John van Erve

 

De intocht van erfstadhouder prins Willem V

in Tilburg in 1766

 

“De leugen van Meelis”

 

Johann Georg Ziesenis

Willem V prins van Oranje-Nassau, circa 1770

 

 

INHOUD

JOHN VAN ERVE

CUBRA HOME


Download de PDF van Uit Tilburg's Verleden

© 2018 John van Erve – Nieuwegein & Stichting Cultureel Brabant


 

 

Inhoud.

Inleiding

1 Het vermeende bezoek van erfstadhouder prins Willem V aan Tilburg.
2 De gebeurtenissen voor, tijdens en na de vermeende intocht van erfstadhouder prins Willem V aan Tilburg in 1766.
3 Publicaties: Boeken, kranten en internet.
4 Edmundis Hubertus Melis, geschiedschrijver of duimzuiger ?
Noten

Bronnen


 

Inleiding.

Bij het onderzoeken van twee dossiers van criminele processen stuitte ik min of meer toevallig op het boekje “Uit Tilburg’s Verleden”, geschreven door Edmond Meelis. Naast het onderzoek in primaire bronnen, zoals protocollen, registers of authentieke documenten, zoek ik altijd naar meer informatie over personen of gebeurtenissen. Het doel ervan is om een zo compleet mogelijke kijk te hebben op het onderzochte onderwerp.

In dit geval zocht ik naar meer gegevens over twee vagebonden, tegen wie een crimineel strafproces werd gevoerd wegens hun aandeel aan een inbraak in Baarle-Hertog. Daarnaast zocht ik naar meer gegevens over een andere vagebond, tegen wie een crimineel proces werd gevoerd wegens vernieling van huisraad en mishandeling van een inwoner van Tilburg.

De namen van de onderzochte personen kwamen voor in een van de hoofdstukken van “Uit Tilburg’s Verleden”. Zij stonden vermeld in een hoofdstuk dat vooral ging over een bezoek dat erfstadhouder prins Willem V in 1766 aan Tilburg gebracht zou hebben.

Vrijwel niets uit het bewuste hoofdstuk klopte met datgene wat ik in de dossiers en registers had gevonden. De drie personen kregen een rol toebedeeld die zij nooit gespeeld hadden. Bovendien waren in ieder geval twee van hen een jaar ervoor al gewurgd of opgehangen.

Het vervelende van het hele verhaal is, dat aan dit boekje van Meelis een zekere waarde is toegekend. Een waarde die, in ieder geval wat betreft het hoofdstuk over het vermeende bezoek van prins Willem V, onterecht is.

Het bezoek van de prins aan Tilburg duikt in veel oudere en zeer recente publicaties en websites op alsof het werkelijk heeft plaatsgevonden. Maar ook de rol die de vagebonden hebben gespeeld tref ik in gedrukte vorm en op het internet meermalen aan. Aan de manier waarop de tekst werd geredigeerd is de bron waaruit werd overgeschreven duidelijk herkenbaar.

In de afgelopen tijd heb ik het hele hoofdstuk over de “intocht van de erfstadhouder” gedetailleerd onderzocht. Het resultaat van dit onderzoek treft u in deze publicatie aan. Ik hoop daarmee een bijdrage te leveren om het “piketpaaltje” dat het vermeende bezoek van erfstadhouder prins Willem V markeert, definitief te kunnen weghalen.

Daarvoor is het nodig, dat leidinggevenden hun websitebeheerders opdracht geven kritisch te kijken naar datgene wat zij over Edmond Meelis en over de prins hebben gepubliceerd. [a]

 


 

1

Het vermeende bezoek van erfstadhouder prins Willem V aan Tilburg.

 

In het Resolutieboek [b] van de schepenen van Tilburg werd op 22 februari 1766

 melding gemaakt, dat prins Willem V op 8 maart 1766 als erfstadhouder zou worden ingehuldigd. Er werden gedragsregels voor de inwoners van Tilburg vastgesteld over onder meer het afsteken van vuurwerk. [1]

Op 7 juni 1766 werd door drossaard en de schepenen een publicatie voor de inwoners van de herdgangen Kerk en Veldhoven te Tilburg opgesteld die de volgende dag aan de Grote Kerk [c] moest worden opgehangen [2].

Iedereen die een paard en kar had, en degenen die een paard en een mestkar hadden werden opgeroepen en aangezegd dat zij op 10 juni 1766 om zeven uur moesten verschijnen bij het huis De Rode Haan aan de Veldhoven. De mannen die geen kar en paard hadden, moesten met een schop daar aanwezig zijn.

Door de afgevaardigde schepenen zouden zij dan worden ingezet om de openbare wegen op verschillende plaatsen binnen de heerlijkheid te repareren. De wegen moesten er namelijk bij de doorpassering van erfstadhouder prins Willem V irreprochabel en loffelijk bijliggen.

