INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P
R
S
T
U
V

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van waacht tot wuw

waacht

zelfstandig naamwoord

De Wijs  -- (gehoord bij n cabaretvoorstelling) - Ons Mie hee me de waacht aongezee dk nie mog laache en naa laach ik al en er is nog niks te zien. (15-06-1963)

Henk van Rijen - wacht

Henk van Rijen - K-za-m de waacht wl us nzgge

WBD III.1.4:431 de wacht aanzeggen = op het hart drukken

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - waacht zelfstandig naamwoord wacht; iemes de waacht onzgge.

 

waachte

werkwoord, zwak

M wachten, wchte

 

waad

zelfstandig naamwoord

dat deel v. e. lemmet dat scherp is en waarmee gesneden wordt

WBD (III.2.l:148) waad

WNT waat

 

waafel

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - waafel, elleboog van taafel ('86) - gezegd tegen iemand die met de ellebogen op tafel zit

 

waaj

zelfstandig naamwoord

weide, wei (hui), zoete waterdelen v.d. melk

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - waai - wei

DANB waaj

- Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - Ja, die jongens van Flaneur waren rakkers, maar wat ze zeker nooit aan hulli pa" hebben durven vertellen is, dat ze gingen vuurke stooke" in den Ekker aachter moeder van Lierup" waar de koeien in de waai" stonden (nu de Mariastraat) en dat ze dat vuurke" stookten met solfter"... (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904)

- Brabant mee oe gruune waaie,

mee oe blonde peerse haaie,

mee oe lochte, zoft as ween,

laand, mijn laand, w zeede feen!

(Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Brabant, 1938)

- al deur de gruune boerewaai (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, De boeremeid, 1938)

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Ik weet nog d 't geitepark 'n waai was mee waai- en boterblumkes. De omwonende meense teuide de geite op die waai, daarom de naom geitepark.

- Cees Robben de waai... waor t schaop heej staon te blten (19560630)
Cees Robben Mar ochrum langs de Laai/ Liggen naa verbraande waai... (19570704)
Cees Robben Dekkers en de waai (19570119)

Waor ik gre meej speulde en et dus ok nie rg vond, om vur te zrge, waar den bok. Ik ha zelfs un waaike vur em aongeleed. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Figuurlijk

Gez. Hij is in en goej waaj tenirgewaajd = Hij is op een goede plaats terechtgekomen.

- Als ge saome in dezelfde waai" gestaan hebt, dan wil men beduiden dat ge met een bepaald persoon samen in betrekking zijt geweest of in dezelfde omstandigheden hebt verkeerd. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

Pierre van Beek - gez. We hbbe saomen in dezlfde waaj gelope.

Henk van Rijen - we hn saome ng in dezlfde waaj gelope - we kennen elkaar van vroeger

WBD waaj slpe (Hasselt), ook 'slpe' genoemd - slepen ( met een sleep over akker of weide gaan ter egalisatie)

WBD voogelwaaj (Hasselt) - braakakker

WBD waad schlle (Hasselt) - het losploegen van een graslaag

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - waai weide; in de waai

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in en goej waaj terchtegekoome zn (JM '57) - goed terechtgekomen zijn

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - vruug in de waaj n laot vt (16) vroeg getrouwd zonder succes

De Waaj - toponiem; De Koningswei; verdwenen volksbuurt in het centrum van Tilburg

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de konegin van de waaj = Pieta Melis (blz. 54)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - akeela van de waaj = Bertje Eygenraam (blz. 36)

 

waajbluumke, waajblumke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

weidebloempje

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Ik weet nog d 't geitepark 'n waai was mee waai- en boterblumkes. De omwonende meense teuide de geite op die waai, daarom de naom geitepark.

WBD III.4.3:292 waajbluumke - madeliefje (Bellis perennis), ook genoemd maajbluumke, meizoentje', 'meizoetje' of paosblom

 

waajbom

zelfstandig naamwoord

populier; ratelpopulier;

vB: alleenstaande boom in een weiland, die wegens wind van alle kanten onstabiel was en derhalve slecht hout opbracht

Cees Robben - begraoven in en kiest van waajbomehout;

Pierre van Beek - waajbomehout - hout van zo'n 'waajbom; resp. hout van inferieure kwaliteit.

WBD III.4.3:98 waajbom - den; ook genoemd: dn, spar, dnnenbom, maast, mastenbom, grffe maast, hksemaast of maajbom

WBD waajbom - populier; ook genoemd: pppel of flierbom

WBD III.4.3:167 'waaiboom' = vlier

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WAAIBOOM - znw.m. Op de vraag 'wat hout is dat?' antwoordt men schertsend: waaiboomenhout.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WAAIBOOM znw.m. - fruitboom in vollen grond; fr. arbre de plein vent, in tegenst. tot 'Leiboom'; volgens Paqu geeft men dien naam aan den Ratelpopulier, Populus tremula L. en aan den Italiaanschen populier, P. pyramidalis Rozier. 

WNT WAAIBOOM 4) (Scherts, of pejor.) Boom dien men niet nader kan of wil bepalen, of boom van mindere qualiteit.

 

waajbomehout

zelfstandig naamwoord

hout van een 'waajboom', resp. van inferieure kwaliteit

Pierre van Beek - waajbomehout - hout van een waajbom.

Cees Robben Of ge naa begraove wordt in n kiest van waai-bme-hout of van ke.. dr onder gaode.. (19750704)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - waajbomehout in de haand hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) - kaartterm: slechte kaarten hebben (W = slecht hout, zoals dat v.d. vliegden of grove den, de Pinus Silvestris en de ratelpopulier, Populus Tremula)

Henk van Rijen - 'waajbomehaawt' - slecht timmerhout, van de grove den (Pinus Silvestris)

Frans Verbunt (1996) - 'ongepoelietoerd waajbomehout' - zeer slecht hout

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WAAIBOOMENHOUT znw.o. - denneboom die niet gezaaid of geplant is, maar opgeschoten uit het zand, dat door den wind weggevlogen is. Maste waaielingen.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - waajbmehout zn - slecht hout, bv. van populieren

WNT WAAIBOOMENHOUT (schertsend of pejoratief) - (timmer)hout van onbepaalde of mindere qualiteit

 

waaje

werkwoord, zwak

waaien; ook: weiden

R gez. Tis stil ast nie waait (= Er gaat een dominee voorbij.)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ksters koej maag pt krkhf waaje (heeft een streepje voor) (50)

B waaje waajde gewaajd

figuurlijk: ruzie maken
Cees Robben Asset thuis waait moete n deur dicht doen... aanders trekket... (19721117)
 

waajer

zelfstandig naamwoord

bovenlicht

WBD (III.2.1:67) waaier, ook boovenlicht

 

waajer, wjer

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - verder, wijder (waajer, wjer)

 

waajpaol, waajpltje

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) weidepaal

Figuurlijk: benen

Gracieuze schoene ha ze ok al gin aon, die zon trouwes nie gestaon hebben onder zon rchte waaipaolen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

waandelbier drinke

uitdrukking

Voor ontspanning gaan wandelen zonder een caf te bezoeken

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - waandelbier drinke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - er voor de ontspanning op uittrekken zonder onderweg iets te verteren

 

waandele

werkwoord, zwak

wandelen

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - Ze waandelden aal proatende tot oan de staad

WBD III.1.2:118 'wandelen = wandelen; ook: 'slenteren'

Dirk Boutkan (1996) - (blz.67) ik waandelden en sprong

waandele - waandelde - gewaandeld (geen vocaalkrimping)

 

waandelr

zelfstandig naamwoord

wandelaar

R.J. et park is vur de waandelrs

 

waar, was

verleden tijd van 'zn'

was

Cees Robben - Waarde gij verschrkke, Nl?

DANB der waare vf prze

Henk van Rijen - hij wies himmol nie waor ie waar

R.J. 'Ik waar 'ne wver' (blz. 211) 'Ik was vruuger 'ne wever' (blz. 205)

B ik waas, hij waas, gij waort

 

waas

zelfstandig naamwoord

- de was; zowel de was als die gedaan (gekookt) wordt, als de was zoals die te drogen hangt

Cees Robben Verder gaot ie [de wol] op dn taas/ om te drge.. en dan blke/ in de zon gelek de waas...... (19560630) [De gedroogde wol wordt in de zon gebleekt. Dit gebeurde vroeger ook met de witte was.]
Cees Robben Op de goot stao enkelt de waas te wosseme... (19791012)
Cees Robben ...vat die maand waas op (19640904)

Elie van Schilt -'s Zondagsaoves wier de waas gekkt op de kachel, hil ut his was dan deurtrokken van de zplucht en de waosum van de kokende waas. Die wasketel wier dan ingepakt in un stel ouwe dekens, dan kon de waas 's naachts 'trekken' en was smreges nog lekker wrem. En wij boven nog in ons bed roken 'Ut is vandaog wir wasdag'. (Uit: Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger; Cubra, ca. 2000)

Frans Verbunt (1996) - in de pispot gewaase en in de schorsten gedrgd (gezegd van niet al te witte was)

GD94 de waas hong ng bte

Wanneer ze de kolenvergassers [van de gasfabriek] opentrokken, moes de waas k nie bte hangen, die zaat dan binnen de kortste keren vol zwarte stippen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD (III.2.1) waas - wasgoed (ook de schone was)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WAS(CH) znw.m. en niet v.

 

waase

werkwoord, zwak

wassen

waase - waaste - gewaase (geen vocaalkrimping)

In de miste hshaawes wier smndags gewaase.

M Veul te waasse n wneg te vouwe.

De Wijs -- J, j, ik waas me twee keer per jaor , vuil of nie vuil (11-02-1965)

De Wijs -- witte dgge mee heet waoter beter witter kunt waasse (09-07-1967)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - Ze laote der ge waasse - ze laten zich wasschen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - we zulle d vreke wl waase, zi den boer n hij douwde den doomienee in de mistput (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - we zullen dat wel klaren

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - veul te waase n wneg te vouwen hbbe (Kn'50) - veel drukte maken en weinig nuttig werk verrichten; weinig bezitten

WBD (III.3.2:169) 'wassen' = kaarten schudden; ook 'schokken'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - waase (met rekking) blz. 106

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - wa.se(n), st.ww. (wies, ook waaste), tr. 'waassen' - wassen

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - waasse ww - wassen

groeien

Cees Robben - 't kaf waast meej'

WBD III.1.1:7 'wassen' = groeien

waase - waaste - gewaase

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
st. ww. (wies), intr. 'waassen' - wassen, groeien

 

waaser

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - (textiel) stukkenwasser, bediener wasmachine

 

waawelr
zelfstandig naamwoord
wauwelaar; uit wauwelen: kletsen, zwetsen, onzin uitkramen
Cees Robben Willem/ gewze wauwelr... (19660729)
 

walge

werkwoord, zwak

walgen

Henk van Rijen - 'wallege' - vervelend doen, treiteren

 

walkvat

zelfstandig naamwoord

walkvat

WBD walkvaate (mv); een om een horizontale as roterend gesloten vat, dat bij diverse bewerkingen in de leerlooierij kan worden gebruikt; (II 697)

WBD walkvaate (mv) - vat waarin wordt gelaafd. (II 623)

WBD walkvaate (mv) - looivat, vat gebruikt bij o.a. de snellooiing (II 636)

 

wammis

Zelfstandig naamwoord

Wambuis, kiel

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): En daor en up spinningen kan i zen wammis niet derven.

 

wankelbeureg

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.2:113 'wankelbarig wankelbeurig' = onvast ter been

 

wanneer

bijwoord

wanneer?

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - Waannir komd u bruur jaaw bezuuke?

 

wanneer d

voegwoord

als

Interview Hermans - 1978 - Wanneer d nu meej d mesjien gaare gemaakt wrt (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

waofelbinding

zelfstandig naamwoord

wafelbinding

WBD waofelbinding (II:1046) - wafelbinding: overeenkomend met wafels

 

waoge

werkwoord, zwak

wagen, durven

Pierre van Beek -- Wanneer iemand moeilijk een beslissing kan nemen in een bepaalde aangelegenheid omdat er risico aan verbonden is, zegt de oude Tilburger: "Kom, kom, Botermans waogde z'n dochter wel en d was zo'n kosteluk paand." De heer Botermans dreef destijds het best bekende hotel van Tilburg namelijk "De gouden Zwaan" op de Heuvel. Zijn dochter trouwde met een kellner uit de zaak, zekere P.F. Bergmans, een verbintenis, die de openbare mening nogal als 'n waagstuk beschouwde. De eervolle levensloop van wijlen de bekende wethouder P.F. Bergmans, naar wie thans in Tilburg zelfs een straat heet, heeft het bewijs geleverd hoe die volksopinie zich vergiste. (Tilburgse taalplastiek 4 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 25 februari 1950)

Frans Verbunt (1996) - die nie waogt die nie wint, die nie scht die nie stinkt

B waoge - waogde - gewaogd

geen vocaalkrimping

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ww. (met gemengde vervoeging: woeg, gewaogd) tr. - wagen

 

waoge, waogel, waogeltje

zelfstandig naamwoord

wagen, kar, auto

Het verkleinwoord is waogetje of waogeltje

blauwe waoge - ziekenauto voor psychiatrische inrichting

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - knderwaoge

Twee peerde veur nen waogel? (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Trouwsumke, 1941)

En 's Zaoterdags was er et waogeltje klaor, geverfd en gelakt: een gerijke! (Piet Heerkens; uit: Brabant, Den bok, 1941)

en laoide ze gaaw op z'n waogeltje...  (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De kerk verdouwd, 1944)

In d efkes dek aon d waogeltje stint waren er kender, die in ettelukke minute vur drie kwartjes nor binne spulden. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Cees Robben Ze hebben dr waogeltje daor laoten staon... (19600102)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej Dielemanse waogetje nrt paopekltje gaon ('72) - overleden zijn [Dielemans = begrafenisonderneming]

Henk van Rijen - hdde wir ne nuuwe waoge? et zit er ngal aon!

Henk van Rijen - 'waoge, waogel'

Cees Robben - 'die sprong d'n waogel in'

WBD III.3.1:390 'wagen' = voertuig, ook genoemd: 'stootkar of gerij; auto

Buuk waogeslouwe - evenement vr carnaval waarbij het Tilburgs publiek in aanbouw zijnde wagens in de bouwhal kan bewonderen.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WAGEL znw.m. - wagen, fr. chariot (ook in Limb. en Brab.)

WNT WAGEN (I), WAGEL

 

waoghaaw(st)er

zelfstandig naamwoord

waaghouder(ster)

Lodewijk van Dorrus Misters - Deze werd niet van gemeentewege benoemd, maar was pachter van de waag op de botermarkt. De laatste die dit baantje waarnam, was mej. Trees van Borne. De botermarkt werd eertijds gehouden op de verhoging voor het stadhuis, maar deze verhoging strekte zich uit zo ver als nu voor het stadhuis klinkerbestrating is gelegd. Op deze verheven vlakte waren Vrijdags de boeren en boerinnen uit Tilburg en omliggende dorpen met hun boter en eieren. Velen van hen hadden ook in de stad hun vaste klanten onder de winkeliers, zoals de firma Bronsgeest, Sjoo de Beer, Ferd. Wittens, in de onmiddellijke omgeving der markt. Vele huismoeders kochten echter op de markt, maar een hele "weg" boter was voor de meesten te veel. Als zij dan hun keuze gemaakt hadden, kochten zij met twee of gedrien zo'n "weg". Ze lieten die afwegen en verdelen aan de waag en ieder betaalde naar gelang het gewicht dat ieder had; voor het afwegen gold een tarief van 1 cent per pond. De boterwaag had haar vaste plaats voor de deur onder het bordes van het stadhuis. Behalve boter hadden de boerinnen en boeren ook eieren, maar deze werden zoals nog heden per stuk verkocht. Deze boter- en eiermarkt had een groot nadeel. De lui stonden in zomer en winter, in regen en sneeuw, steeds buiten. Om die reden werd dan ook de "boterhal" gebouwd. Hierin werden ook ondergebracht de vleesstalletjes, die door de slagers konden worden gehuurd, zodat ieder steeds een vaste plaats had. Voordien hadden zij hun kraampjes op de markt. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 5 Voorlezer en wijkmeesters; NTC 17-2-1951)

 

waogemaoker

zelfstandig naamwoord

wagenmaker, 'krsmid'

DANB Witte ginne waogemaoker?

