INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

A

B

BL

D

E

F

G

H

I

J

K
KIK
KRA
L
M
N

O

OOD

P
PLA
R
S

SIEB

SPR

T

U

V

VIE

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van spraaj tot swirskaante

Van saanderendags tot sezoen

Van siebt tot spouwe

Schilderij van Christiaen van Couwenbergh - Jongen met pannenkoek - 1640 (detail)

strf


spraaj

zelfstandig naamwoord

sprei

De Lente vond d wit w saai/ en kwaam al mee z'n gruune spraai.

(Piet Heerkens; uit: De Mus, De jaorgetij, 1939)

Dialectenqute 1876 - bddespraai

DANB bddespraai

WBD III.2.1:107 'sprei, beddesprei' = sprei

● sprei, in de betekenis van een grote hoeveelheid vogels van dezelfde soort
Cees Robben n Hil spraai spreuwe... (19831202)
- overdrachtelijk gebruikt:
Cees Robben Ik heb giestere nog n spraai persmoppe en n klocht mussen gezien.. (19790126)

Henk van Rijen - spraaj van ullem - leg alle kaarten maar op tafel. '

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'spraei' sprei; 1) het bekende deksel, 2) eerste laag stro die een dekker op de sparren legt, 3) een op het hooiveld ter droging uitgespreide laag gras.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - - SPREI zelfstandig naamwoord v. zie wdbb-, bij landb.: hoeveelheid perk-, veld- of hofvruchten, die uitgedaan zijn en op 't veld gespreid liggen

 

spraaje

werkwoord, zwak

spreiden

B spraaje - spraajde - gespraajd

Cees Robben - ik spraaj irst mene maantel t

Hij vatte z'nen zakdoek en spraaide-n-em uit in 't mos en gong erop zitten... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
...vur et spraaie van men bd... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)
Dialectenqute 1876 - spraaie

Henk van Rijen - 'spraaj van ullem' - leg alle kaarten maar op tafel

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - SPRAAIJEN, voor 'spreijen. Reeds bij Anna Bijns. Z.a.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - spr.jə(n), zw.ww. intr. + tr. - spreiden 1)(jagers- en stropersterm) spreiden, v.e. geweer dat de hagel niet goed bij elkaar houdt, 2) vlas spreiden.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - GESPRE(D)EN - 3e hoofdvorm van 'spreiden'

 

spraak

werkwoordsvorm

sprak

- verleden tijd van 'spreeke'

Oudere verleden tijd - sprook

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPROOK (zachte o) 2e hoofdvorm van 'spreken'

Naarus - Hij [de pastoor van de Noordhoekse kerk] kwaamp zelvers op zn prikstuultje, en zoo treffend schoon en z eenvoudig, sprook ie mee zn parochiaone, dk er verschaaie keer minne zaddoek van heb motte gebruiken... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Naarus - dien aanderen Tilburgsen Pustoor, die Jaon hiette mee zne

vurnaom en die zoo schon Latijn sprook d de Paaus zee: U bent zeker een Ieteljaon? Nee Heilige Vaoder, zet ie toen: Ietel nie, mar Jaon wel. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

spraant

zelfstandig naamwoord

stek; sprant

een loot ontstaan uit een slapend oog

WBD (II:2780) 'spraante' (mv.) - schoren v.e. karsteun

WBD III.4. 3:70 spraant - loot ontstaan uit een slapend oog

WBD III.4. 3:35 spraant - plantenstek; ook genoemd: nt, poot, stk

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - sprant, zelfstandig naamwoord mannelijk  'sprant' - uitspruitsel aan de benedenstam, wortelscheut (v. aardappels, rogge of bomen)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPRANT zelfstandig naamwoord  v. - uitspruitsel op den wortel, wortelscheut. A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - sprant - wortelscheut, spruit v.e. gewas

WNT SPRANT 1) Spruit van een gewas. Nog gewestelijk (OPPREL; V. D. WATER), in de Kempen bepaaldelijk: wortelscheut (CORN.-VERVL.).
 

spraok

zelfstandig naamwoord

spraak, taal

WBD III.3. 1:243 'spraak' = taal

 

spreeke

werkwoord, sterk

spreken

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -- Sprikt f lt en scheet, dk iets weet.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - wie de wrrend sprikt, moet dert ('50)- men dient de mensen naar de mond te praten

B spreeke - sprok - gesprooke; verleden tijd ook 'spraak' met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij sprikt

Dirk Boutkan (1996) - spreeke - spraak - gesprooke

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - spreeke (krt. 12)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPREKEN zie wdbb.; groeten, goedendag zeggen.

 

sprs

bijwoord

opzettelijk, expres

Fr. 'exprs' met apocope van aanvangssyllabe

- Hij heeget nie sprs gedaon.

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'espres'

...mar d t van spres was daor geleuf ik niks van... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Henk van Rijen - per ongeluk sprs - zogenaamd per ongeluk

WBD III.1.4:310 'spres', 'voorspres', 'vanspres', 'uitspres' = opzettelijk

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- SPRES (sprs) bw - expres, met nadruk, speciaal.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - sprs, bijw. 'spres' - expres

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - EXPRES - alsprs of asprs, in den zin van opzettelijk

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - ESPRES, EXPRES bw - met opzet

Bosch sprs - expres

 

brassica oleracea - wikipedia

sprt, sprtje

zelfstandig naamwoord

spruit - brassica oleracea

uitwas v.e. aardappel, 'rpelscheut', 'vrat', 'tschieter'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. (gew. mv.: sprtə) - spruit, spruitkool

 

sprte

werkwoord, sterk

spruiten; uitlopers krijgen; loten vormen bij planten en bomen; 'tschiete', 'tlope', 'tbotte'

WBD III.2.3:112 'spruit' = aardappeluitwas

WBD III.4. 3:32 'spruiten' = spruiten, uitbotten

sprte - sprot - gesproote vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: sprt (3e pers.)

 

Ill.: Naumann - sturnus vulgaris - spreeuw - spreuw

spreuw

zelfstandig naamwoord

M spreeuw

De Wijs -- Toen ze me kuste, was t alsof er 'n koppel spreeuwen uit mn reet vloog (17-08-1964)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'spreuw' - spreeuw

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPREEUW zelfstandig naamwoord  v. en niet m. - spreeuw

 

spriet

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - sprietje trkke - strootje trekken

Frans Verbunt - sprietjetrkke - strootjetrekken

Stadsnieuws - We din sprietjetrkke wie mog begiene - we trokken strootje on uit te maken wie mocht beginnen. (140109)

Spriet lope waar un evenwichtskunst, waor wij zeer bedreven in waren Over un smal muurke lope, en wie d et langste volhield. Un sort evenwichtsbalk mar bij ons waren d betonplaote, mar amper vf centimeter dik. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

sprikt

tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'spreeke'

spreekt

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - sprikt f lt en scheet, dk iets weet

 

springblk

zelfstandig naamwoord

WBD blok (ketting met een blok aan het been v.e. paard om te beletten dat het uit de wei springt), in de Hasselt 'kljster' genoemd

 

springe

springen

springe - sprong - gespronge

A.P. de  Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - st.ww. intr. en tr. springen; bespringen

WBD dekken (v.e. merrie), ook 'dkke genoemd

- uitdrukking in de bocht springe: tussenbeide komen, ingrijpen in een conflict
Cees Robben Ik moet er geregeld in de bocht springe (19641106)
 

springesgered

bijvoeglijk naamwoord  

klaar om te springen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPRINGE(N)SGEREED bvw. aanstonds bereid om te doen wat iemand vraagt of beveelt.

 

sprkkels

zelfstandig naamwoord, alleen het meervoud komt voor (plurale tantum)

geld

Hij ha gin sprkkels mir - Hij had geen geld meer.

Bosch sprokkels - centen, geld

WNT SPROKKELEN: samenstelling: sprokkelbeursje - beursje waarin men klein geld opspaart

 

sprkkelvoete

zelfstandig naamwoord, meervoud  

WBD (Hasselt) - brokkelhoef (bij paarden), bep. afwijking die tot afbrokkeling van de hoef leidt, elders genoemd 'brokkelvoet' of 'brokkelege hoeve'

 

sprong

zelfstandig naamwoord

sprong

WBD het uitgestorte zaad van de hengst, ook 'zaod' genoemd

WBD sprng maoke (II:1037) - sprong maken: de sprong opentreden

WBD sprng wissele (II:1037) - sprong wisselen; ook: krse, ooverspringe

 

spronggewrf

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) - knie v. h. paard, ook 'knie' genoemd

WNT SPRONGGEWRICHT - achtervoetwortelgewricht, hielgewricht, inzonderheid bij dieren

 

sprt
zelfstandig naamwoord
Sprot (Sprattus sprattus) is een vis van de familie van de Haringen (Clupeidae)


Cees Robben Hij hield van (...) braoikes... en van overschot... van kaoikes... en gerukte sprot.. van pirzekes op sap... (19590919)
 

sprtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

spruitje

verkleinwoord van 'sprt', met vocaalkrimping

 

sprouw

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:286 'sprouw' = spruw (schimmelziekte v. h. mondslijmvlies)

 

spul, spulleke

zelfstandig naamwoord

bedrijvigheid, heibel (?) spel

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - Naa begos et spul pas - Nu had je de poppen pas aan het dansen.

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - spulleke

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - 'spulle fiks, mar cnte niks', zi Jantje van Hees (MP'48) -Mooie dingen maar geen geld (Jantje van Hees was een bekend oud boertje op de Kouwenberg)

WBD III.3. 1:91 ' spul', 'spullen, koopwaar, goede waar, artikelen' = koopwaar 180 'eigen spul', 'eigen spullen' = eigendom

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - spul ( = spel) krt. 58

WNT SPEL - de gewestelijke vorm SPUL is in sommige toepassingen vrij algemeen gangbaar geworden

 

spulder

zelfstandig naamwoord

speler

Willem Twee, witte wet ze moesse/ Spulders hebbe, net as Jan Van Roessel/ Fritske Lauer, den Boter, en Pietje de Jong... (Tony Ansems, Willem Twee;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

 

spulgoed

zelfstandig naamwoord

speelgoed

et knd spulde meej et spulgoed

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - spulgoed

Vruuger speelde de knaauwboon in 't spulgoed innen vurnaome rol. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Ok aon der borsten mogde nie koome, d waar gin spulgoed (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

spulkaort

zelfstandig naamwoord

speelkaart

WBD (III.3.2:167) spulkaorte = speelkaarten

 

spulketier

zelfstandig naamwoord

speelkwartier (les-onderbreking van ca. 15 min.)

 

spulleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

1. spulletje, namelijk: iets bijzonders

- Waaichampignons, spulleke man (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

2. speelgoed

'We heej Sintreklaos tch veul',/ dnke ze bij der ge,/ n zuuke al en spulleke t/ dsse hope te krge. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sintreklaos ok)

 

spulleman

zelfstandig naamwoord

speelman, accordeonspeler

Cees Robben Den spulleman zit bij ons nog aaltij op t dak.. (19690815) [We zijn al op leeftijd, maar nog seksueel actief]

  Ed Schilders op CuBra over spulleman

 

spulplts

zelfstandig naamwoord

speelplaats

 

spuls

bijvoeglijk naamwoord  

speels

WBD dartel (gezegd v.e. paard), ook 'wild' genoemd

Cees Robben - spulse zwier; en spuls gedoe

 

spulster

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - speelster

vrouwelijk van 'speuler' (met vocaalkrimping)

 

spult

werkwoord, persoonsvorm

speelt

- 2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'speule', met vocaalkrimping

Trgel spult en schon lieke.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - d spult em (HM'70) - dat is bijzonder naar zijn zin

 

spultn

zelfstandig naamwoord

speeltuin

spultnlimmenaade - aangelengde limonadesiroop

we rollen in de spultn dur et zaand

 

spurrie

zelfstandig naamwoord

spurrie (als veevoer gebruikte plant) - spergula arvensis

gezegde - Er groejt spurrie in oew oore. Ge kunt er spurrie in zaaje. (gezegd tegen iemand wiens oren vuil zijn)

Gao oew ge afwaase, j oew oren heuren er k bij. Z te zien groeit er nog net ginne spurrie in. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Van Beek - De koei hebben 't spurrie af. - 't Loopt op z'n eindje.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Pierre van Beek - gezegde - Hij heej nen bk as en spurriekoej (= dikke buik) (Tilburgse Taalplastiek 131)

Cees Robben [Een landbouwer spreekt:] Drie daoge luiplocht... en de spurrie is wir naor de klte... (19711015)

WBD I:1401 spurrie, Spergula arvensis, plantesoort v. d. orde der muurachtigen, met vliezige steunblaadjest 'spurrie', 'sprie'

Henk van Rijen - in oew oore kunde spurrie zaaje - wat heb je vuile oren!

Hees spurrie (II:35)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPRRIE zelfstandig naamwoord  v + m. - spurrie

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - SPURRIE - een zeker kruid, waarmede de melkbeesten in het najaar worden gevoed, zijnde dit van een algemeen gebruik. Hier van daan wordt de najaarsboter 'spurrieboter' genoemd.

Kil.: sporie, speurie, spurrie

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - SPURRIE-BOTER is die boter, welke in het najaar gemaakt wordt, wanneer het vee, bij gebrek aan gras, met spurrie gevoed wordt. Z.a.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'spurrie' Z.a.

Pierre van Beek: spurrie

We hebben er een paar voor u uit Tilburgse mond opgetekend. "Dat komt uit als spurrie mee 'n mikske", hoorden we eens een stadgenoot zeggen. Voor een niet-Brabander gaat deze uitdrukking beslist in nevelen gehuld. Daar hebben we op de eerste plaats "spurrie", een nagenoeg verdwenen akkerproduct, dat onze boeren eertijds voor veevoeder plachten te gebruiken. Men gebruikte het in de "baomistijd", in de tijd dat het vee in hoofdzaak op stal stond. Hoewel uitstekend veevoer kon men het maar een drie weken gebruiken, daarna rotte het weg, vertelde ons een boer. Zo heeft dit woord wel zijn beste tijd gehad.

Het gaat ons hier echter mr om dat duister "mikske", een verkleinwoord van "mik". Nu weten ze in Tilburg nog heel goed het verschil tussen "brood en mik", waar een "Hollander" ook nog naar moet raden, doch in die zin wordt "mikske" niet in onze vergelijking gebruikt. Daarnaast horen we het woord "mik" in de betekenis van "gaffel", die op haar beurt weer een hooivork is. En hiermee beginnen we dan wel in de buurt van onze "mik" te komen. Een "mik" duidt de vorm aan van een Griekse ie, dus een Y. Men kan die vorm vinden in houtgewassen daar waar de takken of stammen zich in V-vorm splitsen. De eerste wichelroedelopers bedienden zich van zo'n mik (bij voorkeur van een hazelaarstruik) en de schooljongens hadden een "mik" nodig voor hun kattepult.

Een eigenschap van spurrie is nu, dat hij - direct bij het UITKOMEN uit de grond zich in een "mik" splitst. Dit splitsen behoort dus eigenlijk tot de essentile kenmerken van de spurrie. Zulke spurrie is chte spurrie. Het klopt dus prachtig en daarom gebruiken onze mensen de gegeven uitdrukking om aan te geven, dat iets is zoals het behoort te zijn... [Tilburgse Taalplastiek 5 mei 1964]

 

spurriehop

zelfstandig naamwoord

mesthoop met rottende spurrie ?; mesthoop met uitwerpselen van dieren die spurrie gevoederd kregen ?

Elie van Schilt - de mistkuil en in ut najaor de spurriehp, alles had zun eigen lucht... (Uit: Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger; Cubra, ca. 2000)

 

spurriekoej

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - koe die te veel spurrie gegeten heeft, waardoor ze een te dikke buik krijgt en wellicht 'dmpeg' wordt. Men zegt b.v. 'Hij hgt as en spurriekoej'.

Pierre van Beek - hij heej nen bk as en spurriekoej (Tilburgse Taalplastiek 131) - dikke buik

Cees Robben Ge het vort unne buik as n spurriekoei.. vetmk... Ge meugt gerust n voeierke minder afsteken... (19650611)

WBD niet vermeld

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- spurriekoei v. - koe die te veel spurrie gegeten heeft en daardoor een dikke buik krijgt: 'nen b:k s 'n spurriekoei

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPRRIEKOEI zelfstandig naamwoord  v. - koe die op de spurrie weidt.

 

spurriekweezel

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - tis en spurriekweezel ('71) Kwezelachtig meisje dat toch wel wil trouwen als de 'ware Jozef' komt.

 

spuul

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - (textiel) openbare waterpoel waarin geweven stukken gespoeld werden

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - en spuul = plas water voor o. a. industr. doeleinden (blz. 133)

 

spuule

werkwoord, zwak

spoelen, wegspoelen, garen op spoelen doen in de weverij ►spuulder

B spuule - spuulde - gespuuld

R.J. Waor den afval vant febriek geene kaant in spuult

WBD spoelen, van huiden of leer, na tal van bewerkingen in de looierij (II 696)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - daor spuult ie de mond nie meej (Kn'50) - daar weet hij niets van. steeds korte uu

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - SPUELEN, voor spoelen; dat het even goed is als spoelen, zie bij Ten Kate, 2. D. blz. 412.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SPULEN - spoelen (Hgd. splen)

 

spuulder

zelfstandig naamwoord

spoeler
Gerard van Leijborgh - En zoo begonnen wij, na een korte begroeting, waarbij Van Geloven nog blijk gaf van een goed geheugen (...)wanneer ben je wever geworden?
Op m'n 14de jaar; ge weet ik moest eerst mijn eerste communie gedaan hebben en dat was vroeger omstreeks 12 jaren. Van te voren was ik spoelder *." * Spoelen: het op klossen winden van garen van de streng, alsmede van wevers-garenresten, met het "spoelgetouw." (De laatste Tilburgsche huiswever, Nieuwe Tilburgsche Courant, 26-10-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)
 

spuuler

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - (textiel) bediener spoelmachine voor het opspoelen van garens

 

staak

werkwoord, persoonsvorm

stak

verleden tijd van 'steeke'

 

staal, stol

werkwoord, persoonsvornm

Henk van Rijen - stal

verleden tijd enkelvoud van 'steele'

 

staamp

zelfstandig naamwoord

gestampte aardappelen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "staamp - gestoofd middageten"

WBD III.2.3:119 'stamp' = stamppot; 'zuurkoolstamp', 'zuurkolenstamp'

WBD III.2.3:120 'boerenkoolstamp', 'groene stamp'

WBD III.2.3:121 'stokvisstamp

WBD III.2.3:122 'appelstamp'

WBD III.2.3:119 'peestamp'

WNT STAMP I (III) 2) In W. Vlaanderen: gestampte aardappels (als gerecht)

WBD III.1.2:171 'stamp' = schop

 

staampe

werkwoord, zwak

stampen

Dirk Boutkan (1996) - staampe - hij staamt (blz. 27)

B staampe - staampte - gestaampt geen vocaalkrimping

WBD III.1.2:170 'stampen' = schoppen

WBD III.4.4:206 'stampen' = verpulveren

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STAMPEN - stampvoeten; stampen, schoppen geven

 

staand, standje

zelfstandig naamwoord

stand

Cees Robben Mn boerinnekes die blven/ Van dn aauwverwetsen staand... (19600116)
Cees Robben Mar t is toch ginne staand.. (19600826)
Cees Robben D heurt bij onzen staand... (19600715)

boterton

WBD staand - karnton, ook genoemd: 'booterstaand', 'Booterstand', 'booterton'

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STAND (staand) v - karnton. Misschien genoemd naar de standaard waarmee gekarnd werd. (Niet naar de staande houding waarin men werkte.)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STAND zelfstandig naamwoord  v. -bij landb.: boterkarn

Hft. STAND bij de landlieden in deze streken: het vat in 'twelk boter gemaakt wordt. Zie 'stande' bij Kil.

