INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P
R
S
T
U

V

W

Z

Wil Sterenborg

Van vaajeg tot vuutje

vaajeg

bijvoeglijk naamwoord

flauw van smaak

N. Daamen, Handschrift 1916 - "vaayig - het ruukt z vaayig (een onaangename lucht (zooiets?))"

WBD III.2.3:33 'vajeg' = flauw (van smaak)

WNT - veeg V,6 - (Zndl.) In aansluiting bij de bet. 5): behoorende tot een doode. Veeg goed Lijkgoed, tot Antwerpen; dat is lijf- en beddegoed waarop, waarin en waarmede iemand overleden is; ook al 't gene den overledene bedekte als hij gelijkt, d.i. over eerden lag, Loquela 8, 95 [1888]. Aanschouwt Mijne oogen! Zeg, staan ze min verglaasd dan die van een Die uitgestrekt ligt onder 't veege laken? V. BEERS 1, 215 [1851]. Het veeg goed komt van gebruikswegen de lijkers of afleggers toe, Loquela 8, 95 [Izegem, Antw., 1888].

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 -  VEIG bvw. - Smetsch, walgelijk van reuk of smaak: 'Ne veigen reuk.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vaaiig - flauw van smaak (tilb.)

Weij (T&T 37:204) Tilburgs 'aajeg':

In de tweede, uitgebreide druk van 'Tilburgs dialect' (Drukkerij Piet

Smits Tilburg 1985, blz. 74) wordt het bijvoegl. naamw. 'vaajeg' "flauw

(van smaak)" vermeld, het woord is een afleiding van vaai (of va(de))  

en moet uiteindelijk op Frans 'fade' teruggaan, een binnen het Romaans

uitsluitend Frans woord, overigens van vulgairlatijnse herkomst: cfr.

Block-van Wartburg 1950, 240.

Kluge 1975 noot 21 wijst erop dat het woord 'fade' in de 18e eeuw aarzelend door het Duits ontleend is, maar dat het uiteindelijk "tief in die Mundarten gedrungen" is. Gezien de late attestatie in het Duits en het feit dat het Tilburgs er reeds een afleiding van heeft, moet men voor het Tilburgs niet aan Duitse ontlening denken, maar aan ontlening rechtstreeks uit het Frans.

 

vaajem

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

WBD III.4.4:278 vaaiem' = armvol

WBD III.4.4:289 'vaaiem' = vadem, ook 'vaam'

Haar vaojem - vadem, een maat 'D'r zit meer s unne vaojem hout in'

 

vaast

vast

1. bijvoeglijk naamwoord

Cees Robben - w zk en vaaste plaant kope zolang de snijblomme ng goejekop zn;

Henk van Rijen - vaast lon, vaaste remoej - vast inkomen, vaste armoede

Et gaaf un vaast lon, en vaaste rmoei, in de volksmond. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

2. bijwoord

Is ie dr vur vaast? - Is hij daar vast aangesteld?

De Wijs -- (Gehoord van n metselaar) Zedde gij vaast in dienst?-Jao, mar eigenluk meer los-vaast! (13-07-1966)

Cees Robben - Ik vreej ls f vaast

Cees Robben - Vaast f ls-vaast, bij de geminte hdde de miste vaasteghd

Frans Verbunt (1996) - vaast is vaast, zi den boer, n hij bond nt zo lang assie touw ha

WBD III.1.4:57 'vast' zeker; ook: 'zo vast als een huis'

WBD III.1.4:58 'vast en zeker' = natuurlijk

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
va.st, waarnaast soms vast, bijvoeglijk naamwoord  en bijw. 'vaast' - vast

3. idioom

vast geld = vast loon (in tegenstelling tot stukloon)

Interview met de heer De Kok (1978)  D was vruuger mar gewoon war, ammel stuklon, hn dan ging ik nr Eijckhoff toe n daor ving ik twaalef n en halleve gulde, twaalef gulde vijfteg. Vaast gld dan hor! Vast geld, h. KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

vaaste

1. zelfstandig naamwoord

de vastentijd

Cees Robben t Is Vaaste.. (19580329)
Cees Robben Vrijen was er vruuger onder de vaaste nie bij... (19810327)

Frans Verbunt (1996) - vaaste is drie botterhammen eete n nr de vierde taaste

Dieje vaasten duurde virtig daoge. Hij begos nao de vaastenaovend, waorop ons moeder aaltij liebollen bakte. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Geduurende de vaastetd,/ van assekrs toe Paose... (Henritte Vunderink, Et vaastetrommeltje, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

2. werkwoord, zwak

vasten

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
va.ste(n), zw.ww.intr. + znw. m. 'vaasten' - vasten

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 -  GEVASTEN of GEVAST: 3e hoofdvorm van 'vasten'

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vaaste zn - vasten

 

vaasteghd, vaasteghei

zelfstandig naamwoord

zekerheid; vast werk

n de geminte hdde vaasteghei. - In gemeentedienst had men vast werk.

Cees Robben - bij de geminte hdde de miste vaasteghed

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.vr. 'vastigheid' - vastheid, zekerheid

Hij waar vruuger voerman gewist. D waar naa gin baon waor vaastighd in zaat. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

vaastenaovend
zelfstandig naamwoord
vastenavond
Cees Robben Ik hebt z druk as n pan op vaasten-aovend (19671006) [op Vastenavond werd traditioneel pannenkoek gebakken; de bakpan had het die avond druk]

 

vaaste-trommeltje
zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van -trommel
vastentrommeltje waarin kinderen snoepgoed bewaarden tot Pasen

Cees Robben Titel van de prent van 19580329
 

vaawe

werkwoord, zwak

vouwen

B vaawe - vaawde - gevaawe

 

vaazel

zelfstandig naamwoord

vrouwelijk geslachtsdeel

WBD III.1.1. lemma  schede vazel, frequent noordoostelijk omgeving van Tilburg

WTT 2013 - de etymologie van dit woord is volstrek onduidelijk

 

vadder

zelfstandig naamwoord

vader

R.J. 'onze vadder zeej 's op 'ne keer'; 'ik z nze vadder te vlug'

Cees Robben ne vadder, blij, mar van zn stuk... (19540213)
Cees Robben Gif mn mar de frutblaos vadder... (19550205)
Cees Robben Des onze vadder... (19570817)

gez. Pierre van Beek - Nie in vadders schoen lope = niet de aard hebben naar zijn vader (Tilburgse Taalplastiek 1978)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - va'der (de a kort; de afbeelding 'vadder' ware wellicht beter)

DANB hullieje 'Vader' heetem nr school laote gaon

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie in vadders schoen lope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1973)- niet de aard van zijn vader hebben.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van vurren p zen vadder lke n van aachtern p hil zen femielie (N. Daamen, Handschrift 1916 - - gezegd van de zoon)

Henk van Rijen - hij beslcht hullieje vadder - hij heeft de aard naar zijn vader

WvM 'v van ons vadder'

WNT VADER, vadder, vedder, met ongerekte vocaal (Z.-Limburg, Brabant)

 

vadderons

zelfstandig naamwoord

het onzevader, echter mannelijk

bid goed oewen Vadderons en gij geneest! (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Boemeljongen, 1941)

want wij bidden ammaol veul vadderonzen/ en daorom is er den hemel den onzen (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Den hemel is den onzen, 1941)

Honderdduuzende Vadderonzen/ liet ie deur z'n hutje gonzen; (Piet Heerkens; uit: Brabant, Peerke Donders, 1941)

En vadderonske bij St. Job... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Te voet nr St. Job)

Cees Robben Dn vadderons (19610317)

n ne vadderons der aachteraon... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD (III.3.3:185) 'onze Vader', 'Vader ons', 'vader onzer' - onzevader

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'vaderons' - het onzevader

Goem. znw.m.: hij kan al zijnen - lezen (= bidden)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 -  VADERONS znw.m. - het Onze Vader, het gebed des Heeren.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'vodderons' zn - Vaderons, Onze Vader

WNT VADERONS

 

vag

zelfstandig naamwoord

slecht vrouwspersoon

N. Daamen, Handschrift 1916 - "lui vag - 'n luie vrouw"

WNT VAG (vakke) 2) slecht vrouwspersoon; in 't Land van Waas: lui vrouwspersoon (Gij luie vakke!)

 

val

zelfstandig naamwoord

val

Pierre van Beek - Hij zal et p val wl doen (= vermoedelijk?) (Tilburgse Taaklplastiek 149)

WNT vermeldt zoiets niet. (Verband met 'op de valreep ?)

 

valdod-puntjes

in: boord meej valdod-puntjes

uitdrukking

Gesteven boord waarvan de boordpunten omgevouwen zijn (destijds mode).

 

valle

werkwoord, sterk

vallen

-- valle - viel - gevalle

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zlfs en prd valt ng wl, al heetie vier ben (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) iedereen maakt wel eens een fout

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vallen as de drllen in en boerekakheus (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )-diep vallen

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - valle ww - vallen z.a.

 

valleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

valletje, kleine val

WBD valleke (II:1041) - pal die een rgulateur vastzet

 

vals

bijvoeglijk naamwoord

vals, boos

SJAREL. Wel, die keek veul valsch nor d jaogertje en toen zeet-ie: W sudde gij dan doen azzoe aachterwrk in braand stint!? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

 

valsmaoke

werkwoord, zwak

boos maken

KAREL. Sjarel mok me naa toch nie valsch! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

 

van

voorzetsel

van

Pierre van Beek - Hij is nie van de vlugste - (eufem.) hij is een slomerik

D meude nie van ns moeder.

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - den burregemister vaan 't durp (sic!); de poote vaan 'nen hond; D beger ik vaan jaau te wte - dat begeer ik van u te weten.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
van resp. 'va', vz. l) van wege, uit naam van 'Ge moet komme van onze vaader'; 2) door 'alles moet toch van z'ne meester gedoon worre'; 3) bij tijdsbegrippen ook aanduiding van een onbepaald, binnen de grenzen ervan gelegen punt 'van den heelen aachtermiddeg', 'van te veure(n)'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAN vz. ... vans gelijken - desgelijks

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - van vz - van; in versch. combinaties

 

van
zelfstandig naamwoord; de hier gesuggereerde betekenis nergens anders aangetroffen; blijkbaar bedoelt Robben iets als afkomst, familienaam
Cees Robben k Weet niet hoe tie hiet... k ken nie zunne van... (19590516)
 

vanaachtere

bijwoord

Henk van Rijen - vanachteren, achteraf

Henk van Rijen - 'Vanaachtere loere ze un koej in dur kont' - Achteraf is het gemakkelijk praten.

 

vanaaf

voorzetsel

vanaf

Dirk Boutkan (1996) - '... vanaaf vemrege' (blz.  98)

 

vandaon

bijwoord

vandaan

GR dus daorvandaon koom et daorvandaon

 

vandelantre

uitdrukking

met de buik over de grond, b.v. van te zwaar belaste trekdieren

Gallas: Aller ventre terre - zo snel voortgaan dat de buik de grond raakt

Hees - van de lanterre (I:64)

WNT XVIII:496 VANTERATEER, vantroteer, ventre terre - 1) oorspr.: van paarden; in gestrekten draf, in vliegende vaart

 

vandeur

bijwoord

vandoor

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANDEUR bijwoord  - er vandeur - weg, voort

 

van die kom sa

bijwoordelijke uitdrukking

gedeeltelijk Frans: comme a.

- Mar toen wierd nog veul erger, hij kreeg 'nen test van dikkomsa, net 'nen dog. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

- Cees Robben Dan heese-me-nogal-w... J zeker, z van dtteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien. (19710424)

 

vanges

bijwoord

vanzelf, natuurlijk

Agge z wd zt, gaoget vrt amml vanges. - Als je zover bent, gaat het verder allemaal vanzelf.

WBD III.1.4:58 'van eigens' = natuurlijk

WNT VANEIGEN, daarnaast ook: vaneigens - vanzelfsprekend, natuurlijk; 3) zeker

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANEIGEN, VANEIGENS bijwoord  vanzelf: Da' spreekt vaneigen.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vaneijges bw - vanzelf

Bosch veneiges - vanzelf; vanzelfsprekend

 

vang

zelfstandig naamwoord

(molenaarsterm) zware houten hoepel die rond het vangewiel sluit om de gang van een molen te stuiten

gez. Pierre van Beek - van de vang / vaang (deur de vang?) - losgeslagen (fig. van personen)

WNT De molen is door de vang = door het stremtuig; er is dan geen stuiten meer aan ... (XVIII, kol. 453); Fig. Hij luistert nergens meer naar, er is geen houden meer aan.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANG, bij mulders: soort van breeden reep, die rond het vangwiel sluit om den gang van den molen te stuiten.
 

vange
werkwoord, sterk

vangen

B vange - vong - gevange

Btk: ving

Van Delft - "Ge vangt 'm nie vur n gat" wordt gezegd als men op een slimmerik doelt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

...hij vong chte vliegen mee 'n leeren lepke, aon 't end van 'n haandig stkske... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - irst vangen n dan knippe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - )-de huid niet verkopen voordat ... (men moet de luizen eerst vangen, voordat men ze kan doden)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej rauw weer gevange zn (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - er slordig en ongekapt uitzien.

Elie van Schilt - In de bossen vongen we ok nog sallemanders, die zaten er toen nog zat; (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)

Elie van Schilt - Wij as kender vongen er stekelbaorskes mee un schepnetje, unne stok daoraon un draoike van naoigaoren, unne kurk mee un kiepeveer as dobber en un angeltje gebogen van un knopspeld, daor vongen wij baorskes mee. (Uit: Ut knaol; CuBra, ca. 2000)

Asser geslaon wier, vong hij aaltij de irste klappen op. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Daor vongen ze mn dus nie meej. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Monter, mar toch meej tegenzin, vongen we de terugtocht aon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD vange - (van een paard) zich onder het stappen op de voorhoeven trappen, ook wel genoend (Hasselt) 'zenge vange'

WBD III.4.2:57 vangen - grijpen door roofdieren; ook genoemd: vatten of klampen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st.ww. (ik vong, resp.vonk, we vonge(n)) tr. - vangen; 'e kiendje vange' - een kind ter wereld brengen.

 

vank, vang

zelfstandig naamwoord

WBD vang (huidplooi tussen billen en uier van een koe)

Cees Robben Wilde van de vang of t vurstuk... [van het varken] (19550205)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VANG znw.v., bij landb.: het gedeelte v.h. lijf van een hoorndier tusschen de billen en den buik

Kiliaen -  VANGH, VANCK - pars carnosior bovis sub ventro circa femora sive femini

 

vannaacht

bijwoord

vannacht

GR Wij hbbe vannaacht meej vf man gewkt

 

vansgelke

bijwoord

van hetzelfde; insgelijks

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vansgelijken'

Stadsnieuws -  Ik koom van den Haajkaant en men vrouw vansgelke - ... eveneens (160410)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'van 's gelijke' - insgelijks

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAN vz. . . . van s gelijke desgelijks; VANSGELIJKEN bijwoord

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vansgelke bw - van 't zelfde

 

vanweeges

voorzetsel

vanwege

van weges de transportmoeilukheeje (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

 

vaol

bijvoeglijk naamwoord

vaal

DANB vaole 'vo:ze' zie de nie veul langs dees kaante - Vale vaarzen ziet men hier niet veel

 

vaon

zelfstandig naamwoord

vaandel; hemd, nachthemd

N. Daamen, Handschrift 1916 - "ze liep in d'r vliegend voan (in haar hemd.)"

...en de rest komt zeker mee vliegende vaonen overloopen om 'n groot koor tot staand te brengen... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; NTC 22-10-1938)

De Wijs -- Hij is z preuts, assie in zn vaon stao, hangt ie unnen handdoek over de knaorrie-kooi  (27-12-1968)

De Wijs -- in oew vaon staon (23-10-1963)

Cees Robben En aonschouw wir t vaon waor gullie z vur het gestreje (19570727)
figuurlijk gebruikt: nachthemd, onderhemd


Cees Robben - ..Kom fesoenluk... en nie in oew vaon naor beneeje... (19640508)
Cees Robben Assie in zn vaon stao (19690110)

...zene maantel leek en vaon... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Hij haaw et vur gezien )

Henk van Rijen - ge ht oew liste schon vaon aon - jij maakt het niet lang meer

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de pestoor n de keplaon die lopen aachter etzlfde vaon (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - die houden er dezelfde principes op na

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et n zen vaon krge (D'l6) - het aan zijn broek krijgen; verliezen

WBD (III.3.2:268) vaon, vendel, vlag = vaandel

WBD (III.3.3:262) 'vaandel', 'kerkvaan', 'kerkvaandel

 

vaor

zelfstandig naamwoord

WBD zweren (bep. paardenziekte)

Berns, Namen voor ziekten van het vee (Amsterdam, 1983) op pag. 195 als benaming voor gezwollen tandvlees.

 

vaore

werkwoord; waarschijnlijk zwak maar de verleden tijd is tot nu toe nergens bewezen.

vaor, vaorde, gevaore

B vaore - vaorde - gevaore

Boutkan.: vaore - voer - gevaore, verleden tijd ook zwak; geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd

Een gemis voelen

- R Et zal oe vaore - 't zal je tegenvallen, je zult wel terugverlangen

- Et zal oew gatje/kuntje vaore - Het zal je tegenvallen

- Henk van Rijen - d zal em zen kuntje vaore - dat zei hem niet meevallen.

- Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vaore ww - niet meevallen, gewennen.

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAREN, vaarde/voer, gevaard - vreemd, ongewoon voorkomen, eenen wonderen indruk maken, 't Zal oe varen, meisken, as ge eens getrouwd zijt.

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.intr. 'varen' - vreemd, onwennig voorkomen, niet meevallen, onaangenaam aandoen.

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VAREN = taedere, desuetudine affici. Het zal hem varen. Z.a.

- C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VAREN (vaore) onov. ww - onwennig voorkomen, tot heimwee inspireren; onpers. gebruikt: 't zal 'm vaoren - hij zal het gemis/verschil voelen.

- CiT (116) 'D za'm zn kuntje vaore

- WBD (III.1.4:276) 'varen' = heimwee hebben

Figuurlijk: lopen, gaan, ergens mee rondlopen

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Met dt gedaacht heb ik al ning daog vaoren draogen. Daar geannoteerd als: gaan , nog in bedevaart, bedegang. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: gaan, loopen; verg. bedevaart.

- Vroeg Middelnederlands Woordenboek lemma Varen III - Gaan, zich begeven, zich verplaatsen, reizen.

- Henk van Rijen - goed vaore - vooruitgaan, het goed maken

varen, van een boot

- DANB daor hbbe ze en stuk van de brug gevaore

 

vaort, vrt, vrtje

zelfstandig naamwoord

1. heimwee, verlangen naar vroeger;

Cees Robben Meej vaort in mn hart (19570706)
Cees Robben t vaort me, jandoome... (19590207)
● in uitdrukkingen met kuntje:
Cees Robben Toen ie weg was zin ze ammol/ Det zn kuntje vaoren z...(19670623)
R ...dan denk ik meej vaort in men hart...

uitdr. vaort/vrt hbbe - heimwee hebben; Int begien haj veul vort.

N. Daamen, Handschrift 1916 - "voart - hedde nie veul voart gehad (is het je in 't eerst niet vreemd geweest?)"

- Al die maonden mee in R. gebeuret mn dikkels dek wir is vaort heb nor mn Tilburg. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Om honderd en n kleinigheike hk vaort gehad, soms stillekes gejankt as in keind. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Henk van Rijen - int begien haj veul vrt - aanvankelijk had hij veel heimwee

Stadsnieuws -  Hij wont naa in Gol, mar hij heej zon vaort nr de stad. (190709)

WBD III.1.4:275 'vaart' = heimwee; 276 'vaart hebben = heimwee hebben.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'vaor' - vaar, onwennigheid: 'Hij hee niks geene vaor gehad.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAART znw.v. - Vaart hebben - niet gewend worden, heimwee hebben.

Hees vaort hbbe (II:45) + (V:33)

Str. vaort (2:37)

2. vaart, snelheid

Omslaon kos ze nie want ze stond zoo w op den bojem, mar ak naa mee innen stok men eige w lichtte, dan schoot die kiest vort, en zoo wier er gevaore dt liefhebberij was. t Gong ten leste mee zoon vaort, d de golven over de kaant henen spuulden. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben In n raozende vaort... (19541211)

 

vaos, vske

zelfstandig naamwoord

vaas

 

vast

bijwoord

GG reeds, alvast

 

vastelaovend ►vastenaovend

 

vasteldag

zelfstandig naamwoord

vastendag

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vier vasteldaogen'

WNT VASTENDAG, vasteldag

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. -vaasteldag' - vastendag

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - VAASTELDACH

Goem. VASTENDAG - vasteldag

 

vastenaovend

zelfstandig naamwoord

vastenavond

Van Delft - Iemand, die veel beweging over een werkje van weinig beteekenis maakt, en doet alsof hij het er zeer druk mee heeft, voegt men toe: "Hij heeft het zoo druk als de pan met vastenavond." Ook wel: "Zoo druk als een pruikemaker met n klant." - Van een onhandig iemand zegt men, dat hij is "bijdehand, als een pan zonder steel". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Pierre van Beek "Hij heej 't z druk as de pan mee Vastelaovond" () speciaal gezegd ()van iemand, die over een werk van weinig betekenis veel drukte maakt. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

P gez. Ze han et z druk as de pan meej vastenaovend.

DANB Vastenaovend wrdt nie mir gevierd

Henk van Rijen - 'vaastelaovend, vaastenaovend'

WBD III.4.3:229 vastenaovendgk(ke) - sneeuwklokje (Galantthus nivalis)

Dirk Boutkan (1996) - (blz.  94) 'vastenaovend wrt nie veu(l) mir gevierd'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'vastelavond' - vastenavond

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VASTELAVEND znw.m. - vastenavond

► Zie Dossier Pannenkoek

 

vastentd

zelfstandig naamwoord

vastentijd

Stadsnieuws -  In de vastentd wier der nie gedaanse (170210)

 

vastetrommeltje

zelfstandig naamwoord

vastentrommeltje

Henk van Rijen - 'vaastetrmmeltje' (waarin gekregen snoep werd opgeborgen gedurende de vastentijd)

 

vasthaawe

werkwoord, sterk

vasthouden

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ' vaasthaawen'

Cees Robben - Wrom haawde gij oew glas tch aaltij vaast?; den toore vasthaawe

Cees Robben - ene meens van den haawvaast

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge meegaot, meude en potje vaasthaawe ('64) - antwoord op de

vraag 'Wat ga je doen?'

Frans Verbunt (1996) - vasthaawe w ge ht n vatte w ge krge kunt, ist elfde gebod

-- vasthaawe hiel vaast vastgehaawe

 

vat

zelfstandig naamwoord

WBD koeschep, schep zonder steel om voer uit de koeketel te scheppen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge zt en hlleg vat znder bjem (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd als iemand aan tafel per abuis een tweede keer wil bidden

 

vat

zelfstandig naamwoord

graanmaat (anno 1572), gelijk aan 14,6 liter

zie: Verhoeff

Lodewijk van Dorrus Misters - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; NTC 23-6-1951)

 

vatte, viet, gevat

werkwoord, sterk
nemen, pakken, grijpen, vatten

-- vatte - viet - gevat

-- ie steeds kort

De verleden tijd lijkt recentelijk (2007) voor te komen als 'vatte': Dan liep ze nor de schouw/ n vatte daor en dos/ waorin segaare zaate,/ waor hij der en van kos. (Henritte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Audio-opname 1978 -- n dan liet hij em mar ls want hij vatte aatij de grotsten deugniet h... (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

B vatte

- Toe, vatter nog ene. - Kom, neem er nog eentje.

Van Delft - "Hij is in de wol geverfd" zegt men, evenals: "Er vat niks op", van iemand die zich nergens aan stoort en z'n gang gaat. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Och, zo heej ieder jaorgetij / iets w ge wl wardeert/ agget mar vat zo asset komt/ n nie veul lammenteert (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Joargetij)

Pierre van Beek - Hij ks zene jas vatte - hij werd ontslagen (Tilburgse Taaklplastiek 170)

Pierre van Beek - (gevleugeld woord van wijlen Kupke Wagemans) Vat ze z as ze zn, want aanders krder gin. (Tilburgse Taaklplastiek 731124)

Henk van Rijen - ze hn em not nie kunne vatte - ze hebben hem nooit kunnen pakken

In un kefeeke der ene vatten om den dorst te lesse (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

De td die vloog dan en vur degger rg in hadt stonde in extase elkaar te kussen en te vatten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

D haawt ie not vol en is ons Lia van dieje krel, dieje snotneus verlost, dchte die baozige aawere zusters, dieter zelf aaltij neffe gevat han. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD III.4.2:57 'vatten' - grijpen door roofdieren; ook genoemd; 'klampen' of vangen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vatte (krt. 32 en blz. 169)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vatten - pakken

WBD III.3.1:352 'vatten' = betrappen; 353 'vatten' = arresteren

WBD III.1.2:81 'vatten' = heffen; ook 'heffen'

WBD III.1.2:87 'vatten = pakken, voor de dag halen

WBD III.1.2:89 'vatten' = grijpen (naar)

WBD III.1.2:90 'vatten' = weggrissen; ook: 'gritsen, ritsen, ratsen'

WBD III.1.2:100 'vatten' = omvamen, omarmen

WBD III.1.2:128 'zijn (de) biezen vatten' = op de loop gaan

WBD III.1.2:294 'een kou vatten = een verkoudheid hebben

WBD III.1.4:32 'vasten' = begrijpen

WBD III.1.4:376 'er vijf vatten' = even ophouden met werken

WBD III.3.1:373 vatten = inbeslagneming

 

vattesgered

bijvoeglijk naamwoord

klaar om te pakken

Cees Robben Mn portemenee laag toch vattesgereed... (19860613)

 

vdder

bijwoord

verder

- Dirk Boutkan (1996) - (blz. 97) zene mooter is kept; hij kan nie vdder

- Vdderop staon gezllege terasse klaor. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

vdderst

bijwoord, samentrekking

voor de (verdere) rest

- Vur de vdderrst  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- J, n vur de vdderrst ist in de wreld toch ammel 'ne groten bout. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

veebonk

zelfstandig naamwoord

WBD veearts; ook 'veearts' genoemd

WNT VEEBONK - (schertsend) student in de veeartsenijkunde

 

vchte

werkwoord, sterk

vechten

Ze vchten as keetelbuunders = ze maken hevig ruzie.

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - ze hebbe mi mekoar gevochte

DANB dieje vnt die mkte hil de wreld nt vchte

- vchte - vocht - gevochte

WBD III.3.1:238 vechten', 'bal, heksenketel' = ruzie

Dirk Boutkan (1996) - vchte - vocht - gevochte

steeds lang

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st.ww.intr. 'vaechten' - vechten

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vchte ww - vechten

 

vf

telwoord

vijf

Cees Robben Van de mrege om vf uure (19640605)

Lechim - Irst smrges lkker vf van rod/ smiddags nr Willem II./ n saoves meej en flske bier/ goed lui bij de TeeVee. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Enen dag fn allen) [biljartspel: vijf over rood]

DANB ze hbbe meej der vve drie lieter wn pgedrnke

DANB der waare vf prze

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - en tientje of vf = Jos Donders (blz. 34)

WBD III.3.1:154 'vijfke' = kwartje

WBD III.2.1:391 'vijf vatten' = een (middag)dutje doen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vf (krt. 25)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

 

veg

bijvoeglijk naamwoord

veeg, hachelijk, netelig, gevaarlijk

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z veg as en ls p ene kam (Pierre van Beek - TT '73) - variant: as en vreke p enen bak (gezegd van een mestvarken)

WBD III.1.4:l48 'veeg' = bijdehand (van een vrouv); ook: 'handige veeg'

WNT VEEG (V) 8) - gevaarlijk hachelijk, netelig, bedenkelijk, slecht

 

vg

zelfstandig naamwoord

1. vijg

vijg, zowel voor de vrucht v.d. vijgeboom als van de dadelpalm , ook 'smrlap of 'vegedaal' genoemd

MP gez. 'Ieder zene meug', zi den boer, n hij fraat vge.

WBD III.2.3:173 'vijg' = dadel, ook 'dadel' of 'vijgendaal

Pierre van Beek Komt men "als Jan met kraaien naor de mert (markt)" of "mee vijgen nao Paosen" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

2. veeg

Hier is dieje bandiet van ons, assie nie lstert, gift em mar un vg
tegen zen oren, zeej ons moeder tegen zuster Willemien. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

vge

werkwoord, zwak

vegen

-- vge - vgde - geveegd

-- steeds lange

- de billen afvegen na de stoelgang
Cees Robben Mar assie gedaon heej mottie effegoed vge... (19650828)

De Wijs -- Hij blaost wel hoog van de toren, mar mt k veege assie gedaon hee (23-02-1972)

WBD III.2.1:295 'vegen' = idem

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VGEN; iemand de mouw vegen vleien; vgen aan - strijken aan

 

vgedaal

zelfstandig naamwoord

vijg, zowel voor de vrucht van de dadelpalm als van de vijgeboom, ook smrlap genoemd

N. Daamen, Handschrift 1916 - "vijgedalen - dadels"

WBD III.2.3:173 'vijgendaal' = dadel; ook 'vijg' of 'dadel

WNT vijgedalen, in Zeeuwse dialecten voor 'gekonfijte dadels(Ghijsen)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vijgedaol - dadel (wmbr.)

 

vgsel

zelfstandig naamwoord

veegsel

WBD vgsel (II:1012) - weefselafval

 

veej

zelfstandig naamwoord

WBD vee

WBD stuks veej; inder - stuks vee

Cees Robben - n dromend veej vergit te graoze

 

Veejendeej

zelfstandig naamwoord

Warenhuis Vroom & Dreesmann

Toen ik linksaaf de VeejnDeej inschoot, de krste roete nr de fietseklder, moes ik tch ffe stppe. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

vl, vltje

zelfstandig naamwoord

vijl

WBD vijl (waarmee men de onderkant van een krabber scherp maakt)

 

vle

werkwoord, zwak

vijlen

Dirk Boutkan (1996) - vle - vlde - gevld, met vocaalkrimping (Dirk Boutkan (1996)  - 41)

-- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vlt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) vle - gij/hij vlt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEEL - 2e hoofdvorm van 'vijlen'

 

vleg, vlleg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord 

veilig

 

vne

werkwoord, sterk

vinden

Dees straot tne zuldet wl vne. - Aan het eind van deze straat zul je het wel vinden.