WBD (II:2693) 'waogemaoker' - wagenmaker rojmaoker' - rademaker

 

waoke

werkwoord, zwak

waken

Cees Robben - wij hbbe vannaacht meej vf man gewkt;

Lodewijk van Dorrus Misters - Het was ook de gewoonte, dat bij grotere lijken 's nachts gewaakt werd. Dit was weer een burenplicht. Die wake werd gehouden door minstens twee personen. Om wakker te blijven gebruikten zij dan sterke, zwarte koffie. Dus zonder melk. Als men dit laatste eens vertelt in gezelschap van jongelui, wordt dit waken onzin genoemd. Zij zeggen: dood is toch dood! Inderdaad, dat zal niemand ontkennen. Maar er is verschil tussen dood en schijndood. Bij het beoordelen van vroegere gewoonten en gebruiken moet men niet afgaan op de tegenwoordige maar vroegere tijden. Het is nog niet zo heel lang geleden, dat er dikwijls epidemisch besmettelijke ziekten uitbraken zoals typhus, cholera, pokziekte enz. en dan was het in 't geheel geen zeldzaamheid, dat lijders aan een dier ziekten dood gewaand en ook als zodanig behandeld werden. Juist daarom was en is er nog wettelijk een tijd bepaald, waarin het lijk niet begraven mag worden. In die tijd is waarschijnlijk ook de verplichte koepokinenting tot stand gekomen. Dat het waken in die omstandigheden niet zinneloos maar noodzaak was, begrijpt nu iedereen wel en het gebeurde ook vaak, dat het niet vruchteloos was. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 Doden-cultus van eertijds; NTC 16-11-1950)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - sloapen en woake

B waoke - wkte - gewkt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij wkt

 

waol
zelfstandig naamwoord; ook waolvink; de naam is waarschijnlijk door Vlaamse vogelaars gemunt: een vink uit Walloni; namelijk een vink die niet mooi zingt.
vink (Fringilla coelebs)
Cees Robben Ik heurde van dn tuureluut/ van takkeling en waol (19600708)
 

Fringilla coelebs

 

waolvink

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - vink (Fringilla coelebs)

 

waone

werkwoord, zwak

wanen

- waon - waont - waont / wnde - wnde - wnde - gewnd

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 38) in verl. tijd vocaalkrimping: wnde; - waone - wnde - gewnd

 

waope

wapen

zelfstandig naamwoord

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'waopen', 'waopens'

gez.Pierre van Beek - Ze heeget hoog in der waopes - is nogal hoogmoedig (Tilburgse Taalplastiek 174)

 

waor, wr

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

waar

M woar

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -- Ast nie waor is, geef ik men gat vur en kummeke soep.

De Wijs -- (interessante cafpraat: ) ge mt toegeve as t waor is en t is waor, d'es klaor! (09-04-1973)

Cees Robben t Was waor... (19550402)DANB ik weet nie waor ik em zuuke moet

Cees Robben waor d ge kekt... (19540724)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as et waor is, zgge ze in de joodekrk (AM'84) - hiermee wordt twijfel uitgedrukt aan de waarheid van een bewering.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ast nie waor is, steele de dieve me (D'l6) - bezweringsformule

Henk van Rijen - ds zo waor as de Lonse tram tuut - dat is beslist waar

 

waoraon en waoraaf

bijwoordelijke uitdrukking

alle details van een situatie of kwestie

't Menneke moet precies weten waoraon-en-waoraaf. Weten w-t-ie maag en nie maag, w-t-ie mot en nie mot doen of laote. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
...en toen kos ie ons vertelle, waoraon en waoraaf... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
Cees Robben Zeg mar gerust waoraon of waoraaf meneer dokter... (19650521)
Cees Robben Dan weten ze tenminste waoraon... en waoraaaf... (19720408)
 

waore, waort

werkwoord, persoonsvorm

waren, waart

B verleden tijd van zn: wij waore, gij waort, zij waore

 

waorend

zelfstandig naamwoord

waarheid

Cees Robben De waorend mot gezeej...  (19611020)

 

waos

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:58 waas' = mist; ook: 'wasem', 'mot, of 'smook

WBD III.4.4:212 'waas' = damp, stoom, ook 'blaak', 'rook', stoom

 

waot

zelfstandig naamwoord

scherpe kant, snede van een wapen

WBD (II:2708) 'Waot' - waat, vouw, snede van een beitel

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

waoter

zelfstandig naamwoord

water

Van Delft - Bij noodzaak moet men z'n buren een dienst bewijzen, en dit drukt men volgenderwijs uit: "Waoter en vuur en weigert men ginnen gebuur." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Van Beek - Water kan geen bloed worden. - Een stiefkind kan men niet als een eigen kind beminnen. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

Cees Robben   We hebben n haoven mee waoter dr in... (19540515)Henk van Rijen - Kaaw p zen waoter hbbe - aan een blaasaandoening lijden.

R Waoter, d dugt ng nie in oew schoene! (dus niet drinken)

WBD waoterput - waterput (op het boerenerf), ook 'put' genoemd

WBD III.1.1. lemma urine verspreid in Tilburg

WBD III.1.1. lemma urineren  - Tilburg Het is hoog water. [Hoge nood hebben]

WBD III.4.4:21 'waterlucht' = regenvoorspellend wolkje

WBD III.4.4:189 'getwater', 'mooswater' = vuil water

DANB ik hb et em afgeraoje m zoo laot langs et waoter te gaon

DANB twaoter zal gaa kooke - het water zal dadelijk koken

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hil w waoter vl gemkt hbbe (Pierre van Beek - TT '72) - na veel moeite de zaak toch geklaard hebben.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej waoter valt niks goed te maoken n meej sker kunde niks bederve (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - om iets te verbeteren dient men de juiste middelen te gebruiken. (ook Stadsnieuws -  040508)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt. 6l valt T nog net binnen het gebied waar de vocaal lang is

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - waoter zn - water

Haor WATTER - water

 

waoterachtig

bijwoord

waterachtig; slechts eenmaal aangetroffen; waarschijnlijk is er een verband met 'watertanden', 'het water loopt in de mond':

Daornao gekookte ham, gin gewone zooas ge in de winkels koopt, n ham die bij den bakker 'n wijltje in den oven gesmoord h, half en half gebraojen zood 't er 'nen geur afsloeg om waoterachtig van te worren. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

 

waoterbisje

zelfstandig naamwoord, verkleinvorm

waterbeestje

WBD III 4.2:179 lemma Schrijvertje - Het schrijvertje of de draaikever (Gyrinus natator) meet 5-7 mm. Vroeger kwam het door Gezelle beroemd geworden zeer kleine schijverke nog algemeen voor, maar het heeft zeer onder de watervervuiling geleden. Het is een klein glanzend zwart roofkevertje dat kringen op het wateroppervlak maakt en bliksemsnel onderduikt bij gevaar.
schrijverke frequent in Tilburg
watertor Tilburg
WBD noemt hier voor Tilburg niet schaatsenrijder (wel in Oud Gastel); waterbeestje Tilburg

 

waotere

werkwoord, zwak

wateren, urineren

WBD III.1.1. lemma urineren  - ook in Tilburg

 

Gallinula chloropus - bron: Wikipedia

waoterhn

zelfstandig naamwoord

waterhoen (Gallinula chloropus)

Ik z ok in Orscht vur moete koome! Vur waoterhnnekes vange! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

waoterhoen

zelfstandig naamwoord

waterhoen (Gallinula chloropus)

We waare nt waoterhoenekes vange n toen kwaame de majesjesees! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

waoterkiepke

Henk van Rijen - waterhoen (Gallinula chloropus)

WBD III.4.1:233 'waterkipke' - waterhoen (Gallinula chloropus), ook: 'schieteendje', 'witgatje', 'witkontje' of 'markoot' genoemd

 

waoterscht, -scheut

zelfstandig naamwoord

tak die ontstaat op de stam

 

waotertoore

zelfstandig naamwoord

watertoren

Ok de koeltorens [ van de gasfabriek], deur onze onwetendheid waotertorens genoemd, waren geen sieraad vur de buurt. Zij lieten bij enne verkeerde wend, un sort motregen vallen. Hil vremd waar d, et gebeurde ok as de zon scheen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

waotertr

zelfstandig naamwoord

watertor

WBD III 4,2:178 lemma Watertor - Watertor is de algemene naam voor kevers die onder de waterspiegel leven. De bekendste soort is de spinnende watertor of waterkever (Hydrous piceus, 35-45 mm; zie afb.), een grote, pikzwarte en bolvormige tor, vroeger zeer algemeen in stilstaand water en sloten, die zich met waterplanten (en soms met viskuit) voedt. Ze ademen lucht in door hun sprieten. (...) Een andere bekende soort is de geelgerande watertor (Dytiscus marginalis,
35 mm), een glanzend groene roofkever die zich met zwakke en zieke (kleine) vissen voedt.
watertor zeldzaam in Tilburg

Hydrous piceus

Dysticus marginalis
WBD III 4,2:179 lemma Schrijvertje - Het schrijvertje of de draaikever (Gyrinus natator) meet 5-7 mm. Vroeger kwam het door Gezelle beroemd geworden zeer kleine schijverke nog algemeen voor, maar het heeft zeer onder de watervervuiling geleden. Het is een klein glanzend zwart roofkevertje dat kringen op het wateroppervlak maakt en bliksemsnel onderduikt bij gevaar.
schrijverke frequent in Tilburg
watertor Tilburg
- Sjef Paijmans - In de sloten en grachten gingen we:"Ruigt" draaien. Deze sloten en grachten waren onder water bijna dicht gegroeid met allerlei waterplanten. Vooral met waterpest. Met een schepnetje had men weinig succes. Daarom werd er in die sloten alleen maar:"Ruigt
gedraaid". Hiervoor werd een dikke tak gezocht, liefst met nog wat uitsteeksels van oude takjes er aan. Die tak werd dan in die dichte begroeing van waterplanten gestoken en paar maal rond gedraaid en dan uit het water getrokken. Op de slootkant werd dan goed nagekeken wat er allemaal tussen die waterplanten mee omhoog gekomen was. Vooral naar salamanders zochten we, want die hadden onze speciale belangstelling en werden thuis in het aquarium gezet. De viskesfreters en torren werden in een glazen pot mee naar school genomen voor de frater, die ons tijdens de natuurkundeles vertelde hoe deze waterdiertjes allemaal heetten en hoe nuttig ze waren. Viskesfreters werden later Libellen. We leerden wat de Geel Gerande Watertor was, de Waterschorpioen en de Zwarte Watertor. Maar wij hadden voor die torren en torretjes onze eigen namen. Een
schrijvertje was voor ons een schotelwaserke; en de verschillende larven bleven voor ons viskesfreters. (uit: 'Herinneringen', CuBra, ca. 2001)

 

waozeg, wsseg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - wazig, mistig

 

war (warre)

tussenwerpsel; vragend; waarschijnlijk een verkorting van ware het niet?, ofwel is het niet?, ofwel nietwaar?
Cees Robben Wen weer wir war... war Willeke...! (19560218)
Cees Robben En tijd die slet war... (19560929)
Cees Robben ...d witte war.... (19540417)
Cees Robben 'k Was benuut... d snapte warre (19560714)

DANB die krs gift en goej licht war - die kaars geeft 'n helder licht he?

Henk van Rijen - d wodde wl, war - dat zou je wel willen, nietwaar

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 97) die krs gift en schon licht, nie/ niewaor/ war?

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - war + wr (krt. 105)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - war tsw - nietwaar?

Str. war (1:42)

Bosch war - nietwaar

 

wasdag, waasdag

zelfstandig naamwoord

wasdag

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - mndag ist wasdag

samengesteld uit 'waas' + 'dag'

 

washs

zelfstandig naamwoord

WBD bijkeuken (op de boerderij), ook 'moos', 'goot' of 'aachterhus' genoemd

Henk van Rijen - 'waashs'

Frans Verbunt (1996) - 'waashus' huis waarvoor een vrouw de was doet; deel van een huis waarin de was gedaan wordt

 

wasmesjien

zelfstandig naamwoord

wasmachine

Henk van Rijen - 'waasmesjien'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WAS(CH)MACHIEN znw.o. (niet v.) - waschmachine

 

Gravure van onbekende kunstenaar - De wasknijpersnijder

waspinneke

zelfstandig naamwoord

wasknijper

Henk van Rijen - 'waaspinneke'

WBD ( III.2.1:341) waspin, wasknijper

 

watjekou

zelfstandig naamwoord

oplawaai

Van Beek - "Iemand een watjekou geven" betekent een opstopper verkopen. - "What you call". (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Ewoud Sanders - Waar komt het vandaan? De vroegste verklaring vinden we in 1885 in een bundeling van journalistieke stukken van J. van Rennes, getiteld Vonken en Vlammen. Nieuwe schetsen van een Dagbladcorrespondent. Hierin lezen we: ,,Moet er eerst eens een raadslid een ferme what-you-call - of, zooals wij dat vertalen, watjekou krijgen? t Zou jammer zijn van de lui die vr den tijd nog dood geslagen worden, als men daarop wacht. (Blog Woordhoek, NRC.nl; 2009)

 

wats

oorveeg

N. Daamen, Handschrift 1916 - "ik gaaf 'm 'n wats om z'n ooren (een klap)"

WNT WATS (I) - l) slag, bepaaldelijk met de vlakke hand tegen iemands gezicht, wangen e.d., draai om de ooren, oorvijg

 

w, wt

voornaamwoord

wat

Cees Robben w wilde meer..! (19540213)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - W doetie daor?

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - Ze nemen aalles wetter te krgen is; w vur 'n kld?

DANB ik hb w krs

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - gij k w? want gij zt er k ginne van Zibrgs (Kn'50) - jij mag meedelen (gezegd als er uitgedeeld wordt: die van Zeebregts hadden bij een erfenis niets gekregen)

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 20) w

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - w vn - wat

GD05 - d waar wd aanders

 

wblief

tussenwerpsel

wat b(e)lieft u?

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - wblief

 

wchche

samentrekking

wat je --> w ge

Ik zeg: witte wechche dan doet (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

 

wddeschap, wddingschap

zelfstandig naamwoord.

weddenschap

DANB ze springe wiet vrste kan vur e wddeschap

...naor aonleiding van 'n weddingschap. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

WBD (III.3.2:190) weddingschap = weddenschap

 

wdst

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, superlatief van 'wd'

verst

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - die et wdst van hs zit, mkt et et bist ('70)

 

wdte

zelfstandig naamwoord

wijdte

WBD III.4.4:196 'wijdte' - uitgestrektheid

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJDDE (uitspr. wedde) - wijdte. Van hier naar Amsterdam is 'en heel' wijdde.

 

wd

bijvoeglijk naamwoord

wijds

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 47) et laand is wd - et wje laand (wj laand) wt laand

 

wd, wjer, wdst

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

wijd, ver, wijds

enen blscheut/kaajscheut wd

WBD (Hasselt) 'wd staon' (van een paard) - met de benen te ver uit elkaar staan, ook genoemd 'bred' resp. 'rm , (Hasselt) 'rm staon

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Sint Job d was Berkel-Enschot, d was himmel nie zo wd h, hier bi,  zo w bi, binnendeur dan waar, dan zder zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

Die voogels vliegen alle jaoren/ aaltij op dezlfde td/ meej ammolle nr et Zuije/ want om te lope is te wd." (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wrom doen ze d)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - k meej klmpen aon kunde wd koome, mar dan meuder nie meej klossenbakke (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - te wd, Bt, twee keer van doen ('7l) - aansporing tot zuinigheid

WBD wd (II:1245) - wijd

Henk van Rijen - wont ie wd? - woont hij ver weg?

Henk van Rijen - 'wt-eweg' - ver weg

Dirk Boutkan (1996) - et laand is wd - het land is wijds Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJD, wedder, of: wijer

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wd bw - wijd, ver, erg

Bosch wijer - compar. van wijd

Haor wt - ver

WBD III.1.2:151 'wijd stappen = met grote stappen lopen

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 50; wd - wjer - wdst

 

weedeman, weeduuwman

zelfstandig naamwoord
weduwnaar

Interview met de heer De Kok (1978)  In mn jeugd? J, veul gezoope! Ik z drie keer weeduuwman gewist, dan kundet wl begrpen, h!? KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

WBD III.2.2:55 'weduwman' = weduwnaar; ook 'weeuwenaar'

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEDUWMAN, voor weduwenaar; het is elders minder gemeen dan weduwvrouw. Men vindt bij de ouden ook 'wifman', wijfman.

WNT WEDUWMAN, weduweman, wedeman, weedman, enz.

 

wdt

bijwoord

Frans Verbunt (1996) - verreweg

 

weedevrouw

zelfstandig naamwoord

weduwe

En weedevrouw die aachter bleef/ meej zeuve klne kiendjes (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dnkt es deur...)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in wrsten n weedevrouwe witte nie wsse indouwe (Kn'50) - pas op voor een huwelijk met een weduwe

Henk van Rijen - 'weedevraaw'

Frans Verbunt (1996) - 'weedevraaw'

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEDUWVROUW. Men hoort hier onder de mindere klasse meer 'de weduwvrouw N.N.' dan 'de weduwe N.N.

 

weeduuwman

zelfstandig naamwoord

weduwnaar

Interview met de heer De Kok (1978)  In mn jeugd? J, veul gezoope! Ik z drie keer weeduuwman gewist, dan kundet wl begrpen, h!? KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

wef

weefde

1e en 3e pers.enk. verl. tijd van 'wve', volgens kl. I

Hiernaast komt ook 'wfde' voor, de zwakke vorm

 

wf, wfke, wve

zelfstandig naamwoord

vrouw, wijf

Hoe komt zunne sinjeur naa nog aon 'n wefke? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Pierre van Beek Met het rijmpje "Beter de broek aan een wieg gescheurd dan een aauw (oud) wijf op bed gebeurd" geeft ons volk uiting aan zijn mening over een huwelijk van een bejaarde man met een nog jonge vrouw. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

MP gez. Ik was liever zene rozekraans as zen wf

R.J. ik zeej teegen et wf - ik zei tegen mijn vrouw

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij is ermee gestld as ene wver meej en lui wf (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1966)-hij kan met zo iemand niet werken; die is hem meer tot last dan tot hulp

WBD 'wt wf' (II:1051) - oud wijf, benaming van een verkeerde knoop (zie: aawwveknup)

Frans Verbunt (1996) - ge kunt nie alles hbbe: goej booter n en vt wf

Piet van Beers Van tn veraandere is ok nie alles: Tienus Mone ha 'n wfke,/ zg mar gerust, en lillek wf. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

WBD III.3.1:23 'wijf', vrouw - vrouw

WBD III.3.1:194: 'wijf', 'schooierswijf, schooister, schooierin, schooier, trut, sloerie' = schooiersvrouw

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJF znw.o. - De buitenlieden gebruiken nog immer 'wijf' om hun echtgenoote aan te duiden en vinden daar niets onbeleefds of minachtends in.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WIJF. De bouwlieden der Baronie van Breda, aan den kant der Langestraat wonende, noemen, van hunne eigene vrouwen sprekende, dezelve standvastig 'mijn wijf'. Z.a.