Degenen die geen gehoor aan deze oproep gaven konden rekenen op een boete en straf, zoals die van ouds ook al werd opgelegd. Meestal ging het om een boete van drie gulden.

 

Bron: (RAT) Tilburg, Toeg.3 – inv.nr.8, f.27r (7-6-1766)

 

Zoals in de tekst van deze publicatie is te lezen, werd er gesproken over een “apparente doorpasseering” door de erfstadhouder. Dat was dus héél iets anders dan een “intocht” van de prins in Tilburg. En zelfs de “doorpasseering” was “apparent” en leek dus nog helemaal niet vast te staan.

Meer dan deze twee vermeldingen over erfstadhouder prins Willem V zijn er in het Resolutieboek van het jaar 1766 niet te vinden. Als er daadwerkelijk een bezoek van deze hoogwaardigheids-bekleder zou zijn geweest, dan zouden er allicht meer aantekeningen te vinden zijn geweest.

Edmond Meelis schreef, dat prins Willem V op 17 juni 1766 over de Hultensebrug [d]

 in Tilburg was aangekomen en daar enkele dagen verbleef. Hoewel hij geen einddatum van het bezoek noemde, kan uit de tekst worden opgemaakt dat de prins volgens hem tot en met de 20e juni 1766 in Tilburg zou hebben verbleven.

 

 Bron: Uit Tilburg’s Verleden, f.102

 

Om de bewering van Edmond Meelis te kunnen controleren, moest dus gezocht worden naar een of meer bronnen. Deze werden gevonden in het Stadsarchief ’s-Hertogenbosch en het Regionaal Archief Tilburg. Ook de website van Erfgoed ’s-Hertogenbosch was een goede informatiebron.

Als eerste heb ik “De Maandelykse Nederlandische Mercurius” geraadpleegd. Daar bleek, dat prins Willem V op 6 juni 1766 vanuit Bergen op Zoom was vertrokken en op weg ging naar de stad Breda. De Baron van Breda, zoals één van Willems titels luidde, bleef daar tot en met 17 juni 1766.

 

 

Bron: De Maandelykse Nederlandische Mercurius, Volumes 20-23, f.40

 

Voor de zekerheid heb ik ook de “Nauwkeurige beschryving van de plechtigheden by de receptie en inhuldiging van Zijne Doorluchtige Hoogheid Willem de Vijfde” geraadpleegd. Ook in dit boek staat geschreven, dat de erfstadhouder op 17 juni 1766 de stad Breda had verlaten.

 

\

Bron: Nauwkeurige beschryving van de plechtigheden by de receptie en inhuldiging van ZDH Willem de Vijfde, f.114 en 115

 

In beide boeken staat vermeld, dat Willem V zijn reis door Tilburg naar een volgende bestemming voortzette. Mooi is de  vermelding in het tweede boek over Tilburg als een ongemeen groot en schoon vlek.

 

Als twee afzonderlijke en gerenommeerde boeken de “doorpasseering” van Tilburg door erfstadhouder prins Willem V melden dan mag dit feit toch wel met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als waar worden vastgesteld. Graag had ik er het bewijs voor gezien van de zijde van de regenten van Tilburg. Maar als dat bewijs er niet is, dan zou dat een reden temeer zijn om aan te nemen dat de prins Tilburg onopgemerkt heeft gepasseerd.

Daarmee is de bewering van Meelis ontzenuwd, dat prins Willem V vanaf 17 juni 1766 een bezoek van enkele dagen aan Tilburg bracht !

 

Om deze stelling te onderbouwen heb ik de “Historie der stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch” geraadpleegd. Díe bestemming, als hoofdstad van de Meierij, lag namelijk erg voor de hand en wordt in de Nauwkeurige beschryving ook genoemd.

 

Schrijver van dit boek was Johan Hendrik van Heurn. Deze geniet de reputatie een zeer betrouwbaar “feitenaandrager” te zijn. Zijn beschrijvingen werden telkens vergezeld van bron-vermeldingen.

 

Ook Van Heurn schreef, dat de prins op 17 juni 1766 Breda heeft verlaten. Het eerste tolhuis op de straatweg naar Vugt, grensde aan het grondgebied van ’s-Hertogenbosch. Daar werd de erfstadhouder opgewacht door enkele hoogwaardigheidsbekleders en in ’s-Hertogenbosch welkom geheten.

 

Bron: Historie der stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch, f.219

 

Van Heurn beschreef vrij gedetailleerd hoe het programma voor de prins er van dag tot dag uitzag. Maar op 20 juni 1766 is Willem V, volgens de beschrijving van Van Heurn, via Heusden en Gorinchem naar ’s-Gravenhage gegaan.

