INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Wil Sterenborg

Van raamp tot ruuzing

raamp

zelfstandig naamwoord

ramp

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 20) raamp naast ramp

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - ramp (blz. 12)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAMP znw.v - opklim, oprij: een tamelijk breede weg, langs waar men uit de diepte van een werk grond naar boven vervoert.

 

raand, rndje

zelfstandig naamwoord

rand

Cees Robben Aon de raand van de stad/ Leej unne zaanderige pad (19580222)

Hij reej op zen wit schimmeltje/ hog op de raand vant dak. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Hij haaw et vur gezien )

Piet van Beers n Natte vekaansie: W busse meej voeier, gevuld tot ' t rndje. (t lfde buukske, 2010)

WBD III.4.4:229 'rand' = omtrek

Bosch rand - afgesneden kanten van ontbijtkoek (werd los verkocht)

 

raandbaaj (raandbaoj ?)
zelfstandig naamwoord - product (?) geweven als baai - het deel 'raand' is niet verklaard

Gerard van Leijborgh - "Er zijn" zoo antwoordde hij, voor Tilburg werkelijk drukke tijden geweest, dat was bijv. in den tijd van de randbaai en de vrieskes. Toen was het voor den wever een goede tijd en vele eigen" huizen stammen uit dien tijd. Het heele huishouden werkte dan mede... (De laatste Tilburgsche huiswever 3, Nieuwe Tilburgsche Courant, 16-11-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)
baaj

 

raande

werkwoord, zwak

randen, eenmaal overslaan wat te doen gebruikelijk is: Op zondag et lf raande

Van Delft - - "De kip raant, omdat ze muit" of de kip legt niet regelmatig eieren omdat zij ruit.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD (Hasselt) een dag overslaan bij het leggen (door een kip)

Henk van Rijen - randen, overslaan, erlangs lopen, de meet passeren

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Stelling IV: Hasseltsch raane

WNT: RANDEN (I) 5. nalaten wat men gewoon is te doen.

Gewestelijk in Z.-Ndl. in de vorm 'randen' of 'ranen' Kiliaen -

Kiliaen - (1599): Supersedere opere, omittere institutum opus.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RANDEN, RANNEN - overslaan, verzuimen, achterlaten wat men gewoon is te doen; uitvallen, toevaren, toeblaffen, sprekend v. honden

 

raank

zelfstandig naamwoord

rank; stengel met bladeren, bloemen etc.; 'rangel'

WBD III.1.1:20 'rank', 'rankel' = slank, tenger

WBD III.4.3:39 'rank' = idem (stengel), ook 'rangel'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RANK znw. m+v. - de slanke stengel van erwten, boonen, hop, winde enz Naam die men geeft aan verschillende planten, zooals de haagwinde.

 

raankel

bijvoeglijk naamwoord

PM rank

Cees Robben l en raankel goed... (19590228)

D16 "raankel - ze is nog raankel (slank) - Verwacht nog geen kindje"

WBD III.1.1:20 'rankel', 'rank* = slank, tenger

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RANK bvw. - licht van lijf en leden, van menschen en dieren gezeid.

 

raanzeg, rnzeg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - ranzig

WBD III.2.3:31 'ranzig' = rins, ook 'zuursig'

WNT RANZIG - hetzelfde als RANS: van vetten en olin die zuurstof uit de lucht hebben opgenomen en waarin dientengevolge vluchtige vetzuren zijn vrijgemaakt.

 

raas, raaze

bijvoeglijk naamwoord

Dirk Boutkan (1996) - 'ra:s' - roze (blz. 3)

 

raaw, rauw

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

M ruw, rauw, rouw

Henk van Rijen - onzindelijk

Henk van Rijen - tis amml zo ten raawste op - we zijn bijna door de voorraad heen

Henk van Rijen - tis goej vlk, mar raaw - het is goed volk, maar ruw

Henk van Rijen - te raawste - ongeveer (globaa)

Frans Verbunt - raawe melk - ongekookte melk

Frans Verbunt - raaw ketier - slordig huishouden

WBD III.1.4:150 'ruw' = slordig

WBD III.4.4:44 'rouw weer = slecht weer

WBD III.4.4:94 'rouw vriezen' = rijpen; ook 'vorsten'

WBD III.4.4:243 'rouw' = ruig

WBD III.4.4:11 'rouwe lucht' = onstuimige lucht

 

Raawbraoke, Rjbraoke

toponiem

Goedgetld -  Rauwbraken, gebied tussen Tilburg en Enschot

 

raawdaaw

zelfstandig naamwoord

Goedgetld -  ruw, lomp persoon

 

Ruwen van de wol in de 18de eeuw

raawe

werkwoord, zwak

WBD raawe (II:l056) -rouwen (nabewerking v.h. weefsel): ook:

Henk van Rijen - rouwen, ruwen

WBD III.4.4:317 'rouwen' = vezelen

Dirk Boutkan (1996) - (blz.25) 'rawe' = raawe (rouwen)

 

raaweghd

zelfstandig naamwoord

Goedgetld -  ruwheid, ongemanierdheid, ruigte, wildgroei

 

raawenes

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - wildernis

WNT ROUWENIS (II) - van 'rouw (II)' naast ruw - in Z-Ned.: l) "Ruigte der bosschen ... en allerlei wilde gewassen"; 2) allerlei afval van hout, stroo, onkruid enz. = 'rouwage' - ruigte

 

raawmoejeg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - berouwvol

WNT ROUWMOEDIG - berouwvol

 

raawstroj

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - stro (resp. bed) waarop iemand gestorven is

 

raaze, raas

bijvoeglijk naamwoord

rose

 

rad

zelfstandig naamwoord

rad, wiel

R het rad van Sinte Ketrien - huidziekte die men bij het melken van koeien kon oplopen; openbaarde zich in een kringetje van zweertjes. Ter genezing gingen de boeren hiervoor naar Oosterhout, naar het Catharina-klooster, om er een noveen te houden.

Heilige Catharina van Alexandri- beeld aan de begraafplaats Binnenstad, Tilburg. Het rad is het symbool van haar marteldood. Onder: devotieprentje.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - rad (krt.32)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAD znw.o. -wiel; mrv. ra(d)er, raaier; vklw. raaiken

 

radske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD III.2.3:109 'radijsje' = radijs

Piet van Beers --

De bome stn volop in bloej
as 't naa mar nie gao vrieze
want aanders zulle we dees jaor
nog hil w frt verlieze.

Tnbone, kele n rads
die kunne der wl teege
Mar... 't blommezaod in munnen bak
zit nie om vrst verleege. (CuBra)

 

rajls

zelfstandig naamwoord

rails (van tram)

Interview Hermans - 1978 - Piusplein oover n zoo ging hij door de Varkensmarkt, Trouwlaon, Korvel, Korvelseweg en op de Korvelseweg daor laggie midden op de wg, de rajls, n zoo is hij van Korvel, war, is hij door Goirle gegaon n naast ouwe krk St. Jan, d was vroeger en ouw verpleeghs, warn bij Den Hemel kwam ie pas op de groote wg nr Hilvaarenbeek!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

rak

zelfstandig naamwoord

Cees Robben Zde wir op rak, Merie... Jao, ik moet wir en hrt op... (19640320)
Cees Robben Is oew vrouw thuis, Tinus..? Thuis.. Die straotmus is wir op rak... (19830708)
Cees Robben Ons Nelleke is wir op rak... (19860321)

Frans Verbunt - op rak zn - op stap zijn

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RAK: 't rak hebben = neiging hebben om te rakken, jagen, stouwen; toegeven aan onweerstaanbare ramscheuten en schoeren? ook wel gebruikt voor andere vormen van onrust dan die welke betrekking hebben op de snelle voltooiing van het werk, b.v. erotische verlangens: 'hij is op rak'.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
rak, znw. m. - rak, de daad van rakken: 'op (z'ne) rak gaon' - gaan rakken

WNT RAGGEN l) wild heen en weer loopen, stoeien; 2) een heen-en-weer-schuivende beweging maken.

 

rakke

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - ravotten, rondzwerven

WBD III.1.2:121 'rakken' = slenteren, ronddolen; ook 'bollin'

WNT RAGGEN - l) wild heen en weer loopen, stoeien; ook gezegd van tochtige dieren; 2) een heen-en-weer-schuivende beweging maken

 

ram

zelfstandig naamwoord

WBD mannelijk schaap, ook ram, ram, 'raam' of 'bk' genoemd

WBD III.4.2:62 ram - mannelijke haas

WBD III.2.1:511 ram, rammelaar = rammelaar, mannelijk konijn

 

rammel

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek dartele, uitgelaten, jongensachtige vrouw of meisje

Pierre van Beek - wilde rammel - idem

Henk van Rijen - 'Z waar vruuger ngal unne wilde rammel'

Stadsnieuws D meens waar me tch en blkke rammel - ... een druk type. (200510)

WBD III.1.2:45 'rammel' = pak slaag; ook: 'slaag, aframmeling, priegel' WBD III.1.2:45 'aframmeling' idem

De A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
RAMMEL meisje (vrouw) dat (die) luidruchtig en wild te werk gaat

WNT RAMMEL I, 2) persoon die 'rammelt', altijd door praat.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAMMEL znw. v.- rammelaarster, babbelaarster

RAMMELKONT znw. v. - rammelaarster, wauwelaarster

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rammel zelfstandig naamwoord - luidruchtige vrouw WNT RAMMEL l) voorwerp dat rammelt; 2) persoon die rammelt, d.w.z. altijd door praat; 2) resultaat van rammelen: gebabbel, slaag

 

rammelr

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt - rammelaar (kinderspeelgoedje); ram, mannelijk konijn

WBD III.3.2:134 'rammelaar'= idem, ook 'rammeltje' of 'rammel'

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rammelr zelfstandig naamwoord - rammel van een kind; mannelijk konijn, ram

 

rammenasse

werkwoord, zwak

ramassen, door elkaar schudden

WNT RAMMENASSEN zie RAMASSEN, dit laatste uit Maleis 'ramas' = kneden. 1) in de oorspr. techn. bet.: masseeren op de bij de inwoners van Oost-Indi gebruikelijke wijze; 2) als gevoelswoord met vervaagde bet.: gewestelijk, en gewoonlijk vergezegd van ('door elkander') werpen, -rammelen. In het bargoens ook: ranselen, vechten.

 

ramscheut

zelfstandig naamwoord, mannelijk
uit rame, raam van een weefgetouw, en schot, het schieten met de weefspoel
- uitspraakvarianten: raomscheut, roamscheut, rmpscheut, rmscheut, romscheut.
- alleen in de uitdrukking: ene ramscheut neeme: een snelle beweging maken, lichamelijk een zeer snelle actie uitvoeren. Bijvoorbeeld om ergens heel snel van weg of naartoe te lopen.
R meej ne ramscheut - met n snelle beweging
N. Daamen (1916) - roamscheut - op eens naam ie ne roamscheut (een aanloop).
Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - et hundje naam ne rmpscheut; 'hij nam 'nen rompscheut'
Piet Heerkens - in het gedicht De deur van de kerk van Baokel, waarin de al wat oudere Jantje Doomen over een sloot moet springen: Toen is d Jantje Doomen/ () veur ne sloot gekomen;/ hij naam ne raomscheut, sprong,/ hij waar no nie verslete! (1941)

Jantje Doomen; Tekening: Tijs Doorenbosch in de bundel Vertesselkes van Piet Heerkens - 1941
Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ene rmscheut neeme (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - ergens plotseling op afvliegen; met vaart weglopen. (Bij het melken komt de melk met scheuten of stralen uit de spenen.)
Frans Verbunt - ramscheut/ rmscheut - snelle start
Sjef Paijmans - Fokkie [de hond] werd nu voor zijn voerbak gecommandeerd. Hij keek naar de spiegel die hij daar nog nooit had gezien. Een woedend gegrom kwam uit zijn keel en omdat de spiegel schuin tegen de muur stond schoot hij met een nijdige grauw naar de achterzijde. Maar daar was niets te zien. Met de nekharen nog overeind kwam hij weer enigszins gerustgesteld naar zijn bak terug. Maar daar was die vermeende rivaal weer. Weer een dreigend gegrom, diep uit zijn keel en weer in een ramscheut achter die spiegel. (CuBra; 2001)
Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - En welke echte Tilburger heeft niet ooit gehoord: hij nam ne rmscheut (en had bv. de vlegel te pakken). De betekenis van rmscheut nemen is: ergens plotseling agressief op afvliegen, al kan het ook wel: met vaart weglopen inhouden. In t Middelnederlands kennen we het woord raemscheute in de betekenis van wakkere uitval. Verder: een raemschot, dat een op goed geluk gemikt schot inhoudt. (TTP 14-10-1971)
Cees Robben [een kippenboer, die tot zijn verwondering ziet hoe een van zijn kippen een enorm ei heeft gelegd van wel anderhalf ons, haalt dat ei pijlsnel uit]: Tiest Vermeeren naamp unne raomscheut (28-4-1956)
C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RAMSCHEUT: plotselinge van binnenuit komende voorwaartse beweging, onverwacht actief optreden van voor lui of beschouwelijk gehouden personen: 'mee 'ne ramscheut'. De afleiding is wsch. interessant, maar mij onbekend. Mogelijk is 'ram' een verbastering van 'romp'... Z.a.
Hees ne raom neme (III:53)
Haor RAMSCHEUT - plotselinge, onverwachte actie
Etymologie
Ed Schilders Van Aajkes tt Zaandkl (2012) - Een van de betekenissen die het WNT voor rame geeft, is: een rame van wevene. Dat betekende zoveel als weefraam, weefgetouw (het oudste citaat komt voor in een akte uit Brugge, in 1294) (...) Het Middelnederlandsch Handwoordenboek van Verdam (...): span-, droog-, lakenraam. (...) Als vijfde betekenis van scheut las ik in het WNT: Keer dat de schietspoel door de schering wordt geworpen. Ook hier dus een term uit de handweverij, namelijk het schieten van de spoel, dat zo vaak in weversliedjes bezongen is. Het WNT geeft een voorbeeld uit een Haarlemse akte uit 1749 en zegt: Thans nog gewestelijk in Zuid-Nederland.
 

Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

 

ramspoed

zelfstandig naamwoord

rampspoed 

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 27) mps > ms ramspoed

 

rangel

zelfstandig naamwoord

stengel met bladeren, bloemen etc; rank, tak, 'raank'

WBD III.4.3:40 rangel - rank, onstevige stengel; ook: rank, rang, rand, stengel, tak

WBD III.4.3:77 rangel - tak (alg.) ook knoest genoemd

 

raod

zelfstandig naamwoord

raad, advies gemeenteraad

MP gez. Goeje praot kost niks en goeje raod is gld wrd.

Cees Robben - Prent van de Week - Hij wies ginne raod; agge meej oewen rmoej ginne raod wit;

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
ro.t, znw. m. 'rood' - raad; gemeenteraad; znw. vr. 'root'- (honing)raat.

 

raodslid, rdslid

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - 'raotslit, raotsleeje' - raadslid

 

raoje

werkwoord, zwak

raden; adviseren, aanraden

raoje - raojde - geraoje

Geen vocaalkrimping

- Daamen Handschrift (1916) - "ds woar juffrouw, d roaide (daar heb je gelijk aan)"

- Daamen Handschrift (1916) - "roaie - d roaide (daar heb je gelijk aan)"

- Piet Heerkens; uit Vertesselkes, Hannes Kaokel, van Baokel, 1944:

Mar j, ge moet op pad, m'ne man,

en ik raoi oe dees ten goeie:

ge neemt et dikke Rooike mee,

de vetste van ons koeie

- Cees Robben Mar toch zokkoe wille raoje... (19591003)
- Cees Robben unne ge-geraaide meens valt k nie te raoije... (19680320)
- Cees Robben Ge bent unne ge-geraaide meens en ge wilt nie geraoje zn... (19660729)

- Lechim - Mar Nilles is w gews/ al ist dan ginne kaoje,/ Hij heej den aord nr hullieje paa/ die is ok nie te raoje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D gaaf den durslag...)

Frans Verbunt - ds oe geraoje - dat zou ik maar doen

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - raoje ww - raden; d's oe geraoje-n-k!

uitdrukking

- Henk van Rijen - raoje, raoje pliesiept - zoek het maar uit.

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - raoje-raoje-pliesiept = Ad van Puijenbroek (blz.64)

- Raojen n daoje - Raden (raadgeven) en daden (doen). - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Gij z nog al sneu, Trien, help me nou is raoijen en daoijen.

 

raojer

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen - wielen, raderen

 

raojmaoker

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - radmaker, wielenmaker

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - raojmaoker zelfstandig naamwoord - radmaker

 

raok

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

raak

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
r.k, bijvoeglijk naamwoord en bijw. 'raok' - raak: ''t Is wl raok m d'appel deis joor!'

 

Hij fiedelde zoo-mar-ongeveer

tennaoste-bij w raok

Piet Heerkens

Toe, kender, ravot er mar raok in ons waai

Leo Heerkens

Stamp en stoot mar raok, mesjientje

Piet Heerkens

Pultjes, rtjes, kappesners,

boeretene, genhmers.

Krotjes, bontjes van de staok.

lke week is t wir raok.

Piet van Beers

Ik z ginne Vondel

'k Rommel mar raok

Mar aaventoe heur ik:

t valt in de smaok.

Lechim

Is aaltij Brabants, sappig raok

Lechim

Toen krp ik mee ons Wies te bed

D was k al nie raok

Ze zee: Meens laot me toch mee rust

Gin kaans vendaog, ik staok.

Lechim

Dus wij op enen dag op stap

n kwaamen bij en zaok,

waor zer wl honderd hadde staon,

et was meteen dus raok.

Henritte Vunderink

raoke

werkwoord, zwak

raken, geraken

WBD (Hasselt) van de lg raoke - van de leg afraken (van een kip)

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) raoke - gij/hij rkt

WBD III.4.4:201 'raken' = grenzen; OOK: 'aansluiten', 'aanliggen'

- raoke - rkte - gerkt, met vocaalkrimping; (Dirk Boutkan (1996) - 41)

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rkt

B noteert in alle vormen de lange vocaal!

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. - raken: 1) toebehoren (aan): Da perceel rakt aan hum'; 2) familie zijn van, verwant zijn met; Da rakt er nog aan' -Dat is er nog familie van.

 

raokel

zelfstandig naamwoord

WBD rakelijzer (werktuig, meestal van ijzer, om het vuur in een oven te verspreiden)

WBD omgebogen ijzer waarmee een oven wordt leeggehaald

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAKELIJZER znw. o. - ijzer om den oven te rakelen Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAKELSTOK znw. m. -lange stok om den oven te rakelen.

WNT RAKEL (II) - verkorting uit 'rakelstok': gebruikelijk bij de bakkers om koolen en hout in den oven te roeren.

 

raokele

werkwoord, zwak

WBD rakelen, oppoken (van het vuur in een oven)

WBD traokele - houtskool uit een oven verwijderen

raokele - raokelde - geraokeld (geen vocaalkrimping)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. + intr. - rakelen, met behulp van een lange stok de gloeiende houtskolen in de oven omroeren.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAKELEN - met het rakelijzer de gloeiende kolen in den oven omroeren.