 

staank

zelfstandig naamwoord

stank

Cees Robben - ...w staank en w zucht... (19540403)

 

staantepeej

bijwoord

-- stante pede, stndebens, stndebins

Frans Verbunt - op staande voet

Stadsnieuws - Hij kreg staantepeej gedaon toen ie van zenen baos geschoept h. - Hij werd op staande voet ontslagen toen hij van zijn baas gestolen had. (050510)

staantepeej = letterlijke vertaling van Lat. 'stante pede' (ablativus absolutus)

 

staaw, staw

zelfstandig naamwoord

WBD kudde volwassen varkens, ook genoemd 'klocht' of 'hop'

WBD staw - troep, gezegd van dieren; ook genoemd: 'troep', 'klocht', 'klcht', 'kudde', hop' of 'kooj'

WNT STOUW 1) drift of kudde vee; 2) binnenlandsche waterkeering.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOUW zelfstandig naamwoord mannelijk  - drift, kudde hoornvee, verkens, enz.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'staauw' - stouw, zeker aantal (koeien of kinderen die men stouwt)

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - Een stouw beesten, voor eene drift beesten. Zie wijders STOUWEN.

STOUWEN... in de Zuidelyke Nederlanden zegt men de koeijen staauweren een frequentatievum van STAAUWEN. Z.a.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Uit de gegevens op blz. 182/183 en kaart 106 blijkt niet dat in Tilburg staaw gangbaar is; wel 'strp' en 'klocht'.

 

staawe

werkwoord, zwak

zich met velen tegelijk voortbewegen (?)

BTW stouwen, stuwen, noest doorlopen, zeulen

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - er op af staauwen; daor op af staauwen; 'k staaw erop aaf

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - op de spoorbrug aon staauwen (er naar toe gaan)

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'tot ze nor huis staawden'

Ik staauwde weg, en op innen siebot kwaamp ik terug... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben - ok meej karneval doen de vrekesstaawers der bist;

Cees Robben - zit ie me daor wir zene kanes vol te stouwe;

Dialectenqute 1876 - staauwe - stuwen of stouwen; vrrekesstaauwer - varkenshoeder

Henk van Rijen - 'H staawde oover den kker' - Hij liep zwoegend over de akker.

WBD III.1.2:136 'stouwen' = vlug lopen

WBD III.1.1. 2:150 'stouwen' door een staand gewas lopen.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - sta.wə(n), zw.ww.tr. 'staauwen' - stouwen, drijven, voortdrijven

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOUWEN - drijven, leiden

 

staawerij
zelfstandig naamwoord
het opdrijven van vee als varkens en (hier) geiten
Cees Robben n stouwerij van uuren (19610929)
 

stad

zelfstandig naamwoord

1.1 Een grote bebouwde leefgemeenschap

Dirk Boutkan (1996) - stad - steeje (36)

Dialectenqute 1876 - Ze waandelden tot oan de staad

DANB d wrdt naaw en hil nuuwe stad

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - der gebeurt in en stad meer as in zeuve dorpe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970.) - waar veel mensen wonen, kan veel gebeuren

1.2 Het bestuur van een stad

V stad; stedelijke overheid; gemeente

V ik wrk on de stad - bij de gemeente

V straotvgers hbbe ze b de stad nie mir

1.3 Het centrum, met name het winkelcentrum

Ik waar list in de stad. Et waar druk in de Heuvelstraot. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

stads

bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord

stads

stads meej haajkaants = ABN doorspekt met Tilburgse woorden

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STADS(CH) bvw. - hetzelfde als steedsch: Op zij' stads(ch) gekleed gaan.

WNT STADSCH - hetzelfde als steedsch

 

stadse

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - inwoner van Tilburg bezuiden de spoorlijn

Frans Verbunt - ene stadse - Tilburger van bezuiden de spoorlijn

WTT-2012: En stadse - een deftig meisje, deftige vrouw

 

staf, stfke

zelfstandig naamwoord

WBD karnstaf (stok met cirkelvormige, van openingen voorziene plank, die in de karnton op en neer bewogen wordt), ook genoemd 'stfke' 'booterstaf', ' booterstfke'

WBD III.3.3:110 'staaf', 'stok' of 'spies' = staf v. d. swiss

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - staf, zelfstandig naamwoord mannelijk  staf; mv. 'steef' en 'staof', dem. 'steefke' en 'stfke(n)'

WNT STAF (I) 14) a) pols in een karnton

 

stal

zelfstandig naamwoord

WBD stal (stalruimte voor vee, heel in het algemeen)

WBD koestal (deel v. h. boerenhuis waar het rundvee verblijft), ook genoemd 'koejestal' of 'koejstal'

WBD kalverstal - kalverstal (stal of deel ervan, al of niet door afsluiting op de koestal gevormd, waar de kalveren verblijven)

WBD vurstal - voorstal (voorste gedeelte v. d. stal, de vrije ruimte tussen de muur v. h. woonhuis en de voergoot)

WBD stalhoute - stalpalen (rechtopstaande palen waartussen de koeien met de kop vastgebonden staan), ook 'stalgange' genoemd

WBD stalgange - stalpalen, ook 'stalhoute' genoemd.

WBD aachterstal, potstal - achterstal (deel v. d. koestal dat ligt achter de koeienstand, achter de mestgoot of achter de koedrempel)

WBD prdestal, prstal - paardestal

WBD vrekesstal - varkenshok, ook 'vrekeskooj' genoemd

WBD schaopestal - schapenstal, ook 'schaopekooj' genoemd

WBD gtestal - geitenstal

 

staldurke

zelfstandig naamwoord, verkleind

WBD staldeur (de grote dubbele deuren die toegang geven tot de koestal)

 

stalpe

werkwoord, zwak

plaatsmaken, inschikken

Henk van Rijen - stalpt is en bietje - ga eens wat opzij

WNT STALPEN - 1) stampen met de voeten, loopen met zware en lompe stappen, klotsen; 2) van de zee: stampen, klotsen

 

stalpote
zelfstandig naamwoord
stalpoten; oedeemvorming in de poten of benen van een hoefdier, veroorzaakt door het te lang op stal staan
Cees Robben Mar naa ze [de koeien] nie gewaaid meuge worre krge ze gin laast van kopziekte... mar wel van stalpte... (19860509)

 

stamineekes
zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm meervoud van staminee
uit Franse estaminet via Waalse stamin
Cees Robben Laand mee twintig stamineekes... (19570316)
 

stanbild

zelfstandig naamwoord

standbeeld

D schilderij, d moet potdoome/ ok al is et dan mar int kln/ en standbild van den noesten ver/ vur de Tilburgse wvers zn. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kkt mar nie op en paor stver)

DANB d stambilt d stao daor nie mir

WBD III.3.2:354- 'stambilt' = idem

 

stand

zelstandig naamwoord

WBD koeienstand (gedeelte v. d. stal waar de koeien staan)

 

standerdmeule

zelfstandig naamwoord

WBD standerdmolen (vierkante houten windmolen die om een zware verticale spil kan draaien)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk  'standerdmeulen' - windmolen die op een standerd rust

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STANDAARDMEULEN zelfstandig naamwoord mannelijk  - houten windmolen die op een standaard rust

 

stang

zelfstandig naamwoord

stang

WBD (Hasselt) 'stang', resp. 'gebit' bit (v. h. paard)

WBD (Hasselt) 'stange' - onderstangen, de beide naar onderen stekende delen v. h. bit

WBD (Hasselt) 'stange' - bovenstangen, de beide naar boven stekende delen van het paardebit.

 

stanpunt

zelfstandig naamwoord

standpunt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 28) uit cluster ntp wordt de t verzwegen.

 

stantepee

bijwoord

uit Latijn: stante pede - staandevoets, onmiddellijk

...ze waar zelf stantepee naor den dokter geloope. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)

 

stao

persoonsvorm  

Henk van Rijen - Stao naa mar nie te kwke, t-is naa immel gebeurd - Je hoeft nu geen berouw meer te tonen, er is toch niets meer aan te doen Hij stao giender

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 66) imperatief uitsl. 'stao'

 

staof, stfke

zelfstandig naamwoord

staaf

WBD staof (II:982) - staaf, rietstaaf (v.e. rietkam).

 

staog, steeg

bijvoeglijk naamwoord  

steeg, onwillig, koppig, nukkig

WNT STEEG (II) 1) van paarden, ezels enz.: niet van zijn plaats te brengen, onwillig; 2) met betr. tot menschen: onwillig, weerbarstig, weerspannig

 

staoget

persoonsvorm van 'staon' met 'het'

staat het (met ge/gij/gullie, hij/zij/et als onderwerp)

Waor staoget prd van den buurman?

Het fonetisch hiaat dat ontstond tussen 'stao' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g'. (Zie Schuurmans: Encl. pron., blz. 22) (De Bont 242)

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - STAGET voor 'staat het'.

 

staoj

zelfstandig naamwoord

►gestaoj

stade, sta; in diverse varianten gebruikt om aan te geven dat men iets rustig, langzaam doet; vaak in een uitdrukking met 'op'

Hij heej not hst; hij doe alles op staoj aon.

N. Daamen - Handschrift 1916 -- 'staoi - iets op staoi doen (op je gemak)'

"Naa gaot er mar 'ns op staoi toe zitten," zee ze... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Cees Robben Unne schildpad kuierde luikes... staoi aon (19551119)
Cees Robben We hebben mar nie geavveseert, en alles op staoi-aon gedaon... (19660325)
Doede alles mar op staoikes/ zde ene meens meej wnig hst... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vrugger al zo)

Dan krg ik van ons Sjaan twee knaake/ allen vur menen ge kop/ die pruuf ik int kefeej opt huukske/ dan hl op staojkes lkker op. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes haawe )

Aaw mennekes ziede die stpke vur stpke/ op staoikes geniete zabberend op der ppke. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et vurjaor komt)

De Wijs -- Op staoi aon doen, nie aaltij afferseere (1965)

Z'n Ome Willem hee nit host/ Hij doe alles op staoi... (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

Pierre van Beek - op staoj - kalm aan

Pierre van Beek - enen helen ostaoje meens - die zijn werk langzaam en kalm doet (TT175)

Pierre van Beek - staoj - gestadig

Frans Verbunt - doeget mar op staoj, aanders worret wir oreemes

Dur de straot rejen zeker zes keer per dag waogens meej kolen veur de gasfebriek. D ging mar stapvoets, die knollen, dieter vurstonden liepen gestaoi aon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.4.4:325 'op stade' = langzaam

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - STADE, voor gemak; b.v. Doe het op uw stade. Reeds bij Kiliaen.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STADE (staoj) m - gemak (zie blz. 70)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - sto.i, zelfstandig naamwoord mannelijk  'stooi' - stade (in de verb. 'op stooi', op m'ne/z'ne stooi, op stooi aan, op stooi eweg, op ene goeie stooi'= op zijn gemak, kalm.

WNT XV:407 STADE (I) naast STA en in Z. Nederl. STAAI (.) Op stade, op zijn stade - op zijn gemak, zonder zich te haasten. Z.a.

Kil. Staede - Commoditas, vtilitas, opportunitas, locus. De staede hebben - Tempus vacuum habere.

 

staok, stkske

zelfstandig naamwoord

staak

M stoak

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stᴐ.k, zelfstandig naamwoord mannelijk  - staak, tak of linie v.e. geslacht

 

staoke

werkwoord, zwak

staken

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - staoke

WBD III.1.4:376 'staken' = even ophouden met werken - staoke - stkte - gestkt

- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij stokt, imp. stkt

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stᴐ.kə(n), zw.ww.tr. - staken; van staken voorzien, ten einde het gewas te steunen; met staken stutten.

 

staol, stltje

zelfstandig naamwoord

staal, ook metaal

M stoal

R.J.  'meej z'n schrp staol'

Cees Robben - dk nie van staol z of van zer;

WBD 'staoltje' (II:818) - staal, monster (van stof)

WBD III.3. 1:92 'staal', 'staaltje' = staal (monster)

 

staoldraod

zelfstandig naamwoord

staaldraad

WBD staoldraod (II:1385) - staaldraad

  

staole

bijvoeglijk naamwoord  

stalen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - lpen as ene staole Jeezus ('65) -stijf, ongenteresseerd

WBD kam meej staole heejvels (II:966) - kam met stalen hevels (bij een weefgetouw); ook: schaft meej staole heejvels

WBD staole heejvels (II:973) - stalen hevels (v.e. weefgetouw)

WBD staole veer (II:1335) - stalen veer

 

staomele

werkwoord, zwak

stamelen

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'staomelde-n-ie'

staomele - staomelde - gestaomeld

 

staon, stn

werkwoord, sterk

staan

Dirk Boutkan (1996) - staon - stond - gestaon; (blz. 38) als hulpww. verkorting: stn te kke, De toffel stao gedkt.

MP gezegde - Die kan gn staon wr den bissemsteel stao (= werkeloos in de hoek)

Dialectenqute 1876 - w stoa de doar zoo te schreuwe? - wat staat ge daar zoo te schreien?

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - stn te kwke (TT) - in het krijt staan, schuld hebben

Henk van Rijen - op valle staon - op het punt staan om te vallen

WBD III.1.3:9 'goed staan' = passen; ook 'staan', 'goed zitten

WBD III.4.4:27 'staand weer' = goed weer, ook' hangend weer'

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STAAN (staon) onov. ww - uit de meer alg. bet. 'stilstaan', 'ophouden met bewegen' ontwikkelde zich een specifiek agrarisch gebruik v. h. ww: 'zich gewillig laten dekken', vooral v. koeien gezegd. In spreekwoordelijke wijsheden werd het ook gebezigd in de zin van: zich laten verneuken: ze ljen oe nor den bok en staon doede.

Biks staon ww. - staan

WBD (van koeien gezegd) grazen (= in de wei zijn), ook 'loope' genoemd

WBD (v.e. paard): bred, rm, (Hasselt) rm of wd staon - Z.a.

staon - ston(d) - gestaon (in verleden tijd ook 'stin' Z.a.) Praesens: ik stao - gij staot - hij stao; imp.: stao (B: gij stao)

WBD (v.e. paard) ng staon - met de benen dicht opeen staan

WBD (v.e. paard) fraans staon - met de hoeven naar buiten gekeerd staan

WBD (v.e. merrie) 'staon' - hengstig zijn, (Hasselt) 'kaod hngsteg staon'

WBD hij stao der goed op - (gerezen deeg) is op de juiste temperatuur, ook genoemd 'hij is goed'

Oude verleden tijd

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'ik zee hoe 't geval stint'

...den daag  (...) upsting...  [de dag (...) opstond] (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Murgengebeejke, 1932)

Dr stind dan innen pot stroop op toffel (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Op die ptjes stinte ellenlange gebruiksaonwzinge hoe dt precies mos... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Daor stint ie naa, Naarus de Toreadoor; (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
...en n end verder stint ok n praachtig bumke... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- den boer mee ennigte knechts stinte dr eige te berste te laache. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Die biste stinte naa vlak bij me te snuive (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

staondebeens
bijwoord
letterlijk staandebeens; iets in haast doen
Cees Robben We hebben irst staondebeens hapsnap nog w gegeten (19730413)
 

staondevoets

bijwoord

staandevoets

Gao-t-er mar efkes toe zitte, zukke dinger kunde staondevoets nie aonheure... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

 

staondewg

bijwoord

al staande

...terwijl Graard bij Mieke in huis staondeweg 'n borreltje aachterover sloeg... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

 

staopel

zelfstandig naamwoord

stapel

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STAPEL zelfstandig naamwoord mannelijk  - hoop, tas

 

staopele

werkwoord, zwak

stapelen

WBD staopele - op schijf leggen, huiden op elkaar stapelen onder toevoe ging van zout (II 603)

staopele - staopelde - gestaopeld

 

staopelzt

bijvoeglijk naamwoord  

stapelgek

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - staopelzot

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stᴐ.pəlgk, zelfstandig naamwoord mannelijk  'stapelegek' - hij is stapelgek. (in de zin van ''t Is ene staopelegk'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STAPELZOT bvw. - stapelgek

WNT STAPELZOT = stapelgek

 

staore

werkwoord, zwak

staren

R.J. 'hij staort dan nor de lucht'

Cees Robben - staore

staore - staorde - gestaord.

Geen vocaalkrimping

 

staosie

zelfstandig naamwoord

statie, station

Z as de Thijs die n de staosie/ in de fietsestalling zit. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Houdoe Thijs)

Henk van Rijen - die heej veul vlk n de staosie - die (zij) heeft een flinke voorgevel

WNT STATIE - 1) verblijfplaats, 2) standplaats van kooplieden, stalletje, winkel, 7) station (aan een spoorweg) in Vlaamsch Belgi

 

staot

zelfstandig naamwoord

staat; toestand

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'Provinciaole Staoten'

 

start, strt, strt

zelfstandig naamwoord

Cees Robben Hij pooide m al vur dekkem aon zunne start kos zitten... (19650402) - ...voordat ik hem te grazen kon nemen

Henk van Rijen - staart

Henk van Rijen - 'Kp op start rle' - met gesloten beurzen betalen

Henk van Rijen - 'K-kn um van gin haor f start' - Ik ken hem helemaal niet.