 

Bron: Historie der stad en Meyerye van ’s-Hertogenbosch, f.225

 

Dat prins Willem V inderdaad op 17 juni 1766 in ’s-Hertogenbosch aankwam en daar tot en met 20 juni 1766 verbleef, is ook terug te vinden in de “Nauwkeurige beschryving van de plechtigheden by de receptie en inhuldiging van Zijne Doorluchtige Hoogheid Willem de Vijfde, Prins van Oranje Nassau”. [e]

 

En ook in “De Maandelykse Nederlandische Mercurius”, wordt de bevestiging voor het bezoek aan ’s-Hertogenbosch op de genoemde data teruggevonden. [f]

 

 Bron: De Maandelykse Nederlandische Mercurius, Volumes 20-23, f.40

 

In drie verschillende boeken staat geschreven, dat erfstadhouder prins Willem V van 17 juni 1766 tot en met 20 juni 1766 in ’s-Hertogenbosch heeft verbleven. Deze drie bronnen waren eigenlijk al voldoende om vast te stellen, dat Edmond Meelis over de intocht van erfstadhouder prins Willem V aan Tilburg heeft gelogen.

De beste bronnen zijn nog altijd de primaire bronnen, voor zover die natuurlijk nog te raadplegen zijn. Het Stadsarchief van ’s-Hertogenbosch bewaart in haar depots onder meer de registers en documenten van het Oud Secretarie Archief.

Het stadsbestuur van ’s-Hertogenbosch werd op 15 mei 1766 door luitenant-generaal Gideon Salomon Deutz op de hoogte gebracht van het voornemen van erfstadhouder prins Willem V om in het begin van de maand juni 1766 een bezoek aan ’s-Hertogenbosch te brengen. Hij zou gedurende twee of drie dagen verblijven bij de Heere Hertog Gouverneur in het Gouvernement. [g] De definitieve data zouden later

 bekend worden gemaakt.

  

Bron: (SAH) ’s-Hertogenbosch OSA 1262-1811, inv.nr.387, f.173v

 

Prins Willem V was in eerste instantie gast bij de gouverneur, en dus niet bij het stadsbestuur van ’s-Hertogenbosch. Commandeur Deutz gaf wel te kennen, dat de prins een bezoek aan het stadsbestuur zou willen brengen. Het stadsbestuur werd onder meer verantwoordelijk gesteld voor het inhalen van de prins en voor de handhaving van de openbare orde.

Het stadsbestuur van ’s-Hertogenbosch liet er geen gras over groeien en ging voortvarend aan de slag met de organisatie van het bezoek. Het Resolutieboek telt vele bladzijden die aan deze voorbereidingen gewijd zijn. Op 2 juni 1766 was het programma voor de ontvangst van Willem V in kannen en kruiken. [3]

Het verlossende bericht verscheen op 11 juni 1766. Daarin werd aangekondigd dat prins Willem V op 17 juni 1766 in ’s-Hertogenbosch zou aankomen. [4]

 

Bron: (SAH) ’s-Hertogenbosch OSA 1262-1811, inv.nr.387, f.230v

 

Het volledige stadsbestuur van ’s-Hertogenbosch was op 17 juni 1766 om 11 uur ’s ochtends aanwezig om de erfstadhouder in te halen en welkom te heten. [5] Op 18 juni

 1766 kreeg de prins op het stadhuis een dejeuner aangeboden en later op de dag volgde nog een concert in de Grote Kerk.

 

 

Bron: (SAH) ’s-Hertogenbosch OSA 1262-1811, inv.nr.387, f.231r

 

Omdat het stadsbestuur hierna geen officiële verplichtingen meer had ten opzichte van de prins, werden er in het Resolutieboek geen verdere aantekeningen over het bezoek meer gevonden. Voor gegevens van het vertrek van Willem V moeten we dus teruggrijpen naar hetgeen in de bovenstaande historische boeken staat vermeld.

Het is frappant dat de “leugen van Meelis” zolang deel heeft uitgemaakt van de geschiedenis van Tilburg. De vraag doet zich voor hoe het kan bestaan, dat deze onwaarheid in de afgelopen 130 jaar heeft kunnen voortleven en kennelijk door alle betrokken auteurs werd geloofd.

 

Conclusies

- - het openbaar maken van (historische) gebeurtenissen die niet hebben plaatsgevonden, is geschiedvervalsing.

- - nu onomstotelijk vast staat, dat het bezoek van erfstadhouder prins Willem V in 1766 aan Tilburg nooit heeft plaatsgevonden, wordt het na zo’n 130 jaar de hoogste tijd dat dit feit voor eens en voor altijd met wortel en tak uit de geschiedenis van Tilburg wordt uitgeroeid.

-- deze publicatie is een eerste aanzet daartoe. Maar om dit doel te bereiken is de onvoorwaardelijke hulp en steun vereist van overheid, instellingen, stichtingen, verenigingen, media, particulieren enzovoort, die deze publicatie hebben ontvangen.


 

 2

 

De gebeurtenissen voor, tijdens en na de vermeende intocht van erfstadhouder prins Willem V aan Tilburg in 1766.