WBD (III.3.2:178) wf = vrouw in het kaartspel

WBD (III.1.1:5) 'wijf = vrouw

WBD (III. 1.4:35) 'stom wijf' = domme vrouw

 

wfketaaw

zelfstandig naamwoord

weefgetouw

- Ze werkten mee hil wnig schoft/ Durlopend op dur wfketaaw Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

- Ge hurt de fluit van ut febriek al/ Ent wfketaaw d wocht Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005

WBD ketaaw (II:944) getouw; handketaaw, haandgetaaw (II:944)

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.o. 'weefketaauw' weefgetouw

 

wfkam

zelfstandig naamwoord

wfkam, weefraam

WBD wfkam, kam (II:966) - weefkam

 

weeg

zelfstandig naamwoord

weg

'in de weeg' - in de weg

't de weeg' - uit de weg

Dirk Boutkan (1996) - in de weeg - in de weg (De rekkingsvocaal duidt op een oorspr. open lettergreep "wege" in de datief enkelvoud.)

Ziede nie dgge in de weeg staot?

Ik gao gin man t de weeg - Ik ga voor niemand opzij.

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - t de weeg kunnen - zich kunnen verplaatsen; kunnen rondkomen

De Wijs -- (Horen zeggen tegen iemand die zwaar in verband zat) -- Gij het zeker erges in de weeg gestaon (04-07-1969)

In die straot voetballen ging nie, de stoep waar te smal en op die kaaien koste alln oewe nek breken, as ge nie tkkt en die kaaibaande zaten ok verekkes in de weeg. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - weeg zn - weg 'in de weeg'; tteweejg' - uit de weg

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WEG 3) in de uitdr. 'uit de weg' uitgesproken als 'weeg'.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw.verb. 'uitteweeg' (d.i. uit de weg)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEG - te weeg - op het punt: Ik was zjust te weeg om te vertrekken.

WNT WEG, weeg, wegt, weug

 

weege

werkwoord, sterk

wegen

B weege - wog - gewooge

- geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd

Henk van Rijen - 'wge'

WBD weegschaol - weegschaal

Cees Robben - kwk wies wk woog

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww. (woeg: vgl.Franck e.a.) tr.+ intr. wegen

 

wgere

werkwoord, zwak

weigeren

B wgere - wgerde - gewgerd

- geen vocaalkrimping

WBD III.1.4:51 'weigeren' = iemand weerstaan WBD III.1.4:333 'weigeren' = idem

 

weeges

voorzetsel

wegens

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WEGENS - w:ges

 

weegescheet

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:336 'wegenschaat = strontje

 

weegetaks

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - wegenbelasting

 

weejband

zelfstandig naamwoord

WBD 'weejbant' (II:1391) - w-band (bep. versiering van een pet)

 

weejseej

zelfstandig naamwoord

wc, water closet

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En die weejseejs, die waaren er toen ng gin. En dan wieren er en paor van die paolen in de grond gezt n daor laag zonnen ballek laag ooverheene n as gij behoefte moest doen dan koste gij meej oew blote reet op zonnen ballek gn zitte, dan viel d aachter oewe rug, viel d in zonne grit neer! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

week

zelfstandig naamwoord

week

- in de week = doordeweeks, op weekdagen: ...in de week iederen mrgen om kwart veur aachte op de zwartgelakte klumpkes nor de kerk klefferen... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

WBD ng en week aaf, ng en week n de reekening - de koe moet over een week kalven

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - we.k, znw.vr. - week

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEK (met zachtl. e) znw.v.: de Witte week - Goede week; gebroken week

 

wek

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - het weken, het weekprooes

Frans Verbunt (1996) - iets in de wek ztte

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - week zn - iets in de week ztte

bijvoeglijk naamwoord

zacht

WBD wek (gezegd van een paard) - week in de bek

WBD III.1.4:68 'week' = zachtzinnig

WBD III.4.4:211 'week' - klam, ook 'taai', 'klammig', 'klef'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEK, WEEKELIJK - zwak van gezondheid

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - we.k, bijvoeglijk naamwoord  - week

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEK (met scherpl. e) bvw.: week hout - dat gemakkelijk bewerkt wordt

 

wk

zelfstandig naamwoord

wijk; ook: het weken (zacht maken)

Henk van Rijen - wijk

 

weke

werkwoord, zwak

weken, zacht maken

B weke - wikte - gewkt

in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij wikt; part. gewikt!

 

wke

werkwoord, sterk

wijken

WBD III.1.2:159 'wijken' = achteruitgaan

B wke - wek - geweeke

- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij wkt

 

wkmister

zelfstandig naamwoord

wijkmeester

Lodewijk van Dorrus Misters - De Wijkmeesters of Burgerkapiteinen vertonen in hun functin overeenkomst met de honderdmannen uit de Frankische tijd. In de Middeleeuwen stond aan het hoofd van elk tiental huisgezinnen (tiendemanschap of gebuurte) een deken of tiendeman. Aan het hoofd van tien tiendemannen stond een honderdman of wijkmeester. Elke wijk of herdgang had er n. Vr 1810 werden zij aangesteld door de Heer, doch ook wel door de schout (later drost) en schepenen. De wijkmeesters waren de hoofden en rustbewaarders der wijken terwijl zij ook als brandmeesters optraden. Tevens verrichtten zij met (door hen opgeroepen) manschappen politie- of schuttersfuncties, bijv. bij het jacht maken op bedelaars en landlopers, of bij het afzetten van het terrein bij executies.

In een oude verordening op de brandweer in de gemeente Tilburg (van 18 Aug. 1856) lezen we als volgt:

Art. 9. De wijkmeesteren der onderscheidene wijken zullen ten allen tijde zes personen, die niet tot de brandspuit behoren, bij voorraad commanderen, welke bij het ontstaan van brand zich met schoppen of platte rieken bij den brand zullen moeten doen vinden ten einde des noodig het brandende puin met aarde te overschieten.

Art. 10. Voor de in art. 9 bedoelde gecommandeerde personen zullen de wijkmeesters lijst houden en zal niemand hunner zich daaraan mogen onttrekken.

Wie de wijkmeesters in de 19de eeuw aanstelde wordt niet vermeld. Instructies of benoemingen waren tot dusverre niet te vinden. Ze zijn misschien als semi-officieel te beschouwen. In een register van de plaatselijke bedieningen (1852) worden zij wel genoemd, maar over de aanstelling wordt niet gerept. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 5 Voorlezer en wijkmeesters; NTC 17-2-1951)

 

weeks

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.3:3 'weekse kleren', ''s weekse kleren' = doordeweekse kleren

 

wl, wltje

zelfstandig naamwoord

poos, tijd

Et zal ng wl en wltje duure vurdt zoomer is.

WBD III.4.4:131 'wijl' = poosje, ook 'hortje, 'wijltje

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - we.l, znw.vr. - wijl, wijle, tijd

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wl zn - tijd, poos

WNT WIJL (I) - begrensde tijd van zekeren duur

 

calandra granaria - Wikipedia

weemel

zelfstandig naamwoord

graanklander - cakandra granaria

WBD III 4,2:158 lemma Kevers - De kalander (Calandra  granaria, een snuitkever die in meel of graan leeft) heet in het Kempenlands Wb. 1 en het Noordmeierijs Wb. wemel.

WBD III 4,2:235 lemma Mijt - De mijten (Acari) vormen een zeer uitgebreide familie van kleine spinachtige diertjes, die veelal schadelijk zijn. Sommige leven parasitair op andere organismes en voeden zich aan hun gastheer, anderen leven van producten van de mens, zoals meel en kaas.
mijt Tilburg
wemel zeldzaam in Noorden van Tilburg
kalander, klander Tilburg
WBD III 4,2:238 lemma Meelmijt - De meelmijt (Tyroglyphus farinae) is een zeer kleine mijtsoort die in vochtig meel leeft. Enkele woordtypen berusten waarschijnlijk op verwarring met andere diertjes die in het meel kunnen leven, zoals de kakkerlak (...) en de kalander (...) Sommigen [van de respondenten] noemen alles wat het meel doet bewegen foutief 'klander'.
wemel zeldzaam in Tilburg
 

 

Wijnflessen, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

 

wn

zn

1. wijn

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - bier en wn (: vgl. gte - geiten)

DANB de pestoor heej goeje wn

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Latn drinkt wn (Kn 34) - mensen met gymn. opleiding drinken wijn

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - km drinke we wn, bier n spons; pt gld stao te leeze 'God zij mt ns (D'l6) - aansporing om het glas te heffen

...strak zdet ammol meej mn ens/ d wn verrkkes fn is. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ws wn tch fn)

Frans Verbunt (1996) - as den boer wn drinkt n de pestoor mlk, dan zn der twee ziek

Dettie waoter veraanderde in wn. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Stadsnieuws -  As den boer wn drinkt n de pestoor mlk, dan zn der twee ziek (13040?)

2. dommekracht

N. Daamen - handschrift 1916 - "wain - een dommekracht"

 

wnaos, wnaos

zelfstandig naamwoord

windas

N. Daamen - handschrift 1916 - "wainoas - windas"

Henk van Rijen - 'wnaas'

WBD I.1.169 wend(as) K 183; wainoas hs Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 -

 

wne

werkwoord, sterk

winden; wenden; woelen

Cees Robben s naachts doek niks as ruure en wne... (19780407)
Cees Robben Ik kan nie slaope en lig hil de naacht al te ruure en te wne... (19851206)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - n veul wnen n draaje wast gevnde (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969)- na veel wenden en keren; na een langdurig proces was de oplossing gevonden.

Piet van Beers De IFF: Ak saoves (laoter dan normaol)/ nog flink getffeld hb/ n ik hb w strke draanke ingenoome/ dan lig ik irst nog uurelang/ te wne in m n bd/ vur d teliste toch de slaop gao koome. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers Hoest: k Laag te draaie n te wne. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

B wne - wn - gewnde

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - WIJNEN - winden. Kiliaen -  heeft 'wijnden'. Z.a.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. 'waennen' (d.i. weinnen), weinden, wenden, omkeren

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEWONNEN: 3e hoofdvorm van 'wijnen' (winden) WIJNEN - winden; wenden, omkeeren

 

wneg

telwoord, bijvoeglijk naamwoord

weinig

n diejen boom zitte mar wneg pren aon.

Cees Robben - die zn er vrt z wneg; tis sund dk z wneg verstaand hb;

Cees Robben - ds te wneg;

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - gllie kree wnig - gijlieden kreegt weinig

Cees Robben - ''tis sunt dek zoo wnig verstaand heb want prakkezeere ak toch dikkels doe'

WBD III.4.4:257 'weinig' = gering aantal

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijvoeglijk naamwoord  l) weinig, niet veel; 2) klein: Hij is wnig va perseun - klein van gestalte.

 

wntapper

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - tapuit (Oenanthe oenanthe), ook 'stenbikker'

WBD III.4.1:92 'wijntapper', 'holkruiper' of 'steenbikker' voor de tapuit

WNT WIJNTAPPER 3) benaming voor verschillende vogelst a) mees, b) roodstaartje, c) de gewone tapuit (Saxicola oenanthe)

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

weer

zelfstandig naamwoord

kwast in het hout; weersgesteldheid

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et weer is goed, zi den boer, as et trktemnt k mar goed was (Si '67)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tis goej weer vur de kel (Bi'40) - het is zonneschijn na regen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - gin weeren in de haande krge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972)- 'n hekel hebben aan werk

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej rauw weer gevange zn (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - er slordig en ongekapt uitzien

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - weer van de Nobis Jacobis krge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - heel slecht weer krijgen (Nobis - plaats des duivels, hel, heeft altijd ongunstige betekenis) Frans Verbunt (1996) - et schonste weer van de wreld - heel mooi weer

WBD III.1.2:350 'weer' = eelt

WBD III.4.4:25 'schoon weer' = mooi weer; ook 'goed weer', 'fijn weer', 'droog weer', 'open weer' A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - weer, wier, wier - eelt, knoest, kwast

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WEER v-l) weder; 2) verweer: z'n weer hebben - niet om een weerwoord verlegen zitten; in zijn knollentuin zijn (of; het weer mee hebben); 3) m - kwast in het hout.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEER (scherpe e) znw.m. en niet o. - eelt, hardigheid in de huid; knoop, knoest, kwast in het hout.

WBD III.4.3:68 'weer' = knoest in het hout

WBD III.4.4:26 'vast weer' - bestendig weer, ook 'staand weer', hangend weer', 'goed weer'

WBD III.4.4:25/57 talloze kwalificaties van 'weer' WBD III 4.4:82 'zwaar weer' = onweer

 

wr

zelfstandig naamwoord

war

in de wr - in de war

Wie doeget t de wr? - Wie ontwart het?

dur de wr - in de war (contaminatie van 'in de wr' en 'dur mekaare'

Cees Robben t Zit nog gelk in de wr... (19690502)

Henk van Rijen - et weer is wir in de wr, war - het weer is weer van streek, nietwaar

Steeds in de wr om noote te verzaomele... (Henritte Vunderink, Vlmse gaaj, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

CiT (118) ''t Weer is wir in de wr, war?'

WBD (III.4.4:311 'in de war', 'door de war' = in de war

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WR znw.v. - in de wr zijn - druk bezig zijn

 

wrde

zelfstandig naamwoord

waarde

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - waerde

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge leert de wrde van ene ffteger pas knne, as ge der ene moet gn lene (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970)

 

weerdeg

bijvoeglijk naamwoord

waardig

 

wrdeghei

zelfstandig naamwoord

waardigheid

 

wrdelos

bijvoeglijk naamwoord

waardeloos

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'wairdeloos'

WBD III.4.4:282 'waardeloos' - onbelangrijk

 

weere

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen - groeven, kloven in de handen

 

wre

in de war raken

Henk van Rijen - de draoj zn dur bekaar gewrd - de draden zijn in de war geraakt

 

wreke

werkwoord, zwak

werken

B wrke - wrkte - gewrkt

- wreke - wrekte - gewrkt

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 22) 'wreke'

MP Gij zult vant wreke ginne krommen rug krge. (= Je werkt niet hard)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - haard wrreke is z'n zoak nie - hard werken is zijn zaak niet

DANB hij kan nie gaon wreke

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van et wreke ginne kromme rug krge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 197l)-niet hard werken

Frans Verbunt (1996) - as wrken in en fles zaat, kreder et stpke nie aaf

WBD de koej werkt - maakt uitdrijvende bewegingen bij het kalven; ook genoemd: de koej 'arbjt', arbt', perst'

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WERKEN - w:reke wkw (rg.)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wreke ww - werken

Pierre van Beek - Gij zult van et wreke ginne kromme rug krge (gez. TT120)

 

wreld

zelfstandig naamwoord

wereld

R Aachter men gat vergao de wreld (opmerking van onverschilligheid)

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -- Beeter in de wije wreld as in nen ngen bk.

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - waereld, waireld, wereld

De Wijs -- Hij kan noot zn haande tus kaauwe, ik geleuf dettie erg van de wreld is (17-10-1966)

Cees Robben Hij is echt vur de wreld..! (19661111)

Cees Robben Detter vuls te veul vrouwen op de wreld zen... (19720818)

Cees Robben De wreld is nie dur unne haos gedekt... (19780217) [haastige spoed is zelden goed]

Pierre van Beek - van de wreld zn - niet weglopen voor de erotiek

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - wreld ( = fr. mme)

DANB die mkte hil de wreld nt vchte

Cees Robben - 'hij kekt onws de waereld rond'

WBD III.2.2:8 'op de/ ter wereld komen' = geboren worden

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wreld zn - wereld

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WERELD znw. v + m, fr. monde

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'werreld' - wereld, grond

Verh. WERELD (wrelt) v - dikwijls gebruikt in de zin vans wereldse gezindheid, zin in erotiek en huwelijk: 'r zit gin wrelt in - hij/zij zal wel een ongehuwd leven leiden.