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - spellen 'veine': D vein ik ok; ge veindt; veiner; nergens te veinen;

-- vne - vn, vnde - gevnde? Btk: vne/vinde - vnd - gevnde

-- met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vnt

Cees Robben hum vn ik mar unne aorige... (19860328)

Cees Robben Hoe hedde gij t toch kunne vine..? (19561222)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vne ( als in fr. mme)

Henk van Rijen - kundem nie vne? hij wont de straot tne

Stadsnieuws -  Hij zcht ooveral mar hij kos et nie vne. (100310)

WBD III.1.4:47 'vinden' = bevinden, menen

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 73) ik vner niks aon / ik vin der niks aon

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VIJNEN - vinden, fr. trouver

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VIJNNEN, voor vinnen, vinden, is hier algemeen onder de lanslieden.

In het Friesch 'fijnnen' . In 'vonnis' restant van dubbele n. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st.ww.tr. 'vijnnen, vijnden' - vinden

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEVONNEN: 3e hoofdvorm van 'vijnen'

WNT VINDEN, vinnen; in dial. VIJNDEN

 

vner, vnder

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - vinder

 

vr, virke, vrke

zelfstandig naamwoord

veer; soort visaas

Ene paauw heej schoon vre.

Cees Robben Die gin veer van dr lippen kos blaoze... (19580201) [Die straatarm was.]

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vre - veren ( als in fr. mme)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ze hbben em zen vren tgetrkke (Pierre van Beek - TT73)- de molen staat zonder wieken; hij heeft geen kracht meer

WBD 'staole veer' (II:1385) - stalen veer

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEER en VR znw.v. - veder, pluim

 

vrdeg, vrreg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - vaardig

WNT VAARDIG, veerdig; gewestelijk komen ook vormen voor met synkope van de d

 

vre
● zelfstandig naamwoord meervoud van vr
veren
Cees Robben Aanders maokte nog gin kiep/ k al hedde kilos vren... (19580719)
Cees Robben Aandermans vre... (19860530)
● stoffelijk bijvoeglijk naamwoord

R.J. vre kusses
Cees Robben Des n schn vre-huudje... (19860530)
werkwoord, zwak

veren

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) vre, (hij) vrt; gevrd (blz. 41)

 

vrefmister
zelfstandig naamwoord
verfmeester; belast met toezicht op de ververij in de textielfabriek

 

vrege

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - vergen, eisen

Henk van Rijen - D vregt nogal w. - Dat vraagt nogal wat.

 

Ill. Rolf Janssen

Ill.: Tijs Dorenbosch

vreke

zelfstandig naamwoord

varken

► Zie de varkensdossiers

Ik lus van hilt vreke' - ik eet van alles mee

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Heej Toon f Lewie f onverschilleg wie twa: Ge krgt ene frut as ge et vreke zen gat kust n zo ging d witte nie. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

N. Daamen, Handschrift 1916 - en vreke meej nen baord is zlde van goejen aord.

N. Daamen, Handschrift 1916 - wilde vairkes pissebedden

K&B 'vairkens'

D was in vrken daor was de Witte van Ernest Claos nog in braaf mnneke bij. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

De Wijs  -- Hij is nie gewn lillik, mar ordiniair lillik en zij is verkens-brutaol (23-10-1963)

De Wijs -- As ze jouwe kop op n vrken zette, zon zeggen det t bistje ziek was (16-01-1975)

Cees Robben As t vant vreke is dan lus ik t gelk... Mar sjem en kwatta-strooisel d kan ik nie pruimen... (19660204) [Robben gebruikt alles van het varken lusten om uit te drukken dat een jongen daarmee een man is]
Cees Robben t Vreke d gilt... ochot... (19590509)
Cees Robben Ochrum ons vreke... t mot mrege streve.. (19650903)
Cees Robben W zult is, mevrouw?.. D is n vreke w gelk in de frut zit.. Mar wel lekker... (19841207)
Cees Robben Ik gao w spelle krabbe want ik mot t vreke nog strssele.. (19760618) [dennennaalden verzamelen om als ondergrond te dienen in het varkenskot]
Cees Robben t Vreke (...) vrukt en trekt (19590509)
Cees Robben [uitdrukking] Goed vur t vreke volop spek.. Goed vur de meense.. mistal drek...

Audioregistratie 1978 -- llek jaor ging ons moeder meej de knderwaoge, war, ging ze en vreke kope op de vrekesmrt in de knderwaoge in ene zak! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)
Pierre van Beek - ieder vreke heej mar en frutblaos (gez.)

Pierre van Beek - en blnd vreke vnt ok nog wel is enen eekel' (gez. TT 136)

Pierre van Beek - mlders- n brouwersvrekes zn aaltij et vetst (Tilburgse Taaklplastiek 178; BrH 38:217)

- Amml hielde ze knne/ Soms ok un vreke in un kot Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005

Henk van Rijen - ge zt ginne goeje om vrekes te vange (tegen iem. met O-benen)

Henk van Rijen - tirste vreke nst de zg (ironisch )

Henk van Rijen - as de vrekes niese, krgeme goej weer (gez. als er iem. niest)

Frans Verbunt (1996) - nr et vreke gn kke - na sluitingstijd in de keuken van het caf een borreltje drinken

Frans Verbunt (1996) - ge kunt vur zon stukske wrst gin heel vreke kope

MP Ge snijt gin twee ruggen t en vreke (geen dubbel profijt)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'et komt vanzelf trug', zi den boer, n hij gaaf zen vrekes spk ('72)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'we zulle d vreke wl waase, zi den boer, n hij douwde den doomienee in de mistput

Ast van et vreken is, dan lussemet gre. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD vrke, Hasselt: vreke; kuus; Hasselt krolstrt'

WBD vreke of 'vrken' - vrouwelijk varken, ook genoemd 'zeug', 'zuig', zog, zg, of kuus

WBD lopvreke - big van acht tot twaalf weken, ook drift genoemd

WBD verekeston - ton om gekookt varkensvoer in te bewaren

WBD Hasselt 'vrekesmaand' - biggenmand (langwerpig, gevlochten)

WBD vrke, verken, kuus kuus roep- en lokwoorden voor varkens

WBD III.1.4:94 'varken' = beestachtige persoon

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.o. 'vaerken' - varken

Goem VARKEN - znw.o., dim. vrekske

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vrreke - varken ( = scherplang)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vrke zn - varken

Bosch vrreke varken

Schilderij: Barant Fabritius - 17de eeuw - Varkensslager aan het werk en kind met varkensblaas

Hoe het vreke aan zijn staartje kwam - Dialectvoordracht op rijm, opgetekend door Nico Verhoof (op CuBra)

De varkensrubriek op CuBra

De varkensdossiers van het WTT

 

vrekesbak
zelfstandig naamwoord
varkensbak
in een beledigend bedoelde uitdrukking:
Cees Robben Ge zd allemol op den vrekesbak geboren... (19860523)
 

vrekesbvert

zelfstandig naamwoord

R 2e pinksterdag te Loon op Zand

 

vrekesrpel

zelfstandig naamwoord

Van Delft - - "As we dan goed misten, dan haolen we een vat van de roei, de zetters en verrekeseirepul nie meegerekend, nee alleen een vat eeters", zoo keuvelde een Hasseltsche huiswever(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Frans Verbunt (1996) - slechte aardappelen, goed genoeg als varkensvoer: kuusrpel

zowel enkelvoud als meervoud

 

vrekesgat

zelfstandig naamwoord

varkensgat, achterwerk van een varken

R.J. 'snij een stuk van t vrkesgat

 

vrekesknst

zelfstandig naamwoord

scheldwoord voor een dikkop, een eigenwijzerik

Cees Robben Hij lee m'ammol uit-te-schne vur vrekes-knst en zult-bommerel... (19670609)

 

Afbeelding uit: Rijke oogst van schrale grond, tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991

Onbekende illustrator - bron: Geheugen van Nederland

 

vrekeskoj

zelfstandig naamwoord

De kannen ston daor altij gereed in 't gruunhok, neffen de verkenskooi. Ik vat ze daor en rij dan wir deur zonder 'n sterveling te zien, mar vandemrge h'k buurt gekrege. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

WBD varkenshok, ook vrekesstal' genoemd

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.vr. - varkenskooi

 

vrekeskp

Zelfstandig naamwoord

kop van het varken

Onbekende schilder - collectie Rijksmuseum

1 als bestanddeel van gerechten

► steek

► smdderptje

► zuutekrp

► hnnekegemof

► hunnepetrie

► zult

► zie de varkensdossiers

G.H. Dexters -- Sint-Markoen en 't Sint-Markoenzeer; in: Brabantsche folklore, jrg. 1932 --Te Weert en de Neerglabbeek mogen de Sint-Markoenlijders geen varkenskop eten. Men hoort er vaak zeggen: Die of die mag van den kop niet eten! ► Zie Markoen

Schilderij van Johannes Hari -- Nachtkwartier te Molodetschno uit de terugtocht van Napoleon uit Rusland (1812-1820) & detail

 

2 in vergelijking met het uiterlijk van een mens

- Cees Robben En as jouwe kop op un vreke stond... zdde denken det bisje ziek was... (Prent van de week 17-12-1965)

- Cees Robben Ge het n schon kiendje Sjaan, mar oewen kuus doet beter... ze trekke wel op mekaar, daor nie van...  (Prent van de week 7-9-1979)

- Cees Robben -- Is den baos thuis..? Hij zit bij de vrekes Die meej die pet op die isset. (Prent van de week 8-2-1963)

--  Naarus (1940) column in Groot Tilburg -- Hier [op de markt] spraak ik ok zon boerke aon, eigeluk mr omdet ie zon grappige snuut ha, dan wel om [iets van hem] te koope. Hij ha vrkeseugskes en n nuske om te laache. t Irste stukske was normaol, mar dan veraanderde ut ineens van richting; d twidde mupke stond er hoks bovenop mee innen knik, en in d vurste stukske was n butske, net of d nuske van stopverf gewist waar en desse daor zoo is mee dre vinger ingedouwd han.

3 als offergave aan kerk of kapel; met name in Vlaanderen

-- Op Sint Antoniusdag te Zetrud-Lumay (een gebruik dat, sedert een vijftigtal jaren verdwenen is). - Jaarlijks op den feestdag van den H. Antonius (17 Januari) brachten de inwoners van Zetrud een grooten varkenskop naar de kapel van O. L. Vrouw van Goeden bijstand.

- Iederen Zaterdag gedurende den Winter verkocht de koster aan den meestbiedende hetgeen er in den loop van de week geofferd werd [in de vorm van levende dieren of vleeswaren]. Een varkenskop werd gewoonlijk aan 8, soms ook aan 13 sollen verkocht ; ook waren het meestal de inwoners zelf die terugkochten hetgeen zij geofferd hadden, toch gebeurde het wel eens dat een vreemdeling er mede vandoor ging.

- De heer pastoor gebruikte de opbrengst van dezen verkoop om HH. Missen ter eere van Sint Antonius op te dragen. ln deze kapel bezit men relikwien van den H. Antonius abt. (Jeanne Defoer in Brabantsche Folklore, 1927)

Familie Willems - collectie Wim van de Wouw.

 

- Een folkloristische kijk op de Allerheiligen Kapel te Diest R. van Weddingen, in Brabantsche Folklore, 1928: DE H. ANTONIUS abt is weer een lievelingsheilige der landelijke bevolking. Beter gekend als Antonius met zijn verken staat hij [in de kapel in Diest] afgebeeld in monnikspij met een boek in de hand en vergezeld van een zwijn met een bel om den hals. Wordt heden ten dage nog druk gediend tegen alle kwalen en ziekten onder de varkens . Tot voor enkele jaren werd in de Kapel, ter eere van dezen heilige, vele levende biggen en varkenskoppen geofferd. Zie Tunnis (Antonius)

Fr. Hendrickx Melkwezer; in: Brabantsche folklore, jrg. 1931-- Een derde Heilige, die eveneens eertijds [in de kerk van Melkwezer] veel meer gevierd werd dan nu, is de H. Antonius Abt (feest 17 Januari), wiens modern beeld in de kerk bestaat. Alhoewel we weten, dat er tijdens pastoor Janssens nog een hoogmis gecelebreerd werd met zeven heeren , kwam er toch nooit veel volk, uitgenomen van Orsmaal. Nog steeds wordt het volgende gebruik in eere gehouden : stukken van het varken, vooral koppen, worden mee naar de kerk gebracht en na de mis bij opbod verkocht. Men brengt zooveel niet meer mede als vroeger doch meestal offert nu de kooper, na betaald te hebben, den kop in kwestie en deze wordt dan opnieuw opgeroepen. Aldus wordt eenzelfde kop meermaals verkocht. De opbrengst is voor den pastoor, die er soms een mis voor leest.

A. Vanderstichel  -- De Kerk van St.-Genesius-Rode; in: Brabantsche folklore, jrg. 1932 --Tot voor eenige jaren bestond het gebruik te Rode, na de hoogmis nevens de kerkdeur, sommige zaken te verkoopen, waarvan de opbrengst geofferd werd om een genezing te bekomen, tot dankbetuiging voor allerlei zaken, enz. Varkenskop, hesp, kiek, konijnof ander gedierte werd te koop aangeboden. Indien het bod te laag scheen, kocht de voorsteller zijn offer zelf af en schonk daarna de som aan den gekozen heilige der kerk. De veldwachter gelastte zich meerendeels met dit werk.

► Zie de varkensdossiers

Varkenskop (mogelijk geprepareerd) achter een vensterraam in de Poststraat; Tilburg 2014. Foto: Ed Schilders

 

vrekeslomp

zelfstandig naamwoord

zeer lomp

Cees Robben Vrkes-lomp.. Mar toch gehaaid (19610609)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord  en bijwoord  - varkenslopm, geweldig lomp

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERKENSLOMP - uit der mate lomp

 

Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1990

 

vrekesmeule

zelfstandig naamwoord

WBD aardappelmolen (werktuig waarmee gekookte aardappelen tot puree worden gemalen, dienend als varkensvoer)

WBD vrekesmeujle

 

vrekesmrt

zelfstandig naamwoord

varkensmarkt

Audioregistratie 1978 -- llek jaor ging ons moeder meej de knderwaoge, war, ging ze en vreke kope op de vrekesmrt in de knderwaoge in ene zak! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

 

vrekespotje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

varkenspootje

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'verkespootjes' (plur.)

Ge moogt oewe schoen ztte, n de vllegede mrege waare de peeje nt aaw brod wg, n laager en spikmnneke in, f en marsepne vrekespotje, f ene kinkenduut van gevulde seklaa. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

vrekesring

zelfstandig naamwoord

WBD neusring (van een varken)

 

vrekesstaawer

zelfstandig naamwoord

varkenshoeder

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vrrekesstaauwer - varkenshoeder

Cees Robben k meej karneval doen de vrekesstaauwers dr bist... (datum onbekend)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERKENSSTOUWER znw.m. - varkensdrijver, een man die jonge varkens ronddrijft om ze te verkopen

 

vrekesstrt

zelfstandig naamwoord

varkensstraat

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'der is ene krul meer in', zi den boer, 'as in ene rchte vrekesstrt - als reactie op een snoeverige opmerking (Nicolaas Daamen - Handschrift Tilburgs 1916

 

Een varkensvanger; foto: Katholieke Illustratie, ca. 1930

vrekesvanger

uitdr. 'Ginne vrkesvanger' - iemand met O-benen

 

vrekesvruut

zelfstandig naamwoord

varkenssnuit

ook scheldwoord m.b.t. een gezicht

 

vreve, vrve

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - verven, opmaken, schminken

Henk van Rijen - 'W-s se tch wit gevrefd!

 

Het zogenaamde stukverven - foto uit: Jan Commandeur e.a., Ge waart mar arbeider; 1981

 

vrever

Henk van Rijen - (textiel) stukkenverver, bediener verfmachine

 

vrf

zelfstandig naamwoord

verf

WBD 'vrve' - verven (mv) II 653

WBD 'dkvrve' - dekverven (misschien mv.) II 654

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. - verf

Goem VERF - v:ref

 

vring
zelfstandig naamwoord
vering; hier: van een wollen draad
Cees Robben - ...de vring van dn draod... (19560630)
 

vrs

zelfstandig naamwoord

WBD jonge koe, ook genoemd: 'vejrs', 'vaors', 'kalfveers', 'kalfmaol'

WBD koe die voor de eerste keer drachtig is, ook 'maol' genoemd

WBD vrskalf - vrouwelijk kalf, ook genoemd: 'vrskalf', 'vijrskalf' of 'kuuskalf'

WBD kalfvrs - koe die kalven moet, ook genoemd: 'kalfkoej'

WBD vtte vrs - vette vaars

WBD koe die pas gekalfd heeft = vrs, of 'vrs'(bijvoeglijk naamwoord ) of 'vrs'(bijvoeglijk naamwoord ), ofwel 'vrse koej' of 'vorse'

DANB vaole 'vo:ze' ziede nie veul langs dees kaante - vale vaarzen ziet men hier niet veel

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - v.rs, znw.vr. 'veers' - vaars

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEERS znw.v. - hetz. als Holl. vaars

 

veerskalf

zelfstandig naamwoord

WBD vrouwelijk kalf, ook genoemd: vrskalf, vijrskalf, of 'kuuskalf'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.o. veerskalf - vrouwelijk kalf

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRZEKALF znw.o. - kalf v. h. vrouwelijk geslacht; ook VRSKALF

 

Lakenverver in de 18e eeuw

 

vrve, vrreve

werkwoord, zwak

verven

-- vrve - vrefde- gevrfd

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. + intr. verven 1) schilderen, 2) hetzelfde als 'blauwverven'

 

vrze

zelfstandig naamwoord, meervoud van 'vrs', vaars

kalveren

Audio-opname 1978 -- n dan daor gienderwd die koeje n die vrze stonden ammel vaastgebonde (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren

 

vver

zelfstandig naamwoord

vijver

Cees Robben verlichte vvers... (19590815)

 

vfde

telwoord

vijfde

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 3) 'vevde'

 

Vfhze

toponiem

Vijfhuizen (Tilburg Noord, Heikant)

Audioregistratie 1978 - Mar ge had hier vruuger ok nt as op de Vfhze, as daor zo iemand was zak zgge die bevobbeld die boere zon bietje zaat te koejeneere dan waarde ng nie gelukkeg, hr!  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

vftien

telwoord

vijftien

Cees Robben - Ge zt naa vftien jaor

B veftien

GD08 de Stichting Tilbrgse Taol bestao naa vftien jaor

 

vekaansie

zelfstandig naamwoord

vakantie

Cees Robben hedde gij vekaansie-geld... (19560804)

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vacaantie'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
ve(r)kansi, znw.vr. en m. 've(r)kantie' - vakantie

 

vekeerdom

bijwoord

Henk van Rijen - achterstevoren

WNT VERKEERDOM - in tegengestelde richting, andersom

 

vl, vlleke

zelfstandig naamwoord

vel

zachte huid van een vrucht, ook schl, schil of hd genoemd

WBD vl - huid (onbewerkt)

WBD schaopevl - schapevel, schapehuid

WBD bltvlleke - blootvelletje, de gehaarde en gevleesde huid; (II 609)

WBD lmvl - lijmvleeskoek (II 611)

WBD zuurvl - zuurvel, benaming voor de met zuren behandelde bloot (II 622)

Frans Verbunt (1996) - Waor zittie? - In zen vl as ie nie gestrupt is

WBD III.2.3:152 'vel' = schil, ook velletje', 'huid'

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vl zelfstandig naamwoord - vel; waor is ie? in z'n vl assie nie gestrupt is.

 

vld

zelfstandig naamwoord

veld

gez. te vld gaon - erop uitgaan

Cees Robben Ze gonk te veld... (19600219)

...n gong al in de vurverkop/ vur znne jas te vld. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D was et enigste d paaste)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te voet n te vld koome (JM'50) - helemaal de weg niet weten

WBD III.4.4:137 'open veld' = veld, ook 'land', 'akker'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vlt znw.o. - veld; verbinding 'te vld; te vld stoon (van gewassen  gezegd), te vld goon (um e prd, um 'n vraauw enz.) erop uitstappen, op iets uitgaan.

WNT XVIII 1460: (Thans alleen in Z.-Nederl.) TE VELDE. (Gewest.) Te veld gaan - uitgaan.// Te veld gaan, te veld zijn: dit wordt van alle uitgaan gezeid (ca. 1774).

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - veld zn - veld; te vld gaon - erop uitgaan.

 

vldwaachter

zelfstandig naamwoord

borrelglaasje zonder voetje (zodat de cafbezoeker, i.c. de veldwachter, zijn glaasje niet kon neerzetten, en men hem derhalve comform de opzet weer spoedig kwijt was);

veldwachter

Frans Verbunt (1996) - vldwaachterke - borrelglaasje zonder voet

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. - veldwachter

 

vlleg, vleg, vllig

bijvoeglijk naamwoord , bijwoord 

veilig

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - veilig

Die grote lummels die et lve van d buurmenneke verpestte, bleve wel op vllige afstand. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

vlleghd

zelfstandig naamwoord

veiligheid

De liste jaore zuuke veul rme sukkelrs t hil de wreld bij ons de vllghed, die ze bij hullie ts nie krege. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)

Stadsnieuws -  Tis teegesworreg niemir vlleg in de straot (150807)

 

Vellen bloten - Kasper Luyken

vllekesbloterij

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - leerlooierij

Frans Verbunt (1996) - plaats waar huiden ontdaan worden van vleesresten en vliezen

Vellen bloten - foto: Regionaal Archief Tilburg

 

vlling

zelfstandig naamwoord

velg (van een wiel)

WBD (II:2769) vling' - velg, velgsegment.

WNT Velling II.5 - Ring gevormd door de onder 1) genoemde houten onderdeelen; houten (later metalen enz.) buitenrand van het wiel, waarom de band zit.

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

vlt, vlde

werkwoord, persoonsvorm

vijlt, vijlde

Dirk Boutkan (1996) - vlt, 3e p. enk. van 'vle (vijlen)

-- tegenwoordige tijd, sing., resp. verleden tijd van 'vle', met vocaalkrimping

 

vltje

zelfstandig naamwoord dim.

vijltje

dim. van 'vl', met vocaalkrimping

 

Ill. Kaart Diederik Zijnen

et Vn

topon.

Piusplein

 

venaovend

bijwoord

vanavond

GD 06 lmme d venaovend hier ok mar es perbeere

 

vendaog

bijwoord 

vandaag

R.J. 'den trubbel drukt me zwaor vendaog'

DANB gaode gij vendaog nie kaorte? et is wrm gewist vendaog

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - vendaog f mrege krge we ng en pak slaog erbij! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 97) gaode vandaog nie kaorte?

GD08 W is vendaog den dag ng oud?

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. - vandaag, heden

 

vnder, vner

zelfstandig naamwoord

vinder

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verliezer n vnder

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - veiner

 

venn

zelfstandig naamwoord

venijn

Cees Robben - n der mundje dun en zneg vant 'fenn' [datum]

 

venneg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - venijnig

WBD 3.1:298 'venijnig' = vinnig

WBD 3.1:99 'venijnig zijn' = snauwen

WBD III.1.4:228 'venijnig' = boos

 

vennges

bijwoord

vanzelf > van eigen(s)

Dan wrret venges enen bom meej en hart vur onze stad. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

chlidonias niger - wikipedia

 

vnkraaj

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.1:216 'venkraai' - zwarte stern (Chlidonias niger)

 

vnster

zelfstandig naamwoord

luik

Hij slot de vnsters vruug. - Hij deed de vensterluiken vroeg dicht.

MP gez. Hij zit ginnen boer in zen venster. - uitdr. Hij zit niemand in de weg.

WBD vstergat - stalraampje in de schouw (in de brandmuur naast de haard; men kan erdoor in de stal kijken)

WBD schrvnster - schelfdeur (deur naar de hooizolder)

Pierre van Beek - in weeke gin vnster oope gehad - wekenlang werkloos geweest (m.b.t. een thuiswever

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VENSTER znw.v. en niet o., fr. fentre.

 

vnt

-- 2e + 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'vne', met vocaalkrimping

vindt

Dirk Boutkan (1996) - De gebiedende wijs is: vnt

WBD III.3.1:21 'vent' = man

WBD III.2.2:87 'vent' = echtgenoot

 

veraandere

werkwoord, zwak

veranderen

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - veraanderen; veraandering

-- veraandere - veraanderde - veraanderd; geen vocaalkrimping

Henk van Rijen - 'veraandere, veraanere'

WBD III.2.2:4 'verandering' = menstruatie

 

veraase

werkwoord, zwak

verrassen

Henk van Rijen - 'veraase' - verrassen

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verraast

B verrasse - verraaste - verraast; ik verraas, gij/hij verraast

 

veraawere

werkwoord, zwak

verouderen

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - veraauwere

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord  - verouderd

 

veraffronteere

werkwoord, zwak

beledigen, krenkend behandelen; affronteren

verafgrnteere - verafgrnteerde - verafgrnteerd

verbastering van 'affronteren ' (fr. 'affronter')

Pierre van Beek - veraffrnteere

Cees Robben Ik wil oe niet veraffronteere en zegge degge unne dief zd... Mar ik raok wel al mn kiepe kwd... (19790713)

Ik wosse nie verafronteere... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Mrtonderzuuk )

WBD III.3.1:300 'affronteren = smalen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ofgronteren - voor het hoofi stoten (dr.)

WNT VERAFFRONTEREN - (volkstaal) voor het hoofd stooten, beledigen, krenkend behandelen

 

veraltereerd

bijvoeglijk naamwoord

En ze troonde den dokter mee naor d'r huis en d'r kneveltje stond overeind van veraltereerdheid... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

Henk van Rijen - verschrokken, beroerd, bewogen

WNT VERALTEREERD - bijvoeglijk naamwoord  van zijn stuk gebracht, verbouwereerd, verschrikt, ontroerd.

 

verassereere / verastereere

werkwoord, zwak

verzekeren

- verastereere - verastereerde - verastereerd

-- afgeleid van 'assureren' (fr. assurer)

- contaminatie van 'verzekeren en -'assureren'

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'd verastereer ik oe'; 'ik verastereer oe d ....'

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Ik ben nog mar rond de veftig maar ik kan oe verassereren, d 't lezen van toestanden van vruger me hil veul goed doe.

voltooid deelwoord

Van Beek - Als iemand tegen brand verzekerd is, heet hij "verastereerd" (assurantie). (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben Ik ben (...) goed verastereerd (19760514)

Witt. - verastreerd (S.G. verassureren, blz. 334)

Henk van Rijen - b wffere braandastraasie zde g verasteraard? [sic]

Stadsnieuws -  Teegen en kaoj schonmoeder kunde oewge nie verassereere (081006)

kZ hil goed verastererd./ As et himml in de fik gao,/ n der strak dus niks mir stao,/ krg ik flink w tgekerd. (Henritte Vunderink, verraoje boel, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'verassureren' - assureren, verzekeren

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERASSUREREN - verzekeren tegen brandschade, op het leven, enz. WNT VERASSUREEREN - als contaminatie met 'verzekeren'

 

verballemonde, verbllemonde

werkwoord, zwak

verwaarlozen, verslonzen

Ge moet oew nuuw fiets nie verballemonde

N. Daamen, Handschrift 1916 - "hij ziet er zoo verbellemond uit - afgetakeld"

Van Delft - "Men mag goeie spullen niet verbellemonte." Dit is: Men mag goed huisraad of gereedschap niet verwaarlozen en er slordig mee omgaan. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Cees Robben Heddum nie verbellemont... (19570119)

WBD III.3.1:209 'verballemonden', 'verkwisten, verbrassen, opmaken, vergooien' = verkwisten

-- verballemnde - verballemndde - verballemnd

WBD III.1.4:14 'verbalemonden' = veronachtzamen

WBD III.1.4.340 'verbalemonden' = het lelijk laten liggen

WBD III.1.4:372 verbalemonden' = verkeerd handelen

WBD III.4.4:319 'verbalemonden = vernielen

OT 65:284 Verbalemonden (Heestermans)

Bosch verbllemonde - kapot maken, verwaarlozen

Hees verbalemonde (I:30)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verbellemonte, verballemonde - laten vervallen, runeren

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'verballemnte' ww. - verwaarlozen, verslonzen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERBALEMONDEN - kleederen of andere dingen schenden en bederven

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VERBAALMONDEN, voor veronachtzamen. Baalmond = slechte voogd. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VERBELLEMONDEN (verbllemonde) ov. ww - verwaarlozen, (zie blz. 83-84)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'verbellemonden' - slecht beheren, verwaarlozen, verslonzen

WNT VERBALEMONDEN, verbaalmonden - slecht beheeren, door onachtzaamheid bederven

 

verbaol, verbltje

zelfstandig naamwoord

verbaal (proces-verbaal)

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verbaol

WBD III.3.l:351 'verbaal' = proces-verbaal

 

verbaoze

werkwoord, zwak

verbazen

WBD III.1.4:292 'verbaasd' = stomverbaasd; ook 'verbouwereerd'

-- verbaoze - verbaosde - verbaosd

-- geen vocaalkrinping

 

verbrrege

werkwoord, sterk (zw)

verbergen

Henk van Rijen - 'vebrege'

B verbrrege - verbrg - verbrge

Hij verbrgde ze. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

verbeure

werkwoord, zwak

verbeuren, verliezen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - niks n verbeurd, nen hop trubbel in en kln kltje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - antwoord van een oud persoon wie op het gevaar voor zijn leven gewezen wordt

WNT VERBEUREN - 4) door eigen schuld iets waardevols, resp. het recht er op of het genot er van, rechtens verliezen.

 

verbieje

werkwoord, sterk

verbieden

WBD III.1.4:338 'verbieden = ingrijpen; ook 'gebieden

B verbieje - verbj - verbje; ik verbie, gij verbiejt, hij verbiet

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww.tr. + intr. - verbieden

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERBIE(D)EN - 'het verbiedt' -het is af te keuren. Te veul eten verbiedt

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verbieje ww - verbieden

 

verbilde

werkwoord, zwak

verbeelden, voorstellen

B verbilde - verbildde - verbild

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verbilde - ww - voorstellen

 

verbilding

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - verwaandheid

GG verwaandheid, inbeelding

 

verblf

zelfstandig naamwoord

verblijf

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERBLIJF znw.o. Gee(n) verblijf me(t) iet weten - geen blijf ..