 

Een van A tot Z verzonnen melodrama !

 

Johann Georg Ziesenis

Willem V prins van Oranje-Nassau , circa 1770

 

Inleiding.

Nu we weten dat het bezoek van erfstadhouder prins Willem V aan Tilburg nooit heeft plaatsgevonden, is het tijd om het resterende deel van het hoofdstuk eens kritisch onder de loep te nemen.

In de herfst van 1764 werden Anna Maria Möltchens en Anna Margriet Waits [h] op

 het grondgebied van Goirle opgepakt. Zij werden verdacht van betrokkenheid bij een inbraak in Baarle-Hertog en om die reden in de toren van de Grote Kerk in Tilburg opgesloten. Möltchens was bij haar arrestatie zwanger en beviel op kerstavond 1764 in de gevangenis in de toren van Tilburg van een zoon. [6]

In het voorjaar van 1765 kregen de beide dames gezelschap van Gerrit Bartels, die ook met de bijnaam Geertje de Vlug of Gerritje de Vlug door het leven ging. Hij werd gedetineerd omdat hij iemand had mishandeld en diens huisraad had vernield. Uit zijn preparatoir verhoor bleek, dat hij niet wist dat hij in de wandeling zo werd genoemd. [7]

De drie arrestanten hadden één ding met elkaar gemeen: zij waren alle drie zwervers. Maar uit niets is gebleken dat deze gevangenen elkaar al kenden en ook hun beider strafzaken hadden niets met elkaar van doen. Zij waren volkomen vreemden voor elkaar.

De criminele strafprocesdossiers van deze zwervers die in het depot van het Regionaal Archief Tilburg liggen, worden momenteel onderzocht. De inhoud ervan blijft in deze publicatie buiten beschouwing.

Zoals in de inleiding al werd geschreven is het een vaste gewoonte om naast onderzoek in primaire bronnen ook nog te zoeken naar publicaties van andere onderzoekers of publicisten.

De zoekterm “Gerrit Bartels” leverde een treffer op, op de website van het Geheugen van Tilburg [i]. Daar kwamen niet alleen Gerrit Bartels maar ook de dames Möltchens

 en Waits aan bod. Het drietal werd in verband gebracht met een overval op een officier uit het gevolg van prins Willem V. Die overval zou volgens het artikel plaats hebben gevonden in 1766 tijdens het bezoek dat de prins aan Tilburg bracht.

Dat was voor mij de eerste aanwijzing voor wat later een onwaar verhaal bleek te zijn. Möltchens was immers in 1765 al aan de wurgpaal ter dood gebracht. Over Waits werd geen informatie meer gevonden. Bartels werd in dat zelfde jaar in Thorn opgehangen.

 

Bron: Fragment uit een brief van raad en meier in Thorn J.F.A.de Borman d.d.28-9-1765 (Tilburg en Goirle ORA 324)

 

Een van de bronnen op deze website was het boekje “Uit Tilburgs verleden. Losse schetsen uit de geschiedenis van Tilburg”, geschreven door Edmond Meelis. De namen van Möltchens, Waits en Bartels werden vermeld in hoofdstuk V van het betreffende boekje met de titel : “De intocht van Prins Willem V te Tilburg in 1766”.

Aan bronvermelding deed Meelis in zijn boekje niet. Dat is jammer, want historische feiten moeten nou eenmaal op juistheid en waarheid kunnen worden gecontroleerd. De inhoud van het hoofdstuk in combinatie met het ontbreken van bronvermeldingen maakte het boek verdacht. Bij de mate van verdenking speelt de reputatie van iemand als schrijver over en onderzoeker van historische feiten zeker een rol. Uit enkele biografieën over Meelis, maar ook uit eigen onderzoek, bleek dat zijn schrijversreputatie niet bijster groot was. De argwaan was dus gewekt !

  

De gebeurtenissen voor, tijdens en na de vermeende intocht van erfstadhouder prins Willem V in 1766 aan Tilburg.

 

De kritische lezer zal al hebben opgemerkt, dat dit hoofdstuk op de kaft van het boekje wordt aangeduid als hoofdstuk IV, in plaats van hoofdstuk V. Bovendien staat op de omslag bij dit hoofdstuk het jaartal 1762 vermeld, terwijl het hoofdstuk over het jaar 1766 gaat.

Hoe het ook zij, de titel van het hoofdstuk wekt de indruk, dat prins Willem V daadwerkelijk in 1766 een bezoek aan Tilburg heeft gebracht.