Haor WERRELD - wereld

 

wreme

werkwoord, zwak

warmen

Stadsnieuws -  Die et krtst bij et vuur zit, wremt zengen et bist (060108)

 

wrepe

werkwoord, sterk

werpen

-- wrepe - wierp/wierepe - gewrrepe

 

wergaoj

zelfstandig naamwoord

van: weergave, zijns gelijke

► wirgaoj

"D daankt me de weergaoi, kster, 't is oorlog!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)
...om den weergaoi nie! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; NTC 18-11-1939)
"Loop naor den weergaoi", riep den kapelaon... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 10; NTC 3-12-1938)
Cees Robben W trekt ie [het kind] toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi... (19840217)
- in uitroepen met as de: in zeer hoge mate, verschrikkelijk [WNT lemma Weerga 5.f.a]
Cees Robben Dooien doeget as de weergaoi.. (19580315)
 

weerik

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3 weerik - grote wederik (Lysimachia vulgaris)

 

wrk, wrek, wrik

zelfstandig naamwoord

werk

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - gin wrek

De Wijs -- en kussen as ze kan. ze maokt 'r echt wrk van (23-10-1963)

Cees Robben Bende klaor meej oe wrik Merie? (19650917)
Cees Robben t is wir mieke-muik-wrik, Wimke... Ge hetter wir meej oew pet naor gegooid... (19770909)
Cees Robben Want ge wit toch d goei wrik heel veul td en geld maag koste... (19780210)

Schon wrk waar, programmabuukskes vur concerten van et toonkunstkoor o.l.v. Louis Toebosch. Buukskes vur concerten van de Nieuwe Koninklijke Harmonie, ondertrouwkaorte, bidprentjes, geboortekaortjes en visitekaortjes (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - wrrek ( = scherplang)

DANB zwaor wrek;

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z te wrk gaon (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) zo te keer gaan, misbaar maken

WBD III.1.4:305 'werk' = handeling

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WERK - w:rek znw.o. Fr. travail

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. - werk, arbeid

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.o. - 'werk' - afvaldraden van vlas of hennep

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - -WERK, in samenstellingen (wrek) behalve 'werk van', bv. Kinderwerk: l) achter onbep.wijs, met verbindings-s: aanleiding tot, reden voor, meestal met ontkenning: 't is gin lagerwrek - er is geen reden om te lachen) 2) achter een stam, zonder verbindings-s: spullen, het geheel waarmee iets gedaan kan of moet worden: breekwerk, snoepwerk.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - wrk (blz. 18)

 

wrm, wrem, wrm

bijvoeglijk naamwoord

warm

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - wrm (lange )

Cees Robben As t wrum is...(19830805)

Cees Robben n wrm wiegske. (19540213)
Cees Robben - W lief is mn blumke...... / W wrm mn bloed...... (19540424)

Wij gongen elke dag naor ons wrk, we kwaame tusse de middag gewoon ths om wrm te eete net as onze paa. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

DANB et is wrm gewist vandaog

WBD III.2.3:40 'warm eten' = middageten

Dirk Boutkan (1996) - (blz.97) tis ene wremen dag gewist

Stadsnieuws -  Wsset toch wrm war! (180606)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WARM w:rem bijvoeglijk naamwoord /bw

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WARM, WERM (Kemp.) - warm

 

weerpper

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in zene weerpper koome ('65) - in zijn weeropper komen: er bovenop komen; weer beter worden (opperweert = naar boven)

N. Daamen, Handschrift 1916 - "hij komt wir in z'n weeropper - wordt weer tevreden, weer beter)

 

wes

persoonsvorm, verleden tijd van wze

wees

hij wes ons de gerichste wg

 

wes

zelfstandig naamwoord

wees, kind zonder ouders

 

ws, wske

zelfstandig naamwoord

wijs, wijze, melodie

WBD III.1.4:306 'wijze = manier

De stadslui mee d'r meskes,/ Die  naor   't  concert   van  Korvel   gaon,/ Daor spulde ze de wskes. Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

 

ws, wzer, wst

bijvoeglijk naamwoord

wijs

MP gez. Iemand wsmaoke d onze Lieven Heer Hndrik hiet n in de Bikse haaj peeje stao te steeke.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z ws as Saaloomns kat; die viel van wshei van de trappe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - ter hekeling van iemand die zich wijs voordoet

WBD III.1.4:25 'wijs' = idem; 31 'wijs - vlug van begrip; 67 'wijs' = braaf

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WIJS wordt hier veel gebruikt voor slim of verstandig.

 

weesee

zelfstandig naamwoord

w.c., wc, (afkorting van water closet)

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan naar de wc gaan - frequent noordelijk Tilburg

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan naar de wc moeten vooral noordelijk Tilburg

 

weesgegruutje

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

Henk van Rijen - weesgegroetje

WBD ( III.3.3:185) weesgegroetje = weesgegroet

 

wsmaoke

werkwoord, zwak

wijsmaken, op de mouw spelden

Lt oe tch niks wsmaoke!

weesmaoke - mkte ws - wsgemkt

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJSMAKEN: Iem. iet wijsmaken - hem iets duidelijk maken, aan 't verstand brengen

 

weet

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - et is mar en weet n vlooje vangen is en gaaweghd

 

weete

werkwoord, sterk

weten

- weete - wies - geweete

- klinkerverkorting in de 2e en 3e persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd, in de gebiedende wijs, en soms 2de  persoon meervoud in plaats van jullie

-- je weet / ge wit / witte gij

-- hij weet / hij wit

-- zij / ze weet / ze wit

-- jullie weten / gullie wit / witte gullie

-- weet! / wit...!

Infinitief

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - weejte ww weten

Pierre van Beek - Nie beeters te weete - voor zover ik weet.

Tegenwoordige tijd 1e persoon - ik

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden Sprikt! Prt f lt en scheet, dk iets weet. [Zeg iets, al is het nog zo weinig]

Cees Robben - Gij moet nie zveul praote; dan weete de meense nie hoe lmp dgge zt.

Henk van Rijen - d week ng wl - dat weet ik nog wel

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - D beger ik vaan jaau te wte (: tusschen ee en )

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Dk weet, weet ik z goed as de pestoor!', zi den boer,' mar nie z veul' (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - zeispreuk

Dirk Boutkan (1996) - (blz.99) ik wee(t) nie waor k em moet gn zuuke

Tegenwoordige tijd 2e persoon jij, gij, ge

DANB witte ginne waogemaoker?

Kubke Kladder -- Witte w ze bij ons schaand noemen? Zelf goei boter eten en oe kender margerine (Column in Nwe. Tilb. Crt. 1930)

Kubke Kladder -- Toen de goeie boerin nog een tas dampende koffie ingeschonken en mee 'ne punt van d'ren blauwen schort 'ne tip van de tafel schoongeveegd had, zei ze voldaan: "Ziezoo Toontje, ge kunt aan den slag," en ze voegde er lachend bij: "as ge nie genog hed wittet mar te zeggen...  (Column in Nwe. Tilb. Crt. 1930)

Jan Jaansen - "Alla kom, haawdoe war, en d ge bedaankt bent d witte wel!" (ps. van Piet Heerkens; uit: NTC, t briefke van duuzend, 1939)

Piet Heerkens -- Zeg, witte gij nog van Jan Viool/ die langs de deure liep/ en geurde naor 'n vuil riool/ en in de schuure sliep? (Uit Jan Viool, in Den rgel, 1938)

Cees Robben - Witte wgge kunt! Niks kunde...

Cees Robben - D witte gij toch;

Cees Robben - wittet ng?

Cees Robben - agge ginne raod wit;

Cees Robben - ge wit tch d goej wrk veul geld maag ksse

Cees Robben - vurd ge et wit

Henk van Rijen - agge wir w wit - als je weer eens wat weet!

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - witte ww. - weet je

Piet van Beers - Want dieje lucht van vles... d witte/ gao wl in oe klere zitte. (uit: Eete van unne steen, 2004)

Rudolph van Veen - 2012 - 'Manneke witte gij wel wa dat is?'

Rudolph van Veen in de Top 2000 van 31 december 2012

In de laatste aflevering van de Top 2000 van 2012 vertelde de populaire Tilburgse meesterkok Rudolph van Veen waarom hij van mening is dat eigenlijk het nummer 'God Save the Queen' (het Engelse volkslied) op nummer 1 zou moeten staan, zij het dan in de uitvoering van de Sex Pistols, de punkgroep die zijn eerste muzikale liefde was. Van Veen: 'Ik ben naar de platenwinkel gegaan in Tilburg. Ik zeg, ik kom Never Mind the Bollocks halen. Die man die keek mij aan, en die zei, op z'n Tilburgs: "Manneke witte gij wel wa dat is?"

 

Tegenwoordige tijd 3e persoon hij, zij, ze, het, et, dat, d

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -- Hij kmt van Gol n wit van niks.

D w nie wit, d ok nie deert. (Henritte Vunderink, Heure, zien n zwge, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Cees Robben - God wit;

Cees Robben - hier witte wt is

Van Hepscheuten - Witte wttie wo?... wippe wottie! (Jan van Rijthoven in We tobbe mar aon, 1992)

Tegenwoordige tijd 2de persoon meervoud jullie

Sterneberg sj -- Wat da zegge wil, in Indi, da witte gullie ok wel. (n Busselke Braobaants; 1930)

Lodewijk van den Bredevoort -  Gullie wit intussen w d is. (2007)

Piet van Beers - Gullie wit nie hoe t voelt... (Uit: Versjes maoke; 2004)

Verleden tijd

Dirk Boutkan (1996) - (blz.68) wiezek, wieste, wiesie, wieseme/ wiesewe, wiestegullie, wieseze.

ik wies

gij wiest / wieste gij? / wieste?

hij, zij, et wies

wij wiese

gullie wiest / wieste gullie

hullie wiese

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wies(e) ww - wist(en)

Verleden tijd 1e persoon enkelvoud

Kwok wies wk wo. - Ik wou dat ik wist wat ik wilde.

De Wijs  -- kw dek wies wt waar (feb. 1962)

As ik wies w ons Wies wies, dan wies ik ut wel! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - g daacht d 'k d nie wiest [met t!]

Henk van Rijen - kwies nie d d d betekende

Mn schonste Tilburgse spreuk is: Kwo dk wies wk wo, Wies. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Verleden tijd 2e persoon enkelvoud

Tony Ansems - Hoe wieste wgge moest zegge (uit 'Toon' van de cd Tilburgse Liedjes - American Style, 2007)

Lodewijk van den Bredevoort - Wieste gij d nie menneke?, zittie. D menneke wies d dus hillemol nie en hatter om eerlek te zn zen ge ok not druk over gemaokt. (ps. van Jo van Tilborg; uit: Kosset den brne eigelek wel trkke?, deel 2, 2007)
Henritte Vunderink - Wieste d amml nie?/ ookeej, dan wittet nou. (uit: 'Wieste...', in kZal van oe blven haawe, 2007)
Verleden tijd 3e persoon enkelvoud

Cees Robben - hij wies nie n wlke kaant te begiene; hil de hoef wies ervan;

Henk van Rijen - Wies wies wie ze waar - Wies wist wie ze was

Verleden tijd 3e persoon meervoud

Ze wiese nie wsse wn. Ze wisten niet wat ze wilden.

Cees Robben - Asse wiese det gewist was, dan zn ze wl gewist zn.

Cees Robben - Asse mar wiese wsse won!; asse wiese w ze aate;

Frans Verbunt (1996) - Asse wiese dt was, zon ze wl gewist zn.

Woordspeling met witte, namelijk de klankovereenkomst in de werkwoordsvormen van weten en witten (met witkalk verven)

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - Witten voor 'weten'; z.a.

Van Delft - - Z'n vrouw had zich bij dit gezegde nog lachend aan de deur omgewend, toen ze sprak: "God wit alles en God wit niks." Op mijn groote vraagoogen, die het verband niet snapten, snapte zij gemoedelijk: "Jj ik bedoel, dat Onze Lievenheer heel veul weten kan, mr alles wit-ie nie, want aanders zou ie onze kelder nou in de schoonmaoktijd ook wel gewit hebben." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Karel de Beer - Eens ging hij [textielfabrikant Henri M.J. Blomjous]  met zijn zusters (zie Toos en Maria Blomjous) hun broer Joseph M.D. Blomjous (1873-Den Haag 1930) opzoeken, die zich in 1923 in de Residentie had gevestigd. Aldaar meldde de conducteur van de tram op een zeker moment: "Witte de Withstraat", waarop een van de zusters antwoordde: "D moete n onzen Harrie (Henri) vraoge, die wit alles!" Een andere lezing voor het gegeven antwoord luidt: "Dan zudde veul kallek nodeg hbbe!" (Tilburgs Bijnamenboek, 2000)

 

weetere

Werkwoord, zwak.

waarschijnlijk dus uit 'wateren'

- Een roestpraatje, in Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882): Want vruug geweeterd zulle ze [de biggen] stug zn en borstig goed slabbe [drinken].

- De Bont: het vee drenken, te drinken geven.
 

Weven, 18de eeuw

wve

werkwoord, sterk

weven

WBD wve / haandwve / tswve / btewve/fabriekswve / masjienaal w./ masjienaol wve (II:949)

WBD wve meej ketoenen inslag (II:1039) - katoen inslaan

wve - wef - geweeve

-- tegenwoordige tijd: gij/hij wft

B wve - wfde - geweeve

Cees Robben verdiend meej enkelt wve... (19610922)

Audioregistratie 1978 --  Mar dan hadde vruuger ng wl, war, d man n vrouw weven h, den ene, den ene snachs n den andere ooverdagwar. (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

WBD 'inwaeve' (II:1044) - inweven; ook 'krimpe' genoemd

Dirk Boutkan (1996) - 'wve - wef - geweeve'

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Pr Wve = prof. Weeve (blz.83)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WEVEN w:ve wkw

 

wve
zelfstandig naamwoord, meervoud van wf
wijven, vrouwen
Cees Robben As lui wve vlug worre... (19861212)
 

Ill.: Mandos

wver

zelfstandig naamwoord

wever

MP gez. w ist hier toch dnker; tis krk f er ne wver p strve leej.

Kekkis Karel, veronderstel d gij den bisten wver bent van hil Tilburg en ikke den bisten wielendraaier van hil den Ateljee. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)

Van Beek - Hoor maar: als 't erg donker in een vertrek is, zegt 'n ouwe wever: "'t Lijkt wel d hier ne wver op sterven leej"; (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. ?; 22 jan. 1958)

Cees Robben Wij zn wvers van prefessie... (19560630)

Ill.: Cees Robben - 'Wij zijn wvers van prefessie' (detail)
Cees Robben Wij zn uit t laand van de wvers niewaor... (19580308)
Cees Robben wverkes in nd... (19570313)

Onze grutvadder d was ene wver/ van stukke hattie veul verstaand/ hij sjouwde hel hard, alle daoge/ vur den ,,Heer" de fabriekaant. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et heej nie geholpe. )

Dur de wverkes is Tilburg/ van en drp toe stad gerkt... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kkt mar nie op en paor stver)

Interview met de heer De Kok (1978) Want mn vaader d was ene weever, en wver, ene wver nne die kos toen nie zo wd lope van et Gurke aaf dr nr toe. n die wrkte bij Louis Donders in de Zwijsenstraot, daor wrktenie. (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

De straote waare vol mee wvers Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.
Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hij is ermee gestld as ene wver meej en lui wf (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1966) - hij kan met zo iemand niet werken; die is hem meer tot last dan tot hulp.

WBD handwver / haandwver (II:941) wever met handweefgetouw

WBD tiswver, butewver (II:942) wever buiten de fabriek

WBD laokewver (II:942) - lakenwever

WBD baojwver (II:942) - baaiwever

WBD bukskinwver / bukswver (II:942) - bukskinwever

WBD dubbeldoekwver / dobbeldoekwver (II:942) - dubbeldoekwever

WBD deejkewver (II:943) - dekenwever

WBD III.4.1:77 - 'weverke' - grauwe vliegenvanger (vogel), ook 'mussensnapper' of 'grauwtje'

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WEVER - w:ver

Tijs Dorenbosch - Vignetten uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

Overzicht: Van Wasserij tot weefmachine - de voorbereidingen van het weven

 

wverij

zelfstandig naamwoord

weverij

WBD 'waeverjke (II:940) - weverijtje, plaats waar geweven werd, weefkamer

Daorneffen waar de wverij. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

wversknp

zelfstandig naamwoord

weversknoop

WBD 'waeversknp' (II:1051) - weversknoop

WBD 'lnnewaeversknp' (II:105l) - linnenweversknoop = weversknoop, ook 'pltte knp' of kattekp genoemd

 

wversschrke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - (textiel) weversschaartje, speciaal schaartje om foute knopen en draadjes tijdens het weven te verwijderen

 

weeze

Zelfstandig naamwoord

Wezen; hier: gezicht

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mer vajer! Ou brudt iet in t heut; k zaag t te mentij aon oe weze

 

wze

werkwoord, sterk

wijzen

- D wst zenge - Dat behoeft geen nadere toelichting..

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) doublet: 2/3 p. sing. wst/ wst' (wijst)

B wze - wes - geweeze

- in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJZEN zie wdbb.; iemand niet kunnen thuis wijzen - niet weten wie hij is

 

weezelek

bijwoord

GG werkelijk, echt

 

wzer

zelfstandig naamwoord

wijzer

de groten n de klne wzer

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJZER znw.m. - De wijzer in 't rond slapen - 12 uur slapen

 

wffer, wffere, dewffere

vragend voornaamwoord

wat voor, welke, wat voor een

- Wffer rpel krk, n de wffere vatte gllie? - Wat voor aardappels krijg ik, en welke nemen jullie?

N. Daamen, Handschrift 1916 - "weffere - welke? - de weffere?"

Van Delft - - Hangen er meerdere hoeden aan een kapstok, dan vragen wij: "Wffere ies de jouwe". (Welke is de uwe?) "Ne fijne meens" (gierig man) zou er den beste willen uitpikken.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

...zood de musschen niemir wiesen weffre kaant ze op moesten (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-1929)

- "Al kos ik er den hemel mee verdienen Jaanske, ik weet nie weffre kaant ge ut wilt." (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929).

