INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tòt zaandkèùl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officiële spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Wil Sterenborg & Ed Schilders

Van paa tot putjesèèrepel

paa

zelfstandig naamwoord

pa, vader

onze paa - vader

Dirk Boutkan: (blz. 59) onze / jullie(je) / hullie(je) paa

WBD III.2.2:64 'grotepa' = grootvader

WBD III.2.2:67 'pa' = vader; ook 'va'; 68 'papa' = vader

 

Paaj

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Karel de Beer, Bijnamenboek: ene Paaj = lid v.d. familie Pa(a)ijmans

Karel de Beer, Bijnamenboek: wuwke Paaj = weduwe Paaijmans (blz.59)

 

paand

zelfstandig naamwoord

pand

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAND (in 't N. en W. 'paand' met Ned. a) zelfstandig naamwoord m. - pand

 

paane, paone

zelfstandig naamwoord

kweek, kweekgras

WBD III.4.3.: "Kweek (Elymus repens, vroeger ook Triticum repens, Elytrigia repens of Agropyron repens) is een wat op tarwe lijkende grassoort, die door zijn snelgroeiende sterke witte wortelstokken
een moeilijk uit te roeien onkruid is. De bladeren zijn ruw en dof blauwgroen. De aren zijn afgeplat."

Opgave voor Tilburg aldaar: 'panen' (zeldzaam, behalve in het noorden); ijzergras.

Opgave in WBD I:1483 lemma Kweekgras: Triticum repens, paane, paone; ook: hondsgras, maar niet voor Tilburg genoteerd.


Ill.: Thomé - triticum repens

 

Cees Robben – ’t Is paone en tis enkelt röcht.. (19600219)

Henk van Rijen (1998): 'paone, èèzergras'

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): paone zn - kweek (Triticum repens) een wilde grassoort

Hoeufft, Proeve van Breda's Taaleigen (1836): PANEN noemt men het zgn. peen-gras of honds-gras, Lat. gramen caninum. Ik heb ook wel 'peunen' of 'puinen' gehoord. Wsch.= peen. Z.a.

WBD I:1483 'paane' - kweekgras

WBD III.4.3:345 paone - kweek (Elymus repens, Triticum repens), ook genoemd: peene of peeze of èèzergras

WBD III.4.3:416 peene, pènte, bieze - rus (Juncus)

Heukels: triticum repens; kweek, kreekgras, hondsgras, panen

Kiliaen: lidgras

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANEN zelfstandig naamwoord v.mrv. - hondsgras, Fr. chien-dent [=hondstand]

WNT PAAN (III) - mv. panen. Volksnaam in Brabant en Antwerpen voor de kweek of het kweekgras, Triticum repens

 

paap (paop?)

zelfstandig naamwoord

bepaalde kegel

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "paap - groote kegel van het kegelspel"

WNT PAAP 7) Bij het kegelen. Hier en daar in Brabant als benaming voor den middelsten kegel of koning.

 

paapke steeke

Werkwoord, sterk

kinderspel

WTT 2013 - In Tilburg ook opgetekende in de verbasterde uitspraak 'papsteeke' (zie onder: Daamen). Met het spotwoord 'paap' (rooms katholiek) heeft de naam niets te maken. 'Paap' is waarschijnlijk de Vlaamse uitspraak van 'pijp', verwijzend naar de vorm van het voorwerp waarop de muntstukken geplaatst werden (zie onder: Volkskunde). 'Paapke' is daarvan de verkleinde vorm, 'pijpje'. Temeer daar de Tilburgse uitspraak voor 'paap' = rooms katholiek 'paop' is; ► paopeköltje

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "papsteken - 'n kinderspel"

Van Delft - Dan had men nog het paapke steken. Hierbij diende een rond hout van circa dertig centimeter lengte, waarop men centen zette, elk één of twee al naargelang de afspraak luidde. Was dat gebeurd, dan werd weer pijltje getrokken en de langste was de beginner. Men had ieder een stuk steen. Wie het paapke raakte, zoodat er centen afvielen, mocht de centen hebben, die er afgevallen waren. Met het opraken der centen, eindigde het spel vanzelf. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

WTT 2013 - In Vlaanderen werd het spel 'paap steken' genoemd.

Volkskunde – 1932 - De Folklore van een Kempisch Dorp [Hoogstraeten] – Beschrijving van kinderspel Paap Steken (p. 39) -- Ieder speler zet een cent op een kurken stop, welke recht geplaatst wordt op den grond; een «meet» wordt op zekeren afstand (drie of vier meter) van den stop op den grond getrokken. Van daar «steekt» ieder op zijn beurt naar den stop; die beurt wordt op de volgende wijze bepaald: voorafgaandelijk «steekt» ieder speler met een groot muntstuk van aan den stop naar de «meet»; die het dichts bij de «meet» ligt, speelt het eerst. Het doel van ieder speler is den stop van af de «meet» met zijn muntstuk omver te « steken » en de centjes alzoo ten gronde te doen vallen; gelukt hij daarin niet, dan «steekt» de volgende speler op zijn beurt, en zoo voort, totdat de stop valt. Degene die de centjes alzoo verspreidt, neemt ze in zijn handen op, rammelt er eens mee, en werpt ze dan omhoog. De centen die dan « kop » vallen, zijn de winst van den opgooier: de stop wordt vervolgens weer recht gezet en de centen die “let” (pile) vielen, er terug op geplaatst. De beurt van «steken» is nu aan den tweeden speler, die handelt zooals de eerste; de eerste speler plaatst zich laatst; de bij het opgooien « let » vallende centen worden telkenmale op den stop gezet, en de beurt van eerst « steken » komt alzoo aan den derden speler; vervolgens aan den vierden, enz., totdat de opgezette centen alle verwonnen zijn. Het spel herbegint zoolang het den spelers belieft, met een nieuwen opzet van centen.

 

paas

zelfstandig naamwoord

pas (van pas, te pas)

Pierre van Beek: et heej gin paas - het is ongepast

Frans Verbunt: paas maoke - pasklaar maken

uitdrukking: in de paas staon, zèèn
waarschijnlijk van ‘pas’ als aanduiding voor ‘goed passen’
Cees Robben – ’t Was waor... / ’t Was in de paas... (19550402)
Cees Robben – Hij stond er heel goed in de paas... (19600701)

WBD III.1.2:153 'pas' = stap, schrede

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pa.s, zelfstandig naamwoord m. 'paas' - pas. Z.a.

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): paas bw - te pas 'dè komt nie te paas'

 

paase

Werkwoord, zwak

op of bij elkar passen; kleding passen; betamen

Dialectenquête Willems (1887): paase - paaste - gepaast

En dan: 't komt in dees geval hillemaol nie uit, dè die twee bij mekaar paase, Kareltje Vinken en de dochter van 'n keuterboerke, dè paast krek as 'nen pollepel op 'n onjeklonjefleske!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940)

Cees Robben – Dè paast nie in dee’z dure tijen! (19541127)Pierre van Beek: óp de deur paase - op het huis passen (Tilburgse Taalplastiek 187)

Cees Robben – Bij unne Paose paast ’n aaike. (19540417)

Henk van Rijen: op de deur paase - opletten of er iemand binnenkomt

Henk van Rijen: dè paast as ne pik in en weedevraaw - dat past als een bus

Henk van Rijen: dè paast nie meej Paose - dat hoort niet met Pasen

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et paast as en klèp óp en gaanzekooj (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van twee zaken die goed bij elkaar komen; iets dat goed klopt

Cees Robben – “Vur Paose is ’t paase” zee Snijers... (19550402) [De prent refereert aan de gewoonte om ter gelegenheid van Pasen nieuwe kleding te kopen – ‘Paasbest’. Vandaar ‘paase’, passen, bij de kleermaker genaamd Snijers.]

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): st. (pies - gepaasse(n)) en zw. (paaste, gepaast) ww., tr. en intr. - passen

WBD II:1211 et paast goed - het past goed

WBD III.1.3:9 'niet passen' = niet passen

WBD III.1.3:9 'goed passen', 'precies passen' = passen (van kleding)

 

pachter

zelfstandig naamwoord

kind (?)

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'klein pachters'

 

pad

zelfstandig naamwoord

pad, weg

verkleinwoord: padje, pèdje, paojke, pòjke

►pèdje

►paojke

Dirk Boutkan: plur.: paoje (36)

De paoikes in et bos ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘In et bos’, 1941)

Cees Robben: et was er stil daor op den pad

WS: et Riels padje

Hoeufft: ... 'pad' wordt in het mannelijk geslacht gebezigd. [de pad]

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): paajke zn - paadje

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: langs den hòfpad gescheeten hèbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben (in Tilburg: pad(de)scheet).

WBD III.3.1:402 'pad, padje' = pad; ook: 'zandpad, weg'

 

paddegedrèk

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.2:112 'paddegedrek' - kikkerdril, ook genoemd: 'kikvorsendrek', 'dril', 'kikkendril'

 

paddevoet, paddepôot

zelfstandig naamwoord

1. weeffout als gevolg van een gebroken kettingdraad

WTT 2013 - vaste uitdrukking: 'ene paddevoe schiete'

Leo Heerkens --

'n Weeverke schoot...

'n Weeverke schoot eene paddevoet
potjeverdie, zoo'ne paddevoet,
en 't weeverke schoot eene paddevoet
en de ketting die knapte kapoet.

En et weeverke ketterde: potverdot
potjeverdikkie wel potverdot,
en et weeverke ketterde: potverdot
d'r zijn er wel duuzend kapot!

En de spoelen klabetterden: retteketet
van krijg-de-colère, van retteketet,
en de spoelen klabetterden: retteketet
ge hè't er nie opgelet!

En et weeverke daocht: wè doe ik er mee,
wè doe 'k er verdimme-verdomme naa mee,
en et weeverke daocht: wè doe ik er mee,
wè doe 'k er toch mee, sakee!?

Toen is er de weever aon 't kneupen gegaon,
aon et knippen en knappen en kneupen gegaon,
toen is er de weever aon 't kneupen gegaon
mar et stuk was naor de maon.

En bij iedere kneup zee ie: Potverdot,
potjeverdikkie wel potverdot,
bij iedere kneup zee ie: potverdot,
d'r zijn er wel duuzend kapot!

En de weever kwaam thuis zonder centen aon,
zonder sinten en santen en centen aon,
en de weever kwaam thuis zonder centen aon
en ie spraak zijn vrouwken aon:

"Zeg, vrouwke, ik schoot eene paddevoet,
potjeverdie, zoo'ne paddevoet,
zeg vrouwke, ik schoot eene paddevoet
en de ketting die knapte kapoet".

En 't vrouwke dè ketterde: potverdot,
potjeverdorie toch potverdot,
en 't vrouwke dè ketterde: potverdot,
dan hebben we niks in de pot!

En de kender trompetterden: retteketet,
van krijg-de-colère, van retteketet,
en de kender trompetterden: retteketet
en gongen mee honger te bed.

En ze droomden van 'ne paddevoet,
potjeverdie, zoo'ne paddevoet,
en ze droomden van 'ne paddevoet
mar slaopen dè deejen ze goed.

Ze ketterden droomende: potverdot,
potjeverdikkie wel potverdot,
ze ketterden droomende: potverdot
d'r zijn er wel duuzend kapot!
(Uit: De mus, Piet Heerkens s.v.d., 1939)
Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): ''n wèverke schòot 'ne paddevoet':

► Gotere weergave muzieknotatie

Stadsnieuws: Hèk daor gaddomme wir ene paddepôot in men stuk - Heb ik daar potverdorie weer een fout in mijn weefsel. (110209)

WBD paddevoet (II:1048) - paddevoet: ongewenste wirwar van draden op 't getouw

WNT PADDEVOET - (bij wevers) zeker gebrek in het weefsel;

II stapel turf

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PADDEVOET zelfstandig naamwoord m. - bij landb.: drie turven tegen elkander en een er boven op (Retie). Men zet de turf in paddevoeten om ze te laten drogen

 

paddewaajke(s)

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  & eigennaam ofwel volkstoponiem

Samenstelling van 'Padde' en 'waajke'.

Het lid 'padde' waarschijnlijk om aan te duiden dat aldaar padden hun biotoop hadden. Mogelijk dus inderdaad een moerassig gebied, zoals Henk van Rijen (1998) zegt: moerasweide waar zich veel padden ophouden.  Wat door Van Mook wordt bevestigd:

'Indien ze nog leefden zouden ze ver over de honderd jaar zijn, de mensen van Korvel die me vroeger vertelden over  Den Uilenvlucht, de Paddewaaikes, het Kretshuis, de Keet, en de Kracht? (...) Van het vroeger Korvels Huukske ging men over een lang voetpad, tussen twee hagen, naar den Uilenvlucht. Dat lange pad en de moerassige weiden eromheen, die vol kikvorsen en padden zaten, noemde men de Paddewaaikes. In de avondschemering waren die Paddewaaikes een eldorado voor vrijende paartjes. De pastoor van Korvel preekte er over: Die Paddewaaikes, zei hij, zijn het voorgeborchte van de hel.' (uit: Nieuwe Brabantse novellen; 1971)

Bij Cees Robben vinden we: 

(...) Hij gaat op pad, maar 't is wel vreemd.
Hij vindt geen Oel of Loven
Geen Korvelshoekske of 't Zaand
Geen Paddewaaikes en geen Vraand... [Warande]
Geen höfkes meer en hoven. (Uit: Robben en Rooms, 'De ballade van broeder Jan', 1981)

Robben had de tekst al in 1965 gebruikt in een Prent van de week met een enigszins afwijkende bewoording: – Hij gaat op zoek maar ’t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Körvels-huukske of ’t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen höfkes en geen hoven. (19651224) De prent gaat over de verstedelijking van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.

- titel van een scène uit de Korvelse Revue ‘Vruuger en naa’, 1926.
- ok Oel en de Paddewaaikes, het Kretshuiske en iets over tuiten..., de blende Fiel…; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue ‘Vruuger en naa’, 1926.
- Zelfs de streupers op de Paddewaaikes en de smokkelaers komen op…; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue ‘Vruuger en naa’, 1926.
- In Oel of op de Paddewaaikes/ Aachter d'Porkes mee kietelkaaikes…; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue ‘Vruuger en naa’, 1926.
 

padscheet

zelfstandig naamwoord

klein gezwel aan het ooglid, gerstekorrel, strontje

Van Delft: …ziekten (…) die door den Tilburgschen volksmond volgenderwijs benaamd worden: "padscheet, leepoog, schurbeuk, snotvruut, prutlip, schurbek, krintenbaord, kletskop…” (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Stadsnieuws: Dès hêel ont, zon padscheet op oew ôog - Dat is erg vervelend, zo'n strontje aan het oog. (221210)

Mar as ge unne stinpöst op oewen dèrriejèère had, èn as bidde nie hielep, dan moeste bij ’t feitvrouwke van Van Hees zèèn. Die mòkte d’r èège zallefkes. Vur pöste, èkseem, fratte, padscheete, èn alles. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): padscheejt zn - klein bultje op het ooglid

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: langs den hòfpad gescheeten hèbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben, in Tilburg: pad(de)scheet

C.J. Verhoeven, Haorese woorde (2007): PADSCHEET - wegescheet

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): paddescheet, padòòg (I:19), (V:14)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PADSCHIJTER zelfstandig naamwoord m. - weeroog, Fr. orgelet. Zoo geheeten naar het volksgeloof dat wie zijn gevoeg op den weg doet, een weeroog krijgt.

WBD III.1.2:336 'padscheet' = strontje; ook: 'paddenscheet'

WNT PADDESCHEET - naam voor een zeker klein gezwel (gerstekorrel) op het oog, strontje

 

pak

zelfstandig naamwoord

pak

Pierre van Beek: met et pak gaon - met ellegoed langs de deur gaan (Tilburgse Taalplastiek 149)

Dirk Boutkan: verkleinwoord  pakske (blz. 53)

WBD III.4.4:238 'pak' = bundel

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pak, zelfstandig naamwoord  m. (in de bet. van 'Bundel') en o. (in de bet. v. kostuum).

►pèkske

 

pakêeteman

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: bep. marskramer

Tijdens grote werkloosheidsperioden in Duitsland, bijv. na de beide wereldoorlogen, kwamen Duitse ondernemers met pakketten (Pakete) koopwaar naar het welvarende Nederland. In Tilburg trad een groep mannen op die lappen stof, opgekocht bij textielfabrieken, aan de boeren in de omgeving verkochten.

 

pakkendraoger

zelfstandig naamwoord

bagagedrager (van fiets o.i.d.)

Hoeufft, Proeve van Breda's Taaleigen (1836): PAKKENDRAGER of PAKDRAGER = marskramer. Z.a.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. - bagagedrager (op een fiets)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAKDRAGER zelfstandig naamwoord m. - een leurder in ellegoed, die zijne waren in een pak op den rug draagt.

  

pallesjanke

werkwoord, zwak
huilen
Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - #29 - 20-02-1965 -- Als ze aan het huilen waren, of tegen elkaar te keer gingen, placht een Tilburgse moeder tot haar kinderen te roepen: "Lig toch nie zo te pallesjanke". Een nogal buitenissig werkwoord, dat toch wel geen algemene gangbaarheid gehad zal hebben. Of heeft iemand het méér gehoord? We vinden hierin terug "sjanken". dat men in Twenthe voor "schreien" gebruikt. En om maar gewoon bij huis te blijven: wij kennen immers toch ook het woord "janken", eveneens in de betekenis van "schreien". In de 17de eeuw, ten tijde van Vondel, vormde "janken" zelfs het normale woord voor "schreien". We bedoelen dat het te allen tijde en in ieder gezelschap rustig gebruikt kon worden. Thans echter klinkt het grof en hoort men het alleen in volkstaal.
WTT 2013 - Van Beek (hiervoor) verklaart het eerste lid 'palle(s)' niet. Een aannemelijke verklaring lijkt de volgende te zijn, afkomstig van A.C. Hoogendoorn uit een brief aan Van Beek: '...het betekent hier [Goirle]: dreinerig en treiterend lawaai schoppen van kinderen onder elkaar (...) ik herinner me nog de geestige verklaring van een vroegere leermeester: - op alles janken...' Van Beek heeft deze verklaring niet opgenomen in zijn Tilburgse Taalplastiek.

Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

 

palletoo, palletooke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

WNT PALETOT (uitgesproken als in het Fr.), in 19e eeuw overgenomen uit fr. 'paletot'. Los bovenkleedingstuk van mannen en vrouwen; wijde zakvormige of nauw aansluitende overjas of overmantel.

WTT 2011 - Frans: paletot < Middelengels: paltok, paltock < mogelijk Latijn: pallium (mantel). Vanaf het begin van de 19de eeuw in gebruik voor uiteenlopende modellen jassen voor zowel mannen als vrouwen en ook kinderen; in het algemeen: overjas. De lengte varieert.

- Daarnaast ook de stof waarvan dergelijke kledingstukken gemaakt werden.

Cees Robben - Prent van de Week, 13-10-1967

Cees Robben – Ik heb munne heuj op  en munne palletoo aon (19671013)

- We droege gin boezeroen mir, mar missiezonnekes. Èn en palletoo èn kooverkookes. Dè waar ammòl vur ooverdaags. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Henk van Rijen (1998): 'palletooke'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. - paletot

WBD III.1.3:21 'paletot' = jas

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): PALETOT - palto, zelfstandig naamwoord m.

► Dossier Palletoo

 

pallissaoj

zelfstandig naamwoord

palissade, paal-omheining

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'palissaoj'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'pallesáat' (woord met vage bet. dat men gebruikt voor kleine kinderen; 'enen klaene pallesóo't' - een klein kind.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PALLESAAT (klemt. op saat) zelfstandig naamwoord m. - mager, lang opgeschoten mensch. 'Ne pallesaat van e meisken. 'Ne lange pallesaat. (Fr. palissade)

WNT PALISSADE - omheining van palen of staken in den grond

 

palm

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:288 'palm' = decimeter

 

palmmèrt

Naam

Palm-markt. De markt rond Palmpasen.

 

palmtèkske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van 'pallemtak'

palmtakje

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Jao, ge hòd van die dôod, ge hòd van die dôodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul plòtse as de meense enen dôojen in hèùs hadde, dan wier der zon wèpke bèùte gezèt, en paor stêene teege mekaaren aon èn daor zon palmtèkske tusse, en boske strôoj…” Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

pampier, pepier

zelfstandig naamwoord

papier

-- lange ie

- …daor moest Staf, bij den brouwer, 't een en aander op pampier zetten. ‘Uit het land der Brabantsche week’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door ‘W.v.M.’ = Willem van Mook.

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'pampier' (passim)

Cees Robben – Hij greep naar int en naar pampier (19651224)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. 'pampier' - papier

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAMPIER zelfstandig naamwoord o. - papier

WNT PAPIER. Daarnaast, zoowel in N.- als in Z.-Nederl., pampier.

 

pan

zelfstandig naamwoord

1. pan (keukengrei)

verkleinwoord: ►pènneke

Dialectenquête 1879: potten en panne

Cees Robben – Ik heb’t zôô druk as ’n pan op vaasten-aovend (19671006) [op Vastenavond werd traditioneel pannenkoek gebakken; de bakpan had het die avond druk]
- uitdrukking: ‘’n schôôn pan’; iets lastigs
Cees Robben – ..Des ’n schôôn pan... (19671006)

Pierre van Beek: Bij et bakken öt de pan gesprónge zèèn - niet aarden naar zijn vader (Tilburgse Taalplastiek 178)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: daor zulde nie veul panne vant vuur doen (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1971) - daar zul je geen goede zaken van kunnen doen: je wordt er niet vet van.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Ze han et zó druk as de pan meej vastenaovend.

Zonnen burgemister die heej et druk as en pan meej vaastenaovend. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)WBD III.4.4:313 'pan' = warboel

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PAN zelfstandig naamwoord v., vklw. panneken, Kemp.: panneken, penneken

2. dakpan

verkleinwoord: panneke

- uitdrukking: onder de panne zijn, geraken: goed terechtkomen, in het huwelijk treden

Goed desse dieje weduwman teegen et lèèf gelôope was, waar ze toch nog onder de panne geraokt. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- uitdrukking, meestal met het werkwoord ‘lègge’: ophouden met iets, iets voltooien; “we lègge de panne derop”
Cees Robben – Dan de pannen er op... (19580308)
 

panaarste, panaaste

werkwoord, zwak

Veronderstellingen

Pierre van Beek - Tilburgse taalplastiek # 12 - 04-09-1964 -- "Ze moesten hem panaarsten", zal men wel tevergeefs in ieder woordenboek zoeken. Het betekent: "Men moest hem eens goed onder handen nemen". Het o.i. zeer typisch Tilburgs werkwoord "panaarsten" werd op speelplaatsen van vroegere jongensscholen geducht "vervoegd". Wanneer een jongen in de ogen van zijn schoolmakkers wat misdreven had, werd hij "gepanaarst op 'nen klomp". Men nam de knaap vast bij armen en benen en liet hem dan vele malen achtereen met zijn "derrière" op een klomp botsen. Men noemde deze behandeling ook wel "jonassen".

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: flink onder handen nemen (persoon), lichamelijk (± jonassen) panaarsten óp ene klómp (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1964) - panaarzen op een klomp: afstraffing op speelplaatsen van jongensscholen (uit: pan + aars, ook 'bridse slaen') Het slachtoffer werd vastgepakt als bij jonassen, bij de voeten en de armen, en dan telkens met zijn achterwerk op een klomp gegooid.

-- Van Lat. 'poena'? [WTT 2013 - dit lijkt niet juist; zie verder]

Betekenissen

WTT 2013 - het door Mandos genoemde 'bridse slaen' houdt mogelijk verband met het werkwoord 'laarzen' als strafmaatregel, gezien: 

Noord en Zuid - jrg. 1897, p. 415 -- Laarzen - de matrozen straffen met slagen op het achterdeel. Met een Engelschen term noemen wij dit bridsen (van breeches = broek).

WTT 2013 -- De veronderstelling in Noord en Zuid (vorige) dat het 'een Engelschen term' betreft, afgeleid van 'breeches', lijkt echter niet juist. Zie volgende.

WNT - lemma Britsen - 1899 -- Volgens eene andere verklaring, reeds in de Naam-lyst achter MEERMAN'S Com. Vet. en ook bij BILD., Verkl. Geslachtl. op Bokse te vinden, zou het woord ontleend zijn aan eng. to breech, op de billen kastijden. Doch, hoe zeer vorm en beteekenis ook overeenstemmen, deze afleiding kan niet juist wezen.

WTT 2013 - Het in Noord en Zuid (hierboven) genoemde 'laarzen' komt als 'synoniem' inderdaad voor in WNT lemma Brits I (volgende).

WNT - lemma Brits I (1899) — voorheen, en in Zuid-Nederland nog  BRIDSE —, znw. vr. (voorheen ook, en in West-Vlaanderen nog, m.), mv. (...) B 1 - de benaming eener soort van houten sabel, een (eenige malen gespleten) stok of lat, dienende om klinkende slagen, klappen mede te geven (...) B 2 - Een dergelijk werktuig schijnt ook wel bedoeld in de volgende uitdrukkingen: a.  De(n) brits ontvangen enz., (op de billen of de broek) slaag krijgen; Britse slaan, de brits slaan, (iemand) met eenig plat voorwerp (als een knuppel, de zool van eene muil, pantoffel of laars, eene pan, of ook met een touw) op de billen slaan, kastijden, tuchtigen; hetzelfde als Britsen; De Brits slaen. Donner ad soleas, ou la paelle par le cul. Solea vel sartagine nates verberare,   PLANT. [1573]. Bridse slaen. j. panaersen. Caedere nates ferrea patella. Obiurgare solea siue sandalio. Solea pulsare nates. vulgo dare ad soleas,   KIL. [1599] Bot-aersen, leersen, bridse slaen. Xylegogio castigare: ocrea, assere vel rudente ferire nates,   KIL. [1599] -- b.  Uitdrukkingen als de brits slaan konden aanleiding geven tot eene verkeerde opvatting van brits, hetzij als: achterste, hetzij als: broek

WTT 2013 - panaersen komt in het WNT niet voor behalve in de hiervoor en hierna genoemde uitgave van Kiliaen.

KILIAEN (1599) - pan-aersen, bridse slaen. Caedere nates ferrea patella. Obiurgare solea siue sandalio. Persius Satyra 5. Solea pulsare nates, Iuuen. Sat. 6 vulgò dare ad soleas.

Conclusie

panaarse / panaarste gaat terug tot minimaal eind 16de eeuw en betekent in essentie een straf (obiuigare), die uitgevoerd wordt door met een pan (patella) hard (ferrea) op de billen (aars, aers, nates) te slaan. Daarnaast ook, en vanuit klassiek Latijn: met een zool (solea) of sandaal (sandaal) op de kont slaan of daartegen schoppen. Vandaar het latere leerzen, laarzen.

 

panhèrring

zelfstandig naamwoord

1. bakharing

WBD III.2.3:71 'panharing' = ongezouten, al of niet gerookte haring in de pan, ook genoemd: 'gerookte haring', 'zoete haring' of 'lammetje zoet'

Jè, èèrme meense vis, enne gebakken panherring, jè femilie van de bukkum. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

2. opvallend magere persoon

J. Berns e.a., Brabantse spot- en schertswoorden (1975): PANHÈRING: panharing, zeer mager manspersoon, Corn.Vervl. A 1957.

WNT XII I 275, s.v.pan (I), samenst. 3e betekenis: (oneig.) "zeer mager mensch". Z.a. (blz.32.)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANHÈRING zelfstandig naamwoord m. - panharing, zeer magere manspersoon.

Zie het dossier over herring / haring

 

panlat

zelfstandig naamwoord

letterlijk: panlat (bouwmateriaal )

figuurlijk: lang, mager mens

...zoo schraol en maoger bent gewist as 'n panlat. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun als opvoeder’; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 – 6-4-1940)

En hij was zoo mager as ’n panlat... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’n Staandbild in Baozel’; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 – 17-6-1939)

Pierre van Beek – Lange, magere mensen zien zich wel eens aangeduid met "panlat", "maogere hannek" of "lange pierewiet". (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 5 juni 1950)

Henk van Rijen: zó maoger as en panlat

J. Berns e.a., Brabantse spot- en schertswoorden (1975): PANLAT Fig. lange, magere mensch (Corn.-Vervl.) PANLAT: Fig. lange, magere mensch.

Corn. Vervl. 937. De eerste betekenis luidt "pannelat", dus is er sprake van een metafoor. Het WNT geeft dezelfde betekenis onder pan I samenst.

WNT PAN(NE)LAT ... 2) Overdr. voor een zeer lang en mager persoon.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANLAT zelfstandig naamwoord v. - lett.; fig.: lange, magere mensch

 

panneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Henk van Rijen (1998): Kleine schop

 

pannekoek

zelfstandig naamwoord

pannenkoek

Ons Hanna zee: "Wie geen pannekoeken kan bakken, hee niks in de keuken te zuuken!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun op collecte’; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 –26-8-1939)

 

panschèrsel, panschròpsel

zelfstandig naamwoord

samenst. van 'pan' + afl. van 'schèère' - schrapen.

panschraapsel (zie WNT: pan, samenst.)

Pierre van Beek: fig. m.b.t. een nakomertje, zgn. 'schèèrkiendje'

 

paoj

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen (1998): paden (plur. van 'pad')

Elie van Schilt - Lòòp ik dan te waandelen over al die paoi./ Dan zie ik ze daor liggen, veul goei mar ok veul kaoi. (Uit: ‘Irst Allerheiligen’; CuBra ca. 2000)

 

paojke, pòjke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

paadje, padje

— verkleinwoord  van 'pad', via plur. 'paden; paoden' met d-syncope

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): paojke

En fietspaoike dwars dur de stad!!/ Et zal er tòch van koome. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin kaans om te waandele)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): paddeken en paaiken - voetweg

►pad

►pèdje

 

paol

zelfstandig naamwoord

paal

verkleinwoord: pòltje

Dialectenquête 1879: paol - poltje

Interview Hermans - 1978 - “Die kètting die was nat èn die moes gedrêûgd wòrre…èn dan han ze ene paol op meej ene zwarte paol derop èn dan stond er ammel spèèkers èn pinne op …èn dè was van dieje bridte èn daor wier dan…”. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Kettingdrogen en kettinglijmen; te zien is de T-paal met 'ammel spèèkers èn pinne'; foto door Henri Berssenbrugge (1873-1959) in 1903 in de Berkdijksestraat. Collectie Regionaal Archief Tilburg


Interview Hermans - 1978 - “…èn dè is halfwèg den Heuvel, dèddis van de Veejmèrtstraot tòt òn de Sporlaon toe, hòdde midde op et plein, hòdde wirskaante ene wèg daor ge dur kost rije meej de koetsjes òf die enen autoo han enen autoo, mar autoo nie veul, èn in de midde ston ammel paole, èèzere paole èn dòr bonde ze die koeje ammel aon…dè hèk nòg meejgemòkt… dè was mist……dinsdags!” (transcriptie Hans Hessels, 2013)
► KLIK HIER om het interview te beluisteren

De Heuvel met ijzeren palen voor de koeienmarkt. Foto collectie Regionaal Archief Tilburg

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'pool' - paal

WBD (Hasselt) waajpaol - weidepaal

WBD II 601: paol - spanstok, een der palen waaraan een huid wordt bevestigd bij het uitspannen in de stroom

 

paol steeke

spel

Audioregistratie 1978 - Aachter de Rugdèèk din ze veul paol steeke! Paol steeke! Dè was… en pòltje in de grond. Dè din ze sondagsmiddags die, die, die mannen, hè. En pòltje in de grond èn daor ligt ene sènt op èn dan moeste meej enen bòl daor teegenòn gôoje! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

paop

zelfstandig naamwoord

paap

WBD (III.3.2:222) paop = middelste kegel

 

paopeköltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "poapekuiltje - grafkuil"

Pierre van Beek - "Denk er aan, als ge dood gaat. gaode in 't paopekuiltje" placht een moeder tegen haar kinderen te zeggen. Hoewel "paap" oa. verband houdt met grondwerk en ook met de lakenweverij, zien we die relatie hier toch niet. Wellicht wordt hier gewoon een graf op het kerkhof bedoeld. Het kerkhof is dan gezien als eigendom van de pastoor. Of is "Paopekuiltje" soms de naam van een of andere poel? Heeft iemand ooit daarvan gehoord? (Tilburgse Taalplastiek # 79, 08-05-1969)

Pierre van Beek - Wie overleden is, gaat "mee Dielemanse waogeltje naor 't paopekuiltje". Over dat "papekuiltje" hebben we het hier vroeger al eens gehad. De rest slaat op de rouwwagen van een nog bestaande Tilburgse begrafenisonderneming. Deze werd aan het eind van de twintiger jaren of het begin van de dertiger opgericht, wat toen aanleiding tot veel gewrijf en geschrijf heeft gegeven. Van bepaalde zijde maakte men hardnekkig aanspraak op het monopolie van begraven. Concurrentie werd niet getolereerd. Dit leidde zelfs tot het onverkwikkelijk toneel, dat het lijk van zekere De Brouwer enige tijd vóór de Heikese kerk bleef staan, omdat het niet binnengedragen mocht worden. Zij die het monopolie verdedigden, verloren tenslotte de strijd. Momenteel telt Tilburg zeker vier begrafenisondernemingen, zonder dat de door de "monopolisten" voorspelde wantoestanden uit een nog verder verleden zijn teruggekeerd. (Tilburgse Taalplastiek #158, 12-07-1972)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: as ge dôod gaot, gaode in et paopeköltje (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - kinderplagerij

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: meej Dielemanse waogetje nòrt paopeköltje gaon ('72) - overleden zijn (Dielemans: begrafenisonderneming)

Advertentie Nieuwe Tilburgsche Courant - 29 maart 1930 - De Maastrichtse begrafenisonderneming Dielemans opende zijn zaak in Tilburg op 14 december 1929, en kwam daarmee in conflict met begrafenisonderneming Roomsch Leven. De 'begrafeniskwestie' duurde tot november 1932 toen besloten werd dat Dielemans dezelfde rechten als Roomsch Leven had.