WNT RAKELEN - 2) met een stok of gaffel het vuur in een haard of oven omroeren

 

raom, rmke

zelfstandig naamwoord, vaak vrouwelijk in plaats van onzijdig

raam, venster, ruiten

- Die zit aaltij vur de raom

- Dirk Boutkan (1996) - 'Doe irst de raom is dicht.' (blz. 96) - Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - raom - rumke (u van 'mulder' = mlder)

- Cees Robben - Prent van de Week - Swls zm ik de raome

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - As vruuger ne meens dod was, dan stond dieje meens, die stond in hs in en kiest n dan stond ie vur et raom n dan kosse de meense van bten et raom, koste, koste gij nr den doje stn te kke! Klik hier om dit bestand te beluisteren

- En dan gong ie zo vur de raom staon [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- n diejen pstoet die zie ik vanges, assie toevallig langs de raom komt. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

Elders

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. vr. 'raom' - raam

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAAM znw. v. en niet o.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - raom zelfstandig naamwoord - raam; 'doe de raom dicht'

ambachtelijke toepassingen

WBD driehoekig raam om de nek van een kalf, ook genoemd 'rmke' of 'juk'

WBD lmraom - lijmraam, raam van latten of gaas, waarop het lijmvlees te drogen wordt gelegd (II 611)

WBD p raom spanne - opspannen van leer op een raam of bord om het te laten drogen (II 641)

WBD raom - opspanraam voor leer (II 641)

WBD klsseraom (II:992) - scheerrek (voor scheerklossen)

WBD schrraom, schirraom

(II:994) - scheerraam, grote haspel; ook: schr-meule, haspelmeule of schrkron genoemd

 

Het ramen van het weefsel; 18de eeuw

raome

werkwoord, zwak

WBD (van een merrie) met de benen zwaaien en bewegen tijdens het werpen, ook genoemd 'slaon'

WBD raome (II:1056) - ramen: het goed door spanning zijn juiste maat geven

raome - rmde - germd

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: rmt

 

raomscheut

opvliegende aanloop; afgeleid van raam als raam van een weefgetouw en het schot, de snelle beweging van de weefspoel door het raam
Cees Robben Tiest Vermeeren naamp unne raomscheut... (19560428)

► ramscheut

 

raop, rpke

zelfstandig naamwoord

raap, knolraap

MP gez. Et gao meej de raope de pt in. (Slordig huishouden)

Cees Robben - Prent van de Week - rcht vur zene raop;

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.vr. 'raop' - raap l) knolvrucht; 2) schertsende benaming voor een dik, ouderwets horloge; 3) platte benaming voor hoofd / kop.

 

raope

werkwoord, zwak

rapen 

WBD (Hasselt) - eieren uit de nesten (van kippen) halen

B raope - rpte - gerpt

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij rpt

 

raopelangske

zelfstandig naamwoord

Van Beek - "Het is een rapelangske" zei een moeder duidende op een kind, dat in het gezin rond liep en in verhouding tot de anderen erg jong was. Zij bedoelde er mee, dat het een kind was van haar ongehuwde dochter (rapeling is afgevallen fruit). (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

 

raopkoek, rpkoek

zelfstandig naamwoord

geperste (vee)voederkoek, pak slaag

WBD III.1.2:47 'raapkoek' = pak slaag; ook: 'rammel, priegel, oplawaai' enz

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAAPBROOD znw.o. - raapkoek

WNT RAAPKOEK - tot veevoeder bestemde koek, gevormd uit de resten van raap- of koolzaad nadat de olie er uitgeperst is.

 

raopollie

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt - raapolie (in den lliemeule geperst t kolzaod)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'raopllie' zelfstandig naamwoord - raapolie

 

raopstiltjes

zelfstandig naamwoord, plur.

raapsteeltjes

Dirk Boutkan (1996) - (blz.33) raopstiltjes (geen klinkerverkorting)

 

raopzaod

zelfstandig naamwoord

knolraapzaad 

WBD I:1429 'raopzaot'

 

raoskaole

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - raaskallen, onzin vertellen 

WBD III.1.2:221 'raaskallen' = ijlen

WNT RAASKALLEN - l) onzin praten, malen, leuteren; 2) ijlen

 

raot

zn

WBD III.4.2:136 'raat' - honingraat, ook 'graat' genoemd

 

raotele

werkwoord, zwak

ratelen

Cees Robben - Prent van de Week - raotelend meej veul bravoer; veul geraotel;

WBD III.4.4:248 'ratelen' = rammelen

raotele - raotelde - geraoteld (geen vocaalkrimping)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RATELEN - reutelen, den doodsreutel hebben

 

raovesbl

zelfstandig naamwoord

ook: raogerbl raogesbl,

ragebol, raagbol

1. borstel op een lange stok om hoger gelegen delen van het huis te kunnen schoonmaken

Jan Luyken

Henk van Rijen - raovesbl c.q. grote steek

DANB raovesbl

Henk van Rijen - 'raobe(r)sbl'

Frans Verbunt - raogesbl, raoversbl, raovesbl

Dirk Boutkan (1996) - raovesbol (blz. 95)

WBD (III.2.1:320) 'raovesbl, raoverskp, raobesbl' = ragebol, 'raagbol'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Par. 225a (blz. 175) is m.b.t. 'ragebol' onvolledig.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. (weinig gebr.) 'raafbol' - ragebol

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'raoversbol' zelfstandig naamwoord - ragebol

WNT RAAGBOL (vrijwel geheel verdrongen door RAGEBOL) bep. borstel, z.a.

RAAGBORSTEL, ook vervormd tot RAAFBORSTEL, sinds Halma (1710) in de woordenboeken; ook: raag-, raafstok.

2. in overdrachtelijke zin: het hoofdhaar, al dan niet gelijkend op 1

...mee zoo'n lange haoren en zoo'n flabberboks om z'n beene en zoo'n pereplu van 'nen hoed op z'nen raogersbol!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Heure pluusen hoed, op durre raoversbol... (Tony Ansems, Heure pluusen hoed; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

 

raoze

werkwoord, zwak

razen

M roaze

Cees Robben ... Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ D paast nie in deez dure tijen! (19541127)

WBD III.1.4:230 'razend' = razend van woede; 236 'razen' = opspelen

WBD III.4.4:429 'razen'= bulderen

- raoze - raosde - geraosd

- geen vocaalkrimping

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.intr. - razen

 

raoze
bijvoeglijk naamwoord, de kleur roze

De vlinderstrk, meej raoze bloeme, bloejt. (Henritte Vunderink, Zoomer, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

rap

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

rap, vlug

Henk van Rijen - schrander, pienter

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge zt nt z rap on Paosen as ikke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - gezegd tegen iemand die wat hard van stapel dreigt te lopen

Frans Verbunt - zo rap as en strontvlieg meej ene vleugel

WBD III.1.2:259 'aan de rappe zijn' = diarree hebben

WBD III.1.4:147 'rap' = handig

 

rappe

zelfstandig naamwoord

in de uitdrukking 'aan de rappe'; aan de diarrhee

Piet van Beers In spinaozie zit ijzer.... zegge ze: Agge er veul van it, goadde gruun aaf en raokte aon de rappe. (With Love; 1982-1987)

 

rapplezaant

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - plaatsvervanger

- verbastering van fr. 'remplaant'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.vr. 'rapplesant' - remplaant, (vroeger) plaatsvervanger in de krijgsdienst.

 

rat

zelfstandig naamwoord

rat 

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - muizen en roate (meestal: muis en roate)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RAT znw.v. (in sommige streken o.) Fr. rat

 

rats

zelfstandig naamwoord

WNT: Rats I; vgl.: In de rats zitten.

WBD III.1.2:260 'aan de rats zijn' = diarree hebben 

WBD III.1.4:405 'ratsen' = iemand op de zenuwen werken

 

rattestrt

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:340 rattestrt - heermoes (Equisetum arvense) ook wel 'paardenstaart' genoemd

 

ratienee

zelfstandig naamwoord - (textiel)

WBD - J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij ratin of perl" (zie ook Van Dale bij ratin"): Dubbelweefsel, waarbij kleinere of grootere noppen op de stof zijn gemaakt, door middel van ratineeren (zie aldaar). Zie ook wellin" Bij ratineeren" zegt J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) : Apprtuurvorm, waarbij geruwde wollen weefsels onder druk gewreven worden met pluche overtrokken platen, zoodat het weefsel een krullend haardek krijgt." Van Dale zegt bij ratineren": Een stof van nopjes voorzien, tot ratin maken". Verder noemt Van Dale nog de ratineermachine" en de ratineerrnolen".
rattin (fr.): het type ratien K 183 (= Tilburg) [korte ie].

- Henk van Rijswijk - Ratin: een zware wollen strijkgaren stof waarbij het typische ratin-effect wordt bereikt door de stof te ruwen en het daardoor ontstane haardek op een ratineermachine tot kleine nopjes te wrijven. Geweven in 4 schachts gelijkzijdige keper soms verzwaard met onderinslag. Wordt ook uitgevoerd als dubbelweefsel voor de extra zware kwaliteit. Gebruikt voor jassen en mantels.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954)

henkvanrijswijk/textielschool.htm

 

rauw, raaw

bijvoeglijk naamwoord

ruw, onzindelijk

Tis goej vlk, mar rauw

Te rauwste - ongeveer, globaal

WBD III.3.1:223 'ruw, rouw', 'lomp, boers' = ruw

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TROUW(E)STE (traawste) bijvoeglijk naamwoord - in grote trekken, bijna. Wsch. is het woord ontstaan uit 'te ruwste' en betekent het letterlijk 'grosso modo'.

WNT vermeldt de uitdr. 'uit den rouwe' - onafgewerkt, niet precies. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord 'rouw', ruw, ruig

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rauw bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord - ruw, ruig

 

razzeldazzel

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - denigrerende volkse benaming voor een Tilburgse dancing in de twintiger jaren (Tilburgse Taalplastiek 186)

Lees meer over razzeldazzel

 

rebat

zelfstandig naamwoord

rabat, sponning

Frans Verbunt - model: 'et schiet t zene rubbat'

Hees. RABBAT 'sponning' (VII:59)

WNT RABAT D) Beteekenissen die afgeleid zijn uit "inspringing", terugwijkend gedeelte van een muur enz. Reeds in het ofr. en mnl. l) Groef in een stuk timmerhout, sponning ... 'Het rabat is ontsteld' = waarschijnlijk: de sponning waarmee twee stukken hout ineensluiten, is kapot.

 

rchs, rchs

bijvoeglijk naamwoord

WBD rchse kaant (II:911) rechtse kant = bovenkant v.h. weefsel

 

rchtbank

zelfstandig naamwoord

PM aanrecht

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rekbank - aanrecht (brab., wnbr.); rechtbank- 'aanrecht' Hees rechtbank (III:9)

 

rchttoevoort

Bijwoord

Samentrekking van rechttoe + voor(ui)t.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): lk weet er labendig  regttoevoort  geenen raod toe. Daar geannoteerd als: Om ronduit te spreken.

- De Bont bijwoord rechttoevort, eerlijk, oprecht.

 

rchtvrdeg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

rechtvaardig

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'rechtvrdig'

Henk van Rijen - 'rchtvrdeg'

CiT (98) 'Onrechvrighei komt te bute'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RECHTVRDIG bvw. - rechtvaardig; Rechtvrdig haar - sluik haar.

 

rchs, rchs

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord 

rechts

Cees Robben - Prent van de Week - Agge naa giender rchs nhaawt; haawe we naaw links f rchs aon? Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - rchs en links ( = als in gte - geiten)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord en bijw. - rechts

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RECHS(CH) - rechts

 

rcht

zelfstandig naamwoord

recht

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - p zen rcht staon as nen boer p zen klmpe (Handschrift Damen 1916) - spr.w. vergel.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RECHT znw.o., Fr. droit

 

rcht

bijvoeglijk naamwoord

recht, vlak

ene rchten kker = een vlakke akker rcht toe vrt - rechtuit.

WBD rcht - goed uit de weg kunnend, niet kreupel zijnd (v.e.paard), ook genoemd: 'rap', 'rad' of (Hasselt) 'vlt'

Cees Robben Ik koom rcht van den berrebier... (19861031)

gez. Rcht is rcht, zi Schefhals

WBD III.1.4:301 'rechttoe-rechtaan' = eerlijk

WBD III.4.4: 'recht' = rechtopstaand, ook: 'ferm', 'fluks', 'steil' (203)

III.4.4:204 'rechtop', 'recht omhoog' = rechtopstaand III.4.4:228 'recht' = vlak, ook 'effen', 'egaal', 'plat' III.2.3:290 'recht op en neer' = helemaal rechte sigaar

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord en bijw. 'raecht' - recht

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rcht bijvoeglijk naamwoord, bw - rechtuit, meteen

 

rchtendeur

bijwoord

Henk van Rijen - rechtdoor

 

rchtevort
bijwoord
rechtsreeks, regelrecht
Cees Robben Dieje weg (...) die rchtevort naor t geboer van de Van de Braante lopt... (19791102)
 

rchttoevort

bijwoord

rechtdoor, recht vooruit, rechtuit, zoals het hoort

Ge lpt mar rchttoevrt - Je loopt maar rechtdoor.

De Wijs -- (Gehoord zomaar op straat) Rechttoevrt, ds duidelijk, mar rij bij Sjaane dn hoek om, ds misschient onbekend mar vraog t mar 'ns, waant iederandeen kent Sjaan van de hoek! (10-03-1967)

De Wijs -- Tis nie rechttoevoort, t is ammaol los (24-02-1966)

Stadsnieuws - rchtoevort nor hs n onderweege nie smmele (021108)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'rchttoevrt' altijd maar rechtdoor

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. (verb.) 'rechttoevoort' - eerlijk, oprecht (bv. bij het kaartspelen)

WNT RECHTEVOORT 3) Nu ter tijd, tegenwoordig. In alg. taal verouderd, in de gewest. omgangstaal echter nog zeer verbreid (opgegeven voor N.- en Z. Holl., Utr., Geld., Ov. en W-NoordBrabant. Z.a. XII III 1 kol. 594

 

rf, rfke

zelfstandig naamwoord

hark

De rf stao int schp int huukske

Damen Handschrift (1916) - "raif - rijf (hark)"

Van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Pierre van Beek Als we het zinnetje "In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in n klap om dan nog niet eens van de allitererende "sch" te praten. Het "schop" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, "'t schoor" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de "schuup" is de schop (om mee te spitten) en "reif" dient door "hark" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 25 april 1950)

WBD (III.2.1:410) rf, hark = hark

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - RIJVE - raspe. Zie Ten Kate II,555.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - type 'rijf' (blz. 161)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rf zelfstandig naamwoord - rijf

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rijf - hark

WNT RIJF (I) l) hark

 

reg

verleden tijd van 'rge', rijgen

reeg-

 

Schilderij van Sara McGregor

rge

werkwoord, sterk

rijgen

WBD 'rjge', 'rge (II:1014) - rijgen: inrijgen van weefkam/rietkam

WBD 'kmrger' (II:1013) - kamrijger

WBD 'rjchhaok' (II:1015) - rijghaak: inrijghaak; ook: kamhkske of rg-nld genoemd

rge - reg - gereege

geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd

WBD rge (II:1175) - rijgen; ook 'driege' genoemd

WBD III.4.4:305 'rijgen' = idem, ook 'ritsen'

Stadsnieuws - Ene goejen boer gao nie t de rge zolang ie onder zen ksels nog drg is - Een ijverige werker is niet bang voor een beetje regen. (260308)

zelfstandig naamwoord

regen

Cees Robben De sukkelr die praot van rgen... (19580315)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - regen

Henk van Rijen - 'Van fne rge n fn meense wr de ut miste nat' - Door fijne regen en fijne mensen word je het meest bedonderd.

Frans Verbunt - ene goejen boer gao nie t de rge zolang ie onder zen ksels ng drg is

Piet van Beers Smeeklied om waoter: Ik vraog OE Lieve Hirke,/ stuur ons toch w verkoeling/ Drie daoge rgen d's genog,/ (ginne zondvloed, d is nie de bedoeling.)/ Bekkt toch mennen hof o Heer:/ M'n bontjes, praai, mn sevooje./ Gij staoget toch niet toe o Heer/ D'k strak/ alles wg moet gooie.? (Spoeje doemmeniemer; 2009)

De straot nat van de rge... (Henritte Vunderink, Hrfst, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REGEN znw. m - regen

 

reegel

zelfstandig naamwoord

regel, periode

Henk van Rijen - ze h aanders al vruug de reegels - nochtans was ze al vroeg ongesteld

WBD III.2.2:4 'regels' = menstruatie

 

rgene

werkwoord, zwak

regenen

rgene - rgende - gergend

- ...daogs dr nao rgenden ut aauw wve op klumpkes... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Van Beek - 't Regent ouwe wijven mee klompen. - 't Giet. - 't Valt er mee bakken uit! (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

- Cees Robben t Rgent t zgent, t zeevert op de stad... (19540724)

- Ik vat er nog ene,/ ge weet et niemir/ oover en ketierke,/ dan rgent et wir. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ge wit not )

- Frans Verbunt - rgent et in maaj, dan is april al lang vurbaaj

- GD04 dt oover en uurke begient te rgene

- n rgene d't di n kaaw dk ha.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

Elders

- Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - reejgene ww - regenen

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - rgene (blz. 18, 144)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REGENEN en Rgeren w. onp. - regenen

 

rgeverspller

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - 'rgevuspller' - koekoek (Cuculus canorus)

WBD III.4.1:155 rgeverspller - koekoek

 

rggtje

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:252 rijggaatje = gaatje voor de veter

 

rgnld

zelfstandig naamwoord

rijgnaald

WBD rgnld - rijgnaald; inrijghaak (voor weefkam); ook: kamhkske of rghaok genoemd

 

reej

verleden tijd van 'rije'

reed

uitdrukking: Hij reej em - Hij was kwaad, opgewonden

- 3e pers. enk. verl. tijd van 'rije': reed, met d-apocope

 

reeje

zelfstandig naamwoord

reden

 

rjer

zelfstandig naamwoord

WNT REIER (I) - reider, reeder < REEDEN (I) 2) verwerken tot een eindproduct ... van vezels, garens en geweven stoffen

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - ene reyer - handelaar/ tussenpersoon in ruwe wol (blz. 94)

 

reejschaof

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - rijschaaf (werktuig)

 

rk, rker, rkst

bijvoeglijk naamwoord

rijk

R gez. Ik z de rke Jan Coole nie. - Ik heb het geld niet op mijn rug groeien

Cees Robben - Prent van de Week - ene rke Jan Koolen

Cees Robben - Prent van de Week - et rem volk n et rk; nog veul rke jaore;

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - den knning is rk

DANB de'minse' zchte rk te wrre

Frans Verbunt - beeter rk te lven as rk te strve

Dirk Boutkan (1996) - rkste naast rekste

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de rke Jan Koole = Jan Kolen (blz. 50)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de rke schojster = Joh. de Werd (blz. 83)

WBD III.3.1:203 'rijk zijn' = rijk zijn

zelfstandig naamwoord, onzijdig
de rijken
Cees Robben t rem volk en t rk... (19571102) [Als 'rk' bijvoeglijk bedoeld zou zijn bij 'volk', zou er 'rke' moeten staan.]
zelfstandig naamwoord, meervoud van 'et rk'

de rijken

Cees Robben Meej al mn zrgen en slameur,/ Heur ik toch bij de rke...  (19580705)

 

rke

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:85 'reiken' = reiken (naar)

B rke - rkte - gerkt

- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij rkt

Cees Robben Muug van t rke... (19580426)

 

reekenderij

zelfstandig naamwoord

gereken

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - reekenderij: en hil reekenderij

WNT REKENARIJ - het rekenen, gecijfer (Bij Ter Laan: reeknderij)

 

reekening

zelfstandig naamwoord

rekening

WBD ng en week n de reekening, ng en week aaf - de koe moet over een week kalven

 

rkreekenerij

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt - het kunstje om zich rijk te rekenen

 

rle

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - reilen

Henk van Rijen - 'Ut rle n zle'

 

rme

werkwoord, zwak

rijmen

B rme - rmde - germd

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij rmt

R.J. Hoe rmde d tesaom

Al ist en rmke zonder rme/ al is de tkst fienaol verkeerd/ as degeene die et krgt strak/ et Prebeere mar wardeert. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Rmkes)

Henk van Rijen - ook: rmele

Cees Robben - Prent van de Week - 'rmet nie? vroeg Faosse droevig'

WBD III.4.4:91 rijmen = lichtjes vriezen

 

rep

Etym. Germ. raip, D. reif, N. reep, T. rep

1. hoepel, reep

D16 "reep - hoepel"

Bij de smid met een gebroken rep; houtgravure, Katholieke Illustratie, ca. 1890

Centsprent - 19de eeuw

 

Van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Kln Sjuuleke viel meej de rep. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: W ist verschil?)

