INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tòt zaandkèùl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officiële spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P
R

S

T

U

V

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van saanderendags tot swirskaante

saanderendags, saanderendaogs

bijwoord  (samentrekking)

des anderen dags, de volgende dag

- Van Delft - - Is iemand niet thuis, dan "is ie krèk weg", "komt seffens thuis" of wij "komen saanderdags" of "van 't naagtemiddag mar weer is aon". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- Cees Robben – ’s aanderendag toen Sjef zun vrienden/ zien liet wettie zôal kon... (19540717)
- Cees Robben – En saanderen dags schreven ze.. Niks mir aon te doen.. (19730316)

- Audioregistratie 1978 - Èn saanderendagsmèèreges meej ene volle waoge kaf hil de wèg vol gestrôojd! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Henriëtte Vunderink -- Èn saanderendags kwaam zer wir aon. (Et möske, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

- Èn 's aanderendaogs ha ik enen houtere kop, dè wilde nie gelèùve.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - sanderendaogs, bijw.verb. - 's anderen daags, de volgende dag

- HAOR - SAANDERENDAOGS - de volgende dag

 

saansele

werkwoord, zwak

Frans Verbunt -  langzaam lopen in de zin van treuzelen

- Stadsnieuws - Hij saanselde wè vurdèttie bè zenen baos nòr binne gong - Hij treuzelde een beetje voordat hij bij zijn chef naar binnen ging (191008)

- WNT SANKELEN, sjankelen. Wellicht onder invloed van Fr. chanceler = wankelen, strompelen. Gewestelijk in Zuid-Nederland.

 

saatemiddag

bijwoord (samentrekking)

na de middag

De Wijs -- Komde daor nog wellis? - Jaowel, ’s Zaoterdags saate-middags (11-02-1965)

 

saawel, saawelpraot

zelfstandig naamwoord

kletspraat

- Cees Robben – Dès sauwel... (19600408)

- Henk van Rijen - saawel op ene riek - louter kletspraat

- Stadsnieuws - Wènne saawel, daor gelêûf ik gin flèùt van. (040608)

- Antw. - SAVEE - (zachte, beklemtoonde e) zelfstandig naamwoord m. - flauwe praat, zoutelooze redenen. Ik kan met dieë savee niet goed om.

- WNT SAUWEL - luie of praatzieke vrouw. Zie: saawele

 

saawele

werkwoord, zwak

kletsen, zwammen

- saawele - saawelde - gesaaweld

- Der wòrdt teegesworreg veul gesaaweld.

- N. Daamen - Handschrift 1916 -- "Saauwelen - kletsen"

- Sommige kraanten saawelen dè Jantje [Pijnenburg] in Brussel mee rijdt in den zisdaogschen, mar Artskes kraant hee gezee, dè-t-er vurloopig nog niks van waor is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

- KAREL. Och Sjarel, saawel naa toch nie. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

- Toen wier er verder nie mir over gesaaweld… (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

- Hij [Jezus] waar nog en end wiste waandele meej de Emmausgangers mar die sufferds han ôk niks in de gaote gehad, die han toch lekker lôope te saawele meej em. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
- Dan kwaam zij ok nòr bèùte èn dan kosse we goed zôo en uur òf tweej gòn stòn saawele. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

- Stadsnieuws - Ge mot nie  zo saawele, daor krèede mar dikke bêene van. (020408)

- WBD III.3.1:278 'sauwelen', 'wauwelen' = praten, kletsen

WNT SAUWELEN - 1) talmen, treuzelen; 2) kieskauwen; 3) beuzelachtige praat houden, kletsen (o.a. in de Meijerij)

- Bosch sauwele - onsamenhangend kletsen

- Hees zauwele (VII-22)

- Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - saawele ww - sauwelen, beuzelpraat verkopen, kletsen

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
sa.wələ(n) zw.ww. intr. 'saauwelen'  - sauwelen, beuzelachtige praat houden.

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SAUWELEN - ergens over veel en lang praten, zonder iets te zeggen.

- Kiliaen -  heeft wel 'sauwel' doch in dezen zin niet.

- C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (Udenhout) - 1978 - SAUWELEN (saawele) onov. ww - wauwelen, sjouwelen, onsamenhangend kletsen, vooral over onverstandig gekozen onderwerpen.

 

saawelèèr

zelfstandig naamwoord

kletser, wauwelaar

- Cees Robben – M’n saauwelèrke dè ge zèèt... (19581220)

- Van Beek - Iemand, die praat, dat 't nergens op lijkt, is een "saauwelèr". Van die dialectische uitdrukkingen zijn er vele.  (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- Jao, mar dès ene saauwelèèr/ om ons zo af te poeiere... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gedaon meej et goej lèève)

- Buuk - saawelèèr - kletsmajoor; ook wel: tonpraoter

- Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

- WTT 2019 - Neem van een kruidenbitter, variant op de schrobbelèèr

 

Foto: CuBra 2019

 

- K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SAUWEL - ene die veel praat zonder iets te zeggen.

SAUWELAAR - een praatvaar, die veel praat zonder iets te zeggen.

 

saaweljaans

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - kletswijf

 

saawelpraot

zelfstandig naamwoord

kletspraat

- Cees Robben – As ik teut ben.. zeej ons Fonske.. / En des ginne sauwelpraot/ Dan kan ik gedichte maoken/ Waor gij van te kèèke staot... (19620504)
- Cees Robben – saauwelpraot op hoog niveau.. (19860704)

 

saaws

zelfstandig naamwoord

saus

Pierre van Beek - Gezeten aan de boskant, in de zon of in de schaduw - al naargelang het hun die dag belieft - roken ze er hun pijpje, praten over vroeger en vertellen er hun sterke verhalen... Zoals dat van de legendarisch geworden Duitsers, die eens met  stoommachines "De Utrecht" geploegd hebben en waarvan de herinnering voortleeft door
hun liefde voor de Nederlandse jenever: "Ze goten hem als saus over de aardappels!"... (Het Nieuwsblad van het Zuiden - vrijdag 30 augustus 1968; Hoe "Luther" terecht kwam in een stil grensdorpje)
Lodewijk van den Bredevoort - Èèrpel mee botersaus en un aai, un héél aai, hoe was et meugeluk. Gebakken èèrpel kwaam ôk wel ens veur, asse pas nuuw waren of soms allèèn mar èèrpel meej jèùnsaus, nèè op dieje vaaste en onthoudingsdag waar menne honger nie grôot, dè hè’k aaltij goed onthaawe. Daor waar et dan ôok enne onthoudingsdag veur. (Jo van Tilborg - Kosset den breune eiqeluk wel trekken 11; 2006)
Lodewijk van den Bredevoort - Ik heb menige keer men èèrpel mee spekvet, dunne saus genoemd en nie te vreten, dan meej lange taande, zitten te nuttigen onder zon (Jo van Tilborg - Kosset den breune eiqeluk wel trekken 11; 2006)
Lodewijk van den Bredevoort - Aate wij vruuger op vrijdag nog wel ens vis of mossele, ‘vuls te duur’, wierter gezeej. Un aai meej botersaus, of allêen èèrpel meej jèùnsaus. (Jo van Tilborg - Kosset den breune eiqeluk wel trekken 11; 2007)
 

sabbere

werkwoord, zwak

sabbelen, kluivend zuigen

Cees Robben - ze sabberde op snoep 

WBD III.2.3:9 'zabberen' = knabbelen 10 'sabbelen' = likken

- sabbere - sabberde - gesabberd

WNT ZABBEREN, sabberen - 1) kwijlen (verouderd); 2) (tong)zoenen (sinds lang verouderd; 9) v. vloeistoffen: druipen, sijpelen

Bosch sèbbele - sabbelen, zeuren

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - ZABBEREN - zachtjes en aanhoudend aan iets zuigen.

Hft. Hoeuffts 'Sabberen' voor 'zeveren';

 

saffraon

zelfstandig naamwoord

saffraan (specerij en kleurstof)

Cees Robben - daor rook et nor saffraon

 

sagrèèn

zelfstandig naamwoord

chagrijn

Frans: chagrin, verdriet

... degge oe eige veul sagrijn kunt bespaore... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

sakkerdanieèl

tussenwerpsel  

bastaardvloek

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "sakkerdaniel - n'uitroep"

WNT SAKKER ontl. aan Fr. sacré, als eerste lid in merendeels verouderde bastaardvloeken

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkerdekont

bastaardvloek

Tony Ansems -- En as ge nao 't examen/ De post op bent gaon haole/ Dan vende uit, sakkerdekont/ Ge zeit al weer gezakt. (uit ‘Vursorteren’ (1971), van de cd ‘Gatvermiedenhoed’, 2010)

 

sakkerdoome

tussenwerpsel  

krachtterm

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "sakkerdoome! - 'n uitroep"

WNT SAKKER van Fr. sacré: in meerendeels verouderde bastaardvloeken

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkere

werkwoord, zwak

Kubke Kladder (Pierre van Beek) -- Hij was zô kwaod as 't aachterste end van den duvel. Vergimme wè sakkerde-n-ie: hij was mee ginnen riek mir te voeieren! (uit: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nwe. Tilb. Courant 1929)

Piet Heerkens -- Die heidenen in et bos/ wie zou d'r nie op sakkere,/ sakkere,/ die heidenen in et bos/ ze jakkeren over et mos. (uit: ‘In et bos’, in De kinkenduut, 1940)

Jan Jaansen (Piet Heerkens) -- Er wier gevloekt en gesakkerd en gegild en de kender begosse van louter plezier kopje te duikelen over de natte waai. (uit ‘De nuuwe dokter’, Nwe. Tilb. Courant, 1940)

Frans Verbunt -  foeteren, vloeken

WBD III.3.1:273 'sakkeren' = vloeken

WNT SAKKEREN - vloeken, foeteren

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - sakkere ww - vloeken, foeteren

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAKKEREN - vloeken  

 

sakkerjèn

tussenwerpsel, bastaardvloek, ook als bijvoeglijk naamwoord

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'sakkerjen'

v. Dale noemt bij 'sacre-dieu' ook 'sakkerjen' als verbastering van deze Franse vloek.

WTT - De verklaring van Van Dale lijkt niet juist; aannemelijker lijkt dat 'jen' een verbastering is van Jean, namelijk Sint Johannes de Doper; ►sakkertjèns

Willem van Mook -- Verdomme jammerde hij, dieje sakkerjense duvel is er wir mee z'n herrie. (Nieuwe Brabantse novellen; ca. 1970)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkerjuu

tussenwerpsel, bastaardvloek, ook als bijvoeglijk naamwoord

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'sakkerju'

Cees Robben - Sakkerjuus sekreet degge daor staot .. sebiet zakkoewis onder oew sakkerment schuppe. (Prent v.d.week, 870828)

Willem van Mook -- 't Is de duvel die-t-er mee spult, sakkerju. (Nieuwe Brabantse novellen; ca. 1970)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkerkiske

bastaardvloek

Naarus (Bernard de Pont) -- Sakkerkiske, ‘k zèr nog muug van… (uit: Brieven van 'n oud Tilburger; in Groot Tilburg, 1940)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

sakkermènt

zelfstandig naamwoord  onz.

sacrament - achterwerk, kont

Cees Robben – Sebiet zakkoewis onder oew sakkerment schuppe... (19870828)

Ed Schilders op CuBra over namen voor het achterwerk

 

sakkers

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

Wim van Boxtel -- Mar gin rust is hun vergeven,/ zolang diejen wend zo sakkers waait./ Kek 'ns daor, hoetie bij d'n toren,/ gulzig dur de blaoikes graait. (uit ‘Blaoikes waaien’, in Brabants Bont, 1979)

 

sakkertjèns
bastaardvloek
verbastering uit Frans ‘sacré’ (heilig) en ‘Sint Jan’
Cees Robben – Wè ligde’r toch wir sakkertjèns bij... Alleej.. Schuif op keemel... (19691128) [Sint Jan, ofwel Johannes de Doper, droeg tijdens zijn verblijf als kluizenaar in de woestijn een kleed van kamelenhaar]
Cees Robben – Kwaanselt toch nie zô... sakkertjense semmelèèr... (19770422)

 

sallafak
zelfstandig naamwoord
self actor; fijnspinmachine
Cees Robben – Op ’t sôôrtemènt gemaolen/ gaot ie [de wol] naor de sallafak... (19560630)
►salfak

 

sallamander, sallemander

zelfstandig naamwoord

salamander

WNT - Ontleend aan Grieks-Latijns salamandra. Naam van de tweeslachtige dieren, die de familie der salamandrinae vormen en in uiterlijk veel op hagedissen gelijken.

WTT 2013 - Het Woordenboek van de Brabantse dialecten (III.4.2:106, lemma Hazelworm) geeft 'salamander' als Tilburgse benaming voor de hazelworm (Anguis fragilis), een hagedis uit de familie hazelwormen (anguidae). Hier is, blijkbaar, sprake van verwarring op grond van de door het WNT (hierboven) gesignaleerde gelijkenis. 'Salamander' voor 'hazelworm' werd door het WBD ook opgetekend voor Etten, Vessem, Wijbosch, en Wernhout. In het lemma Salamander heeft het WBD (III.4.2.118) voor Tilburg geen aparte opgave, zodat we mogen veronderstellen dat de benaming in Tilburg 'sallemander' was en valt onder de mededeling daarover: 'frequent in Noord-Brabant'. Voor Berkel-Enschot is er voor salamander wèl een aparte opgave: 'hagedis'. Voor 'hagedis' in Tilburg ►haajslangeske

Herinneringen

Urias Nooteboom - De jongens lagen met hun neus boven den donkeren waterspiegel van een slootje, dat in den Verzonken Poel
uitmondde, zij gluurden met heldere ogen over den zandigen bodem naar het schichtige voorbij schieten van stekelbaarsjes, die in grote troepen voorbijdreven, naar het luie spartelen van een goud-met-zwartestippen-gebuikten salamander en de grote donkere watertorren die rondduikelden met de vlugge krieuweling van hun poten. (Jeugd in een fabrieksstad; 1944)
Jan Naaijkens - Een bolscheut verder stroomde de Wouwer, Hessels Wouwer, ter onderscheiding van de waterloop in, jawel, de Wouwerstraat. Het was een glashelder stroompje waarin kleurige salamanders zwommen, die me zo boeiden, dat ik te diep naar het watervlak boog, er voorover induikelde en ik zou verdronken zijn, als mijn jongere broer Ran me er niet koelbloedig aan mijn schortebanden had uitgetrokken. (Het dorp van onze jeugd, 1999)

Ed in 't Ven - 's Woensdagsmiddags als de school uit was, gingen we meestal naar de bossen. Wij woonden op de Reeshof dus we hadden volop keus. Het gemeentebos, Het wandelpark, en de Oude warande. Daarnaast hadden we nog de grote bossen van de fabrikanten aan de Bredaseweg en de privéperceeltjes rond de Zwartvenseweg en de Langendijk. De Oude warande was het verste, dus ook het beste.
Naast het kapelleke in de Oude warande was een brandkuil, die in oude tijden aangeplant was met rododendrons. Die brandkuil was helemaal overgroeid, maar wij jongens hadden hem gevonden en er zaten volop salamanders en watervlooien in. (Herinneringen - 'St.-Antonius bij de nonnekes in de ziekenboeg', CuBra, 2001)

Sjef Paijmans - Herineringen (Oisterwijk) - Op de slootkant werd dan goed nagekeken wat er allemaal tussen die waterplanten mee omhoog gekomen was. Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. (CuBra; circa 2003)

H. van Boxtel - Er is een moment gekomen dat ik het salamanderbos vergeten ben. Vergeten, en nooit meer aan gedacht.
Ik kwam er al niet meer. Ik zat inmiddels op een andere school, met andere vrienden, en een hoop huiswerk.
Ik had de werklui wel zien komen, ik zag ze overal. Houten wagens en bouwketen, bomen die verdwenen, met bossen tegelijk. Het gele zand dat voortdurend gebracht werd, en overal in dikke lagen onder moest. Rioolpijpen van twee meter doorsnee die de grond in moesten. Malende betonwagens, kranen, bulldozers, asfalteermachines en walsen, als stadse landbouwmachines, die de dag van morgen voorbereidden. Dat ze toen ook aan het salamanderbos gezeten hebben, heb ik niet geweten.
Alles wat er was, werd begraven, onder dikke pakken zand. Ze hebben het opgespoten. Er moest zand op, veel zand erop. Alles moest effen, en strak. Huizen, flats, winkelcentrum, straten, lantaarnpalen, zebrapaden en garageboxen erop. Het werd daar een buurt.  ('Hoflaan', in de rubriek 'Geschreven Stad', Brabants Dagblad, 2000)
 

sallemanderke
opsallemander

 

links: salamander - rechts: hazelworm - bron: Wikipedia

 

salfak, sallafak  

Leerling aan de selfactor - foto uit: Commandeur e.a.,Ge waart mar arbeider; 1981

zelfstandig naamwoord

automatische spinmachine; selfactor

Cees Robben - Gaot ie (de wol) nor de sallafak

WBD salfak (II:939) - selfactor

van Eng. 'self acting'

Nieuwe Tilburgsche Courant 19-1-1929

 

sallemanderke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van salamander / sallemander

- salamandertje, verkleinwoord voor een kachel van het Franse merk La Salamandre; later voor ieder type van dit soort potkachels. De naamgeving is gebaseerd op de mythische eigenschappen die in de oudheid en middeleeuwen werden toegedacht aan de vuursalamander (zie hieronder).

Henk van Rijen - ommanteld potkacheltje

T. Wiel - 't Was 6 januari, een drukte van belang met de vele groepen driekoningenzangers. Naast ons woonde de smid. Met hem stond ik deze gebeurtenis eens te bekijken in zijn winkel vol ijzerwaren, kachels en aanverwante artikelen. De grote Salamander-kachel stond roodgloeiend. Telkens als een groep kinderen in zijn winkel binnenkwam om een lied te zingen, stonden wij belangstellend te luisteren. (‘Op een Driekoningenavond’- in: Men tilburg, 1979)

Wim van Gestel - salamanderkacheltje, onzijdig, cilinder-kacheltje, soms omgeven door een opengewerkte mantel in siergietwerk. Allesbrander. Ook te gebruiken als runstoofje of als kolenslikbrander. Speciaal voor (bij)verwarming. (Woordenlijst van de streektaal van Gilze en Rijen, 1996)
Van
Dale SALAMANDER 7) afkorting van 'salamanderkachel' - apparaat dat gerechten van bovenaf verwarmt

Wikipedia 2013 - Een salamanderkachel is een klein kacheltype dat oorspronkelijk werd vervaardigd door het Franse bedrijf Chaboche onder de merknaam La Salamandre. De salamanderkachel was een allesbrander waarmee hout, turf, steenkool, cokes en briketten konden worden gestookt. Binnenin was een vuurvaste bekleding aangebracht. Samen met het gietijzeren omhulsel zorgde dit voor een grote warmtecapaciteit. De verbranding verliep langzaam en efficiënt. De kachel bleef continu branden en hoefde slechts eens in de 24 uur te worden voorzien van nieuwe brandstof. Het vuur was zichtbaar dankzij mica ruitjes.
WTT 2013 - De salamanderkachel, en vooral het principe daarvan met betrekking tot verwarming en de duur van verwarming werd na circa 1890 de meest voorkomende toepassing bij de vervaardiging van (pot)kachels en haarden. Zie Wikipedia, hierboven.

- Potkachel. Een hoge, ranke kachel met slechts een enkele kookplaat:

Afbeelding: website archief Eemland

 

- Een haard, verplaatsbaar (cheminée roulante) en aanvankelijk inderdaad exclusief van het merk La Salamandre. Het idee is dat de haard (op wieltjes) van de ene naar de andere stookplaats.

 

Reclame-affiches circa 1890 voor de verplaatsbare Chaboche-haard - bron: Gallica

 

Advertenties voor salamanderkachels uit Tilburgse kranten

Advertentie in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 24 september 1893 voor kachels - o.a. 'Salamanderhaarden van den ingenieur Chaboche te Parijs'

 

Nieuwe Tilburgsche Courant - 1910

 

De vuursalamander

Vuursalamander - bron: Wikipedia

WTT 2013 - De merknaam La salamandre werd door de uitvinder en producent Chaboche gekozen op grond van de eigenschappen die in de Oudheid en Middeleeuwen werden toegedacht aan de vuursalamander, tegenwoordig ook wel gevlekte landsalamander of goudsalamander (Salamandra salamandra) genoemd, een landbewonende salamander die behoort tot de familie echte salamanders (Salamandridae). Het waren niet de minste geleerden die een bijzondere maar in werkelijkheid nietbestaande eigenschap van deze salamander geboekstaafd hebben: zijn immuniteit voor vuur. "De vuursalamander dankt zijn wetenschappelijke naam Salamandra salamandra aan het Perzische woord 'samandar'; 'sām' betekent vuur en 'andarūn' betekent binnenin. Vroeger dacht men dat de vuursalamander vuurbestendig zou zijn wat achterhaald is; door de zeer dunne huid kan de salamander net als alle amfibieën juist zeer slecht tegen hitte. Een verklaring is het feit dat in het haardvuur geworpen houtblokken soms schuilende vuursalamanders bevatten waarna deze het vuur uit vluchten en het lijkt of de salamander 'uit het vuur wordt geboren'." (Wikipedia)
- Jacob van Maerlant - De salamandra blijft leven in vuur en doet de vlammen zelfs uitdoven. Volgens Plinius, Jacobus van Vitry, Adelinus, Aristoteles en Solinus lijkt hij op een hagedis. Isidorus van Sevilla noemt de salamander de gevaarlijkste van alle giftige dieren. Hij wordt zelden gezien, zegt Plinius, tenzij het hard regent. Zijn speeksel is buitengewoon kwaadaardig: wanneer een mens ermee in aanraking komt, valt al zijn haar uit. De salamander klimt in appelbomen en vergiftigt de vruchten. Wie daarna in een appel bijt, valt ter plekke dood neer. Als een salamander in het water is gevallen, doodt zijn gif iedereen die ervan drinkt. Er bestaat een soort salamander die in vuur leeft en bedekt is met een soort wol of haar waar onbrandbare gordels en kledingstukken van worden gemaakt. Van paus Alexander III wordt verteld dat hij een mantel bezat van salamanderwol, die men als hij vuil was in het vuur gooide, waar hij vervolgens weer schoon en helder van kleur uitkwam. Albertus Magnus verklaart dat hij met eigen ogen een gordel van dit materiaal in het vuur heeft zien liggen. Toen de gordel begon te gloeien, nam men hem er volledig ongeschonden weer uit. (Het boek der natuur; vertaald door Peter Burger, 1995)


Vuursalamander - Middeleeuwse afbeeldingen

Salamander in het vuur - miniatuur uit een handschrift van Van Maerlants Het Boek der Natuur; collectie Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

 

Salamander met vuurhaard - miniatuur uit een handschrift (1429) in de Bibliothèque Nationale de France, Parijs.

 

Salamander met staart in het vuur - Miniatuur uit een handschrift in de Kongelige Bibliothek van Denemarken, Kopenhagen.

 

salluu, saluut, saluutjes, saluu

uitroep

gegroet! (afscheidsgroet)

Cees Robben – Nou salluu... (19590912)

Frans Verbunt -   saluu - gegroet: Alleej, haawdoe èn saluu war!

uitroep

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - salü, resp. selü, zelfstandig naamwoord o. 'saluut'

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - saluu! tussenw. - gegroet, houdoe!

Hees salu, selu (I:14)

WNT SALUUT 2) thans als afscheidsgroet buiten zinsverband, zonder dat de beteekenis 'heil' nog gevoeld wordt.

 

samen
tussenwerpsel
Amen, in de formule van het kruisteken
kindertaal
Cees Robben – Svaa-soons-seis-samen... kruisteken in kindertaal [In de naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest, Amen] (19780804)
 

santeboetiek

zelfstandig naamwoord

santenkraam, de hele verzameling van santen = heiligen; vandaar: met alles erop en eraaan

...mee koren en dubbelkoren en solo's en heel den santeboetiek d'r bij! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; NTC 29-10-1938)

 

santroene

zelfstandig naamwoord, meervoud

citroenen

...’t laand waor de santroene groeie, de olijven, de palme, de olienutjes en alles. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

saoke

werkwoord, zwak

'saoke' is de verkorting van 'verzaken', met name tijdens het kaartspel als een speler zich niet aan de regel houdt dat 'bekennen' verplicht is, dat wil zeggen dat spelers, indien zij dezelfde 'kleur' onder hun kaarten hebben als die welke als eerste kaart wordt uitgespeeld, die kleur moeten bijspelen.

Ge meut nie saoke - Je moet bekennen.

WBD III.1.49 'verzaken' = zich onthouden van

- Saoke - sòkte - gesòkt, met vocaalkrimping

- Ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij sòkt

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - versaken zw.ww.tr. (kaartspelersterm) verzaken, opzettelijk nalaten om troef ofwel een andere kaart bij te spelen

Weij (T&T 38:88) Dit moet een verkorting zijn v.h. ww 'versaoken', dat in het AB 'verzaken' luidt.

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'sokke' - verzaken

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - saoke - niet bekennen bij kaartspel (Tilb.)

 

saom, saome

bijwoord  

samen

Saome waandele meej de kènder.

Cees Robben - ...saom op stap... (19540814)Pierre van Beek - We hèbbe saomen in dezèlfde waaj gelôope.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAMEN - samen; men zegt 'te samen' en niet 'te zamen'

 

saoterdags

bijwoord  

op zaterdag

Ik wèrk dur de week veur eete, èn dè doe ik meej plezier/ mar saoterdags ist aanders, want dan wèrk ik vur men bier. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘De Tòdkrèèmer‘)

Henk van Rijen - zaterdags

 

saoves

bijwoord

’s avonds

Saoves wier et rôozenhuuke gebid.

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 's aoves

Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “Toen waarder himmòl meej genaajd, toen moeste vort saoves wòchte toedè die rijers trugwaare, dè was toen saoves en uur òf èllef, half twaalf” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…èn toen kosseme saoves òf  tweej keer in de week bij Toon van ’t Hof op de Bredòssewèg in die kefeej daor vruuger de Haos gezeeten heej…” Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) – “As ge dan saoves nòr de kèrmes waart gewist dan moeste enen bèùl olliebòlle meejneeme òf et was nie goed, hè, dan hoefde nie tös te koome!” Klik hier om dit bestand te beluisteren

Ge ziet ’r veul veugeltjes, èn saoves hurde nòg wel ’s unne kinkenduut. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Saoves kwaam ons moeder meej der pan òngedraoge. (Henriëtte Vunderink, haovermoutepap, uit: Tis de moejte wèrd; 2011) 

 

saovie  

Ill: Thomé

zelfstandig naamwoord

salie (Salvia)

Cees Robben – [Vrouw tegen dokter:] Hêêl oe lèzzen-meel en kalmoes/ saovieblad... kemille-thee/ höskes-lôôf en hoest-sjuup-sjuupkes../ Dingen... waor ie [de patiënt] niks aon hee... (19551217)

WBD III.4.3:321 saovie - salie (Salvia officinalis), ook 'selvia)

WBD III.2.3:130 'savie' = salie; ook 'salvia'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAVIE zelfstandig naamwoord m. - salie, Fr. sauge

Hft. SAVIE - salie; saviemelk - saliemelk.

Kiliaen -  savie en salie.

Hees savie (VIII:80)

 

Sarreleeja

zelfstandig naamwoord

motorfiets van het Belgische merk Saroléa

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Ene Sarreleeja (Saroléa), ene zwaore Saroléa, honderdaachteseufeteg kieloow!” Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

sas

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:419 'sas' = sluis

 

sasse

werkwoord, zwak

plassen, wateren

WBD III.1.1. lemma urineren  - Tilburg

sasse - saste - gesast

Verh SASSEN onov.ww - een plas doen. Enigszins jolig gezegd en waarschijnlijk een ontleend woord.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SASSEN - in de dok laten varen langs de sasdeuren.

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - sasse ww - urineren

WNT - niet vermeld

 

satèèn

zelfstandig naamwoord

satijn

WBD satèèn (II:886) - satijn

WBD inslagsatèèn (II:868) - inslagsatijn

WBD kèttingsatèèn, kèttingsetèèn (II:873) - kettingsatijn

WBD satèènbinding (II:1046) - satijnbinding

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SATIJN - m. en niet o.

WBD II.4. p. 886 – Van Dale zegt bij „satijn" (1): „Glanszijde, atlas, een oorspronkelijk alleen zijden, later ook halfzijden (katoen en zijde) gekeperde stof, zeer glad geweven (nl. zo dat de bindingsknopen zoveel mogelijk over de oppervlakte verspreid liggen), met hoge glans."
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) verwijst bij „satijn" naar „crêpe-satijn". Daar zegt hij: „Zijden of kunstzijden weefsel in (ketting-) satijnbinding. Normaal gedraaide ketting. Inslag afwisselend 2 rechts en 2 links overdraaid." J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij „satijnbinding of atlasbinding": „Bindwijze, waarbij de bindingspunten in het weefsel min of meer regelmatig verspreid liggen. De eene kant van het weefsel geeft een eenigszins losliggend dradenstelsel te zien, hetgeen aan het weefsel een glad aanzien geeft."
Satéén, K 183 (= Tilburg)

sattienèt - saatienèt
WBD II.4. p. 886 – Van Dale zegt bij „satinet" (uit het Frans): „Katoenen, geglansd satijn weefsel; ook half wol, half katoen."
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij „satinet": „Katoenen satijnweefsel; door kalanderen (schreineren) geglansd in effen kleuren gebruikt voor voering, schorten e.d. Bedrukt: dekenovertrek, meubelstof, decoratiestof en schorten."  Van Breugel zegt op p. 191: „Satinet is een weefsel, meestal vervaardigd van katoen, dat door bepaalde bewerkingen een satijnachtige glans verkreeg."
Het type satinet in: sàtienét, K 183 (= Tilburg)
WNT – lemma Satinet – 1920 - znw. onz. Ontleend aan fr. satinet.
— Katoenen satijnweefsel, katoenen stof met een satijnachtige glans.
Het oudste glanzige katoenprodukt is het satinet, een katoenen satijnweefsel, dat zoowel voor voering als voor blouses, japonnen enz. … gebruikt wordt, V. WESSEM, Kostuumn. 6 [1908].

 

sausdèùme

zelfstandig naamwoord , plur.

vingers, 'poten'

Blèèft er meej oew sausdèùmen aaf!

Henk van Rijen - 'saawsdoome'

WBD III.1.1:148 'sausduimen' = handen

Blijf er met je poten af 154 idem = vingers

-- zie ook pòl

 

sauskum(me)ke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

sauskommetje

De Wijs -- (Gehoord van een Tilburger die uitgenodigd was naar iemands vijver te komen kijken) “Ge mot is naor menne viskûîl koome kèke, daor is de jouwe nog mar ’n sauskummeke bij…” (17-10-1966)

 

schaaj

zelfstandig naamwoord

scheiding

De Wijs -- (Man met kaal hoofd zegt tegen z’n vrouw) - Wè ziede aon me? (Geen antwoord Kèk naa is goed of ge niks aan me ziet! (Geen antwoord) - Ik heb m’n schaai aon den aanderen kaant gelee. (17-10-1966)

Cees Robben – Ik heb m’n schaai aon d’n aandere kaant geleej... (19661104)

WBD akkerscheiding (grens tussen twee stukken grond), ook 'scheiing' of 'afschaajing' genoemd

de schaaj int midde

WBD schaajkaaj - grenssteen

WBD schaajvoor - scheidingsgreppel (tussen twee percelen)

WBD schaaj (Hasselt) - ploegschei (voorste houten verbinding tussen ploegbalk en ploegzool)

WBD schaajvoor (Hasselt) - scheidingsvoor (tussen afzonderlijke akkers)

WBD schaaj (II:953) - schei, spanplank van een handweefgetouw

WBD schaaj (II:953) - schei, kamhout van een handweefgetouw

WBD (II:2789) 'schaaje' (mv.) - dwarsscheien tussen draagbomen van een kar (II:2790) 'schaaje' - verbindingsscheien tussen de berries (II:2791) 'trékschaaj' - trekschei van een kar (III.1.3:270) 'schei' = haarscheiding

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEE (scherpe e) zelfstandig naamwoord o. - scheiding, scheilijn, grenslijn.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schaei' -schei, scheiding (in het haar) 

WNT SCHEID - grensscheiding, grens; afscheiding, afpaling; enz.

WBD III.4.4:202 'schei','scheiden' = scheiding

WBD III.4.4:221 'schaaj' = schaduw

 

schaaje

werkwoord, zwak

scheiden; erbij staan; mankeren, ook als zelfstandig naamwoord

B schaaje - schaajde - geschaaje

Van Delft - "Hij wit nie, waor het schaait" wil zeggen: Hij weet niet hoe de vork aan de steel zit; hij weet niet hoe de zaak in elkaar zit; hij is in de war. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Dan wit er gin man mir waor 't schaait

- Vervelend is 't altijd voor iemand, wanneer hij niet weet “waor 't schaait", omdat men dan niet weet hoe de vork aan den steel steekt. ‘De Noord-Brabantsche Tongval’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

Pierre van Beek – Wanneer men zich hoort toevoegen: "Ge wit nie waor 't schaait" wil dat zeggen, dat men niet weet hoe de vork aan de steel zit. Breder genomen houdt het ook wel in, dat men in de war is. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950)

Cees Robben – op ’t schaaien van de mert (19570615)

Cees Robben – Hoe schaait dè naa... (19640515)

Cees Robben – Hoe schaait dè hier...  (19690502)

- Hoe schaaj et? - Hoe staan de zaken?