 

paopemuts

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:205 paopemuts - kardinaalsmuts (Euonymus europaeus)

 

Thomé - kardinaalsmuts, euonymus europaeus

 

paor

I zelfstandig naamwoord

paar; enkele

Verkleinwoord: pòrke

-- en paor schoene, en paor aajer, brödspaor

Cees Robben: zôo lus ik er nog wel en paor

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. 'paor' - paar

II bijvoeglijk naamwoord

even; naast 'ónpaor' - oneven

Hoeufft: Paar en onpaar zegt men hier voor 'even en oneven', evenals in het Fransch 'pair ou inpair' [impair]

 

paosaaj

zelfstandig naamwoord

paasei

-- De s wordt stemhebbend uitgesproken

Prent van de week uit Rooms Leven 1970; de ware namen van de tekenaar (PB) en de dichter (Kis-ke) zijn niet bekend

Zie ook het lemma aaj

 

paosbist

bijwoordelijke uitdrukking - op z’n paosbist, op zijn paasbest; op zijn allerbest

Wim van Boxtel: In m'n paos biste pèkske,/ en m’n haor in de schaai. Uit: Brabants Bont, ‘Moederdag’ (1979)

Cees Robben: Ook de kleermakers beleefden voor de pasen een gouden tijd. Haast iedereen liet een nieuw pak aanmeten, want ze wilden er met de pasen dan ook op z’n paosbist uitzien. ‘Vur Paose is 't paase...’ zee Snijers... 't was waor, 't was in de paas, en mee de Possemis klaor... Cees Robben: In: Robben en Rooms, ‘Vrijen was er vruuger onder de vaaste nie bij’; 1981

Cees Robben - Prent van de week 2 april 1955

 

Ill.: Thomé - paasbloem - narcissus poeticus

paosblom

zelfstandig naamwoord

1. paasbloem

Van Dale: volksnaam voor verschillende planten die rond Pasen bloeien, b.v. het madeliefje, de gele narcis en de sleutelbloem

Cees Robben – Welke blomme wilde op oew begraofenis? Snoffels... dalidas.. paosblomme.. of stinkerkes... (19850118)

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): paosblomme zn - gele narcissen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994) paasblom (II:60)

WBD III.4.3:258 paosblom - sleutelbloem (Primula veris), ook: ►mèrtuntje

WBD III.4.3:291: paosblom - madeliefje (Bellis perennis), ook genoemd: 'meizoentje', 'meizoetje' of ►maajbluumke of waajbluumke

WBD III.4.3:380 paosblom - gele narcis (Narcissus pseudonarcissus)

WBD III.4.3:582 paosblom - witte narcis (Narcissus poeticus)

Narcissus poeticus - witte narcis, dichtersnarcis

Antw. - PAAS(CH)BLOEM, PAAS(CH)BLOM zelfstandig naamwoord v. -gele tijloos, eene hofbloem, in de wetenschap Narcissus Pseudo-Narcissus L.

2. als paosblom

zeer netjes, op zijn paasbest

Lechim:

D'r wier gepaast, genaoid, gebraaid

Al kosse ze niks kóópe

Iederéén zocht 'r toen héél frèèd

As Paosblom bij te lóópe.

Uit: ‘Ze maoke ’t vort wel van aajer’; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier; circa 1970

Lechim:

Mee Paose trek ik ’n nuuw pak aon

Dès de gewóónte, jao of nèè?

't Maokt me niks dè dan d'n buurman

Zee dè'k 'n echte Paosblom zèè.

Uit: ‘Mee paose’; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier; circa 1970

► paoskiep

 

Paose - ► zie ook: Pòssemis

zelfstandig naamwoord

Pasen

-- Meej de Paose zèmme ammòl int nuut. - Met Pasen hebben we allemaal nieuwe kleren aan.

Pierre van Beek – De molenaars schijnen vroeger bij het volk een niet al te goede reputatie te hebben genoten. Vanwaar anders de uitdrukking: "Als de mulder z'ne Paosen gehouwen heej, is de pastoor deur z'n werk"? Hieruit blijkt, dat men aannam, dat een mulder ieder jaar nogal wat op zijn geweten heeft en daarom zijn Paasbiecht maar liefst tot het laatste moment uitstelt. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950)

Pierre van Beek – Komt men "als Jan met kraaien naor de mert (markt)" of "mee vijgen nao Paosen" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950)

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): Paose zn - Pasen

Cees Robben – Bij unne Paose paast ’n aaike. (19540417)
Cees Robben – “Ieder die z’n asse-kröske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastôôr ’n pekske...”/ zee meneer den kapelaon..... (19550226)
Cees Robben – “Vur Paose is ’t paase” zee Snijers... (19550402) [De prent refereert aan de gewoonte om ter gelegenheid van Pasen nieuwe kleding te kopen – ‘Paasbest’. Vandaar ‘paase’, passen, bij de kleermaker genaamd Snijers.]
Cees Robben - ’t Is kazzjewêêel die kiep van mèn.../ zô zörgt ze vur de Paose... (19550312)
uitdrukking: oud nieuws brengen
Cees Robben – [ge] komt bij men meej oew aaier nao de Paose..! (19590328)

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

Meej Paose eet ik harde aaier/ dès lèkker, daor geniet ik van/ behalve en paor daoge laoter/ ak nie mir nòr de plee toe kan. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Mee Paose‘)

Gingde meej Paosen nie te communie, en ge kwaamt te stèèrve, dan gingde linea recta naor de hel. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: as de mölder zene Paose gehaawen heej, is de pestoor dur zen wèèrk (Pierre van Beek: TT’64) Molenaars stonden als oneerlijk bekend; ze gingen hun paasbiecht spreken op het allerlaatste moment, nl. op de zaterdag na Pasen.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: Meej de Paose krèège me mik óp mik èn kèès dertusse (D'16) Uit de tijd toen wittebrood, 'mik', nog luxe was.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: ge zèèt nèt zó rap òn Paosen as ikke (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - gezegd tegen iemand die wat hard van stapel dreigt te lopen

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: meej pielepaose - Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): antwoord op de vraag Wanneer?

 

paoshaos
zelfstandig naamwoord
fabeldier uit de volkscultuur. De paashaas brengt de paaseieren.
Cees Robben – Paosvogel.. of Paoshaos.....? Dè kan nie bestaon! (19550409)
 

paoskiep

zelfstandig naamwoord  vr.

paaskip, opgedirkte vrouw

Cees Robben – Krimmeneel.... Wèn paoskiep...... (19560331)

Cees Robben: Als we naar opa gingen speelde opa achter zijn getouw voor paasvogel, en tante Jana speelde in haar tuintje voor Paoskiep. Alle vrouwen in Tilburg die met de pasen een nieuw kleke aanhadden... dat waren paoskiepen... (In: Robben en Rooms, ‘Vrijen was er vruuger onder de vaaste nie bij’; 1981)

Cees Robben - Prent van de week 2 april 1955 - detail - © Digitale bewerking Cees Robben Stichting & Stichting Cultureel Brabant CUBRA

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

 

paoskoej

zelfstandig naamwoord

paaskoe

WTT (2013) -- De koe die door een slager werd geslacht om haar vlees met Pasen te verkopen. Vanaf Witte Donderdag richtten de Tilburgse slagers hun etalages in met fraai opgemaakte vleeswaren en - schotels, in de hoop daarmee veel vlees te verkopen na afloop van de vastentijd. De 'paoskoej' werd, ongetwijfeld bij wijze van reclame, ook door de straten van Tilburg geleid om de kwaliteit te tonen.

Audio-opname 1978 -- “Die paoskoeje zogezeej dan, daor gingde meej rond, èn ge moester meej dur de Heuvelstraot èn dan bleefde staon bij Riesj (Hotel Riche) vur de deur want dan ging den baos, die leeverde daoraon witte wèl, èn die ging daor en pötje bier vatte èn assie dan trugkwaam, dan môogdet ok êen vatte!” (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

Paoskoej - aangeschaft en getoond door slager Ad van Geloven op het terrein van het Tilburgs slachthuis (Abattoir) aan de Enschotsestraat in 1926. Foto: Regionaal Archief Tilburg

► eetallaazjeweek

 

paosvoogel
zelfstandig naamwoord
paasvogel
fabeldier uit de volkscultuur, ouder dan de paashaas. De paasvogel brengt de paaseieren.
Cees Robben – Paosvogel.. of Paoshaos.....? Dè kan nie bestaon! (19550409)
 

paoter, paoterke

zelfstandig naamwoord

pater

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): ... riep de paoter

paoter handvèèger - onhandig iemand

De Wijs -- (gehoord in ’t voorbijgaan van ’n aantrekkelijk meisje:) Ik zie ze liever as unne blôte paoter op brûîne voete! (17-10-1966) [WTT 2011: De Wijs zinspeelt op 'bruine pater op blote voeten', namelijk een capucijner monnik; de kapucijnen droegen een bruine pij en liepen met blote voeten in sandalen]

Cees Robben – ‘k Zie ze aaltij toch nog liever dan unne blôôte paoter op bruine voeten... (19670210) [Ik zie haar liever dan een pater van de capucijnen; de capucijnen werden ‘blôotevoetepaoters’ genoemd wegens hun blote voeten in sandalen; hun pij was bruin]

Cees Robben – Ge peutert ’t paoterke ’t knupke van zunnen toog los... (19550514) (Prent bij een inzamelingsactie bij het honderdjarig bestaan van de missionarissen MSC, in Tilburg ►’Rooie Harten’ genoemd. In plaats van collectebussen hadden de collectanten een pop in de vorm van een missionaris van MSC, en moest de bijdrage onder de toog gedaan worden.)

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): de paoter

WvM 'de p van de paoter die mèn hè gedopt'

Karel de Beer, Bijnamenboek: Kiske de paoter = C. Smulders (blz.72)

WBD (III.3.3:372) paoter = monnik

WBD (III.3.3:373) schôojpaoter = bedelmonnik

 

paoternòster

ook: pòtternòster

zelfstandig naamwoord

WTT 2011 - van 'pater noster', 'onze vader'; het Onzevader is onderdeel van de rozenkrans

Frans Verbunt: rozenkrans

WNT PATERNOSTER - 3) Bij de R.-Cath.: rozenkrans, rozenhoedje, bidsnoer.

 

paoternòsterwèèrk

zelfstandig naamwoord

samenstelling uit paternoster + werk

- 2019 – precisiewerk (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.  Voor de volledige lijst Klik hier)

 

paotersbier

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: trappistenbier

De herder drinkt uiteraard bier van 'De Schaapskooi', de brouwerij van de Trappisten in Berkel-Enschot/Tilburg; affiche uit de collectie van Tiny Jansen, zoals tentoongesteld in VVV-gebouw Tilburg 2010; foto's WTT.

Vergroting affiche en gedicht Jace van de Ven

 

pap

zelfstandig naamwoord

pap

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pap mêe vuursteenen - pap met stukken roggebrood"

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "ik zaiget zò muug as kaauw pap"

Frans Verbunt: krèègt ze mar grôot, voejert ze mar pap

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pap zn - pap ''k zè oew zò muug as kaaw pap'

stijfsel; versteviging van weefsel

Cees Robben – ’t Is ketoen.. en enkelt pap.. (19620413)
 

papbèùk

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: hangbuik

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): 'papbùik' zn - dikke hangbuik

 

pappel

zelfstandig naamwoord

zwarte populier, 'pèppel', 'blauwe poopelier' = populus nigra ofwel populus italica, Italiaanse populier

Populus nigra (links) - Populus nigra Italica

WBD III.4.3:133 pappel, pèppel - zwarte populier

WNT PAPPEL, ook PEPPEL, volksnaam voor den populier in 't algemeen, voor den zwarten populier en den ratelpopulier in het bijzonder.

 

papsteeke

werkwoord, sterk

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "papsteken - 'n kinderspel"

►paapke steeke

 

paradèès

zelfstandig naamwoord

paradijs

Cees Robben: paradèès

Cees Robben: dur 't lèèven tot aon 't paradèès

 

parasjuutveugeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Henk van Rijen (1998): veldleeuwerik (Alauda arvensis)

Jos Swanenberg over de leeuwerik

WBD III .4.1:162 parasjuutveugeltje - leeuwerik

 

Park, et

zelfstandig naamwoord, toponiem

het Wilhelminapark

 

parlevinker

zelfstandig naamwoord

I Gezegd van een (mannelijk) persoon

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "parlevinker - heerachtige veelpraats, niets nutter"

II Gezegd van een paard

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "parlevinker - noemde men de vroegere 'telgangers' - door adellijke jonkvrouwen bereden - paarden die geleerd werden even als de kameelen te loopen, niet zoo als de gewone paarden op volgende wijze de 4 pooten oplichten, maar de twee linker en dan de twee rechter pooten te gelijk voortzetten, dit de paarden te leeren was heel moeielijk en geschiede door de 2 linker en 2 rechter pooten met een lat te verbinden"

WBD (hs K183): paard dat niet deugt, waarop men niet vertrouwen kan

 

parnasses

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): beschermer, engelbewaarder

Van Dale (12e): parnas, parnassim, parnassijn [Hebr.], (joods) kerkmeester, kerkvoogd: (uitdr.) eruit zien als een parnas, er welgedaan uitzien.

 

parreert
werkwoord, zwak: parreere
uit Oudfrans en Middelnederlands ‘parer’
mooi bij elkaar passen
Cees Robben – [de lamp die] daor al jaorenlang pareert/ aon oewen zuldering (19601104)
bij elkaar of bij iets passen; op kleding toegepast: het kledingstuk staat niet
Cees Robben – Die jas pareert nie, taante Miet.. (19700306)
Cees Robben – Mar niks pareert er.. (1650115)
 

part
zelfstandig naamwoord
deel; aandeel; bij Robben: sterke drank
Cees Robben – Hij had z’n part gehad (...) de miste op de lat (19610106)
 

pas geleeje

bijwoord

onlangs, kort geleden

 

paskoomer

zelfstandig naamwoord

neomist, priester die zijn eerste heilige mis opdraagt na zijn wijding

WBD (III.3.3:305) paskoomer = neomist

 

paskwil
zelfstandig naamwoord
van ‘pasquinade’; belachelijke vertoning
Cees Robben – ’n grillige paskwil (19600909)
 

patras

zelfstandig naamwoord

aardappel

mogelijk afgeleid van 'pataat'

- ‘Een roestpraatje’ (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mer 't [de ellende] komt van den Heer (…) deur 't zwart van de patrasen, en 't pluiere van 't jonk, dat naauw dood is.

- 't zwart van de patrasen: een aardappelziekte.

- ‘Een roestpraatje’ (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): …de patrasen, die ge toen kuilde.

 

patrasfôoj

zelfstandig naamwoord

uit batatas = aardappel, en fooi = zowel feestelijke gift als kleinigheid

Van Ginneken: Ten oosten van Tilburg verschijnt patraas, dat sterk aan de officieele naam Batatas herinnert. (In: De regenboogkleuren van Nederlands taal; 1931, 2e)

Aardappelkaart uit Van Ginneken, De regenboogkleuren van Nederlands taal, 1931.

Grotere weergave

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): *patra.s, zelfstandig naamwoord  m. patraas, aardappel; mv . petrase(n): De petrase zen mörw. Het woord is bekend in Reuzel, Hooge en Lage Mierde, Hulsel, Esbeek, Hilvarenbeek, Diessen (hier alleen in petraasfooi) en Moergestel. *petra.sfo'j, zelfstandig naamwoord  vr. en m. petraasfooi, hetz. als aarpelfooi. Geh. in Esbeek, Diessen en Moergestel. Het feestje bestond in een onthaal op koffie met een
snee mik, soms nog met een snee peperkoek.

Van Rijen (1998): karige gift, geringe vergoeding voor het verpachten van landbouwgrond.

WBD (III.3.2:316) patrasfôoj = aardappelfooi

 

patriejark

zelfstandig naamwoord

patriarch - bedenkelijk heerschap

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'patriark' - rare, zonderlinge kerel

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PATRIARK (korte a, klemt op ark) zelfstandig naamwoord m. - zeer oud mensch

 

paveljòt, paviejòt, pavviejòt

zelfstandig naamwoord

De Wijs -- M’n paviejotten zet ik aaltij in mee kraante papier, de gaoget biste (04-07-1969

Cees Robben – Dan draait er ons Tooke van kraantepapier/ Heel veul paviejotten (19700116) [krantenpapier werd gebruikt om krulspelden te vervangen]

Henk van Rijen (1998): krullapje (lapje stof waarom het haar wordt gewonden en dan wordt vastgeknoopt)

WBD III.1.3:276 'papillotje' = pijpenkrul; ook: 'papillot'

Reelick, Bosch Woordenboek (1993):  paviljotte - papillotten (Fr. papillot): opgerolde papiertjes waaromheen men het natte haar draaide om het te laten krullen.

WNT PAPILLOT - stuk papier dat in het hoofdhaar gedraaid wordt om dit te doen krullen.

 

pebliek

zelfstandig naamwoord

publiek

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): pebliek, publiek; pebliek;

Cees Robben: sjiek pebliek

 

pèdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

1. landweggetje

verkleinwoord  van 'pad', met umlaut; ook paojke

2. padje, smalle doorgang, middenpad

dan als verkleinwoord altijd pèdje, niet paojke

…wij die twee aon twee in de banken zaten in vier rijen meej un pedje dertussen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Audioregistratie 1978 - Nèffe de tramlijn was en zwart, zwart pèdje daor ze kosse fietse vort. Nèffe de kaajwèg… (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

David Teniers - 17de eeuw

peej

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord: peeke

meervoud: peeje

► Dossier Peej

1. wortel, peen, pee

-- We kèèke nie op nen bos peeje; peekes, peeje èn wòrtele

Dirk Boutkan: (blz.52) pee - peeke, enen bós peeje

Cees Robben – Ik beteul zelf munnen hof en win veul. ’s middags hek vort driederaand sôôrt gruuntes op taofel... peekes, peeje en wortele... (19850517)
Robben gebruikt diverse spellingen.
● meervoud
Cees Robben – Mar ik zit mee knollen en peje... (19541204) [Ik = Sinterklaas, die na 6 december blijft zitten met de knollen en wortelen die de kinderen in ‘de klomp’ legden voor het paard. Na sinterklaas werd in Tilburgse gezinnen veel ►‘peestaamp’ gegeten
Cees Robben – We kijke nie op unne bos péje... (19561201) [We hoeven niet zuinig te zijn]
● meervoud, verkleind
Cees Robben – Ik zie m’n selotte en peekes al staon/ M’n kiendjes vur slaoi al d’n hofpad op gaon... (19570309)

Cees Robben – Mun peekes zèn nog nie bekwaom... (19640918)

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Iemand wèèsmaoke dè Ónze Lieven Heer Hèndrik hiet èn in de haaj peeje stao te steeke.

Informant Ad Vinken: De stomste boere hèbbe de dikste peeje - Wie zonder veel overleg te werk gaat, heeft vaak het beste resultaat.

Piet van Beers – ‘De stinpöst’: Vier ons vèrse worst èn peeje../  doet er mar wè jèùne bij./ 'n Bèkske zult 'n half pond kaoje/ èn tweej schèève balkenbrei. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers – ‘Men Buukskes’: Men irste buukske ging oover peeje èn jèun èn oover de meense op de tèùn. (Het zeventiende boekje, 2010)

WBD III.2.3:100 'pee', 'peetje' = wortel, winterwortel; ook 'winterpee'

WBD III.2.3:278 'peekoffie' = cichorei

WBD III.2.3:103 'stoppelpee' = stoppelwortel

WBD III.2.3:110 'witte pee' = pastinaak

WBD peeje-èg - wortel-eg

Str. peej (1:52). 101 'peetjes' = kl. worteltjes

2. Wilde peej = fluitekruid

WBD III.4.3:394 wilde peej - fluitekruid (Anthriscus sylvestris), ook. genoemd: flèutekrèùd

Anthriscus sylvestris - bron: Wikimedia commons

3. Bijnaam

Karel de Beer, Bijnamenboek: de peeje = fam. Schellen (blz.70)

 

peejlôof

zelfstandig naamwoord

bladerkroon van bieten

WBD I:1470 bladerkronen van bieten: 'peejloof', 'kòppə', 'toppə

 

peejschèèf

zelfstandig naamwoord

schijf van een peen, wortel

figuurlijk en vaak spottend gebruikt voor muntstuk, geld

Goedgetòld - peejschèeve - zn - geld in klinkende munt. - de peejschèeve groeje nie op mené rug!: het geld groeit me niet op de rug!

Henk van Rijen: meej peejschèève kunde nie betaole

Henk van Rijen (1998): 'Hè de wèl genog peejschèève bè-w om dè te kunne petaole?'

Frans Verbunt: de peejschèève groeje nie op menen rug

Stadsnieuws: De peejschèève groeje nie op mene rug.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: veul peejschèèven hèbbe (HM'70) - veel geld hebben

- Guido Gezelle - lemma PEESCHELLE, de = Schijve die, van dwersten, van eene pee, eenen peewortel, met een schuimw., van eene carote gesneden is. — „'t Is al wel en gemakkelijk gezeid “koop'et!” maar waarmee betalen? Met peeschellen?” Geh[oord in]
Aeltre. (Loquela, 1907)

- Cornelissen & Vervliet - Peeschijf - znw., v. — Schijf die op zijn dwars van eene pee gesneden is. 't Is gemakkelik gezeed: koop 'et! maar waarmee betalen! Mè' peeschijven, zeker? (Idioticon van het Antwerpsch dialect, 1903)

- Cornelissen & Vervliet – lemma BETALEN - De gebroken potten betalen, de schade vergoeden, het gelag betalen. — (...) — Betalen mee potscherven, met de scherven van z'ne pispot, mee peeschijven, geen geld bezitten om iets te betalen. (Bijvoegsel Idioticon van het Antwerpsch dialect, deel A-H - 1936)

- Cornelissen & Vervliet – lemma POTSCHERF, znw., o. — Z . Wdb. — Mee potscherven betalen, geen geld hebben om te betalen. Ook met de scherven van z'ne pispot, mee peeschijven. (Bijvoegsel Idioticon van het Antwerpsch dialect, deel I-R - 1938)

- Herman J. Claeys – peeschijven (mv) in: met peeschijven betalen - (Ant) (spottend) platzak zijn. (Vlaams dialectenwoordenboek; lemma PEE; 2001)

- Katleen De Beukeleer - Temmerman gewaagt, behalve kaf, van nog een ander strooiproduct. Volgens hem werden er namelijk wortelschijfjes, symbool van geld, gestrooid in de straat en voor het huis van een ‘mindere partij’ die omwille daarvan was afgewezen.

WTT - 2013 bij het voorgaande van De Beukeleer - Het betreft het zogenaamde ‘lemen strooien’. In Vlaanderen was dit in de 19de eeuw een soort van volksgericht. Als een persoon zich volgens de gemeenschap onwelgevallig had gedragen, werd de straat tot aan zijn of haar voordeur gemarkeerd met strooisel. Daarbij werd vaak het kaf van het koren gebruikt (wit) of blauwsel (voor de was) maar ook het gebruik van wortelschijfjes kwam voor, vooral als het een huwelijk betrof dat geen doorgang vond omdat een van de partijen – de ‘mindere partij’ – blijkbaar niet draagkrachtig genoeg was bevonden. De ‘meerdere partij’ werd daarmee bespot door het ‘strooisel’. (Traditionele volkse feestcultuur en modernisering. Het platteland rond Gent ca.1860-ca.1940; hoofdstuk 4.1.4. REACTIES VAN DE GEMEENSCHAP BIJ HET AFBREKEN VAN DE VERKERING OF BIJ ZWANGERSCHAP. Katleen De Beukeleer. Gebaseerd op TEMMERMAN. ‘De kanonniers van de Verhoogstraat.’ 1982, p. 8.)

► peejsteeker

 

peejstamp, peejstaamp

zelfstandig naamwoord

stamppot van wortels

Hèmme alwir peejstamp!

Henk van Rijen (1998): 'peejstaamp'

Cees Robben: 'of ge peestamp het gegeete'

Stadsnieuws: Peejstamp itte meej klapstuk - Hutspot eet je met klapstuk (rundvlees dat wordt meegekookt) (250109)

Piet van Beers:

Wè motte tòch meej al die peeje ??

zeej Sjooke Braans teege derre man.

"Ge dènkt tòch nie dèk alle weeke

ok twee keer peejstamp kook hee Jan."

 

"Nêe Sjoo, dè kan ik nie verlange,

al vèèn ik peejstamp nog zo fèèn.

Ik ha gedòcht, ik bouw wè kooje,

zo vur 'n stuk òf tien kenèèn."

 

Uit: Peeje , Knèène èn "jonge" mèt. (CuBra)

Cees Robben: Zij wisten precies van dag tot dag wat daar de pot schafte. Zij sloegen met een schalkse grijns een groot vroom kruis voor ze aanvielen en prezen volmondig het bier van broeder portier, of den zaolige smaok van de peestamp van soeur Sophie van de Gutjesnonnen. (Uit: ‘Vruuger, in de blauwe periode’, in Robben en Rooms, 1981)

Cees Robben - ‘En vur ’t höske maoket niks uit of ge reerug of peestamp het gegeete…’ (Prent van de week, 17 april 1987)

Piet van Beers:

De week daornao, dan eete we

wir Peestamp meej Hasjee.

As ge er te veul van it schètte

de plaanke van de pleej....

- Soms han ze jêun me peestamp/ Wè knaawbóone of bessesap… Uit: ‘Bè de wèèvers òn tòffel’, Ad van den Boom, circa 2005

Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg), Kosset den brèùne eigeluk wel trekken?, 2006 - We aten de weken daornao [6 december], bekaant daogeluks peestamp, tot die ons de neusgaote ötkwaam mar weggooien waar ok zund. (Uit: Siendereklaos)

LECHIM:

Gewoon mar eete...

'Wè zumme mèrge wir is eete?'

Dès de vraog van iederen dag

Vur peestamp, snert of bruine boone

Gao'k metèèn al overstag.

 

Smaokeluk

Zàt de medèrne keuke zèn

Waor ze veul over kletse?

Gif men mar peestamp van ons Sjaan

De's nog 'n aauwerwetse.

 

(Beide gedichten uit de Tilburgse Koerier; ongedateerd knipsel; circa 1970)

Tony Ansems:

Peestamp

Witte we'k gere te freten heb

We'k gere kook, akker de tijd vur heb

Peestamp, witte kool, en juine

Rookworst, efkes laote bruine

Lekker, vanavond lekker buize, peestamp

 

Ge vat wet peejen en wet errepel

Schrabbe, snije, koken, en stampt det spul

Nasi kruid, en un paor augurken, knoflook,

Fleske bier ontkurken

Water, ollie, en un snufke zout

 

Oh well, pee stamp,

Worst van den boer, peestamp

Spek zonder zwoerd

Kwakt er wet gehakt meej pinda nutjes bij

Pee stamp, witte kool, en juine

Rook worst, efkes laote bruine

Lekker, vanavond lekker buize, peestamp

 

Oh well, peestamp,

Worst van den boer, peestamp

Spek zonder zwoerd

Kwakt er wet gehakt meej pinda nutjes bij

Peestamp, ge heurt er over roepe

Peestamp, ge kunt er goed van poepe

Lekker, gekleurd Oranje boven, peestamp

[Lekker, Pee hee Stamp] [3x]

(Tony Ansems, Peestamp;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

Piet van Beers – ‘De mèrt’: Soms worret stamp van boeretoppe (daor moete verse worst in stoppe)/ soms worret peejstamp meej hasjee, of ik neem wè sudderlappe mee. (Het zeventiende boekje, 2010)

Piet van Beers – ‘Wie wè bewaord die hee wè’: 't Is zund de'k het zeg, mar de witlof is weg/ en we hebben ok gin peestamp gegeten. (With Love; 1982-1987)

Peejstaamp, hasjee, tis ammòl hêel lèkker, mar et lèkkerste vonnik boerekôoletòppestaamp meej vòrse wòrst. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD III.2.3:119 'peestamp' = stamppot

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pejstamp zn - hutspot

 

peejsteeker

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: vrek

WBD III.3.1:199 'peesteker', 'vrek, knijperd, schraperd, gierigaard, pin, gierige pin' = gierigaard

WTT 2013 - het woorddeel 'peej' is mogelijk hetzelfde al de de peen (wortel) als symbool voor geld in ►peejschèèf

 

peejzaod

zelfstandig naamwoord

suikerbietzaad

WBD I:1429 'peezaot'; (Hasselt) 'zaot'

 

peeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  van peej

worteltje

Cees Robben: peekes, peeje en wortele

 

peekel

zelfstandig naamwoord

dronken; in de uitdrukking 'onder de peekel'

Want Piet die naam et nie zo naaw/ òn dienst hai ginnen heekel/ mar mistal kwaam ie te laot aon/ èn goed onder de peekel. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op zaoterdag gin post mir)

 

pèèl

zelfstandig naamwoord

1. pijl

pèèl èn boog

2. haarpijl

De protestante waaren in al die jaore gin pèèl veraanderd. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIJL zelfstandig naamwoord m. - haarpijl, Fr. un cheveu, un poil. Hij hée gee(n) pijl meer op zijnen blottekop staan.

►hòrpèèl

 

pèèn

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Karel de Beer, Bijnamenboek: ene pèèn = lid v.d. familie Pijnenburg (blz.94)

WTT 2011: De Pèèn = Jan Pijnenburg, legendarisch baanwielrenner uit Tilburg.

 

Pijpenkop, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

pèèp

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord: pèpke

Schilderij: Quiringh van Brekelenkam

I om tabak te roken

Ze zèn nog gin pèèp tebak wèrd. Ze zijn nog niet dàt waard.

Ik zaat giesteren aovend op m'n gemak m'n pepke te rooken achter de kachel (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

Figuurlijk daarbij:

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pèèp zn - pijp; de pèèp ötgaon - doodgaan

Grôot Diktee-08: der komt vur ons allemòl ene tèèd dèmme ... de pèèp öt gaon

Cees Robben: uit: Fraters

II anatomie van het paard

WBD pèèp - pijpbeen (v.e. paard), ook 'aachterpèèp' genoemd

III in de textielindustrie

WBD pèèp (II:990) - scheerklos; ook: schèèrklòs of schèèrtèùt genoemd (z.a.)