Henk van Rijen - hoe zde gekoome? Meej de repkist naa goed! - hoe ben je gekomen? met de hoepel; is het nu goed (antw. op vraag naar bekende weg)

n repe meej en fietswiel,/ n hakke meej ne tol. (Henritte Vunderink; Vruuger; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Nie d wij der ok mar/ en woord van begrepe,/ mar ons moeder zo wl nie vur niks/ ons nor bte repe. (Henritte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Hij ript den hillen dag dur et hs... (Henritte Vunderink; Vriendje; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD (III.3.2:118) rep = hoepel

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REEP (scherpe e; znw.m. - houten hoepel; spr. reepen snijden - vluchten, de plaat poetsen; Hij is gaan reepen snijen mee 'en andermans geld.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
re.p, znw.m. 'reep' - hoepel

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Bredanaars zeggen nooit 'hoepel, hoepelen', maar altijd 'reep', 'reepen';

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - REEP: een boogswijze geboge hout, het geen boven op de berden van ene kar word geplaatst om de huif over te spannen. Dezelven zijn doorgaans vier in getal.

Goem. REEP - znw.m. - hoepel

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rp zelfstandig naamwoord - hoepel

WBD (II:2770) 'rp' - wielband, wielbeslag

WBD (II:2907) 'reep' - kuipband

Bosch reep - band rondom een kuip, hoepel

WNT REEP (l) 3b) als kinderspeelgoed. Thans nog in n.-Brab., Limb. en Z.-Nederl. ... de hoepel wordt ook in zeker dansspel gebruikt.

WBD III.1.3:66 'reeprok', 'hoepelrok' = hoepelrok

WBD III.4.4:230 'reep' - kring, ook 'hoepel'

WNT REEP (I) 3) Smalle cirkelvormig gebogen band, oorspr. van wilgen- of populieren rijshout. Thans ook vaak van metaal. Hoepel; b) als kinder-speelgoed

2. vertier

uitsluitend in uitdrukking 'op rep'

- op rep - op (vrouwen)jacht

Pierre van Beek - p rep gaon - op stap gaan met de bedoeling flink wat te verteren.

WNT REEP (I) 4 (kol. 1065) Zegsw. Aan den reep gaan staan, op jonge dochters die naar de jaarmarkt gaan, dikwijls om er kennis met jongelingen te krijgen (Joos, Waas idioticon)

3. andere betekenissen

WBD III.2.2:36 'reep' = lat of twijg om te straffen

Nederlands ABC-boek

Pieter Breughel de oudere; detail uit zijn schilderij Kinderspelen

► Zie dossier Repe voor meer afbeeldingen

► Zie Repe hieronder

 

rp

bijvoeglijk naamwoord

rijp

WBD slachtklaar: vet genoeg om geslacht te worden (van vee gezegd)

nrp - niet rijp, onvolgroeid, ook 'beneepe'

WBD nie rp - nog niet uitgerezen (gezegd van deeg)

rp - klaar om gebakken te worden (zie WBD: rpe)

DANB die pr is nie rp

WBD III.4.4:93 'rijp' = idem, ook 'rijm'

 

repaovend

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - uitgaansavond, uiteraard in gezelschap van een meisje

WNT REPEN (III) l) haastig gaan; 2) zich druk bewegen, onrustig zijn; enz.

 

Boer met koe voor de rdkr. De kinderen hebben hoepels of repe als speelgoed

 

repe

werkwoord, zwak

repe - ripte - geript, met vocaalkrimping (Dirk Boutkan (1996) - 41) ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij ript

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) repe - hij ript

1. hoepelen

Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1992

 

D16 -- "reepen - hoepelen"

Repe n, n touwke springe n diejabooloowe! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Lodewijk van de Bredevoort (Jo van Tilborg) -- Rpe, ok wel hoepelen genoemd waar un sport, waor wij hil veul plezier aon belfde. Ge zieget tegesworrig niemes mir doen. Et waar hil populair bij jongens, die aaltij op straot speulden en et werkte as volgt: Ge hadt ndig, un fietswiel, daor de spaoke t ware, ze mochten er nog wel inzitten mar dan waar et wiel veuls te zwaor. Hoege daor aon kost komen aon zon wiel, weet ik niemer, mar alle jungskes, bruurkes en zonen t de hille buurt han zon wiel. Enne enkeling, daor zet ths kosse betaole, ha enne echte hoepel, waor et aondrfzer omheen gelast zaat. Wilden wij d gesloopte fietswiel, d onze hoepel waar, in beweging zetten, dan moese we meej un endje hout tegen dieje velg slaon en der neffe lope, op un drefke. D wiel liete dan langs de kaaibaand rollen, terwl ge zelf op de stoep blift lope. We hebben, op die manier, de halve stad leren kennen. Ge liept w aaf en mistal op klompen. Naa zon ze zeggen, et waar enne echte duursport. Te vergelke meej de marathon of de Kennedymars. Et ha n naodeel, asset begos te vriezen, gingen die wielen, die hoepels et hok in tot et veurjaor. Wij zaten dan mar te hopen d de vorst deur z zetten. (Kosset den brne eigeluk wel trekken? Jeugdherinneringen van een
gewone volksjongen door Lodewijk van den Bredevoort; Tilburg, november 2006)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - REPEN (ree:pe) onov.ww - l) met de hoepel of reep lopen;

Buuk repe - hoepelen

WBD (III.3.2.119) repe = hoepelen

WNT REPEN (I) - 4) met een hoepel spelen, hoepelen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
re.pe(n), zw.ww.intr. 'repen' - hoepelen

Bosch repe - hoepelen

Goem. REEPEN - riepe wkw (rg.) - hoepelen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REEPEN - hoepelen; met den reep, den hoepel spelen

Hees rpe (1125)

2. vertier zoeken, uitgaan, een meisje zoeken

R vrijen

R Gaode wir repe venaovend?

Verstoppertje, hinkelen en touwke springen of rpe, d wier der wel veul gedaon, ge liet dieje hoepel, bij et rpe neffen de kaaibaand rollen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Buuk repe - uitgaan met de kennelijke bedoeling de bloemetjes goed buiten te zetten

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rpe ww - uit vrijen gaan

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - REPEN (ree:pe) onov.ww - 2) driftig en gulzig achter iets of iemand bv. de meisjes aan zitten.

Rpe, ok wel hoepelen genoemd, waar un sport, waor wij hil veul plezier aon belfde. Ge zieget tegesworrig niemes mir doen. Et waar hil populair bij jongens, die aaltij op straot speulden en et werkte as volgt: Ge hadt ndig, un fietswiel, daor de spaoke t ware, ze mochten er nog wel inzitten mar dan waar et wiel veuls te zwaor. Hoege daor aon kost komen aon zon wiel, weet ik niemer, mar alle jungskes, bruurkes en zonen t de hille buurt han zon wiel. Enne enkeling, daor zet ths kosse betaole, ha enne echte hoepel, waor et aondrfzer omheen gelast zaat. Wilden wij d gesloopte fietswiel, d onze hoepel waar, in beweging zetten, dan moese we meej un endje hout tegen dieje velg slaon en der neffe lope, op un drefke. D wiel liete dan langs de kaaibaand rollen, terwl ge zelf op de stoep blift lope. We hebben, op die manier, de halve stad leren kennen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

3. in repen snijden

Henk van Rijen - erlangs repe - ergens een reep afsnijden (b.v. kaas of koek)

Buuk repe - een snelle wat ongenuanceerde snijbeweging maken

4. pijnigen

WBD III.1.2:65 'repen' = geselen, gispen

WBD III.1.4:405 'repen' = iemand op de zenuwen werken

 

rpe

werkwoord, zwak

rijpen, rijp worden

WBD klaar geraken om gebakken te worden (gezegd van rijzend deeg)

rpe - rpte - gerpt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rpt

 

rre

werkwoord, zwak.

beven, rillen, bibberen

rre - rrde - gerrd

- et meens rrde van de kaaw

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ik rr as ik denk, aon de zwaor cijzen, laasten en paachten

- Daamen Handschrift 1916 - "raire - beven"

- Pierre van Beek Daar hebben we dan het werkwoord "reiren", dat voor "beven" gebruikt wordt. "Hij reirde as 'n rietje" zegt men en geeft er nog 'n alliteratie gratis bij. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 25 april 1950)

- Cees Robben Ik begien er van te rre... (19561208)
- Cees Robben Biljerten... en zonder te rre [sic] (19571221)
- Cees Robben Van den drift te rre... (19710102)

- Lechim -- De R die komt wir in de mnd/ de heur ik nie zo gre/ Ak innerzjie bespaore moet/ zak dikkels zitte rre. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De R van rre)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rren as en waoterhoentje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964)

- Vunderink - "Och Eerwaarde" zi Betje, terwl ze w rrde,/ "Ik wil teege jou nie gn katte./ Al is jouw bediening van ng zoveul wrde,/ ik hb me bedcht, ik blf tch mar op rde. Tot dsse ineens van kaojeghd zeej:/ "Ik lig vur piet snt hier, Gddoome!" (Henritte Vunderink, Kaawe jatte, uit: Tis de moejte wrd, 2011)

- n d meens wier himmel zenuwchtig n ze begos te rre n alles.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

Elders

- WNT Rijeren - Rillen, bibberen, sidderen, huiveren. Hetzelfde als Rijelen. In N.-Nederl. verouderd. Rijderen, rijeren. Tremere, trepidare, intremere, palpitare, horrere, KIL. Ick schudd' end reyer seer verschrickt; Anxt ende vrees heeft my verstrickt, MARNIX, Ps. 55, 3.
God sach toe ende dede de Heydenen reyeren, MARNIX, Geschr. 2, 711. Rijeren van de krts, CORN.-VERVL.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr.'rijeren' - rillen, bibberen, beven.

- C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) - RIJEREN (rre) onov.ww - rillen, beven, sidderen: iteratiefvorm van 'rijen'.

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RIJDEN hoort men door de dorpelingen der Baronie van Breda bezigen voor 'beven'. Het is afgeleid van het oude rijde, ridde, rede, koorts.

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - REIJEREN - schudden, beven. Z.a.

- Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rre - ww - beven, rillen

- A. Weijnen - Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rieren, rijere - bibberen (brab., limb., vel.)

- WBD III.1.2:211 'rijderen' - bibberen

- WBD III.1.2:212 'rijderen' = huiveren

- WBD 'rrren', 'rrre' (van een paard) - bevend schudden met de huid, ook genoemd 'bibbere'.

 

rs, rske

zelfstandig naamwoord

reis 

R.J. en rs van zeuven uure

Cees Robben En naor Beek gao de rs... (19600102)
Cees Robben Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... Mar t stikt zn gat aanders wd aachteruit, en t lekt wel op n Bossche rs... (19850504)
A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. - reis

WBD III.4.3:74 'rijs' = twijg of jonge tak

 

reeskak

zelfstandig naamwoord

diarree, schijterij

De Wijs -- Ik lus t wel mar dan zk z aan de reeskak (diahree) en dan ist hard lope geblaoze. (17-10-1972)

WBD III.1.2:256 'racekak' = diarree

 

rsplaank

zelfstandig naamwoord

WBD rijsplank (de plank - soms het deksel van de baktrog - waarop de bolrijs plaatsvindt)

WBD p de rsplaank ztte - deegbollen wegzetten om deze te laten rijzen

 

rst

zelfstandig naamwoord

rijst

Cees Robben - Prent van de Week - rstepap meej sker:

WBD III.2.3:137 'rijstepap', 'rijstpap' ,'rijstebrij', 'stijve rijst' = rijstebrij

WBD III.2.3:221 'rijstvlaai', 'rijstevlaai' = idem

 

rstepap

zelfstandig naamwoord

rijstepap 

Van Beek - Rijstepap spreekt men uit met: "rstepap". (De ij trekt men al sprekend tot ; de tot .) (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben Bij Petrus aon de rstepap...! (19550709) [In de Roomse folklore was rijstepap het gerecht dat in de hemel gegeten werd. Het werd gegeten met zilveren lepeltjes en men dronk er ambrozijn bij.]

WBD (III.2.1:430) rstepap = randjesbloem (Arabis caucasica)

 

reet

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1. lemma achterwerk - reet, Tilburg

WBD III.1.1. lemma bil c.q. dij reet, ook in Tilburg

WBD III.1.1. lemma aarsspleet reet, ook in Tilburg

 

rve

werkwoord, sterk

rijven, harken

B rve - ref - gereeve

D16 "raiven - rijven (harken)"

Meej ons moeder meej, om kokse te gaon raope op de gasfebriek. Ge krgt dan zon harkske in oew haand, daormee moeste gij tussen de sintels de nog gloeiende kokse apart rve. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - RIJVEN - harken, klouwen, ook raspen. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RIJVEN - reef - gereven - harken

Hees rijven (I:52)

WNT RIJVEN (I) - 1) harken; 2) raspen

 

rze

werkwoord, sterk

rijzen, omhooggaan, zich oprichten

PM afvallen, uitvallen, neervallen (van bv. bloesemblaadjes)

De Wijs -- Mee deez weer mot ik aaltij rzen, t is nie z slecht mar k nie kaai-goed (09-07-1967)

WBD III.1.2:8 'rijzen' = omhooggaan; ook: stijgen, klimmen, klaveren

B rze - res - gereeze ook zwak?

vocaalkrimping komt niet voor

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RIJZEN (rze), (iteratiefvorm: rijzelen) uitvallen van koren uit de droge halmen; ook gezegd van stof dat door kieren van de zolder naar beneden komt.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
re.ze(n) st. en zw (et reesde) ww intr. rijzen, afvallen resp. uitvallen (vooral v. bladeren en van zaad).

WNT RIJZEN (II) Uit de hoogte omlaag gaan. In de alg. taal v. N.-Nederl. onbekend. A. (geleidelijk) naar de laagte gaan of komen van b.v. bladeren, zaad, zand, stof, meel, gruis e.d. enz. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RIJZEN - nederwaarts bewegen, dalen, zachtjes naar beneden komen, neerwaarts glijden; glijden, baantje glijden.

 

rze

werkwoord, zwak

reizen Dirk Boutkan (1996) - rze, (hij) rst (blz.37)

B reze - rsde - gersd

- geen vocaalkrimping (Dirk Boutkan (1996) - 41)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEREZEN: 3e hoofdvorm van 'reizen'; REES: 2e hoofdvorm

WNT REIZEN - Naast het normale part. praet. gereisd komt in vulgaire taal door verwarring met het part. praet. van 'rijzen' veelvuldig de vorm gerezen voor.

 

rzeger

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - reiziger

handelsreiziger, vertegenwoordiger

WNT REIZIGER - 10) Hij die in dienst van en namens een ander clinten bezoekt om opdrachten te verwerven, contracten af te sluiten en derg.; handelsreiziger.

 

rffel

zelfstandig naamwoord

rafel

De rffels hange deraon.

De Wijs Ge hoeft er nie mee te simmen al hangen de reffels aon oewen jas (17-10-1966)

WBD 'rfel' (II:1254) - rijfel, rafel

WBD III.1.3:14 'reffel' = rafel

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'reifel', afgescheurde strook v. een of andere stof, ook wel strook in het algemeen, bv. een strook land.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REIFELEN - rafelen, uitrafelen

 

rffele

werkwoord, zwak

rafelen

De Wijs -- Mn nylons willen wel ladderen mar reffelen doen ze nie (23-09-1970)

Cees Robben Oew broek is aon t reffele... (19770812)

WBD 'rijfele' en 'rfele' (II:1255) - rijfelen, rafelen

WBD III.1.3:16 'reffelen' = rafelen

WBD III.4.4:248 'rafelen' = rammelen (et rozenhuuke afrffele, WS)

WBD III.4.4:317 'reffelen' = vezelen

- rffele - rffelde - gerffeld

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww. ntr. 'reifelen', losgaan van draden van een weefsel, rafelen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REIFELEN - rafelen, uitrafelen; da' goed reifelt fel; ook RIJFELEN Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rffele ww - rafelen

 

rfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

harkje

Henk van Rijen - hij is wir binne mee zene zak n zen rfke - daar heb je hem weer!

Dirk Boutkan (1996) - (blz.30) rfke

verkleinwoord van 'rf', met vocaalkrimping

 

regeere

werkwoord, zwak

regeren

B regeere - regirde - geregird

- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij regirt

 

regeur

zelfstandig naamwoord

strengheid, hardheid; regime, norm

uitdr. - Teegen et regeur in - tegen de draad (in), in de contramine, dwars

Cees Robben De kender (...) zen tegen t regeur (19650507)

DANB hij is aaltij teegenet regeur

CiT (96) ''t Is ammel dwars tege 't regeur in'

WNT verwijst naar het onvindbare RIGUEUR

Mnl.wdb - RIGUER - strengheid, meedoogenloosheid, hardheid, van ofra/fra. 'rigueur' lat. rigorem.

Kiliaen - rigeur, rigor, severitas.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - REGEUR v - regel, regime, strenge maatregelen (Fr. rigueur): tegen 't regeur in - weerbarstig, eigenwijs. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o., 'regeur' - (wettelijk) gezag: teigen et regeur in.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - regeur zelfstandig naamwoord - gezag

 

rejaol

zelfstandig naamwoord

royaal, gul, vrijgevig

WBD III.5.1:219 'royaal', 'gul' = hartelijk

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijv.nw. 'riaal/reaal' - royaal

 

rejaoleghd

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - goedgeefsheid

 

rk

WBD III.2.3:203 'rek' = bederf in het brood, ook 'derf', 'schimmel'

WNT Rekken I, 4.  Taai, kleverig worden, lijmen. Van bier en andere dranken, soms ook van brood. Alleen gewest. Dat zulk Bier, somtijds, na eenigen tijd gelegen te hebben aan 't rekken of lijmen raakt,   Prijsvr. Ned. Huish. Maatsch. 1819, n 170. Rekken. Wordt alleen gezegd van brood, dat te lang heeft gelegen en daardoor taai en dradig geworden is, DEK [1928].