Terug naar de publicatie van drossaard en schepenen van blz.3, of liever gezegd naar de manier waarop deze, volgens Meelis, ter kennis van de inwoners van Tilburg werd gebracht. Hij begon met het schetsten van een soort van karikatuur van vorster Jacobus Perrollet. En passant gaf hij deze figuur de zelf verzonnen bijnaam “Kobi”. De naam Perrollet trof ik vaak in de archieven aan, maar zijn vermeende bijnaam is in geen enkel archiefstuk terug te vinden. [j]

Het heeft er alle schijn van, dat Meelis geen idee had wat de werkzaamheden van een vorster inhielden en op welke wijze publicaties van drossaard en schepenen ter kennis van de inwoners van Tilburg en Goirle werden gebracht. In ieder geval ging dat niet door een rondgang met een trommel en het op bepaalde punten omroepen van de publicatie. Nee, de vorster hing in opdracht van drossaard en schepenen een publicatie “af” aan de pui van de Grote Kerk in Tilburg.

Net zo min als Jacobus Perrollet in juni 1766 nog vorster van Tilburg was, net zo min droeg hij of welke andere vorster dan ook het door Meelis bedachte kostuum. Op 21 november 1763 werd namelijk in de plaats van Perrollet een nieuwe vorster aangesteld [k]. Door zijn hoge ouderdom en langdurige indispositie was Perrollet niet

meer in staat zijn ambt naar behoren te vervullen.

 

Bron: (RAT) Toegangsnr.3 – voorl.inv.nr.133 (21-11-1763)

 

Waarom zou Meelis nou juist Perrollet voor dit verhaal hebben gekozen? Zou Perrollet beter klinken dan bijvoorbeeld Otto van Dijck, die op dat moment wél vorster was? Ook zou met de roepnaam Jacobus misschien wel een betere bijnaam te bedenken zijn dan met de roepnaam Otto.

Meelis tekende op, dat enkele dagen voor de komst van de prins de “brave wever Adriaan de Rademaker” wegens inbraak en diefstal in een huis in Korvel was gearresteerd. [l] Deze man, die een “bruinen spitsen baard” droeg (onthoudt dit

 kenmerk goed !) werd volgens Meelis door Perrollet gearresteerd.

Adriaan de Rademaker was, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, een fictief persoon. Nergens heb ik “papieren sporen” van deze man in de archiefstukken aangetroffen. Ook van een door Meelis opgevoerde ongeveer twintigjarige dochter met de naam Maria ontbreekt elk spoor.

Zelfs de inbraak en diefstal zijn door Meelis verzonnen. Noch in het Register van alderhande decreten, noch in het Register van attestatiën en preparatoire informatiën, noch op de Criminele Rol komt een Adriaan de Rademaker voor. Op de lange inhoud van dit verzinsel ga ik hier verder niet in. Om de nieuwsgierigheid naar de afloop van dit verhaal alvast te bevredigen: het eindigt met een happy end.

De vraag blijft nog wel hoe Meelis op de naam van De Rademaker was gekomen. In 1766 was ene Bernardus de Rademaker een van de twee schepenen van Goirle. Het zou zo maar kunnen dat deze naam hem dusdanig aansprak, dat hij deze in zijn verhaal wilde gebruiken.

Volgens Meelis werd prins Willem V bij de Hultensebrug door een erewacht opgewacht. Die erewacht zou volgens hem onder commando hebben gestaan van ene Sebastiaan Heshusius, de zoon van dorpsdoctor Johan Heshusius. Het heeft er alle schijn van dat ook deze persoon een verzinsel is van Meelis.

Doctor Johan Heshusius heeft zich, zonder partner, op 16 november 1763 met een attestatie vanuit ’s-Hertogenbosch als lidmaat laten inschrijven bij de Gereformeerde kerk van Tilburg [8]. Echtgenoten lieten zich meestal tegelijkertijd of kort erna ook als

lidmaat inschrijven. Bij Johan Heshusius was dat niet het geval en het zou goed kunnen dat hij ongehuwd was. Gegevens van een echtgenote werden nergens in registers of documenten aangetroffen.

Maar ook een Sebastiaan Heshusius werd in geen enkel archiefstuk aangetroffen. Als hij commandant van een erewacht was, dan zou hij ook meerderjarig zijn geweest. Had hij zich samen met zijn vader ook in Tilburg gevestigd, of zou hij belijdenis hebben gedaan, dan zou er van hem óók een inschrijving in het Lidmatenregister terug te vinden moeten zijn. Dat is niet het geval.

Volgens Meelis zou de prins in de pronkkamer van een pleisterplaats bij de Hultensebrug een korte rustpauze hebben genoten. Deze pleisterplaats was ook weer een verzinsel van Meelis, want nabij de Hultensebrug heeft voor 1835 nooit bebouwing gestaan.

 

Fragment van de kaart van Verhees.

 

Het is goed nog even te kijken naar het door Meelis verzonnen ontvangstcomité voor de prins bij het kasteel aan de Hasselt [m]. Daarbij valt op dat Meelis daarin alleen de

 Tilburgse schepenen noemt, maar die van Goirle niet. Extra vreemd, omdat hij in dit gezelschap wél de borgemeesters van zowel Tilburg als Goirle noemt. Daar moest een verklaring voor te vinden zijn. Het is maar een detail, maar toch de moeite waard naar een mogelijke reden te zoeken.