WBD pèèp (II:1030) - pijp: spoelpijp; ook: tèùt of klòs

Henk van Rijen: pèèpe afsnulle - oud garen van pijpen halen (textiel)

IV konijnenhol

WBD III.4.2:65 'pijp' - konijnenhol, ook 'nest' genoemd of 'hol'

V schenktuit

Cees Robben - Prent van de Week 6 januari 1984 (detail)

 

peeperkoek

zelfstandig naamwoord

peperkoek

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: de peeperkoek óp tòffel lèggen èn dan dursnije (Kn'50) - gezamenlijk bezit verdelen.

 

peepernoot

zelfstandig naamwoord

bep. strooi-snoepgoed t.g.v. sinterklaas; klein stukje koek in sinterklaastijd als strooigoed gebruikt, rond of in de vorm van kleine dobbelsteen

 

pèèpgeraaj
zelfstandig naamwoord
pijpengerei
Cees Robben – Daase afgezwabberd pèèp-geraai (19871113) [Daase = van het as]
 

pèèpeslufke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "paipenslufke - klein bakje van porcelein of granit wat op de tafel geplaatst werd en waarin de langepijprooker, de kop van de pijp in legde al rookende"

WNT PIJPESLUIF - 1) pijpedop; 2) pijpekas (= koker of foedraal om de tabakspijp in te doen).

 

Pêer, Pirke

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Peter, Piet, Pieter, Petrus

ES (WTT 2011): Pirke Donders, de zalige Petrus Donders

Henk van Rijen: vööle peer - gierig iemand

Hoeufft, Proeve van Breda's Taaleigen (1836): PEER, voor 'Pieter', bij zamentrekking van 'Peter'. Z.a.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pe:r, zelfstandig naamwoord m. (eigennaam) 1) Peer, Peter; 2) kater

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEER (scherpe e) - vklw. Peerke(n). Verkorting v. Pieter of Petrus

 

pèèr

 

Cees robben - detail uit Prent van de Week 27 september 1985- detail © CuBra- CRStichting

I - peer (vrucht)

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord: pirke

Dirk Boutkan: (blz. 22) pèèr naast peer

Dialectenquête 1879: pruimen en père (meestal: pruim en père) (ui = eu van fr . Meuse)

Dapper, pittig peerebumke,

zuute troost in 't traonendal,

rijk en vriendelijk suiker-umke,

waor ik eens van stroebele zal,

mee oe vuutjes staode in d'eerde,

mee oe teentjes zuigde sap,

mee oe blaoikes aosemde weerde

uit de locht, om, nap aon nap,

peer aon peer zuut vol te tappe,

vol te spanne tot oe vel

kleurt en zwelt van rijpe sappe

naor den aord van oe gestel:

vijftig sappige "Louise

bonne d'Avrange" (hoe 'n rare taol!)

wilde leveren en ik zie ze

al ligge lokken op de schaol! (Piet Heerkens; uit De knaorrie, ‘’t Peerebumke’, 1949)

De door Heerkens benoemde peer is de Louise d'Avranche, een handpeer die in de Franse stad Avranches vanaf circa 1789 geteeld werd door Longueval. De peer kan omstreeks half september geplukt worden. Wikipedia: De vrucht van Bonne Louise d'Avranches is klein, slank en groen met mooie donkerbruin-rode blos. Het is een iets zure, sappige handpeer met een aangenaam aroma.

Bonne Louise d'Avranches

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): die pèèr is nie rèèp

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: de gèlste pèère wòrren et irst geplokke (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - de gekste meisjes lopen het eerst tegen de lamp (woordspeling: geil ) ook Stadsnieuws: 150106

Cees Robben – Hed-d’ôk pèrkes zonder bökzuut... Frie? (19560915)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - pèèr (krt. 14)

Uit: Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant, A. Weijnen 1937

Zie Dossier Peer

II oorvijg

Cees Robben: vur en peut of en pèèr heddet hart nie

Sierarke blèrt wir hèùzehôog./ Hij heej en pèèr gekreege (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wè ist verschil?)

WBD III.1.2:32 'peer' = slag : ook: 'veeg, fleer, stomp, opdoffer, oplawaai, opneuker, opmieter, opduvel, maai, pets, hengst, labbezoet'

WBD III.1.2:35 'peer' = muilpeer; ook ' fleer, kaakslag'

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PÈÈR zelfstandig naamwoord v., Fr. poire; fig. oorveeg, muilpeer

 

Linosnede: Rolf Janssen

pèèrd

ook pèrd

zelfstandig naamwoord

paard

Cees Robben - Prent van de week 25 juli 1980 - detail © CuBra- CRStichting

Overzicht van lemma's m.b.t. PAARD

zelfstandig naamwoord

 

 

 

Pèèrd, pèrd

In uitdrukkingen

In spotnaam

In loknaam

Afgeleid bijvoeglijk naamwoord

Pèèrdeg

Verkleinwoord

Pèrdje

Samenstellingen met Pèèrde...

-bak

-bèèvert

-brôod

-blom

-getèùg

-hoeve

-juu

-kòp

-mènneke

-mist

-piel

-spul

-stèrt

-stront

-voet

Samenstellingen met Pèrs...

-blom

-haor

-mis

-mòp

-stront

-taand

-stal

-vlêes

pèrd èn kèèr - paard en wagen

Dialectenquête 1879: 'n aauw pêrd (lage ê; vgl. 'gête' - geiten); 'n schoon pèrd

Hein Mandos, handschrift (1932): pèrd/ pèèrd

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): paird

...mar hij wou er 'ns uit - et beste peerd wil wel 'ns los in de waai loope! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun op collecte’; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 –26-8-1939)

Naarus (Bernard de Pont; Groot Tilburg; ca. 1940 - En draait oe filmke flink vort dan ziede rijke schoone ridders op prachtige pèrden mee gouwe harnassen en pieken, en die gaon perbeeren om bekare ut ’t zaodel te schoefelen.

Pierre van Beek – We hebben lang gezocht naar een Nederlandse zegswijze, die overeenkwam met het opschrift van een Italiaans asbakje, dat op onze tafel prijkt. Dit luidt: "Chinasce tondo non può morir quadro!" Letterlijk vertaald wil dit zeggen: "Wie rond geboren wordt, kan niet vierkant sterven." In Tilburg heeft men er een eigen spreekwoord voor en wel het volgende: "As ge as ezel geboren zijt, worde gin pèrd!" De Tilburgse uitdrukking is - naar wij menen - evenwel toch iets enger in de betekenis omdat men er hier het gezegde gewoonlijk bezigt als men aan wil geven, dat iemand die arm is het in de regel wel blijft. Tevens wil men er wel mee aangeven dat het voor een gewoon man moeilijk valt hogerop te komen. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950)

Cees Robben - ...over ’t perd (getild) (19560721)
Cees Robben – Heej jouw perd verstaand..? Verstaand, dè weet ik nie.. Mar gist zit er in. (19800725)
Cees Robben – ’n steeg perd (19830114)
Cees Robben – Beter ’n aauw perd kepot as ’n jong bedörve... (19830819)
Cees Robben – ’n Perd en ’n mèèd die ’t wit van d’r ôôgen laoten zien, daor moete nie mee aanlegge... (19840511) [Te veel intimiteit is verdacht]
Cees Robben – ’n Schôon perd.. (19861107)

Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg) Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? - 2006: - Hij stampte dan net as un kaoi pèrd, meej zen voeten, op de grond, wè as ons moeder de kaomer nog nie gedaon ha, enne hille stofwolk ten gevolge ha.

De Wijs -- Trouwde gij mee den auto of mee ’t pèrd? - En ik, ik wô gère mee ’t pèrd trouwe mar menne jongen zee: dûrfde dè? ik zeg: ikke wel mar ik waar me toch bang. (27-12-1968)

Dirk Boutkan: (blz.97) hij trok et pèèrd òn zene stè(è)rt

Cees Robben: oover twee daog is et pèèrd kepot

Cees Robben: Heej jouw pèrd verstaand? Dè weet ik nie; en steeg pèrd;

Pierre van Beek: en zuur pèèrd - ondeugend onbetrouwbaar paard

Et Lof wier ok wir ingevoerd, nie desse daor ons nòr toe gekreege ha, meej gin zeuve pèèrd. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): nò de schòft spanneme et pèèrd vur de nuuw kèèr

WBD pèèrd

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pärt, zelfstandig naamwoord o. 'perd' - paard

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PÈÈRD (Kemp. ook pjèèd en péäd), vklw. perdje(n), pjedje(n) en pèèrdeke(n) pjèreke(n); mrv. pjèèr in de Kemp. Paard, Fr. cheval.

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

Uitdrukkingen

Kubke Kladder - Uit 't klokhuis van Brabant 1 - Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929: Hoop op beterschap bestaot er nie want as ge as ezel geboren zijt, worde toch nooit 'n pèrd.

Pierre van Beek: 'Beeter en aaw pèèrd kepòt as en jóng ooverkoot', zei de oude boer die meende dat er 'aan hem niet meer zoveel verbeurd was (er dus met hem - bij eventueel overlijden - niet veel verloren ging.)

Cees Robben: Prent van de week 11 mei 1984

Van Beek - "Het is wat te zeggen, as ge met 'n oud perd moet eggen", 't is moeilijk met slecht of oud gereedschap te werken. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Cees Robben: Beeter en aaw pèrd kepòt as en jong bedörve; en pèrd èn en mèèd;

Frans Verbunt: et ging verkeerd, zeej den boer, et pèèrd ging kepot èn et wèèf wier beeter

Frans Verbunt: et maogerste pèèrd steeke de blèndaoze et hardst

Frans Verbunt: en blènd pèèrd kan er nòg gin schaoj doen

Frans Verbunt: en pèèrd zónder voerman - een weduwnaar

Frans Verbunt: van wèèrke gòn de biste pèèrde kepòt, èn die hèbbe nòg wèl èèzer ónder der voete

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Beeter en aaw pèèrd kepòt as en jóng bedörve.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: En vrouwehaand èn en pèèrdetaand meuge nie stilstaon.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Bèdehaand as en vrouwehaand èn en pèèrdetaand.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: As ge as eezel geboore zèèt, wòrde gin pèrd.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: De krib moet nie nòr et pèèrd koome.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: En pèèrd en enen hónd, die hinkt van ene stront

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et maogerste pèrd steeke de blèndaozen et hardst (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) - de armsten hebben het het hardst te verduren

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: beeter en aaw pèrd muug gemòkt/ versleete / ooverkoot, as en jóng bedörve ('74) - wordt humoristisch gebruikt m.b.t. mensen en werk

Zie Vromans: Een jubilerend oud maar schoon paard, in 'Taalverandering in Nederlandse dialekten', blz.192.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: den êenen maag en pèrd steele èn den aandere nòg nie oover de hèg kèèke - (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1971) variant : nòg nie óp stal kèèke

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: en goej pèrd wòrdt nie gemèrt (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - en goed bekend staand meisje gaat niet op pad om een vrijer

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: en pèrd zónder voerman (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - een weduwnaar

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: ik dòcht dègge en pèrd gescheeten hadt èn dègge dòróp òn kwaamt rije (Kn '50) - plagerij tegen iemand die lang op de WC gezeten heeft.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: zèlfs en pèrd valt nòg wel, al heetie vier bêen (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) – iedereen maakt wel eens een fout

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: zó stóm zèèn ast pèrd van O.L.Heer (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1974)

Cees Robben: teegen en pèèrd kunde toch nie gaope

Pierre van Beek: pèèrd zónder voerman - weduwnaar

Pierre van Beek: zó dóm as et pèèrd van Onzen Lieven Heer (dat was een ezel) (Tilburgse Taalplastiek 740125)

Pierre van Beek: meej et pèèrd van Sint-Fransiskus - te voet

Henk van Rijen: den êene maag et pèèrd wèghaole èn den aandere nog nie in de stal kèèke – de een mag alles en de ander niets

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

Spotternij

Informant Toine Raaijmakers: Van een gekke naam: Jè, zó hiet et pèèrd van Vekastere ôok. [Vekastere = Van Casteren, lange tijd in Tilburg het meest gekende vervoers- dan wel verhuisbedrijf met paard en wagen]

Soms kwaame ze van de firma van Casteren meej ene grôote dichte pèèrdewaoge waor van die forse Belze pèèrde vurliepe, en om de wiele zaate van die èèzere baande heene, as die dur de straot reeje dan stonde bij ons in de keuke de potte op et rek te rammele. En as die pèèrde van aachtere iets hadde laote valle was er ene buurman die dè metêen op kwaam scheppe want dè was goed vur z’n rôoze zeetie dan. (Nel Timmermans; Wètter ammòl òn de deur komt; CuBra; 200?)

Loknaam

WBD pèèrd, pèrd, (Hasselt:) blès - lok-/roepnamen v.h. paard .

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdebak

zelfstandig naamwoord

paardenbak, waterbak voor paarden

Interview Hermans - 1978 - “Dan hadde bè van Dal, dan hadde bij Hòrrevorts-Koole han ze en kefeej, dòr hadde ene pèèrdebak vur staon èn daor de pèèrdebak vur stond èn ze kwaamen er langs dan zèt de kreugel er mar naast èn ze ginge binnen en borreltje vatte…” (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

Bedevaartvaantje van Hakendover door Alfred Ost

pèèrdebèèvert

zelfstandig naamwoord

letterlijk: paardenbedevaart. het betreft de bedevaart naar Hakendover. Deze vindt plaats op Eerste en Tweede paasdag, en staat bekend om zijn spectaculaire tocht met boerenpaarden door de ingezaaide akkers. Hakendover is al meer dan honderd jaar een favoriete bedevaartplaats van Tilburgers.

De officiële naam is 'Paardenprocessie'.

Cees Robben: Maar wilde eens echt op beevaart, dan moest ge maar eens meegaan naar Hakendover, naar Scherpenheuvel Handel of Kevelaer. (Robben en rooms; 1981)

Ad van de Oord: Naast St. Job was er de fietsbedevaart naar de H. Eik te Oirschot, met Pasen naar Hakendover, in mei naar Wittem en 's zomers naar Scherpenheuvel, ook de bedevaart in Bokhoven werd bezocht. (Berkel-Enschot-Heukelom; 1996)

Jan Naaijkens: Op Tweede Paasdag trekken de boeren naar Hakendover in het Vlaamse land, waar de paarden in tomeloze vaart over de pas-bezaaide velden dreunen. (Leer mij ze kennen de Brabanders; 1968)

Jan Naaijkens: De boeren trokken met Pasen onder aanvoering van Jan de Kort naar Hakendover, waar naar oeroud gebruik honderden paarden in volle galop dwars over de velden raasden. (Het dorp van onze jeugd; 1999)

Tilburgse afvaardiging in Hakendover; 1995; bron: Geheugen van Nederland/ Geheugen van Tilburg

Harrie Franken: Volgens de legende heeft de Zaligmaker zelf aan de bouw van de kerk in Hakendover meegewerkt als de dertiende onbetaalde werkman uit het lied. Een vogeltje met een rode draad in zijn bek zou, al door de lucht cirkelend, de plaats van de bouw hebben
aangeduid. Hakendover ligt in Belgisch Brabant ten Z.O. van Tienen. Op paasmaandag is hier elk jaar een processie, die dwars door de velden trekt. De boeren rijden dan op paarden drie keer rond de processie. De gewassen op de velden worden dan helemaal vertrapt, maar enige dagen later groeien ze weer weelderig op. In de nacht van 16 en 17 januari vergaderen de boeren in de kerk. De pastoor preekt dan om precies 12 uur, waarna men in processie naar de kapel van Onze Lieve Vrouw ten Steen trekt. Het is ongeveer 25 minuten lopen. Dan gaat men weer terug naar de kerk. Dat doet men zo dertien keer, ter ere van de dertiende werkman. (Liederen en dansen uit de Kempen; 1978 & 2003)

Tekening: A. Ost

NTC - 7 april 1926

NTC - 26 februari 1927

NTC - 4 april 1923

NTC 21 maart 1928

NTC - 31 maart 1936

NTC 15 maart 1940

Luister naar het lied over Boer van Riel, met pèèrdemèrt en pèrsstront

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdeblom

zelfstandig naamwoord

paardenbloem (taraxacum officinale)

Ill.: Thomé - pisbloem - paardebloem - mòlslaoj - taraxacum officinale

 

Piet Heerkens:

PEERDEBLOM
Simpelste van al de blomme,
waor de bieë nie om zomme,
niemand hee't er oot geprezen
oew eenvoudig, zeejig wezen...


Peerdeblom, oew kortgeknipte
platte kroon onopgeknapte,
ongeonduleerde blaoikes
of oew zijig witte zaoikes,


uitgebloeid toe parachuutjes
die op zofte wende zuutjes
over de Maaie-waaie zweeve
mee nuuw peerdeblommen-leeve...


Peerdeblom, zie ik oe staon,
'k zie oe aaltij efkes aon,
simpelste van al de blomme
waor de bieën nie om zomme... [Uit: De mus; 1939]

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdebrôod

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: roggebrood

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pèèrdebròòd - roggebrood

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdeg

bijvoeglijk naamwoord

WBD geneigd tot paren (v.e. merrie), ook genoemd 'pèrdeg' of 'hèngsteg'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnw. 'peerdig' - "tochtig van merriën, doch bij uitbr. ook wel van menschen gezegd"(WNT)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PERTIG bvw. - gestoord, kwalijk gezind, van kwade luim; eigenzinnig

WNT PAARDIG - tochtig van merriën, doch bij uitbreiding ook wel van menschen gezegd.

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdegetèùg

zelfstandig naamwoord

paardentuig, paardengetuig

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdehoeve

zelfstandig naamwoord  plur. - paardenhoeven

Leo Heerkens (1940): Peerde-hoeve ploffe neer/ op de ronde harde kaaie...

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdejuu

zelfstandig naamwoord

paardenvlees

Pierre van Beek: Dit is er êene die pèèrdejuu heej gegeete. - Iemand die groot en sterk is, maar toch bang; hij zou de schichtige en zenuwachtige aard van het paard in zich hebben. (Steunend op oud bijgeloof, dat iemand door vlees te eten, ook de aard van het dier kreeg.) (Tilburgse Taalplastiek 154)

 

Cees Robben - Prent van de week 23 september 1972

Cees Robben – Pèerdejuu.. Non-de-juu.! (19720923)

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdekòp

zelfstandig naamwoord

paardenkop

Aanderhalf man èn ene pèèrdekòp = weinig volk

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'paerdenkop'

Henk van Rijen: aanderhalleve meens èn ene pèèrdekòp - heel weinig publiek

Antw - PÈÈRDEKOP zelfstandig naamwoord m.- Daar was maar drij man en 'ne pèèrdekop - er was weinig of geen volk

 Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdemènneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

Informant Ad Vinken: in smalle reepjes gesneden boterham

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdemist

zelfstandig naamwoord

paardenmest

Piet van Beers:

Ik hèb wèl es heure zègge,
dè hij, die 't miste mist.
De grotste èèrpel ötstikt.....
Des aaltij zôo gewist.


Ik hèb wèl es heure zègge,
dè van unne koejenbist,
de stront tòch wèl 't bist is...
Dès aaltij zôo gewist.


Ik hèb wèl es heure zegge,
dè pèèrdemist goed gist.
Dèt 't goed is vur den witlòf...
Dès aaltij zôo gewist.

 

Uit: 'veul heure zègge... heurde veul liege' (CuBra)

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdepiel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): scheldnaam

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdespul

zelfstandig naamwoord

paardenspul (in een circus)

Cees Robben – ’t peerdespul de gift ’t op... (19540724)

HVR circus

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdestèrt

zelfstandig naamwoord

Heermoes, hermoes, equisetum arvense

WBD III.1.3.273: ‘paardenstaart’ = haarstaart

WBD III.4.3.339: ‘paardenstaart’ = heermoes (Equisetum arvense)

Equisetum arvense

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdestront

zelfstandig naamwoord

paardenstront

zie ook onder lemma 'pèrs...'

Elie van schilt (CuBra 2008): Och as ge is wiest wet wij allemol zagen as we naor school gingen, de straotveger die mee zunne takkenbissum al vruug stond te vegen, ut waren toen allemal nog kenderkopkus, ut miste vervoer ging nog mee perd en kèèr, dus er laag veul peerdestront op straot, was die tussen de kaaien gereëien, aon dun aachterkaant van zunne bissumsteel zaat unne ijzere ring om de steel, die kon dan nie splitsen, en daor krabde hij de perdestront mee van de kaaie.
Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèèrdevoet

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:384 ' peerdenvoet', 'paardenvoet' = horrelvoet

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèère

Werkwoord, zwak

-- pèère - pèèrde - gepèèrd

1. peren = meppen, slaan

Informant Toine Raaijmakers: Hij pèèrdenem teege zen oore

-- er teegenon pèère - erop slaan: flink aanpakken

letterlijk: peren; figuurlijk: hard werken: Cees Robben – Wè zal ik ‘m père... (19570309)

Stadsnieuws: We zulle der es flink teegenòn pèère - we zullen ze eens flink van katoen geven (131209)

WBD III.1.2:30 'ertegenaan peren' = slaan; ook: bossen, naaien,een labbezoet geven'

WBD III.1.2:56 'peren' = een pak slaag geven; ook: 'afperen,bijperen,

ertegenaan peren, erop peren' e.d.

2. weglopen, vluchten

-- er tussenöt pèère - zich uit de voeten maken, hard weglopen

De Wijs -- Er tussen uit peere (04-07-1969)

WBD III.1.2:129 'ertussenuit peren' = op de loop gaan

Piet van Beers – ‘Tusse Kèrst en Nuu..’: 't Aawjaor pèèrt er èut/ èn heurt tot ' t verleeje. (‘t Èlfde buukske, 2010)

3. ongemanier eten of drinken

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "hij kan em ongemakkelijk paire (hij kan ongemanierd eten en drinken)"

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pe.rə(n); zw.ww.tr. 'peren' - slaan 'em pere' veel drinken of eten.

Met al deze betekenissen:

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pere - slaan, erop slaan; hard werken, wegrennen. Verwantschap met 'muilpeer'?

Cornelis Verhoeven (Udenhouts): PEREN (péére) onov.ww - een krachtige beweging uitvoeren; in verschillende samenstellingen, bv 'r op péére - erop slaan (vgl. muilpeer); 'r öt péére, er haastig vandoor gaan.

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pèère ww - slaan, ervandoor gaan

 

pèèrebumke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van pèèrebôom

perenboom, perenboompje

Piet Heerkens:

'T PEEREBUMPKE
Vijftig peeren aon één bumke,
aanderhalve meter hoog!
Lekker suikerwaoter-pumpke,
'k aai oe dik mee baai mijn oog'!
Dapper, pittig peerebumke,
zuute troost in 't traonendal,
rijk en vriendelijk suiker-umke,
waor ik eens van stroebele zal,
mee oe vuutjes staode in d'eerde,
mee oe teentjes zuigde sap,
mee oe blaoikes aosemde weerde
uit de locht, om, nap aon nap,
peer aon peer zuut vol te tappe,
vol te spanne tot oe vel
kleurt en zwelt van rijpe sappe
naor den aord van oe gestel:
vijftig sappige "Louise
bonne d'Avrange" (hoe 'n rare taol!)
wilde leveren en ik zie ze
al ligge lokken op de schaol!
Vijftig peeren aon één bumke,
aanderhalve meter hoog!
Lekker suikerwaoter-pumpke,
'k aai oe dik mee baai mijn oog'!
Peerebumke, stiekum wonder,
ik bewonder ou natuur,
bron van zuutsel, eens van onder
opgegroeid uit rot en zuur;
uit 'n mörve peer gesproten
die begraove laag in d'eerd,
is den drang oe ingegoten
om te werken als een peerd!
as 'n peerd? Och, peerdekraachte
vreuke vreed aon kêr en ploeg,
óú gevroet gao daoge, naachte
aaltij deur in stil gezwoeg!
Goei, zuutsappig suiker-umke,
'k weet, al valt et nie in 't oog,
as 'n ieverig waoterpumpke
zuigde liters sap omhoog,
en die liters destilleerde,
zonder deddet smookt en rookt,
toe den zuutsten draank op eerde,
swijls de zon de kachel stookt!
Vijftig peeren aon één bumke,
aanderhalve meter hoog!
Lekker suikerwaoter-pumpke,
'k aai oe dik mee baai mijn oog'!
Daankoe, daankoe, lieven Heerke,
veur mijn bruurke Suikerzuut!
Daankoe veur Oe zonnig weerke
dè doe rijpen heel den buut!
Daankoe veur dees bonne Louise,
schoon gegroeid uit leevend hout!
Daankoe, gulle Gever, die ze
vloeie liet uit leevend hout!
Wie-t-er Ou nie kan bedaanken
as ie 'n peerebumke zie,
speult z'ne rol hier op de plaanke
van et leeve slecht, of nie!
Vijftig peeren aon één bumke,
aanderhalve meter hoog!
Lekker suikerwaoter-pumpke,
'k aai oe dik mee baai mijn oog'! [uit: De Knaorrie, 1949]

Nieuwe TilburgscheCourant - 2-5-1875

pèèrepluu, pèrrepluu

zelfstandig naamwoord

paraplu

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: nèffe de pèèrepluu lôope (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1971) - allerlei zaken aanpakken zonder enig succes

Grôot Diktee-94 ik zèè mar meej de pèrrepluu gegaon

WBD III.1.3:169 'paraplu' = paraplu

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PARAPLU zelfstandig naamwoord m. - Daarnaast PARREPLU en PERREPLU

 

Maker onbekend

De paraplu - Maria Bashkirceva.

 

pèèresòl, pèrresol

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): parasol

 

pèèrkel, pèrkel

zelfstandig naamwoord

WBD sluitboom van de schuur- of staldeur (losse balk)

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PERKEL m, zie: merkel -> MERKEL (mèèrkel, soms ook: pèèrkel) m - grote houten grendel, balk waarmee een dubbele deur bv. van een paardenstal gesloten wordt. Z.a.

WNT MERKEL, daarnaast MERKER, MARKER, ook MERK.

Etym. niet bekend.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'perkel', hetz. als 'slèùthout'

 

pèèrs

bijvoeglijk naamwoord

paars

Der haande waare pèèrs van de kaaw.

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'paers en blauw'

De Wijs -- Ik hauw van pèrs mar hedde ze nie nòg pèrsiger (17-08-1964)

Cees Robben – Ik haauw van pèèrs... (19640821)
Cees Robben – En van muugte pèèrs en blauw. (19700925)

As ik zèg: «Dè geleuf ik nie»/ wort ie pèèrs van sjacherèèn... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Alles is meugelek)

Dur de glas-èn-lôoje rötjes/ schènt de zon waozig èn pèèrs (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De kepèl is klaor...)

...agge zo durgaot wort oe neus/ van blauw vanèèges pèèrs (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et blauw der aaf)

WBD III.4.4.243 'paars' = idem; 'paarsig' = idem; 'paarsrood' = idem

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pärs, bnw. 'pers, peers' - paars

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PÈÈRS(CH) bvw. - paars, violetkleurig. Pèèrs(ch), zien van de kou. 

WNT PAARS, daarnaast gewestelijk PEERS en pèrs.

 

pèèrsèèchteg

bijvoeglijk naamwoord

paarsachtig

Frans Verbunt: paarskleurig

WBD III.4.4:243 'paarsig' = idem

 

pèèrsigger
vergrotende trap van ‘pèèrs’ met achtervoegsel ‘-achtig’; van de nauwelijks bestaande stellende trap ‘paarsachtig’
iets paarsachtigers
Cees Robben – Ik haauw van pèèrs... Mar hedde nie iets iet-of-wet persiger..? (19640821)

 

pees

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord: piske

koord, touw, snoer (van rondgevlochten katoen) in de textielindustrie gebruikt voor aandrijving van machines

Anoniem – 1959 –
en toen zeej de klène Kees:
"Vadder, ik heb naau wel unne hakdol,
mar 'k heb gin stukske pees."
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

As de zon hil fel scheen staken wij pezen in braand, meej un braandglas, dè stonk zô lekker. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ok haktollen ging héél goed. Ge sloegt meej enne pees aon un stökske gebonden tegen enne tol, die ge irst meej oew haande liet draaien. Deur dieje tol elke keer goed te raoke meej dieje pees, blééf ie draaien. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD pees (II:1031) - pees: drijfriem; ook: touw

WBD III.3.1:374 'pees', 'bullepees' = pezerik

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEES zelfstandig naamwoord v. - snaar van eene viool, een spinnewiel, enz. fig. gierigaard, schrok.

 

peestamp
zelfstandig naamwoord
wortelenstamp, hutspot
Cees Robben – Ze pruuven d’n peestamp van soeur Antoinnet (19570921)
 

peesteeker

zelfstandig naamwoord

1. gierigaard

Anoniem - 1933: Intusschen dient erkend, dat aan 't scheldwoord "peesteker" in het Brabantsch nog een heele andere beteekenis wordt gehecht dan dr. Cornelissen eraan toekent. Mijn briefschrijver van
den vorigen keer acht zelfs de uitlegging van dr. Cornelissen ten eenemale foutief. Hij schrijft: "Peestekers" is m.i. niet het gevolg van het veel eten van peeën oftewel wortelen. Onder "peesteker" wordt verstaan een echte "vuile meensch", d.i. een die een halve cent vierendeelt. Zij nl. die peeën, d.i. "varkens- of koeienkost" gingen steken, omdat ze te gierig waren om fatsoenlijker eten te gebruiken, kregen dezen scheldnaam. Naar ik meen, peilt mijn briefschrijver met zijn uitleg veel dieper de wezenlijke beteekenis van het woord "peesteker" dan dr. Cornelissen, die eenvoudig de letter verklaart. Wanneer wij hier praten van 'n "peesteker" dan bedoelen we aan te duiden de eigenschappen van 'n gierig, kortzichtig individu, dat geen omgangsvormen heeft en in hooge mate ook lijdt aan 'n onbehoorlijke mate van eigenliefde. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 30 december 1933; rubriek Folklore, afl. 6)

En wilde wel gleuve dè die jong me net aonkeke of desse zegge won: “mar des innen zuinige peesteker!” (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Dorrus Misters - 1952: ..."peesteker" dat een minder gunstige betekenis heeft en waardoor een krenterig, gierig iemand wordt aangeduid. Zoals
wij jaren geleden in een schriftelijk duel ook in dit blad reeds opmerkten, zit die betekenis niet in het woord zelf, maar in het gebruik hiervan. ( Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 17 mei 1952; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 15. Boeren in de winter)

WBD III.3.1:202 'peestekerig' = gierig

2. een kerel, flinke vent

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - al een hele wortelsteker zijn = al een hele vent zijn (wortels werden met de riek gestoken)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ik dòcht dèk al nen hille peesteeker was

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: al nen hille peesteeker zèèn

 

peet

zelfstandig naamwoord

peter

WBD III.2.2:89 'peet' = peter

WBD III.2.2:91 'peetzoon' = idem; 'peetdochter' - idem

WBD III.2.2:90 'peet' , 'peetje' , 'petetante' = meter (bij doop)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEET (zachte e), ook PÈÈT zelfstandig naamwoord v. - meter, petemoei

 

peeter

zelfstandig naamwoord

als zodanig fungeerde een vrouw, die eigenlijk 'meter' moest heten.

 

peettaante

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): meter die als enige, dus zonder peter, fungeert

 

peeze

Werkwoord, zwak

ijlings verdwijnen; hard werken, ploeteren

- peeze - peesde - gepeesd

- ook in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

Van Beek - "Ge moet nie teute. Pees um!" is: Ge moogt niet treuzelen. Haast je! (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben: ik pees en snél - ik ga er rap vandoor

Henk van Rijen (1998): 'Um peeze' - weggaan, wegwezen.

Henk van Rijen (1998): 'Peest um naa gaaw!' - Verdwijn, en vlug

WBD III.1.2:128 'daaruit pezen' = op de loop gaan

WBD III.1.4:345 'pezen' = zwoegen

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEEZEN - slagen geven, afrossen, 'k Zal oe peezen!

WNT PEZEN - B) Werken, inzonderheid: hard en inspannend werken; slagen geven, slaan, afrossen.

pegatter, pagòtter, pagadder, pagatter

zelfstandig naamwoord

Uit Spaans 'pagador' [?]

