het paard. Na sinterklaas werd in Tilburgse gezinnen veel ►peestaamp gegeten
Cees Robben We kijke nie op unne bos pje... (19561201) [We hoeven niet zuinig te zijn]
● meervoud, verkleind
Cees Robben Ik zie mn selotte en peekes al staon/ Mn kiendjes vur slaoi al dn hofpad op gaon... (19570309)

Cees Robben Mun peekes zn nog nie bekwaom... (19640918)

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Iemand wsmaoke d nze Lieven Heer Hndrik hiet n in de haaj peeje stao te steeke.

Informant Ad Vinken: De stomste boere hbbe de dikste peeje - Wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat.

Piet van Beers De stinpst: Vier ons vrse worst n peeje../  doet er mar w jne bij./ 'n Bkske zult 'n half pond kaoje/ n tweej schve balkenbrei. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers Men Buukskes: Men irste buukske ging oover peeje n jun n oover de meense op de tn. (Het zeventiende boekje, 2010)

WBD III.2.3:100 'pee', 'peetje' = wortel, winterwortel; ook 'winterpee'

WBD III.2.3:278 'peekoffie' = cichorei

WBD III.2.3:103 'stoppelpee' = stoppelwortel

WBD III.2.3:110 'witte pee' = pastinaak

WBD peeje-g - wortel-eg

Str. peej (1:52). 101 'peetjes' = kl. worteltjes

2. Wilde peej = fluitekruid

WBD III.4.3:394 wilde peej - fluitekruid (Anthriscus sylvestris), ook. genoemd: flutekrd

Anthriscus sylvestris - bron: Wikimedia commons

3. Bijnaam

Karel de Beer, Bijnamenboek: de peeje = fam. Schellen (blz.70)

 

peejlof

zelfstandig naamwoord

bladerkroon van bieten

WBD I:1470 bladerkronen van bieten: 'peejloof', 'kppə', 'toppə

 

peejschf

zelfstandig naamwoord

schijf van een peen, wortel

figuurlijk en vaak spottend gebruikt voor muntstuk, geld

Goedgetld - peejscheve - zn - geld in klinkende munt. - de peejscheve groeje nie op men rug!: het geld groeit me niet op de rug!

Henk van Rijen: meej peejschve kunde nie betaole

Henk van Rijen (1998): 'H de wl genog peejschve b-w om d te kunne petaole?'

Frans Verbunt: de peejschve groeje nie op menen rug

Stadsnieuws: De peejschve groeje nie op mene rug.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: veul peejschven hbbe (HM'70) - veel geld hebben

- Guido Gezelle - lemma PEESCHELLE, de = Schijve die, van dwersten, van eene pee, eenen peewortel, met een schuimw., van eene carote gesneden is. 't Is al wel en gemakkelijk gezeid koop'et! maar waarmee betalen? Met peeschellen? Geh[oord in]
Aeltre. (Loquela, 1907)

- Cornelissen & Vervliet - Peeschijf - znw., v. Schijf die op zijn dwars van eene pee gesneden is. 't Is gemakkelik gezeed: koop 'et! maar waarmee betalen! M' peeschijven, zeker? (Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1903)

- Cornelissen & Vervliet lemma BETALEN - De gebroken potten betalen, de schade vergoeden, het gelag betalen. (...) Betalen mee potscherven, met de scherven van z'ne pispot, mee peeschijven, geen geld bezitten om iets te betalen. (Bijvoegsel Idioticon van het Antwerpsch dialect, deel A-H - 1936)

- Cornelissen & Vervliet lemma POTSCHERF, znw., o. Z . Wdb. Mee potscherven betalen, geen geld hebben om te betalen. Ook met de scherven van z'ne pispot, mee peeschijven. (Bijvoegsel Idioticon van het Antwerpsch dialect, deel I-R - 1938)

- Herman J. Claeys peeschijven (mv) in: met peeschijven betalen - (Ant) (spottend) platzak zijn. (Vlaams dialectenwoordenboek; lemma PEE; 2001)

- Katleen De Beukeleer - Temmerman gewaagt, behalve kaf, van nog een ander strooiproduct. Volgens hem werden er namelijk wortelschijfjes, symbool van geld, gestrooid in de straat en voor het huis van een mindere partij die omwille daarvan was afgewezen.

WTT - 2013 bij het voorgaande van De Beukeleer - Het betreft het zogenaamde lemen strooien. In Vlaanderen was dit in de 19de eeuw een soort van volksgericht. Als een persoon zich volgens de gemeenschap onwelgevallig had gedragen, werd de straat tot aan zijn of haar voordeur gemarkeerd met strooisel. Daarbij werd vaak het kaf van het koren gebruikt (wit) of blauwsel (voor de was) maar ook het gebruik van wortelschijfjes kwam voor, vooral als het een huwelijk betrof dat geen doorgang vond omdat een van de partijen de mindere partij blijkbaar niet draagkrachtig genoeg was bevonden. De meerdere partij werd daarmee bespot door het strooisel. (Traditionele volkse feestcultuur en modernisering. Het platteland rond Gent ca.1860-ca.1940; hoofdstuk 4.1.4. REACTIES VAN DE GEMEENSCHAP BIJ HET AFBREKEN VAN DE VERKERING OF BIJ ZWANGERSCHAP. Katleen De Beukeleer. Gebaseerd op TEMMERMAN. De kanonniers van de Verhoogstraat. 1982, p. 8.)

► peejsteeker

 

peejstamp, peejstaamp

zelfstandig naamwoord

stamppot van wortels

Hmme alwir peejstamp!

Henk van Rijen (1998): 'peejstaamp'

Cees Robben: 'of ge peestamp het gegeete'

Stadsnieuws: Peejstamp itte meej klapstuk - Hutspot eet je met klapstuk (rundvlees dat wordt meegekookt) (250109)

Piet van Beers:

W motte tch meej al die peeje ??

zeej Sjooke Braans teege derre man.

"Ge dnkt tch nie dk alle weeke

ok twee keer peejstamp kook hee Jan."

 

"Ne Sjoo, d kan ik nie verlange,

al vn ik peejstamp nog zo fn.

Ik ha gedcht, ik bouw w kooje,

zo vur 'n stuk f tien kenn."

 

Uit: Peeje , Knne n "jonge" mt. (CuBra)

Cees Robben: Zij wisten precies van dag tot dag wat daar de pot schafte. Zij sloegen met een schalkse grijns een groot vroom kruis voor ze aanvielen en prezen volmondig het bier van broeder portier, of den zaolige smaok van de peestamp van soeur Sophie van de Gutjesnonnen. (Uit: Vruuger, in de blauwe periode, in Robben en Rooms, 1981)

Cees Robben - En vur t hske maoket niks uit of ge reerug of peestamp het gegeete (Prent van de week, 17 april 1987)

Piet van Beers:

De week daornao, dan eete we

wir Peestamp meej Hasjee.

As ge er te veul van it schtte

de plaanke van de pleej....

- Soms han ze jun me peestamp/ W knaawbone of bessesap Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg), Kosset den brne eigeluk wel trekken?, 2006 - We aten de weken daornao [6 december], bekaant daogeluks peestamp, tot die ons de neusgaote tkwaam mar weggooien waar ok zund. (Uit: Siendereklaos)

LECHIM:

Gewoon mar eete...

'W zumme mrge wir is eete?'

Ds de vraog van iederen dag

Vur peestamp, snert of bruine boone

Gao'k metn al overstag.

 

Smaokeluk

Zt de medrne keuke zn

Waor ze veul over kletse?

Gif men mar peestamp van ons Sjaan

De's nog 'n aauwerwetse.

 

(Beide gedichten uit de Tilburgse Koerier; ongedateerd knipsel; circa 1970)

Tony Ansems:

Peestamp

Witte we'k gere te freten heb

We'k gere kook, akker de tijd vur heb

Peestamp, witte kool, en juine

Rookworst, efkes laote bruine

Lekker, vanavond lekker buize, peestamp

 

Ge vat wet peejen en wet errepel

Schrabbe, snije, koken, en stampt det spul

Nasi kruid, en un paor augurken, knoflook,

Fleske bier ontkurken

Water, ollie, en un snufke zout

 

Oh well, pee stamp,

Worst van den boer, peestamp

Spek zonder zwoerd

Kwakt er wet gehakt meej pinda nutjes bij

Pee stamp, witte kool, en juine

Rook worst, efkes laote bruine

Lekker, vanavond lekker buize, peestamp

 

Oh well, peestamp,

Worst van den boer, peestamp

Spek zonder zwoerd

Kwakt er wet gehakt meej pinda nutjes bij

Peestamp, ge heurt er over roepe

Peestamp, ge kunt er goed van poepe

Lekker, gekleurd Oranje boven, peestamp

[Lekker, Pee hee Stamp] [3x]

(Tony Ansems, Peestamp;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

Piet van Beers De mrt: Soms worret stamp van boeretoppe (daor moete verse worst in stoppe)/ soms worret peejstamp meej hasjee, of ik neem w sudderlappe mee. (Het zeventiende boekje, 2010)

Piet van Beers Wie w bewaord die hee w: 't Is zund de'k het zeg, mar de witlof is weg/ en we hebben ok gin peestamp gegeten. (With Love; 1982-1987)

Peejstaamp, hasjee, tis amml hel lkker, mar et lkkerste vonnik boerekoletppestaamp meej vrse wrst. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD III.2.3:119 'peestamp' = stamppot

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pejstamp zn - hutspot

 

peejsteeker

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: vrek

WBD III.3.1:199 'peesteker', 'vrek, knijperd, schraperd, gierigaard, pin, gierige pin' = gierigaard

WTT 2013 - het woorddeel 'peej' is mogelijk hetzelfde al de de peen (wortel) als symbool voor geld in ►peejschf

 

peejzaod

zelfstandig naamwoord

suikerbietzaad

WBD I:1429 'peezaot'; (Hasselt) 'zaot'

 

peeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  van peej

worteltje

Cees Robben: peekes, peeje en wortele

 

peekel

zelfstandig naamwoord

dronken; in de uitdrukking 'onder de peekel'

Want Piet die naam et nie zo naaw/ n dienst hai ginnen heekel/ mar mistal kwaam ie te laot aon/ n goed onder de peekel. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op zaoterdag gin post mir)

 

pl

zelfstandig naamwoord

1. pijl

pl n boog

2. haarpijl

De protestante waaren in al die jaore gin pl veraanderd. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIJL zelfstandig naamwoord m. - haarpijl, Fr. un cheveu, un poil. Hij he gee(n) pijl meer op zijnen blottekop staan.

►hrpl

 

pn

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Karel de Beer, Bijnamenboek: ene pn = lid v.d. familie Pijnenburg (blz.94)

WTT 2011: De Pn = Jan Pijnenburg, legendarisch baanwielrenner uit Tilburg.

 

Pijpenkop, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

pp

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord: ppke

Schilderij: Quiringh van Brekelenkam

I om tabak te roken

Ze zn nog gin pp tebak wrd. Ze zijn nog niet dt waard.

Ik zaat giesteren aovend op m'n gemak m'n pepke te rooken achter de kachel (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

Figuurlijk daarbij:

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pp zn - pijp; de pp tgaon - doodgaan

Grot Diktee-08: der komt vur ons alleml ene td dmme ... de pp t gaon

Cees Robben: uit: Fraters

II anatomie van het paard

WBD pp - pijpbeen (v.e. paard), ook 'aachterpp' genoemd

III in de textielindustrie

WBD pp (II:990) - scheerklos; ook: schrkls of schrtt genoemd (z.a.)

WBD pp (II:1030) - pijp: spoelpijp; ook: tt of kls

Henk van Rijen: ppe afsnulle - oud garen van pijpen halen (textiel)

IV konijnenhol

WBD III.4.2:65 'pijp' - konijnenhol, ook 'nest' genoemd of 'hol'

V schenktuit

Cees Robben - Prent van de Week 6 januari 1984 (detail)

 

peeperkoek

zelfstandig naamwoord

peperkoek

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: de peeperkoek p tffel lggen n dan dursnije (Kn'50) - gezamenlijk bezit verdelen.

 

peepernoot

zelfstandig naamwoord

bep. strooi-snoepgoed t.g.v. sinterklaas; klein stukje koek in sinterklaastijd als strooigoed gebruikt, rond of in de vorm van kleine dobbelsteen

 

ppgeraaj
zelfstandig naamwoord
pijpengerei
Cees Robben Daase afgezwabberd pp-geraai (19871113) [Daase = van het as]
 

ppeslufke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "paipenslufke - klein bakje van porcelein of granit wat op de tafel geplaatst werd en waarin de langepijprooker, de kop van de pijp in legde al rookende"

WNT PIJPESLUIF - 1) pijpedop; 2) pijpekas (= koker of foedraal om de tabakspijp in te doen).

 

Per, Pirke

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Peter, Piet, Pieter, Petrus

ES (WTT 2011): Pirke Donders, de zalige Petrus Donders

Henk van Rijen: vle peer - gierig iemand

Hoeufft, Proeve van Breda's Taaleigen (1836): PEER, voor 'Pieter', bij zamentrekking van 'Peter'. Z.a.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pe:r, zelfstandig naamwoord m. (eigennaam) 1) Peer, Peter; 2) kater

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEER (scherpe e) - vklw. Peerke(n). Verkorting v. Pieter of Petrus

 

pr

 

Cees robben - detail uit Prent van de Week 27 september 1985- detail CuBra- CRStichting

I - peer (vrucht)

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord: pirke

Dirk Boutkan: (blz. 22) pr naast peer

Dialectenqute 1879: pruimen en pre (meestal: pruim en pre) (ui = eu van fr . Meuse)

Dapper, pittig peerebumke,

zuute troost in 't traonendal,

rijk en vriendelijk suiker-umke,

waor ik eens van stroebele zal,

mee oe vuutjes staode in d'eerde,

mee oe teentjes zuigde sap,

mee oe blaoikes aosemde weerde

uit de locht, om, nap aon nap,

peer aon peer zuut vol te tappe,

vol te spanne tot oe vel

kleurt en zwelt van rijpe sappe

naor den aord van oe gestel:

vijftig sappige "Louise

bonne d'Avrange" (hoe 'n rare taol!)

wilde leveren en ik zie ze

al ligge lokken op de schaol! (Piet Heerkens; uit De knaorrie, t Peerebumke, 1949)

De door Heerkens benoemde peer is de Louise d'Avranche, een handpeer die in de Franse stad Avranches vanaf circa 1789 geteeld werd door Longueval. De peer kan omstreeks half september geplukt worden. Wikipedia: De vrucht van Bonne Louise d'Avranches is klein, slank en groen met mooie donkerbruin-rode blos. Het is een iets zure, sappige handpeer met een aangenaam aroma.

Bonne Louise d'Avranches

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): die pr is nie rp

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: de glste pre wrren et irst geplokke (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - de gekste meisjes lopen het eerst tegen de lamp (woordspeling: geil ) ook Stadsnieuws: 150106

Cees Robben Hed-dk prkes zonder bkzuut... Frie? (19560915)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - pr (krt. 14)

Uit: Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant, A. Weijnen 1937

Zie Dossier Peer

II oorvijg

Cees Robben: vur en peut of en pr heddet hart nie

Sierarke blrt wir hzehog./ Hij heej en pr gekreege (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: W ist verschil?)

WBD III.1.2:32 'peer' = slag : ook: 'veeg, fleer, stomp, opdoffer, oplawaai, opneuker, opmieter, opduvel, maai, pets, hengst, labbezoet'

WBD III.1.2:35 'peer' = muilpeer; ook ' fleer, kaakslag'

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PR zelfstandig naamwoord v., Fr. poire; fig. oorveeg, muilpeer

 

Linosnede: Rolf Janssen

prd

ook prd

zelfstandig naamwoord

paard

Cees Robben - Prent van de week 25 juli 1980 - detail CuBra- CRStichting

Overzicht van lemma's m.b.t. PAARD

zelfstandig naamwoord

 

 

 

Prd, prd

In uitdrukkingen

In spotnaam

In loknaam

Afgeleid bijvoeglijk naamwoord

Prdeg

Verkleinwoord

Prdje

Samenstellingen met Prde...

-bak

-bvert

-brod

-blom

-getg

-hoeve

-juu

-kp

-mnneke

-mist

-piel

-spul

-strt

-stront

-voet

Samenstellingen met Prs...

-blom

-haor

-mis

-mp

-stront

-taand

-stal

-vles

prd n kr - paard en wagen

Dialectenqute 1879: 'n aauw prd (lage ; vgl. 'gte' - geiten); 'n schoon prd

Hein Mandos, handschrift (1932): prd/ prd

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): paird

...mar hij wou er 'ns uit - et beste peerd wil wel 'ns los in de waai loope! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Naarus (Bernard de Pont; Groot Tilburg; ca. 1940 - En draait oe filmke flink vort dan ziede rijke schoone ridders op prachtige prden mee gouwe harnassen en pieken, en die gaon perbeeren om bekare ut t zaodel te schoefelen.

Pierre van Beek We hebben lang gezocht naar een Nederlandse zegswijze, die overeenkwam met het opschrift van een Italiaans asbakje, dat op onze tafel prijkt. Dit luidt: "Chinasce tondo non pu morir quadro!" Letterlijk vertaald wil dit zeggen: "Wie rond geboren wordt, kan niet vierkant sterven." In Tilburg heeft men er een eigen spreekwoord voor en wel het volgende: "As ge as ezel geboren zijt, worde gin prd!" De Tilburgse uitdrukking is - naar wij menen - evenwel toch iets enger in de betekenis omdat men er hier het gezegde gewoonlijk bezigt als men aan wil geven, dat iemand die arm is het in de regel wel blijft. Tevens wil men er wel mee aangeven dat het voor een gewoon man moeilijk valt hogerop te komen. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)

Cees Robben - ...over t perd (getild) (19560721)
Cees Robben Heej jouw perd verstaand..? Verstaand, d weet ik nie.. Mar gist zit er in. (19800725)
Cees Robben n steeg perd (19830114)
Cees Robben Beter n aauw perd kepot as n jong bedrve... (19830819)
Cees Robben n Perd en n md die t wit van dr gen laoten zien, daor moete nie mee aanlegge... (19840511) [Te veel intimiteit is verdacht]
Cees Robben n Schon perd.. (19861107)

Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg) Kosset den brne eigeluk wel trekken? - 2006: - Hij stampte dan net as un kaoi prd, meej zen voeten, op de grond, w as ons moeder de kaomer nog nie gedaon ha, enne hille stofwolk ten gevolge ha.

De Wijs -- Trouwde gij mee den auto of mee t prd? - En ik, ik w gre mee t prd trouwe mar menne jongen zee: drfde d? ik zeg: ikke wel mar ik waar me toch bang. (27-12-1968)

Dirk Boutkan: (blz.97) hij trok et prd n zene st()rt

Cees Robben: oover twee daog is et prd kepot

Cees Robben: Heej jouw prd verstaand? D weet ik nie; en steeg prd;

Pierre van Beek: en zuur prd - ondeugend onbetrouwbaar paard

Et Lof wier ok wir ingevoerd, nie desse daor ons nr toe gekreege ha, meej gin zeuve prd. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): n de schft spanneme et prd vur de nuuw kr

WBD prd

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): prt, zelfstandig naamwoord o. 'perd' - paard

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PRD (Kemp. ook pjd en pd), vklw. perdje(n), pjedje(n) en prdeke(n) pjreke(n); mrv. pjr in de Kemp. Paard, Fr. cheval.

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

Uitdrukkingen

Kubke Kladder - Uit 't klokhuis van Brabant 1 - Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929: Hoop op beterschap bestaot er nie want as ge as ezel geboren zijt, worde toch nooit 'n prd.

Pierre van Beek: 'Beeter en aaw prd kept as en jng ooverkoot', zei de oude boer die meende dat er 'aan hem niet meer zoveel verbeurd was (er dus met hem - bij eventueel overlijden - niet veel verloren ging.)

Cees Robben: Prent van de week 11 mei 1984

Van Beek - "Het is wat te zeggen, as ge met 'n oud perd moet eggen", 't is moeilijk met slecht of oud gereedschap te werken. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Cees Robben: Beeter en aaw prd kept as en jong bedrve; en prd n en md;

Frans Verbunt: et ging verkeerd, zeej den boer, et prd ging kepot n et wf wier beeter

Frans Verbunt: et maogerste prd steeke de blndaoze et hardst

Frans Verbunt: en blnd prd kan er ng gin schaoj doen

Frans Verbunt: en prd znder voerman - een weduwnaar

Frans Verbunt: van wrke gn de biste prde kept, n die hbbe ng wl zer nder der voete

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Beeter en aaw prd kept as en jng bedrve.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: En vrouwehaand n en prdetaand meuge nie stilstaon.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Bdehaand as en vrouwehaand n en prdetaand.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: As ge as eezel geboore zt, wrde gin prd.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: De krib moet nie nr et prd koome.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: En prd en enen hnd, die hinkt van ene stront

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et maogerste prd steeke de blndaozen et hardst (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - de armsten hebben het het hardst te verduren

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: beeter en aaw prd muug gemkt/ versleete / ooverkoot, as en jng bedrve ('74) - wordt humoristisch gebruikt m.b.t. mensen en werk

Zie Vromans: Een jubilerend oud maar schoon paard, in 'Taalverandering in Nederlandse dialekten', blz.192.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: den enen maag en prd steele n den aandere ng nie oover de hg kke - (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1971) variant : ng nie p stal kke

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: en goej prd wrdt nie gemrt (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - en goed bekend staand meisje gaat niet op pad om een vrijer

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: en prd znder voerman (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - een weduwnaar

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: ik dcht dgge en prd gescheeten hadt n dgge drp n kwaamt rije (Kn '50) - plagerij tegen iemand die lang op de WC gezeten heeft.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: zlfs en prd valt ng wel, al heetie vier ben (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) iedereen maakt wel eens een fout

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: z stm zn ast prd van O.L.Heer (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1974)

Cees Robben: teegen en prd kunde toch nie gaope

Pierre van Beek: prd znder voerman - weduwnaar

Pierre van Beek: z dm as et prd van Onzen Lieven Heer (dat was een ezel) (Tilburgse Taalplastiek 740125)

Pierre van Beek: meej et prd van Sint-Fransiskus - te voet

Henk van Rijen: den ene maag et prd wghaole n den aandere nog nie in de stal kke de een mag alles en de ander niets

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

Spotternij

Informant Toine Raaijmakers: Van een gekke naam: J, z hiet et prd van Vekastere ok. [Vekastere = Van Casteren, lange tijd in Tilburg het meest gekende vervoers- dan wel verhuisbedrijf met paard en wagen]

Soms kwaame ze van de firma van Casteren meej ene grote dichte prdewaoge waor van die forse Belze prde vurliepe, en om de wiele zaate van die zere baande heene, as die dur de straot reeje dan stonde bij ons in de keuke de potte op et rek te rammele. En as die prde van aachtere iets hadde laote valle was er ene buurman die d meten op kwaam scheppe want d was goed vur zn roze zeetie dan. (Nel Timmermans; Wtter amml n de deur komt; CuBra; 200?)

Loknaam

WBD prd, prd, (Hasselt:) bls - lok-/roepnamen v.h. paard .

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdebak

zelfstandig naamwoord

paardenbak, waterbak voor paarden

Interview Hermans - 1978 - Dan hadde b van Dal, dan hadde bij Hrrevorts-Koole han ze en kefeej, dr hadde ene prdebak vur staon n daor de prdebak vur stond n ze kwaamen er langs dan zt de kreugel er mar naast n ze ginge binnen en borreltje vatte (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

Bedevaartvaantje van Hakendover door Alfred Ost

prdebvert

zelfstandig naamwoord

letterlijk: paardenbedevaart. het betreft de bedevaart naar Hakendover. Deze vindt plaats op Eerste en Tweede paasdag, en staat bekend om zijn spectaculaire tocht met boerenpaarden door de ingezaaide akkers. Hakendover is al meer dan honderd jaar een favoriete bedevaartplaats van Tilburgers.

De officile naam is 'Paardenprocessie'.