- uitdrukking: mee unne dikke start; boos, zoals de kat de staart opzet als haar iets niet bevalt
Cees Robben [man over zijn vrouw:] As ze kaod is kruipt ze mee unne dikke start op zulder... (19840413)

WBD (II:2794) 'start' - toot v.e. berrie of draagboom

Biks start zelfstandig naamwoord  - staart

Bosch strt - staart

WNT STAART - oudtijds en nog thans gewestelijk: steert, stert, start

 

starte

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - klaren, lukken, slagen

Henk van Rijen - 'As ie zo durgao, start ie ut wl' - Als hij zo voortgaat, komt hij er wel

 

startschroef

zelfstandig naamwoord

staartschroef; namelijk stuitbeen, onderrug

Cees Robben En toen viel ik op mn batterij, meneer dokter, en../ En naa denk dek munne/  startschroef heb begerbeleurd. (19700313)

Taante Sjoo zeej: De sneuw/ is gin zeege van boove / zis meej der tweehonderd pond/ op der startschroef geschoove. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sneuw in Tilburg)

 

staw, staaw

zelfstandig naamwoord

WBD troep, gezegd van dieren; ook genoemd: 'troep', 'klocht', klcht', 'kudde', 'hop' of 'kooj'

WBD staaw - kudde volwassen varkens, ook 'klocht' of 'hoop' genoemd

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STOUW (staaw) m - kudde die men kan stouwen, klucht, groot aantal, gezegd van kinderen en gevolg: 'nen hille stouw knder.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'staauw' - stouw, zeker aantal (koeien of kinderen die men stouwt)

 

stchele

werkwoord, zwak

bekvechten, kibbelen

WBD III.1.4:240 'stechelen' = kibbelen

stchele - stchelde - gestcheld

...er wier venijnig gestecheld... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...en toen hebben ze nog 'n tijdje deurgestecheld en 't gong er hard naor toe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
De kster en den rgenist waren gewoon nogal vurig tegen elkaar te stechelen over alles en nog w,... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)
...de mannen trekken aaltijd aon et kortste endje as ze mee het vrouwvolk gaan stechelen! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938)
- Nou, ik ha gin zin mir om nog lang te stchelen (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
ch, dr waar netuurlek in llek hshaawe welles stront n de knikker. D begos meej stchele en ntele. Daor kwaam hommeles van, n dan begos t r pas goed te spanne. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
WNT STECHELEN - 1) valsch spelen, 2) knoeien, smokkelen op school, 3) twisten, krakeelen, 4) mokken, wrokken, dwars zijn

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STECHELEN, STEGGELEN - wringen, wrokken, dwars zijn, preutelen.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stXələ(n), zw.ww. intr. 'stechelen' - redetwisten, krakelen, kibbelen.

Koenen N.B. in Ned. = vals spelen (Koenen: ook wel 'steggelen')

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STEGGELEN onov. ww - discussiren.

 

stee, steeje, steekes

zelfstandig naamwoord

plaats waar men woont, verkorting van woonstede

gift mn men steej mar trug

Giesterenmrge kwaam ik om half vijf bij de stee van Sjef Koolen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Cees Robben Hak vleeje week from oew stee mar gekocht... (19830812)

Cees Robben Rond die steeje in t laand... (19590905)

Cees Robben De steekes langs de groote baon (19601125)

 

stf

bijvoeglijk naamwoord  

stijf; ruim, iets meer dan

WBD 'stvve bok' - oud, versleten paard

Cees Robben n Stjf ketierke dur de Rt.... iets meer dan een kwartier door de Reit (19550716)Frans Verbunt - stf ondergoed nhbbe - zich moeilijk bewegen

WBD III.1.2:219 'stijf' = verkleumd, stijf

WBD III.1.4:178 'stijf' = stijfkoppig

WBD III.2.3:137 'stijve rijst' = rijstebrij

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STIJF (stf) bn, in allerlei gangbare bett. en bovendien in de zin van: gearriveerd, gezeten, bemiddeld, bv. 'ne stven brger. Meestal enigszins spottend gezegd, met een zinspeling op beginnende stramheid.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - bnw. en bijw. - stijf

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STIJF zie wdbb.; ook: zeer, sterk, geweldig

 

stfkp

zelfstandig naamwoord

stijfkop

WBD III.1.4:177 'stijfkop' = koppig kind;

WBD III.1.4:178 'stijfkop' = idem

WBD III. I.4:332 'stijfkop' = ongehoorzame jongen

 

steeg, staog

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord  

onwillig, nukkig, koppig

R onverstoorbaar, tegen de draad in

R W zde tch ne steegen bliksem - Wat ben je toch een verveeloor

R Hij ging steeg deur: tegen de wil van anderen

WBD steeg, (Hasselt) 'steejch' - koppig, gezegd v.e. paard

Cees Robben ...stug en steeg (19700220)
Cees Robben n steeg perd (19830114)

Henk van Rijen - 'steg, staog'

Stadsnieuws -  Doe tch nie zo steeg; lstert naa ok nr en aander. Ben toch niet zo  koppig; luister ook eens  naar wat een ander zegt. (291510)

WBD III.1.4:175 'steeg' = koppig

WBD III.1.4:178 'steeg' = stijfkoppig

WBD III.1.4:180 'steeg' = weerbarstig

WBD III.1.4:225 'steeg' = balorig

WNT STEEG (II) van STEDIG (I) niet van zijn plaats te brengen, onwillig (van paarden, ezels); 2) bij vergelijking m.b.t. menschen: onwillig, weerbarstig, weerspannig (voor diverse gradaties Z.a.)

Biks steejg bn - koppig, nukkig

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STEEG bn - koppig. Volgens WNT van 'stedig', niet van zijn stede of plaats te brengen. Vooral v. paarden gezegd, maar bij uitbreiding ook van menselijk gedrag.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - ste.X, bnw. 'steeg' - niet gauw opvliegend; traag, langzaam; onwillig, koppig. Z.a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STE(D)IG, STEEG - onwillig, koppig

uit 'stedig' door d-syncope en klankverlies suffix

 

steg

persoonsvorm

verleden tijd van stge

 

stge

werkwoord, sterk

stijgen

WBD III.1.2:8 'stijgen' = omhooggaan, ook: rijzen, klimmen, klaveren

B stge - steg - gesteege - geen vocaalkrimping

 

steeje

zelfstandig naamwoord, meervoud  

steden

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'stejen'

Dirk Boutkan (1996) - 'steeje'(blz. 54)

meervoud  van 'stad' (= steden met gesyncopeerde d)

 

steek

zelfstandig naamwoord

steek

1. niets

Den Sik aat dien middag geen steek. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

2. het steken

WBD steek (II:924) - het steken van of met een naald

WBD III.3.1:246 'een steek onder water geven' = bedekt een onaangenaamheid zeggen

3. de wonde die veroorzaakt wordt door de slager als hij het varken de doodsteek toebrengt - dat deel van het varken dat als lekkernij gold

Cees Robben -  Robben en rooms; Tilburg 1981 - Daags daarna werd het varken afgekapt. De grote stukken gingen de kuip in en het klein goed ging terzijde voor de bloedworst, de zult, de kaoikes en de balkenbrij. De hersens en de steek werden het eerst gegeten... dat was het smodderptje. Daar kon onze pa zich te goed aan doen... dan glommen z'n kien en zn wangen van al dat ksselijk vet.

Cees Robben Hedde trek in t smodderptje/ mee den steek.. (19550205)
► Dossier Varken culinair

 

steeke

werkwoord, sterk

1. steken

WBD doodsteken (van slachtvee)

WBD steekmis - steekmes (van de huisslachter); deegmes (van de bakker)

WBD III.3.1:246 'steken', 'steken onder water geven' = bedekt een onaangenaamheid zeggen

B steeke - stok - gestooke; ook de verleden tijd 'stook' is gehoord

Interview Hermans - 1978 - vanaf de Korvelseweg was de Oerlesestraat tot de nieuwe Goirleseweg stookte oover dan hadde daor de Groenstraot tt Broekhoovesewg toe... (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om het interview te beluisteren

M: staak

Btk: staak

- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij stikt

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - ste.kən, st.ww.tr. en intr. - steken (staok(en), gesteken)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - GESTEKEN:3e hoofdvorm van 'steken'; STOOK 2e hoofdvorm

2. rooien van aardappelen

In het najaar, wanneer de aardappelen moesten gestoken (gerooid) worden, hielpen de buurvrouwen elkaar totdat bij ieder van haar de aardappelen in de kelder lagen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 1 Wijkbuurten in vroeger dagen; NTC 8-11-1950)

 

steekeblnd

bijvoeglijk naamwoord  

stekeblind, geheel en al blind

R Tegen iemand die zich als onmisbaar voordoet: 'As ik jou nie had en men twee ooge nie, dan was ik steekeblend'.

Henk van Rijen - 'steekende blnd'

 

Steekelbaors - gasterosteus aculeatus - Bron: Kraft, CE., D.M. Carlson, and M. Carlson. 2006. Inland Fishes of New York (Online) Version 4.0. Department of Natural Resources, Comell University, and the New York State Department of Environmental Conservation.

► Grote weergave van de afbeelding

steekelbaors

zelfstandig naamwoord

stekelbaars; gasterosteus aculeatus (driedoornig stekelbaarsje)

Cees Robben - Maar de brandkuil bij boer de Kok dat was heel wat anders... daar kondt ge nog eens vissen, dat wil zeggen, met een eigen gemaakt schepnet wat ongedierte naar boven halen. Als ge geluk had zat in 't slijmerige groen wel eens een kriewelende watertor of een stekelbaarsje. De buit werd in een blikken bus mee naar huis genomen waar zij als jachttrophee een ereplaats kreeg voor het raam van de goot. (uit: Robben en Rooms, 1981)

Elie van Schilt - Wij as kender vongen er stekelbaorskes mee un schepnetje, unne stok daoraon un draoike van naoigaoren, unne kurk mee un kiepeveer as dobber en un angeltje gebogen van un knopspeld, daor vongen wij baorskes mee. (Uit: Ut knaol; CuBra, ca. 2000)

Sjef Paijmans - We wisten precies in welke sloot er een bepaalde soort salamander te vangen was; waar er veel stekelbaarsjes waren en in welke sloot bijzonder grote viskesfreters zaten. (Herinneringen, CuBra circa 2002)

Sjef Paijmans - In de gracht voor de Weyenberg [in Oisterwijk], waar toen Bartje Schoenmakers zijn boerderij had, zaten op Woensdagmiddag, soms een stuk of wat schooljongens te vissen met een hengel; dat wil zeggen een dunne staak, een eindje zwart naaigaren en als dobber een rood lucifershoutje. Als angel diende een omgebogen
speld. En toch werden er op deze primitieve manier stekelbaarsjes gevangen. (Herinneringen, CuBra circa 2002)

Taalkaart van Woordenboek van de Brabantse Dialecten III 4:2 (2002) - lemma stekelbaarsje

 

steekmis

zelfstandig naamwoord

WBD steekmes (van de huisslachter)

WBD deegmes (van de bakker) (werktuig waarmee het deeg wordt verdeeld)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STEEKMES zelfstandig naamwoord mannelijk  - bij mandenmakers: mes voor het reinigen en effenmaken der manden.

 

steel, stiltje

zelfstandig naamwoord

steel

WBD steel - steel v. d. zweep (voor het paard) (Hasselt), ook 'stk' genoemd

Cees Robben - dan 'freet' ik den bissem meej steel n al op;

Cees Robben - mar den steel dieter n zit, dugt nie;

N.B. Geen naglijder; de 'ee' is zachtlang;

WNT: meervoud: stelen

 

stl

zelfstandig naamwoord

WBD gebintstijl (rechtopstaande houten zuil, verbonden met een ankerbalk)

WBD stl - een der dragers van de windas van een put

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord  

gerust, hardnekkig; vrijpostig; steil

R D doek stl. - Dat doe ik gerust (overmoedig)

R Hij blef stl vlhaawe. - Hij bleef hardnekkig volhouden

R Hij ging stl p en aaf m et te vraoge.

Dirk Boutkan (1996) - superlatief: stlst / stlst

Cees Robben Op dn stlen hemelpad... (19591031)

WBD III.4.4:203 'steil' = steil hellend; 'steil' = rechtopstaand

 

steele

werkwoord, sterk

stelen

vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij stilt

B steele - stol - gestoole

M: staal

Henk van Rijen - 'stle'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - den ene maag en prd steele n den aandere ng nie oover de hg kke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) variant: ng nie in de stal kke

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - heetie et gestoole, dan moetie hange (D'16) - hij moet de gevolgen van zijn misdaden ondergaan.

 

stloor

zelfstandig naamwoord

steiloor, koppig iemand

WBD varken van het ras dat staande oren heeft

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - 'stloor, ge winnet', zi den boer teege den haos toen ie em nie kos krge (D'16)

WNT STEILOOR - 2) een dier welks ooren recht opstaan; 3) in toepassing op een persoon: een stijfkop; een waanwijs persoon, een pedant; een persoon met steile, starre, stijve, stroeve, bekrompen begrippen

 

sten, stintje, sten(e)

zelfstandig naamwoord

steen; pit v.e. steenvrucht

WBD vuursteen - vuursteen (steensoort geschikt voor ovenbouw) WBD baksteen - baksteen (o. a. gebruikt voor ovenbouw)

Dialectenqute 1876 - groote steene (voor de ee is moeilijk in andere talen een aequivalent te vinden. De afbeelding 'steejne' ware wellicht de juiste) Meestal verkort: groote steen.

DANB gimme tweej breej stene

Henk van Rijen - 'Dur gonge wl duuzend stintjes in dieje stene pot'

WBD III.1.3:260 'steen' = juweel; ook: 'siersteen' of 'edelsteen'

WBD III.3.3.100 'grafsteen', 'steen' = grafzerk

 

stenbikker

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - tapuit (Oenanthe oenanthe), ook "wntapper

WBD III.4. 1:92 'steenbikker', 'holkruiper', 'wijntapper' - tapuit

 

stne pot

zelfstandig naamwoord

PM stenen pot

Dialectenqute 1876 - 'nen stne pot'( = Fr. mme)

WBD III.2.1:121 'stenen pot', 'Keulse pot'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - st.nə(n), bnw. 'staenen', 'steinen' - stenen (alleen in de verbinding 'ene staene pot' (variant van 'enen staele pot') een hoge aarden pot (voor inmaak van bonen e.d.).

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STEIN zelfstandig naamwoord  o, - soort van grijs, steenhard aardewerk: 'Nen boterpot van stein. Stein is veule sterkes as gewoon rdewerk.

 

stennaachtegoal

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus)

Afb.: Naumann

WBD III.4. 1:94 'steennachtegaal'- gekraagde roodstaart

Eigenhuis 'Verkl. etymol. wdb.v. d. Nederlandse vogelnamen': Phoenicurus phoenicurus (Linnaeus: Motacilla) 1758, Roodstaart, voorzien van een (zwarte) kraag. volksnaam Muurnachtegaal.

 

streve

werkwoord, sterk

sterven

op strve nao dod op strve ligge

MP gezegde - W ist hier tch donker; tis krk f er ne wver op strve leej.

str(e)ve - stierf - gestrve B streve - sturf: - gestrve Henk van Rijen - storref

Dialectenqute 1876 - lve en strreve (tusschen ee en in)

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - streven; gestorreve

Cees Robben t Is streve... en wir ontstaon... (19571102)

Frans Verbunt - wie et miste heej strft et nojst

WBD III.4. 2:16 'sterven' - sterven (van dieren), ook genoemd: 'creperen', 'doodgaan', 'kapotgaan' of 'begeven'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - gestrve (niet: gestrve) (krt. blz. 12)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - st.rəvə(n), st.ww. (praet. 'strf), intr. 'staerven' sterven

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - STERVEN strəvə wkw (stirəf, gəstorəvə)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - GESTURVEN:3e hoofdvorm van 'sterven'; 2e hoofdvorm: STORF en STRF STERVEN (uitspr. strrəven).

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 16)

 

strfhs

zelfstandig naamwoord

sterfhuis

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STERFHUIS zelfstandig naamwoord onzijdig  - Spr. 't Zijn kosten op 't sterfhuis

 

strft

zelfstandig naamwoord

sterfte

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - strəft (naast strəftə), zelfstandig naamwoord vr. -'sterft' - sterfte

 

strk, strekstrik

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord  

sterk

Dialectenqute 1876 - strrek ( = scherplang)

DANB hij hee veul prts omdtti strek is

Cees Robben [Onderwijzer tegen leerling] Gij Pietje.. de drie trappen [van vergelijking] van sterk.. ..strik, mister.. onnut strik en t prd van Jantje Groenen, mister... (19700821)
Cees Robben Hijs onnut strik... dieje Jan.. (19600226)
Cees Robben Hoe sterik? n Pond thee op n ptje, des strik!! (19861205)

WBD 'strrək' (II:1057) - sterk

Frans Verbunt - zo strk as en lre broek meej un zere knt

WBD III.1.2:184 'nie strk' = zwak van gezondheid

WBD III.1.3:17 'sterke stof' = lap

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - st.rək, bnw. en bijw. 'staerk' - sterk

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - STERK st:rək bn (-ər, -stə)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STERK bvw. -fr. fort; ook: ranzig.

 

strt, strt, strtje, start

zelfstandig naamwoord

M staart DANB hij trok et prd n zene strt

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - -- hbbe ze et nie nt hart, dan hbbe ze et n de start (D'16) ze voelen altijd wel iets, zijn altijd wel een beetje ziek.

Piet van Beers Not te oud om te lere: De errepel beginne wir/ strtjes te kryge./ k'Denk, dek ze te werm/ op heb geslaon. (With Love; 1982-1987)

WBD III.1.3:274 'staart' = haarvlecht; ook 'staartje', 'slie', 'strengel'

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 22) strt (naast strt)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRT zelfstandig naamwoord  v(?)-staart. Mrt heeft knepen in zijnen strt.

WNT STAART - oudtijds en nog thans gewestelijk: steert, stert, start

 

stve

werkwoord, sterk

stijven

WBD III.4.4:208 'stijven' = stollen, stijf worden; ook 'bevriezen'

WBD III.2.1:333 'stijven' = idem (van de was)

Dirk Boutkan (1996) - stve - stef - gesteeve

 

stveghd

zelfstandig naamwoord

stijfheid

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STIJVIGHEID zelfstandig naamwoord  v. - stijfheid, stijfte

 

stfte, stfte

zelfstandig naamwoord

stijfte, stijfheid

- Afleiding van 'stf' met vocaalkrimping

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - ste.ftə, zelfstandig naamwoord vr. - stijfte, stevigheid

 

stk, stkske

zelfstandig naamwoord

stek, 'pot'; afgesneden takje dat men in de grond zet om er een nieuwe plant uit te laten groeien.

WBD (III.2.1. 229) 'stekske' - lucifer

WBD (III.1.1:163 'stekken' = benen; 165 idem = rechte, vormeloze benen

WBD (III.4.4:233) 'stekske' = dunne reep voor stevigheid

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stk, zelfstandig naamwoord mannelijk  stek, dode tak; dem. 'stkske(n)', mv. 'stkker'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STEK zelfstandig naamwoord mannelijk  - dun en kort stokje; puntig stokje; roest in vogelkooien; afgesneden plant- of boomscheut; solferstok, zwavelstok; wandelstok.