 

rkke

werkwoord, zwak en sterk

rekken

B rekke - rk/ rkte - gerkt/ gerkke

WNT REKKEN - De gewestelijk in Z.-Ned. voorkomende sterke vormen rok, getrokken zijn als secundair te beschouwen, wsch. onder invloed van de sterke vormen van 'trekken'.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rkke ww - rikken (kaartspel)

 

reklaome

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - reclame, klacht, bezwaar

werving(sgeschrift): reklaome in de brievenbus

 

rksdlder

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - rijksdaalder

 

rkst, rkst

bijvoeglijk naamwoord, superl.

Henk van Rijen - rijkst

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 35) rkst, maar met flexie: rkste of rkste

 

rkstroj

zelfstandig naamwoord

sterfbed

Van Delft - "Hij ligt op rekstrooi" wil zeggen, dat iemand in financieele moeilijkheden verkeert en nog tracht zijn zaak zoolang mogelijk gaande te houden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Wie bij zijn suikertante het z ver gebracht heeft, mag het beste hopen tegen de tijd, dat zij - helaas nogal "oneerbiediglijk" gezegd van een brave tante! - "op het rekstrooi ligt", d.i. "op sterven ligt". We nemen aan, dat bij deze laatste uitdrukking gedacht moet worden aan het stro, waarop men vroeger in de alkoven sliep en op het languitgerekt liggen, zoals dit bij een stervende meestal het geval is. Meer figuurlijk kan de uitdrukking gebruikt worden voor iemand, die in financile moeilijkheden verkeert en tracht zijn zaak nog zo lang mogelijk gaande te houden. Die zaak is dus ook stervende en tegen de dood inworstelend, en men rekt het sterven. (Van Beek - TTP 27-2-1965)

n agge op et rkstroj ligt,/ dt dan beheurlek mis is? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'rekstro', reeuwstro: 'op z'n rekstrooi ligge' - op het strefbed liggen.

WNT REKSTROO - zie De A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
hierboven.

 

rkt(e)

werkwoordsvorm; persoonsvorm

reikt(e)

tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'rke', met vocaalkrimping

 

rmt, rmde

werkwoordsvorm; persoonsvorm
rijmt, rijmde 

Cees Robben - Prent van de Week - 'grs d remt toch nie op sokken'

tegenwoordige tijd, verleden tijd van 'rme', met vocaalkrimping

 

rndje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - randje

p et rndje aaf - op het kantje af

 

renewaotie

znw.

Van Delft - "Wat een renewaotie": Wat een verwoesting. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

rngele

werkwoord, zwak

[Tilburgs?] regenen

Henk van Rijen - 'rngele, rgene'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RENGENEN w. onp. - regenen: ook RENGEREN - regenen (N. der Kempen)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - regeren, regelen - regenen (znl.) uit 'regenen' door dissimilatie

Hees rengele (IV:10)

Str. rengele (2:67)

 

rntenier

zelfstandig naamwoord

rentenier

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rntenier rm dier (HM'70) - een rentenier moet vaak van bescheiden middelen rond zien te komen

 

rnzeg, raanzeg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - ranzig

 

rppereere, rippereere

werkwoord, zwak

repareren

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'reppereeren'

- rppereere - rppereerde - gerppereerd

- Naar fr. 'rparer'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. 'reppereren' - repareren

 

rpt(e)

werkwoordsvorm; persoonsvorm

Henk van Rijen - rijpt(e)

 

rsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

restje

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 28) uit het cluster stj wordt de t verzwegen.

 

rske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

reisje

R.J. huweleksrske

verkleinwoord van 'rs', met vocaalkrimping

 

rstooraant, rsteraant
zelfstandig naamwoord
restaurant
Cees Robben - Caf-Hotel Restauraant Boerke Mutsaers in t Zaand. (19540227)
Cees Robben - Boerke Mutsaers in t Zaand/ wordt n deftig restauraant!!! (19540227)
 

rttekett

zelfstandig naamwoord

luidruchtige vrouw

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RETTEPETET znw.m. - iemand die heel rad ter tong of heel snel is in zijne bewegingen.

WNT RETTEPETET znw. en tusschenw. Van klanknabootsenden oorsprong. Geluid dat met een snelle beweging gepaard gaat. Vgl. retteren. Als znw. is alleen de meton. bet. aangetroffen. RETTEKETET znw. en tusschenw. Nabootsing v.h. geluid van een blaasinstrument. 2)b) naam voor een snapachtige vrouw.

 

rtterr

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - slomerik, vertrager

- van fr. 'retarder' (?) = uitstellen, vertragen, later komen

 

rttereere

ook: rittereere

werkwoord, zwak

bedrijvig zijn zonder veel te presteren

Cees Robben W rettereerde gij toch ammol hers en geens .. (19720630)
Cees Robben W rettereerde gij toch hil den dag rond, moeder.. (19790223)

Frans Verbunt - 'rittereere' - hinderlijk bedrijvig zijn, beredderen

WBD III.1.2:140 'rettereren' = druk heen en weer lopen

ook: 'rondretireren, rondridderen' rttereere - rttereerde - gerttereerd

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rittereere ww - druk beredderen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.intr. 'rettereren' (< retireren), bedrijvig heen en weer lopen (zodanig dat het anderen verveelt).

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - Verbastering van 'retereren', telkens herhalen?

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - in verband gebracht met 'retireren'. onov.ww RETTEREREN - druk doende zijn en grote bedrijvigheid uitstralen zonder nochtans opvallend produktief te worden; vooral gezegd in verbinding met 'rond': ze rttereerde mr rond - ze gaf blijk van nerveuze dadendrang.

Hees retterere (IV:62)

WNT RETEREEREN 1)(Handelingen enz.) opnieuw doen, verrichten of toepassen, herhalen; 2)(bestaande verordeningen, overeenkomsten enz.) vernieuwen, opnieuw vastleggen

 

rttereur

zelfstandig naamwoord

slomerik

Henk van Rijen - dieje rttereur is meej zen hielen n de vurkaart geboore die slomerik is met zijn hielen aan de voorkant geboren

Frans Verbunt - sloom persoon (van Fr. retarder [?] - vertragen, talmen)

Stadsnieuws - Dieje rttereur wit van veure nie dttie van aachtere lft - Die slome heeft nergens erg in. (301209)

 

rf, rfke

zelfstandig naamwoord

WBD paarderuif

Cees Robben - Prent van de Week - hij frt vrt meej de knn t de rf; [datum]

 

rg, rger, rgst

bijvoeglijk naamwoord

ruig, ruw

Cees Robben - Prent van de Week - den rgen sloeber (Tilburgse Taalplastiek 740125)

Pierre van Beek - z rg as en fls (gezegd van een jongeman die zich onnodig scheert)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - 'nen ruigen board (ui als in Fr. Meuse, fleuve)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z rg zn as en fls (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1979) - ironisch voor 'heel glad' zijn (tegen een puber die erg volwassen wil overkomen)

 

rke

werkwoord, sterk

ruiken

B rke - rok - gerooke

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rkt

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww.tr. en intr. - ruiken

 

rke

werkwoord, zwak

roken (van vlees o.i.d.)

WBD 'rke', rke', 'ruuke' - roken van vlees ter conservering Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - gerukte plling

- rke - rukte - gerukt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rukt

Naglijder op basis van verwantschap met 'rooken' met scherplange oo.

 

rle

werkwoord; zowel zwak 'gerld' en 'gerld', als sterk: geroole

B rle - rlde - gerld

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij rlt

Bosch gerole - geruild

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. en intr. - ruilen

1. ruilen

Cees Robben - Prent van de Week - zal oe rle vur den buurman?

Trouwes d rle en ttele wier dur ons veul gedaon, zeker as et net Siendereklaos waar gewist. [over het onderling ruilen van cadeautjes die men op sinterklaasdag had gekregen] (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - kp p strt rle (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973)- met gesloten beurzen afrekenen

WBD III.4.4:304 'ruilen' = wisselen

Stadsnieuws - Hij h zene pindl meej mn geroole (281007)

2. uitdrukking rlen n t(te)le

- combinatie van ruilen en tuitelen = handelen

WBD III.3.1:55 'ruilen', 'kwanselen, tuitelen, verhandelen' = kwanselen

WBD III.3.1:49 'ruilen', 'tuitelen, vertuitelen, vertutselen, matsen' = verkwanselen

WBD III.3.2:191 rle, rtele, ttele = tuitelen, ruilen

 

rm

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

ruim; nogal

WBD 'rm', (Hasselt) 'rm' staon (van een paard) - met de benen te ver uit elkaar staan, ook genoemd 'breed', resp. (Hasselt) 'wd' staon

Cees Robben - Prent van de Week - Tis wl rm kort;

Frans Verbunt - wvershskes waare vruuger rm kln

 

Anti-hondenpoepactie van de gemeente Tilburg. Kromhoutpark 2017/

 

rme

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - ruimen

Van Delft - - Als de beerput vol is, "komt de boer ruimen" en "nimt dan de bruid mee".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Dirk Boutkan (1996) - rme - germd (blz.41)

WBD III.1.4:347 'ruimen' = goed opschieten met zijn werk

WBD III.4.4:199 'ruimen' = plaatsmaken

 

rn

zelfstandig naamwoord

WBD gesneden mannelijk paard, ook 'run' of 'reujn' genoemd

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. - ruin, gesneden manlijk paard.

 

rse

werkwoord, zwak

ruisen 

Dirk Boutkan (1996) - roe:se = ruisen (blz. 3)

 

rt, rtje

zelfstandig naamwoord

ruit in een raam; de vorm ruit; kaarten met het ruit-teken (rtes)

Rtes troef, meej schuppenaos 

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis en rt t een glas (Handschrift Damen 1916) - het is een klein verlies (Vroeger bestonden de ramen uit kleine ruitjes.)

...enen daas meej en bonte rt... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zosse en ugske op em hebbe?)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens En dan stonde ze wir vur en rt n dan waarde bang dsse dur die rt heene soodemieterde (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

WBD rtstuk (II:918) - ruitjesgoed, ook 'rt' 

Henk van Rijen - snt n de rte smre - etalages kijken, niets kopen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw. m.(kaartspelersterm) - ruiten, mv. 'rtes' 

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUITENS - ruiten. Ruitens is troef

 

rtekett

zelfstandig naamwoord

uitdr. - op de rtekett - zonder voorzorgen, op de bonnefooi

Cees Robben [Onderwijzer:] Wes t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is d n tiet-mem, mister... [onderwijzer: Heel mooi, Filleke.. (19840120)

Van Beek - Op ruitekeduit ergens heengaan. - Op de bonnefooi ergens heen gaan. - Op goed geluk, in goed vertrouwen. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - p rte kadt ('78) - op goed geluk (Wsch. een overblijfsel van de toverformule 'har-uit, kaduit, de schoorsteen uit'; zie ald.) 

Daamen Handschrift (1916) - "ruiterkenduit - zonder geld (op zwart zaad)" 

CiT (79) 'Daor gao'k niemir nor toe op de riteketit'

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - Wellicht een schertsende vorming van 'ruiten' = volgens Van Dale: 'roof plegen', op woeste wijze rondlopen, rinkelrooien.

WNT RUITEN (IV) - 1) roof plegen, rooven, plunderen; 2) in Belgisch Brabant voor: op een woeste wijze rondloopen, rinkelrooien

reutemeteut

 

reutel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - steeds weerkerende handeling

op de reutel kope - op de pof kopen 

Cees Robben - Prent van de Week - Valt er nog w te rtele of te ttele? 

WBD III.3.1:56 ''op de reutel kopen', 'op de pof kopen' = poffen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - REUTEL znw.v. - speelterm. Handvol knikkers die niet goed rond zijn (Turnhout) (Dit citaat ook in het WNT) (7)

WNT REUTEL 6) kerfstok z.a.

 

rtele

werkwoord, zwak

ruilen (niet bij De Jager; in WNT 'Westfries voor RUIEN')

...n rtele heese not gehoeve/ al wast ok dikkels ene toer... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

Cees Robben Valt er nog w te ruitele of te tuitele... (19760903)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - valt er ng w te rtele f te ttele? ('72) 

WBD (III.3.2:191) rtele, ttele, rle = ruilen 

WBD (III.4.4:304) 'ruitelen' = wisselen - te handelen

 

reutemeteut

zelfstandig naamwoord

vrijwel altijd met voorafgaand 'de hele'; dus: iedereen

WNT lemma REUT 1. Ter aanduiding van een (ongeordende) verzameling personen: troep, bende, gezelschap, en zaken: bende, en bepaaldelijk: warboel, rommel, (rot)zooi. Het tweede deel van de samenstelling is niet verklaard.
Cees Robben W waren ze toch ws mee dren irste klne... Hil de reutemeteut moes er op... (19800620) [De Prent stelt een geboortekaartje voor, met kind, ouders, twee honden, een papegaai in een kooi en een kaketoe op een standaard.]

Wij, de zusjes en de bruurkes, j de hille reutemeteut, vonden et toch wel zielig veur ons moeder, d ze z te lije ha, van d gevloek en getier, assie kaod waar. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

reuteketeut

 

rter

zelfstandig naamwoord

Goedgetld -  cavaleriesoldaat, ruiter

Stadsnieuws - Iedere rter is wir kappietein - we zijn allemaal weer gelijk (290306)

 

rtes

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - ruiten (bij kaartspel)

Henk van Rijen - 'Rtes is troef'

WBD III.3.2:174 - rtes = ruiten (van een kaartspel)

WNT RUITEN (I) gewestelijk (Vlaanderen) ook RUITENS - znw., mv., vr. benaming voor de roode ruitvormige figuren op sommige speelkaarten

 

revllie

zelfstandig naamwoord

reveille, rveil

op revllie gaon - ongeveer 'p sjanternl gaon', later afgezwakt tot 'het zoeken naar gelegehheden om het huishouden in de steek te laten en zich met als prettiger ervaren zaken bezig tehouden'. Als bij de soldaten 'de rveille geblazen was' wisten de vrouwen dat die wakker waren. (Tilburgse Taalplastiek 181)

Naar fr. 'rveille' met spellinguitspraak van de 'll'

 

revier

zelfstandig naamwoord

rivier

Goem. RIVIER - revi:r znw.vr.(zeldz.) Men zegt doorgaans: een water of zelfs eene Dijl.

 

rezn, rezntje

zelfstandig naamwoord

rozijn

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home

rib

zelfstandig naamwoord

rib

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iets tusse de ribbe zien te krge (HM'70) - eten, geld zien te krijgen 

Frans Verbunt - ginne stver op zen ribbe hbbe

De krmenaoj, de platte ribbe, de zult of krp, et zwoert n spk. Toe den hiel aon toe. Durreege spk n ballekebraaj. Et smdderptje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

ribbelmikske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Frans Verbunt - geribbeld (casino)brood

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - ribbelmikske zelfstandig naamwoord - casinobrood

 

riddeneere

werkwoord, zwak

redeneren

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - riddeneere

WBD III.1.4: (?) 'redereren' = idem

- riddeneere - riddeneerde - geriddeneerd

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.intr. 'riddeneren' - redeneren

 

riddere

werkwoord, zwak

beredderen, regelen

Henk van Rijen - der valt hier nog hil w te riddere - ... te regelen, organiseren CiT (106) 'Er valt hier nog hilw te riddere'

WBD III.1.2:140 'rondridderen' = druk heen en weer lopen (rttereere) 

WBD III.1.2:141 'ridderen' idem

WNT REDDEREN, RIDDEREN - l) Hetzelfde als REDDEN l) in orde brengen, voor elkaar brengen; opknappen, opruimen; 2) uit een moeilijke situatie helpen, in veiligheid brengen, voor ondergang behoeden

 

riddermajoor

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - iemand die weet hoe alles gedaan moet worden maar zelf geen hand uitsteekt

Verbastering van 'redderen'? 

WNT REDDERMOER - vrouw die altijd aan het redderen is. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. riddermeester - persoon die alles bereddert

 

riek, riekske

zelfstandig naamwoord

mest- of hooivork 

WBD mestriek, ook genoemd 'riek'

MP gez. Meej ginnen riek te voejere zn. (Van kwaadheid niet willen eten.) 

MP gez. Amml zk p ene riek

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Meej ginnen riek te voejere

Ik was mee ginnen riek te voeiere. [Ik was onuitstaanbaar, niet te genaken] (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Cees Robben Ge lpt er mee ginne riek deur... [van een degelijk kledingstuk; onverslijtbaar]

Lechim - ...onze Paa die is van giestere aaf/ meej ginne riek te voeiere. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gedaon meej et goej lve)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et trkt erop as zk p ene riek ('47) - het lijkt nergens op

WNT RIEK l) In den landbouw: vork met drie (somtijds vier of ook twee) hetzij ronde hetzij platte tanden, voor verschillende doeleinden.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RIEK, eene hooivork f mestvork; 

Kiliaan: = furca tridens, ter onderscheiding van een 'gaffel', die tweetandig is.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ri.ik, znw.m. riek

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RIEK znw.m, niet v. - drie- of viertandige vork.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - riek zelfstandig naamwoord - riek

 

riem

zelfstandig naamwoord

riem

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - naa de riem vant gat is (HM'70)- nu de moeilijkheden voorbij zijn. (Bedoeld is de riem waarmee geslagen wordt.)

 

Riesj

eigennaam

Hotel Riche op het Heuvelplein.

Audio-opname 1978 -- Die paoskoeje zogezeej dan, daor gingde meej rond, n ge moester meej dur de Heuvelstraot n dan bleefde staon bij Riesj (Hotel Riche) vur de deur want dan ging den baos, die leeverde daoraon witte wl, n die ging daor en ptje bier vatte n assie dan trugkwaam, dan mogdet ok en vatte! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

riggeleteur

zelfstandig naamwoord

regulateur 

WBD riggeleteur (II:1041) - regulateur (ook; reejgelateur)

 

rij

uitdrukking: 'in de rij zn' - blijkbaar gezegd van vrouwen die onlangs bevallen waren; zie de vindplaats; niet elders aangetroffen (2013)
Anoniem 1959
Nillus ha zis klne bluukes,
daor ware twee platte kender bij,
Jaans moes nog w zuutjes aon doen,
was pas efkus in de rij.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)


rije

werkwoord, sterk

rijden 

B rije - reej - gereeje 

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - rije

Van Delft - "Het is met haar rijden en omzien." Dit is: Zij is zeer bij de hand. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Pierre van Beek Met een vrouw, waarmee het "rijden en omzien" is, heeft men het getroffen want die gaat voor bijdehand door. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaa, dan reeje we sondags dan hier es nr toe n dan daor es nr toe, dan es nr Rotterdam n dan wir es en nd vrder n zo n dan, n dan gong we nr de Acht Zaligheden zo n dan din we zo w rondrije zo, en liefhbberij zo mar es, h. Ik had em eigelek zo mar vur de liefhbberij! Klik hier om dit bestand te beluisteren

WBD (Korvel:) mis rije - mest naar de akker brengen

WBD (Hasselt:) gier rije - gier uitrijden

WNT RIJDEN, in de spreektaal, de gemeenzame schrijftaal en het rijm ook RIJEN

Sinterklaas

- uitdrukkingen: 'op tffel rije' - in de nacht van 5 op 6 december de geschenken brengen op de cadeautafel; 'in de schoen / klomp rije' - sinterklaas laat kleine cadeautjes achter in de schoen die de kinderen gezet hebben.