- Vraogt em is hoe et schaajt. - Vraag hem eens hoe het erbij staat.

R  Van een moeilijk probleem: Dè kan allêen God èn de mölder schaaje.

- Lot dè God èn de mölder mar schaaje.

Ik riep: «Gij brèngt et nòg zo wèèd/ dèk van zon knaolie schaai» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Amaai, wènne maai...)

«Peer — vroeg Ketrien de vlèeje week —/ hoe schaai et onderhaand?/ Wanneer wort hier et gras gemaaid, / den hof leeter vur schaand» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den hof gerêed, zonder zwèèt)

Henk van Rijen - wittet optal al, waor et schaajt - weet je het aantal al dat er mankeert

Ok un un héél grôot gesticht waar der ôot gebouwd. Daor stopten
ze de aaw meense in, die niemer veur der èège kosse zörge. Agge de
pech hadt degge as man en vrouw nog meej tweejen waart, nao un lang en gelukkig huwelijk, wierde daor geschaaje. Ouw mennekes apart op un zaol en ouw vrouwkes van etzelfde. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Op de grôte school waren de jongens en de mèskes geschaaje… (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -


WBD III.1.2:77 'scheiden' = klieven, verdelen; ook; 'kleuven' 

WBD III.4.4:202 'scheiden', 'schei' = scheiding

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. + intr. 'schaeien' - scheiden; in verbb. en zegsww.; nie weite woor 't schaeit - niet precies weten hoe het gelegen is. Z.a.

Verh.: 'Hoe schaaj et?' misschien oorspr.: Hoe loopt de scheiding

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHEIDEN voor beslissen;  tussen de akkers?  b.v. Ik kan het niet scheiden, wie gelijk hebbe.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHEIDEN. Niet weten, waar het scheide. Vermoedelijk ontleend aan eene onzekere grensscheiding. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEE(D)EN - hetz. als scheiden, Fr. séparer.

 

schaajkaaj

zelfstandig naamwoord

grenssteen; van ‘scheiden’ en ‘kei’; steen waarmee de begrenzing van grond werd aangegeven
Cees Robben – Dès menne schaaikaai... (19570119)

WBD grenssteen (Hasselts)

Henk van Rijen - steen als landafbakening

WNT SCHEIDSTEEN - grenssteen (verouderd)

 

schaajvoor 

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) scheidingsgreppel (tussen twee percelen)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEEVOOR zelfstandig naamwoord v. - voor die tot grensscheiding dient.

WNT SCHEIVOOR (scheevoor) - voor die tot afscheiding dient

 

schaampe

werkwoord, zwak

schampen

B schaampe - schaampte - geschaampt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAMPEN - schimpen, smalen, zijdelingse verwijten doen.

WNT SCHAMPEN - dicht langs iets strijken; II. schimpen, smalen (in Z. dial.)

 

schaand   

zelfstandig naamwoord

schande

Tis schaand vur de buurt. - Het is schande voor de buren.

MP gez. Den timmerman zen schaand is den schilder zen haand. De schilder moet de fouten v.d. timmerman bedekken

'k Zie oe toorens aon den ender:

zo'n schoon monumente zijn d'r

nergens zóveul as in 't laand,

dè nog "donker" hiet! - 't is schaand !

(Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Brabant’, 1938)

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Hij heeter gin schaand van

R.J. 'deh noem ik niks gin schaand'

Cees Robben – Mèèn boerinnekes die blèèven/ Van d’n aauwverwetsen staand... / En die draogen nog gin spiekes/ Net as gij juffrouw... ’t is schaand..!  (19600116)

Frans Verbunt -  der schaand van praote

Toen hadde die Hannie moete heure: ‘Schaand, schaand, mêer dan schaand’. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. - 'schand' - 1) schande; 2) schaamte

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAND (Kemp. schaand) - schande

 

schaans

zelfstandig naamwoord

schans

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in de schaans zitte (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - in de strafkolonie te Ommerschans

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - teege de schaans omhôoggroeje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd van een snel groeiend kind (schaans = schansmuur, scheidingsmuur tussen erven)

schutting

Stadsnieuws - Ons moeder hò en pròtje oover de schaans meej de buurvrouw (110710)

WBD (III.2.1:471) 'schans' of 'schrans' - schutting van steen; ook genoemd: muur, schaansmuur, schutting of schot

toponiem

De Schans (Tilburg Noord, De Heikant)

Audioregistratie 1978 - Van de Schaans klòpt ok al niks! Dè was, dè was veur bij de Vèfhèùze bij et ouwe mèrtje (?) dòr Pirke Vromans wont! Dè was et Schaanske èn de Kalverstraot dè was Pirke Dondersstraot! Mar waor Keej Klijse gewond heej, dè was ok nòg Schaans, die was ok Schaans genoemd! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

schaansmuur

zelfstandig naamwoord

scheidingsmuur, schutting

WBD (III.2.1:471) schaansmuur = schutting van steen, ook genoemd: muur, 'schans' of 'schrans', schutting of schot

WBD (III.3.3:96) 'schansmuur', 'tuin', 'heg', muur, 'kerkhofmuur' = omheining v.h. kerkhof

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- “...èn agge oover die schaansmuur zôo es en stintje ooverheene gôojde  èn hij, hij zaag dè, dan moeste binnekoome in de klas.” (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr 'schans' - lage stenen muur (om een speelplaats o.a.) zelfstandig naamwoord m. 'schansmuur', hetz. als 'schans'

 

schaar

zelfstandig naamwoord

kerf of breuk in het scherp van een mes

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAR zelfstandig naamwoord v.- breuk of kerf in de snede van een mes of ' ander snijtuig.

WNT SCHAAR (VIII = SCHAARDE 2) Kerf in het scherp van een snijdend gereedschap of werktuig.

 

De schaaw van de Tongerlose Hoef in Tilburg, circa 1900. Achter de stookplaats is de schaawplaot te zien; de waterketel hangt met een haol aan de schaawbalk.

De schaaw van de Tongerlose Hoef in Tilburg, circa 1900. Achter de stookplaats is de schaawplaot te zien; de waterketel hangt met een haol aan de schaawbalk.

schaaw

 

Ill. uit Kroniek van de Kempen

zeldtandig naamwoord

schoorsteen, schouw

- Den bisten aord hèk nog bij innen boer onder de schaauw mee in open vuur, waor ge zoo fèn in de vlamme kunt staore... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Elooi viet et wijfken en staak et in 't vuur

van z'n gloeiïge smis wel 'n hallef uur

en trok aon den blaosbalg en stookte en pookte

toe 't vuurke goed gloeide en 't schaawke smookte; (Piet Heerkens; uit ‘Vertesselkes, ‘Den eersten aop’, 1944)

- oew rookende, smookende, rijzige schaawe,

ik haaw van oe, Helmond, m'n roetige stad.  (Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), ‘Aon Helmond’, 1949)

Cees Robben – De schaauw van ’t febriek (19771111)

Cees Robben – [Lucht] Dur schauwen uitgespouwd.. (19701016)

Frans Verbunt -  as et roet stinkt in de schouw, komt er rèège

Lowie van Dorrus Misters - Op hoogte van de volle breedte waren diverse ijzeren stangen ingemetseld voor het ophangen van ham en spek om dit te roken. Nog steeds is het de gewoonte om deze varkensproducten boven een houtvuur te roken. Om meer rook te ontwikkelen wordt thans ook wel houtzaagsel gebruikt. Aan de stang in het midden werd de haal bevestigd. Dit was een instrument van ijzer, waarvan het bovenste vastzat. Het onderste gedeelte droeg een haak en een kant met tanden en was door middel van een hendel beweegbaar. Dit diende om de aangehaakte ketel op goede hoogte boven het haardvuur te brengen. De diepte der schouw, d.i. van de huiskamervloer tot de zijgevel, zal ongeveer 80 à 90 cm zijn geweest. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 ‘Rond de boerenhaard 1’; NTC 27-6-1952)

Hòst alle wèèvers zonder wèèrk/ bekaant gin schaaw mir èn gin kèèrk... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg ok...holadiee)

WBD schouw (overwegend de hoge en wijde, van onder naar boven zich vernauwende overdekking van de stookplaats) Der honge vèèf hammen in de schaaw.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge moet ze zuuke, waor et schaawke vruug rokt (JM'50) - raad aan de jonge boer die wil gaan trouwen

WBD (III.2.1:63) 'schouw, schoorsteen, schouwpijp' = schoorsteen

Èn op de schaaw ston en bild van Sintantooniejes onder ene stölp. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schaaw zelfstandig naamwoord  - schouw, schoorsteenmantel

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - schaauw - haard, schoorsteen, ook 'herd'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOUW Wordt overal gebruikt voor 'schoorsteen'

Goem. SCHOUW - zelfstandig naamwoord vr. schoorsteen, Fr. cheminée

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHOUW voor schoorsteen: algemeen.

Bij Kiliaen - : schoude, schaude, schouwe, schauwe en ook schoudsteen. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOUW - schoorsteen.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schaauw' - schouw, dat gedeelte v. d. schoorsteen dat van buiten niet zichtbaar is.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schouw - gemetselde rookvang, schoorsteen (div. dial.)

WBD schaawplaot - schouwplaat (haardplaat, gegoten ijzeren plaat met reliëfbeeldwerk, in de muur v.d. schouw bevestigd om het uitbranden der stenen te beletten)

WBD schaawbalk - schouwbalk (horizontale draagbalk, waaraan de haal direct of indirect is opgehangen)

6 citaten over schaaw

 

schaaw

bijvoeglijk naamwoord

schuw

WBD schrikachtig, gezegd van een paard; ook 'schouw' genoemd

Ze [de kippen] waren himmel nie schouw... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

'k Zie zo geeren al die toorens,

mee d'r kruise fier in top,

't blauw deurboore naost de schaawe

mee d'r pluimen om d're kop. (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Tilburg’, 1938)

Cees Robben - die is nòg nèt zo schaaw as en kiep onder de hèg;

Dan gaode nòg es wijer kèèke/ èn ge vènd daor aachter in de hèg/ midde tusse de jonge blaoikes/ ene schaauwe mèèrel òn de lèg. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vurjaor‘)

WBD III.1.4:137 'schouw' = bang

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOUW hetz. als 'schuw', Fr. farouche, sauvage, timide 

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schaaw - schuw

WNT SCHOUW - gewestelijke vorm naast SCHUW - 1) geneigd te vluchten; 3) bang, bevreesd, angstig

 

schaawe

werkwoord, zwak

WBD schouwen (van een ei), om na te gaan of het geschikt is voor consumptie

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHOUWEN (schaawe) ov.ww - kokend water over een geslacht varken gieten om de haren beter af te kunnen krabben.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'schaauwen' - 1. met kokend water begieten van pasgeslachte varkens om de borstels los te weken, 2. idem mais, resp. meel opdat ze/het zou opzwellen; II) schouwen, inspecteren.

WNT SCHOUWEN (I) 3) in oogenschouw nemen, inspecteeren

 

schaawer

zelfstandig naamwoord

schouder ; schouwheer

Henk van Rijen - hèdde ok zon pènt in oew schaawerblaoj?

Henk van Rijen - De schaawer kwaam schaawe - De schouwheer kwam de zaak opnemen.

WBD III.1.1:127 'schouder' = schouderblad

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schaauwer', schouwer, schouder

 

schab, mv. schabbe

zelfstandig naamwoord

R plank met één ronde kant, die resteerde bij het tot planken zagen van bomen

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHAB o. - dikke plank, aan één zijde ongezaagd en rond.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schab' de eerste, resp. laatste plank die van een boom afgezaagd wordt.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAB zelfstandig naamwoord o.-hetz. als schap, plank tegen den muur of in eene kas om iets op te leggen of op te zetten.

WNT SCHAB, andere vorm naast SCHAF - plank in een kast of langs een wand, tot bergplaats bestemd.

 

schabbe

werkwoord, zwak

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schabben - is er niks te schabben? (mee te nemen, te krijgen)"

Verwant met Duits 'schnappen' - snappen, happen ?

 

schabbelier

zelfstandig naamwoord

scapulier, schapulier

WNT SCAPULIER, ontl. aan Fr. scapulaire, lat. scapulare. Twee lapjes gewijde stof door linten verbonden...

Elie van Schilt - Mar op de bewaarschool mochte ok vur ut irst aon 'De Kindsheid' meedoen, dan gingde mee un vrouw uyt de buurt, mistal ok un vrouw die ginne vent had, vur ut irst naor de kerk, dan kreegde un schapulier om, det waren un paor lepkes die on un lint zaten en zó om oeë nek wieren gehangen, un paor lepkus veur op oe borst en un paor aachter op oeë rug. Die lepkes waren geweeïe en ok nog verschillend van kleur, die kleuren betéékende ok wir iets, ik weet allèèn nog, ut blauw lepke had iets mee Maria te maoken. As ut afgelóópen was in de kerk dan mòògde mee die vrouw wir naor heur huys en dan kreegde ranja en un snuupke. (Uit: ‘As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

Hil vruuger waar et gewôonte gewist vur kattelieke dan, dèsse unschabbelier droege. Dè waare stukskes stof, drie stukskes opelkaar òn de vurkaant en van etzelfde op de rug. Die waareverbonde dur un lint. Ik heb der zat gedraoge. Et stelde et habijt, un klôosterklêed veur. Dur zôiets te draoge koste laotezien dègge ok hil èèrg gelêûvig waart. Dègge ok wel bij unklôosterorde wilde heure mar dègge vondt dègge in de wèreldbeter wèèrk kost doen. Ge kost naa inmòl nie ammòl in etklôoster gaon. Omdè die lèpkes stof netuurlek vèùl wiere, elklèpke ha un aandere kleur en et waar van dieje groffe stof,moese die ok meej ötgewaase wòrre.Omdè alles nogal gaawkepot gong, dur dè draoge en waase, han ze der iets aandersop gevonde. De medòllie van onze lieve vrouw van Maria,moes die stukskes stof vervange. Un stukske metaol, ovaalvan vörm en iets grôoter dan un kwartje meej bovenaon unringske daor ge un slèùtspeld dur kost steeke. Et bild vanMaria han ze’r ingeperst en aachter op stond ‘ora pro nobis’,wè zoveul betêekende as bid voor ons. Ge kost die medòlliemeej die slèùtspeld òn hoe hemd vaastmaoke. Et liefst ònoewe linkse kaant boven oew hart. De fraters op school hanmirmaole verteld van seldaote die in den oorlog niegesneuveld waaren omdè de kogel die aanders dur hullie hart waar gegaon op die medòllie teruggeketst waar. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. 'schabbelier - sc(h)apulier

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schabbelier zelfstandig naamwoord  - scapulier

Hees schabbelier (l:36)

 

Schilderij van Ferdinand Georg Waldmueller - Voedselverstrekking door kloosterlingen. 1859

schabberdebonk, op–, schobberdebonk

uitdrukking

op andermans kosten

Den dieje gao aaltij op schabberdebonk meej.

R op de schòbberdebonk/schabberdebonk lôope - klaplopen

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'op schoeber-de-bonk'

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "op schabberdebonk loopen (klaploopen)" Henk van Rijen - ek rôok op de schabberdebonk

Cees Robben – Ze hee aaltij geere gelimmeneerd en op schabberdebonk gelôôpe... (19570223)
Cees Robben – ’t Schabberdebonk-menu’ [Titel van de prent van 19570921 over zwervers die gratis maaltijden verstrekt krijgen in Tilburgse kloosters.]

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHABBERDEBOK zelfstandig naamwoord m. 'Op schabberdebok loopen' - op schaaf loopen, op den schoefel loopen; tafelschuimen, rondloopen om eten te krijgen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord  'schabberdiebonk' resp. 'schobberdiebon, d.i. schobberdebonk, in de zegsw. 'op schobberdiebonk leupe'-klaplopen

WNT: schabberdebonk zie schobberdebonk (schaverdebonk) Van een buiten deze afl. niet aangetroffen 'de bonk schobberen' (in een gebruik in de zin van 'haastig naar zich toehalen' of 'haastig oppeuzelen'. In de verbinden: op (de) schobberdebonk loopen = klaploopen.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHABBERDEBON in de zegswijze 'op de schabberdebon' - op de bonnefooi, klaplopend.

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'schobberdebònk', op schobberdebònk gaon = klaplopen

Hees op de schobberdebonk (III:39)

Bosch schabberdebonk - op schabberdebonk - op andermans zak

 

schabbernak

zelfstandig naamwoord

Van Beek - 'n Oud krot van 'n woning noemt men in Tilburg 'n schabbernak. (Denk aan schobbejak.) "Zo'n schabbernak van 'n kast zou ik niet willen hebben." (Schabberig of schabbig verklaart Van Dale met: armoedig, kaal, versleten, bv. een schabberige jas, er schabberig uitzien, een schabberige bedelaar. Schabullig is armoedig, kaal, versleten, bv. schabullige kleren.) (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

 

Brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965 - Bron: archief erven Pierre van Beek

 

Cees Robben – Gij schabbernak van unne kop ... (19590912)
Cees Robben – ’n Klinkklaor schabbernak... (19600826)
Cees Robben – Rouwe grauwe schabbernakke... (19701106)
Frans Verbunt -  lelijk voorwerp, prul

Henk van Rijen - onooglijk iets

Lechim - We hèbbe en modèrn stasjon/ ötgekiend, hêel presies,/ mar réècht daor teegenover stao/ et aaw schabbernak van 'Swies' (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vergaone gloorie) [ Bedoeld wordt het hotel-restaurant Suisse]

Piet van Beers:

Van hierèùt op weg nor den Efteling
Komde langs dè schabbernak.
Dè draaiend hèüs van Körmeling.
Nao ènnigte weeke waare de Tilbörgers
Daor al hillemol op ötgekeeke.
(Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.4.4:284 'schabbernak' = iets onbelangrijks

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHABBERNAK - zelfstandig naamwoord o. - iemand die aardig aangetakeld is of wiens kleederen wonderlijk of slordig om het lijf hangen.

Goem. SCHABBERNAK - in: iem. met zijn - pakken.

WNT SCHABBERNAK, SCHAVERNAK, ontl. aan Hd.Schabernack, verwant met schaven en nek. 1) Wonderlijk of onooglijk kleedingstuk; 2) iem.die er wonderlijk of onooglijk uitziet; 3) rakker, kwajongen; 4) lichtzinnige; 5) oude magere koe; 6) bouwvallig huis, cavalje, barak; 7) door verwisseling met 'schabrak': zadelkleed; 8) In de uitdr. 'op schabernak gaan' - op de schobberdebonk loopen, klaploopen. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. 'schabbernak' - bouwvallig huis (schuur of schop).

DeBo SCHABERNAK Z.a.

 

schaft

zelfstandig naamwoord

schacht van een weefgetouw

WBD schafte (II:967) - kamlatten; ook 'kamlatte'

WBD schaft meej staole heejvels (II:966) - stalen weefkam

WBD schaft meej taowheejvels (II:966) - touwtjeskam

WBD .4.4:130 'schaft', 'schof(t)' = schoft (deel v.d. werkdag)

 

schandaol, -dòltje

zelfstandig naamwoord

schandaal

vèùl schandaol dègge zèèt!

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - schandaol

Ak dè òn onze paavertel komde un maond niemer bèùte, schandaol van de vismèrt. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord o. - schandaal, "persoon die zeer in opspraak is, die tot groote ergernis aanleiding geeft, waarvan de aanwezigheid tot schande strekt"

WNT schande, schandvlek.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHANDAAL zelfstandig naamwoord o. - iem. die zich schandelijk, eerloos gedraagt.

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schandaol zelfstandig naamwoord  - schandaal

 

schandaoleg

bijwoord/bijvoeglijk naamwoord

B schandalig

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHANDALIG - schandig, eerloos, ergerlijk. Schandalige liekes zingen.

 

schaof

zelfstandig naamwoord

schaaf

WBD schaofmesjien - schaafmachine (in de leerindustrie) II 614 

WBD II:2723 'blòkschaof' - blokschaaf

WBD II:2724 'hòlschaof' - toogschaaf met bolle zool

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  'schaof' - schaaf; zegsw.'op de schaof leupe' - klaplopen, op schobberdebonk lopen.

Antw. - SCHAAF zelfstandig naamwoord m. op schaaf loopen - tafelschuimen, rondloopen om ergens aan 't eten te geraken. (zie:  schabberdebonk)

 

schaoj

zelfstandig naamwoord

1. schade

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'schaoi'

Van Delft - "Wanneer komde oew schaoi ies terughaolen?" vraagt de eene buurvrouw aan de andere, bij wie ze op visite geweest is, om aan te duiden, dat zij de andere terugverwacht op de koffie of op bezoek. Antwoord: "Naa nie, mèr mèrege." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek – Als een Tilburger ergens goed gegeten of gefuifd heeft (of buurvrouwen bij elkaar "op 't half elfke" geweest zijn), zegt hij soms tot de gastvrouw: "Ge moet de schaoi mar 'ns komen terughaolen." Dit houdt de uitnodiging in op zijn beurt maar eens bij de gast te komen eten of fuiven. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950)

De störm bròcht nèffe grôote schaoi/ trubbel èn overlaast. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den êene zenen dôod... )

Henk van Rijen - oew schaoj inhaole - je schade (achterstand) inhalen

Frans Verbunt -   oew schaoj gòn terughaole

‘Goed, Klazien bedankt veur de gastvrijheid en komt de schaoi mar ens terughaole’. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Frans Verbunt -   wès de schaoj - wat is het gelag? 

‘Ik zo nie weete wè vur schaoi ik zo hebben aongericht’, zi onze pa. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Buuk schaoj - schade! nadeel, kosten, gelag wès de schao? - Wat moet ik betalen?

WBD III.1.4:342 'scha' = nadeel

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schaoi' - schade, nadeel

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAI zelfstandig naamwoord v. - schade

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schaoj zelfstandig naamwoord  - schade

2.schaduw

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - die ónder de schaoj van den toore woone, die zèn me te fèèn (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) 

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
schaoi - schade, schaduw, lommer; in de schoai leupe

WNT SCHADE (II), scha, schaai zelfstandig naamwoord vr., mnl. schade + schaduw, thans alleen in zuidelijke dialecten

 

schaoje

werkwoord, zwak

schaden

B schaoje - schaojde- geschaojd geen vocaalkrimping

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw. ww.intr. 'schaoien'

 

schaojelek

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord  

B schadelijk, overdadig, te royaal

schaojlek laage - overdreven lachen

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - schaojlek

Des in ieder geval nie zo schaoiluk. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

De Wijs --  (Gehoord bij ’n dode: ) -- ’t is mar te vruug, zô jong og en zôveul kender, ‘t is ’n schaojlek lèk (13-07-1966)

Cees Robben – En ’n schaoielek lèèk... (19780616) [een overledene die de verzekering veel geld kost]

Henk van Rijen - 'schaojlek'

Verh. SCHADELIJK (schaoilijk) bijvoeglijk naamwoord  - 1) onvoordelig, duur; 2) gul, hard, in: 'schaoilijk lage' - hard en uitbundig lachen en daarmee energie verspillen; 3) in de uitdr. 'n schaoilijk léék' – een gestorvene die eigenlijk niet gemist kon worden.

 

schaojvergoejing

zelfstandig naamwoord

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - schadevergoeding, schadeloosstelling

 

schaoke

werkwoord, zwak

schaken

B schaoke - schòkte - geschòkt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schòkt

 

schaol, schòltje

zelfstandig naamwoord

schaal; harde huid van een noot, ook bast, baast, schölp of bolster genoemd

WBD schaol - schaal van een ei

WBD weegschaol - weegschaal, weegtoestel

WBD (III.3.3 139) oope schaol, sèntenbòrd = collecteschaal

WBD (III 2 3 80) 'schaal' = idem (van peulvruchten)

WBD (III 2 3 184) 'schaal' = bolster van een noot

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schaol'  - schaal

 

schaome

werkwoord, zwak

schamen

WBD III.1.4:443 'zijn eigen schamen'? 'schamen' = zich schamen

B schaome - schòmde - geschòmd - ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij schòmt

 

schaomel

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - schamel, armoedig

 

schaop, schaope, schòpke, schòpkes

Ill: Rolf Janssen

zelfstandig naamwoord

schaap

WBD schaopestal, schaopekooj - schapenstal

WBD schaop, kom jonge - lokroepen voor een schaap

WBD schaopje, 'lam', 'beee' - lok-/roepwoorden voor een lam

WBD schaopke - vleiwoord voor schaap of lam (zie: schòpke)

WBD schaop - vrouwelijk schaap, ook 'gèrm' genoemd of 'ôoj'

Cees Robben – D’n stal mee de herders en schaopen... (19561222)
Cees Robben – ’t Was unne goeie herder [pastoor], hij schèèrde z’n schaope (...) mar hij vilde ze nie (19850614)

WBD schaopehèùd, schaopevèl - schapehuid, schapevel

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - schoape - schapen

Frans Verbunt -  ge mot de schaope schèère nòvenaant ze wol hèbbe

...et valt vur Zwartkruis [trainer Nederlands elftal] ok nie mee/ en schaop te leere daanse. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: We wòchte mar aaf)

WvM 'de s van de schaope en van durre stal'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord o. 'schaop' - schaap; mv. 'schaop'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAP In de Kempen geen meerv. uitgang.

schaapjes in de betekenis van gelovigen van een pastoor/ parochie
Cees Robben – Houdoe schaopkes... [bij het overlijden van pastoor Klein van parochie Westend] (19580215)
Cees Robben – ...zun “schaopkes”; namelijk de ‘schaapjes’ van een kapelaan. (19550129)
 

schaopebloed
zelfstandig naamwoord
schapenbloed; kenmerk van geduldigheid
Cees Robben – Om meej d’n dieje te kunne akkerderen (...) moette schaopebloed hebbe... (19641106)
[De uitdrukking ‘schapenbloed hebben’ is niet elders vastgesteld. Robben bedoelt duidelijk: enorm veel geduld hebben, veel door de vingers kunnen zien]
 

Schaopsdèèk – Schaapsdijk
toponiem
oudste bewijsplaats: 1865
1912 - Aanranding - Gisterenmorgen omstreeks 9 uur ging de dienstbode van den landbouwer R. wonende Schaapsdijk naar den akker om te gaan werken toen zij een onbekenden jongen tegen kwam, die haar met geen goede bedoelingen aansprak en vastgreep. Het meisje, dat tegen haar aanrander opgewassen bleek, pakte hem eveneens vast en gaf hem zulk een flink pak slaag, dat hij, zoodra hij daartoe de kans zag, met achterlaten van zijn pet op de vlucht ging. De dienstbode deed van het geval aangifte bij de politie, die hedenmorgen als vermoedelijke dader arresteerde den 17 jarigen H. v. B. die bij een onderzoek een volledige bekentenis aflegde. (Nieuwe Tilburgsche Courant – 24-5-1912)

Nieuwe Tilburgsche Courant – 24-5-1912

 

Weekblad van Tilburg 30-12-1865

 

schaors

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - schaars, zeldzaam

zelfstandig naamwoord

scheermes

- Met z'n “schaors" bedoelt de oude Tilburger z’n scheermes. ‘De Noord-Brabantsche Tongval’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

"De boeren maaien aanders op tijd, en as ik oe mee 'n schaors kan helpen, de mijn is zoo scherp as 'n zeissie!" Oome Teun haolde z'n scheermes van d'opkaomer en streek er mee over z'n turksleeren boks... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’’t Spook’; NTC 3-1-1940)

Cees Robben – Waor leej m’n schaors, troeleke..? (19580118)

 

WBD III.1.3:269 'schaars' = scheermes; ook 'krabber'

WNT SCHAARS (I) - scheers, op niet duidelijke wijze gevormd van 'scheren' of van 'schaar' - scheermes.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schars, schaars, scheers - scheermes

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAARS zelfstandig naamwoord o. - scheermes

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) -  SCHARS - scheermes.

Kiliaen & Plantijn hebben beiden 'schaers'.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHAARS (schaors) v - scheermes

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. en vr. 'schars, schaars' - scheermes

 

schaove

werkwoord, zwak

schaven

WBD drêûgschaove - droogschaven, van huiden, d. w. z. ze aan de vleeskant uitdunnen c.q. op gelijke dikte brengen (II 615)

WBD natschaove - natschaven, het leer na het vetten aan de vleeskant uitdunnen, c. q. op gelijke dikte brengen (II 655)

B schaove - schaofde - geschaofd geen vocaalkrimping

Cees Robben - Hij heej flink oover de grond geschaofd: m.b.t. incestpleger

 

schap, schab, schabbe

zelfstandig naamwoord

plankenkast

plank in een kast of langs een wand, décolleté, spie

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ènkelt vur de schap koome (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)- komen als er ergens wat gratis verkrijgbaar is (schap = schbberdebonk)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- schap - ze staak èt in d'r schap (in haren boezem)

Van Delft - "Hij mag er op 't schap kijken." Hij is bij die familie of dat gezin 'n zeer vertrouwd huisvriend. - "Hij zal er niet veel tin van op zijn schap zetten" of: "Hij zal er niet veel zij bij spinnen". Hij zal er niet rijk van worden. (Tinnen borden waren bij de boeren vroeger reeds een zeker teeken van welstand; zij werden op de schapraai gezet.) (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

WBD III.1.1:117 'schap' = borsten van een vrouw;

WBD III.1.1:119 'schap' = boezem

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schap zelfstandig naamwoord  - décolleté

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHAB o - dikke plank, aan één kant ongezaagd en rond

SCHAP - 1) diepe muurkast, voorraadkast; 2) décolleté, spie; genoemd naar 1) waarin ook de kumkes op de plank staan?

Goem. SCHAP - zelfstandig naamwoord o. - plank om iets op te zetten; dim. 

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAP, SCHAB - plank tegen den muur of in eene kast.

 

schappen
werkwoord, zwak

verbasterde vorm van schrappen in de betekenis schrapen
in de uitdrukking ‘iemand de tong schrapen’
WNT lemma Schrapen - Iemand de tong schrapen, hem aan het praten brengen, hem uithooren.
WNT lemma Schrappen - Als of ghy Die (een naam) selver niet en wist soeckt ghy mijn tongh te schrappen En leght maer toe of ghy my ergens kost betrappen, WESTERBAEN, Ged. 2, 471 [1663].
Cees Robben – Mar ik docht kom mar is over de brug, ge zult mèèn tungske nie schappen.. (19650402)

 

schapraai

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - houten rek voor potten

Van Dale - schapraai - (gew.) kast met borden, bep. etenskast, provisiekast

N. Daamen - handschrift 1916 - "schapraai - zie schap"

Cees Robben – Van ’t schapraaike naor d’n herd... (19590307)

WNT SCHAPRAAI - 1) plankenkast, kast; 2) bepaaldelijk: provisiekast, etenskast, broodkast

Noord en Zuid, jrg. 4, 1881, p. 21 – schapraai = kast, broodkast.

Noord en Zuid, jrg. 16, 1893, p. 221 – Zij zit al (of: Zij blijft nog) in St. Anna’s schapraai: van eene bejaarde maagd , die weinig kans meer heeft om nog te trouwen en kinderen te krijgen. Zij is gegrond op het verhaal aangaande Sinte Anna, de huisvrouw van Joachim en de moeder van Maria, die eerst op gevorderden leeftijd hare dochter ter wereld bracht. De spreekwijze is vooral in Brabant en België in zwang, waar schapraai voor “etenskast", hier in den meer algemeenen zin van “huishouden" genomen, eene gewone uitdrukking is.

Noord en Zuid, jrg. 22, 1899, p. 241 – h o e k s c h a p r a a i . Schapraai wordt in Vlaanderen algemeen gebruikt voor etenskast; in Brabant ook voor andere kasten , kisten of koffers, waarin men iets bewaart: melk-, brood-, vleesch-, hoekschapraai, hoekkastje.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAPRAAI zelfstandig naamwoord  v. - eetkas (fr. gardemanger)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHAPRADE of schapraai = niet alleen bij de boeren maar zelfs bij niet onaanzienlijke dorpelingen in de Baronie nog veel in gebruik voor 'atenskas', zoo wel als het verkleinwoord ' schapraaiken'. SCHAP = armarium, Eng. shop, ons schop, enz.; RADE beteekent 'gereedschap'. Z.a.

Goem. SCHAPRAAI - zelfstandig naamwoord vr. Fr. armoire, en meer bep. garde-manger

 

scharbos

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:94 scharbos - bos van kreupelhout, ook genoemd: scharhout, sprokkelhout

 

scharhout

zelfstandig naamwoord

PM hout dat gekapt wordt, o. a. voor mutserds

Henk van Rijen - 'scharhaawt' - scharrelhout, brandhout, mutserd

WBD III.4.3:94 scharhout - bos van kreupelhout; ook genoemd: scharbos

sprokkelhout,

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHAARHOUT (scharhout) o - hout dat gekapt wordt om staken en mutserd van te maken.