WNT STEK - 1) een van boom of plant afgesneden loot; 2) stok in 't alg.

 

brassica napobrassica - wikipedia

stkrubbe

zelfstandig naamwoord - koolraap - brassica napobrassica

Henk van Rijen - koolraap

 

stlle

werkwoord, zwak

gesteld zijn

stlle - stlde - gestld

Hoe stlde et daor? - Hoe maak je het daar? uitdr. te stlle hbbe - moeite of drukte hebben

uitdrukking - veul stlles meej iets hbbe - ergens veel moeite mee hebben

Cees Robben ge ziet mar degget stelt... (19700116)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stƐlə(n) zw.ww.tr. - stellen; zegsw. 'vuil stelles hebbe mƐ' - moeite en drukte hebben met

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STELLEN zie wdbb; uitstaan hebben (met iemand of iets); verrichten; toekomen, genoeg hebben; ' veel me(t) iemand/iet te stellen hebben. Het stellen - varen. Hoe stelt gij het ginder?

 

stlles

zelfstandig naamwoord

genitief van infinitief 'stlle' ?

uitdrukking - Veul stlles meej iets/iemand hbbe - er veel moeite mee hebben

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - 'vuil stelles hebbe mƐ' - veel moeite en drukte hebben met, b.v. 'Ge het er vuil stelles mƐ, mƐ die klaen manne'

WNT STELLEN - 4) met min of meer moeite regelen

 

stltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - stijltje

 

stm, stmmeke

zelfstandig naamwoord

Cees Robben Daor vlinderen as vlemmekes/ Veul helle kender-stemmekes... (19580531)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - 'ik hb die stm not geheurd', zi de kster, n de gt stn p et koor (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)

 

stmme

werkwoord, zwak

Van Delft - "Er werd nogal hard gestemd" betekent: Er werd luid gesproken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

stmmel

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4.311 'stemmel' = stoornis

 

stng(e)ske

Henk van Rijen - stangetje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

 

str

zelfstandig naamwoord

ster

1. hemellichaam

On de lucht zaten wel honderdduzend sterrekes geprikt, die effenveul scheurkes in den vloer van den hemel leken. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

2. plant - vogelmelk

WBD III.4. 3:271 strrekes van Btteljm - vogelmelk (Ornithogalum umbellatum)

 

strrekker

zelfstandig naamwoord

sterrekijker

WBD (m.b.t. een paard) met een naar boven loensend oog

 

strt, strtje, strt

zelfstandig naamwoord

staart

M strt of strt

1. staart van een dier en daavan afgeleide gezegden

De Wijs -- (hij trok er al tussenuit voordat ze hem te pakken konden krijgen) Hij peerde um al veur d ze aon zunne staart kosse zitte (11-02-1965)

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 97) hij trok et prd n zene st()rt

Van Delft - Ge vangt hem niet gauw in z'n woorden: "'t Is net een aal met een natte staart." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

Tieke [de hond] kefte noot tegen den Sik mar snuffelde om z'n beenen en kwispelde mee z'n lollig strtje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Van Delft - "Ze hebben het goed onder de staart gevoeld", liet een Gildebroeder zich ontvallen, toen er gesproken werd over het organiseeren van een feest, en hij wilde zeggen: Men heeft zich alle moeite getroost om iets zoo goed mogelijk voor te bereiden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Hij zee: "Kom hier!" en viet et verken bij z'n stertje,

en 't verken liep al aon gelijk 'n vurig perdje...

"Ho-ho, een beetje kalm, ik wil u wat versieren,

gij allerleelijkste en nuttigste der dieren,

gij levend spekmasjien, zie daor, een fraaie krul,

een lollige tirelatijn tot sieraad, goeie sul!" (Piet Heerkens; uit: Brabant, Hoe t verken aon zn sterje kwaam, 1941)

Ik krg van ieder schar et strtje/ zij vatte de vtte rug. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Scharre...)

2. staart als beeld voor mannelijk lid

Aon ons moeder vraoge, wrom hebben wij un strtje en hullie [meisjes] nie? D vertel ik nog wel ens agge grot zt, zizze dan. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Trouwens d woord piemel, zas et geslachtsorgaan naa genoemd wordt, kenden wij nie, as wij et daor over han, dan praotte wij over ons strtje. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Uitdrukkingen

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -- 'Der is ene krul meer in', zei de boer, 'as ene rchte vrkesstart!

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -- Agge ne vrmden hnd zene start licht, wrde ervan bescheete.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -- Agge iemand zene start plicht, dan wrde ervan bescheete.

R.J. vier voeten n ne strt

Cees Robben - ene knp in zene start te lgge

Cees Robben - As ze kaod is, krpt ze meej 'ene dikke start' op zulder; (= nen dikke)

WBD strt, strtje - deel v. d. huid dat de staart bedekte (II 594)

DANB hij trk et prd n zene strt

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - kp p strt rle (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973) - met gesloten beurzen afrekenen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - iets nder de strt luchte (HM'70) iets nader onderzoeken

BrSo nie zver zn n zene strt (HM'50) - gezegd v. iets dat gezuiverd moet w.

Frans Verbunt - ge krgt ene strt as ge op vrdag vles it

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - start (krt. 60), doch 'strt' onmiddellijk ten oosten v. T.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRT (Kemp. ook: stjet) zelfstandig naamwoord mannelijk  - staart

 

strtschroef

zelfstandig naamwoord

stuit(je), stiet

N. Daamen - Handschrift 1916 -- stertschroef - arpendipendix?"

WBD III.1.1:131 'staartschroef' = stuitbeen

 

stesjon, stesjunneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - station

 

stssel

zelfstandig naamwoord

stijfsel

Cees Robben stessel (19680405)
Cees Robben Aleen mar verlet naor ennige stessel-kiesjes... (19720414)

WBD Onder 'stijfsel' is het Tilburgse woord niet vermeld. (II:778)

Cees Robben - 'ennige stessel-kiesjes

WBD (III.2.1:335) 'stijfsel' = stijfsel; = stijfselpap, ook genoemd: stijfsel, stijfsel- pap of stijfselwater

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk  'stijssel' - stijfsel

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STESSEL zelfstandig naamwoord mannelijk , niet v. - uitspraak van 'stijfsel'

 

cardamine pratensis - wikipedia

stsselblom

zelfstandig naamwoord

WBD III.4. 3:389 stsselblom - pinksterbloem (Cardamine pratensis), ook genoemd: pinksterblom

 

stssele

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - plakken

WBD (III.2.1:334) Onder 'stijfselen' is Tilburg niet opgenomen

 

stsselr

zelfstandig naamwoord

zanikerd, slomerik

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "stesselair - zanikbruur, iemand die heel langzaam is" (stesselkruijer)

 

stsselkrmer

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - slomerik

 

stsselkruier

zelfstandig naamwoord

zanikerd, slomerik

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "stesselkruijer - zanikbruur, iemand die heel langzaam is" (stsselair)

 

stfml

zelfstandig naamwoord

stuifmeel

WBD strooimeel (meel dat bij het bewerken van deeg, hetzij op de werkbank, hetzij op het deeg zelf gestrooid wordt om kleven te verhinderen)

 

steuke

werkwoord, zwak

stoken, opruien, onrust zaaien

steuke - stukte - gestukt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stukt

 

stke

werkwoord, zwak

stuiken

WBD III.3. 2:104 stke = stuiken; knikkers in een kuiltje gooien; ook stte genoemd

 

steune

werkwoord, zwak

steunen

WBD III.1.4:255 'steunen' = kreunen

B steune - stunde - gestund

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij stunt

 

stp

zelfstandig naamwoord

van de spierziekte 'stuipen'; vrijwel altijd gebruikt voor bewegingen die een overeenkomst hebben met deze aandoening, zoals hard en ongecontroleerd lachen en handelingen die daartoe aanleiding gaven

-- Daor kan 'k oe en stp van vertlle

R.J. 'kreeg ie mar de stuipen'

Sjonge-sjonge, w hebben wij vruger stuipen uitgehaold! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

WBD III.1.2:279: '(de) stuipen hebben', 'in de stuipen liggen', 'aan de stuipen lijden' = de stuipen hebben, krijgen

WBD III.1.4:262 'stuip' = gril

WNT STUIP (I) gril, kuur, luim, nuk

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'stuip' - trek, klucht

M-I stpe: groeistuipen: spierbewegingen bij zuigelingen

 

steure

werkwoord, zwak

storen

Dialectenqute 1876 - steure

 

stte

werkwoord, sterk

roemen, prat gaan op, opscheppen over

-- stte - stot - gestt

Et kan gin stte lije. - Het verdraagt geen roem. Ze stot tch zo op der dchter. Ik kan nie oover em stte

D' 16 " 't kan gin stuiten lijen; hij wier nog bestooten ook (geloofd, geprezen)"

Van Delft - - "In het veurjaor koopen wu een vrreken, een knap vrreke of een trappistevrreke, en als ie het goed gedaon hee, dan gaot ie mee Korsmis op de leer en komt de buurt stuiten en 's avonds op de kaoikes."(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Boutkan - stte - sttte - gestt (blz. 38 +41); presens met vocaalkrimping: gij/hij stt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) stte - gij/hij stt

Cees Robben [onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliciteere.. (19720128)

WBD IIII.1.4:429 'suiten' = prijzen/loven

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - stuiten - uitbundig prijzen (brab., limb.)

Biks stuite ww - prijzen, tevredenheid betuigen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STUITEN - pochen, zich roemen, bluffen, snoeven (op en over)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zw.ww. intr. 'stuiten' - zijn tevredenheid betuigen, prijzen, roemen (met de voorzetsel  op, ouver, van; en het vnbw. 'araf')

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - STUITEN. Niet zeer over iemand of iets stuiten = niet roemen.

Bij Kiliaan = jactare; ook Huygens reeds. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - STUITEN: prijzen, loven, pochen; ook BESTUITEN Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STUITEN (stte, sttte, gestt) onov. ww.

Van Dale - vermeldt dat het Zuidned. is voor: pochen, bluffen, snoeven, Z.a.

Bosch stuite - pochen, prijzen, roemen

WBD III.1.4:190 'over stuiten' = genoegen doen

WBD III.1.4:193 'stuiten = zijn tevredenheid betuigen; ook 'bestuiten'

 

stve

werkwoord, sterk

stuiven

stve - stoof - gestoove

 

stver

zelfstandig naamwoord

1. letterlijk: het oude geldstuk stuiver

Van Delft - "Dat vrouwtje zou wel op 'n stuivertje kakken" zegt men schertsend, waar een meer beschaafde spreekt van "Hemmetje raak m'n rokje niet". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

MP gezegde -  Ene stver mlk, n nie gebooterd. - zonder moeite iets bereikt

Cees Robben D zen de zeuve stuiver nie... (19870911)
WNT lemma STUIVER I.2 Zegsw. 't Zijn die zeven (of vijf) stuivers niet, dat is de zaak niet, dat is de ware reden niet (CORN.-VERVL.; TEIRL.).

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  meense die ginne stver op der geweete hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - arme mensen

Hdde ginne stver in de mars/ of zde stinkend rk/ Agge in oe blote bille staot/ bnde alleml gelk. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin verschil)

Frans Verbunt - ginne stver op zen ribben hbbe

WBD III.3. 1:152 'stuiver', 'stuiverke' = stuiver

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STUIVER zelfstandig naamwoord mannelijk  -fr. sou; valsche stuiver - persoon die vals en trouwe loos handelt.

2. figuurlijk: achterwerk

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - op zene liste stver ligge - op sterven liggen

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - stuiver, uitsluitend opgetekend voor Tilburg en Cuijk

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zat on de stver (HM'60) - moeilijkheden genoeg

2.1 figuurlijk: in het bijzonder de anus, de aars, sluitspier

Dun dokter noem ut unne fistel, mar ik zeg mar dek-ut aon munne stuiver heb... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990

WBD III.1.1:138 'stuiver = achterwerk; ook 'poepstuiver'

 

stverblaojke

zelfstandig naamwoord

een tijdschrift of krant van vijf cent; een goedkope publikatie

...zo taai as den biefstuk ut de moppentrommel van t Stuiversblaoike... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

 

stichtendonkeree

bijvoeglijk naamwoord

stikdonker

- t Was al stichtendonkere (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

stief

bijvoeglijk naamwoord  

stief ketierke - groot kwartier, ruim een kwartier

Cees Robben - stf ketierke

korte ie

Wanink 'n stief keteer - een groot kwartier

Wat. STIEF - in overvloed

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - stijf - zeer, geweldig

De Bo stijf, bijw - zeer, sterk, geweldig (uitspr. veelal: stiif)

Wint. 'n stief keteerken - 'n goed kwartier

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - als bijw. betekent het: ruim

Colenbrander (Varsseveld) 'n stief kwartier - ruim een kwartier Barghse weurd 'n stief kwattierke - ruim een kwartier

Galle 'n stieve twee uur - een volle twee uur

Eibarge 't Is nog wah 'n stief keteerken loopm (ruim een kwartier)

Twents Stief keteer - flink, goed, ruim kwartier

Drents stief: ruim royaal: 'n stief keteer - ruim een kwartier Oostterschelling De priis is stiif - hoge prijs

Groningen (Ter Laan: stief - ruim: 'n Stief ketaaier

v. Dale (XI) een stijve twee uur - dik, ruim

WNT STIJF II A, 14: Bij substantivische bepalingen van afstand of duur: ruim, dik: 'een stijve twee uur rijdens'.

Tholen & St.-Philipsland 'n stief ketiertje - een goed kwartier Noord-Beveland Da's w 'n stief kwertiertje loape

Zuid-Beveland 'n Stief kwartiertje / ruum' n kwartier

West-Zeeuwsch-Vlaanderen 'n stief ketiertje (. een goed kwartiertje): als men niet bij benadering kan zeggen hoe lang iets zal duren

 

stiefele

werkwoord, zwak

flink stappen

R sloffen, langzaam (en vaak moeizaam) lopen

Daor kmt ie ngestiefeld.

R Daor kwaampie nstiefele.

WBD III.1.2:136 'stiefelen' = vlug lopen; 146 idem = waggelen

- stiefele - stiefelde - gestiefeld

Steeds korte ie

- Van Du. 'Stiefel' = laars

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STIEFELEN onov. ww - met opvallende tred ergens op afgaan, meestal met de bijbetekenis: moedig benaderen. Niettemin enigsz. ironisch gebruikt.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STISSELEN - hard loopen (met hebben en zijn): Hij stisselde veurbij

 

stiefrge

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:69 'stiefregen' = motregen

WBD III.44:150 'stiefzand' = stuifzand

 

stiek, stieks

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord  

rechtstaand, staansvoets

B stiekstaons

stiek springe - met de voeten tegen elkaar springen

Henk van Rijen - kunde gij stieks oover die grip - met de voeten tegen elkaar... greppel

Henk van Rijen - stieks kan ek et nie, mar wl foetseler - met mijn voeten tegen elkaar kan ik het niet, maar wel gewoon

CiT (85) 'Kunde gij stieks over die grib?'

CiT (86) 'Stieks kanket nie mar wel foetseles'

WNT STIJGEN I B 3)Zich met loslating van of verdere verwijdering van den bodem in de lucht verheffen. (??)

 

stieke

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - omkopen

 

Jan Bedijs Tom - De stier; 19e eeuw

stier

zelfstandig naamwoord

stier

Dirk Boutkan (1996) - stir, stiere (lange ie), maar stierke (kort)

 

stiere

werkwoord, zwak

WBD de koe laten paren, ook pstiere genoemd

stiere - stierde - gestierd

lange ie

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - sti.jərə(n), zw.ww.tr. 'stieren' een koe door de stier laten bespringen

 

stiereg

bijvoeglijk naamwoord  

WBD geslachtsdrift vertonend (van een koe), ook 'brsteg' of 'rits' genoemd

- korte ie

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - bijvoeglijk naamwoord  'stierig' - tochtig (van koeien gezegd)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STIERIG bvw. - loopig, loopsch, paardriftig, sprekend van koeien

 

stieve

werkwoord, zwak

stuiven

WBD III.4.4:115 'stieven' = stuiven

Haor STIEVE - stuiven

 

stik

bijwoord

totaal, finaal, compleet, geheel en al

Ik z der stik aon - ik ben doodop

WBD III.4.4:237 'stikdonker' = donker

WBD III.4.4:237 'stik' = helemaal, geheel

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - bijw. 'stik' - geheel en al, totaal, finaal, radicaal

WNT STIK (IV) 2) volkomen, algeheel 5 geheel en al, in hooge mate

 

stikke

werkwoord, zwak

stikken

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ge kunt stikken as ge gaaw zt (D'16)

WBD stikke (ll:1176) - stikken (= naaien met de stiksteek)

 

stikkedoor

zelfstandig naamwoord

stukadoor

Cees Robben Ik z dees jaor feftig jaor stikkedoor (19810130)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk  'stikkedoor' - stukadoor

 

stiklf

zelfstandig naamwoord

korset

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "stiklaif - corset"

 

stikt

persoonsvorm  

stikt, steekt

Cees Robben Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut(...) Mar t stikt zn gat aanders wd aachteruit (19850504)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - schon is de ros, mar de doore stikt (Si '67) - gezegd van iets dat men van te voren als prettig beschouwde, maar dat achteraf tegenvalt 2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'stikke' en 'steeke', in het laatste geval met vocaalkrimping

Henk van Rijen - et stikt nie zo naaw - het komt er zo nauw niet op aan

 

stil

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord  

stil, onopgemerkt, klandestien

Henk van Rijen - stille kroeg - klandestiene tapperij achter een winkel

 

stilhaawe

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - stoppen

 

Steelpan, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

 

stilpnneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

steelpannetje

WBD III.2.1:194; 'steelpanneke' = steelpan

 

stilt

werkwoord, persoonsvorm

steelt

verleden tijd van 'steele', met vocaalkrimping

 

stiltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

steeltje

stiltjes - steeltjes, de jonge gesteelde bladeren v. d. kleine witte meiraap, ook genoemd 'kiltjes', 'keele'

De Wijs  -- (Gehoord bij de bloemist) t is mr stiltjes dan blom. (15-06-1963)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - et is pnneke tt nt stiltje toe ('65) - de vriendschap is groot

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - tis wit tt et stiltje toe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)-het is dik aan

Cees Robben - ''t is wir penneke tot 't stiltje toe'

WBD III.2.3:107 ' steeltjes' = raapstelen

verkleinwoord van 'steel', met vocaalkrimping

 

stin, ston

werkwoord, persoonsvorm

stonden, stond

Swirskaante de kaajbaande stinte bumkes.

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - Ze stinte(n) te w(a)chte(n). - Ze stonden te wachten.