En 't wier dan Siendereklaos, - ik zal et nooit vergeten! - de heilige Man ree heel veul suikergoed en koek (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Mijn irste broek, 1941)

- Dan had Siendereklaos op tffel gereeje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

Reacties op de website 'Je bent een echte Tilburger als...' - Onderwerp: 'Je bent een echte Tilburger als... je geen sinterklaasinkopen doet maar... gaat klotteren in de ondergrondse!' (gestart 28 februari 2013)

Danielle van Son - En dat sinterklaas op 'tafel reed' dat is in de rest van Nederland niet echt bekend.
Desiree van Doremalen - Klotteren in de parkeergarage heel gezellig. En Sinterklaas die op tafel reed kennen ze behalve in Limburg [Tilburg?-red] nergens. Mijn man uit Rotterdam wist niet wat ie hoorde Sint die op tafel rijdt!!! Wat doet ie dan...
Dorri Eijsermans - Ja! Klotteren; n van de leuke dingen van Sinterklaas. Spannend, ook! En, inderdaad, toen wij nog in de Sint geloofden, "reed" hij op tafel. En niet alleen bij ons; hij had ook op oma's tafel gereden! Voor alle kleinkinderen...
Marga Mols - Ik woon al jaren in Den Haag, maar een Sint die op tafel rijdt kennen ze hier ook zeer zeker niet!

klttere

 

Andere betekenissen

WBD van een koe: bronstig op een andere koe springen, ook 'brulle' genoemd

Hij rijdt em - hij is kwaad, opgewonden 

Sjonge sjonge w zoj em rije! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

WBD III.4.2:25 'rijden', ook: 'bespringen', 'dekken'

Pierre van Beek - laote ligge rije - laten slingeren 

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rije ww - boos worden; geschenken brengen

 

de Rije

zelfstandig naamwoord, toponiem

Rijen (deel van de gemeente Gilze-Rijen)

 

rijkncht

zelfstandig naamwoord

degene die een paard en wagen ment

Audio-opname 1978 -- mar toen zaate ze zonder rijkncht te kke n ik ha ng not meej paard n kar gereeje n d was toevalleg ok ng zon rtzak okdie sloeg van veure n die sloeg van aachtere dus as ge daor nie opltte koste en opsoodemieter krge! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

rijnaogel

zelfstandig naamwoord

WBD (II:2818) 'rijnaogel' - schamelbout / draaipin van een samengestelde kar

 

rijtg

zelfstandig naamwoord

rijtuig 

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - 'n nij rtuig mid 'n aauw prd er veur

 

rikkemedaosie

zelfstandig naamwoord

uit Frans 'recommendation', aanbeveling

'n kaoi rikkemedaosie, een slechte aanbeveling (na ontslag); titel van een Tilburgs gedicht door een onbekende auteur (1959) -- voor de volledige tekst

Gedicht ''N kaoj rikkemedaosie'

- daor hedde plezier van en gemak, en rikkemedaosie en gezellighei en k weet nie wt al nie meer. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Henk van Rijen - aanbeveling

Bosch rikkemedaosie - aanbeveling 

WNT RECOMMANDATIE, recommendatie

 

rikraoje

werkwoord, zwak

geen beslissing durven nemen (?) 

Henk van Rijen - niet kunnen besluiten (speciaal bij kaartspel)

Millingen: zich beraden wat te doen

 

riks

zelfstandig naamwoord

reeks 

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - rikse (meervoud)

risico
Robben varieert op de Engelse verzekeringsterm: all risk
Cees Robben Hij [de auto] is nog alle riks werd.. (19681101)
 

rillebille

werkwoord, zwak

rillen

Van Beek - Hij leg te "rillebillen" van de kou. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

rillek(e)

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

redelijk

Ze stellen et er rillek goed. - Ze stellen het er tamelijk goed. 

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'rilleke', zi Paulus (D16) zeispreuk: Het kan door de beugel 

Daamen Handschrift (1916) - "rilleke - redelijk, tamelijk"

Cees Robben [Vraag van een vriend aan een zieke] Hoe is ter meej bruur...  Rillekes Jan.. Rillekes... (19600212)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RILLEKE - redelijk, tamelijk (zie ook blz. 63)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rillek bijvoeglijk naamwoord - redelijk

 

rillekwie

zelfstandig naamwoord

relikwie, reliek (lichaamsdeel of voorwerp dat herinnert aan een heilige)
uitdrukking: de rillekwie vereere, figuurlijk: een kusje geven, zoals gelovigen relikwien aan de lippen drukten
Cees Robben Mar maag ik dan de rillekwie verre..? (19840406)
Een variant op deze prent bevestigt het kussen:
Cees Robben Dan zal ik de rillekwie wel kussen... (19840406) [Waarom er twee versies van deze prent bestaan is onduidelijk.]
In beide varianten verwijst Robben waarschijnlijk naar het kussen van het achterwerk. Zie voor die zinspeling ook ►bedllie
Cees Robben En [ik] kus (...) vur de zovvelste keer devoot en mee smaok/ t reliekske vol Fraanse kejak... (19700102)

Henk van Rijen - rillekwiekes mar gin rillekwiekus

Mar meej en rillekwie van ieder laand. (Henritte Vunderink, Jong zn, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD (III.3.3:58) rillekwiekasje = relikwiekastje

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rillekwie zelfstandig naamwoord - relikwie

 

rils, rilze

zelfstandig naamwoord

rail; rails

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'rels' (plur.)

R.J. ''n koei van de rils jaogen'

Cees Robben - Prent van de Week - De rils ligge der al.

meervoudsvorm in het enkelvoud; in meervoud stapelvorm 

WBD III.3.1:409 'rails' = rails, spoorweg

WBD III.3.1:409 'railsbaan' = spoorweg

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - rils, resp. rilse(n), waarnaast ook 'rails', 'riels,rails' - rails

 

rimmestraans

zelfstandig naamwoord

remonstrans, monstrans; liturgisch voorwerp van zilver of goud waarin de hostie zichtbaar uitgestald wordt ter aanbidding en verering

...gouwe en zilvere miskelken, cibories, Rimmestraanze enzoovort. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

rimmetiek

zelfstandig naamwoord

rheuma(tiek)

Cees Robben Om rimmetiek te weere (19570706)

Piet van Beers Plannen zat: En ons Keej,... draogt vur der rimmetiek/ naa wrme onderbroeke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Vur snaags hamme AaBee. Wolle deekes. Goed vur teege de rimmetiek. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD III.1.2:305 'reumatiek' = reumatiek

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw. en bijvoeglijk naamwoord 'rimmetiek'; znw.o. reumatiek 

WNT RHEUMATIEK - naast RHEUMATIEK komen een groot aantal vervormingen voor, o.a. ram(m)atiek, ro(e)matiek, rimmetiek.

 

ring, ringeske

zelfstandig naamwoord

ring

gez. Henk van Rijen - meej ne smalle ring getrouwd zn - het niet zo nauw nemen met het huwelijk

Dirk Boutkan (1996) - verkleinwoord: ringske (blz.53) (vorm, gereedschap); ringetje (vinger)

WBD III.1.3:263 'oorring', 'oorbelletje', 'belletje' =oorring

WBD III.4.4:229 'ring' = cirkel

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RINK znw.m. -ring, fr. anneau; in den rink komen - komen vechten.

 

ringeloore n blkstarte

uitdr.

Pierre van Beek - dreigement met een manier van straffen (inhoud onbekend) 

Henk van Rijen - oren ringen en staart afknotten

WNT RINGELOOREN - l) Eig. van sommige dieren ... 2) oneig.: meestal van menschen: bedwingen, in bedwang, in toom houden, kort houden, klein houden, 'ringelen' enz. z.a.

 

rinkelrojer

zelfstandig naamwoord

Van Beek - Ouderen zeggen nog wel ooit: "'t Is een echte sjappietouwer" (of sjanfoeter), waarmee ze een straatslijper bedoelen, waarvan iedereen last heeft; een gemene kerel, 'n doordraaier, 'n lanterfanter, 'n lichtmis, 'n rinkelrooier, 'n sjappie. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

ringspinmesjien

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - snelwerkende fijnspinmachine

 

rink

zelfstandig naamwoord

ring

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - rink (krt.38)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
rink, znw.m. 'rink' - ring

Goem. RING - rink

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RINK zelfstandig naamwoord m. - ring, fr. anneau; in den rink komen - komen vechten

WNT RING (Mnl. rinc)

 

rinnewaosie

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - ravage, schade

 

ripfluuwel
 WBD II.4. p. 884 Geribde fluweelachtige stof'. Van Dale zegt bij manchester": Zwaar geribd of glad katoenfluweel, inz. voor werkkleding (genoemd naar de Engelse stad)".
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij manchester": Ribs-fluweel van zware kwaliteit. Zie ook fluweel. Toepassing o.a. voor werkkleeding."
het type mansjester, K 183 (= Tilburg)
►zie ook mesjster

 

ripke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

reepje

WBD ripke (II:918) - reepje, stuk (afgesneden) weefsel, ook 'koepnneke' 

WBD III.2.3:50 'reepke' = lapje spek 

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 53) rep - ripke

 

rippereere, rppereere

werkwoord, zwak

repareren, herstellen

Ene avend in de week kwaam Piet de schoenlapper nog aaltij bij ons n, om de kepotte schoen te rippereren. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

as gij d nou es rippereert... (Henritte Vunderink; Enen appel; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

rippertwaar

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - repertoir, lijst

 

rippeteere

werkwoord, zwak

repeteren

R.J. 'ik probeer en ik rippeteer'

Naar fr. 'rpter', met verkorting v.d. 1e en reductie v.d. 2e vocaal

 

rippetiesie

zelfstandig naamwoord

repetitie 

GD.06 ons Sjaan is venaovend nr de rippetiesie

Naar fr. 'rptition'


rips
WBD II.4. p. 885 Van Dale zegt bij rips" (ook: ribs" en ribbetjesgoed"): Dichtgeweven geribde stof (oorspr. katoen, later ook van andere stof); ribbetjesgoed; zijden rips." Zie ook het WNT bij rips"(l).
rips/ribs: rips, K 183 (= Tilburg)

ripszij
WBD II.4. p. 885 ripszij(de)/ribszij(de): het type ripszij(de)/ ripszij: K 183 (= Tilburg)
 

De ripsnijder; hij 'ript' de 'repen' voor de kuiper. De repen waren van hout of ijzer.

ript

werkwoordsvorm; persoonsvorm
reept, hoepelt

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'repe', met vocaalkrimping

 

ripte

verleden tijd van repe

hoepelde

 

riske, risje

zelfstandig naamwoord, verkleind

Henk van Rijen - rijtje

WBD III.2.3:152 'ris', 'rist', 'rits' = tros vruchten

WBD III.4.4:307 'op rij zetten' = idem

WBD III.4.4:308 'ris' = rij of reeks; 'riske' en 'rits' idem

 

rissele

werkwoord, zwak

WBD III.4.4:246 'risselen' = ritselen

 

risteraosie

zelfstandig naamwoord

restauratie

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

rits

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - vrouw die alles heel vlug doet

WBD III.4.3:267 rits - perzikkruid (Polygonum persicaria)

- p rits - op stap

WBD III.1.4:378 'in ene rits' = in alle haast 

WBD III.1.4:399 'het rits hebben' = geen rust hebben 

WBD III.2.5:152 'rits', 'ris', 'rist' = tros vruchten WBD III.4.4:308 'rits' = rij, reeks

Ons Sjaan is iedren dag op rits. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: KLOTTERE...)

Stadsnieuws - Ons wrkvrouw is me tch en rits: meejdsse binnen is, staoget hs al op zene kp (170906)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
rits III, znw.m, 'rits' - de daad v.h. ritsen: Hij is aaltn op s'ne rits. 

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RITS bw 'rits zijn' - alles verloren hebben; weg, verdwenen, vertrokken.

bijvoeglijk naamwoord

WBD geslachtsdrift vertonend (van een koe), ook 'brsteg' of 'stiereg' genoemd; handschrift K 183 = Tilburg: 'rits (ritsig, tochtig)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
rits IV, bijvoeglijk naamwoord 'rits' - 1) tochtig (vooral v. geiten gezegd, soms ook wel v. manzieke meisjes en vrouwen en verder v. manlijke wezens): 'n ritse gaet (van een meisje gezegd).

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RITS(CH) bvw - ritsig, bokkig, paardriftig, sprek. v. eene geit.

WNT RITS (VII) 1) eig. m.b.t. de geslachtsdrift: een sterke geslachtsdrift gevoelende, geil, in groote mate wellustig, dartel, wulpsch

 

ritse

werkwoord, zwak

snel, nerveus en bedrijvig ergens heen gaan

WBD III.1.2:90 'ritsen' = weggrissen; ook: 'gritsen, ratsen'

WBD III.1.2:l49 'ritsen' = door een staand gewas lopen

WBD III.1.2:157 'ritsen' = beweeglijk rondlopen; ook 'rondritsen'

WBD III.4.4:305 'ritsen' = rijgen; 306 'ritsen' = afritsen

ritse - ritste - geritst 

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RITSEN - vlug loopen, vliegen, snel door de lucht varen. 

WNT RITSEN (IV) Van het in z.-nederl. dialectwdbb. voorkomende 'ritsen': "wegloopen, ijlings, stillekens heengaan, opstelen, vluchten, wegsluipen, wegvluchten, vlug loopen enz. is verwantschap met 'rijden' hoogstwaarschijnlijk. 

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww. intr. 'ritsen' - vlug en licht lopen. 

Goem. RITSEN - ritse wkw (rg.) - hard loopen 

WNT RITSEN (IV) ... zich wegpakken, maken dat men weg komt, er van door gaan

 

ritterere

werkwoord, zwak

De Wijs -- W rittereerde gij toch ammaol hers en geens (onrustig heen en weer lopen) (20-03-1968)

Ik heur de musse in de geut/ hrs n geens rittereere/ mnnekes aachter de pupkes aon/ om rap iets te prebeere. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De goeie kaant t)

 

rizzeltaot

zelfstandig naamwoord

resultaat

...not hagget rizzeltaot... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daklos)
 

rdsel, rdseltje

zelfstandig naamwoord

raadsel

R.J. 'raodseltje'

 

rdselchteg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - 'rtselgteg' - raadselachtig

 

rdslid, rdsleeje

raodslid

zelfstandig naamwoord

V raadslid

V alle rdsleeje zaaten in van die grote rtsleeje Henk van Rijen - 'raotslit'

 

roeddoe
schooier, onverzorgd persoon
Ze zaag den professor veur 'nen schooier aon en d was ze nie kwaolik te nemen want hij ha z'n eigen al 'n week lang nie meer geschoren en hij liep er as 'nen echten roeddoe bij. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)
WNT -- RAU(W)DAU(W), RAUWDAUWER , znw. m., mv. -s. Uit eng. row-de-dow `tumult, gevecht' (V.D.E.W.2). Ruwe, stoere kerel; mannetjesputter. Rau-dau, ENDT, Barg. Wdb. [1972]. Rouwdouw, V. DALE [1976]. De geweldige overwinning die de Sowjet-ijshockeyploeg behaalde op het ploegje rauwdauwers dat de Verenigde Staten naar Grenoble gestuurd hebben, Groene Amst. 2 Maart 1968, 13 e.

 

 

Schilderij van William Orpen - In het washuis

roefel

zelfstandig naamwoord

1. wasbord; bedrag 

WBD (III.2.1:329) roefel - wasbord 

- uitdr. de volle roefel betaole - alles tot de laatste cent betalen 

Jan Naaijkens: Naast de plee bevond zich onder een half open afdak het washok, dat het domein van moeder was. Er stond een grote, zwarte ketel waaronder met musterds een vuur gestookt kon worden. Er werden soms aardappels voor het varken in gekookt, maar als regel ging de was erin. Die werd goed ingesmeerd met groene zeep en dat was nodig, want er werd maar eens per week verschoond. Er ging houtzeep bij en Sunlightzeep en bij wit goed een zakje Reckitts blauw. Dan ging de was in een kuip en met opgestroopte mouwen en druipend van het zweet, haalde moeder het nog warme goed over de roefel.

Vruuger waaste ze meej de roeffel... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

WNT Roffel I -- Een in N.-Holland [Nederland] bekend woord voor: oneffenheid, rimpel, bobbel. Verg. daarnaast (met langen klinker) het bij KIL. voorkomende ruyffel: ruga. Buiten het Ndl. behooren hierbij waarschijnlijk eng. ruffle: oneffenheid, rimpel, ruff: rimpelkraag. Misschien verwant met Robben; (...) Hij het roffels in zen gezicht, BOEKENOOGEN. Zoo pas was 'et ijs mooi, maar nou moeten we 'en heel end over de roffeltjes rijje, Ald.
Bosch -- roefel - geribbeld metalen wasbord 

2. slaag

Damen -- Handschrift (1916) - 'hij kreeg roefel' (slaag)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - roeffel zelfstandig naamwoord - wasbord, bedrag, slaag

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - rufel, znw. roeffel - in de verb. 'roeffel krege' - slaag krijgen. 

WNT ROFFEL IV,2: in Zuid-Ned. bekend in de zin van 'slaag' . Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROEFEL znw.m. - rammeling, vracht slagen. Roefel krijgen; hoop, menigte; pak, lukslag; vangst.

ZIE volgende.

 

roefele

werkwoord, zwak

wrijven, strijken (nogal hardhandig) 

roefele - roefelde - geroefeld 

Cees Robben Akkoe saoves over oewen ruggestrang roefel... (19650514)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROEFELEN - aframmelen, ranselen; de trom roeren

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'roeffelen' - roffelen, een roffel op de trom slaan 

WNT ROFFELEN III, bedr. (en onz.) zw.ww. 2) In Zuid-Ned. is gebruikelijk 'roffelen' d.i. 'roffel geven' slaag geven. ROFFELEN IV, 2) slaan, ranselen, rossen. Z.a.

 

roej

zelfstandig naamwoord

roede, lengtemaat = 5,75 m (Verhoeff) = 20 voet van elk 10 duim roede, b.v. gordijnroede 

Pierre van Beek - vlaktemaat van +_ 33 m2 (Verhoeff: 33,06 m2) 

Van Delft - - "As we dan goed misten, dan haolen we een vat van de roei, de zetters en verrekeseirepul nie meegerekend, nee alleen een vat eeters", zoo keuvelde een Hasseltsche huiswever (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

MP gez. Hij hlden en roej vur zen ge gat. 

WBD roede (oppervlakte-maat) 

Pierre van Beek - Hij heej zen liste roejke ingeslaon - hij ligt op sterven 

DANB roej (locale landmaat)

Audioregistratie 1978 - Gij ht et nouw oover enen buunder, h, mar ge had vroeger lupse n ge had en roej ok, h. D waare ok maote van, van die dingen, h. En roej rappel, ik weet nie hoe, was d gin aacht meeter f zo? Zeuve, zeuve meeter zeuvenentaacheteg! n, n, n, n, n lupse? En lupse was en zisde prt van enen hktaare! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - der et roejke ingeslaon hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - de laatste adem uitgeblazen hebben (Weverstaal: afronding van de zaak. Een roede in de sprong van de ketting betekende dat de wever een stuk op het getouw af had. Daarlangs werd dan het stuk afgesneden.) 