- Nee, ds vur de kraant! Vur weffere? Vur de Nieuwe Tilburgsche Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935)

Cees Robben De weffere mende? (19551015)

Cees Robben Wij wiessen precies weffer srt d we han... (19570525)

Cees Robben Weffur moeite dettie deej... (19571214)

Van Beek - "De wffere is de jullieje?" wil zeggen: Welk is de uwe? (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

De Wijs  -- De weffere mende van die driederaande (feb. 1962)

Lechim - Ze vroeg meej wffer spul we waasse/ en wffer sokke et biste paasse... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Mrtonderzuuk)

- ...die gjeemiese stffe wffer rtzoj dttet is. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Stadsnieuws -  Wffer: wat voor, welke. De wffere mnde? De die daor. (09092009)

Stadsnieuws -  Wffer knder hdde gllie? Van baaje sorten en. (16062010)

n wffer snuupkes zak men dubbeltje dees keer besteeje? n et grotste f n et lkkerste? (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wffer(e) vn - welk? wat voor?

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - wafer(e), voornaamwoord  'waffer' wat voor (een), welk(e)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - DEWAFFERE(N) vrnm. - wat voor een, welke, Fr. lequel

Hees waffre (I:37)

Bosch wffer - wat voor

 

wfke

zelfstandig naamwoord, verkleind

vrouwtje, wijfje

Henk van Rijen - d wfke is nie prut, hurre.' - dat vrouwtje is niet voor de poes, hoor!

Cees Robben n menneke... of wel n wefke (19570525)

WBD III.4.2:63 'wijfke' - wijfje van een haas

WBD III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn.
mulder Tilburg
mulderke Tilburg
molenaar Tilburg
bakker frequent in Tilburg
bakkerke Tilburg
kapucientje Tilburg, Goirle
manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

Piet Brock, uit Vuurstintjes ketsen (1996) Mlders/ Ge he't z'in soorten:/ 'nen bkker of kappesien,/ 'n mnneke of 'n wfke,/ d kunde hil goed zien.

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - wfke Eras (M.J. Eras) (blz.37)

CiT (113) 'D wefke is nie prut, hrre!'

WBD III.2.2:47 'jong wijfje' = jonge vrouw

WBD III.2.2:88 'wijfje' = echtgenote

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

wg

zelfstandig naamwoord

weg

meervoud: weege

D is z eenvoudig as de weg in oewen eigensten broekzak. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - langs de weg gescheeten hbbe (Oost-Brabant) zie pad

Henk van Rijen - alle weege zn gin kerkweege - niet elke Weg leidt naar een bep. doel

WBD III.3.1:397 'weg' = openbare weg; ook genoemd: 'baan, klinkerd'

WBD III.3.1:402 'weg = pad

Dirk Boutkan (1996) - (blz.53) wgske, wggetje

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wg zn, bw - weg

 

wgge
samentrekking
wat je
Cees Robben Wegge ruurt/ Degge meevuurt [Wat je aanraakt, dat moet je nemen] (19640313)
Cees Robben Ons Too en ik zen wegge noemt/ Nog van dn pronten staand (19700116)
Cees Robben ge mot haauwe wegge het... (19701023)
Cees Robben Ge kunt doen of laote wegge wilt.. (19781215)
 

wggeefkiesje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - kistje goedkope sigaren

 

wggoje

werkwoord, zwak

weggooien

Van Beek - Aan huurhuizen en dienstmeiden is alles weggegooid. - Geen van beide bevorderen het belang van hem, die ze benut. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

wgleere

werkwoord, zwak

PM aan een ander leren

- wgleere - leerde wg - wggeleerd

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WEGLEREN ov.ww - doceren, didactische talenten hebben: de mister is veul geleerd, mr ie kan nie weglere.

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. - wegleren, al lerende (docerende) in een ander overstorten.

Pierre van Beek - toch anders dan gewoon onderricht geven

 

wgmaoke

werkwoord, zwak

wegmaken, doen verdwijnen;

Pierre van Beek - nder narcose brengen van een patint

-- wgmaoke - mkte wg - wggemkt

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mkt wg

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEGMAKEN (ook: eweg-) zijne goederen vermaken aan personen die geene bloedverwanten zijn.

 

Screenshot: Roy Donders naait zijn friteuse weg.

wgnaaje

werkwoord, zwak

naaj wg, naajde wg, wggenaajd

wegwerpen, weggooien

Roy Donders - As et vet oud is en et moet er uit, zeg mar, dan pak ik die frietpan, die gooi ik in 'n vuilniszak, eigeluk drie vuilniszakke, enne die naai ik gewoon weg, en dan koop ik 'n nieuwe. (Stylist van het Zuiden, aflevering 4, 18 november 2013, RTL 5)

naaje

 

-wgt

2e lid v. samenstelling

-weg

Berdssewgt

WNT WEG, weeg, wegt, weug

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEGT voor 'weg'. Het komt in de boerentaal voor bij Huygens, in Hofwyck.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WEG 1) m - dikwijls uitgesproken als 'wegt'; route, baan: de wegt is glattig; 2) bw - verdwenen, uitgesproken als 'eweg: hij is eweg; 3) in de uitdr. uit de weg uitgesproken als weeg.

 

wgt
zelfstandig naamwoord
weg
Cees Robben De wegt is wel lang.. mar ik heb tij genogt.. (19760423)
 

weie

werkwoord, zwak

wieden

B weie - weide - geweid

WNT WIEDEN, wie()n, wij(d)en, wee(d)en, wai(.d)en, wuden

 

wjer, waajer

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

verder, wijder (comp.van wd)

Cees Robben - vier deur wjer

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - snip, snap, snijer, mkt oew broek wa wijer (Si'64) - spot op de kleermaker

Frans Verbunt (1996) - 'wijer' - verder

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - Wedder of wijer

Haor wr - verder; wrop verderop

 

wjere

werkwoord, zwak

verwijden

Frans Verbunt (1996) - 'wijere - wijder maken

 

wk

samentrekking van w + ik = wat ik

Cees Robben En witte wek zaag... (19590822)
Cees Robben Wek van den onzen krg.. (19650416)
Cees Robben ...al wek kan ... (19701023)
Cees Robben Wek naa vort t mn noem (19701023)
Cees Robben Moeder, ik weet nie wek moet doen... Dan spult mar mee oew teen tot vermaok van oew hielen... (19821119)

 

wlk

tussenwerpsel

wat?

Frans Verbunt (1996) - wat zeg je?

R Ter correctie wegens het niet met-twee-woorden-spreken luidt soms het antwoord: dlk!

Bosch wllek - welk; Wat zeg je?

 

wllekrabber

zelfstandig naamwoord

WBD rolkrabber (voor het schoonmaken van de roller waarmee de grond wordt aangedrukt)

 

wllie

persoonlijk voornaamwoord

1e persoon meervoud: wij.

Eigenlijk: wij lieden.

- WNT XXVI:248 - (r.7 v.o.) 'Uit wijlie(den) ontwikkelden zich vormen als wellie, welle, wielie, wijle.

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: Enwitte wel, Truike, w wellie naauw zulle gaon doen?

- Cees Robben Dur de mert zeggen wellie.. t is wir naatje... (19580315)
- Cees Robben [een pastoor spreekt] Aon die snorrepperijen daor doen wellie nie aon meej... (19600116)

- G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000: Vural die gaasten t rme laande mnde we hier hard nodeg te hbbe. Zullie kossen et wrk doen waor wllie vort onze snufferd vur ophlde.

- GD 2000 '...waor wllie vort onze snufferd vur ophaole'

- A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - voornaamwoord  'wijlie' wij

- Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WIJ, WIJLIE

 

wllik

tussenwerpsel

wat?; wat zeg je?

- De W van Wllik?  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

wltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

poosje, tijdje

- verkleinwoord van 'wl', met vocaalkrimping

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ' 'n wijltje '

Toen ik zoo in wltje gezete ha... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben - ...nog n weltje, en ze bouwen... (19540227)
Cees Robben Ge het mepessaant toch n weltje oe verzet gehad... (19810417)
Cees Robben Over n weltje ben ik vf-en-virtig jaor getrouwd (19850322)

Henk van Rijen - et zal ng wl en weltje duure vurdt zoomer is

Stadsnieuws -  Kunde nog en wltje wchte, ik zder zo - Kun je nog even wachten, ... (300510)

WBD III.4.4:131 'wijltje' = poosje, ook 'wijl', hortje'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt.101 sluit 'wltje' niet uit, evenmin als 'tdje' en 'fkes'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - e weltje

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wltje zn - poosje

 

wn

samentrekking

wat (voor) een

Cees Robben Wen weer wir war... (19560218)

Ik zit hier zeker in China

Want iederendeen die zeej

We'n wang, we'n wang, we'n wang toch h

Kik toch die kaok toch, w'en wang

We'n wang toch he, we'n wang toch h

Hollebolle Kaok van un wang

(Tony Ansems, Wen wang toch; van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

CiT (18) 'Hh, wenne wend war!

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 62) wn, wnne; flexie-n alleen in m. sing.

 

wnaos, wnaos

zelfstandig naamwoord

windas

WBD wndas, hs K183: wainoas - Hasselt: putrl - windas boven de put

Henk van Rijen - 'wnaas'

- Hoe ontstond 'aos' voor 'as'?

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. (molenaarst.) 'wijndas - windas

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIN(DE) znw.v. - windas, dommekracht

 

wnd, wnde

zelfstandig naamwoord

wind

Wnne wnd war! - Wat een wind he!

Om aacht uur doken wij de vrieskou in meej de wnd rcht op kop. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Cees Robben En de wend die fraozelt zuutjes,/ liefdesliekes in mun oor.. (19540612)
Cees Robben Dur t geweld van weer en wend... (19591031)
Cees Robben t Lied van de wend.. (19600102)
Cees Robben De wend streek zachtjes langs mn haor (19600715)
Cees Robben Wilde wende... (19701106)
Cees Robben natte klamme wende (19611208)

Lechim - Ge dnkt : Zot aaltij wnter blve/ meej zonne kaawe zuure wnd? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vurjaor)

Lechim - ...ik gao dur weer n wend/ want agge ts blft vur de sneuw/ dan zde ginne vnt. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ons Sjfke zee: Tis vuls te glad paa)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de wnd van Gol dugt nie

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej de wnd int noorde spaorde de ntten n de koorde (Si'65) - noordenwind is goed voor de vissers

Frans Verbunt (1996) - iemand wnd in zen broek jaoge

Frans Verbunt (1996) - de wnd gao meej de kiepe te bd

Noovmber, hrfst, ene kaawe wnd.... (Henritte Vunderink, Hrfst, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wnd zn - wind

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'wijnd' - wind

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEND, znw.m. - wijnd, wind

Bosch weind wind

Henk van Rijen - winding, (textiel) de winding om de weefboom: 'wnt'

WBD III.1.1:211 'wind, windje' = wind

WBD III.4.4:107 'zucht', 'zuchtje', 'zoefje', 'zweepje' = zacht windje

WBD III.4.4:108 'koude wind' = koele wind, ook 'dun windje'

WBD III.4.4:110 'schrale wind' = koude noordenwind

WBD III.4.4:111 'windstoot' = rukwind, ook 'snuk(wind)'

WBD III.4.4:112 'wervelwind', 'draaiwind' = windhoos

WBD III.1.4:394 'wind' = koude drukte

WEND

 

Heur de wend 'ns waaien, jong,

over huizen en heggen en tuinen,

over de hooge boomenkruinen

doet ie al uren lang oversprong.

 

Heur 'm tuimelen over et laand,

over d'ekkers van de boere!

Heur 'm, heur 'm toch 'ns rumoeren

rauw van taol, brutaol en 'straant!

 

Heur 'm fluiten om ons huis,

heur 'm om de boome waaie,

heur 'm in de blaoier graaie,

grabbelen onder stof en gruis!

 

Waai en graai en raos mar raok,

stroebel mar blaoier van de boome......

'k lig mee open oogen te droomen,

lekker vecht ik mee Klaoske Vaok.

(Piet Heerkens; uit: De Mus, 1939)

wndaaj

zelfstandig naamwoord

WBD ei zonder schaal, ook 'windaaj' genoemd

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr.+ o. 'wijndei' - windei

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WINDEI(E)R znw.v. - windei

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wndaaj zn - windei

 

wnddrg

bijvoeglijk naamwoord

WBD winddroog: de toestand waarin het leer geklopt moet worden (II:758)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WINDDROOG - in den wind gedroogd zonder zon.

 

wndmeule

zelfstandig naamwoord

windmolen

WBD wntmeule ('wntmujle') (II:1027) - windmolen: windmeulen

 

wndsbraawe

zelfstandig naamwoord meervoud

WBD III.1.1:74 'windsbrauwen' = wenkbrauwen; ook: 'wenksbrauwen'

 

wndvaon

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - windvaan, windwijzer

 

wndvr

zelfstandig naamwoord

afdichtingsplank aan de rand van dakpannen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WINDVEER znw.v. -bij timmerlieden: De windveren zijn planken, die men op het uiteinde van een dak nagelt om te beletten, dat de wind de pannen er zoude afwerpen.

 

wndzuger

WBD windzuiger (paard dat lucht in de mond zuigt en daardoor oploopt), ook genoemd 'zger', 'wndhapper', kribbter of kribbenbter

 

wngske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van wang
wangetje
Cees Robben t wengske dicht bij moeders wang (19571207)
 

wnke

werkwoord, sterk

wenken

B wenke - wnk - gewnke

 

Schilderij (detail) - 'Winterpad met oude vrouw' - auteur onbekend

wnter

zelfstandig naamwoord

winter

WBD wntervoor - wintervoor (bij het ploegen) (Hasselt)

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - durgewenterd

Over witbevrore waaie

schent waoterig een wenterzunneke,

een wenterwaoterzunneke

over witte waaie schent.

(Lauran Toorians; Wenterlieke; CuBra; 200?)

Piet van Beers Ge moet iets hebben w oe tegenstikt: Ik roep munnen hond, en hij heurt aon m'n stem,/ d ik uit mun humeur uit ben./ 't Bisje is nog blijer as ik /As we van diee Wenter af zen. (With Love; 1982-1987)

WBD III.1.3:147 'winterdas' = dikke wollen das

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.m. 'wijnter' - winter

 

wntere

werkwoord, zwak

winteren

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'et heej gewnterd'

wntere - wnterde - gewnterd

Cees Robben Wnteren... d doeget nie (19580315)

 

wnterhaande, - voete

zelfstandig naamwoord meervoud

winterhanden, wintervoeten

M-I de pijnlijke zwelling aan handen of voeten veroorzaakt door koude; de aangetaste plaats jeukt vaak hinderlijk.

 

wntertn

zelfstandig naamwoord

wintertuin

Henk van Rijen - naam van vroegere uitspanning op de Heuvel, later City,thans Gallery

 

wpke

zelfstandig naamwoord

schild met doodskop en attributen

Wepke - Collectie Regionaal Archief Tilburg / Stadsmuseum

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jao, ge hd van die dod, ge hd van die dodsbidders hadde, die kwaame dan. Want vruuger, vruuger hadde op veul pltse as de meense enen dojen in hs hadde, dan wier der zon wpke bte gezt, en paor stene teege mekaaren aon n daor zon palmtkske tusse, en boske stroj Klik hier om dit bestand te beluisteren

Audioregistratie 1978 - D wrd vruuger vur et hs gezt asser iemand ooverleede was! Asser iemand dod was. Zon, zon ding. Dan konde de mnse d konde ze dan zien n d wpke! D wrd op straot gezt! En wpke, d was zon, zon ding, ja (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Audioregistratie 1978 - Enen dodskp meej tweej planke n dan daor en sten onder n dan stond d vur de deur.  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

R.J. 'moeder daor stao' 'n wepke'

morf. wijp - wp wpke als tijd td tdje, e.d.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WIJP znw. v. handvol stroo, in t midden toegebonden; ook bondeltje stroo, lichtjes bijeengebonden, om te branden gelijk eene fakkel. Eertijds liep men op St.-Jansnacht met brandende wijpen over het veld.

WNT XXV:2422 WIEP (I) 2) bundel stroo

 

wps

zelfstandig naamwoord

wesp

Ik heb aatij heure zegge d 'n bij den honing uit de blomme holt en 'n weps ut vergif. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

WBD III.4.2:139 weps - wesp (Paravespula vulgaris)

 

Weraande

toponiem; Oude waranda; stadsbos in Tilburg West

Ik moog - as knd - meej onzen oopaa/ dikkels nr de Weraanda mee. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onzen oopaa)

 

wrd

bijvoeglijk naamwoord

waard

B geeveswrd - weerd om te geven

Tis nie wrd dgger nor kkt.

M wrd

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - waerd

Cees Robben ... werd om op-te-haauwe (19580705)

Cees Robben As ge meej oewen remoei ginne raod wit... Dan zde nie werd deggem het... (19840420)

DANB rde ptte zn nie veul wrd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRD, WRDE, WRDIG - waard, waarde, waardig

 

werchteg, werndig

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

waarachtig, waarlijk

..."'t Is werendig waor! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)

Cees Robben werechtig (19641231)
Cees Robben werechtig (19600422)
Cees Robben t stao werechtig schn en deftig [de kleding] - (19550806)

Henk van Rijen - 'wergteg'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'waaraechtig' - waarachtig

 

wrft, wrf

zelfstandig naamwoord

WBD erf (open vrije ruimte tussen boerderij en bijgebouwen), ook 'rf genoend

Henk van Rijen - 'wref, wrreft' - werf, erf

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WERF (werft) v - erf, ongeveer hetzelfde als 'dam en 'missem', maar met de bijbetekenis van 'plaats waar gewerkt wordt'.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WERFT, WERF znw.m. - open plein vr eene boerderij, tusschen de woning van den boer en de afhankelijkheden.