Cees Robben: Maar wilde eens echt op beevaart, dan moest ge maar eens meegaan naar Hakendover, naar Scherpenheuvel Handel of Kevelaer. (Robben en rooms; 1981)

Ad van de Oord: Naast St. Job was er de fietsbedevaart naar de H. Eik te Oirschot, met Pasen naar Hakendover, in mei naar Wittem en 's zomers naar Scherpenheuvel, ook de bedevaart in Bokhoven werd bezocht. (Berkel-Enschot-Heukelom; 1996)

Jan Naaijkens: Op Tweede Paasdag trekken de boeren naar Hakendover in het Vlaamse land, waar de paarden in tomeloze vaart over de pas-bezaaide velden dreunen. (Leer mij ze kennen de Brabanders; 1968)

Jan Naaijkens: De boeren trokken met Pasen onder aanvoering van Jan de Kort naar Hakendover, waar naar oeroud gebruik honderden paarden in volle galop dwars over de velden raasden. (Het dorp van onze jeugd; 1999)

Tilburgse afvaardiging in Hakendover; 1995; bron: Geheugen van Nederland/ Geheugen van Tilburg

Harrie Franken: Volgens de legende heeft de Zaligmaker zelf aan de bouw van de kerk in Hakendover meegewerkt als de dertiende onbetaalde werkman uit het lied. Een vogeltje met een rode draad in zijn bek zou, al door de lucht cirkelend, de plaats van de bouw hebben
aangeduid. Hakendover ligt in Belgisch Brabant ten Z.O. van Tienen. Op paasmaandag is hier elk jaar een processie, die dwars door de velden trekt. De boeren rijden dan op paarden drie keer rond de processie. De gewassen op de velden worden dan helemaal vertrapt, maar enige dagen later groeien ze weer weelderig op. In de nacht van 16 en 17 januari vergaderen de boeren in de kerk. De pastoor preekt dan om precies 12 uur, waarna men in processie naar de kapel van Onze Lieve Vrouw ten Steen trekt. Het is ongeveer 25 minuten lopen. Dan gaat men weer terug naar de kerk. Dat doet men zo dertien keer, ter ere van de dertiende werkman. (Liederen en dansen uit de Kempen; 1978 & 2003)

Tekening: A. Ost

NTC - 7 april 1926

NTC - 26 februari 1927

NTC - 4 april 1923

NTC 21 maart 1928

NTC - 31 maart 1936

NTC 15 maart 1940

Luister naar het lied over Boer van Riel, met prdemrt en prsstront

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdeblom

zelfstandig naamwoord

paardenbloem (taraxacum officinale)

Ill.: Thom - pisbloem - paardebloem - mlslaoj - taraxacum officinale

 

Piet Heerkens:

PEERDEBLOM
Simpelste van al de blomme,
waor de bie nie om zomme,
niemand hee't er oot geprezen
oew eenvoudig, zeejig wezen...


Peerdeblom, oew kortgeknipte
platte kroon onopgeknapte,
ongeonduleerde blaoikes
of oew zijig witte zaoikes,


uitgebloeid toe parachuutjes
die op zofte wende zuutjes
over de Maaie-waaie zweeve
mee nuuw peerdeblommen-leeve...


Peerdeblom, zie ik oe staon,
'k zie oe aaltij efkes aon,
simpelste van al de blomme
waor de bien nie om zomme... [Uit: De mus; 1939]

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdebrod

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: roggebrood

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): prdebrd - roggebrood

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdeg

bijvoeglijk naamwoord

WBD geneigd tot paren (v.e. merrie), ook genoemd 'prdeg' of 'hngsteg'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnw. 'peerdig' - "tochtig van merrin, doch bij uitbr. ook wel van menschen gezegd"(WNT)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PERTIG bvw. - gestoord, kwalijk gezind, van kwade luim; eigenzinnig

WNT PAARDIG - tochtig van merrin, doch bij uitbreiding ook wel van menschen gezegd.

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdegetg

zelfstandig naamwoord

paardentuig, paardengetuig

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdehoeve

zelfstandig naamwoord  plur. - paardenhoeven

Leo Heerkens (1940): Peerde-hoeve ploffe neer/ op de ronde harde kaaie...

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdejuu

zelfstandig naamwoord

paardenvlees

Pierre van Beek: Dit is er ene die prdejuu heej gegeete. - Iemand die groot en sterk is, maar toch bang; hij zou de schichtige en zenuwachtige aard van het paard in zich hebben. (Steunend op oud bijgeloof, dat iemand door vlees te eten, ook de aard van het dier kreeg.) (Tilburgse Taalplastiek 154)

 

Cees Robben - Prent van de week 23 september 1972

Cees Robben Perdejuu.. Non-de-juu.! (19720923)

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdekp

zelfstandig naamwoord

paardenkop

Aanderhalf man n ene prdekp = weinig volk

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'paerdenkop'

Henk van Rijen: aanderhalleve meens n ene prdekp - heel weinig publiek

Antw - PRDEKOP zelfstandig naamwoord m.- Daar was maar drij man en 'ne prdekop - er was weinig of geen volk

 Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdemnneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Informant Ad Vinken: in smalle reepjes gesneden boterham

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdemist

zelfstandig naamwoord

paardenmest

Piet van Beers:

Ik hb wl es heure zgge,
d hij, die 't miste mist.
De grotste rpel tstikt.....
Des aaltij zo gewist.


Ik hb wl es heure zgge,
d van unne koejenbist,
de stront tch wl 't bist is...
Ds aaltij zo gewist.


Ik hb wl es heure zegge,
d prdemist goed gist.
Dt 't goed is vur den witlf...
Ds aaltij zo gewist.

 

Uit: 'veul heure zgge... heurde veul liege' (CuBra)

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdepiel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): scheldnaam

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdespul

zelfstandig naamwoord

paardenspul (in een circus)

Cees Robben t peerdespul de gift t op... (19540724)

HVR circus

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdestrt

zelfstandig naamwoord

Heermoes, hermoes, equisetum arvense

WBD III.1.3.273: paardenstaart = haarstaart

WBD III.4.3.339: paardenstaart = heermoes (Equisetum arvense)

Equisetum arvense

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdestront

zelfstandig naamwoord

paardenstront

zie ook onder lemma 'prs...'

Elie van schilt (CuBra 2008): Och as ge is wiest wet wij allemol zagen as we naor school gingen, de straotveger die mee zunne takkenbissum al vruug stond te vegen, ut waren toen allemal nog kenderkopkus, ut miste vervoer ging nog mee perd en kr, dus er laag veul peerdestront op straot, was die tussen de kaaien gereien, aon dun aachterkaant van zunne bissumsteel zaat unne ijzere ring om de steel, die kon dan nie splitsen, en daor krabde hij de perdestront mee van de kaaie.
Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdevoet

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:384 ' peerdenvoet', 'paardenvoet' = horrelvoet

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

pre

Werkwoord, zwak

-- pre - prde - geprd

1. peren = meppen, slaan

Informant Toine Raaijmakers: Hij prdenem teege zen oore

-- er teegenon pre - erop slaan: flink aanpakken

letterlijk: peren; figuurlijk: hard werken: Cees Robben W zal ik m pre... (19570309)

Stadsnieuws: We zulle der es flink teegenn pre - we zullen ze eens flink van katoen geven (131209)

WBD III.1.2:30 'ertegenaan peren' = slaan; ook: bossen, naaien,een labbezoet geven'

WBD III.1.2:56 'peren' = een pak slaag geven; ook: 'afperen,bijperen,

ertegenaan peren, erop peren' e.d.

2. weglopen, vluchten

-- er tussent pre - zich uit de voeten maken, hard weglopen

De Wijs -- Er tussen uit peere (04-07-1969)

WBD III.1.2:129 'ertussenuit peren' = op de loop gaan

Piet van Beers Tusse Krst en Nuu..: 't Aawjaor prt er ut/ n heurt tot ' t verleeje. (t lfde buukske, 2010)

3. ongemanier eten of drinken

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "hij kan em ongemakkelijk paire (hij kan ongemanierd eten en drinken)"

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pe.rə(n); zw.ww.tr. 'peren' - slaan 'em pere' veel drinken of eten.

Met al deze betekenissen:

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pere - slaan, erop slaan; hard werken, wegrennen. Verwantschap met 'muilpeer'?

Cornelis Verhoeven (Udenhouts): PEREN (pre) onov.ww - een krachtige beweging uitvoeren; in verschillende samenstellingen, bv 'r op pre - erop slaan (vgl. muilpeer); 'r t pre, er haastig vandoor gaan.

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pre ww - slaan, ervandoor gaan

 

prebumke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van prebom

perenboom, perenboompje

Piet Heerkens:

'T PEEREBUMPKE
Vijftig peeren aon n bumke,
aanderhalve meter hoog!
Lekker suikerwaoter-pumpke,
'k aai oe dik mee baai mijn oog'!
Dapper, pittig peerebumke,
zuute troost in 't traonendal,
rijk en vriendelijk suiker-umke,
waor ik eens van stroebele zal,
mee oe vuutjes staode in d'eerde,
mee oe teentjes zuigde sap,
mee oe blaoikes aosemde weerde
uit de locht, om, nap aon nap,
peer aon peer zuut vol te tappe,
vol te spanne tot oe vel
kleurt en zwelt van rijpe sappe
naor den aord van oe gestel:
vijftig sappige "Louise
bonne d'Avrange" (hoe 'n rare taol!)
wilde leveren en ik zie ze
al ligge lokken op de schaol!
Vijftig peeren aon n bumke,
aanderhalve meter hoog!
Lekker suikerwaoter-pumpke,
'k aai oe dik mee baai mijn oog'!
Peerebumke, stiekum wonder,
ik bewonder ou natuur,
bron van zuutsel, eens van onder
opgegroeid uit rot en zuur;
uit 'n mrve peer gesproten
die begraove laag in d'eerd,
is den drang oe ingegoten
om te werken als een peerd!
as 'n peerd? Och, peerdekraachte
vreuke vreed aon kr en ploeg,
gevroet gao daoge, naachte
aaltij deur in stil gezwoeg!
Goei, zuutsappig suiker-umke,
'k weet, al valt et nie in 't oog,
as 'n ieverig waoterpumpke
zuigde liters sap omhoog,
en die liters destilleerde,
zonder deddet smookt en rookt,
toe den zuutsten draank op eerde,
swijls de zon de kachel stookt!
Vijftig peeren aon n bumke,
aanderhalve meter hoog!
Lekker suikerwaoter-pumpke,
'k aai oe dik mee baai mijn oog'!
Daankoe, daankoe, lieven Heerke,
veur mijn bruurke Suikerzuut!
Daankoe veur Oe zonnig weerke
d doe rijpen heel den buut!
Daankoe veur dees bonne Louise,
schoon gegroeid uit leevend hout!
Daankoe, gulle Gever, die ze
vloeie liet uit leevend hout!
Wie-t-er Ou nie kan bedaanken
as ie 'n peerebumke zie,
speult z'ne rol hier op de plaanke
van et leeve slecht, of nie!
Vijftig peeren aon n bumke,
aanderhalve meter hoog!
Lekker suikerwaoter-pumpke,
'k aai oe dik mee baai mijn oog'! [uit: De Knaorrie, 1949]

Nieuwe TilburgscheCourant - 2-5-1875

prepluu, prrepluu

zelfstandig naamwoord

paraplu

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: nffe de prepluu lope (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1971) - allerlei zaken aanpakken zonder enig succes

Grot Diktee-94 ik z mar meej de prrepluu gegaon

WBD III.1.3:169 'paraplu' = paraplu

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PARAPLU zelfstandig naamwoord m. - Daarnaast PARREPLU en PERREPLU

 

Maker onbekend

De paraplu - Maria Bashkirceva.

 

presl, prresol

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): parasol

 

prkel, prkel

zelfstandig naamwoord

WBD sluitboom van de schuur- of staldeur (losse balk)

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PERKEL m, zie: merkel -> MERKEL (mrkel, soms ook: prkel) m - grote houten grendel, balk waarmee een dubbele deur bv. van een paardenstal gesloten wordt. Z.a.

WNT MERKEL, daarnaast MERKER, MARKER, ook MERK.

Etym. niet bekend.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'perkel', hetz. als 'slthout'

 

prs

bijvoeglijk naamwoord

paars

Der haande waare prs van de kaaw.

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'paers en blauw'

De Wijs -- Ik hauw van prs mar hedde ze nie ng prsiger (17-08-1964)

Cees Robben Ik haauw van prs... (19640821)
Cees Robben En van muugte prs en blauw. (19700925)

As ik zg: D geleuf ik nie/ wort ie prs van sjachern... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Alles is meugelek)

Dur de glas-n-loje rtjes/ schnt de zon waozig n prs (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De kepl is klaor...)

...agge zo durgaot wort oe neus/ van blauw vanges prs (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et blauw der aaf)

WBD III.4.4.243 'paars' = idem; 'paarsig' = idem; 'paarsrood' = idem

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): prs, bnw. 'pers, peers' - paars

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PRS(CH) bvw. - paars, violetkleurig. Prs(ch), zien van de kou. 

WNT PAARS, daarnaast gewestelijk PEERS en prs.

 

prschteg

bijvoeglijk naamwoord

paarsachtig

Frans Verbunt: paarskleurig

WBD III.4.4:243 'paarsig' = idem

 

prsigger
vergrotende trap van prs met achtervoegsel -achtig; van de nauwelijks bestaande stellende trap paarsachtig
iets paarsachtigers
Cees Robben Ik haauw van prs... Mar hedde nie iets iet-of-wet persiger..? (19640821)

 

pees

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord: piske

koord, touw, snoer (van rondgevlochten katoen) in de textielindustrie gebruikt voor aandrijving van machines

Anoniem 1959
en toen zeej de klne Kees:
"Vadder, ik heb naau wel unne hakdol,
mar 'k heb gin stukske pees."
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

As de zon hil fel scheen staken wij pezen in braand, meej un braandglas, d stonk z lekker. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ok haktollen ging hl goed. Ge sloegt meej enne pees aon un stkske gebonden tegen enne tol, die ge irst meej oew haande liet draaien. Deur dieje tol elke keer goed te raoke meej dieje pees, blf ie draaien. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD pees (II:1031) - pees: drijfriem; ook: touw

WBD III.3.1:374 'pees', 'bullepees' = pezerik

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEES zelfstandig naamwoord v. - snaar van eene viool, een spinnewiel, enz. fig. gierigaard, schrok.

 

peestamp
zelfstandig naamwoord
wortelenstamp, hutspot
Cees Robben Ze pruuven dn peestamp van soeur Antoinnet (19570921)
 

peesteeker

zelfstandig naamwoord

1. gierigaard

Anoniem - 1933: Intusschen dient erkend, dat aan 't scheldwoord "peesteker" in het Brabantsch nog een heele andere beteekenis wordt gehecht dan dr. Cornelissen eraan toekent. Mijn briefschrijver van
den vorigen keer acht zelfs de uitlegging van dr. Cornelissen ten eenemale foutief. Hij schrijft: "Peestekers" is m.i. niet het gevolg van het veel eten van peen oftewel wortelen. Onder "peesteker" wordt verstaan een echte "vuile meensch", d.i. een die een halve cent vierendeelt. Zij nl. die peen, d.i. "varkens- of koeienkost" gingen steken, omdat ze te gierig waren om fatsoenlijker eten te gebruiken, kregen dezen scheldnaam. Naar ik meen, peilt mijn briefschrijver met zijn uitleg veel dieper de wezenlijke beteekenis van het woord "peesteker" dan dr. Cornelissen, die eenvoudig de letter verklaart. Wanneer wij hier praten van 'n "peesteker" dan bedoelen we aan te duiden de eigenschappen van 'n gierig, kortzichtig individu, dat geen omgangsvormen heeft en in hooge mate ook lijdt aan 'n onbehoorlijke mate van eigenliefde. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 30 december 1933; rubriek Folklore, afl. 6)

En wilde wel gleuve d die jong me net aonkeke of desse zegge won: mar des innen zuinige peesteker! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Dorrus Misters - 1952: ..."peesteker" dat een minder gunstige betekenis heeft en waardoor een krenterig, gierig iemand wordt aangeduid. Zoals
wij jaren geleden in een schriftelijk duel ook in dit blad reeds opmerkten, zit die betekenis niet in het woord zelf, maar in het gebruik hiervan. ( Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 17 mei 1952; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 15. Boeren in de winter)

WBD III.3.1:202 'peestekerig' = gierig

2. een kerel, flinke vent

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - al een hele wortelsteker zijn = al een hele vent zijn (wortels werden met de riek gestoken)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ik dcht dk al nen hille peesteeker was

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: al nen hille peesteeker zn

 

peet

zelfstandig naamwoord

peter

WBD III.2.2:89 'peet' = peter

WBD III.2.2:91 'peetzoon' = idem; 'peetdochter' - idem

WBD III.2.2:90 'peet' , 'peetje' , 'petetante' = meter (bij doop)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEET (zachte e), ook PT zelfstandig naamwoord v. - meter, petemoei

 

peeter

zelfstandig naamwoord

als zodanig fungeerde een vrouw, die eigenlijk 'meter' moest heten.

 

peettaante

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): meter die als enige, dus zonder peter, fungeert

 

peeze

Werkwoord, zwak

ijlings verdwijnen; hard werken, ploeteren

- peeze - peesde - gepeesd

- ook in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

Van Beek - "Ge moet nie teute. Pees um!" is: Ge moogt niet treuzelen. Haast je! (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben: ik pees en snl - ik ga er rap vandoor

Henk van Rijen (1998): 'Um peeze' - weggaan, wegwezen.

Henk van Rijen (1998): 'Peest um naa gaaw!' - Verdwijn, en vlug

WBD III.1.2:128 'daaruit pezen' = op de loop gaan

WBD III.1.4:345 'pezen' = zwoegen

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEEZEN - slagen geven, afrossen, 'k Zal oe peezen!

WNT PEZEN - B) Werken, inzonderheid: hard en inspannend werken; slagen geven, slaan, afrossen.

pegatter, pagtter, pagadder, pagatter

zelfstandig naamwoord

Uit Spaans 'pagador' [?]

WNT PAGATTER zie 'pagador' = iemand die betaalt, geld geeft (o.a. persoon die den Spaanschen soldaten als tolk en afrekenaar diende bij hunne inkoopen). ... Thans in Z-Ned. inzonderheid 'klein kereltje'. Z.a.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pigatter - aardig klein jongetje"

- 't Is een leuke pagadder (pagatter). - 'n Ferm, parmantig jongetje, snaak, guit. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Cees Robben As pegatter leerde praote (19761001)

...de opgeschoote pagotters... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Alles op zene td)

Henk van Rijen (1998): 'pagadder' - iemand die leent op onderpand (bijv. bij de lommerd)

Stadsnieuws: Moete daor dieje pegatter zien stappe - parmantig kind (171206)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994) pagadder (V:25)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): PEGATTER (pagatter) - klein kereltje; ene pegatter van drie jaor; ene fene (fijne, tengere) pegatter; z.o. 'kədtər'.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): PAGADDER pagadər, zelfstandig naamwoord m.- Woord v. onzekere bet. tot of van kinderen, schoolknapen of andere kleine personen gezegd; drukt eene zekere minachting voor hen uit om hun kleinte. Z.a.

 

peis
zelfstandig naamwoord
pais, vrede
Cees Robben Het is wir peis en vree... (19650507)
 

pk

zelfstandig naamwoord

WBD de eerste uitwerpselen v.e. veulen

 

pekaant, bekaan(s)t

bijwoord

- Dekens hk dan ok pekaant nie mir noodig (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Pekaant aon alle groot plezier zit innen bitteren naosmaok. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

... t wor pekaant hil de dag nie licht nie. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Henk van Rijen (1998): bijkans, bijna

 

pkdraod

zelfstandig naamwoord

WBD pekdraad: de draad die men maakt door hennep- of vlasvezels in elkaar te draaien en met pek in te smeren door middel v.d. strijklap (II:698)

 

pkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

pakje

Dialectenqute 1879: pak - pkske / pekske

Dirk Boutkan: pakske - verkleinwoord  van 'pak'

1. verpakking

-- en pkske segrtte

Eerstens: drie pekskes tabak gekocht... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; NTC 18-11-1939)

Toe Jaonus maotigt oe is w/ ge maok et vuls te gk/ D is naa van en Zondag aaf/ oe vfde pkske sjk. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vroag et ar n de slachter)

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pkske - pakje; kostuum

2. kostuum, kledingstuk

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): de hrmenie in en nuuw pkske

Cees Robben Ieder die zn asse-krske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastr n pekske.../ zee meneer den kapelaon..... (19550226)

Ons Sjaan wil nr de Bikse Brge/ daor meugde messchien strak blot./ Nou j, d za wel nie veul verschil zn/ de badpkskes zn ok nie grot. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Blot in de Bikse Brge?)

Henk van Rijen: g ht en schon pksken aon - je hebt een mooi pak aan

Elie van Schilt - We hadden de welpen en de vekenners, mar ok wir iets vur meessen die iets meer te vurhapstukken hadden, want die pekskes van die welpen waren vur gewoon meesen vuls te duur. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

- En kochte daor dan vur un frenkske/ Un pekske sugrette van Piraote Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005

Hedde gij wel un pekske degge dan aon moet, vroeg de kapelaon, die op zuuk waar naor herderkes. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

pelrbter

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: pilaarbijter: iemand die tijdens de kerkdienst altijd tegen een pilaar achter in de kerk leunt; hypocriet, onechte heilige

WNT PILAARBIJTER - iemand die zich aan overdrijving in zijne godsvereering schuldig maakt

 

plgrim

zelfstandig naamwoord

pelgrimage, bedevaart

Interview Jolen - 1978 - Bnde gij katteliek?Hdde wlles ene plgrim gemkt nr St. Job? Jaojaojaoplgrim.jao, ik bn dikkels genoeg nr Sint Job gewist!. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

peliesie

zelfstandig naamwoord
politie
Cees Robben t Is mee de peliesie net as mee den regenboog.. Die komt aaltij as de bui over is... (19810206)

pliesie

 

plle

Werkwoord, zwak

WBD een ei van de schaal ontdoen

plle - plde - gepld

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PELLEN - van de pel ontdoen. Gruun hout pelt gemakkelijk.

 

plleriene

zelfstandig naamwoord

schoudermantel die door pelgrimerende vrouwen gedragen werd; uit het Franse pellerinage; algemener: korte schoudermantel.

De uitspraak van het in het citaat hieronder gebruike woord is niet eenduidig.

- Vur mutsen en pelerienen en ook vur zijje petjes en toekielen kun-de in de buurt van Diessen en vural verderop, de vremde laanden van de Aacht Zaoligheden in nog haost overal terecht. En rooi zakdoeken en kazienees verkoopen zin de Heuvelstraot nog wel. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Pellerine, tekening uit 1911. (Wikipedia)

 

penduul (dus niet: pnduul)

zelfstandig naamwoord

klok op de schoorsteenmantel

WBD III.2.1:117 'pendule'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pəndl, zelfstandig naamwoord m. - pendule

 

pnneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

pannetje

-- verkleinwoord  van 'pan', met umlaut

Zt d pnneke mar op den aonrcht

Pierre van Beek Van de andere kant echter is het waar, dat er "geen penneke zo scheef is of er paast 'n dekseltje op!" Dat betekent, dat iedere jongen of meisje de zij of de hij wel te vinden weet om een paar te vormen. Men zegt het speciaal als men een ietwat "raar stel" ontmoet, waarvan ieder zich met verbazing afvraagt hoe ze elkaar hebben weten te vinden. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

De Wijs -- (Na bijgelegde ruzie) t is wir penneke tot aon t stiltje toe (23-10-1963)

Pierre van Beek: Ge moet et pnneke bij et stiltje haawe, zi wfke Eras ( = zuinig zijn) (Tilburgse Taalplastiek 145)

Ik denk desse dieje worst nie zelf opaten, die gaven ze weg aon meense, die daor elke dag weer aon de poort stonden meej un penneke. D waren schooiers, meense die zelf gin eten kosse kope, die nonnen kokte volgens mn aaltij meer dan ze zelf opaten, aanders kwamen die schooiers nie elke dag terug meej der penneke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Dialectenqute 1879: putjes en pennekes - potjes en pannetjes

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et is pnneke tt nt stiltje toe ('65) - de vriendschap is groot

- uitdrukking: t Is wir penneke tot aon t stiltje toe... (19631122) [Alles is weer goed, bijgelegd tussen echtelieden]
Cees Robben En t is wir penneke tot stiltje toe... (19710813)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: hurt es w et pnneke schruwt (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - hoor eens hoe het pannetje huilt (de saus bij de aardappels is verdacht dun: 'lawaaisaus')

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANNEKEN, in de Kempen: pnneke(n), penneke(n).