WBD roej (II:999) vitsroede; ook: flsroej

- korte oe

WBD krsroej (II:1009) - kruisroede (onderdeel weefgetouw) 

WBD flsroej (II:1009) - flesroede; ook: 'roej'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
ruj, znw.vr. 'roei' - roede l) twijg (mv. roei en roeie); 2) oppervl. maat.

Goem. ROEDE - ruj, znw.vr.: van (met) de - krijgen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - R0EI znw.v. - roede, fr. verge

WBD (III.2.1:72) roej - roede (m.n. voor traploper)

WBD roej (II:1020) - roede; roetje

WBD klmroej (II:1020) - klemroede: sluitroede

WBD roej (II:1021) - roede: aanrijgstok

WBD lmroej (II:1023) - lijmroede: platroede; ook: lmstk

Henk van Rijen - de roej is van de kont - het gevaar is geweken

 

roeje

werkwoord, zwak

roeien; fig. leven 

Pierre van Beek - niet lang roeje - het niet lang uithouden

 

roelt

zelfstandig naamwoord

WBD roulette: het tandwieltje, al dan niet afgeschuind, waarmee men kanten en zolen van figuurtjes voorziet (II:782)

 

roesje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

roux

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD (III.2.1:364) roesje = roux, ook genaamd 'maizenapap'

 

roest

zelfstandig naamwoord

hoenderstok

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): k Heb grooten vaok , kom nao de roest

Cees Robben [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)
Cees Robben ...en [het vogeltje] van de roest viel van verdriet... (19600603)

WBD kieperoest - kippenzolder

WBD hnneroest, (Hasselts:) roest - kippenhorde (een latwerk, vaak niet meer dan een oude egge, opgehangen in de achterstal, bereikbaar langs een kippenladdertje, voor de kippen dienend als slaapplaats)

WBD III.4.4:154 'roest' = kwartszand

WBD III.4.4:200: 'roesten' = blijven hangen

WNT ROEST (II) l) de rust- of slaapplaats der hoenderen; idem van andere vogels; 3) te roest gaan - gaan slapen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - rust, znw.m. 'roest' - latwerk in het hoenderhok waarop de hoenders slapen. 

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROEST, RUST znw.m., niet v. - hoenderrek, staak waarop de hoenders slapen.

 

roestpraatje

Zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm.

Uit Roest, zie aldaar, + praatje.

Een praatje voor het slapen gaan.

- WTT 2017 - In 1867 verscheen op 5 oktober in het Weekblad van Tilburg een berijmde tekst van ongeveer 60 regels onder de titel Een roestpraatje. Het is een dialoog tussen een boer en diens vrouw in het dialect van Hilvarenbeek. Ze bespreken het wel en wee van hun dagelijks bestaan. De inzet is van didactische aard: dialectische woorden en uitdrukkingen behouden voor een groter publiek. De auteur van het rijm wordt niet vermeld, wel de naam van degene die de tekst aan het weekblad heeft aangeboden als ingezonden stuk: Jan C. van Alfheim (waarschijnlijk een pseudoniem). Een roestpraatje werd echter herdrukt in de driedelige verzameling met teksten uit zeer veel regio Van de Schelde tot de Weichsel (1882), en daarin wordt de auteursnaam wel gegeven: Hendrik Broeders, een schoolmeester uit Hilvarenbeek. De versie in Van de Schelde tot de Weichsel is overigens een tiental regels uitgebreider dan die in Weekblad van Tilburg. Waarschijnlijk is dit de oudste dialecttekst die in Tilburg in druk is verschenen. Het gedicht eindigt met de woorden van de boer:

Madorrie! t is al laot, ons klukske sleu daor tien,

k Heb grooten vaok , kom nao de roest, t sa, gaauwkes, hurre Trien!...

 

roetse

werkwoord, zwak

zich snel verplaatsen

Pierre van Beek - D wf roetst ooveral p aaf

WBD III.4.4:306 : 'afroetse' = afritsen, ook 'afratsen'

roetse - roetste - geroetst

 

rfke

wondkorstje (verkleinwoord v. Ned. roof) 

Henk van Rijen - 'rofke'

WNT ROOF (III) l) schurftachtige uitslag; 2) korst op een wond, op een zweer of puist. In verkleinvorm 'roofje'

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

 

rfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - ruifje

 

rg

zelfstandig naamwoord

rogge

WNT ROGGE, in vele streken ROG

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROG znw. meest m. - rogge

voejerrg - rog bestemd voor veevoer

Audioregistratie 1978 - Asseme graon op et vld han staon n d was dan rg n d rg wrd binnegehld mar dan  moeste van de tien hope, er wrre vier n vier gezt, moester ene laote staon! n d was tiend! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hier groeit rg op de opkaomer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd bij het zien van rogge op een hooggelegen akker

WBD I:1403 rogge: koore, rog

WBD III.2.3:141 'roggemelepap' = roggepap; ook 'meelpap'

 

rggebrod

zelfstandig naamwoord

roggebrood

Dan snee ze [moeder] irst de witte mik/ En 't kuntje daorvan d krg ik / De smaok daorvan vergeet ik nt/ Nao alle daoge roggebrood. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

WBD rggebrodmesjien - machine om roggebrood-deeg te maken

WBD III.2.3:187 'roggebrood' = brood van ongezeefd meel

Wikipedia 2012 - Roggebrood was vroeger in Nederland voor velen naast aardappels het hoofdvoedsel. Er zijn verschillende streekrecepten die onderling flink verschillen. Hoofdzakelijk zijn er twee soorten: Fries en Brabants roggebrood. Fries roggebrood wordt voornamelijk van gebroken roggekorrels gemaakt en Brabants roggebrood van gemalen rogge.
► brod (tarwebrood)

► mik (tarwebrood)

► mlkbrod


rgt

zelfstandig naamwoord

onkruid, wildernis, ruigte, wildgroei

Zenen hf was niks as rgt. 

WNT RUIGTE, ook RUIGT - 2) alles wat in de natuur wild door elkander groeit, wild gewas

Daamen Handschrift (1916) - "rcht - onkruid" 

Van Delft - - In een slechte weide groeit "veul dings" (veel onkruid) en op een "vuilen ekker groeit veul rugt". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Naarus - innen hillen bos mee allerhande ruigtzaod vur mn knorries (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

De Wijs -- (Gehoord van een volkstuinder:) munne rooie kl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zn nog nie bekwaom (17-08-1964)

Cees Robben t Is paone en tis enkelt rcht.. (19600219)
Cees Robben Munne spinaozie stao vol rcht... (19640918)
Cees Robben - ...wol mee rcht.. of wol mee kemkes... (19560630)

Toorians - En as de kraaie kaauwen/ in p'rtaaien-in de bme/ en de rgt al rot begient te stinke; (Lauran Toorians; Njaorsaovend; CuBra; 200?)

Sjef Paijmans In de sloten en grachten gingen we: "Ruigt" draaien. Deze sloten en grachten waren onder water bijna dicht gegroeid met allerlei waterplanten. Vooral met waterpest. Met een schepnetje had men weinig succes. Daarom werd er in die sloten alleen maar:"Ruigt
gedraaid". Hiervoor werd een dikke tak gezocht, liefst met nog wat uitsteeksels van oude takjes er aan. Die tak werd dan in die dichte begroeing van waterplanten gestoken en paar maal rond gedraaid en dan uit het water getrokken. Op de slootkant werd dan goed
nagekeken wat er allemaal tussen die waterplanten mee omhoog gekomen was. Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. De viskesfreters en torren werden in een glazen pot mee naar school genomen voor de frater, die ons tijdens de natuurkundeles vertelde hoe deze waterdiertjes allemaal heetten en hoe nuttig ze waren. ('Herinneringen' - CuBra, ca. 2001)

WBD rgt gge - onkruid uiteggen 

WBD I:1484 wikke als onkruid: 'wikke', 'rcht'

WBD III.4.3:217 rgt - onkruid; ook genoemd: onkrd, bocht 

Dirk Boutkan (1996) - (blz.34) 'rgt', 'rgte', 'rgte'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUIGT (uitspr. rcht) znw.v. - uitschot, bucht, iets dat klein en gering is; allerlei afval van hout, stroo, onkruid enz.; slecht volk, gepeupel Van 'ruig' met vocaalkrimping vr suffix)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUIGTE, voor heeschheid, schorheid; somtijds voegt men daarbij 'in de keel'; z.a. 

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RUIGTE (rgt) m - wildgroei, onkruid: rgt plukke. 

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. vr. 'ruigt' - ruigte

 

rgveld

zelfstandig naamwoord

roggeveld

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: Toen ze 'n hil nd gegaon waar, sloeg ze links vaan den stinweg 'n pdje in, d deur 'n rogveld liep.

 

rgzaajer

zelfstandig naamwoord

WBD (handschrift K 183 = Tilburg) - oud versleten paard 

Damen Handschrift (1916) - "rogzaaier - een oud mager paard"

 

rjbraoke

werkwoord, zwak

radbraken

- rjbraoke - rjbrkte - gerjbrkt (in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rojbrkt)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'raaibraken' (< radebraken) - radbraken

 

rjmaoker

zelfstandig naamwoord

WBD (II:2694) 'rojmaoker' - rademaker

WBD (II:2694) 183 b (Hasselt): 'rojmker (en/of) raojmaoker?'

 

rk

zelfstandig naamwoord

rok

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij heej daor nen baoje rk binnegegoojd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als een fabrikant een niet onverwacht bezoek aan een arbeidersvrouw aflegde

 

rkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

rokje 

R.J. 'waaierige rkskes'; 'hij hefte heur rkskes'

verkleinwoord van 'rok' met umlaut

Van Beek - Van iemand, die op de laatste zondag, dat er gelegenheid bestaat tot het vervullen van zijn Paasplichten, ter H. Communie gaat, hoorde ik zeggen: "Hij gaat met de rooi rokskes", terwijl een ander zeide: "Hij gaat met strooi in 't haar". (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

rokt

werkwoordsvorm; persoonsvorm
rookt

As ie rokt, rkt ie van de ws

uitdr. Et rokt er - het is er niet pluis

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'rooke', met vocaalkrimping

 

rkt

werkwoordsvorm; persoonsvorm

raakt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) raoke - hij rkt

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'raoke', met vocaalkrimping

 

rkt

werkwoordsvorm; persoonsvorm

ruikt

tegenwoordige tijd sing. 2e + 3e pers. van 'rke', met vocaalkrimping

 

rolle

werkwoord, zwak

rollen 

rolle - rolde -gerold

WBD (van een paard) zich over de rug wentelen en met de benen in de lucht klauwen 

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand rllen as nen vrdagse gaorenbom (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1979) - iemand erdoor halen (Vrijdags werden de stukken van de doekboom gerold, waar ze tijdens het weven omgedraaid werden, om ze 's zaterdags bij de fabrikant in te leveren.)

 

rollekesvles

zelfstandig naamwoord

rolletjesvlees; waarschijnlijk: blinde vink

...savoyen, abricozen, koud rollekesvleesch mee houtjes erin... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

 

rlt, rlde

werkwoordsvorm; persoonsvorm

ruilt, ruilde

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'rle', met vocaalkrimping

 

rmde(n)

verleden tijd van 'raome'

Henk van Rijen - raamde(n)

 

rmde(n)

werkwoord, zwak

ruimde(n) 

Cees Robben - Prent van de Week - dan rmden ik de kat op;

verleden tijd van '(op)rme'

 

rmke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van raom

raampje 

WBD driehoekig raam om de nek van een kalf, ook genoemd 'raom' of 'juk'

Cees Robben - Prent van de Week - der moet en gerdntje vur et rmke koome 

Oudere uitspraak

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - raom - rumke (u als in mulder = mlder)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - rumke: de u = aan de oeu in boeuf, oeuf - zttet rmke mar oope

verkleinwoord van 'raom', met vocaalkrimping

WTT 2012 -- Deze uitspraak met gekrompen vocaal (rmke in plaats van rmke) wordt bevestigd in een interview met Hein Quinten door Paul Spapens: "Hij praat vol vuur over de nicht die 49 jaar geleden naar Duitsland emigreerde en die hij onlangs nog eens heeft bezocht. Bij zijn nicht ontdekte hij in de praktijk een bekend fenomeen, namelijk dat dialectsprekers in den vreemde de oorspronkelijke taal zijn blijven spreken omdat ze nooit zijn benvloed door bijvoorbeeld radio en televisie. Met andere woorden, wie nog origineel Tilburgs of Goirles wil horen, moet elders zijn. Ik zeg rmke tegen een raampje, zij zegt rmke. Toen ik het hoorde dacht ik: ja, zo zei onze pa dat vroeger ook. (Uit: Goirles Belang 19-12-2012; Hein Quinten is HaaQuu van Goirles Belang (1)

 

romkooker

zelfstandig naamwoord

melkkoker

 

rommel

zelfstandig naamwoord

rommel

WBD rmmels (Hasselt) - bellen aan het haam, ook 'blle' genoemd

WBD rmmels (Hasselt) - bellen aan het hoofdstel

WBD III.3.1:94 'rommel', 'bocht, rotzooi' = onbruikbare voorraad

WBD III.4.4:310 'rommelig' = ongeordend

WBD III.4.4:312 'rommel', 'rommelzooi' = warboel

 

rommelpt

zelfstandig naamwoord

muziekinstrument uit de volkscultuur; een pot met daarover een varkensblaas gespannen waardoor een rietstengel gestoken is. In Tilburg ook foetelpot of foekepot.

Witte gij ng van vruuger Jaon,/ hoe we op vaastenoved/ rond trokke meej de rommelpot/ ons haanden oopeschaovend? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Rommelpot)

 

rompeschompes

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - ongeluk, ongans

 

roms

bijvoeglijk naamwoord

rooms

goed roms - veel melk (in de koffie) gebruikend 

Cees Robben Wilde n schutje... [koffiemelk] Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rms... (19691017)
Cees Robben En de miste kasteleins zen nog t biste rms k... Ze dpen dren snevel nog aaltij aauwverwets... (19831007) [water bij de jenever doen]

Henk van Rijen - ek z goed roms mar slcht katteliek - graag veel melk in de koffie 

Stadsnieuws - Hij is nog romser as de paus - nog orthodoxer (310509) - Overdrachtelijk: Hij is overdreven precies in zijn opvattingen en methoden.

Agge in Tilbrg zgt dgge goed roms zt, dan kan d tweej dinger betekene. Teegesworreg mnde dan mistentds dgge en goej scheut rome in oew tas kffie lust. Mar hil wneg meense zulle daormeej naa ng bedoele dsse persies doen w de paus van Rome hllie verrdeneert. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
ro'ms, bijvoeglijk naamwoord 'rooms' - van melk houdende (vooral bij de koffie) 

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'roms' bijvoeglijk naamwoord - Rooms

 

rmscheut

ramscheut 

 

rmt, rmde

werkwoordsvorm; persoonsvorm

zie 'raome'

- tegenwoordige tijd, verleden tijd van 'raome', met vocaalkrimping

 

rmt

werkwoord, persoonsvorm

ruimt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) rme - hij rmt

- tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'oprme' (met vocaalkrimping)

 

rondbllieje
werkwoord, zwak
rondbuitelen; dat wil zeggen: rondbollen, rollen door het zand door Robben gebruikt om het buiten spelen van kinderen aan te duiden
Cees Robben [Moeder doet haar zoontje in bad:] Den hillen dag speule en rondbollin, d kunde, war... (19650514)
WNT -- Wellicht het middeleeuwsche baleren, dansen (zie VERDAM 1, 533), later beschouwd als afleiding van Bal (I), en vandaar als naam voor: 'spel van jongens te Zwolle met een bal, die door een uit den hoop wordt opgeworpen en door een ander met een hout weggeslagen'  (zie N. Mag. v. Ned. T. 3, 117).

 

rondheure

werkwoord, zwak

Ik wil wel hier en daor is vur oe rondheure mar veul kaans geef ik oe nie. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

Henk van Rijen - informeren, navragen

WNT RONDHOOREN - Al rondgaande naar iets hooren, dat men wenscht te vernemen; her- en derwaarts gaan om onderzoek naar iets te doen, rondgaan om naar iets te vernemen of inlichtingen aangaande iets in te winnen.

 

rondspldere

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - wild spelen, rondspringen

 

ronsel

zelfstandig naamwoord

rondsel, getande cilinder of klein tandrad

WBD rnsel (II:1041) - onderdeel van regulateur: ook genoemd: kamwiel, kamwieleke, wisselwiel of schaokelwiel

WNT RONDSEL, RONSEL

 

rontelom

bijwoord

rondom (= rondalom, met verscherping van de d)

Rntelm de kiejs waar veul vlk. 

Zie daor naa dien hoogen toren

rontelom in golvend koren (Piet Heerkens; uit: De Mus, Drp, 1939)

en oew haor lee fijn te kroezele

rontelom oew lief gezicht... (Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), De non, 1949)

De Wijs -- W lpen de nunnekes dr toch frt bij tegesworrig, vruuger waren ze rontelom toe (10-01-1970)

Cees Robben t bruujt rontelom... (19570309)
Cees Robben Pikdonker was t er rontelom (19590815)

Volop meziek n spktaokel/ rontelom de Heuvelstraot. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik waoget mar nie')

Haor RONTELOM - rondom

WNT RONDOM, rontom, rondsom, rontsom

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - rntelon, vz.+ bijwoord 'rontelurn', 'rontelom', - rondom

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'rontelom' vz - rondom

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - rommetom, rommedom - rondom (wnbr.)

 

rontom
voorzetsel
rondom
Cees Robben Rontom aon alle kaant... (19600715)
 

rod, roj(e)

bijvoeglijk naamwoord

rood

Henk van Rijen - roje tiest - rood hoofd

Schon rod is nie lillek. -Mooi rood is niet lelijk (gezegd van iemand met rood haar). 

Henk van Rijen - iemand meej en rooj paspoort - landloper, ex-gevangene 

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - beeter rooj haor dan blnd p en eezelskont ('71)

WBD I:1446 'rooj witbloem' = rode witbloem, bep. aardappelsoort 

WBD I:1446 'blaeke rooj' = bleke rode, bep. aardappelsoort 

Henk van Rijen - roj gerdne vuuge daor nie bij - rode gordijnen staan daar niet bij 

WBD III.2.3:177 'rode bezie', 'rode bezem' - rode aalbes

 

rof, rofke

zelfstandig naamwoord

WNT ROOF (III) 1) schurftachtige uitslag, 2) korst op een wond, zweer of puist

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis en roof van men hart (Handschrift Damen 1916) - het is een pak van mijn hart 

WBD III.1.2:267 'roof' = roof; ook: korstje 

WBD III.1.2:268 'roofje' = roof, korstje

Str. rof (2:110)

 

rojbont

bijvoeglijk naamwoord

WBD roodbont (vee)

WBD rojbnt prd - roodbont paard, ook genoemd 'vsbnt prd' of (Hasselt) 'koeprd'

 

roje

werkwoord, zwak

roje - rojde - gerojd

Pierre van Beek - de plavuizen vloer rood maken met rooisel

Pierre van Beek - de plevze roje (gebeurde vroeger in een ordentelijke woning) (Tilburgse Taalplastiek 167)

 

roj, roje

bijvoeglijk naamwoord

rood

Roj gerdne vuuge daor nie bij. - Rode gordijnen staan daar niet bij.