En wat blijkt? In het jaar 1766 was een van de Goirlese schepenen ene Bernardus de Rademaker. Die “toenaam” was in dit hoofdstuk al eens gebruikt, en werd toegedicht aan de brave wever Adriaan de Rademaker, die op Korvel zou hebben ingebroken. Het zou heel goed kunnen, dat hij niet tweemaal dezelfde naam in zijn verhaal wilde gebruiken.

In het ontvangstcomité werden dus de borgemeesters van zowel Tilburg als van Goirle opgevoerd. Een borgemeester was voor 1809 een soort penningmeester van het dorp. Hij moest er, enigszins kort door de bocht, voor zorgen dat belastingen werden geïnd en rekeningen en salarissen betaald. Borgemeesters waren geen dorpsnotabelen die zich bij officiële gelegenheden dienden te presenteren. Pas vanaf 1809 kreeg Tilburg een burgemeester in de geest zoals wij die tegenwoordig kennen, namelijk iemand met bestuurlijke verantwoordelijkheden.

 

Doordat Meelis hier de twee borgemeesters opnam in het ontvangstcomité van de prins, lijkt het erop dat hij dit onderscheid niet kende. Misschien is hij op het verkeerde been gezet doordat er niet altijd borgemeester werd geschreven maar ook wel burgemeester.

Ondertussen kunnen we Meelis weer eens op een slordigheidje betrappen toen hij schreef dat graaf Van Hogendorp de heerlijkheid Tilburg en Goirle in 1757 kocht [n].

 Het juiste jaartal moet 1754 zijn.

Het hele verhaal over de intocht en de ontvangst van de erfstadhouder laten we verder voor wat het is. De draad wordt weer opgepakt bij de vermeende beroving van een lid van het gevolg van de prins. Het slachtoffer van die beroving zou ene vrijheer Von Grünbach zijn geweest.

 

Zoeken naar deze Freiherr leverde geen resultaat op. In Duitsland bestaat er zowel in Saksen als in Bayern een gemeente Grünbach. En ook Oostenrijk kent twee gemeenten met die naam. Een slot of kasteel Grünbach heeft nooit bestaan, laat staan een Freiherr Von Grünbach. Volgens Meelis was hij een familielid van de hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel. Een fragment van de genealogie van deze hertog zorgde niet voor opheldering. Een Von Grünbach stond er niet bij. Het heeft er dus alle schijn van dat Meelis weer eens een nieuw fictief personage in zijn verhaal verwerkte.

Naar aanleiding van de beroving werden uiteindelijk een gewonde man en twee vrouwen gearresteerd. Het waren de in de inleiding genoemde Anna Maria Möltchens, Anna Margriet Waits en Gerrits Bartels, alias Gerritje de Vlug. Bartels zou bij de beroving aan de schouder gewond zijn  geraakt door een houw met de sabel van Von Grünbach. Bij de beroving zou nog een tweede man betrokken zijn geweest. Dienst naam werd niet vermeld en deze komt in het verloop van het verhaal verder niet meer voor.

De beide dames behoorden zoals Meelis schreef inderdaad tot een bende rovers en gauwdieven. En het klopt inderdaad dat Möltchens, volgens eigen zeggen, getrouwd was met ene Peter van Aken, alias De Spitskop. [9] Maar Gerrit Bartels behoorde niet tot de bende.

 

Meelis legde uit, hoe Bartels aan zijn bijnaam Gerritje de Vlug was gekomen. Hij schreef dat hij die naam te danken had omdat hij na zijn arrestaties, veroordeling, en geseling gevangen werd gezet, maar steeds weer wist te ontvluchten. In de inleiding werd al uitgelegd, dat Bartels zelf niet wist dat hij zo genoemd werd. We houden het wat dit betreft op een eigen interpretatie van Meelis, temeer omdat er voor deze stelling verder geen bewijs werd gevonden.

In het toen geldende strafprocesrecht werd iemand, ook weer even kort door de bocht, na het begaan van een delict eerst gearresteerd en verhoord. Daarna volgde een veroordeling en een tenuitvoerlegging van de opgelegde straf. Die straf kon bijvoorbeeld geseling zijn, maar gevangenisstraf kende men toen nog niet. Van gevangenzetten als straf kon dus geen sprake zijn.

Toen Bartels verhoord werd over zijn daden, bekende hij volgen Meelis ook de inbraak en diefstal op Korvel, waarvoor de brave wever Adriaan de Rademaker gevangen zat. Deze werd uit zijn gevangenis gehaald en in dezelfde ruimte gebracht als Bartels. Daar viel de aanwezigen op dat De Rademaker en Bartels dezelfde lichaamshouding en allebei een “bruinen spitsen baard” hadden. Er was dus sprake van persoonsverwisseling en De Rademaker kon dus in vrijheid worden gesteld. Je moet er maar opkomen !