WNT PAGATTER zie 'pagador' = iemand die betaalt, geld geeft (o.a. persoon die den Spaanschen soldaten als tolk en afrekenaar diende bij hunne inkoopen). ... Thans in Z-Ned. inzonderheid 'klein kereltje'. Z.a.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pigatter - aardig klein jongetje"

- 't Is een leuke pagadder (pagatter). - 'n Ferm, parmantig jongetje, snaak, guit. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’)

Cees Robben – As pegatter leerde praote (19761001)

...de opgeschoote pagotters... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Alles op zene tèèd)

Henk van Rijen (1998): 'pagadder' - iemand die leent op onderpand (bijv. bij de lommerd)

Stadsnieuws: Moete daor dieje pegatter zien stappe - parmantig kind (171206)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994) pagadder (V:25)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): PEGATTER (pagatter) - klein kereltje; ene pegatter van drie jaor; ene fene (fijne, tengere) pegatter; z.o. 'kədòtər'.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): PAGADDER – pagadər, zelfstandig naamwoord m.- Woord v. onzekere bet. tot of van kinderen, schoolknapen of andere kleine personen gezegd; drukt eene zekere minachting voor hen uit om hun kleinte. Z.a.

 

peis
zelfstandig naamwoord
pais, vrede
Cees Robben – Het is wir peis en vree... (19650507)
 

pèk

zelfstandig naamwoord

WBD de eerste uitwerpselen v.e. veulen

 

pekaant, bekaan(s)t

bijwoord

- Dekens hèk dan ok pekaant nie mir noodig… (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Pekaant aon alle groot plezier zit innen bitteren naosmaok. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

... ’t wor pekaant hil de dag nie licht nie. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Henk van Rijen (1998): bijkans, bijna

 

pèkdraod

zelfstandig naamwoord

WBD pekdraad: de draad die men maakt door hennep- of vlasvezels in elkaar te draaien en met pek in te smeren door middel v.d. strijklap (II:698)

 

pèkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

pakje

Dialectenquête 1879: pak - päkske / pekske

Dirk Boutkan: pakske - verkleinwoord  van 'pak'

1. verpakking

-- en pèkske segrètte

Eerstens: drie pekskes tabak gekocht... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun naor zee’; NTC 18-11-1939)

Toe Jaonus maotigt oe is wè/ ge maok et vuls te gèk/ Dè is naa van en Zondag aaf/ oe vèfde pèkske sjèk. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vroag et ar òn de slachter‘)

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pèkske - pakje; kostuum

2. kostuum, kledingstuk

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): de hèrmenie in en nuuw pèkske

Cees Robben – “Ieder die z’n asse-kröske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastôôr ’n pekske...”/ zee meneer den kapelaon..... (19550226)

Ons Sjaan wil nòr de Bikse Bèèrge/ daor meugde messchien strak blôot./ Nou jè, dè za wel nie veul verschil zèèn/ de badpèkskes zèn ok nie grôot. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Blôot in de Bikse Bèèrge?)

Henk van Rijen: gè hèt en schôon pèksken aon - je hebt een mooi pak aan

Elie van Schilt - We hadden de welpen en de vekenners, mar ok wir iets vur meessen die iets meer te vurhapstukken hadden, want die pekskes van die welpen waren vur gewoon meesen vuls te duur. (Uit: ‘As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

- En kochte daor dan vur un frenkske/ Un pekske sugrette van Piraote… Uit: ‘De wèèvers van Tilburg’, Ad van den Boom, circa 2005

Hedde gij wel un pekske degge dan aon moet, vroeg de kapelaon, die op zuuk waar naor herderkes. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

pelèèrbèèter

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: pilaarbijter: iemand die tijdens de kerkdienst altijd tegen een pilaar achter in de kerk leunt; hypocriet, onechte heilige

WNT PILAARBIJTER - iemand die zich aan overdrijving in zijne godsvereering schuldig maakt

 

pèlgrim

zelfstandig naamwoord

pelgrimage, bedevaart

Interview Jolen - 1978 - “Bènde gij katteliek?Hèdde wèlles ene pèlgrim gemòkt nòr St. Job? Jaojaojao…pèlgrim….jao, ik bèn dikkels genoeg nòr Sint Job gewist!”. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

peliesie

zelfstandig naamwoord
politie
Cees Robben – ’t Is mee de peliesie net as mee den regenboog.. Die komt aaltij as de bui over is... (19810206)

pliesie

 

pèlle

Werkwoord, zwak

WBD een ei van de schaal ontdoen

pèlle - pèlde - gepèld

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PELLEN - van de pel ontdoen. Gruun hout pelt gemakkelijk.

 

pèlleriene

zelfstandig naamwoord

schoudermantel die door pelgrimerende vrouwen gedragen werd; uit het Franse ‘pellerinage’; algemener: korte schoudermantel.

De uitspraak van het in het citaat hieronder gebruike woord is niet eenduidig.

- Vur mutsen en pelerienen en ook vur zijje petjes en toekielen kun-de in de buurt van Diessen en vural verderop, de vremde laanden van de Aacht Zaoligheden in nog haost overal terecht. En rooi zakdoeken en kazienees verkoopen zin de Heuvelstraot nog wel. ‘Uit het land der Brabantsche week’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door ‘W.v.M.’ = Willem van Mook.

Pellerine, tekening uit 1911. (Wikipedia)

 

penduul (dus niet: pènduul)

zelfstandig naamwoord

klok op de schoorsteenmantel

WBD III.2.1:117 'pendule'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pəndül, zelfstandig naamwoord m. - pendule

 

pènneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

pannetje

-- verkleinwoord  van 'pan', met umlaut

Zèt dè pènneke mar op den aonrècht

Pierre van Beek – Van de andere kant echter is het waar, dat er "geen penneke zo scheef is of er paast 'n dekseltje op!" Dat betekent, dat iedere jongen of meisje de zij of de hij wel te vinden weet om een paar te vormen. Men zegt het speciaal als men een ietwat "raar stel" ontmoet, waarvan ieder zich met verbazing afvraagt hoe ze elkaar hebben weten te vinden. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 8 april 1950)

De Wijs -- (Na bijgelegde ruzie) ’t is wir penneke tot aon ’t stiltje toe (23-10-1963)

Pierre van Beek: Ge moet et pènneke bij et stiltje haawe, zi wèfke Eras ( = zuinig zijn) (Tilburgse Taalplastiek 145)

Ik denk desse dieje worst nie zelf opaten, die gaven ze weg aon meense, die daor elke dag weer aon de poort stonden meej un penneke. Dè waren schooiers, meense die zelf gin eten kosse kôope, die nonnen kôokte volgens mèn aaltij meer dan ze zelf opaten, aanders kwamen die schooiers nie elke dag terug meej der penneke. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Dialectenquête 1879: putjes en pennekes - potjes en pannetjes

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et is pènneke tòt ònt stiltje toe ('65) - de vriendschap is groot

- uitdrukking: ’t Is wir penneke tot aon ’t stiltje toe... (19631122) [Alles is weer goed, bijgelegd tussen echtelieden]
Cees Robben – En ’t is wir penneke tot stiltje toe... (19710813)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: hurt es wè et pènneke schruwt (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - hoor eens hoe het pannetje huilt (de saus bij de aardappels is verdacht dun: 'lawaaisaus')

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PANNEKEN, in de Kempen: pänneke(n), penneke(n).

 

pènnekeslêed

zelfstandig naamwoord

samenstelling uit pannetje + leed

- 2019 – klein huiselijk leed (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.  Voor de volledige lijst Klik hier)

 

pènning zistien, van - zèèn
uitdrukking
gierig zijn, woekerrente berekenen
Cees Robben – Ik heb nog nôôt unne interessaantere meens gezien as die daor lôôpt... Gierig.. vuil.. van den haauwvaast.. eene van penning zistien... (19840127)
Ewoud Sanders / Meertens Instituut - Hij is een gierigaard, een woekeraar. Het gaat om iemand die geld leent tegen een hoge rente, namelijk één penning op iedere 16, dat is 6,25 procent.
 

pèns

zelfstandig naamwoord

WBD buik van een paard, ook 'bèùk' genoemd

Frans Verbunt: beeter nen dikke pèns vant zèùpen as nen bult vant wèèrke

WBD III.1.1:121 'pens' = buik; 122 idem (spotnaam)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PENS zelfstandig naamwoord v. - buik, Fr. panse, ventre; ook bloedworst. Bij veeartsen: eerste maag; bij herkauwende dieren

 

pènt

zelfstandig naamwoord

pijn; moeite

-- 'kost nie haawe van de pènt

-- Meej veul pènt hòlden ie et

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'de oorzaok van de pent'; 'de pent die kwaam weerom'

Cees Robben: ge zult er gin maogpènt van krèège; pènt;

...onze Paa heej pènt in zenne rug... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir tèèd vur den hòf)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: die gloorie heej, moet pènt lije (JM'50) - wie mooi wil zijn,moet pijn lijden

Henk van Rijen: pènt in menen baast - pijn in mijn lijf

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

WBD III.1.4:246 'pijn' = verdriet = Fr. 'peine' met paragogische t

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PENT v - pijn: de jeu:k is èrger ès de pent, gezegd v.e. weduwe die graag naar mannen kijkt.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'pijnt' - pijn

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pènt - pijn

Frans Verbunt: pit in een aardappel

 

pènwèèrk

zelfstandig naamwoord

WBD gepind werk: schoenwerk dat met houten pennen vervaardigd is (II:797)

 

pepier, pepierke

zelfstandig naamwoord

papier (stofnaam)

-- korte ie in verkleinwoord , in grondwoord lange ie

-- ook soortnaam: een papier, een papiertje

Dialectenquête 1879: boeken en pepiere

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'die plaot van pepier', 'die plaot deh is 'n pepieren'

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'pampier'

Van Delft - "As g'oew haande mèr van 't pepier hauwt, doen z'oe niks" zegt de man uit het volk om uit te drukken, dat men nimmer een handteekening onder eenigerlei officieel stuk moet plaatsen, teneinde niet wettelijk aansprakelijk gesteld te kunnen worden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Die plaot dè-d-is 'n pepiere

mee allemaol götjes erdeur,

dan waait er 'nen zucht deur die kiere

en die kiere die geeve geheur. (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘D’n örgel’, 1938)

De seldaote wieren vol pepiersnippers en slierten pepier gegooid. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Hij scharrelde overal in, mistal waar dè ouw pepier. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
 

Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1938.

 

pèpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  van 'pèèp', met vocaalkrimping

pijpje

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'mar goed deh 'k nog m'n pepke ròok'

Cees Robben – Driekus smakte aon z’n pepke (19590627)

Audioregistratie 1978 -- “…meej de hand was dè die spoele dòr die, dòr die pèpkes inzitte, die krêege ze dan meej, die pèpkes meej gaore derop, dan wier derin gezèt èn moesie nòr geen toe, nòr diejen bak…” (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- Hij mee un pèpke in zunne mond… Uit: ‘Unnen droom’, Ad van den Boom, circa 2005.

Henk van Rijen: òn zen pèpke lörke - zijn pijpje roken

WBD III.2.3:287 'pijpje' = sigarenpijpje

 

perbeere

werkwoord, zwak

proberen

perbeere - perbeerde - geperbeerd

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): perbeere; prebeere (passim)

Infinitief

- Miep Mandos, Aantekeningen Brabantse Spreekwoorden: Perbeeren is et nòste (proberen ligt het meest voor de hand).

- Witte naa wir nie, wèttè ies? Wel dan legde op nen steen 'n paor centen en die staon obberus of mis (dè ies zo veul as kruis of munt) en die moette dan perberen om te mikke. (A.J.A.C. van Delft, uit: ‘Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect’; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

- Cees Robben – [Vader van drie kinderen spreekt:] Praot me nie van perbeere, Filippus.. Van perbeere hekker drie overgehaauwe... (19720107)

- As ik naa laoter toch nog van dè gelôof af zô willen, zôgenaomd afvallige zô willen worre, dan kosse de peetouders perbere, mèn daarvan af te brengen, van dè afvallige willen worre. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Grôot Diktee-07 ge zogget nie hèbbe moete perbeere...

- gewôon es ötperbeere... (Henriëtte Vunderink; Et naojmesjien; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

- Ik dòcht bij men èege: dè gaok perbeere. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- Stadsnieuws: Dè kunde naa wèl perbeere, mar dè lukt oe tòch nie. (111109)

- as et nie goed is, dan moette zèllef mar es perbeere… (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Wörrom zok et nie es perbeere?  (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012)

Vervoegingen

- Cees Robben – Perbeert is unnen haon... (19670922)- In et zwembad perbeerden wij gewoon wie er et langste kos drèève. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Wij fietsten aaltij over de stoep, dus hoe et vuulde om over hobbelkaaie te rijen, daor wiese wij toen nog niks van en dè perbeerde we ok mar nie. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Ik hèb et naa zon veefentwinteg keere geperbeerd. (Henriëtte Vunderink; Deezèmber 2006 Den Heuvel; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

- èn as mene vriend dè wir perbeerde,/ zègt dan: "Haawt oew haande tèùs". (Henriëtte Vunderink; Mene listen biecht; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

Elders

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr. 'perberen' - proberen

C.J. Verhoeven, Haorese woorde (2007): PREBEERE - proberen

 

perbleem

zelfstandig naamwoord

probleem

Daor begienet al, perbleem nummer êen. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012)

 

pèrd

pèèrd

Luister naar het lied over Boer van Riel, met pèèrdemèrt en pèrsstront

 

pèrdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

paardje

Dialectenquête 1879: perdje

Pierre van Beek: Op zen pèrdje zitte - boos zijn (Tilburgse Taalplastiek 740125)

Wim van Boxtel:

De Kermis


Gif mèn mar de kermis,
vol leut en plezier.
Ik beet al te hostig,
in 'n schuimend glas bier.


(...)


Gif mèn mar de kermis,
'n kiendje dè kraait.
Dè opt houten pèrdje,
nor z'n moederke zwaait.


Uit: Brabants Bont; 1979

WBD klèn pèrdje, veuletje - vleinaam van het veulen

WBD pèrdje, veule, hanske, (Hasselt) pòlleke - lok-/roepnaam van het veulen

WBD pèrdje, hè jonge - vleinamen v.h. paard

WBD pèrdje (II:970) - paardje, wip: onderdeel v.e. getouw

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèrdstront

zelfstandig naamwoord

paardenstront

► pèrsstront

 

perdukt

zelfstandig naamwoord

product

Dè zon perdukt verkocht mocht en nog verkocht maag worre. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

perfiesieat

bijwoord

proficiat

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'purfisijat'

 

pèrgestiekes

zelfstandig naamwoord, plur.

gebaren

Van Delft - - Hij die voorzichtig speelt "zit te huipen" en iemand, die stilletjes een teeken geeft, terwijl de ander het ziet, krijgt de aanmaning: "Maok nou gin pergestikus" (gestes). (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Stadsnieuws: dès vals spul, gij mòkt pèrgestiekes òn oewe maot - dat is vals spel, jij geeft tekens aan je maat (180209) - Uit Frans 'gesticuler' - tekens geven, gebaren maken.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: mòkt gin per gèstikes (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969) - maak geen gebaren (kaartterm, gezegd als iemand bij het kaarten een medespeler stiekem een teken geeft.) Fr. gesticuler - gebaren maken

 

pèrkel, pèèrkel

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: dwarsbalk om een poort te sluiten

 

perlòt

zelfstandig naamwoord

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: zen perlòt hèbbe (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - zijn aandeel hebben (wsch. van Fr. parlote = debatingclub, advocatenkamer)

WNT PARLOT, perlot - 2) het iemand toekomende deel, dat waarop men aanspraak kan maken, part, portie

 

pèrmefôoj

bijvoeglijk naamwoord

etymologie onzeker; mogelijk een verbastering van het Franse gezegde ‘par ma foi’, wat kan het mij schelen / het maakt mij niets uit.

2020 -  pèrmefôojèèchteg gezicht = huichelachtig gezicht. (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.  Voor de volledige lijst Klik hier .)

 

pèrmetaosie

zelfstandig naamwoord

kring, familie, gelederen

Frans: parentage

In het Tilburgs ook 'nepotisme'.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "permetoassie - 't is nog iet of wè, in de permetaassie (familie)"

- Wanneer ge “eige" [bent] of tot de permitaotie behoort, zijt ge lid van de familie. ‘De Noord-Brabantsche Tongval’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

Anoniem – 1959
Nillus kon gin paf mir zegge,
d'r hielp niks gin permetaosie,
Op staonde voet krig ie gedaon,
en 't errigste: 'n kaoi rikkemedaosie.
(...)

[Hij] Zucht nog dikkels wè was dè vruger 'n permetaosie,
En dan dè geval van die kaoi rikkemedaosie,
Wè zèn de tije in de vèftig jaore toch gekeerd,
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)

► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm ► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

 

WBD III.2.2:58 'in de parmetasie (zijn)' = verwant

C.J. verhoeven, Haorese woorde (2007): pèrmentasie - verwantschap - Verbastering van fr. 'parentage'

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PARMENTATIE (pèrmetatie) v - verwantschap, familie; verbastering v.h. chique woord 'parentage': dè zit nog 'n bietje in de pèrmetatie.

Weijnen, Etymol. Dialectwdb. (1995 & 2003): permetatie, palmetaosie, pollemetaosie - alle verwanten

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): permetaosie - familie (Fr. parentage)

WNT PARENTAGE, in de volkstaal verbasterd tot PARMENTASIE - bloedverwantschap

 

pèrmeteere

Werkwoord, zwak

Informant: Piet Mutsaerts: smeken

bidden èn pèrmeteere

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "ik heb er om motten bidden en permeteeren om het te kraigen"

Informant Th. Witters:  "hij laag me tòch te permietééren' (te smeken)

Frans Verbunt: zenèège pèrmeteere - zich veroorloven

WBD III.3.1:263 'permitteren' = smeken 275 'permitteren' = klagen

pèrmeteere - pèrmeteerde - gepèrmeteerd

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): permetere - smeken: Hij bleef bidde en permetere.

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PERMITTEREN (pèrmetere) onov.ww - smeken, jammerklachten uiten, dikwijls in combinatie met 'bidden'.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): intr.permitteren 1) dringend bidden, smeken; verbinding 'bidden en parmetere'; 2) aangaan, jammeren, klagen. Z.a.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PERMETEEREN - misbaar maken, klagen

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pèrmeteere ww - veroorloven, jammeren

WNT PERMITTEEREN - toelaten; verlof geven

 

peronkòrtje

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

perronkaartje

De Wijs -- Den dieje zôde de sleutel van oew braandkaast geve, mar z’n bruur is nog nie goed vûr ’n perronkaortje. (17-10-1966)

 

pèrreg

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.4.1:44 'perrig' - tochtig van vogels

 

pèrrepluu, pèèrepluu

zelfstandig naamwoord

1. paraplu

Puk en Muk

...mee zoo'n lange haoren en zoo'n flabberboks om z'n beene en zoo'n pereplu van 'nen hoed op z'nen raogersbol!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939)

Hij ha natuurlijk z'n tasch en z'n perreplu in de bus laote ligge en de chauffeur moes 'm naoroepen: "Tasch en paraplu van u, mijnheer?" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’n Staandbild in Baozel’; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 – 17-6-1939)

Hij liep aaltij netjes mee in perrepluu of mee in deftige rotting in z’n haand... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

We han thuis nog een héél stelletje aaw perreplus staon mee kepotte blène. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

Piet van Beers – ‘As ge me zuukt’: ...Elken dag opnuu wir rèègen./ Elken dag de pèrrepluu. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers – ‘As ge me zuukt’:  ...Èlken dag opnuu wir rèègen./ Èlken dag de pèrrepluu. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PERREPLU zelfstandig naamwoord m. – regenscherm

2. bijnaam, de gevangenis in Breda

Dieje deftige meneer meej zen sigarewinkeltje zaat naa in Berdao, in de pèreplu. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

Ill.: Thomé - pisbloem - pèrsblom, paardebloem - mòlslaoj - taraxacum officinale

pèrsblom

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:285 pèrsblom - paardebloem (Taraxacum officinale) ook 'pisblom' genoemd of kankerblom

WBD III.4.3:394 pèrsblom (gele ganzebloem - Chrysanthemum segetum) ook genoemd: gaanzeblom

 

pèrseg

bijvoeglijk naamwoord

paarsig, paarsachtig

 

pèrsekuusie

zelfstandig naamwoord

rompslomp, omslachtigheid

uit 'Persecutie'

Van Delft - "Wat is me dat een persekussie!" Dit is: Wat is dat vervelend, een naar geval, dat hindert. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Van Delft - Een "persekuusie" is narigheid. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Toen was et gin pèrsiekuusie/ om en goei moeder te zèn/ dag en naacht gestaojig beezeg/ meej de zörg vur grôot èn klèèn. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

Henk van Rijen (1998): bezoeking, kruis, kwelling

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): pèrsecusie, v. rompslomp: 'n hil pèrsecusie - een ingewikkelde zaak; het woord werd oudtijds gebruikt als juridische term voor 'vervolging'.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'persecutie' - kwelling, marteling

WNT PERSECUTIE - vervolging, kwelling

 

pèrsenêel

zelfstandig naamwoord

personeel

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): perseneel (passim)

 

persès

zelfstandig naamwoord

proces, proces-verbaal

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): perces, percessen

En hij naam z'n buukske en gaaf ze alle drie 'n perces weges befietse van innen verbooje weg! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

Cees Robben – ’t Leej nog in perses [het is nog volkomen onduidelijk] (19780902)

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 – ‘Diverse Meijerrijse woorden’ - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) preces van balen...

WBD III.3.1:351 'proces' = proces-verbaal ook genoemd 'verbaal'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. 'perces' - proces

 

persèssie

zelfstandig naamwoord

processie

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): de köster lèùjt vur de precèssie

Frans Verbunt: ge kunt nie de klòk luije èn ok nòg in de percèssie meelôope

Dirk Boutkan: (blz.99) köster löjt fur de presèsie

In de twidde [klas van de lagereschool] zochten ze ôk jungskes èùt, die in un percessie meej zouen willen lôope. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Toen liepeme nòg meej in de persèssie èn wier et rôozenhuudje nòg gebeeje. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr.'percessie' - processie

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): persèssie zn - processie

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): precessie - processie, optocht

 

pèrshaor

zelfstandig naamwoord

paardenhaar

Van Beek - Als vroeger de jeugd een boer zag, die zijn "erdkaar" bespannen had met een os of een koe, kreeg hij spoedig de sarcastische vraag te horen: "Boer, mag ik wè pèrshaor plukken". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

persies, persiesekes

bijwoord

zojuist, daarnet

Ik zaag em persies wèglôope

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): percies = juist; 'persies'

 ...die kossen alles persiesekes afgluren... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Ik heb persiesekes 't slotkoor van m'n oratorium afgecomponeerd... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)

Den örgel die rijdt deur de straote,

de kerel die draait er z'n wiel,

hij draait er persies op de maot en

hij draait er mee heel z'n ziel. (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘D’n örgel’, 1938)

Zeg, witte dè nog van Jan Viool:

z'ne kokkerd, - rond en rood

toe pimpelpeers van rooje kool, -

hong nie persies in 't lood. (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Jan Viool’, 1938)

SJAREL. 'k Zawis percies uitlegge wek bedoel. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

Cees Robben – Nie zôô-mar op ’t hellig ôôg.. ’t moet persies op maot zèèn... (19800328)

Henk van Rijen: persies gepaase - juist gepast (bij betaling)

Henk van Rijen (1998): toen persies - daarnet, zojuist

Cees Robben: "t lèèkend precies op 'n öpke'

Et waar un straot van percies enne kilometer lang. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Grôot Diktee-05 persies doen wè hij veròrdeneert

WBD III.1.4:136 'precies' = voorzichtig; 144 'precies' = nauwgezet

WBD III.1.4:303 'precies' = streng

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): persies - precies, juist; zojuist

Goemans, Leuvens taaleigen (1936):PRECIES - bn/bw - nauwlettend (pointilleux);

Hoeufft, Proeve van Breda's Taaleigen (1836): PRECIES in sommige spreekwijzen = juist. Z.a.

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PRECIES als bn: nauwkeurig, secuur; als bw. een minder plat klinkend woord voor krèk. Wsch. is door deze keuze de bet. uitgebreid tot die van krèk en 'net': hij is precies gekomen - hij is zojuist gearriveerd.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pərsis, bnw.+ bijw., 'percies' - precies.

 

pèrsmis

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) paardenmest

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pärsmäs, zelfstandig naamwoord o. ' perdsmes' - paardemest

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PÈÈRDSMES zelfstandig naamwoord o. - paardenmest

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

Cees Robben - Prent van de week 26 januari 1971 (detail)

pèrsmòp

zelfstandig naamwoord

paardevijg

WBD vermeldt het niet.

Pierre van Beek -- "Daor 't rôkt (rookt) is 't wèrm, zeej Uylenspiegel en ie wèrmde z'n eigen aon 'n persm..!" (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 11 maart 1950)

Lodewijk van den Bredevoort (Jo van Tilborg) - Kosset den brèùne
eigeluk wel trekken?, 2006 - Et waar ôk al bekaant donker en haost thèùs, toen ze [ons moeder] ineens zeej: ‘Raopte gij die aaierkolen ens op’, zô mar in et algemeen. Ons Jaoneke schiet de weg op, pakt die dingen van de grond en zegt: ‘Ze zèn nog wèèrm’. Eén of aander pèrd ha die moppen laote vallen. Wij han plezier, dè snapte en ons Jaoneke heej tot hèùs toe gekweke. 

Henk van Rijen (1998): paardevijg, smalende betiteling voor een medaille

Cees Robben – Den persmop was begèèrd [door de mussen] (19701016)
Cees Robben – [vogels spreken:] Mar pers-moppe homar... (19610324)
Cees Robben – Ik heb giestere nog ’n spraai persmoppe en ’n klocht mussen gezien.. (19790126)

Stadsnieuws: Strontpikkerkes zitte gèère op vòrse pèrsmòppe (090907)

 Waor ge trouwes wèl op moet lètte bij ’t nòrdik wòlleke is detter wèl ’s pèrsmòppe op de wèg ligge. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'perdsmop' - paardevijg

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): 'pèrdsmop' zn – paardevijg

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

personlek, persôonlek

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen (1998): persoonlek

Dirk Boutkan: persónlek, persôonlek (blz. 34)

 

pèrsstront

zelfstandig naamwoord

paardepoep

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'ik wôh 't ie meej z'n kont in de pèrdstront viel' (Uit het volkslied 'Boer van Riel')

Audioregistratie 1978 - …die ging pèrdstront raope, torte raope, zisse dès dan wir Riels, die kwaam van Riel aon! Pèrdstront raope om dere tèùn te bemèste èn ze han dan ok en vèèreke èn en gèèt! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Luister naar het lied over Boer van Riel op CuBra

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèrstaand

zelfstandig naamwoord, plur.

WBD (paardetanden) het blijvende gebit van een paard

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pärstant, zelfstandig naamwoord m. 'perdstand' -paardetand

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PÈÈRDSTAND zelfstandig naamwoord m -paardentand

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèrstal

zelfstandig naamwoord

WBD paardestal, ook 'pèèrdestal' genoemd

WBD 'pèèrdestal'- paardestal, ook 'pèrstal' genoemd

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pärstal, zelfstandig naamwoord m. 'perdsstal' - paardestal.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PÈÈRDSSTAL (Kemp. pjèsstal) zelfstandig naamwoord m. – paardenstal

 

pèrsvlêes

zelfstandig naamwoord

paardevlees

Cees Robben – ’n Ons persvlees asteblief.. (19720923)

Piet Heerkens: ... en de peerden die onze waogens trekken/ is 't fijnste vleesch veur de lekkerbekke... (Uit: 't Baokelsche boerke bij den paus', in: Vertesselkes, 1941)

WBD III.2.3:54 'paardsvlees' = gerookt vlees ook 'krip'

Naar overzicht lemma's Pèèrd, Pèrd

 

pèrsweek

zelfstandig naamwoord

week (meestal de laatste voor de kermis) waarin hard gewerkt moest worden, i.v.m. de komende vrije dagen

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "persweek -(paardenweek) noemen de werklieden een week zonder feestdag er in"

C.J. verhoeven, Haorese woorde (2007): PERSWÈÈK - paardenweek, waarin veel werk moet gebeuren

 

pertaol

1. brutaal - bijvoeglijk naamwoord

...mar ‘de spoor’ – zo hietten ie,- die was nog pertaol d’r bij, en hij zi: "dè kamme niks schillen... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben – Gemèèn en pertaol (19590822)

Henk van Rijen (1998): portaal; brutaal

2. portaal - zelfstandig naamwoord

-- in de körvelse kèrk, daor aachter int pertaol

Voor de volledige tekst van de voordracht 'De heiligen in 't portaal' op CuBra KLIK HIER

3. de ‘zolder’ van een herenbroek
Cees Robben – D’n wend (...) blaost oe pertaol/ zo wè uit oew broek (19600325)
 

pertènsie

zelfstandig naamwoord

Van Delft - "Wat heeft die vent een pertentie (verbeelding)." Dit is: Het is een branieschopper. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Pierre van Beek – "'ne Vent meej pertentie" is een branieschopper, die zichzelf dus heel wat verbeeldt. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 23 mei 1950)

Henk van Rijen (1998): pretentie, aanmatiging, veeleisendheid

Henk van Rijen (1998): 'Hè hò te veul pertènsies'

Frans Verbunt: pertènsie hèbbe - veeleisend zijn (Fr. prétention - aanspraak)

WNT PRETENTIE - aanspraak, eisch op een eigendom, geld, voorrecht; aanmatiging, eigenwaan, verwaandheid

 

pertij

zelfstandig naamwoord

partij

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'knokpertij'

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'pertij trekken'

De Wijs -- (Gehoord als beoordeling over ’n jeugdige, vrouwelijke schone) Ze blaost d’r partij goed mee, mar ze lopt ’n bietje taps-toe (13-07-1966)

WBD (III.3.23.21) 'partijtje' of pötje = spelletje

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr.

 

Afb. uit R. Brody-Johansen, Kleding en het AaBe ervan; 1953

pertienes

zelfstandig naamwoord

bottines

"Trien, poetst m’n bottines...” (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’De nuuwe dokter’; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 – 17-2-1940)

Cees Robben – En hij riep dan ôôk meteen.../ “’t zèn inscripsies... pree-histories”/ En hij spelde – kazjeneej - .../ - zimmezetje -.. – de pertienes/ - Staon op ’t gutje... bij de pleej... (19570119)

Van Beek - "pertines" zijn bottines, hoge schoenen; (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

pertrèt, petrèt
zelfstandig naamwoord
portret; in overdrachtelijke zin: type, figuur
Cees Robben – [Vrouw over man:] De menne (...) des ’n schôôn pertret.. (19641023)
 

Schilderij van Giovanna Carzoni (detail) - Stilleven met perziken

pèrzek, pèrzekes

zelfstandig naamwoord

perzik

Frans Verbunt: alles wòrt duurder behalve de pèrzekes, want die zèn der swènters nie

WBD (III.2.1:463) pèrzekesbôom - perzikboom, ook 'perzikenboom'

WBD (III.2.3:171) 'perzik ' – idem

Schilderij van Eugenio de Blaas (Oostenrijk)

 

pesiesie

zelfstandig naamwoord

1. positie, verwachting

WBD III.2.2:2 'in positie zijn' = zwanger zijn

Henk van Rijen: ze waar al en tèdje in peziesie - in verwachting

2. positie, betrekking

Hij ha in schoon pesiesie, mar gin vrinden... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

pesjoen

zelfstandig naamwoord

pensioen

Grôot Diktee-08: meej en klèèn pesioentje aachter de gerdèntjes

 

Tilburgsche Courant 9-8-1891

pesjonkele

Werkwoord, zwak

-- pesjonkele - pesjonkelde - gepesjonkeld

-- Voor herkomst zie: OT 64:73 (Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994) en OT 64:134 (Piron)

- tijdens kerkbezoek de Portiuncula-aflaat verdienen. Uitsluitend in kerken van de franciscanen/capucijnen. In Tilburg in de capucijnenkerk, Korvelseweg. Op 2 augustus. Dit resulteerde meestal in een druk heen-en-weer geloop, omdat aan ieder kerkbezoek met voorgeschreven gebeden de aflaat verbonden was. De gelovige voldeed aan de voorwaarden (zie het Dossier, hieronder), verliet de kerk, en ging weer naar binnen om nogmaals de gebeden te doen en daarmee nogmaals een aflaat te verdienen.