 

pnning zistien, van - zn
uitdrukking
gierig zijn, woekerrente berekenen
Cees Robben Ik heb nog nt unne interessaantere meens gezien as die daor lpt... Gierig.. vuil.. van den haauwvaast.. eene van penning zistien... (19840127)
Ewoud Sanders / Meertens Instituut - Hij is een gierigaard, een woekeraar. Het gaat om iemand die geld leent tegen een hoge rente, namelijk n penning op iedere 16, dat is 6,25 procent.
 

pns

zelfstandig naamwoord

WBD buik van een paard, ook 'bk' genoemd

Frans Verbunt: beeter nen dikke pns vant zpen as nen bult vant wrke

WBD III.1.1:121 'pens' = buik; 122 idem (spotnaam)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PENS zelfstandig naamwoord v. - buik, Fr. panse, ventre; ook bloedworst. Bij veeartsen: eerste maag; bij herkauwende dieren

 

pnt

zelfstandig naamwoord

pijn; moeite

-- 'kost nie haawe van de pnt

-- Meej veul pnt hlden ie et

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'de oorzaok van de pent'; 'de pent die kwaam weerom'

Cees Robben: ge zult er gin maogpnt van krge; pnt;

...onze Paa heej pnt in zenne rug... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir td vur den hf)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: die gloorie heej, moet pnt lije (JM'50) - wie mooi wil zijn,moet pijn lijden

Henk van Rijen: pnt in menen baast - pijn in mijn lijf

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.1.4:246 'pijn' = verdriet = Fr. 'peine' met paragogische t

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PENT v - pijn: de jeu:k is rger s de pent, gezegd v.e. weduwe die graag naar mannen kijkt.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'pijnt' - pijn

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pnt - pijn

Frans Verbunt: pit in een aardappel

 

pnwrk

zelfstandig naamwoord

WBD gepind werk: schoenwerk dat met houten pennen vervaardigd is (II:797)

 

pepier, pepierke

zelfstandig naamwoord

papier (stofnaam)

-- korte ie in verkleinwoord , in grondwoord lange ie

-- ook soortnaam: een papier, een papiertje

Dialectenqute 1879: boeken en pepiere

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'die plaot van pepier', 'die plaot deh is 'n pepieren'

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'pampier'

Van Delft - "As g'oew haande mr van 't pepier hauwt, doen z'oe niks" zegt de man uit het volk om uit te drukken, dat men nimmer een handteekening onder eenigerlei officieel stuk moet plaatsen, teneinde niet wettelijk aansprakelijk gesteld te kunnen worden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Die plaot d-d-is 'n pepiere

mee allemaol gtjes erdeur,

dan waait er 'nen zucht deur die kiere

en die kiere die geeve geheur. (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Dn rgel, 1938)

De seldaote wieren vol pepiersnippers en slierten pepier gegooid. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Hij scharrelde overal in, mistal waar d ouw pepier. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
 

Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938.

 

ppke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  van 'pp', met vocaalkrimping

pijpje

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'mar goed deh 'k nog m'n pepke rok'

Cees Robben Driekus smakte aon zn pepke (19590627)

Audioregistratie 1978 -- meej de hand was d die spoele dr die, dr die ppkes inzitte, die krege ze dan meej, die ppkes meej gaore derop, dan wier derin gezt n moesie nr geen toe, nr diejen bak (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- Hij mee un ppke in zunne mond Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

Henk van Rijen: n zen ppke lrke - zijn pijpje roken

WBD III.2.3:287 'pijpje' = sigarenpijpje

 

perbeere

werkwoord, zwak

proberen

perbeere - perbeerde - geperbeerd

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): perbeere; prebeere (passim)

Infinitief

- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden: Perbeeren is et nste (proberen ligt het meest voor de hand).

- Witte naa wir nie, wtt ies? Wel dan legde op nen steen 'n paor centen en die staon obberus of mis (d ies zo veul as kruis of munt) en die moette dan perberen om te mikke. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

- Cees Robben [Vader van drie kinderen spreekt:] Praot me nie van perbeere, Filippus.. Van perbeere hekker drie overgehaauwe... (19720107)

- As ik naa laoter toch nog van d gelof af z willen, zgenaomd afvallige z willen worre, dan kosse de peetouders perbere, mn daarvan af te brengen, van d afvallige willen worre. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Grot Diktee-07 ge zogget nie hbbe moete perbeere...

- gewon es tperbeere... (Henritte Vunderink; Et naojmesjien; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- Ik dcht bij men ege: d gaok perbeere. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- Stadsnieuws: D kunde naa wl perbeere, mar d lukt oe tch nie. (111109)

- as et nie goed is, dan moette zllef mar es perbeere (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Wrrom zok et nie es perbeere?  (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

Vervoegingen

- Cees Robben Perbeert is unnen haon... (19670922)- In et zwembad perbeerden wij gewoon wie er et langste kos drve. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Wij fietsten aaltij over de stoep, dus hoe et vuulde om over hobbelkaaie te rijen, daor wiese wij toen nog niks van en d perbeerde we ok mar nie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Ik hb et naa zon veefentwinteg keere geperbeerd. (Henritte Vunderink; Deezmber 2006 Den Heuvel; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- n as mene vriend d wir perbeerde,/ zgt dan: "Haawt oew haande ts". (Henritte Vunderink; Mene listen biecht; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Elders

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr. 'perberen' - proberen

C.J. Verhoeven, Haorese woorde (2007): PREBEERE - proberen

 

perbleem

zelfstandig naamwoord

probleem

Daor begienet al, perbleem nummer en. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

prd

prd

Luister naar het lied over Boer van Riel, met prdemrt en prsstront

 

prdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

paardje

Dialectenqute 1879: perdje

Pierre van Beek: Op zen prdje zitte - boos zijn (Tilburgse Taalplastiek 740125)

Wim van Boxtel:

De Kermis


Gif mn mar de kermis,
vol leut en plezier.
Ik beet al te hostig,
in 'n schuimend glas bier.


(...)


Gif mn mar de kermis,
'n kiendje d kraait.
D opt houten prdje,
nor z'n moederke zwaait.


Uit: Brabants Bont; 1979

WBD kln prdje, veuletje - vleinaam van het veulen

WBD prdje, veule, hanske, (Hasselt) plleke - lok-/roepnaam van het veulen

WBD prdje, h jonge - vleinamen v.h. paard

WBD prdje (II:970) - paardje, wip: onderdeel v.e. getouw

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prdstront

zelfstandig naamwoord

paardenstront

► prsstront

 

perdukt

zelfstandig naamwoord

product

D zon perdukt verkocht mocht en nog verkocht maag worre. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

perfiesieat

bijwoord

proficiat

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'purfisijat'

 

prgestiekes

zelfstandig naamwoord, plur.

gebaren

Van Delft - - Hij die voorzichtig speelt "zit te huipen" en iemand, die stilletjes een teeken geeft, terwijl de ander het ziet, krijgt de aanmaning: "Maok nou gin pergestikus" (gestes). (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Stadsnieuws: ds vals spul, gij mkt prgestiekes n oewe maot - dat is vals spel, jij geeft tekens aan je maat (180209) - Uit Frans 'gesticuler' - tekens geven, gebaren maken.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: mkt gin per gstikes (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - maak geen gebaren (kaartterm, gezegd als iemand bij het kaarten een medespeler stiekem een teken geeft.) Fr. gesticuler - gebaren maken

 

prkel, prkel

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: dwarsbalk om een poort te sluiten

 

perlt

zelfstandig naamwoord

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: zen perlt hbbe (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - zijn aandeel hebben (wsch. van Fr. parlote = debatingclub, advocatenkamer)

WNT PARLOT, perlot - 2) het iemand toekomende deel, dat waarop men aanspraak kan maken, part, portie

 

prmetaosie

zelfstandig naamwoord

kring, familie, gelederen

Frans: parentage

In het Tilburgs ook 'nepotisme'.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "permetoassie - 't is nog iet of w, in de permetaassie (familie)"

- Wanneer ge eige" [bent] of tot de permitaotie behoort, zijt ge lid van de familie. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

Anoniem 1959
Nillus kon gin paf mir zegge,
d'r hielp niks gin permetaosie,
Op staonde voet krig ie gedaon,
en 't errigste: 'n kaoi rikkemedaosie.
(...)

[Hij] Zucht nog dikkels w was d vruger 'n permetaosie,
En dan d geval van die kaoi rikkemedaosie,
W zn de tije in de vftig jaore toch gekeerd,
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)

► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm ► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

 

WBD III.2.2:58 'in de parmetasie (zijn)' = verwant

C.J. verhoeven, Haorese woorde (2007): prmentasie - verwantschap - Verbastering van fr. 'parentage'

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PARMENTATIE (prmetatie) v - verwantschap, familie; verbastering v.h. chique woord 'parentage': d zit nog 'n bietje in de prmetatie.

Weijnen, Etymol. Dialectwdb. (1995 & 2003): permetatie, palmetaosie, pollemetaosie - alle verwanten

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): permetaosie - familie (Fr. parentage)

WNT PARENTAGE, in de volkstaal verbasterd tot PARMENTASIE - bloedverwantschap


 

prmeteere

Werkwoord, zwak

Informant: Piet Mutsaerts: smeken

bidden n prmeteere

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "ik heb er om motten bidden en permeteeren om het te kraigen"

Informant Th. Witters:  "hij laag me tch te permietren' (te smeken)

Frans Verbunt: zenge prmeteere - zich veroorloven

WBD III.3.1:263 'permitteren' = smeken 275 'permitteren' = klagen

prmeteere - prmeteerde - geprmeteerd

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): permetere - smeken: Hij bleef bidde en permetere.

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PERMITTEREN (prmetere) onov.ww - smeken, jammerklachten uiten, dikwijls in combinatie met 'bidden'.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): intr.permitteren 1) dringend bidden, smeken; verbinding 'bidden en parmetere'; 2) aangaan, jammeren, klagen. Z.a.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PERMETEEREN - misbaar maken, klagen

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): prmeteere ww - veroorloven, jammeren

WNT PERMITTEEREN - toelaten; verlof geven

 

peronkrtje

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

perronkaartje

De Wijs -- Den dieje zde de sleutel van oew braandkaast geve, mar zn bruur is nog nie goed vr n perronkaortje. (17-10-1966)

 

prreg

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.4.1:44 'perrig' - tochtig van vogels

 

prrepluu, prepluu

zelfstandig naamwoord

1. paraplu

Puk en Muk

...mee zoo'n lange haoren en zoo'n flabberboks om z'n beene en zoo'n pereplu van 'nen hoed op z'nen raogersbol!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Hij ha natuurlijk z'n tasch en z'n perreplu in de bus laote ligge en de chauffeur moes 'm naoroepen: "Tasch en paraplu van u, mijnheer?" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Hij liep aaltij netjes mee in perrepluu of mee in deftige rotting in zn haand... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

We han thuis nog een hl stelletje aaw perreplus staon mee kepotte blne. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

Piet van Beers As ge me zuukt: ...Elken dag opnuu wir rgen./ Elken dag de prrepluu. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers As ge me zuukt:  ...lken dag opnuu wir rgen./ lken dag de prrepluu. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PERREPLU zelfstandig naamwoord m. regenscherm

2. bijnaam, de gevangenis in Breda

Dieje deftige meneer meej zen sigarewinkeltje zaat naa in Berdao, in de preplu. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

Ill.: Thom - pisbloem - prsblom, paardebloem - mlslaoj - taraxacum officinale

prsblom

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:285 prsblom - paardebloem (Taraxacum officinale) ook 'pisblom' genoemd of kankerblom

WBD III.4.3:394 prsblom (gele ganzebloem - Chrysanthemum segetum) ook genoemd: gaanzeblom

 

prseg

bijvoeglijk naamwoord

paarsig, paarsachtig

 

prsekuusie

zelfstandig naamwoord

rompslomp, omslachtigheid

uit 'Persecutie'

Van Delft - "Wat is me dat een persekussie!" Dit is: Wat is dat vervelend, een naar geval, dat hindert. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Van Delft - Een "persekuusie" is narigheid. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Toen was et gin prsiekuusie/ om en goei moeder te zn/ dag en naacht gestaojig beezeg/ meej de zrg vur grot n kln. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

Henk van Rijen (1998): bezoeking, kruis, kwelling

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): prsecusie, v. rompslomp: 'n hil prsecusie - een ingewikkelde zaak; het woord werd oudtijds gebruikt als juridische term voor 'vervolging'.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'persecutie' - kwelling, marteling

WNT PERSECUTIE - vervolging, kwelling

 

prsenel

zelfstandig naamwoord

personeel

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): perseneel (passim)

 

perss

zelfstandig naamwoord

proces, proces-verbaal

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): perces, percessen

En hij naam z'n buukske en gaaf ze alle drie 'n perces weges befietse van innen verbooje weg! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

Cees Robben t Leej nog in perses [het is nog volkomen onduidelijk] (19780902)

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) preces van balen...

WBD III.3.1:351 'proces' = proces-verbaal ook genoemd 'verbaal'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. 'perces' - proces

 

persssie

zelfstandig naamwoord

processie

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): de kster ljt vur de precssie

Frans Verbunt: ge kunt nie de klk luije n ok ng in de percssie meelope

Dirk Boutkan: (blz.99) kster ljt fur de pressie

In de twidde [klas van de lagereschool] zochten ze k jungskes t, die in un percessie meej zouen willen lope. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Toen liepeme ng meej in de persssie n wier et rozenhuudje ng gebeeje. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr.'percessie' - processie

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): persssie zn - processie

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): precessie - processie, optocht

 

prshaor

zelfstandig naamwoord

paardenhaar

Van Beek - Als vroeger de jeugd een boer zag, die zijn "erdkaar" bespannen had met een os of een koe, kreeg hij spoedig de sarcastische vraag te horen: "Boer, mag ik w prshaor plukken". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

persies, persiesekes

bijwoord

zojuist, daarnet

Ik zaag em persies wglope

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): percies = juist; 'persies'

 ...die kossen alles persiesekes afgluren... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Ik heb persiesekes 't slotkoor van m'n oratorium afgecomponeerd... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)

Den rgel die rijdt deur de straote,

de kerel die draait er z'n wiel,

hij draait er persies op de maot en

hij draait er mee heel z'n ziel. (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Dn rgel, 1938)

Zeg, witte d nog van Jan Viool:

z'ne kokkerd, - rond en rood

toe pimpelpeers van rooje kool, -

hong nie persies in 't lood. (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Jan Viool, 1938)

SJAREL. 'k Zawis percies uitlegge wek bedoel. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

Cees Robben Nie z-mar op t hellig g.. t moet persies op maot zn... (19800328)

Henk van Rijen: persies gepaase - juist gepast (bij betaling)

Henk van Rijen (1998): toen persies - daarnet, zojuist

Cees Robben: "t lkend precies op 'n pke'

Et waar un straot van percies enne kilometer lang. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Grot Diktee-05 persies doen w hij verrdeneert

WBD III.1.4:136 'precies' = voorzichtig; 144 'precies' = nauwgezet

WBD III.1.4:303 'precies' = streng

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): persies - precies, juist; zojuist

Goemans, Leuvens taaleigen (1936):PRECIES - bn/bw - nauwlettend (pointilleux);

Hoeufft, Proeve van Breda's Taaleigen (1836): PRECIES in sommige spreekwijzen = juist. Z.a.

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PRECIES als bn: nauwkeurig, secuur; als bw. een minder plat klinkend woord voor krk. Wsch. is door deze keuze de bet. uitgebreid tot die van krk en 'net': hij is precies gekomen - hij is zojuist gearriveerd.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pərsis, bnw.+ bijw., 'percies' - precies.

 

prsmis

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) paardenmest

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): prsms, zelfstandig naamwoord o. ' perdsmes' - paardemest

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PRDSMES zelfstandig naamwoord o. - paardenmest

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

Cees Robben - Prent van de week 26 januari 1971 (detail)

prsmp

zelfstandig naamwoord

paardevijg

WBD vermeldt het niet.

Pierre van Beek -- "Daor 't rkt (rookt) is 't wrm, zeej Uylenspiegel en ie wrmde z'n eigen aon 'n persm..!" (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg) - Kosset den brne
eigeluk wel trekken?, 2006 - Et waar k al bekaant donker en haost ths, toen ze [ons moeder] ineens zeej: Raopte gij die aaierkolen ens op, z mar in et algemeen. Ons Jaoneke schiet de weg op, pakt die dingen van de grond en zegt: Ze zn nog wrm. En of aander prd ha die moppen laote vallen. Wij han plezier, d snapte en ons Jaoneke heej tot hs toe gekweke. 

Henk van Rijen (1998): paardevijg, smalende betiteling voor een medaille

Cees Robben Den persmop was begrd [door de mussen] (19701016)
Cees Robben [vogels spreken:] Mar pers-moppe homar... (19610324)
Cees Robben Ik heb giestere nog n spraai persmoppe en n klocht mussen gezien.. (19790126)

Stadsnieuws: Strontpikkerkes zitte gre op vrse prsmppe (090907)

 Waor ge trouwes wl op moet ltte bij t nrdik wlleke is detter wl s prsmppe op de wg ligge. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'perdsmop' - paardevijg

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'prdsmop' zn paardevijg

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

personlek, personlek

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen (1998): persoonlek

Dirk Boutkan: persnlek, personlek (blz. 34)

 

prsstront

zelfstandig naamwoord

paardepoep

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'ik wh 't ie meej z'n kont in de prdstront viel' (Uit het volkslied 'Boer van Riel')

Audioregistratie 1978 - die ging prdstront raope, torte raope, zisse ds dan wir Riels, die kwaam van Riel aon! Prdstront raope om dere tn te bemste n ze han dan ok en vreke n en gt! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Luister naar het lied over Boer van Riel op CuBra

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prstaand

zelfstandig naamwoord, plur.

WBD (paardetanden) het blijvende gebit van een paard

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): prstant, zelfstandig naamwoord m. 'perdstand' -paardetand

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PRDSTAND zelfstandig naamwoord m -paardentand

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prstal

zelfstandig naamwoord

WBD paardestal, ook 'prdestal' genoemd

WBD 'prdestal'- paardestal, ook 'prstal' genoemd

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): prstal, zelfstandig naamwoord m. 'perdsstal' - paardestal.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PRDSSTAL (Kemp. pjsstal) zelfstandig naamwoord m. paardenstal

 

prsvles

zelfstandig naamwoord

paardevlees

Cees Robben n Ons persvlees asteblief.. (19720923)

Piet Heerkens: ... en de peerden die onze waogens trekken/ is 't fijnste vleesch veur de lekkerbekke... (Uit: 't Baokelsche boerke bij den paus', in: Vertesselkes, 1941)

WBD III.2.3:54 'paardsvlees' = gerookt vlees ook 'krip'

Naar overzicht lemma's Prd, Prd

 

prsweek

zelfstandig naamwoord

week (meestal de laatste voor de kermis) waarin hard gewerkt moest worden, i.v.m. de komende vrije dagen

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "persweek -(paardenweek) noemen de werklieden een week zonder feestdag er in"

C.J. verhoeven, Haorese woorde (2007): PERSWK - paardenweek, waarin veel werk moet gebeuren

 

pertaol

1. brutaal - bijvoeglijk naamwoord

...mar de spoor zo hietten ie,- die was nog pertaol dr bij, en hij zi: "d kamme niks schillen... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Gemn en pertaol (19590822)

Henk van Rijen (1998): portaal; brutaal

2. portaal - zelfstandig naamwoord

-- in de krvelse krk, daor aachter int pertaol

Voor de volledige tekst van de voordracht 'De heiligen in 't portaal' op CuBra KLIK HIER

3. de zolder van een herenbroek
Cees Robben Dn wend (...) blaost oe pertaol/ zo w uit oew broek (19600325)
 

pertnsie

zelfstandig naamwoord

Van Delft - "Wat heeft die vent een pertentie (verbeelding)." Dit is: Het is een branieschopper. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Pierre van Beek "'ne Vent meej pertentie" is een branieschopper, die zichzelf dus heel wat verbeeldt. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)

Henk van Rijen (1998): pretentie, aanmatiging, veeleisendheid

Henk van Rijen (1998): 'H h te veul pertnsies'

Frans Verbunt: pertnsie hbbe - veeleisend zijn (Fr. prtention - aanspraak)

WNT PRETENTIE - aanspraak, eisch op een eigendom, geld, voorrecht; aanmatiging, eigenwaan, verwaandheid

 

pertij

zelfstandig naamwoord

partij

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'knokpertij'

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'pertij trekken'

De Wijs -- (Gehoord als beoordeling over n jeugdige, vrouwelijke schone) Ze blaost dr partij goed mee, mar ze lopt n bietje taps-toe (13-07-1966)

WBD (III.3.23.21) 'partijtje' of ptje = spelletje

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr.

 

Afb. uit R. Brody-Johansen, Kleding en het AaBe ervan; 1953

pertienes

zelfstandig naamwoord

bottines

"Trien, poetst mn bottines... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

Cees Robben En hij riep dan k meteen.../ t zn inscripsies... pree-histories/ En hij spelde kazjeneej - .../ - zimmezetje -.. de pertienes/ - Staon op t gutje... bij de pleej... (19570119)

Van Beek - "pertines" zijn bottines, hoge schoenen; (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

pertrt, petrt
zelfstandig naamwoord
portret; in overdrachtelijke zin: type, figuur
Cees Robben [Vrouw over man:] De menne (...) des n schn pertret.. (19641023)
 

Schilderij van Giovanna Carzoni (detail) - Stilleven met perziken

przek, przekes

zelfstandig naamwoord

perzik

Frans Verbunt: alles wrt duurder behalve de przekes, want die zn der swnters nie

WBD (III.2.1:463) przekesbom - perzikboom, ook 'perzikenboom'

WBD (III.2.3:171) 'perzik ' idem

Schilderij van Eugenio de Blaas (Oostenrijk)

 

pesiesie

zelfstandig naamwoord

1. positie, verwachting

WBD III.2.2:2 'in positie zijn' = zwanger zijn

Henk van Rijen: ze waar al en tdje in peziesie - in verwachting

2. positie, betrekking

Hij ha in schoon pesiesie, mar gin vrinden... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

pesjoen

zelfstandig naamwoord

pensioen

Grot Diktee-08: meej en kln pesioentje aachter de gerdntjes

 

Tilburgsche Courant 9-8-1891

pesjonkele

Werkwoord, zwak

-- pesjonkele - pesjonkelde - gepesjonkeld

-- Voor herkomst zie: OT 64:73 (Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994) en OT 64:134 (Piron)

- tijdens kerkbezoek de Portiuncula-aflaat verdienen. Uitsluitend in kerken van de franciscanen/capucijnen. In Tilburg in de capucijnenkerk, Korvelseweg. Op 2 augustus. Dit resulteerde meestal in een druk heen-en-weer geloop, omdat aan ieder kerkbezoek met voorgeschreven gebeden de aflaat verbonden was. De gelovige voldeed aan de voorwaarden (zie het Dossier, hieronder), verliet de kerk, en ging weer naar binnen om nogmaals de gebeden te doen en daarmee nogmaals een aflaat te verdienen.

Cees Robben: pesjnkele - caf in, caf uit

Cees Robben: 'ze han saome gepensjonkeld'

Verdiene bij de Capusiene ? J, unne aflaot j, mee pesjonkeIe . . . (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Die Kappesiene, d waar iets hel aparts. In hullie krek koste pesjonkele, n onze paa ging daor biechte, want daor kreede nie zo gaaw et schfke. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pesjunkele - behalen v.e. volle aflaat

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pesjonkele (II:80)

OT jg. 64: blz.73 en 134

Weijnen, Etymol. Dialectwdb. (1995 & 2003): pesjonkele - de Portiuncula-aflaat verdienen

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'besjnkele' - aflaat verdienen

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.intr. 'pesjonkelen - portonculen'

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PORTIONKEL zelfstandig naamwoord m. - de 2e Augustus; spr.w.: portionkel, te acht uren donker - PORTIONKELEN (uitspr. pəsjonkələn)

WTT-Dossier over pesjonkele

 

pstiemist

zelfstandig naamwoord

pessimist

...dien inzender ds innen pestimist. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

pestor, pestorke

zelfstandig naamwoord

pastoor

Frans Verbunt: de pestoor n de kapelaon lopen aachter dezlfde vaon

Cees Robben: pestoor: z spraak is en pestrke; 'ons pestorke was unne goeie'

Pierre van Beek: As de pestoor gao praote, lkt alles t.

Jao, ze han mn tgekoozen omdk goed kos vurdraoge. D waar en van mn hobbies, ik waar ens ene keer in de hd van de pestoor van Scharrebeek gekroopen en meej d optreeje han ze veul moete laage. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) ['De pastoor van scharrebeek' was een populaire voordracht.] Voor een van de oudst bekende teksten -klik hier - CuBra-feestliedjesrubriek

Karel de Beer, Bijnamenboek: Jan pestoor = alg. bijnaam voor pastoors (blz.90)

Karel de Beer, Bijnamenboek: et Scholteriaans pestorke = dominee Lindeboom (blz.32)

Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: De pestoor verdient zen gld vur de irste kffie (Dat zeggen de boeren die menen dat de pastoor na zijn H. Mis gelezen te hebben, er voor die dag mee klaar is, terwijl zijzelf voor de eerste koffiemaaltijd reeds enkele uren gewerkt hebben.)