 

verbleke

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - verbleken

WBD III.4.4:316 'verbleken' = verschieten

verbleke - verblikte, verblikt

-- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: verblikt

Cees Robben W uitgeblekt.. verblikt en schraol (19590912)

 

verblije

werkwoord, zwak

verblijden

-- verblije - verblijdde - verblijd: ik verblij, gij/hij verblijdt

 

verblikt

bijvoeglijk naamwoord 

verbleekt

Cees Robben - verblikte bilde, hst vergaon [datum?]

 

verboje
bijvoeglijk naamwoord
verboden
Cees Robben Toen was t hier vebjje grond... (19540612)
 

verbltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

verbaaltje (klein proces-verbaal)

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verboltje

dim. van 'verbaol', met vocaalkrimping

 

verbraande

werkwoord, zwak

verbranden

WBD verbranden (gezegd van brood)

WBD verbraande korst - gebarsten en zwartgeblakerde korst (gez. v. brood)

verbraande - verbraandde - verbraand

 

verbrasse

werkwoord, zwak

verbrassen

WBD III.3.1:209 'verbrassen', 'verkwisten, opmaken, vergooien, verballemonden' = verkwisten

 

verdaampe

werkwoord, zwak

verdampen

Dirk Boutkan (1996) - et verdaamt - uit het cluster mpt wordt de p verzwegen.

 

verdaon
voltooid deelwoord van verdoen
verkwist, weggegooid
Cees Robben t Is nie onverdoens verdaon... (19580426)
 

verdeele

werkwoord, zwak

verdelen

-- verdeele - verdilde - verdild

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verdilt

 

verdeesd

voltooid deelwoord, bijvoeglijk naamwoord 

Henk van Rijen - oud geworden, achteruitgegaan

 

verdeezeme

bastaardvloek

We zullen verdezeme nie veur niks naor deez' nest zijn gekomen! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

 

vrders

bijwoord

verder

vrders gin nuus - verder geen nieuws

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. - 'verders - verder

 

verdstruueere

werkwoord, zwak

Frans Verbunt (1996) - snel, schrokkerig eten

Frans Verbunt (1996) - verdstrueerd - vernield

WNT VERDESTRUEEREN - onherstelbare schade toebrengen

Bosch verdstruwere kapot maken

 

verdiep

zelfstandig naamwoord

verdieping

WBD (III.2.1:74) verdiep, zolder

 

verdieping

zelfstandig naamwoord

verdieping

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - alles zit en verdieping te leg (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd van een vrouw met hangborsten en een hangbuik

 

verdiffendeere

werkwoord, zwak

verweren, verdedigen

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - ze kunnen der ge nie verdiffendre - zij kunnen zich niet verweren

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERDEFFENDEREN - verdedigen: z'n lven verdeffenderen

WNT VERDIFFENDEEREN (I) - verdefendeeren - de op het object gerichte aanvallen door physiek verweer (trachten) af (te) slaan, af (te) weren; zich verweren tegen; het opnemen voor, opkomen voor

 

verdimd

bastaardvloek

verdimme, verdomme, verdoemen

Ik heb zoo'n verdimde taanpent... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Spook; NTC 3-1-1940)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

verdimme
bastaardvloek; verdomme
Piet Heerkens - En et weeverke daocht: w doe ik er mee,/ w doe 'k er verdimme-verdomme naa mee,/ en et weeverke daocht: w doe ik er mee,/ w doe 'k er toch mee, sakee!? (Uit: De mus, 1939)

Jan Jaansen - "Goeie mergen, oome Teun, en hoe gao-g-et er nog mee, meensch? We hebben elkaar al in 'n eeuwighei nie meer gezien!" "Wel gadverdimme, bende gij 't of bende 't nie, of is 't oewen geest! Ik daocht, d ge al laank dood waart!" Hij liet z'nen appelvanger tegen den boom staon en neep m'n haand zoo hard, d'k et wel uit ha willen roepen van de pent! Nee, oome Teun was nog bij lange nao nie dood, verdimme nee, heurre. (uit: Naor Oome Teun, Nieuwe Tilburgsche Courant, 24 februari 1940)
Overzicht van alle bastaardvloeken

 

verdimmes

bastaardvloek; verdommes; verdommen; verdoemen

D moet toch wel verdimmes schoon zijn! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

En et weeverke daocht: w doe ik er mee,

w doe 'k er verdimme-verdomme naa mee (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), n Weeverke schoot..., 1940)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

verdoen

werkwoord, sterk

onnodig verbruiken

wederk.: zenge verdoen = zich ophangen

R.J. 'ik ga ra'n eigen verdoen!; m'n vrouw gaat zich verdoen'

WBD III.3.1.282 '(tijd) verdoen' = verbeuzelen

verdoen - verdi(n) - verdaon

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
I, 2) zich ophangen; l) zich verroeren, bewegen, verleggen

 

verdomme
bastaardvloek; verdomme, uit: verdoeme me
Piet Heerkens - En et weeverke daocht: w doe ik er mee,/ w doe 'k er verdimme-verdomme naa mee,/ en et weeverke daocht: w doe ik er mee,/ w doe 'k er toch mee, sakee!? (Uit: De mus, 1939)
Overzicht van alle bastaardvloeken

 

verdove

werkwoord, zwak

verdoven

-- verdove, verdofde - verdofd;

-- geen vocaalkrimping

 

verdouwe

werkwoord, zwak

verdouwen, verduwen; opeten, schransen

Er waren tien worstenbrooikes de man gereserveerd mar omd 't vrouwvolk er mistal zveul nie lustte, zaag den braawer kaans er wel 'n stuk of vijftien te verdouwen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

 

verdrve

werkwoord, sterk

verdrijven

-- verdrve - verdref - verdreeve

 

verdrgd

bijvoeglijk naamwoord

WBD (van een koe) geleidelijk minder melk gevend

WBD III.4.3:212 verdreuge - verwelken; ook genoemd: verslbbere, verlppe, verslnze, flts wre of wg zn

WBD III.2.3:159 'verdrogen' = rotten van appels

 

verduldig

Bijvoeglijk naamwoord, bijwoord.

Eigenlijk geen dialect, maar daarin langer in gebruik gebleven dan in de Standaardtaal.

Geduldig.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): we motten mar verduldig lijen.

- WNT lemma Verduldig 1.

 

 

verdwne

werkwoord, sterk

verdwijnen

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - verdwne ( van fr. tte)

-- verdwne - verdwen - verdweene

-- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verdwnt

 

verremoeje

Werkwoord, zwak

in armoede geraken, verarmen

- verremoeje - verremoejde - verremoejd

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): t verrremoeit en t is mar geleuter.

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'omd ze vererremoeien'

- Ons taol die gao verrremoeie/ heej Prins Claus list ng gezeej. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et kiendje heej tch enen ge naom)

- WBD III.4.3:26 verrmoeje, c.q. wegkwijnen, niet tieren, niet aarden; voor het begrip 'niet gedijen'

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord  'verarmoed' - armoedig

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERARMOEIEN (met 'zijn') - in armoede vervallen;

- Kiliaen -  depauperare en depauperari

- WNT - VERARMOEDEN

 

verze

werkwoord, sterk

verrijzen

-- verrze - verres - verreeze (geen vocaalkrimping)

 

Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2019. Foto CuBra.

 

verkkes

bijwoord 

buitengewoon, buitensporig; eigenlijk: te ver uitgerekt  [zie ook volgende]

- Cees Robben t Was vurrekkes goed gaor... (19760820)

- Henk van Rijen - 'verkkes'

- Mar verkkes hard zpe, d wl. J, d kunne ze dan wir wl, van mn belastingsnte. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'verrekkens' - hevig, buitengewoon

 

verkt

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord 

vervloekt, heel erg

- ge mkt verkt veul foute!

- WBD verrkten deg - te lang gerezen deeg

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - deelw. bijvoeglijk naamwoord  verrekt, vervloekt, verwenst

 

verstert

bijwoord

- Van Delft - "'k Waar er verstert van." Dit is: Ik was er van geschrokken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

- WNT - Lemma Verhessen b. (Jag.) M. betr. t. wild: verontrusten en uit zijn jachtterrein verdrijven. Verhessen, weghetsen, verjagen

- HERMANS, Jagerswdb. [1947]. Als men te veel jaeght verhestmen de hasen, Jachtbedr. 13 [1636]. Wanneer een weiman te veel uit jagen gaat, verhest hij de hazen, d.w.z. dat hij ze verontrust en uit zijn revier [jachtterrein] verdrijft, JANSSENS, Jagerstaal 28 [1977].
- WTT 2016 Mogelijk een contaminatie van verhest (=voltooid deelwoord van verhessen) en verbijsterd.

 

vergallietoeter

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - raar persoon

 

vergaon

werkwoord, sterk

vergaan

- vergaon - verging - vergaon (geen vocaalkrimping)

- tegenwoordige tijd 3e persoon enkelvoud: vergao

- Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - aanders had hil de boel vergaon

 

vergre

werkwoord, zwak

vergaren, verzamelen

-- geen vindplaats; hypothetisch, op basis van'vergrder'

vergre - vergrde - vergrd; geen vocaalkrimping

Henk van Rijen - 'vergaore, vergere - vergaren, verdienen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGRDER znw.m. - vergaarder, iem. die geld vergaart,spaarzaam leeft.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGEEREN - afslonsen, verbalemonden (van kleederen)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGREN - vergaderen, vergaren; bij timmerl. aansluiten + verbinden.

 

vergeete

werkwoord, sterk

vergeten

- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vergit

B ik h d vergeete = ik ben dat vergeten

R.J. '... vergit er t hemeltje nie'

CR10 (blz. 31) 'en vergit me niet'

B vergeete - vergaat - vergeete

WBD III.1.4:21 'vergeetmuts', 'vergeettante' = vergeetachtig persoon; ook 'lobbes', 'droel'

 

vergelke

werkwoord, sterk

vergelijken

 

vergrder

zelfstandig naamwoord

vergaarder, verzamelaar

Cees Robben [uitdrukking:] Nao unne vergerder komt unne verterder. (19840106)

Pierre van Beek - (gezegde) irst ene vergrder, dan ne vertrder - wat een vader bijeengaart, draait de zoon erdoor. (Tilburgse Taaklplastiek 127)

Henk van Rijen - 'vergerder'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGEERDER znw.m. - vergaarder, iem. die geld verzamelt, spaarzaam leeft.

 

vergiese

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - vergissen

vergiese - vergaas/vergieste - vergiest

 

vergifteg

bijvoeglijk naamwoord 

WBD III.4.3:92 'vergiftig' = oneetbare bes

 

vergimd, vergimme, vergimmes

bestaardvloeken; van vergeven, vergeef me, zwakker dan verdimme, van verdoemen

1. vergimd

...want over die dinger is et zoo vergimd moeilijk praote... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)
"D vergimd vrouwvolk ook! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; NTC 19-11-1938)

Vergimd nog toe, des innen lilleken blunder (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)

2. vergimme

Vergimme w was 't er toch schoon!  (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Kubke Kladder (Pierre van Beek) -- Hij was z kwaod as 't aachterste end van den duvel. Vergimme w sakkerde-n-ie: hij was mee ginnen riek mir te voeieren! (uit: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nwe. Tilb. Courant 1929)

't Lekt vergimme wel of detter utspres om gedaon wordt! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Cees Robben Vergimme w hokkem geknepen..! (19601202)

Bosch vergimmes - krachtterm (God vergeve mij); snel, als de wiedeweerga

3. vergimmes(e)

- bijvoeglijk gebruik van vergimme, en als bijwoord

...die hee vergimmes schoon gezongen, heel schoon! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938)
"J, j, haaw d'oe eigen mar nie z onneuzel, ge wit vergimmes goed, w'k bedoel aanders za'k 't oe nog wel 'ns vertellen!" schetterde ze. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)
N, hurre, hij kan 't vergimmes goed. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)
't Mot dan k gezee worren d'k 't er vergimmesch goed h afgebrocht. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)
Cees Robben Mar t doe wel vergimmes zeer... (19710820)
Cees Robben Vergimmese jong... (19720114)
Cees Robben Desse al n vergimmes end op scheut was... (19850628)

Lechim - ...die wier vergimmes kaod... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wrom doen ze d)

Henk van Rijen - 'vergimmes, vergimd' bw - uitzonderlijk bijzonder

Henk van Rijen - 'H deej ut vergimmes goet' - Hij deed het bijzonder goed.

Frans Verbunt (1996) - 'vergimmes goed' - heel goed

 

vergoeje

werkwoord, zwak

vergoeden

B vergoeje - vergoejde - vergoejd; ik vergoej, gij/hij vergoejt

-- korte oe

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGOEIEN (ook: vergoien, vergoeien, verguien) - In het kaartspel: een kaart uitspelen of bijsmijten, die men niet zou mogen spelen hebben, omdat zij de tegenpartij ten goede komt.

 

vergoje

werkwoord, zwak

vergooien

WBD vergooje - verwerpen (abortus), uitdrijven v.d. vrucht voordat de normale draagtijd verstreken is; ook genoemd 'wggooje'

WBD III.3.1:209 'vergooien', 'verkwisten, verbrassen, opmaken, verballemonden' = verkwisten

vergooje - vergoojde - vergoojd

 

vergrote

werkwoord, zwak

vergroten

B vergrote - vergrotte - vergrot

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vergrot

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERGROOTEN, met 'zijn - grooter worden.

 

verhaol, verhltje

zelfstandig naamwoord

verhaal

WBD III.3.1:250 'verhaal' = verhaal

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'verhaal' - ruimte, speling; (bijv.: tussen de eerste en de laatste mis op zondag)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERHAAL znw.o., geen mrv. - ruimte, spel, plaats, waarin iets moet bewegen of draaien; grijp, vat: verhaal hebben op iemand.

 

verhapzakke

werkwoord, zwak

► verrapzakke

 

verhstering

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in de verhstering iets doen (D'l6)-in de schrik, uit onrust iets doen (verhessen = verontrusten, opjagen)

N. Daamen, Handschrift 1916 - "ik vergaat et in de verhstering - in den schrik, in de verbijstering"

WNT VERHESSEN: van 'hessen' met 'ver-', vgl. ook 'hissen' en 'hitsen'. - Van zijn plaats verwijderen, verdrijven.

 

verhze

werkwoord, zwak

verhuizen

Van Delft - "Verhuizen kost bedstroo." Dit is: Verhuizen brengt steeds kosten mee. Hetzelfde wordt uitgedrukt door te zeggen: "Driemaal verhuisd is eens afgebrand." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Van Beek - Verhuizen kost bedstrooi. - Verhuizen brengt meestal vele ongedachte kosten mede. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

Van Beek - Driemaal verhuisd is eens afgebrand. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

verhze - verhsde - verhsd (geen vocaalkrimping)

 

verhltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - verhaaltje

WBD III.3.1:252 'verhaaltje' = sprookje

 

verhonskonte

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - verslonzen, verwaarlozen, geen interesse hebben voor

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'verhndsknte' ww - iets in de hond laten lopen, verwaarlozen

WNT VERHONDSCHEN - 1) verachten; 2) bederven, onbruikbaar maken

 

verinneweere, verrinneweere (de tweede r wordt dan duidelijk uitgesproken)

werkwoord, zwak

vernielen- stukmaken

verrinneweere - verrinneweerde - verrinneweerd

-- Contaminatie van 'verwoesten' en 'runeren' ', tevens verbastering -- Van Dale - VERRINNEWEREN (volkstaal, contaminatie van vernielen en rinneweren, een verbastering van runeren), vernielen

- Schuermans - Rciproque metathesis heeft men in : reeneweeren (*runiweeren, ndl. *ruwineeren, geschreven runeeren, fr. ruiner)

(Algemeen Vlaamsch Idioticon, 1865-1870)

WNT - lemma VERINNEWEEREN en verruneeren - bedr. zw. ww. Van runeeren met ver- (V). Vnl. in dial. en dan in verbasterden vorm aangetroffen, waarbij wisseling van de n /w optreedt en de u vrijwel door alle vocalen kan worden vervangen: veranneweeren, vere(n)neweeren, verinneweeren, verieneweeren, verhenneweeren, veringeneeren, veronneweeren, verunneweeren.

ruiner > runeren > ruwineere > runiweere > rinneweere >

ver(r)inneweere

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verrinneweerd

Hij keek 'ns naor de groote boone, die lillijk verinneweerd waren... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Cees Robben Ge verinneweeret... Willem (19561208)
Cees Robben Zwaor verinneweert ... (19570119)
Lechim - Nuuwe kookes komt er wl/ akkum verinneweer (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op de latte)

Stadsnieuws -  Die haogelbui heej hil mene tn verrinneweerd (240609)

Mee een hart det gij flink verinneweert het... (Tony Ansems, Gewoon mijn ge zijn; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Witt. 'verhenneweren' (S.G. verrinneweren, blz. 334)

WBD III.1.4:339 'verruneren' = verbruien

WBD III.4.4:319 'verrinneweren' = vernielen

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verrinneweere ww - vernielen, beschadigen

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VERRINUEREN ov. ww - runeren, vernielen, verwaarlozen. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. - verruneren, vernielen, stukmaken

Goem. VERRUNEEREN - Fr. ruiner

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERRENNEWEEREN- ten onder brengen, arm maken; fr. ruiner

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - RENNUEEREN, WENNEWEEREN (zachte e) - ruineeren, in den grond helpen

 

verjaore

werkwoord, zwak

jarig zijn; verjaren

verjaore - verjaorde verjaord (geen vocaalkrimping)

 

verjrdag

zelfstandig naamwoord

verjaardag

Cees Robben - W krg ik vur men verjaordag?

GD06 der wier veul gezonge bij brlften n verjrdaoge

 

verkaansie

zelfstandig naamwoord

vakantie

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

verkaawe

bijvoeglijk naamwoord

verkouden

 

vrke, virke

zelfstandig naamwoord , dim.

Van Delft - De duivenliefhebbers, waarvan er onze stad velen telt, zeggen "Geen vrke thuis te hebben" om aan te duiden, dat alle duiven meevliegen in wedstrijden. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Echter: Frans Verbunt (1996) - gin vrke ts hbbe (er is nog geen duif op de klep gevallen)

Cees Robben Na blaosik al wir n vrke/ Mee veul lef de wreld in/ D wil zeggen det me goed gao (19731231)

Henk van Rijen - veertje

 

verkt

zelfstandig naamwoord

vork

Van frans: 'fourchet' 

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - verkt n leepel slaope (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) variant: vieren-virtege: figuur waarin twee mensen in bed kunnen liggen

N. Daamen, Handschrift 1916 - "vurket - vork"

Van Delft - "Vat is 'ne verkt om te vuulen of de repels gaor zn." Dit is: Neem eens een vork om te voelen of de aardappels gaar zijn. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Pierre van Beek Nu we toch over Frans gesproken hebben, schiet ons nog een aardig woord te binnen, dat men boven de Moerdijk wel niet zal kennen, namelijk "verket". Het is afkomstig van het Franse woord "fourchette", dat o.a. "vork" (om mee te eten) betekent, in welke zin het dan ook in Tilburg gebruikt wordt. (Tilburgse taalplastiek 12 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 25 april 1950)

Van Beek - "Gif me ies unne verket". - Geef mij eens een vork (van het Franse fourchet). (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben Legt oew mis en oew verket/ op oew bordje... (19611221)

Hier ist deftig Lewieke, ge it hier mee un mis en unne vekt, en nie mee oe tien geboije... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Piet van Beers Wkkraantfist: Mar....alles w ik kreeg vurgezet, aat ik meej ene leepel, en mis, of ene verkt. (Het zeventiende boekje, 2010)

Iets d waar blve hangen t de td d de Fraanse et hier veur et zeggen han, denk ik, net as desse enne vrk verket noemden. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.2.1:58 'vorket'

Cees Robben - verket

mme kreege sondaags ok dikkels Soupe la giestr. In goei Tilbrgs: Soep van giestere. Meej dikke frmesllie. Die soep konde eete meej ene verkt. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
...ok de Fraanse keuke waar toen in Tilburg hel gewon, al wast mar dtter op lleke tffel unne verkt laag. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verkt zn - tafelvork

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VORKET (verkt) m - vork om te eten; uit Fr. fourchette, maar (onder invloed van 'lepel?) mannelijk. Ook wel: ket.

WNT VORKET, verket, forket, ferket; vorchet, versjet, forsjt, fersjt, fest

Hees verket (I:68)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - FORKET is hier zeer gemeen eene etensvork. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'verket' - eetvork

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - FORKET znw.o. + m. (soms v.) - tafelvork, Fr. fourchette; VERKET znw.o (klemtoon op ket) - tafelvork

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verket, vringket, frienket, ket - vork

 

verklaore

werkwoord, zwak

verklaren

Cees Robben - Hier is alles meej verklaord

B verklaore - verklaorde verklaord (geen vocaalkrimping)

 

verklne

werkwoord, zwak

verkleinen

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - verklne ( = fr. mme)

-- verklne - verklnde - verklnd

-- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij verklnt

 

verkoevereere

werkwoord, zwak

- Hij is aardig gekoevereerd (of: verkoevereerd). - Er beter op geworden, vooruitgegaan (vooral in zaken). (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Cees Robben Goed verkoevereerd (19570706)

Henk van Rijen - promotie maken, vooruitgaan (Fr. recouvrir)

Henk van Rijen - 'W heur-k, z de verkoevereerd?'

Frans Verbunt (1996) - opknappen van een ziekte, herstellen

WBD III.4.4:323 'verkoevereren' = vorderen

Stadsnieuws -  verkoevereere: Et gao zuutjesaon, mar hij verkoevereert tch. (110707)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verkoevereere ww - erop vooruitgaan

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verkeuveren, verkoeveren - van een ziekte herstellen

Hees verkoevereere (III:57)

WNT VERKOEVEREEREN - l) zich herstellen van; 2) terugkrijgen,terugwinnen; 3) verkrijgen, verwerven; 4) er op vooruitgaan

Haor GEKOEVEREERD - bekomen, flink vooruitgegaan

 

verkope

werkwoord, sterk

verkopen

-- verkope - verkcht - verkcht

-- in praesens vocaalkrimping: gij/hij verkopt

WBD III.3.1:97 'verkoping' = veiling, ook 'vendu'

WBD III.3.1:97 'verkoping' = openbare verkoop

WBD III.3.1:98 'verkoping' = koopdag

 

verkwaansele

werkwoord, zwak

►kwaansele

De Wijs -- Iets kwansuis verkwaansele (11-02-1965)

 

verkwne

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - wegkwijnen

Cees Robben daor leej unne dag te verkwnen... (19561222)

WNT VERKWIJNEN - l ) geleidelijk verzwakken ...

 

verlaaje

werkwoord, zwak

verleiden

-- verlaaje - verlaajde - verlaajd

GR daormeej te verlaaje;

WBD III.1.4.435 'verleidelijk' = begeerlijk

Hoeufft 'Verlaaijen', voor verleijen, verleiden: verandering van e in a; Z.a.

 

verleeje

zelfstandig naamwoord

het verleden

Cees Robben Un zonnig verleje... (19570706)

bijvoeglijk naamwoord

verleden

Cees Robben - vleeje week (bis)

Goem. VERLEDEN bijvoeglijk naamwoord  --week, maand, jaar

 

verlt

zelfstandig naamwoord

behoefte, gebrek

verlt hbbe nr iets - erom verlegen zijn, er gebrek aan hebben

Cees Robben Wer hebben er dn hillen vurrige rlog verlet naor gehad... (19561110)
Cees Robben Aleen mar verlet naor ennige stessel-kiesjes... (19720414)

Piet van Beers Den haon sprikt: DEN HAON SPRIKT:/ Gullie wit wl, biste mde/ Dt al gaaw wir Paose wort./ Ik hb verlt nr grote aaier./ Klntjes koom ik nie te kort. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Stadsnieuws -  Daor hmme naa al enen hille td verlt nr gehad. - Dat .... gemist (210310)

WBD III.3.1:210 'verlet hebben', 'missen, ontberen, derven, armoede lijden / hebben, te kort komen' = ontberen

WNT XX I 824 - 5) (Gewest. in Nederl.) Behoefte; gebrek

 

verlieze

werkwoord, sterk

verliezen

R.J. 'k z de hlft ervan verloore

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - verlore - verloren

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 40) verlorde/ verloorde (wel of niet vocaalkrimping)

B verlieze - verloor verloore; ik verlies, gij/hij verliest

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verlieze ww - verliezen; 'k H veul om 'm verloore

 

verloofd

bijvoeglijk naamwoord

verloofd

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ze verloofd zn, koome ze p zen zondags; as ze getrouwd zn, koome ze p zen daogs (82)

 

verlope

bijvoeglijk naamwoord

WBD niet bevrucht bij de dekking (gezegd van een koe; ook 'leeg', 'leejg'

WBD III.2.2:5 'verlopen' = een miskraam krijgen

 

verlootere

werkwoord, zwak

verloten

-- verlootere - verlooterde - verlooterd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERLOTEREN - door loteren losmaken; Blijft van da' slot af, ge zullet verloteren.

De Jager (II:363) kent wel 'looteren', maar geen verlooteren

 

verlsser

zelfstandig naamwoord

verlosser

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik bn de verlosser, mar gij bnt de zaolegmaoker nie (JM'50) - Als een boer met zijn koe lange tijd op de markt had gestaan en er eindelijk een aspirant-koper kwam, dan werd dit tegen elkaar gezegd.

 

verlut

bijvoeglijk naamwoord 

PM gestoord (van een vogel die niet meer op zijn nest terugkeert)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis en verlut ('76) - gezegd van een vogeltje dat niet meer doorgaat met broeden, nadat de eitjes door jongens zijn weggehaald en teruggelegd.

(Verlut = verlaat = ophouden) vgl. 'Hij is verlut' = een geregelde bezoeker die plotseling wegblijft, omdat hij zich niet meer thuisvoelt bij de mensen waar hij vroeger graag kwam.

N. Daamen, Handschrift 1916 - "ze zen gelaik verlut hier (ze komen in het geheel niet meer)"

Cees Robben Toen wees ie me n  nisje aon/ en zeej d is verlut... / As ik die jong te pakken krg../ O wee as ik ze snut... (19600708)

Weij (T&T 38:88) is vd. van AB 'verletten'

Weij (T&T 38:88) verlut - bijvoeglijk naamwoord  "gestoord (van 'n vogel die niet meer op zijn nest terugkeert)". Het is het vd. van een ww. dat in het AB verletten luidt.

- Het WNT XX behandelt dit in kolom 824 vlg., en geeft als betekenissen o.a. 'ophouden', 'vertragen', 'belemmeren' en 'verstoren'; deze laatste betekenis overigens alleen in de regels 'Verletten wil ick niet u vreug het met mijn dicht'. Semantisch lijkt er mij geen enkel bezwaar tegen. Formeel hebben wij hier te doen met ronding tot u van een e die door umlaut uit a ontstaan is (vgl. Franck-Van Wijk 380), een ronding veroorzaakt door l. Weliswaar komt ronding van zulk een umlauts-e niet veel voor. Men zou kunnen denken aan blussen, maar ten eerste werkt hier ook de b mee en vervolgens zijn er ook andere etymologische mogelijkheden; zie hiervoor Franck-Van Wijk 74 en 380. Maar, zij het met andere consonantische omgeving, ook vinden we zo'n ronding van umlauts-e bv. in Maastrichts humme 'hemd' en hbbe 'hebben' (cfr. Endepols 138 en 135).

 

vermaajd

bijvoeglijk naamwoord 

WBD III.2.3:160 'vermaaid' = wormstekig, ook 'verwormd', 'aangestoken'

 

vermaok

zelfstandig naamwoord

vermaak

WBD III.1.4:188 'vermaak' = idem

 

vermaoke

werkwoord, zwak

vermaken

WBD vermaoke (II:1243) - vermaken, pompen

-- vermaoke - vermkte - vermkt (met vocaalkrimping)

 

vermaone

werkwoord, zwak

vermanen

WBD III.3.1:276 'vermaning' = waarschuwing; 277 'vermaan' = waarschuwing

-- vermaone - vermnde - vermnd

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vermnt

 

vermije

werkwoord, sterk

vermijden

Dirk Boutkan (1996) - vermje - vermeej - vermeeje

 

vermoore

werkwoord, zwak

vermoorden

B vermoore - vermoorde - vermoord

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERMOOR(D)EN - zie wdbb.; bederven, schenden, sterk beschadigen; verspillen, verkwisten; doorbrengen (van tijd).

VERMOOREN - vermoorden

 

verneepe

bijvoeglijk naamwoord 

klein van omvang

WBD III.2.3:163 'vernepen' = onvolgroeid (vrucht); ook 'benepen', 'kriel', 'onrijp', 'groen'

WNT VERNEPEN, als bijvoeglijk naamwoord  gebr. verl. deelw. van 'vernijpen'. Niet in Mnl. Woordenboek. In de jongere aanh. haast uitsluitend in vl.-belg. bronnen. l) klein van omvang (ook van personen); 2) benauwd.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord  vernepen onvolgroeid

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERNEPEN bijvoeglijk naamwoord /bw geprangd, beklemd; in zijn groei verhinderd, onvolkomen; vernepen fruit; klein, eng

 

verneuke

werkwoord, zwak

belazeren, bedotten, beetnemen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge vernukt em ng vur ginne cnt (Alg. Brab. '87) - je krijgt geen kans om hem te bedriegen

verneuke - vernukte - vernukt, met vocaalkrimping;

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vernukt

Frans Verbunt (1996) - ge zt ermee vernukt as en drp meej ene ztte pestoor

WBD III.1.4:412 'verneuken' = bedriegen

WBD III.1.4.411 'verneuken' = foppen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'vernuiken' - verneuken, bedriegen, bedotten, foppen; Dien regen he ons verneukt - gehinderd, benadeeld, 'gekuld'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERNEUKEN - verbrodden, bederven, doen mislukken: Gij ht t spel verneukt. De zaak is verneukt.; hinderen, benadeelen.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verneujke ww - voor de gek houden

WNT VERNEUKEN - l) bedriegen, beetnemen; 2) stuk maken, bederven,verknoeien.

 

vernoeme

werkwoord, zwak

noemen, vermelden

hij wier nie vernoemd - hij werd niet vermeld

 

vernoemt
bastaardvloek
verdomd
Cees Robben llieje Sjennie is n nch hundje... D-wel.. Hij is vernoemt flnich.. (19600122)
 

vernukt

werkwoord, persoonsvorm

Henk van Rijen - verneukt, bedondert, belazert

Henk van Rijen - 'Ge vernukt de klt' - Je belazert de boel

Frans Verbunt (1996) - ge zt ermeej vernukt as en drp meej ene ztte pestoor

 

vernuuwe

werkwoord, zwak

vernieuwen

WBD III.4.4:315 'vernieuwen' = veranderen

B vernuuwe - vernuuwde - vernuuwd (met w?)