Bartels bekende inbraken in Nieuwkerk, Baarle-Hertog op Korvel. De inbraak in Korvel kan vergeten worden. Daarvan zijn geen aanwijzingen gevonden. In het najaar van 1764 was er wel een inbraak in Baarle-Hertog, waaraan Möltchens en Waits medeplichtig waren. De inbraak zelf werd gepleegd door Peter van Aken en een onbekende andere man. Na de inbraak zijn de daders gevlucht naar Nieuwkerk. Deze vlek bestond toentertijd uit twee huizen: één aan de kant van de Oostenrijkse Nederlanden en één aan de kant van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In dit laatste huis hielden zij zich schuil. De beide vrouwen werden daar gearresteerd en in de toren van Tilburg opgesloten. [10] Bartels werd in het voorjaar van 1765

 gearresteerd voor een heel ander feit, dat helemaal niets met het door de dames gepleegde delict te maken had. [11] Zie ook de inleiding van dit deel.

Tijdens haar detentie beviel Möltchens op Kerstavond 1764 van een zoon Peter. Tot en met april 1765 heeft zij haar kind zelf in haar gevangenishok verzorgd en gevoed.

Daarna werd het kind haar afgenomen omdat haar mogelijk een “scherper examen [o]

 te wachten stond. De baby werd ondergebracht bij Marij Zegers, de weduwe van Jan van Besouw. [12] Daarna is het nog verzorgd door een niet met name genoemde

schoolmeester en vervolgens ook nog door Barend de Rademaker.

Op 14-jarige leeftijd werd deze jongen naar Middelburg begeleid en monsterde hij op 19 augustus 1779 aan als hooploper op het VOC-schip “Oud Haarlem”. [13] Op 15-jarige

leeftijd overleed hij op weg terug naar de Republiek, op 11 augustus 1780 aan boord van het VOC-schip “Oostcapelle”. [14] Dat de heerlijkheid gedurende meer dan 20 jaar

 voor deze jongen heeft betaald, zoals Meelis op bladzijde 115 schrijft, is dus pertinent onjuist. [p]

Hierna gaat Meelis uitgebreid in op de ontsnapping van Bartels en Waits. Bartels zat niet gevangen in het huis van vorster Otto van Dijk, maar net als Möltchens en Waits in de toren van de Grote Kerk (’t Heike). De manier waarop hij Waits uit haar gevangenis bevrijdde en de bewusteloosheid van Möltchens zijn een verzinsel van Meelis.

Bartels is wél uit de toren van Tilburg ontsnapt. In de nacht van 16 op 17 juni 1765 heeft hij zich van zijn boeien weten te ontdoen. [15] Bij zijn vlucht wist hij Waits [16]

ook uit haar gevangenis te bevrijden.

Van Waits werd geen spoor meer terug gevonden. Zij heeft in ieder geval de rest van haar leven niet in de gevangenis van ’s-Hertogenbosch doorgebracht, zoals in het boekje wordt geschreven. In het archief van die stad is noch een crimineel dossier, noch een veroordeling tegen Waits terug te vinden. Los daarvan zou een vagebond als Waits, die ernstige vergrijpen heeft gepleegd of daarbij betrokken was, nooit tot een gevangenisstraf zijn veroordeeld. Volgens de placaten van de Staten-Generaal hierover zou de doodstraf zeker zijn opgelegd.

In geen enkel register of document staat beschreven hoe de ontsnapping precies heeft plaats-gevonden. Misschien dat dat te zijner tijd aan het licht komt bij mijn verdere onderzoek naar Bartels bij het Regionaal Historisch Centrum Limburg. De bevindingen daarover zullen in een apart aan Bartels geweide uitwerking worden verwerkt.

Bartels werd in 1765 in het Limburgse Thorn [q] opgehangen. Möltchens werd op 26

juni 1765 te Tilburg aan de wurgpaal ter dood gebracht. [17] Maar op bladzijde 114

schrijft Meelis dat Möltchens op 26 februari 1767 werd geëxecuteerd. Op die dag is er volgens de Criminele Rol helemaal niemand geëxecuteerd. De betrokkenheid van Möltchens, Waits en Bartels is derhalve volkomen uitgesloten.

Aan het eind  van het hoofdstuk werkt Meelis nog een overzicht van door vorster Otto van Dijk gemaakte kosten uit. Dit overzicht heb ik niet terug kunnen vinden, maar ik sluit daarmee niet uit  dat dit of een soortgelijk overzicht misschien wel bestaat.

  

Conclusies:

-- als (hoofd-)commies op de secretarie van Tilburg had Melis kennelijk gemakkelijk toegang tot het archief.

- - voor zover ik zijn teksten kan inschatten haalde hij zijn informatie voornamelijk uit het Resolutieboek van de schepenen en uit het Register van attestatiën en preparatoire informatiën.