WNT SCHAARHOUT zelfstandig naamwoord w, o. Hout dat van tijd tot tijd gekapt wordt, hakhout.

In zuid. dialecten. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord o. 'schaarhout' - hakhout, hout dat van tijd tot tijd gekapt wordt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAARHOUT zelfstandig naamwoord o. - hakhout, hout dat v. tijd tot tijd gekapt wordt.

 

scharminkel

zelfstandig naamwoord

betiteling van een lang, mager mens

WBD III.4.3:48 scharminkel - lange, dunne boom; ook: zwieper, zwieperd, sliert, spar of schieter

S&S SCHERMINKEL, SCHRAMINKEL: oud en mager wijfken,

Corn. Vervl. 1073

Zie WNT XIV 286, bet.4.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHARMINKEL, SCHERMINKEL zelfstandig naamwoord o. - oud en mager wijfken

WNT 3CHARMINKEL - 1) Aap (verouderd); 2) duivel, booze geest; 3) geraamte; 4) zeer mager persoon

 

scheede

zelfstandig naamwoord

schede; vrouwelijk geslachtsdeel

WBD III.1.1. lemma  schede – schede, verspreid in Tilburg

 

schêef

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord  

scheef

schêêf gehupt - (paard) met een scheve heup, ook 'onthupt' genoemd

Cees Robben – Scheef juffert goed... (19751128) [ter vergoelijking van iets (b.v. kleding) dat niet precies correct of symmetrisch is]

WBD schêef (II:1248) - ongelijk, gezegd van een zoom

Henk van Rijen - schêeve kuntjes piesen ôok -

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEEF Fr. oblique. Vergl.: zoo scheef as 'en krab', gestoord, dwars, misnoegd; een scheef gezicht trekken.

 

Sticker van een carnavalsvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

schêefaon

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord  

scheef aflopend

Interview Jolen - 1978 - “…daor ene pin aon, hè…die gingk in de grond èn dan hadde dè hoek en gat èn dè en gat èn dan hadde ene beugel in hout, in plank, jè, hoe zak die naa öt…ötnoeme? Die was zo en bietje schêefaon èn onder dicht èn zo diep èn moeste meej die beugelbòlle, hadde houtere bòlle, schèppe èn nòr die ringe gôoje…” (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

schèèf, schèfke, schèève

zelfstandig naamwoord

schijf, plak

Hij gaaf ze spèk meej moffelbôone/ boerebrôod meej en schèèf zult/ mar ze han liever kwattastrooisel/ goei eete was er òn verspuld. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Gift ze mar zuut‘)

Piet van Beers – ‘De stinpöst’: Vier onsvèrse worst èn peeje../  doet er mar wè jèùne bij./ 'n Bèkske zult 'n half pond kaoje/ èn tweej schèève balkenbrei. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD karnschijf (cirkelvormige, van openingen voorziene plank onder aan de karnstaf), ook genoemd 'schèfke'

WBD booterschèèf - deksel van de karnton

WBD kouterschèèf - schijfkouter (kouter met de vorm van een platte metalen, draaiende schijf, dat vooral gebruikt werd bij het scheuren van grasland), ook genoemd (Hasselt: ) 'schèèf'

WBD schèèfèg, (Hasselt) schèèfeeg (gebruikt voor het scheuren v. grasland)

WBD kèttingbôomschèèf, gaorenbôomschèèf, bôomschèève (II:1007) - resp. kettingboomschijf, garenboomschijf en boomschijven

WBD gaoreschèève, schèjve, schèève (II:1007) - garenschijven, schijven

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de schèèf = Schijfstraat en omgeving (blz. 132)

WBD III.2.3:124 ' schijfeltje' = dun schijfje

 

schèèl, schèltje

zelfstandig naamwoord

deksel

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "scheel (schail) - deksel van een pot of pan"

WBD (III.2.1:139) 'scheel' = deksel

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHEEL voor deksel, zeer algemeen; zamentrekking van 'schedel', afkomstig v. h. Oud-Duitsche 'scheelen' = bedekken. Z.a.

Cees Robben – ’t schèèl van ’t twidde gat.. (19670526)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHEEL (schéél) m - deksel van een pan (verwant met schedel).

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEEL (zachte e) zelfstandig naamwoord o. - deksel Fr. couvercle

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèèl zelfstandig naamwoord  - deksel van potten en pannen

WNT SCHEEL (III) - deksel (nog in zuidelijke dialecten)

 

schèèl

zelfstandig naamwoord

gezegde

● zelfstandig naamwoord, onzijdig; in de uitdrukking ‘et schèèl afdrinken’; bij de geboorte van een kind een borrel nemen
Cees Robben – ’t kekt wel schèèl.. (...) mar ‘k gao d’r toch op klinken, (...) om ’t schèèl d’r af te drinken... (19600422)

Hees - 't scheel afdrinke ((III:61) AFDRINKEN 2) AF in den zin van tenietdoening [hier: van de erfzonde? ] Door drinken de schadelijke gevolgen er van wegnemen, tegengaan; en zoo maken als ware er niets voorgevallen. ... een geschil afdrinken...
• b
ijvoeglijk naamwoord

scheef, scheel

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - As ge alles wilt, kèkte schèèl op oew neus (Si'66) - Waarschuwing! Wees niet te veeleisend.

Frans Verbunt -  zo schèèl kèèke dègge et zwêet krèùslings oover oewe rug ziet lôope

WBD III.1.1:243 'scheelzien, scheelkijken' = scheelzien 244 'schele' = (een) schele (zijn)

- als scheldwoord

ene schèèle wiewauw - een scheel persoon

De Wijs -- Hij hee ‘ne kop as ‘ne veurhaomer, hij is zô schèèl as ‘n otter en hij is driekwart idioot, mar veur de rest gaoget wel (16-01-1975)

Henk van Rijen - 'schèèle' - scheldwoord voor brildragende of scheelogige

WBD III.4.2:92 'schele jood' - pos, ook genoemd: 'koolbaars', 'baarske', 'pos'

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - schèèle Piet = Piet Verhagen (blz. 81)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÈÈL bvw - Fr. louche. Verg. zoo schèèl als 'en krab, als 'nen otter;

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèèle juut: scheldwoord voor 'n schele

Bosch schele wiewaai: scheldwoord

WBD III.4 4:226 'scheel' = scheef, ook 'scheluw', 'schouw' --fig. schèèl dientje - kleine baarsachtige van 15 cm (Gymnocephalus cernua), ook schèèle jood genoemd.

 

schèèlewip

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - vogel op schietboom

 

schèèmel

zelfstandig naamwoord

schemel, voetplank van een weefgetouw

WBD schèèmels (II:976) - schemels: treden, de stevige latten onder aan het getouw

WBD scheèmel (II:1069) - schemel, grote trede v. jacquardmachine

Henk van Rijen - schêemel - voetlatten om de schachten van een weefgetouw te bedienen

WNT SCHEMEL II, 2) voetplank van een weefgetouw.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEMEL zelfstandig naamwoord  v. - bij wevers: een der beide treeplanken of hefboomen die, met den voet in beweging gebracht, de draden der schering aanhalen en van elkaar doen wijken, zoodat de spoel ertusschen door geworpen kan worden

WNT SCHEMEL - voetplank van een weefgetouw

 

schèèmelkèùl

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - schemelkuil, gat onder de voetplank van een weefgetouw, dat de wever in staat moest stellen, voor de benodigde 'sprong', de latten diep genoeg te kunnen intrappen. (Tilburgse Taalplastiek 119) 

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van bangeghèd in zene schèèmelkèùl krèùpe (vB-Tilburgse Taalplastiek 197l) - van angst onder de voetplank van het weefgetouw kruipen.

WBD scheèmelsköjl (II:976) - schemelskuil: de rechhoekige kuil onder het handweefgetouw

Henk van Rijen - zo bang as ene schèèmelkööl - zo bang als iem. die getrapt wordt

Henk van Rijen - 'schêemelkööl'

 

schèèmsel

zelfstandig naamwoord

schemer

1974 (ca.) – “Schemen” (ABN). hier moet altijd duisternis bij worden gedacht. “Schèèmsel” = tussen licht en donker = 's morgens heel vroeg. “'t Irste schèèmsel was er nog mar aaf”. “Schèèmsel” is afkomstig van het middelnederl: Scheme, scheem en schemel. (Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek)

Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek

 

schêen

werkwoord, persoonsvorm

scheen, schold

verleden tijd van schèène

 

scheen

zelfstandig naamwoord

scheenbeen

In de uitdrukking ‘een blauwe scheen lopen’: een blauwtje lopen.

- J.M. Van der Donck, ‘Mooi Truike’, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: 'nen schaatrêken boerejongen uit ur durp, die vruuger bij Truikes 'n blouwe schin hà geloope.

 

schèène

werkwoord, sterk

1. schelden

- schèène - scheen - gescheene

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schènt

eigenlijk: afgeleid van schenden

Nie schèène, schôojer!

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schaine - schelden"

- Het hee z'n goeie en kwaoie zije,/ En er op schènen maag ik nie…; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue ‘Vruuger en naa’, 1926.

Van Delft - "Die mèèden van de Jut schènen mekaare uit veur al wè lilluk is." Die meisjes der jutespinnerij schelden op elkaar in bewoordingen, waarin al wat leelijk is tot uiting komt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'schènpartij' - scheldpartij

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'Dè schend mekare de huid vol'

Naa nie om van Tilburg te schène hoor... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

KAREL. Jè, en soms begiene ze nog te schène óók! SJAREL. Och, Karel, daor kunne me ok beter mee laage dan schreuwe. Ge mokt naaw eemel van meensche gin Trappiste… (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

De Wijs -- schène doe gin zeer en schuppe heddet hart nie (23-10-1963)

Cees Robben – Wè zal oew moeder toch schèènen..! (19561222)
Cees Robben – [over een vrouw:] Ze lekt net de ster van betteljem.. Jè, alleenig blinkt ze nie... schèène doese wel.. (19800105)

Ons Drieka schèènt op tilleviesie/ omdè ik iederen aoved kèèk/ zij wil liever aaltij buurte/ mar deeze week krêeg ik gelèèk. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zôo gao dè dan, zeej Peer)

«Wès Tilburgs tòch en rèèke taol»/ zeej list nòg onze klèène/ Tis nie allêenig schôone schèèn/ mar alles kan hier schèène. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et schènt gelèèk te schèène)

...èn assie daor dan iets van zeej/ moete ze heure schèène. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Verhèùs-plezier)

Henk van Rijen - 'Schèène doe nie zeer èn schuppe hè de-t hart nie'

Stadsnieuws - Schèène doe nie zeer èn schuppe hèddet hart nie! (201206)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHENDEN (schèène) onov. ww - schelden: schèène doe nie zeer en schuppe hedde 't hart nie; de samenst. 'ötschèène' betekent ook wel: noemen, maar met ontleende woorden (zie blz. 50)

Complete 'Brabantse scheldprocessie' van Piet Heerkens svd

2. schijnen (licht uitstralen)

Cees Robben - èn de zon èn de maon èn de stèrre die schèène dan niemer;

Hêel hôog daorboove stond en stèr/ mar niemand zaag ze schèène. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: : Wè hemme toch gegeete)

Piet van Beers – ‘As ge me zuukt’: Tusse Carneval èn Paose,/ as de zon es schèène wil/ Gao ik in menne tèùn ònt spitte./ Want... dè moet vur êen April. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers – ‘As ge me zuukt’:  as de zon es schèène wil./ Gao ik in munne tèùn ònt spitte. (Brabants A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
1; z.j., ca. 2005)

Mar ondanks alles schêen de zon... (Henriëtte Vunderink, Kampeere, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

Overige bronnen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
(n) zw.ww. (verl. dw. 'geschänt'), tr. 'schaennen' d. i. 'scheinnen' - scheinden, schenden.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schaene - schelden

Bosch schelle - schelden, schillen

WNT SCHENDEN, schennen 7) met iemands eer of naam tot voorwerp: daaraan afbreuk doen; enz. z.a.

WBD III.3.1:300 'schenden','uitschenden' = uitschelden

WBD III.3.1:301 'schenden' = schimpen

WBD III.1.4:237 'schelden' = razen en tieren

Haor schèine - schelden

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHENDEN, SCHENNEN, met een zaak als voorwerp: beschadigen, leelijk maken, bederven.  

 

schèènhèlleg

bijvoeglijk naamwoord

schijnheilig, hypocriet

WBD III.1.4:87 'een schijnheilige' = een huichelaar

Stadsnieuws - Zo schèènhèlleg as enen duuvel die zen èèrepel in wijwaoter kokt (300507)

 

scheepe

werkwoord, zwak

schepen, inschepen, in de betekenis van in het huwelijk treden; vergelijk: huwelijksbootje

- Hij is gescheept en moet nu varen. - Hij is getrouwd en moet nu zien de kost te winnen. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’)

 

scheepel

zelfstandig naamwoord

WBD

inhoudsmaat voor droge waar, = 37, 6 liter 8 scheepel = 1 mud ( 301 liter )

in Tilburg in gebruik voor de invoering v. h. Ned. Metriek Stelsel, 1820) zie: Verhoeff

WBD III.4.4:300 'schepel' = hectoliter, ook 'mud' of 'spint'

WNT SCHEPEL (van 'scheppen') 2) een maat voor droge waren: het vierde deel van een mud en dus naar gelang der mudden verschillend. Het tiende deel van een hectoliter.

 

scheeper

schilderij van F. Brissot de Warville: 'Schaapherder op de heide' (19e eeuw)

zelfstandig naamwoord

schaapherder Dirk Boutkan (1996)  - (blz.23) 'schêeper' - schaapherder

De scheper schalt meej schellen klaank/ van gunderwijd den louwerzaank,/ 't is aovent, 't is aovent. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘’t Is aovent’ , 1932)

 

schèèr, schèère, schèrke

zelfstandig naamwoord

schaar

Pierre van Beek -- Bij het gezegde "Ziezo, zeej de Fraansman en hij bedoelde 'n schèr (schaar)" hebben we te doen met een aardig gevonden woordspeling door gelijkheid van klank. Men moet namelijk weten, dat het Franse woord voor schaar luidt: "ciseaux", dat als "siezo" wordt uitgesproken. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 11 maart 1950)

Pierre van Beek – …van de kleermaker kon men wel horen, dat hij goed "dur het oog van de schèr (schaar)" haalde, waarmede hij dan beschuldigd werd van het achterhouden van overgeschoten stof, waaruit hij in opdracht een costuum gemaakt had. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950)

WBD kapgebint: twee schuine balken die elkaar in de nok ontmoeten

WBD schèèrbêen - keper v.h.kapgebint (elk van de twee schuinstaande, elkaar in het nokpunt v.h.dak ontmoetende balken v.h. kapgebint)

WBD schèère - de beide beenderen v.d. onderkaak v.e.paard

WBD vurschèèr, (Hasselt:)'vurschaor' - voorschaar (van een ploeg)

WBD 'schéér' (II:1044), ' schérk?' - weversschaar

WBD 'schèèr' (II:1111) - schaar; ook 'schijr', of 'knip' (kindertaal)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - schèèr (krt.2l)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
 
zelfstandig naamwoord vr.'scheer' - 1) schaar; 2) de beide beenderen v.h.kinnebakken; 3) grote mond. II (weverst.) schering. III - scheergebint.

Antw.SCHÈÈR zelfstandig naamwoord v.- schaar, fr.ciseaux

 

schèère

werkwoord, zwak

schrapen, bij elkaar zien te krijgen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "bij mekaare schairen (schrapen); moeder maak de pan uitschairen?"

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHAREN voor 'schrapen' van een gierigaard. Bij Kiliaen - = congregare. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHARREN (schèère) ov.ww - krabben, schrappen, bv. restjes uit een pan; ook: vrekkig verzamelen, krampachtig verwerven.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÈREN - afmaaien, afpikken, doch alleen in de zegswijze: de velden geschoren, de winter geboren

WBD schèère (II:988) - scheren: van de door spoelen verkregen scheerklossen met kettinggaren er zoveel bij elkaar brengen op het 'scheerrek' als men voor de te weven stof nodig heeft ... 

WBD schèère (II:1056) - scheren (nabewerking van weefsel)

WNT SCHARREN 5) op hebzuchtige wijze geld bij kleine beetjes verzamelen

werkwoord, sterk

Tekening van Louis Leopold Boilly

scheren (beharing)

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'knippen en scheiren'; 'z'n eigen schèren'

Cees Robben – [Bij de belastingdienst] Hier schèère z’oe zonder zêêp... (19711008)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van enen aorige zòt geschoore zèèn (HM ' 70) - door een zot gek verklaard zijn

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - schèèren èn piepen as ene kafmeule (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - spreekwoordelijke vergelijking: gezegd van een herstellende zieke die nog moeite heeft met de lichaamsfuncties

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 22) schèère naast scheere

B schèère - schoer - geschoore 

Dirk Boutkan (1996)  - schèère - schoor - geschoore

KAREL. Zo Hitler naa z'n kneveltje nie af moete schère? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

figuurlijk: Cees Robben – Hier schèère z’oe zonder zêêp... [Bij de belastingdienst] (19711008)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÈREN Fr. tondre, raser; ook: werpen, smijten

WBD III.4.4:248 'scheren' = suizen  

 

schèèrèèchteg

bijvoeglijk naamwoord

inhalig, hebberig

 

Tekening van Frans Mandos Tz - 1945

 

schèèresliep, schèèreslieper

Tijs Dorenbosch - Vignet uit De Mus en D'n örgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

zelfstandig naamwoord

scharenslijper

Hinkelepink, de scheresliep,

kruide z'n kreugeltje, pieperdepiep,

en z'n lange strooien haoren

woeien al wuuster deur mekaoren

en ie zong mar "scheresliep!

scheresliep! scheresliep!"

(Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Hinkelepink’, 1939)

 

Scheeresliep!

Missen en scheeresliep!

Heurde nie hoe mijn kreugeltje piept (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Scheeresliep’, 1938)

Cees Robben – ...Luijen doerak... Schèèresliep... (19580719)

Timmermans - Mar veul spannender was et as dieje schèèresliep langs kwaam, meej ene woonwaoge waorop ie ene slèpstêen had staon dietie meej zene voet liet draaie. Dè waare echte zigeunerlui, vrouwe èn kènder derbij èn as ze in de straot waare deej iederêen de aachterdeur op de knip, want et gebeurde wel es dè as ge on de vurdeur stond te kèèke dèsse intusse aachterom binne kwaame. Dieje meens zelf had ene rauwe haorbos èn ene zwarten baord , en assie dan mèsse on et slèèpe was zaat ie steeds op dieje stêen te spierse. Ik vond et aaltij spannend omdè et praotje rondging dè die zigeuners wèl es kiendjes meej name. (Nel Timmermans; Wètter ammòl òn de deur komt; CuBra; 200?)

Elie van Schilt - Vurral nie te vergeten de schéérenslieper, de lappenboer en menne ome die ree mee un kerke mee kuukskes en snoep (Uit: ‘Alles is aanders’; CuBra ca. 2000)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. 'scherenslieper' - scharenslijper

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÈRESLIEP zelfstandig naamwoord m. - schaarslijper

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèèresliep zelfstandig naamwoord  - scharenslijper

 

Scharenslijper - 19de eeuw

schèèresliep - volksliedjes over de scharenslijper op CuBra, verzameld door Ben Hartman

Dossier Schèèresliep

 

schèèrkiendje

zelfstandig naamwoord

nakomertje; jongste kind dat in leeftijd nogal met het voorlaatste verschilt

►Zie: schèèrkuukske

 

schèèrkuukske

zelfstandig naamwoord, dim.

koekje van het laatste deeg

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - schèrkuukske ('87) -koekje van het laatst bij elkaar geschraapte deeg

Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - "schairkuukske - het laatste kindje in een gezin"

De Wijs -- (’n rij kinderen uit een gezin met nog ’n nakomertje) “ ’t schèr kuukske” (Dit moet afkomstig zijn van de bakker die z’n bank bijkrabt en nog ’n koekje bij elkaar vergaart) (11-02-1965)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - scharkuukske, schaarkuukske - jongste in gezin

WNT SCHARKOEK - de laatste pannekoek van een baksel, ook in toepassing op het laatste kind uit een huwelijk (gewest.in Z.-Nederl.)

 

schèèrp

zelfstandig naamwoord /bijvoeglijk naamwoord

scherp

WBD (et) schèèrp ienhèbbe, schèèrp gegeeten hèbbe - gezegd van een koe die met het gras ook een scherp voorwerp (b.v. stukje ijzerdraad) heeft ingeslikt

R.J. 'meej z'n schèrp staol'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zo schèèrp as en gat (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - spreekwoordelijke vergelijking

WBD III.3. 1:298 'scherp' = vinnig

WBD III.4.4:153 'scherp zand' = drijfzand

Stadsnieuws - De koej van boer Van Roessel heej et schèèrp; as de veearts der nie bij gehòld wòrt, gao ze dôod.(240906)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord  'schaerp' - scherp. Z.a. voor uitdrr.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHERP (uitspr. schärrəp) - scherp; glad (van ijs), grof (van zand)

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèèrp bijvoeglijk naamwoord  - scherp

 

schèèrp zaand

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - schelpzand, zeezand

scherp zand?

 

schèèrraom, schèrraom

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - (textiel) scheerraam, kettinghaspel

WNT SCHEERRAAM - Raam waarop de ketting van een te weven laken geordend wordt.

Audioregistratie 1978 - Bij ons stonde tweej houte ketaawe in hèùs, dè weet ik nòg goed èn wij han en, en schèèrraom èn wij han en lèèmmesjien ammel int hout, kompleet! Wij waare hillemòl as ene, ene tèkstielfabriekaant mar ammel int hout! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

schèèrtèùt

zelfstandig naamwoord

scheerklos

WBD schèèrtèùte, schèrtèùte (of: schir- ?), tèùte (II:990) - scheerklossen

ook: pèèpe, schèèrklòsse, schèrklòsse (of: schir- ?) of krèùsklòsse genoemd

 

scheet

zelfstandig naamwoord

scheet

om ene scheet (uitdr.) om een onbenulligheidje/ om de haverklap?

R Die laagt nòg nie as ie ne scheet/stront teege de muur omhoog zie krèùpe (m.b.t. een zuurpruim)

MP Ge hèt niks vur niks as ene scheet in oewe slaop.

MP Sprikt/ Pròt of lòt en scheet, dèk iets weet.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en poolse scheet moete laote (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs, 1916 - heeft wsch. te maken met het 'polen' (= pellen) van peulvruchten. Bonen en erwten veroorzaken winden. Variant: Ieder bontje hee zen tontje, ieder èrtje zen consèrtje.

Piet van Beers - Èn intusse lôop ik hier thèùs mar te hinke./ Tillevizie te kèèke èn koffie te drinke./ k laot nou èn dan, unnen boer èn 'n scheet./ Mar... strak gao'k wir terug nòr den ortopeet. (uit: Den Ortopeet; ca. 1995; CuBra)

Piet van Beers - (datum onbekend - gepubliceerd op CuBra ca. 2005)

Oome Karel
Moeders jongste bruur ôme Karel,
was ene grapjas irste klas.
Hij hield iederêen voor ´t lèpke
èn dè zaagde laoter pas.


ôme Karel was bediende
in ´n grôote slaagerij.
Nao de school kwaame we altij
aon dè winkelpaand vurbij.


Hij vroeg dan èen van m'n vriende
"As je aon mene vinger trèkt
heurde ´t in Keulen dondere
´t is ´n pracht geluidsèffèct."


As m´ne vriend dan ha getrokke
liet m´n ôom ´n harde scheet.
As dan iedereen moes laage
mòkte dè de grap compleet.

Piet van Beers - (datum onbekend - gepubliceerd op CuBra ca. 2005)

Heeter in Tilburg Wèst enen boer
´n flinke scheet gelaote
dan is dè wir ´n reeje om
oover de I.F.F. te praote.
Der wordt hier hil wè afgeluld
èn de I.F.F. die krèègt de schuld.

[IFF = producent van geurstoffen in Tilburg Noord, berucht om zijn luchtverontreiniging]

WBD III.1.1. lemma Een wind laten – frequent Tilburg – een scheet laten

WBD III.1.4:94 'verwende scheet' = bedorven persoon

WBD III.1.4:138 'bangscheet' = bangerik

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEET zelfstandig naamwoord  m + v. - Fr. pet; drek v. vliegen en vlooien; nietigheid, kleinigheid, Fr. bagatelle; flauwe, kinderachtige mensch. spr. 'n scheet geven - verkeerd, kwalijk eindigen. Ook: pronker, pronkster, pronkzieke persoon.

 

schêet

scheet: verleden tijd van 'schèète'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Hardi!', zi De Waal, èn hij schêet zoft (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs, 1916) -  kaartterm (F-N. de Waal was een fabrikant in Den Bosch. Het staat niet vast waaraan hij zijn spreekwoordelijke bekendheid dankt.)

 

schèèt

zelfstandig naamwoord

ergens (het) schijt aan hebben

R Daor hèk (et) schèèt aon. - Daar heb ik lak, schijt, maling aan

R Daor hèk tòch zo et schèèt aon. - Daar heb ik toch zo het land aan.

Lodewijk van den Bredevoort - Et waren nie allemol zon kiendjesmaokers, bij ons in de femilie. Zeker aon onze vadderskaant han de miste, ‘schèèt aon de pestoor en hil de kliek, die er om hene hing’ (pseudoniem van Jo van Tilborg - uit: 'Kosset den brèùne eigeluk wel trekke, deel 1, 2006)

Piet van Beers - uit 'Dèùvepoep' - Ons Moeder liep wel es te schèène/ op dieje viezen dèùvepoep/dè die biste liete valle/ op der waas èn op derre stoep.// "Ik wil", zeej Tienus teege ons Moeder:/ "Vur gin goud men dèùve kwèèt.../ Èn al laote ze dan wè valle.../ Òn dieje poep...hèb ik " t Schèèt." (CuBra)

WBD III.1.4:287 'er schijt aan hebben' = er zich niets van aantrekken WBD III.1.4:288 'neuken', 'neuk aan hebben' = er zich niets van aantrekken

WBD III.1.4:288 'verschillen', 289 'verrekken', 'verdommen' = idem

WNT SCHIJT hebben aan - er het land aan hebben, er op gebeten zijn.

diarree

Cees Robben - vruug opstaon dè is gin profèèt, dè is vruug honger en vruug schèèt

Lodewijk van den Bredevoort - Bij die gedaachte alleen al kreeg hij al ut schèèt. (pseudoniem van Jo van Tilborg - uit: 'Kosset den brèùne eigeluk wel trekke, deel 1, 2006)

WBD et scheet/schèèt hèbbe, òn et schèèt zèèn - diarree hebben, ook genoemd: spèlle, et spèl hèbbe, on et spèl zèèn/staon

WBD III.1.2:256 'schijt' = diarree;

WBD III.1.2:258 'het schijt hebben'= diarree hebben

WBD III.1.2:259 'aan de schijt zijn' = diarree hebben

schijt

Cees Robben – Vruug opstaon dè is gin profèèt... Dè is vruug honger en vruug schèèt... (19821126) [Excuus om lang in bed te blijven liggen.]

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord m. - schijt, kak, stront. Zegsww. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIJT zelfstandig naamwoord m.: Spr. In de(n) schijt zitten - in nesten, in nood zitten van iet de(n) schijt geven - er den brui, den bras van geven; afgang; Fr. foire, diarrhée, gezeid v. dieren; het schijt krijgen - bang worden.

WBD III.1.1. lemma uitwerpselen - Tilburg

 

schèètbosse

zelfstandig naamwoord, meervoudig gebruikt

WBD schitbossen (bossen van welig opschietend gras in de weide op plaatsen waar koedrek ligt) (Hasseltse term)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  mannelijk, 'schitbos' - bos gras in een wei, ontstaan op een koeschit; de koeien laten ze onaangeroerd.

 

schèète

werkwoord, sterk  

Handgekleurde gravure - 16e eeuw

schijten

- schèète - schêet - gescheete

- In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schèt / gullie schèt

- vocaalkrimping ook in gebiedende wijs bij uitroepen als 'Och schèt!' of  'Schèt tòch gaaw!'

► schèt

Uitdrukkingen

Informant H. van Boxtel - Over zijn grootvader, Jan van Ierland, die het gerommel van naderend onweer van commentaar voorzag met de uitspraak 'God allemachteg...', waarna hij pauzeerde en de donderslag afwachtte, waarna hij de geruststellende bezwering uitsprak: 'God schèt krachteg!' (Mededeling 2018.)

Informant Toine Raaimakers - bè iemand in de pap kunne schèète - geen kwaad kunnen doen.

Lodewijk van den Bredevoort - Enen aandere vrijer, Adrie van hullie Hannie,  kosser in de pap schèète en mocht aaltij meeëten.(pseudoniem van Jo van Tilborg, uit: 'Kosset den brèùne eigeluk wel trekke, deel 2, 2007)

Informant Toine Raaimakers - Hij schèt nie vur half èlf = Hij is een slechte betaler; Hij is niet goedgeefs.

Informant Toine Raaimakers - Den duuvel schèt aaltij op êenen hôop (m.b.t. mensen met veel geluk)

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Had, had haaj gefreete, dan hadde törf gescheete.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - Hak hooj gegeete, dan hak törf gescheete.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -Zwetsen èn in de broek schèète, dè kunde zittende.

Rolf Janssen - 'en ze fret nie en ze schet nie' [uit een Tilburgse liedtekst over het uithangbord van een poelier in de vorm van een zwaan ]

De Wijs -- (Gehoord maar de betekenis is me ontgaan) Hij kan doen wettie-wil, ’t zal mèn aon m’n gat nie schèite (27-12-1968)
De Wijs -- (Hij leeft boven zijn stand) Hij schet hôger dan z’n kont zit (27-12-1968)

Cees Robben - der is gin hupke in Tilburg waor hij nie gescheeten heej.

Cees Robben - As ge haaj had gegeete, dan hadde naa törf gescheete.

Cees Robben - Bèn mar blij dè ge nie bescheete zèèt tösgekoome [bescheete = aagerand of zwanger]

Pierre van Beek - Hij heej al gescheeten as en aander zen broek nog öt moet doen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - onder de kaast schèète (Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - rôokende nor de kèèrk is schèètend nòr de hèl (Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'ik dòcht dègge en pèrd gescheeten hadt èn dègge dòrop òn kwaamt rije (Kn'50) - plagerij tegen iemand die lang op de WC gezeten heeft

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Gij in de pòt schèèten èn mèn laote stinke (Nicolaas Daamen; Handschrift Tilburgs, 1916) - mij voor jouw wandaden laten opdraaien

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - langs den hofpad gescheeten hèbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben, in Tilburg: pad(de)scheet

Frans Verbunt -   schèt in bèd, dan ligde vèt

Frans Verbunt -  die nie waogt die nie wint, die nie schèt die nie stinkt

Omgeving Tilburg

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèète ww - schijten

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 - e.v. - st. ww.  tr. + intr. - schijten.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIJTEN Spr. schijten gelijk 'nen reiger - geweldigen afgang hebben, op iem. of iet schijten - er zich niet om bekreunen.

Tilburg - betekenissen voor 'schèète'

WBD III.4.2:37 'schijten', ook kakken

WBD III.1.2:259 'aan de schijterij zijn' = diarree hebben

WBD III.1.1. lemma ontlasting hebben – frequent Tilburg

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan – gaan schijten - Tilburg

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan – Tilburg

WBD III.1.1. lemma Een wind laten – Tilburg

 

schèètèkster

zelfstandig naamwoord

schijthuis, schijtlaars, bangeschijter

Henk van Rijen - bangerik

Stadsnieuws - Tis zonne schèètèkster: asset derop ònkomt issie gevlooge.(080707)

 

schèèterd - schèètert

zelfstandig naamwoord

schijterd, bangerik, bange schèèterd

Zônne bange schèètert waar ik. (Jos Naaijkens; ‘Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot’;  CuBra, ca 2005)

WBD III.l.4:138 'schijterd' = bangerik

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. - schijterd (in de zegsw. 'In z' ne scheterd zitte' – in de knijpers zitten)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIJTER - zelfstandig naamwoord m. - laffe, nietsweerdige mensch

WNT SCHIJTER - 2) iemand die niet durft, lafaard

paard

WBD mòndschèèter - paard dat last heeft van periodieke diarree (Hasselt)

vogel

WBD III.4.1:64 'braamschijter - tuinfluiter' 'kwetje, braamkwet' 

WBD III.4.1:65 'braamschijter' - braamsluiper; ook 'braamkwet' 

 

scheetevanger

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  as scheetevanger lôope - al chaperonnerend achter een paar aanlopen

Henk van Rijen - 'schêetevanger'

 

schèèthak

zelfstandig naamwoord

WBD schijthak (ongewoon ver achteruitstekend been v.d. koe), ook genoemd: 'scheethiele'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m (gew. mv 'scheethakke(n)), schijthak - het achterwaarts uitstekende gewricht aan de achterpoten van een rund of paard.