Dirk Boutkan (1996) - et hs is rod / roj - het huis is rood 

iemand met rood haar

Frans Verbunt - roje roje, ik zal oe goje, meej ene sten teegen oew ben, meej ene klt teegen oew snt; roje roje, de krk is t. 

Audioregistratie 1978 - Toen kwaam ik nffe de roje Lpper zitte, die zaat vur den irsten dag in de school! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - roje Stien = Christina Janssen-Quinten (blz. 45) 

ziekte

WBD III.1.2:367 'rode' = roodvonk

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - ROIJEN HOND, roden hond, - roodvonk, roodgrond. 

Kiliaen: roodjonk, roodhond.

socialistisch of communistisch

Interview met de heer De Kok (1978) Koole Bond, d was ginne rojen bond mar hij was tussenin, h KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

roje kol

rode kool

zelfstandig naamwoord

De Wijs - (Gehoord van een volkstuinder:) munne rooie kl groeit de buurt in, munne spinaozie stao vol ruigt en mun peekes zn nog nie bekwaom (17-08-1964)

Kubke Kladder - Swels had de boerin de groote schotel voor de helft gevuld mee fijne snipperkes rooie kool. (uit: Mijn volk, Een schets uit het Brabantsche boerenleven, Nieuwe Tilburgsche Courant 31 juli 1930)

Kubke Kladder - De heele inhoud wier in de schotel leeggeschud waar 't 'nen hooge rookende berg wier. Als randversiering staken hier en daar plukskes rooie kool uit. (uit: Mijn volk, Een schets uit het Brabantsche boerenleven, Nieuwe Tilburgsche Courant 31 juli 1930)

Willy van Rooy - D was nog mar vlug gegaon. Het was op 'ne maondag... hij ging in d'n hof om 'ne rooie kool af te snijen... hij gao krom... zakt in mekare en was dood. En w hedde gij toen gedaon? vroeg ik. O, zee ze... ik had gelukkig nog 'n bus mee snijboontjes in de kelder staon... (uit: Schon en lilluk, 1983)

 

rojrd

zelfstandig naamwoord

roodaarde 

WBD rojrd (II:1008)- roodaarde om mee te smetten. Z.a.

WNT ROODAARDE - aardsoort, bestaande uit een mengsel van klei of leem en ijzeroxide, roodbruin van kleur ...

 

rojeg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - roodachtig

 

rojendndrum

zelfstandig naamwoord

rododendron (azalea)

nog geen Tilburgse bewijsplaats

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) rooiendendrum...

 

rojenhond

zelfstandig naamwoord

besmettelijke kinderziekte die op mazelen lijkt (rubeolae) 

WBD III.1.2:368 'rodehond' = rodehond

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'rooienhnd' - rodehond (de bekende ziekte)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROO(D)ENHOND znv, m. - roode koorts, roodvonk

WNT ROODEHOND, oudtijds roodhond - 2) Thans in Z.-Nederl. als benaming voor een ongesteldheid of ziekte, die zich kenmerkt door huiduitslag of vurigheid van de huid ...

 

Roj Harte

eigennaam

Rode Harten, congregatie van missionarissen (o.a. in Tilburg gevestigd) die op hun pij een rood hart droegen.

Van Delft - Men spreekt hier van "de rooi harten", daarmede bedoelende de Paters van het Missiehuis van het H. Hart aan den Bredascheweg, die een rood hart op de zwarte soutane dragen bij officieele gelegenheden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Cees Robben De Rooie Harten Congregatie M.S.C. 100 JAAR! (Prent om een inzamelingsactie bij dit jubileum te steunen.) (19550514)

 

Roj Panne

eigennaam

Rode Pannen

Het (vroegere) Sint Joseph studiehuis van de congregatie van de Fathers of Mill Hill aan de Dr. Ahausstraat, gebouwd in 1914, en wegens de kenmerkende rode dakpannen in de volksmond 'de roj panne' genoemd.

 

Van Delft - Als men het St. Josephstudiehuis der Paters van Mill-Hill aan de Tongerloosche Hoefstraat wil aanduiden, en ook wel als men de bewoners van dit huis bedoelt, spreekt men van "de rooi pannen". Men weet dat dit gebouw met roode pannen gedekt is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek (over Mobilisatieherinneringen van een landweerman, door J.B.S., en C.J.M. Acket) - De schrijver wordt nu duidelijker met zijn plaatsbenaming. Hij voert de lezer naar "de Hasselt" en blijkt met "de rooi pannen", de populaire benaming voor het voormalige studiehuis van de Missionarissen van Mill Hill aan de Tongerlose Hoefstraat te Tilburg, niet onbekend.

Nu bij den pastoor in de Hasselt te gast,

Maar die had van ons al heel weinig last,

Want al die weken... ja, dat was me 'n bak...

Was 't immers dagelijks: "richting op 't rooie dak!"

O, menschen, o, als ik dat rooie dak weer zie,

Dan denk ik aan al 't zweet, vergoten daar door d'eerste Compagnie!

(uit: Mobilisatie: Gijn en pijn, Nieuwsblad van het Zuiden, 27-2-1969)

Pierre van Beek (in een artikel over Tilburgs Lied a.k.a. Van Tilburg net as ikke)

Kende de Rooi Harten wel,

Gve [gaaf, hier in de betekenis van: net] paoters, 't is m'n stel,

De Rooi Pannen in de haai,

Den Awen Dk [Dijk], de Koningswaai...

(Specifiek Tilburgs Liedje, Nieuwsblad van het Zuiden, 28-2-1970)

Cees Robben De huizen en boerderijen [in t Zand] lagen achteloos gestrooid langs de zandwegen, en alleen in de Reitsehoevenstraat vondt ge even enige regelmaat in de bebouwing. Daar had ge een rij weverswoningen tot aan de Rooi Pannen. Daar stond tegenover de oeroude

Tongerlose Hoef, mediterend in landelijke rust. (in: Bdschappen doen bij Bronsgeest, Robben en Rooms, 1981)

Elie van Schilt - is. Nie vergeten, de Rooi pannen, die hadden un gen boerderij. (in: Boeren in de stad, www.cubra, ca. 2003)

Henk van Rijen - de rjpanne - voorheen studiehuis van de St. Josephcongregatie van Mill Hill (Eng.) Dr. Ahausstraat 1 (nu r.-k. scholengemeenschap: centrum voor ondernemers-onderwijs "De Rooi Pannen"). (1998)

Jan Fontijn (over een retraite van de schrijver Frederik van Eeden in de Rooi Panne) - Op 7 augustus [1921] nodigde pater Van Ginneken Van Eeden uit voor een retraite in het Sint-Josefstudiehuis in Tilburg. Ook Brouwer en Borel zouden komen. Van Ginneken maakte hem duidelijk dat hij niet met de abdij in Oosterhout zou concurreren, waar de liturgische kant van het katholicisme geleerd werd. In Tilburg zou het over de ethische kant gaan. Twee drie keer per dag zou Van Ginneken een overweging geven van ongeveer drie kwartier, daarbij geholpen door pater Willem Kemper. Op 25 en 26 augustus was Van Eeden in Tilburg. In het retraitehuis werden jongens opgeleid tot missionaris. Het gezelschap was volgens Van Eeden een gewoon troepje, precies reizigers op een scheepsreis of pensionbewoners of sanatoriumpatinten. (Jan Fontijn - Trots verbrijzeld, Het leven van Frederik van Eeden vanaf 1901 1997)

 

rojsel

zelfstandig naamwoord

MTW roodaarde, dodekop

WBD III.4.4:163 in Tilburg ook 'roodsel' = dodekop -- Dodekop is de roodbruine aarde met veel ijzeroxide, waarmee de stijlen, balken en kozijnen van vakwerkhuizen werden gekleurd.
 

rok

werkwoordsvorm; persoonsvorm

rook (van rieken, stinken) 

Cees Robben Den wver rook naor zn getaauw (19701016)

 

rok

zelfstandig naamwoord

1. rook 

WBD III.2.1:218 'rook' = 'blaak', 'damp' 

WBD III.4.4:213 'rook' = damp, stoom, ook 'waas', 'blaak'

2. rookwaren

Et is me w - zeej Dorus triest - / ik krg gin gld mir vur rok... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D zn ze wl wille)

 

roke

werkwoord, zwak

roke - rokte - gerokt; met vocaalkrimping

Ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rokt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 40) Het postencliticum 'der' (er) veroorzaakt verkorting, b.v. ''k rok-der vier', maar (blz. 41): 'ik rok-er vier'

1. roken van tabak

Der wrdt nie veul pptebak mir gerokt. - Er wordt niet veel pijptabak meer gerookt.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rokende nr de krk is schtend nr de hl (Handschrift Damen 1916)

Cees Robben - Prent van de Week - as ge der tschaajt meej roken n drinke;

Cees Robben - Prent van de Week - niks as roken n tgaon; ok al roket er meej toere; - al is het er nu en dan niet pluis.

Interview Jolen - 1978 -  Hil men lve geroktsiegaare Jao, mar toenk ng zo min was rokte ik nie veul siegaare, het gebeurde f zo, mar siegrtte nie, die hk not gerokt!. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

2. niet pluis zijn

Cees Robben Meej vrije daogen en kaoj weer dan rket bij ons thuis... (19650507)
Cees Robben [Man spreekt:] k al rketer [tookt het er] meej toere... Mar d went van lieverleej.. (19610512)

Henk van Rijen - ok al roket er meej toere - ook al spant het er wel eens

3. roken van vlees

Het voltooid deelwoord is dan 'gerukt'

Elie van Schilt - Kwaamde bij de slager binnen en hingen er aon de haken vers gerukte hammen, worsten, ok die lucht kietelde oe neus, waordeur ge vanzelf trek kreegt. (Uit: Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger; Cubra, ca. 2000)

Assik ergens ene godsgruweluke hekel ha, dan waar et n gebakke gerukt spek b de rpel. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROOKEN - schier uitsl. gebezigd in den zin van 'in den rook hangen; hesp rooken, spek rooken, gerookt vleesch'.

 

rokwrek

zelfstandig naamwoord

rookwerk, namelijk tabak of sigaretten

Audioregistratie 1978 - Want die [Amsterdammers] hn van alles! Rokwrek! Kwatta! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Frank-Antoine Bail - Twee melkmeisjes

romboer

zelfstandig naamwoord

melkboer

Of ge naa kruienier, roomboer, kolenboer of slachter zt... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

rome

zelfstandig naamwoord

in het Tilburgs is rome altijd volle melk; koffiemelk; bij Robben ook: de kan met koffiemelk
Cees Robben Mar zulde de rme nie omstte... (19580118)
- veul rome in de kffie. 

Damen Handschrift (1916) - "rome - zoete melk: de rome zen zuur"

M rom

'n boerinneke [...] mee twee eemers versche roome, die ze pas gemolken had, et schuim stond er nog op te broezen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)
Ik zaag er [paddenstoelen] z wit as roome, z gl als boter, wir aandere z bruin as peperkoek en vettig blinkend of er ollie over gesmrd zaat... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WBD rome - melk v.h. paard ook genoemd 'zog' of 'biest'

Cees Robben Vur n bietje rme.. (19590905)
Cees Robben [de stier spreekt] Ik (...) snoepte van dn zwiers en t gras/ Dn klver en dn rme... (19600415)
Cees Robben [Onderwijzer:] As is zeg.. t land van boter melk en kaas.. W bedoel ik dan... [leerling:] t Laand van de rme den kneut en de lub, mister... [onderwijzer:] Goed, Gijs... (19701030]
Cees Robben Hij zet iedere aovend unne liter rme aon zunne kop... (19720121)
Cees Robben k al is oe rme zoer... (19540821)

Onze Vadder heej z dikkels gezeej:/ waor is zene td gebleeve? wrkt jonge, zolang agge wrke kunt/ beeter rome kunde nie geeve. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: In et zwet van oe aonschn)

Allen de koeie stn te laache./ Ze zgge: "Naa koom et pas goed, / omd iederen van den rmoei/ vort wl rome drinke moet." (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De koeie laache)

Audioregistratie 1978 - Bij ons vnte ze rome, rome hiet d, in de straot vnte, n mllek, ds karnemlk (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

DANB de rome spt t den jer van de koej 

Henk van Rijen - vur mn meude nt zolang dddere tt er rome van komt - wat mij betreft, mag je wachten tot je een ons weegt

Agge in Tilbrg zgt dgge goed roms zt, dan kan d tweej dinger betekene. Teegesworreg mnde dan mistentds dgge en goej scheut rome in oew tas kffie lust. Mar hil wneg meense zulle daormeej naa ng bedoele dsse persies doen w de paus van Rome hllie verrdeneert. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005

WBD III.2.3:134 'room' = room van de melk

Bosch romme - melk

Hees romme, roome (IV:60)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. mv. (pl.tant.) 'roomen' - melk 'Melk hiet hier rome'

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - ROME (roo:me) v - melk, dikwijls mv: d'r romen optrekken, van een koe gezegd die haar melk inhoudt; daarnaast ook van iemand die zich plotseling genoodzaakt ziet een toontje lager te zingen.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - roome = melk (krt.92)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

 

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'rme' zelfstandig naamwoord - melk

 

romknneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - melkkannetje .

WBD (III.2.1:199) 'roomkanneke' = melkkannetje

 

romkooker

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - melkkoker

 

ros, ruske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

roos, roosje

DANB die roze hbbe lange doores

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - schon is de roos, mar de doore die stikt (Si'67) - gezegd van iets dat men van tevoren als prettig beschouwde, maar dat achteraf tegenvalt 

WBD III.4.3:152 'wilde roos' = idem, ook 'wild roosje'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROOS (de o is scherplang) fr. rose; fig. bloemig meisje, meisje met fleurig, blozend gelaat.

 

rove

werkwoord, zwak

roven

WBD III.3.1:386 'roven' = plunderen, ook 'jatten'

 

rooze

werkwoord, zwak

WBD bep. ziekte bij drachtige runderen; ook genoemd 'roozeg zn'

 

rozekraans

zelfstandig naamwoord

rozenkrans

MP gez. Ik was liever zene rozekraans as zen wf.

Cees Robben Mar zo ze han geleerd,/ wier irst den roozenkraans gebid (19670428)
Cees Robben Haolt vlug den rzenkraans (19670428)
Cees Robben Dn rzenkraans kwaamp van de muur (19601111)

Lechim - zuutjes tikken in en huukske/ de kraole van ene rozekraans. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De kepl is klaor...)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - bij de kweezels moete gin rozekraanse kope, want die bidde zlf te gre (JM50)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de rozekraans (Jos Vasteravendts) (blz. 79)

WNT ROZENKRANS 3) in de R.-K. kerk: een gebedsformulier bestaande uit ... het bidsnoer (Corona sive corolla precatoria) 

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
ro'zekrans, znw.m. - rozenkrans, bep. gebed 

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'rzekrans zelfstandig naamwoord - rozenkrans

 

rozenhuuke, -huudje

zelfstandig naamwoord, alleen in de verkleinvorm

rozenhoedje, rozenkrans (abstract) 

...vur 't nor bed gaon prompt 'n rozenuke bidden (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

Mee 'nen zucht liet kapelaon Fleskes de juffrouw uit, die recht naor de kerk stapte om enkelde rozenhuukes te bidden veur den goeien afloop... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

Cees Robben t roozenhuuke.. och wen kruis (19601111)

Audioregistratie 1978 - En as dan gewoon et rozenhuuke afgelope was, dan wrd de littanie gebid n dan moeste op oew knieje, dan zaate zo op, op oew knieje op de bank teege de muur n te kke (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Elie van Schilt - Mar er waren ok kender die moessen iedere avond op hun knien mee hil de familie ut rzenhuudje bidden, de miste hadden toen nog kokosmatten op de vloer en die waren echt nie lekker vur oe knien. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

Lodewijk van den Bredevoort we hebben w rzenhuukes gebid(ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Lodewijk van den Bredevoort Iedere aovend wier daor et rzenhuuke gebid, op hullie kniens op de kokosmatten vur de stoel, waor ze op zaten, moese ze knielen. (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Lodewijk van den Bredevoort Ze voerde et rozenhuudje wir in. Elke aovend, nao den bottram haolde ze dieje kraolesnoer tevurschn en begos meej un krs te slaon en van ons wier verwcht d ok te doen. Vur dsse alles vurgebid ha waarde al gaaw wir un ketier aawer. Un ketier waorin ge oew gedaachte kost laote gaon, d opzegge gong automatisch. Zondags doemde un probleem op, s aovens waren ze der nie amml, dus wier d rozenhuudje s middags nao de soep en de pudding gebid, op zondag aate we gin rpel. De kameraoj van onze Co, die aaltij zondagsmiddags naor et voetballe ginge, ze haolde mn bruur op omdsse toch langs ons kwaame, moese dan mar wchte, d rozenhuudje moes onze Co meej af bidde. (...) Wij, brave kattelieke burgers, trokken as protest teege de Russische inval, vanaf den Heuvel in ene lange stoet nr de Hasseltse kapel.Onderwege hielde wij nie op te bidde vur de slachtoffers.Et en rozenhuudje volgde et aander op en n de litanie van Allerheiligen kwaam pas en end toen wer bekaant waare. Daor waar hil veul volk vur op de bn gekoome. Monsejeur Mutsaers hield staonde op un verhging vur de kepl ene vurige preek en wenste alle communisten naor de hel. Nao nog un rozenhuudje meej de litanie van Maria der aachteraon gebid te hebbe, wier et Aan U o Koning der eeuwen ngeheeven en gong iederen wir naor hs, nao de zeege van den bisschop.(Jo van Tilborg - Uit Kosset den brne wl trkke; dl. 2, 2007)

Lodewijk van den Bredevoort Un hil rzenhuuke, bleven we nie afwochte, daor kwamen we nie veur. We kwamen veur de snoepkraomkes. (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Henritte Vunderink -- Kwaar nog mar nt gn zitte/ toen et rozenuuken al begos. (uit: Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Tony Ansems -- Gauw 't Roozenhuuke bidde/ Die ouw vrouwkes waren snel... (De Hasseltse kapel; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Ed Schilders -- Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepl in n n rozehuuke bidde vurdmme vur en of twee cnte snuupkes mochte kope. En ik moet zgge, dan smkte-n-et ok beeter. Et joodevt, de stroopseldtjes, de drpveeters, t zuuthout, toverblle. (W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Ed Schilders -- Toen wonde bij t pleintje ok ng Virginie Doorakkers. Die waar bijna hllig, zoveul rozehuukes as die had vurgebeeje in de kepl. (W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Gerard Steijns -- Toen liepeme ng meej in de persssie n wier et rozenhuudje ng gebeeje. (Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. - rozenhoedje, vijf tientjes van de vijftien die tot de rozenkrans behoren. 

WNT ROZENHOED 2) In de R.-K-Kerk, in den verkleinvorm 'rozenhoedje'. Rozenkrans als gebedsformulier en bidsnoer.

ROOZENHUUKE

 

Roozenhuuke, perelsnoer,

schoon gebed veur heer en boer.

 

Roozenhuuke, waor 'k aon bid

as ik stil en alleenig zit.