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Hij doet nt as de pestoor: hij zeegent zengen et irst.

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): de pestoor heej goeje wn

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: 'dk weet, weet ik z goed as de pestoor', zi den boer,'mar nie z veul (D'16) - zeispreuk

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: de pestoor n de kapelon lopen aachter etzlfde vaon (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - die houden er dezelfde principes op na.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: derin tszn as de pestoor in zene kerkboek (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969)

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pestoor - pastoor

 

pestoorsfiets

zelfstandig naamwoord

oudere benaming van wat tegenwoordig de 'omafiets' genoemd wordt

Drrom mocht ze vurrige week al n omaasfiets  tzuuke. Vruuger zin wij pestorsfiets. Mar omdtter tegesworrig bekaant gin pestors mir zn, meude d nie mir zegge. Meej n omaasfiets zde in (Jos Naaijkens; Middelbaoreschoolperiekelej; CuBra, ca 2005)

 

pestoorspraot

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: onzin, zever

Stadsnieuws: n pestoorspraot hmme niks asser opgetreeje moet wrre (030107)

 

De huidige uitvoering van de medaille Pro Ecclesia et Pontifice. Afb.: wikipedia

pestoorsmdekrs

zelfstandig naamwoord

pastoorsmeidenkruis; spotwoord voor een pauselijke onderscheiding

Hij heeter van de paus ng en pestorsmdekrs vur gekreege. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2006)

 

pestorsmd

zelfstandig naamwoord

huishoudster van de pastoor

Grot Diktee-06 hij heej van de paus en pestorsmdekrs gekreege (= pauselijke eremedaille 'Pro Ecclesia et Pontifice')

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: as den bisschp ene priester wijdt, wijdt de duuvel en pestrsmd - zo blijft het evenwicht tussen goed en kwaad.

 

pestoorstuk

zelfstandig naamwoord

pastoorsstuk, een deel van het geslachte varken dat aan de pastoor van de parochie ten goede kwam.

WTT 2012 - Voor Tilburg en Udenhout is met name krp (carbonade) opgetekend als het aandeel van de pastoor. Zie aldaar.

Cor Swanenberg - Dividivi en stamppot, 2005 - In het katholieke zuiden bestond vroeger het gebruik dat het beste van het varken (de karbonade) naar de pastoor gebracht werd. Deed men dit niet dan kon het gebeuren dat de parochieherder kwam vragen of de varkens niet meer katholiek waren.

Cees Robben - Prent van de week 26 januari 1962 - met hieronder enige regels uit het lange gedicht

-- Detail uit een voordracht onder de titel 'Opstel van het varken'; datum onbekend . Ingezonden door Ton van den Hout.

- Informant Harrie de Rooij -- Hoewel mijn ouders streng katholiek waren, zoals bijna iedereen in die tijd, waren ze toch wel zo verstandig om aan het begrip pastoorsstuk geen inhoud te geven; er waren meer dan genoeg eigen monden die gevuld moesten worden. (e-mail 2013)

► Zie vrekeskp

► Zie Dossier Pastoorsstuk

 

petaole, betaole

Werkwoord, zwak

Henk van Rijen (1998): betalen

 

petat frut, petatte frut

zelfstandig naamwoord

patatfriet

Blomkole meej petatte frut... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Smaokeluk)

 

petnt

zelfstandig naamwoord

patent; in verbindingen datgene waarop patent genomen is

...ons meenschen zn z bedaord en kalm as 'n petentollie-lichtje vur 't Heilig Hartbild op 't hoekbenkske. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

WBD meel voor het bereiden van beschuitdeeg, ook 'beschtenblm' genoemd

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord  patent (in de zin 'Hij hee petant' [van liegen nl.])

 

petoffel

zelfstandig naamwoord

pantoffel

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): petoffels

Piet van Beers -

Wffer kedooke???
W zak onze vadder dees jaor geeve
Assie zis n taageteg word?
Van 'ze Fraans krgt ie petoffels.
Hij komt gelek niks te kort. (CuBra)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m.- pantoffel

► kemelhaor

 

petzzie

zelfstandig naamwoord

-- van fr. 'potage' (vlees en groenten; soep)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): 'potaazie' - gestoofd middageten

Van Delft - Wanneer iemand een weduwe met veel kinderen trouwt, klinkt het: "Hij durft nogal wat aan. Weet ge hoeveel lappen er op staan?" Als dan de ander het aantal kinderen niet alln 'n bezwaar vindt, verduidelijkt hij zijn meening nog door er aan toe te voegen: "Ja, en 't is toch altijd nog maar opgewarmde potage." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Pierre van Beek Van iemand, die een weduwe met een aantal kinderen trouwt, zegt men, dat hij nogal "w aon durreft omd-t-er zoveul lappen op staon". Met die "lappen" zijn dan de kinderen bedoeld. En als men dit toch eigenlijk geen bezwaar vindt, loopt men nog wel eens kans als versterkend argument te horen te krijgen: "En 't is toch aaltij nog mar opgewermde potaosie (potage - soep)." (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

Pierre van Beek Men zal zich herinneren, dat wij in ons vorige artikel over "opgewermde potaosie" spraken. Daartoe verleid door het Franse woord "potage" vertaalden wij dit door "soep". Een tweetal lezers komt ons thans vertellen, dat wanneer men in Tilburg over "potaosie" praat, men hiermede echter "stamp" bedoelt. We hebben hierover hier en daar eens ons licht opgestoken. Daarbij leerden we, dat de tegenwoordige jeugd het woord als zodanig niet meer kent, maar dat de oudere generatie er inderdaad "stamppot" mee aanduidt. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 25 april 1950)
Henk van Rijen (1998): soep, natte stamppot

n d petzzie stamppt is/ van spk n van sevoje? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Stadsnieuws: We aate petzzie van sevojkes meej tgebakke spk (051207)

Ed Schilders - In: Slaoj meej aaj mee jn meej repel - Aan tafel met Cees Robben (2008):

Prent van de week van 15 november 1963

Vader heeft vandaag petzzie gekregen, en zijn echtgenote is daar maar wat trots op. Petzzie is een dialectische verbastering van het Franse potage, dat tegenwoordig als hoofdbetekenis soep heeft. Maar met soep heeft het Tilburgse petzzie niets te maken. Het wordt in het Tilburgs uitsluitend gebruikt om stamppotten aan te duiden. Dat komt doordat de afleiding al bestond voordat het Franse woord potage de betekenis soep kreeg. Van oorsprong (13de eeuw) is het een aanduiding voor alles wat in een pot bereid wordt, met name ook groenten. Het grondwoord is dus het Franse pot (spreek uit als
po). De verbastering komt veel voor in de Meijerij, de Kempen, en het Antwerps, en wel in de meest uiteenlopende vormen: betassie, petosie, petazzie, peteus, betazzie, petos, petuis. Behalve stamppot kan het ook aardappelpuree betekenen, maar niet in Tilburg.

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr.'petazie' (fijngemaakte aardappels met groente (voornamelijk kool) door elkaar gemengd.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): POTAGE - Groenten; ook in de uitdr: t is maar potagie (slecht volk)

WNT POTAGE - veel betekenissen: zie aldaar

 

petrne

zelfstandig naamwoord

verdrukking

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "petraine" 'en zoo zai 'k in de petraine gekomen' - in de verdrukking

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: in de petrne koome (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - in de verdrukking komen (Fr. tre dans le ptrin - in de knoei zitten)

 

petrs

patrijs (Perdix perdix)

Verkleinwoord: petrske

Perdix perdix

Dialectenqute 1879: petrze - patrijzen (voor vgl. 'gte' - geiten)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. - patrijs; mv. 'patrees'

 

petrt, pertrt

portret; met een bijvoeglijk naamwoord gebruikt om iemands karakter aan te duiden

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): petrt

De Wijs -- tis n schn portret (17-08-1964)

Ik hb et naa d laastig petrt/ vandaog es goed gezeej. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wn lf haj)

Opt list vond ik ng en petrt/ van ons (toen we ng vreeje)/ W waare we tch en stuup paor.../ Mar... ds vort lang geleeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wtter was)

n dan ons mdjes, petrtjes, blozend n gezond/ Lkker mollig, aaltij lollig, zo ge ze nrgens nie vond. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg op zn bst)

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): ''n middeljon meej men petret'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): petrt, zelfstandig naamwoord o petret - portret

 

petrollie

zelfstandig naamwoord

petroleum

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - was er zonne man, zon man van et gaslicht ngestld meej zonne lange stk meej zon lmpke veur derin, petrollie, h, en knoetje in meej bronnollie n dan gingie saoves dieje lantre veur in d gtje steeke, de lantren nmaoke. Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

petron

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord: petrontje

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'gewren en petronen'

werkgever

Interview Hermans - 1978 - St. Lambertus jao, n de was Unitas ok [de vakbonden] mar die kos ok niks klrmaoke de petron, d waar eigelek de manne! (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

WBD petrntje (II:916) - patroontje (dessin)

WBD 'ptrn' (II:1386) - patroon, knippatroon

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pətr.n, zelfstandig naamwoord m. - patroon: 2) schietpatroon

 

petronhllege

zelfstandig naamwoord

patroonheilige, schutspatroon

Die jeugdvereniginge han amml ene petronheilige zas: Sint Paulus, van de verkennerij. Sint Francicus waar van de welpen, Sint Joseph de petron van et Jongensgilde en Sint Oda van de gidsen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD (III.3.3:217) 'patroonheilige', 'naampatroon'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pətr.n, zelfstandig naamwoord m. - patroon: 1) beschermheilige

 

pl

zelfstandig naamwoord

peul

Dirk Boutkan: plur.: peule, sing.: pl (36)

 

ple, poole

Werkwoord, zwak

Goedgetld - peule, poole = erwten of bonen van de dop ontdoen, afhalen

 

pme

Werkwoord, zwak

-- pme - pmde - gepmd

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij pmt

met puimsteen een oppervlak gladschuren

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'enen motlap die moete puimen'

WNT PUIMEN - zw.ww., - met puimsteen een oppervlak schuren

 

pr - peur

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): angst, vrees (Fr. peur)

Stadsnieuws: Hij heej veul pr vur de tandarts; d spaort em snte, mar d kost em wel zen taande - - Hij is erg bang voor de tandarts, dat spaart hem geld maar kost hem wel zijn gebit. (260510)

 

peut

zelfstandig naamwoord

slaag, klap

Wilde peut beure? - Moet je een pak slaag?

Van den dichtst bijzittende kreeg ie in peut tege zn kaoke... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WNT PEUT (I) zelfstandig naamwoord m., mv. en. In de volkstaal: slag, klap, oorveeg. Bijvorm van 'peuter' en misschien een verkorting daarvan, in het enkelv. ook als collectief voor: klappen, slaag.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEUT bw - Peut hou(d)en - term in het marbelspel. Zijne hand op de meet houden, wanneer men schiet, niet pooteren.

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): peut - stomp

 

ptor

zelfstandig naamwoord

zeer vervelend persoon

Cees Robben puitor... [man wordt berispt door echtgenote] (19600311)
Cees Robben puitr [moeder tegen kind] (19680830)

Ik mot ze nie ! t'Is unne puitoor en des nog we aanders as unne druiloor boske! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Sjizzus, wenne puitoor! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Frans Verbunt: peutoor: vervelende vent

Cees Robben: 'Na witte waor 't blft, puitor' [11 maart 1960]

 

peuzel

zelfstandig naamwoord

Van Dale: peuzel 3) vrouwspersoon

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "'t is 'n peuzel (ongemakkelijk lastig waif)"

WNT PEUZEL - 3) als minachtende benaming voor een vrouwspersoon, inzonderheid een van slechte zeden

 

piedelaast

zelfstandig naamwoord, stofnaam

de betekenis is niet bekend.

Ammejak, ptaasene n smoutollie! Mar in smoutollie daor zit piedelaast in. Piedelaast! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Het betreft blijkbaar ingredinten die gebruikt werden bij het behandelen van ruwe wol. 'Ammejak' = ammoniak; 'smoutollie' = smoutolie; 'ptaasene' = potassium.

 

piejaama

zelfstandig naamwoord

pyama

De Wijs -- (gehoord om t laatste circus) ze hadden t gelk, kln tger-leeuwkes en pyama-prdjes, en k hil klne pony perdjes (1965)

 

piejankoow

zelfstandig naamwoord

overdreven netjes gekleed

Pierre van Beek: in de piejankoow zn - kon een vrouw zeggen die er buitengewoon netjes uitzag (Tilburgse Taalplastiek 181, zonder uitleg)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: in de piejanko zn - in de puntjes zijn, er buitengewoon netjes uitzien

Mogelijk naar het Italiaans 'bianco', dus 'in het wit' ?

 

piek

zelfstandig naamwoord

Informant: Piet Mutsaerts: -- 'van de luie piek', schertsend gebruikt m.b.t. iemand die ziek was, om de twijfel eraan uit te drukken

WBD (III.3.2:78) piek = harde puntslag v.e. priktol

WBD (III.4.4:143) 'piek' = top

WBD (III.3.1:148) 'piek' = gulden

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIEK: van de luie piek. Blz.85: De uitdr. kwam op een duistere wijze voort uit een diepgeworteld ongeloof in het bestaan van echte en toch niet dodelijke ziekten. ... Gezien het feit dat ze in ABN, dus als een citaat, te berde gebracht werd, leid ik af dat ze van buiten kwam.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. - piek; zegsw. 'er de piek be neersteke' - met iets ophouden, een werk neerleggen (vooral in toorn).

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIEK bw - piek zijn - dood zijn. Ik schoot, en den haas was piek.

 

pieke

Werkwoord, zwak

Frans Verbunt: pieken, bij het [kaartspel] rikken n slag halen

WTT 2011 - meestal uitgesproken als een bod: 'piek!' of 'ik piek'; als bod ook in de oorspronkelijke vorm: 'pico!'

 

Pielaatus

eigennaam

(de bijbelfiguur) Pontius Pilatus

De Wijs -- (Gehoord bij n straatruzie:) Gij, ge zt ene Pilaatus, ge mot oe ge unne broek van Salomon aon laote meete. (15-06-1963)

 

pielr

zelfstandig naamwoord

pilaar

Stadsnieuws: 'pelrbter' = iemand die tijdens de kerkdienst altijd tegen een pilaar achter in de kerk leunt; hypocriet, onechte heilige (220206)

Sint Andreas al bij de pielr (uit de volksvoordracht 'De heiligen in 't portaal' )

Voor de volledige tekst van de voordracht 'De heiligen in 't portaal' op CuBra KLIK HIER

 

pieleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

WBD vleinaam voor het kuiken

WNT PIEL (II) benaming voor jonge eenden

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: nr de pielekes zn (Daamen, Handschrift Tilburgs) (1916): - dood zijn, naar de drommel zijn

WNT zegsw. voor de pielekens zijn, naar de pieltjes zijn - verloren zijn, er bij zijn; eigenlijk: ten prooi van de eendjes zijn.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pil, zelfstandig naamwoord  - piel, roepnaam voor de eend en voor kuikens: piel(e), piel(e), piel(e)! Het verkleinwoord  pieleke(n) betekent behalve roepnaam voor kuiken ook: kuiken.

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pielekes zn - jonge eendjes

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pieleke (VII:65)

 

pielepaose

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: sint-juttemis

Stadsnieuws: D zumme meej pielepaose wl es zien = Nou, vergeet het maar (230308)

 

pieliechteg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

kleinzielig, besluiteloos

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): 'pielie aichtig heet iemand die kleinzielig, peuterig, besluiteloos is'

 

pielieje

Werkwoord, zwak

kieskeurig eten

pielieje- pieliede - gepielied

W zitte tch wir te pielieje.- Wat zit je toch weer kieskeurig te eten

WBD III.2.3:15 'pielin' = pitsen

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIELIN onov.ww - kieskeurig eten = pitsen.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww. intr. 'pielin' - zich inspannen, zich moeite geven voor iets, ijverig bezig zijn.

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): 'pieleje' - pitsen bij het eten

 

pielieklot

zelfstandig naamwoord

kieskeurige eter

Henk van Rijen (1998): knoeier

Cees Robben Zit nie z te pitse.. pie-lie-klt.. (19800718)

 

pieliekont

Frans Verbunt: 'pieliekont'

WBD III.2.3:19 'pieliekont' = pitser

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIELIEKONT - iemand die kieskeurig eet.

 

pieliekonterij

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:198 'pieliekonterij' = ingebeelde ziekte

 

pieliewrk

zelfstandig naamwoord

prutswerk, zorgvuldig werk

De kraant spelde ie letter vur letter. Echt pieliewrk. Hij wies percies hoeveul dooje dr in stonde en offie dr zelf nie bijstond (Jos Naaijkens; Krsemis meej zonder dn ammarillus;  CuBra, ca 2005)

WBD III.1.4:405 'pieliewerk' = vervelend werk

 

piemele

Werkwoord, zwak

Henk van Rijen (1998): klungelen

WBD III.1.1. lemma urineren  - Tilburg

WBD III.4.4:224 ' piemel' = iets kleins in zijn soort, ook 'opneukerke'

 

pienantie

zelfstandig naamwoord

Informant Ad Vinken: strafschop, penalty

Verbasterde uitspraak v.h. Engelse woord 'penalty'

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pienantie zn - strafschop

- Michiel de Vaan: Pinantie, voor het eerst in 1913 in het Rotterdamsch Nieuwsblad (26 april), in een alinea die ook het leenwoord refrie scheidsrechter bevat. Vanaf 1915 ook in de spelling pienantie. De vormen pinantie en pienantie blijven de hele eeuw frequent. De variant pinanty komt een paar keer voor in Brabant in de jaren 1930. (Etymologie: penantie, website Neerlandistiek, 12 oktober 2017; gebaseerd op krantencorpus van Delpher.)

 

piepe

Werkwoord, zwak

piepen, tevoorschijn komen

'n Uurke geleje h'k de zon nog evetjes dur 'n holleke zien piepen mar naa zaat ze al lang te vruten om er opnuuw dur te komen, zonder d ze't winnen kos. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

piepelenbrg

► piepeltje

I zelfstandig naamwoord.

verstoppertje

Griet Coup: 'Voor het spel verstoppertje bijvoorbeeld, werden in het hele Brabantse gebied maar liefst 187 verschillende dialectbenamingen opgetekend.' (in: Dialect in het spel; red. Veronique De Tier, Ronny Keulen, Jos Swanenberg; 2007)

Etymologie - uit: 'Het Limburgsch dialect', A.M. Meeten; in: Onze volkstaal II.4, p. 239 (1885): Piepke verberge(n), een kinderspel, waarbij eenigen zich verstoppen, terwijl n moet trachten hen te vinden, in welk geval deze roept "piep!"

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): piepelenberg - kinderspel (verstoppertje)

Stadsnieuws: We zon in de buskes piepelenbrg gn speule, mar de mskes won nie meejdoen (040707) Brabantse Spreekwoorden, Mandos: piepelenbrg speule (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916):-zich verbergen, verstoppertje spelen

Hoppenbrouwers (1996): Het werkwoord piejpe duidt op het geluid dat bij dit spel gemaakt wordt, en dat bedoeld is om wiej 'm was bij de
'buut' of honk weg te lokken en te misleiden.

II werkwoord

Pierre van Beek: piepele - verstoppertje spelen

Jan Naaijkens, in Onder ons gezegd (Cor Swanenberg red.) (1996): Piepelebrege w.w. verstoppertje spelen. Als de zoeker iemand vindt roept ie: Piep, ik heb oe!

Henk van Rijen (1998): 'piepenbreg, pieperke'

WBD (III.3.2:46) piepele, piepelenbrge, piepelenbrg = verstoppertje ook: hoorntje of hoorntje doen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): piepeleberge (II:33)

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): piepelebrege ww - verstoppertje spelen

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIEPELTJE BERGEN (brge) onov.ww - verstoppertje spelen, misschien zo genoemd omdat er 'piep' geroepen werd bij het vinden of om zich te verraden.

C.J. Verhoeven, Haorese woorde (2007): pinkelenbirege - verstoppertje spelen

 

piepeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

verstoppertje

zie ook piepelenbrg

Van Delft - Het piepeltje doen (verstoppertje of schuilevinkje). Dit spelletje geschiedde onder vier of acht kameraadjes: jongens en meisjes. Om te beginnen moest elk een stroopijltje trekken. Deze strootjes waren verschillend van lengte en die het kortste trok, was de zoeker. De anderen moesten zich dan verbergen achter boom, schutting, haag of in een schopping of stalletje, als het maar een veilige schuilplaats was. De zoeker moest zlang in een op den grond getrokken cirkel blijven wachten tot de anderen zich verstopt hadden. Was alles verborgen, dan riep men "Kom maar", en de zoeker er op af. Vond hij er een, dan moest hij het nog winnen, want dan liepen beiden om strijd naar den cirkel terug. Wie er 't eerst in was, was de winner. Zoo moest hij vervolgens allen winnen, eer hij van zijn zoekpost verlost was. Liep een ander heimelijk vlugger den cirkel binnen, dan bleef de eerste de gedwongen speurder. Zoo was een soortgelijk spel, dat echter met meerdere kinderen gebeurde, waarbij men "gematen" (maats) had, het horentje. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

Henk van Rijen (1998): 'piepenbreg, pieperke'

 

piepertje

zelfstandig naamwoord, kinderspel

verstoppertje

Audioregistratie 1978 - Mar dan ginge we mist meej vur die griete zo w af te drge! n piepertje doen in de schuur! Piepertje! Piepertje noemde ze d. Dan moeste oewge verbrege n dan, dan probeere meej zon, zon mdje te krpe in, int hoj f zo! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

piepie doen

werkwoord, zwak

plassen; kindertaal

WBD III.1.1. lemma urineren  - ook in Tilburg

Uit Franse 'faire pis pis' (kindertaal)

 

pieplozzie

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: vestzakhorloge

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

pier

zelfstandig naamwoord

glimworm, pierworm

WBD III 4,2:172 lemma Glimworm - De glimworm (Lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm.
glimpworm Middennoordbrabant
lichtworm frequent in Tilburg
dwaallicht Tilburg
pierworm Tilburg
pier Tilburg
 

pierekltje

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

pierenkuiltje

Van Beek - Hij zit in 't pierenkuiltje. - Hij is dood en begraven. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

pierelaand

zelfstandig naamwoord

kerkhof

- Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pierelaand - hij is nor 't pierelaand (dood)"

- WNT PIERENLAND - Als schertsende benaming voor de aarde als begraafplaats der dooden.

 

piereverneuker

zelfstandig naamwoord

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pierenverneuker - glas klare genever 's morgens voor het ontbijt'

WNT PIERENVERLAKKER, minder gewoon voor PIERENVERSCHRIKKER - borrel; eigenlijk: borrel op de nuchtere maag

 

pierewiggele

Werkwoord, zwak

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pierewiggelen - het gaan vangen van pieren"

 

pierke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van pier
piertje, pierwormpje
Cees Robben Wir n pierke... zielig slierke (19601007)
 

pierwrm

zelfstandig naamwoord

pierworm = glimworm

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pierewurm - pier"

Henk van Rijen (1998): 'de pierwrrem zn' - de pineut zijn

WBD III 4,2:172 lemma Glimworm - De glimworm (Lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm.
glimpworm Middennoordbrabant
lichtworm frequent in Tilburg
dwaallicht Tilburg
pierworm Tilburg
pier Tilburg

WBD III.4.2: 'pierworm' - glimworm (Lampyris noctiluca), ook: 'lichtworm' of 'pier 'genoemd, of 'dwaallichtje'

WBD III.4.2:203 'pierenworm', 'pierworm' - regenworm, worm (Lumbricus terrestris)

WNT PIERWORM - Thans nog gewestelijk (b.v. in Vlaanderen) in gebruik, 1) benaming voor verschillende wormen, doch inzonderheid voor den aard of regenworm; 2) benaming voor een mager persoon, kind

 

piese

Werkwoord, zwak

pissen

piese - pieste - gepiest

Ge zult er beeter van piese as van en krsje brod

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Ge mt nie teegen et krkhske piese, want et drgt nie p.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Den knapsten boer piest ng wl es p zen klmpe.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Ze zulle van mn cnte gin kltjes mir in de grnd piese.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Ge zult van mn gld gin kltjes piese.