-- korte uu

   

verongelukke

werkwoord, zwak

onopzettelijk iets beschadigen, breken, kapotmaken

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n as ge dan en tas verongelukte f ge verongelukt en ms f ge verongelukt oewe vrrek f oewe leepel dan koste ng betaolen ok!!! [heeft betrekking op dienstplichtige militairen die de schade aan hun uitrusting zelf moesten vergoeden] Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

verrdeneere

werkwoord, zwak

Frans: ordonner; opdracht geven, bepalen, voorschrijven, bevelen uitdelen

- gij ht hier niks te verrdeneere, gij!

Agge in Tilbrg zgt dgge goed roms zt, dan kan d tweej dinger betekene. Teegesworreg mnde dan mistentds dgge en goej scheut rome in oew tas kffie lust. Mar hil wneg meense zulle daormeej naa ng bedoele dsse persies doen w de paus van Rome hllie verrdeneert. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

Wanneer ze dan tskwaam, waar asset goed waar, alles klaor zo zij et verordonneerd ha. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

verrapzakke

werkwoord, zwak


Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek


1965 Ik kom eens kijken of er "niks te verhapsnappen valt" zegt men in Tilburg en het betekent eens komen kijken of er niets "te halen" of "mee te pikken" valt. Men kan dit werkwoord ook in enige varianten horen zoals "verrapzakken" en "verhapzakken". Het is uiteraard verwant met het Algemeen Beschaafd Nederlands "verhapstukken". Dit betekent: een karweitje doen, of: een klusje opknappen. In zijn oorsprong is het werkwoord afkomstig uit het schoenmakersvak en was dan: verhakstukken. In het Middelnederlands kennen wij het woord "hap" en het werkwoord "happeren" in de betekenis van: roven, wegnemen. "Zakken" is afkomstig van het Middelnederlands "versaeken" dat betekent: iets niet volgens de regels doen of iets onwettigs doen. Hierin ligt dan ongetwijfeld ook wel de verklaring van de bij het kaartspel gebruikte term: saken, versaken en sokken. Dit betekent: niet "bijbekennen" (ook nog zo'n mooie term!), wat wil zeggen: een andere kaart op tafel gooien dan de regel van het spel vereist, terwijl men toch de gevraagde kleur wel in de hand heeft. Als het spel vlug gaat, kan dat "in een hapsnap" gebeurd zijn. We hebben hier te maken met een combinatie van "happen en snappen" In een hapsnap betekent iets vlug doen met niet al te veel zorg of nauwkeurigheid. (Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek 46 - 31-12-1965)
1973 - "Hier valt niks te verhapstukken", zei een Tilburger om aan te geven, dat er geen karweitje viel op te knappen. De uitdrukking stamt uit het schoenmakersvak en was oorspronkelijk verhakstukken, d.i. - naar we aannemen - nieuwe hakken onder de schoenen zetten. Daarnaast kennen we ook het in enige variaties voorkomende woord "verhapsnappen", waarvoor men ook wel hoort: "verrapzakken" en "verhapzakken". Ze betekenen alle drie: meepikken. Het "hap" is afkomstig van 't werkwoord: "happen" of "happeren". Dat is: wegnemen, roven of kapen. Zakken is Middelnederlands en komt van "versaecken", iets niet doen zoals het behoort, iets niet volgens de regels of onwettig doen. Dan hebben we nog ons "hapsnap". Men kan bv. iets "in een hapsnap" doen. Het komt overeen met iets overhaastig doen. Dus in een vloek en een zucht, zodat het "in een hapsnap gebeurd is". De combinatie van "hap" en "snap" betekent eigenlijk: direct reageren. (Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek 183 - 24-11-1973)
 

vrreg, vrrig

bijvoeglijk naamwoord

vaardig, gereed, klaar

Toen ie daormee verrig waar... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Toen Baokel in de Peel

nog lang geen "Baokel" hiette,

en d'eerste kerk in 't drp

al op begos te schieten,

jao, haost al verrig waar (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De deur van de kerk van Baokel, 1944)

 

"Wel gatjevergimme,

die kraai krijgt et verrig,

riep Jan, 't is 'n slimme!"(Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De kster van Baokel, 1944)

Henk van Rijen - 'vreg, vrdeg'

WBD III.1.4:318 'vaardig' = gereed

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - 'verrig', 'verdig' - klaar, gereed

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERDIG -- hetz. als Holl. vaardig. VERDIG bvw. - gereed (z-o der Kemp.). Zijde vrrig?

WNT VERRIG bijvoeglijk naamwoord , bw - bijvorm van vaardig, ve(e)rdig; in Brabant met syncope van d -- gereed, klaar.

 

vrreghd

zelfstandig naamwoord

vaardigheid, bedrevenheid

  

vrreve, vrve

werkwoord, zwak

verven, verwen

B vrreve vrrefde gevrrefd; ik vrref

 

versaoke

werkwoord, zwak

verzaken, 'saoke'

Henk van Rijen - 'verzaoke'

B versaoke - verskte - verskt

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimpings gij/hij verskt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSAKEN - hetz. als 'verzaken', fr. renier. In 't kaartspel! niet volgen als men kan; eene kaart achterhouden.

 

verschaaje, verschaajne

1. werkwoord, zwak; zelfstandig naamwoord

verscheiden, (het) overlijden

Cees Robben - Gij wilt n oew verschaaje zeeker pgestkt wrre;

Cees Robben - naa wil ie ng vur et verschaaje en brd mllekepap;

2. telwoord

verscheidene, verschillende

Der wiere verschaaje febrieke gebouwd

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verschaaje = diverse; 'verschaaiene'; 'verschaaije weken'

...verschaaiene waren er... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
Verschaaiene keeren laas ie d-d-over en verschaaiene zuchten liet ie deur de kaomer gaon. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Al verschaaie keere hk oe verteld hoe schon dt hier is... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Naarus - Hij kwaamp zelvers op zn prikstuultje, en zoo treffend schoon en z eenvoudig, sprook ie mee zn parochiaone, dk er verschaaie keer minne zaddoek van heb motte gebruiken... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Meej verschaaie srte wne... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: W hemme toch gegeete)

n de H. Hart presssie/ zaag ie ok verschaaine keer. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: En euw heuvelse krk)

Ik kwaam dees week verschaajne keer/ n en gesloote deur. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Asse ge baos wille worre)
Frans Verbunt (1996) - 'verschajege' - verschillende

Piet van Beers Algemeen Beschaafd Tilburgs: n 't diktee d jaorleks wort gehaawe/ hk zlf verschaajene keere meejgedaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Stadsnieuws -  Ik hb van verschaaje kaante geheurd dt nie goed meej em gao. (210609)

 

verschaore

werkwoord, zwak

verscharen, verplaatsen

WBD koeien van de ene wei naar een andere overbrengen

-- verschaore - verschaorde - verschaord

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - VERSCHAREN - het vee verscharen, uit de ene weijde in de andere

brengen. Zie SCHAAR (bij Verster)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - SCHAREN (schaoren) ov. ww (van vee gezegd) naar de wei brengen.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHAREN - malkander v. - elk. aflossen, vervangen

 

verschiete

werkwoord, sterk

- verschiete - verschot - verschoote

Pierre van Beek - verschrikken; voorschieten

Pierre van Beek - Kundet verschiete? - kun je het voorschieten? Van verschiete worde lillek. (Tilburgse Taaklplastiek 176)

N. Daamen, Handschrift 1916 - "verschieten - verschrikken"

Henk van Rijen - 'veschiete'

WBD III.4.4:315 'verschieten' = idem (= verbleken, verkleuren)

Goem. VERSCHIETEN wkw - zijn poeder, geld, een kleur zal - ; ontstellen, zij verschoot ervan.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww. verschieten, transitief: vrees aanjagen, doen schrikken;

intransitief a) (ver)schrikken, ontstellen, b) van kleur veranderen, verkleuren, verbleken. Z.a.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VERSCHIETEN, voor verschrikken; ook bij Kiliaen -  en Huygens. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - VERSCHIETEN - verschrikken. Zie Kiliaen - 

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VERSCHIETEN l) ov. ww - voorschieten; 2) onov. ww - van kleur veranderen, zijn kleur verliezen; 3) onov. ww - schrikken (en van kleur veranderen?): oew, ik verschoo:t toch.

Henk van Rijen - ek gao fkes men oge verschiete - ik ga even een dutje doen

WBD III.1.3.16 'verschoten' = versleten; ook 'kaal'

WBD III.1.4:293 'verschieten' = schrikken

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHIETEN (met zijn en hebben) - plotseling ontstellen of ontroeren, 'tzij van verrassing of verwondering, 'tzij van vrees of angst

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verschiete ww - schrikken

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verschiete - schrikken = verschieten 'van kleur verbleken'

Bosch verschiete - een dutje doen; schrikken; verkleuren

WNT VERSCHIETEN (I) - 10) ontsteld doen raken van schrik; hevig schrikken; 11) terugschrikken, terugdeinzen voor iets afschrikwekkends; 13) opkijken van; 14) (van de gelaatskleur) snel, plotseling wegtrekken; enz.

WNT deel XX II, kolom 25, betekenis 27) in de verbinding 'zijn oogen verschieten' = even inslapen, een licht kort slaapje doen.

 

verschille

werkwoord, zwak

schelen, verschil uitmaken

-- verschille - verschilde - verschild

Et kan mn niks verschille. - Het maakt mij niets uit.

... d kan ze niks verschille. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ge zt voetballer f nie)

R.J. 'mar d kan ns niks verschille'

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - verschillen'- Het kan mij niet verschillen, voor verschelen. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.intr., 'verschillen' - schelen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHILLEN - schelen, raken, aangaan: 't kan me niet verschillen.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verschille ww - schelen

 

verschon

zelfstandig naamwoord

schone kleren, inz. ondergoed

Henk van Rijen - leej mn verschon klaor?

WNT VERSCHOON 5) (Vl. belgi) Schoone kleeren, inz. schoon ondergoed. Joos (1900); Lev.-Coopm.(1954); Desnerck (1972) - Die jongen, hi komt hi alle zaterdage om zi' verschoon (Loquela).

 

verschone

werkwoord, zwak

verschonen

B verschone - verschonde verschond; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verschont

 

verschoning

zelfstandig naamwoord

verschoning

Van Delft - - Moeder de vrouw "legt 's Zaterdags de verschooning klaar" en als we dat schoone lijflinnen niet regelmatig aantrekken "raanden we een week". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

verschore

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

Van Delft - "Dat staat vreemd verschoren" beteekent: Dat doet voor de toekomst vreemd aan. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

WBD - Het Gemert Wb. noemt een voltooid deelwoord verschoren (verskorre) in de betekenis van volgroeid, hoog opgeschoten.

 

verschtte

zelfstandig naamwoord plur.

GG bij een werk verbruikte (hulp)materialen

 

verschraole

werkwoord, zwak

verschralen

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'verschraolen'

-- verschraole - verschrlde - verschrld

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verschrlt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHRALEN - schraal, dor, droog, mager worden

 

verschreepeld
bijvoeglijk naamwoord
uit Middelnederlands schrepel, mager, dor
vermagerd, verdord
Cees Robben ...n verschrepeld blad (1959)

 

verschrppele

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - verschrompelen

WBD III.2.3:159 'verschrompelen' = rotten van appels, ook 'verschromfelen'

 

verslabakke

werkwoord, zwak

verwaarlozen

WNT VERSLABAKKEN - 1) verminderen, achteruitgaan, verzwakken, verflauwen; 2) laten slabakken, laten verkommeren, verwaarlozen

 

verslaon

werkwoord, sterk

verslaan

WBD III.2.3:28 'de dorst verslaan / verslagen' = de dorst lessen

WBD III.2.3:266 'verslagen' = verschaald (bier)

 

verslte

werkwoord, sterk

verslijten

WBD 'verslte' (II:1254) - versleten

- verslte - verslet versleete; met vocaalkrimping: gij,hij verslt

 

verslnde

werkwoord, sterk

verslinden

B verslnde - verslon(de) - verslonde

-- Boutkan kent alleen 'verslinden'

 

versmrt

voltooid deelwoord, bijvoeglijk naamwoord 

WBD 'ze zjn versmrt' - ze zijn versmoord (m.b.t. huiden waarvan de haren loslaten ten gevolge v. e. onjuiste conservering; II 589)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSMOORD bw - versmoord, zat, smoordronken

WNT VERSMOORD - l) gestikt; 2) verdronken; 4) ondergedompeld, tot over de ooren zittend in, overstelpt, overmand door, volledig opgaand, verzonken in, verloren, geheel verdwenen ... in een groote hoeveelheid of massa van iets.

 

versnije

werkwoord, sterk

versnijden

WBD 'versneeje' - versneden (gezegd v. e. huid die beschadigd is door sneden bij het villen; II 587)

-- versnije - versneej - versneeje

 

verspeule

werkwoord, zwak

verspelen, kwijtraken

PM missen in iemand (m.b.t. fysieke achteruitgang)

Frans Verbunt (1996) - khb sins fleeweek veul n onze Jaonus verspuld - ik zie dat hij achteruit gegaan is

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verspeule ww - verspelen

-- verspeule - verspulde - verspuld

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verspult

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSPELEN, in 't N. der Kempen: VERSPEULEN - verspelen, verliezen, kwijtraken

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VERSPELEN (verspeule) l) kwijtraken bij het spel, resp. het spel verliezen; 2) kwijtraken in andere omstandigheden, ook buiten eigen schuld, bv. een ongeboren kind of een vrouw; 3) missen in iemand, gezegd v. fysieke achteruitgang: ik heb er veul on verspuld - hij is hard achteruit gegaan.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. 'verspuilen, verspeulen' - verspelen, verliezen; z'n vraauw verspuile - zijn vrouw door de dood verliezen.

 

verspraaje

werkwoord, zwak

verspreiden -

DANB verspraaje

-- verspraaje verspraajde verspraajd

 

verstaand

zelfstandig naamwoord

verstand

MP gez. Hij heeter net zveul verstaand van as en koej van saffraon eete.

Cees Robben Tilburg hee van wol verstaand! (19560630)
Cees Robben En novvenaant zun verstaand viel ie nie dur de maand (19811127)
Cees Robben [Moeder die haar kind naar school brengt:] Hij hee nie veul verstaand, mister.. Mar wettie heej is wel van t biste... (19790923)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - verstaand hbbe van gekkt eete (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - veel verstand hebben van

Variant: gin verstaand hbbe van ...

WBD III.1.4:23 verstaand = verstand

 

verstaandeg

bijvoeglijk naamwoord

verstandig

WBD III.1.4:25 'verstandig = wijs

 

verstaon

werkwoord, sterk

verstaan, begrijpen

R.J. want ns taol verstn ze nie

Cees Robben - hij verstao ginne flikker;

-- verstaon - verston(d) - verstaon

-- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping in pluralis: wij/gllie/zullie verstn

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st.onr.ww.intr. verstaan op een andere plaats gaan staan.

 

verstene

werkwoord, zwak

verstenen

B verstene - verstinde - verstind

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verstint

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSTEENEN (met zijn) Wordt gezeid van peren, wanneer er harde knobbels of plekken in groeien

 

verstke, verstukke

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - verstuiken

-- verstke - verstkte - verstkt

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij verstkt

 

verstouwe

werkwoord, zwak

verstouwen

De Wijs -- Hij hee hil w te verstouwe mar hij begaait t nogal is (17081964)

 

verstukke, verstke

werkwoord, zwak

verstuiken

B - verstukke - verstukte - verstukt

 

vertre

werkwoord, zwak

verteren

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'verteiren'

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vertre ( = fr. mme)

B vertre - vertrde - vertrd

WBD III.3.1:208 'verteren', 'besteden, opmaken, uitgeven' = besteden

 

verteeveeje

werkwoord, zwak

aan televisie verslaafd raken of worden

De Wijs  -- (Gezegd tegen iemand die alleen nog maar tijd heeft om televisie te kijken) Praot naa is ne keer mee, ge zt himmaol aon ut verteeveejen. (15-06-1963)

Cees Robben Swels ons Logje in den eeter zit, ben ik aon t verteeveeje... (19741018)

 

vertrder

zelfstandig naamwoord

verteerder

Cees Robben [uitdrukking:] Nao unne vergerder komt unne verterder. (19840106)

gez. Pierre van Beek - Irst ene vergrder, dan ne vertrder - wat een vader bijeengaart, draait de zoon erdoor (Tilburgse Taaklplastiek 127)

 

 

Piet Heerkens - Vertesselkes - 1941

vertssel

zelfstandig naamwoord

vertelsel, verhaal

vertsselkes (Heerkens SVD), naam van een gedichtenbundeltje

Vertelt dan is gaauw in vertesseltje". (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Henk van Rijen - 'vetssel'

Stadsnieuws -  Ge moet hier naa gin vertsselke gn ophange ik gelf oe vur ginne snt. (280310) Je moet hier nou geen fabeltje gaan vertellen ik geloof je absoluut niet.

WBD III.3.1:252 'vertesseltje = sprookje

 

vervat

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - (financile) reserve; iets om op terug te kunnen vallen

Cees Robben k H gin vervat mir... (19680614)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vervat zn - gin vervat hebbe - geen reserve hebben

WNT VERVAT - schriftelijke opgave of samenvatting van iets (XX II:1415)

Haor VERVAT - voorraad

 

vervatte

werkwoord, sterk

anders (vast)pakken

WBD vervatte (II:1003) - vervatten: het kettinggaren van de ene hand in de andere pakken bij de bomen.

WNT VERVATTEN - 11) een handeling, een zaak, een vriendschap e.d. die men heeft gestaakt of onderbroken, of een onderwerp dat men reeds besproken heeft, weer aanvatten, opnieuw ter hand nemen, weer beginnen, hervatten

Haor VERVATTE - terugkomen

 

verveele

werkwoord, zwak

vervelen

WBD III.1.4:400 'zich vervelen,'vervelen', 'zijn eigen vervelen' = idem

WBD III.1.4:410 'vervelen' = idem

B verveele - vervilde - vervild

-- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij vervilt

 

vervu

Zelfstandig naamwoord.

Verkorting van vervoedering. Ook: vervoeden.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Op half vervu te langen aan een of anderen keuter. Daar niet geannoteerd. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: op halve vervoedering geven. Men geeft een stuk vee onder

beding, dat de meerdere opbrengst na eenigen tijd half aan den eigenaar en de andere helft aan den kleinen boer komt, die zich met de voedering belast heeft.

- De Bont: Zegsw. op half vervuui haauwe (houden): wanneer bv. een zog moet baggen kan een ander dan de eigenaar ze de kost geven op voorwaarde dat de helft van de jongen voor hem is.

 

verwaase
voltooid deelwoord van verwaase
verwassen, in de betekenis vergroeien, gezien de prent: kromgroeien door ouderdom of ziekte (zie WNT lemma Verwassen I:I.3.)
Cees Robben ...vernepen vervrongen verwaasen deur jicht... (19590516)

 

verwre

werkwoord, zwak

verwarren

B verwre - verwrde - verwrd - vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij verwrt

 

verwt

zelfstandig naamwoord

verwijt

 

verwte

werkwoord, sterk

verwijten

WBD III.1.4:424 'verwijten' = idem

- verwte - verwet verweete; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verwt

 

verwchte

werkwoord, zwak

verwachten

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - verwochten'

Cees Robben - toen ik ene klene verwchtte;

Henk van Rijen - mar verwcht hak et wl

-- verwchte - verwchtte - verwcht

WBD III.1.4:57 'verwachten' = vermoeden; 244 'verwachten' = hopen

WBD III.1.4:l86 'verwachten' = idem

WBD III.2.2:2 'in verwachting zijn' = zwanger zijn

 

verwchting

zelfstandig naamwoord

verwachting

WBD III.2.2:1 'in verwachting' = zwanger

WBD III.1.4:186 'verwachting' = idem

 

verwnd

bijvoeglijk naamwoord

verwaand

WBD III.1.4:l67 'verwaand' = hovaardig; 'verwaand' = trots

WBD III.1.4:169 'verwaandigheid' = trots (subst.)

 

verzaoke, saoke

werkwoord, zwak

verzaken

Frans Verbunt (1996) - bij het kaarten geen troef of kleur bekennen; ook: 'saoke'

Cees Robben Mar ge meut nie verzaoke... (19561013)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - fersaoke, versaoke - oneerlijk geen kleur of troef bijspelen

 

verzeej

verzegd, beloofd

Cees Robben Ik ben al verzeej bij ons taante Nolda.. (19690207)
Cees Robben Zde n zondag al verzeej... (19621026 geen Prent van de week maar gelegenheidsprent)

Hees verzeggen, verzeed (VIII:19)

 

verzgge

werkwoord, sterk

Frans Verbunt (16) - beloven

CiT (61) 'Hij hee z'n nuu tebakskaort al verzee aon zn bruur

 

verzme

werkwoord, zwak

verzuimen

WBD III.1.4:374 'verzuimen' = idem

B verzme - verzmde - verzmd

-- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij verzmt

 

verzpe

werkwoord, sterk

verzuipen

Cees Robben - iemand die nt verzpe was; oewge verzpe;

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zoo gelukkeg as enen hond die op zene verjaordag verzoope wordt (D'l6)

- ironisch voor: ongelukkig - Variant: ge ziet ert as ene jngen hnd die p zene verjaordag verzoope wrdt

-- verzpe - verzop - verzoope

-- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verzpt

 

verzuuke

werkwoord, sterk

verzoeken, uitnodigen

Henk van Rijen - Ge mot us fkes tzuuke wie me amml motte verzuuke'

WBD III.3.1:39 'verzoeken', resp. 'vragen, noden, uitnodigen' - uitnodigen

-- verzuuke - verzcht - verzcht

- korte uu

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VERZOEKEN (verzuuke) ov. ww -zonder aanvullende onbep. wijs met 'te': uitnodigen voor een bezoek.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERZUKEN - verzoeken

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - verzuuke ww - uitnodigen

 

vst

zelfstandig naamwoord

vest

ook mannelijk aangetroffen:

Van ons Lia kreg ik meej dieje Siendreklaos ene schone vest.  (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

vt

bijvoeglijk naamwoord , zelfstandig naamwoord

vet

WBD vruchtbaar (van akkerland) (Hasseltse term)

Van Beek - "Vet as 'n slk (slak). "Slekvet", "Vet als olie". "Rotvet". "Zo vet as 'n mispel".  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Van Beek - "Nou is 't vet van de romme" (melk). Er is weinig meer te verdienen.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie veul vt van schm (Kn'50) - van de wal in de sloot

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te vt, Bt, twee keer van doen ('50) - aansporing tot zuinigheid

WBD III.3.1:245 'zijn vet meegeven' = scherp de waarheid zeggen

WBD III.1.4:423 'iemand zijn vet geven' = berispen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VET bvw. vet, fr. gras; het vet hebben - een goed leven hebben; van den grond, vruchtbaar

 

vtgat

zelfstandig naamwoord

WBD vetgat, het ondiepe gat in de poot van een werktafel, dat gevuld is met vet dat diende om de els glad te maken (II:694)

 

vthl

zelfstandig naamwoord; spotnaam; scheldwoord

1. bepaalde functie in weverij

WTT 2012 - van oorsprong waarschijnlijk de functies waarbij een textielarbeider smoutolie moest gebruiken.

D16 "vethol - scheldnaam voor fabrieksjongens, vooral draadmakers"

Naarus - ...wij han innen kollesaolen rgenput, en die wier van td tot td ok schongemokt, as t is langen td dreug gewist wis. Naa hamme daor zoo wel w van die jonge gasjes veur die ze vruuger "vethollen" noemden, maar die laoter de naomsveraandering onderginge; en toen "Draod versterkers" hietten. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

A.J.A.C. van Delft 1930 - In Tilburg heeft het baantje der draadmakers hen den scheldnaam van ►"vetzakken" of ►"vetkezen" gegeven. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 1 februari 1930
Van vroeger dagen 151: Folklore en Ambacht 1)

Anoniem - De scheldtitel waarmede de jongeren [in de textielfabrieken] vooral werden aangeduid was fabriekslap en vethol; de welwillende algemeene benaming was voor de kleinen: draadmaker en voor de grooten fabrieksmeens, werkmeens, en voor allen te samen 't of d werkvolk! Mt de noodige minachting a.h.b. Dat was misschien nog het ergste van al, dat de waardeering al te veel zich uitte in weinig achting. (Anoniem; in Nieuwe Tilburgsche Courant 30-01-1941, Hoe was het in onze streken?".)

Cees Robben knpt de vethol rap zn draoike (19560630)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - ene vthl = draadmaker in het spinproces (blz. 97)

1.1. vthol = vtbl
Karel de Beer - draadmaker in het spinproces van een textielfabriek. Het woord vthl werd ook gebruikt als scheldnaam voor een politieagent en schijnt oorspronkelijk te komen van vtbl. Dit waren vettige, aan elkaar geplakte draadjes die werden opgeveegd op de fabrieksvloer en waarvan bolletjes werden gedraaid, die werden gebruikt om de kachel aan te maken. Degenen in de fabriek die dit moesten doen werden door de anderen minachtend vtbl genoemd, omdat dit veegwerk niet hoog werd aangeslagen. (Tilburgs bijnamenboek, 2000)

2. politieagent

Stadsnieuws -  Toen ze kattekwaod han tgehld krege ze ene vthl aachter der broek. (121210) - Toen ze kattekwaad uitgehaald hadden, kregen ze een politieman achter zich aan.

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.3.1:345 'vethol, vetkees' = politieagent

 

Spotnamen voor een politieagent - uit De Tijd - 3 mei 1968

 

vthlleke

zelfstandig naamwoord, verkleind

fabrieksjongen voor het vuilste werk

verkleinwoord van 'vthl', met umlaut

 

vthoorentje

zelfstandig naamwoord, verkleind

bepaald schoenmakersattribuut

WBD vthoorentje - schapen- of geitenhorentje, dat de schoenmaker met pap of stijfsel op zijn werktafel heeft staan; hs K 183 (II 695)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en neus as en schoenmaokersvthoorentje (Nicolaas Daamen - Handschrift Tilburgs 1916) spreekwoordelijke vergelijking.

N. Daamen, Handschrift 1916 - "vethorentje - 'schoenmakers vethorentje' - schapen- of geiten horentje dat de schoenmaker met pap op zijn werktafel heeft staan - pap of stijfsel"

 

vtkees
zelfstandig naamwoord, spotnaam

A.J.A.C. van Delft 1930 - In Tilburg heeft het baantje der draadmakers hen den scheldnaam van "vetzakken" of "vetkezen" gegeven. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 1 februari 1930
Van vroeger dagen 151: Folklore en Ambacht 1)

 

vtmok
scheldnaam voor zwaarlijvig iemand
Cees Robben Ge het vort unne buik as n spurriekoei.. vetmk... Ge meugt gerust n voeierke minder afsteken... (19650611)
 

vtpan

zelfstandig naamwoord

vetpan, pan waarin vlees en vet werden opgediend om te 'soppen'

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- En sondagsmreges, zak mar zgge, vur we nr de kerk toe ginge, dan wier, as we dan t de krk kwaame was de pan, vtpan op tffel meej goed spk erintgebakke d was ngal nie lekker,  hsppe, sppe! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment
 

vtzak
zelfstandig naamwoord, spotnaam

A.J.A.C. van Delft 1930 - In Tilburg heeft het baantje der draadmakers hen den scheldnaam van "vetzakken" of "vetkezen" gegeven. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 1 februari 1930
Van vroeger dagen 151: Folklore en Ambacht 1)
- A.J.A.C. van Delft 1929
DRAADMAKERSLIEDJE
't Is koud, de sneeuw daalt neder,
In die schoonheid en pracht der natuur.
Die sneeuwtjes vliegen als vlokjes,
En, o wat draaien die molentjes schoon.
Die spilletjes piepen als muisjes
Als men daar geen olie aan doet.
Pleizier, pleizier, wij zijn die vetzakken,
Pleizier, pleizier, wij zijn die vetzakken van pleizier. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 22 juni 1929 - Van vroeger dagen 120: Weversliedjes)

vtzakkerij
zelfstandig naamwoord

het werk van de vtzak in de textielfabriek

A.J.A.C. van Delft 1929
DRAADMAKERSLIEDJE
Dat we vetzakken zijn, dat willen we weten,
Willen wij weten, willen wij weten.
Want die vetzakken staan overal bekend.
Wij hebben geen muziek of geen piano, ook geen orgel,
Maar wij draaien onze molens door vanaf den vroegen morgen
En met een oprecht gemoed keeren wij des avonds weer naar huis.
Zoo leven wij, zoo leven wij, zoo leven wij,
Alle dagen, alle dagen,
Zoo leven wij alle dagen in die vetzakkerij. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 22 juni 1929 -Van vroeger dagen 120: Weversliedjes)
 

vetiel

zelfstandig naamwoord

- Henk van Rijen - ventiel

 

vtkaoi

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

- Verrkten dikke vtkaoi, bier haole gij! (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

vtkf

zelfstandig naamwoord

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de vtkve = bep. nozembende (blz. 97)

 

vtlmke

zelfstandig naamwoord, verkleind

vetlampje - olielampje

A.J.A.C. van Delft -- vtlmkes -- 'n Schn gezicht was 't wel [op de klottermarkt] mee die vetlaampkes en laoter petrol tusschen de spullekes en onder de kraomkes, waor van alles veur 'n paor cente gekocht wier veur de knder. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

 

vtlk

zelfstandig naamwoord

vetlok

WBD vetlok (aan een paardebeen), in Hasselt 'koowt' genoemd

WBD (Hasselts voor) boelee (aan een paardebeen), ook 'koot', (Hasselt) 'koowt' genoemd

 

vtsmlter

zelfstandig naamwoord

PM lijntrekker, iemand die weinig presteert

N. Daamen, Handschrift 1916 - "nou 't is 'ne vetsmelter (een rare akelige vent)"

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VETSMELTER (vtsmilter) m - iemand die weinig uitvoert

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw. m. 'vetsmelter' - woord met vage schimpende betekenis

 

vtwaajer

zelfstandig naamwoord

iemand die koeien vetmest

WNT VERWEIDER - boer die zich toelegt op het vetweiden (= door weiden, laten grazen, vet doen worden); stuk vee dat men in de wei laat loopen om vet te worden, of dat daarvoor geschikt is.