 

's Aovonds ritseltikte trouw

ter eere van Ons Lieve Vrouw.

 

Weesgegroetjes vijf keer tien

en vijf Gloria's bovendien.

 

Op z'nen tijd vijf Vadderonzen

laot ik daor deurhenen gonzen.

 

Weesgegroetjes van geloof,

hoop en liefde die ik beloof.

 

Weesgegroetjes van berouw

via Onze Lieve Vrouw.

 

Weesgegroetjes van geluk,

blumkes die ik geere pluk.

 

Roozenhuuke. perelsnoer,

schoon gebed veur heer en boer.

(Piet Heerkens; uit: De Mus, 1939)

 

rpke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

Henk van Rijen - raapje

 

rpkoek, raopkoek

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - raapkoek, afvalprodukt bij het olie-maken

 

rpt(e)

werkwoordsvorm; persoonsvorm.

raapt(e)

- tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'raope', met vocaalkrimping

 

rs

zelfstandig naamwoord

PM graszode; bosje gras

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - ROS m - rus, graszode

WNT RUSCH (I) - rosch, ruisen; risch, resch, zelfstandig naamwoord - l) zode, graszode; b) heizode, plag, c) rietzode, losdrijvend stuk riet; 2) kluit, aarde, aardkluit; 3) grasbosje, struikje gras; enz. Z.a. 

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROS(CH), ROES(CH), RUS(CH) znw.m. - zode, graszode, afgestoken zode.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'ros' zelfstandig naamwoord - graszode

 

rsdoek

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - zak onder de wagen voor paardevoer 

Cees Robben - Prent van de Week - bevestigt dit

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hil w in zene rsdoek hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - heel wat in zijn mars hebben (Rosdoek= zak die boeren en voerlui vroeger onder hun kar of wagen hadden hangen, waarin hooi, haver, brood voor het paard zat.)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROSDOEK znw.m. -bij voerl.: een zak waarin het voeder voor het peerd is, en die onder aan de kar hangt. 

WNT ROSDOEK, in de Kempen (ook in N.-Brabant en Limburg): een doek, zak of net, onder aan de kar hangende, waarin het voeder wordt gedaan dat het paard onderweg eet.

 

rsmis - rolploeg, eind 19e eeuw - het mesvormige rsmis snijdt de grond vertikaal, waarna de driehoekige ploegschaar de grond horizontaal snijdt - uit: Rijke oogst van schrale grond, tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991

rsmis

zelfstandig naamwoord

WBD kouter (lang smal mes dat voor het rister in de ploegbalk verankerd zit), ook 'kouter' genoemd

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.o. 'rusmes', met dat zich loodrecht voor de eigenlijke ploegschaar bevindt.

WNT - niet vermeld

 

rsse

werkwoord, zwak

WBD rsse - roskammen (van een paard), ook genoemd 'rskamme' of 'afbuune' 

WBD III.3.1:388 'rossen' = wild, woest rijden

rsse - rste - gerst 

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROSSEN - hard aan iets werken. Vgl. 'rosse'

 

rsse

werkwoord, zwak

wrijven

- rsse - rste - gerst

Damen handschrift 1916 -- "rssen - ze hebben hem ongemakkelijk gerst (klopgegeven)"

Damen handschrift 1916 -- "rssen - iets aafrssen (afwrijven)"

't Was net of Onze Lieve Heer z'n verfdoos leeggerosen h, de liste kladdekes hier en daor nirgesmeerd, en toen bij z'n eige gezee h: Zie zoo, ik schaai er dees jaor aaf mee verven... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Cees Robben - Prent van de Week - ge rst em ene keer oover zen bikkeltje;

Frans Verbunt - 'hij rst erteegenaon'

Hees ruise (IV:32)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ruisen - wrijven (znl., wnbr.)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUIS(CH)EN (uitspr. rssen) - wrijven, schuren, fr. frotter. Mee 'ne wolle' lap over 't zilverwerk r.; fig. hard werken. 

Goem. RUISCHEN - wkw (rg.) wrijven: mijnen schoen ruischt; bet. ook: slaan, overslaan: iem. -, en dan meer 'afruischen'; in 't spel: overwinnen. 

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.intr. 'russen' - met grote kracht (ergens over) wrijven. 

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUISCHEN, zie RUIDSCHEN: wordt hier veel gebruikt voor 'wrijven, schurken of kraauwen' ter verdrijving van jeukte, omdat degenen die de RUID (= rui) hebben, gewoon zijn zulks te doen. Meestal spreekt men van 'ruischen'. Z.a. 

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RUISEN (rsse) ov.ww - wrijven, schurken. 

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - rsse ww - stevig wrijven

WNT RUISCHEN - een nog thans in ZNederl. gebruikelijk woord voor 'wrijven'. Naast 'ruischen' vermeldt Kiliaan 'ruidschen', een vorm dien men ook in Hoeufft vindt, doch die daar (evenals bij Kiliaen - ) onder invloed van een onwaarschijnlijke etymologie (van ruid: schurft) kan staan ... l) wrijven, schuren; 2) hard werken 

Kiliaen - RUYDSCHEN - scabere, fricare, confricare, terere, atterere 

CiT (112) 'Z'hebbener wir lilluk tegenngerst'

WBD III.1.2:56 'afruisen' = een pak slaag geven; ook: 'afranselen' 

WBD III.1.2:56 'ertegenaan ruisen' idem;

WBD III.1.2:76 'ruisen' = wrijven; ook: 'strijken, frotten' 

WBD III.1.2:103 'ruisen' = krabben;

WBD III.4.4:247 'ruizen' = ritselen;

WBD III.1.2:247 'ruisen' = suizen; ruizen = suizen 

HAOR RUSSE - wrijven, schuren

 

rssege

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - roodharige

 

rssele

werkwoord, zwak

de kachel oppoken door het rooster te schudden

rssele - rsselde - gersseld

WNT RUISCHEN -(I) C) Afzonderlijke vermelding verdient 'ruischen' als bedr. ww. in de verouderde beteekenis: verbrijzelen (met lawaai of geweld) stuk breken, stuk slaan.

 

roster

zelfstandig naamwoord

rooster 

WBD III.2.1:237 'rooster' - idem, ook 'rosel'

 

rszode

zelfstandig naamwoord

roszode, graszode

- Ir. A. Juten - in Brabants Heem, jaargang 2, 1950, p. 44: In Tilburg spreekt men zo deelde mij Mej. v. Gool mede nog veel van roszode in plaats van graszode. (Een en ander ter verklaring van het toponiem Roosendaal.)

 

rt

bijvoeglijk naamwoord

rot

gez. Die zenge bewaort, bewaort gin rt appel. 

MP gez. As ge oewge goed doet, dan doedet gin rtte appel.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ROT bvw. - rot: Zoo rot als kampernoelie, als mok, als 'n mispel, als stront, als spijs. Ook 'onsterk': rot garen. 

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord - rot l) van menschen die aan tering of borstziekten lijden en veel hoesten en fluimen: hij is zeu rot a's 'n mispel; 2) ondegelijk, onsterk (v. allerlei stoffen v. slechte kwaliteit); 3) vochtig, nat, regenachtig; 4) kaartspelersterm. Z.a. 

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'rot' bijvoeglijk naamwoord - rot

 

rtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

ruitje

- verkleinwoord van 'rt', met vocaalkrimping

.J. 'naa zitte ze aachter et rtje'

De raomen in de klas han un hle hop klne rtjes. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

rtjesbroek

zelfstandig naamwoord

WBD bakkersbroek

 

rtjeskled

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:63 'ruitjeskleed' = geruite jurk

 

rtzak

zelfstandig naamwoord

een onbetrouwbaar paard

Audio-opname 1978 -- ik ha ng not meej paard n kar gereeje n d was toevalleg ok ng zon rtzak okdie sloeg van veure n die sloeg van aachtere dus as ge daor nie opltte koste en opsoodemieter krge! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

rtzakkerij

zelfstandig naamwoord

streken

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Mar toen was d veul gezlleger onder mekaar, de knder spulde veul fnder mar naa ist niks as rtzakkerij dsse thaole n d was toen nie! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

rug, ruggeske

zelfstandig naamwoord

rug

MP gez. Gij zult vant wrke ginne krommen rug krge (Jij werkt niet hard) 

MP gez. Ge snijdt gin twee rugge t en vreke;(geen dubbel profijt)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - ze droeg 'n maand op den rug

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand meej zene rug ng nie nkke (RL'48) - links laten liggen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van et wreke ginne krmme rug krge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)- niet hard werken

WBD III.3.1:174 'rode rug' = bankbiljet van f 1000

Dirk Boutkan (1996) - verkleinwoord: rugske

WBD (III.2.1:149) 'rug' - botte kant aan het lemmet van een mes

WBD (III.1.2:379) 'hoge rug' = schoft, bochel

WBD III.1.:125 'rug' = schouders

WBD III.4.4:144 'rug' = hoogte

Dirk Boutkan (1996) - (blz.53) rug - rugske

 

rugdk

toponiem

straat lopend van de Vlashoflaan naar de Quirijnstokstraat 

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nr de rugdk gaon (Handschrift Damen 1916) - naar bed gaan

 

ruggestrang, ruggestrng

zelfstandig naamwoord

PM ruggestreng, ruggegraat, wervelkolom

Cees Robben [Moeder tegen een kind dat door haar in bad wordt gedaan na een dag van buiten spelen] - Den hillen dag speule en rondbollin d kunde war, mar akkoe saoves over oewe ruggestrang roefel, dan begiende te brellen as unne jongen hond die op zunne verjaordag verzopen wordt... (19650514) [met roefele wordt de ruggengraat hier vergeleken met een wasbord, de roefel]

WBD III.1.1:128 rug(gen)strang', 'ruggenstreng' = ruggengraat

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - RUGGESTRANG m - ruggegraat

WNT RUGGESTRENG, voorheen ook en nog thans in Z.-Ned. RUGSTRENG, -STRANG, znw, vr. Nd. rggestrang, enz. Z.a. 

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'rugstrank' - ruggegraat.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUGSTRANG, RUGSTRENG znw.v. - ruggegraat 

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - ruggestreng zelfstandig naamwoord - wervelkolom

 

ruggestrngmrg

zelfstandig naamwoord

merg uit de ruggengraat van een rund; zou geneeskrachtige werking hebben

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens .op dere vinger f dere dm hasse zogezeej zon honsblaos derop staon nt asse zinne.ik zal es en stukske ruggestrngmrg meejbrngen en uur ndderaand wast oopegebrooke. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

rugske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van rug
ruggetje
Cees Robben Nie op mn rugske (19600916)
 

ruk

zelfstandig naamwoord

afstand

WNT RUK 3) in overdr. toepassing: a) de afstand over welken de ruk zich beweegt

 

rukkerd

zelfstandig naamwoord

WBD paard dat met rukken trekt

 

rukt(e)

werkwoordsvorm; persoonsvorm

rookt(e) (overg.)

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'rke', met vocaalkrimping

 

rulleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

rolletje 
Anoniem 1959
De meulesteller was unne neetoor,
die Nillus wel 'n bietje zocht,
Om dettie bij hum, gin sigaore
of 'n rulleke pruimtebak kocht.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
rikkemendaosie.htm

WBD rullekes (II:1036) - rolletjes: spoelrollen; ook: rlle of wieltjes

 

runstoof

zelfstandig naamwoord

Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1992

 

R kachel in de vorm van een plattebuis, zonder de versmalling boven de asla, waarin als looistof gebruikte fijngestampte eikeschors (zgn. run) werd gestookt.

WNT RUNSTOOF - groot komfoor met gedroogde schors, waaruit de looistof reeds getrokken is

 

ruske

roosje

verkleinwoord van 'roos' (met umlaut)

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

 

russel

zelfstandig naamwoord

rooster; spel

R.J. Men vadder heej et gld al op de russel tgetld. 

Van Delft - Ook had men nog het centen steken in een rutsel. Een rutsel noemde men drie lijntjes, welke evenwijdig van elkaar getrokken waren. Hierbij moest men de centen in den rutsel werpen, waarbij de middellijn de voornaamste was. Ook werd daarbij wel "bescheiden" (bepaald), dat de centen, die niet in den rutsel lagen, voor den dichtsten steker waren. Met de overgebleven centen wierp men weer de lucht in, als hiervoor omschreven. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

Henk van Rijen - de russel zaat hst himmel toe - bijna helemaal dicht 

WNT Zie WNT XIII:1344 'Het geld wordt daar op den rooster geteld.' 

WBD (III.2.1:237) 'rosel' = rooster

Stadsnieuws - Onze vadder heej et gld op de russel getld - Mijn vader heeft zijn geld verbrast (040109)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m.'reussel, reustel, roostel' - rooster. Z.a.

rsel, znw.m. 'russel' l) rooster (van een kachel), voetschrapper enz.; 2) onderdeel van een ploeg 

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - russel zelfstandig naamwoord - rooster

 

russele, hussele

werkwoord, zwak

Frans Verbunt - schudden (van speelkaarten)

 

russelstk

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - stok of pook waarmee men het kachelrooster heen en weer beweegt; zenuwachtig persoon die steeds heen en weer loopt en niet weet waaraan te beginnen

 

rut

bijvoeglijk naamwoord

alles verloren hebbend

WBD (III.3.2:38) rut, blut, kps, tp = alles kwijt (bij een spel)

 

rutsele

werkwoord, zwak

rutsele - rutselde - gerutseld

1. schudden in het algemeen

- Ik liep dur 'n dreef van klinkklaor goud, d rammelde en rutselde alsof ieder blaoike w vertellen wilde... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WBD (III.3.2:208) rutsele, hutsele, schudde = hutselen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'rutselen' - door elkaar schudden, hutselen...

WNT RUTSELEN 2. Flink schudden, door elkaar schudden, hutselen. Ge moet dien drank goed rutselen, eerda' ge 'm inneemt, CORN.-VERVL. Rutselt is met da' fleschken, maar niet te hard, of ge zult den drank er uit rutselen, Ald. De nummers voor de loterij goed ondereen te rutselen! Loquela (Wdb.) [1907].
2. schudden van het sjpflske

et sjpflske rutsele - het flesje dropwater schudden 

Van Delft - "Rutselen", dit is schudden. Een jongen "rutselt sjepwater". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Cees Robben Ik heb t op munne borstrok, moeder... Hedde nie w sjep om te rutselen... (19641113)

- En as ge vur unne cent sjepdrp kcht, dan konde die in n flske meej waoter onder oe bd bewaore en flink rutsele. Dan konde fn sjpke trkke. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUTSELEN - eenige vloeistof sterk schudden, hutselen. Ge moet dien drank goed rutselen. 

sjp

 

rutselflske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

sjpflske, waarmee uiteraard geschud werd

sjp

 

Ruudk

toponiem

Rugdijk (Tilburg Noord, Heikant)

Audioregistratie 1978 - Ik hb et daor bij Drikka Kools op de Ruudk gedaon. Toen was ik en jaor of vftien, virtien (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

ruuk

zelfstandig naamwoord

reuk, een geurtje uit een flesje

- Dirk Boutkan (1996) - 'rk' - geurtje

- Goedgetld -  reukwater, geurtje, onjeklonje

- Ikzllef ha ok w ruuk pgedaon (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

WBD III.1.3:278 'reuk' = eau de cologne

 

ruuke

werkwoord, sterk

ruiken, maar ook rieken, stinken

- ruuke - rok - gerooke

- steeds korte uu

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - km n men hart, want ge ruukt nor sneevel (Handschrift Damen 1916) - schertsende liefdesverklaring; van een drinker aan zijn glas

ik ruuk geluk in 't geure van de blommen... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941)

ruukte de pap van 't penneke? (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Pieterke, 1938)

En lekker ruuke! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Cees Robben Ze ruuken dn weg naor t Cenakel... (19570921)

Cees Robben ...en al ruukte er w... (19540515)

Cees Robben Ge ruuket... ge pruuvet... (19570309)

De Wijs -- w staode toch te snuffelen -kruuk liever kruinaogels (seringen) dan snoffels (anjers), mun dalidassen staon schon maar ruuken nie (10-03-1967)

D [wierook] ruukte dur de hille kerk, ik vond d wel lekker ruuke, mar daor waaren ok meense dieter hartstikke misselek van wieren. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Piet van Beers Aaftersjeef: d flske meej diejen gouwen dop/ waor ge lekker van gaot ruuke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - ruike; (ruikt eens = rukt is) ui als fr. Meuse; u als in ptje

WBD III.1.1:252 'ruiken' = stinken

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - ruuke (kort) / ruuke (lang) in het westen v. Midden-N-Brab.

rke in het oosten v. Midden-N-Brab. (blz.5l) 

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUEKEN, voor ruiken, rieken.

 

ruukske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - reukje, geurtje, parfum, eau de cologne

 

ruure

werkwoord, zwak

roeren, beroeren, aanraken

ruure - ruurde - geruurd

steeds lange uu 

R Ruure, vrouw Paones, de sker is nr den bjem gezakt. (tegen iemand die in zijn koffie/thee blijft roeren)

R.J. die kan,zen smoel z ruure

Van Beek - Hij heeft in de nest geruurd - bij 'n huwelijksaanzoek niet de oudste der dochters op 't rijtje af gevraagd, doch 'n jongere dochter. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

Cees Robben Wegge ruurt/ Degge meevuurt [Wat je aanraakt, dat moet je nemen] (19640313)
Cees Robben Ruurt oe tungske op n aander (19600116)
woelen
Cees Robben s naachts doek niks as ruure en wne... (19780407)
Cees Robben Ik kan nie slaope en lig hil de naacht al te ruure, te wne en te draaie... (19851206)

Pierre van Beek - een kind moet 'ruuren f truure' = in beweging of treurig zijn (Tilburgse Taalplastiek 120)

gez.Pierre van Beek - 'Hij heeft in het nest geroerd' (zie boven CR) wil zeggen dat een vrijer niet de oudste dochter uit een gezin koos, maar een der volgende. 

gez. Henk van Rijen - en knd moet ruuren of truure - als een kind zich niet beweegt, heeft het verdriet (?)

Want die aander vf, die kunne namml der mundje ok goed ruure in et Tilbrgs. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - RUEREN voor roeren. Men vindt dit heel veel bij de oude Vlaamsche en Brabandsche schrijvers. Zoo ook berueren, verrueren enz.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUREN - roeren: zijnen bek/ zijn bakkes ruren - veel praat hebben; rure-rure, de pap brandt aan.

WBD III.4.4:314 'roeren' = vermengen

 

ruurzer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - koffie- of theelepel

 

ruuzing

zelfstandig naamwoord

ruzie

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'ruziemokster'

Die twee hadden zitten praoten over trouwen en over vrouwen. Ge moet weten, d ze geen van baaien getrouwd geweest waren en er dus vrij over kossen praoten zonder ruzing te krijgen in d'r eigen huishaawe. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; NTC 20-1-1940)

WBD III.3.1:237 'ruzing' = twist; ook 'bekvechterij'

WBD III.1.4:240 'ruzie maken', 'ruzin' = kibbelen

WBD III.3.1:24= 'ruzie maken' = bekvechten

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'ruzing' - ruzie, twist 

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RUZING znw.v. - hetzelfde als ruzie, twist

WNT RUIZING, RUZING (van 'ruizen' (i) - luidruchtig zijn) - leven, lawaai, rumoer, twist


 

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home