Cees Robben: pesjónkele - café in, café uit

Cees Robben: 'ze han saome gepensjonkeld'

Verdiene bij de Capusiene ? Jè, unne aflaot jè, mee pesjonkeIe . . . (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Die Kappesiene, dè waar iets hêel aparts. In hullie kèèrek koste pesjonkele, èn onze paa ging daor biechte, want daor kreede nie zo gaaw et schöfke. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pesjunkele - behalen v.e. volle aflaat

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pesjonkele (II:80)

OT jg. 64: blz.73 en 134

Weijnen, Etymol. Dialectwdb. (1995 & 2003): pesjonkele - de Portiuncula-aflaat verdienen

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): 'besjònkele' - aflaat verdienen

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.intr. 'pesjonkelen - portonculen'

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PORTIONKEL zelfstandig naamwoord m. - de 2e Augustus; spr.w.: portionkel, te acht uren donker - PORTIONKELEN (uitspr. pəsjonkələn)

WTT-Dossier over pesjonkele

 

pèstiemist

zelfstandig naamwoord

pessimist

...dieën inzender dès innen pestimist. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

pestôor, pestorke

zelfstandig naamwoord

pastoor

Frans Verbunt: de pestoor èn de kapelaon lôopen aachter dezèlfde vaon

Cees Robben: pestoor: zó spraak is en pestórke; 'ons pestoôrke was unne goeie'

Pierre van Beek: As de pestoor gao praote, lèkt alles èùt.

Jao, ze han mèn ötgekoozen omdèk goed kos vurdraoge. Dè waar êen van mèn hobbies, ik waar ens ene keer in de hèùd van de pestoor van Scharrebeek gekroopen en meej dè optreeje han ze veul moete laage. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) ['De pastoor van scharrebeek' was een populaire voordracht.] Voor een van de oudst bekende teksten -klik hier - CuBra-feestliedjesrubriek

Karel de Beer, Bijnamenboek: Jan pestoor = alg. bijnaam voor pastoors (blz.90)

Karel de Beer, Bijnamenboek: et Scholteriaans pestorke = dominee Lindeboom (blz.32)

Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: De pestoor verdient zen gèld vur de irste kóffie (Dat zeggen de boeren die menen dat de pastoor na zijn H. Mis gelezen te hebben, er voor die dag mee klaar is, terwijl zijzelf voor de eerste koffiemaaltijd reeds enkele uren gewerkt hebben.)

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Hij doet nèt as de pestoor: hij zeegent zenèègen et irst.

Weijnen, Dialectatlas van N.-Brab. (1952): de pestoor heej goeje wèèn

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: 'dèk weet, weet ik zó goed as de pestoor', zi den boer,'mar nie zó veul (D'16) - zeispreuk

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: de pestoor èn de kapelon lôopen aachter etzèlfde vaon (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1970) - die houden er dezelfde principes op na.

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: derin töszèèn as de pestoor in zene kerkboek (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1969)

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pestoor - pastoor

 

pestoorsfiets

zelfstandig naamwoord

oudere benaming van wat tegenwoordig de 'omafiets' genoemd wordt

Dèrrom mocht ze vurrige week al ’n omaasfiets  ötzuuke. Vruuger zin wij pestôorsfiets. Mar omdètter tegesworrig bekaant gin pestôors mir zèn, meude dè nie mir zegge. Meej ’n omaasfiets zèède “in”… (Jos Naaijkens; ‘Middelbaoreschoolperiekelej’; CuBra, ca 2005)

 

pestoorspraot

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: onzin, zever

Stadsnieuws: òn pestoorspraot hèmme niks asser opgetreeje moet wòrre (030107)

 

De huidige uitvoering van de medaille Pro Ecclesia et Pontifice. Afb.: wikipedia

pestoorsmèèdekrèùs

zelfstandig naamwoord

pastoorsmeidenkruis; spotwoord voor een pauselijke onderscheiding

Hij heeter van de paus nòg en pestorsmèèdekrèùs vur gekreege. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2006)

 

pestorsmèèd

zelfstandig naamwoord

huishoudster van de pastoor

Grôot Diktee-06 hij heej van de paus en pestorsmèèdekrèùs gekreege (= pauselijke eremedaille 'Pro Ecclesia et Pontifice')

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: as den bisschòp ene priester wijdt, wijdt de duuvel en pestórsmèèd - zo blijft het evenwicht tussen goed en kwaad.

 

pestoorstuk

zelfstandig naamwoord

pastoorsstuk, een deel van het geslachte varken dat aan de pastoor van de parochie ten goede kwam.

WTT 2012 - Voor Tilburg en Udenhout is met name ‘krèp’ (carbonade) opgetekend als het aandeel van de pastoor. Zie aldaar.

Cor Swanenberg - Dividivi en stamppot, 2005 - In het katholieke zuiden bestond vroeger het gebruik dat het beste van het varken (de karbonade) naar de pastoor gebracht werd. Deed men dit niet dan kon het gebeuren dat de parochieherder kwam vragen of de varkens niet meer katholiek waren.

Cees Robben - Prent van de week 26 januari 1962 - met hieronder enige regels uit het lange gedicht

-- Detail uit een voordracht onder de titel 'Opstel van het varken'; datum onbekend . Ingezonden door Ton van den Hout.

- Informant Harrie de Rooij -- Hoewel mijn ouders streng katholiek waren, zoals bijna iedereen in die tijd, waren ze toch wel zo verstandig om aan het begrip “pastoorsstuk” geen inhoud te geven; er waren meer dan genoeg eigen monden die gevuld moesten worden. (e-mail 2013)

► Zie vèèrekeskòp

► Zie Dossier Pastoorsstuk

 

petaole, betaole

Werkwoord, zwak

Henk van Rijen (1998): betalen

 

petat frut, petatte frut

zelfstandig naamwoord

patatfriet

Blomkôole meej petatte frut... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Smaokeluk)

 

petènt

zelfstandig naamwoord

patent; in verbindingen datgene waarop patent genomen is

...ons meenschen zèn zô bedaord en kalm as 'n petentollie-lichtje vur 't Heilig Hartbild op 't hoekbenkske. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

WBD meel voor het bereiden van beschuitdeeg, ook 'beschèùtenblóm' genoemd

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord  patent (in de zin 'Hij hee petant' [van liegen nl.])

 

petoffel

zelfstandig naamwoord

pantoffel

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): petoffels

Piet van Beers -

Wèffer kedooke???
Wè za’k onze vadder dees jaor geeve
Assie zis èn taageteg word?
Van 'ze Fraans krèègt ie petoffels.
Hij komt èègelek niks te kort. (CuBra)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m.- pantoffel

► kemêelhaor

 

petòzzie

zelfstandig naamwoord

-- van fr. 'potage' (vlees en groenten; soep)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): 'potaazie' - gestoofd middageten

Van Delft - Wanneer iemand een weduwe met veel kinderen trouwt, klinkt het: "Hij durft nogal wat aan. Weet ge hoeveel lappen er op staan?" Als dan de ander het aantal kinderen niet alléén 'n bezwaar vindt, verduidelijkt hij zijn meening nog door er aan toe te voegen: "Ja, en 't is toch altijd nog maar opgewarmde potage." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Pierre van Beek – Van iemand, die een weduwe met een aantal kinderen trouwt, zegt men, dat hij nogal "wè aon durreft omdè-t-er zoveul lappen op staon". Met die "lappen" zijn dan de kinderen bedoeld. En als men dit toch eigenlijk geen bezwaar vindt, loopt men nog wel eens kans als versterkend argument te horen te krijgen: "En 't is toch aaltij nog mar opgewermde potaosie (potage - soep)." (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 8 april 1950)

Pierre van Beek – Men zal zich herinneren, dat wij in ons vorige artikel over "opgewermde potaosie" spraken. Daartoe verleid door het Franse woord "potage" vertaalden wij dit door "soep". Een tweetal lezers komt ons thans vertellen, dat wanneer men in Tilburg over "potaosie" praat, men hiermede echter "stamp" bedoelt. We hebben hierover hier en daar eens ons licht opgestoken. Daarbij leerden we, dat de tegenwoordige jeugd het woord als zodanig niet meer kent, maar dat de oudere generatie er inderdaad "stamppot" mee aanduidt. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950)
Henk van Rijen (1998): soep, natte stamppot

Èn dè petòzzie stamppòt is/ van spèk èn van sevôoje? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

Stadsnieuws: We aate petòzzie van sevôojkes meej ötgebakke spèk (051207)

Ed Schilders - In: Slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrepel - Aan tafel met Cees Robben (2008):

Prent van de week van 15 november 1963

Vader heeft vandaag ‘petòzzie’ gekregen, en zijn echtgenote is daar maar wat trots op. ‘Petòzzie’ is een dialectische verbastering van het Franse ‘potage’, dat tegenwoordig als hoofdbetekenis ‘soep’ heeft. Maar met ‘soep’ heeft het Tilburgse ‘petòzzie’ niets te maken. Het wordt in het Tilburgs uitsluitend gebruikt om stamppotten aan te duiden. Dat komt doordat de afleiding al bestond voordat het Franse woord ‘potage’ de betekenis ‘soep’ kreeg. Van oorsprong (13de eeuw) is het een aanduiding voor alles wat in een pot bereid wordt, met name ook groenten. Het grondwoord is dus het Franse ‘pot’ (spreek uit als
‘po’). De verbastering komt veel voor in de Meijerij, de Kempen, en het Antwerps, en wel in de meest uiteenlopende vormen: betassie, petosie, petazzie, peteus, betazzie, petos, petuis. Behalve ‘stamppot’ kan het ook ‘aardappelpuree’ betekenen, maar niet in Tilburg.

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr.'petazie' (fijngemaakte aardappels met groente (voornamelijk kool) door elkaar gemengd.

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): POTAGE - Groenten; ook in de uitdr: ’t is maar potagie (slecht volk)

WNT POTAGE - veel betekenissen: zie aldaar

 

petrèène

zelfstandig naamwoord

verdrukking

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "petraine" 'en zoo zai 'k in de petraine gekomen' - in de verdrukking

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: in de petrèène koome (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - in de verdrukking komen (Fr. être dans le pétrin - in de knoei zitten)

 

petrèès

patrijs (Perdix perdix)

Verkleinwoord: petrèske

Perdix perdix

Dialectenquête 1879: petrêze - patrijzen (voor ê vgl. 'gête' - geiten)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. - patrijs; mv. 'patrees'

 

petrèt, pertrèt

portret; met een bijvoeglijk naamwoord gebruikt om iemands karakter aan te duiden

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): petrèt

De Wijs -- ‘tis ’n schôôn portret (17-08-1964)

Ik hèb et naa dè laastig petrèt/ vandaog es goed gezeej. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Wèn lèf haj‘)

Opt list vond ik nòg en petrèt/ van ons (toen we nòg vreeje)/ Wè waare we tòch en stuup paor.../ Mar... dès vort lang geleeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wètter was)

Èn dan ons mèdjes, petrètjes, blôozend èn gezond/ Lèkker mollig, aaltij lollig, zo ge ze nèrgens nie vond. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg op z’n bèst)

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): ''n middeljon meej men petret'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): peträt, zelfstandig naamwoord o petret - portret

 

petrollie

zelfstandig naamwoord

petroleum

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…was er zonne man, zon man van et gaslicht òngestèld meej zonne lange stòk meej zon lèmpke veur derin, petrollie, hè, en knoetje in meej bronnollie èn dan gingie saoves dieje lantèère veur in dè gòtje steeke, de lantèèren ònmaoke.” Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

petrôon

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord: petrontje

Kees & Bart (krantenrubriek - 1922-193?): 'gewèèren en petronen'

werkgever

Interview Hermans - 1978 - “St. Lambertus jao, èn de was Unitas ôok [de vakbonden] mar die kos ok niks klòrmaoke… de petrôon, dè waar eigelek de manne…!” (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

WBD petróntje (II:916) - patroontje (dessin)

WBD 'pàtróón' (II:1386) - patroon, knippatroon

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pətrö.n, zelfstandig naamwoord m. - patroon: 2) schietpatroon

 

petrôonhèllege

zelfstandig naamwoord

patroonheilige, schutspatroon

Die jeugdvereniginge han ammòl ene petrôonheilige zôas: Sint Paulus, van de verkennerij. Sint Francicus waar van de welpen, Sint Joseph de petrôon van et Jongensgilde en Sint Oda van de gidsen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD (III.3.3:217) 'patroonheilige', 'naampatroon'

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pətrö.n, zelfstandig naamwoord m. - patroon: 1) beschermheilige

 

pêûl

zelfstandig naamwoord

peul

Dirk Boutkan: plur.: peule, sing.: pêûl (36)

 

pêûle, poole

Werkwoord, zwak

Goedgetòld - peule, poole = erwten of bonen van de dop ontdoen, afhalen

 

pèùme

Werkwoord, zwak

-- pèùme - pömde - gepömd

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij pömt

met puimsteen een oppervlak gladschuren

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'enen motlap die moete puimen'

WNT PUIMEN - zw.ww., - met puimsteen een oppervlak schuren

 

pèùr - peur

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): angst, vrees (Fr. peur)

Stadsnieuws: Hij heej veul pèùr vur de tandarts; dè spaort em sènte, mar dè kost em wel zen taande - - Hij is erg bang voor de tandarts, dat spaart hem geld maar kost hem wel zijn gebit. (260510)

 

peut

zelfstandig naamwoord

slaag, klap

Wilde peut beure? - Moet je een pak slaag?

Van den dichtst bijzittende kreeg ie in peut tege z’n kaoke... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WNT PEUT (I) zelfstandig naamwoord m., mv. –en. In de volkstaal: slag, klap, oorveeg. Bijvorm van 'peuter' en misschien een verkorting daarvan, in het enkelv. ook als collectief voor: klappen, slaag.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PEUT bw - Peut hou(d)en - term in het marbelspel. Zijne hand op de meet houden, wanneer men schiet, niet pooteren.

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): peut - stomp

 

pèùtôor

zelfstandig naamwoord

zeer vervelend persoon

Cees Robben – puitôôor... [man wordt berispt door echtgenote] (19600311)
Cees Robben – puitôôr [moeder tegen kind] (19680830)

Ik mot ze nie ! t'Is unne puitoor en des nog we aanders as unne druiloor boske! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Sjizzus, wenne puitoor! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Frans Verbunt: peutoor: vervelende vent

Cees Robben: 'Na witte waor 't blèèft, puitôor' [11 maart 1960]

 

peuzel

zelfstandig naamwoord

Van Dale: peuzel 3) vrouwspersoon

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "'t is 'n peuzel (ongemakkelijk lastig waif)"

WNT PEUZEL - 3) als minachtende benaming voor een vrouwspersoon, inzonderheid een van slechte zeden

 

piedelaast

zelfstandig naamwoord, stofnaam

de betekenis is niet bekend.

Ammejak, pòtaasene èn smoutollie! Mar in smoutollie daor zit piedelaast in. Piedelaast!” [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Het betreft blijkbaar ingrediënten die gebruikt werden bij het behandelen van ruwe wol. 'Ammejak' = ammoniak; 'smoutollie' = smoutolie; 'pòtaasene' = potassium.

 

piejaama

zelfstandig naamwoord

pyama

De Wijs -- (gehoord om ’t laatste circus) ze hadden ’t gelèèk, klèn tèger-leeuwkes en pyama-pèrdjes, en ôk hil klène pony perdjes (1965)

 

piejankoow

zelfstandig naamwoord

overdreven netjes gekleed

Pierre van Beek: in de piejankoow zèèn - kon een vrouw zeggen die er buitengewoon netjes uitzag (Tilburgse Taalplastiek 181, zonder uitleg)

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: in de piejanko zèèn - in de puntjes zijn, er buitengewoon netjes uitzien

Mogelijk naar het Italiaans 'bianco', dus 'in het wit' ?

 

piek

zelfstandig naamwoord

Informant: Piet Mutsaerts: -- 'van de luie piek', schertsend gebruikt m.b.t. iemand die ziek was, om de twijfel eraan uit te drukken

WBD (III.3.2:78) piek = harde puntslag v.e. priktol

WBD (III.4.4:143) 'piek' = top

WBD (III.3.1:148) 'piek' = gulden

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIEK: van de luie piek. Blz.85: De uitdr. kwam op een duistere wijze voort uit een diepgeworteld ongeloof in het bestaan van echte en toch niet dodelijke ziekten. ... Gezien het feit dat ze in ABN, dus als een citaat, te berde gebracht werd, leid ik af dat ze van buiten kwam.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. - piek; zegsw. 'er de piek be neersteke' - met iets ophouden, een werk neerleggen (vooral in toorn).

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIEK bw - piek zijn - dood zijn. Ik schoot, en den haas was piek.

 

pieke

Werkwoord, zwak

Frans Verbunt: pieken, bij het [kaartspel] rikken één slag halen

WTT 2011 - meestal uitgesproken als een bod: 'piek!' of 'ik piek'; als bod ook in de oorspronkelijke vorm: 'pico!'

 

Pielaatus

eigennaam

(de bijbelfiguur) Pontius Pilatus

De Wijs -- (Gehoord bij ’n straatruzie:) “Gij, ge zèt ene Pilaatus, ge mot oe ège unne broek van Salomon aon laote meete.” (15-06-1963)

 

pielèèr

zelfstandig naamwoord

pilaar

Stadsnieuws: 'pelèèrbèèter' = iemand die tijdens de kerkdienst altijd tegen een pilaar achter in de kerk leunt; hypocriet, onechte heilige (220206)

– Sint Andreas al bij de pielèèr (uit de volksvoordracht 'De heiligen in 't portaal' )

Voor de volledige tekst van de voordracht 'De heiligen in 't portaal' op CuBra KLIK HIER

 

pieleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

WBD vleinaam voor het kuiken

WNT PIEL (II) benaming voor jonge eenden

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: nòr de pielekes zèèn (Daamen, Handschrift Tilburgs) (1916): - dood zijn, naar de drommel zijn

WNT zegsw. voor de pielekens zijn, naar de pieltjes zijn - verloren zijn, er bij zijn; eigenlijk: ten prooi van de eendjes zijn.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pil, zelfstandig naamwoord  - piel, roepnaam voor de eend en voor kuikens: piel(e), piel(e), piel(e)! Het verkleinwoord  pieleke(n) betekent behalve roepnaam voor kuiken ook: kuiken.

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pielekes zn - jonge eendjes

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pieleke (VII:65)

 

pielepaose

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: sint-juttemis

Stadsnieuws: Dè zumme meej pielepaose wèl es zien = Nou, vergeet het maar (230308)

 

pielieèèchteg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

kleinzielig, besluiteloos

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): 'pielie aichtig heet iemand die kleinzielig, peuterig, besluiteloos is'

 

pielieje

werkwoord, zwak

kieskeurig eten

pielieje- pieliede - gepielied

- Wè zitte tòch wir te pielieje.- Wat zit je toch weer kieskeurig te eten

- 2019 – prutsen (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.  Voor de volledige lijst Klik hier)

- WBD III.2.3:15 'pieliën' = pitsen

- Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIELIËN onov.ww - kieskeurig eten = pitsen.

- De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww. intr. 'pieliën' - zich inspannen, zich moeite geven voor iets, ijverig bezig zijn.

- Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): 'pieleje' - pitsen bij het eten

 

pielieklôot

zelfstandig naamwoord

kieskeurige eter

Henk van Rijen (1998): knoeier

Cees Robben – Zit nie zôô te pitse.. pie-lie-klôôt.. (19800718)

 

pieliekont

Frans Verbunt: 'pieliekont'

WBD III.2.3:19 'pieliekont' = pitser

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIELIEKONT - iemand die kieskeurig eet.

 

pieliekonterij

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:198 'pieliekonterij' = ingebeelde ziekte

 

pieliewèèrk

zelfstandig naamwoord

prutswerk, zorgvuldig werk

De kraant spelde ie letter vur letter. Echt pieliewèèrk. Hij wies percies hoeveul dooje d’r in stonde en offie d’r zelf nie bijstond (Jos Naaijkens; ‘Kèrsemis meej zonder d’n ammarillus’;  CuBra, ca 2005)

WBD III.1.4:405 'pieliewerk' = vervelend werk

 

piemele

Werkwoord, zwak

Henk van Rijen (1998): klungelen

WBD III.1.1. lemma urineren  - Tilburg

WBD III.4.4:224 ' piemel' = iets kleins in zijn soort, ook 'opneukerke'

 

pienantie

zelfstandig naamwoord

Informant Ad Vinken: strafschop, penalty

Verbasterde uitspraak v.h. Engelse woord 'penalty'

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pienantie zn - strafschop

- Michiel de Vaan: Pinantie, voor het eerst in 1913 in het Rotterdamsch Nieuwsblad (26 april), in een alinea die ook het leenwoord refrie ‘scheidsrechter’ bevat. Vanaf 1915 ook in de spelling pienantie. De vormen pinantie en pienantie blijven de hele eeuw frequent. De variant pinanty komt een paar keer voor in Brabant in de jaren 1930. (‘Etymologie: penantie’, website Neerlandistiek, 12 oktober 2017; gebaseerd op krantencorpus van Delpher.)

 

pienas

zelfstandig naamwoord

etymologie onbekend

- 2019 – bretels; mogelijk een merknaam (Mededelingen van Hans Hessels, opgetekend uit zijn familiekringen Hessels en Marinus 1960-1980.  Voor de volledige lijst Klik hier)

 

piepe

Werkwoord, zwak

piepen, tevoorschijn komen

'n Uurke geleje hô'k de zon nog evetjes dur 'n holleke zien piepen mar naa zaat ze al lang te vruten om er opnuuw dur te komen, zonder dè ze't winnen kos. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

piepelenbèèrg

► piepeltje

I zelfstandig naamwoord.

verstoppertje

Griet Coupé: 'Voor het spel ‘verstoppertje’ bijvoorbeeld, werden in het hele Brabantse gebied maar liefst 187 verschillende dialectbenamingen opgetekend.' (in: Dialect in het spel; red. Veronique De Tier, Ronny Keulen, Jos Swanenberg; 2007)

Etymologie - uit: 'Het Limburgsch dialect', A.M. Meeten; in: Onze volkstaal II.4, p. 239 (1885): Piepke verberge(n), een kinderspel, waarbij eenigen zich verstoppen, terwijl één moet trachten hen te vinden, in welk geval deze roept "piep!"

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): piepelenberg - kinderspel (verstoppertje)

Stadsnieuws: We zon in de buskes piepelenbèèrg gòn speule, mar de mèskes won nie meejdoen (040707) Brabantse Spreekwoorden, Mandos: piepelenbèèrg speule (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916):-zich verbergen, verstoppertje spelen

Hoppenbrouwers (1996): Het werkwoord piejpe duidt op het geluid dat bij dit spel gemaakt wordt, en dat bedoeld is om wiej 'm was bij de
'buut' of honk weg te lokken en te misleiden.

II werkwoord

Pierre van Beek: piepele - verstoppertje spelen

Jan Naaijkens, in Onder ons gezegd (Cor Swanenberg red.) (1996): Piepelebèèrege w.w. verstoppertje spelen. Als de zoeker iemand vindt roept ie: Piep, ik heb oe!

Henk van Rijen (1998): 'piepenbèèreg, pieperke'

WBD (III.3.2:46) piepele, piepelenbèèrge, piepelenbèrg = verstoppertje ook: hoorntje of hoorntje doen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): piepeleberge (II:33)

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): piepelebèèrege ww - verstoppertje spelen

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIEPELTJE BERGEN (bèèrge) onov.ww - verstoppertje spelen, misschien zo genoemd omdat er 'piep' geroepen werd bij het vinden of om zich te verraden.

C.J. Verhoeven, Haorese woorde (2007): pinkelenbèirege - verstoppertje spelen

 

piepeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

verstoppertje

zie ook piepelenbèèrg

Van Delft - Het piepeltje doen (verstoppertje of schuilevinkje). Dit spelletje geschiedde onder vier of acht kameraadjes: jongens en meisjes. Om te beginnen moest elk een stroopijltje trekken. Deze strootjes waren verschillend van lengte en die het kortste trok, was de zoeker. De anderen moesten zich dan verbergen achter boom, schutting, haag of in een schopping of stalletje, als het maar een veilige schuilplaats was. De zoeker moest zóólang in een op den grond getrokken cirkel blijven wachten tot de anderen zich verstopt hadden. Was alles verborgen, dan riep men "Kom maar", en de zoeker er op af. Vond hij er een, dan moest hij het nog winnen, want dan liepen beiden om strijd naar den cirkel terug. Wie er 't eerst in was, was de winner. Zoo moest hij vervolgens allen winnen, eer hij van zijn zoekpost verlost was. Liep een ander heimelijk vlugger den cirkel binnen, dan bleef de eerste de gedwongen speurder. Zoo was een soortgelijk spel, dat echter met meerdere kinderen gebeurde, waarbij men "gematen" (maats) had, het horentje. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

Henk van Rijen (1998): 'piepenbèèreg, pieperke'

 

piepertje

zelfstandig naamwoord, kinderspel

verstoppertje

Audioregistratie 1978 - Mar dan ginge we mist meej vur die griete zo wè af te drêûge! Èn piepertje doen in de schuur! Piepertje! Piepertje noemde ze dè. Dan moeste oewèège verbèèrege… èn dan, dan probeere meej zon, zon mèdje te krèùpe in, int hôoj òf zôo! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

piepie doen

werkwoord, zwak

plassen; kindertaal

WBD III.1.1. lemma urineren  - ook in Tilburg

Uit Franse 'faire pis pis' (kindertaal)

 

pieplozzie

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: vestzakhorloge

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

pier

zelfstandig naamwoord

glimworm, pierworm

WBD III 4,2:172 lemma Glimworm - De glimworm (Lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm.
glimpworm – Middennoordbrabant
lichtworm – frequent in Tilburg
dwaallicht – Tilburg
pierworm – Tilburg
pier – Tilburg
 

piereköltje

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

pierenkuiltje

Van Beek - Hij zit in 't pierenkuiltje. - Hij is dood en begraven. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

pierelaand

zelfstandig naamwoord

kerkhof

- Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pierelaand - hij is nor 't pierelaand (dood)"

- WNT PIERENLAND - Als schertsende benaming voor de aarde als begraafplaats der dooden.

 

piereverneuker

zelfstandig naamwoord

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pierenverneuker - glas klare genever 's morgens voor het ontbijt'

WNT PIERENVERLAKKER, minder gewoon voor PIERENVERSCHRIKKER - borrel; eigenlijk: borrel op de nuchtere maag

 

pierewiggele

Werkwoord, zwak

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pierewiggelen - het gaan vangen van pieren"

 

pierke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van ‘pier’
piertje, pierwormpje
Cees Robben – Wir ’n pierke... zielig slierke (19601007)
 

pierwörm

zelfstandig naamwoord

pierworm = glimworm

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pierewurm - pier"

Henk van Rijen (1998): 'de pierwörrem zèèn' - de pineut zijn

WBD III 4,2:172 lemma Glimworm - De glimworm (Lampyris noctiluca) is een in onze streken zeldzaam voorkomend en tot de verbeelding sprekend insect dat op vroege zomeravonden licht geeft. Het mannetje heeft lichtbruine dekschilden en vliegt, vaak in grote aantallen, op warme juliavonden onder de bomen; het wijfje is ongevleugeld, lijkt op een larve en kruipt over de grond. Beide hebben aan het achterlijf een gecompliceerd fel geel lichtgevend orgaan. Ze worden 12 mm.
glimpworm – Middennoordbrabant
lichtworm – frequent in Tilburg
dwaallicht – Tilburg
pierworm – Tilburg
pier – Tilburg

WBD III.4.2: 'pierworm' - glimworm (Lampyris noctiluca), ook: 'lichtworm' of 'pier 'genoemd, of 'dwaallichtje'

WBD III.4.2:203 'pierenworm', 'pierworm' - regenworm, worm (Lumbricus terrestris)

WNT PIERWORM - Thans nog gewestelijk (b.v. in Vlaanderen) in gebruik, 1) benaming voor verschillende wormen, doch inzonderheid voor den aard– of regenworm; 2) benaming voor een mager persoon, kind

 

piese

Werkwoord, zwak

pissen

piese - pieste - gepiest

Ge zult er beeter van piese as van en körsje brôod

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Ge mót nie teegen et kèèrkhöske piese, want et drêûgt nie óp.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Den knapsten boer piest nòg wèl es óp zen klómpe.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Ze zulle van mèèn cènte gin költjes mir in de grónd piese.

Miep Mandos, Aantekeningen Brab. Spreekw.: Ge zult van mèn gèld gin költjes piese.

Rolf Janssen, We hebben gezongen (1984): 'ik hèb en vrouw die der bèd natpiest'

WBD III.1.1:210 'pissen' = naar de wc moeten

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): piese - urineren

WNT PIESEN, bijvorm van PISSEN - zijn water loozen, wateren

 

piet

zelfstandig naamwoord

I eigennaam

Dirk Boutkan: (blz. 56) we zèn bij Piete gewist

II hengst

WBD (Hasselt) slecht gesneden hengst, ook genoemd 'klophengst' of 'klaphingst'

WNT PIET (I) 2) hengst die niet kan telen, niet omdat hij gelubd is, maar uit een natuurlijke oorzaak.

III snot

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIET zelfstandig naamwoord m. - snotneus (in kindertaal); Daar hangt 'ne piet uit uwe'neus

 

pietelèèr

zelfstandig naamwoord

Etymologie

WTT 2011; ES: in het dialectisch taalgebruik betreft de pietelèèr -- met veel varianten -- een kledingstuk voor heren dat in de standaardtaal meestal aangeduid wordt met 'rok', of 'frak', d.w.z. een jas die aan de voorkant recht is afgesneden, terwijl de achterzijde bestaat uit twee slippen, ook wel 'zwaluwstaart' genoemd (cf. R. Broby-Johansen, Kleding en het AaBe ervan, Tilburg 1961).

Het Franse moederwoord 'pet-en-l'air' (zie Cornelissen hieronder, en vele andere, vooral Zuidnederlandse dialectwoordenboeken) betekent letterlijk 'scheet-in-de-lucht', namelijk tussen de twee slippen door. Andere namen die dit kledingstuk met het (mannelijk) achterwerk verbinden, zijn 'billentikker' en 'vrijschijtertje', beide hieronder, en een 'koentekletser' in het dialect van Ieper (cf. Staf Verheye, Wuk zegje?, 2008).

In het Frans is 'pet-en-l'air' als kledingstuk voor mannen echter alleen in gebruik geweest voor een korte kamerjas voor heren (cf. Dauzat, Dictionnaire étymologique et historique du français, 1993) en wel vanaf 1729.

De echte oorsprong van het woord pet-en-l'air dateert uit de tweede helft van de 17e eeuw, en heeft dan betrekking op een kledingstuk voor vrouwen dat een combinatie is van een keurslijf met mouwen en een over de heupen hangend kort rokdeel.

 

Een belangrijk kenmerk van dit kledingstuk zijn de plooien in het rugdeel.

Door die plooien deed de wind de achterzijde gemakkelijk opwapperen. De enigszins scabreuze vergelijking met een ander soort wind was daardoor snel gemaakt.

Bronnen en fotocredits - WTT geraadpleegd 2011-08-14:

Weblog Le Hussard

Weblog Mamzelle Thorgard

Al circa 1865 was die 'vrouwelijke' oorsprong op de achtergrond geraakt, zodat L.W. Schuermans zich in zijn Algemeen Vlaamsch idioticon genoodzaakt zag de pieteleer als volgt te beschrijven:

-- PIETELEER, PITELEER, m., het eerste hier en daar in Vl., het tweede hier en daar in Br. en Antw. gebr., een mansrok met korte of met lange en smalle slippen. Op vele plaatsen noemt men dit ook : scheer: de slippen van zijnen piteleer hangen tot op de billen. Het w. komt van het fr. pet-en-l'air, kort vrouwenkleed, nachtrok, slaapjak.