WNT WERF, werft, werve, warf, warve enz.

 

wrke

werkwoord, zwak

werken

Pierre van Beek -- "Werken is zaolig, zeej de begijn en ze droegen mee z'n vieren 'nen boonstaok." We hebben hier te doen met een geestig sarcasme op iemand, die het air aanneemt van heel wat te werken, maar die in werkelijkheid niet veel uitvoert. (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

 

wrkeloshei

zelfstandig naamwoord

werkloosheid

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'werkelooshei'

 

wrkendag

zelfstandig naamwoord

werkdag

K&B 'werkendag'

De Wijs -- Ik wil wel efkens binnen kome, mar ik z op zn s werkendags (13-07-1966)

Henk van Rijen - mregen ist wir 'wrkendag' geblaoze - morgen moet er weer gewerkt worden.

WBD III.3.1:214 'werkendag', 'werkdag' = werkdag

WBD III.l.3:3 ''s werkendaagse kleren' = doordeweekse kleren; ook ''s weekse kleren' WBD III.1.3:195 's werkendaagse muts' = witte kanten muts zonder sierkrans

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw. m. 'werkendag' - werkdag

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WERKENDAG znw.m. - werkdag

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wrkedag zn werkdag

 

wrkmeens

zelfstandig naamwoord

arbeider

- En gen hs was niks vur ene wrkmeens

1941 - De scheldtitel waarmede de jongeren [in de textielfabrieken] vooral werden aangeduid was fabriekslap en vethol; de welwillende algemeene benaming was voor de kleinen: draadmaker en voor de grooten fabrieksmeens, werkmeens, en voor allen te samen 't of d werkvolk! Mt de noodige minachting a.h.b. Dat was misschien nog het ergste van al, dat de waardeering al te veel zich uitte in weinig achting. (Anoniem; in Nieuwe Tilburgsche Courant 30-01-1941, Hoe was het in onze streken?")

CM wrkmeens

WBD III.3.1:215 'werkmens' = arbeider

 

wrkplts

zelfstandig naamwoord

werkplaats

WBD werkplaats, het lokaal waar o.a. het zwikblok opgesteld stond (II:667)

 

wrktffel

zelfstandig naamwoord

WBD werktafel: het lage tafeltje waaraan de schoenmaker, op een werkstoel gezeten, werkte en waarop hij het gereedschap en het onraad legde (II:694)

 

wrkvlk
zelfstandig naamwoord

werkvolk

1941 - De scheldtitel waarmede de jongeren [in de textielfabrieken] vooral werden aangeduid was fabriekslap en vethol; de welwillende algemeene benaming was voor de kleinen: draadmaker en voor de grooten fabrieksmeens, werkmeens, en voor allen te samen 't of d werkvolk! Mt de noodige minachting a.h.b. Dat was misschien nog het ergste van al, dat de waardeering al te veel zich uitte in weinig achting. (Anoniem; in Nieuwe Tilburgsche Courant 30-01-1941, Hoe was het in onze streken?")
 

wrmte

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

warmte

Henk van Rijen - 'wrremte'

Cees Robben - 'de wermte vur d'n klne man'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.vr. 'wermt' - warmte

 

wrom

bijwoord

waarom

Hij [de ooievaar] heej wir un zusje veur jullie gebrocht. Zde gullie nie blij? W blij, wie blij, wrom blij? Wrom zodde blij zn meej iets waor ger al zat van het? (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

wrre

werkwoord, zwak

in de war / in verwarring zijn of komen, warren CiT (30) 'De draoie zen dur bekaar gewrd'

-- wrre - wrde - gewrd

 

werschnlek

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

waarschijnlijk

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - werschijnlik

 

wsd?

samentrekking

GG wat is dat?

 

wske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

wijsje, melodietje

dim. van 'ws', met vocaalkrimping

 

wsser

samentrekking

samentrekking van 'w + is + er' = wat is er?

wsser naa, wir gnde? - wat is er nu weer aan de hand?

 

wstminster

zelfstandig naamwoord

westminster

De Wijs -- as ik gao vissen, zettik aaltij munne westminster op (10-03-1967) [spreker bedoelt: zuidwester]

 

wt, w

voornaamwoord

Henk van Rijen - wat

Un potje zingen, veur ene appel, of wet snoep... (Tony Ansems, Drie koningen; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

 

wthaawer

zelfstandig naamwoord

wethouder

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - wethauwer, wethaawer.

 

wtsten

zelfstandig naamwoord

WBD wetsteen, een steen voor het wetten van messen (II:682)

 

wtter

samentrekking van 'w + der' = wat er

Hij wies niet wtter afgesprooke was

 

weuw, wuw, weuwke

zelfstandig naamwoord

BM weduwe

Van Delft - "Ik werk veur de Wuw", waarmede een firmanaam aangeduid wordt, die begint met "Weduwe N.N.". Zulke kennen de Tilburgers natuurlijk nu direct meerdere. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - weuwke; weuw;

Taante Lies waar 'n weuwke en ze ha goeie klandizie as weuw zijnde; ze ha 'n net kruidenierswinkeltje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)
En vrouw Cornelissen uit den Gouwen Os, 'n weuw, die ok mar wir gaaw moes trouwe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
Zoo hadde vruuger jaoren in weuwke en die hiette Mieke. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Frans Verbunt (1996) - en weuw is en prd zonder voerman

WBD III.2.2:55 'weeuw', 'weduwe' = weduwe

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.vr. 'weuw', - weeuw, weduwe.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - weuw zn - weduwe

WNT WEDUWE, weduw, wedewe, weeuw(e), weve, weef, wee

 

wicht

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:295 'wicht = honderd pond, ook 'zak'

 

wichje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD III.4.4:294 'wichtje' = gram, ook 'gewichtje'

 

widde

werkwoord, zwak

wedden

B widde - widde - gewid

 

wiebele

werkwoord, zwak

De Heuvelstraot spant de kroon terwijl de Kurvelscheweg en den Heuvel d'r bist doen om mekare niks toe te geven. Ik h m'n eigen wijs laoten maoken, d in de Heuvelstraot van die nuuw caf aaf tot on den Heuvel toe precies nog tien tegels vaast zitten. De rest lee, as ge d'r op trapt te wiebelen as 'n keekwalk op de kermis. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

 

wiebelgat, wiebelkuntje

zelfstandig naamwoord

onstuimig temperament, niet stil kunnen zitten

Cees Robben Kender meej n wiebel-gat (19601111)

 

wiebelstrtje

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

Pierre van Beek - kind dat niet stil kan zitten

Cees Robben - knder meej en wiebelgat

Cees Robben - wiebelklot dgge zt;

 

wiebere

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - wiebelen

WBD III.1.2:24 'wieberen = wiebelen; ook: 'wiegelen, waggelen, kwakkelen, wiemelen'

26 'wieberen = heen en weer schuiven; ook 'friemelen'

 

wiebes, wiebus

bijwoord

Van Beek - "Ds nogal wiebus". - Dat spreekt vanzelf.  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

D ze zukke kost vur ons nie mokt is nog al wiebus, aanders z ze mee hil d'r gekook gaauw d'r erten uit hebben... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

...d's nogal wiebus geleuf ik. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Cees Robben - "Ds nogal wiebus.." zeej une meens... (19560908)

 

wiegele
werkwoord, zwak; de ie is kort
wiebelen
Cees Robben Mn kumke wiegelt z detter de koffie uit-kwaanselt... (19660826)
 

wiegestroj

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et wiegestroj hangt em ng n zen gat te bmmele ('16) - hij is nog niet droog achter zijn oren

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et wiegestrj zit n in zen ge ('71) - idem

 

wiegske
zelfstandig naamwoord verkleinde vorm van wieg
wiegje
Cees Robben n wrm wiegske. (19540213)
 

wieje

werkwoord, zwak

wieden

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - wieje wieden

B weie weide geweit

WBD I:1457 wieden: 'wije' (bedoeld als 'wi-je'?)

WBD I:1457 onkruid uittrekken met de hand: 'wie'

WBD III.2.1:413 wieje = onkruid wieden

wieje - wiejde - gewiejd

 

wieks

zelfstandig naamwoord

WBD vocht waarmee het brood wordt gewassen zodra het uit de oven is

 

wiel

zelfstandig naamwoord

wiel

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - wiel

WBD III.4.4:182 wiel', 'wieling' = draaikolk

 

wielewauw, wiewauw

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.1:156 'wielewouw' - wielewaal (Oriolus oriolus)

 

wielewtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

[dit lemma dient nog geverifieerd te worden op betrouwbaarheid]

Pierre van Beek - Een fascinerend woord dat 'wielewotje'. Een 'wiele' was in het mnl. een 'non' en een 'wade' is een gewaad. Zo vermoeden we dat het 'wielewotje' de  dialectische verbastering is van wielewade of nonnenkleed (met kap en sluier). Die uitrusting pleegt heel wat te verbergen. "De klne leej meej zen wielewotje blot." Bij de baby was bloot wat, in de opvatting van de spreker, verborgen diende te zijn. Helemaal bevredigen doet de verklaring niet. Daar komt nog bij dat 'wielewotje' nog in andere zin gebruikt wordt, nl. in die van 'hebben en houwen'. Wanneer iemand 'met zen hele wielewtje vertrkken is' dan heeft hij zijn hele bezit meegenomen. (Tilburgse Taalplastiek 142)

Mnl. Wdb. WIEL (wiele), znw. o. vr. m.; Mhd. wl(e), m; mnd. wl o., uit lat. velum, sluier; fri. wiel. 1) Hoofddoek voor vrouwen; 2) Hoofddoek der nonnen, sluier, nonnensluier.

WILE (WIJLE) znw.m; WIJL o.m. Hetzelfde als WIEL(E), doch met andere vocaal uit lat. vlum, l) hoofddoek, sluier, nonnensluier.

Pierre van Beek - Hy viel meej hel zen wielewtje in dge; hil zen wielewtje sloeg teheuj; hij ks meej zen hele wielewtje vertrkke. (Tilburgse Taalplastiek 731124) Het woord komt vermoedelijk van 'wieles-wade' dat een gewijd gewaad, kloosterkleed of habijt aangeeft, voor een kloosterling zijn enige bezit.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WILLEWUITJE (met verkorte ui) znw.o. - lischdodde, Typha latifolia L.

Henk van Rijen - 'wielewtje' - bezit, hebben en houden

 

wiemele

werkwoord, zwak

zowel in gebruik als 'wiebelen', onrustig bewegen, als 'wemelen'

Zit nie z te wiemele...

En dan wiemelet [wemelt het] in de kraant van ingezonde stukke. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

De Wijs -- Moeder, hedde niet unne feftiger waant de taofel stao hil de td te hukkele en mn kumke stao k al te wiemele (rijksdaalder onder tafelpoot leggen) (13-07-1966)

Henk van Rijen - 'wiebele'

WBD III.1.2:24 'wiemelen' = wiebelen; ook 'wieberen, waggelen, kwakkelen'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww. intr. 'wiemelen' - wemelen

WNT WIEMELEN - l) van groepen personen of dieren: voortdurend en onrustig zich in allerlei richtingen door elkaar heen bewegen; krioelen; enz.

 

wier(e)

werkwoord, persoonsvorm verleden tijd

werd(en)

Verleden tijd van 'wrre' - worden

- lange ie

Der wier vusteveul gezoope. - Er werd veel te veel gedronken.

Cees Robben - toen wier de gt op stel en sprong ...;

Henk van Rijen - hij wier hoe langer hoe kaojer - hij werd almaar bozer

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 69 laat T juist in het 'wier'-gebied vallen; in het Z en O is het 'wierde'

 

wierooksvat

zelfstandig naamwoord

wierookvat

Detail uit een schilderij van David Teniers - 17de eeuw

meej et wierooksvat lof toe te zwaaie (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

wies(e)

verledentijdsvorm bij weten

wist(en)

ik wies

gij wiest / wieste gij?

hij, zij, et wies

wij wiese

gullie wiest / wieste gullie?

hullie wiese

►weete

Cees Robben 'k Wies.. (19560714)
Cees Robben D wies ik nie.. (19590912)
Cees Robben Ak-naa-mar-wies-wek-w... (19771007)
Cees Robben Ons Wies wies alles... Van wiezet wies d wies ik nie... mar ze wiest... (19870227)

Cees Robben Wij wiessen precies weffer srt d we han... (19570525)
Cees Robben [Ze] zont nie eete... asse wiesse wesse aate... (19750606)
 

Wieske Snuf

bijnaam

Tilburgs volkstype, bekend om haar bedelarij

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Wieske Snufdie ging aatij langs de deur h, die ging aatij meej der, meej der waogen n dan hasse en paor lange rkken aon n vies n vl, d kunde wl begrpe, h腔 (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

wietele

werkwoord, zwak

wietele = wiebelen, onrustig zijn

...zoo'n ijzeren ledikantje, eenpersoons, waor de heel de naacht in ligt te wietele... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

wietelr

zelfstandig naamwoord

onrustig iemand, wiebelaar, draajknt', 'wietewaaj'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'wietelkloot'; witele(n): zw.ww.intr. 'wietelen' - zachtjes met kleine beweginkjes te werk gaan.

WNT WIETELAAR - volksbenaming voor den brandnetel WIETELEN 2) heen en weer bewegen, spartelen

 

wietewaaj

zelfstandig naamwoord

onrustig iemand, wiebelaar, 'draajknt, 'wietelr'

 

oriolus oriolus - Wikipedia

wiewauw, wielewauw

zelfstandig naamwoord

vD. gele wiewouw - wielewaal

N. Daamen, Handschrift 1916 - "gaile wiewouw - wielewaal, gele merel"

Cees Robben - ...gle wiewouws... (19600708)

WBD III.4.1:156 'wielewouw' - wielewaal (Oriolus oriolus) 157 'gele wiewouw' idem

WNT WIEWAUW - wielewaal (ook: wielewauw)

 

wiggele

werkwoord, zwak

wiebelen

et Vlonderken is mar smal en zwak,

mar och, et is nie zo lang;

et vlonderke wiggelt, maar haaw oe gemak,

'nen engel gao mee, zee nie bang! (Piet Heerkens; De brug, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

 

wigt

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:145 'wigt boter' = klomp boter; ook: 'weg boter

WNT - zie lemma Wicht II

 

wije

werkwoord, sterk

wijden, inwijden met een zegening

B wije - weej - geweeje

...toen 't nuuw rgel ingeweje wier. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
Daor waren al jaoren over hene gegaon en Fraanske waar intusschen al priester gewejen en kapelaon geworren... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Henk, de cistercinzer wier verheeve tot de dienst der altaren in bloemrijke kattelieke woorden, tot priester geweeje wrren in gewoon Tilbrgs. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

De pas priestergeweeje bruur van Lia, hulli Henk zo ons huwelijk inzeegene. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD I.8.1457 wije = wieden (183c)

 

wijer

bijvoeglijk naamwoord

wijder, verder (comparatief van wd)

 

wijwaoterpisser

zelfstandig naamwoord

wijwaterpisser

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - heilige boon ('80)

 

wijwaotersvat, -vtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

wijwatervaatje

Pierre van Beek De verstokte Tilburgse vrijgezel Duse, die we hier al eens eerder ten tonele voerden, moest de schijnheiligen ook niet. Hij gaf zijn oordeel op de volgende, wel heel karakteristieke en vooral ook plastische wijze: "'k Zie ze nie gre, die z sloef-sloef, 's mrgens de kerk binnensjokke en z lang stil blijven staon om die....ie....iep... in 't wijwaotersvat te dpen!"... (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950)

Henk van Rijen - spartelen as en duuveltje in en wijwaotersvtje - tegenstribbelen, erg

Frans Verbunt (1996) - ds en cht wijwaotersvtje: daor spt iederen in

GD 2000 wijwaotersvat

WBD (III.3.3:30) wijwaotersbak, wijwaotersbkske = wijwatervat

WBD (III.3.3:154) wijwaotersvtje = wijwateremmer s ook ' wijwatersemmer

 

wikke

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:395 wikke - warkruid (Cuscuta europaea)

WBD III.4.3:270 wikke - wikke (Vicia cracca), ook genoemd: wik

 

wikt(e)

werkwoord, persoonsvorm

weekt(e), maakt(e) zacht

tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'weke', met vocaalkrimping

 

wil

zelfstandig naamwoord

wil

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - jouwe wil stao aachter de deur (Do'75) jij hebt hier niets in te brengen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - jouwe wil hangt n de kapstk ('71) - idem

 

wild

bijvoeglijk naamwoord /bw

wild

WBD dartel (gezegd van een paard), ook 'spuls' genoemd \

WBD wilde - koe van onbekende afstamming

WBD wilde haor - (bij een paard) witte vlekken, ook genoemd 'gedrukt'

N. Daamen - handschrift 1916 - "wilde vairkes - pissebedden"

Henk van Rijen - wilde rammel - dartele, uitgelaten jonge vrouw of meisje

Dirk Boutkan (1996) - wilt + st = wilst (superlatief) (blz.28)

WBD III.4.4:11 'wilde lucht' = onstuimige, bewolkte lucht

 

wilde

zelfstandig naamwoord

weelde

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WILDE voor weelde, waarvoor men oudtijds 'welde' zeide, van 'wel' waarvoor men insgelijks 'wil' vindt. Welde = eigenlijk 'welvaart . Z.a.