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'ik hb en vrouw die der bd natpiest'

WBD III.1.1:210 'pissen' = naar de wc moeten

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): piese - urineren

WNT PIESEN, bijvorm van PISSEN - zijn water loozen, wateren

 

piet

zelfstandig naamwoord

I eigennaam

Dirk Boutkan: (blz. 56) we zn bij Piete gewist

II hengst

WBD (Hasselt) slecht gesneden hengst, ook genoemd 'klophengst' of 'klaphingst'

WNT PIET (I) 2) hengst die niet kan telen, niet omdat hij gelubd is, maar uit een natuurlijke oorzaak.

III snot

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIET zelfstandig naamwoord m. - snotneus (in kindertaal); Daar hangt 'ne piet uit uwe'neus

 

pietelr

zelfstandig naamwoord

Etymologie

WTT 2011; ES: in het dialectisch taalgebruik betreft de pietelr -- met veel varianten -- een kledingstuk voor heren dat in de standaardtaal meestal aangeduid wordt met 'rok', of 'frak', d.w.z. een jas die aan de voorkant recht is afgesneden, terwijl de achterzijde bestaat uit twee slippen, ook wel 'zwaluwstaart' genoemd (cf. R. Broby-Johansen, Kleding en het AaBe ervan, Tilburg 1961).

Het Franse moederwoord 'pet-en-l'air' (zie Cornelissen hieronder, en vele andere, vooral Zuidnederlandse dialectwoordenboeken) betekent letterlijk 'scheet-in-de-lucht', namelijk tussen de twee slippen door. Andere namen die dit kledingstuk met het (mannelijk) achterwerk verbinden, zijn 'billentikker' en 'vrijschijtertje', beide hieronder, en een 'koentekletser' in het dialect van Ieper (cf. Staf Verheye, Wuk zegje?, 2008).

In het Frans is 'pet-en-l'air' als kledingstuk voor mannen echter alleen in gebruik geweest voor een korte kamerjas voor heren (cf. Dauzat, Dictionnaire tymologique et historique du franais, 1993) en wel vanaf 1729.

De echte oorsprong van het woord pet-en-l'air dateert uit de tweede helft van de 17e eeuw, en heeft dan betrekking op een kledingstuk voor vrouwen dat een combinatie is van een keurslijf met mouwen en een over de heupen hangend kort rokdeel.

 

Een belangrijk kenmerk van dit kledingstuk zijn de plooien in het rugdeel.

Door die plooien deed de wind de achterzijde gemakkelijk opwapperen. De enigszins scabreuze vergelijking met een ander soort wind was daardoor snel gemaakt.

Bronnen en fotocredits - WTT geraadpleegd 2011-08-14:

Weblog Le Hussard

Weblog Mamzelle Thorgard

Al circa 1865 was die 'vrouwelijke' oorsprong op de achtergrond geraakt, zodat L.W. Schuermans zich in zijn Algemeen Vlaamsch idioticon genoodzaakt zag de pieteleer als volgt te beschrijven:

-- PIETELEER, PITELEER, m., het eerste hier en daar in Vl., het tweede hier en daar in Br. en Antw. gebr., een mansrok met korte of met lange en smalle slippen. Op vele plaatsen noemt men dit ook : scheer: de slippen van zijnen piteleer hangen tot op de billen. Het w. komt van het fr. pet-en-l'air, kort vrouwenkleed, nachtrok, slaapjak.

Plaatsen

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pietelair - rok (heerenkleedingstuk)"

...mee innen pietelaer aon... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Pierre van Beek: pitteleer, soort van korte jas met lange slippen

Henk van Rijen: ds ng en gef pietelrke - dat is nog een aardig jasje

WBD III.1.3:30 'pitteleer' = slipjas

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PETTELAAR (pietelr) m - jas met slippen, billentikker.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m.'pieteleer' - pettelaar, "mansrok met lange en smalle slippen"

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pietelr (I:15)

Weijnen, Etymol. Dialectwdb. (1995 & 2003): pietelaer - slippenjas (znl.)

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pietelr zn - slipjas

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITTELR zelfstandig naamwoord m. - mansjas met lange en smalle slippen, Fr. pet-en-l'air

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): PET-EN-L'AIR - pital:r zelfstandig naamwoord m. - soort van gala kleedingstuk.

WNT pitteleer zie pettelaar, Ndl. ' vrijschijtertje ' (robe de chambre qui ne descend que jusqu'au bas des reins)

 

pietestalleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

pidestalletje - uit Frans pidestal - sokkel of houten standaard om iets uit te stallen; vaak gebruikt in verband met heiligenbeelden

Cees Robben Sint Jussep onder n stlp en t hellig hart op unne pietestalleke. (19851129)

WBD (III.3.3:199) pieterstalleke, 'pidestalleke' = heiligharttafeltje

[hellig hart = heilighartbeeld]

 

Pediculus capilis

pietje, meervoud pietjes of piete

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Goedgetld - hoofdluis, neten

WBD III.4.2. lemma Hoofdluis - hoofdluis (Pediculus capitis) leeft bijna uitsluitend tussen hoofdharen bij de mens. Het is een van de drie verschijningsvormen van de mensenluis, naast de kleerluis en de schaamluis ('platje'). Luizen hebben zuigende monddelen waarmee ze bloed van hun gastheren opzuigen. De eieren (neten) van hoofdluizen worden tegen de haren afgezet; de hoofdluis veroorzaakt jeuk, huidontsteking soms van ernstige aard, en werd vroeger met petroleum en lijnolie bestreden.
WBD III.4.2. lemma Hoofdluis - 'beestje': zeldzaam in Tilburg; 'pietje': in Tilburg, Den Bosch, Lierop en Boxmeer.

►bisje

Kaart lemma Hoofdluis in WBD

 

pietjeszuster

zelfstandig naamwoord

WTT 2011: de verpleegkundige van de GG&GD die de lagere scholen bezocht om leerlingen te controleren op hoofdluis.

Tilburgse revue 2007 - Nostalgie in Tivoli -

De pietjeszuster als schrikbeeld van de schooljeugd - De scne werd geschreven door Ed Schilders - Foto: Frans van Aarle

 

piggem

zelfstandig naamwoord

Van Dale: piechem (piegem, piegum) I. dwaas, onmogelijk mens; jood; II. (volkst., Barg.) slim, gevat, bijdehand

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "piggem - 't is en blaift mar 'n moager piggemke (kindje)"

 

pik n pook

uitdrukking

grote onenigheid

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "w roaide? pik of pook? Pik is het bovenste deel het spitse gedeelte van een groote of tuinboon en pook is het onderste deel" Die twee, ds pik n pook

Henk van Rijen: tusse die tweej ist pik n pook - tussen die twee botert het niet

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIK EN POOK - haat en nijd van weerskanten: ds pik en pook - zij hebben wederzijds de pik op elkaar; misschien een variant van de uitdr. 'pik pik zijn, die WNT als Zuidned. vermeldt en in verband brengt met piek als steekwapen.

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pik n pook - twist en tweedracht

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): Piek en pook (II:13)

 

pikke

Werkwoord, zwak

pikken

WBD pekken (de binnenwand van biervaten met pek laten doortrekken en met een dunne laag ervan bedekken)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIKKEN - met de pik afmaaien, Fr. saper

 

pikkepoelie

zelfstandig naamwoord

- waarschijnlijk een heendaagse varioant op 'poeliepk': dropwater

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

pikske

zelfstandig naamwoord, alleen aangetroffen als verkleinwoord meervoud

spikkeltjes

Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op.  (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

pillt - pilloo

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

de uitspraak is niet met zekerheid vastgesteld; de klemtoon ligt op de eerste lettergreep

Pierre van Beek: Men moet ze [bombazijn] echter niet verwarren met "pilo" van het Engelse "pillow". Dit was een soort gekeperd half linnen, half katoenen weefsel, dat vooral gebruikt werd voor werkkleding. Wij herinneren ons nog het woord "pilobroek". (TTP 96; 1970)

WBD II.4. p. 882 Van Dale zegt bij "pilo" (uit het Engelse woord "pillow"): "Soort van glad fustein, gekeperd half linnen, half katoen weefsel, vooral gebruikt voor werkkleding."
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij "pilou" (wordt hier het Franse woord pilou" bedoeld in de betekenis van "pluizige katoenstof?); "Katoenen weefsel in satijnbinding geweven en in donkere kleuren geverfd. Normale ketting en een inslag uit dik, grof en kortvezelig garen (voor het ruwen van de achterzijde). Toepassing: werkmanskleeding." Burgers zegt bij "pilow": "Zware katoenen stof, garen no. 5-16. Voornamelijk in het binnenland gebruikt voor mannenbovenkleding. Ook wel geschreven pilo, piloux." Ook deze definitie maakt dus de zaak niet duidelijker. "Pilo" wordt door de respondent van K 174 vereenzelvigd met "Turks leer" dat gebruikt wordt voor bruine broeken. -- pilo: piel, K 183 (= Tilburg)

WNT lemma Pilo 1923 - (klemt. op de 1ste lettergr.), znw. onz.; mv. ongebruikelijk. Ook in den niet-vernederlandschten vorm pillow. Ontleend uit het Eng. pillow in dezelfde bet., een bijzondere toepassing van het woord pillow, dat identisch is met ndl. peluw, peuluw (verg. PEULUW). Benaming van zekere geweven stof voor kleedingstukken: eene soort van fustein dat glad is. Pilo is een half linnen, half katoenen weefsel, dat zeer sterk is en veel door werklieden wordt gedragen, WINKLER PRINS, Encyclop. 13, 661 b. - Het fustein is eigentlijk katoenen bombazijn; men onderscheidt ruw en glad fustein. Het gladde of pillow (pillow) heeft f eene 4-schachtige keper van denzelfden aard als het crois , doch is grover en van dichter weefsel dan het crois, f eene 4-schachtige nzijdige keper, KUYPER, Technol. 2, 269. - Bij sommige fluweelsoorten is de geheele vlakte van het doek gelijkmatig met floers bedekt, bij andere wisselt het floers met gewone weefsels af, en vertoont bloemen of strooken (koord-manchester, pillow), GROTHE, Mechan. Technol. 369 [1879].
 

pilltbroek

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek: manchesterbroek

in z'n piloowe pekske... (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De mol van Baokel, 1944)
Henk van Rijen (1998): 'pieltbroek'- pilobroek, manchesterbroek, ribfluwelen broek (E. pillow)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnw. pillows, van pillow ''n piellese broek' Z.a.

Koenen pilo (Eng. pillow) - half linnen, half katoenen gekeperde broeken, jasstof voor arbeiders.

WNT lemma pilobroek 1923 - Samenst. Pilobroek: die van pilo gemaakt is (Hij draagt in de week altijd een pilobroek; Het eene been is afgestompt bij de heup. Het beenstompje is ingenaaid in pilow-broek, FALKLAND 1, 160 [1896]); enz.
 

Tilburgsche Courant 7-10-1911

pimpremunt

zelfstandig naamwoord

pepermunt

Van Beek - "pimpremunt" is pepermunt (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben: daor rok et nr pimpremunt

Henk van Rijen (1998): 'pipperemunt'

 

pin

zelfstandig naamwoord

I pin, dennennaald

WBD III.4.3:100 pin - dennennaald; ook genoemd: spl, mastespl of nld.

WBD III.4.3:104 pin - dennenwortel, ook genoemd: puist, stronk, stomp

WBD III.4.3: 54 pin - hoofdwortel;. ook genoemd: pinwortel, (pn)wortel

II overdreven zuinig iemand, gierigaard

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: iets pin oover nk doen ('75) - vlug en niet al te secuur

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pin, zelfstandig naamwoord vr. pin, ... 3) gierig mens

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIN - fig. gierigaard, gierige vrouw

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pin zn - pin: 'ne gierrege pin; z zat as 'n pinneke

WBD III.3.1:199 'pin', 'gierige pin, gierigaard','vrek, knijperd, schraperd,peesteker' = gierigaard

III dooddoener

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et pinneke van zen hart hangt in de strnt (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - antwoord op de vraag 'Waarom is hij zo klein?'

IV Gehaast

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pin over nek - haastig"

V Bijnaam

Karel de Beer, Bijnamenboek: pinneke Bressers = Johan Bressers, (blz. 28)

Karel de Beer, Bijnamenboek: Stkker pinneke = Stokkermans (blz. 75)

Karel de Beer, Bijnamenboek: pinneke De Wijs (blz. 84)

VI onderdeel werktuig

WBD (II:2397) 'pin' - arend (v.e. beitel); ook 'priem' genoemd

VII figuurlijk - sigaar

WBD III.2.3:290 'pin' = rechte sigaar

 

pindamnneke

zelfstandig naamwoord

pindamannetje

Pindaverkoper - bron: Het geheugen van Nederland

Vur den orlg kwaampe der al en paor Ieteljnse ijskooboere n w pindamnnekes t Sjiena nr hiere. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)

Frans Verbunt: Chinese man die bij de ingang van de schouwburg verschillende soorten pinda's uitventte

Elie van Schilt - Dan hadden we nog de pindamennekus, venters mee bildjes, mee krabben en kneukels... (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

 

pindanutje

zelfstandig naamwoord

pindanootje; pinda

Mar wddik t lkkerste van alleml von, d waar kattespaauw. Witte w dt is? Ds nt as joodevt mar dan irst gesmolte n dan deeje zr pindanutjes durheene. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

pindl

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: soort haktol

WBD (III.3.2:79) pindlle = een tol op de hand laten draaien

Stadsnieuws: Hij h zene pindl meej mn geroole teege vf proeme. (281007)

 

pindraod, pinnekesdraod

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): prikkeldraad

WNT PINDRAAD 2) ook in den vorm PINNEKENSDRAAD: gevlochten ijzerdraad met scherpe punten, prikkeldraad

 

pineegel

zelfstandig naamwoord

egel

...asof z'n haoren overend rezen as de pinne van 'ne pinegel die 'nen hond veur 'm zie staon. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Op 'n aanderen dag had ie bij 'nen knecht 'nen levenden pinegel in z'n bed gestopt. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

-- door Robben als scheldwoord gebruikt voor iemand die hebberig is
Cees Robben Ik zeej: dr uit pinegel.. (19650402)

WBD III.4.2:43 'pinegel' of 'egel' (Erinaceus europaeus) ook: 'stekelvarken'

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pineejgel zn - egel

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PINEGEL zelfstandig naamwoord m. -egel, horts, Fr.hrisson

WNT PINEGEL - stekelvarken

 

pinhaor

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:45 'pinhaar' = sluik haar

WTT 2013 - de h wordt nauwelijks uitgesproken - pinnaor 

 

pinke

Werkwoord, zwak

WBD III.1.1:234 'pinken' = knipogen

 

pinkere

Werkwoord, zwak

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pinkeren - 'n kinderspel"

WBD III.4.4:242 'pinkelen' = fonkelen

WNT PINKEREN - zeker jongensspel, waarbij een puntig houtje met een stok of plankje weggeslagen wordt.

 

pinksterblom

Ill. Thom - pinksterblom - margriet - chrysanthemum leucanthemum

zelfstandig naamwoord

Goedgetld - margriet (Chrysanthemum leukanthemum), dus niet de meer algemeen bekendstaande Cardamine pratensis.

 

pinne

Werkwoord, zwak

walmen

WBD (III.2.1:220) 'pinnen' = walmen of blaken

 

pinneg

bijvoeglijk naamwoord

gierig

WBD III.3.1:201 'pinnig', 'pinachtig, gierig, pinnerig, hebberig, peestekerig'

 

pinnekesdraod

zelfstandig naamwoord

draad met pinnen; prikkeldraad

Er wier toen vurgesteld pinnekesdraod langs de bocht te spannen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

Ik heb 'm van te vurre genog geworschouwd omd'k al te goed wies, d alle drie Door z'n dochters gin haor op d'r taanden, zooas ze wel is zeggen, nee maar d'r pinnekesdraod op hn. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)
 

pinnekesgewicht

zelfstandig naamwoord

nauwkeurig gewicht; geen streepje meer op de schaal

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: pinnekesgewicht geeve (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1965) - zeker geen overwicht geven; gierig zijn. (Bij ouderwetse weegschalen wees een pin of naald het gewicht aan; die werd angstvallig in de gaten gehouden.)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PINNEKESBOTER zelfstandig naamwoord v. - Vervalschte boter. Betrouwt dien boer nie, hij verkpt pinnekesboter (Kempen)

 

pint

zelfstandig naamwoord

Van Delft - "Iemand in de pint doen" wordt wel gebruikt om uit te drukken, dat men hem bedotten wil, of dat men hem dronken wil maken. Het zou eigenlijk beduiden: Iets van hem in een pint (potje) doen om hem daardoor van pijn af te helpen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

WBD III.4.4:298 'pint' = halve liter, ook 'schep'

 

pinwrtel

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:54 pinwrtel - hoofdwortel; ook genoemd; pin, pn, pnwortel of gewoon wortel

 

pirke

peertje

verkleinwoord  van 'pr'

WTT 2011 - de verkorting van pr doet prke verwachten maar is in feite pirke, conform het verkleinwoord dan wel de verkorting van Peer, de eigennaam; zie volgende lemma.

 

Petrus - Pirke - Donders; detail van een 'creditcard' met op de achterzijde een smeekbede

Pirke, Peer

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Petertje, Pietje

-- verkleinwoord  van 'Peer', met vocaalkrimping

Cees Robben -- Ik bn nr 'Peerke' Dnders gewist.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "Pirke - verkleinwoord van Peter"

Creditcard van de Stichting Petrus Donders --

Pirke Donders, gij die ene zeege zt vur de meense

omd grnze vur jou nie bestonde

omd vur jou kleur, gelf, rang f staand der nie toe deeje.

Pirke Donders, meej oewen oope kk op de wreld

die opkwaam vur iedere meedemeens as vur ene vriend

die meej oew gouwe hart td en rmte ooverbrugde

die liet zien d God der is vur alle meens     

Pirke Donders, hlp ons saome strk te zn in moejeleke tije

hlp ons mekaare te leere knnen n begrpe

hlp ons om de wreld schoner n beeter te maoke. (2013)

Audioregistratie 1978 - Bij den Drl, bij Pirke den Drl! Bijnaome, d was ok iets vruuger! Ge had dan hier ng ene Paus zllefs n en Pauzin! En ene keizer, Cor de Nijs! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WTT 2013 - vergelijk de verkleiningen: Geer > Girtje, heer > hirke, beer > birke, leer >lirke, etc.

 

pirzek, pirzik

zelfstandig naamwoord; meervoud pirzekes

perzik (persica)

Cees Robben Hij hield van (...) braoikes... en van overschot... van kaoikes... en gerukte sprot.. van pirzekes op sap... (19590919)

Henk van Rijen (1998): 'przek, przekes'

Piet van Beers Eet meer fruit: k 'Ha in munnen Volkstuin/ unne schne Pirzikbm staon. (With Love; 1982-1987)

WNT PERZIK ... Verder verdienen nog vermelding de gewestelijke vormen: pirrek, pirk, pierk, spirk, spierk, perrek, pers, perze, perkel, pezerik

 

pis

zelfstandig naamwoord

pis, urine

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: sndagse pis dugt nie (Sn'34) - (In Tilburg werd urine in kruiken ingezameld. Had men zaterdags te veel bier gedronken, dan bevatte de urine te weinig ammoniak, waar het juist om te doen was)

Karel de Beer, Bijnamenboek: Sientje pis = Sien v.d. Sande (blz.70.)WBD III.2.2:27 'pisdoeken' = windsels (later: luiers)

WBD III.2.2:29 'pisdoek' = luier

 

pisblom

paardebloem, pisbloom, pissebloem (Taraxacum)

Ill.: Thom - pisbloem - paardebloem - mlslaoj - taraxacum officinale

De waaj stond vol pisblomme. - De wei stond vol paardebloemen.

Stadsnieuws: As pisblomme tgebloejd zn, dan kunde doen wie de plze der in ene ker af kan blaoze - .... dan kun je een wedstrijd houden wie de (zaad)pluizen er ... (170609)

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pisbloem zn - paardebloem

WBD III.4.3:285 pisblom - paardebloem (Taraxacum officinale), ook genoemd: prsblom of kankerblom

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PISBLOEM, PISBLOM zelfstandig naamwoord v.-de bloem v.d. wilde suikerij; molsalaad. Paardebloem, Taraxacum officinale; te Westerloo geeft men dien naam aan de Haagwinde, Convolvulus sepium L.

WNT PISBLOEM, daarnaast in Z.-nederl. en Zeeland: pissebloem, pisseblom

WBD III.4.3:350 pisblom - haagwinde (Calystegia sepium) ook genoemd: ►pisptje

 

piske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  van 'pees', met vocaalkrimping

peesje, katoentje van een lamp of kaars

de touwsoort die gebruikt werd om bij het kinderspel haktollen de tol tijdens het werpen aan het draaien te brengen
Cees Robben [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkpte sewle nog drfdllekes meej n zwipke en hakdllekes meej n piske... (19800418)

pees van een handboog
Cees Robben t Taaije piske wier gespannen (19560714)

de touwsoort die gemakkelijk brandt en smeult

Frans Verbunt: piske blaoze, piske braande - al blazend een eindje pees gloeiend houden

 

piskeblaoze, -braande

Goedgetld - blazend een eindje pees gloeiend houden

 

Schilderij van Jan Steen - 'Bezoek van de huisarts' - 17e eeuw

piskker

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: huisarts

WNT PISKIJKER - geneesheer of kwakzalver

WTT 2011 - arts die uit het observeren van de urine zijn diagnosis stelde; vooral in gebruik om de arts aan te duiden die uit de urine van een vrouw kon vaststellen of zij zwanger was.

 

piskouske
zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van piskous
piskousje; klein kind dat nog niet zindelijk is
WNT lemma PISKOUS - Iemand die in zijn kous pist, klein meisje (of vrouw) dat haar water laat loopen.
Cees Robben Lust ons piskouske n koppel aaikes van de tiet-tiet-tiet... of n bammeke mee n harteluk stukske vorse worst... (1984

 

pispt

Frans Verbunt: in de pispt gewaase n in de schorsten gedrgd (ook Stadsnieuws: 220406) (gezegd van een niet al te witte was)

 

pisptje

 

Ill. onbekend - haagwinde - calystegia sepium 

Ill. Thom - akkerwinde - kln pisptje - convolvulus arvensis

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

akkerwinde (convolvulus arvensis)

'pisptje' genoemd naar de kelkvormige bloem

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pisptje zn - pisptje: bloem v.d. haagwinde of kleine akkerwinde

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. pisptje, bloem v.d. haagwinde.

WBD III.4.3 pisptje - haagwinde (Calystegia sepium), ook genoemd: pisblom

WBD III.4.3:352 pisptje - akkerwinde (convolvulus arvensis) ook genoemd: kln pisptje

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PISPOTTEN zelfstandig naamwoord m.mrv. - klokskensbloemen, Fr. campanules. De bloemen v.d. Haagwinde, Convolvulus sepium L.

 

pisse

Werkwoord, zwak

pissen, urineren

Van Delft - "Wie tegen 't heilig huiske pist, heeft z'n erwten uit van dien kant en kan z'n biezen wel pakken, want hij wordt toch met den nek aangekeken." Dit is: Wie in strijd met de kerkelijke geboden handelt (of in engeren zin: wie de bedienaren der Kerk weerstreeft of tegenwerkt), kan het op den duur niet op dezelfde plaats uithouden. Hij doet het best te vertrekken, wijl hij dan van die zijde toch geenerlei hulp meer te wachten heeft. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

De Wijs -- (Gehoord aan n bar) Ik zal er nog inne vatte waant ik kan er beter van pisse as van n korsje brd (17-10-1966)Frans Verbunt: ge kunt er beeter van pissen as van en krsje brod

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pisse ww - pissen

WBD III.4.2:38 pisse - ook: 'zeiken', 'plassen', 'leuteren'

 

pistoleeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

WBD III.2.3:196 'pistoleeke' = wittebroodje, ook 'pistolet', 'kadetje', 'bestel', 'Frans broodje'

 

pitjesks

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): = gemneks: komijnekaas, nagelkaas

Frans Verbunt: komijnekaas, Leidse kaas

WBD III. 2.3:147 'pitjeskaas' = komijnekaas

 

pits

zelfstandig naamwoord

slechte eter

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "ze is mar 'n pits (ze eet niet behoorlijk mee)"

WBD pits (II:1163) - pits: coupe-naad, figuurnaad

WTT 2011: de etymologie van 'pits' lijkt dus samen te hangen met de slankheid van de figuurnaad.