Plaatsen

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pietelair - rok (heerenkleedingstuk)"

...mee innen pietelaer aon... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Pierre van Beek: pitteleer, soort van korte jas met lange slippen

Henk van Rijen: dès nòg en gêef pietelèrke - dat is nog een aardig jasje

WBD III.1.3:30 'pitteleer' = slipjas

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PETTELAAR (pieteléér) m - jas met slippen, billentikker.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m.'pieteleer' - pettelaar, "mansrok met lange en smalle slippen"

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pietelèèr (I:15)

Weijnen, Etymol. Dialectwdb. (1995 & 2003): pietelaer - slippenjas (znl.)

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pietelèèr zn - slipjas

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITTELÈÈR zelfstandig naamwoord m. - mansjas met lange en smalle slippen, Fr. pet-en-l'air

Goemans, Leuvens taaleigen (1936): PET-EN-L'AIR - pitalè:r zelfstandig naamwoord m. - soort van gala kleedingstuk.

WNT pitteleer zie pettelaar, Ndl. ' vrijschijtertje ' (robe de chambre qui ne descend que jusqu'au bas des reins)

 

pietestalleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

piëdestalletje - uit Frans piédestal - sokkel of houten standaard om iets uit te stallen; vaak gebruikt in verband met heiligenbeelden

Cees Robben – Sint Jussep onder ’n stölp en ’t hellig hart op unne pietestalleke. (19851129)

WBD (III.3.3:199) pieterstalleke, 'piëdestalleke' = heiligharttafeltje

[hellig hart = heilighartbeeld]

 

Pediculus capilis

pietje, meervoud pietjes of piete

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Goedgetòld - hoofdluis, neten

WBD III.4.2. lemma Hoofdluis - hoofdluis (Pediculus capitis) leeft bijna uitsluitend tussen hoofdharen bij de mens. Het is een van de drie verschijningsvormen van de mensenluis, naast de kleerluis en de schaamluis ('platje'). Luizen hebben zuigende monddelen waarmee ze bloed van hun gastheren opzuigen. De eieren (neten) van hoofdluizen worden tegen de haren afgezet; de hoofdluis veroorzaakt jeuk, huidontsteking soms van ernstige aard, en werd vroeger met petroleum en lijnolie bestreden.
WBD III.4.2. lemma Hoofdluis - 'beestje': zeldzaam in Tilburg; 'pietje': in Tilburg, Den Bosch, Lierop en Boxmeer.

►bisje

Kaart lemma Hoofdluis in WBD

 

pietjeszuster

zelfstandig naamwoord

WTT 2011: de verpleegkundige van de GG&GD die de lagere scholen bezocht om leerlingen te controleren op hoofdluis.

Tilburgse revue 2007 - Nostalgie in Tivoli -

De pietjeszuster als schrikbeeld van de schooljeugd - De scène werd geschreven door Ed Schilders - Foto: Frans van Aarle

 

piggem

zelfstandig naamwoord

Van Dale: piechem (piegem, piegum) I. dwaas, onmogelijk mens; jood; II. (volkst., Barg.) slim, gevat, bijdehand

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "piggem - 't is en blaift mar 'n moager piggemke (kindje)"

 

pik èn pook

uitdrukking

grote onenigheid

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "wè roaide? pik of pook? Pik is het bovenste deel het spitse gedeelte van een groote of tuinboon en pook is het onderste deel" Die twee, dès pik èn pook

Henk van Rijen: tusse die tweej ist pik èn pook - tussen die twee botert het niet

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PIK EN POOK - haat en nijd van weerskanten: dès pik en pook - zij hebben wederzijds de pik op elkaar; misschien een variant van de uitdr. 'pik à pik zijn, die WNT als Zuidned. vermeldt en in verband brengt met piek als steekwapen.

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pik èn pook - twist en tweedracht

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): Piek en pook (II:13)

 

pikke

Werkwoord, zwak

pikken

WBD pekken (de binnenwand van biervaten met pek laten doortrekken en met een dunne laag ervan bedekken)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIKKEN - met de pik afmaaien, Fr. saper

 

pikkepoelie

zelfstandig naamwoord

- waarschijnlijk een heendaagse varioant op 'poeliepèk': dropwater

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

 

pikske

zelfstandig naamwoord, alleen aangetroffen als verkleinwoord meervoud

spikkeltjes

Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op.  (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

pillòt - pilloo

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

de uitspraak is niet met zekerheid vastgesteld; de klemtoon ligt op de eerste lettergreep

Pierre van Beek: Men moet ze [bombazijn] echter niet verwarren met "pilo" van het Engelse "pillow". Dit was een soort gekeperd half linnen, half katoenen weefsel, dat vooral gebruikt werd voor werkkleding. Wij herinneren ons nog het woord "pilobroek". (TTP 96; 1970)

WBD II.4. p. 882 – Van Dale zegt bij "pilo" (uit het Engelse woord "pillow"): "Soort van glad fustein, gekeperd half linnen, half katoen weefsel, vooral gebruikt voor werkkleding."
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij "pilou" (wordt hier het Franse woord „pilou" bedoeld in de betekenis van "pluizige katoenstof”?); "Katoenen weefsel in satijnbinding geweven en in donkere kleuren geverfd. Normale ketting en een inslag uit dik, grof en kortvezelig garen (voor het ruwen van de achterzijde). Toepassing: werkmanskleeding." Burgers zegt bij "pilow": "Zware katoenen stof, garen no. 5-16. Voornamelijk in het binnenland gebruikt voor mannenbovenkleding. Ook wel geschreven pilo, piloux." Ook deze definitie maakt dus de zaak niet duidelijker. "Pilo" wordt door de respondent van K 174 vereenzelvigd met "Turks leer" dat gebruikt wordt voor bruine broeken. -- pilo: pielóó, K 183 (= Tilburg)

WNT – lemma Pilo – 1923 - (klemt. op de 1ste lettergr.), znw. onz.; mv. ongebruikelijk. Ook in den niet-vernederlandschten vorm pillow. Ontleend uit het Eng. pillow in dezelfde bet., een bijzondere toepassing van het woord pillow, dat identisch is met ndl. peluw, peuluw (verg. PEULUW). Benaming van zekere geweven stof voor kleedingstukken: eene soort van fustein dat glad is. Pilo is een half linnen, half katoenen weefsel, dat zeer sterk is en veel door werklieden wordt gedragen, WINKLER PRINS, Encyclop. 13, 661 b. - Het fustein … is eigentlijk katoenen bombazijn; men onderscheidt ruw en glad fustein. Het gladde of pillow (pillow) heeft òf eene 4-schachtige keper van denzelfden aard als het croisé …, doch is grover en van dichter weefsel dan het croisé, — òf eene 4-schachtige éénzijdige keper, KUYPER, Technol. 2, 269. - Bij sommige fluweelsoorten is de geheele vlakte van het doek gelijkmatig met floers bedekt, bij andere wisselt het floers met gewone weefsels af, en vertoont bloemen … of strooken (koord-manchester, pillow), GROTHE, Mechan. Technol. 369 [1879].
 

pillòtbroek

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek: manchesterbroek

in z'n piloowe pekske... (Piet Heerkens; uit ‘Vertesselkes, ‘De mol van Baokel’, 1944)
Henk van Rijen (1998): 'pielòtbroek'- pilobroek, manchesterbroek, ribfluwelen broek (E. pillow)

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnw. pillows, van pillow ''n piellese broek' Z.a.

Koenen pilo (Eng. pillow) - half linnen, half katoenen gekeperde broeken, jasstof voor arbeiders.

WNT – lemma pilobroek – 1923 - Samenst. Pilobroek: die van pilo gemaakt is (”Hij draagt in de week altijd een pilobroek”; ”Het eene been is afgestompt bij de heup. … Het beenstompje is ingenaaid in pilow-broek”, FALKLAND 1, 160 [1896]); enz.
 

Tilburgsche Courant 7-10-1911

pimpremunt

zelfstandig naamwoord

pepermunt

Van Beek - "pimpremunt" is pepermunt (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben: daor rôok et nòr pimpremunt

Henk van Rijen (1998): 'pipperemunt'

 

pin

zelfstandig naamwoord

I pin, dennennaald

WBD III.4.3:100 pin - dennennaald; ook genoemd: spèl, mastespèl of nòld.

WBD III.4.3:104 pin - dennenwortel, ook genoemd: puist, stronk, stomp

WBD III.4.3: 54 pin - hoofdwortel;. ook genoemd: pinwortel, (pèn)wortel

II overdreven zuinig iemand, gierigaard

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: iets pin oover nèk doen ('75) - vlug en niet al te secuur

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pin, zelfstandig naamwoord vr. pin, ... 3) gierig mens

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PIN - fig. gierigaard, gierige vrouw

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pin zn - pin: 'ne gierrege pin; zò zat as 'n pinneke

WBD III.3.1:199 'pin', 'gierige pin, gierigaard','vrek, knijperd, schraperd,peesteker' = gierigaard

III dooddoener

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: et pinneke van zen hart hangt in de strónt (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - antwoord op de vraag 'Waarom is hij zo klein?'

IV Gehaast

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pin over nek - haastig"

V Bijnaam

Karel de Beer, Bijnamenboek: pinneke Bressers = Johan Bressers, (blz. 28)

Karel de Beer, Bijnamenboek: Stòkker pinneke = Stokkermans (blz. 75)

Karel de Beer, Bijnamenboek: pinneke De Wijs (blz. 84)

VI onderdeel werktuig

WBD (II:2397) 'pin' - arend (v.e. beitel); ook 'priem' genoemd

VII figuurlijk - sigaar

WBD III.2.3:290 'pin' = rechte sigaar

 

pindamènneke

zelfstandig naamwoord

pindamannetje

Pindaverkoper - bron: Het geheugen van Nederland

Vur den orlòg kwaampe der al en paor Ieteljònse ijskooboere èn wè pindamènnekes öt Sjiena nòr hiere. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)

Frans Verbunt: Chinese man die bij de ingang van de schouwburg verschillende soorten pinda's uitventte

Elie van Schilt - Dan hadden we nog de pindamennekus, venters mee bildjes, mee krabben en kneukels... (Uit: ‘Alles is aanders’; CuBra ca. 2000)

 

pindanutje

zelfstandig naamwoord

pindanootje; pinda

Mar wèddik ’t lèkkerste van allemòl von, dè waar kattespaauw. Witte wè dèt is? Dès nèt as joodevèt mar dan irst gesmolte èn dan deeje z’r pindanutjes durheene. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

pindòl

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: soort haktol

WBD (III.3.2:79) pindòlle = een tol op de hand laten draaien

Stadsnieuws: Hij hò zene pindòl meej mèn geroole teege vèèf proeme. (281007)

 

pindraod, pinnekesdraod

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): prikkeldraad

WNT PINDRAAD 2) ook in den vorm PINNEKENSDRAAD: gevlochten ijzerdraad met scherpe punten, prikkeldraad

 

pineegel

zelfstandig naamwoord

egel

...asof z'n haoren overend rezen as de pinne van 'ne pinegel die 'nen hond veur 'm zie staon. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940)

Op 'n aanderen dag had ie bij 'nen knecht 'nen levenden pinegel in z'n bed gestopt. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun als opvoeder’; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 – 6-4-1940)

-- door Robben als scheldwoord gebruikt voor iemand die hebberig is
Cees Robben – Ik zeej: d’r uit pinegel.. (19650402)

WBD III.4.2:43 'pinegel' of 'egel' (Erinaceus europaeus) ook: 'stekelvarken'

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pineejgel zn - egel

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PINEGEL zelfstandig naamwoord m. -egel, horts, Fr.hérisson

WNT PINEGEL - stekelvarken

 

pinhaor

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:45 'pinhaar' = sluik haar

WTT 2013 - de h wordt nauwelijks uitgesproken - pinnaor 

 

pinke

Werkwoord, zwak

WBD III.1.1:234 'pinken' = knipogen

 

pinkere

Werkwoord, zwak

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pinkeren - 'n kinderspel"

WBD III.4.4:242 'pinkelen' = fonkelen

WNT PINKEREN - zeker jongensspel, waarbij een puntig houtje met een stok of plankje weggeslagen wordt.

 

pinksterblom

Ill. Thomé - pinksterblom - margriet - chrysanthemum leucanthemum

zelfstandig naamwoord

Goedgetòld - margriet (Chrysanthemum leukanthemum), dus niet de meer algemeen bekendstaande Cardamine pratensis.

 

pinne

Werkwoord, zwak

walmen

WBD (III.2.1:220) 'pinnen' = walmen of blaken

 

pinneg

bijvoeglijk naamwoord

gierig

WBD III.3.1:201 'pinnig', 'pinachtig, gierig, pinnerig, hebberig, peestekerig'

 

pinnekesdraod

zelfstandig naamwoord

draad met pinnen; prikkeldraad

Er wier toen vurgesteld pinnekesdraod langs de bocht te spannen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

Ik heb 'm van te vurre genog geworschouwd omdè'k al te goed wies, dè alle drie Door z'n dochters gin haor op d'r taanden, zooas ze wel is zeggen, nee maar d'r pinnekesdraod op hôn. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)
 

pinnekesgewicht

zelfstandig naamwoord

nauwkeurig gewicht; geen streepje meer op de schaal

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: pinnekesgewicht geeve (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1965) - zeker geen overwicht geven; gierig zijn. (Bij ouderwetse weegschalen wees een pin of naald het gewicht aan; die werd angstvallig in de gaten gehouden.)

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PINNEKESBOTER zelfstandig naamwoord v. - Vervalschte boter. Betrouwt dieën boer nie, hij verköpt pinnekesboter (Kempen)

 

pint

zelfstandig naamwoord

Van Delft - "Iemand in de pint doen" wordt wel gebruikt om uit te drukken, dat men hem bedotten wil, of dat men hem dronken wil maken. Het zou eigenlijk beduiden: Iets van hem in een pint (potje) doen om hem daardoor van pijn af te helpen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

WBD III.4.4:298 'pint' = halve liter, ook 'schep'

 

pinwòrtel

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:54 pinwòrtel - hoofdwortel; ook genoemd; pin, pèn, pènwortel of gewoon wortel

 

pirke

peertje

verkleinwoord  van 'pèèr'

WTT 2011 - de verkorting van pèèr doet pèrke verwachten maar is in feite pirke, conform het verkleinwoord dan wel de verkorting van Peer, de eigennaam; zie volgende lemma.

 

Petrus - Pirke - Donders; detail van een 'creditcard' met op de achterzijde een smeekbede

Pirke, Peer

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Petertje, Pietje

-- verkleinwoord  van 'Peer', met vocaalkrimping

Cees Robben -- Ik bèn nòr 'Peerke' Dónders gewist.

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "Pirke - verkleinwoord van Peter"

Creditcard van de Stichting Petrus Donders --

Pirke Donders, gij die ene zeege zèèt vur de meense

omdè grènze vur jou nie bestonde

omdè vur jou kleur, gelêûf, rang òf staand der nie toe deeje.

Pirke Donders, meej oewen oope kèèk op de wèèreld

die opkwaam vur iedere meedemeens as vur ene vriend

die meej oew gouwe hart tèèd en römte ooverbrugde

die liet zien dè God der is vur alle meens     

Pirke Donders, hèlp ons saome stèèrk te zèèn in moejeleke tije

hèlp ons mekaare te leere kènnen èn begrèèpe

hèlp ons om de wèèreld schôoner èn beeter te maoke. (2013)

Audioregistratie 1978 - Bij den Drèl, bij Pirke den Drèl! Bijnaome, dè was ok iets vruuger! Ge had dan hier nòg ene Paus zèllefs èn en Pauzin! En ene keizer, Cor de Nijs!” (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WTT 2013 - vergelijk de verkleiningen: Geer > Girtje, heer > hirke, beer > birke, leer >lirke, etc.

 

pirzek, pirzik

zelfstandig naamwoord; meervoud pirzekes

perzik (persica)

Cees Robben – Hij hield van (...) braoikes... en van overschot... van kaoikes... en gerukte sprot.. van pirzekes op sap... (19590919)

Henk van Rijen (1998): 'pèrzek, pèrzekes'

Piet van Beers – ‘Eet meer fruit’: k 'Ha in munnen Volkstuin/ unne schôône Pirzikbôôm staon. (With Love; 1982-1987)

WNT PERZIK ... Verder verdienen nog vermelding de gewestelijke vormen: pirrek, pirk, pierk, spirk, spierk, perrek, pers, perze, perkel, pezerik

 

pis

zelfstandig naamwoord

pis, urine

Brabantse Spreekwoorden, Mandos: sóndagse pis dugt nie (Sn'34) - (In Tilburg werd urine in kruiken ingezameld. Had men zaterdags te veel bier gedronken, dan bevatte de urine te weinig ammoniak, waar het juist om te doen was)

Karel de Beer, Bijnamenboek: Sientje pis = Sien v.d. Sande (blz.70.)WBD III.2.2:27 'pisdoeken' = windsels (later: luiers)

WBD III.2.2:29 'pisdoek' = luier

 

pisblom

paardebloem, pisbloom, pissebloem (Taraxacum)

Ill.: Thomé - pisbloem - paardebloem - mòlslaoj - taraxacum officinale

De waaj stond vol pisblomme. - De wei stond vol paardebloemen.

Stadsnieuws: As pisblomme ötgebloejd zèn, dan kunde doen wie de plèùze der in êene kêer af kan blaoze - .... dan kun je een wedstrijd houden wie de (zaad)pluizen er ... (170609)

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pisbloem zn - paardebloem

WBD III.4.3:285 pisblom - paardebloem (Taraxacum officinale), ook genoemd: pèrsblom of kankerblom

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PISBLOEM, PISBLOM zelfstandig naamwoord v.-de bloem v.d. wilde suikerij; molsalaad. Paardebloem, Taraxacum officinale; te Westerloo geeft men dien naam aan de Haagwinde, Convolvulus sepium L.

WNT PISBLOEM, daarnaast in Z.-nederl. en Zeeland: pissebloem, pisseblom

WBD III.4.3:350 pisblom - haagwinde (Calystegia sepium) ook genoemd: ►pispötje

 

piske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  van 'pees', met vocaalkrimping

peesje, katoentje van een lamp of kaars

de touwsoort die gebruikt werd om bij het kinderspel ‘haktollen’ de tol tijdens het werpen aan het draaien te brengen
Cees Robben – [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkôôpte sewèèle nog drèèfdöllekes meej ’n zwipke en hakdöllekes meej ’n piske... (19800418)

pees van een handboog
Cees Robben – ’t Taaije piske wier gespannen (19560714)

de touwsoort die gemakkelijk brandt en smeult

Frans Verbunt: piske blaoze, piske braande - al blazend een eindje pees gloeiend houden

 

piskeblaoze, -braande

Goedgetòld - blazend een eindje pees gloeiend houden

 

Schilderij van Jan Steen - 'Bezoek van de huisarts' - 17e eeuw

piskèèker

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: huisarts

WNT PISKIJKER - geneesheer of kwakzalver

WTT 2011 - arts die uit het observeren van de urine zijn diagnosis stelde; vooral in gebruik om de arts aan te duiden die uit de urine van een vrouw kon vaststellen of zij zwanger was.

 

piskouske
zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van ‘piskous’
piskousje; klein kind dat nog niet zindelijk is
WNT lemma PISKOUS - Iemand die in zijn kous pist, klein meisje (of vrouw) dat haar water laat loopen.
Cees Robben – Lust ons piskouske ’n koppel aaikes van de tiet-tiet-tiet... of ’n bammeke mee ’n harteluk stukske vorse worst... (1984

 

pispòt

Frans Verbunt: in de pispòt gewaase èn in de schorstêen gedrêûgd (ook Stadsnieuws: 220406) (gezegd van een niet al te witte was)

 

pispötje

 

Ill. onbekend - haagwinde - calystegia sepium 

Ill. Thomé - akkerwinde - klèèn pispötje - convolvulus arvensis

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

akkerwinde (convolvulus arvensis)

'pispötje' genoemd naar de kelkvormige bloem

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pispötje zn - pispötje: bloem v.d. haagwinde of kleine akkerwinde

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord o. pispötje, bloem v.d. haagwinde.

WBD III.4.3 pispötje - haagwinde (Calystegia sepium), ook genoemd: pisblom

WBD III.4.3:352 pispötje - akkerwinde (convolvulus arvensis) ook genoemd: klèèn pispötje

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PISPOTTEN zelfstandig naamwoord m.mrv. - klokskensbloemen, Fr. campanules. De bloemen v.d. Haagwinde, Convolvulus sepium L.

 

pisse

Werkwoord, zwak

pissen, urineren

Van Delft - "Wie tegen 't heilig huiske pist, heeft z'n erwten uit van dien kant en kan z'n biezen wel pakken, want hij wordt toch met den nek aangekeken." Dit is: Wie in strijd met de kerkelijke geboden handelt (of in engeren zin: wie de bedienaren der Kerk weerstreeft of tegenwerkt), kan het op den duur niet op dezelfde plaats uithouden. Hij doet het best te vertrekken, wijl hij dan van die zijde toch geenerlei hulp meer te wachten heeft. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

De Wijs -- (Gehoord aan ’n bar) Ik zal er nog inne vatte waant ik kan er beter van pisse as van ’n korsje brôôd (17-10-1966)Frans Verbunt: ge kunt er beeter van pissen as van en körsje brôod

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pisse ww - pissen

WBD III.4.2:38 pisse - ook: 'zeiken', 'plassen', 'leuteren'

 

pistoleeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord  

WBD III.2.3:196 'pistoleeke' = wittebroodje, ook 'pistolet', 'kadetje', 'bestel', 'Frans broodje'

 

pitjeskèès

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen (1998): = gemèènekèès: komijnekaas, nagelkaas

Frans Verbunt: komijnekaas, Leidse kaas

WBD III. 2.3:147 'pitjeskaas' = komijnekaas

 

pits

zelfstandig naamwoord

slechte eter

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "ze is mar 'n pits (ze eet niet behoorlijk mee)"

WBD pits (II:1163) - pits: coupe-naad, figuurnaad

WTT 2011: de etymologie van 'pits' lijkt dus samen te hangen met de slankheid van de figuurnaad.

 

pitse

Werkwoord, zwak

— pitse - pitste - gepitst

-- kieskeurig eten; met beetjes opeten

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "pitsen - overal even van proeven"

Cees Robben – Zit nie zôô te pitse.. pie-lie-klôôt.. (19800718)

Ik zaat mar te pitse, meej de leepel te ruure. (Henriëtte Vunderink, haovermoutepap, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

WBD III.2.3:17 'pitser' = IDEM;

WBD III.2.3:24 'pitsen' = met kleine beetjes eten

Jan Naaijkens, Dè's Biks (1992): pitse ww - pielieje

Reelick, Bosch Woordenboek (1993): pitse - treuzelend, met lange tanden eten, kieskauwen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): pitse (II:43)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - (Heeroma), Brabants 18e eeuw: PITSEN - sterken drank drinken, den sterken drank met kleine slokjes drinken.

Cornelis Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhouts; 1978): PITSEN onov.ww - kieskeurig eten = pieliën.

De Bont, Dialect v. Kempenland (1958): pitsə(n), zw.ww.intr. 'pitsen' - 1) met lange tanden eten; 2) sterke drank met kleine beetjes drinken.

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITSEN - scherp nijpen, knijpen met duim en wijsvinger, met de nagelen of eene tang, Fr. pincer; nauwelijks het voedsel aanraken, zonder lust eten

Cornelissen & Vervliet, Antwerps Idioticon (1899): PITSEN - eventjes aanraken en er een stuksken afnemen

Goemans, Leuvens taaleigen (1936):PITSEN – pitsə wkw (reg.) - nijpen

 

pitte

zelfstandig naamwoord plur.

klappen, slaag

pitte beure - slaag krijgen (minder zwaar dan 'slaog')

WBD III.1.2:50 'pitten beuren' = een pak slaag krijgen; ook: 'slaag beuren'

 

pitteg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 – Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: zoutig, zout smakend.

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

 

pjeedepoel
zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

uit Frans: pied de poule (kippenpoot); in Nederlands ook 'hanepoot'

Henk van Rijswijk - Pied de poule: heel typisch effect dat wordt verkregen door een combinatie van kleurstelling en binding, 4-schachts gelijkzijdige keper in dit geval.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Hanepoot. Wollen, katoenen of zijden stoffen, die door binding of kleurstel-ling van ketting en inslag of druk een dessin hebben, eenigssins gelijkend op de afdruk van een hanepoot. Ook: Pied de poule (Fransch).
 

plaacht

werkwoord, persoonsvorm

placht (verleden tijd van 'plegen')

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- Dè plaacht ze te zègge

Dialectenquête 1876 - hij plègt, hij plaacht 

Dialectenquête 1887 Willems - alleen deze persoonsvorm wordt gebruikt

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLECHT - 2e hoofdvorm van; PLOCHT of PLOECHT: idem

 

plaank, plank, plèngske

zelfstandig naamwoord

plank

WBD bèddeplank, bèddeplaank - bedsteesponde (losse plank in de opening van de bedstede, die uitvallen voorkomt)

WBD bèddeplank, bèddebaank - beddeplank (plank in bedstede boven hoofd- of voeteneinde, om er iets op te leggen, of te zetten)

Cees Robben --  óp de booveste plaank van et kammenèt;

Cees Robben --  ik blaos de plaanke vant höske;

WBD zitplank (II:955) v.d. weefgetouw; ook: baank of zitbaank

Frans Verbunt -- den dieje hee vort zôo drie plaanke onder zen reet (die zal het niet lang meer maken)

Frans Verbunt -- de plaanke vant höske schèète

 

plaant, plèntje

zelfstandig naamwoord

plant

Cees Robben --  en vaaste plaant;

Cees Robben --  wè zók en vaaste plaant kôope zólang de snijblómme nòg goeiekôop zèn

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLANT (Kemp. plaant) zelfstandig naamwoord m+v.

 

plaante

werkwoord, zwak

planten

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- geplaant

Dialectenquête 1876 - potten en plaante

Dialectenquête 1887 Willems - plaante - plaantte - geplaant; geen vocaalkrimping

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLANTEN (Kemp. plaanten, met Ned.a)

 

plaas, plaaske/plèske

zelfstandig naamwoord

plas

WBD III.4.4:179 'plas' = poel

WBD III.4.4:180 'plasregen' = zware bui

A.P. de Bont -- pla.s, zelfstandig naamwoord m. 'plaas' - plas

 

plak

zelfstandig naamwoord

PM stuk grond, oppervlakte, 'bójem'

Pierre van Beek -- vlek (?)

WBD III.4.4:195 'plak','plek' = plaats;

WBD III.4.4:196 'plak/plek' = uitgestrektheid

Pierre van Beek -- Hèdde naa al en plak in oew nuuw pak?

Verh.PLAK v - oppervlakte, stuk grond: 'n hil plak

A.P. de Bont -- plak, zelfstandig naamwoord  1) vr. vlek, smet, klad; 2) vr.+ m. zekere uitgestrektheid land (enz.)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAK, PLEK zelfstandig naamwoord v. - plaats, ruimte. Plak maken veur 'n ander. Ge zit hier op mijn plek.

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- plak zn - plaats: mokt es wè plak!

 

plak, plèkske

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  plaats, plek, vlek

WBD III.4.4:195 'plak' = plaats, ook 'plek'

WNT PLAK (III) - plak, in verschillende opvattingen

Agge in plak vant zonnig straandje/ wir rondlôpt dur en natte stad/ dan witte òn al die dinge/ dègge oe vekaansie hèt gehad. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dan ist vurbij...)

We zègge niemir „in de plak van“/ Dè hiet naa vort «alternatief». (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et kiendje heej tòch enen èège naom)

Twee jaore trug meej de Vadderdag/ begos mene lijeswèg/ in plak van en paor pèkskes sjèk/ Kréék en schèèr vur de hèg. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik wòcht mar aaf...)
 

plandèès

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- pantoffel

Stadsnieuws - Hij liep hil de rnèèrege in zene sjamberloek èn op zen plandèèze. - Hij liep de hele ochtend in zijn kamerjas en op zijn pantoffels. (130610)

DeBo PLADIJZEN pladijsde gepladijsd - De panjuilen van eenen plakweeg met stroo vullen en bezetten om er dan mortel over te strijken. PLADIJS - een visch, anders ook Plaat geheeten.

EWN pladijs - ontleend aan vulg. Lat. platice ... wsch. afl. v. Grieks platús: 'plat, breed'.

WNT PLADIJZEN - ww - gewestelijk in Z-Ned. 2) foppen, beetnemen

 

planke

bijvoeglijk naamwoord, stofnaam

van hout, met name planken

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- die wonde in die höskes…in de irste tweej höskes van as ge, van in de planke kêete, die hèdde daor ok gehad…planke kêete zin wij aatij…daor hèbbe die van Van der Wal der gewond, van Van der Wal…èn van…De Turk!” (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

planke hèùze

Volksnaam voor goedkope noodwoningen op diverse plaatsen in Tilburg na de oorlog. Eigenlijk: maycrete woningen.

Maycrete woningen aan de Jan van Rijzewijkstraat; circa 1949. Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

Ammel plangke hèùze vur de wooningnood! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Èn toen wonde, wonde wij, die Jan van Rijzewijkstraot is er nòg waor nouw et Laurens Kosterplein is, hè. Daor stonde  plangke hèùze, hè, èn daor wonde toen Pietje Trommelen. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

plantaan

zelfstandig naamwoord

plataan

afstandsassimilatie

 

plaoge

werkwoord, zwak

plagen

WBD III.3.1:240 'plaag' = pesterij

Dialectenquête 1887 Willems -  plaoge - plaogde - geplaogd - geen vocaalkrimping

A.P. de Bont -- zw.ww.tr. - plagen

 

plaogstòk

zelfstandig naamwoord

plaaggeest

WBD III.1.4:409 'plaagstok' = geniepige plager

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAAGSTOK zelfstandig naamwoord m. - plaaggeest

WNT PLAAGSTOK zelfstandig naamwoord m. - gewestelijk (b.v.in Vlaanderen) voor: plaagduivel, plaaggeest, kwelgeest (stok = (volgens Gezelle) mannelijk lid) z.a.

 

plaot, plòtje

zelfstandig naamwoord

plaat, ook grammofoonplaat

WBD bakplaat (waarop het brood in de oven gebakken wordt)

WBD muurplaot - balk of plaat die plat op de buitenmuur van de lange gevel ligt.

WBD plaote - spieren tussen de staart en het kruis van de koe, ook genoemd: 'baande'

 

plaotepoetser

zelfstandig naamwoord

platenpoetser, knecht in de bakkerij die de bakplaten voorbereidt

Audio-opname 1978 -- “…daor hèbbek in en bangkètbakkerij gestaon, jè, ge wit wèl, as plaotepoetser èn invètte èn zôo …” (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren

 

plaots
zelfstandig naamwoord
plaats, in het bijzonder de plaats achter het woonhuis
Cees Robben – De plaots [ligt] vol luciferkes... (19540703)
 

plaotske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van ‘plaots’ (plòts)
plaatsje
Cees Robben – Blèèft ie [de collectant] vur oew plaotske staon... (19580426)
 

plasse

werkwoord, zwak

plassen, urineren

WBD III.1.1. lemma urineren  - frequent Tilburgs: vooral noordelijk

 

plaster

zelfstandig naamwoord

pilaster

WBD stijlpor (stenen pilaartje waarop een stijl steunt)

Henk van Rijen --  pilaster, pilaar

plat

1. zelfstandig naamwoord: het plat, de platte taal, de streektaal, het dialect

D'r aawe lui willen 't en hier in den omtrek alle boerekender, we leeren allemaol freet praoten! Ge kent de wereld haost niemer terug!" "'t Is zund genog veur 't schoon aaw plat!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Naor oome Teun’; NTC 24-2-1940)
...mar wè'k zeggen wo, mijnheer pastoor, 't doe me plezier, dè ge plat praot! Ik waar al bang dè 't aanders zu worren as mee oewen veurganger." "Och," zee de kapelaon, "hij leert et nog wel; hij gooit er nog wel 'ns 'nen deftigen klaank deur mar dè komt mee de jaore wel geliek." "Wel jao," laachte de boer, "en dan is et nog geenen moordaonslag; mar as 't mee 't platpraote gedaon is, dan zijn we op 't verkeerde pad. Die mode moet nie onder et volk kome! Laote we praote zooas 't onze aawers en veuraawers deeën, dè-d-is ons goei recht! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939)

Ons eige plat,

et klinkt zo lief,

et zingt zo zuut,

et springt zo vief (Piet Heerkens; uit: Brabant, ‘Ons eige plat’, 1941)

Dörom zing ik plat, royaol

in mijn aawe moedertaol ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Oproep’, 1941)

M'N AAW PLAT

 

Ik haaw toch zoveul van m'n schoon aaw plat;

et rolt zo gezond van oew lippe

en et slibbert er over oew tong zo glad

en et huppelt zo locht op oew lippe.