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

veugeltje

zelfstandig naamwoord, verkleind

vogeltje

-- ik zing nt as en veugeltje

-- dim. van 'voogel', met umlaut

De veugeltjes in et bos ... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, In et bos, 1941)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nt zingen as en veugeltje d koej hiet (D16) - slecht zingen

Cees Robben Dr zaat er list n veugeltje/ te zingen in de zon... (19600708)
Cees Robben n half ons miereaaikes vur mn veugeltjes... (19860117)
Cees Robben Die t veugeltje vend die heeget nie.. Mar die t uithaolt... (19751003)

D waare hel veul verschillende veugeltjes, knrries n vinke, zeebravinkskes, n dve, n kiepe. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - diet veugeltje vent, die wit et, mar diet thlt, die heeget (variant in Kempenland

Ge ziet r veul veugeltjes, n saoves hurde ng wel s unne kinkenduut. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.4.1:24 vogeltje (= veugeltje)

 

veugeltjesboer

zelfstandig naamwoord

vogeltjesboer

►zie hieronder: veugeltjesprutter

Ge ziet ik z nne chte veugeltjesboer. Ts lop ik meej nne blaawe stofjas aon en mistal heb ik n dikke sigaor in mnne trul. (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

 

veugeltjesprutter

zelfstandig naamwoord

Van Beek - Liefhebbers van vogels zijn het "veugeltjusprutters";  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

PM vogeltjeskweker en -liefhebber

PM nze Sjf was ene veugeltjesprutter

Cees Robben - veugeltjesprutterspraot

 

veul, vul

telwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

veel

N. Daamen, Handschrift 1916 - "flantoet - eene vrouw van niet veel"

Frans Verbunt (1996) - 'veul kaod ' - heel kwaad

R Schertsend als men iemand voor laat gaan: Et vl gao vur den bissem. Mogelijk antwoord: De strnt kmt aachter et vreke.

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'veuls te hoog'

Cees Robben We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer... (19540515)
Cees Robben W heej ze toch veul kaskenaade... (19561215)
Cees Robben Nie veul druktes... (19580426)
Cees Robben ...dan heet ie nie veul praot... (19581122)
Cees Robben En naa nie veul zegge.. of t gaot-er-op..! (19650924)
Cees Robben Dan lkenet veul meer... (19651203)
Cees Robben Al veul buijkes aachter de rug... (19740830)
Cees Robben Ge wit toch (...) dek veul van oe haauw... (19820122)
Cees Robben Veul..? Twee haore op oewe kop des wnig.. Mar twee haore in de soep.. Des veul... (19630816)

GR veul mskes hb ik zuut gekust; veul kraajen op et dak; ffe veul; De Wijs  --  k Zt wel wille kope, mar ik heb veuls te veul te wnig in mn portmonnee   (10-02-1963)

Pierre van Beek - Hij zeeter nie veul; hij zeeter ginnen ene - hij is zwijgzaam, gesloten

Frans Verbunt (1996) - veul? ws veul? Twee haoren op oewe kp is wneg, mar twee haoren in oew soep is veul

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - ge haadt al nie veul - gij hadt reeds niet veel

DANB hij hee veul prts omdttie strek is

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - veul onbep. tw. - veel

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VEUL, voor veel, voornamelijk ten platten lande, naar de kanten v.h. Markiezaat van Bergen-op-Zoom, en somtijds, met verwisseling der L in N, 'veun', vooral door kinderen.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VEEL (veul) onverbogen, onbep. tw en bw - l) talrijk, in grote hoeveelheid; 2) dikwijls: ik heb daor veul gekome; 3) in hoge mate, zeer: hij is veul ziek.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEUL bw - veel

Bosch veul - veel

Dirk Boutkan (1996) - 'Vastenaovend wordt nie veu(l) mir gevierd.' (blz. 94)

Stadsnieuws -  Veul? Ws veul? Twee haoren op oewe kp is wneg, mar twee haoren in oew soep is veul...

 

vl, vlder, vlst

bijvoeglijk naamwoord / zelfstandig naamwoord

vuil, vies; gierig

huisvuil

Vl wrk wrdt slcht betld. - Vuil werk wordt slecht betaald.

MP gez. Tis vl, zi den l, n hij bekeek zen jong.

WBD vuil, vl - nageboorte van de koe; kalfsvlies

WBD (Hasselt) nageboorte van een varken

WBD vl aaj - bebroed bevrucht ei (van een kip)

Frans Verbunt (1996) - veul laojde p en kr

Cees Robben Die blft den hille aovend mar in zn vuil zitte... (19641023)

gez. Pierre van Beek - Hij heej hil w waoter vlgemkt. - hij heeft in zijn leven 'de zaak

aardig versierd'. (Tilburgse Taaklplastiek 153)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et vl gao vur den bissem (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - humoristische opmerking als men iemand voor laat gaan

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord  en bijw. vuil: l) onrein, morsig; 2) gierig, vrekkig. zelfstandig naamwoord vuil: l) nageboorte bij het vee; 2) onkruid

Henk van Rijen - den dieje is te vl om w wg te geeve - ... te gierig om ...

Henk van Rijen - vl plddeke - geniepig (vies) vrouwspersoon

Henk van Rijen - vle peer - gierig iemand

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'de vil vf' - bep. werkmanshuisjes

De Wijs -- menne verloofde blft den hille aovond in zn vuil zitte (17-08-1964)
De Wijs -- Mar boer, w hedde toch schn dochters. - Van mn kr aaf meej diejen vuilen praot. (10-02-1963)
Frans Verbunt (1996) - in zen vl lope - zijn werkkleren nog aanhebben

Frans Verbunt (1996) - daor zk ene vle in - daar ben ik handig in

WBD (III.2.1:317) vl - stof

WBD (III.1.2:267) 'vuil' = etter

WBD (III.1.4:442) 'vuil' = onfatsoenlijk ook 'vies'

WBD (III.4.4:236) 'vuil' = troebel

WBD (III.4.4:321) 'vuilmaken,'bevuilen' = idem

gierig

Pierre van Beek Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbten (doorbijten) al was 't d-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

 

veulderhaand

bijvoeglijk naamwoord

veelderhande, allerhande

veulderhande blommen... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Levensles,  1932)

 

veule, vulle, vlle

zelfstandig naamwoord

veulen, ook genoemd: 'vulle', 'vlle' of 'poeleke' (tot 1 jaar)

WBD hngstvlle, hngstvulletje - mannelijk jong van een paard

WBD meervlle, mrreveuleke - vrouwelijk jong van een paard

WBD lpvulle, lpvlle - moederloos veulen

WBD speenvlle, vulle, (Hasselt:) vlle - niet gespeend jong van een paard

WBD gespend vlle - gespeend jong van een paard

WBD veuletje; kln prdje - vleinaam van het veulen

WBD veule, prdje, hanske,(Hasselt:) plleke - loknaam/roepnaam v.h. veulen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. 'vullen' resp.'vollen' - veulen

 

vlpraot

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - smerige taal

 

veulprts

grootbek

WBD III.1.1:101 'veelpraats' = mond (spotnaam)

Stadsnieuws -  Dieje veulprts lult oe zo van de skke - die praatjesmaker kletst je zo omver (180410)

-- De 's' geeft een genitivus partitivus aan.

Bosch veulpraots - iem. die te veel zegt

WNT VEELPRAATS - praatjesmaker

 

veultij

bijwoord

dikwijls

K + B veultij

WNT VEELTIJDS - herhaaldelijk, dikwijds, telkens, vele malen

 

veur, vur

voorzetsel, bijwoord

-- Gaode gij veur f moet ik vurgaon? - Ga jij voor of moet ik voorgaan?

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 4l) 'veur/ vur' als ww-deel

Cees Robben - Herodus die kwam zellevers veur. Herodus deed zelf de deur open. Prent over driekoningenzingen. De tekst is ontleend aan een in die tijd bekend driekoningenliedje. (19540109)

WBD veurknie - voorknie van een paard, ook 'knie' genoemd

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VEUR i.p.v. voor, in de bet. v. ante, ook in de zamenstelling (b.v. veurhoofd). Dat het zeer goed is, kan men bij Kiliaan zien. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEUR vz/bw - voor

Ed Schilders over de prent 'Herodus die kwam zellevers veur' van Cees Robben

 

veurstaon

werkwoord, sterk

voorstaan; in de betekenis 'daar staat me iets van bij'

SJAREL. J, naaget zegt, daor stao me ok iets van veur. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

 

viegeleere

werkwoord, zwak

PM uitprakkizeren

WBD III.1.1:249 'vigileren' goed, scherp luisteren

-- viegieleere - viegieleerde - geviegieleerd

vD vigeleren - onjuiste spelling voor vigileren: loeren op, prakkeseren

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VIGELEREN (onov. en ov. ww) vigileren, uitprakkizeren, op slimme manier bedenken. (Van 'vigilie', nachtwake)

Bosch vigilere - bedenken

WNT VIGILEEREN - 4) bedenken, verzinnen, overleggen, prakkizeeren; 5) heen en weer loopen, flaneeren

 

viegielant

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - kinderwagen

Henk van Rijen - 'viegelaant'

WNT VIGILANTE - vigilant - vigelant, znw. vr. in volkstaal onzijdig. Stationneerend gesloten huurrijtuig, gewoonlijk voor vier personen.

 

vierbomer

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) - eg met vier hoofdbalken

 

vierderhaande

Frans Verbunt (1996) - vier soorten, vier kleuren, term uit het kaartspel

 

viere

werkwoord, zwak

vieren; verwennen

Pierre van Beek - Ik wrd gevierd as en vl aajke = ik ben niet in tel (Tilburgse Taalplastiek 126)

B viere - vierde - gevierd

- soms vocaalkrimping: gij viert, en verleden tijd vierde(n)

-- lange ie, behalve in tegenwoordige tijd bij gij (viert) en in verleden tijd (vierde(n))

Cees Robben Ze wordt gevierd as n vuil aaike... (19710522) [Ze wordt goed verzorgd]
Cees Robben Gevierd as n vors aaike.. (19860411)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VIEREN - vieren, wel verzorgen. Hij is gren gevierd.

 

vierel [vierl ?]

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:288 'vierel' = kwart el (= 17 cm), ook 'vierendeel'

WBD III.4.4:295 'vierel' = kwart pond

WNT - VERREL VIEREL , znw. onz., mv. -s. Zie voor de vorming van verrel en vierel (die voor het eerste lid mog. een verschillend uitgangspunt hebben) de etym. wdb.; zie ook VIERDEEL.
1. In het alg.: een vierde deel van iets; vierendeel, kwart.
LAURMAN 73 [1822]. V. DALE [1872 ᬶ].

2. In het bijz.
a. Als aanduiding van een bep. maat.
α. Als lengtemaat: een vierde deel van een el, een kwart-el.
Een verrel fluweel, V. DALE [1898 ᬶ]. HAGERS, Handelslex. [1919].Een vierel lint, Driem. Bl. 22, 28 [Utr., 1927].

β. Als gewichtsmaat: een vierde deel van een pond.
ZWIERS [1920]. HAGERS, Handelslex. [1919].

γ. Als inhoudsmaat.
LAURMAN 73 [1822].Een verrel boter, 11/2 H.G., (ook) een vaatje van 80 pond, V. DALE [1898 ᬶ]. Ze (t.w. de dokters) voeren Meestal niets uit voor 't geld. 'k Gaf kroonen en voor niets! ik gaf Veeleer ze aan Gerrit-buur voor 't verreltje' ouden wijn, SCHIMMEL, Dram. P. 2, 67 [1850].

δ. Als oppervlakte- of landmaat.
 

vierkaant

bijvoeglijk naamwoord 

vierkant; eigenwijs

WBD vierkaante koej - harmonisch van bouw, ook genoemd: 'goej behange', 'schoon behange', 'geljnde', 'goed gesloowte of 'goed gestopte' koej

WBD vierkaante koej - koe met mooie billen, ook genoemd:'schon gedraajde', 'koej meej goej / mooje bille', 'meej goej aachterstl'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VIERKANT bw - geheel en al, openlijk

 

vierkaanteg

bijvoeglijk naamwoord

Frans Verbunt (1996) - onverzettelijk

Stond et ze nie aon wk amml zi, dan wier ik vierkaantig opgevat en in zon kiest geflikkerd. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vierkantig, bijvoeglijk naamwoord  - vierkant

 

vierschaftskeeper - (vierschafskeeper ?)

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

WBD II.4. p. 892 Een keper die m.b.v. vier weeframen geweven is (schaft" = weefraam"). Grothe zegt op p. 351: Gekeperde stof, die geweven is (...) waarbij dus weder-keerig in ketting en inslag 't binden op den vierden draad plaats heeft, noemt men vier-bindige, vierdraads, vierknoopige of vierdeeli-ge, ook vierschachtskeper.
het type vierschaftskeper in: K 183 (= Tilburg)
WNT lemma Vier 1958 - Vierschacht, met vier schachten vervaardigd weefsel. Vierschachter, weefkam met 4 schachten (DE BO [1873])).
 

viertel

WBD III.4.4:299 'viertel' =kwart hectoliter, ook 'deel' of 'kan'

 

vierts

telwoord

Henk van Rijen - vierde

- gij zt vierts

 

viervoets

bijwoord

WBD galopperen; (Hasselt:) gallopaere

Pierre van Beek - viervoets - bepaalde manier v. lopen of springen van paarden; ook: handeling die in grote haast wordt uitgevoerd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VIERVOETS bw = VIERKLAUWENS bw - in galop, in vollen ren; wordt ook gezeid van menschen, hoewel niet te peerd zittende.

WNT VIERVOETS l) bijvoeglijk naamwoord  viervoetig (verouderd); 2) bijw., in denzelfden zin gebezigd als 'te viervoet', oneigenlijk: metterhaast.

 

vieskont

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - kieskeurig iemand

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vieskont zelfstandig naamwoord - iem. die kieskeurig op het eten is

 

viet

-- verleden tijd van 'vatte', dat ook zwak vervoegd wordt

vatte

Cees Robben - 'en ze viet 'n lepke vaast'

 

vietempeu

tussenwerpsel

schiet eens op!

Frans Verbunt (1996) - 'vietepeutem' - vlug een beetje!

Verbastering van Franse 'vite un peu'

 

viezentiere

werkwoord, zwak

visiteren, bezoeken; uit Frans visiter

nog geen Tilburgse bewijsplaats

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...)  viezentieren...

 

vinger

zelfstandig naamwoord

vinger

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - der intje van vf vingers n en benauwd hart (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1974) - er eentje - gauw bang zijn om iets verkeerd te zullen doen; aarzelen voordat er een beslissing genomen wordt

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - der zen vingers nie blauw n hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - een erfenis in het vooruitzicht hebben waar niet veel van verwacht wordt (de vingers worden dan niet blauw van het tellen)

WBD III.1.1:159 'vingerlid' = vingerkootje; ook 'voorste lid'

 

Ill. Thom - vingerhoedskruid - digitalis purpurea

 

vingeroed

zelfstandig naamwoord

vingerhoed

WBD 'vingeroet' (II:1123) - vingerhoed

WBD III.4.3:246 vingeruudjesplaant - vingerhoedskruid (Digitalis purpurea)

WBD III.4.4.296 'vingerhoedje' = centiliter

 

Tekening van Carel Fabritius - Vink - 17de eeuw

vinkeslag

zelfstandig naamwoord

het slaan van een vink; knip om vinken te vangen

gez. V: p vinkeslag zitte - ongeduldig en gespannen zitten wachten op een bevalling (de ouders - en niet de vroedvrouw - zitten op vinkeslag)

Interview Jolen - 1978 - Ik hb aatij veugeltjes gehadin de fejr, aatijik ging ze zllef vangevinkein de DiepestraotSanneke Hns, Sanneke Haans, d was ene lantrennsteeker, die ha zllef ene vinkeslag aachter zenen hfgrote ntte. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VINKESLAG znw.m. -spr. op vinkeslag staan - staan loeren, iemand staan afwachten achter hoek of kant.

 

vinneg

bijvoeglijk naamwoord

N. Daamen, Handschrift 1916 - "hij is an de vinnige (aan den diarhee)"

WBD III.1.4:31 'vinnig' = vlug van begrip

WBD III.l.4:218 'vinnig' = onstuimig

 

virke, vrke

zelfstandig naamwoord dim.

veertje

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - gin virke ts hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969)-geen duif thuis hebben

WBD III.4.1:39 'veerkes' - veren aan de poten van vogels

 

virpont

zelfstandig naamwoord

veerpont

Dirk Boutkan (1996) - virpont (blz. 33)

 

virteguuregebd

zelfstandig naamwoord

veertig-uren-gebed

[met carnaval] wier dieje monstrans, in alle kerken drie daoge tgestald,tentongesteld, zak mar zegge. Van ons, die katteliek waarewier verwcht d we dan elke dag tijdens d virtigurengebed,zo hiete die tentonstelling, un uur kwaame bidde. Ge kostop zon daogen ok nog enen volle aflaot verdiene. D waar hendig agge op strve kwaamt te ligge, koste oe ge daor hillemaol zondevrij meej maoke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

virtien

telwoord

veertien

Oover virtien daog ist krmes;

Cees Robben - virtien daog hrs (= geleden)

Van Delft - "Hij geeft er veertien in een dozijn", hoorde ik van iemand zeggen, die graag en veel praat. (De Engelschen hebben daarvoor een soortgelijke teekenachtige uitdrukking: "Hij praat zestien woorden in het dozijn.") (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

B virtien

 

vis

zelfstandig naamwoord

vis

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 52) vis - viske/ visje

 

visje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

vestje

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 28) uit het cluster stj wordt de t verzwegen (van vst)

...ze [de baanwielrenners] fietsten d'r tong op d'r vistje vur 'n sigaor van zeuven centen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)
...zonder d'k bang behoef te zn, d ze me op m'n visje zullen spiersen (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij trk ze teege zen visje (D16) - hij haalde haar aan R Iemand p zen visje spierse - hem flink de waarheid zeggen

- Hij ha heel schone kleere aon/ En unne lozzie op zun visje Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005

Henk van Rijen - hij gaaf em en gef visje - hij gaf hem een aardig vestje

WBD III.1.3:127 'vestje' = frontje in de hals van een jurk

 

visjeszak

zelfstandig naamwoord

vestzak

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'in m'ne vestjeszak'

Henk van Rijen - d betlt ie t zen visjeszkske

Stadsnieuws -  D betaol ik t men visjeszkske (111009)

WBD III.1.3.115 'vestjeszakje' = vestzakje

WNT VESTJESZAK zie VESTZAK. Zie voor den vorm met het diminutiefachtervoegsel (= suffix)bij het eerste lid (zooals in dagjesmenschen, nopjesgoed) V. Lessen blz. 11.

 

viskesfrter

zelfstandig naamwoord

visjesvreter; larve van libelle [?]

Sjef Paijmans   Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. De viskesfreters en torren werden in een glazen pot mee naar school genomen voor de frater, die ons tijdens de natuurkundeles vertelde hoe deze waterdiertjes allemaal heetten en hoe nuttig ze waren. Viskesfreters werden later Libellen.

 

viskrref

zelfstandig naamwoord

viskorf van de ambulante visverkoper

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- En wie was d ok wir die aatij bij De Kluit n zo ooveral kwaam meej zen aajer n zen viskrref, hoe hiet die ok wir? (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

Foto: Regionaal Archief Tilburg

vismrt

zelfstandig naamwoord

vismarkt

Audio-opname 1978 -- n toen zk zogenaamd bij Jaones Los n de gang gegaon, d was op de Vismrt, et Willemsplein n de was ene grote grssier (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

Edwin Landseer

visroej

zelfstandig naamwoord

vishengel

WBD (III.3.2:215) visroej, vishengel, hengelroej, hengel, garde, visgarde = hengel

Sjef Paijmans - In de gracht voor de Weyenberg [in Oisterwijk], waar toen Bartje Schoenmakers zijn boerderij had, zaten op Woensdagmiddag, soms een stuk of wat schooljongens te vissen met een hengel; dat wil zeggen een dunne staak, een eindje zwart naaigaren en als dobber een rood lucifershoutje. Als angel diende een omgebogen
speld. En toch werden er op deze primitieve manier stekelbaarsjes gevangen. (Herinneringen, CuBra circa 2002)
 

Afbeelding uit: Kroniek van de Kempen

 

vissersmis

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - mis voor de vissers op zondagmorgen om 4 uur in de kerk van de kapucijnen

WBD III.3.3:118,) vissersmiske = vroegmis

 

vist

zelfstandig naamwoord

vest

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vist

Op de trebuune meej en harnas/ of ene koogelvrije vist. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Beeter enen bange as enen dooie)

 

vlaaje

werkwoord, zwak

vleien

B vlaaje - vlaajde - gevlaajd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEVLEEN (zachte e): 3e hoofdvorm van 'vleien'

 

vlaartje

zelfstandig naamwoord dim.

lefdoekje, pochet, foulard

Henk van Rijen - kkt es wt ie freet is meej zen vlaartje - trots met zijn pochetje

-- Van fr. foulard, hals- of zakdoek.

 

vlaas

zelfstandig naamwoord

vlas

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vla.s, znw.o. 'vlaas' - vlas

 

vlagge

werkwoord, zwak

vlaggen

WNT: plaggen of graszoden steken

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nie vlagge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gemeenschappelijk bezit niet te eigen bate aanwenden (in de gemeensch. heide mochten vlaggen gestoken worden)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vlagge ww - plaggen afsteken

 

vlagzs

zelfstandig naamwoord

vlagzeis

Lodewijk van Dorrus Misters - Misschien heeft voor sommige lezers ook de heiturf een nadere omschrijving nodig. Deze werd op de heivelden gehakt. De boer gebruikte daarvoor de zg. vlagzeis. Dit is een gereedschap, waarvan het mes, de zeis, onder een hoek van ca. 70 graden aan de steel staat. Het mes heeft een afgeronde vorm, ongeveer 13 bij 20 cm. Bij het hakken dringt de snede in de grond, komt dan horizontaal onder de heide en snijdt de bovenheide en een gedeelte der wortels af. Dit is de turf. Voor de boer weggaat, worden de turven of plaggen tegen elkaar opgezet om te drogen. De brandstof leveren dus de opstaande heide en de onderliggende wortels. Is de boer niet van plan van de kale vlakte bouwgrond te maken, dan laat hij ze gewoon liggen. De heide schiet vanzelf weer uit. Hoe de naam "vlagzeis" is ontstaan, is ons niet bekend, maar vermoedelijk is de oorspronkelijke naam "vlakzeis" en is de k door het spraakgebruik een g geworden. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 17 Rond de boerenhaard 2; NTC 11-8-1952)

 

vlak

bijvoeglijk naamwoord  / zelfstandig naamwoord

druk

Henk van Rijen - w hbbe ze et wir vlak - wat zijn ze weer druk!

HTW 'vlak hn' uitgelaten, druk zijn

WBD III.4.4:136 'vlak , 'vlakke' = vlakte

 

vlakweg

bijwoord

direct, zonder omhaal

Ze hield nie van omwegen en deurom vroeg ze vlakweg aon Annekes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

vlam

zelfstandig naamwoord

hartstocht

Stadsnieuws -  Zen aaw vlam wier aaw poelie n wier zoo en aaw hrk - zijn vroegere verloofde werd een oude vrijster en werd van lieverlee een oude vrouw (080106)

 

vlang

zelfstandig naamwoord

volant (onderdeel van een textielmachine)

-- uit fr. 'volant

WBD vlang (II:938) - volant: 'n soort poetswals

 

Vlaondere

Toponiem

Vlaanderen

- Mar om daor te komen moeten ze dur den elektrieken draod, de moordende afrastering die de Dtschers in de oorlogsjaoren tusschen Brabant en Vlaonderen spanden. Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

 

vlchte

werkwoord, sterk

vlechten

B vlchte - vlcht - gevlchte

Dirk Boutkan (1996) - vlchte - vlcht - gevlchte ; ook: vlchte

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. 'vlaechten' - vlechten

 

vlee, vleej

1. bijvoeglijk naamwoord

verleden

vleeje mnd, vlee week

-- flee = contractie van 'verleden': d-syncope, affix-apocope enz.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - FLEE gekrompen uit 'verleden', flee week, flee Zondag.

In de vlee week, zk op rs gewist mee den ootobus. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

ds naa ammol lang geleeje/ d noeme ze de vleeje td (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)
Kln Luuske van ons taante Fien/ is fleeje mnd getrouwd... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Pertrtjes keke)

'ze Miel hee vleeje week gezee/ Ik gao nie mee naor Willem II" (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

Cees Robben Vlee jaor hebbe wij hullie n kaortje gestuurd mar zullie ons nie... (19801031)
Cees Robben Toen ge t vleeje week mee t karnevalsbal z begaoid had.. (19800215)

2. samentrekkingen tot bijwoord van tijd

Fleeweek zaat ie ng int kefeej.

uitdr. fleeweek from - de voor-vorige week

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vleejaor'

Cees Robben Vleje-week-vrom waren oew pre buikzuut.. oew appelesiene mrf.. oewe knolraop vs... en oew repel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209)
Cees Robben Hedde gij vleeje-week-vrom opgetillefeneerd... (19680816)
Cees Robben Hak vleeje week from oew stee mar gekocht... (19830812)

Audio-opname 1978 -- ds vleej jaor ffteg jaor gewrre mar ze hbben et nie gevierd want ik hb et toevalleg ng n de prtier vleej week gevraoge. (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

vles

zelfstandig naamwoord

vlees

De Wijs -- t is vlees van den bakker (gehakt met veel brood) mee lawaai-sju (17-08-1964)

WBD vles - lijmvlees, de resten vlees-, bind- en vetweefsel van de vleeskant van een huid (II 6l0), ook 'lm' genoemd

WBD vlesmesjien - vleesmaohine, om huiden te ontvlezen (II 608)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ast vles deraf is, gooje ze de bene bte (HM'50) - typering van werkgevers die hun personeel ontsloegen als het oud was.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'et vles is zwak', zi taante Ka, n ze kcht enen zeren beehaa (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)

Etym. wg. fleiska, D. Fleisch, N. vlees, T. vles

 

vleskaant

zelfstandig naamwoord

WBD vleeskant, kant v.d. huid waar het vlees heeft gezeten (II 595)

 

vleskrs

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:l69 'vleeskers' = zoete kers, ook 'knapper'

 

vleskouse

zelfstandig naamwoord meervoud

lichtgekleurde, dunne kousen [?]

Henk van Rijen - 'vleskaawse'

WNT VLEESCHKOUSEN mv. als schertsende omschrijving van bloote beenen (gewestelijk in Zuid.-Ned.)

Audioregistratie 1978 - n asse te kommuunie ginge n ze han vleskouse aon f zon bietje en spie, dan sloeg ie ze oover n de kommuunie! N, kossie nie teege dieje meens! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

vlesmis

zelfstandig naamwoord

vleesmes

WBD vlsms' - vleesmes, lang, scherp, boogvormig mes met twee handvatten, gebruikt b het vlezen van huiden op de boom (II 607)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vlsms zn - vleesmes

  

vleswrk

zelfstandig naamwoord

vlees

...in en kpke soep han ze wl zin./ daor zaat wl veul gruun n peekes/ mar hl wnig vlswrk in. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et is mar hoeget zgt )

 

vleze

werkwoord, zwak

vlezen

WBD vleze - vlezen, het verwijderen v.h. onderhuidse bindweefsel met de nog aanwezige vleesresten (II 607)

WBD vlezer - werkman belast met het vlezen (II 608)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VLEZEN ww - bij huidenvetter: met een scherp mes de vleesdeelen afsnijden

 

vlgske, vlggeske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van vlag

vlaggetje

Henk van Rijen - kk tch es wnne strp lmkes n vlgskes

 

vlmke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van vlam

vlammetje

R.J. 'daansen duzend vlemkes'

 

vlmmekes
zelfstandig naamwoord meervoud, verkleinwoord van vlam
vlammetjes
Cees Robben Daor vlinderen as vlemmekes/ Veul helle kender-stemmekes... (19580531)

 

vleugel

zelfstandig naamwoord

vleugel

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vleugel

WBD III.4.1:36 'vleugel', 'vlerk'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VLEUGEL znw.m. vleugel, fr. aile; ook vleugel van een spinnewiel

 

Ill. Rolf Janssen

vlieg

zelfstandig naamwoord

vlieg

...zoo taai as vliegen op de stroop! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - derbij zn as en vlieg die in de prdestrnt pikt (Kn50)- haantje de voorste zijn.

 

vliege

werkwoord, sterk

R Hij vlog erp aaf as nen haon p ne knoezelbs

R.J. 'daor vlog er den ooiver ...'

Cees Robben - dan hdde kaans dgge in de prze vliegt

B vliege - vlog - gevlooge

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - waor en mus durheene vliegt, blft en mug hange (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)prominenten kunnen zich meer veroorloven dan de kleine man.

 

vliegekaast

zelfstandig naamwoord

WBD spinde (voorraadkast of bewaarplaats voor levensmiddelen), ook genoemd: eeteskaast, vliegekaast, broodkaast of kaast

 

vliegkappe, de

zelfstandig naamwoord meervoud

zusters met witte vleugelachtige kap

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de vliegkappe = zusters van een bep. congregatie (blz. 98)

 

vliegmesjien

zelfstandig naamwoord

vliegtuig

 

vliegnt

zelfstandig naamwoord

WBD vliegennet (netwerk dat men over een ingespannen paard vastmaakt om het tegen vliegen te beschermen) (Hasselts woord)

WBD (Hasselt; 'brstnt' - borstnet (tegen vliegen, t.b.v. een paard

WBD 'vliegedk' of 'bltje' - rugnet (vliegennet over de rug van een paard)

 

Ill.: Naumann; vlierscheut - turdus pilaris

vlierscheut

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - kramsvogel, beflijster (Turdus pilaris)

WBD III.4.1:88 vlierscheut - kramsvogel (Turdus pilaris), ook genoemd: kramlijster of dubbellijster

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vlierscheut zn - grote lijster

WNT VLIERSCHEUT - 2) in de streek van Oirschot een volksnaam voor den Kramsvogel (Turdus Pilaris)

 

Vliervlam

vliervlam

zelfstandig naamwoord

vliervlinder

vD. vliervlinder - vlinder met zwavelgele vleugels met bruine buitenrand, waarvan de rups op de vlier leeft (Ourapteryx sambucaria)

N. Daamen, Handschrift 1916 - vliervlam - vlinder

WBD III.4.2:146 vliervlam - vlinder (Lepidoptera), ook genoemd; 'vuurvlam' of 'kapelleke'

 

vlies

zelfstandig naamwoord

vlies (zie ook: vlim)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vlies

WBD III.2.3:133 vlies= melkvel; ook zaam

WBD III.2.3:166 'vlies' = vliesje in vrucht; ook vlim of blees

WBD III.4.4:269 'vliesterke' - sneetje

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VLIES znw.v. en niet o., zie wdbb.; draad, vezel aan een peul van erwten en boonen; ook 'blies' geheeten.