► kakhiele

 

schèèthèùs

zelfstandig naamwoord

schijthuis, plee, W.C.; figuurlijk: bangerik

Wè zèède tòch en schèèthèùs!
Jo van Tilborg - Asser afgedrêûgd moes worre bij et omwaasse, zaat zij aaltij op et schèèthèùs want dan hasse aaltij zô mar ineens hôoge nôod. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD (III.2.1:112) 'schijthuis', c.q. 'gemak', 'huiske' of 'plee 

WBD (III.1.4:138) 'schijthuis' = bangerik

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord onzijdig: schijthuis, bestekamer, plee (gew. in de verkleinvorm) oorspr. inderdaad een apart achter het woonhuis staand huisje.

WNT SCHIJTHUIS - 1) afz. gebouwtje ...; 2) scheldnaam voor een laf persoon; 3) scheldnaam voor een ontuchtige vrouw

► höske

 

scheethiele

zelfstandig naamwoord , meervoud

WBD schijthakken (ongewoon ver achteruitstekende benen van de koe (ook 'schèèthak' genoemd)

► kakhiele

 

scheetlaoter

zelfstandig naamwoord

tuinboon die in sterke mate de ontlasting bevordert, gatverschuiver, blazer

WBD III.3. 2:85 'scheetlater' = ontlastingsboontje

► zie dossier Tuinboon

 

schèètlèèster  

Ill: Naumann - turdus viscivorus

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - grote lijster (Turdus viscivorus)

 

schèètzwòlm  

Ill.: Naumann - chlidonias niger

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - 'schèètzwòllem' - zwarte stern (Chlidonias niger)

 

schèève

zelfstandig naamwoord, meervoudig

Cees Robben – Ik zit goed in de schèève... (19610922)

Henk van Rijen - schijven, munten

 

schèfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

schijfje, plakje

WBD III.4.4:269 'schijfke' = sneetje

verkleinwoord van 'schèèf', met vocaalkrimping

 

schèl

zelfstandig naamwoord

1. schel (bel)

WBD III.3. 3:l62 schèl = altaarbel

1.1 schel, figuurlijk

- gez. Pierre van Beek - de schel schudde - met veel lawaai de mond roeren (gezegd van een vrouw)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. 'schel'; zegsw. 'Ze kan d'r schäl wa schudde!' - Ze kan wat luide en met veel drukte praten: (gezegd van praatzieke, schelsprekende vrouwen). zelfstandig naamwoord  vr, 'schel' - schil

2. schil

In et veurjaor maaide onze vadder enne kwak braandnetels en die wiere der bij gedaon saomen meej die schellen waar dè prima vreten veur de vèèrkes. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- schors van een naaldboom; zachte huid van een vrucht, ook: schil, vèl, hèùd

WBD III.4. 3:104 schèl, schors - schors van naaldbomen

WBD III.4.4:148 'schel' = aardlaag

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEL zelfstandig naamwoord  v. - schil, afgesneden pel v. aardappelen, peren enz.

3. fornuis

- zèt de môor mar op et schèl - zet de ketel maar op het fornuis (Tilburgse Taalplastiek 173)

Henk van Rijen - kacheldeksel: 'Zèt de môor mar op ut schèl' = Zet de waterketel maar op het fornuis.

 

schèlèrte  

Ill.: Thomé

zelfstandig naamwoord, meervoudig

peultjes

Henk van Rijen - doperwten in de peul 

N. Daamen - handschrift 1916 - "schelerten (peultjes)"

WBD III.2.3:82 'schilerwt' = peulerwt

Stadsnieuws - Van grôote peeje òf wènterpeeje mòkte peejstamp, mar klèèn peekes zitte bij de schèlèrtjes. (261106)

 

schèlf

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:233 'schelf' = scherf

 

schèlft

zelfstandig naamwoord

WBD zolder in stal of schuur, ook genoemd 'balke', 'schôor', hoojzòlder'

Cees Robben – Bende al getrouwd Piet...? ..Ongebonden is ’t bist zeej ’t kelfke.. en ’t kos rond den schelft... (19650910)

WBD schèlf - veldschuur (vrijstaande, van alle zijden open bergplaats, met op en neer beweegbaar dak, overwegend voor hooi bestemd), ook 'hoojmèèt' of 'hoojbèèrg' genoemd.

WNT SCHELF, SCHELFT - bergplaats voor hooi of stroo

Str. schelft (2:103)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schelf, schelft bergplaats van hooi of stro boven een stal (zelfstandig naamwoord l.)

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèlft zelfstandig naamwoord  - schelf

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHELFT zelfstandig naamwoord m. - zoldering gevormd door eenige houten sparren, boven stal

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHILFT: een hooizolder, die meestentijds boven den beestenstal is, en niet met planken maar met ruwe latten belegd. Kiliaen - : 'schelf'.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. +vr. 'schelft' - zoldering gevormd door enige houten of sparren boven een stal of schuur en dienende tot bergplaats voor hooi of stro.

 

schèlle

werkwoord, zwak

schillen, afbikken

Detail uit een schilderij van Nicolaes Maes - 17de eeuw.

Zie het dossier 'Schèlle' in de schilderkunst van de 17de eeuw

B schelle - schelde - gescheld

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'errepuls gescheld'

Ze snaawde: “Schèlt de èèrpel vast/ èn gao de raome waasse...“ (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Liever ònt wèèrk‘)
Vur et schèlle van de èèrpels... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Moederdag‘)

Sommigen van ons moese elke dag enne emmer èèrpel schellen en die schellen gingen dan weer naor de vèèrkes. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis ginne geschèlde geevel (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd van mensen die dik doen en geen middelen hebben. (Schelle = oude stenen v. kalk ontdoen)

WBD ondiep ploegen

WBD een stoppelveld ploegen

WBD onderschèlle - ondiep onderploegen van mest

WBD waaj schèlle (Hasselt) - het losploegen van een graslaag

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHELLEN - hetz. als Hollandsch 'schillen'; uitspr. van 'schelden' - Ook: schelden: Schellen gelijk e vis(ch)wijf.

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schèlle ww - schillen

 

schèlle

zelfstandig naamwoord, meervoudig

schillen

 

schèlmis(ke)

zelfstandig naamwoord

schilmes(je)

 

schèltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'schèèl', met vocaalkrimping

dekseltje

 

schènke

werkwoord, sterk

schenken

WBD III.4.4:218 'schenken', 'uitschenken', 'uitgieten'

Dirk Boutkan (1996)  - schènke - schonk - geschonke

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. praesens wordt in het cluster nkt de k verzwegen - schèngt

 

schènsel

zelfstandig naamwoord

schijnsel

Cees Robben - et schènsel van de maon; schènsel

 

schènt

werkwoordsvorm

schijnt; scheldt

tegenwoordige tijd sing. 2e+ 3e pers. van 'schèène', met vocaalkrimping

 

schènt

bijwoord  

blijkbaar

Hij heeter schènt nie veul zin in - hij heeft er blijkbaar niet veel zin in.

= schènt et, waaruit de persoonsuitgang verdwijnt: schèn't

Onze paa kos der schènt goed meej opschiete… (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

schèp

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:298 'schep' = halve liter, ook 'pint'

 

schèplôon

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - loon in natura voor een molenaar

WNT SCHEPLOON - maalloon in graan of meel

 

schèppe

werkwoord, sterk

scheppen, oreeren

B schèppe - schiep - geschaope

 

schèrke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'schèèr'; met vocaalkrimping

schaartje

R.J. 'moet ik oew scherke nie slèpen?'

 

schèrke sliep

zelfstandig naamwoord

kinderspel; uitvoering niet bekend

Èn, èn bokkesprong èn, èn jè, hoe ist… Schèrke sliep! Hè, hè…! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

schèrraom, schèèrraom

zelfstandig naamwoord

scheerraam, grote haspel voor ketting

WBD schèrraom, schirraom (II:994) - scheerraam: grote haspel voor ketting; ook: schèèrmeule, haspelmeule of schèrkrôon genoemd

 

schèt

werkwoordsvorm van 'schèète'

schijt!

In gebiedende wijs

Informant Toine Raaimakers - Schèt tòch gaaw!  - Verrek voor mijn part!

Frans Verbunt -  schèt in bèd, dan ligde vèt

Als vervoeging van 'schèète'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - dès ene vèùle vènt: die schèt onder de kaast (Nicolaas Daamen, Handschrift Tilburgs; 1916)

Henk van Rijen - hij schèt nie vur half èlf, èn dan nòg mar dun - hij komt niet vlug over de brug, en dan nog maar magertjes

Foto: Regionaal Archief Tilburg

Traditioneel Tilburgs Liedje - (Over het uithangbord van Hotel De Gouden Zwaan):

bij Hegeman op den Heuvel
daor stao' 'n gouwen zwaon
en ze fret nie' en ze schet nie'
en ze blèft daor euwig staon
en ze fret nie' en ze schet nie'
en ze blèft daor euwig staon

Piet van Beers - Gelukkig schèt ie nie zoveul... as unnen Ooliefaant. (uit: Unne klèène grèèzen hond; www. CuBra, ca. 2005)

► schèète

 

schèùf, schöfke

zelfstandig naamwoord

lade; fig. onbetrouwbaar persoon groot aantal

Henk van Rijen - lade, schuif, grendel

N. Daamen - Handschrift 1916 -- '"n hil schuif - een groot aantal"

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "O! 't is zo'n schuif (onbetrouwbare"

WBD (III.2.1:52) schuif - grendel

WBD (III.3. 2:146) schèùf aaf = glijbaan

WBD (III.2.1:52) 'schuif' = grendel

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. schuif 1) tafellade, lade; 2) bovenste, losse gedeelte van een leest; 3) haveloos uitziend, slordig aangekleed persoon.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUIF zelfstandig naamwoord  v. - schuiflade, Fr. tiroir, layette; de onderste schuif.

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'schuif' zelfstandig naamwoord  - tafellade

 

schèùfbroek

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:105 'schuifbroek' = directoire

 

schèùflaoj

zelfstandig naamwoord

schuiflade

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

 

schèùflist

zelfstandig naamwoord

WBD schuifleest, de houten leest met een los bovengedeelte, een zogenaamde schuif of kap (II:691)

 

schèùfmaot

zelfstandig naamwoord

WBD schuifmaat, het houten instrumentje met twee opstaande latjes, waarvan één opklapbaar en verschuifbaar, om de lengte van de voet te meten (II:680.)

 

schèùl

zelfstandig naamwoord

WBD schuil, paardeziekte: gezwollen tandvlees

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. schuil, zekere ziekte. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUIL zelfstandig naamwoord o. -witte blaasjes die men op de tong en in den mond krijgt; deze kwaal, in de wdbb. 'spruw' genaamd, is eigen aan kinderen en zeer kranke menschen.

 

schèùle

werkwoord, sterk

schuilen

GD94 onder den bôom kos ik nie mir schèùle

Dirk Boutkan (1996)  - schèùle - schôol - geschoole

B schèùle - schol - geschoole

vocaal krimping in tegenwoordige tijd gij/hij schölt

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. - schuilen

 

schèùm

zelfstandig naamwoord

schuim

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie veul vèt van schèùm (Kn'50) van de wal in de sloot

Frans Verbunt -  et schèùm van de negoosie is nòg aaltij beeter as et zwêet van et wèèrk

WBD III.4. 2:223 'schuim' - schuimbeestje (Philaenus spumarius), ook wel 'broes' genoemd, of 'snot'

 

schèùme

werkwoord, zwak

schuimen; schooien

Henk van Rijen - meepesaant ie zaat, zaat ie al rond te schööme - hij zat nog niet of hij schooide al

B schèùme - schömde - geschömd — ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij schömt

 

schèùn

bijvoeglijk naamwoord

schuin

ene schèùnen bak - een schuine mop

WBD III.1.4:210 'schuin' = boertig; ook 'schuins'

WBD III.4.4:226 'schuin', 'schuins' = scheef, ook 'scheel', 'slim'

— schèùn - schönder - schönst

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 35) schèùnst/ schönst, maar met flexie-e: schèùnste

 

scheurmikske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van ‘scheurmik’; ‘mik’= witbrood
Cees Robben – ...aachter ’t scheurmikske... (19580118)
 

scheut

zelfstandig naamwoord

● afstandsmaat; van ‘schot’
- meestal als achtervoegsel
Cees Robben – Van ’t Krèèvent naor ’t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... (19850504)
Cees Robben – ’t Is toch mar unne bolscheut wîjd... (19550716)
Cees Robben – Tiest Vermeeren naamp unne raomscheut... (19560428)

 

scheut

zelfstandig naamwoord
● inhoudsmaat (vloeistoffen), van 'scheut'
Cees Robben – Wilde ’n schutje... [koffiemelk] Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rôôms... (19691017)
Cees Robben – Unne scheut of ’n schutje... Jè-mar-dè schilt unne kwak... (19730803)
● uitdrukking: op scheut zijn
gebaseerd op ‘schieten’ in de zin van vrucht dragen: zwanger zijn
Cees Robben – Elizabeth de nicht van Maria was reeds in haar zesde maand... Wat betekent dat (...) Desse al ’n vergimmes end op scheut was..! (19850628)
Cees Robben – Aon de tel? Dè wel.. Al zis maond op scheut.. En ik heb nog niks aon de luurkörf gedaon.. (19861017)

R en ènd op scheut zèèn - een eind gevorderd zijn in de zwangerschap

Piet van Beers – ‘Volkstèlling!’: 't Was 'n rèès mee hindernisse, want Maria liep "op 't list"/ As g' al zôo wèèd op scheut zèèt, is dè hillemòl gin fist. (‘t Èlfde buukske, 2010)

-- En vurlichting waar der toen nòg nie bij, dus veul vraauwe waare-n-er èllek jaor steevaast bij. Dan waare ze wir aon de tèl, èn asse ’n mònd of zis op scheut waare, dan werd de luurkörf wir klaor gezèt. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

• diverse betekenissen

Weijnen blauw(e) scheut - spataderen (in Ziektenamen, 65)

WBD III.2.3:112 'erpelscheut' = aardappeluitwas

WBD III.4.4:131 'scheut' = poosje

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - scheujt bw - op weg, onderweg; goed op scheujt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHEUT zelfstandig naamwoord  m - hetz. als Holl. schot, Fr. coup; scheut van een geweer; de daad v. h. schieten, bij marberspel; tocht; een weinig vocht: scheut azijn.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -  zelfstandig naamwoord m. 'schuit' - scheut 1) snelle, plotselinge, recht doorgaande beweging; 2) spruit, loot van een plant; 3) tocht, trek (open deur)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHEUT m - uitspruitsel, plotseling schok e. a. bett. als in v. Dale; ook gebruikt in de uitdr. 'wééd op scheut' of 'n hil ènd op scheut' - vergevorderd, bijna voltooid.

WBD III.4.4:259 'scheut' = boel; 261 'scheut' = idem

WBD III.4. 3:71 'scheut' = loot ontstaan uit een slapend oog

WBD III.4.3:72 'waterscheut' = waterloot

WBD III.4.3:76 'scheut' = twijg, jonge tak

GD05 en goej scheut rôome in oew tas kòffie

 

schèùt, schötje

zelfstandig naamwoord

schuit

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vischschuit (ui = eu in Fr. Meuse)

Keesje Smulders zaat in etzelfde schötje assik. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

DANB de Hasseltse schèùt - bijnaam voor mensen van de Hasselt WBD III.3.1:425 'schuit' = boot

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. 'schuit' - geringschattende benaming v. bepaalde vrouwen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUIT zelfstandig naamwoord  v. - Fr. bateau

 

scheutelke, schuttelke

zelfstandig naamwoord, verkleind  

Henk van Rijen - schoteltje

 

scheutelwaoter

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - schotelwater; slappe koffie of thee

 

scheuter

zelfstandig naamwoord

ovenpaal

DANB de scheuter die stao bij den oove = de ovenpaal die staat bij de oven

 

schèùve

werkwoord, sterk

schuiven

B schèùve - schôof - geschoove - geen vocaalkrimping

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - dertusse geschoove zèèn as Ponsieus Pielaatus int kreedoo (R'75)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik smèèr men ziel meej en spèkzwaord, zi Door, dan schèùft ze denduuvel dur zen haande (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )

WBD III.1.2:14 'schuiven' = glijden; ook: 'slipperen'

WBD III.1.1. lemma Geluidloos een wind laten – Tilburg [als enige plaats van opgave]

WBD III.4.4:199 'opschuiven', 'inschuiven' = plaatsmaken

 

schèùver

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  zwerver

 

schiefel

zelfstandig naamwoord - schilfer

Waast oewe knöst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

schiem

zelfstandig naamwoord

schim, waas

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "mee n'schiem - heel even, plotseling"

Cees Robben – Ik zaag meej unne schiem... (19680920)

Frans Verbunt -  in ene schiem: in een flits

CiT (107) ''K zaag em krek nog meej 'ne schiem'

Haor SCHIEM - vage verschijning

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schiem zelfstandig naamwoord  - flits

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHIEM m - schim, schaduw; alleen in de uitdr. 'mee 'ne schiem' - iets zien, heel snel en vluchtig.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord  'schim/schiem'; vluchtig, onduidelijk.

WNT SCHIM gedaante die slechts vaag is waar te nemen. SCHIEM, gewestelijk naast SCHIM

 

schiemele

werkwoord, zwak

een onrustig beeld vertonen

schiemele - schiemelde - geschiemeld

WNT – lemma Schemel I – 1922 - 1. Wemelend licht, schittering, flikkering. 2. Lichtende verschijning, schimachtige verschijning
WTT 2013 – Het verband met ‘schemelen’ als ‘schemeren’ ligt voor de hand. Zie WNT hieronder over ‘schemelen’ en ‘schemeren’; in het Middelnederlands al ‘schimmeren’



Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek


1974 (ca.) - "Schiemelen" - Dialect - 't schiemelt voor m’n ogen. "Schèèmel" = glans, glim, schijn. "Daar ligt 'ne "schèèmel" op". “schiemelen” = blinken. - is afkomstig van het middelnederlandse "Scheemen" of "schiemen” = blinken, glanzen. ((Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek)
WNT lemma Schemelen – 1922 - 1. Schitteren, flikkeren, wemelen (van licht). Schemelen, schemeren. (...) 3. Van iemands oogen. Niet helder zien, eenigszins verblind zijn. -- Gy hebt noch grooten vaeck, En dat ick leelyck schyn, ist dat u Oogen schemelen, OGIER, Seven Hoofts. 229 [1639]. -- Als dooghe schemelt, wie sal dlichaem lichten? A. BIJNS 432.
MNWB lemma Schemeren - (sceemeren), zw. ww. intr. en trans. Mnd. ndd. schemeren; hd. schimmeren; 2. Glanzen, flikkeren, schitteren, een zekeren lichtglans van zich geven.
Jag. SCHEMELEN: Voor ons gewone ww. schemeren hebben Kiliaen -  en Ten Kate II- 357 ook SCHEMELEN...

► schiemere

 

schiemer

zelfstandig naamwoord

schemer

1941 - Onze vadder keek um in de schiemer nao... (Naarus, ps. van Bernard de Pont, Brieven van 'n oud Tilburger.)
 

schiemere

werkwoord, zwak

een onrustig beeld vertonen

WNT geeft onder lemma SCHEMEREN B.3: Het schemert mij enz. voor de oogen, ik enz. kan (door schel licht, een onrustig tafereel, aandoening, vermoeidheid) niet duidelijk zien.

schiemere - schiemerde - geschiemerd

Korte ie ; ook 'schiemele'

R.J. 'k zaag et schiemere vur men ôoge

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'dan schiemer-et-hem veur z'n oogen'

Cees Robben – Ik kèèk schèèl van de koppent (...) en ’t schiemert vur m’n ôôgen... (19831118)

Men ôoge die zèn rôod geraand./ Et schiemert vort ammòl. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ast ene sleur gao worre)

Rolf Janssen - 'k zaag 't schiemeren vur m’n ogen/ toen 'k daor ston' in 't volle licht/ mar toen 'k weh begos te wennen/ zaag ik 'n bekend gezicht// 't waar potdorie paoter Heerkens/ die on 't verzen maoken gong/ en meej 'n stem a's van ’n ürgel/ 'n hil aaw Tilburgs lieke zong... (We hebben gezongen en niks gehad, 1984).

WBD III. l. l:241 'schemeren' = schemeren v. d. ogen 'schemeren voor zijn ogen' = idem

WBD III.4.4:239 'schemer', 'schemering' = schemering

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schiemere ww - schemeren

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHIEMEREN onov. ww, meestal onpers. gebruikt: 't schiemert vur m'n oo:ge' - ik krijg geen duidelijk beeld v. d. werkelijkheid, de verdeling v. licht en donker is ongewis, de kleuren zijn te fel, of: ik heb hoofdpijn. Verwant met: schemeren, schiem, schim, schimmeren.

Bont, zw, onp. ww. 'schimmeren' - schemeren, niet helder zijn voor iemands ogen.

 

schiemsmèèr

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - schoensmeer, 'blinksmèèr' 

WBD Onder 'schoensmeer' (II 795) is het Tilburgse woord niet vermeld.

schiemsmèèrduske - schoensmeerdoosje

WNT -- Scheem - Van den stam van Schijnen.

 

schieps

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.4.4:226 'schieps' = scheef, ook 'scheel', 'slim', 'schriks' enz.

 

schier

bijvoeglijk naamwoord

WBD mager, gezegd van een kalf, ook 'schraol' of 'maoger' - tof, aardig

en schier wèfke - een aardig vrouwtje (jongemannentaal)

comparatief: schierder, superl.: schierst

WNT SCHIER (III) 3) Zindelijk, net, keurig, helder, schoon.

In Gron. + Overijs. 7) Niet zwaar, doch ook niet mager, rank, slank. Vooral van een koe (Opgegeven voor de Veluwe en Drenthe (18e eeuw) en Kampen

bijwoord

WTT - 2013 leuk, gezellig, e.d.

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

 

schierf

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - 'blèkke mieke'

Pierre van Beek - Het 'blèkke mieke', dat we hier in een vroeger artikeltje opvoerden, heeft nog een ander onderdeel van de vroegere fabriekstuit of garenklos tot leven gewekt. Dat is de 'schierf'. Hiermee werd door de Tilburgse jeugd de blikken ring aangeduid, die aan het breedste einde van de 'tuit' bevestigd was. De nog niet met duur speelgoed verwende jeugd gebruikte deze 'schierven' voor haar 'mitje steken', een spel dat door de groteren met centen werd gespeeld. (Tilburgse Taalplastiek 169)

 

schierve

werkwoord, zwak

Pierre van Beek - met 'blèkke miekes' spelen

Pierre van Beek - Het woord 'schierven' werd ook als ww gehanteerd. 'Ga je mee schierven'  klonk de uitnodiging van de jeugd. (Tilburgse Taalplastiek 169) zie ook 'schierf'

Henk van Rijen - meej dieje kietelkaaj kunde fèèn schierve - met die kiezelsteen kun je fijn keilen

schierve - schierfde - geschierfd

 

schiete

werkwoord, sterk

schieten; zeer uiteenlopende betekenissen

schiete - schôot - geschoote

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - geschoote (de o luidt ietwat naar de ou; ook in komen enz.)

1. begrijpen; iets geschoten hebben

Van Delft - "Da ha'k gaauw geschoten" beteekent: Dat had ik gauw begrepen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

2. schieten met een wapen

MP gez. Nie geschooten is aaltij mis.

3. aanduiding, ook figuurlijk, voor een verandering van plaats

R.J. den boeremik schôot öt zen vèl

Cees Robben - As oew kènder em pooje, schiete z'in en gat

Cees Robben - Nao et wèèrm eete moet ie aaltij èfkes zen ôoge ooverschiete. [d.w.z.: een dutje doen]

Cees Robben - dèt rap vur oew gat schiet [d.w.z. dat je snel naar de wc moet, dat zal genezing van een kwaaltje bevorderen]

Cees Robben - dèt wit van oew ôoge vur oew gat schiet;

Slakke dès en deliekatès/ daor moete van geniete/ mar nie meej twintig per menuut/ naor binne laote schiete. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Slakke)

4. inslaan van een weefspoel

WBD schiete (II:1038) schieten: inschieten v. d. weefspoel); ook: inschiete, inslaon, durslaon, slaon of gôoje

WBD schietlaoj (II:979) - schietlade, gedeelte van een weefgetouw, waar de spoel over schiet

5. overlijden; het laten schieten

Henk van Rijen - 'ut laote schiete' - doodgaan

6. vloeken en kiemen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHIETEN term in het marmelspel; er eenen laten schieten - eenen vloek uitwerpen: kiemen: 'k zag dat 'et gaan geschoten was.

WBD III.4.3 schieten = kiemen; ook: ötschiete, botte, opkoome, ötlôope

7. graven

WBD II.1.2:72 'schieten' = graven; ook: 'spitten, uitdiepen'

 

schieterke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD handschieter (plankje warmee het deegbrood op de ovenpaal gelegd wordt)

 

schietgebeeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - schietgebedje

 

schietgewèèr

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:381 'schietgeweer' = geweer

 

schietindje  

Ill.: Naumann

zelfstandig naamwoord , dim.

Henk van Rijen - 'schietintje' - waterhoen (Gallinula chloropus)

WBD III.4. 1:233 'schieteendje' - waterhoen (Gallinula chloropus), ook: 'waterkipke', 'witgatje', 'witkontje' of 'markoot' genoemd

 

schifte

werkwoord, zwak

WBD splitten: het van elkaar snijden v. h. nerfleer en het splitleer, oftewel het snijden v. d. nerf en de croûte (II:727)

WNT SCHIFTEN - 5) vaneen of uiteen doen gaan, scheiden, scheuren

 

schille, schouwe

werkwoord, zwak

verschillen, mankeren

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Wè schilt eraon?

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: ‘Noem 't folklore of historie, 't kan me niks schille…’

Cees Robben – ’t Schilt mar amper haand of keer (19710129) [Het scheelt maar een klein beetje; haand en keer zijn waarschijnlijk commando’s die de voerman aan zijn paard geeft]

Interview Hermans - 1978 - “…duurt dè hier nòg langer want aanders gòn wij nie staoke mar dan gòn wij es teege die meense praote, wanneer ze ons ouwe gèld dèmme aanders aatij hèbbe ötkeere dèt dan nie kan schille mar aanders gòn mèn manne ònt wèrreke… jè…”. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

HvR: et schilt enen borstrok

B schille - schouw- geschouwe; M: verleden tijd schol;

MTW: schaaw, schoel

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et schilt mar en haonekrulleke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972)- het scheelt maar weinig

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et kan mèn nie schille wie de mallemeule draajt, as ik der mar in zit

Mar ‘t ha nie veul geschild. (Jos Naaijkens; ‘Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot’;  CuBra, ca 2005)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHILLEN, schol/schou, geschollen/geschouen/geschillen - verschillen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GESCHOLLEN:3e hoofdvorm v. 'schillen' (schelen, verschillen)= GESCHOUEN

Goem. SCHELEN

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHOUW, eigenlijk schou, schoude, voor schot, schold, scheelde, den onvolmaakten tijd van 'schelen' (differre). Verwisseling der L, vgl. soudenier / soldenier. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww. (verl. tijd 'schilde, schaauw (< scholde), schoouw) - verschillen, schelen; 2) schelen: 'Dä kam me nie schille'; 3) veel of weinig ergens aan ontbreken.

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schille ww – schelen Z.a.

Bosch schille - schelen

WNT SCHELEN (I) 2) afwijken, verschillen, ontbreken...

SCHILLEN ten onrechte soms sterk gebruikt ww; van den stam schelen (Thans alleen in Z-Ned.) 1. Van elkander afwijken in... 

WBD III.1.2:200 'schelen' = mankeren

WBD III.1.4:285 'het kan mij niet schelen', 'het kan mij niks verschillen', 'het kan mij niks schelen' = het kan mij niet schelen

 

schimmel

zelfstandig naamwoord

WBD schimmel (wit paard)

WBD appelschimmel - appelschimmel, ook genoemd (Hasselt) 'pommeleej', of 'geappeld', of (Hasselt) 'gepènningd'

WBD vòsschimmel - gekleurde schimmel, ook genoemd 'rôodschimmel', 'blauwschimmel', of (Hasselts) 'blauwe', resp. 'brèùne'

WBD III.2.3:203 'schimmel' = bederf in het brood, ook 'Derf' of 'rek'

 

schipsvolk

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:428 'schipsvolk = bemanning (van een schip)

 

schit

zelfstandig naamwoord

Van Dale -  koeiedrek (gew.)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "zo plat as 'n schit (dubbeltje)"

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "ze hee schitten an d'r gat (ze heeft geld)"

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schitte zelfstandig naamwoord  - gedroogde koeiestront

Hees veul schitte an z'n bille (III:68)

WNT SCHIT 1) hoop koedrek, turfachtige brandstof; 2) lange of losse turf

 

schitje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van scheet

WBD III.1.1. lemma Wind – frequent noordoostelijke omgeving van Tilburg

 

schobber, schoeber

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  schooier

Frans Verbunt -  et zèn goej dieter wè bij doen, èn schobbers dieter wè af doen

WBD III.1.4:78 'schobberd' = slechte mens

WBD III.1.4:105 'schobberd' = schavuit

WNT SCHOBBER, schobberd - 1) iemand met een haveloos en verwaarloosd voorkomen, schooier, en vervolgens ook: boef, schavuit

 

schobberdebonk

zelfstandig naamwoord

uitdr. op de schobberdebonk

Frans Verbunt -   = klaploperij

Buuk op schobberdebonk - klaplopend

WNT SCHOBBERDEBONK - schaverdebonk - zelfstandig naamwoord vr. Van een buiten deze afleiding niet aangetroffen de bonk schobberen (in een gebruik in den zin van haastig naar zich toehalen of haastig oppeuzelen), de bonk schaven. (zie aldaar: XIV:738)

OT 74:97, 152 Heestermans: Schobberdebonk: niet streekgebonden

 

schobbere

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - schuren van de rug

WBD III.1.2:102 'schobbelen' = krabben

 

schobberpaol

zelfstandig naamwoord

WBD schuurpaal in een weide (geplaatst om het vee gelegenheid te geven zich tegen jeuk te schuren) (Hasseltse term)

 

schoeber, schobber

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - hongerlijder, iemand die altijd op zoek is naar eten, stakker

 

schoefel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - schoffel

WNT SCHOEFEL - gewestelijke vorm naast: schoffel

 

schoefele

werkwoord, zwak

schoffelen

WBD I:1458 (Hasselt) schoefele - onkruid bestrijden met de schoffel

WBD III.1.2:154 'schoefelen' = sloffen

 

schoeft

zelfstandig naamwoord

kromme rug, bult

HTW kromme rug, bult, schouders

WBD III.1.2:379 'schoft', 'schofje' = bochel

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schoeft' - schoft d. i. hoogste gedeelte v. d. rug van een   groot viervoetig dier.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOEFT zelfstandig naamwoord  v. -schoft, hooge schouder; scheldwoord; schoft, schurk

 

schoel

verleden tijd van 'schille'; ook: schaaw

Henk van Rijen - scheelde, mankeerde

 

schoelie

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - schorem, schoelje

vD gewestelijk voor 'schoelje'

WNT SCHOELJE - ontl. aan ofr. escouillon = ovendweil; in Z-Ndl. ook SCHOELIE. 2) iem. die aan lager wal is, of wel klaplooper; 3) gemeene kerel, gewetenlooze bedrieger

 

schoemaokersham

zelfstandig naamwoord

rammenas (Rhaphanus sativus niger) -- soort radijs

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schoenmakersham - ramenas"

Vergelijk: L. Lievevrouw-Coopman – schoenmakersfricandon, m . F r : fricandeau. Scherts, voor pens. (Gents woordenboek, 1951)

– Vergelijk: Vlêes – vlêes van den bakker.

Frans Verbunt -  'schoenmaokersspèk' - uien

 

schoemaokerstram

zelfstandig naamwoord

gez. Pierre van Beek - meej de schoenmaokerstram - te voet

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOENMAKERSKONVOOI, SCHOENMAKERSVAPEURKEN zelfstandig naamwoord o. Spr. Met 't schoenmakerskonvooi of 't schoenmakersvapeurken vertrekken, schertsend voor 'te voet gaan'; ook: SCHOENMAKERSTREIN

WNT zie Schoenmakerstrein

 

Aquarel van Cees Robben - 1933 - particuliere collectie; foto CuBra

schoen, schuuntje

zelfstandig naamwoord

schoen - ook in het meervoud vaak schoen in plaats van schoene

Van Delft - "Hij kwam op 'ne schoen en 'ne slof binnengesukkeld en dertig jaor laoter was 't 'ne fabrikaant meej lef." Dit is: Als arme jonge handarbeider te Tilburg zich vestigend heeft hij zich tot fabrikant opgewerkt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Páást oe 'n schuuntje,

wel, trek et dan aon!