 

En ik veen et zo zund dè m'n schoon aaw plat

zo zuutjesaon gao verdweene...

't is ruig, 't is rauw, - dè-d-is et! - 'n Fát

die kan er geen schoon aon veene!

 

Mar ìk, och, ik haaw toch zo veul van m'n plat;

't is oermuziek in m'n oore;

'k hè deurom et plat van m'n weeversstad

veur m'n liekes uitverkore.

(Piet Heerkens; uit: De Mus, 1939)

2. bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.4:210 'plat' = boertig; 'platvloers' = boertig

WBD III.4.4:227 'plat' = vlak, ook 'glad', 'effen', 'egaal'

2.1 bijvoeglijk naamwoord, in het bijzonder toegepast op kinderen die nog niet kunnen lopen

platte kènder - nog in de wieg liggende kinderen

Van Delft - "Ze bleef zitten met twee platte kinderen, terwijl ze weer op d'r leste beenen liep." Dit is: Haar man stierf terwijl ze twee kinderen had, die nog niet loopen konden, terwijl spoedig een nieuw kindje verwacht werd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

't Alderjongste is nog plat/ mar 't kan al kruipen op z'n gat. (Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Sterke vrouw’, 1939)

Anoniem – 1959 –
Nillus ha zis klène bluukes,
daor ware twee platte kender bij,
Jaans moes nog wè zuutjes aon doen,
was pas efkus in de rij.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

Cees Robben – Twee platte kender... en naa wir zôô... (19680322)

Cees Robben – Daor gao-se-wir mee d’r twee platte kender... (19570223)

Lodewijk van de Bredevoort - Boer Van Stokkum ha 'n huis vol kleine kender en die zaten juist overal daor te kruipen, waor ge 't nie zudt verwaochte; deede de deur open dan zaat er aaltij een of aanderen blaog aachter die deur - gongde op 'ne stoel zitten dan hadde kaans dè ge op 'n plat keend gongt zitte - staakte oe beene onder de taoffel dan hadde aaltij gevaor tegen jonk meenschenvleesch aon te schuppe - ge kost er nie in of uit gaon zonder hier of daor te struikelen over 'n kenderlijfke...  (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Hoe grôoter de strêûp hoe beeter. Ge had toen ok nòg veul mêer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst ‘platte kènder’. Dè waare de kiendjes die nòg nie kosse lôope. Die wèrre dikkels ok ‘haawkènder’ genoemd, omdèt moeders ze òn de mèm moes haawe. Asse dan grôoter wiere van et zòg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok nòg broekpoeperkes, jungskes, mèdjes òf durskes. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Informant Ad inken - natte kènder - kinderen die nog niet zindelijk zijn

GD07 'aachter de waoge meej en plat kèènd

Bosch platkeind - kind dat nog in de wieg ligt

Hees platte jong (II:61, VIII:9)

WNT (VII:2967) Platte kinderen - zulke die nog niet loopen kunnen

WNT (XII:2374) Platte kinderen - kleine kinderen, die nog niet loopen kunnen, die nog moeten liggen.

 

platienehaok

zelfstandig naamwoord

platinehaak

WBD 'plàtiennehaok' (II:1060) - platinehaak

 

Foto circa 1904. Fotograaf: Henri Berssenbrugge (?)

plattebèùs

zelfstandig naamwoord

lange kookkachel met langwerpige platte buis en zichtbare pot; potkachel met naar achteren verlengd rookkanaal onder verlengde kookplaat

Cees Robben – Ik zaag list in ’n boere-huis/ ’n kachel staon.. ’n platte buis... (19601111)
Cees Robben – Strooit nog is wè sjek op de plattebuis... Dan ruuk ’t net of er unne man in huis is... (19631206)

Wim van Boxtel - Hij kwaam diejen aovend bij ons binnen,/ schoof seffens rond de plattebuis. (Uit: Brabants Bont, 'D'n reêke en d'n dorstige Sint', 1979)
De musterd, die neffe de plattebèùs laag, waar in de fik gevloogen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD (III.2.1:234) 'plattebuis '

 

platwèèfsel

zelfstandig naamwoord

WBD (II:913) - platweefsel, ook 'platwèèrk' of 'plat wèèrk' genoemd

 

plavèùs

zelfstandig naamwoord

plavuis, gebakken vloertegel

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Hoeufft: 'plavuis' voor plaveisteen, vloersteen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAVUIS zelfstandig naamwoord m. - plavei, vloertegel van klei of leem.

 

plèège

werkwoord, sterk

plegen

Dialectenquête 1876 - plège, hij plèègt, plaacht

Dialectenquête 1887 Willems - alleen de persoonsvorm 'plaacht' wordt gebruikt

Henk van Rijen --  'plêege' (verleden tijd plaagt)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLEGEN: verv. placht, plag, plocht, plecht, geplogen

 

plee, pleej

zelfstandig naamwoord

plee, W.C.

Cees Robben –  de pertienes/ - Staon op ’t gutje... bij de pleej... (19570119)

Lechim - «Ik wil gin ruzie meej de buurt./ ik haaw van rust, dè witte,/ dörrom hèk menen hond geleerd/ om op de plee te zitte» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zót zèùver zèèn?)

Elie van Schilt - In de plee stond un sort kiest mee un rond gat erin, daor konde op oe gemak gaon zitten en ouw kraanten lezen. Ik zeg ouw. As de kraante gelezen waren dan werden die zorgvuldig in vierkantjes gescheurd. In de plee, zaat neffen de deur unne grote spééker en daor wieren die blaoikus aangeprikt. We hadden toen nog gin puuzeltjes; duurde ut un bietje lang vur ut kakken hillemal klaor was, dan konde de tèèd vullen mee die stukskes kraant te lezen. Kon alléén mar overdag, want licht op de plee, dat kwam pas veul laoter.
Onder de plee was gewoon un gat gegraoven en daor viel alles in wetge zoal kwèèt wot. Aachter de plee was unne deksel gemokt, was ut gat vol, dan wier mee unne strondschepper ut gat leeggemokt en over dun hof gegooid. Ut stonk wel un paor daogen, mar de plee kon er wir un jaor tegen en de slaoi, de peekes, ut groeide er allemaal goed van. Wij as kender haolde wellis rotstreken uit.
(uit: 'De plee', www.cubra, ca. 2002)
WBD III.2.1:112 'plee', c.q. 'gemak' of 'huiske' = wc

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan – naar de plee gaan - vooral noordelijk Tilburg

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan – na de plee gaan – Tilburg, Hilvarenbeek

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan – naar de plee moeten - Tilburg

 

pleejbòrsel

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:271 'pleeborstel' = kuif

WBD III.1.3:272 'pleeborstel' = kortgeknipt haar

V toiletborstel; korte, stekelige haardracht van jongens/mannen: aan de voorkant recht overeind staand (lang in zwang geweest bij de bevolking van seminaries en kweekscholen)

Henk van Rijen --  'pleejbòrsel' - closetborstel; korte, stekelige haardracht

 

plèèn, plèntje

zelfstandig naamwoord

plein

R.J. 'langs plèn en wegen'

Dialectenquête 1876 - durpsplên - dorpsplein (ê als in Fr. même)

N. Daamen (handschrift 1916) -- "plain - gladgemaakte plaats, waarop de boeren de boekwijt en ook wel oliezaad dorschen omdat zulks het beste in den zonneschijn geschied"

WBD III.3.1:318 'plein' = dorpskom

WBD III.3.1:328 'plein, dorpsplein' = dorpsplein

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord vr. - plein, zekere uitgestrektheid lands, grote oppervlakte

 

plèète

bijwoord

Henk van Rijen --  pleite, verdwenen, weg

WBD III.1.2:131 'pleite' = verdwenen

Hebr. - redding, ontvluchting

WNT PLEITE bijw. Een joodsch van hebr. plétó, peleitó, vlucht, afgeleid woord in den zin van "vlucht" en "bankroet", dat thans ook in de taal van de volksklasse is overgegaan in de adverbiale verbindingen pleite gaan en pleite zijn.

 

pleistere

werkwoord, zwak

WBD III.4.4:200 'pleisteren' = blijven hangen

 

plèk, plèkske

zelfstandig naamwoord

kleverige, doorschijnende vloeistof uit sommige bomen; plèksel, hars, mèlk

WBD III.4.3:91 plèk - gom, hars

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Jan plèk = Jan van Laarhoven (blz. 51) [omdat hij onder andere plakband verkocht]

A.P. de Bont -- pläk, zelfstandig naamwoord m. 'plek', plakmiddel (als gom, stijfsel, solutie)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAK zelfstandig naamwoord m. - kleverige zelfstandigheid, waarmede men plakt.

Bosch plèk - (zit)plaats, ruimte, kleefmiddel, lijm

plaats

Is daor nòg plèk?

WBD III.4.4:199 'plek maken' = plaatsmaken

Bosch plèk - (zit)plaats, ruimte, kleefmiddel, lijm

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - PLEK, voor plaats, zoo in den eigenlijken zin, als in dien van 'in stede', even als het Lat. loco. Z.a.

vlek

Henk van Rijen --  'Hè de naaw al un plèk in oew nuu pak!'

WBD III.1.1:32 'moederplek' = moedervlek

kleefkruid

WBD III.4.3:330 jan plèk - kleefkruid (Galium aparine)

galium aparine - kleefkruid

 

plèkbaand

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  plakband, tape

 

plèkbòl

zelfstandig naamwoord

benaming voor (vooral heren-) kapsel met veel brillantine

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLEKKOP zelfstandig naamwoord m. - kaalkop, iemand die kaalhoofdig is.

 

plèkbrôojke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

broodsoort

De Wijs  --  “Ik hegget gelèk: plek-brooikes, smèrlappen en mèle moppen.” (15-06-1963)

Cees Robben – plek-brooikes (19630628)

Frans Verbunt -- bolus; wegens zijn vorm ook 'plèkdròl' genoemd

 

plèkdròl

zelfstandig naamwoord

bolus, bepaald baksel; ook 'plèkbrôojke'

 

plèkjaones

zelfstandig naamwoord

lekkernij van brood, bolus

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

 

plèkke

werkwoord, zwak

plèkke - plèkte - geplèkt

plakken

1. met lijm e.d. hechten, kleven

De Wijs -- Echt iemand om aachter ut behang te plekke en dan te verhuize (04-07-1969)

Cees Robben [vrouw over man:] – ...aachter ’t behang plekke en dan verhuize... (19770127)

Pierre van Beek -- Ik zal vur jou wèl is ene vlieger plèkke (uit dankbaarheid) (Tilburgse Taalplastiek 167)

 

Stickers op de vuilcontainer plakken. Ontwerp van Sander Neijnens en Ivo van Leeuwen.

 

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nòr Hitselpitsel, daor ist meej kraante dichtgeplèkt ('86) – dooddoener, antwoord op de vraag 'Waarheen?'.

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - 04-07-1964: 'Iemand, die grote nieuwsgierigheid aan de dag legde, kon te horen krijgen: "Komde van Gool, hedde soms geit op?" Het verband tot de nieuwsgierigheid ontgaat ons hier echter. Nieuwsgierige kinderen konden van hun vader als ze vroegen waar hij naar toe ging vernemen: "Naor Hitselpitsel" en als ze dan wilden weten waar dit was volgde er: "Daor is het mee kraanten dichtgeplèkt." Het wil ons voorkomen, dat we hier wellicht met "gezinstaal" te doen hebben. Zoals men weet, verschilt de taal niet enkel van gewest tot gewest, van plaats tot plaats, maar zelfs wel van wijk tot wijk. Zo spreekt men bv. op de Heikant van Tilburg heel anders dan in het centrum. Als nog kleinere gemeenschappen hebben we dan het gezin, dat ook zijn eigen uitdrukkingen heeft, die eigenlijk alleen maar in dit bepaalde gezin verstaan worden.'

WBD III.3.1:45 'plakken' = plakken

De Wijs -- As ’t nie ineens plekt, zedde twiddes (23-10-1963; iets meteen goed doen want anders is de kans verkeken.

2. Figuurlijk: ergens blijven, niet weg (willen) gaan

uitdrukking - blèève plèkke - niet weten te vertrekken

WBD III.4.4:209 'plakken' = pruuven [namelijk in een café] èn blèève plèkke

WNT PLAKKEN (II) m.b.t. personen: Blijven plakken, geplakt zitten - geen lust hebben om op te staan.

A.P. de Bont -- zw.ww.intr. 'plekken' - plakken, lang in herbergen blijven.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAKKEN, - blijven zitten, toeven. Hij blijft overal plakken. Bosch plèkke - plakken

plèkmersjant
zelfstandig naamwoord; het tweede lid uit het Franse ‘marchand’
iemand die niet uitbundig is, die tijdens een feest op zijn stoel blijft zitten
Cees Robben – [hij is] aanders unne plek-mersjant... (19600226)
 

plèkplòtje

zelfstandig naamwoord

plakplaatje, etiket

Op alle boeke wier ’n plekplòtje geplakt om d’rre naom en ’t vak d’r op te zette. (Jos Naaijkens; ‘Middelbaoreschoolperiekele’; CuBra, ca 2005)

 

plèksel

zelfstandig naamwoord

plaksel, met water aangemaakt plakmeel;

kleverige,doorschijnende vloeistof uit sommige bomen; plèk, hars, mèlk

WBD (II:709) plèksel - plaksel (niet vermeld)

 

plèkzak

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- viezerik

Frans Verbunt -- plèkzakske - kind dat zit te knoeien

 

plèkzakske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Frans Verbunt -- kind dat zit te knoeien

 

plèngske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

plankje

- Dirk Boutkan: plengske (blz. 27) verkleinwoord van 'plank', met umlaut - - R.J. de plènkskes vant höske

- Cees Robben – Moeten daor zien staon te kèèke... ’t Lekt wel unne sigaare-kiesjes-plenkskes-spèèkerkes-fabrikaant... (19640731)

- Henk van Rijen --  op et bènkske laag en plènkske èn en tèngske

Gezegde

metafoor voor de borsten van een vrouw

- Twee èrtjes òp ’n plèngske… (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

plènneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'plan', met umlaut

plannetje

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'plenneke'

 

plènt

zelfstandig naamwoord

plint

Dirk Boutkan (blz. 21) plènt

 

plèske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD koekje dat veulens bij de geboorte in de mond hebben, ook genoemd (Korvel): 'lèèftocht'

 

plèsse

werkwoord, zwak

plessen

WBD plèsse (II:1034, 1056) uitwassen op de pleskom (textiel)

WBD III.4.4:217 'pletsen' = nat maken, ook 'natten', 'dabben'

 

plèsterij

zelfstandig naamwoord

plesserij, de afdeling waar geweven stukken gewassen worden

Interview Hermans - 1978 - “èn dan krijg je de plèsterij òf de zoogenaamde wasserij, ging daar naar toe asset op zen breedst was, dan wier et daar gewasse, war, omdètter vètdeele in zaate van de volderij..." (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

plèùm, plömke

zelfstandig naamwoord

pluim

R.J. 'meej 'n plùmke op z'ne kop'

WBD III.4.1:38 'pluim' - vogelveer

WBD III.4.2:35 'pluim' - harig uiteinde van een staart

- de schaawe mee der plèùme om dere kòp

A.P. de Bont -- plö.m, zelfstandig naamwoord vr. pluim: 1) veer, 2) grote pronkveer op de hoed

 

plèùs, plöske

zelfstandig naamwoord

pluis

WBD III.4.4:267 'pluis' = dot

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord vr. - pluis, vlokje, rafeltje, haartje.

 

plèùsèèzer

zelfstandig naamwoord

1. pluisijzer, instrument om oneffenheden uit weefsels te verwijderen; nopijzer

1941 - Een oude weverswoning, ergens in Oel. (...) En onder de oude hangklok zit een jong meisje te noppen. Haar teere vingeren hanteeren behendig het “pluisijzer”, dat als een nijdig vogeltje “pik—pik” de noppen uit het weefsel trekt. (NTC; ‘Kruispolka’, Frank Klaroen = Willem van Mook – Brabantsche Novelle; 26-2-1941)

WBD II,4 p. 1054 -- „noppen" : „Ongewenste oneffendheden met een nopijzer uit weefsels verwijderen. Voor weefsels van plantaardige en dierlijke oorsprong, indien de prijs dit toestaat (...) „Stoppen en noppen met een nopijzer"; „de kno(o)pjes worden genopt, witte pikkeltjes worden genopt, de kno(o)pjes halen ze er met een pluisijzer uit."

WBD II,4 p. 1056 -- „De ongewenste oneffendheden worden nu met een nopijzer (een soort pincet) en een nopschaar (...) uit het weefsel verwijderd, zonder dat het weefsel beschadigd wordt. Dit noppen vergt veel ervaring en de meisjes, die dit werk doen, krijgen dan ook een speciale opleiding." Van Dale zegt bij „nopschaar": „Schaar om de noppen van lakens enz . af te knippen." Grothe spreekt op p . 380 van „pincet" of „nopijzer".

 

Tilburgse nopsters, begin 1900 gefotografeerd door Henri Berssenbrugge. Uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, Tilburgers in beeld (1996)

 

 

Nopijzer - 1960 - collectie Audax Textielmuseum

 

Nopijzer - 1960 - collectie Audax Textielmuseum


2. overdrachtelijk: pincet voor huishoudelijk gebruik

-- Naarus – Brieven van een oud Tilburger --Toen me de rest ophan zate me ammel mee ons kaoke te vringe en te vreuke, die waren ontzet; en dè kwaam ok wir in orde, want ik haolde beneeë in [een] pluisijzer en één vur één wieren ze toen op innen stoel gezet om de stukken pees tussen de taanden en tendjes uit te trekke. (Column in Groot Tilburg; ca. 1940)

Piet van Beers – ‘Gin vergif op de tùin’: En zitten er in kôol of slaoi/ wè slekke, of wè lùize,/ dan laot ik heur z'er èen vur èen/ mee 'n pincet ùitplùize. (With Love; 1982-1987)

-- Meded. Fons van den Hout (2012) -- Vanwege de gelijkenis heeft het waarschijnlijk later de betekenis van pincet gekregen. Ik hoorde het woord vaker gebruiken door mijn overleden tante Miet, die haar hele leven bij AaBe gewerkt heeft.

 

plèùster

zelfstandig naamwoord

pluister; lakenpluister; nopster

► Voor een beschrijving van de werkzaamheden zie plèùsèèzer.

WTT 2012 - de beroepsnaam 'lakenpluister' komt niet voor in de Tilburgse adresboeken van de 20ste eeuw.  In plaats daarvan: 'pluister, stukkenpluister, wolpluister, stukkennopster, nopster'. Vanaf 1938 komt 'stukkennopster' niet meer in de adresboeken voor, alleen nog 'nopster'. 'Wolpluister' komt na 1928 niet meer voor. In 1963 verschijnt voor het eerst 'thuispluister' als beroepsnaam.

NieuweTilburgsche Courant 16-1-1920

Interview Hermans - 1978 - “Dè waare pluizers…èn degeene…degeene… degeene die, die dè …..dè waare pluisers, zin ze hè …dè zèn de plèùsers…”. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

plèùze

werkwoord, sterk

pluizen; handmatige nabewerking van geweven stukken (net als noppen): de pluizen in het weefsel verwijderen.

plèùze - plôos - geplooze (overgankelijk) geen vocaalkrimping

Anoniem – 1959 –

Toen ging ie mee bukkum leure,
mee de kreugel van de buur,
Jaans pluisde wol, deej stukke,
't was genog vur brood en huur.

(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

manier van eten

Werkwoord, waarschijnlijk zwak

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 – Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: Langzaam en met smaak eten door kleine stukjes uit te zoeken of af te plukken (peuzelen)

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

 

plevèùs

zelfstandig naamwoord

plavuis

WNT PLAVUIS - vloertegel, gebakken vlakke steen

 

plezaant, plezant

bijvoeglijk naamwoord

plezierig

Cees Robben – iets wè plezaant is... (19570713)
Cees Robben – As wij vruuger moesse zingen/ sjonges dè was zô plezaant... (19571214)
Cees Robben – Bekaant unne plezaante klaant... (19811127)

Witt. plezaant (S.G. plausant, blz.93, 179, 214)

WBD III.1.4:195 'plezant' = prettig- 207 idem = grappig

WBD III.1.4:163 'plezant' = flatterend; 197 'een plezante' = een grapjas

A.P. de Bont -- pləzant, bnw.'plezant' - prettig, behaaglijk, aangenaam.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLEZANT - vroolijk, vermakelijk, aangenaam, plezierig

WNT PLEIZANT, PLEZANT - aangenaam , z.a.

 

pliesie

zelfstandig naamwoord

politie(apparaat), politieagent

Ge zaagt ginne pliesie

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- pliesie, plisie, plitie, pelisie, peliesie, pelissie

De Wijs  -- Gaon we driehappelepappe of pliesieke speulen mee vreuke? (15-06-1963)

Cees Robben --  Tis meej de 'peliesie' nèt as meej den reegenboog

Mar jè, ök de pliesie is onze Lieven Heer nie/ die kan ok nie tegelèèk ooveral zèèn (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Alles op zene tèèd)

As ik hier ene pliessie was/ dan zogget nie gebeure/ dè autos meej en wilde vaort/ dur de sneuw heene scheure. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As ik hier pliessie was)

Hij ha en glas te veul gepruufd,/ de pliessie hield em aon./ Hij moes meej in de tuut-tuut-tuut/ om nòrt beroo te gaon. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dè kossie ok nie…)

Interview Jolen - 1978 - “De pliesie…die bròchten oe nòr hèùs èn dan krêede tèùs op oew soodemieter!”. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan
Elie van Schilt - Pliessie, op de fiets mee zunne saobel on de tussenstang, niks ginne revolver, daor konne alléén mar ongelukken mee gebeuren. (Uit: ‘Alles is aanders’; CuBra ca. 2000)

‘Gao naor hèùs snotjong of moet ik de pliesie erbij haole’. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

‘Ge moet nòr de pliesie gaon en hum òn gaon geeve, hij heej nie te slaon.’ (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
WBD III.3.1:345 'politiesmeris, tuut, wout, vethol, vetkees' = politieagent

A.P. de Bont -- pəlisi, zelfstandig naamwoord vr. 'pelisie' - politie

Bosch plisie - politie

 

pliesiebuuroo

zelfstandig naamwoord

politiebureau

Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “Toen zaat de Keuringsdienst bezije et plesiebuuroo, et ouwe pliesiebuuroo, dè zogezeej in de Zwijzestraot èn daor was zogezeej de Keuringsdienst…” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Audioregistratie 1978 -- “…èn Jan Brekelmans èn et Kösterke meej zenen baord, war, die nôome me nòg wèlles meej nòr et pliesieburoow…haaa…jè, ge waart dronke…dè was ok ene pliesieagènt, Jan Brekelmans, ene pliesieagènt” (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Daor hèbbek zèlf nòg verschillende keere nòr wiste kèèke asse dieje moordenèèr oover de straot heene laajde vant pliesiebuuroow aaf nòr de kèrk.” Klik hier om dit bestand te beluisteren

  

pliesiegènt

zelfstandig naamwoord

agent van politie

- Eerst gisteren is het ons opgevallen, dat onze stad ondanks het tekort een heleboel "plisiegenten" heeft, (Jan Triborgh, pseudoniem van John Majoie, in een serie van 4 artikelen uit de Nieuwe Tilburgsche Courant over de feestelijkheden vanaf 27 oktober 1954 ter herdenking van de tiende bevrijdingsdag van Tilburg.)

Dè môog nie van ene pliesiegènt... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kèkt nie zo fèèn...)

Tilburgs Taollied: bèkkers èn pliesiegènte

WBD III.3.1:344 'politieagent', 'politie, vethol, vetkees, tuut, wout'

Stadsnieuws - Ik hoef hier tòch nie hil de tèèd te gòn stòn oppaase - ik zèè ginne pliesiegènt (231103)

 

pliesiemuts

zelfstandig naamwoord

politiepet (?) 

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dè klòpt as en pliesiemuts zónder klèp (Pierre van Beek -- TT '64)

ES 2012: Raoj raoj pliesiemuts; dooddoener om te zeggen dat men iets niet weet

 

pliesie-uur

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -- sluitingstijd voor cafés

Toen 't pelitie-uur was, hè 'k ze in den errem nor de stee van Sjef Koolen gebrocht. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- pliesieuur zn - politie-uur, sluitingstijd voor cafés

 

plimp

zelfstandig naamwoord

wimper

N. Daamen (handschrift 1916) -- "ze heeft witte plimpers aan haar oogen (wimpers)"

Stadsnieuws - Kèkt is èfkes, ik gelêûf dèk ene plimp in men ôog hèb (011106)

 

plint

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  plooi aan onderkant broekspijp

 

plòd

plöddeke

zelfstandig naamwoord

gemeen, achterbaks persoon

Cees Robben --  jöllie Mietje is en gemèèn plòd

WBD III.2.2:114 'plod' = zedelijk slecht meisje

WNT PLOD - 1) Vod, flard, 2) Bij overdracht gebezigd voor een persoon: a) een klein vertroeteld kind; b) een gemeene vrouw, slet; c) een man, in versch.bet.: sul, sukkel, luiaard, rakker, dronkelap enz. z.a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLOD zelfstandig naamwoord v -goedzak, goede sul: 'en plod van 'ne' jongen;

trage en vadsige persoon; kwapoets, jongen die geerne plaagt.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - plod - vod, slet, lui iemand, sul, goedzak (znl. geldov.)

 

plöddeke

zelfstandig naamwoord, verkleind

►plòd

in twee betekenissen; zowel negastief als positief

WTT 2013 - de discrepantie is niet vreemd; vergelijk bijvoorbeeld 'drölleke'

1 geniepig, klein persoontje, trage, vadsige persoon

MP gez. As plöddeke-vèùl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes.

V klèèn plöddeke - kind van klein formaat

N. Daamen (handschrift 1916) -- "'t is in alle geval mar 'n plöddeke (een prul ventje)"

Henk van Rijen --  vööl plöddeke - geniepig (vies) vrouwspersoon

Dè en plöddeke betêekent,/ en slonzege luie vrouw? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

WBD III.2.2:114 'ploddeke' = zedelijk slecht meisje

SN - Wè zèède tòch en vals plöddeke.' - ... een smerige bedrieger (080608)

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- plöddeke zn - venijnig, onbetrouwbaar ventje

2 troetelnaam

...lillik plöddeke daor ge staot (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun als opvoeder’; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 – 6-4-1940)

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

3 andere bronnen

Witt. (zowel mens als ziekte) 'hij heeget plöddeke' ?

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLOD zelfstandig naamwoord v. - goedzak, goede sul, Fr. bonasse; 'n plod v. 'ne jongen. Trage en vadsige persoon; Kind dat geerne getroeteld wordt; iemand die in herbergen blijft zitten; kwapoets, jongen die anderen plaagt; enz. PLODDEKE(N) zelfstandig naamwoord o. - vklw. v. 'plod' - influenza ?

 

ploeg

zelfstandig naamwoord

ploeg

WBD (II:2727) 'véérploech' - ploegschaaf

 

ploege

werkwoord, zwak

ploegen

WBD ploege, ook in de Hasselt

WBD I:1454 aanaarden met de ploeg (Hasselt): 'ònploeg?'

- ploege - ploegde - geploegd

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - ploege (krt.100)

 

ploegstart

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) bovenste stuk van de ploegstaart

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord m. - ploegstaart, balk aan het achtereinde v.d. ploeg, waaraan het handvat bevestigd is.

 

plòk

zelfstandig naamwoord, pv.

WBD III.4.4:256 'plok' = menigte, troep

verleden tijd van plukke

 

plok

werkwoord, oude verledentijd van 'plukke'

…en ik plok uuverig verder. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

plömke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

pluimpje

R.J. 'meej 'n plùmke op z'ne kop'

verkleinwoord van 'plèùm', met vocaalkrimping

 

plonsplee

Zelfstandig naamwoord

primitieve toiletvoorziening waarbij de ontlasting direct in het water van de onderliggende beerput valt

Die plee stond aon et schop gebouwd en ha un schèùn dak. Daor zaat un grôte grune deur veur. Van den binnekaant konstem meej unne wörvel op slot doen. Al wegge liet vallen, viel in enne diepe put. Waar de put pas leeg gemaokt, éne keer per jaor kwaam de strontboer, dieje put meej emmers leegscheppen, dan heurde gij enne plons as enne verre echo. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

plôos

werkwoord, persoonsvorm

ploos, pluisde

Dirk Boutkan (blz. 40) plosde/ ploosde (met of zonder vocaalkrimping)

verleden tijd van plèùze

 

plöske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

pluisje

R.J. 'ik zie de plùskes witte wol'

WBD plöskes (II:1254) - pluisjes (slijtsel van kleding)

WBD III.4.1:41 'pluiskes', ook 'duivelshaar' - dons of nestveren

WBD III.4.4:267 'pluisje' = dot

verkleinwoord van 'plèùs', met vocaalkrimping

 

ploster [plöster ?]

zelfstandig naamwoord

pleister

Moeder geef me gaaw 'ne ploster... (Piet Heerkens; ‘Kritieke’, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

 

plòtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

plaatje

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- fietsplòtje

Cees Robben --  et vurplòtje stao schêef;

WBD (II:2794) 'lichtplòtjəs' - lichtslekken, berrieslekken

WBD III.5.1:311 'plaatje' = illustratie (in tijdschift of boek)

WBD III.3.2:352 plòtje of bildje = prentje

WBD III.3.3.206 plòtje = heiligenprentje

verkleinwoord van 'plaot', met vocaalkrimping

 

plòts, plòtske

zelfstandig naamwoord

plaats; omsloten binnenplaats achter een huis

In de kèèrk is plòts genóg. - In de kerk is plaats genoeg.

Cees Robben --  Et biste plòtske in bèd

Cees Robben --  ik maok naa vur ene mooter plots

WBD (III.2.1:402) plòts = binnenplaats (niet als Tilburgs vermeld)

WBD (III.4,4:196) 'plaats' = uitgestrektheid

WBD (III.4.4:302) 'plaatsen' = ordenen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - plaots/plòts (krt.98)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PLAATS zelfstandig naamwoord v. - betrekking, post

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- 'plots' zn - plaats, 'plak'

 

plòtse

werkwoord, zwak

plaatsen

WBD III.3.1:389 'plaatsen' = stationeren

 

pluiere

Werkwoord, zwak

Aan een slepende ziekte of een kwaal lijden.

- ‘Een roestpraatje’ (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mer 't [de ellende] komt van den Heer (…) deur 't zwart van de patrasen, en 't pluiere van 't jonk, dat naauw dood is. Daar geannoteerd als: sukkelen. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: lang ziekelijk zijn, uitteren.

- WNT – lemma Pluieren: Kwijnen, aan een slepende ziekte sukkelen, ziekelijk zijn. (1932)

 

pluierij

zelfstandig naamwoord

nare zaak, in het bijzonder een ziekte of kwaal

en vèùl pluierij - een vervelende situatie;

- Pierre van Beek -- Ze hèbben ammòl dezèlfde pluierij - wordt gezegd als meer leden uit een gezin dezelfde ziekteverschijnselen vertonen, zoals griep, hoofdpijn. (Tilburgse Taalplastiek 740125)

- Cees Robben – Naa ben ik wir d’n aauwe/ en m’n pluierijen kwèèt... (19590307)

- Stadsnieuws - 'Dè gesoodemieter meej die onbetòlde reekening, dès mar en vèùl pluierij -  dat gedoe met die onbetaalde rekening is maar een nare zaak' (200808)

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - PLEUIEREN: aan ene slepende ziekte sukkelen. PLEUIERIJE: ene slepende ziekte, somtijds de tering.

 

plukke

werkwoord, sterk

plukken

WBD veevoer verzamelen, ook 'blaaje' genoemd

Dialectenquête 1876 - de jungskes hebbe blumpkes geplòkke

De Wijs  -- Der slinten der zoveul aon, dek ze nie geplokken kon krège (feb. 1962)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - de gèlste pèère wòrren et irst geplòkke (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - de gekste lopen het eerste tegen de lamp.