 

vlijs

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:161 'vlijst' = oerbank

WBD III.4.4:164 'vlijst' = geelbruine aardlaag

WNT lemma Oer, Afleidingen: Oerbank ("ijzeroxide-hydraat, hetwelk, onoplosbaar in water, de oerbanken vormt," STARING t. a. pl.)
 

vlim

zelfstandig naamwoord

vliesje tussen vruchtvlees en pit bij een appel, ook genoemd: vlies, blees, bliske, blieske

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vlies - vlies

WBD III.4.2:72 vlim, vim - vin (van een vis)

WBD III.1.1.72 'vlim', 'vim' = wimper

WBD III.2.3:l66 'vlim' = vliesje in vrucht, ook 'blees' of 'vlies'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
vlim, znw. vr. 'vlim' - 1.) visgraat, 2) naald van een korenaar, 3) mes

Bosch vlimme - wimpers

WNT VLIM 5) c) - hard, scherp vliesje in het klokhuis van appels en peren.

 

vlirms

zelfstandig naamwoord

vleermuis

WBD III.4.2:46 'vleermuis'

Stadsnieuws -  Soomers schre meej den donkere de vlirmzen oover oewe kp (260807)

Goem. VLEERMUIS fli:remues, znw.vr

 

vloeba

zelfstandig naamwoord

MTV watermuurverf uit WO II: 'vloejbah'

-- verbastering van de merknaam 'Vloeba'

SJAREL. Toen heb ik er hil m'n huis mee gevloebahd. 't Was percies of hil m'n huis opnuuw behangen was. Echte crme-kleur! Echt modern! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 19 januari 1945)

- Sjef Horsten - 'Bloemen op het behang' - "Vlak na de oorlog was er gebrek aan zowat het meest noodzakelijke. Behang op de muur was te kostbaar. De niet kapitaalkrachtige zocht dan ook naar een alternatief. Vloeba werd een begrip. Dit vloeibare behang werd aangebracht net als witkalk. Nu toegevoegd met een tintje : ros, beige of zeegroen. Soms kwam men tot een "namaakbloemetjesbehang" door een beige ondergrond te verfaaien met spetters van ros en of zeegroen, aangebracht met een oude handveger. Moeders waren daar heel vaardig in. Vloeba had echter een groot nadeel. Het was niet raadzaam tegen een muur gaan te staan die er mee was behandeld. Er zijn in die tijd dan ook heel wat kleerborstels versleten."
 

vloejke

zelfstandig naamwoord dim.

Henk van Rijen - vloeitje, sigarettepapiertje

Henk van Rijen - 'H d-ok zo-n verl nr vloejkes?

 

vloeke

werkwoord, zwak

vloeken

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vloeke - vloeken

Pierre van Beek Zo hoorden wij dezer dagen van iemand, die om zijn vloeken een twijfelachtige reputatie geniet, zeggen, dat hij "vloekt in de ere-afdeling". Een gedachtenassociatie met de vele zangverenigingen en harmonien, die onze stad telt, is zeker niet vreemd aan het ontstaan van deze uitdrukking. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vloeken in de eere-afdeeling (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - flink vloeken

-- vloeke - vloekte - gevloekt

 

vloer

zelfstandig naamwoord

1. vloer

WBD onderkant van een brood

WBD ovenvloer (waarop het brood wordt gebakken)

Henk van Rijen - oover de vloer koome - op bezoek komen, aan huis komen

2. Velours, de stofnaam

Henk van Rijswijk - Velours: wollen strijkgaren mantelstof of gordijnstof, gevold en geruwd, vaak in inslagsatijn geweven. Het haardek is zo dicht dat het op fluweel lijkt.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Velours. Weefsel met een pluche-achtig haardek, dat op verschillende manieren kan worden verkregen (ruwen, doorsnijden van poollussen e, d.).
a. Staande velours heeft een rechtopstaand fluweelachtig haardek, door ruwen en velouteeren verkregen. b. Streekvelours heeft een in n richting liggend haardek. De apprtuur is: vollen, ruwen en strijken. Velours wordt voor overjassen, gordijnen en decoratiedoeleinden gebruikt.

- 't Olling *) laand leej omgetooverd *) -noot van Sterneberg bij dit woord: geheele/ zoft in zulvervloer *) gestraol. *) -noot van Sterneberg bij dit woord: zilverfluweel... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Maonnaacht , 1932)

 

vlkieneej

zelfstandig naamwoord

WBD floconn, lamsvacht-imitatie (II:863)

 

vlkske

zelfstandig naamwoord verkleind

vlokje

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vlkskes geeve drpkes ('50) - weersvoorspelling

-- dim. van 'vlk', met umlaut

 

vlms

zelfstandig naamwoord / bijvoeglijk naamwoord 

vlaams

 

vlog

verleden tijd van 'vliege'

vloog

 

Ill. Rolf Janssen

vloj, vlojke, vloje

zelfstandig naamwoord

vlo

Twee die saomen slaopen, eten,

worren deur dezelfde vlooi' gebeten. (Piet Heerkens; uit: Brabant, Brabantse spreuken, 1941)

Pierre van Beek "Wie bij den hond slaopt, krijgt vlooien" is ons equivalent voor "Wie met pek omgaat, wordt er door besmet." (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)

MP gez. Hoe klder/ grtter hond, hoe meer vloje.

MP gez. Wie b den hnd slpt, krgt vloje.

Pierre van Beek - gez. psteuven as ene zak vloje - wegrennen, in allerijl

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vlooi

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - psteuven as ene zak vl vloje ('72) - naar alle kanten wegvliegen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge vndt allicht en vloj in en schoojershm (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969)-je had kunnen weten wat je te wachten stond; maak dus achteraf geen aanmerkingen.

Frans Verbunt (1996) - vur en vloj hoefde nie hil oewen bk kept te krabbe

Frans Verbunt (1996) - zenge vuulen as en vloj tusse twee naogels

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vlo'i, znw.vr. 'vlooi' - vlo

WNT VLOOI vlo, vlooi

 

vlt

bijvoeglijk naamwoord 

WBD goed uit de weg kunnend, niet kreupel (= Hasselts) zijnd (van een paard) ook genoemd: 'rap', 'rad' of 'rcht'

 

vlug, vlugger, vlugst

bijvoeglijk naamwoord /bw

vlug

Pierre van Beek - Hij is nie van de vlugste - (eufemistisch) hij is een slomerik

Pierre van Beek - vlugge jng - vogeltjes die tegen het uitvliegen zijn (= bijna uitvliegen)

Pierre van Beek - vlug zn - goed ter been zijn (b.v. van een bejaarde)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - al te vlug vangt nie goed (Pierre van Beek - TT68) - haastige spoed is zelden goed

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z vlug as en strntbij znder vleugels ('72) - ironisch voor: langzaam

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - Vlug, bijvoeglijk naamwoord , gezwind, wel ter been: 'grutvadder is nog goed vlug'; ook gezegd van vogeltjes die al bijna uitvliegen en het stadium van 'kaol kwats achter zich gelaten hebben: 'ik weet n blaawpieperke te wonen op vlugge jong'.

 

vluukske

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van 'vloek'

vloekje

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vluukske

 

vocht

zelfstandig naamwoord

vocht

sap van een vrucht

persoonsvorm

vocht

-- verleden tijd van 'vchte'

 

voeballe

werkwoord, zwak

voetballen

- n ik wil ok nie, ak naor et voeballe zit te kke, dsse der ammel tussendeur zit te maawe.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

voedvrouw

zelfstandig naamwoord

vroedvrouw

WBD III.2.2:l4 'voedvrouw' = vroedvrouw; ook: 'baker', 'baakster'

 

voejer

zelfstandig naamwoord

voer, voering

WBD: voer, voeder

Audioregistratie 1978 - Want vruuger din ze de koej nie in de waaj want dan liepe ze et ammel plat, d bietje op stond. D voejer wrd gemaajd n op stal opgevoejerd.  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

En bij den boer, daor 'k aatij m'n voeier haol vur de kenne (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

WBD voejerbak - varkenstrog, ook 'trg' genoemd

WBD voejerkl - spoelkuil voor groenvoer (waarin men het spoelt of wast)

Pierre van Beek - gez. -- voejer zuuke vur aandermans get - werken voor een ander

WBD (II:676 en 719) voejer niet vermeld; voejer (II:899) - voering(stof)

WBD (II:676) voeringlr of voejer (niet vermeld)

DANB ik moet irst et voejer in de stal brnge

WBD 'voeringbjem' (II:1385) - voeringbodem

-- korte oe

WBD III.4.1:44 krpvoejer, voer - voedsel voor jonge vogels

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vujer, znw.o. 'voeier' - voeder, voering

Goem. VOEDER - vujer, znw.o. voor de dieren; VOEDERING - vujerink (voering)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOEIERING, VOIERING znw.v. - voering, fr. doublure

Hees voejer (VII:39)

WNT VOEDER, VOER II) eten, spijs voor dieren; spijs voor menschen (niet gewoon en verouderd); VOEDER, VOEIER - l) voering; 2) binnenbekleeding

WBD III.4.1:43 'voeier' of 'voer' - voedsel (voor vogels), ook 'aas' genoemd

 

voejere

werkwoord, zwak

voeren, voederen

voejere - voejerde - gevoejerd -- Steeds korte oe

Zn de vrekes al gevoejerd?

MP gez. Meej ginne riek te voejere zn. (Van kwaadheid niet willen eten.)

WTT 2016 - Dit gezegde meestal als metafoor voor iemand die erg boos is, ongenaakbaar, zoals in volgende voorbeelden:

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - Meej ginnen riek te voejere

...en hij was mee ginne riek te voeiere. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Ik was mee ginnen riek te voeiere. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Cees Robben Die staon mekaar gewoon uit de krop te voeieren... (19810814) [Robben gebruikt de uitdrukking figuurlijk voor een stelletje dat staat te tongkussen]

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - voejere ww - voeren

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOEIEREN, VOIEREN - voeren, voedsel toedienen; van voering voorzien

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'voeieren' - voederen, te eten geven

WNT VOEDEREN, VOEIEREN - voeren, voeder geven

 

voejerke

zelfstandig naamwoord

maaltijd

De Wijs -- (gehoord tegen iemand die te dik wordt) ge meugt gerust n voeierke afsteken (11-02-1965)

 

Uit: Flora Batava 2, Jan Kops (1807) - http://wilde-planten.nl/
voejerwikke

zelfstandig naamwoord

voederwikke (Vicia sativa), een familie van klimplanten; ook smalle wikke genoemd

WBD I:1485 voejerwikke, wikke

WNT VOEDERWIKKE - een soort van wikke (Vicia sativa), die als voedergewas geteeld wordt.

 

Ets van niet nader bekende kunstenaar

voejerzak

zelfstandig naamwoord

WBD haverzak (die men het ingespannen paard omhangt om het te laten eten)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOEIERZAK, VOIERZAK zelfstandig naamwoord m. - zak waar men voeder in doet, dat men in bosschen en kanten gaat schrafelen (= schrapen = snijden met de sikkel)

Aquarel van Thodore Gricault

 

voer

verleden tijd van vaore, dat ook zwak vervoegd wordt (vaorde).

 

voerman

zelfstandig naamwoord

voerman

korte oe ?

-- Agge voerman moet zegge teege Vekastere - als je voerman moet zeggen tegen Van Casteren, is je familieband ermee even sterk als die met Adam en Eva

DANB voerman (korte oe)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en prd znder voerman (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - een weduwnaar

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vurman, znw.m. - voerman

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOERMAN (met verkorte oe) znw.m., mrv. voerlie (niet lui)

 

voermanne

werkwoord, zwak

-- wsch. korte 'oe'

WBD besturen (leiden van een paard terwijl het de kar trekt), ook 'lei' genoemd

WBD 'voermanne meej twee lijste', (Hasselt:) '.... meej twee lente' - leiden van een paard met een dubbele lijn

Henk van Rijen - diejen boer gao vort voermanne - . . . vrachtrijden

WNT VOERMANNEN - het beroep van voerman, van vrachtrijder uitoefenen; een bodedienst onderhouden

 

voet, vuutje

zelfstandig naamwoord

voet, lichaamsdeel

trippetrap van kendervuutjes... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

De Wijs -- (Gehoord bij de start van de avondvierdaagse)Denkte gij mee die vf veur n voete, in de prze te vallen? (09-07-1967)

Van Beek - Als iemand er z'n gemak van neemt en zich goed laat doen (eten, drinken, enz) zegt men naderhand: "Hij ging fijn met de voeten op de stoof zitten."  (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Cees Robben [Marktkoopman met sinasappelen] Tien vur unne gulden... Mar vur de voet vatte... (19650723)
Cees Robben Vurrukkelukke bukkeme.. Aacht vur n kwartje... Vur-de-voet-gevat... (19621130)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik koom nie p blote voete (S'7l) - kaartterm: gezegd door iemand die meent goede kaarten te hebben. (reactie: ds mar goed ok, aanders knde znder skke terug.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te voet n te veld koome (JM'50) - helemaal de weg niet weten

uitdr. - vur de voet: ge moet ze vur de voet vatte = niet uitzoeken; vgl. v. Dale: voor de voet iets weggeven of verkopen = zonder te keuren of uit te zoeken: voetstoots.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt.65 krijgt het plur. geen umlaut, wel het achtervoegsel (= suffix)e (sjwa).

WBD III.1.3.211 'voetgetuig' = schoeisel

lengtemaat = 0,287 m, verdeeld in 10 duim 2,87 cm; 20 voet = 1 roede (van 5,75 m) (in Tilburg in gebruik vr de invoering v.h.Ned. Metriek Stelsel, 1820)

voet van een plattebuiskachel
Cees Robben De kender zaten op den voet/ Meej baai dr vuutjes... (19601111)
bij het paard

WBD voet - hoef v.d. koe, ook 'klaaw' of 'klw' genoemd

WBD voet - paardehoef

WBD 'vuutje', 'voetje-p', (Hasselt) 'voetp' - voet omhoog (commando voor een paard)

 

voetbal

zelfstandig naamwoord, mannelijk

het voetballen

As en zondag et spul begient/ dan is zen led geleeje/ hij kan fn nr de voetbal toe/ n is hel dik tevreeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Hij wl... zij nie tevreeje... )

Ak vruuger nr de voetbal ging... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Minder gevaor)
 

voete

werkwoord, zwak

voeten (kinderspel)

Van Delft - Voorts was er een spel, dat slechts met twee jongens gespeeld werd en "voeten" genoemd werd. Ieder had een ijzeren bolletje. Er werd een kuiltje gemaakt en wie het kortst bij het kuiltje lag, mocht eerst. Dan trachtte men met den bol den anderen bol te raken, en lukte dit, zoo moest de afstand der bollen met de voeten afgepast worden, zlang tot men honderd voetlengten had. Wie dit het eerst bereikt had, was de winner, en het spel werd hervat op dezelfde wijze. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

voeteeren

werkwoord, zwak

lopen

N. Daamen, Handschrift 1916 - "ik kan nie goed meer voeteeren (loopen)"

WBD III.1.2.117 'voeteren' = gaan, lopen

WNT VOETEEREN - te voet gaan, loopen

 

voetegetg
zelfstandig naamwoord
voetengetuig = schoenen
Cees Robben - Hedde sewle k sokkewrk, Jo..? N enkelt voetegetuig, Anna... (19631004)
 

vjer

zelfstandig naamwoord

vader

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 22) 'vjer' naast vaader en vadder

 

vlder

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap
vuiler

Dirk Boutkan (1996) - vler (het achtervoegsel (= suffix)-der treedt op na -r en -n)

-- comp. van 'vl', met epenth. d en vocaalkrimping

 

voldere

werkwoord, zwak

vollen, van geweven stoffen; dikker maken, o.a. in een bad met zeep of volaarde

J, vloejbaare gruune [zep]. J, daor wiere de stukke meej gevolderd [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

volderij

zelfstandig naamwoord

vollerij, afdeling van de textielfabriek waar de wol gevold wordt

Interview Hermans - 1978 - en volderij d wil zggeoew goed d moes dichter gemaakt wrre, d noeme ze voller, vol is dichter maoke, dus d dichter maoke d wier toen meej en klein beetje zeep wier d gedaon (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om het interview te beluisteren

hoe dgge gruu gruune zeep konde maoke d weet ik wl. Die wrd in de volderij gebrkt, h. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

voldersbaos

zelfstandig naamwoord

baas van de vollerij

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n daor hbbek lang saome meej gewrkt gehad, n toen, die was daor den baos, de voldersbaos eigelek n toen is hij gestrreve n toen bn ik in zen plts gekoome Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

volrd

zelfstandig naamwoord

volaarde

WBD (II:1055) -- De wasvloeistof [bij het vollen van het laken] is volgens Grothe "water met verrotte urine, volaarde (een glibberige, magnesia houdende kleisoort) of zeep." 

WBD (II:1056) -- Grothe zegt op p. 384: "De tot het vollen dienende vloeistof bestaat uit water, waarin verscheiden vetachtige of glibberige zelfstandigheden gemengd of opgelost zijn. Het doel dezer bijmengselen is de verwijdering der misschien nog aanwezige vetstoffen, benevens de verhooging der lenigheid en glibberigheid
der wolhaartjes, waardoor in elkander vilten der stof bevorderd wordt. Voor het vollen van ordinair en middelfijn laken gebruikt men soms volaarde (fijn verdeelde kleiachtige kiezelzure magnesia), of vette klei, of verrotte urine; voor fijne soorten van laken dient zeepoplossing (15 tot 20 perc. van de stof), of ook zeep en olijfolie; de zeep wordt in warm water opgelost, het koude water bijgemengd en dan het mengsel in de volkom gebracht."
Een respondent van K 183 [= Tilburg] merkt op: "Men had volaarde, daar moest zeik bij. Men kon kruiken urine leveren. Dat werd bij de volaarde gedaan en gemengd. Daarmee werden de stukken gevold. Tilburgers worden daarom wel kruikezeikers" genoemd."

WBD (II:1057) -- 'vlrt' - volaarde

WTT 2012 -- volaarde wordt tegenwoordig aangeboden als cosmetisch product: "Een gezuiverde sedimentaire klei met uitstekende drogende en reinigende eigenschappen. Het is vooral bruikbaar als een gezichtsmasker voor de vettige huid en verzacht acne, uitslag en ontstoken huid. Het wordt soms een huidbleker genoemd omdat het de reputatie heeft dat het vlekken van de huid kan verwijderen. Een uitstekend ingredint voor zeep. Drogend, egaliserend en verstevigend." (Internet; 2012)
 

vlk

zelfstandig naamwoord

volk

Cees Robben - ons Sieleke heeget himmol nie op mansvolk begreepe;

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Daor et vlk is, is de neering' zi de msselenboer, n hij reej mee zene kreugel de krk in (Pierre van Beek - TT '64)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - geduureg vlk nder de schlk hbbe (R'75) - steeds in verwachting zijn.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - goej vlk, goej zatlappe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - verontschuldiging voor mensen die veel drinken maar voor niemand onaangenaam zijn

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hoe meer vlk veur, hoe minder dt pschiet (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd m.b.t. een mis met drie heren

Frans Verbunt (1996) - hoe laoter p den aovend, hoe schnder volk

Goem. VOLK - volek znw.o.: er is veel - op de markt; bij groot - dienen; ik heb vandaag - (= bezoek) thuis; het kleine (= kinderen)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VOLK v l) - mensen: er was veul volk; 2) - slag van mensen, soort: goej volk, mr rouw; 3) - bezoek: we hebbe volk; roep bij de deur: volluk; 4) familie: ons volk = onze familieleden (alleen voor aangetrouwde familie?); 5) personeel: we moete volk hebben; 6) als achtervoegsel: manvolk, vrouwvolk.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'volk' zn - volk, arbeidskracht

WNT VOLK 3) e) - Uitroep om aan te duiden dat men iemands woning of winkel is binnengekomen en gehoor verlangt.

 

vllakker

zelfstandig naamwoord

vuilak

►vllek

 

vlle

werkwoord, zwak

WBD een veulen werpen, ook aangeduid met het type 'veulenen'

vlle - vlde - gevld

WNT VEULENEN - l) een veulen werpen; 2) (een veulen) baren, werpen

 

vlle, vulle, veule

zelfstandig naamwoord

WBD veulen (zie 'veule')

WBD vlletaand - het melkgebit van een veulen, ook 'vulletaand' genoemd

WBD vlmrrie - dragende merrie, ook genoemd 'vullemr'

WBD vlleziekt - leewater (ziekte bij jonge paarden)

DANB ge moet ns veulen is koome keure

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw. o. 'vuilen ,resp. 'vllen' - veulen

 

vlleghei, vlleghd

zelfstandig naamwoord

vuiligheid

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Mn dchter die ha hier zogezeej zonne stinpst staonn en uur ndderaand koste zo de slierte t trkke, de vlleghd dieter tkwaam! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vuilighei' (bis)

Enen enkeling van de jong naam de moeite, meej enen emmer waoter de vllighed weg te spuule, de miste lieten et mar zo et waar. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD (III.2.1:282) vlleghd = vuilnis, ook 'rotzooi' genoemd

WBD (III.3.3.356) vlleghd = onkuisheid

WBD (III.4.4:103) 'vuiligheid' = natte sneeuw

Stadsnieuws -  Daogs n de krmes leeter aatij enen hoop vlleghd op straot (060507)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. - vuiligheid: l) onkruid, neervallende nattigheid (regen, sneeuw, ijzel); 3) vrekkigheid

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VUILIGHEID ww. vuiligheid doen - aan eene natuurlijke behoefte voldoen

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vllighd zn - vuiligheid, onkruid

 

vllek

zelfstandig naamwoord

vuilik, vuilak, viezerik, smeerpoes

N. Daamen, Handschrift 1916 - "vuilik - zedeloos mensoh; gierigaard"

Dirk Boutkan (1996) - vlek (blz. 34) met vocaalreductie

WBD III.1.4:113 'vuilik' = smeerpoes; 114: 'vuilak' = smeerpoes

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. - vuilik, vrek

 

vlleke

werkwoord, zwak

vies doen

- vlleke - vllekte - gevllekt

- n toen zaag Tieske op 'n gegeeve moment hullie keej meej de portier stn te vlleke.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

vllekert

zelfstandig  naamwoord

vuilak, viezerik

- De V van vllekert.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

vllekes

zelfstandig naamwoord, alleen meervoud

Henk van Rijen - vuilnisbelt

Stadsnieuws -  'Brngt dieje rtzoj mar nr de vllekes' - naar de stort (311007)

Restant van de vuilnisbelt langs de Ley in Tilburg Zuid; foto WTT 2009

 

vllekesbak

zelfstandig naamwoord

Wk rger vngin plstiek zakke/ vur in ouwe vllekesbak. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Haaw et miljeu schon)

Den aawe trouwe vllekesbak... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: n toen verscheen er de konteener)

Henk van Rijen - vuilnisemmer

Henk van Rijen - 'G mot d vl vort in de vllekesbak doen!'

CiT (14) 'Ge moet d vil in de vllekesbak doen'

 

vlles

zelfstandig naamwoord

vuilnis

WTT 2012 -- het ontbreken van de n wordt als dialectisch beschouwd maar was vroeger normaal. Het WNT hierover: 'VULLIS, znw. vr. en onz., mv. -sen (...) Mnl. vuulnisse. Daarnaast zijn ook de vormen vuilis, vulnis, vulle(n)s en vuilens aangetroffen. De vorm vullis (...) blijkt jonger te zijn dan vuilnis. In de 16de en 17de e. worden beide op dezelfde wijze gebruikt; later blijkt vullis eerder tot de volkstaal te behooren en vuilnis tot meer formeel taalgebruik.'

 

Emblematische prent van Jan Luyken - uit: Het leerzaam huisraad (1711)

vllesbak, vlnisbak, vlnesbak

zelfstandig naamwoord

vuilnisbak

As ons taante Kee der stem verhief, dan krge wij de schrik van ons lve en wiere in China de vlnisbakke bte gezet, zas wij ondermekare zeeje. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Hij was [nl. de hond] vant vllesbakkeras,/ brn, meej hier n daor w streepe... (Henritte Vunderink; Onzen hond; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

volletier

zelfstandig naamwoord

vrijwilleger; uit Frans: volontair

- Pierre van Beek - vrijwilliger, volontair (Tilburgse Taalplastiek 178 - 25-8-1973) -- Wie vrijwillig onder dienst ging, werd als "volletier" betiteld naar het Franse "volontaire" [sic] (vrijwilliger). Nadien bleef dit laatste woord nog in zwang voor iemand, die zonder loon te ontvangen arbeid verricht om in een bepaald vak te worden opgeleid. Dat is nu ook van de baan.

- Henk van Rijen - 'vllentr' 

 

volmkt

bijvoeglijk naamwoord

volmaakt

DANB ginnenene 'mins' is vlmkt

 

vlnes

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - vuilnis

WBD III.3.1:329 'vuilnisbelt' = stort; ook genoemd: 'belt', 'vuilnishoop'

 

volontr

bijwoord

volop

WTT 2012 -- Niet te verwarren met 'volletier' [zie boven]. 'Volontr' is uit het Oudfranse 'volontiers', 'naar believen'.

N. Daamen, Handschrift 1916 - "'t waas er volontair (volop)"

Informant Th. Witters Helmond (Goirles dialect; documentatie Nijmegen) -- "tisser vlenteer" - het licht brandt er volop

 

volslaoge

bijvoeglijk naamwoord 

WBD III.2.2:46 'volslagen' = volwassen

 

vltje

zelfstandig naamwoord dim.

voile, korte sluier

Henk van Rijen - ze h en gruun vltje veur ze droeg een groene voile

 

vltje

zelfstandig naamwoord, verkleind

vuiltjes

Hij h en vltje in zen og

-- dim. van vl, met vocaalkrimping

 

von

werkwoord, persoonsvorm

vond

Dirk Boutkan (1996) - vn - vond (1e pers. sing.)

verleden tijd enkelvoud van vne'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VON - 2e hoofdvorm van 'vijnen'

 

vong

werkwoord, persoonsvorm 

ving

- ook de vorm 'ving' komt voor

- verleden tijd van 'vange' (naar analogie van 'gong', 'hong' e.d.)

Cees Robben Wij schudden ons mlderkes mist uit de heg (...) of vonge ze rond de lantre op straot...  (19570525)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VONG - 2e hoofdvorm van 'vangen' (ook: ving)

WNT VANGEN (I) - Gewestelijk (en ook bij dichters) komt veelvuldig voor: ik vong, wij vongen, (ge)vongen

 

vntje

zelfstandig naamwoord, verkleind

vaantje

WBD III.3.1:429 vaantje = wimpel

 

voogel

zelfstandig naamwoord

vogel

► verkleinwoord: veugeltje

Uitdrukking

1929 -- A.J.A.C. Van Delft - "Zoolang ze vrijen, zijn het minnebroeders, doch getrouwd worden het kruisheeren." En de vader wist ter aanvulling: "Zit de vogel in de kooi, dan fluit de vogelaar minder mooi." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

1964 -- Pierre van Beek -- Ja. hoe gaat het eigenlijk met die mannen: "Zolang ze vrijen zijn het minnebroeders, getrouwd worden het kruisheren". Men vertelt dat ook nog wel anders: "Zit de vogel in de kooi, dan fluit de vogelaar minder mooi". (Tilburgse Taalplastiek afl. 15; Nieuwsblad van het Zuiden, 21-10-1964)

2003 -- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - zit de voogel in de kooj, dan flt de voogelr minder mooj (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - gezegd over een getrouwde man.

WTT 2012 -- De uitdrukking spot met de houding van mannen (de vogelaar ofwel vogelvanger) ten opzichte van vrouwen (het vogeltje); tijdens de verkering zingt het mannetje zo mooi als hij kan om haar in het kooitje van het huwelijk te lokken, na het huwelijk wordt het wat dat betreft minder.  Een en ander wordt ook uitgedrukt door de uitdrukking met 'minnebroeder' en 'kruisheer'.

►minnebroeder

Samenstelling 

WBD ndvoogel - roepwoord voor een eend, waarnaast ook gelden; 'eend', ind', 'poel poel poel' en 'woele woele woele woele'

 

voogelkojkes

zelfstandig naamwoord , meervoud, verkleinde vorm

vogelkooitjes

- bijnaam van De Stadsheer, het appartementencomplex aan de Spoorlaan bij de Noordhoekring, zo genoemd wegens de uitstekende balkons.

- Lodewijk van Dorrus Misters - "Het Groenewoud" was een bierhuis aan de tegenwoordige Groenewoudstraat en de Oude Dijk, die zijn begin vindt aan de Markt. Door de Broekhovense akkers is zijn voortzetting. Een andere woning in die buurt werd genoemd "het Vogelskooike" omdat de bouwer de naam Vogels droeg. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 13 Oude koffiehuizen in Tilburg 1; NTC 16-2-1952)

 

voogelwaaj

zelfstandig naamwoord

WBD braakakker (stuk land dat men gedurende een of meer seizoenen laat rusten, teneinde de grond niet te zeer uit te putten) (Hasselts woord)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'vogelwei' - braakliggende grond

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOGELWEI znw.v. - akkerland dat ledig en onbebouwd liggende, vol onkruid gegroeid is.

Kiliaen -  VOGHEL-WEIJDE - ornithoboscium; - solum cessans, ager effaectus.

 

vooj

zelfstandig naamwoord

WBD II.4.2:63 vooi = wijfje van een haas

 

voor

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - der is gin rchte voor meej te ploege - er valt niets mee te beginnen

WBD III.1.1. lemma  aarsspleet voor, Tilburg

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 23) 'vu:r' = vor (vore)

 

vos

bijvoeglijk naamwoord

voos, droog

WBD III.2.3:34 'voos' = stroef (van tanden)

WBD III.2.3.159 'voos' = rot (fruit); ook 'murt, verrimpeld

WBD III.4.4:33 'voos weer' = lauw weer, ook zoel, zacht

WNT VOOS veel betekenissen; zie aldaar

 

voze

werkwoord, zwak

► feuze

WNT vooizen 'doen klinken (?)