K+B.. stind ik..; stint ik; stind; stinten

Henk van Rijen - der stinte ng nnegte koej in de waaj

Naast 'ston(d)' in gebruik als verleden tijd van 'staon'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STING - 2e hoofdvorm van 'staan'; ook STON en STONG.

 

stinke

werkwoord, sterk

stinken

MP gezegde - As plddeke-vl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - stinken as nen bssem (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969), as en moosputje, as nen blauwslot, as en fraatersog.

-- stinke - stonk - gestonke

Dirk Boutkan (1996) - hij stingt (uit cluster ngkt wordt de k verzwegen)

Frans Verbunt - hij stinkt nr bier as ene schoojer nr brod

 

stinkerke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

afrikaantje

WBD III.2.1:456 stinkerke = afrikaantje (Tagetes patula, c.q. erecta) ook genoemds stinkende juffer, stinkend juffertje, - juffrouwtje

 

Bron: Wikipedia - afrikaantje

Cees Robben Welke blomme wilde op oew begraofenis? Snoffels... dalidas.. paosblomme.. of stinkerkes... (19850118)

 

stinkool

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - steenkool

Tante Alie had gin knder, mar wel nne vent. Die deej iets in verzeekeringe of stinkole, want in dr vurtntje hing dr tege de muur n schone plaot meej zoiets drrop. (Jos Naaijkens; Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot;  CuBra, ca 2005)

 

stinnege

werkwoord, zwak

stenigen

B stinnege - stinnegde - gestinnegd

 

stinoove

zelfstandig naamwoord

steenoven, oven van een steenfabriek

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord mannelijk  - steenoven, steenbakkerij

LDM - Voor het bestaan der steenfabrieken werd de baksteen gestookt in veldovens. Als de boer een stuk grond had waar veel leem in zat, was dat geen goede teeltgrond, omdat deze het hemelwater niet doorliet. De boer verkocht die leem dan aan een nabij staande steenoven of zette er zelf een. Zo waren er in de Berkdijk de ovens van de Gebr. Brekelmans, Jan v. Pelt en Bartje Wouters. Ook in de Reit was er een. Het Gemeente-Archief bevat verschillende namen van personen die het bedrijf van steenbakker uitoefenden bijv. in 1848 D.J. v. Pelt (2 mannelijk volwassen werklieden), Corn. A. de Kok (3 mannelijk volwassen werklieden), Jan Baptist Smulders (6 mannelijk volwassen werklieden), Joh. v.d. Hout (9 mannelijk volwassen werklieden). In 1853 J.F. v. Dun (2 mannelijk volwassen werklieden). In 1881 waren er elf maar ze worden niet meer met name genoemd.

() Ging men de oven aansteken, dan moest dit op het gemeentehuis worden aangegeven met de juiste tijd, dag en uur en de plaats waar deze steenoven was opgezet. Die tijd werd dan door de stadsomroeper door de gemeente bekend gemaakt. Dan wist de burgerij wanneer ze 's avonds een rode gloed in de lucht zagen, dit niet het gevolg was van een brand, maar van een steenoven. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 3 De stadsomroeper; NTC 2-12-1950)

 

stinpst

zelfstandig naamwoord

steenpuist

Anoniem 1959 Van unne stinpust op zunne rrum,/ as unne proem zo groot,/ Zis zo groot as unne kaaischeut,/tot aon z'n schauwers was ie rood. (Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie) ► voor de volledige tekst zie HIER OP CUBRA

Piet van Beers De stinpst: Ik hb ene Stinpst op m'n gat. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Mn dchter die ha hier zogezeej zonne stinpst staonn en uur ndderaand koste zo de slierte t trkke, de vlleghd dieter tkwaam! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Ed Schilders - Mar as ge unne stinpst op oewen drriejre had, n as bidde nie hielep, dan moeste bij t feitvrouwke van Van Hees zn. Die mkte dr ge zallefkes. Vur pste, kseem, fratte, padscheete, n alles. (W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

stintje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

steentje

verkleinwoord van 'steen', met vocaalkrimping

 

stintje ktse

werkwoordelijke uitdrukking

steentjes ketsen (kinderspel)

1 Een kiezelsteen op het wateroppervlak gooien

zodat de steen afketst op het water, liefst meerder keren achter elkaar

2 Kinderspel met muntstukken

Van Delft - Dan was er voor de reeds wat oudere jongens, en zeker meest in de volksbuurten, het steentje ketsen. Dit kon men met twee of meer jongens doen, en ook weer met maats. Men zette een heele of een stuk plavuis op een open plaats, trok weer pijltje en de twee aan twee langste stokjes of strootjes waren maat, deze moesten mekaar helpen. Ieder plaatste een cent op den steen. Om beurten werd dan met een ijzeren knikker (lons genoemd) naar den steen met geld "geschoten", want het doel was er nabij te geraken en zooveel mogelijk centen stuk voor stuk er van te bemachtigen. Men mocht ook "van meet af'" de bollen beschieten dergenen, die reeds voorgegaan waren, teneinde deze "er af" te schieten, ten laatste bleven er een of twee over en wie dan bij den steen lag, mocht met zijn lons de centen om kletsen. Had hij 't geluk, dat ze kantelden, dan waren ze van hem. Het "kruis en munt" sprak dus mee. Sprong de cent niet om, dan ging deze op den steen terug en de tikbeurt was aan den opvolger. Zoo speelde men voort tot het einde. Dit spelletje werd terecht door de veldwachter niet toegelaten. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

 

stintje kltse

kinderspel

de spelregels zijn niet opgehelderd

Interview Hermans  - 1978 - Toen din ze niks as mitje steeke, war, n stintje kltse! Der konde kln n der konde grote meej doen mar et ging aatij om de snte n d waare mist grote, die hn meer snte as de kln mar ze moge dan tch wl ene keer van hullieje vadder meej doen!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Stiphoutse krk

gezegde; kaartterm

Van Beek - 't Is Stiphoutse kerk. - Gezegd bij het kaartspel, als men geen enkel prentje (plaatje) heeft. - Dan mag men ze "weggooien" om opnieuw te "geven". (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

WTT 2013 - Dit gezegde is blijkbaar ontstaan doordat de kerk van Stiphout geen muurschilderingen had.

 

stobber

zelfstandig naamwoord

stof

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - stobber; is me d daor en stbber

- en daor kwaam veul wend en stobber uit; (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
... innen duim dik stobber dr op... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben W stobber, w sintels... (19540403)

Henk van Rijen - 'stobber'

Stadsnieuws - Kom hier, dan zak de stobber es t oew broek klppe (270806)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stber, zelfstandig naamwoord mannelijk  'stobber' - 1) stuifzand, stof; 2) fijne motregen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOEBER zelfstandig naamwoord mannelijk  - opvliegend stof, stuivend zand; stofregen

 

stobbere

werkwoord, zwak

stof doen opwaaien

stbbere - stbberde - gestbberd

- frequentatief van 'stffe'

fig: Daor stobber et = daar spant het (b.v. echtelijke twist)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "stobberen - 't stobbert zoo (het stuift zoo)"

Van Delft - In plaats van het stuift veel, zegt hij: "W stobbert het toch." Hij spreekt ook van "stobber" op den weg, "stobber" op 'n vloer. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

De Wijs -- (gehoord na n wandeling:) oew averseer schoene zn gelk ondergestobberd (17-08-1964)

Van Beek - "W stobbert het toch!" hoort men zeggen, als er veel stof waait. Of "Stobber znie!" of: "'t Stobbert z". (Dat z hoort er bij). (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Frans Verbunt - vrije dr stobbert

Henk van Rijen - 'stobbere'

Cornelis Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STOBBEREN ov.ww - 1) stof doen opwaaien; 2) onpers. ''t Stobbert' - 't stieft, er hangt stof.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stbərə(n), zw. pers, en onp. ww. 'stobberen'-1) stuiven, stoffen; 2) stof- regenen; stof doen opvliegen, stof maken/ verwekken; 4) snel en met geweld verwijderen.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOEBEREN - stuiven, stof maken; stofregenen

Jan Naaijkens - Ds Biks - 'stobbere' ww - opstuiven

 

stobbernist

zelfstandig naamwoord

stofnest

Cees Robben Diejen stobbernist... (19601104)

Henk van Rijen - d ketoor is ene grote stbbernist

Henk van Rijen - 'stobbernist'

Cees Robben - 'stobbernist'

CiT (131) 'D ketoor isne groote stobbernist'

 

stoef

zelfstandig naamwoord

WBD III.3. 1:305 'stoef' = bluf, ook 'gestoef'

 

stoefe

werkwoord, zwak

WBD 'stoefen' = opscheppen

Frans Verbunt - stoefe - opsnijden

WBD III.1.4:430 'stoefen' = de hemel in prijzen

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STOEFEN onov. ww - trots zijn op, pochen met, te pas en te onpas eigen verdiensten ter sprake brengen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOEFEN - hetz. als stoffen, zich roemen, bluffen, zwetsen, pochen, snoeven; stoefen op en over.

WNT STOEFEN - stoffen, pochen, roemen

 

stoep, stuupke

zelfstandig naamwoord

stoep

Ieder vgt zen ge stuupke... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sneuw)

De Wijs -- Gij gaot te ver, ge veegt oew stuupke nie schn, mar oew hil straotje (23-10-1963)

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'Dat dankt me de stoep!'

WBD III.3. 1:405 'stoep' = idem

 

stoepe

werkwoord, zwak
Gerard van Leijborgh - Stoepen: tijdelijk bij iemand werken.
(Historische sprokkelingen, Nieuwe Tilburgsche Courant, 25-8-1933)
 

stoeper
zelfstandig naamwoord

Gerard van Leijborgh - Stoeper weer een typische Tilburgsche uitdrukking. Een stoeper was een wever, die maar tijdelijk werkte; was er geen werk meer dan kon hij gaan, werd op de stoep" gezet. Werd aan een meisje gevraagd, heeft u vaste verkeering, dan kreeg men wel eens ten antwoord: "ik heb maar een "stoeper". (De laatste Tilburgse huiswever, Nieuwe Tilburgsche Courant, 22-11-1940)
 

stfbojem

zelfstandig naamwoord

stofbodem

WBD stfbjem (ll:1384) - stofbodem, bol v.e. pet

 

stffe

werkwoord, zwak

stuiven, stof maken, 'stbbere'

stffe - stfte - gestft

 

stfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

staafje

verkleinwoord van 'staof', met vooaalkrimping

 

stkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - staakje

verkleinwoord van 'staok'

 

stkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'stk', met umlaut

stokje

Dialectenqute 1876 - stukske (u = Fr. oeu.)

...'n aaw versleten menneke mee n stkske... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Naor oome Teun; NTC 24-2-1940)

tok-tok-tok as van n stkske (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

Cees Robben Ons oma viel van dr stkske (19860620) [viel flauw]

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - kletskoek op en stokske verkope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - onzin vertellen

WBD III.2.2:36 'stokje' =stok of twijg om te straffen

 

stokt

persoonsvorm  

stookt

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'stooke', met vocaalkrimping

Hoeufft: 'stokt' voor stookt - De o wordt niet uitgesproken, als in stok, maar als in dof.

 

stkt

persoonsvorm  

staakt

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'staoke', met vocaalkrimping

 

stllepere, stlpere

werkwoord, zwak

struikelen

WBD III.1.2:10 'stulperen' = struikelen, ook 'stronkelen', 'strompelen' en 'klotteren'

stlpere - stlperde - gestlperd

van D. 'stolpern' ? = struikelen, strompelen

Cees Robben Swels dn lleger spulde/ stlperdenie over den dlleper van de Klleverse kerk.. (19651015)

Cees Robben Stllepert nie vur-over... (19570622)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STOLPEREN (stlpere) onov. ww - struikelen, zich onhandig en met schokken voortbewegen (verwant met strompelen)  

 

stlp

zelfstandig naamwoord

stolp; glazen omhulsel (klok genoemd) om voorwerpen te beschermen en stofvrij te houden

WNT STOLP - 1) kom of klok waarvan de opening naar onder is gekeerd

1 Meestal voor heiligenbeelden of katholieke huisvlijt

Op de kaast stonde nog twee heilige ieder onder enne glaoze stlp. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

n op de schaaw ston en bild van Sintantooniejes onder ene stlp. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'stulp' - stolp, glazen klok tot overdekking v. een of ander beeld.

WBD III.4. 1:67 stulpnisje' - tjiftjaf, fitis en fluiter (68)

WBD (III.3.3:201) stlp, glasstlp, glaskoepel = stolp over een heiligenbeeld

2 Om voedsel vers te houden, met name kaas

WBD (III.2.171) 'stolp', 'kaasstolp'

3. Figuurlijk

Cees Robben Onze pa en ons moeder hebbe me onder de stlp bewaord... [ik ben door mijn ouders beschermd opgevoed] (19820507)
Cees Robben Sint Jussep onder n stlp en t hellig hart op unne pietestalleke. (19851129)

 

stlpe

werkwoord, zwak

als een stolp ergens overheen plaatsen

Hij stlpte z'nen bolhoed op z'nen kop... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Cees Robben En daor is gin maand over gestlpt of... (19860523) [en het is zeker dat...]

WBD III.1.2:7 'stolpen' = hotsen; ook: kwakken, hobbelen, hutselen, hossen

- Ge kunt ze onder en maand stlpe (gezegd van nogal wat kleine kinderen met gering leeftijdsverschil)

MP. R gezegde - Der zal gin maand oover gestlpt zn = dat zou me niets verwonderen stlpe - stlpte - gestlpt

WBD III.1.2:12 'stulpen' = vooroverduikelen; ook: 'tuimelen', 'duikelen'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zw.ww.tr. en intr. 'stulpen' - vis vangen met een hoge, bodemloze mand

 

stlperd

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - paard dat de neiging heeft het hoofd naar de grond te buigen

WBD stlper - slecht paard, ook genoemd 'slchte kont'

   

stltje

staaltje, monster

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD 'staoltje' (II:918) - staaltje, monster (van stof)

WBD III.3. 1:92 'staaltje', 'staal' = staal (monster)

 

stom

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

stom; dom

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zo stom zn ast prd van O. L. Heer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1974)

Frans Verbunt - stom ast aachternd van en vrke

WBD III.1.4:33 'stom' = dom; 'stomkop', 'stommerik' = dommerik

WBD III.1.4:36 'stommerik' = ezelachtig persoon

WBD III.1.4:361 'stom werk' = nutteloze arbeid

 

stompe

werkwoord, zwak

stompen

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 27) uit het cluster npt wordt de p steeds verzwegen: stomt, stomte, gestomt

 

ston, stin

persoonsvorm  

Henk van Rijen - stond

verleden tijd van 'staon'

 

stn

persoonsvorm  

staan

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - stn te kwke (TT) in het krijt staan, schuld hebben

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 23) stn (tegenwoordige tijd pluralis)

tegenwoordige tijd meervoud  (naast 'staon')

 

stndebens, -bins

bijwoord

stante pede, op staande voet, onverwijld = staantepeej

Cees Robben - we hbben irst stndebens gegeete; op stnde voet;

Stndebens en botteramke/ want vur kooke is gin td. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vurjaors-trubbel)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stndənbens, bijw. ' staandebeens' - staande, in staande houding

Biks 'stondebins' bw - staandebeens

Haor stndebins - staandebeens

 

stnder

zelfstandig naamwoord

staander

WBD schoor v. d. putgalg (een v. d. schuinstaande paaltjes, drie of vier in getal, die de putgalg aan de voet ondersteunen) (Hasselts!);

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stondər, resp. sto.n, zelfstandig naamwoord mannelijk  'staander' resp. 'staan' - 1) gladde zijkant v.e. bikkel; 2) steigerpaal.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STAANDER zelfstandig naamwoord mannelijk  - bij metsers: lange, rechtstaande paal, waar de metsers op de hoogte der stelling, de veerhouten aan vastbinden om er de maashouten op te leggen.

 

stndewg

bijwoord

staand

Om den goeien afloop te vieren z'k regelrecht nor de Looiersbeurs gestapt en daor h'k m'n eige getracteerd op drie aawe klaores, die 'k zoo mar stondeweg on 't buffet heb opgenomen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

 

stnplts
zelfstandig naamwoord
staanplaats
vruuger hamme bij et voetballe amml en stnplts
 

stof

werkwoord, persoonsvorm

stoof

verleden tijd van stve

 

stook

zelfstandig naamwoord

brandstof

We han bekaant gin stook mir.

- Koom ik stook te kort, wel dan kap ik mn liddekaant kepot en d stook ik op en dan slaop ik vort in n glaskiest. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOOK zelfstandig naamwoord mannelijk  -al wat dient om in den heerd of in de stoof te branden, zooals kolen, hout, turf; Fr. chauffage

WNT STOKEN: afleiding: STOOK - 1) brandstof, in Antwerpen ("veur stook zorgen tegen de' winter"); 2) in 'een stook hout' - zoo vl hout als men in n keer opstookt, in Noord-Holland

 

stok

verleden tijd van 'steeke'

Henk van Rijen - stak

 

 

stooke

werkwoord, zwak

stoken

Henk van Rijen - 'Stooke teege de klppe van de hl omhog' - zo hard stoken dat de kachel roodgloeiend staat.

Dirk Boutkan (1996) - 'stokolie'

B stooke - stokte - gestokt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stokt; M imp.: stok

 

stookollie

stookolie

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 33) stookollie (geen klinkerverkorting)

 

stol

werkwoord, persoonsvorm

stal

verleden tijd van steele

 

stom

zelfstandig naamwoord

stoom

WBD 'stoomtoffEl' (II:1390) - stoomtafel (in pettenindustrie)

 

stome

werkwoord, zwak

dampen, stomen

WBD (III.2.1:217) 'stomen' = dampen

 

stomtffel

zelfstandig naamwoord

stoomtafel

WBD 'stoomtffəl' (II:1390) - stoomtafel (in pettenindustrie)

 

stop

zelfstandig naamwoord

vat voor vloeistof

 

stoore

werkwoord, zwak

storen

Dialectenqute 1876 - steure - storen

WBD III.4.4.311 'stoornis' = idem

B stoore - stoorde - gestoord vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij stort

 

stot

werkwoord, persoonsvorm

roemde

verleden tijd van stte; ook stotte

 

stot

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - stoet, schare, veelheid

Henk van Rijen - 'Daor hn ze tch un stot jong' - Daar hadden ze toch veel kinderen.

WBD (II:2774) 'stt' - stootring

WBD III.4.4:256 'stoot' = menigte, troep

WNT STOOT (I) - 14) tamelijk groote hoeveelheid

 

stote

werkwoord, zwak

stoten

1965 - Hoogendoorn - uitdrukking - 'Een kalf kan tegen een koe niet stoten'.

Brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965 - Bron: Archief erven Pierre van Beek

WBD stoten, met de horens (gezegd van een bok)

WBD glaansstote - glanzen van leer aan de nerfkant, ook 'glaanze' genoemd (II 663)

stote - stotte - gestote vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij stot

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) stote - gij/hij stot

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOOTEN - de gevulde glazen klinken; ook: tikken

 

stotkr, stotskr

zelfstandig naamwoord

stootkar, handkar

Nieuwe Tilburgsche Courant 5-2-1893

Frans Verbunt - sttskr - handkar

WBD 'strtkr' - stortkar (II:2783)

WBD III.3. 1:390 'stootkar' = "voertuig

Biks 'sttkr' zelfstandig naamwoord  - stootkar, handkar

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - STOOTWAGEN, een soort van straatwagen, in onderscheiding van dezelke welke, even als de kruiwagens, tusschen eene berrie worden voortgestuwd, daar deze van achteren d. m. v. eene dwarslat worden voortgedreven.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOOTWAGEN zelfstandig naamwoord mannelijk  - handwagen met twee wielen, dien men voorstoot of terkt. STORTKAR zelfstandig naamwoord  v. -zie: kapkar en stulpkar

 

stotraand

zelfstandig naamwoord

stootband, band ter versterking v.e. onderzoom

WBD stotraand (II:1087) - stootrand, stootband

 

stpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

stopje

Dialectenqute 1876 - 'n kurreke stupke (u = )

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - hij is nt et stpke van den duuvel zen oliekrske (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd van een klein, nietig mannetje

verkleinwoord van 'stp', met umlaut

 

stpnld

zelfstandig naamwoord

stopnaald, grote naald om (kousen) te stoppen

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de stpnld = F. Mutsaerts (blz. 57)

WBD III.1.1:21 'getailleerde stopnaald' = slank, tenger

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOPNAALD, zelfstandig naamwoord  v. - fig. een mensch die lang en dun is.

 

stppe

werkwoord, zwak

stoppen

stppe - stpte - gestpt

WBD goed gestopte koej - harmonisch van bouw, ook genoemds 'vierkaante' 'goej behnge', 'schon behange', 'geljnde', goej gesloowte koej '.

 

stpperke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - een laatste aardappel na de maatijd, die men zo uit de pan eet

 

strm

zelfstandig naamwoord

storm

WBD 'strmbant' (ll:1384) - stormband (bandje rondom uniformpet) WBD 'strmkrt' (II:1391) - stormkoord (sierkoord om een pet)

WBD III.4 :4:105 'stormen' = waaien Dirk Boutkan (1996) - (blz. 22) strm

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord  en bijw. 'sturm' - storm 1) geweldige hoeveelheid 'ene sturm van volk'; 2) als bijw. v. intensiteit betekent het: geweldig, kolossaal.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRM zelfstandig naamwoord mannelijk  

 

stssie

zelfstandig naamwoord

statie; met name een statie in de kruisweg

De vurrige week waren 't de duivenmelkers, die dere Zondag bij de aachtste stossie ston te hangen en hil de vloer vol bruine klodders spiersen; (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

 

stot

persoonsvorm  

stoot

Cees Robben - ge stt meej oew knt alles m wgge meej oew haande ht rchtgezt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) 'stot' 2/3 p. sing. van 'stote'

tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'stote'

 

stt

persoonsvorm  

roemt, gaat prat op

Hij stt meer dan et lije kan. - Hij pocht meer dan verantwoord is.

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 57) 'stt' 2/3 p. sing. van 'stte'

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'stte', met vocaalkrimping

 

sttje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD III.1.1:131 'stuitje', 'stuit = stuitbeen; ook 'staartschroef

 

stotte

persoonsvorm

stiet, stootte

Dirk Boutkan (1996) - (bl'z. 40) stottegij 'stoot je, stootte je 'haplologie uit stottedegij

verleden tijd van stote

 

sttte

persoonsvorm  

roemde

verleden tijd van stte; ook stot

 

straand

zelfstandig naamwoord

strand

 

straant, astraant

bijvoeglijk naamwoord  

vrijpostig, astrant

astrant; brutaal, vrijpostig; uit Vlaamse astrant, mogelijk van Franse assurant, maar in het Frans niet in deze betekenissen gebruikt
Cees Robben Z vroeg ik straand... (19590912)
Cees Robben Hij trok de straante schoenen aon (19590530)

gezegde - Ene straante meens kmt de halve wreld toe. - Een brutale mens heeft de halve wereld.

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - straant: ''n strant vrammes'

gezegde - Pierre van Beek - Zo astraant as et houtje van de galg. (Tilburgse Taalplastiek 136)

WBD III.3.1:221 'strant', 'astrant, brutaal' = vrijpostig

WBD III.3.1:225 'strant', 'lomp, onbeleefd' = onbeleefd

WBD III.3.1:226 'strant', 'ontstrant, frank, onbesnut' = brutaal

WBD III.1.4:130 astrant' = moedig

Stadsnieuws - Hij ston mn meej en straant bakkes t te laage. (280606)

Biks strant bn - vrijpostig

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ASTRANT bn, zelfverzekerd, brutaal

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - strant, bnw. en bijw. 'strant' - astrant, vrijpostig

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - ASTRANT en ASSURANT - frank, onbeschaamd, vrijpostig, stout indringend

S.G. blz. 86, 111, 113, 210, 293, 325, 329, 335, 338 (aant. Witters)

Hees astrant (1:39)

Bosch strant - brutaal

 

straf
bijwoord
goed, machtig
Cees Robben De vurspraok van Onze Lieve Vrouw van de Hasseltse Kapel [is] zeker z straf as die van Kevelr... (19710515)
 

strak

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

straks (van STRAK met adverbiale s)

Henk van Rijen - strak(ke)

Wcht mar te straks,

Cees Robben - strak maok ik dieje lsse zm van oewe jas wl;

...strak zdet ammol meej mn ens... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ws wn tch fn)

Henk van Rijen - 'A-me naa strakke w aanders krge, is-t vurmekaare'

Gaotie ons strak de oore waase... (Henritte Vunderink, Kaajgaaf, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

B strak - straks

WBD III.1.4:303 'strak' = streng

WBD III.4.4:8 'strak' = onbewolkt; 'strakke lucht' = bestendig weer

Bosch strakke - straks

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRAK bw. - straks, later, aanstonds

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - strak, bijw. 'strak' - straks

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - STRAK of STRAKS, voor 'bijna'. B.v. 'ik was het strak vergeten', dat is 'haast' gelijk men ook wel elders zegt.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STRAK bw-straks; verwijst naar een niet zeer nabije toekomst of naar een niet lang vervlogen verleden; in het laatste geval soms versterkt met 'toe' of 'toen' en dikwijls in de vorm 'strakke': toe strakke - daar straks.

 

straol, strltje

zelfstandig naamwoord

straal

WBD straol - straal, eeltachtige verhoging in de vorm van een pijlpunt midden door de platte onderkant v. d. paardehoef

 

straole

werkwoord, zwak

stralen

straole - strlde - gestrld

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij strlt

 

straot

zelfstandig naamwoord

straat

p straot, bij ns in de straot, assie mar van de straot is

De Wijs --  (Gehoord van de ene Moeder tegen de andere:) 9 dochters en goed getrouwd, geen n die van de straot af moest (17-10-1972)

- uitdrukking: van de straot af raoke: in het huwelijk treden, een man of vrouw vinden
Cees Robben Op de duur raokt (...) iedereen van de straot aaf... (198407120)

WTT - Daarentegen 'van de straot af moete': omdat een vrouw zwanger is maarnog niet gehuwd.

gezegde - Henk van Rijen - de kaaj n de straot hbbe nie zoveul geleejen as hij.

Henk van Rijen - 'Ge zt ur meej van de straot' - Je hebt er een bezigheid mee.

 

straotboelie

zelfstandig naamwoord

LvG uitgaanstype

 

straotfks

zelfstandig naamwoord

foxtrot [?]

 

straotkaaje
zelfstandig naamwoord, meervoud van straokaaj
straatkeien; straatstenen
Cees Robben En ik kan t aon de straotkaaie nog nie kwt... (19640918)

 

straotlantres
zelfstandig naamwoord meervoud van straotlantre
straatlantaarn
Cees Robben As de straotlantres aon zn (19581122)

 

straotmus
zelfstandig naamwoord
straatmus; door Robben gebruikt voor een vrouw die graag buitenshuis is en daardoor het huishouden verwaarloost.
Cees Robben Is oew vrouw thuis, Tinus..? Thuis.. Die straotmus is wir op rak... (19830708)
 

straotstene

zelfstandig naamwoord meervoud

De Wijs -- ik h mir kkkers dan kpers, ik kant aon de straotsteene nog nie kwt   (17-08-1964)

 

straotveeger

zelfstandig naamwoord

(overheidsdienaar) die de straat veegt

 

Straatvegers- 19e eeuw

 

strd

zelfstandig naamwoord

strijd

Henk van Rijen - 'H heej zunne strt gestreeje' - Hij heeft zijn strijd gestreden.

 

streej

werkwoordsvorm

streed, vocht, bekvechtte

verleden tijd van 'strije'

 

strek

werkwoordsvorm

streek

verleden tijd van strke

 

strke

werkwoord, sterk

strijken

Dirk Boutkan (1996) - strke - strek - gestreeke

B strke - strek - gestreeke vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij strkt

Et strke van men boezzeroene... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

WBD brood netten (bevochtigen v. d. bovenzijde van deegbrood)

R.J. 'den bekker zeej: 'ik laot me strken''

WBD strke (II:1056) - strijken

WBD III.1.2:76 'strijken' = wrijven; ook: 'ruisen, frotten'

 

strkzer

zelfstandig naamwoord

strijkijzer; grote voeten

Cees Robben [man op rand van ziekenhuisbed:] Ik wil die kaauw strkzers nie in mn bed hebbe... (19850621)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "die he 'n poar strijkijzers (groote voeten)"

Efkes naoderhaand vloge zn schoen van zn strkijzers aaf en gonk ie aon t paase... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WBD (III.2.1:345) strkzer

 

strker

zelfstandig naamwoord

WBD strijker (paard dat zijn enkels kwetst door ze onder het lopen tegen elkaar te schoppen)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRIJKER zelfstandig naamwoord mannelijk  - vioolboog; Wetplankje voor zeisen en pikken.

 

strkgaore

zelfstandig naamwoord

strijkgaren

WBD strkgaore (of strjkgaore?) (II:921) - bep. soort wollen garen ook 'strk' of'strjk'(?) genoemd

 

strklap

zelfstandig naamwoord

WBD strijklap: het stukje leer waarmee men de pek over een draad strijkt (II:700)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRIJKLAP zelfstandig naamwoord mannelijk  - Bij blokm.: leeren lap om de messen op te strijken

 

strkplank

zelfstandig naamwoord

strijkplank

Dirk Boutkan (1996) - geen klinkerverkorting: strkplank (blz. 33)

 

streen

zelfstandig naamwoord

streng, gewonden en veelal ineengedraaide bundel garen

WBD streejn (II:990) - streng; ook: 'strng'

WBD streejn (II:993) - streen, twist (bundel kettingdraden)

WBD III.2.1:376 'streen' = streng garen

Bosch streen - streng garen; iem. die niet recht door zee is; kwezel

WNT STREEN (II) (t. w. garen): Thans alleen in het Zuiden. Wsch. was de oorspr. bet. 'streep, smalle strook, lijn'.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - streen - streng staren, haarsliert, riem, koord

 

strep, stripke

zelfstandig naamwoord

streep

WBD strep (II:917) - streep (als dessin), ook 'streejp'

Dirk Boutkan (1996) - meervoud  streepe; Naast sing. 'streep' ook 'strep' (blz. 32, 36)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STREEP zelfstandig naamwoord  v., Fr. ligne, zie wdbb.; smalle strook grond; haarscheiding

 

strve

werkwoord, zwak [?]

WBD III.4.4:305 'strijven' = neervlijen, neerleggen

 

strksel

zelfstandig naamwoord

strijksel

WBD netvloeistof (dienend om de bovenzijde v. h. deegbrood te bevochtigen)

 

strkt

persoonsvorm

Henk van Rijen - strijkt

Derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van strke: hij strkt

 

strengeghd

zelfstandig naamwoord

(ge)strengheid

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRENGIGHEID zelfstandig naamwoord  v. - strengheid

WNT STRENGHEID - daarnaast, vooral vroeger STRENGIGHEID

 

Schilderij - Jan van Bijlert -17de eeuw

strf

zelfstandig naamwoord

WNT lemma struif - Etymologie onbekend

1. pannekoek, pannenkoekenbeslag

... plat as 'ne struif of dik en rond glek 'n stertjes-knol (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit 't klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Pierre van Beek - spkstrf - spekpannekoek

Informant Ad Vinken - aajerstrf

WBD III.2.3:150 'struif', 'eierstruif' = eierkoek

WBD III.2.3:224 'struif' = pannenkoek; 226 'spekstruif' = spekpannenkoek

WBD III.2.3:227 'kersenstruif' = kersenpannenkoek;

WBD III.2.3:227 'struifje' = flensje

Stadsnieuws - We eete taovend spkstrf meej stroop (130607)

WNT STRUIF - 1) eiergebak, omelet; 2) in Antw.: zeer dikke pannekoek

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRUIF zelfstandig naamwoord  v. -zeer dikke pannekoek van bloem gebakken.

2. achterwerk

Pierre van Beek - figuurlijk: achterwerk

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - struif, uitsluitend opgetekend voor Tilburg

3. gezegde - mogelijk in verband met 2

Pierre van Beek - Hij heeter zene strf tch mar lkker ingedraajd. - Die jongeman heeft zich op een gunstig adres een meisje verworven. (Tilburgse Taalplastiek 154)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - der zene strf indraaje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - een goede plaats veroveren; soms in het bijzonder m.b.t. een vrijer

WTT 2013 - Denk aan modern Nederlands: ergens zijn kont indraaien

4. Inspanning

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STRUIF (str:f) m - 1) pannekoek; 2) inspanning, in de uitdr. 't kost veul str:f - het kost kruim.

5. Sul

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - str.f, zelfstandig naamwoord vr. 'struif' - 1) pannekoek; 2) sul, hannes (uitsl. v. mannen)

 

Schilderij van de Tilburgse schilder Adriaan de Lelie - Vrouw bakt pannenkoeken.

► Bestrve

► Zie het dossier Struif met afbeeldingen

 

strk, strkske

zelfstandig naamwoord

struik

strke - struikgewas, 'strkgewaas'

De Wijs  -- (n laat getrouwde juffrouw is ondanks alles (of dankzij) in verwachting geraakt) J, j, nen auwen struik wil nog wel groeien, asser w sap aon zunnen wortel komt! (15-06-1963)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - as ge n nen aawe strk waoter giet, gaotie ng wl es bloeje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd v.e. vrijgezel die op latere leeftijd trouwt

WBD I:1475 aardappelstruik: 'bos', (Hasselt) strk

Dirk Boutkan (1996) - geen klinkerverkorting in: strkgewaas

WBD III.4.5:58 strk - boomstronk; ook genoemd; post, knuist, gateind, konteind

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRUIK zelfstandig naamwoord mannelijk  zie wdbb.; op struik verkoopen - graan verkoopen, ter wijl het nog te wassen staat. STRUIKEN zijn uitgegroeide wortels en ondereinden van denneboomen.

 

strkgewaas

zelfstandig naamwoord

struikgewas

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 33) strkgewaas (geen klinkerverkorting)

 

strne

WBD III.1.2:124 'struinen' = verdacht rondlopen; ook: 'sluipen' 'gluipen'

strne - strnde - gestrnd

 

strp

zelfstandig naamwoord

1. schare, groot aantal, vooral van kinderen

- en strp knder

- Zen wuw blef zitte meej en strp kln knder

streup kender, (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, aaw Tilburg, 1938)

...'ne streup blaogen aachter 'm aon. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)
Meej hil de strp irst in de rups/ dan n de gktnt speule. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)
De Wijs -- Mee zon streup knder moet ik oppaasse d ze nie van de kaaibaand gaon, as ge naa aachter mekaor loopt, koom t wel veur mekaor (27-12-1968)

De Wijs -- Ons vrouw gao mee de hille streup naor dn dierentuin, mar ze veinen de lachspiegels t leukste (09-07-1967)

Cees Robben t Is unne streup... n heele klocht... (19580531)
Cees Robben Meej hil de streup.. (19600520)
Cees Robben En s aovens moet den heele streup/ al vruug den poetzak in (19650507)
Cees Robben Zuutjes kuieren, luikes luieren/ mee munne streup... (19540612)

Zde meej hil de streup op pad/ dan is er in de kortste keere/ oe knip wir pannekoeke-plat. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes haawe )

Meej hil de strup irst in de rups/ dan n de goktnt speule./ Ammol ene raoze krmes-steel/ hup, in de mallemeule. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)

Ene vadder meej ene knderstreup/ die veul lewaai meebrchte/ zaat en ketier, smaachtend van drst,/ op zen pilske te wchte. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de zon schnt...)

...mar tch ging saoves hil de strp/ wir kke nr et danse. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)

Piet van Beers n de pil: Vruuger han de miste meense/ knder...enen hele streup. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Ik h geheurd dgge meej un streup jong zit te haawe, diege nie te baos kunt (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

t Schonst vn ik: Ze kosse nie b mekaor gekweeke krge. D zeeje ze vruuger as n vraauw dr knder nr binne riep. D viel dikkels nie meej, want toen han veul vraauwe ng enen hele strp jong. En kwkt die ammel mar s bij mekaare. D moes toen ng, zonne strp. Van de pestoor. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

GD94 meej hil dieje strp knder

Frans Verbunt - 'strp jong' - kinderschaar

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - streup - troep, gezegd van kinderen (Tilb., Hilv.); naglijder op basis van verwantschap met stroopen

Haor KROOI - grote hoeveelheid; veel kinderen.

2. veel, een grote hoeveelheid van het vervolgens genoemde of bedoelde woord

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - wnne strp gld!

Ast meej Pinkstere goei weer is,/ Ha ons Sjaan al lang gezeej,/ Maok ik ene keer fonduu klaor/ ge brengt hil de streup mar mee. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vrmd eete)

Mar et schonste van Karneval vn ik den opstoet. Meej al die hogkre, n die strpe. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
WBD III.4.4:256 'streup' = menigte, troep

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - streup (blz. 182), evenals 'klocht'

Biks 'strup' zelfstandig naamwoord  - groot aantal

 

strpe

werkwoord, zwak

stropen

WBD (III.5.2:59.) 'stropen', 'rondstropen' of 'deugnieten' = schoepen

strpe - strupte - gestrupt, met vocaalkrimping - In tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij strupt

B noteert 'streupe' zonder naglijder

Piet van Beers tverkop: Ze strupt dan (saome meej der zuster)/ in de stad...de winkels aaf. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

strper

zelfstandig naamwoord

stroper

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'streuper'

 

strs

bijvoeglijk naamwoord  

kloek of zwaargebouwd

R.J. 'die smid hah 'n struise knappe vrouw'

WBD III.1.1:15 'struis' = zwaar van lichaamsbouw; ook: 'stug' of 'stuup'

WBD III.1.1:16 'struis' = grofgebouwd

WBD III.1.4:139 'struis' = krachtig

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - bnw. 'strous' struis: 'ene strouse jonge, resp. kaerel. '

Hft. Hoeufft: 'struisch', voor zwaar, sterk, kloek, zoo van bezielde als

onbezielde wezens. Z.a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRUIS(CH) - kloek, gespierd, sterkgebouwd, Fr. robuste; kloek, onbewogen, niet ontroerd.