 

pitse

Werkwoord, zwak

pitse - pitste - gepitst

-- kieskeurig eten; met beetjes opeten

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pitsen - overal even van proeven"

Cees Robben Zit nie z te pitse.. pie-lie-klt.. (19800718)

Ik zaat mar te pitse, meej de leepel te ruure. (Henritte Vunderink, haovermoutepap, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD III.2.3:17 'pitser' = IDEM;

WBD III.2.3:24 'pitsen' = met kleine beetjes eten

Jan Naaijkens, D's Biks (1992): pitse ww - pielieje

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pitse - treuzelend, met lange tanden eten, kieskauwen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pitse (II:43)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - (Heeroma), Brabants 18e eeuw: PITSEN - sterken drank drinken, den sterken drank met kleine slokjes drinken.

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PITSEN onov.ww - kieskeurig eten = pielin.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pitsə(n), zw.ww.intr. 'pitsen' - 1) met lange tanden eten; 2) sterke drank met kleine beetjes drinken.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITSEN - scherp nijpen, knijpen met duim en wijsvinger, met de nagelen of eene tang, Fr. pincer; nauwelijks het voedsel aanraken, zonder lust eten

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITSEN - eventjes aanraken en er een stuksken afnemen

Goemans, Leuvens taaleigen (1936):PITSEN pitsə wkw (reg.) - nijpen

 

pitte

zelfstandig naamwoord plur.

klappen, slaag

pitte beure - slaag krijgen (minder zwaar dan 'slaog')

WBD III.1.2:50 'pitten beuren' = een pak slaag krijgen; ook: 'slaag beuren'

 

pitteg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: zoutig, zout smakend.

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

 

pjeedepoel
zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

uit Frans: pied de poule (kippenpoot); in Nederlands ook 'hanepoot'

Henk van Rijswijk - Pied de poule: heel typisch effect dat wordt verkregen door een combinatie van kleurstelling en binding, 4-schachts gelijkzijdige keper in dit geval.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Hanepoot. Wollen, katoenen of zijden stoffen, die door binding of kleurstel-ling van ketting en inslag of druk een dessin hebben, eenigssins gelijkend op de afdruk van een hanepoot. Ook: Pied de poule (Fransch).
 

plaacht

werkwoord, persoonsvorm

placht (verleden tijd van 'plegen')

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- D plaacht ze te zgge

Dialectenqute 1876 - hij plgt, hij plaacht 

Dialectenqute 1887 Willems - alleen deze persoonsvorm wordt gebruikt

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLECHT - 2e hoofdvorm van; PLOCHT of PLOECHT: idem

 

plaank, plank, plngske

zelfstandig naamwoord

plank

WBD bddeplank, bddeplaank - bedsteesponde (losse plank in de opening van de bedstede, die uitvallen voorkomt)

WBD bddeplank, bddebaank - beddeplank (plank in bedstede boven hoofd- of voeteneinde, om er iets op te leggen, of te zetten)

Cees Robben --  p de booveste plaank van et kamment;

Cees Robben --  ik blaos de plaanke vant hske;

WBD zitplank (II:955) v.d. weefgetouw; ook: baank of zitbaank

Frans Verbunt -- den dieje hee vort zo drie plaanke onder zen reet (die zal het niet lang meer maken)

Frans Verbunt -- de plaanke vant hske schte

 

plaant, plntje

zelfstandig naamwoord

plant

Cees Robben --  en vaaste plaant;

Cees Robben --  w zk en vaaste plaant kope zlang de snijblmme ng goeiekop zn

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLANT (Kemp. plaant) zelfstandig naamwoord m+v.

 

plaante

werkwoord, zwak

planten

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- geplaant

Dialectenqute 1876 - potten en plaante

Dialectenqute 1887 Willems - plaante - plaantte - geplaant; geen vocaalkrimping

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLANTEN (Kemp. plaanten, met Ned.a)

 

plaas, plaaske/plske

zelfstandig naamwoord

plas

WBD III.4.4:179 'plas' = poel

WBD III.4.4:180 'plasregen' = zware bui

A.P. de Bont -- pla.s, zelfstandig naamwoord m. 'plaas' - plas

 

plak

zelfstandig naamwoord

PM stuk grond, oppervlakte, 'bjem'

Pierre van Beek -- vlek (?)

WBD III.4.4:195 'plak','plek' = plaats;

WBD III.4.4:196 'plak/plek' = uitgestrektheid

Pierre van Beek -- Hdde naa al en plak in oew nuuw pak?

Verh.PLAK v - oppervlakte, stuk grond: 'n hil plak

A.P. de Bont -- plak, zelfstandig naamwoord  1) vr. vlek, smet, klad; 2) vr.+ m. zekere uitgestrektheid land (enz.)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAK, PLEK zelfstandig naamwoord v. - plaats, ruimte. Plak maken veur 'n ander. Ge zit hier op mijn plek.

Jan Naaijkens - D's Biks -- plak zn - plaats: mokt es w plak!

 

plak, plkske

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  plaats, plek, vlek

WBD III.4.4:195 'plak' = plaats, ook 'plek'

WNT PLAK (III) - plak, in verschillende opvattingen

Agge in plak vant zonnig straandje/ wir rondlpt dur en natte stad/ dan witte n al die dinge/ dgge oe vekaansie ht gehad. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dan ist vurbij...)

We zgge niemir in de plak van/ D hiet naa vort alternatief. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et kiendje heej tch enen ge naom)

Twee jaore trug meej de Vadderdag/ begos mene lijeswg/ in plak van en paor pkskes sjk/ Krk en schr vur de hg. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik wcht mar aaf...)
 

plands

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- pantoffel

Stadsnieuws - Hij liep hil de rnrege in zene sjamberloek n op zen plandze. - Hij liep de hele ochtend in zijn kamerjas en op zijn pantoffels. (130610)

DeBo PLADIJZEN pladijsde gepladijsd - De panjuilen van eenen plakweeg met stroo vullen en bezetten om er dan mortel over te strijken. PLADIJS - een visch, anders ook Plaat geheeten.

EWN pladijs - ontleend aan vulg. Lat. platice ... wsch. afl. v. Grieks plats: 'plat, breed'.

WNT PLADIJZEN - ww - gewestelijk in Z-Ned. 2) foppen, beetnemen

 

planke

bijvoeglijk naamwoord, stofnaam

van hout, met name planken

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- die wonde in die hskesin de irste tweej hskes van as ge, van in de planke kete, die hdde daor ok gehadplanke kete zin wij aatijdaor hbbe die van Van der Wal der gewond, van Van der Waln vanDe Turk! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

planke hze

Volksnaam voor goedkope noodwoningen op diverse plaatsen in Tilburg na de oorlog. Eigenlijk: maycrete woningen.

Maycrete woningen aan de Jan van Rijzewijkstraat; circa 1949. Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

Ammel plangke hze vur de wooningnood! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

n toen wonde, wonde wij, die Jan van Rijzewijkstraot is er ng waor nouw et Laurens Kosterplein is, h. Daor stonde  plangke hze, h, n daor wonde toen Pietje Trommelen. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

plantaan

zelfstandig naamwoord

plataan

afstandsassimilatie

 

plaoge

werkwoord, zwak

plagen

WBD III.3.1:240 'plaag' = pesterij

Dialectenqute 1887 Willems -  plaoge - plaogde - geplaogd - geen vocaalkrimping

A.P. de Bont -- zw.ww.tr. - plagen

 

plaogstk

zelfstandig naamwoord

plaaggeest

WBD III.1.4:409 'plaagstok' = geniepige plager

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAAGSTOK zelfstandig naamwoord m. - plaaggeest

WNT PLAAGSTOK zelfstandig naamwoord m. - gewestelijk (b.v.in Vlaanderen) voor: plaagduivel, plaaggeest, kwelgeest (stok = (volgens Gezelle) mannelijk lid) z.a.

 

plaot, pltje

zelfstandig naamwoord

plaat, ook grammofoonplaat

WBD bakplaat (waarop het brood in de oven gebakken wordt)

WBD muurplaot - balk of plaat die plat op de buitenmuur van de lange gevel ligt.

WBD plaote - spieren tussen de staart en het kruis van de koe, ook genoemd: 'baande'

 

plaotepoetser

zelfstandig naamwoord

platenpoetser, knecht in de bakkerij die de bakplaten voorbereidt

Audio-opname 1978 -- daor hbbek in en bangktbakkerij gestaon, j, ge wit wl, as plaotepoetser n invtte n zo (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren

 

plaots
zelfstandig naamwoord
plaats, in het bijzonder de plaats achter het woonhuis
Cees Robben De plaots [ligt] vol luciferkes... (19540703)
 

plaotske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van plaots (plts)
plaatsje
Cees Robben Blft ie [de collectant] vur oew plaotske staon... (19580426)
 

plasse

werkwoord, zwak

plassen, urineren

WBD III.1.1. lemma urineren  - frequent Tilburgs: vooral noordelijk

 

plaster

zelfstandig naamwoord

pilaster

WBD stijlpor (stenen pilaartje waarop een stijl steunt)

Henk van Rijen --  pilaster, pilaar

plat

1. zelfstandig naamwoord: het plat, de platte taal, de streektaal, het dialect

D'r aawe lui willen 't en hier in den omtrek alle boerekender, we leeren allemaol freet praoten! Ge kent de wereld haost niemer terug!" "'t Is zund genog veur 't schoon aaw plat!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Naor oome Teun; NTC 24-2-1940)
...mar w'k zeggen wo, mijnheer pastoor, 't doe me plezier, d ge plat praot! Ik waar al bang d 't aanders zu worren as mee oewen veurganger." "Och," zee de kapelaon, "hij leert et nog wel; hij gooit er nog wel 'ns 'nen deftigen klaank deur mar d komt mee de jaore wel geliek." "Wel jao," laachte de boer, "en dan is et nog geenen moordaonslag; mar as 't mee 't platpraote gedaon is, dan zijn we op 't verkeerde pad. Die mode moet nie onder et volk kome! Laote we praote zooas 't onze aawers en veuraawers deen, d-d-is ons goei recht! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Ons eige plat,

et klinkt zo lief,

et zingt zo zuut,

et springt zo vief (Piet Heerkens; uit: Brabant, Ons eige plat, 1941)

Drom zing ik plat, royaol

in mijn aawe moedertaol ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Oproep, 1941)

M'N AAW PLAT

 

Ik haaw toch zoveul van m'n schoon aaw plat;

et rolt zo gezond van oew lippe

en et slibbert er over oew tong zo glad

en et huppelt zo locht op oew lippe.

 

En ik veen et zo zund d m'n schoon aaw plat

zo zuutjesaon gao verdweene...

't is ruig, 't is rauw, - d-d-is et! - 'n Ft

die kan er geen schoon aon veene!

 

Mar k, och, ik haaw toch zo veul van m'n plat;

't is oermuziek in m'n oore;

'k h deurom et plat van m'n weeversstad

veur m'n liekes uitverkore.

(Piet Heerkens; uit: De Mus, 1939)

2. bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.4:210 'plat' = boertig; 'platvloers' = boertig

WBD III.4.4:227 'plat' = vlak, ook 'glad', 'effen', 'egaal'

2.1 bijvoeglijk naamwoord, in het bijzonder toegepast op kinderen die nog niet kunnen lopen

platte knder - nog in de wieg liggende kinderen

Van Delft - "Ze bleef zitten met twee platte kinderen, terwijl ze weer op d'r leste beenen liep." Dit is: Haar man stierf terwijl ze twee kinderen had, die nog niet loopen konden, terwijl spoedig een nieuw kindje verwacht werd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

't Alderjongste is nog plat/ mar 't kan al kruipen op z'n gat. (Piet Heerkens; uit: De Mus, Sterke vrouw, 1939)

Anoniem 1959
Nillus ha zis klne bluukes,
daor ware twee platte kender bij,
Jaans moes nog w zuutjes aon doen,
was pas efkus in de rij.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

Cees Robben Twee platte kender... en naa wir z... (19680322)

Cees Robben Daor gao-se-wir mee dr twee platte kender... (19570223)

Lodewijk van de Bredevoort - Boer Van Stokkum ha 'n huis vol kleine kender en die zaten juist overal daor te kruipen, waor ge 't nie zudt verwaochte; deede de deur open dan zaat er aaltij een of aanderen blaog aachter die deur - gongde op 'ne stoel zitten dan hadde kaans d ge op 'n plat keend gongt zitte - staakte oe beene onder de taoffel dan hadde aaltij gevaor tegen jonk meenschenvleesch aon te schuppe - ge kost er nie in of uit gaon zonder hier of daor te struikelen over 'n kenderlijfke...  (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Hoe groter de strp hoe beeter. Ge had toen ok ng veul mer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte knder. D waare de kiendjes die ng nie kosse lope. Die wrre dikkels ok haawknder genoemd, omdt moeders ze n de mm moes haawe. Asse dan groter wiere van et zg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Informant Ad inken - natte knder - kinderen die nog niet zindelijk zijn

GD07 'aachter de waoge meej en plat knd

Bosch platkeind - kind dat nog in de wieg ligt

Hees platte jong (II:61, VIII:9)

WNT (VII:2967) Platte kinderen - zulke die nog niet loopen kunnen

WNT (XII:2374) Platte kinderen - kleine kinderen, die nog niet loopen kunnen, die nog moeten liggen.

 

platienehaok

zelfstandig naamwoord

platinehaak

WBD 'pltiennehaok' (II:1060) - platinehaak

 

Foto circa 1904. Fotograaf: Henri Berssenbrugge (?)

plattebs

zelfstandig naamwoord

lange kookkachel met langwerpige platte buis en zichtbare pot; potkachel met naar achteren verlengd rookkanaal onder verlengde kookplaat

Cees Robben Ik zaag list in n boere-huis/ n kachel staon.. n platte buis... (19601111)
Cees Robben Strooit nog is w sjek op de plattebuis... Dan ruuk t net of er unne man in huis is... (19631206)

Wim van Boxtel - Hij kwaam diejen aovend bij ons binnen,/ schoof seffens rond de plattebuis. (Uit: Brabants Bont, 'D'n reke en d'n dorstige Sint', 1979)
De musterd, die neffe de plattebs laag, waar in de fik gevloogen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD (III.2.1:234) 'plattebuis '

 

platwfsel

zelfstandig naamwoord

WBD (II:913) - platweefsel, ook 'platwrk' of 'plat wrk' genoemd

 

plavs

zelfstandig naamwoord

plavuis, gebakken vloertegel

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Hoeufft: 'plavuis' voor plaveisteen, vloersteen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAVUIS zelfstandig naamwoord m. - plavei, vloertegel van klei of leem.

 

plge

werkwoord, sterk

plegen

Dialectenqute 1876 - plge, hij plgt, plaacht

Dialectenqute 1887 Willems - alleen de persoonsvorm 'plaacht' wordt gebruikt

Henk van Rijen --  'plege' (verleden tijd plaagt)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLEGEN: verv. placht, plag, plocht, plecht, geplogen

 

plee, pleej

zelfstandig naamwoord

plee, W.C.

Cees Robben   de pertienes/ - Staon op t gutje... bij de pleej... (19570119)

Lechim - Ik wil gin ruzie meej de buurt./ ik haaw van rust, d witte,/ drrom hk menen hond geleerd/ om op de plee te zitte (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zt zver zn?)

Elie van Schilt - In de plee stond un sort kiest mee un rond gat erin, daor konde op oe gemak gaon zitten en ouw kraanten lezen. Ik zeg ouw. As de kraante gelezen waren dan werden die zorgvuldig in vierkantjes gescheurd. In de plee, zaat neffen de deur unne grote spker en daor wieren die blaoikus aangeprikt. We hadden toen nog gin puuzeltjes; duurde ut un bietje lang vur ut kakken hillemal klaor was, dan konde de td vullen mee die stukskes kraant te lezen. Kon alln mar overdag, want licht op de plee, dat kwam pas veul laoter.
Onder de plee was gewoon un gat gegraoven en daor viel alles in wetge zoal kwt wot. Aachter de plee was unne deksel gemokt, was ut gat vol, dan wier mee unne strondschepper ut gat leeggemokt en over dun hof gegooid. Ut stonk wel un paor daogen, mar de plee kon er wir un jaor tegen en de slaoi, de peekes, ut groeide er allemaal goed van. Wij as kender haolde wellis rotstreken uit.
(uit: 'De plee', www.cubra, ca. 2002)
WBD III.2.1:112 'plee', c.q. 'gemak' of 'huiske' = wc

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan naar de plee gaan - vooral noordelijk Tilburg

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan na de plee gaan Tilburg, Hilvarenbeek

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan naar de plee moeten - Tilburg

 

pleejbrsel

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:271 'pleeborstel' = kuif

WBD III.1.3:272 'pleeborstel' = kortgeknipt haar

V toiletborstel; korte, stekelige haardracht van jongens/mannen: aan de voorkant recht overeind staand (lang in zwang geweest bij de bevolking van seminaries en kweekscholen)

Henk van Rijen --  'pleejbrsel' - closetborstel; korte, stekelige haardracht

 

pln, plntje

zelfstandig naamwoord

plein

R.J. 'langs pln en wegen'

Dialectenqute 1876 - durpspln - dorpsplein ( als in Fr. mme)

N. Daamen (handschrift 1916) -- "plain - gladgemaakte plaats, waarop de boeren de boekwijt en ook wel oliezaad dorschen omdat zulks het beste in den zonneschijn geschied"

WBD III.3.1:318 'plein' = dorpskom

WBD III.3.1:328 'plein, dorpsplein' = dorpsplein

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord vr. - plein, zekere uitgestrektheid lands, grote oppervlakte

 

plte

bijwoord

Henk van Rijen --  pleite, verdwenen, weg

WBD III.1.2:131 'pleite' = verdwenen

Hebr. - redding, ontvluchting

WNT PLEITE bijw. Een joodsch van hebr. plt, peleit, vlucht, afgeleid woord in den zin van "vlucht" en "bankroet", dat thans ook in de taal van de volksklasse is overgegaan in de adverbiale verbindingen pleite gaan en pleite zijn.

 

pleistere

werkwoord, zwak

WBD III.4.4:200 'pleisteren' = blijven hangen

 

plk, plkske

zelfstandig naamwoord

kleverige, doorschijnende vloeistof uit sommige bomen; plksel, hars, mlk

WBD III.4.3:91 plk - gom, hars

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Jan plk = Jan van Laarhoven (blz. 51) [omdat hij onder andere plakband verkocht]

A.P. de Bont -- plk, zelfstandig naamwoord m. 'plek', plakmiddel (als gom, stijfsel, solutie)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAK zelfstandig naamwoord m. - kleverige zelfstandigheid, waarmede men plakt.

Bosch plk - (zit)plaats, ruimte, kleefmiddel, lijm

plaats

Is daor ng plk?

WBD III.4.4:199 'plek maken' = plaatsmaken

Bosch plk - (zit)plaats, ruimte, kleefmiddel, lijm

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - PLEK, voor plaats, zoo in den eigenlijken zin, als in dien van 'in stede', even als het Lat. loco. Z.a.

vlek

Henk van Rijen --  'H de naaw al un plk in oew nuu pak!'

WBD III.1.1:32 'moederplek' = moedervlek

kleefkruid

WBD III.4.3:330 jan plk - kleefkruid (Galium aparine)

galium aparine - kleefkruid

 

plkbaand

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  plakband, tape

 

plkbl

zelfstandig naamwoord

benaming voor (vooral heren-) kapsel met veel brillantine

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLEKKOP zelfstandig naamwoord m. - kaalkop, iemand die kaalhoofdig is.

 

plkbrojke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

broodsoort

De Wijs  --  Ik hegget gelk: plek-brooikes, smrlappen en mle moppen. (15-06-1963)

Cees Robben plek-brooikes (19630628)

Frans Verbunt -- bolus; wegens zijn vorm ook 'plkdrl' genoemd

 

plkdrl

zelfstandig naamwoord

bolus, bepaald baksel; ook 'plkbrojke'

 

plkjaones

zelfstandig naamwoord

lekkernij van brood, bolus

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

plkke

werkwoord, zwak

plkke - plkte - geplkt

plakken

1. met lijm e.d. hechten, kleven

De Wijs -- Echt iemand om aachter ut behang te plekke en dan te verhuize (04-07-1969)

Cees Robben [vrouw over man:] ...aachter t behang plekke en dan verhuize... (19770127)

Pierre van Beek -- Ik zal vur jou wl is ene vlieger plkke (uit dankbaarheid) (Tilburgse Taalplastiek 167)

 

Stickers op de vuilcontainer plakken. Ontwerp van Sander Neijnens en Ivo van Leeuwen.

 

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nr Hitselpitsel, daor ist meej kraante dichtgeplkt ('86) dooddoener, antwoord op de vraag 'Waarheen?'.

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - 04-07-1964: 'Iemand, die grote nieuwsgierigheid aan de dag legde, kon te horen krijgen: "Komde van Gool, hedde soms geit op?" Het verband tot de nieuwsgierigheid ontgaat ons hier echter. Nieuwsgierige kinderen konden van hun vader als ze vroegen waar hij naar toe ging vernemen: "Naor Hitselpitsel" en als ze dan wilden weten waar dit was volgde er: "Daor is het mee kraanten dichtgeplkt." Het wil ons voorkomen, dat we hier wellicht met "gezinstaal" te doen hebben. Zoals men weet, verschilt de taal niet enkel van gewest tot gewest, van plaats tot plaats, maar zelfs wel van wijk tot wijk. Zo spreekt men bv. op de Heikant van Tilburg heel anders dan in het centrum. Als nog kleinere gemeenschappen hebben we dan het gezin, dat ook zijn eigen uitdrukkingen heeft, die eigenlijk alleen maar in dit bepaalde gezin verstaan worden.'

WBD III.3.1:45 'plakken' = plakken

De Wijs -- As t nie ineens plekt, zedde twiddes (23-10-1963; iets meteen goed doen want anders is de kans verkeken.

2. Figuurlijk: ergens blijven, niet weg (willen) gaan

uitdrukking - blve plkke - niet weten te vertrekken

WBD III.4.4:209 'plakken' = pruuven [namelijk in een caf] n blve plkke

WNT PLAKKEN (II) m.b.t. personen: Blijven plakken, geplakt zitten - geen lust hebben om op te staan.

A.P. de Bont -- zw.ww.intr. 'plekken' - plakken, lang in herbergen blijven.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAKKEN, - blijven zitten, toeven. Hij blijft overal plakken. Bosch plkke - plakken

plkmersjant
zelfstandig naamwoord; het tweede lid uit het Franse marchand
iemand die niet uitbundig is, die tijdens een feest op zijn stoel blijft zitten
Cees Robben [hij is] aanders unne plek-mersjant... (19600226)
 

plkpltje

zelfstandig naamwoord

plakplaatje, etiket

Op alle boeke wier n plekpltje geplakt om drre naom en t vak dr op te zette. (Jos Naaijkens; Middelbaoreschoolperiekele; CuBra, ca 2005)

 

plksel

zelfstandig naamwoord

plaksel, met water aangemaakt plakmeel;

kleverige,doorschijnende vloeistof uit sommige bomen; plk, hars, mlk

WBD (II:709) plksel - plaksel (niet vermeld)

 

plkzak

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- viezerik

Frans Verbunt -- plkzakske - kind dat zit te knoeien

 

plkzakske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Frans Verbunt -- kind dat zit te knoeien

 

plngske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

plankje

- Dirk Boutkan: plengske (blz. 27) verkleinwoord van 'plank', met umlaut - - R.J. de plnkskes vant hske

- Cees Robben Moeten daor zien staon te kke... t Lekt wel unne sigaare-kiesjes-plenkskes-spkerkes-fabrikaant... (19640731)

- Henk van Rijen --  op et bnkske laag en plnkske n en tngske

Gezegde

metafoor voor de borsten van een vrouw

- Twee rtjes p n plngske (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

plnneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'plan', met umlaut

plannetje

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'plenneke'

 

plnt

zelfstandig naamwoord

plint

Dirk Boutkan (blz. 21) plnt

 

plske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD koekje dat veulens bij de geboorte in de mond hebben, ook genoemd (Korvel): 'lftocht'

 

plsse

werkwoord, zwak

plessen

WBD plsse (II:1034, 1056) uitwassen op de pleskom (textiel)

WBD III.4.4:217 'pletsen' = nat maken, ook 'natten', 'dabben'

 

plsterij

zelfstandig naamwoord

plesserij, de afdeling waar geweven stukken gewassen worden

Interview Hermans - 1978 - n dan krijg je de plsterij f de zoogenaamde wasserij, ging daar naar toe asset op zen breedst was, dan wier et daar gewasse, war, omdtter vtdeele in zaate van de volderij..." (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

plm, plmke

zelfstandig naamwoord

pluim

R.J. 'meej 'n plmke op z'ne kop'

WBD III.4.1:38 'pluim' - vogelveer

WBD III.4.2:35 'pluim' - harig uiteinde van een staart

- de schaawe mee der plme om dere kp

A.P. de Bont -- pl.m, zelfstandig naamwoord vr. pluim: 1) veer, 2) grote pronkveer op de hoed

 

pls, plske

zelfstandig naamwoord

pluis

WBD III.4.4:267 'pluis' = dot

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord vr. - pluis, vlokje, rafeltje, haartje.