De Wijs -- Snert lust ie as ne grte. Mar 's avonds zitten te vozen en ammaol van die sokkenlpers, ge wit wel, die langs zunne rug omhog kruipe en bij zn halsboordje de vrijheid kiezen (24-02-1966)

Cees Robben Snert lust-ie as unne grte../ En 'saoves zit-ie mar te vze... (19661111)

skkeloper

 

vordil, vordiltje

zelfstandig naamwoord

voordeel

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vrdiltje

 

vrk

zelfstandig naamwoord

vork

deel van een boom waar de stam zich in tween splitst

WBD mistvrk - mestriek

WBD III.4.3:53 vork - splitsing van een stam; ook mik of gaffel genoemd

WBD (III.2.1:158) 'vork', ook 'vorket'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.vr. - vork, klein schopje met lange steel dat aan beide zijden een weinig naar binnen gebogen is; ze werd veel gebruikt door schepers en drijvers, die er kluitjes aarde mee staken.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRK (uitspr. vrrek) znw.v. schaapherdersschupken.

 

vorke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

WBD ondiepe voor (bij het ploegen). Ondiep ploegen = 'schlle'

- dim. van 'voor', met vocaalkrimping

 

vrm

zelfstandig naamwoord

vorm

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw. m. vorm

 

vrme

werkwoord, zwak

vormen

Cees Robben - Zde gij wl gevrmd?

-- vrme - vrmde - gevrmd

 

vrrek

zelfstandig naamwoord

vork

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n as ge dan en tas verongelukte f ge verongelukt en ms f ge verongelukt oewe vrrek f oewe leepel dan koste ng betaolen ok!!! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

vrs

bijvoeglijk naamwoord

vers

- Jaans hee al van alles gedaon: op de Mert gestaon mee gaoren en baand en mee visch en gruunten geleurd. Dr echt artikel is eigenlijk vorschen bukkem. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vorsche bukkem'

...vors als kadetjes en klaor om er in te bijte... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Cees Robben aacht vorse bukkeme (1960405)
Cees Robben Dan it ie al dn vorse worst en hil mn soepvlees (19641231)
Cees Robben Zn dees aaier vors, baos..? (19740419)
Cees Robben ... of n bammeke mee n harteluk stukske vorse worst... (19840615)
Cees Robben Gevierd as n vors aaike.. (19860411)
- schoon
Cees Robben Jan.. wilde gij dn klne efkes unne vorse luur aonspeeten... (19691219)
- nieuw
Cees Robben En ik strk mn bruukske wir vors in de plooi. (19700116)
Cees Robben t Is nog vors (19600624)

- Ik haol wir vorsgebakke mik/ bij onzen gen bekker... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir int gerel)

WBD III.4.4:47 'vers weer' = druilerig, nat weer

WBD 'vrs'(bijvoeglijk naamwoord ), 'vrse koej' of vrse' - koe die pas gekalfd heeft, ook genoemd: 'vrs'(bijvoeglijk naamwoord ), of 'vrs'(zn)

WNT VERSCH - Regionale vormen met o of (vooral) a komen vaak voor, ook in het oudere lit. materiaal

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VERS (vors) bijvoeglijk naamwoord  - l) fris, nieuw, pas gegroeid of gemaakt: vorse mik; 2) gezegd van een koe die pas gekalfd heeft: 'n vorse koei.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord  en bijw. 'vors' - vers

Haor VORS - vers

 

vrseghd, -hei

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - versheid

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'vorsighd' zn - vers spul

 

vrst

zelfstandig naamwoord

WBD nok v.h. dak (hoogste gedeelte, horizontale lijn gevormd door snijding van twee dakvlakken); ook 'nok' genoemd

WBD III.4.4:90 'vorst = idem (vriesweer)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'vorst' - nok (van een dak)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VORST znw.m. en niet v. - nok v.h. dak; ook gebezigd voor 'vorstpan', maar dan v.

 

vrsten

werkwoord, zwak

WBD III.4.4:91 'vorsten = vriezen; 94: 'vorsten' = rijpen

 

vort

bijwoord

voort, voortaan; heden ten dage; vooruit

Ik zieget vort slcht - Mijn gezichtsvermogen gaat achteruit; Ik begin het slecht te zien.

Ge lopt mar rchttoevort - Je loopt maar rechtdoor

Cees Robben Ge doet z mar vort... (19640522)
voortaan
Cees Robben dauwtrappen is vort van de baon..... (19540508)

DANB zene mooter is kept: hij kan nie vrt f trug

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VOORT (Kemp. vrt) bw - voorbij, verder, sprekend van den tijd.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'vrt' bw - voortaan

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VOORT i.p.v. voortaan, is hier veel in gebruik. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VOORT bw - 1) vooruit: doe 's vort - schiet eens op; 2) voortaan, van nu af aan: ik g vort mee de fiets; ik z vort 'n aaw mnneke.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijw. 'voort' - voort: l) verder, voortaan; 2) nu, op het ogenblik, tegenwoordig, heden ten dage

 

vrt, vaort

zelfstandig naamwoord

vaart, heimwee, snelheid

Cees Robben Wie heej gin haost en nt gin vort... (19570615)

WNT VAART (III) - toestand waarbij het iemand vaart, waarbij hij ergens niet wennen kan of heimwee heeft. Alleen in Brabant.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - blz. 630 ... voor hetgeen wat elders heet 'het zal hem afvallen' zegt men hier 'het zal hem varen'. Het zelfst. nw. vaart is in denzelfden zin hier gebruikelijk

 

vortdoen

werkwoord, sterk

voortmaken, opschieten

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vrtdoen d oew naoje kraoke ('75) - je uit de naad werken

vrtdoen - deej vrt - vrtgedaon

d van doen wordt stemloos na 't' van vrt, en smelt samen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - -VOORTDOEN - voortgaan met iets te doen, fr. continuer

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.onr.ww.tr. 'voortdoen' - in iemands voordeel spreken, al prijzende iemand of iets sterk aanbevelen: iemend voortdoewn.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VORT bw 1) vooruit: doe 's vort - schiet eens op.

WNT VOORTDOEN - 2) voortgaan met datgene waarmee men bezig is

 

vorthuu

tussenwerpsel

WBD vooruit! (voermansterm om een paard te doen voortgaan), ook 'juu' genoemd

WNT VORT - (I) 11) a) - als uitroep om rij-, trek- of lastdieren vooruit te doen gaan

 

vrtje

zelfstandig naamwoord dim.

vaartje

Meej en vrtje van sisteg

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vrtje

-- dim. van 'vaort', met vocaalkrimping

 

vos

werkwoordsvorm; verleden tijd van vinden, derde persoon

- n daor haddet al, hij w nie betaole omreje dttie et te duur vos  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Zie ook 'vosse' en 'vossie'.

 

Ill. Rolf Janssen

vs, vske

zelfstandig naamwoord dim.

vos

WBD vs - vospaard

WBD dnkere vs - bep. koffievos (donker)

WBD kffievs (Hasselt) - de donkerrode koffievos

WBD zwtvs - bep. koffievos (zonder kleuraanduiding)

WBD goudvs - bep. koffievos (zonder kleuraanduiding)

WBD vsschimmel - gekleurde schimmel, ook genoemd 'rodschimmel', blauwschimmel', of (Hasselts) 'blauwe' resp. 'brne'

WBD vsbnt prd - vosbont paard (roodbont), ook genoemd 'rojbnt prt' of (Hasselt) 'koeprd'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as de vs oud wrdt daansen de kiepe p zene rug (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969.) - een oud mens verliest zijn energie en gezag.

Dirk Boutkan (1996) - dim. vske/vsje (blz. 52)

 

vsje

zelfstandig naamwoord dim.

vuistje; moker, kortgesteelde metselaarshamer

WBD III.1.1.161 'vuistje' = vuist

-- dim. van 'vst', met t-syncope

 

vske

zelfstandig naamwoord dim.

vaasje

 

vske

zelfstandig naamwoord dim.

vosje

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vuske - vosje (voor u vgl. 'mulder' en 'putje = ptje)

 

vossen

samentrekking van verleden tijd van vinden en meervoud zij

vonden zij - vosse

-  mar zllefs die vossen et nie te frte. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

 

vaccinium vitis-idaea -Wikipedia

vssebs

zelfstandig naamwoord vossenbes - vaccinium vitis-idaea

WBD III.4.3:182 vssebs - rode bosbes

 

vossie

samentrekking van verleden tijd van vinden en hij

vond hij - vossie

- D vossie wl w  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

vossik

samentrekking van verleden tijd van vinden en eerste naamval ik

vond ik - vossik

- D vossik tch z schon. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

vst, vsje

zelfstandig naamwoord

vuist

Meej de vst op tffel slaon. - Met de vuist op tafel slaan.

Cees Robben - vur de vst

WBD III.1.1:160 'vuist = vuist

Goem. VUIST - vst znw.vr.; dim. vsteke

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vste zn - vuisten

 

vste

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - vuisten, gokspelletje spelen, bambezaaien

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vste ww - vuisten, bamzaaien

WNT VUISTEN - afl. 8 als benaming voor een spel: handje raden

 

vtje

zelfstandig naamwoord dim.

vaatje

Pierre van Beek - vtje zuur bier - oude vrijster

WBD III.4.4:300 'vaatje' = 250 liter, ook 'okshoofd' of 'karneuk'

-- dim. van 'vat', via 'vaote', met vocaalkrimping

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VAATJE znw.o. -- vierde eener gewone ton

 

vraacht

zelfstandig naamwoord

vracht

Cees Robben - Ge kndt meej vur hel vraacht of halve vraacht

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'vraacht' - vracht

 

Vraant, dAaw
zelfstandig naamwoord, toponiem
de Warande, bosgebied in Tilburg West, De Oude Warande
Cees Robben Zuutjes kuieren, luikes luieren/ mee munne streup in dAauwe vraant (19540612)
 

vraat

werkwoord, persoonsvorm 

vrat

verleden tijd van 'vreete

 

vraaw

zelfstandig naamwoord

vrouw

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 24) 'vraw' = vraaw

 

vrak

zelfstandig naamwoord

1. wrak

WBD mager paard, ook genoemd 'kapstk'

Goem. WRAK - vrak - wrang

WNT VRAK = wrak

2. vrek

En toen ie grotter wier, ies ie zo gierig geworre, zonne vrak, zo interessaant, zonne pin, zo gierig as de naacht. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

 

vrammes

zelstandig naamwoord

vrouw (vrouwmens)

Van Delft - "D vrammes (vrouwmensch) moes d'r ge schaome." Dit is: Die vrouw moest zich schamen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

...de vrouw van Cornelissen waar 'n buitengewoon degelijk meensch, een reuzin van een frammes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...en daor kwaamp me in geweldig zwaorwichtig vrammes aongehold... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Die is wl getrouwd! Mee 'n dochter van Door de Vries en d wit-ie-zelf ook, want ie hee twaalf gegooid hurre! Krimmeneel wen vrammes is d! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

Pierre van Beek Als men in de plaats van vrouw "vrammes" zegt, spreekt men ook geheel in de taal van zijn streek. Dit woord lijkt ons een samentrekking van "vrouwmens". (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)
Cees Robben Beter vrammes vnde nergens... (19590627)
Cees Robben D vrammes kende ik al toen t nog n frllie was.. (19650716)
 

vraog

zelfstandig naamwoord

vraag

Cees Robben - f ie durlpt blft de vraog;

WBD III.3.1:264 'vraag' = verzoek

 

vraoge

werkwoord, sterk

vragen

-- vraoge - vroeg - gevraoge (B: ook gevraogd en vraogde)

Pierre van Beek - Vraokoewiets? - Vraag ik je iets?

M vroage

Cees Robben Gaoget op de mert mar vraogen. (19540306)

Naod we et nog hier en daor gevraoge han (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vroage - vroagde (vragen - vraagde)

Henk van Rijen - hk jou w gevraoge? - heb ik jou iets gevraagd?

daor hak nie om gevraoge... (Henritte Vunderink, Et mske, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Daor hdde zlf nie om gevraogen, h. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WBD III.3.1:39 'vragen', 'verzoeken, noden, uitnodigen' = uitnodigen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Notities m.b.t. het participium op kaart 'gevraoge'.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st. ww. (verl. tijd 'vroeg', vd. 'gevraoge(n)' en 'gevraogd)

 

vraokoewiets
samentrekking van vraoge, eerste persoon enkelvoud ik, persoonlijk voornaamwoord je, en iets
vraag ik je iets?
Cees Robben k Zee vraokoewiets of zekkoewiets... (19550716)
 

vrddag

1. zelfstandig naamwoord

vrijdag

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - Vrdaag - vrijdag ( = die van fr. mme)

Vlee Vreddag hek inne kaoter gestrikt man! (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw. m. - vrijdag; G hoewft geene vreddag te haawe - Gij (een zieke) zijt niet verplicht de vastenwet op vrijdagen te onderhouden.

2. bijvoeglijk naamwoord

vrijdags

de vrdagse mrt - de vrijdagse markt

de vrdagse cent (houdt verband met de vrijdagse markt: snoepcent voor de kinderen)

3. bijwoord

op vrijdag

Frans Verbunt (1996) - agge vrdags vlees it, krde ene strt

Freddags gaok noot nie de netuur in... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

vref

zelfstandig naamwoord

WBD wreef: het hoogste deel v.d. voorzijde v.d. voet (II:713)

WBD III.1.1.175 'wreef' = wreef

ook verleden tijd van vrve

WNT VREEF = wreef

 

vreejeg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord 

Henk van Rijen - vredig

 

vreke

werkwoord, sterk

wreken

B vreke - vrok - gevrooke

WNT VREKEN - wreken

 

vret

bijvoeglijk naamwoord

parmantig, deftig, trots

►fret

Pierre van Beek - sjiek, voornaam

M vret

Soms mocht ik neffen onze me Henk op et maaimesjien zitten. Daor waar ik vrt op (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD vreet - moedig en opgewekt (van een paard), ook 'wakker' genoemd

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej led n vret gegaon (KN'30) - zie 'led'

WBD III.1.4:165 'freed' = pront; 167 'freed' = deftig; l68 'freed' = trots; 217 'freed' = onstuimig

Haor VREET - fel

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WREED (vree:t) bijvoeglijk naamwoord  1) fel, hard werkend, onstuimig (niet ongunstig): 't is 'ne vree:te - hij is een ijverig persoon; 2) in de uitdr. "t is toch vree:t' - het is onvoorstelbaar, erg, of anderszins moeilijk te verwerken

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - WREED zeggen in deze streken de landlieden voor moedig, deftig. Z.a.

 

vreete

werkwoord, sterk

vreten

-- vreete - vraat gevreete; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vrit

R.J. 'ze vrten de oren van oewe kop'

- Nao die veulgewenste Vrede,/ Lieve Vrede, mee in Dee. / Wens ik oe, nn overvloed van Vrete,/ Vet, veul, en lekker, mee in Tee (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

De Wijs -- Hij hee hersens as ne krentenbol en daor is dan nog van gevreete (16-01-1975)

De Wijs -- (n Tilburger bestelde in n restaurant een kreeftencocktail, welke zr matig voor de dag kwam. Zn opmerking luidde: )- Bij ons vreete ze kreeft, d de potjes uit onzen bek hangen (17-10-1966)

 

vrve

werkwoord, sterk

wrijven

B vrve - vref - gevreeve

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st.ww. (verleden tijd ook 'vreefde') tr. vrijven' - wrijven

WNT VRIJVEN = wrijven

 

vrlle

werkwoord, zwak

dwarszitten

De Wijs  -- Denkte gullie dettie kat z zn omdek z gevrld heb (vrellen = dwarszitten)

 

vrmd, vrimd

bijvoeglijk naamwoord

vreemd

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vrmd volk - vreemdelingen

Cees Robben [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn me is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar  nie vremd vur oe... (19580510)

Henk van Rijen - vrmd gaon - vreemd gaan

WBD III.1.4:278 'vreemd' = onwennig

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VREMD bvw - vreemd, fr. tranger. Veel verwante talen hebben den korten klinker: Oudeng. fremd, Hgd. fremd, Deen. fremmed, Zw. fremmande

WNT VREEMD, vremd

 

vrmde

zelfstandig naamwoord

vreemde

De Wijs -- t is as 2 druppels waoter, hij heeget van ginnen vrmde (27-12-1968)

Frans Verbunt (1996) - vreemdeling (iem. die nog niet zo lang in Tilburg woont)

WBD III.3.1:30 'een vreemde, vreemde mens = vreemde, ook 'ene nie van hier'

WBD III.3.1:30 'vreemden' = buitendorpsen

WNT VREEMDE, vremde - persoon die tot een ander land of volk behoort, die uit een ander land afkomstig is ...

 

vrmdeling

zelfstandig naamwoord

vreemdeling

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ' vrimdelingen'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VREMDELING znw.m. - vreemdeling, fr. tranger

WNT VREEMDELING, vremdeling

 

vrk
zelfstandig naamwoord
iemand die hard maar ruw werkt
Cees Robben Ons Mina is toch zon vreuk war... (19870605)
 

Cees Robben - Prent van de week - 05-10-1984

 

vrke

werkwoord, zwak

intensief werken; loswrikken; wringen

vrke - vrukte - gevrukt, met vocaalkrimping.

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij vrukt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) vrke - gij/hij vrukt

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): As vreuken nie meer en hulpt en alleskes veul overstuurs gee? Daar geannoteerd als: hard werken; zou het als wroken oorspronkelijk naast werken gestaan hebben?

- Daamen Handschrift 1916 - reuken - hard, onafgebroken werken.

- Piet Heerkens; uit: Brabant, Aaw weeverlieke (1941):

we vreuken mee haanden en voeten,

om demme van erremoei moeten...

- Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De deur van de kerk van Baokel, 1944:

en kwaam daor veur 'n heg

van brem en scherpe doren;

hij vrong en vreukte vreed

om deur die heg te komen

- Piet Heerkens; uit De knaorrie, t Peerebumke, 1949:

Och, peerdekraachte

vreuke vreed aon kr en ploeg...

- Piet Heerkens; uit De knaorrie, Aon den Erteman, 1949: hij vreukt as n perd...

- Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), Vruuger en naa, 1949):

Vruuger, ochgod, 't waar zingen en springe,

den hemel... hij leek me zo schoon, en dichtbij,

mar naa, och Heer, 't is vreuken en vringe,

a'k er mar koom, dan ben ik al blij.

- Cees Robben t vreuken en sjouwe... (19570309)
- Cees Robben En wij vreuke en vruute ons dol... (19580308)
- Cees Robben Kunde vreuke..? jao, meneer Lewie... (19841005)

- De Wijs  -- Gaon we driehappelepappe of pliesieke speulen mee vreuke? (15-06-1963)

- Quinten - tis unne vrkurt die zunne wirg nie kent! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007: Mistal plektedie [de heilige hostie] n oew verhemelte vaast en zaate de hille mis meej oew tong vort te vrke om em los te krge en dur te slikken

- n ikke mar vrke aachter et forns.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

WBD III.1.4:345 'wreuken' = zwoegen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vrke, vreike, vreuke, vruiken - wringen, hard werken

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WROOKEN, ook WRUKEN - al wrikkende wringen, met geweld wringen; gewrook, gewruk

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. 'vreuken' (wreuken, wreken) - wringen, verdraaien, ... met geweld omdraaien, duwen of trekken, zodat ... Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VREUKEN (vreu:ke) onov. ww - hard werken met inspanning v. grote lichamelijke kracht en twijfelachtige efficintie. Verwant met: wreken? wringen?

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'vruke' ww - wringen, hard werken

WNT WREKEN (II), wreiken, wrieken, wreuken, wrooken, vreken, vreiken, vreuken - 1) m.b.t. concrete zaken: met geweld, met kracht heen en weer bewegen met het oogmerk het genoemde los te maken; 2) met inspanning van al zijn krachten werken; 4) moeilijkheden maken,krakeelen.

-- Naglijder op basis van verwantschap met 'wrooken' met scherplange oo.

 

vrker

zelfstandig naamwoord

iemand die continu bezig is, zonder er voldoening van te hebben;

(fig.) indringer

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'zoo'nen vreuker'

N. Daamen, Handschrift 1916 - "'t is ne vreuker"

Henk van Rijen - d zn pas vrkers - dat zijn doorzetters

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - et vrkerke = Leyten (blz. 52)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - ene vrker = hard werkende textielarbeider (blz. 98)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'vreuker' - hij die altijd - vroeg en laat, hard werkt (met de bedoeling veel geld en goed te vergaren), in ruimere en vagere zin: sterke en enigszins lompe kerel.

WNT WREKER (II), wrekerd, vreker(d), vreiker, vreuker - l) harde werker; 2) ruziemaker, twistzoeker

 

vrt

bijwoord

vooruit

En toch gink ut vruit! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

 

vriend

zelfstandig naamwoord

vriend

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - de genoddigde gaaste, vrenden en noabure

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - allemans vriend is allemans gk (Dl6) - wie voor iedereen goed is, ziet zijn goedheid al gauw misbruikt

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej vrienden ist nt as meej zwlme: ge ziet ze allenig meej schoon weer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - uiting van een gedesillusioneerd mens

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRIND znw.m. - vriend

 

vries

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

van fries

Henk van Rijswijk - Vries: zeer oude benaming voor een grof wollen strijkgaren weefsel met langharig dek uit grovere wol van losgesponnen inslaggarens. Gebruikt voor winterkleding en overjassen. Rood, lichtblauw en donkerblauw vries: als vries maar dan in de wol geverfd waarbij de kleur afhankelijk is van het gebruik. Meestal in 4 schachts gelijkzijdige keper geweven.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Fries: Grof weefsel in effen, versterkt of dubbel-geweven. Door ruwing ontstaan lange haren aan de oppervlakte, die door middel van walsen zijn plat gestreken. Ketting is wol of katoen; inslag zwak getwiste wol of afval-wollen garens.
WNT lemma Fries I - 1920 - znw. m. Ofri. Frsa, Frsa, wellicht van den stam van ofri. frisle, frsle, eng. to frizzle, krullen. ↪2. Zekere wollen stof. Fries of Vriesch is grover, dikker en langhairiger dan laken, voor 't overige tamelijk sterk gevold, doch slechts weinig gerouwd en alleen met 1 tot 3 sneden geschoren, diensvolgens meestal volkomen gedekt, KUYPER, Technol. 2, 458.
Gerard van Leijborgh - "Er zijn" zoo antwoordde hij, voor Tilburg werkelijk drukke tijden geweest, dat was bijv. in den tijd van de randbaai en de vrieskes. Toen was het voor den wever een goede tijd en vele eigen" huizen stammen uit dien tijd. Het heele huishouden werkte dan mede... (De laatste Tilburgsche huiswever 3, Nieuwe Tilburgsche Courant, 16-11-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)

 

vrieze

werkwoord, sterk

vriezen

B vrieze - vroor - gevroore

As 't naaw ok mar z lang goei weer blijft en nie begient te vriezen d de kaaien er van barsten. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRIEZEN vroos, gevrozen, niet vroor, gevrozen.

 

vrije

werkwoord, sterk

vrijen

vrije dt klapt (uitdr.) - innig vrijen

De Wijs -- Zij is aaltij haontje de veurste gewist, echt bdehaand; ze vree mee dur zistien al thus en mee t trouwen mos ze k hard lope (10-03-1967)

Cees Robben - Ze vreej al meej der zistien ts

Cees Robben - vrije was er vruuger nder de vaaste nie bij

Henk van Rijen - agge gaot vrije, motte er ene vatte wr ge de schorsteen van ziet roke

-- vrije - vreej - gevreeje

B vrije - vrijde - gevrijd

gez.Pierre van Beek - Vrijen is zachjes praoten n hard liege (Tilburgse Taalplastiek 132, 1971; BrH 58:207); Die vrijt meej zin, houdt et leeve derin.(BrH 58:208)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge wilt gn vrije, dan moete ne knl p zak hbbe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ); knl= horloge (zie aldaar onder Made)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ik z gevreeje, zit mske, n ze waar mar eens gekust, p et llleke van der oor (D16)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ze vrije, zgge ze 'lieveke, moete poepe?', n as ze getrouwd zn: 'kreng, moete schte?' ('70)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st. ww. (vreei-e(n)), gevreie(n)), intr. - vrijen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - die vrijt, die haawt er et leeven in ('73)

 

vrijeghd, -hei

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - vrijheid

 

vrijer

zelfstandig naamwoord

vrijer

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - durren vrier is rg ziek - ( = die in gte - geiten)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vrijersgld moete betaole (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - jongens die van buiten de dorpsgemeenschap kwamen vrijen in een bepaalde herdgang, werden tegengehouden

en moesten zich met een rondje vrijkopen

 

vrijersgld

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - drinkgeld om een meisje uit een andere buurt vrij (los) te kopen

 

vrimd, vrmd

bijvoeglijk naamwoord / bijwoord 

vreemd (Vos in CR)

Cees Robben [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn me is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar  nie vremd vur oe... (19580510)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vre'mt, bijvoeglijk naamwoord  'vreemd' - vreemd

Goem. VREEMD - vrimt zn/bijvoeglijk naamwoord  (vrimder, vrimste): nen - vogel (fig.)

 

vringe

werkwoord, sterk

wringen; dwarszitten;

Van Delft - "Dat hij niet praot, vringt me" wil zeggen: Het doet mij leed, dat hij niet tegen mij spreekt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Cees Robben - der is aaltij iets wt oe vringt;

WBD III.1.3:212 'wringen = knellen, gezegd v. schoenen; ook:'nijpen, knellen'

WBD III.1.4:239 'wringen' = wrokken

WBD III.2.1:336 'wringen = idem (v.d.was)

B wringe - wrong - gewronge

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WRINGEN onov.ww - behalve de gebuikelijke bet. ook: moeilijkheden maken, vitten, ontevreden zijn over elke regeling, ruzie zoeken. Iemand die dit regelmatig doet is een 'wringkloot' of 'neetoor'.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st.ww.tr. + intr. vringen wringen

WNT WRINGEN, wrengen, vringen, vrengen

 

vringer, vringerd

zelfstandig naamwoord

Van Delft - Een "vringer" is een doordrijver, een dwarszitter. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek - dwarsdrijver, ruziezoeker

Ik had en om, hij is al jaore dod./ Enen drammer hij wies aaltij alles beeter./ We noemden em dwarsdrver of btweeter,/ f vringerd, waor ie ok nie van verschot. (Henritte Vunderink, Kriem pasjoonl?, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD (III.2.1:337) 'wringer' = mangel

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vringer zn - ruziezoeker, kankeraar

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw., m. 'vringer(d) - wringer(d), iemand die wrok draagt en ruzie zoekt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRINGER znw. m. - persoon die wrok draagt, nijdigaard.

WNT WRINGER - 5) persoon die vaak of graag iemand tegenwerkt of ruzie zoekt, dwarsdrijver

 

vringklot

zelfstandig naamwoord

dwarsdrijver, ruziezoeker

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - vringkloo:t m., - iemand die moeilijkheden maakt, vit, ontevreden is over elke regeling, ruzie zoekt; neetoor.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'vringkleut' - wringkloot, iemand die wrok draagt en ruzie zoekt.

WNT WRINGKLOOT (N.-Brab.) persoon die vaak ruzie zoekt, moeilijkheden maakt

 

vrit

werkwoord, persoonsvorm

vreet

R.J. 'vrit aa'tij alles op

-- 2e & 3e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'vreete', met vocaalkrimping

 

vroegertd

bijwoord

vroeger

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En hil ouwe taante van mn grotmoeder, zak zegge, die wonde toen vroegertd op Roosephoeve in Oisterwijk, d was teege den Orschtsendk aon Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

vrgske

zelfstandig naamwoord dim.

Henk van Rijen - vraagje

 

vrollek

bijvoeglijk naamwoord

vrolijk

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vrollik

 

vrllie
zelfstandig naamwoord
jong meisje; eigenlijk verbastering vanvrouwlui of vrouwlieden, dus vrouwvolk, een vrouwmens
Cees Robben Kekt toch ammol nie naor die vrllie... (19760702)

 

vrom

bijwoord 

wederom, terug

fleeweek vrom - de voor-vorige week

Cees Robben vleeje-week-vrom (19680816)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VROM bw - samentrekking van wederom, terug; VROMPAKKEN ww. - terugpakken

Bosch vrom - weerom, terug

WNT WEDEROM, wederomme, weerom, vrom

Hees vrom (1:74) = weerom

 

vrommes, frammes, frommes

zelfstandig naamwoord

vrouwmens

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - et frammeske; vrammes, vrammesen

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ''n heele berzie wilde vrammessen'; ''n strant vrammes'

D16 "vrammes - van het woord 'vrouwmensch'"

Och, Hannie,

ik kan nie

genog van oe haawe,

vriendelijk frommeske-lief (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), Och, Hannie..., 1940)

WNT VROUWMENSCH, vrouwenmensch, vrommes

Bosch vrommes - vrouw

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - vrommes - vrouw. Verholen samenst. van vrouw en mens

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VROMMES o. - vrouwmens

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VROUWMENSCH. Dit woord, in Holland bijna een scheldwoord, heeft in deze streken, bijzonder bij de landlieden, niets veraohtelijks. In'vrouwmensch' ligt minder een tautologie dan in MANSKEREL.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.o. 'vrammes' - vrouwmens (gehuwd en ongehuwd)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VREMMES, ook VRMMES en VRAMES znw.o. - vrouwmensch

Oppr. VROMMES znw.onz. - vrouwspersoon, soms eenigszins minachtend.

 

vroomigheid
zelfstandig naamwoord
vroomheid
Cees Robben - ...witte vroomigheid (19600715)
 

vrtgang

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - vooruitgang

 

vrtzicht

zelfstandig naamwoord

vooruitzicht

SJAREL. J, d zik. As we naaw zomer han dan ginke we nor den wenter. En naame in de wenter zitte gomme nor den zomer. Des teminste n goei vruitzicht.  (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

 

vrouw, vrouwke

zelfstandig naamwoord

vrouw

gez. Twee vrouwen in en hs zn as twee katte meej en ms.

gez. En vrouwehaand n en prdetaand meuge not stilstaon.

gez. Bdehaand as en vrouwehaand n en prdetaand.

gez. Den bakker heeter zen vrouw durgejaogd. (brood met gaten)

Van Beek - "'n Vrouwenhand en 'n paardetand mogen nooit stilstaan." - Een vrouw dient bedrijvig te wezen. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

Cees Robben - d krikkel vrouwke; n naa toch niks vergeete, vrouwke?