't is beter méé schuuntjes

as zónder te gaon! (Piet Heerkens; uit: Brabant, ‘Trek aon’, 1941)

Cees Robben – Gooit die schoen op ’t schôôrke (19640306) [In de prent zijn duidelijk twee schoenen te zien.]
Cees Robben – Lig nie over oew schoen te maauwen... (19660415)

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - naauwe schoene - nauwe schoenen

Ik ha al langer nuuw schoen nôodig. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Alléén op zondag, droegen wij schoen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie in vadders schoen lôope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973)-niet de aard naar zijn vader hebben

WBD III.1.3:211 schoenen' = schoeisel; ook: 'voetgetuig' de pruralisuitgang vervalt dikwijls: nuuw schoen

 

schoep, schuup

zelfstandig naamwoord

schop, spade

David Teniers - 17de eeuw

 

Zon schuup wil wel in zon paor koleschoepe van haande... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

WBD ovenschop (werktuig om kolen op het vuur te gooien)

WBD schoeprad, schoeperad - scheprad (het grote wiel met schoepen bij een watermolen, dat de drijfkracht levert aan de molen)

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'd'eerste schoep in den grond'

De Wijs  -- (Gehoord tegen verkwistende vrouw) ‘ ‘ik breng ’t mee de schoep binnen mar bij jou gaogeter mee de kèr uît! (23-10-1963)

Cees Robben –’t komt er meej de schoep binnen en ’t gaot er meej de kèèr uit. (19641106)
Cees Robben – En onze vadder schupte me onder m’n sevooi omdek z’n schuup ha geschoept uit ’t schop... (19860606)

Henk van Rijen - 'Schoep te gè die schoep, dan kunnen me schoepe' - Steel jij die schop, dan kunnen we spitten.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOEP zelfstandig naamwoord  v. - holle houten schop met langen steel, voor graan e.d.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schoep' - brede ijzeren schop met omgebogen randen waarmee men rogge in het vat of in zakken schept. (oorspr. van hout)

Goem. SCHOEP zelfstandig naamwoord vr. - houten korenschop

WNT SCHOEP - 1) holle houten schop; 2) breede ijzeren schop; 3) platte schop; 4) lange smalle spade

 

schoepe

werkwoord, zwak

stelen, spitten, flikken, versieren

schoepe - schoepte - geschoept

- Wie heej mene lózzie geschoept?

Henk van Rijen - 'Ze hèn mun fiets geschoept'- Ze hebben mijn fiets gestolen. Henk van Rijen - 'Dè schoepten ie um zööver' - Dat lapte hij hem mooi.

Henk van Rijen - 'Heur schoepte den irsten aovend nie' — Bij haar heb je de eerste avond nog geen kans.

Cees Robben - 'Onze vadder schupte me onder m'n sevooi omdèk z'n schuup ha geschoept uit 't schop'

Bij de deur zaat paa Rèène om de cent aon te neemen en te kèèke of ge niks meejschoepte. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Bosch schoepe - vals spelen; stelen

 

schoer, skoer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - onweersbui

Pierre van Beek - mee ene schoer - plotseling

WBD III.4.4:80 'schoer' = zware bui

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - schoer, m., alleen gehoord in de uitdr. 'mee unne schoer' - in een opwelling, met een plotselinge beweging (vgl. ramscheut).

Van Dale, WNT en De A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
vermelden het woord in de bet. van 'onweersbui', 'regenvlaag'. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
niet vermeld!

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOER zelfstandig naamwoord  v - schop, stamp

 

schöffel

zelfstandig naamwoord

WBD schuifelbeen (beenwoekering aan de binnenvlakte van de pijp, bij een paard), ook genoemd (Hasselt) 'schöffeltjes'

 

schöfke

zelfstandig naamwoord, dim.

laatje; schuifje

uitdr. et schöfke krèège - als biechteling geen absolutie ontvangen kan (de priester sluit dan het luikje)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "ze hee get schuifke gehad (bij het biechten geen absolutie gehad, over 8 of 14 dagen terug komen)"

Die Kappesiene, dè waar iets hêel aparts. In hullie kèèrek koste pesjonkele, èn onze paa ging daor biechte, want daor kreede nie zo gaaw et schöfke. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD (III.3.3:35) schöfke = schuifje v. d. biechtstoel

WBD (III.3.3:308) et schöfke krèège = het schuifje krijgen dim. van 'schèùf', met vocaalkrimping

Goem. SCHUIF; het dim. wordt gebruikt voor een deur; ook in 'hij kreeg het schuifke' (in den biechtstoel)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUIFKE(N) zelfstandig naamwoord o. - deurken dat verschoven wordt; Het schuifken krijgen - door den biechtvader zonder absolutie doorgezonden worden.

Hees het schufke krijge (III:36)

Bosch schùfke: 't schùfke krijge

 

schoft, schofje

zelfstandig naamwoord

WBD vlees- en spieraanzetting links en rechts op de borst van een paard, ook 'kusses' genoemd

WBD III.1.2:379 'schoft', 'schofje' = bochel

WBD III.1.1:126 'schoft' = schouders; 127 'schoft' = schouderblad

 

schòft

zelfstandig naamwoord

rust-, resp. etenstijd onder het werk

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…èn tusse de middag hadde dan en hallef uur òf drie kwertier schòft”. Klik hier om dit bestand te beluisteren

Cees Robben -  ge komt ’n half schoft te laot (19660225)

Pierre van Beek - schóf - schafttijd

- Ze werkten mee hil wèènig schoft/ Durlôopend op dur wèèfketaaw… Uit: ‘Bè de wèèvers òn tòffel’, Ad van den Boom, circa 2005

DANB nò de schòft spanne me et pèèrt vur de nuuw kèèr

MTW 'schoft' (met ó!)

WBD III.3. 1:214 'schof', 'schaft, het schaften' = schafttijd WBD III.4.4:130 'schoft', 'schof', 'schaft' = schoft

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOF zelfstandig naamwoord o., geen mv - hetz. als'schoft' v., het vierde van een werkdag

Goem. SCHOFT zelfstandig naamwoord  vr - een vierde van een werkdag, van een dag werk

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. 'schoft'- het vierde van een werkdag

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHOF, v. Dale: 'rusttijd of werktijd tussen rusttijden'; 't leste schof' - werktijd na vier uur; ook vage tijdsaanduiding; 'n schof of anderhalf.

WNT: Schoft III 3) Zoodanig deel van een werkdag, dat niet door een rustpoos wordt onderbroken. 6) Door verwisseling met schaft: tijd gedurende het werk van arbeiders ten behoeve van een maaltijd wordt onderbroken.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - zie SCHOVEN

 

schòfte

werkwoord, zwak

schaften

Henk van Rijen - daor wik niks meej te schòfte hèbbe -... mee te schaften hebben

WBD III.1.2:2 'schaften' = rusten; ook: 'schoven', 'd'r vijf vatten'

WBD III.1.4:370 'schoften' = even ophouden met werken

WNT SCHOFTEN - 1) tusschen het werk rusten, bepaaldelijk ten behoeve van een maaltijd, schaften;

 

schòkkele

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - schokken, trillen

WBD III.3. 1:588 'schokkelen'= hotsen (zachtjes schokken op een hobbelige weg)

WNT SCHOKKELEN - herhaaldelijk schokken; sjokkend voortgaan; schommelen

 

schòkkere

werkwoord, zwak

schokken van plezier

"Die is goed!" schokkerde'n-ie, "die is prima! Daor vatten we d'r eene op!"... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

 

schòkt(e)

schaakt(e)

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'schaoke', met vocaalkrimping

 

schòkwammes

zelfstandig naamwoord

PM met de heupen wiegende vrouw

WTT - 'wammes' is waarschijnlijk een verbastering van 'vrammes', vrouwmens

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schokwammes - slordig aangekleede vrouw"

Cees Robben – Ben-de-daor... schokwammes... (19580802)
Cees Robben – Wè hee dè schokwammes toch ’n batterij war... (19720225)

Stadsnieuws - As dè schòkwammes gao walse is de daansvloer te klèèn (171208)

schòlk

zelfstandig naamwoord

schort

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - geduureg vòlk ónder de schòlk hèbbe (R'75) - steeds in verwachting zijn

Variant: winkeltje haawe onder dere vurschot (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )

Henk van Rijen - ene lusterse schòlk - een schort van glanzende stof

WBD III.1.3:77 'scholk' = schort; ook: 'voorschoot'

WBD III.1.3:85 'scholk = 'schort met borststuk

WBD III.1.3:86 'scholk' = schort zonder borststuk

WNT SCHOLK - zeer verbreide samentrekking van 'schorteldoek', schort

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. 'scholk' - schort samentrekking van 'schortedoek'

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOLK: een voorschoot, die in de meierije ook zeer veel door de mannen word gedragen. 2) Een vrouwen bovenrok.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHOLK m (ouderwets en 'uitheems') - schort.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 104 'schort' geeft voor onze streek: 'vurschot'? 'scholk' is oostbrabants.

 

schölleepel

zelfstandig naamwoord

schelp, hol voorstuk van een klomp

Onze vadder heej wè èèzerdraoikes over schölpen gemokt, as die der wir ens vur de zoveulste keer af lagen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WNT 14 f -- Hol stuk hout dat een bolvormig afdekt. Op sommige schepen komt de boegspriet boven het opperdek uit, en wordt de plaats aldaar met een hol stuk hout of schulp bedekt, ten einde inwatering voor te komen, MOSSEL, Schip 232 [1859].
Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de schölleepel van zen klompe lôope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - de schelpen van zijn klompen lopen - de benen onder zijn gat uit lopen

 

schölp

zelfstandig naamwoord

schelp, schulp, bovenkant van de klomp

harde huid van een noot, ook schaol, bast, baast of bòlster genoemd

Henk van Rijen - ze schupte hil de schölp van dere klomp aaf - de hele schulp...

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. schulp 1) bovenste gewelfde kap van een klomp:2; samenhangende laag dennenaalden.

 

scholt

zelfstandig naamwoord

WBD ovenpaal (schoelde) (voorwerp waarmee het in broodvorm opgemaakte deeg in de oven geschoven wordt), ook genoemd 'skolt' of 'scheuter'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. houten schop om het brood in de oven te schieten en er weer uit te halen, ovenschotel, ovenpaal.

 

schòltje

zelfstandig naamwoord, dim.

schaaltje

dim. van 'schaol', met vocaalkrimping

 

scholtjematte

werkwoord, zwak

de school verzuimen, spijbelen

Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - Intusschen, ééns had de rakker — m'n oudste — “schoolgemat", en den heelen middag was hij niet thuis gekomen. (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schoolmatten - stilletjes uit de school wegblijven"

WBD III.3. 1:453 'schooltjematten' = spijbelen

Stadsnieuws - Kènder die dikkels scholtjematte, schuppen et nie wèèd. (140606)

OT 66:235 'schoolverzuim': diverse uitdrukkingen

 

schommaok, schonmaok

zelfstandig naamwoord

schoonmaak (de grote - )

- De schonmaok doede vur de Paose.

- Meej ene zaddoek om der haore/ rettereert ze hèrs èn geens./ Hil et hèùs ruukt nòr et sipsòp/ mar dè mèrkt ze nòg nie eens./ Ze heej naa kompleet de kòlder/ ze bezörgt me grèèze haor. / Èn dè alles om êen reeje:/ De schommaok moet vur Paose klaor. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vlak vur Paose‘)

- zis òn de schomaok begonne... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vurjaors-trubbel‘)

Piet van Beers – ‘Òn de schomaok’: ."Ons Toos is òn de schomaok toe/ hilt hèùs stao ooverhôop. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Stadsnieuws - Meej de schomaok wier et hèùs van boove toe beneeje gekèèrd (260409) = Met de schoonmaak werd het huis van boven tot beneden op zijn kop gezet.

GD94 omdèt bild in de schonmaok is

WBD III.2.1:324 'schomaak' = grote schoonmaak, ook 'voorjaarsschoonmaak'

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 33) schomaok

 

schommaoke, schonmaoke

werkwoord, zwak

schoonmaken

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 42) Ik hagget schon moete maoke - ik had het schoon moeten maken (samengesteld ww.) - Ik hagget schoon moete maoke - ... mooi moeten maken (bep. v. gesteldheid)

WBD (III.2.1:279) schomaoke = schoonmaken, ook genoemd: poetse

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 42) schôon - schomaoke: kwalitatieve mutatie

schomaoke - mòkte schôon - schongemòkt

met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij mòkt schôon

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOONMAKEN - opschikken, versieren, tooien; zuiveren, reinigen, kuischen, gezegd van graan en zaad dat men van kaf e.d. zuivert.

Kil  schoon maken - decorare, ornare, adornare, honestare

 

schömke  

zelfstandig naamwoord, dim.

licht gekleurd snoepje van schuim licht suikerkoekje, gebakje van schuim

schömkes

schömke trèkke - bep. hoestdrankje trekken van laurierdrop

  schömketrèkke - een speciale rubriek op CuBra

 

schömketrèkke  

Foto CuBra

werkwoord

GG het schuim van dropwater opzuigensjèp

 

schompes

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - uit de naad, ongans

Henk van Rijen - 'oewèègen ut schompes wèèreke'

Je kapot werken.

 

schömspaon

zelfstandig naamwoord

schuimspaan

WBD (III.2.1:66) 'schuimspaan'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord o. schuimspaan

 

schòmt, schòmde

persoonsvorm

schaamt, schaamde

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'schaome', met vocaalkrimping

 

schòmt

zelfstandig naamwoord

schaamte

 

schömt, schömde

persoonsvorm

schuimt, schuimde

tegenwoordige tijd, verleden tijd van 'schèùme', met vocaalkrimping

 

schonder

bijvoeglijk naamwoord , comp.

mooier, schoner

Vènde dees prèùme nie schónder as de die? - Vind je deze pruimen niet mooier dan die?

R.J. 'schônder'

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - ''t kan nie schonder'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de schónste boove èn de lóchste van onder (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1974) - de mooiste bovenop en de lichtste van onder (gezegd door bakkers en groenteboeren)

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 35) schónder (met vocaalreductie en d-epenthesis)

Goem. bijvoeglijk naamwoord

 

schonmaoke, schommaoke

werkwoord, zwak

schoonmaken

Dirk Boutkan (1996)  - ik haget schón moete maoke - ik had het schoon moeten maken; ik haget schôon moete maoke - ik had het mooi moeten maken (blz. 42)

 

schonmoeder

zelfstandig naamwoord

schoonmoeder

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 33) 'schomoeder' (geen klinkerverkorting)

 

schöns

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

schuins; schuin

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'schuinsche bakken'

Cees Robben - ene schönsmarsjeerder

WBD III.1.4:210 'schuins' = boertig; ook 'schuin'

WBD III.1.4:341 'schuins gaan' = geen succes hebben

Goem. SCHUINS bw: hij woont schuins over mij

WNT SCHUINS - in een van de loodrechte of evenwijdige afwijkende richting; op een onvriendelijke, onplezierige wijze

 

schönsmesjeerder

zelfstandig naamwoord

iemand van onzekere levenswandel, schuinsmarcheerder

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schuinsmarcheerder - vreemdsoortig individu van twijfelachtig gedrag"

WNT SCHUINSMARCHEERDER - iem. v. onzedelijken levenswandel

 

schonst, schonste

bijwoord , bijvoeglijk naamwoord; superl.

mooist(e)

we hèbbe de schónste stad vant laand

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 35) schonst (van 'schôon' met vocaalreductie.)

Cees Robben – In de schônste stad van ’t laand. [Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tôôntje van Zundert. ‘De schonste stad van et laand’ is de volksnaam voor Tilburg.  (19540213)]

- Ze zuuke de meens die et schonste Tilbörgs pròt. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
-mWe hèbbe de schonste stad vant laand, meense, mar witte gullie wèddik et allerschonste van de schonste stad vèèn? (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
 

schonzoon

zelfstandig naamwoord

schoonzoon

 

schoof

bijwoord  

voorbij

uitdr. niks schoof laote gaon - overal van proberen te profiteren

WNT:SCHAAF (II) zelfstandig naamwoord van Schaven. Alleen in de uitdrukkingen 'schaaf loopen' en 'op schaaf loopen', klaploopen, op de schobberdebonk loo- pen. In zuidelijke dialecten.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHAAF: schaaf loopen, of op schaaf loopen = op den klap loopen. Herkomst onzeker. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHAAF zelfstandig naamwoord m. -op schaaf loopen - op schabbedebok

Haor SCHOOF - D'r is hil wè schoof gegaan — er-blijft heel wat achterwege wat eigenlijk had moeten gebeuren

 

schôof

schoof

verleden tijd van 'schèùve'

 

schôoje

werkwoord, zwak

schooien

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge mee dè mundje gaot schôoje, zulde nie veul krèège (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970)gezegd tegen iemand die niet geschikt is om te bedelen.

WBD (III.2.1:486) schôoje = opzitten van een hond, ook: opzitten, bidden, mooi zitten, schoon zitten

WBD III.3. 1:258 'schooien' = zeuren; 263 'schooien' = smeken

 

schôojer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - schooier, bedelaar, landloper

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de rèèke schôojster = Joh. de Werd (blz. 83)

WBD III.3.1:194 'schooier' 'schooierin, trut, schooister, schooierswijf, wijf' = schooiersvrouw; ook 'schooi'

WBD III.1.3:18 'schooierig' = in lompen gekleed

WBD III.1.4:96 'schooier' = vagebond

 

school

zelfstandig naamwoord

school

Ook uitgesproken als 'schoow'

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 97) zen vaader heetum zes/zis jaor nor schol/schôol laote gaon

 

schôol

school, schuilde

verleden tijd van schèùle

 

schôon, schonder

bijvoeglijk naamwoord

mooi, schoon

WBD III.1.4:198 'een schone' = een grapjas

We hèbbe de schonste stad vant laand. - We hebben de mooiste stad van het land.

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - dan ziede wè schons  

hoe lomper en plomper, hoe schoonder!  (Piet Heerkens; uit ‘Vertesselkes, ‘De boeren van Baokel’, 1944)

Van Beek - Een oud spreekwoord zegt: "Schoon op het straatje maar niet op het baadje". Iets zal er wel van waar geweest zijn, anders was de volksmond er niet vol van geweest. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Van Delft - "Het moet goed schoon zijn, dat eeuwig blinken zal." Dit is: Men moet een rein geweten hebben bij het sterven. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

De Wijs  --  “Mar boer, wè hedde toch schôôn dochters.” - “Van m’n kèr aaf meej diejen vuilen praot.” (10-02-1963)

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - 'n schoon pêrd - een schoon paard

Henk van Rijen - wè ge ònt doen zèèt, weet ek nie, mar tisser wèl schôon weer veur (ironisch?)

WvM 'die kos schon speulen'; 'ze hann un schon kerk'

WBD (III.2.1:281) 'schoon' = schoon als gevolg van schoonmaken.

WBD (III.1.4:162) 'schoon' = mooi; 163 'schoon' = flatterend

WBD (III.1.4:164) 'schoon' = pront

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHOON voor opgeschikt, wel uitgedost. Z.a.

SCHOON MAKEN voor versieren, opschikken, opsieren. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOON Fr. beau 'mooi', 'fraai'; eerlijk (manieren); zuiver (water, kleding).

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'schòòn' bijvoeglijk naamwoord , bw - mooi

WBD III.2.2:32 'schoon' = zindelijk; 31 'niet schoon'= nog niet zindelijk

WBD III.4.4:235 'schoon' = helder

- De natuur is schôon, mar nie op iemes zen blauw pak - werd gezegd als het uitwerpsel van een vogeltje iemand op zijn kleding had geraakt.

 

schôor, schorke

zelfstandig naamwoord

half-open zolder

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schoor - zoldering, gewoonlijk boven den koestal"

Van Delft - "In 't schop op 't schoor leej de schup en de reif" wil zeggen: In het schuurtje (of in een bijgebouwtje) op de zoldering ligt een schop en een hark. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek – Als we het zinnetje "In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in één klap om dan nog niet eens van de allitererende "sch" te praten. Het "schop" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, "'t schoor" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de "schuup" is de schop (om mee te spitten) en "reif" dient door "hark" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950)

(vB) leuningloze brug over een beek

Cees Robben – ’t Schöpke meej ’t schôôr... (19601104)
Cees Robben – Gooit die schoen op ’t schôôrke (19640306)

Henk van Rijen - leeter ginne pulling op et schoor? - ligt er geen peluw op de vliering?

De goei fiets zaat in onderdélen verstopt onder de maastappels op et schoorke.Hij gunde de Dötsers gin fiets, waor ie zelf veur krom ha moeten liggen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD stijlarm: schuine, ondersteunende verbinding tussen gebintstijl en ankerbalk (zonder naglijder!)

De kènder slaopen ópt schôor.

WBD steekband onder het kapgebint (zonder naglijder!)

WBD schôor - zolder in stal of schuur, ook genoemd: 'schèlft', 'hooizòlder' of 'balke'

WBD schorbôom - schelfhout

WBD schorvènster - schelfdeur

WBD schórgat - hooiluik (op de hooizolder)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. + o. - 'schoor' - rijbruggetje over een smalle waterloop.

Pierre van Beek - Er bestaan veldnamen als: Eerste schoor, Tweede schoor.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHOOR o - bergplaats voor het hooi boven de stal, ver weg en moeilijk bereikbaar.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOOR: een soort van klein bruggetie, over smalle waterlopen liggende, om over te kunnen rijden. SCHOOR - hooijzolder boven een schuur of stal, schilft. Dus zegt men voor 'schilfthouten' ook 'schoorhouten'.

Kiliaen - : schoorsolderken.

 

schôot

persoonsvorm, verleden tijd

schoot

R.J. den boeremik schôot öt zen vèl

verleden tijd van 'schiete'

 

schootel

zelfstandig naamwoord

schotel, schaal

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zie mar is dègge de schootels ónder den òrecht krèègt (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - aansporing om voort te maken met het werk

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schootel zelfstandig naamwoord  - schotel

 

schooteldoek

zelfstandig naamwoord

vaatdoek

WBD schooteldoek, schootelvòd, schootelslèt = vaatdoek (III.2.1:291)

WBD (III.2.1:295) schooteldoek, theedoek, handdoek, afdrooghanddoek, keukenhanddoek, droogdoek, afdroogdoek, vaatdoek, enen doek om af te drogen = droogdoek

 

schootelduukske

zelfstandig naamwoord, verkleind

Henk van Rijen - vaatdoekje

 

schootelwasserke
zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm
schotelwassertje; kikkervisje, larve van kikker of pad; in Tilburg meestal ‘dikkòp’ of verkleind ‘dikköpke’ genoemd
WBD – III.4.2:115 – lemma Kikkervisje – frequent in Tilburg als ‘dikkop’ en als ‘dikkopske’; zeldzaam in het zuiden van Tilburg: Paddenkopje
- Sjef Paijmans - Een schrijvertje was voor ons een schotelwasserke... ('Herinneringen; CuBra, ca. 2002) ►schrèèverke
 

schoove

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:2 'schoven' = rusten, ook: schaften ', 'd'r vijf vatten'

 

schòp

zelfstandig naamwoord

berghok, schuurtje

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schop - vertrek achter de werkmanswoning waarin kooi voor varken en geit"

Van Delft - "In 't schop op 't schoor leej de schup en de reif" wil zeggen: In het schuurtje (of in een bijgebouwtje) op de zoldering ligt een schop en een hark. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek – Als we het zinnetje "In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in één klap om dan nog niet eens van de allitererende "sch" te praten. Het "schop" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, "'t schoor" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de "schuup" is de schop (om mee te spitten) en "reif" dient door "hark" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950)
Van Delft - "'n Schopping" is een schuurtje; een "zeisie" is een zeis; een "lózie" een horloge. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Den boemeljongen, erm, nog ermer as Man Job, / wier verkensherder ergens bij 'ne boer in 't schop. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Boemeljongen’, 1941)

Lowie van Dorrus Misters - Als we dan achter komen, zien we eerst het schop of de stal, waarin het vee, de voerartikelen, het strouwsel (dit lijkt ons een samentrekking van strooisel en rouwsel, datgene wat in de dennenbossen en bij het schaarhout op de grond gevonden werd, spellen (dennennaalden), mos, varens, bladeren enz.), verder brandhout, geriefhout en de rommel, die in huis niet thuis hoorde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 ‘”Hygiëne” in vroeger dagen’; NTC 28-4-1951)

Van Beek - schop of schopping is een achterbouwtje, bergplaats bij 'n arbeiderswoning. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)
De Wijs -- Rijd den kreugel mar deur ’t deurgebint in’t schop (20-07-1962)

Cees Robben – ...in ’t schop. (19670922)
Cees Robben – En onze vadder schupte me onder m’n sevooi omdek z’n schuup ha geschoept uit ’t schop... (19860606)
Cees Robben – ’t Schöpke meej ’t schôôr... (19601104)
Cees Robben – Zet die schuup in ’t schop... (19640306)

Lechim - Int schòp stond van men aawe fiets/ de vèlling dur te roeste... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Op de fiets‘)

Lechim - Et knòrriepietje stao op zulder/ den hond leej jaankend in et schòp... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Den hòrt op‘)

Henk van Rijen - hong et int schòp?

Elie van Schilt - Kwaamde aachter in ut schop, dan rookte de konijnen, ut konijnenvoeier, de maastappels die er lagen as aanmaok vur de wenter. (Uit: ‘Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger’; Cubra, ca. 2000)

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schop - schuurtje (div. dial.)

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'schop' zelfstandig naamwoord  - schop, berghok

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOP, SCHOB zelfstandig naamwoord  v. - klein gebouwken, houten of leemen hok voor berging

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schop' overdekte open bergplaats

WNT SCHOB, SCHOP - wagenschuur, wagenhuis, overdekte bergplaats. (Ook V. Dale)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHOP  v - half open schuur met varkenskot en bergplaats. (Het gelijknamige graafinstrument heet 'schuup' en een trap 'schup).

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHOP = wagenkeet (bij de bouwlieden). Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SCHOP: een dak waar onder men karren, wagens, ploeg en dergelijken zet. Zie Kiliaen - 

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - schòp (krt. 40 en blz. 176)

WBD schop (vaak primitief gebouwde, alleenstaande of aangebouwde bergruimte), ook 'lots' genoemd

 

schòpke

zelfstandig naamwoord, dim.

schaapje; berghokje

WBD 'schaopje', 'lam', 'beee' - roep-/lokwoorden voor een lam

WBD 'sohaopke', 'wojke', 'woojke', 'ha jonge', 'ha mènneke' - vleiwoorden voor het schaap

WBD 'schaopke', 'schòpke', 'lammeke' - vleiwoorden voor het lam

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 -  schòpke Jaanse =... Jansen (blz. 45)

WBD III.1.1:49 'schaapje' = krulhaar

WBD III.4.4:18 'schaapjes' = kleine wolkjes; ook: 'schapenwolkjes'

dim. van 'schaop', met vocaalkrimping

 

schörft

zelfstandig naamwoord

schurft

Ik had enne afkeer, enne hille grôte hekel aon de vrijdag. Ik kan et nie goed zeggen, ik kan et bekaant nog nie in fetsoenlijk Tilburgs ötdrukken, hoene schörft ik aon de vrijdag ha. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.1.2:324 'schurft' = huiduitslag

WBD schurft, schuirft, schörft - schurft

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHÖRFT (uitspr. schörrəft) zelfstandig naamwoord o. -schurft

 

schörfteg

bijvoeglijk naamwoord

schurftig; schofterig

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - die nie schörfteg is, hoeft zich nie te klauwe (1781) - wie onschuldig is, hoeft niet bang te zijn

 

schorke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

zoldertje in een schuurtje (schòp)

Dim. van SCHÔOR

 

schörreke
werkwoord, zwak
schurken
Cees Robben – Zit nie zôô in dieje stoel te schörreke... Ge spoldert d’r al de noppen aaf... (19710115)
 

schorstêen

zelfstandig naamwoord

schoorsteen

Van Beek - Men gaf door: "De beste koeien worden op stal verkocht" in de betekenis van: de degelijkste meisjes vinden haar man niet op straat of in de balzaal. Als pendant kwam hierop: "'t Is goed, als ge de schoorsteen kunt zien roken." 't Werd een jongeman toegevoegd, die een meisje uit eigen dorp (of streek) gekozen had.  (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

WBD schórstêenmaantel - schouwmantel (de gemetselde of althans stenen gedeelten van de schouw, vanaf de vloer tot de zoldering)

WBD (III.2.1:63) schoorsteen, schouw

 

schorstêenveeger

Schilderij - Johan Gerstenhauer Zimmerman - 1910

zelfstandig naamwoord

schoorsteenveger

Pierre van Beek -- "Sôrt zuukt sôrt (soort), zeej den duvel tegen den schôrsteenveger" behoeft wel geen toelichting… (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant – zaterdag 11 maart 1950)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - sórt zuukt sórt, zi den duuvel teege de schórstêenveeger ('84)

Schoorsteenveger - 19de eeuw

Schilderij van Aurelio Zingi -19de eeuw - Lunchtijd!

Ets van H. Bary - 17e eeuw

►Voor meer afbeeldingen zie het Dossier

schorstêenveeger - volksliedjes over de schoorsteenveger op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

schorstintje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van schorstêen
schoorsteentje

 

Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging op een stoplicht voor voetgangers. De drie torens van het stadswapen zijn vervangen door fabrieks-schoorstenen. Foto CuBra 2019.

 

schòrtebont
zelfstandig naamwoord
weefsel dat geschikt is om schorten van te maken
Cees Robben – [op de markt:] zuukend naor wè schortebont... (19620413)
 

schot

zelfstandig naamwoord

schoot

Kóm mar óp mene schot.

WBD III.1.1:135 'schoot' = schoot; ook: 'slip' of 'n kooike'

WBD III.4.4:279 'schootvol' = hoeveelheid die men in een schort kan dragen ook: 'schortvol', 'slip'

 

schòt, schötje

zelfstandig naamwoord

nieuw uitgelopen twijgje; schot

WBD koe die eenmaal gekalfd heeft

WBD schòt (II:1038) - schot (elk v. d. inslagdraden)

Weijnen 'Ziektenamen' 64: schot / schot in de lenden / lendeschot - ischias

WBD III.4.3:33 schòt maoke - spruiten, uitbotten, uitschieten

WBD III.4.3:31 schòt - kiem; ook genoemd: knòp

WBD III.1.2:310 'schot, schot in de rug' = spit; ook: 'krimperd'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'schot' - jonge koe die eenmaal gekalfd en daarna een jaar overgelopen heeft.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOT zelfstandig naamwoord  v. -bij landb.: vaars die voor de eerste maal gekalfd heeft

 

schötje

zelfstandig naamwoord, dim.

klein schot (beschot, afsluiting) nieuw uitgelopen twijgje schuitje (kleine boot)

R.J. 'ze stapten öt et schötje'

WBD 'schötje' (II:1235) - schootje (onderste deel van een voorpand) WBD (III.3.2:141) schötje of stuur = schommel - resp. dim. van 'schòt', met umlauten van 'scheut', met vocaalkrimping

Bosch schùtje - bootje, schommelschuitje

 

schòts

zelfstandig naamwoord

schaats

Weijn schaots / schòts (krt. 31)

Audioregistratie 1978 - Wij zèn op de schòtse nòr Osterhout gewist, dan moeste mar tweej keere öt te stappe èn koste wir verder! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

 

schòtse

werkwoord, zwak

schaatsen, schaatsen rijden

-- schòtse - schòtste - geschòtst

Frans Verbunt -  gin èès èn tòch schòtse

Kleine vuutjes

schaotse zuutjes

schotse nulle

scheeve krulle

(Piet Heerkens; uit: De Mus, ‘Raodselke II’, 1939)

«Geleuf mar dè ik schòtse kan/ al ist wèl lang geleeje,/ och bruur, wè hèk in mènne tèd/ ene schèève schòts gereeje» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Op glad èès‘)

Wanneer kunde nòg es schòtse/ van decèmber toe april... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sneuw)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “…èn toen zèn wij op de schòtse, zèn wij nòg ôojt oover et kenaol gereeje gienderwèèd nòr den Biestenhoutakker toe…” Klik hier om dit bestand te beluisteren

Toch waren we nog wilder op èès, op schotsen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ast in de wènter goed gevroore ha, dan ging hil de buurt daor schòtse. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

WBD (III.3. 2:161) schòtse, schòtse rije = schaatsen

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - 'schotse' ww - schaatsen

Op glad èès

«Paa, wörom gaode gij nôot mee

as ik nòr de èèsbaon gao,

of kunde gij nie schòtse paa?»

Paa zeej netuurluk : «Jao»

 

«Geleuf mar dè ik schòtse kan

al ist wèl lang geleeje,

och bruur, wè hèk in mènne tèd

ene schèève schòts gereeje»

 

«Schòtse, van dêen nòr daander toe,

kweet niemer waort begien is.