 

plszer

zelfstandig naamwoord

1. pluisijzer, instrument om oneffenheden uit weefsels te verwijderen; nopijzer

1941 - Een oude weverswoning, ergens in Oel. (...) En onder de oude hangklok zit een jong meisje te noppen. Haar teere vingeren hanteeren behendig het pluisijzer, dat als een nijdig vogeltje pikpik de noppen uit het weefsel trekt. (NTC; Kruispolka, Frank Klaroen = Willem van Mook Brabantsche Novelle; 26-2-1941)

WBD II,4 p. 1054 -- noppen" : Ongewenste oneffendheden met een nopijzer uit weefsels verwijderen. Voor weefsels van plantaardige en dierlijke oorsprong, indien de prijs dit toestaat (...) Stoppen en noppen met een nopijzer"; de kno(o)pjes worden genopt, witte pikkeltjes worden genopt, de kno(o)pjes halen ze er met een pluisijzer uit."

WBD II,4 p. 1056 -- De ongewenste oneffendheden worden nu met een nopijzer (een soort pincet) en een nopschaar (...) uit het weefsel verwijderd, zonder dat het weefsel beschadigd wordt. Dit noppen vergt veel ervaring en de meisjes, die dit werk doen, krijgen dan ook een speciale opleiding." Van Dale zegt bij nopschaar": Schaar om de noppen van lakens enz . af te knippen." Grothe spreekt op p . 380 van pincet" of nopijzer".

 

Tilburgse nopsters, begin 1900 gefotografeerd door Henri Berssenbrugge. Uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, Tilburgers in beeld (1996)

 

 

Nopijzer - 1960 - collectie Audax Textielmuseum

 

Nopijzer - 1960 - collectie Audax Textielmuseum


2. overdrachtelijk: pincet voor huishoudelijk gebruik

-- Naarus Brieven van een oud Tilburger --Toen me de rest ophan zate me ammel mee ons kaoke te vringe en te vreuke, die waren ontzet; en d kwaam ok wir in orde, want ik haolde benee in [een] pluisijzer en n vur n wieren ze toen op innen stoel gezet om de stukken pees tussen de taanden en tendjes uit te trekke. (Column in Groot Tilburg; ca. 1940)

Piet van Beers Gin vergif op de tin: En zitten er in kol of slaoi/ w slekke, of w lize,/ dan laot ik heur z'er en vur en/ mee 'n pincet itplize. (With Love; 1982-1987)

-- Meded. Fons van den Hout (2012) -- Vanwege de gelijkenis heeft het waarschijnlijk later de betekenis van pincet gekregen. Ik hoorde het woord vaker gebruiken door mijn overleden tante Miet, die haar hele leven bij AaBe gewerkt heeft.

 

plster

zelfstandig naamwoord

pluister; lakenpluister; nopster

► Voor een beschrijving van de werkzaamheden zie plszer.

WTT 2012 - de beroepsnaam 'lakenpluister' komt niet voor in de Tilburgse adresboeken van de 20ste eeuw.  In plaats daarvan: 'pluister, stukkenpluister, wolpluister, stukkennopster, nopster'. Vanaf 1938 komt 'stukkennopster' niet meer in de adresboeken voor, alleen nog 'nopster'. 'Wolpluister' komt na 1928 niet meer voor. In 1963 verschijnt voor het eerst 'thuispluister' als beroepsnaam.

NieuweTilburgsche Courant 16-1-1920

Interview Hermans - 1978 - D waare pluizersn degeenedegeene degeene die, die d ..d waare pluisers, zin ze h d zn de plsers. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

plze

werkwoord, sterk

pluizen; handmatige nabewerking van geweven stukken (net als noppen): de pluizen in het weefsel verwijderen.

plze - plos - geplooze (overgankelijk) geen vocaalkrimping

Anoniem 1959

Toen ging ie mee bukkum leure,
mee de kreugel van de buur,
Jaans pluisde wol, deej stukke,
't was genog vur brood en huur.

(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

manier van eten

Werkwoord, waarschijnlijk zwak

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: Langzaam en met smaak eten door kleine stukjes uit te zoeken of af te plukken (peuzelen)

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

 

plevs

zelfstandig naamwoord

plavuis

WNT PLAVUIS - vloertegel, gebakken vlakke steen

 

plezaant, plezant

bijvoeglijk naamwoord

plezierig

Cees Robben iets w plezaant is... (19570713)
Cees Robben As wij vruuger moesse zingen/ sjonges d was z plezaant... (19571214)
Cees Robben Bekaant unne plezaante klaant... (19811127)

Witt. plezaant (S.G. plausant, blz.93, 179, 214)

WBD III.1.4:195 'plezant' = prettig- 207 idem = grappig

WBD III.1.4:163 'plezant' = flatterend; 197 'een plezante' = een grapjas

A.P. de Bont -- pləzant, bnw.'plezant' - prettig, behaaglijk, aangenaam.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLEZANT - vroolijk, vermakelijk, aangenaam, plezierig

WNT PLEIZANT, PLEZANT - aangenaam , z.a.

 

pliesie

zelfstandig naamwoord

politie(apparaat), politieagent

Ge zaagt ginne pliesie

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- pliesie, plisie, plitie, pelisie, peliesie, pelissie

De Wijs  -- Gaon we driehappelepappe of pliesieke speulen mee vreuke? (15-06-1963)

Cees Robben --  Tis meej de 'peliesie' nt as meej den reegenboog

Mar j, k de pliesie is onze Lieven Heer nie/ die kan ok nie tegelk ooveral zn (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Alles op zene td)

As ik hier ene pliessie was/ dan zogget nie gebeure/ d autos meej en wilde vaort/ dur de sneuw heene scheure. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As ik hier pliessie was)

Hij ha en glas te veul gepruufd,/ de pliessie hield em aon./ Hij moes meej in de tuut-tuut-tuut/ om nrt beroo te gaon. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D kossie ok nie)

Interview Jolen - 1978 - De pliesiedie brchten oe nr hs n dan krede ts op oew soodemieter!. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan
Elie van Schilt - Pliessie, op de fiets mee zunne saobel on de tussenstang, niks ginne revolver, daor konne alln mar ongelukken mee gebeuren. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

Gao naor hs snotjong of moet ik de pliesie erbij haole. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ge moet nr de pliesie gaon en hum n gaon geeve, hij heej nie te slaon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
WBD III.3.1:345 'politiesmeris, tuut, wout, vethol, vetkees' = politieagent

A.P. de Bont -- pəlisi, zelfstandig naamwoord vr. 'pelisie' - politie

Bosch plisie - politie

 

pliesiebuuroo

zelfstandig naamwoord

politiebureau

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen zaat de Keuringsdienst bezije et plesiebuuroo, et ouwe pliesiebuuroo, d zogezeej in de Zwijzestraot n daor was zogezeej de Keuringsdienst (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Audioregistratie 1978 -- n Jan Brekelmans n et Ksterke meej zenen baord, war, die nome me ng wlles meej nr et pliesieburoowhaaaj, ge waart dronked was ok ene pliesieagnt, Jan Brekelmans, ene pliesieagnt (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Daor hbbek zlf ng verschillende keere nr wiste kke asse dieje moordenr oover de straot heene laajde vant pliesiebuuroow aaf nr de krk. Klik hier om dit bestand te beluisteren

  

pliesiegnt

zelfstandig naamwoord

agent van politie

- Eerst gisteren is het ons opgevallen, dat onze stad ondanks het tekort een heleboel "plisiegenten" heeft, (Jan Triborgh, pseudoniem van John Majoie, in een serie van 4 artikelen uit de Nieuwe Tilburgsche Courant over de feestelijkheden vanaf 27 oktober 1954 ter herdenking van de tiende bevrijdingsdag van Tilburg.)

D mog nie van ene pliesiegnt... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kkt nie zo fn...)

Tilburgs Taollied: bkkers n pliesiegnte

WBD III.3.1:344 'politieagent', 'politie, vethol, vetkees, tuut, wout'

Stadsnieuws - Ik hoef hier tch nie hil de td te gn stn oppaase - ik z ginne pliesiegnt (231103)

 

pliesiemuts

zelfstandig naamwoord

politiepet (?) 

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - d klpt as en pliesiemuts znder klp (Pierre van Beek -- TT '64)

ES 2012: Raoj raoj pliesiemuts; dooddoener om te zeggen dat men iets niet weet

 

pliesie-uur

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- sluitingstijd voor cafs

Toen 't pelitie-uur was, h 'k ze in den errem nor de stee van Sjef Koolen gebrocht. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

Jan Naaijkens - D's Biks -- pliesieuur zn - politie-uur, sluitingstijd voor cafs

 

plimp

zelfstandig naamwoord

wimper

N. Daamen (handschrift 1916) -- "ze heeft witte plimpers aan haar oogen (wimpers)"

Stadsnieuws - Kkt is fkes, ik gelf dk ene plimp in men og hb (011106)

 

plint

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  plooi aan onderkant broekspijp

 

pld

plddeke

zelfstandig naamwoord

gemeen, achterbaks persoon

Cees Robben --  jllie Mietje is en gemn pld

WBD III.2.2:114 'plod' = zedelijk slecht meisje

WNT PLOD - 1) Vod, flard, 2) Bij overdracht gebezigd voor een persoon: a) een klein vertroeteld kind; b) een gemeene vrouw, slet; c) een man, in versch.bet.: sul, sukkel, luiaard, rakker, dronkelap enz. z.a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLOD zelfstandig naamwoord v -goedzak, goede sul: 'en plod van 'ne' jongen;

trage en vadsige persoon; kwapoets, jongen die geerne plaagt.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - plod - vod, slet, lui iemand, sul, goedzak (znl. geldov.)

 

plddeke

zelfstandig naamwoord, verkleind

►pld

in twee betekenissen; zowel negastief als positief

WTT 2013 - de discrepantie is niet vreemd; vergelijk bijvoorbeeld 'drlleke'

1 geniepig, klein persoontje, trage, vadsige persoon

MP gez. As plddeke-vl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes.

V kln plddeke - kind van klein formaat

N. Daamen (handschrift 1916) -- "'t is in alle geval mar 'n plddeke (een prul ventje)"

Henk van Rijen --  vl plddeke - geniepig (vies) vrouwspersoon

D en plddeke betekent,/ en slonzege luie vrouw? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD III.2.2:114 'ploddeke' = zedelijk slecht meisje

SN - W zde tch en vals plddeke.' - ... een smerige bedrieger (080608)

Jan Naaijkens - D's Biks -- plddeke zn - venijnig, onbetrouwbaar ventje

2 troetelnaam

...lillik plddeke daor ge staot (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

3 andere bronnen

Witt. (zowel mens als ziekte) 'hij heeget plddeke' ?

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLOD zelfstandig naamwoord v. - goedzak, goede sul, Fr. bonasse; 'n plod v. 'ne jongen. Trage en vadsige persoon; Kind dat geerne getroeteld wordt; iemand die in herbergen blijft zitten; kwapoets, jongen die anderen plaagt; enz. PLODDEKE(N) zelfstandig naamwoord o. - vklw. v. 'plod' - influenza ?

 

ploeg

zelfstandig naamwoord

ploeg

WBD (II:2727) 'vrploech' - ploegschaaf

 

ploege

werkwoord, zwak

ploegen

WBD ploege, ook in de Hasselt

WBD I:1454 aanaarden met de ploeg (Hasselt): 'nploeg?'

- ploege - ploegde - geploegd

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - ploege (krt.100)

 

ploegstart

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) bovenste stuk van de ploegstaart

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord m. - ploegstaart, balk aan het achtereinde v.d. ploeg, waaraan het handvat bevestigd is.

 

plk

zelfstandig naamwoord, pv.

WBD III.4.4:256 'plok' = menigte, troep

verleden tijd van plukke

 

plok

werkwoord, oude verledentijd van 'plukke'

en ik plok uuverig verder. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

plmke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

pluimpje

R.J. 'meej 'n plmke op z'ne kop'

verkleinwoord van 'plm', met vocaalkrimping

 

plonsplee

Zelfstandig naamwoord

primitieve toiletvoorziening waarbij de ontlasting direct in het water van de onderliggende beerput valt

Die plee stond aon et schop gebouwd en ha un schn dak. Daor zaat un grte grune deur veur. Van den binnekaant konstem meej unne wrvel op slot doen. Al wegge liet vallen, viel in enne diepe put. Waar de put pas leeg gemaokt, ne keer per jaor kwaam de strontboer, dieje put meej emmers leegscheppen, dan heurde gij enne plons as enne verre echo. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

plos

werkwoord, persoonsvorm

ploos, pluisde

Dirk Boutkan (blz. 40) plosde/ ploosde (met of zonder vocaalkrimping)

verleden tijd van plze

 

plske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

pluisje

R.J. 'ik zie de plskes witte wol'

WBD plskes (II:1254) - pluisjes (slijtsel van kleding)

WBD III.4.1:41 'pluiskes', ook 'duivelshaar' - dons of nestveren

WBD III.4.4:267 'pluisje' = dot

verkleinwoord van 'pls', met vocaalkrimping

 

ploster [plster ?]

zelfstandig naamwoord

pleister

Moeder geef me gaaw 'ne ploster... (Piet Heerkens; Kritieke, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

 

pltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

plaatje

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- fietspltje

Cees Robben --  et vurpltje stao schef;

WBD (II:2794) 'lichtpltjəs' - lichtslekken, berrieslekken

WBD III.5.1:311 'plaatje' = illustratie (in tijdschift of boek)

WBD III.3.2:352 pltje of bildje = prentje

WBD III.3.3.206 pltje = heiligenprentje

verkleinwoord van 'plaot', met vocaalkrimping

 

plts, pltske

zelfstandig naamwoord

plaats; omsloten binnenplaats achter een huis

In de krk is plts geng. - In de kerk is plaats genoeg.

Cees Robben --  Et biste pltske in bd

Cees Robben --  ik maok naa vur ene mooter plots

WBD (III.2.1:402) plts = binnenplaats (niet als Tilburgs vermeld)

WBD (III.4,4:196) 'plaats' = uitgestrektheid

WBD (III.4.4:302) 'plaatsen' = ordenen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - plaots/plts (krt.98)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAATS zelfstandig naamwoord v. - betrekking, post

Jan Naaijkens - D's Biks -- 'plots' zn - plaats, 'plak'

 

pltse

werkwoord, zwak

plaatsen

WBD III.3.1:389 'plaatsen' = stationeren

 

pluiere

Werkwoord, zwak

Aan een slepende ziekte of een kwaal lijden.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mer 't [de ellende] komt van den Heer () deur 't zwart van de patrasen, en 't pluiere van 't jonk, dat naauw dood is. Daar geannoteerd als: sukkelen. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: lang ziekelijk zijn, uitteren.

- WNT lemma Pluieren: Kwijnen, aan een slepende ziekte sukkelen, ziekelijk zijn. (1932)

 

pluierij

zelfstandig naamwoord

nare zaak, in het bijzonder een ziekte of kwaal

en vl pluierij - een vervelende situatie;

- Pierre van Beek -- Ze hbben amml dezlfde pluierij - wordt gezegd als meer leden uit een gezin dezelfde ziekteverschijnselen vertonen, zoals griep, hoofdpijn. (Tilburgse Taalplastiek 740125)

- Cees Robben Naa ben ik wir dn aauwe/ en mn pluierijen kwt... (19590307)

- Stadsnieuws - 'D gesoodemieter meej die onbetlde reekening, ds mar en vl pluierij -  dat gedoe met die onbetaalde rekening is maar een nare zaak' (200808)

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - PLEUIEREN: aan ene slepende ziekte sukkelen. PLEUIERIJE: ene slepende ziekte, somtijds de tering.

 

plukke

werkwoord, sterk

plukken

WBD veevoer verzamelen, ook 'blaaje' genoemd

Dialectenqute 1876 - de jungskes hebbe blumpkes geplkke

De Wijs  -- Der slinten der zoveul aon, dek ze nie geplokken kon krge (feb. 1962)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de glste pre wrren et irst geplkke (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - de gekste lopen het eerste tegen de lamp.

B - plukke - plok - geplokke

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - GEPLOKKEN: 3e hoofdvorm van 'plukken'

 

plukselkltje

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

plukselkuiltje

Lowie van Dorrus Misters - Alleen wat groenvoer, de gele peen, knollen en spurrie stonden nog te velde, en zolang het open weer was (geen vorst) konden deze nog worden binnengehaald en was het plukken hiervan een van de dagelijkse bezigheden. Was een karrevracht geplukt en of gestoken (de peen), dan spande de boer in om dat vrachtje op te halen. Thuisgekomen ging dat niet direct naar de stal, maar eerst naar het plukselkuiltje om gewassen te worden, teneinde de aanklevende aarde te verwijderen. Daarna kwam het in de stal voor de beesten. Vroeger was bij iedere boerderij een plukselkuiltje te zien langs de straat in de nabijheid van de stal. Op de dorpen treft men ze nog wel eens aan. Natuurlijk zandde de bodem geregeld aan door het wassen van het groenvoer, dat rechtstreeks van de akker kwam. Daarom moest 't kuiltje van tijd tot tijd uitgediept worden. Dat uitdiepen noemde men "uitschieten". (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 15 Boeren in de winter; NTC 17-5-1952)

plukvink
zelfstandig naamwoord
eigenlijk hetzelfde als een blinde vink; door Robben echter gebruikt als equivalent voor lichte of gemakkelijke vrouw; mogelijk dus: een vrouw die door mannen geplukt kan worden naar believen.
Cees Robben [Vrouw tegen een man die haar vreemd is:] Ik ben gin plukvink.. (19671027)

pluus

zelfstandig naamwoord: pluche

bijvoeglijk naamwoord: pluchen

korte u

Heure pluusen hoed, op durre raoversbol... (Tony Ansems, Heure pluusen hoed; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2008)

 

poedel
zelfstandig naamwoord
biljartterm
Cees Robben Ik heb oe toch wel gezeej det n vreke was en hillemol ginne poedel... (19770708)
 

poejer

zelfstandig naamwoord

poeder

Henk van Rijen --  daor gong ze meej hil dere poejer daar ging ze, flink opgemaakt

WBD III.3.1:382 'poeder (ook: poeier)' = buskruit

WBD III.4:205 'poeier' = poeier; ook pulver

WNT POEDER, poeier

 

poejere

werkwoord, zwak

poeieren  

Van Delft - Wie paling gaan vangen, "gaon poeieren" (peuren zegt de Hoog-Hollander). De Tilburgers kunnen ook goed iemand "afpoeieren". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

 

poel, poeleke

zelfstandig naamwoord

WBD jonge kip

WBD poel poel poel, eend, ind - roepwoorden voor de eend; hiernaast zijn daarvoor gangbaar: 'woele woele woele woele' en 'endvoogel'

WBD III.4.4:180 'poel' = kreek

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - POELEN of POELIN noemen sommige buitenlieden de hoenderen; anderen verstaan eronder 'krieltjes'. Z.a.

Str. poel (1+29)

WNT POEL - in zuidel. dialecten: kuiken v.h. vrouwelijk geslacht.

 

poel

zelfstandig naamwoord

prijs

mogelijk van Engels 'pool', de geldelijke inleg bij het voorspellen van sportuitslagen

Van Delft - - Wij gaon vliegers maar ook duiven "oplaoten" en laten dan los "twee duiven en drie horens", waarmede wij "prijs verdienen en ook den scherreweg", terwijl een ander "geen veerke thuis had" en er zoodoende weinig om gaf, wie met "de poel" ging strijken.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

Poel, de

eigennaam

GG wijk bij Korvel, omgeving vroegere Poelstraat (thans: Tafelbergstraat)

 

poel knippe

werkwoordelijke uitdrukking

kinderspel

Van Delft - Een ander spelletje was het "poel knippen". Dit gebeurde met twee of meer kinderen. Er werd een driehoek op den grond geteekend en op iederen hoek daarvan werd een knikker gelegd en ook nog in het midden. Dan werd een streep getrokken "voor den aanleg" op twee of drie meter van "de poel". Wie het kortst bij de meet lag, mocht eerst knippen of schieten. Raakte hij een knikker, die daardoor uit den driehoek rolde, zoo was deze voor hem. Doch kwam de knikker waarmede hij knipte in "den poel", dan moest hij er eentje geven. Zoo speelde men voort, tot de duisternis inviel of de schooldeuren tot binnengaan dwongen. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

poeleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD veulen, ook 'veule', 'vuile' of 'vlle' genoemd handje

R.J. 'mollig poeleke'

Pierre van Beek -- Gift den oome is en poeleke.

Witt. - kinderwoord voor 'handje'

WBD III.1.2:149 'poelekes';'pollekes' = handen (kindernamen)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - POELEKEN behoort hier onder de liefelijke woordjes welke minnenden elkander geven. Men zegt het ook veel aan de kinderen. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- POELEKE o - kinderhandje, tegen een kind gezegd.

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. (kindertaal) 'poeleke' - kindervuistje (-handje)

Bosch poeleke - kinderhandje

 

poelen

werkwoord, zwak

poolen [Engels: pool]

WBD poele = duiven inzetten

 

poelepetaot

zelfstandig naamwoord

WNT POELEPETAAT - Ontleend aan Fr. poule pintade, waarvan het tweede woord aan het Sp. pintado is ontleend, dat een Lat. vorm pinctatus doet onderstellen. De beteekenis is dus eigenlijk 'gespikkelde kip'

parelhoen (Numida meleagris)

Cees Robben [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)

WBD III.4.1:185 'poelepetaat' - parelhoen (Numida meleagris) - frequent in Tilburg

numida meleagris- poelepetaot

Benamingen parelhoen in Woordenboek van de Brabantse Dialecten

koosnaam voor kinderen

- m'n lekker sjeklaatje, / m'n marremelaadje, / m'n poelepetaatje, (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Michieltje, 1938)

- Hey, mijne kleine, poelepetaat/ Nou wordt het wel, een beetje te laat... (Tony Ansems, Hey klein drlleke; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

vrouwspersoon die opvalt door dom of raar doen

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de poelapetaote = zussen Blomjous (blz. 26)

 

poelie

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek -- aaw poelie - oude vrijster

WBD III.2.3:2 'poelie' = waterachtig voedsel

WNT POELIE (II) zie POELJE 1) jonge hen; 2) bij overdracht gebezigd als scheldnaam voor een persoon: Gy schoelje, gy vervlakte fyne poelje!

A.P. de Bont -- puli zelfstandig naamwoord m. poelie - slappe koffie

WNT POELIE (II) zie Poelje - POELJE 2) bij overdracht gebezigd als scheldnaam voor een persoon.

S&S niet vermeld

Bosch poelie - met water spatten, spelen, zich wassen

 

poelieje

werkwoord, zwak

met of in water spelen

D poelin in et waoter is nie zoo erg, mar daor blijft et nie bij, daor gebeure veul ergere dingen in zoo'n bad!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

WBD III.1.2:97 'poelin' = plassen met water; ook 'dabben'

poelieje- poeliede - gepoelied

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- POELIN onov.ww - poelen, met water spatten, in water bewegen; ook gezegd v.h. klotsen van water bijv. in een fles. Zie ook blz. 80.

A.P. de Bont -- zw.ww. intr. 'poelien' - een vloeistof door elkaar schudden.