Cees Robben - de miste boere hier slaope nog bij der ge vrouw; j vrouwke;

Cees Robben - ast er naawt, is ns vrouw den baos;

Cees Robben - en blnde vrouw n enen dove meens;

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - nze Lieve vrouw stao int dnker (73) - men zit er krap bij

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hete vrouwen n kaawe koffie is tdwinst ('72) - ironische opmerking van mannen: bij beide bereikt men zijn doel sneller.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as en vrouw et circusprdje thangt, kst ze veul stroj (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - Luxe kost geld

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as der en vrouw getrouwd f en prd gekcht wrdt, moete der nie tusse koorme (Kn '50) - aan tussenkomst is geen eer te behalen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge gaot trouwe, moete begiene meej en aaw vrouw n en jng vreke,

aanders boerde oover de start (vB'72) - . . . anders ga je over de kop wegens te hoge uitgaven en te lage inkomsten.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en vrouw zee per dag driemaol de wrrend: smrges 'ik z niks wrd', smiddags 'vatte gullie mar, ik zal et mnne wl krge; saoves 'hil den dag gesjouwd n nog niks gedaon' ('75); variant: ('50): 'smrges 'kb znne vle smaok', smiddags 'vatte gullie mar, ik krg et mnne wl', saoves 'hil den dag gewrkt n niks pgeschoote.

N. Daamen, Handschrift 1916 - fltende vrouwen n brullende koej zn zlde goej

Henk van Rijen - 'vraaw'

Frans Verbunt (1996) - ge ht twee sorte vrouwe: kaoj n verrkte kaoj

WBD III.3.1:23 'vrouw', 'wijf' = vrouw

WBD III.3.1:33 'vrouw' = mevrouw; ook: 'juffrouw'

WBD III.3.1:35 'vrouw' = boerin; ook 'bazin'

WBD III.1.1:4 'vrouwspersoon' = vrouw; 5 'vrouwmens' = vrouw

WBD III.3.2:178 'vrouw' = vrouw in het kaartspel

WBD III.2.2:47 'vrouwmens' = jonge vrouw; ook 'jonge vrouwmens'

WBD III.2.2:88 'vrouwmens' = echtgenote

 

vrouwetong

zelfstandig naamwoord

vrouwentong

Cees Robben Un vrouwetong en unne gtestart .. staon nt stil.. (19640626)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en vrouwetng n ene gtestart stn not stil ('69) - ironische opmerking over het gepraat van vrouwen

 

vrouwetraon

zelfstandig naamwoord

vrouwentraan

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vrouwetraone ... en kwartje den eemer (Pierre van Beek - TT70) - ze vloeien rijkelijk

en er wordt weinig waarde aan gehecht

 

vrouwke

zelfstandig naamwoord dim.

vrouwtje

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as vrouwke vl den hrd tkrt, laagen aile huukskes (Oostbrab. '78); as plddeke vl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes (Tilburg '72)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'n' zeej ns-lief-vrouwke (HM'70) - reactie van iemand die niet geloofd dat iets maar zo weinig gekost heeft

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et was naa gedaon meej et sker lievevrouwke (HM'70) - het was nu uit met het goede leven

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ns-lief-vrouwke, gift em ng en douwke - schietgebedje tijdens het overvliegen van een V1 of V2

Lied: Vrouwke tis vastenaovend

 

vrouwmd

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - meid die de huisvrouw vervangt

Henk van Rijen - 'vraawmd'

WNT Vrouw(e)meid (ook als kopp. vrouw-meid), (gewest.) - opperste meid bij eenen weduwnaar

Westfries (Pannekeet) vrouwmoid, in de zegsw. 'as vrouwmoid diene' - als diensbode werkzaam zijn met de bedoeling of met de hoop t.z.t. de baas te trouwen (verouderd)

Ghijs. vrouwemeid - boerenhuishoudster, speciaal b.e. weduwnaar.

WNT VROUW(E)MEID, gewest. vrouwmeid - opperste meid bij een weduwnaar

 

vrouwvlk

zelfstandig naamwoord

vrouwvolk

WBD III.3.1:23 'vrouwvolk', 'wijfvolk'

 

vrukseltje

zelfstandig naamwoord, verkleind.

nietig persoontje (zie vrke)

S&S 'vreukseltje': mismaakt, ineengedrongen mensje of kind (hs K183)

N. Daamen, Handschrift 1916 - "'t is mar 'n vreukseltje - mismaakt ineengedrongen meisje of kind"

S&S VREUKSELTJE (zie boven)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - kent voor 'wringen, verdraaien' het ww 'vreuken'. Hij citeert daarbij ook uit Brabantius de omschr. 'eenig werktuig dat ergens in- of ondergestoken is met geweld omdraaien, -duwen of -trekken, zoo dat het werktuig dreigt te breken.' Het bet.-element 'mismaakt staat dus wel voorop. Het achtervoegsel (= suffix) -sel is produktief ter vorming van substantiva, vooral v. abstracta in pejorat. zin.

WNT - WREKEN II - Woordsoort: ww. (zw., trans., intr.)
Modern lemma: wreken WREIKEN, WRIEKEN, WREUKEN, WROOKEN, VREKEN, VREIKEN, VREUKEN , bedr. en onz., (...) Een met wrikken verwant woord, dat vooral gewest. nog bewaard is en dan in den regel met vr- gerealiseerd wordt, naast vre(e)ken ook in den vorm vreuken en verder als vreiken. Incidenteel treft men ook in de oudere taal wel een spelling vreken aan. (...) Gewest. in Vl.-Belgi wordt naast wreuken ook wrooken gebezigd (zie CORN.-VERVL. [1903] en vgl. ook SCHUERM. [1865-1870] en DE BO 1411 a [1873]); SCHUERM. [1865-1870] verwijst onder wrooken in de bet. wringen naar wrikken, dat blijkens zijn opgave (wrok, gewrokken) en voorbeeldzin (ik heb mijnen arm gewrokken)

 

vrukte

werkwoord, persoonsvorm

wrikt(e) los, hard werken

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) vreuke - hij vrukt

-- tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'vrke', met vocaalkrimping

Cees Robben Mar Jantje (...) vruutte, vrukte vort... (19611229)

 

vruug, vruuger

bijwoord  / bijvoeglijk naamwoord

vroeg

Cees Robben - ik mt mrege vruug p; vruug f laot;

Cees Robben - vruug pstaon d is gin prft;

Kern's mrges vruug ( als in fr. mme)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vruug p n meej de kiepen p stk, d zal et em nie verlieze (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - een geregeld leven geeft veel rendement.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ast kmt, kmmet vruug geng (HM'66)-vervelende dingen komen altijd vlug

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vruug in de waaj n laot vt (Dl6)- jong getrouwd, zonder succes

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VRUEG of vruug, naar het Hoogd. frhe. Z.a.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vruug (krt. 34), met umlaut (blz. 89)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord  en bijw. 'vruug' - vroeg

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRUUG bijvoeglijk naamwoord /bw - vroeg

 

vruuger

bijwoord

vroeger, destijds; (B) te voren

Vruuger waar alles aanders. - Vroeger was alles anders.

-Vruuger en naa, titel van een Korvelse Revue, 1926.

- Cees Robben Want in d giense hske geens../ Wier vruuger bier gebrouwen... (19560908)

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'vruger' - vroeger, eertijds

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRUGERTIJDS bw - vroeger, voortijds

 

vruugmis

zelfstandig naamwoord

vroegmis

Cees Robben vur de vruugmis (19600520)

WBD (III.3.3:117) vruugmis, vissersmiske (vroegmis)

 

vruugpreek

zelfstandig naamwoord

ouderwetse, groengeworden paraplu, gedragen onder de arm

Van Delft - "Ik nam m'n vroegpreek (ouderwetsche groene paraplu) onder den arm, terwijl m'n man zijn credietjas aantrok." Geen verklaring toegevoegd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Pierre van Beek meej den vruugpreek" (ouderwetse, groene parapluie) onder den arm (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)

 

WNT VROEGPREDIKATIE (geeft de onderhavige betekenis niet)

 

vruugt, vruugte

zelfstandig naamwoord

vroegte

- Vumrge in de vruugt (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben - ...in alle vruugte (19600520)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRUUGTE znw.v. vroegte

 

vruut

zelsfstandig naamwoord

neus (groot)

WBD (Hasselt) snuit van een varken, aldaar ook 'snt' genoemd

N. Daamen - handschrift 1916 - "vruut - snuit"

En toen kwaam die kuus mee die lange vruut en blaosde 't vertesseltje uut. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben [Hij] klottert ldrecht naor beneeje../ En valt hil zn vruut kepot.. (19700925)

Meens haauwt oe vruut tch dicht... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Naachtwrk)

D en vruut en neus is... (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Stadsnieuws -  Hij heej me tch en vruut, daor kunde ast rgent schle. (231209)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - FRUUT v. - snuit, gezicht.

WBD III.4.2:33 'wroet' - voorste deel v.h. gezicht van een dier; ook genoemd: snufferd, bakkes, bek of toot

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - vruut Heeren = bakker Heerkens (blz. 41)

WBD III.1.1:65 'wroet' = gezicht

WBD III.1.1:96 'wroet' = mond

WNT WROET, vroet(e) - verbaalabstr. van wroeten; nagenoeg alleen in gewestelijk taalgebruik; met vr- anlaut in o.a. n-Brab.- l) mol; 2) snuit van een varken, ook toegepast op de mond v. personen ...

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.vr. 'fruut' l) varkenssnuit, bij uitbr., gemeenzaam, gezegd v.d. met vooruitgestulpte lippen gevormde mond; 2) zoen, kus

 

vruute

werkwoord, zwak

wroeten

-- vruute - vruutte - gevruut -- Steeds korte uu

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'omd-t-er 'ne mol onder 't erd aon 't fruuten was'

'n Uurke geleje h'k de zon nog evetjes dur 'n holleke zien piepen mar naa zaat ze al lang te vruten om er opnuuw dur te komen, zonder d ze't winnen kos. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Cees Robben En wij vreuke en vruute ons dol... (19580308)

De Wijs -- Ge mot nie vruute in w was, mar in w koomen moet (1965)

Cees Robben Hij vruutte meej zn haand in t zaand (19600219)
Cees Robben Mar Jantje (...) vruutte, vrukte vort... (19611229)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - FRUTEN onov.ww, wroeten, haastig snuffelen.

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vruten - wroeten

WBD III.4.2:68 'wroeten' - graven v. konijnenhol, ook 'dabben', 'buten'

WBD III.1.4:344 'wroeten' = wroeten

Goem. WROETEN - Ook in den zin van 'woelen'; verder hard werken: wroeten en werken.

WNT WROETEN

 

vuddeur

zelfstandig naamwoord

voordeur

- Doe, agge p vekaansie gt, aatij de vuddeur goed p slot. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

vul, veul

telwoord, bijvoeglijk naamwoord 

Henk van Rijen - veel

 

vuile, vlle, veule

zelfstandig naamwoord

WBD veulen (zie 'veule')

WBD vulletaand - het melkgebit van een veulen, ook 'volletaand' genoemd

WBD vullemr - dragende merrie, ook genoemd 'vlmrrie'

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vullens - veulens

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - waarnaast wel eens 'vuilen' resp. 'vllen', znw.o. - veulen

 

vuls te, vuste, vus te

bijwoord

veel te

want daorveur zong ik vus te graog... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: t Zaangerke , 1932)

...dan was de kerk vus te kln... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Cees Robben vulste proper... (19581122)
Cees Robben Ik gao dr niemer uit... zeej Jan,/ t zl is vuls te koud (19670428)
Cees Robben Detter vuls te veul vrouwen op de wreld zen... (19720818)

Audioregistratie 1978 -- Mar die om hallef twaalf nr de krk moese, war, waare die kleere van die alwir vulste grot n die schoene vulste grot want die om hallef twaalf nr de krk gonge, die schoene waare vul te grot, die klapperde daor oover die kaaje van die grote wg heene, dsse van de vrte omkeke, daor koome die zoone (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Die krels waare vus te muug. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)

Zie Overdieps Stil. Gramm. 40

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VTTE bw - samentrekking van veul te' veel te, al te

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vuls te veul, vus te veul

WNT VEEL (IV) II, 8), d)) ook versterkt tot veels/ veuls: Veels te veel

 

vungske

zelfstandig naamwoord dim

Henk van Rijen - vonkje

 

vur, veur

voorzetsel, bijwoord, voegwoord

voor

Waorveur moete vurkoome?

WBD et kalf zit meej de kp nao vurre - zit goed (vr de geboorte)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - vur de deur

DANB dan spanneme et prd vur de nuuw kr

DANB ene kaawe klder is goed vurt bier

Henk van Rijen - dees vur vurt fist n ds vur nt fist - dit is voor vr het feest en

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vur - vz - tegen, als, voor

 

vural

bijwoord

vooral

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURAL bw - vooral

 

vuraon

bijwoord

vooraan

Cees Robben - simpelen die staon vuraon [datum]

 

vurbij, vurb

vz.

R voorbij; in vergelijking met

Vurbij oewe maot hdde gij veul zakgeld, - Vergeleken met je collega

Henk van Rijen - vurbij giestere - vergeleken met gisteren

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VOORBIJ (vurbj) bw-1) gepasseerd; 2) vergeleken met.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
voorz. - voorbij, vergeleken met of bij

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURBIJ bw; in diverse samengestelde ww..

 

vurbijgaon

werkwoord, sterk

voorbijgaan, passeren

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vurbijgaon as de Maos langs Bkhoove (Alg. Brab. 50) - vurbjgaon as de Maos langs Heusde (Tilburg 50)voorbijgaan zonder groeten

 

vurbild

zelfstandig naamwoord

voorbeeld

Cees Robben - Ge moest is en vurbild neemen n onzen nuuwen buurman

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vurbild

 

vurblad

zelfstandig naamwoord

WBD voorblad: het voorste gedeelte van het overleer van een schoen, bestaande uit n deel, resp. twee delen (de neus en het voorblad) (II:715)

 

vurbroek

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - gulp

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vurbroek zn - gulp

WNT VOORBROEK 2) aparte strook stof voor de verticale opening in het midden van de voorzijde van de mannenbroek ... vervolgens ook die opening zelf; broekklep, gulp

 

vurd

voegwoord

voordat

DANB ik kan tch nie koome vurdk klaor bn

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - voegw. voordat

 

vurdel

zelfstandig naamwoord

voordeel

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vurdeel - naodeel'

WBD III.3.1:132 'voordeel','opbrengst, winst- = winst

WBD III.3.1133 -voordeeltje -,'meeval,meevaller,bof,tref' = meevaller

GD08 den aawerdom komt teegesworreg meej enen hillen hop vurdeele

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURDEEL znw.o. -op veurdeel - op voorhand, fr. d'avance

 

vurdeur

zelfstandig naamwoord

voordeur

Henk van Rijen - 'vudeur, vustedeur'

R Tegen iemand die zich als onmisbaar voordoet: 'As ik jou nie had en de vurdeur nie, dan moes ik aaltij aachterm.

Henk van Rijen - hij gong du de vudeur deur

CiT (94) 'Hij ging du de vuddeur deur'

Hees vurdeur (VIII:25)

 

vudraoge

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - voordragen, declameren

 

vurnd

zelfstandig naamwoord

WBD keerstrook/ wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg; gekeerd wordt), ook genoemd 'vurft', 'tne', 'rug', 'tnerug', 'dwarsrug'

 

vurt

bijwoord

vooruit

Cees Robben - Naa kan ie vurt; vurt dan meej de gt;

WBD allee vert vlugger! (commando voor een paard)

Henk van Rijen - vurt, t de weeg! vooruit, ga opzij!

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. - vooruit Z.a.

 

vurft

zelfstandig naamwoord

WBD (Arch. v. Ginn. K 183) - keerstrook/ wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg gekeerd wordt) lett. 'voorhoofd'; ook wel genoemd 'tne', 'rug', 'dwarsrug' of 'tnerug'

WBD III.1.1:39 'voorhoofd = voorhoofd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VRFT (uitspr. vrreft) znw.m. - de opene plaats die vr de hoeve gelegen is.

 

vurgaon

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - voorgaan

 

vurhaand

zelfstandig naamwoord

gez. op de vurhaand zitte - bij het kaarten moeten uitspelen

WNT VOORHAND - (kaartspel) - plaats (mmestal links naast den gever) van

dengene die het eerste moet bieden of een kaart uitspelen

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. (kaartspelersterm) 'voorhand' (in de zegsw. 'op de veurhand zitte' - de eerste zijn die moet spelen)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURHAND znw.m. - op de veurhand zitten - de eerste moeten spelen; op vurhand - vooruit

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vurhand zn - voorhand

 

vurhaawe

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - voorhouden

-- vurhaawe - vurhiel - vurgehaawe

 

vurhaawsel

zelfstandig naamwoord

voornemen

mee m'n schoon vurhaawsels (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

vurjaor

zelfstandig naamwoord

voorjaar

Cees Robben t Is vurjaor vuruit naa.. (19570309)
Cees Robben t Vurjaor schenkt den burger moed. (19700417)
Piet van Beers Wie tuinbonen wil eten moet Februari niet vergeten : We gaon 't vurjaor in. (With Love; 1982-1987)

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

vurkaant

zelfstandig naamwoord

voorkant

WBD voorste deel v.h. paard tot achter de voorbenen

WBD stootkant v.h. paardezadel (nl. de hele voorkant tot aan de eerste brug)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej de hielen n de vurkaant geboore zn (Pierre van Beek - TT70) sloom zijn

 

vurkaomer

zelfstandig naamwoord

voorkamer

WBD salon (mooie, doch zelden gebruikte zitkamer in een boerenhuis), ook 'goej kaomer' genoemd

 

vurknd

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - voorkind, kind van voor het huwelijk

Frans Verbunt (1996) - vurknder - kinderen uit een eerder huwelijk

WBD III.2.2:74 'voorkinderen' = stiefkinderen

WBD III.2.2:74 'voorzoon', 75 voordochter'

WBD III.2.2:112 'voorkind' = bastaard, ook 'voorloper'

WNT VOORKIND - 1) kind uit een vroeger huwelijk; kind, vr het huwelijk geboren; onecht, natuurlijk kind

 

vurkeur

zelfstandig naamwoord

voorkeur

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vurkeur

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURKEUR znw.m., niet v., - voorkeur, fr. prfrence

 

vurkoome

werkwoord, sterk

vrkomen; voor de rechter moeten verschijnen

Want, want Beek as gij in Hilverenbeek vruuger en verbaol kregt dan moeste gij in Orscht vurkoome! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Henk van Rijen - waorveur moete gij vurkoome?

 

vurkoome

zelfstandig naamwoord

borstpartij; voorkomen

WBD III.1,1:117 'voorkomen' = borsten van een vrouw

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURKOMEN znw.o. - voorkomen; spr. Hij hee e schoo veurkomen langst aachter

 

vurkrpe

werkwoord, sterk

voorkruipen

GD08 meej die rollaaters kunde bij den Albert Heijn n de kassa hel hndeg vurkrpe

-- vurkrpe krop veur vurgekroope

 

vurlaoj

zelfstandig naamwoord

voorlade

WBD 'vrlaoj' (II:96l) - voorlade (van een weefgetouw)

 

vurleezer

zelfstandig naamwoord

voorlezer = stadsomroeper

Lodewijk van Dorrus Misters - De omroeper bespraken wij in een vorig artikel. Maar van een voorlezer hebben wij in Tilburg nooit gehoord. Daar deze twee bedieningen bij elkaar worden genoemd, menen wij te mogen veronderstellen dat beide met elkaar in verband stonden en door dezelfde persoon werden uitgeoefend. In dorpen in de nabijheid van Tilburg hebben wij de voorlezer wl gehoord en gezien. Het was 's Zondags na de late H. Mis dat voor het caf tegenover de kerk een man op een stoel sprong en op onze vraag aan een familielid wat er ging gebeuren, kregen wij ten antwoord: de geboj (geboden, verordeningen) worden voorgelezen. Dat waren dan gemeentelijke verordeningen en datgene wat van gemeentewege moest worden gepubliceerd, zoals bijv. paren die in ondertrouw of gehuwd waren, en daarna notarile mededelingen wanneer, waar en welke panden of percelen zouden worden geveild, welke nog "onder het hoogsel stonden" (nog konden worden verhoogd) en wanneer hiervan de definitieve verkoping zou plaats hebben enz. Dan de meer particuliere bekendmakingen, waar stier of hengst ter dekking stonden, waar kalveren, biggen of veulens te koop waren enz. Dan was het als het ware een advertentiebureau en werden er ook wel 'ns koddige bekendmakingen voorgelezen. Jhr. de la Court, die in Middelbeers ter kerke ging en nog in zijn jonge tijd was, hield er wel van om tegen de kermis bijv. een of ander vergeten boerenmeisje onder de aandacht der jongelui te brengen of iets dergelijks. () Tegenwoordig hebben de advertentiekolommen der couranten beider taak overgenomen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 5 Voorlezer en wijkmeesters; NTC 17-2-1951)

 

vurlichting

zelfstandig naamwoord

voorlichting

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vurlichting

 

vurlop

zelfstandig naamwoord

WBD hoofdwort (de vloeistof die de eerste keer uit het beslag gewonnen wordt, in de brouwerij)

WBD (II:2722) 'vurlper' - voorloper (onderdeel van een schaaf)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURLOOP znw.m. bij brouwers: de eerste slijm dien men uit de brouwkuip bekomt; hij is witachtig, troebel en onklaar.

 

vurlopeg

bijwoord / bijvoeglijk naamwoord

voorlopig

Henk van Rijen - 'vurlopeg, vurirst'

 

vurloperke

zelfstandig naamwoord dim.

Frans Verbunt (1996) - kind geboren vr het huwelijk

WBD III.2.2:112 'voorloper' = bastaard

 

vurman, vurmnneke

zelfstandig naamwoord & dim.

voorman

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vurmannen' (plur.)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURMAN znw.m. - spr. Iemand op zijne(n) veurman zetten - hem op zijne plaats zette, hem harde waarheden zeggen.

 

vurmeule

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) voorploeg (het losse, tweewielige voorste deel v.d. ploeg)

 

vurmiddeg, vurmiddag

zelfstandig naamwoord

voormiddag

DANB hil de vurmiddeg al

Cees Robben We zen er vort van unne dag en unne vurmiddag... (19671110) [mensen van de dag]

 

vurnaom

zelfstandig naamwoord

vrnaam

 

vurnaom

bijvoeglijk naamwoord  / bijwoord

voornaam

WBD III.4.4:282 'voornaam' = van belang

-- vurnaom - vurnaomer - vurnmst

 

vurop

bijwoord

voorop

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hier gao de strntkr vurp (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd als iemand zich in een gesprek voortdurend op de voorgrond dringt.

 

vurraaw

zelfstandig naamwoord

lett. 'voorrouw'

Pierre van Beek - vurraaw hbbe - aanduiding voor iemands plaats in een begrafenisstoet, naar volgorde van familieverwantschap

 

vurraod

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:94 'in voorraad hebben' = idem

WBD III.3.1:94 in voorraad zijn' = idem

WBD III.3.1:93 'voorraad' = idem

 

vurre

bijwoord

voren

Kom mar nr vurre

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van vurren p zen vadder lke n van aachteren p hil zen femielie

N. Daamen, Handschrift 1916 - - gezegd van een zoon

 

vurrs

zelfstandig naamwoord

WBD het voorrijzen van deeg in de trog

 

vurreg

bijvoeglijk naamwoord

vorig

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - veurig'

Cees Robben Nao al t zuut der vurrige daogen/ t zilte naa op oewen dis..... (19540306)

 

vurrt

zelfstandig naamwoord

voorruit

 

vurriem

zelfstandig naamwoord

(Hasselt) kopriem (boven de ogen over het voorhoofd v.h. paard lopend)

 

vurrukkullukke
bijvoeglijk naamwoord
verrukelijke
Cees Robben (...) unne vurrukkullukke gerukte spekbukken... (19870220)

 

vurschr

zelfstandig naamwoord

WBD voorschaar (van een ploeg), ook genomad (Hasselt) 'vursohaor'

 

vurschiete

werkwoord, sterk

voorschieten

WBD III.1.4:425 voorsohieten' = iemand iets verwijten

 

vurschot

zelfstandig naamwoord

schort (zie ook 'toeschrt)

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - schuddet mar in mene vurschoot

Van Beek - een "vurschot" (voorschoot) is een lage schort;  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben - meej ene vurscht veur

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - winkeltje haawe nder dere vurscht (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - steeds in verwachting zijn

WBD 'veurschot' (II:940) - voorschoot v.d. wever; ook 'sloof' of 'slufke'

WBD III.1.3:77 'voorschoot' = schort; ook: 'scholk', 'schort'

WBD III.1,3:86 'voorschoot' = schort zonder borststuk

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vurscht (krt. lO4)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'voorschoot'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURSCHOOT znw.m. en niet o. - voorschoot, fr. tablier; fig. voorgevel

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vurscht zn - schort

 

vurscht

zelfstandig naamwoord

voorschot

 

vursplle

werkwoord, zwak

voorspellen

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'vursplle'

-- vursplle - vursplde - vurspld

 

vurst

bijvoeglijk naamwoord

voorst

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
v'rst, bijvoeglijk naamwoord  'veurst' - voorst 'de vurste deur' - de voordeur

 

vurstal

zelfstandig naamwoord

WBD voorstal (voorste gedeelte v.d. stal, de vrije ruimte tussen de muur v.h. woonhuis en de voedergoot)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
v'rstal, znw.m. 'veurstal' - voorstal, dat gedeelte van de stal dat zich bevindt tussen de (buiten) stalmuur en de stalzult, en met stenen of plavuizen verhard is.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vurstal zn - voorstal

 

vurstaon

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - voorstaan

 

vurste

bijvoeglijk naamwoord / zelfstandig naamwoord

voorste

WBD (Hasselt) voorste wendakker (de dichtst bij de ingang van de akker gelegen keerstrook voor de ploeg)

Cees Robben - As we jou toch nie han n de vurste deur nie, dan moese me aaltij aachterom;

WBD 'vrste dwarsbalk' (II:952) - voorste dwarsbalk van een handweefgetouw

 

vurstl

zelfstandig naamwoord

voorstel

Cees Robben - W zgde van mn vurstel?

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURSTEL znw.m. en niet o. voorstel, fr. proposition

 

vurstlle

werkwoord, zwak

voorstellen

Cees Robben - Ik hb mengen irst vurgestld.

Cees Robben - Men buurvrouw wordt z maogers der sevooj stelt gin reet mir veur.

WBD III.3.2:343 'voorstelling' = toneelstuk

-- vurstlle - stlde veur - vurgestld

 

vurstuk

zelfstandig naamwoord

bijzonder smakelijk deel van het geslachte varken

Cees Robben Wilde van de vang of t vurstuk... [van het varken] (19550205)

Jan Naaijkens - Vurstuk zelfstandig naamwoord voorstuk. De voorham van een geslacht varken. Het behoort tot de beste delen. Er zijn twee vurstukke, aangezien er twee hammen zijn. Jan Naaijkens - Ds Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - - 1992
► Zie Dossier varken culinair

 

vurvoet

zelfstandig naamwoord

kous

N. Daamen, Handschrift 1916 - "ze loopt op er vurvoeten (op haar kousen)"

WBD III.1.2:156 'op zijn voorvoeten lopen' = op zijn tenen lopen

WBD III.1.1:l74 voorvoet = voorvoet

 

vurwrde

zelfstandig naamwoord

voorwaarde

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'veurwrde'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VEURWRDE znw.v. voorwaarde, fr. condition

 

vurzichteg

bijwoord / bijvoeglijk naamwoord

voorzichtig

Cees Robben - ...ben toch vurzichtig... (19540227)

WBD III.1.4:l36 'voorzichtig' = idem

 

vurzitter

zelfstandig naamwoord

voorzitter

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - vurzitter (passim)

Cees Robben - W zgde van mn vurstl, vurzitter?

 

vusteveul, vulsteveul

bijwoord, telwoord

veel te veel

Der is vusteveul geneuk in de wreld. - Er is veel te veel rotzooi op de wereld.

Henk van Rijen - hij heej vusteveul te wneg in zen knip

Frans Verbunt (1996) - 'veulsteveul, vusteveul

-- De 's' geeft een genitivus partitivus aan.

Bosch veulsteveul - veel te veel; ook: vusteveul

 

vustedeur

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - 'vustedeur, vurstedeur, vudeur' - voordeur

 

vutte

bijwoordelijke samentrekking en verkorting van 'veel te'

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- vruuger won ze van den bond niks weete n toen waare wij op en dag f zo nr den bond gegaon omd we vutte wneg beurde, verdiende, n toen kregeme aachter lkaar ons ontslag. En wij durfde niemer nr hs te gaon, gin van tweeje (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 --  Ze hbben ons vutte veul belooge de pestoors (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

vuudzaom

bijvoeglijk naamwoord

voedzaam

 

vuuge

werkwoord, zwak

passen, betamen

-- vuuge - vuugde - gevuugd -- Steeds korte uu

- Saomen op vekaansie, d vuugt nie

De groote muts blijft in de kaast: die is te zwaor, daor krge ze vort koppent van - zeggen ze - en darrum zette ze [de boerinnen] liever 'n huudje op. D z'n ding op hullie kop net z min vuugt as ne vulpenhaawer in 'nen boerenvisjeszak willen ze nie geleuven. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Wet is er naa vur onfesoendelijks aon degge oe bord aflekt? "J" heur ik oe zegge: D vuugt naa eenmaal nie". Mar waarom vuugt d nie. Enkel en alleen omdt naa eenmaal gin gewnte is? (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Frans Verbunt (1996) - kkt es fdt vuugt - kijk eens of het staat

WBD III.1.4:318 'zich voegen' - zich goed gedragen

Buuk Et vuugt nie tusse die tweej - het gaat niet goed tussen die twee

Haor VUUGE - passen, 'voegen'

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - vuuge ww - aanstaan

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VUEGEN, voor voegen; eertijds 'veugen' geschreven. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VOEGEN (vuuge) onov.ww - passen; onpers.: d vuugt men nie.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.intr. en wederk. 'vugen' - 1) passen, betamen; 2) goed en handig afgaan

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VUGEN - voeden, passen, fr. convenir

 

vuuje

werkwoord, zwak

voeden

B vuuje - vuude - gevuud; ik vuu, gij/hij vuut; steeds korte uu

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'vuuien' - voeden, fokken

 

vuule

werkwoord, zwak

voelen

vuule - vuulde - gevuuld

-- Steeds korte uu

ik vuul geluk bij 't waandele langs de baon... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941)

Cees Robben ...of ge niks vuult... (19580301)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - wie nie heure wil, mot vule