Mar wèk aaltij onthaawe zal :

Bijs moeder laag de fienish»

 

«Toen hèk men schòtse mar verkòcht,

dèst nôodlot van et lèève

want ge kunt as ene getrouwde meens

tóch nie ònt schòtse blèève»

LECHIM

Casper Luyken - 1696

 

Sticker van een carnavalsvereniging. Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

schòtserijer

zelfstandig naamwoord

waterwants; schaatsenrijder; Gerris lacustris

 - …dan gonken we vaoren, schotsenrijers vangen, steentje kletsen en spatten en poelieën (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Frans Verbunt -  onberekenbaar persoon

WBD III.4. 2:245 'schaatsenrijder'

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schòtserijer zelfstandig naamwoord  - schaatsenrijder, waterwants

 

schòtteslèt

zelfstandig naamwoord

Van Beek - "Schotteslet" zegt men tegen opgekookte melk; daar houdt de boer niet van. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

WNT - lemma Hottenslet
A. Eigenlijk.
1. Van (zoete) melk, waarin zich de vaste en de waterige deelen afscheiden. Scheiden, schiften.
WBD - HOTSEL Het dikke van geschifte karnemelk. De variant hotsel stamt af van het werkwoord hotten wat 'schiften of
stremmen van melk' betekent. hotsel: alg. Peell., freq. Noordmei.,
verspr. Tilb. en Noorderkemp. hottel (ook ottel): Nieuwkuijk en
Oisterwijk.
 

schouw

werkwoord, persoonsvorm

verschilde, mankeerde

verleden tijd van 'schille'

N. Daamen - handschrift 1916 - Dè schouw doar nie veul (scheelde)"

Henk van Rijen - et schaaw haand òf kèèr - het was op het kantje af

Henk van Rijen - 'schaaw', 'schoel'

Cees Robben - ''t schou mar haand of keer'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOU - 2e hoofdvorm van 'schillen, ' naast 'schol'

 

schouw

bijvoeglijk naamwoord

schuw

WBD schrikachtig, gezegd van een peerd, ook 'schaaw' genoemd

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - schouw - schuw

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schouw weer - ruw weer"

"Dus daorom hedde me aaltij zoo schauw aongekeken as ge me op et kerkplein zaagt?” (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940)

WBD III.1.4:71 'schouw' = verlegen

WBD III.4.4:44 'schouw weer = slecht weer

WBD III.4.4:226 'schouw' = scheef, ook 'slim', 'scheel', 'schriks'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord  en bijw. 'schouw' - 1) beducht of bang, de nabijheid vrezende van, afkerig; 2) woest, onstuimig, ruw; 3) rommelig, wanordelijk; 4) onbeschaafd, ruw, ruw-grappig, koddig, lollig. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHOUW - schuw; schouw zijn van - bevreesd zijn; ook: koddig, vies, kluchtig: 't is en schouw ziel - een drollige kerel.

 

schouwe, schille

werkwoord, zwak

schelen, verschillen

Et schouwt mar haand of keer - Het scheelt nauwelijks iets, dus:

op het nippertje

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'veul schouwet nie' (verleden tijd ?)

Hillemaol nie, daocht mijnheer Fleskes, en et schouw nie veul, of hij ha 't hardop gedaocht! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; NTC 26-11-1938)

...et schouw mar weinig of 'n stuk of drie lejen ha'n mekare in de haoren gezeten! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939)

gez. Pierre van Beek - Et ha mar haand òf keer geschouwd - het was op het nippertje (Tilburgse Taalplastiek 170) schouwe - schouwde - geschouwd

 

schraanze

werkwoord, zwak

veel en gretig eten, schransen

Cees Robben - 'dan kunde gij wir schraanze'

WBD III.2.3:8 'schranzen' = schrokken

schraanze - schraansde - geschraansd

Leo Heerkens - ik daanste en sjaanste,/ ik fuifde, ik schraanste... (uit 'Ik di't!, in De Mus, Piet Heerkens, 1939)
Lechim - De aauwers waren dan bèkaaf,/ De kènder ziek van 't schraansen/ Mar toch ging 's aoues hil de streup/ Wir keken naor 't daànsen. (
(Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: 'Vruuger... veul muuger')
Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHRANZEN - hetz. als schransen, gretig eten, verslinden WNT SCHRANSEN - 3) met welbehagen overvloedig eten

 

schrabben

werkwoord, zwak

schrabben

B schrabbe - schrabde - geschrabt;

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'schrabben' - schrappen, afkrabben.

WNT SCHRABBEN - 1) met een scherp voorwerp bestrijken, gewoonlijk met de gedachte dat daardoor een dun laagje wordt weggenomen

 

schrabbers

zelfstandig naamwoord , meervoud

Frans Verbunt -  geld(stukken)

Cees Robben – Wè schrabbers over legge... (19610922) [over leggen = sparen]

 

schraog, schrògske

zelfstandig naamwoord

schraag, losse tafel v. onbewerkte planken, op losse poten

WBD schrògskes - bedsteepaardjes (schraagvormige ondersteuningen van de bedsteebodem)

 

schraol, schròlder, schròlst

bijvoeglijk naamwoord

schraal

WBD (Hasselt) onvruchtbaar, slecht (van akkerland);

WBD mager, gezegd van een kalf; ook 'maoger' of 'schier'

WBD schraolen dêeg - uitgedroogd deeg

Cees Robben - schraol èn schreepel as en lat; et staoter zôo mar schraol bij;

...veul schraol gekleede vrouwe... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de zon schènt...)

Frans Verbunt -  schraol appreteut - armoede

WBD III.1.2:353 'schraal' = ruw v. d. huid

WBD III.1.1:20 'schraal' = slank, tenger

WBD III.1.1:22 'schraal' = mager

WBD III.2.3:266 'schraal' = verschaald (bier), ook 'verschraald'

WBD III.4.4:275 'schraal' = schaars

 

schraome

werkwoord, zwak

waarschijnlijk van 'schrammen', dat wil zeggen: beschadigen, te kort doen

...hij aaide niemand en schraomde niemand... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939)

 

schraope, schriepe

werkwoord, zwak

schrapen, afkrabben

Cees Robben - den oopaa heeget bij mekaar geschròpt;

B schraope - schròpte - geschròpt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schròpt

Assie ötgebloeid waar, de vette kuus, pakte de slachter zenne schraper en begos ie de haor van et vèèrke te schraope. Hij schrapte daor, waor onze vadder al vurgewèèkt ha, deur telkens un gedilte van dè vèèrkenslèèf meej dè kokend waoter te begieten. As ie hillemol schôon geschrapt waar, wier ie meej zen twee aachterpôote aon de bovenste sport van de leer vaastgebonden en in zen gehéél op de leer geleed. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WNT SCHRAPEN - 5) door strijken (inzonderheid met een scherp voorwerp)bijeenbrengen. Inzonderheid in toepassing op het bij kleine beetjes en gewoonlijk uit hebzucht bijeenbrengen van bezit.

 

schrap

zelfstandig naamwoord

streep, lijn, wegmarkering

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - dègge nie oover de schrap rijdt

WNT SCHRAP - 3) kras, 4) streep

 

schrappe

werkwoord, zwak

schrapen

Van Beek - Ge zult mijn tungske (tongetje) niet schrappen. - Mij kunt ge niet uithoren. Ik zal mijn mond niet voorbijpraten. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

 

schrapstaol

zelfstandig naamwoord

WBD (II:2740) 'schrapstaol' - schraapstaal

 

schrêef

schreef

verleden tijd van schrèève

 

schreepel, schrèèpel

bijvoeglijk naamwoord

mager, schraal, dun

en schreepel frammes - een magere vrouw

- N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schrepel - 't is mar nen schrepelen (mageren)"

- Cees Robben – Wè dist ’n schrepel maotje.. (19590905) [De prent gaat over Peerke Donders, die inderdaad zeer mager was.]
- Cees Robben – Des mar ’n schreepel frammes.. (19681004)

- Henk van Rijen - 'schrêepel' -armetierig, kwijnend, mager, schraal

- Nie dè ik iets teege der hèb, mar ik snap nie wè gij ziet in dè schrèèpel frommes meej der stalpôote.'  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- WBD III.1.1:22 'schrepel' = mager

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - sre.pəl, bijvoeglijk naamwoord  'schrepel' - mager, schraal, dun

- WNT SCHREPEL (II) zie SCHRAPEL 1) mager, dor, schraal. Van personen en lichaamsdelen; 2) schriel, kaal

 

schrèève

werkwoord, sterk

schrijven

MP gez. Schrèèft et mar op oewen bèùk; dan kundet meej oewen hèmslip ötvèège.

Cees Robben - èn saanderendags schrêeve ze...

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - schrêve (ê van Fr. tête)

- schrèève - schreef - geschreeve

WBD III.3. 1:306 'schrijven' = idem

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 66) imperatief: schrèft/ schrèèft / schrèèf èè steeds lang

Radio Brabant (24-2-97), programma 'Ons Miet': 'en briefke schrèève... mar ik zèè nie zon schrèèf'

Piet van Beers - Wè mèn betrèft, dan maag de sic(retaoris)/ in ´t Hollaands opnoteere./ Want, Tilburgs schrèève is nie niks,/ daor moete vur gòn leere. (uit: ‘Tilburgs as voertaol...’; www.CuBra, ca. 2005)
Lodewijk van de Bredevoort - Ineens ha’k et toch te pakken en kos ik de juffrouw alles vurlezen, wè ons moeder op et briefke ha geschreven, meej die haonepôte van der. Waor die schrèève ha geleerd! (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Lodewijk van de Bredevoort - Schrève daor vond ik niks aon, ge moest ôk zô dikkels etzelfde woordje, precies tussen twee lijntjes opschrève. Et allerirste woordje weet ik nog, dè waar oom. Ik geleuf dè we’t wel dertig keer tussen twee lijntjes moese schrèève. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Lodewijk van de Bredevoort - De week erop: ‘Lodewijk, 25 keer je weet wel’. Jao, ik wies et wel, mar schrèève deej ik niemir, ôk nôot mir gedaon. Ik heb ze et hille jaor bewaord, die vèfentwintig, die ik meej menne zotte kop ôot geschreven ha. Hij vergaat gewoon, wietie allemol strafregels liet schrèève, hij strooide er gewoon meej. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Henriëtte Vunderink - Mar jè, ik kan nie zingen òf spòrten op nievoo/ èn ok gin lieterèère wèèreke schrèèven as Gezelle. (uit: ‘As...’, in: kzal van oe blèève haawe, 2007)

 

schrèèver

Naumann: emberiza citrinella

zelfstandig naamwoord

geelgors

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schraiver - vogeltje met eitjes waarop bloedlijntjes"

Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz."(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD III.4. 1:174 'schrijver', 'schrijverke', 'bloedschrijver' - geelgors (Emberiza citrinella)

WNT SCHRIJVER - 6) benaming voor de geelgors (Emberiza citrinella L.) in Brabant en Antwerpen; SCHRIJVER - 8) benaming voor een soort van meikevers - te Turnhout (zie volgende)

 

schrèèverke

zelfstandig naamwoord

1. kever, watertor

schrijver - schrèèverke = watertor = gyrinus natator

Henk van Rijen - watertor (Gyrinus natator) 

WBD III 4,2:179 lemma Schrijvertje - Het schrijvertje of de draaikever (Gyrinus natator) meet 5-7 mm. Vroeger kwam het door Gezelle beroemd geworden zeer kleine schijverke nog algemeen voor, maar het heeft zeer onder de watervervuiling geleden. Het is een klein glanzend zwart roofkevertje dat kringen op het wateroppervlak maakt en bliksemsnel onderduikt bij gevaar.
schrijverke – frequent in Tilburg
watertor – Tilburg

WNT SCHRIJVER in den verkleinvorm 'schrijverke' - benaming voor de draaikevers van de soort Gyrinus natator L. in Z. -Nederl.

Sjef Paijmans - Maar wij hadden voor die torren en torretjes onze eigen namen. Een schrijvertje was voor ons een schotelwasserke... (Herinneringen - CuBra circa 2002)

2. vogel

Henk van Rijen - geelgors (Emberiza citrinella) 

Cees Robben - ...schrèèverkes en zwollemen (19600708)

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schrèèverke zelfstandig naamwoord  - geelgors, schrijvertje

3. schaatsenrijder

WBD III.4.2:246 'schrijvertje' - schaatsenrijder (Gerris lacustris)

 

schrèp, schrap

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - schrap, kras, streep

CiT (102) 'Ieder schrepke is 'ne sou'

WNT SCHRAP - 4) streep, 3) kras

 

schreuwe

werkwoord, zwak

schreien, huilen, schreeuwen

schreuwe - schruwde - geschruwd, met vocaalkrimping

In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij schruwt

- 't wordt laachen en schreuwen; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue ‘Vruuger en naa’, 1926.

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Ge kunt er beeter meej laagen as meej schreuwe.

- Den Zondag daorop was den nuuwen heer aon de beurt mee 't preeke. De vrouwkes hadden erop gerekend, detter geschreuwd zou moeten worren en waren veurzien van zakdoeken. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

- Ze viel mee d'r gezicht op d'r ermen en begos te schreuwe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 – 18-4-1939)

- SJAREL. Och, ge kunt mee zo'n sort dinge aatij beter laache dan schreuwe… (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

- KAREL. Jè, en soms begiene ze nog te schène óók! SJAREL. Och, Karel, daor kunne me ok beter mee laage dan schreuwe. Ge mokt naaw eemel van meensche gin Trappiste… (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

- De toestand schreuwde gewoonweg nor den hemel om wraok. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 11 mei 1945)

- Cees Robben – Van schreuwe tot laage... (19570112)

- Schreuwe dèsse dinne. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012)

WBD III.1.4:252 'schreien' = huilen;  254 'schreeuwen' = luid schreien

Pierre van Beek - snòt èn kwèl schreuwe (Tilburgse Taalplastiek 175)

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - wè stoa de doar zoo te schreuwe? - wat staat gij daar zoo te scheien?

Henk van Rijen - 'schreuwe'

WvM 'soo schon da'k moes schruwwen'

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schreuwe ww - huilen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. schreeuwen 1) schreien, wenen, huilen; 2) Klagend schreien van een haas als-ie in een strik loopt.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHREEUWEN voor schrijen, vroeger kriten, krijten, waarvan 'kreet'.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHREEUWEN (schreuwe) onov. ww - schreien; vriendelijk, gevoelig woord daor hoefde nie um te schreuwe.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHREEUWEN Fr. crier; krijten, schreien, luidkeels klagen; weenen, stille tranen storten.

 

schreuwer

zelfstandig naamwoord

een van de bidders bij sterfgevallen

Lowie van Dorrus Misters - Hierboven [zie lemma ‘bidde’] spraken wij van één bidder. Dat was wel het meest voorkomende geval. Degenen, die beter bij kas waren, namen er twee en de hogere standen hadden er veelal vijf. Deze koos de familie echter niet zelf. In de meeste gevallen - zeker in het zuidelijk stadsgedeelte - was de heer Koos van der Wee de man die voor alles te zorgen had en dat was hem toevertrouwd. Hij nam zijn medehelpers en met hun vijven gingen zij hun werk doen. De bidders gingen dan twee aan twee links en rechts van de straat deur voor deur de dood aanzeggen of ter begrafenis uitnodigen (bidden), de vijfde, de "schreuwer" liep in het midden van de straat. In afwijking met de bidders, welke de gewone doodbidderssteek, een hoed in vorm gelijkend op een generaalshoed, op het hoofd hadden, droeg de "schreuwer" de hoed met de zijranden neergeslagen. Dus met een brede platte rand en in handen hield hij op de borst een witte doek, tips gedragen, zodat de tegenoverliggende tip laag afhing. Hij lette er op of niemand door de bidders werd overgeslagen en maakte zo nodig hen daarop opmerkzaam. Maar al noemde de volksmond hem "schreuwer", schreeuwen (wenen) deed hij toch juist nog niet. Wel zette hij een allerdroevigst gezicht. Zijn gelaat de uitdrukking geven, welke bij de omstandigheden paste, kon hij wel. Daarin was hij specialist en hierin kon de beste toneelspeler hem niet verbeteren. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 ‘Doden-cultus van eertijds’; NTC – 16-11-1950)

We wiesse dan gelèèk ôok òf et en rèèk lèèk waar, want dan liep er midden oover de kaaje zonne schreuwer meej ene witten doek vur zen snèùt. (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

 

schreuwereg

bijwoord

die ötgesprooke Tilbörgs platte taol,/ die soms zo schreuwereg klinkt, meej veul kebaol... (Henriëtte Vunderink, Tilbörgs tòltje, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

 

schriepe, schraope

werkwoord, zwak

schrapen, inhalig zijn

Cees Robben – te schrokke.. te schraope.. te schriepe (19590822)

Henk van Rijen - schrapen, inhalig zijn

WNT SCHRAPEN - 5) door strijken (inz. met een scherp voorwerp) bijeenbrengen... inz. in toepassing op het bij kleine beetjes en gewoonlijk uit hebzucht bijeenbrengen van bezit.

schrikke

werkwoord, sterk

schrikken

WBD III.1.4:293 'schrikken' = idem

Dirk Boutkan (1996)  - schrikke - schrók - geschrókke

ook: 'verschrikken', 'verschieten'

 

schrikkelek

verschrikkelijk

bijwoord

Piet Heerkens - Och, kos ik eiges mar gaon, want gij,/ ge bent zoo'nen dommen Hannes,/ zo schrikkelijk dom, zooas er hier/ in Baokel geenen eene man is! (uit: ‘Hannes Kaokel, van baokel’, in: Vertesselkes, 1941)

bijvoeglijk naamwoord

Jan Jaansen - Oome Teun liep hals over kop naor den Heikant om 't schrikkelijk nuuws te vertellen... (uit: De nuuwe dokter, Vertelselke uit de mobilisatietijd van 1914; Nieuwe Tilburgsche Courant, 1940)

 

Schrobbelaar in de 18e eeuw

schrobbelèèr  

De schrobbelmolen ofwel het assortiment - foto uit: Commandeur e.a.,Ge waart mar arbeider; 1981

zelfstandig naamwoord

1. Textielindustrie - degene wiens taak het is wol grof te kaarden

Henk van Rijen - (textiel) bediener van het 'assòrtiemènt';

Buuk schrobbelèèr - schrobbelaar, textielarbeider, bediener van een assortiment waarop de wolvezels werden ontward en parallel gelegd. Een schrobbelaar had niet het beste baantje in een textielfabriek.

- Toen ging et nòg beeter meej de stad, èn meej de tèkstiel. Der kwaame mesjienes, en toen er mesjienes waare, kwaame der duuvelèèrs en schrobbelèèrs. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Anoniem – 1959 –
Vèftien jaore was ie schrobbelèr,
waor dè komter nie op aon,
Nillus was ginnen semmelèr,
wies z'n menneke wel te staon.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

2. Sterke (kruiden)drank, vernoemd naar 1

V ca. 1980 op de markt gebrachte speciale alcoholhoudende drank

Tilburgse kruidenjenever (vkw. schrobbelèrke)

Schrobbelèèr
Vruuger, in tèkstielfebrieke,
daor wèèrkten ok de schrobbelèèr.
Die hòlde daor meej en mesjien
wolveezels öt de wèèr.
tWaar kaajhard sjouwen èn et wier bepòld
nòvvenaant nie ötbetòld.

Nou kèn ik nòg en drank,
en sort liekeur, ok schrobbelèèr.
En agge daor te veul van drinkt,
dan ròkte in de wèèr.
kWil liever in de wèèr geraoke,
dan wèèreke dè men naoje kraoke!
(Henriëtte Vunderink, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
 

Tilburg, Besterdplein 2019. Foto: CuBra.

 

schrògske

zelfstandig naamwoord, dim.

schraagje

WBD schrògskes - bedsteepaardjes ( schraagvormige ondersteuningen van de bedsteebodem)

verkleinwoord van 'schraog', met vocaalkrimping

 

schròlder

bijvoeglijk naamwoord

schraler

comparatief van 'schraoler', met d-epenthesis

 

schroote

werkwoord, zwak

WBD schroden ('malen' van mout in de brouwerij)

WBD schrootmeule - moutmolen

 

schrootmeule

zelfstandig naamwoord

WBD moutmolen (molen waarmee het mout wordt fijngemaakt, in de brouwerij)

 

schrophoere

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - de grond omwoelen

 

schròpt(e)

werkwoordsvorm

schraapt(e)

tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'schraope' met vocaalkrimping

 

schruwer

zelfstandig naamwoord

huiler

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "schreeuwer - doodbidder, aanspreker"

Henk van Rijen - 'schreuwer'

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - ene schreuwer = meeloper met de kraaj (blz. 95)

 

schruwt, schruwde

werkwoordsvorm

schreit, schreide

tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'schreuwe', met vocaalkrimping

 

schuddekul

zelfstandig naamwoord

schuddekul
WTT 2013 – Van oorsprong mogelijk voor slechtsmakende drank, met name koffie; vandaar als metafoor voor ‘slecht, minderwaardig volk’; waarbij ‘kul’ (vergelijk ‘flauwekul’) het minderwaardige aspect verwoordt, en ‘schudde’ mogelijk het Middelnederlandse ‘schudde’ is in de betekenis van ‘dwarshout van de galg’ (zie Van Beek hieronder). Het MNW kent daarvan een overdrachtelijk gebruik voor ‘leegloper’ etc. – zie MNW hieronder.
1974 (ca.) - schuddekul - moet een Tilburgse uitdrukking zijn voor minderwaardig volk, soepie van volk,schorremorrie; “schudde” (middelned.) was de dwarsboom van een galg waar de strop aan hing. (Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek)



Pierre van Beek – typoscript Archief Pierre van Beek


1973 - Wie bij Van Dale op zoek gaat naar "schuddekul", stuit daar op: "Slappe koffie". Men meldt ons dat in Tilburg een jong meisje, dat zich losbandig gedraagt, de kwalificatie "schuddekul" krijgt. "Schudde" heette bij een galg de dwarsbalk, waaraan het galgekoord hing, maar het heeft ook de betekenis van schavuit en landloper. Het houdt verband met de gemeenzame uitdrukkingen: "voor schut staan" of "iemand voor schut zetten". Hier heeft dat de betekenis van "schande" of "schandaal". (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 165, 18-01-1973)

[WTT 2013 – Een etymologisch verband tussen ‘schudde’ en ‘voor schut staan’ is zeer onwaarschijnlijk; ‘voor schut staan’ wordt algemeen afgeleid van ‘verschutten’. Conform P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek: lemma Schut 3 - in de uitdrukking voor schut staan [voor gek staan] {1808} komt van verschut [gevangen], in verschut gaan [gearresteerd worden], vgl. rotwelsch verschüttgehen [gearresteerd worden], middelnederlands verschutten [beletten, eig.: achter een schotje plaatsen].
MNW – lemma Schudde - Gaffel, op te vatten in den zin van “de palen met het dwarshout, waaraan het galgekoord gehangen wordt, het juk” (vgl. lat. “furculae Caudinae”). Kil. schudde. vetus j. gaffel, furca. Voc. Cop. scudde, gaffele, furca (quia olim in furcis arborum fures suspendebantur, unde pro patibulo poni potest, quia in eo fures cillentur i. e. moventur).
MNW – lemma Schudde - — Misschien heeft het woord ook de beteekenis gehad van een leeglooper, die voor allerlei werk, ook vuil werk, te vinden was. Zie Invent. v. Br. Gloss. 355 aangeh.: “eenen scudde van der vischmaerct”,
WNT – lemma Kul – 1909 - schuddekul, bij DE BO [1873] en SCHUERM. [1865-1870]: slechten drank, bij SCHOTEL, OudHoll. Huisg. 443, bepaaldelijk voor: tweede aftreksel van koffie (”Dat is maar schuddekul van wijn”, DE BO [1873]; ”Schuddekul van kaffi”, DE BO [1873]);
WNT – lemma Schudden – 1925 - Schuddekul, slappe koffie. Nog in Z.-Ndl. Arme lieden … goten op het afgetrokken vocht … op nieuw water en dronken dan ”schuddekul”, SCHOTEL, Oud-Holl. Huisgez. 443. - Gij hèt schuddekul opgeschonken. Ik drink geene' schuddekul, CORN.-VERVL. . (zie ook DE BO [1873] en SCHUERM. [1865-1870])
Stadsnieuws - Ik hèb allêeneg nòg mar en pènneke schuddekul vur oe (= restjes c.q. waardeloze troep (081109))

WBD III.2.3:276 'schuddekul' = opgewarmde koffie

Hees schuddekul, schudsel (I:38)

WNT SCHUDDEKUL - slappe koffie. Nog in Z-Ned.

DeBo SCHUDDEKUL - slechte drank: Dat is maar schuddekul van wijn, van kaffi.

Ook gebruikt in Brab. en Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - (Alg. Vl. Idiot.)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - SCHUDDEKUL (verouderd) cikorei, peekoffie

Bez. SCHÜRKÜL - slechte jenever

Wan SCHUDDEKUL, SCHURKUL - slechte jenever.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUDDEKUL -zelfstandig naamwoord m. - slappe koffie (ook in Brabant)

 

schup

zelfstandig naamwoord

schop, trap, spade

naa krèègt ie vur al zen wèèrek/ ene schup onder zen kont. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Schòkkend geschaok)

WBD (III.2.1:409) schup, schop, spaai = spade

WBD (III.1.2:171) schup = schop

Bosch schup - schop, spade

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
I zelfstandig naamwoord vr. 'schup'; II zelfstandig naamwoord vr. 'schup'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUP I zelfstandig naamwoord m. - schop, II zelfstandig naamwoord  v. - spade A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - schup (met ontronding)

Hees schup (VI:66. 70)

- schop, spit- en graafgereedschap

- schop, stoot met de voet, trap.

voetschop; iemand 'ne' schup geven

- spade

 

schuppe

werkwoord, zwak

schoppen; bedelen

Cees Robben – [Hij] schupte ’t sèèref van m’n scheen... (19661021)
Cees Robben - ..En naa ik oew staandpunt ken zakkoew kraomke wel is omschuppe... (19641002)
Cees Robben – En onze vadder schupte me onder m’n sevooi omdek z’n schuup ha geschoept uit ’t schop... (19860606)

Van Beek - "Vruuger ging ze schuppen, nou is 't 'n kakmadam." Hierbij duidt het "schuppen" of schoppen op de vroegere gewoonte van bedelvrouwen om op bepaalde dagen bij bepaalde huizen te bedelen en dan ter aankondiging met de klompen tegen de deur te schoppen. Zij was dus van bedelkomaf. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Van Beek - Nog zo'n schimp was: "Ons Moeder hêe nooit gon schuppen, lek de jullië". Er waren toentertijd namelijk vrouwen, die wekelijks op 'n vastgestelde dag van deur tot deur gingen schooien (bedelen). Zij kondigden zich aan door met de klomp tegen de deur te schuppen (schoppen-kloppen). (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

Frans Verbunt -  onze vadder schupte mèn onder men sevooj omdèk de schuup öt et schop ha geschoept

WBD (III.3. 2:232) schuppe of trappe = schoppen tegen een bal

B schuppe - schupte - geschupt

WBD III.1.2:170 'schuppen' = schoppen

WBD III.1.4:199 'lol schoppen' = plezier maken; 201 idem = gekheid maken 'herrie schuppen' = drukte maken

WBD III.3. 1:235 'schoppen' = ruziën

Stadsnieuws - Hij schupte den bòl nòr et aander ènd van et vèld (070606)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'schuppen' - schoppen, met de voet een schop geven.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUPPEN - schoppen: hij hee ' mij geslagen en geschupt

 

schuppemieje

werkwoord, zwak

bep. kaartspel, waarbij diegene verliest die de slag ophaalt waarin schoppenvrouw zit

schuppemieje - wordt eigenlijk niet vervoegd - geschuppemied

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww. intr. (kaartspelersterm) mieën: als bij het rikken alle spelers passen, wordt, opdat de kaarten niet vergeefs gegeven zouden zijn, soms gespeeld om de miej, in dit geval klaveren- en schoppenvrouw.

 

schuppes

zelfstandig naamwoord

schoppen, trappen; kaarten van een bepaalde soort

Hij krêeg veul schuppes. - Hij werd vaak geschopt.

De Wijs  -- (bij kaarten gehoord: betekenis is mij ontgaan!) “Schuppe stront is te Mechelen goed.” (15-06-1963)

Cees Robben – [Vrouw tegen man:] Ik heb goed in de gaote degge op schuppes loert... (19671027) [Dat je ergens op uit bent]

Henk van Rijen - op schuppes loere - op zijn voordeel uit zijn

WBD (III.3. 2:173) schuppes = schoppen (van een kaartspel)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUPPEN, SCHUPPENEN, SCHUPPENS bvw. Bij kaartspel hetz. als Schoppen.

 

schupstoel

zelfstandig naamwoord

schopstoel

op ene schupstoel zitte - een onvaste baan hebben

CiT (65) 'wùrrem naaw dè geknaaw en gemaaw? Ge zit toch nie oppene schupstoel?

Goem. zelfstandig naamwoord m.: op nen — zitten - in de onzekerheid verkeeren.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUPSTOEL zelfstandig naamwoord m. -Spr. Op 'ne(n) schupstoel zitten - in de onzekerheid zijn of men zijne betrekking zal kunnen behouden, of een huis zal kunnen blijven bewonen.

WNT SCHOPSTOEL - op een schopstoel zitten - geen vast verblijf hebben

 

schurmik, schurmikske

zelfstandig naamwoord

wittebroodje met gespleten rug (► knipmik)

Interview Jolen - 1978 - ”Daor hadde de konferènsie veur…de konferènsie. Dè waaren ammel bestuursleede dan, war, zon, zon, zon stuk bond, hè, èn agge naa iets tekort kwaamt koste daor nòr toe èn dan krêede wè. Gij krêet…en stuk spèk òf ene krèntemik òf en schurmikske òf dêen òf daander, zoiets was dè.” (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - schurmikske zelfstandig naamwoord Frans brood

 

schutje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'scheut', met vocaalkrimping

kleine, met een enkele beweging geschonken hoeveelheid van een vloeistof; scheutje

Cees Robben – Wilde ’n schutje... Gif mar unne scheut... (19691017)
Cees Robben – Unne scheut of ’n schutje... Jè-mar-dè schilt unne kwak... (19730803)

WBD III.4.4:261 'scheutje' = scheut

 

schuttelke, scheutelke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'schootel'

Henk van Rijen - schoteltje

 

schuuntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'schoen'

schoentje

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 51) schoen - schuuntje

't Is dan ook gin wônder dè de dames hier vort hooge Russische lèrzen draogen of lichte sjanskouskes mee zwarte hielen, die nog 'n end boven de schuuntjes utsteken. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

Hoe moes dè strak op zis dicèmber/ as gin ènkel kèènd iets kreeg?/ Ok de schuuntjes vur de schaawe/ blèève ammòl triestig leeg? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Hij komt? Hij komt...')

De schuuntjes waormee onze Peer/ zen irst kemmunie deej... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wètter was)

 

schuup, schoep

zelfstandig naamwoord

schop, spade

Pierre van Beek – Als we het zinnetje "In 't schop op 't schoor leej de schuup en de reif" bij de kop nemen, slaan we vier vliegen in één klap om dan nog niet eens van de allitererende "sch" te praten. Het "schop" is een klein schuurtje of bijgebouwtje, "'t schoor" wordt gevormd door het zoldertje in zo'n schuurtje, de "schuup" is de schop (om mee te spitten) en "reif" dient door "hark" vertaald te worden. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant – dinsdag 25 april 1950)

Cees Robben – De irste schuup vur den bouw vabn ’t nuu St-Elizabeth ziekenhuis gao de grond in (19780210)
Cees Robben – Vat de schuup uit ’t schop (19821022)
Cees Robben – Zet die schuup in ’t schop... (19640306)

Lechim - ...ge krèègt dees jaor en nuuwe schuup,/ vur den hòf meej om te spaoie. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Mèn kedooke‘)

Van Tilborg - ...en un schuupke, zô één as waor ze meej in de zaandbak speulen, mar dan meej enne lange steel. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'ik veeg men schuup aaf' zi de grondwèèrker (vB'Tilburgse Taalplastiek 1969) - zeispreuk: Ik hou op met werken.

 

schuupe

werkwoord, zwak

scheppen

Schuupe doede meej en schoep.

schuupe - schuupte - geschuupt - Korte uu

 

schuupke
zelfstandig naamwoord, de uu is kort; verkleinwoord van ‘schuup’
schopje
Cees Robben – En naa mee dees schuupke spaoide één spit diep ’n enkelt gat... (19780210)
 

schuur, schuurke

zelfstandig naamwoord

schuur

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as en aaw schuur begient te braande, dan isser gin blusse mir aon ('77)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as en aaw schuur in braand vliegt, dan is ze niemir te blusse ('50) - Als een oud iemand verliefd wordt, loopt die hard van stapel.

GD08 der braandt niks beeter as en aaw schuur

 

schuurdeur

zelfstandig naamwoord; de uu is lang

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - der schuurdeur stao wir oope, wè kròkt ze tòch (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) – gezegd van iemand met een grote mond

Henk van Rijen - grote mond; gulp

Henk van Rijen - 'Hè de-r gin èèreg in dè oew schuurdeur oope stao?' - Heb je niet in de gaten dat je gulp openstaat?