Jan Naaijkens - D's Biks -- poelieje ww met of in water spelen

 

poeliept

zelfstandig naamwoord

slappe koffie, loerie

Cees Robben Des poeliept... (19590307)

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord m. 'poeliepaat' - dunne slappe koffie of mlk (karnemelk)

 

poem

zelfstandig naamwoord

geld

WBD III.3.1.136 'poem', 'poemelezjang, centen, duiten, buit' = geld

Pierre van Beek "Om de poem (geld) is het al te doen!" nietwaar? (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

 

poep

zelfstandig naamwoord

poep

WBD III.1.1. lemma uitwerpselen frequent vooral noordelijk Tilburg

 

poepe

werkwoord, zwak

WBD III.1.1. lemma ontlasting hebben vooral noordelijk Tilburg

 

Poeper de Lepper

bijnaam

Pierre van Beek -- Wie Poeper de Lepper was, weten we niet. Wanneer iemand verongelijkt wordt, kan men van oude Tilburgers echter de opmerking horen: "'n Eerlijk hart moet w lijjen, zeej Poeper de Lepper!" (Tilburgse taalplastiek 3 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 18 februari 1950)

Pierre van Beek -- Naar aanleiding van een onzer vorige artikelen, waarin een "gevleugeld woord" van zekere De Lepper werd aangehaald, deed een belangstellend lezer ons hierover enige nadere bijzonderheden toekomen. Onze inzender heeft de bewuste De Lepper heel goed gekend, zegt hij. Deze man, die wel nooit gedroomd zal hebben, dat hij nog eens in de krant zou komen na zoveel jaren, woonde een zestig jaar geleden aan het eind van de Laagstraat en wel op de linkerhoek van de drie huizen, die daar haaks op de Laagstraat staan. Dat wil zeggen in het huis, dat thans op zijn gevel het naamplaatje "Eschdoornstraat" draagt. De Lepper was een zg. buitenwever maar daarnaast boerde hij een beetje. Inzender weet ook nog te vertellen, dat naast het huis van De Lepper destijds 't zg. "Kruispedje" (paadje) begon, dat liep tot de "Vier Bumkes" (Boompjes). Dat was waar zich thans "De Regenboog" bevindt. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

 

Poepersteeg, Poepesteeg

zelfstandig naamwoord, toponiem

De Hoogtestraat, die vroeger een slechte reputatie had

Poepersteeg / Hoogtestraat
1934 - Ingezonden brief - Beleefd verzoek ik UEd. een plaatsje voor het volgende in uw veel gelezen blad, waarvoor bij voorbaat mijn dank.
Geregeld de agenda's der Raadsvergaderingen der gemeente Tilburg lezende valt het mij op dat aanhoudend voorkomt: Voorstel tot het bestraten van deze of gene straat of weg". Nu zou ik wel eens willen weten hoelang het gewoonlijk duurt, dat aan bestrating wordt begonnen, indien het bij den Raad aangenomen is.
Mij is nl. bekend, dat door den Raad circa drie jaar geleden werd besloten de Hoogtestraat (alias Poepersteeg) gelegen in den schaduw van den stadstoren en Stadhuis met oude keien te bestraten; evenwel is er tot op heden van bestrating niets te zien; wel schijnt het een goede opslagplaats te zijn voor alle soorten afbraak, huisvuil. Ook bestaat er naar ik vermeen in den Raad een Gezondheidscommissie en zou deze heeren in overweging willen geven bedoelde straat tegen regenachtig of broeiend weer te willen bewandelen, daar dan de afval van de daarin liggende lederfabriek een afschuwelijken stank verspreidt en de gansche geving verpest. Ook voor de vereniging der dierenbescherming is er werk, indien bij regenachtig weer of langdurige droogte de vrachten chemicalin en huiden afgeleverd moeten worden, dan kunnen zij telkens constateeren, dat de wielen der camions moeten worden uitgegraven en de paarden worden bewerkt met ijzeren staven en buizen om ter plaatse te kunnen komen.
Aan de commisssie tot vaststellen van nieuwe straatnamen wil ik voorstellen den naam Hoogtestraat te wijzigen in Amorstraat of steeg, daar hij op dit terrein veel werkzaamheden heeft te verrichten, zodat hij het niet meer met pijl en boog af kan en een mitrailleur zal moeten aanschaffen. (Ingezonden brief in de Nieuwe Tilburgsche Courant door Tijl - 24-10-1934)
2005 Uit het straat lied Toen ik nog n jungske was (De poepesteeg)


Toen ik nog een jungske was
Van een jaar of negen
Kwam ik in de poepesteeg
Een grote joekel tegen
Ik dacht als ik nou verder loop
Dan kan ie misschien wel bijten
Maar hij schoot een poortje in
En ging daar zitten schijten
Tralala lala (bis)

(Anoniem; voor de volledige tekst op CuBra  KLIK HIER)

poepestverpoepstver

zelfstandig naamwoord

achterste, gat, kont

- vorm en kleur van de oude munt 'stuiver' doen vermoeden dat met name de aars, de sluitspier bedoeld is

N. Daamen (handschrift 1916) -- "ze viel op 're poepestuiver"

Henk van Rijen --  'poepstver'

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - poepstuiver, uitsluitend opgetekend voor Tilburg 

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - poepe(n)stuiver, uitsluitend opgetekend voor Tilburg

►stver

 

poepke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van poep in de betekenis 'wind'; poepje

WBD III.1.1. lemma Wind frequent centraal oostelijk en westelijk Tilburg

 

poes

zelfstandig naamwoord

vrouwelijk geslachtsdeel

WBD III.1.1. lemma  vrouwelijk geslachtsdeel poes, Tilburg

WBD III.1.1. lemma  vrouwelijk geslachtsdeel poesje, Tilburg

 

poeske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

katje; aarachtige bloeiwijze van sommige bomen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dnke ene vtte kaoter te strikke, n et waar en maoger poeske (D'16)

Cees Robben t poeske aaide langs de neus... (19560609)

WBD III.4.3:128 poeske - wilgenkatje verkleinwoord van 'poes'

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'poeske' 1) katje (van wilgebomen en -struiken); 2) wollige pluim v.h. wollegras (dat bij vennen groeit).

Jan Naaijkens - D's Biks -- poeskes zn - katjes van de wilgeboom

 

poetjakker

zelfstandig naamwoord, scheldwoord voor niet-Brabanders

...al w'k schrijf is vur ons eigen Brabantsche volk en daor hee ginneneene vremde sjandoedel z'n snotneus tusschen te steke. As die vremde poetjakkers 't nie of mar hallef kunnen lezen... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

 

poetje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

slecht verzorgd meisje

Henk van Rijen --  poesje, koosnaam voor vrouw

Henk van Rijen --  'vl poetje' - viespoes, slordig mens

WBD (III.2.1:497) poetje, poesje, poes, poes poes = roepnaam v.d. kat; ook wies, minneke, mauwtje en toetje

WNT POET (II) 4. als vleinaam: b) gebezigd met betrekking tot een klein kind of een geliefde. Lief aanvallig kind of jong meisje, lieveling. 5. Als benaming voor een lichte vrouw: hoer. Wellicht in deze opvatting onder invloed van spaans 'puta'. 6. Vuil, goor vrouwspersoon.

 

poetje (2)

zelfstandig naamwoord

kinderspel

Van Delft - Een spelletje, welks herkomst van naam Joost weten mag, was "poetje". Het was een gevangenspelletje enkel door jongens gespeeld. Tegen een schuurdeur of stal werd een grooten halven cirkel getrokken. Daar stond de vanger in. Hij mocht tijdens het vangen echter zijn handen die hij samengevouwen dichtgeknepen had, niet los maken. De losloopenden waren vrij in hunne bewegingen. Had de vanger er een met zijn gesloten handen getikt, dan was deze vanger en hij kon vrij mee rond den vanger dollen. Z ging het reeds voor zestig jaar en menige school ziet het spelletje herhalen. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

Jan Naaijkens - D's Biks -- poetje zn - poetje (vangspel)

 

poetzak

zelfstandig naamwoord

Poetzak heeft zeer uiteenlopende betekenissen: bed, poetszak, troetelwoord voor een kind.

Brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965 - archief erven Pierre van Beek

Cees Robben En s aovens moet den heele streup/ al vruug den poetzak in (19650507)

Henk van Rijen --  bed, nl. als bewaarplaats van geld

WNT zak waarin militairen bij de artillerie hun poetsbenodigdheden bergen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - in zene poetsak krupe (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1965) - in zijn schulp kruipen; naar bed gaan

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'Ver achter iemands poetszak liggen' ('70) - veel jonger zijn en daarom de mindere

WNT achter iemand poetszak liggen - jonger zijn, korter in dienst zijn

A.P. de Bont -- putsak, zelfstandig naamwoord  m.'poetzak' - troetelwoord voor een klein kind

 

poffe

werkwoord, zwak

WBD III. 3.1:379 'poffen' ertussenuit knijpen (zonder verlof zijn post

verlaten.)

 

poffer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  Brabantse vrouwenmuts

WBD III.1.3:194 'poffer ' = witte kanten muts met sierkrans

193 'poffer ' = poffermuts

Jan Naaijkens - D's Biks -- 'poffer' zn - poffer, vrouwenmuts

 

pofferol

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:215 'pofferol' = communietaart

 

pkke

zelfstandig naamwoord

pokken; ziekte

Interview Jolen - 1978 - De pkke! D wl! D weet ik ng goed. D weet ik ng hel goed! Dan wrde ng aachtern geroepe Dnkt eraon hor, die heej de pkke!! D was vruuger Krvels Huukske, Brndk, Schpsteeg, Diepestraot, Milstraot, tt n, tt n, bekaant n tt Sint Anna krk toe! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Audioregistratie 1978 - De pkkebriefkes, ik hb et mn ng, et pkkebriefke van den dkter van pkke innte. Ik ha ze op menen rem gehad  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

pl, plleke

zelfstandig naamwoord

hand

Blft er meej oew pllen aaf! - Blijf er met je fikken, jatten,handen af en naa slaode de poltje midde in d polleke en kikt uit vur mn polle ... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Mn plleke sloeg iedere keer teegen ene schaawer asser wir ene vurbijkwaam. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)

WBD III.1.1:148 'pollen' = handen, ook: 'poten', 'fikken', 'klauwen', enz. 149 'pollen' = handen (kindernaam)

Lat. pollex - duim (of grote teen)

Javaans 'pol' (verkorting van djempol) = duim

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POL zelfstandig naamwoord m. - hand in de kindertaal. Oe' pollekens zijn koud.

WNT POL (I) - Een andere beteekenis die zich ontwikkeld heeft uit die van 15) 'dikke, ronde massa', is die van poezelig, klein, mollig handje; 16) vervolgens voor hand in het algemeen (uitsl.in Vl. Belgi)

Schu POL - hand, meest kinderhandje

pl - vgl. sausdme

 

plleepel

zelfstandig naamwoord

pollepel

WNT -- Een vorm die, naar men wil, door assimilatie is ontstaan uit potlepel (...) Groote houten lepel met een rond blad (lemma pollepel, 1934)

MNW -- zelfstandig naamwoord  m. Pollepel, houten lepel met een langen steel. Het woord kan geassimileerd zijn uit potlepel en zoo wordt het ook reeds verklaard door Plant. potlepel, pollepel oft sleef, cueillier du pot, cochleare magnum, tudicula, en door Kil. potlepel, pollepel, tudicula, q. d. cochlear ollare, cochlear maius, quo pulmentaria vertuntur commoventurque in olla.

Uitdrukking

Pierre van Beek -- Wie "soep mee den heiligen pollepel" at, moest zich ook met heel dunne soep tevreden stellen. Het feit, dat de pollepel "geheiligd" was, vergoedde uiteraard, wel iets! (Tilburgse Taalplastiek, 24-6-1964)

Cees Robben - Prent van de week - 24-6-1974

Ed Schilders -- Overigens, die pollepel (in de pan, in de prent aan de muur, in de Prent van de week) is ook niet onbelangrijk. Van Beek vermeldt dat verdunde soep ook wel soep mee den heiligen pollepel werd genoemd. Een verklaring voor deze uitdrukking heeft hij niet behalve dat het een schrale troost was. Ik denk dat het, in het dialect, soep meej den hllege plleepel was. Hllege komt van heiligen, ofwel wijden. In dit geval is de pollepel echter niet door een priester geheiligd met wijwater, maar door moeder de vrouw met water uit de kraan. (Slaoj meej aaj mee jn meej rpel - Aan tafel met Cees Robben - Tilburgs Prentebuukske nr. 9; 2008)

► lewaajsoep

 

plleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD (Hasselt) lok-/roepnaam van het veulen, waarvoor ook gebruikt worden:

veule, prdje, hanske (buiten de Hasselt)

Pierre van Beek -- kinderhandje (variant van 'poeleke')

WBD III.1.1:149 'polletjes','poeletjes' = handen (kindernaam)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POLLEKE zelfstandig naamwoord o. - handje in de kindertaal: oe' pollekens zijn koud

Jan Naaijkens - D's Biks -- 'polleke' zn - handje

Lat. POLLEX = duim, grote teen

 

plleke

werkwoord, zwak

pulken, peuteren

plleke - pllekte - gepllekt

Zit nie aaltij in oew neus te plleke.

Cees Robben Ons Nlleke zit te blleke en aon de mik te plleke. (19730914)
Cees Robben Gij meut de krintjes nie uit de mik plleke... (19750516)

Quinten - Zitte wir in oew neus te plleke om unne polling te vange... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

CiT (31) 'Ge mot nie aon d blleke plleke'

WNT PULKEN (l) - trekken, plukken, peuteren

 

pllemikske

zelfstandig naamwoord, verkleind

WBD baksel, gemaakt van de laatste deegrest

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POL zelfstandig naamwoord m - klein brood van den overschot deeg gebakken.

WNT POL (I) 1) klein, rond koekje of broodje

 

pllesjaanke

werkwoord, zwak

kijven, snauwen; de etymologie is niet bekend

Cees Robben [Ze] lpt tegen de kender te pollesjaanke (19650115)

N. Daamen (handschrift 1916) -- "ligt doar nie te palliesjanken (vervelend blijven)"

Witt. - 'w kunde gij toch pallesjaanke' (herrie maken)

Stadsnieuws - Ze lopt hil den dag teege der knder te pllesjaanke - schreeuwen (170107)

 

polletiek

zelfstandig naamwoord

politiek

Henk van Rijen --  'plletiek'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'polletiek'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'politieker' (zn)

 

pllevieje

zelfstandig naamwoord, plur.

WNT POLLEVIJ - hooge (soms ook: lage) hak van een schoen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij vgt er zen plleviejen n aaf (D'16) -hij lapt het aan zijn laars

WNT Schuermans: Dat veeg ik aan mijne pollevien - dat trek ik mij niet aan

N. Daamen (handschrift 1916) -- "pollevie - hij vaigt er z'n pollevie an aaf (geeft er den brui van"

 

Palingverkoopster op de markt - Foto: Regionaal Archief Tilburg

plling

zelfstandig naamwoord

Europese paling - Anguilla anguilla

1. paling

Meej de krmes stn ooveral pllingkraome.

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- paoling; gerukte polling

Ik dnk nog n de td zt vruuger was.
Ge naamt dan bosse polling meej nr hs.
Ons moeder ha iets lkkers opt ferns,
n soves nr n kroeg of n trras.
(Piet van Beers Kermis)

 

Cees Robben   Daor zwemmen gin vissen en paolingen in,/ Die bisten zijn wel wijzer... (19540515)

Ut knaol was toen nog z helder, ge kkt zo naor dun bojum en kont de waoterplaanten die er toen nog groeide, onder waoter op en neer zien bewegen, ok de vissen zaagde zo zwemmen en er wier veul gevist, mar die werden nie net as nau teruggegooid, die baarzen en voorntjes, en ok de polling ging mee naor huis en wier schongemokt en gebakken.
(Elie van Schilt Ut knaol - CuBra)

De kop van Jut stond er, en een oliebollenkraam, en Catoke Vis verkocht er paling: "Hier, dan doe ik er deze dikke nog bij en deze en deze, all, n pond polling vur twee kwartjes".
(Jan Naaijkens Het dorp van onze jeugd)

Ons Jantje maauwt om olliebolle
Ons Mietje om 'n suikerspin
Ons Wies die vraogt gerukte paoling
Ieder wil z'nen ge zin,
(Lechim Kermis haauwe)
 

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaaaene mallemeule n enen hoogaatie n ene ootoosktters n zo n dan gebakkraome n snoep n nooga, ollieblle n, j, pllinge n zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

Ik zg: Verrkt teegen onze Kees, Der zit ene plling! Ooo, die zulle we ok mar meejneeme! Kwaame we ts, zeej ons moeder: W hdde gevange? Zeuve noordsijsjes meej ene plling!! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

- Toen zaag ik ook det er kraomkes waren mee paoling, vier in un buske, gedreugde schar, ok vier aon un touwke, zure herring en leverworst in het zuur, ok krabben en kneukels. Alles was centenwerk, un buske paoling of schar, vur un dubbeltje of negen cent als ut wat laoter op de middag werd.
(Elie van Schilt Ut Hasselts kapelleke - CuBra)

n alles hb ik meegedaon
k hb ooveral ingezeete.
Kenelstok skerspin n friet
Zlfs plling hk gegeete.
(Piet van Beers Tilburgse kermis)
 

As we d jaorlukse spektaokel dan hillemol goed han bekeke, kocht ie un pond paoling. D waren dan van die dunnekes, zo d iedern der ne ha. De klenste lagen dan al te bed, die wiese nog nie hoe lekker polling kon zn, aanders waar ie nog nie toegekomen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

- ...mar plling daor konde vruuger ons Moeder vur wakker maoke. (Nel Timmermans; Gerukte plling; CuBra; 200?)

 

WBD III.2.3:75 'paling ' = gerookte panpaling

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord m. 'pooling' - paling

Jan Naaijkens - D's Biks -- 'polling' zn paling

 

2. uit de neus gepeuterd snot

hij pllekte wl zonne polling t zen neus

 

Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie' (zie dat lemma). Afbeelding:  facebook.com/dejaozeetie, 2019.

 

pltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

paaltje

Dialectenqute 1876 - poltje (doffe korte o)

Dirk Boutkan (blz. 31) pltje (blz. 51) pltje

verkleinwoord van 'paol', met vocaalkrimping

 

pommeleej

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) appelschimmel, ook gewoon 'appelschimmel' genoemd of 'geappeld', of (Hasselt) 'gepnningd'

= fr. 'pommel' = appelgrauwe schimmel

 

pommeraans

zelfstandig naamwoord

pomerans, dopje van leer of vilt een de punt van de keu

Cees Robben --  Ik zal oe is meej et dik nd van mene keu p oewe pmmeraans timmere. Frans Verbunt -- iemes op zene pommeraans timmere - op zijn kop geven

vDale POMERANS (uit het Hd), bet. als boven

 

pomp

zelfstandig naamwoord

pomp

Frans Verbunt -- ene slag meej de pomp gift vur tien man saus

 

pompe

werkwoord, zwak

pompen

Dirk Boutkan (blz. 27) uit het cluster mpt wordt de p steeds verzwegen: pomt, pomte, gepomt

WBD III 4,2:167 lemma Pompen van de meikever - Het herhaalde malen met de vleugels bewegen voordat een meikever opvliegt.
tellen Tilburg
mulderen Tilburg
pompen Tlburg
 

pomphoore

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  roerdomp (Botaurus stellaris)

WBD III.4.1:227 'pomphoorn','oomphoorn' - roerdomp (Botaurus stellaris), ook 'domphoorn'

 

pomsten

zelfstandig naamwoord

stenen bak onder een pomp

Dirk Boutkan (blz. 27) uit cluster mps wordt de p verzwegen.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POMPSTEEN (in 't Z en W poempsteen) zelfstandig naamwoord m.= watersteen, groote vierkante arduinen steen onder de pomp, waar men het keukengerief op afwascht.

 

pmsten

zelfstandig naamwoord

puimsteen

 

pomstesjon

zelfstandig naamwoord

pompstation

Dirk Boutkan (blz. 28) uit cluster mpst wordt de p verzwegen

 

pon

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:63 'pon' = jurk; ook: 'japon', 'jurk'

 

pond

zelfstandig naamwoord

gewicht van 470,5 gram

(in Tilburg gangbaar vr de invoering v.h. Ned. Metriek Stelsel,1820) zie: Verhoeff

 

ponnie

zelfstandig naamwoord

pony, hit, klein paard van het Shetlandras (Hitland)

WTT-2012: de aanduiding is overgegaan naar 'dienstmeid', met name de zogenaamde 'daghitjes' (1880-1940) die met lichtere taken belast waren in een huishouden en die op basis van afroep in dagdienst genomen werden.

...ze waar erten aon et zaaien mee Leentje, et ponnieke. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
In de keuken van de pastorie zaat Hanna mee de ponnie 't aovondgebed te bidden... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
De huishoudster - de oudere zuster van den pastoor - zaat mee de ponnie in de keuken kousen te stoppen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)
Ze stuurde de ponnie gaaw naor bed... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)

Vergelijk: Daor isse trouwes nie lang gewist, as daghitje, hogt un paor maonde. Die nonnen waren van penning zestien. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD 'pnnie', 'poonie', (Hasselt:) pnnie; ook 'hit'

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge kunt ginne pnnie spanne vur en koolekr (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1965) - je moet iemand niet te zwaar belasten

 

pontefiekaol

bn/bw

R op z'n paasbest

R Ter eere van wlken hllege ziede gij der z pontefiekaol t?

 

ponteneur

zelfstandig naamwoord

- Een mens heeft nou eenmaal z'n ponteneur. - Dit is "point d'honneur", eergevoel. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Henk van Rijen --  iemand die op zijn eer gesteld is

Frans Verbunt -- standpunt

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PONDENEUR - Verbastering van Fr. point d'honneur. Hij houdt 'em op zijne' pondeneur.

Hees ponteneur (I:15)

WNT PONTENEUR, in Vl. Belgi PONDENEUR, verbastering v. fr. point d'honneur - eig. datgene wat de eer raakt, en vervolgens: eer, eergevoel

 

Pontius Pilatus
eigennaam
Wikipedia - Pontius Pilatus was van 26 - 36 na Chr. de 5e praefectus van Judea, de belangrijkste provincie van het toenmalige Palestina dat toen onderdeel was van het Romeinse Rijk. Hij was afkomstig uit het oude geslacht van de Pontii. Hij wordt in het Nieuwe Testament en de Apostolische geloofsbelijdenis genoemd als degene die Jezus van Nazareth liet kruisigen.
Cees Robben gebruikt Pontius Pilatus in een merkwaardige context:
Cees Robben ..Lewieke heurt nie in t irste elftal [voetbal] thuis... N.. Hij isser wir tussen geschoven net as Pontius Pilatus in den Credo... (19680112)
De verklaring van dit gezegde is waarschijnlijk een wilde vesper, ofwel de verbastering van een Latijnse tekst die door het gewone kerkvolk niet verstaan werd, en waaraan bijgevolg een eigen betekenis gegeven werd. In dit geval betreft het het gezang Credo, de gezongen geloofsbelijdenis, waarin Pontius Pilatus vernoemd wordt met de toevoeging "Hoc est corpus" ("Dit is het lichaam") in de volksmond verbasterd tot "hocus pocus pilatus pas". Dat Lewieke dus toch in het irste mag voetballen is een kwestie van gegoochel, zo niet van tovenarij.
 

poj

zelfstandig naamwoord, meervoud van 'pot'

Henk van Rijen --  poten, voeten

 

poje
werkwoord, zwak; meestal gebruikt als em pooje
er van door gaan
Cees Robben Hij pooide m al vur dekkem aon zunne start kos zitten... (19650402)
Cees Robben Pooit m naa mar vur detjoe bij oew lrve vat.. (19780811)

De Wijs  -- As gij blomme plukt bij de pastoor, mottm op td pooien. (15-06-1963)

Henk van Rijen --  'Toen ie de waawt zaag, pojden ie um'

WBD III.1.2:130 'hem poten' = op de loop gaan (hem pooien)

 

pooke

werkwoord, zwak

poken; opstoken, opgewonden raken of zijn

pooke - pkte - gepkt

in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij pkt

Cees Robben --  n 'pkten' meej en lange pook

Hij vuulde z'n eige of ie koorts ha want z'n hart pookte verschrikkelijk. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

poole

werkwoord, zwak

pellen, uit de huls halen

R bone poole

D thswrk, d zo nog nie hiete, mar et wel waar, bestond t erwten polen. Agge nie wit w d is? De erwtjes die opgesloten zitten in die peulen der thaolen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD (III.2.1:374) 'peulen' = erwten v.d. schaal ontdoen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POOL (zachte o) zelfstandig naamwoord v. - peul, pel, schelp v. erwten en boonen

Kil. Pole, peule (Sicamb., Holl.) - pericarpium

WNT POLEN (II) gelijkbet. met 'peulen' (l): boonen en erwten uit de schil doen, doopen (in Z.-Ned.)

 

pot, potje

zelfstandig naamwoord

poot

Dirk Boutkan (blz. 36) meervoud: pote

In de gedichten van Heerkens ook aangetroffen als meervoud pooi; - en enkelde lejen verbraandden d'r pooi'... (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De gemeenteraod van Baokel, 1944)

-- stek; afgesneden takje dat men in de grond zet om er een nieuwe plant uit te laten groeien