B - plukke - plok - geplokke

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - GEPLOKKEN: 3e hoofdvorm van 'plukken'

 

plukselköltje

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

plukselkuiltje

Lowie van Dorrus Misters - Alleen wat groenvoer, de gele peeën, knollen en spurrie stonden nog te velde, en zolang het open weer was (geen vorst) konden deze nog worden binnengehaald en was het plukken hiervan een van de dagelijkse bezigheden. Was een karrevracht geplukt en of gestoken (de peeën), dan spande de boer in om dat vrachtje op te halen. Thuisgekomen ging dat niet direct naar de stal, maar eerst naar het plukselkuiltje om gewassen te worden, teneinde de aanklevende aarde te verwijderen. Daarna kwam het in de stal voor de beesten. Vroeger was bij iedere boerderij een plukselkuiltje te zien langs de straat in de nabijheid van de stal. Op de dorpen treft men ze nog wel eens aan. Natuurlijk zandde de bodem geregeld aan door het wassen van het groenvoer, dat rechtstreeks van de akker kwam. Daarom moest 't kuiltje van tijd tot tijd uitgediept worden. Dat uitdiepen noemde men "uitschieten". (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 15 ‘Boeren in de winter’; NTC 17-5-1952)

plukvink
zelfstandig naamwoord
eigenlijk hetzelfde als een blinde vink; door Robben echter gebruikt als equivalent voor ‘lichte of gemakkelijke vrouw’; mogelijk dus: een vrouw die door mannen ‘geplukt’ kan worden naar believen.
Cees Robben – [Vrouw tegen een man die haar vreemd is:] Ik ben gin plukvink.. (19671027)

pluus

zelfstandig naamwoord: pluche

bijvoeglijk naamwoord: pluchen

korte u

Heure pluusen hoed, op durre raoversbol... (Tony Ansems, Heure pluusen hoed; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2008)

 

poedel
zelfstandig naamwoord
biljartterm
Cees Robben – Ik heb oe toch wel gezeej det ’n vèèreke was en hillemol ginne poedel... (19770708)
 

poejer

zelfstandig naamwoord

poeder

Henk van Rijen --  daor gong ze meej hil dere poejer – daar ging ze, flink opgemaakt

WBD III.3.1:382 'poeder (ook: poeier)' = buskruit

WBD III.4:205 'poeier' = poeier; ook ‘pulver’

WNT POEDER, poeier

 

poejere

werkwoord, zwak

poeieren  

Van Delft - Wie paling gaan vangen, "gaon poeieren" (peuren zegt de Hoog-Hollander). De Tilburgers kunnen ook goed iemand "afpoeieren". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

 

poel, poeleke

zelfstandig naamwoord

WBD jonge kip

WBD poel poel poel, eend, ind - roepwoorden voor de eend; hiernaast zijn daarvoor gangbaar: 'woele woele woele woele' en 'endvoogel'

WBD III.4.4:180 'poel' = kreek

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - POELEN of POELIËN noemen sommige buitenlieden de hoenderen; anderen verstaan eronder 'krieltjes'. Z.a.

Str. poel (1+29)

WNT POEL - in zuidel. dialecten: kuiken v.h. vrouwelijk geslacht.

 

poel

zelfstandig naamwoord

prijs

mogelijk van Engels 'pool', de geldelijke inleg bij het voorspellen van sportuitslagen

Van Delft - - Wij gaon vliegers maar ook duiven "oplaoten" en laten dan los "twee duiven en drie horens", waarmede wij "prijs verdienen en ook den scherreweg", terwijl een ander "geen veerke thuis had" en er zoodoende weinig om gaf, wie met "de poel" ging strijken.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

Poel, de

eigennaam

GG wijk bij Korvel, omgeving vroegere Poelstraat (thans: Tafelbergstraat)

 

poel knippe

werkwoordelijke uitdrukking

kinderspel

Van Delft - Een ander spelletje was het "poel knippen". Dit gebeurde met twee of meer kinderen. Er werd een driehoek op den grond geteekend en op iederen hoek daarvan werd een knikker gelegd en ook nog in het midden. Dan werd een streep getrokken "voor den aanleg" op twee of drie meter van "de poel". Wie het kortst bij de meet lag, mocht eerst knippen of schieten. Raakte hij een knikker, die daardoor uit den driehoek rolde, zoo was deze voor hem. Doch kwam de knikker waarmede hij knipte in "den poel", dan moest hij er eentje geven. Zoo speelde men voort, tot de duisternis inviel of de schooldeuren tot binnengaan dwongen. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

poeleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD veulen, ook 'veule', 'vuile' of 'völle' genoemd handje

R.J. 'mollig poeleke'

Pierre van Beek -- Gift den oome is en poeleke.

Witt. - kinderwoord voor 'handje'

WBD III.1.2:149 'poelekes';'pollekes' = handen (kindernamen)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - POELEKEN behoort hier onder de liefelijke woordjes welke minnenden elkander geven. Men zegt het ook veel aan de kinderen. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- POELEKE o - kinderhandje, tegen een kind gezegd.

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. (kindertaal) 'poeleke' - kindervuistje (-handje)

Bosch poeleke - kinderhandje

 

poelen

werkwoord, zwak

poolen [Engels: pool]

WBD poele = duiven inzetten

 

poelepetaot

zelfstandig naamwoord

WNT POELEPETAAT - Ontleend aan Fr. poule pintade, waarvan het tweede woord aan het Sp. pintado is ontleend, dat een Lat. vorm pinctatus doet onderstellen. De beteekenis is dus eigenlijk 'gespikkelde kip'

parelhoen (Numida meleagris)

Cees Robben – [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee ’n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)

WBD III.4.1:185 'poelepetaat' - parelhoen (Numida meleagris) - frequent in Tilburg

numida meleagris- poelepetaot

Benamingen parelhoen in Woordenboek van de Brabantse Dialecten

koosnaam voor kinderen

- m'n lekker sjeklaatje, / m'n marremelaadje, / m'n poelepetaatje, (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Michieltje’, 1938)

- Hey, mijne kleine, poelepetaat/ Nou wordt het wel, een beetje te laat... (Tony Ansems, Hey klein drölleke; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

vrouwspersoon die opvalt door dom of raar doen

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de poelapetaote = zussen Blomjous (blz. 26)

 

poelie

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek -- aaw poelie - oude vrijster

WBD III.2.3:2 'poelie' = waterachtig voedsel

WNT POELIE (II) zie POELJE 1) jonge hen; 2) bij overdracht gebezigd als scheldnaam voor een persoon: Gy schoelje, gy vervlakte fyne poelje!

A.P. de Bont -- puli zelfstandig naamwoord m. poelie - slappe koffie

WNT POELIE (II) zie Poelje - POELJE 2) bij overdracht gebezigd als scheldnaam voor een persoon.

S&S niet vermeld

Bosch poelie - met water spatten, spelen, zich wassen

 

poelieje

werkwoord, zwak

met of in water spelen

Dè poeliën in et waoter is nie zoo erg, mar daor blijft et nie bij, daor gebeure veul ergere dingen in zoo'n bad!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939)

WBD III.1.2:97 'poeliën' = plassen met water; ook 'dabben'

poelieje- poeliede - gepoelied

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- POELIËN onov.ww - poelen, met water spatten, in water bewegen; ook gezegd v.h. klotsen van water bijv. in een fles. Zie ook blz. 80.

A.P. de Bont -- zw.ww. intr. 'poelien' - een vloeistof door elkaar schudden.

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- poelieje ww met of in water spelen

 

poeliepèèt

zelfstandig naamwoord

slappe koffie, loerie

Cees Robben – Des poeliepèèt... (19590307)

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord m. 'poeliepaat' - dunne slappe koffie of mölk (karnemelk)

 

poem

zelfstandig naamwoord

geld

WBD III.3.1.136 'poem', 'poemelezjang, centen, duiten, buit' = geld

Pierre van Beek – "Om de poem (geld) is het al te doen!" nietwaar? (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 18 maart 1950)

 

poep

zelfstandig naamwoord

poep

WBD III.1.1. lemma uitwerpselen – frequent vooral noordelijk Tilburg

 

poepe

werkwoord, zwak

WBD III.1.1. lemma ontlasting hebben – vooral noordelijk Tilburg

 

Poeper de Lepper

bijnaam

Pierre van Beek -- Wie Poeper de Lepper was, weten we niet. Wanneer iemand verongelijkt wordt, kan men van oude Tilburgers echter de opmerking horen: "'n Eerlijk hart moet wè lijjen, zeej Poeper de Lepper!" (Tilburgse taalplastiek 3 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 18 februari 1950)

Pierre van Beek -- Naar aanleiding van een onzer vorige artikelen, waarin een "gevleugeld woord" van zekere De Lepper werd aangehaald, deed een belangstellend lezer ons hierover enige nadere bijzonderheden toekomen. Onze inzender heeft de bewuste De Lepper heel goed gekend, zegt hij. Deze man, die wel nooit gedroomd zal hebben, dat hij nog eens in de krant zou komen na zoveel jaren, woonde een zestig jaar geleden aan het eind van de Laagstraat en wel op de linkerhoek van de drie huizen, die daar haaks op de Laagstraat staan. Dat wil zeggen in het huis, dat thans op zijn gevel het naamplaatje "Eschdoornstraat" draagt. De Lepper was een zg. buitenwever maar daarnaast boerde hij een beetje. Inzender weet ook nog te vertellen, dat naast het huis van De Lepper destijds 't zg. "Kruispedje" (paadje) begon, dat liep tot de "Vier Bumkes" (Boompjes). Dat was waar zich thans "De Regenboog" bevindt. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 11 maart 1950)

 

Poepersteeg, Poepesteeg

zelfstandig naamwoord, toponiem

De Hoogtestraat, die vroeger een slechte reputatie had

Poepersteeg / Hoogtestraat
1934 - Ingezonden brief - Beleefd verzoek ik UEd. een plaatsje voor het volgende in uw veel gelezen blad, waarvoor bij voorbaat mijn dank.
Geregeld de agenda's der Raadsvergaderingen der gemeente Tilburg lezende valt het mij op dat aanhoudend voorkomt: “Voorstel tot het bestraten van deze of gene straat of weg". Nu zou ik wel eens willen weten hoelang het gewoonlijk duurt, dat aan bestrating wordt begonnen, indien het bij den Raad aangenomen is.
Mij is nl. bekend, dat door den Raad circa drie jaar geleden werd besloten de Hoogtestraat (alias Poepersteeg) gelegen in den schaduw van den stadstoren en Stadhuis met oude keien te bestraten; evenwel is er tot op heden van bestrating niets te zien; wel schijnt het een goede opslagplaats te zijn voor alle soorten afbraak, huisvuil. Ook bestaat er naar ik vermeen in den Raad een Gezondheidscommissie en zou deze heeren in overweging willen geven bedoelde straat tegen regenachtig of broeiend weer te willen bewandelen, daar dan de afval van de daarin liggende lederfabriek een afschuwelijken stank verspreidt en de gansche geving verpest. Ook voor de vereniging der dierenbescherming is er werk, indien bij regenachtig weer of langdurige droogte de vrachten chemicaliën en huiden afgeleverd moeten worden, dan kunnen zij telkens constateeren, dat de wielen der camions moeten worden uitgegraven en de paarden worden bewerkt met ijzeren staven en buizen om ter plaatse te kunnen komen.
Aan de commisssie tot vaststellen van nieuwe straatnamen wil ik voorstellen den naam Hoogtestraat te wijzigen in Amorstraat of steeg, daar hij op dit terrein veel werkzaamheden heeft te verrichten, zodat hij het niet meer met pijl en boog af kan en een mitrailleur zal moeten aanschaffen. (Ingezonden brief in de Nieuwe Tilburgsche Courant door ‘Tijl’ - 24-10-1934)
2005 – Uit het straat lied ‘Toen ik nog ’n jungske was (De poepesteeg)’


Toen ik nog een jungske was
Van een jaar of negen
Kwam ik in de poepesteeg
Een grote joekel tegen
Ik dacht als ik nou verder loop
Dan kan ie misschien wel bijten
Maar hij schoot een poortje in
En ging daar zitten schijten
Tralala lala (bis)

(Anoniem; voor de volledige tekst op CuBra  KLIK HIER)

poepestèùverpoepstèùver

zelfstandig naamwoord

achterste, gat, kont

- vorm en kleur van de oude munt 'stuiver' doen vermoeden dat met name de aars, de sluitspier bedoeld is

N. Daamen (handschrift 1916) -- "ze viel op 're poepestuiver"

Henk van Rijen --  'poepstööver'

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - poepstuiver, uitsluitend opgetekend voor Tilburg 

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - poepe(n)stuiver, uitsluitend opgetekend voor Tilburg

►stèùver

 

poepke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van poep in de betekenis 'wind'; poepje

WBD III.1.1. lemma Wind – frequent centraal oostelijk en westelijk Tilburg

 

poes

zelfstandig naamwoord

vrouwelijk geslachtsdeel

WBD III.1.1. lemma  vrouwelijk geslachtsdeel – poes, Tilburg

WBD III.1.1. lemma  vrouwelijk geslachtsdeel – poesje, Tilburg

 

poeske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

katje; aarachtige bloeiwijze van sommige bomen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - dènke ene vètte kaoter te strikke, èn et waar en maoger poeske (D'16)

Cees Robben – ’t poeske aaide langs de neus... (19560609)

WBD III.4.3:128 poeske - wilgenkatje verkleinwoord van 'poes'

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. 'poeske' 1) katje (van wilgebomen en -struiken); 2) wollige pluim v.h. wollegras (dat bij vennen groeit).

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- poeskes zn - katjes van de wilgeboom

 

poetjakker

zelfstandig naamwoord, scheldwoord voor niet-Brabanders

...al wè'k schrijf is vur ons eigen Brabantsche volk en daor hee ginneneene vremde sjandoedel z'n snotneus tusschen te steke. As die vremde poetjakkers 't nie of mar hallef kunnen lezen... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

 

poetje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

slecht verzorgd meisje

Henk van Rijen --  poesje, koosnaam voor vrouw

Henk van Rijen --  'vööl poetje' - viespoes, slordig mens

WBD (III.2.1:497) poetje, poesje, poes, poes poes = roepnaam v.d. kat; ook wies, minneke, mauwtje en toetje

WNT POET (II) 4. als vleinaam: b) gebezigd met betrekking tot een klein kind of een geliefde. Lief aanvallig kind of jong meisje, lieveling. 5. Als benaming voor een lichte vrouw: hoer. Wellicht in deze opvatting onder invloed van spaans 'puta'. 6. Vuil, goor vrouwspersoon.

 

poetje (2)

zelfstandig naamwoord

kinderspel

Van Delft - Een spelletje, welks herkomst van naam Joost weten mag, was "poetje". Het was een gevangenspelletje enkel door jongens gespeeld. Tegen een schuurdeur of stal werd een grooten halven cirkel getrokken. Daar stond de vanger in. Hij mocht tijdens het vangen echter zijn handen die hij samengevouwen dichtgeknepen had, niet los maken. De losloopenden waren vrij in hunne bewegingen. Had de vanger er een met zijn gesloten handen getikt, dan was deze vanger en hij kon vrij mee rond den vanger dollen. Zóó ging het reeds voor zestig jaar en menige school ziet het spelletje herhalen. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- poetje zn - poetje (vangspel)

 

poetzak

zelfstandig naamwoord

Poetzak heeft zeer uiteenlopende betekenissen: bed, poetszak, troetelwoord voor een kind.

Brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965 - archief erven Pierre van Beek

Cees Robben – En ’s aovens moet den heele streup/ al vruug den poetzak in (19650507)

Henk van Rijen --  bed, nl. als bewaarplaats van geld

WNT zak waarin militairen bij de artillerie hun poetsbenodigdheden bergen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - in zene poetsak krèupe (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1965) - in zijn schulp kruipen; naar bed gaan

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - 'Ver achter iemands poetszak liggen' ('70) - veel jonger zijn en daarom de mindere

WNT achter iemand poetszak liggen - jonger zijn, korter in dienst zijn

A.P. de Bont -- putsak, zelfstandig naamwoord  m.'poetzak' - troetelwoord voor een klein kind

 

poffe

werkwoord, zwak

WBD III. 3.1:379 'poffen' ertussenuit knijpen (zonder verlof zijn post

verlaten.)

 

poffer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  Brabantse vrouwenmuts

WBD III.1.3:194 'poffer ' = witte kanten muts met sierkrans

193 'poffer ' = poffermuts

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- 'poffer' zn - poffer, vrouwenmuts

 

pofferol

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:215 'pofferol' = communietaart

 

pòkke

zelfstandig naamwoord

pokken; ziekte

Interview Jolen - 1978 - “De pòkke! Dè wèl! Dè weet ik nòg goed. Dè weet ik nòg hêel goed! Dan wèrde nòg aachternò geroepe… Dènkt eraon hor, die heej de pòkke!! Dè was vruuger Körvels Huukske, Bèrndèèk, Schòpsteeg, Diepestraot, Milstraot, tòt òn, tòt òn, bekaant òn tòt Sint Anna kèrk toe!” (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Audioregistratie 1978 - De pòkkebriefkes, ik hèb et mèn nòg, et pòkkebriefke van den dòkter van pòkke inènte. Ik ha ze op menen èèrem gehad…  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

pòl, pòlleke

zelfstandig naamwoord

hand

Blèèft er meej oew pòllen aaf! - Blijf er met je fikken, jatten,handen af en naa slaode de poltje midde in dè polleke en kikt uit vur mèn polle ... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Mèn pòlleke sloeg iedere keer teegen ene schaawer asser wir êene vurbijkwaam. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)

WBD III.1.1:148 'pollen' = handen, ook: 'poten', 'fikken', 'klauwen', enz. 149 'pollen' = handen (kindernaam)

Lat. pollex - duim (of grote teen)

Javaans 'pol' (verkorting van djempol) = duim

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POL zelfstandig naamwoord m. - hand in de kindertaal. Oe' pollekens zijn koud.

WNT POL (I) - Een andere beteekenis die zich ontwikkeld heeft uit die van 15) 'dikke, ronde massa', is die van poezelig, klein, mollig handje; 16) vervolgens voor hand in het algemeen (uitsl.in Vl. België)

Schu POL - hand, meest kinderhandje

pòl - vgl. sausdèùme

 

pòlleepel

zelfstandig naamwoord

pollepel

WNT -- Een vorm die, naar men wil, door assimilatie is ontstaan uit potlepel (...) Groote houten lepel met een rond blad (lemma pollepel, 1934)

MNW -- zelfstandig naamwoord  m. Pollepel, houten lepel met een langen steel. Het woord kan geassimileerd zijn uit potlepel en zoo wordt het ook reeds verklaard door Plant.potlepel, pollepel oft sleef, cueillier du pot, cochleare magnum, tudicula”, en door Kil.potlepel, pollepel, tudicula, q. d. cochlear ollare, cochlear maius, quo pulmentaria vertuntur commoventurque in olla”.

Uitdrukking

Pierre van Beek -- Wie "soep mee den heiligen pollepel" at, moest zich ook met heel dunne soep tevreden stellen. Het feit, dat de pollepel "geheiligd" was, vergoedde uiteraard, wel iets! (Tilburgse Taalplastiek, 24-6-1964)

Cees Robben - Prent van de week - 24-6-1974

Ed Schilders -- Overigens, die pollepel (in de pan, in de prent aan de muur, in de Prent van de week) is ook niet onbelangrijk. Van Beek vermeldt dat verdunde soep ook wel ‘soep mee den heiligen pollepel’ werd genoemd. Een verklaring voor deze uitdrukking heeft hij niet – behalve dat het een schrale troost was. Ik denk dat het, in het dialect, soep ‘meej den hèllege pòlleepel’ was. ‘Hèllege’ komt van ‘heiligen’, ofwel ‘wijden’. In dit geval is de pollepel echter niet door een priester geheiligd met wijwater, maar door moeder de vrouw met water uit de kraan. (Slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrpel - Aan tafel met Cees Robben - Tilburgs Prentebuukske nr. 9; 2008)

► lewaajsoep

 

pòlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD (Hasselt) lok-/roepnaam van het veulen, waarvoor ook gebruikt worden:

veule, pèrdje, hanske (buiten de Hasselt)

Pierre van Beek -- kinderhandje (variant van 'poeleke')

WBD III.1.1:149 'polletjes','poeletjes' = handen (kindernaam)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POLLEKE zelfstandig naamwoord o. - handje in de kindertaal: oe' pollekens zijn koud

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- 'polleke' zn - handje

Lat. POLLEX = duim, grote teen

 

pölleke

werkwoord, zwak

pulken, peuteren

— pölleke - pöllekte - gepöllekt

Zit nie aaltij in oew neus te pölleke.

Cees Robben – Ons Nölleke zit te bölleke en aon de mik te pölleke. (19730914)
Cees Robben – Gij meut de krintjes nie uit de mik pölleke... (19750516)

Quinten - Zitte wir in oew neus te pölleke om unne polling te vange... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

CiT (31) 'Ge mot nie aon dè bölleke pölleke'

WNT PULKEN (l) - trekken, plukken, peuteren

 

pòllemikske

zelfstandig naamwoord, verkleind

WBD baksel, gemaakt van de laatste deegrest

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POL zelfstandig naamwoord m - klein brood van den overschot deeg gebakken.

WNT POL (I) 1) klein, rond koekje of broodje

 

pòllesjaanke

werkwoord, zwak

kijven, snauwen; de etymologie is niet bekend

Cees Robben – [Ze] lôôpt tegen de kender te pollesjaanke (19650115)

N. Daamen (handschrift 1916) -- "ligt doar nie te palliesjanken (vervelend blijven)"

Witt. - 'wè kunde gij toch pallesjaanke' (herrie maken)

Stadsnieuws - Ze lopt hil den dag teege der kènder te pòllesjaanke - schreeuwen (170107)

 

polletiek

zelfstandig naamwoord

politiek

Henk van Rijen --  'pòlletiek'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'polletiek'

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'politieker' (zn)

 

pòllevieje

zelfstandig naamwoord, plur.

WNT POLLEVIJ - hooge (soms ook: lage) hak van een schoen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij vèègt er zen pòlleviejen òn aaf (D'16) -hij lapt het aan zijn laars

WNT Schuermans: Dat veeg ik aan mijne pollevieën - dat trek ik mij niet aan

N. Daamen (handschrift 1916) -- "pollevieë - hij vaigt er z'n pollevieë an aaf (geeft er den brui van"

 

Palingverkoopster op de markt - Foto: Regionaal Archief Tilburg

pòlling

zelfstandig naamwoord

Europese paling - Anguilla anguilla

1. paling

Meej de kèrmes stòn ooveral pòllingkraome.

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- paoling; gerukte polling

Ik dènk nog òn de tèèd zô´t vruuger was.
Ge naamt dan bosse polling meej nòr hèùs.
Ons moeder ha iets lèkkers op’t fernèùs,
èn sáoves nòr ´n kroeg of ´n tèrras.
(Piet van Beers – ‘Kermis’)

 

Cees Robben –  Daor zwemmen gin vissen en paolingen in,/ Die bisten zijn wel wijzer... (19540515)

Ut knaol was toen nog zò helder, ge kéékt zo naor dun bojum en kont de waoterplaanten die er toen nog groeide, onder waoter op en neer zien bewegen, ok de vissen zaagde zo zwemmen en er wier veul gevist, mar die werden nie net as nau teruggegooid, die baarzen en voorntjes, en ok de polling ging mee naor huis en wier schongemokt en gebakken.
(Elie van Schilt – ‘Ut knaol’ - CuBra)

De kop van Jut stond er, en een oliebollenkraam, en Catoke Vis verkocht er paling: "Hier, dan doe ik er deze dikke nog bij en deze en deze, allé, ’n pond polling vur twee kwartjes".
(Jan Naaijkens – Het dorp van onze jeugd)

Ons Jantje maauwt om olliebolle
Ons Mietje om 'n suikerspin
Ons Wies die vraogt gerukte paoling
Ieder wil z'nen ège zin,
(Lechim – ‘Kermis haauwe’)
 

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…Jaaa…ene mallemeule èn enen hoogaatie èn ene ootooskòtters èn zôo èn dan gebakkraome èn snoep èn nooga, olliebòlle èn, jè, pòllinge èn zôo…” Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

Ik zèg: “Verrèkt” teegen onze Kees, “Der zit ene pòlling! Oôoo, die zulle we ok mar meejneeme!” Kwaame we tèùs, zeej ons moeder: “Wè hèdde gevange?” Zeuve noordsijsjes meej ene pòlling!! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

- Toen zaag ik ook det er kraomkes waren mee paoling, vier in un buske, gedreugde schar, ok vier aon un touwke, zure herring en leverworst in het zuur, ok krabben en kneukels. Alles was centenwerk, un buske paoling of schar, vur un dubbeltje of negen cent als ut wat laoter op de middag werd.
(Elie van Schilt – ‘Ut Hasselts kapelleke’ - CuBra)

Òn alles hèb ik meegedaon
’k hèb ooveral ingezeete.
Kenêelstok sèùkerspin èn friet
Zèlfs pòlling hè’k gegeete.
(Piet van Beers – ‘Tilburgse kermis’)
 

As we dè jaorlukse spektaokel dan hillemol goed han bekeke, kocht ie un pond paoling. Dè waren dan van die dunnekes, zôo dè iederéén der ééne ha. De klenste lagen dan al te bed, die wiese nog nie hoe lekker polling kon zèèn, aanders waar ie nog nie toegekomen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

- ...mar pòlling daor konde vruuger ons Moeder vur wakker maoke. (Nel Timmermans; Gerukte pòlling; CuBra; 200?)

 

WBD III.2.3:75 'paling ' = gerookte panpaling

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord m. 'pooling' - paling

Jan Naaijkens - Dè's Biks -- 'polling' zn – paling

 

2. uit de neus gepeuterd snot

hij pöllekte wèl zonne polling öt zen neus

 

Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie' (zie dat lemma). Afbeelding:  facebook.com/dejaozeetie, 2019.

 

pòltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

paaltje

Dialectenquête 1876 - poltje (doffe korte o)

Dirk Boutkan (blz. 31) pòltje (blz. 51) pòltje

verkleinwoord van 'paol', met vocaalkrimping

 

pommeleej

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) appelschimmel, ook gewoon 'appelschimmel' genoemd of 'geappeld', of (Hasselt) 'gepènningd'

= fr. 'pommelé' = appelgrauwe schimmel

 

pommeraans

zelfstandig naamwoord

pomerans, dopje van leer of vilt een de punt van de keu

Cees Robben --  Ik zal oe is meej et dik ènd van mene keu óp oewe pómmeraans timmere. Frans Verbunt -- iemes op zene pommeraans timmere - op zijn kop geven

vDale POMERANS (uit het Hd), bet. als boven

 

pomp

zelfstandig naamwoord

pomp

Frans Verbunt -- êene slag meej de pomp gift vur tien man saus

 

pompe

werkwoord, zwak

pompen

Dirk Boutkan (blz. 27) uit het cluster mpt wordt de p steeds verzwegen: pomt, pomte, gepomt

WBD III 4,2:167 lemma Pompen van de meikever - Het herhaalde malen met de vleugels bewegen voordat een meikever opvliegt.
tellen – Tilburg
mulderen – Tilburg
pompen – Tîlburg
 

pomphoore

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen --  roerdomp (Botaurus stellaris)

WBD III.4.1:227 'pomphoorn','oomphoorn' - roerdomp (Botaurus stellaris), ook 'domphoorn'

 

pomstêen

zelfstandig naamwoord

stenen bak onder een pomp

Dirk Boutkan (blz. 27) uit cluster mps wordt de p verzwegen.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - POMPSTEEN (in 't Z en W poempsteen) zelfstandig naamwoord m.= watersteen, groote vierkante arduinen steen onder de pomp, waar men het keukengerief op afwascht.

 

pömstêen

zelfstandig naamwoord

puimsteen

 

pomstesjon

zelfstandig naamwoord

pompstation

Dirk Boutkan (blz. 28) uit cluster mpst wordt de p verzwegen

 

pon

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:63 'pon' = jurk; ook: 'japon', 'jurk'

 

pond

zelfstandig naamwoord

gewicht van 470,5 gram

(in Tilburg gangbaar vóór de invoering v.h. Ned. Metriek Stelsel,1820) zie: Verhoeff

 

ponnie

zelfstandig naamwoord

pony, hit, klein paard van het Shetlandras (Hitland)

WTT-2012: de aanduiding is overgegaan naar 'dienstmeid', met name de zogenaamde 'daghitjes' (1880-1940) die met lichtere taken belast waren in een huishouden en die op basis van afroep in dagdienst genomen werden.

...ze waar erten aon et zaaien mee Leentje, et ponnieke. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939)
In de keuken van de pastorie zaat Hanna mee de ponnie 't aovondgebed te bidden... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939)
De huishoudster - de oudere zuster van den pastoor - zaat mee de ponnie in de keuken kousen te stoppen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)
Ze stuurde de ponnie gaaw naor bed... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)

Vergelijk: Daor isse trouwes nie lang gewist, as daghitje, hôogèùt un paor maonde. Die nonnen waren van penning zestien. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD 'pónnie', 'poonie', (Hasselt:) pónnie; ook 'hit'

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge kunt ginne pónnie spanne vur en koolekèèr (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1965) - je moet iemand niet te zwaar belasten

 

pontefiekaol

bn/bw

R op z'n paasbest

R Ter eere van wèlken hèllege ziede gij der zó pontefiekaol èùt?

 

ponteneur

zelfstandig naamwoord

- Een mens heeft nou eenmaal z'n ponteneur. - Dit is "point d'honneur", eergevoel. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’)

Henk van Rijen --  iemand die op zijn eer gesteld is

Frans Verbunt -- standpunt

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - PONDENEUR - Verbastering van Fr. point d'honneur. Hij houdt 'em op zijne' pondeneur.

Hees ponteneur (I:15)

WNT PONTENEUR, in Vl. België PONDENEUR, verbastering v. fr. point d'honneur - eig. datgene wat de eer raakt, en vervolgens: eer, eergevoel

 

Pontius Pilatus
eigennaam
Wikipedia - Pontius Pilatus was van 26 - 36 na Chr. de 5e praefectus van Judea, de belangrijkste provincie van het toenmalige Palestina dat toen onderdeel was van het Romeinse Rijk. Hij was afkomstig uit het oude geslacht van de Pontii. Hij wordt in het Nieuwe Testament en de Apostolische geloofsbelijdenis genoemd als degene die Jezus van Nazareth liet kruisigen.
Cees Robben gebruikt Pontius Pilatus in een merkwaardige context:
Cees Robben – ..Lewieke heurt nie in ’t irste elftal [voetbal] thuis... Nèè.. Hij isser wir tussen geschoven net as Pontius Pilatus in den Credo... (19680112)
De verklaring van dit gezegde is waarschijnlijk een ‘wilde vesper’, ofwel de verbastering van een Latijnse tekst die door het gewone kerkvolk niet verstaan werd, en waaraan bijgevolg een eigen betekenis gegeven werd. In dit geval betreft het het gezang ‘Credo’, de gezongen geloofsbelijdenis, waarin Pontius Pilatus vernoemd wordt met de toevoeging "Hoc est corpus" ("Dit is het lichaam") in de volksmond verbasterd tot "hocus pocus pilatus pas". Dat Lewieke dus toch in het ‘irste’ mag voetballen is een kwestie van gegoochel, zo niet van tovenarij.
 

pôoj

zelfstandig naamwoord, meervoud van 'pôot'

Henk van Rijen --  poten, voeten

 

pôoje
werkwoord, zwak; meestal gebruikt als ‘em pooje’
er van door gaan
Cees Robben – Hij pooide ‘m al vur dekkem aon zunne start kos zitten... (19650402)
Cees Robben – Pooit ‘m naa mar vur detjoe bij oew lörve vat.. (19780811)

De Wijs  -- “As gij blomme plukt bij de pastoor, mottùm op tèd pooien.” (15-06-1963)

Henk van Rijen --  'Toen ie de waawt zaag, pôojden ie um'

WBD III.1.2:130 'hem poten' = op de loop gaan (hem pooien)

 

pooke