WNT STRUISCH - 1) kloek, zwaargebouwd; 2) flink, niet toegevende aan zijn aandoeningen

 

strije

werkwoord, sterk

strijden, vechten, bekvechten Pierre van Beek - kibbelen

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'strijen' Dialectenqute 1876 - strije

WBD III.3. 1:256 'strijden', 'afstrijden, bekvechten, muilvechten, smoelvechten, ruzie maken, haarenkelen' = bekvechten

3 strije - streej - gestreeje

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STRIJDEN (strje) onov. ww - alleen gezegd v. woordenstrijd, kibbelen.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRIJ(D)EN - kijven, twisten, krakeelen

Bosch strije - kibbelen, redetwisten

 

strikske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

strikje

WBD strikske (II:386) - strikje (aan de achterkant v.e. pet)

Frans Verbunt - et strikske zit n de vurkaant (gezegd als er geen borsten te ontwaren zijn)

 

stripke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

streepje

R.J.  'daor hah ze wel 'n stripke veur'

Cees Robben Nog gin stripke wzer (19830916)

WBD III.4.4:287 'streepje' = millimeter

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 32) stripke

verkleinwoord van 'strep', met vocaalkrimping

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STREĚPKENSGOED zelfstandig naamwoord o gestreepte stof

 

strissele

werkwoord, zwak

urineren

WBD III.1.1. lemma urineren  - Udenhout

 

stroebele

werkwoord, zwak

PM verzamelen

R.J. (tot de wind:) 'Stroebel mar blaojer van de bome'

PM kaajscheute stroebele

stroebele - stroebelde - gestroebeld

- Verwant met 'strobbelen'? (zie WNT)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STROEBEL, STRUBBEL zelfstandig naamwoord mannelijk , STRUBBELING,  STROEBELING v, zonder mv. oploop, gedrang, gewoel, geharrewar, Fr. tymulte, bagarre, foule

 

strkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

struikje

verkleinwoord van 'strk', met vocaalkrimping

 

strlt, strlde

persoonsvorm  

straalt, straalde

R.J. 'hoe schon jouw zieltje strolt'

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'straole', met vocaalkrimping

 

strltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

straaltje

verkleinwoord van 'straol', met vocaalkrimping

 

strommelchteg

bijwoord

WBD moeilijk (lopen) gezegd van koeien? ook 'krom staon' genoemd

 

stronk

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:105 stronk - dennenwortel; ook genoemd: pin, stomp, pst

WBD III.4. 3:53 stronk - ondereinde v.e. stam; ook genoemd: voet, kontnd, gatnd

 

stronkele

werkwoord, zwak

WBD III. l. 2:10 'stronkelen' = struikelen, ook: strompelen, stuiperen

 

stront

zelfstandig naamwoord

stront, ook soortnaam: ene stront

Informant Toine Raaijmakers - Van een zuurpruim: Die laagt ng nie as ie ne scheet/stront teege de muur omhog zie krpe

Informant Toine Raaijmakers - Als reactie op de schertsende opmerking bij voorrang: 'Et vl gao vur den bissem': De strnt kmt aachter et vreke.

MP gezegde - Die kan niks as van brod strnt maoke.

MP gezegde - En prd n enen hnd, die hinkt van ene strnt.

In de strnt ruure - onprettige zaken oprakelen

R.J. dije strnt, znne strnt (soortnaam)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - hij lkt p strnt nch luure (D'16) - hij lijkt op stront noch luiers.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - et pinneke van zen hart hangt in de strnt (D'16) - antwoord op de vraag 'Waarom is hij zo klein?'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRONT zelfstandig naamwoord  m, niet v.

Frans Verbunt - zeuve kleure strnt schte - erg bang zijn

Biks 'strnt' zelfstandig naamwoord  - stront

WBD III.4. 1:54 'vogeltjesstront' - vogelmest

WBD III.1.1. lemma uitwerpselen frequent Tilburg

WBD III.1.1. lemma Een wind laten Tilburg stront stinke - [als enige plaats van opgave]

WBD III.2.2:34 'verwende stront' = verwend kind

 

strontbist

zelfstandig naamwoord

WBD III 4,2:175 lemma Mestkever - Mestkever is de algemene naam voor een familie van kevers die van mest leven; de bekendste twee soorten zijn de grote zwarte mestkever (Geotrupes stercorarius, ongeveer 2 cm) die vooral op de hei voorkomt en z'n nest volpropt met mest en de kleine veldmestkever (Aphodius fimetarius, 5-8 mm), een klein algemeen voorkomend kevertje met een oranjebruin schild en een zwart borststukje dat leeft op en van halfdroge paarden- en koeienmest.
strontkever frequent in Tilburg
mestkever frequent in Tilburg
strontmulder midden van Tilburg maar zeldzaam
strontbeest - Tilburg
stronthommel Tilburg
 

stronthommel

Geotrupes stercorarius

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - traagpersoon

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - z vlug as en strntbij znder vleugels ( '72) - ironisch voor: langzaam

WBD III 4,2:175 lemma Mestkever - Mestkever is de algemene naam voor een familie van kevers die van mest leven; de bekendste twee soorten zijn de grote zwarte mestkever (Geotrupes stercorarius, ongeveer 2 cm) die vooral op de hei voorkomt en z'n nest volpropt met mest en de kleine veldmestkever (Aphodius fimetarius, 5-8 mm), een klein algemeen voorkomend kevertje met een oranjebruin schild en een zwart borststukje dat leeft op en van halfdroge paarden- en koeienmest.
strontkever frequent in Tilburg
mestkever frequent in Tilburg
strontmulder midden van Tilburg maar zeldzaam
strontbeest - Tilburg
stronthommel Tilburg

 

strontjong

zelfstandig naamwoord

strontjongen(s), kwajongen(s)

WBD III.2.2:34 'verwend strontjong' = verwend kind

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRONTJONGEN zelfstandig naamwoord mannelijk  - smaadnaam tot eenen knaap

 

strontkr

zelfstandig naamwoord

strontkar, gierkar

WBD (Hasselt) gierkar

gezegde - Dur en strntkr wrde et irst ooverreeje = Men ondervindt het meeste last v. iem. die niet op zo'n hoog peil staat.

Straotjongens hebben de aachterklep van zon strontkr nog ens los getrokken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - hier gao de strntkr vurop (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd als iemand zich in een gesprek voortdurend op de voorgrond dringt.  

Henk van Rijen - 'Ge wrt mistal nie dur un rjtg ooverreeje, mar wl dur un strontkr Je wordt meestal niet door een meerdere beledigd, wel door een mindere.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - strntka.r, zelfstandig naamwoord vr. 'strontkar', kar (waarop een ton) waarmee faecalin naar de akker worden gebracht; fig.: nietswaardige kerel.

Biks 'strontkr' zelfstandig naamwoord  - strontkar

 

strontkeever

zelfstandig naamwoord

strontkever

WBD III 4,2:175 lemma Mestkever - Mestkever is de algemene naam voor een familie van kevers die van mest leven; de bekendste twee soorten zijn de grote zwarte mestkever (Geotrupes stercorarius, ongeveer 2 cm) die vooral op de hei voorkomt en z'n nest volpropt met mest

Geotrupes stercorarius

en de kleine veldmestkever (Aphodius fimetarius, 5-8 mm), een klein algemeen voorkomend kevertje met een oranjebruin schild en een zwart borststukje dat leeft op en van halfdroge paarden- en koeienmest.
strontkever frequent in Tilburg
mestkever frequent in Tilburg
strontmulder midden van Tilburg maar zeldzaam
strontbeest - Tilburg
stronthommel Tilburg
 

strontmulder

zelfstandig naamwoord

strontkever

zie verder 'strontkeever'
 

strntpikker

Ill. Naumann - galerida cristata  

Dossier Leeuwerik

straatmus die paardepoep pikt

Frans Verbunt - leeuwerik

Henk van Rijen - kuifleeuwerik (Galerida cristata); witte kwikstaart (Motacilla alba)

WBD III.4. 1:164 strontpikker - leeuwerik

169 strontpikker - kwikstaart

Biks 'strntpikker' - zelfstandig naamwoord  - leeuwerik

 

strontschpper

zelfstandig naamwoord

WBD gierschep, gieremmer, ook 'gierschpper' genoemd

 

strontwaoge

zelfstandig naamwoord

strontwagen = strontkar (zie boven)

De strontwaoge zaagde ok nog mar amper, veul meense han waoterspuuling op de plee en waren op et riool aongesloote. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

strontzat

bijvoeglijk naamwoord  

stomdronken

WBD III.2.3:257 'strontzat' = dronken, ook 'teut'

 

Schilderij: Jan de Bray - 17de eeuw

stroj

zelfstandig naamwoord

stro

Dialectenqute 1876 - hooi en strooi

Van Beek - Iemand, die zijn vriend precies verkeerd ergens mee helpt, helpt hem "van bed op strooi". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - iemand van bd p stroj hlpe - van de wal in de sloot

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - al stkter nen bs stroj nder, dan wrdtie ng nie vlug (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd van iemand die onverstoorbaar en langzaam blijft

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ng gin strooj kunne bte ('77) - arm zijn

Henk van Rijen - strojhuuj ziede hst not nie mir

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stroʼi, zelfstandig naamwoord  o, 'strooi' - stro

WNT STROO, strooi

 

stroje

bijvoeglijk naamwoord  

strooien

WBD kalk stroje - kalk strooien, kalken van lijmvlees (II 610)

stroje - strojde - gestrojd

 

strojzak

zelfstandig naamwoord

met stro gevulde zak, o.a. dienend als matras

Cees Robben - ik slaop er beeter as p den stroojzak

WBD (III.2.1:100) strooizak = stromatras

 

strok

zelfstandig naamwoord

smal stuk van iets

 

strom

zelfstandig naamwoord

stroom, ook elektrische

de strom is tgevalle; we zitte zonder stroom

Henk van Rijen - bliksem in ne kaolen bom gift hil et jaor strom onweer vroeg in het jaar belooft veel regen

Biks strm zelfstandig naamwoord  - stroom

 

strome

werkwoord, zwak

stromen

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 't volk stromde...

strome - strmde - gestrmd

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij strmt

 

stroopkffie

Henk van Rijen - koffiestroop, Buisman

Biks stroopkoffie zelfstandig naamwoord  - peekoffie

WNT onbekend

Van Dale KOFFIESTROOP - stroop van melasse met aardappelmeel die men in de koffie doet als smaakverbeteringsmiddel, ook als surrogaat; synoniem: gebrande stroop

 

stroopkwast

zelfstandig naamwoord

stroopkwast

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - aaltij mee de stroopkwast rndlope (JM'50) - steeds vleien en paaien

WNT STROOPKWAST - in de fig. zegsw.: iemand met de stroopkwast achterna loopen - hem alstware stroop om den mond willen smeren, hen vleien.

 

strooplkker

zelfstandig naamwoord

flemer, strooplikker

 

stroopmp

zelfstandig naamwoord

stroopmop

Zde getrouwd dan wordt d netuurlijk 'n moeilijker geval mar d'r is toch k wel 'n mouw on te paassen. Ge brengt [van de kermis] vur oe vernomste helft van oe trouwbuukske bij zo'n gelegenheid 'nen buil stroopmoppen of 'n paor kwatta's mee; d is 'n veul beter remedie tegen onweer as 'nen bliksemafleijer: de bui drijft over zonder d-ge't rommelen heurt! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

 

stroopsldtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

stuk snoepgoed van gestolde stroop

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "stroopsoldotje of koekientjes opgerold papiertje (schuin), gevuld met gesmolten stroop"

Henk van Rijen - 'stroopseldtje'

Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepl in n n rozehuuke bidde vurdmme vur en of twee cnte snuupkes mochte kope. En ik moet zgge, dan smkte-n-et ok beeter. Et joodevt, de stroopseldtjes, de drpveeters, t zuuthout, toverblle. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

WBD III.2.3:249 'stroop-hoorntje' = stroopsoldaatje; ook 'stroopsoldaatje'

 

strooptiet

zelfstandig naamwoord

R flauw iemand

strooptietereg = flauw Pierre van Beek - het vriendje van een hogergeplaatste

Stadsnieuws - 'strooptiet' scheldnaam voor vriendje v. d. meester (100506) Cees Robben - verrkte strooptiet!

Henk van Rijen - verklikker

Frans Verbunt - strooptietje - puntzakje met ingedikte stroop

Biks strooptuut zelfstandig naamwoord  - strooplikker, vleier

 

strpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - stropje, verlies

Cees Robben Lillek strpke (19601007) [koosnaam?]

 

stroot

WBD III.1. :112 'stroot' = strot

WNT XVI:206 STROOT, naast strot, thans gewestelijk nog in gebruik.

 

strppe

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - stroeven

Henk van Rijen - 'Mun hmsmaaw strpt lleke keer a-k munne frak ntrk' - De mouw van mijn hemd stroeft telkens als ik mijn jas aantrek

WBD III.1.4:342 'strop' = nadeel

WBD III.2.3:23 'stroppen' = in de slokdarm blijven steken van voedsel

 

strossel

zelfstandig naamwoord, onzijdig en mannelijk

strooisel

Cees Robben t Is sunt van de strssel (19570601)

Dorrus Misters - Behalve voedsel was er ook nodig strooisel (strouwsel), want die beestjes [varkens]  moesten mest maken voor de tuin en het te pachten aardappelland. Dit strooisel moest gehaald worden uit de dennenbossen en schaarhoutwallen. Sommigen deden dat ongevraagd, maar dan stelden zij zich bloot aan een bekeuring door de veldwachter. De verstandigen vroegen daarom aan een bekende eigenaar van bos of wal een bewijs, waarbij hun verlof gegeven werd de afgevallen dennennaalden en het mos of de dode bladeren uit de wal te mogen verzamelen en naar huis te voeren. Tegen de avond zag men dan ook dikwerf moeders met volgeladen zakken op kruiwagens huiswaarts keren, geholpen door oudere kinderen of door vader, die voor een tijdje zijn getouw stil liet staan. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 Paaseieren, namen en verdwenen gebruiken; NTC 29-3-1951)

Dorrus Misters  - het strouwsel (dit lijkt ons een samentrekking van strooisel en rouwsel, datgene wat in de dennenbossen en bij het schaarhout op de grond gevonden werd, spellen (dennennaalden), mos, varens, bladeren enz.) (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 6 Hygine in vroeger dagen; NTC 28-4-1951)

Pierre van Beek - Daar [op het politiebureau] verschenen regelmatig zulke typen als Jaona Verschuren, die voor negen cent een grote zak dennennaalden aan huis bezorgde, welke eerlijk in de bossen gevuld was. "Jaona's stuultje" was een vergroeide boomstam in 't bos van de familie Houben, waar zij uitrustte van 't naalden rapen en haar pijpke smoorde. (uit: Nieuwe Tilburgse Courant - 18 maart 1955: Tilburg als dorp: Verdwenen namen en typen)

► splle

Henk van Rijen - 'strossel'

WBD lzestrssel - elzestrooisel (strooisel voor de koestal, hoofdzakelijk bestaande uit afgevallen elzebladeren)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - tis nen strosselhop (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968)-het is een hoop strooisel (kaart- term: gezegd als men alleen maar kaarten in handen krijgt die men kan neergooien

Biks stroojsel zelfstandig naamwoord  - strooigoed

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STREUSEL (uitspr strssel, met korte eu) zelfstandig naamwoord onzijdig  - strooisel (Kemp. Streusel veur de processie. Strossel veur de stal.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - STRAUSEL: het geen onder de beester gestroid word, het zij dan kort stroo, heide, of het bovenste vab de groes, het geen tusschen de heggen word uitgekrabt.

 

strossele, strssele

werkwoord, zwak

strooisel deponeren

strossele - strosselde - gestrosseld

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - STRAUEN: kort stroo of heide onder de beesten werpen om mist te maken. Hier vandaan STRAUSEL, het geen onder de beesten gestroid word. Z.a.

Cees Robben Ik gao w spelle krabbe want ik mot t vreke nog strssele.. (19760618) [dennennaalden verzamelen, bij elkaar harken, om ze in het varkenshok te gebruiken als ondergrond]

 

strtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

straatje

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - op etzlfde strotje tkoome (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - steeds hetzelfde vertellen; een gesprek altijd naar hetzelfde punt leiden

WBD III.3. 1:404 'straatje' =steeg, slop

verkleinwoord van 'straot', met vocaalkrimping

 

struffe

werkwoord, zwak

stroppen, vastlopen, blijven steken

struffe - strufte - gestruft

WNT STRUFFEN - 1) tegenspreken, weerleggen, tot zwijgen brengen; 2) berispen, onderhanden nemen; 3) bedriegen (in 't Westvlaamsch)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zw.ww.tr. en intr. 'struffen' - tegenhouden, stelpen

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STROPPEN 1. ov. ww - een knoop of lus leggen; 2)onov. - stroef worden, in de knoop raken, vastlopen.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - Etymologisch verwant met 'stroef'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRUFFEN, STROEFEN - bestraffen, berispen (met worden) Kil. Streffan, reprehendere; struffen - wederleggen

 

strumke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van strom
stroompje
Cees Robben t Waoter is n zielig nietig strmke... (19570704) (19570704)
 

strupt

stroopt

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'strpe' (met vocaalkrimping)

 

stug

bijvoeglijk naamwoord  

WBD stugge koej - stukkig (forsgebouwd), ook 'grffe' of 'zwaore' koej

WBD III.1.1:15 'stug' = zwaar van lichaamsbouw: ook- stuup genoemd

WNT STUG 4) van personen m.b.t. hun karakter, uitingen enz.: niet-meegaande,  onbuigzaam, weerbarstig; niet gemakkelijk in den omgang. Evenzoo van dieren, met name paarden en ezels.