 

wille

werkwoord, sterk

willen; vaak met de betekenis 'zullen'

Dirk Boutkan (1996) - wille - wouw/w - gewild

B wille w(n) - gewild; ik/hij wil, gij wilt; wik = wil ik

Cees Robben - Ik z wille dk was zo as hij moes zn; j, w wilde!

Samentrekking wimme - willen we

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - Wimme k is gn kke?

Samentrekking wik - wil ik

Wik alle toffels van vermenigvuldiging is opzegge tot tien toe? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

Sametrekking wikkis - wil ik eens

SJAREL. Wikkis eerluk zegge hoe ik er tegen aon kk? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - GEWILLEN; 3e hoofdvorm van willen, ook; gewild en gewouwen

 

willeg

bijvoeglijk naamwoord

gewilleg; hier: redelijk mooi, welwillend

As 't willig weer waar,/ gonk 'k meej heur,/ m'n moeder,/ drent'len deur de dreven... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Levensles,  1932)

Alleen aangetroffen bij Sterneberg.

 

Willemienakenaol

naam

Wilhelminakanaal

Audioregistratie 1978 - D Willemienakenaol, d heej ok lang geduurd eer d doorgetrokken is! Hier tt et Linshaajke toe heeget lang stp geleege! Op den irsten bot d, die binnegekoome is daor hb ik opgezeete! ()  d was in neegetienenentwinteg, dnk  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

wimpel

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:72 'wimpel' = wimper

 

wind

zelfstandig naamwoord

flatus, scheet

WBD III.1.1. lemma Wind frequent omgeving Tilburg

WBD III.1.1. lemma Wind windje - noordoostelijke omgeving van Tilburg

 

winkelhaok

zelfstandig naamwoord

winkelhaak, rechthoekige scheur

WBD 'winkelhaok', 'winkelhoek (II:1253) - winkelhaak

 

winne

werkwoord, sterk

winnen, verdienen, opbrengst hebben van grond
Cees Robben Ik beteul zelf munnen hof en win veul. (19850517)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ge kunt wl winne, mar nie zinne (HM'70) -je kunt wel kinderen krijgen, maar ze niet naar je zin vormen

Dirk Boutkan (1996) - winne - wn - gewnne

 

wipkrt

zelfsstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

uit Engels: whipcord

Henk van Rijswijk - Whipcord: zwaar strijkgaren of kamgaren wollen weefsel met steile, sterk opvallende diagonale keperlijnen, steiler dan bij gabardine. De keperlijn is breed, enkelsporig en ligt hoog op de stof. Het weefsel is ook zwaarder dan gabardine en wordt gebruikt voor uniformstoffen, overjassen en bovenkleding.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm 
- J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Whipcord. Kamgaren dubbelweefsel voor o. a. regenjassen. De bovenkant van het weefsel is meestal geweven in een verstelde satijnbinding of steile keperbinding (63). Naam is Engelsen en beteekent whip = zweep; cord = touw.
WNT lemma Whipcord 1991 - znw. onz., g. mv. Ontleend aan gelijkbet. eng. whipcord. Ben. voor een geribd geweven stof met een steile, sterk gewelfde keper, meestal van kamgaren gemaakt en o.m. gebruikt voor uniformen, rijbroeken en regen- of rouwkleeding. Tot de stoffen, die voornamelijk in het zwart voor aanneems- en rouwkleeding gemaakt worden, behooren krip, whipcord, cachemir, serge, diagonaalcoating, wollen rips ook corduroy genoemd en wollen popeline, V. WESSEM, Kostuumn. 11 [1908].

 

wipperd

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - (bijnaam voor iemand die mankt)

 

wir

bijwoord

weer, alweer, opnieuw

Cees Robben Wen weer wir war... (19560218)

 

wirbrsel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - weerborstel

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wirborsel zn - weerborstel

WNT WEERBORSTEL - l) tegen de vleug in staand haar; 2) (gewestelijk) ruziemaken, onhandelbaar persoon, weerbarstige jongen

 

wirgaoj

zelfstandig naamwoord ►wergaoj

weerga, drommel, bliksem

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'om de wirgoi nie'

De meens vatte de zak en smrden um as de wirgaoi. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
En toen naam ik de beene as de wirgaoi. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben - Haorinder de wirgaoj!

Frans Verbunt (1996) - as de wiede wirgaoj - zo snel mogelijk

WNT WEERGA - l) gelijke, evenbeeld; 5) in uitroepen, bastaardvloeken, verwenschingen ... 'als de weerga - in zeer hooge mate, verschrikkelijk

 

wirke

zelfstandig naamwoord, verkleinvorm van weer

Henk van Rijen - weertje

 

wirlicht

zelfstandig naamwoord

weerlicht, wederlicht

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - as de wirlicht

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEERLICHT znw.m. en niet o. - bliksem; op 'ne(n) weerlicht - op eenen oogwenk.

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wirlicht zn - weerlicht, bliksem

 

wirskaante

bijwoordelijke uitdrukking, meestal met 'aan', aan beide kanten

►swirskaante

On wirskaanten langs den weg sliepen zilveren berkebumkes, waortusschen verglde schietvaorens wel z hoog as 'n koei in volle berusting te droomen stonden. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Interview Hermans - 1978 - n d is halfwg den Heuvel, dddis van de Veejmrtstraot tt n de Sporlaon toe, hdde midde op et plein, hdde wirskaante ene wg daor ge dur kost rije meej de koetsjes f die enen autoo han enen autoo. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mn vadder ha vruuger, die was timmerman, die ha zon str gemkt. Zon, zon, zon, zon dinge rond gemkt n dan zon spilleke derdeur n wirskaante en str, en str gemokt, zo van die hout mar, n dan hj ie onder de dinge zon, onder spilleke en touwke aon en agge dan trok dan begs die strre rond te draajen, h! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Audioregistratie 1978 - Dan wrd hil die dinge durgesneeje, h, van die pote n die pees, h, n wirskaante. Der wrd en touw durgedaon, h, n die wrd zo n die sprte van die ladder f die leer gehange n dan wrd ie oope gesneeje! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

et waar vur wirskaante beter om nie dwars te gaon ligge. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Laoter, hil veul laoter, toen we zelf in de kln manne zaate, not iemand van de femilie van wirskaante nie, gezien of geheurd meej: Redde gullie et wel? (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

wiste

werkwoord, infinitief

wezen

- Zde wiste waandele? Ben je wezen wandelen?

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - Hdde wiste kke? - Ben je wezen kijken?

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'naor 't uitgepakt weest te kijken'

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ''n Zondag was ik mee duiven weest-te lossen'

GD94 ik z wiste kke

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WEEST, WEESTEN, WEST, WESTEN, in 't N. der Kempen: WIST, WISTEN, verl. deelw. gebruikt voor 'geweest' als er een inf. op volgt.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - WEESTEN, voor 'geweest', Hebt gij uit weesten wandelen? In Friesland 'weest' voor geweest; in Plat-Duitsch 'west'.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WEESTE (wiste), ook wel 'wezen'; (weg)geweest om te: we zen wezen hooien; hij is wiste pisse.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt.74 plaatst T in het gebied van 'wiste, wieste, weeste' .

 

wit

tegenwoordige tijd van weete
weet
Cees Robben En vur d ge t wit... is ie [de dag] tine (19561222)
Cees Robben Wie-wit-waor... (19571123)

Cees Robben - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kpe..? (19640424)
zelfstandig naamwoord
de kleur wit
Cees Robben [over een trouwerij:] Zosse in t wit zn... God-wit... (19800208)

► weete

 

wit

bijvoeglijk naamwoord

intiem, vriendschappelijk

Wst wir wit tusse hllie. - Wat kunnen ze weer goed met elkaar overweg.

gez.Pierre van Beek - Tis wit tt et stiltje toe. - Ze kunnen het zeer goed met elkaar vinden. (Tilburgse Taalplastiek 131)

Pierre van Beek - Meej die twee is et wit tt et puntje toe; z wit as pppestrnt

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - hdde oew witweeke veur? (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 197l) - vraag aan iemand die op een weekse dag met een witte boord voor de dag kwam.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ds zo wit, daor kan ze wl p tffel poepe ('65) - het is dik aan

Frans Verbunt (1996) - wit as poppestront

WBD III.2.3:186 'witte mik' = wittebrood, ook 'wit mikje'

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wit bijvoeglijk naamwoord : w is 't toch wit tusse-n-ullie - dik aan

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - WIT - wit, bijvoeglijk naamwoord : zoo - als nen doek; hij is wit met (bevriend)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WIT bijvoeglijk naamwoord  - in de uitdr. "t is wit' - de onderlinge relatie is vriendschappelijk (zolang als het duurt).

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
wit, bijvoeglijk naamwoord  'wit': " t Is zeu wit a's poppestront" d.i. buitengewoon vriendschappelijk.

 

witkts

zelfstandig naamwoord

witharige persoon

Stadsnieuws -  Dieje witkts van hiernffe zaat wir aachter de mdjes aon. (030607)

bahuvrihi (possessief-compositum)

 

witkp

zelfstandig naamwoord

WBD koe met witte kop; koe met witte vlek op het voorhoofd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WITTEKOP znw.m. - hoofd met wit, vlasblond haar.

 

witte

werkwoordsvorm; persoonsvorm van weete met voornaamwoord

weet je - 2e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'weete', met vocaalkrimping en samensmelting met enclit. pronomen

► weete

Cees Robben ...d witte war.... (19540417)
Cees Robben Mar witte waor t blft... (19600311)
Cees Robben Dan witte gllie t wel. (19670428)
Cees Robben En witte w den lillukkerd toen zeej... (19671110)
Cees Robben Hoe witte gij d (19700501)
Cees Robben Wittet al... [?] (19800208)

Cees Robben - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kpe..? (19640424)

 

wittighd

zelfstandig naamwoord

witheid, vriendschap

Ze laag goed in de kaast bij ons mskes, men zusjes en men bruurs kosse ok goed meej der opschiete, d zo nie lang mir duure, die wittighd. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

wo, won

verleden tijden van 'wille'

wou(den), wilde(n)

Verl. tijd van 'wille', sterke vervoeging

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ''k wosse begosse (zie opmerking bij 'd' vw)

Cees Robben Hij w wel w... (19801017)

DANB ik w d de pst enen brief brcht

Dirk Boutkan (1996) - 'gij wout'

Bosch wossebegosse (ik wossebegosse)

CiT (69) 'Kwtjoebeet' - ik zou willen dat hij jou beet

 

wchte

werkwoord, zwak

wachten

-- wchte - wchtte - gewcht

B waachte - waachtte - gewaacht

B Mn mt zenge vur verraojers waachte. - Men moet zich wachten van verraders.

M waachte

Cees Robben Swels det ik efkes wochte moes (19590912)
Cees Robben - k Kreeg de kiepekrs vant wochte... (19560714)
Cees Robben Ik weet w wochten is... (19670922)

De Wijs -- (Twee ouwe vrijsters kopen bij de boer 4 kippetjes maar willen er (voor de orde) ook 4 haantjes bij hebben. (de Boer:) D is nie nodig, 4 haontjes bij 4 kiepen (Een van de vrijsters:) J, mar wij weten w wochten is. (10-03-1967)

Henk van Rijen - dk van oe haaw d witte, n wchte zak WBD III.4.4:200 'wachten' wachten, ook 'tokken'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. + intr. 'wochten' - wachten

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WOCHTEN - wachten (trans.+ intr.)

 

woekerij

zelfstandig naamwoord

woeker

WBD III.3.1:67 woekerij = woeker

 

woele

tussenw.

WBD woele woele woele woele roepwoorden voor de eend, waarnaast ook gangbaar zijn: 'poel poel poel', 'eend', 'ind' en 'ndvoogel'

 

woensdag

zelfstandig naamwoord

woensdag

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - Wuunsdaag - woensdag

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - woensdag vur de wt, donderdag vur et bd (Kn'50) - men moest eerst burgerlijk gehuwd zijn, voordat het kerkelijk kon

 

wogget

werkwoordsvorm; persoonsvorm + vn/ lw

wilde het (uitsl. na gij/ge, gullie)

Ge wgget irst himml nie .

Hij wgget bekaant nie gelve.

-- 2e pers. 'w' + vn. of lw. 'et'

-- Het fonetisch hiaat tussen 'w' en 'et' is opgelost door inlassing van 'g' (met dubbel teken geschreven ter accentuering van de korte ) (Zie Schuurmans: Enclit.pron., blz.22) De A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
par. 242)

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - 'wgget' ww - wou het, wilde het

 

wkte

werkwoord, persoonsvorm

waakt(e)

-- tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van waoke, met vocaalkrimping

 

wol

zelfstandig naamwoord

wol; ook het meervoud 'wolle' is gehoord:

Interview Hermans - 1978 - De fijnste wolle die koome t de Mienejoo schaap t Frankrijk n Itaalieje. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Van Delft - "Hij is in de wol geverfd" zegt men, evenals: "Er vat niks op", van iemand die zich nergens aan stoort en z'n gang gaat. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

WBD wl - haar (in de leerindustrie) II 609

WBD wl - blootwol, wol v.d. huid van geslachte schapen, II 609

WBD wlle stf (II:894) - wollen stof

WBD wlle stuk (II:894) - wollen stuk

wolle flenl
Henk van Rijswijk - Wollen flanel: luxe wollen kamgaren stof met een kort door licht ruwen en licht vollen verkregen viltdek. Geweven in plat- of gelijkzijdige keperbinding geweven. De stof is kwetsbaar. Het verdient aanbeveling om een flanel kostuum na een dag dragen enkele dagen vrij te laten hangen. Afhankelijk van het dessin ook wel krijtstreep genoemd.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
wolle stf

WBD II.4. p. 894 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij wol of haar": Dierlijke spinvezel, afkomstig van de huidbedekking van schapen (wol), koeien, geiten, kameelen enz. (haar). De haren groeien vanuit z.g.n. haarzakken en klitten aan elkaar door een afscheidingsprodukt der talkkliertjes (wolvet). De vezel bestaat uit drie lagen, die om elkaar liggen: a. opperhuidschubben; b. leerhuid en c. merg. De opperhuidschubben liggen dakpanvormig over elkaar en maken de wol verviltbaar (zie vollen). Wolvezels zijn fijner en meer gekroesd dan haren. Lange vezels (tops) leveren kamgarens (worsted). Korte vezels (nous) leveren kaardgarens (woollens). Vezellengte van tops: 170-500 mm; van noils: 36-250 mm.
het type wollen stof; wlle stf, K 183 (= Tilburg)

 

Wllek

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Waalwijk

- Mee de tram konde nor Wolluk Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - wie in Wollek frtn wil maoke, die moet wakker zn ('42) -- wie in Wllek frtn wil maoke, die moet dapper zn (74)

 

wllie

persoonlijk voornaamwoord

wij, wijlieden

Interview met de heer De Kok (1978) En tn han wllie n die moete dan netuurlek omspitte! (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

WTT 2012: de uitspraak van deze oude vorm van 'wij' is tot nu toe niet duidelijk.

In de gedrukte bronnen overheerst ►'wuillie'

 

wont, wonde

werkwoord, persoonsvorm

woont

Cees Robben - de vrouw waor ge meej saomewnt

Cees Robben - In mn buurt wnt m de aanderste deur en vrouw ...

Henk van Rijen - wont ie wd? - woont hij ver weg?

-- tegenwoordige tijd sing., resp. verleden tijd van 'woone', met vocaalkrimping

 

wog

werkwoord, persoonsvorm

Henk van Rijen - woog

 

woojke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD 'woojke', 'wjke', 'schaopke', 'ha jnge', 'ha mnneke' vleiwoorden voor het schaap

WNT WOET (I), woete, woetje, wool, wooitje, wootje, wotje - lokroep voor het zwijn, de geit, het schaap

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tussenw. - roep tot een kudde schapen

 

woone

werkwoord, zwak

wonen

D daor ng meense woone! - Dat daar nog mensen wonen!

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 23) 'wone'

-- woone - wnde - gewnd, met vocaalkrimping; -- ook in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: gij/hij wnt

 

wr, waor

bijwoord

Henk van Rijen - waar

Bosch wor - nietwaar (ook: war)

 

wraaf

bijwoord

waaraf, waarvandaan

De Wijs -- Ik z sterk veur veurlichting, dan weten ze tenminste weraaf en weraon (23-02-1972)

R weete wrn n wraaf - weten waaraf en waaraan (waar men aan toe is)

 

wraon, wrn

bijwoord

waaraan en waaraf; hoe of wat; hoe het precies zit
Cees Robben Zeg naa gaa worraon of worraaf... (19670603)

 

wrdewil

zelfstandig naamwoord

losbandige, onstuimige (?)

Pierre van Beek - wddewil (wrdewil?) - iemand die niet weet wat hij wil

WBD III.1.4:219 'waardewil' = wispelturig persoon

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - WORDEWIL m. - iemand die niet weet wat hij wil (Udenhout; blz.58, Verhoeven) Samenstelling met 'worden'

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw. m. 'wordewil' - 1) persoon die kan worden wat hij wil 2) het begin van een zaak of voorwerp waaruit nog alles groeien kan.

WNT (XXVI:2190) WORDEWIL (Kempen) - iemand die kan worden, wat hij wil

 

wrge

werkwoord, zwak

wurgen, worgen

wrge - wrgde - gewrgd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRGEN (uitspr. wrregen) - kroppen in de keel, wringen, sprekend van spijzen: die patatten wrgen danig in de kl.