WBD III.1.1:97 'schuurdeur = mond

WBD III.1.1:100 'schuurdeur' = mond (spotnaam)

 

schuure

werkwoord, zwak

schrobben; fig. luieren vlekvrij maken van b.v. pannen

de stoep schuure

R.J. ik hèb menen vloer geschuurd

WBD schuure - schuren, van leer, op de nerfkant (II 662), ook 'slèèpe'

schuure - schuurde - geschuurd Geen vocaalkrimping N. Daamen - Handschrift 1916 -- "hij schuurt em - hij luiert"

WBD (III.2.1:313) schuure - schrobben, ook 'doen'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SCHUREN met zand wrijven om te reinigen of te doen blinken; met eenen bezem of borstel en water rein wrijven of schrobben.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SCHUREN voor hetgeen men in Holland noemt 'schrobben' of 'boenen'. Zoo zegt men hier niet 'de straat schrobben' of 'den gang boenen', maar in beide gevallen 'schuren'. Z.a.

Goem. SCHUREN - wkw: de kamer -

 

sebedêen, sommedêen

bijwoord  

Henk van Rijen - zo meteen, aanstonds, dadelijk

 

sebiet

bijwoord

direct, meteen

Van Fr. 'subit' < lat. 'subitus', met vocaalreductie

Ik koom sebiet.

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "sebiet - dadelijk"

VEUR LEUWKE BROUWERS-VAN MAAREN.
As moeder naor d'r zeuntje ziet
zo gauw hi gift 'n schreuwke,
dan kust z' 'm up z'n kaok sebiet...
(Een busselke Braobaansch, H.A. Sterneberg sj, 1932)

- Ik gonk er sebiet op uit. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
"We komen sebiet bij Bartjes buurten, mond dicht!" (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

Ik hè daor 'n heel rits van rejens veur waorvan ik er sebiet aachter mekaar vier kan opnoemen. (Kubke Kladder; Uit 't klokhuis van Brabant 1 -- Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929)

Naarus - ca. 1940: ...zonne regenjas vervilt me sebiet...

Naarus - ca. 1940: ...Ik gonk er sebiet op uit.
Naarus - ca. 1940:  Mistal is ’t bezit van de zaok ’t end van ’t vermaok en mot er wir sebiet wèddaanders komen...

Naarus - ca. 1940: begos ie al sebiet op te scheppe...

kwokker nog mar is in wèltje
Naarus - ca. 1940: ...bij Uilie, mar ‘k kan hier zo slecht weg, aanders kwaamp ik sebiet.
De Wijs  -- Sebiet bettiejoe (feb. 1962)

Cees Robben - en subiet bètjoeoe...’ – en so meteen bij hij [de hond] je - (19550528)
Cees Robben – Sebiet zakkoewis onder oew sakkerment schuppe... (19870828)
Cees Robben – Die praot van subiet in plaots van zommedeene.. (19680823)
Piet van Beers – ‘1ste Lezing uit Lukas 15’: èn haol ok subiet 't vetste kalf öt 't hok. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers – ‘Praaj’: En Bal, die toog sebiet op pad... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Buuk 'sebiet dan is et mèèrege'  - titel van een carnavalslied

 

Carnavalssticker, Tilburg maart 2019. Foto CuBra.

 

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
s
əbi.it resp. (vaker:) səbit, bijw. 'subiet' - dadelijk, aanstonds

S. G. blz. 90, 111, 113, 155, 252, 324 (aant. Witters)

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - sebiet bw - subiet, aanstonds, meteen

Hees sebiet (II:12)

WNT SUBIET - plotseling, onverwacht; dadelijk, onmiddellijk, direct

 

seedeeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

cd-tje

 - Èn dan zèt ik thèüs 'n seedeeke op van de Vrolijke Houthakkers.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

sêef

zelfstandig naamwoord

kluts, apropos

uitdr. Van et sêef aaf - de kluts kwijt

Pierre van Beek - Van et sêef geraoke - in de war raken

Cees Robben - ...wè van ’t seef.. (19600701)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en aander vant sêef speule (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - een ander uit de concentratie spelen (kaartterm: wie onbegrepen speelt, speelt een ander in de war)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge zot iemand vant 'zeef' afhèlpe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )

Weij (T&T 38:89) wsch. identiek met ags. sefa 'gemoed, ziel, hart, geest' Z.a

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEEF (zachte e) zelfstandig naamwoord  v+m. - welbekend wit bier, dat te Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - en in de Kempen gebrouwen wordt.

Weijnen (T&T 38:89) - van et seef 'de kluts kwijt'. Wsch. is het laatste woord identiek met het in Mnl. WB, VII, 1025 vermelde ags. sefa 'gemoed, ziel, hart, geest'. Franck-Van Wijck 54 noemt ook nog os. sëbo en ono. sefi 'geest, gemoed', maar aarzelt om het verder met nl. beseffen te verbinden. Toch kent Kiliaen seffen 'comprehendere, simul capere' zonder prefix.

MNWB VII, 889 - denkt dat hij dit alleen uit beseffen heeft afgeleid. In ieder geval moet Tilburgs sèèf dus een zeer oud woord zijn. Het onzijdig geslacht kan wel door assimilatie van d(e) aan de volgende spirant zijn toe te schrijven, vgl. dial.: het school, het fabriek.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - sèèf (van 't -) - de kluts kwijt (tilb.) = oeng. sefa 'gemoed, geest')

 

seel

zelfstandig naamwoord

lijst, reeks, opsomming

WBD III.3. 1:250 'ceel', 'litanie' = verhaal

 

sèèrf

zelfstandig naamwoord

vel, opperhuid

et sèèrf eraaf (gezegd van b.v. een geschaafde arm)

Cees Robben – [Hij] schupte ’t sèèref van m’n scheen... (19661021)
Cees Robben – ’t sèèref van m’n kniejes... (19581004)

Henk van Rijen - 'òn zun been waar hil ut sèèref aaf' - Zijn been was helemaal geschaafd.

WBD III.1.1:51 'zerf' = opperhuid

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - zèèrf - zelfstandig naamwoord  - opperhuid

T&T - 35:165 Weijnen: Westbrab. 'zaarf' (vel)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - zaarf, zèèrf - huid (nbr.) ohgd. saro 'uitrusting' en Gr. Héra 'lett. beschermster. Van een wortel die 'beschutten' betekent.

 

seetera

zelfstandig naamwoord

rest, boel

hil de seetera - heel de boel, alles wat erbij hoort hil de seeterse boel

Henk van Rijen - 'Hil de seeterasse boel viel op straot' - De hele boel viel op straat.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
se.təra, zelfstandig naamwoord m. 'cetera' - het overige, de rest:... en den heele ceter

 

seeveej

zelfstandig naamwoord

cv, afkorting van curriculum vitae, levensloop

- Mar 's moeder zeej dè 'nne CeeVeej 'n verhaol is wè over oe èège gao. 'nne sórt leeveslôop zôo gezeej. (Jos Naaijkens; ‘Mènne ceeveej’; CuBra)

 

sèffes

bijwoord  

aanstonds, dadelijk, terstond

Betòlde sèffes?

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "seffens - dadelijk"

De vrouw draofde 't huis deur en kwaam seffens terug mee de schoenen... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Boere-Profeet’; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 –29-7-1939)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - seffens= effen (= even), got. ibijvoeglijk naamwoord s 'effen' + bijw. en proleptische s.

Stadsnieuws - Ik zal et sèffes doen, mar irst mòt dees klaor. (041009)

WNT XIV:1279 SEFFENS, tseffens: onverklaarde vormen naast TEFFENS

Hees seffes< teffens (VI:67)

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - sèffes bw - aanstonds, dadelijk

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEFFENS (Kemp. sevv?ns) bijwoord  - terstond, aanstonds, spoedig Kiliaen -  Seffens - simul, una, pariter

Goem. SEFFENS - sèf?s, bijwoord  

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - säf?s, bijw. 'seffens' - aanstonds, dadelijk, spoedig

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SEFFENS, voor 'te effens', t'effens, teffens of tevens, hetwelk minder goed is. Bij Kiliaen -  niet, wel 'tseffens'. Bett.: in eens, op eene keer, op eens; soms ook ' oogenblikkelijk' (D. gleich). Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SEFFENS voor 'teffens'

WNT SEFFENS, TSEFFENS - (thans alleen in Z. -Ndl.) 1) tegelijkertijd, gelijktijdig, tegelijk; 2) ineens, opeens, eensklaps.

 

De eerste - onbekende schilder; circa 1920

Advertentie 1922

segaar, segaor, sigaor, siggaor  

zelfstandig naamwoord

sigaar

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - sigarke

...ze [de baanwielrenners] fietsten d'r tong op d'r vistje vur 'n sigaor van zeuven centen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

De Wijs -- Mottem daor zien staon te kèke as ’n leeg sigarenkiesje (23-10-1963)
De Wijs -- Hij vrijt al thuîs en wit de kiest segaare van höllieee Pa goed te staon! (10-01-1970)
De Wijs -- Pa, wè wilde gij hebbe mee oewen verjaordag? - ’n pond goei oppaasse jongen en drie cigarkes in ’n kûîltje (09-04-1973)

R.J.  'gròte segaoren'

Cees Robben – Ik ben net ’n kaoi segaar in ’n redelijk dekblad... (19880122)

Pierre van Beek - en segaar van dankjewèl - een gekregen sigaar

Pierre van Beek - en segaar öt et weggeefkiesje - een van mindere kwaliteit

Henk van Rijen - segaarekiesjesplènkskesspèekerskesfabriekaant - klein baasje

Henk van Rijen - plur. 'segaores', dim. 'segarke'

Tekening: Cees Robben – uit ‘3 jaar voetbal concentratie’ van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Illustratie uit Ach Lieve Tijd # 14 - Gulden Vlies Sigaren werden ook in Tilburg, in de Stedekestraat, gemaakt door de firma Majoie en Van der Voort - afb. ca. 1930

Dan trakteerden ie op sigaare, ge moet dan wel aaltij heure dèt zen liste waare. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Oew haande vroren van oew lèèf en dan moeste nog den hille tèèd, dè sigarekiesje rèècht hauwe. In dè kiesje stond un braandende kèèrs, et waar un miraokel as ge die vlam op den hille lange, barre tocht aon kost haawe.In de bôjem van et kiesje han ze meej enne gloeiende spèker gaotjes gebraand in de vörm van un ster, ge liept asset ware meej un lichtende ster te venten. Veul kiesjes heb ik in braand zien vliegen, in dè van men kos ik et kèrske amper aonhaawe, den héle tèèd waaide et èùt. Nèè dè Driekoningenzingen hè’k nôôt zon succes gevonden. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Lau segaar (Laur. Janssens) (blz. 46)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Fraans segaar = F. Janssens (blz. 48)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de siegaar = frater Acharius (blz. 100)

WBD III.2.3:287 'sigaar' = idem

Sigaren van de Tilburgse firma Majoie in een presentatiekistje

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 3-12-1929

 

Foto: Archief Pierre van beek / WTT

 

segaarefrutter

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - sigarenmaker

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - siegaarefrutter zelfstandig naamwoord  - sigarenmaker

Bosch sigaorefrutter - sigarenmaker (minachtend)

 

segaarepèpke

zelfstandig naamwoord, dim.

Henk van Rijen - sigarenpijpje

 

 

segrèt, segrètje

sigaret

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - segrètje

We rèùlde kwattas èn segrètte... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: We rèùlde kwattas èn segrètte)

Henk van Rijen - hèdde gij zat òn oew êen pèkske segrètte? Nèè, mar ek rôok op de schabberdebonk.

- En kochte daor dan vur un frenkske/ Un pekske sugrette van Piraote… Uit: ‘De wèèvers van Tilburg’, Ad van den Boom, circa 2005

Munne irste schuine mop geheurd/ Mijn eerste sigretje gepaft... (Tony Ansems, Aachter in de Sintelpad; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

 

seklaade, sjeklaade

zelfstandig naamwoord

chocolade, chocolademelk, reep chocolade

- Cees Robben - Wè d’ ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade.../ De kleeraozie... de seklade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor ‘het oog van het kerkvolk’ gemaakt werden. Chocolade was een geliefd cadeautje.]
- Cees Robben – Die fèèn trip (...) mee d’r prevelementje en durre seklaade.. (19850215)

- De fraters zörgden dan veur ranja en wèèrme seklaademelk… (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Die soldaote gooiden meej stukken seklaade, die han wij in gin vèèf jaor meer gepruufd. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Om half elf kréég ik elke dag, enne beker seklaade. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Seklaade, waor we de smaok van, meej de komst van onze bevrijders, teruggekregen han, kréégen we zôveul we lustten. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- en ripke seklaade... (Henriëtte Vunderink; Ons Moeder; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

- Henk van Rijen - 'òn de seklaadekaant gòn zitte' - Aan die kant gaan zitten waar het meeste voordeel te halen valt.

- Ge moogt oewe schoen zètte, èn de vòllegede mèèrege waare de peeje ènt aaw brôod wèg, èn laager en spikmènneke in, òf en marsepèène vèèrekespotje, òf ene kinkenduut van gevulde seklaa. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

seklaadebòl

zelfstandig naamwoord

chocoladebol

Henk van Rijen - moorkop

 

seklaatje, sjeklaatje

verkleinwoord van seklaa, sjeklaa

chocolaatje

 

 

Foto's: Cubra

 

sekraaj  

Ill.: Thomé

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - cichorei (Cichorium intybus)

Cees Robben - sekraai (19680405)
Cees Robben - sekraai (19630628)

WBD III.2.3:278 'sekraai', 'cichoreikoffie' = cichorei

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
sekrä.i, zelfstandig naamwoord m. 'cikorei';

WNT geeft vr. voor 'sekraei = vermolmd hout

Bosch sekrei - cichorei

WNT CICHOREI, chicorei, suikerij - benaming v. d. planten v. h. geslacht Cichorium, inz. v. d. inheemsche soort Cichorium intybus.

 

sekraajslaoj

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - rauw witlof, bladeren van de cichoreiplant

 

sekreet

zelfstandig naamwoord

secreet, schijthuis

WNT SECREET (I) - 3) geheim vertrek, geheime bergplaats; 4) heimelijk gemak, privaat

 

sèkse

werkwoord, zwak

WBD kippen selecteren op geslacht

sèkse - sèkste - gesèkst

 

selaos

zelfstandig naamwoord

soelaas, vertroosting, verlichting

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "seloas - en nooit 'n oogenblik seloas (rust)"

 

sèlderie

zelfstandig naamwoord

selderie, selderij

Dan moese we zinge ‘Tantum èrgoo sakraamèntum, Vèènerèèmoer sèrnewie’. Èn dan zong ik: ‘Tante Mèrgoo, zak meej krènte, fèène rèèst meej sèlderie.’ (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

sèlderietaante

zelfstandig naamwoord

vrouw die zich kleine dingen te sterk aantrekt.

 

sèldrievoor

zelfstandig naamwoord

R laks, traag persoon

lett. stroompje van afvalwater, waarlangs men selderij plantte

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säljərvo.r, resp. säldrivo.r, zelfstandig naamwoord vr. 'selderievoor', enigszins vochtige voor in de tuin, waarin de boer selderij kweekt.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SELDERGROEF zelfstandig naamwoord  v. - diepe groef waar men selder in plant, dien men aanaardt naarmate hij groot wordt.

 

Ze heet TilburgsAns, want ze is een lettertype zonder schreven (een Sans in vaktaal), maar we noemen haar Ans. Haar grafische vaders, ontwerper Sander Neijnens en tekenaar Ivo van Leeuwen, hebben Ans ook een gezicht gegeven (zie tilburgsans.nl), maar het gaat natuurlijk om haar karakter. Want letters zíjn vanouds eigenlijk karakters, en dat van Ans is door en door Tilburgs. Ze is ‘direct, geen tierelantijnen, humorvol, experimenteel, en praktisch’, zeggen de makers.

Is Ans echt een Tilburgse? Ik vind van wel. Het is met Ans zoals Marc de Coster in zijn Scheldwoordenboek schreef over het Tilburgse woord ‘seldrievoor’ (een treuzelende tante): ‘Ons moeder had de gewoonte om te zeggen, Wè bende toch een seldrievoor! Dat is nou eens een echt lekker zinnetje, dat zo heerlijk een Tilburgse sfeer weergeeft, welke men eigenlijk niet omschrijven maar alleen aanvoelen kan.’

En ík garandeer u: het wordt nog Tilburgser als dat in de Ans wordt opgeschreven. [Ed Schilders, Brabants Dagblad-Tilburg Plus 24-9-2015]

[Sander Neijnens, e-mail aan Ed Schilders, 24-9-2015, tekst in de TilburgSans]

 

seloers

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - jaloers

seloerseghèd, -hei

Henk van Rijen - jaloersheid, jaloezie

WBD III.1.4:127 'jaloezie' = idem

 

selòt, sjarlòt

Foto Wiki Commons

zelfstandig naamwoord

sjalot (Allium ascalonicum)

Cees Robben – Ik zie m’n selotte en peekes al staon/ M’n kiendjes vur slaoi al d’n hofpad op gaon... (19570309)
Cees Robben – Krooten.. praai.. selotte.. (19611221)

Verbastering van Fr. 'échalotte' (uitje), met vocaalreductie A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
səlᴐtə(n), resp. silᴐtə(n), zelfstandig naamwoord  mv. 'sielotten' - sjalotten.

 

seluusie

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  bandeplakmiddel (solution)

 

semènketije, sommegetije, sommenketij

bijwoord  

Pierre van Beek - somtijds, soms

(H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: ‘Levenswaandel’,  1932): somminketej *) *) -noot van Sterneberg bij dit woord: somtijds, nu en dan....

- Van Delft - "Somènketaje" hoort men, alsof het één woord was, gebruiken in den zin van: soms; zoo te eniger tijd; als het gelegen komt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

- Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Van Kees en Kee’, 1941:  Sommenketij waar et goed te merken...

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SOMMENKETIJ(D)EN (klemt. op menk) bw - somtijds, nu en dan - WNT XIV 2511: SOMMENK - sommig. Koppeling: SOMMENKETIJDEN - somtijds, in het N. der Kempen (Corn-Vervl. 2049).

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SMEKKEN of SMENKEN - sommigen; SMENNEKETIJ hoort men bij de landlieden veel voor: zoo dikwijls, zoo menigen tijd.

- Zie ook 'Smenke keere'.

 

sèmmelbroek

zelfstandig naamwoord

langzaam iemand, treuzelaar

Zo, semmelbroek, bende daor?! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun in den trein’; NTC 16-9-1939)

 

sèmmele

werkwoord, zwak

treuzelen, langzaam werken

Zit nie zo te sèmmele.

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "semmelen - is dè semmelen (niet voortmaken, echt sukkelen, treuzelen)"

Van Delft - - Een straatventer "kwèkt"; een kind "seevert"; een meisje "semmelt"... (1929)

...et zou er zeker van komen as de raodsvergaodering mar nie te lang semmelde. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939)
't Is euwige zund dè ge zoo gesemmeld hèt! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940)

Cees Robben – Hij semmelt nie... (19550709)

WBD III.1.4:52 'semmelen' = aarzelen; 365 'semmelen' = prutsen sèmmele - sèmmelde - gesèmmeld

WBD III.1.4:367 'semmelen' = iets slordig doen; 52 'semmelen' = aarzelen 376 'semmelen' = even ophouden met werken

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - semmelen - treuzelen (brab., zaanl.)

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - sèmmele ww - treuzelen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEMMELEN (Kemp. ook säməmlən) - hetz. als sammelen, leuteren, dralen,talmen, traagzaam iets verrichten, niet voorwaarts komen.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SEMMELEN (sèmmele) onov. ww - treuzelen, bv. bij het eten; ook: zeurderig praten. Klanknabootsing of van 'zamelen', zich bijeenrapen, concentreren?

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säm?l?(n), zw.ww. intr. 'semmelen' - wauwelen, langdurig en vervelend praten

Goem. SAMMELEN – sèmələ wkw (rg.); samenst.: sèmeliər, zé:məltri:n

WNT SEMMELEN - 1) treuzelen, talmen ZEMELEN, hetz. als sammelen en semmelen

Sèmmele meude in oewen èège tèèd (motto carnaval 2009)

 

sèmmelèèr

zelfstandig naamwoord

treuzelaar, zemelaar, iemand die treuzelt of zeurt (CR).

Cees Robben – Kwaanselt toch nie zô... sakkertjense semmelèèr... (19770422)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "semmelair - ge zai't nen echte semmelair"
Anoniem – 1959 –
Vèftien jaore was ie schrobbelèr,
waor dè komter nie op aon,
Nillus was ginnen semmelèr,
wies z'n menneke wel te staon.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

Henk van Rijen - affeseert en bietje, sèmmelèèr - schiet eens op, treuzelaar

WBD III.2.3:18 'semmelaar' = pitser

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEMMEL (Kemp. ook sämməl), zelfstandig naamwoord  v.

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - sèmmelèèr - treuzelaar

WNT SEMMELAAR - treuzelaar - semmelaarster, vrouw die semmelt.

 

sèmmelklôot

zelfstandig naamwoord

treuzelaar

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säməlklö.t, zelfstandig naamwoord m. 'semmelkloot'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEMMELKLOOT - zelfstandig naamwoord m. – semmelaar, wauwelaar

 

sèmmelkont

zelfstandig naamwoord

treuzelaarster

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säməlkont, zelfstandig naamwoord vr. 'semmelkont' - vrouw die veel semmelt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEMMELKONT zelfstandig naamwoord  v. - semmel, semmelaarster

 

sèmmeltrien

zelfstandig naamwoord

treuzelachtige vrouw

Cees Robben – Wè dist ’n semmeltrien... (19600219)

WBD III.1.4:56 'semmeltrien' = treuzelaar

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
säm?ltri.in, zelfstandig naamwoord vr. 'semmeltrien' - vrouw die veel semmelt

Goem. sèm?l?; samenst.: sèmeli?r, zém?ltri:n, een volksetymon op het geluid af naar zé:m?l? (zemelen)

Bosch sèmmeltrien - zeurkous

 

sènneteeblaojke  

Ill.: Wiki Commons

zelfstandig naamwoord, dim.

Cees Robben – [bij de kruidenier:] ’n half ons senne-tee-blaoikes vur ons moeder vanwege d’ren moeilijke afgang... (19860822)

Frans Verbunt -  blaadjes van de cassia angustifolia, ter bevordering v. d. stoelgang

WNT SENEBLAD, SENNEBLAD - blad van den heester Cassia angustifolia Vahl., dat als purgeermiddel wordt gebruikt.

 

sèns

voorzetsel, bijwoord  

B sedert, sinds

 

sènt

zelfstandig naamwoord

cent

Tekening: Cees Robben – uit ‘3 jaar voetbal concentratie’ van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Frans Verbunt -  ene grôote cent - een sou, halve stuiver

Pierre van Beek - ene cènt of anderhalf - niet veel soeps

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Toen zaate de meense in, die hadde gin sènte, jo! Der zaate gin sènte bij de meense, hu!” Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - “Et was netuurlek ammel vur kènder, hè…de snoep èn de sènte, meer krêede nôot nie…!!” Klik hier om dit bestand te beluisteren

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ne cènt vurt pèrd vaasthaawe (Si'70) - kaartterm: weinig inspanning, dus weinig verdienste.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - dòr zit vur ne cènt of aanderhalf (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - Dat is een buurt waar heel gewone mensen wonen, niet veel bijzonders.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - iemand vur vèèf cènt meegeeve - iemand heel wat onder de neus wrijven, flink onder handen nemen.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - spulle fiks, mar cènte niks, zi Jantje van Hees (MP '48) - mooie dingen maar geen geld (vH was een bekend boertje op de Kouwenberg)

Frans Verbunt -  ene cènt vurt pèèrd vasthaawe / volk van anderhalve cènt Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - CENS en CENT zelfstandig naamwoord m. - stuk v. 2 centiemen: Hij ziet op 'ne' cent - hij is gierig.

 

sèntenbak

zelfstandig naamwoord

collecteschaal, -bus o. i. d.

WBD (III.3. 3:137) sèntenbak, sèntenbèkske - collectebakje

 

sènteneuker

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  krentenweger, knibbelaar

 

sèntsstuulke

cents-stoel; stoel in de kerk waarvoor slechts weinig geld betaald hoefde te worden om die stoel te pachten; meestal dus een stoel helemaal achter in de kerk

...achteraon [in de kerk] op zo’n cents stuultje... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

sepiete

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  zwezerik (Sp. chupete = bijzonder lekker)

Kalfszwezerik, klier van een kalf, gold als het meest exquise stukje vlees. Er zijn twee kwaliteiten die alleen voorkomen in kalveren tot de leeftijd van een vaars. Daarna zijn ze niet meer eetbaar. De klier moest a. h. w. worden gepeld. Wat dan overblijft bij de eerste kwaliteit is vlees, zo zacht dat het letterlijk opgezogen kan worden. Daar komt ook de naam sepiet vandaan, meer precies v. h. Spaanse woord 'chupar' = zuigen, dat vermoedelijk ten tijde van Karel V en Filips II in de fijne adellijke keuken van de Lage Landen geïntroduceerd werd.

WNT XIV:2468: SOEPIET, soppiet, soepeet, zelfstandig naamwoord m. Ontleend aan een afl. van Sp. chupar, zuigen; verg. ook Sp. alguna cosa de chupete, iets fijns. Daarnaast ook sebiet (Z.a.) en soepier. Zwezerik, "zogje". In zuidelijke dialecten meestal in den vorm van het meervoud.

 

sepries, seprieske

zelfstandig naamwoord

surprise, inz. sinterklaasverrassing

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - seprieske

Naar Fr. 'surprise' met vocaalreductie

- In Tilburg was ‘t Zaoterdags net sepriesaovond… (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Wè gifde gij aon jullie Aant/ strak ammòl int sepries ?/ Ik prakkezeer men èège suf/ ik wo dèk mar iets wies. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘As de speklaosie op is‘)

 

Seraar
eigennaam
van Gerardus > Franse Gérard > Sjeraar > Seraar
Cees Robben – Zumme zômedene is ruile Seraar...? (19560114)
Cees Robben – Hedde dè geleze, Seraar.. (19720317)
 

sèrniedoome

tussenwerpsel  

bastaardvloek "serniedoomen - 'n uitroep"

WTT - 2016 ‘Sernie’ is een verbastering uit het Franse ‘je renie’, ‘ik ontken’. De verbastering wordt begrijpelijker als we bedenken dat ‘je renie’ in de Franse uitspraak klinkt als ‘zjerenie’. De eerste lettergreep is dus een ‘stomme e’ (sjwa). ‘Doome’ is van het Latijnse ‘dominus’, de Heer.

 

sèrvetuut

zelfstandig naamwoord

Vrom. Gij aaltij meej oew sèrvetuute - Jij altijd met je smoesjes/grillen.

WNT SERVITUUT 2) In den vorm v. h. meervoud. Lastige formaliteiten, omhaal Gewest. in Z. -Ned. 'Ik ben mee al die servituten nie' op mij' gemak'

CORN. VERVL. Joos SERVITUUT z. nw. vr. (niet o.) meest in het meervoud = Lastige plichtpleging.

Aan 't koopen van een huis zijn dikwijls veel servituten.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SERVITUUT zelfstandig naamwoord  v. en niet o.. - erfdienstbaarheid; in 't meervoud: lastige plichtplegingen

 

sèrzje
zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

Henk van Rijswijk - Serge: Wollen kamgaren stof geweven in 4 schachts dubbelkeper, ook wel 4 schachts gelijkzijdige keper genoemd, meestal in effen donkere tinten geverfd. Gebruikt voor heren- en dameskostuumstoffen als kolberts, pantalons en mantelpakjes. Koloniaal serge: als serge maar dan speciaal in lichtere tinten geverfd voor gebruik in de tropen.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Serge. Kamgaren, zijden of katoenen weefsel, in keperbinding geweven. B.v. blauw en zwart kamgaren serge voor: costumes; zijden en katoenen serge voor voering.
- MNW – lemma Serge - Woordsoort: znw(v.) Varianten: saerge, saergie, sergie, saerdse, saerdtse, saerdze, saerze
Modern lemma: sarge (saerge, saergie, sergie, saerdse, saerdtse, saerdze, saerze), znw. vr. 1. Als benaming eener lichte gekeperde wollen stof (zie Kuyper, Technol. 2, 89; 511; 550) is het woord in het Mnl. eigenlijk op geene enkele plaats met zekerheid aan te wijzen. 2. De gewone beteekenis van sarge is een deken of dekkleed van deze stof (zoo ook Claes 210; Antw. Idiot. 1055), nu en dan ook een vloerkleed of tapijt (vgl. bij 1 de aanhaling uit Diericx, Mém.); eene enkele maal ook een kleedingstuk. Kil. sargie, beddekleet, lodix, stragulum, cento, gausape, Germ. serg; it. sargia i. conopaeum.
- WNT – lemma Serge – 1926 - — vroeger ook SARGE, SARGIE, SERGIE —, znw. vr. Mnl. saerge, saerdse, saergie. Ontleend aan ofr. serge, sarge, fr. serge. 1. Gekeperde wollen stof, waarvan de inslag minder glad en minder dicht is dan de ketting en slechts weinig in het gezicht komt. Winkeliers, doende in Sayen, Bombasynen, Diemitten, gestreepte Sergien, en andere, alle resorterende onder het groote Kramers Gild, Handv. v. Amst. 832 a [1718].  2. Wollen deken. In dezen zin in N.-Ndl. niet meer bekend.

 

sesies, sosies, soosies, sossies

zelfstandig naamwoord

een bepaald soort droge worst om in afgesneden vorm brood te beleggen

Bewijsplaatsen

Kubke Kladder - Alles hier op de wèreld hee toch een end, behalve sesiesworst zô "de Tuter" zeggen, want die hee-t-er twee. Jè, wè zulde daor op afdingen!... (uit: Uit 't Klokhuis van Brabant 4, Nieuwe Tilburgsche Courant, 2-11-1929)

Jace van de Ven - C is Cèrvelaatwòrst, die hiet sesies (Tilburgs ABC, 1999)

Piet van Beers - 'n Flès (nie als te duure) wèèn/ 'n Rölleke mèèle moppe./ 'n Bèkske zult, 'n ons sesies./ 't Is dees week "Zèùneg soppe." (uit: 'Bodschappe doen', www.cubra, ca. 2005)
Lodewijk van den Bredevoort - Ik weet nog dè we’r gegeten hebben en dègge dwars deur de soocies kost heene kèèke, diege op oewe bottram krêegt. (ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) 

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

Tilburgse woordenlijsten

Frans Verbunt -  boerenmetworst (Fr. saucisse) (1996)

Henk van Rijen - sesies zn - snijworst (saucisse Fr.) (1998)

Henk van Rijen - sóssies zn - worst (saucisse Fr.) - Zó dik as unne sóssies èn zó zwòòr as unne kènderwòòge. Zo dik als een worst en zo
zwaar als een kinderwagen (zegt men van een zwaarlijvige). (1998)

Goedgetòld - sesies - zn - boerenmetworst (Fr: saucisse). (2004)

Anonieme Italiaanse meester - 17de eeuw
Etymologie - WTT 2013

Tilburgse woordenlijsten verklaren sesies als ‘boerenmetworst’ of als ‘snijworst’, maar dat is wel erg dun afgesneden. Sesies is inderdaad afgeleid van het Franse saucisse, maar dat woord betekent tot op de dag van vandaag niet zozeer een bepaald soort worst, als wel iedere worst waarvan het gehakt gezouten is en vervolgens door de slager, meer bepaald de charcutier, is ingesloten in een darm. Saucisse is afgeleid van het Latijnse salsicia, gezouten. Het in het Frans eveneens gangbare saucisson is van saucisse afgeleid. Saucisson wordt gebruikt om de grotere, dikkere worstsoorten aan te duiden, en heeft betrekking op worst die men koud eet. (Alain Rey, Dictionnaire historique de la langue française, 1998)

Cervelaatworst valt ook onder deze noemer maar heeft van oorsprong een duidelijk gedefinieerde receptuur. Het komt van het Franse cervelas, uit het Italiaanse cervellato, en dat was een Milanese charcuterie, soms op basis van varkensgehakt, soms rundvlees, maar altijd met varkenshersenen (de witte brokjes). Van oorsprong betekent cervelaat dus ‘hersenworst’.

Onze (boeren)metworst heeft qua samenstelling niets te maken met varkenshersenen. Het woorddeel ‘met’ is het Middelnederlandse woord voor ‘gehakt varkensvlees’. (WNT) De verklaring met ‘snijworst’ biedt geen enkel houvast om te bepalen over welk soort worst het gaat als de Tilburger ‘sesies’ bedoelde.

Op zoek naar de echte Tilburgse Sesies - Ed Schilders

Wat Tilburgse huisvrouwen honderd of vijftig jaar geleden precies bestelden als ze bij de slager om sesies vroegen (ook soosies, sosies en siesie) is moeilijk te zeggen -- áls het woord al op één enkele worstsoort betrekking heeft gehad. Duidelijk is wel dat sesies een van de ‘rauwe worstsoorten’ is, zoals de slagers het noemen. Het was broodbeleg (toelaog), en het woord had zeker geen betrekking op wat wij nu wel ‘braadworst’ noemen; die heette in het Tilburgs gewoon wòrst, liefst vòrse wòrst, en hoe vetter hoe liever.