 

stuk

zelfstandig naamwoord

lap stof

Van Delft - - Aan "een stuk" (een lap stof), waaraan de vrouw "thuis nopt, werreken we zooveul schoft" en als het klaar is, "gaon we leveren". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Interview Hermans - 1978 - mar as ge ng van de veezel af irst et gaare moet spinne, war daarnaa ng verwrke tt ktting n inslag in de weeverij n dan ng es et stuk 54 meeter maoke.. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

stukske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

stukje

stukske moeder gds - stuk hout (korteling) zwaar genoeg om een houten paal(tje) in de grond te slaan (volgens Kees Maes)

Henk van Rijen - stukske moeder gods - stuk rondhout, korteling, stuk hout om een afstraffing te geven.

WBD III.4.4:277 'stukske' = portie

 

stukt op

stookt op, hitst op

2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'opsteuke', met vocaalkrimping

 

stult

nors persoon

zelfstandig naamwoord

Cees Robben n stult van n md... (19670616)

WNT STULT, zelfstandig naamwoord m., wsch. verwant met 'stout', hd. 'stolz'.

Iemand die weinig spraakzaam is, norsoh persoon. In een deel van Brabant (Corn. -Vervl.)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'stult' - hetz. als doos v.e. boerin; 'n dikke stult, 'n lompe stult, 'n stult van 'n maid - lompe, doosachtige meid

 

stumke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

stompje, laatste stuk van een potlood

Dirk Boutkan (1996) - stumke - stompje (blz. 21)

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 28) uit het cluster mpk wordt de p verzwegen

- Meej zon stumke ptlood zok nie kunne schrve.

Bosch stumpke + 'n stumpke potlood

 

stunt, stunde

werkwoordsvorm

steunt, steunde

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'steune', met vocaalkrimping

 

stuultje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

stoeltje

zitte ntjes op oew stuultje

verkleinwoord van 'stoel', met umlaut

Pierre van Beek - "Jaona's stuultje" was een vergroeide boomstam in 't bos van de familie Houben, waar zij uitrustte van 't naalden rapen en haar pijpke smoorde. (uit: Nieuwe Tilburgse Courant - 18 maart 1955: Tilburg als dorp: Verdwenen namen en typen)

► splle

Cees Robben In mn kaomer stao n stuultje (19700220)
Cees Robben In dr stuultje bij t fornuis (19601118)
Jo van Tilborg - Wij nr de mis, aaltij etzelfde liedje, op oew stuultje hangen, aanders gong de vouw t oew broek. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

stuultjesgld

zelfstandig naamwoord

geld dat betaald wordt voor het plaatshebben op een stoeltje in de kerk

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOĚLTJESGELD zelfstandig naamwoord onzijdig  - geld dat de stoeltjeszetster in de kerk rondhaalt

 

stuup

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, korte uu

flink, fors: onvervaard

't Is en stuup knd vur deren aawer

R Hij blef stuup durwrke.

A.J.A.C. van Delft -- D'r wier stuup gezongen en dan gebeurde 't nogal ies dtter messe getrokken wiere!(Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - ''n stuup keind'

Van Beek - "'n Stuup knd vur durren aauwer" vertaalt men met: Een flink kind voor zijn leeftijd. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Van Delft - - "Ties 'n stuup keind vur zun jaore", zegt men over 'n flink kind voor de leeftijd.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Van Delft - - Als we wat laat zijn en "een uur in drie kertier willen gaon, dan motten we stuup gaon".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Oome Teun stapte stuup-aon... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Cees Robben n Stuup knd vur durren aauwer..! (19550806)

Opt list vond ik ng en petrt/ van ons (toen we ng vreeje)/ W waare we tch en stuup paor.../ Mar... ds vort lang geleeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wtter was)

WBD III.1.1:15 'stuup' zwaar van lichaamsbouw; ook: 'stug' of 'struis'

Stadsnieuws - Hij bleef stuup durwreke n trok zenge nrgeraand w van aon (221008) - hij bleef stug doorwerken en trok zich nergens iets van aan.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STUUP bw, verwant met 'stuip', gebogen houding? In de uitdr. 'stuup durwerke' - onafgebroken doorwerken zonder op te zien of de rug te rechten.

 

stuuper

zelfstandig naamwoord, korte uu

Van Delft - Een "stoeper (stuper)" is een helper, een bijwever. Men spreekt ook van "stoeperen (stuperen)" in den zin van: iets in 't ruwe bijwerken, opknappen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

stuupere

werkwoord, zwak

'n zetje omhoog geven

Agge me stuupert, koom ik er. - Als je me een zetje geeft, kan ik erbij.

R ook: We hbben em dert gestuuperd. - de deur uit gegooid.

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - stuupere; dssem der zlf tgestuuperd heej; de deur tgestuuperd

Menne goeien Engel,

hellep dezen bengel,

hellep deze vlerk,

stuuper dezen deugeniet geregeld naor de kerk! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Onze Lieven Heerke, 1938)

En toen ie laot op den middag taomelijk bezopen thuiskwaam, wier ie deur z'n vrouw as de foeter naor bed gestuperd. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
"Ik drf te wedden d d'aaw lui van den raod allemaol saomen geniemand zullen vinden veur d'r staandbild, mar we zullen ze 'n bietje stuperen!... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Den engel die stuupert oe zuutjes veuruit

dan heurde van ver 'n bekende wijs,

ge neuriet al mee mee d zuute geluid

en ge stapt al in 't Paradijs! (Piet Heerkens; De brug, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

Cees Robben Zdde-me-nie-is-wille-stuupere-bruur...? (19560818)
Cees Robben - ...zakkoewis stuupere..? (19570209)
De Wijs  -- Stuper mn is un bietje (feb. 1962)

Van Beek - "Zakkoewis stupere?" - Zal ik u eens duwen, helpen? (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Van Delft - "Wil ik je eens stuperen?" vraagt de eene jongen, die den ander bijv. bij het overklimmen eener beschutting behulpzaam wil zijn. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Henk van Rijen - stuuper mn is en ndje - geef mij eens een zetje stuupere - stuuperde - gestuuperd

Henk van Rijen - btestuupere - wegwerken, (niet hardhandig) naar buiten zien te krijgen

Piet van Beers Kerstverhaal 2009: Jozef kos gin kaomers vne, in en lozjemnt of en kafeej./ Ooveral wier ie wggestuupert, wttie ok smikte n wttie ok deej. (Het zeventiende boekje, 2010)

CiT (109) 'Wikkoe efkes stupere?' (110) 'Stuper m'is 'n endje' Steeds korte uu (geaccentueerd)

Teuth. stiperen (stutten). Zie schoren (sustentare)

Buuk stuuperr - oude benaming voor 'sponsor v.h. Kruikenconcert'

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STPEREN onov. ww - aansporen, aanzetten tot haast

Biks stuupere ww - een zetje omhoog geven

 

stuuperwaoge

zelfstandig naamwoord

kinderwandelwagen

 

stuupke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

smal trottoir

verkleinwoord van 'stoep', met umlaut

Stadsnieuws - N et wrk zaatie op et stuupke vur zen hs en sjkske te roke. (010409)

Bosch stuupke - stoepje

 

stuur

zelfstandig naamwoord

schommel

Centsprent - 19de eeuw

WBD (III.3. 2:140) stuur of schtje = schommel

lange uu

WNT STUUR (III) Van onzekeren oorsprong: schommel (in een groot deel van Brabant).

Idem STUREN (II) = schommelen.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- STUUR v. - schommel.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STUUR zelfstandig naamwoord mannelijk  - touter, schommel; ook 'suur'

Biks stuur zelfstandig naamwoord  - schommel

T&T (themanummer 1993) kaart 'schommel', blz. 97

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - stuur - schommel (ten z. v.d. Maas)

 

stuure

werkwoord, zwak

schommelen, sturen

WBD (III.3. 2:142) stuure, toutere = schommelen

stuure - stuurde - gestuurd

steeds lange uu

WNT STUREN (II) van onzekeren oorsprongt misschien een bijz. toepassing van sturen (I) Schommelen, als kinderspel (in groot deel v. Brabant)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STUREN - schommelen, touteren; ook 'suren'

Bosch sture - schommelen, zenden

 

suffiesaant

bijvoeglijk naamwoord  

voldoende

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "suffisaant - 't is suffisaant -zeer voldoende"

WNT SUFFISANT - 1) voldoende, genoegzaam.

 

sukkelr

zelfstandig naamwoord

sukkel, beklagenswaardig schepsel, stumperd

Cees Robben - sukkelr (19580315)

WBD III.1.4:151 'sukkelaar' = prutser

GD98 Veul van die... zn himml nie van die sukkelrs

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SUKKELR zelfstandig naamwoord mannelijk  - sukkelaar; half zinlooze man

WNT SUKKELAAR - 1) iemand die aanhoudend of telkens weer ziek of althans niet geheel gezond is; 2) iemand die met tegenspoed te kampen heeft; 3) iemand die niet flink handelt, zich niet weet te redden

 

summedene, zommedene

bijwoord

zo meteen, aanstonds

 

summettij

bijwoord

zo meteen, aanstonds

De Wijs  -- Summettij gebeurt t dikkelder (feb. 1962)

 

sund, sunt

zelfstandig naamwoord

WTT 2012: de betekenis is 'zonde', de bedoeling is meestal 'jammer'. 'Zonde' is dan niet datgene wat men berouwt in godsdienstige zin, maar iets wat men betreurt. Meestal betreft het woordspelingen tussen die twee bedoelingen, met de betekenis: spijt hebben.

- 't is sund van oew cnte

- t Is euwige sunt d de daog zo kort zn (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben d vn ik toch wel sunt... (19560714)
Cees Robben w sunt... (19600624)
Cees Robben Naase dd.. t is sunt d-wel-d (19700220)
Cees Robben t Is sunt, zeej n zuster (19791130)

Frans Verbunt - zis dik vant sund - ze gooit niets eetbaars weg

Frans Verbunt - as sund dod is, is et de weeduuwe Sund

- Sunt dmme Brokx niemer hbbe. Die kos teminste ng en bietje Tilburgs praote. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)

Elie van Schilt - Ze noemen ut kunst, weg gegooid geld, ut is sunde dekkut zeg. (Uit We zen ut kwt; CuBra ca. 2000)

Elie van Schilt - Gaon we nor dun Bredaoseweg, ut kerkhof mee al zun bilden, jood van Raok mokte ur sunt van om ze bij ut ouw zer te gooien, gelukkig mar, aanders waren we ur al un stel kwt gewist. (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)

Piet van Beers Euwig sund: D vn ik euwig sund. (t lfde buukske, 2010)

Piet van Beers Tis sund:  Tis op zichzlf al heel verveelend/ dgge gin blomme kope kunt./ Mar... z'op de tn laote verwlke/ Ne....d is GDgeklaogd....ds SUND. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

Biks sund zelfstandig naamwoord  - zonde, jammer

Irst hamme den aawe lndenbom. D waar ot ene grote, schonen bom, ak de teekeningen n footoos maag geleuve. Mar diejen bom blek nao zon vfhonderd jaor dod te zn. Okal zaag diejen aawen bom der op et list niemer t, tch vonnik d hil sund.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'zund' - zonde: 't Is zund!

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - ZUND, ZUNDE zelfstandig naamwoord  v. - enkel in uitdr.: 't is zunde / van iet zunde maken.

 

sundereklaos

eigennaam

sint Nicolaas

► siendereklaos

 

sundereklaosprd

zelfstandig naamwoord

sinterklaaspaard

A.J.A.C. van Delft -- Mr vroeger waaren er soms sunterklaospeerden van zeker unnen halven meter hoog. De fijnste waren van spuklaosie gebakken. Aander waren van lekkere taai-taai, mr in deursneej waar ze van gewoonen brooddeeg, soms mee houte of 'n plaankske derin veur 't breken. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

 

sus

zelfstandig naamwoord

bewustzijn

uitdr. van oewe sus gaon - bewusteloos raken

Cees Robben toen onze Sooi van zunne sus ging... (19850906)
Cees Robben Ons Siska gonk drie keer van dren sus... (19860620)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - Hij is van zijnen sus gevallen - in bezwijming gevallen ('sis')

Biks sus zelfstandig naamwoord  - bewustzijn

 

susserd

zelfstandig naamwoord

bewustzijn

Stadsnieuws - Hij viel n was gelk van zene susserd (250209)

WBD III.1.2:227 susserd (Reusel) bezwijming --

WBD III.1.2:228 van zijn sus gaan (Tilburg) flauwvallen

Kortrijks wdb. 'Van zijne sus vallen' - bezwijmen, bewusteloos worden Gents wdb. 'Van zijne sus draaien' flauw vallen.

 

svaa
zelfstandig naamwoord
de vader, in de formule van het kruisteken
kindertaal
Cees Robben Svaa-soons-seis-samen... kruisteken in kindertaal [In de naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest, Amen] (19780804)
 

sweeks

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt - elke week door de week ?

Henk van Rijen - door de week, wekelijks

WBD III, 1. 3:3 'weekse kleren'= doordeweekse kleren

WBD III.3. 5:120 ''s weekse mis' = doordeweekse mis

Biks sweeks bw - per week, wekelijks

 

swls

voegwoord, voorzetsel

intussen; sindsdien; sinds, sedert; terwijl

● terwijl; uit somwijle
Cees Robben Mar swels d den Sjarel zun nuske uit-snoot... (19560526)
Cees Robben Swels det ik efkes wochte moes (19590912)
Cees Robben Swels dn lleger spulde/ stlperdenie over den dlleper van de Klleverse kerk.. (19651015)
Cees Robben Swels gij zwabbert zal ik zeume... (19780519)
Cees Robben Swels gij dieje zak zeumt (19830923)
Cees Robben Swels dettie Dientje kuste... (19590815)

Piet van Beers Et Amazonefist van 2009: En swls dmme daor zaate/ wiere we nog getrakteerd... (Het zeventiende boekje, 2010)
● sedert
Cees Robben Swels vleeje week (19621214)
Cees Robben Swels ons Logje in den eeter zit, ben ik aon t verteeveeje... (19741018)

Haor swls - sinds
sindsdien

- Hddem swls nie mir gezien? - Heb je hem sindsdien niet meer gezien?

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - swels (= sindsdien)

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - ' 'swijls de franc op vijf centen stao' N.B.: swijls is hier  voegwoord.

ondertussen

Swels sprong den Doedel mee z'n ermen zwaaiend wild den huis rond... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

WNT SWIJLENS - bijw., voorz. en voegw. - A) bijw. in dien tijd, intusschen; B) voorz. sedert; 3) voegw.: swijlens + dat (swlsd)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- SWIJLS (swels), vw en bw en vzs sedert, sinds, vanaf de tijd dat.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - swels, voorzetsel  en vw. 'swijls' - sinds, sedert

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - swels, swins, swiens - sinds, intussen (Oerle, Bergen op Zoom)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - SWIJLENS vgw - terwijl: hij is gekomen, swijlens da' gij weg waart, vgw. en bw.: sedert: swijlens gisteren - sedert gisteren, bw: intussen: ik zal swijlens op 't huis passen.

 

swlsd

voegwoord

terwijl

Swls dmme aate wier der gebld. - Terwijl we aten, werd er gebeld. Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 -   'swijls  de  franc  op  vijf centen  stao ?   ( = swlsd   ...   (zie  d  vw)

Swels d'k m'ne koffie sloeberde... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

n swlsd intussen/ et spel wort gespuld... (Henritte Vunderink; Fr pleej; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WNT SWIJLENS+dat - voegw. (In Brabant en Zuidoostvl.)

 

swrekendagse

bijvoeglijk naamwoord

doordeweeks; voor op een werkdag

Kwaam ie t de kerk dan gingen die kleren,metn t en de s werkendagse broek wir aon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

swies

zelfstandig naamwoord  

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

suisse, ordebewaarder in de kerk

uit Franse suisse; letterlijk Zwitser; naar de Zwitserse garde van het Vaticaan; wachter in uniform die de orde bewaart in de kerk
Cees Robben Ze was bij den swies wiste waasse... (19610505)

Henk van Rijen - 'zwies'

Cees Robben - ons Wies was bij den swies wiste waase

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de Suisse =... de Jong (blz. 48)

WBD (III.3.3:111) swies = suisse, ordebewaarder

Hees swies (I:27)

Str swies (2:74)

 

swiet, zwiet

zelfstandig naamwoord

(gevolg), opschepperij, bluf

WTT 2012 - waarschijnlijk uit het Franse 'suite', het gevolg van een hooggeplaatst persoon als beeld voor belangrijkheid en hooggeplaatste status

M Hij heej zoveul swiet.

"Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon." (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

Cees Robben - W d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade... (19560512)
Cees Robben Och-och wenne swiet... wen parade... (19561215)

Henk van Rijen - 'H wies van de swiet nie hoe-t-ie loope moes' - Hij liep van verwaandheid naast zijn schoenen.

Henk van Rijen - verbeelding, air, allure

Hees eel de swiet (VII:57)

WNT ZWIET, SWIET, ZWIJTE (van Fr. suite; aangetroffen in gewestelijk taalgebruik) - 1) stoet, groote groep, troep; 2) een geheel van zaken van samenhangende deelen

 

swiks

bijvoeglijk naamwoord

doordeweeks

Piet van Beers Frietkot: Van de 's wikse daoge kan ik nog wl geniete (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

swirskaante

bijwoord

aan beide zijden, aan weerszijden

Swirskaante de kaajbaande stn bumkes

Ge kost swirskaante hil wd kke.

Cees Robben Swirskaante [de fotos aan de muur van] de opoes (19570713)
Cees Robben Mot d naa persee, oew brd swirskaante in t spek soppe..? (19811204)

n swirskaante hing n den draod/ ons Wies der waas te blke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De waas)

Henk van Rijen - 'swirskaante, zwirskaante'

Frans Verbunt - 'swirskaante inder' (carnavalsmotto) [namelijk: stereo, stereo-effect]

N iederen had toen enen gegemkte vllesbak, wij han enen houtere meej n swirskaante enen handvat, die had onze Pa zelf gefabrizeerd. (Nel Timmermans; Wtter amml n de deur komt; CuBra; 200?)

Elie van Schilt - Ons knaol, mee aon swirskaanten unne grte dijk... ((Uit: Ut knaol; CuBra, ca. 2000)

Biks swirskante bw - van beide zijden, aan weerszijden

WNT WEERSKANTEN (de secundaire s breekt in de 18e eeuw door): aan weerskanten, van weerskanten, langs weerskanten, naar weerskanten; gewestelijk zonder voorzetsel en gevolgd door een zelfstandig naamwoord 

Haor SWIRSKAANTE - aan beide kanten

►wirskaante

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

stene pt

 

strtschroef

Taante Sjoo zee: De sneuw

Is gin zeege van boove

Z'is mee d'r tweehonderd pond

Op d're startschroef geschoove.

Lechim - uit een gedicht in de Tilburgse Koerier

 

Dossier Leeuwerik (strontpikker) - Brabantse namen, dialectkaarten, afbeeldingen - citaten