 

wrm

zelfstandig naamwoord

worm

De wrm zit erin - (het fruit) is door wormen aangetast

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - wurm (met 'doffe u', vgl. mulder en putje = potje)

al hai nog not en pierwrmke/ n enen haok gedaon. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onder waoter...)

WBD 'wrrem' - worm- of horzelgat in een huid (II 585)

Frans Verbunt (1996) - et wasser zo stil dgge de wrme in de grond kost heure niese

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
wrem, znw.m. 'wurm' l) worm (vermis); 2) balk langs het dak van een huis, waarop de spanten worden bevestigd.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRM znw.m. - worm, fr. ver

 

wrmsteek

zelfstandig naamwoord

aantasting door wormen; maajsteek, verwrmd

WBD III.2.3:161 'wormstekig', 'wormstekerig' = wormstekig; ook 'verwormd', 'er zit worm in', 'een wormsteek hebben', 'wormsteek (zijn

 

wrom

bijwoord

waarom

Wrm hddet nie tnemekaare gezeej? - Waarom had je het niet meteen gezegd?

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - ... wrm d wij ...

Cees Robben Wrrom zum daor hn neergezet (19590912)
Cees Robben Wrrom haauwde gij oew glas toch aaltij vaast... (19721027)

Henk van Rijen - 'wrum'

Frans Verbunt (1996) - wrom, drom, omd ene wrm ginne pier is, drom

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wrrem - waarom

 

wrn, wraon

bijwoord

waaraan

R weete wrn n wraaf - weten waaraf en waaraan (waar men aan toe is)

 

wrpspoel

zelfstandig naamwoord

worpspoel

WBD wrpspoel (II:1034) worpspoel: handspoel, weefspoel die met de hand geworpen wordt; ook: worpspoel of spoel

 

wrre

werkwoord, sterk

worden

Dirk Boutkan (1996) - wrre - wier gewrre; (B: wrre - wrde - gewrre)

-- Praesens: ik wr - gij/hij wrdt; imp.: wr

-- 'wier' met lange ie

Cees Robben Die worren daor bewaord. (19600826)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Krt. 69 geeft 'wier' als verleden tijd in T, doch even oostelijk of zuidelijk: 'w?rde'. [sic]

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ww. (met gemengde vervoeging; verl. tijd. 'wordde', bij n persoon steeds 'wier'; verl. deelw.' geworre(n)) intr. 'worren' - worden

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRREN wordt gebruikt in den zin van 'gaan' of om eene daad uit te drukken, die staat te beginnen: Ik geloof dat 'et zal wrren sneeuwen.

 

Cees Robben - Prent van de week - 18-03-1983

wrred, wrrend

zelfstandig naamwoord

waarheid

Henk van Rijen - 'wrret, wrrent, wrht, wrhj

CM wrrend

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - waorhei

Ak oe naa de volle worrent mot zegge... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

worrend is 'n gevaorlijk iets!  (...)

want de worrend maokt iedereen kwaod! (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De Worrend, 1941)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - wie de wrrend sprikt, moet et hs t ('50), resp. ..., moetdert. - Men dient de mensen naar de mond te praten

Verh. - WARENT (worrunt) v - waarheid (zie blz. 42)

Van Dale - WARENTIG bw + tw Verzw. voor waarachtig.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - worrend - waarheid (Meierij)

Haor WORRENT - waarheid

 

wrschouwe

werkwoord, zwak

waarschuwen

-- wrschouwe - wrschouwde - gewrschouwd

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - wrschouwe; waorschouwe

Hij zal oe nog veul liever tien keer worschouwen dan oe eene keer opschrijve. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - waorschouwe

Henk van Rijen - 'wrschaawe'

Ze han me gewaorschouwd, hij kan hillemaol nie teege zen verlies (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD III.3.1:276 'het waarschuwen', 'waarschuwing = waarschuwing

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.tr. 'waarschaauwen', 'waarschouwen - waarschuwen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WAARSCHOUWEN - waarschuwen

WNT WAARSCHUWEN, waarschouwen

 

wrsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

worstje

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 28) uit het cluster stj wordt de t (van 'wrst') verzwegen.

 

Schilderij van Frans van Mieris de jongere: 'Het aanbod van de vrijer' (1762)

wrst

zelfstandig naamwoord

worst

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Ik h verleje week wir de toer mee den mllukwaogen gehad en ik kan oe vertellen d 't 's mergens om half zeuven nie meevalt. Eenen mrgen h'k 't getroffen: 'n Zaoterdag. Toen was 't weer as worst mar nie z vet, glk wij d zeggen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Et krt al, zit mnneke, n et bet van zene wrst ('69)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - Et krt al, zi den Brk, n hij bet van zene wrst ('69) - Reacties op een aansporing om op te schieten.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in wrsten n weedevrouwe witte nie wsse indouwe (Kn'50) - pas op voor een huwelijk met een weduwe

As ge vur un bepaold fist, goei weer moest hebben, koste d krge
as ge hullie, die nonnen, enne worst beloofde. Die wier die nonnen nie
beloofd mar de Heilige Clara, aon wie de nonnen de naom clarissen te
danken han. W moes enne heilige naa meej enne worst doen. Ze zeeje der nie bij w vur worst et dan moes zn, want daor zn me toch veul sorte worst hk bij de slager wel ens gezien. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.2.3:56 'worst', 'metworst', 'verse worst' = worst van gehakt vlees ook 'droge worst', varkensworst'

 

wrstebrod, wrstebrojke

zelfstandig naamwoord

Tilburgsche Courant 25-2-1906

 

Kubke Kladder - Netuurlijk hebben we daor bij k op tijd gegeten. Er waren tien worstenbrooikes de man gereserveerd mar omd 't vrouwvolk er mistal zveul nie lustte, zaag den braawer kaans er wel 'n stuk of vijftien te verdouwen. (uit: 'Uit 't Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilburgsche Courant 22-2-1930)

Lechim - 'k Zaat in 'n kaffetaaria/ List op ons Sjaan te wochte/ En zaag 'n vrouw en unne meens/ Die worstebrooikes kochte. (ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: 'Gelk hasse')

Willy van Rooy - En veur 't geld aon drukwerk besteed kosse ze al veul worstebrooikes en segaren kopen. (uit: 'Veur 'n goei doel', in Schn en lilluk, 1983)

Piet van Beers - van Hrderkes, Kooninge/ n aander schon wskes
n eete van taart,/ worstebrod en saucskes/ dan is er vur ons/ de krsmis pas goed/ n wort k t nuujaor/ vol vreugde begroet. (uit: 'Krst en Nuujaor', www.cubra, ca. 2005)
Lodewijk van den Bredevoort - As ze t waar, die naachtmis, liepen wij kleumend, stoken deje ze nie in de kerk, meej zen allemolle wir op hs aon. Et waar nog stikkedonker en koud, et ha nie gesneuwd, we waren blij d we in un wrm hs kwamen. Ons moeder zette thee en we aten un paor worstebrooikes, die onze vadder zelf gebakken ha, saome meej un snee krintemik, die k al deur de haande van onze vadder via de keukentoffel en meej den oven tot stand waar gebrocht.
(ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ed Schilders - Mar dan. Nao de naachtmis. Dan begon et fist. Dan hamme wrstebrojkes. (W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Henk van Rijen - worstebroodje

Jan Naaijkens - Ons moeder ha honderd worstebrooikes gebakke en binne 't ketier ware ze kuis op. (D's Biks, 1992)

WBD III, 2.3 lemma worstenbrood: saucissenbrood, uitsluitend opgetekend voor Tilburg en Tervuren.

WTT 2012 - het bekendste adres voor worstenbrood in Tilburg was de bakkerij (vroeger annex lunchroom) van Marijnen in de Stationstraat. De zaak stond bekend onder de naam 'Ze Zijn Er', waarmee erop gewezen wilde zijn dat er altijd verse aanvoer was.

Advertentie, 1922

De schrijver Nescio noteerde een bezoek aan Ze Zijn Er in zijn 'Natuurdagboek': 26 April [1954] Maandag. Met Zus met den trein van 1/2 10 naar Tilburg. Eerst op het terras van de stationsrestauratie kopjes koffie gedronken om op de bus naar Hilverbeek [sic] te wachten (eerst even de stationsstraat op en neer gezanikt, om amandelbroodjes en tabak...) (Verzameld werk deel 2 Natuurdagboek 1946-1955 - Bezorgd door Lieneke Frerichs 1996)

Links, met het uithangbord 'Konings Gist', de bakkerij van Marijnen circa 1915. In de achtergrond het station zoals Nescio dat nog gezien heeft. De naam Ze Zijn Er ontbreekt nog op de gevel. Foto: Regionaal Archief Tilburg

 

Ze Zijn Er - Het pand is tegenwoordig een belwinkel; de naam op de eerste verdieping wordt in stand gehouden. (Foto WTT)

Charlotte Mutsaers - Mijn vader kwam uit Tilburg en daar aten ze die [worstenbroodjes] rond Nieuwjaar (evenals de Nieuwjaarskoeken). Zijn leven lang heeft hij in die tijd een doos vol worstenbroden uit Tilburg laten komen ('ze zijn er' heetten die van Marijnen). (Facebook, januari 2013)

►Nuujaorskoek van Ze Zijn Er

Pierre van Beek -  De heer Woestenbergh was o.a. jaren lang voorzitter van de afdeling Tilburg van de Kon. Ned. Maatschappij voor Land- en
Tuinbouw, die weleer haar jaarvergaderingen placht te besluiten met het eten van worstebrood. Ook goed Tilburgs gebruik!... (Tilburgse Taalplastiek 34, Nieuwsblad van het Zuiden, 10-4-1964)

► Woestenbergh - zie ook tebak
 

wrtel, wrteltje

zelfstandig naamwoord

wortel

MP gez. Et was er wir van Jan Schrap me de wrtel ('t was er weer van alle kanten mis)

De Wijs  -- (n laat getrouwde juffrouw is ondanks alles (of dankzij) in verwachting geraakt) J, j, nen auwen struik wil nog wel groeien, asser w sap aon zunnen wortel komt! (15-06-1963)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et is goed m wrtelzaod te zaaje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd bij plotselinge stilte in een gezelschap

WBD III.4.3:106 wrtel - dennenwortel; ook genoemd: stronk, stomp, pst, pin

WBD III.4.3:55 wrtel - hoofdwortel, ook genoemd (pin)wortel, (pn)wortel

WBD III.4.3:402 spkwrtel - smeerwortel (Symphytum officinale), ook genoemd: smrwrtel

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - znw.vr. 'wortel' - 1) wortel (radix); 2) peen.

 

wrtelzoad

zelfstandig naamwoord

wortelzaad

Van Delft - "'t Is nou goed om wortelzaad te zaaien." "'t Is stil als 't niet waait." Dit is: Allen zwijgen stil, er wordt niet gesproken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

 

wrtpomp

zelfstandig naamwoord

WBD bierpomp (pomp die, als dat niet gebeurt door hoogteverschil, in een brouwerij gebruikt wordt om de gekookte wort naar de koelbakken te voeren)

WNT WORT - afkooksel of aftreksel van mout

 

wrvel

zelfstandig naamwoord

wervel, draaibaar houtje als sluitmiddel

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
znw.m. 'wurvel' - wervel

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WRETSEL znw.v. - houten draaiwerveltje Hees wurfel (VII:28)

WNT WERVEL, wa(a)rvel, wi(e)rvel, worvel, wurvel, welver, wilver, wulver - eenvoudig sluit- of klemmiddel voor deuren e.d.

 

wsseg, waozeg

bijvoeglijk naamwoord

mistig

-- afleiding van 'wssem'

 

wssem

zelfstandig naamwoord

wasem, mist

Cees Robben Vur de wossum aon de zulder is heetjemop... (19711217) [Zeer snel eten, schrokken; het voedsel opgegeten hebben voordat het de kans heeft af te koelen]

Ik zie ng hoe ons moeder smaondags/ stond te zwete n de tl/ toe de rand toe vol meej sip-sop/ meej de wossem in der kl... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: N DE WAAS)

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982

Henk van Rijen - ik kos em nie zien van de wssem

WBD III.4.4:58 'wasem' = mist; ook 'waas', 'mot', 'smook'

 

wsseme

werkwoord, zwak

wasemen

Cees Robben Op de goot stao enkelt de waas te wosseme... (19791012)

CiT (50) 'De schaaw blokt en de moor wossemt'

-- wsseme wssemde - gewssemd

 

wot

werkwoord, persoonsvorm

wilde (verleden tijd 2e pers. van wille)

GD07 As ge vruuger nie wot

Cees Robben Och... ik wt de mne was... (19580719)

 

wou

persoonsvorm

wou, wilde

-- verleden tijd van 'wille', naast 'w

ik/hij wou, gij wout, wij wouwe

 

wous

bijvoeglijk naamwoord  / zelfstandig naamwoord

gek

De Wijs -- (gehoord bij de kapper:) hllie pa is wouws, hllie moe is appetjoek en, d kunde wel naogaon, zellef is ie habbetjap (16-01-1975)

Cees Robben Hullieje pa is unne wous.. hullie moeder unne abbetjoek.. en zelf is t k mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel. (19840330)

Henk van Rijen - 'waaws'

Van Dale - WOUS - gek (slang)

Bosch waus scheldwoord: gek

 

wout

zelfstandig naamwoord

politieagent (van Got. waldan)

- Van Delft - "Pas op, daar komt 'n 'wout' aan." (Korvelsch Hoekje) Dit is: Een agent. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

- Pierre van Beek Een politieagent hoort zich wel men de naam van "Wout" betitelen (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)

- Henk van Rijen - 'waawt'

- De tffels vloge dur de raome nr bte. Net zolang ttd de woute kwaame.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Mar naa ha dieje meens dus de woute gebeld meej de tillefoon.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- WBD III.3.1:345 'wout' = politieagent; 346 wout = rijksveldwachter

- Bosch wout - politieagent

- WNT WOUT - 2) politieagent, diender

 

woutekiet

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt (1996) - politiebureau

Bosch woutekiet - politiebureau

WNT WOUTEKIT - politiebureau (ook: boutekit)

 

wouw (Wouw)

plaatsnaam en pv. (verl. tijd van wille)

Van Beek - "Wouw ligt een uur achter Roosendaal", als antwoord op 't gezegde: "Ik wou..." (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958).

 

woutewaoge

zelfstandig naamwoord

politiewagen

- Ge moet d allenig nie bij ene woutewaoge doen.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

wouwer

zelfstandig naamwoord

vijver, visvijver

Kees en Bart (krantenrubriek in Groot Tilburg, ca. 1935) - 'd-t-ie in den wouwer bij de Trappisten terechtkwam'

N. Daamen, Handschrift 1916 - "wouwer - gracht rondom een huis, kasteel e.d."

Henk van Rijen - 'waawer'

WBD III.4.4:178 'wouwer' = vijver; 183 'wouwer = sloot

WNT WOUWER = vijver

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - wijer, wr, wouwer - vijver

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wouwer zn - waterloop

Mnl Wdb WOUWER, WUWER, vijver, vischvijver, oude ontleening aan lat. 'vivarium'. Reeds bij Kiliaan en Plantijn.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - WOUWER: Ik weet niet dat dit woord voor Vijver gebruikt word, maar er zijn nog velden die Wouwers heten, omdat daar voorheen vijvers geweest zijn.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WOUWER znw.m. - vijver

 

wref

zelfstandig naamwoord

wreef

De Wijs -- (gehoord over n pijnlijke voet: ) t gao nie goed mee de wrf van munne voet (09-04-1973)

 

wuillie

persoonlijk voornaamwoord

eerste persoon meervoud: wij

wij; wijlieden

Vergelijk 'gullie' = gijlieden; 'ullie' = 'u-lieden'

O, d doen wuilie noot nie baos. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Daor waor wuili wonden was t nie onplesaant... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Naa zn die Bossenaerkes wel in bietje lawaaieriger as wuilie en ze praoten w grutsiger... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
 

wulkske

verkleinwoord van wolk - wolkje

Laot me stijgen, laot me vliegen

en op witte wulkskes wiegen... (Piet Heerkens; Laot me..., gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

 

wuuje

werkwoord, zwak

woeden (?)

N. Daamen, Handschrift 1916 - "ze wuujen er op (ze zijn er razend op, d.w.z. graag hebben)"

 

wuule

werkwoord, zwak

woelen

WBD III.1.2:74 'woelen' = wroeten

WBD III.1.4:218 'woelig' = onstuimig

B wuule - wuulde - gewuuld

korte uu

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.intr. 'wulen' - woelen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - WULEN - woelen, Hgd. whlen

 

wuunder

zelfstandig naamwoord

WBD mannelijke eend, ook genoemd 'woerd' of 'nd'

-- korte uu

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - wuunder: T (ged.) blz. 167

A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - winder, resp. wnder, znw.m. 'wiender' resp. 'wunder' - woerd, manlijke eend.

MNW - WENDER (II) - Woordsoort: znw(m.) Varianten: winder
Modern lemma: wender. Mannelijke eend, woerd. Kil. wender, winder j. endtrick, anas mas. Vgl. Moortje, 664 en Antw. Idiot. 1433: wendel, wender; Schuermans, 855: wender, wenderik, waard, woerd; Hoeufft, 688: winter.
 

wuust

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - woest

Jan Naaijkens - Ds Biks (1992) - wuust bijvoeglijk naamwoord  - woest

 

wuw, wuwke, weuw

zelfstandig naamwoord

weduwe

M,B weuw

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - weuwke Paaj = weduwe Paaijmans (blz.59) WBD III.2.2:55 'weeuw' = weduwe