Voor zowel cervelaat als metworst zijn er in de slagerij en de charcuterie tientallen varianten in ingrediënten en bereidingswijzen --  maar grofweg is het onderscheid als volgt:

-          boerenmetworst: varkensvlees en -spek – gedroogd

-          cervelaatworst: 4 delen rundvlees, 3 delen varkensvlees, 3 delen vet spek – gedroogd en gerookt (Baretta, 1956)

In de volksmond is sesies in de vorige eeuw waarschijnlijk in gebruik geweest voor uiteenlopende droge worstsoorten. In ieder geval werd sesiesworst al in 1929 in een Tilburgse tekst gebruikt, en wel in een column van Kubke Kladder [zie hierboven).

Met behulp van de on line ‘krantenbank’ van de Koninklijke Bibliotheek heb ik advertenties geraadpleegd van Tilburgse slagers in de periode 1850-1950. Welke vleeswaren brachten zij onder de aandacht van het publiek? Het onderzoekje leerde dat slagers in een en dezelfde advertentie steeds onderscheid maken tussen drie soorten worst. Een kleine keuze uit tientallen advertenties (alle uit de Nieuwe Tilburgsche Courant.)

Jaar

Slager

Adres

 

 

 

1880

Luouw

Zomerstraat

-

servelaat

saucys de Boulogne

1884

J. van Hest

Zomerstraat

metworst

gerookte worst

saucise de Bologne

1885

H. de Rooij

Heuvel

metworst

rundsworst

saucise de Boulogne

1891

J. van Hest

Zomerstraat

metworst

-

saucise

1893

P. van der Put

Spoorlaan

metworst

servelaat worst

saucisse de Boulogne

1898

H. de Rooij

Heuvel

metworst

servelaatworst

saucisse de Boulogne

1901

Th. van Buuren

Heuvel

-

cervelaat

saucise de Boulogne

Het betreft dus:

- metworst (algemeen gebruikt; hoofdbestanddeel varkensvlees; boerenmetworst heb ik in de advertenties van die tijd nergens aangetroffen voor Tilburg, slechts eenmaal (1919) in Oss)

- cervelaat (hoofdbestanddeel rundsvlees, en gerookt)

- de tegenwoordig niet meer zo bekende ‘saucisse de Boulogne’.

‘Saucisse’ komt in dergelijke advertenties dus uitsluitend voor als ‘saucisse de Boulogne’, de benaming waaronder in Tilburg blijkbaar decennialang door alle slagers een geliefde worstsoort werd aangeboden. Nog in 1935 adverteert slager Nouwens (Zomerstraat en Besterdplein) met ‘De echte Saucyce de Boulogne’. Wellicht duidt dat ‘echte’ erop dat er toen al andere worstsoorten concurreerden met die ‘Boulogne’ onder de naam saucisse/sesies?

Ik denk dat deze saucisse de Boulogne in Tilburg kortweg sesies werd genoemd. Wie bij de slager sesies bestelde tussen grofweg 1880 en 1940 vroeg niet naar metworst noch naar cervelaatworst. Die vroeg om  ‘saucisse de Boulogne’. De naamgeving heeft betrekking op de Italiaanse stad Bologna. De ingrediënten zijn varkensvlees en varkensvet, peper, kaneelpoeder, en witte wijn. (uit: Van Aajkes tòt Zaandkèùl, 2012)

Nieuwe Tilburgsche Courant, 1878

 

sestrèùve

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - verwennen

WTT 2013 - het betreft de enige opgave van 'sestrèùve'; bedoeld is 'bestrèùve'

► bestrèùve

 

sèùker

zelfstandig naamwoord

suiker

R Ruure, vrouw Paones, de sèùker is nòr den bojem gezakt, (tegen iemand die in zijn koffie/thee blijft roeren)

Cees Robben – Ik ben munne suiker kwèèd... (19810116)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et was naa gedaon meej et sèùker lievevrouwke (HM'70) - het was nu uit met het goede leven

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej waoter valt niks goed te maoken èn meej sèùker kunde niks bedèèrve (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - om iets te verbeteren dient men de juiste middelen te gebruiken.

WBD III.2.3:197 'suikerbroodje' = wittebroodje

WBD III.2.3:240 'suikerklontje' = idem

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - sö.ker, zelfstandig naamwoord m. - suiker

 

sèùkerbisjes
zelfstandig naamwoord meervoud, verkleinwoord van ‘sèùkerbist’
suikerbeestjes
Cees Robben – Komt toevallig Siendereklaos (...) wè suikerbisjes strooien... (19571207)
 

sèùkerèrtje

zelfstandig naamwoord, dim.

peultje, peulerwt, 'haawke', 'pultje', 'peul'

WBD III.2.3:82 'suikererwtje' = peulerwtje ook 'schilerwt'

WNT SUIKERERWT - 1) zeer zoete soort van doperwten; 2) peul

 

sèùkerpeej

zelfstandig naamwoord

suikerbiet - Beta vulgaris

WBD I:1417 suikerbieten: 'sèùkerpeeje', 'suikerpeeje'

Frans Verbunt -  gele winterwortel

WBD III.2.3:102 'suikerpeetjes' = kleine worteltjes

WNT SUIKERPEE(N) - 1) in Gron., 't Z-W van N. -Nederl. en 't NW v. België een benaming voor de biet (Beta)

 

sèùkerpèèr
zelfstandig naamwoord
zoete peer, suikerpeer
Cees Robben – Ik heb mèèlpèère, suikerpèère, juutepèère en klapse... en dan hek nog Gôôlse vringpèère, mar die zen enkelt goed vur de stoof... (19850927)
 

sèùkerpötje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van sèùkerpòt..

suikerpotje

sèùkerpötje lôope (uitdr.) gedrieën lopen waarvan de middelste het 'sèùkerpötje' is

dim. van 'sèùkerpòt'

 

sèùkersteel

zelfstandig naamwoord

suikerstok

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de sèùkersteel = A.J. Claesen (blz. 30)

 

sèùkertaante

zelfstandig naamwoord

suikertante; vaak de tante die ook peettante was, de peter; in het beste geval was die tante bemiddeld (suiker = rijk), wat in het voordeel was van het peetkind

[Sjaan] waar ons sèùkertante. Die ha ginne meens èn ha dus ok nôot gin kiendjes hoeve te kôope. Die waar verrèkkes rèèk gebleeve, èn die gaaf ons soms wèl es zôo mar en dubbeltje vur onze spòrspòt! (G. Steijns; Grôot Dikteej van de Tilburgse Taol 2001)

 

seuveteg

telwoord

zeventig

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - vier en zeuventig

B - seuvetig

Cees Robben – De seuventig al ver vurbij... (19670428)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - telw. 'zeuventig' - zeventig

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SEVENTIG, in N. en W. Kempen SEUVENTIG - zeventig

 

sèùze

werkwoord, zwak

suizen; ruisen van bomen

Kernkamp - Bezorging Dialectenquête 1879 - suize (ui = eu van Fr. Meuse)

WBD III.4. 3:87 sèùze - ruisen van bladeren

WBD III.1.1:249 'suizen' = suizen v. d. oren; ook: 'toeten', 'tuiten', 'hommen'

WBD III.4.4:247 'suizen' = ritselen, suizen

sèùze - sèùsde - gesèùsd geen vocaalkrimping

 

sevôoj

schilderij van Alex Wauters - 'Savooien in de sneeuw'- ca. 1930.

zelfstandig naamwoord

1. eigenlijk: de koolgroente die vernoemd is naar de landstreek Savoye

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
savo.i, zelfstandig naamwoord vr. 'savooi' - savoyekool

Et waar rèèst meej wè overgebleevesoepvléés fèèn gesneeje en ene fèèn gesneeje sevooiekôol. Wè ketjap derover en klaor waar de nassi. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

2. figuurlijk: achterste, kont

Cees Robben

- 't Fordje liep net as 'n perd mee peper in zn sevooi, mar dan nog,

veul erger. ‘Uit het land der Brabantsche week’, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door ‘W.v.M.’ = Willem van Mook.

- Cees Robben – Hier draaien we ons sevooi teneer... (19670818)
Cees Robben – Ze drèèft en ze draait mee d’r dikke savooi... (19700116)
Cees Robben – Dè moette daor zien mee d’r dikke savooi (19831014)
Cees Robben – En onze vadder schupte me onder m’n sevooi omdek z’n schuup ha geschoept uit ’t schop... (19860606)
Cees Robben – Mèn buurvrouw wordt toch zôô maoger war.. D’r sevooi stelt gin reet mir veur... (19850705)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej zen sevôoj in de booter valle (Si'66) - het goed treffen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zen sevôoj teneer draaje (R'69) - ergens op bezoek blijven

Wieste, dègge ok op oew/ sevôoj kunt blèève zitte? (Henriëtte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SAVOOI zelfstandig naamwoord  v. - savooikool; fig. lui, nalatig vrouwmensch Haar sevooi - achterwerk

Ed Schilders op CuBra over sevôoj en andere namen voor het achterwerk

 

sewarma

zelfstandig naamwoord

shoarma

- Èn vurdègge in de waoge stapt, goed veul sewarma frèète, dè de woute ginnen drank ruuke as ze oe ònhaawe. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

Zie ook sjoarma.

 

sewèèle

bijwoord

misschien, soms, somwijlen, ondertussen

►swèls

Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “Nòvvenaant dètter veej was krêege ze der aantal èn nòvvenaant dèsse slaagers hadde krêege ze zogezeej der vlêes èn dè ging sewèèle in kieloos gepaord èn dè ging sewèèle in enen halleven bist gepaord èn et ging ok wèlles in enen hêelen bist gepaord….” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Cees Robben – [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkôôpte sewèèle nog drèèfdöllekes meej ’n zwipke en hakdöllekes meej ’n piske en goeiekôôpe stukskes hinkelkrèèt... (19800418)
Cees Robben – Luste göllie sewèèle ’n tas koffie.. Ik neuk ‘m aanders toch mar in den gôôtsteen.. (19720804)
Cees Robben - Hedde sewèèle ôôk sokkewèèrk, Jo..? Nèè enkelt voetegetuig, Anna... (19631004)

Quinten - Zumme saome zeume of wilde gij sewèèle dwêêle ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Jos Naaijkens - ‘n Bastaardveugeltje maag dan wel goed zinge, mar hij is sewèèle nie om òn te zien. (Jos Naaijkens; ‘Mèn voljèère’; CuBra)

Ge wordt sewèèle ôok nie zôo muug ieder jaor. (Jos Naaijkens; ‘De kèrsbôom in de dôos’;  CuBra, ca 2005)

Piet van Beers – ‘De stinpöst’: Buurman, gaode gij sewèèle/ deezer daoge nor de stad? (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers – ‘Praaj’: "Ak oe sewèèle nie mir zie,/ ist naa de liste keer." (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Jo van Tilborg - Waor ge toch aon liept te denken sewèèle? (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

…daor wier wè afgevochten sewèèle. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Vunderink - Dè benaawt mèn boovenal èn/ mòkt me angsteg ok sewèèl. (Henriëtte Vunderink, Stèmminge, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

Tillie B - Ons oomaa wies vruuger al te vertèlle dègge sewèèle teege plaante moes praote. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012)

Enquête over ‘Je favoriete Tilburgse woord’ op Facebookpagina ‘Je bent een echte Tilburger als...’ maart 2013 -

WNT SOMWIJLEN - op sommige oogenblikken, bij sommige gelegenheden, soms; ook: in sommige gevallen

Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - swèèle bw - somwijls, soms, misschien

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'sewijlen' (< somwijlen) - soms, misschien,sómwe.le(n), (zeldzaam): sóme.le(n), bijw.'somwijlen' 1) van tijd: soms; 2) v. modaliteit: soms, misschien.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - SOMTEWIJLEN bw - somtijds, somwijlen SOMTIJDS, SOMWIJLEN bw - Fr. parfois

Hees - swijle (I:37)

 

sezoen

zelfstandig naamwoord

seizoen

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - dees sezoen; sezoen;

Fr. 'saison', via Ned. 'seizoen'

met vocaalreductie

 

siebòt

zelfstandig naamwoord

WTT- 2013 - De uitspraak is niet vastgesteld, dus ook niet op welke lettergreep de klemtoon ligt

ineens, plotseling, op staande voet; de handeling die beschreven wordt bevat altijd een element van verrassing of onverwachtheid.

- in Tilburg meestal in de bijwoordelijke uitdrukking 'op ene siebòt'

- elders, en vaker in Vlaanderen als gewoon bijwoord: 'siebots'

- de uitspraak lijkt, gezien de uiteenlopende spelling in geschreven bewijsplaatsen, te hebben gevarieerd: sjiebòt, schibbot, sjibbot

Tilburgse bewijsplaatsen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "siebot - ze mos er op 'ne siebot uit (onverwacht)" [op staande voet ontslagen]

Van Delft - "Die knecht is er op ne schibbot uitgetrokken": Hij heeft onverwacht en zonder voldoende opzegtermijn in acht te nemen zijn ontslag genomen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Wie er "op 'nen schibbot uittrekt" (een dienstmeid bijv.) neemt onverwacht ontslag. Dus zonder de gebruikelijke opzegtermijn in acht te nemen. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant – donderdag 11 mei 1950)

Naarus - Ik staauwde weg, en op innen siebot kwaamp ik terug en hak me in plattebuiskachel gekocht om te zoene, pekaant vur niks. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Van Beek - "op unne siebot" is: ineens, vlug. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Anoniem – 1959 –
Nillus hee dè gevalleke noot nie verzwege,
Dettie op unne siebot gedaon ha gekrege,
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst rikkemendaosie.htm

Cees Robben - Ik ben bij de fraters weggegaan, en niet zomaar „op unne siebot" zo ze in Tilburg zeggen. (in: Fraters, ca. 1980)

Henk van Rijen --  'siebot' - vlug, snel, ineens; 'sjiebòt' - plotseling, bij verrassing

Stadsnieuws - Hij wier op ene siebòt dur de mister öt de klas gestuurd èn hij hò niks gedaon (261108)

Andere vermeldingen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Siebot, Z.a. Bont: sibot, zelfstandig naamwoord m. 'siebot' (vooral in de verb. 'op enen siebot' - opeens, op stel en sprong, zonder overgang of voorbereiding, dus onverwachts

Cornelissen en Vervliet - SIEBOT, znw., m. — Op ' ne(n) siebot, op eenen oogwenk, oogenblikkelijk, dadelijk (...) 't Was op 'ne' siebot gedaan. Wacht 'en bitje, op 'ne' siebot ben ek bij u. SIEBOTS, bijwoord — Op 'nen siebot, schielijk , plotseling. Hij is siebots gestorven, zonder bichten of berichten. Da' niefs komt zoo siebots en zoo onverwacht. (Idioticon van het Antwerpsch dialect (stad Antwerpen en Antwerpsche Kempen); Gent 1899).

Hees siebot > sebiet (II:12)

Etymologie - speculaties

1. Uit Frans 'sitôt' - lijkt niet juist

Pierre van Beek - De dienstmeid was er "op 'nen siebot (ook wel sjiebot) tussen uitgetrokken" betekent, dat zij haar dienst plotseling had verlaten zonder een opzegtermijn in acht te nemen. Men kan in onze streken iets "sibots", dat is plotseling doen. Bij de Vlaamse schrijver Felix Timmermans ontmoetten wij: "Hij kende hem op ne sibot". Ook daar heeft het vreemde woord de waarde van plotseling. Laat ons nu denken, dat we hier te maken hebben met  een verbastering van het Franse "sitot", dat "zo gauw" of "zo spoedig" betekent! (Tilburgse Taalplastiek, 146, 13-1-1972; Nieuwsblad van het Zuiden)

2. Uit jiddisch - onjuist

Pierre van Beek - De dienstmeid was er "op een sjibbot tussen uitgetrokken" en daarmee had zij haar mevrouw eensklaps in de steek gelaten, zonder zelfs ook maar een opzegtermijn van hoe kort ook in acht te nemen. (...) De herkomst van dit wat jiddisch aandoend woord kunnen we niet thuisbrengen, ook niet al weten we, dat in onze streken ook gesproken wordt van "iets siebots doen". Ook dit "siebots" heeft  daar de waarde van "plotseling".  (Tilburgse Taalplastiek, 146, 23-3-1972; Nieuwsblad van het Zuiden)

3. Uit Frans 'aussitôt' en Nederlands 'subiet' - zeer onwaarschijnlijk

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- Belangrijke dingen moesten soms 'op 'ne siebot' gebeuren. Ik vermoed dat die uitdrukking een verbastering is van 'aussitôt' en 'subiet', maar zulke dingen zijn moeilijk vast te stellen.

Etymologie

- De meest aannemelijke verklaring is die van het WNT, lemma BOT I.A.2.a, waar de uitdrukking 'Op een bot' besproken wordt. Dit zelfstandig naamwoord 'bot' = 'een onwillekeurige stoot, schok van een voorwerp op iets anders'. 'Op een bot' is 'oneigenlijk gebruik' van dit bot, in 1895 reeds verouderd of slechts gewestelijk gebruikt.

WNT: Op een bot, voorheen alom zeer gebruikelijk (in Noord-Brabant nog in deze eeuw [19de] het zeker wel verwante op een siebot, zie HOEUFFT, Bred T. 541); verg. in dezelfde beteekenis eensklaps, nfri. op een stuit (Nav. 25, 357), fr. tout d' un coup, it. di botto en voorts BOF (III), I, 5) en BOT (X), II, B, 3). Meestal in den zin van: plotseling, op eens, zonder overgang of voorbereiding en dus onverwachts. - Andre (plannen), genoegh had 'er Don Louis in 't hooft, die alle te gelyk, en op een' bot, verstooven. Want een' heftighe koorts … maakt' hem tot een lyk, in den tydt van vyf daagen,   HOOFT, N.H. 446 [1642].

 

siedèl

zelfstandig naamwoord

serradella, eenjarig cultuurgewas v. d. familie der vlinderbloemigen (Ornithopus sativus), verbouwd voor verbetering van de bodem.

WBD I:1412 'siedel'

 

siegaar

zelfstandig naamwoord

sigaar

zie 'segaar'

Interview Jolen - 1978 - “Jè, toen waaren er wèl siegaare (…in den ollòg) mar dè is allemòl aachterdeur, hè…inlandse siegaare ok jè, van inlandse tebak mar dè was niks…” (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- “…Pieta zit in Fatima, die heej alletweej der bêene kwèèt… vruuger asse, aatij siegaare rôoken, hè, èn veul vur èèreme meense doen…hil veul!”. (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

siegrèt

zelfstandig naamwoord

sigaret

Interview Jolen - 1978 -  “Hil men lèève gerokt…siegaare… Jao, mar toenk nòg zo min was rokte ik nie veul siegaare, het gebeurde òf zôo, mar siegrètte nie, die hèk nôot gerokt!”. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Audioregistratie 1978 - Èn agge dan en duske siegrètte had èn der zaaten er en stuk òf drie, vier in dan gingde daor nòr toe: “Suske gif mèn en duske siegrètte!”, èn Sus die gaaf en duske siegrètte èn ge stôokt dè in oewe zak èn dan vatte et ouw: “Och kèk Sus, der zitten er mar vier in!”, “Oo” zittie, “Dè heej ons Naontje dan gedaon! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Gietijzeren beeld van Siendereklaos bij de begraafplaats Binnenstad - foto Ed Schilders

siendereklaos, sindereklaos, siedereklaos, sienterklaos, sinteklaos  

Siendereklaos met een mand sinaasappelen

zelfstandig naamwoord; de heilige Sint-Nicolaas, zijn feestdag (6 december)

Kees en Bart -- Tilburgsche Post ca. 1935 -- 'sindereklaos' (passim)

...en naa van ’t jaor hong ik er aon mee de Siendreklaos [ik was veroordeeld tot het schrijven van de rijmpjes]. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

en vroeg aon Siendereklaos mijn irste jongensbroek... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Mijn irste broek, 1941)

KAREL. En, Sjarel, hee Siendereklaos oe goed bedocht? (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

De Wijs -- (’n kind zegt: ) ik weet nauw al wè’k vraog mee sinterklaos. -- (De Vader verbetert: ) “Met St. Nicolaas. Sinterklaos zit bij V&D” (17-10-1972)

De Wijs --  (Vader tegen z’n 18-jarige zoon: ) Ge zèt naa oud genog om ’t oe te vertelle… “onze Pa en ons moeder zèn Siedereklaos” (17-10-1972)

Sint-Nicolaas na 6 december. Hij eet het voedsel dat de kinderen in hun schoen hebben gelegd voor zijn paard. Prent van de week van Cees Robben; Rooms Leven 4 december 1954.

Cees Robben – Siendereklaos dè is iemand/ die bang is vur niemand.../ Hij stao boven alle partijen.../ Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ Dè paast nie in dee’z dure tijen! (19541127) [Met de tekening en ‘klaozen’ verwijst Robben naar de ongewenste situatie dat er in Tilburg Noord en Zuid een apart sinterklaascomité was met ieder een eigen Sinterklaas.]
Cees Robben – Komt toevallig Siendereklaos efkes nog mee appels gooien (19571207)
Cees Robben – Ik hogget as kèènd/ op Siendereklaos nie begrepen... (19601202)
Cees Robben – Onze pa en ons moeder zèn Siendereklaos... (onbekende datum)

Interview met de heer De Kok (1978) – Van Siendreklaos krêegde en timmerduske, dè kòste toen vijftien sènte! KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

Dè waar den irste en ôk den liste keer dè Siendereklaos ons meej un bezuuk heej vereerd. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Nèè dan de Siendereklaostèèd, dè waren spannende daoge. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ons Jaoneke mocht ôok vort aaltij meej om Siendereklaos-kedookes meej te gaon kôope. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Siendereklaostèd, dè ha hil veul meej zingen te maoke. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de Sienterklaos van Tilburg = Frie van Moorsel (blz. 55)

Ok ginge ze aaltij Sientereklaos inhaole bij de piushaove, en dan bròchte ze'm naor 't gemintehèùs; (Nel Timmermans; Dè heb ik mee Tilburg; CuBra; 200?)

Elie van Schilt - Wij as kender hadden niks aanders as Sinteklaos, ut kerstmenneke daor hadden we nog nóót van geheurd. (Uit: ‘Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was’; CuBra ca. 2000)

Elie van Schilt - Hier in Tilburg toen ik kléén was, ree Frie van Moorsel as Sinteklaos dur de straoten, was ut koud, dan wier ur hier en daor bij un café even gestopt. (Uit: ‘Toen Sint Nicolaas nog Sinteklaos was’; CuBra ca. 2000)

Siendereklaostèèd, angsteg, spannend/ vur en kèènd van zeuve jaor. (Henriëtte Vunderink; Siendereklaos; k Zal van oe blèève haawe, 2007)

CiT (19) 'Siendereklaos hee wir 'n berzie gereje'

Stadsnieuws - Siendereklaos stapt òn de haove van zenen bôot op zen pèèrd (021207)

Èn witte hoe wij dè vruuger in et Tilbörgs noemde? Toen noemde wij dè “Siendereklaos”. (Ed Schilders; Wè zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

...ik geleuf dè alleman ont klòttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website ‘Tilburgs Taolbuuroo’, 2012)

WBD (III.3. 2:296) 'Sintere-Klaas', 'Sindere-Klaas'

Tilburgsche Courant 8-11-1891

 

siepers

zelfstandig naamwoord, meervoudig

ogen

Henk van Rijen - alleej, grôote lut, kèkt öt oe siepers - vooruit, grote trien, kijk uit je ogen

WBD III.1.1:67 'sieper' = oog

WBD III.1.1:247 'siep' = slapers (oogvuil); ook: 'soep', 'prut', 'zepel'

WNT zie SIJPEN:1) druppelsgewijs of in dunne straaltjes afvloeien, druipen; 2) druppels of dunne straaltjes laten afvloeien. Samenstelling: SIJPOOGEN

WNT SIJPELEN Samenst. — Als eerste lid in Sijpeldrop, zie Sijpeloog
sijpeloog (”De Oogdrop is eene gestadige vloeijing van dunne stoffen uit de oogen. … Deze oogdrop (is) dezelfde, die de Boeren in Noordholland en Vriesland, sijpeloog, lippeloog noemen, het volk ook sepeldrop genaamd wordt”, BERKHEY, N.H. 8, 67 [1810]).
► soepers

► soepôoge

 

sik

zelfstandig naamwoord, verkorting

secretaris

WBD III.3. 1:324 'sik' = gemeentesecretaris, ook genoemd 'griffier'

 

sikske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

tabakspruimpje

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "hij naam irst 'n klain sikske (tabakspruimpje)"

Van Dale - sjiek (gew.) tabakspruim

WNT SIK (III) ontl. aan Fr. 'chique' - pruim tabak; pruimtabak (gew. Z-N.)

WTT-2012: Uit het Frans: Chiquer, pruimen, namelijk tabak pruimen 'in de wang'; vergelijk Engels CHEEK.

 

simme

werkwoord, zwak

huilen, jengelen

WBD III.1.4:251 'simmen' = huilen;

WBD III.1.4:253 'simmen' = drenzen;

WBD III.1.4:267 'simme' = kniezen

simme - simde - gesimd

WNT SIMMEN (= sjumpen en simmen) - huilen, schreien, jengelen (smalend)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - SIMMEN, voor grijnzen, of wat men in de praattaai wel 'jengelen' noemt. Het is waarschijnlijk van 'sim', aap ontleend. Ook wel 'simmeren', wat van 'simmer', grijnzer, gemaakt schijnt te zijn. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal -- SIMMEN onov. ww. - huilen, wat minachtend aangeduid.

A.P. de Bont -- sime(n), zw.ww. intr. 'simmen' - (min of meer smalend voor) huilen, wenen, schreien.

 

simmert

zelfstandig naamwoord

Van Delft - Een "simmert" is een zeurder. (1929)

 

singel

zelfstandig naamwoord

WBD zadelriem van een paard

WBD singel (riem rond de buik v.h. paard om een deken vast te houden)

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord m.: singel 1) buikriem v.e. paard; 2) kring of ronde die men al wandelend maakt.

 

singele

werkwoord, zwak

- Iemand singelen, waarmee men bedoelde: zijn werk of gangen nauwkeurig nagaan. Verwant hiermee is: iemand op de teugel rijden. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, ‘Bekoring van dialect’; ‘Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend’)

 

singoren

fantasiewoord

Pierre van Beek – Wanneer wij vroeger als kind onze moeder bij het koken vroegen wat er in een of andere pan was, kregen we steeds ten antwoord: "Hussen met singoren", waaruit we altijd zoveel begrepen hebben als dat we er niets mee te maken hadden en ons aan ongepaste nieuwsgierigheid schuldig maakten. We hebben lang gedacht, dat het door onze moeder zelf-uitgevonden woorden waren - die "hussen en singoren" - en er dus van "gezinstaal" sprake was zoals men die wel meer aantreft, totdat we vele jaren later er van geheel andere zijde achterkwamen, dat iets van deze uitdrukking toch ook elders bekend was. Men gaf daar op dezelfde vraag echter alleen ten antwoord: "Hussen". Wie kan ons nu vertellen, waar die "hussen en singoren" vandaan komen? (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950)

Inez van Eijk - 'Hussen met zing-ore.' Als antwoord op de vraag: 'Wat eten we vandaag?' (Inez van Eijk, Dooddoeners en stoplappen, 1987)

 

sinjeur

zelfstandig naamwoord

sinjeur, uit: seigneur

Hoe komt zunne sinjeur naa nog aon 'n wefke? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

KAREL. 't Is te hope. 'k Gleuf nie detter veul van die sinjeure nog de kaans krège om er tusschenuit te Hesse. En des mar goed ook. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

 

sinksen

zelfstandig naamwoord

Pinksteren

WBD III.3. 3:238 Sinksen = Pinksteren

 

sintels

zelfstandig naamwoord,plur.

sintels

WBD (III.2.1:255) 256

sintels = sintels sintels = bluskool, of 'brandende as'

ook genoemd "krikken'

 

Ill.: Wiki Commons

sintjansblom  

Ill.: Wiki Commons

zelfstandig naamwoord

WBD III.4. 3:390 sintjansblom - margriet (Leucanthemum vulgare), ook genoemd margriet

 

Sint-Job

zelfstandig naamwoord

bedevaart naar Sint Job in de kerk van Enschot

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- “Smèèreges in de vruugte daor nòr toe èn dan onderweege wè flauwekul öthaole hier òf daor nòg es zonne, zonne St. Jobstok maoke. Zonne stòk afsnije èn dan rondom zôo afsnije, zôo, hè, dè dieje vèl deraf ging èn dan ene St.Jobstok. En zôo kwaame we dan nòr hèùs meej enen bos scharre kôope daor… (…) “Der stonde aatij van die viskraome meej scharren èn zôo, hè, èn dan, jè, dan waare die scharre, die waaren ammel mar goejekôop want ik gelêûf dègge ze vur fèfteg sènt enen bos had. Nou, èn dan zonnen bos scharre gekòcht èn dan de stok op oewe rug èn dan zôo nòr hèùs toe!”. (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

Sint-Michielske

zelfstandig naamwoord, eigennaam, heiligennaam

Sint Michaël - de heilige aartsengel

WTT-2012-ES: het verkleinwoord 'Michielske' is waarschijnlijk in gebruik geraakt om de tweede feestdag van Michaël (op 8 mei) te onderscheiden van zijn heiligendag op 29 september. 8 Mei werd 'Michaëls verschijning' genoemd. Het lijkt erop dat in het Tilburgs die dag gekend was als de dag waarop Michaël in plaats van de draak de winter doodde.

Henk van Rijen --  8 mei, einde van de vorstperiode

Henk van Rijen --  'Irst nò ut Sint-Michielske komt ut goej wêer'

 

sipsòp

zelfstandig naamwoord

zeepsop

vocaalverkorting uit 'zêep' regressieve assimilatie: z wordt s

Schilderij: Louis de Moni - 17de eeuw

Chardin - 18de eeuw

Hil et hèùs ruukt nòr et sipsòp... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Vlak vur Paose‘)

Ik zie nòg hoe ons moeder smaondags/ stond te zwêete òn de tèèl/ toe de rand toe vol meej sip-sop/ meej de wossem in der kèèl... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ÒN DE WAAS)

Stadsnieuws - Meej et sipsòp van de waas wiere ok nòg de plòts èn de stoep geschuurd. (230909)

WBD (III.2.1:290) sipsòp = afwaswater, ook genoemd: vuil afwassop, afwaswater, opwaswater, omwaswater, schotelwater

WBD (III.2.1:330) sòp, sipsòp - zeepsop

 

sirrejeus

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen --  serieus, gemeend, ernstig

WBD III.1.4:73 'serieus' = ernstig; 'ernstig' = idem

 

sisteg

telwoord

zestig

Cees Robben – De sistig is ie gepasseerd... (19600226)

Cees Robben – ‘k Ha sistig centen daor verdiend... (19550716)
Cees Robben – ’t Waoter van de Gielsebaon/ Is sistig jaoren oud... (19580830) [Jubileumprent ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de Tilburgsche Waterleiding Maatschappij (Robbens werkgever).]

B sistig

Antw. SESTIG telw. zestig; 'kop sestig '–iem. met een zeer groot hoofd

 

sjachere

werkwoord, zwak

WBD III.3.1:50 'sjacheren'  = verkwanselen

WBD III.3.2:195 'sjachelen' = knutselen

WBD III.3.1:77 'sjachelaar' = idem

 

sjacherèèn, sjagrèèn

zelfstandig naamwoord

1. verdrietige ontevredenheid

Kèk, onze glasbak stao hêel fèèn,/ dè kos niet beeter trèffe,/ der leej tot èn aanders sjaggerèèn/ enen draankwinkel pal nèffe. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Der stòn der te wèèneg)
Mar ik hèb meej die daoge gin tèèd vur sjagrèèn. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Kèk – zeej aauwe Giel')

2. slecht gehumeurd persoon

de Sjef is êen stuk sjagerèèn/ mar zen vrouw die is tevreeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nuuwe vrouwe nuuwe wètte)

Frans Verbunt -- dè sjagrèèn laagt nòg nie al zietie ene stront teege de muur opkrèùpe

kZèè gin sjagrèèn ofsikkeneureg,/ èn ok smèèreges nie huumeureg. (Henriëtte Vunderink, Stèmminge, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)

GG chagrijn(ig mens), verdriet, slecht humeur

WBD III.1.4:102 'chagrijntje' = lastig kind

WBD III.1.4:212 'chagrijnig' = slechtgehumeurd; 223 'chagrijn' = knorrepot

WBD III.1.4:247 'chagrijn' = idem; 249 'chagrijnig' = bedroefd

A.P. de Bont -- zelfstandig naamwoord o. -chagrijn, chagrijnig persoon: 't Is 'n eurst sachreen'

 

sjacherèèneg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

chagrijnig

Wè kèkte tòch wir sjacherèèneg!

Naar Fr. 'chagrin'  

Ik heb liever de ze zegge dek zot zee, as sjagerêênig... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

Sjaksjoer