- - het lijkt er niet op dat Meelis de strafdossiers van de dames Möltchens en Waits, noch dat van Gerrit Bartels heeft geraadpleegd.

- - Meelis is duidelijk niet bekend met het toen geldende strafprocesrecht.

- los van alle verzinsels komen er redelijk veel slordigheden in het verhaal voor.

- - de plot van de persoonsverwisseling door het dragen van “spitse baarden” door twee mannen komt wat infantiel over.

- - de gebeurtenissen die Meelis in ongeveer een week tijd in een dorp als Tilburg deed voorkomen, gebeurden in een stad als ’s-Hertogenbosch nog niet in vijf jaar.


 

 

3

Publicaties

Boeken, kranten en internet

 

 

Publicaties.

Tijdens zijn redacteurschap bij de Tilburgsche Courant [r] is Edmond Meelis op zeker

 moment begonnen met het schrijven van artikelen over de geschiedenis van Tilburg. Deze publiceerde hij onder de titel “Verspreide stukken uit de geschiedenis van Tilburg” onder het pseudoniem E. van Lindeburg. Zijn eerste artikel verscheen in de Tilburgsche Courant van 3 november 1887, zijn laatste was van 27 maart 1890.

In de inleiding van het eerste artikel schreef Meelis ondermeer: “Niemand heeft, voor zover wij hebben kunnen nagaan, ooit de pen opgenomen om de historie onzer stad te schrijven.” En ook schreef hij: “Wij stellen ons voor eenige verhalen uit de vorige eeuwen onzen lezers aan te bieden. Misschien zal dit anderen, meer begaafden in deze materie, opwekken om hunne mededeelingen in het licht te geven en alzoo zou het mogelijk kunnen worden eene historie Tilburg’s te verkrijgen.

Uit deze inleiding zou opgemaakt kunnen worden, dat Meelis bij zijn lezers de indruk wekte dat hij over waar gebeurde gebeurtenissen zou gaan schrijven. Maar tegelijkertijd dekte hij zich enigszins in door aan te geven dat hij minder begaafd was in deze materie. Met andere woorden: mócht hij iets schrijven wat niet helemaal juist was, dan moest men hem dat maar niet kwalijk nemen.

Het verhaal over het bezoek van erfstadhouder prins Willem V in 1766 aan Tilburg was een van de gepubliceerde artikelen. Verdeeld over vijf opeenvolgende edities in de maand oktober 1889 werd het artikel over dit vermeende bezoek in de krant geplaatst. [s]

De uitgever van het maandblad “Kempisch Museum” was kennelijk onder de indruk van de artikelen van Edmond Meelis. Dit blad was gewijd aan de geschiedenis en oudheden in de Belgische en Nederlandse Kempen. In de Tilburgsche Courant krant van 13 februari 1890 werd melding gemaakt van het eerste nummer van het blad. Schrijver E. van Lindeburg werd genoemd als een van de Nederlandse medewerkers.

 

G. Meelis was de vader van Edmond Meelis. In 1890 vierde het gilde Sint Dionysius in Tilburg, dat hij vijftig jaar lid van dit gilde was. Een van de cadeaus voor de jubilaris was een in rood leer gebonden boek over dit gilde. Schrijver van het boek was E. van Lindeburg. [t]

 

 

In het jaar 1900 gaf Edmond Meelis het boekje “Uit Tilburg’s Verleden” uit. Het kreeg de ondertitel “Losse schetsen uit de geschiedenis van Tilburg” mee. Het werd “Eerbiedig opgedragen aan de nagedachtenis van den Heer Adriaan van Roessel, vorig President, en aan den Heer Petrus Franciscus Bergmans, regeerend President, Commandeur in de orde van het Heilig Graf, Ridder in de Piusorde”. Van Roessel [u] was in 1859 president van

het Armbestuur, Bergmans was dat in 1893 en 1900. “Uit Tilburg’s Verleden” werd bij drukkerij W.Bergmans in Tilburg, in een onbekende oplage, gedrukt en telde 156 bladzijden. De inhoud van dit boekje is vrijwel identiek aan alle artikelen, die Edmond Meelis in 1889 in de Tilburgsche Courant schreef.

In het jaar waarin het boekje verscheen werd het te koop aangeboden voor f. 1.25 per stuk. Ook werd het boekje in meerdere catalogi vermeld. Tot zover de eigen publicaties van Edmond Meelis.

 

Bron: Nieuwsblad voor den Boekhandel jaargang 67, 1900, nr.76 (28-9-1900).

 

Bijna twintig jaar na zijn overlijden dook het artikel van Meelis, over de intocht van prins Willem V in Tilburg, weer op. Dit keer was het in eerste instantie een anonieme schrijver, die onder de kop “Stadsfilm” in de Tilburgsche Courant van 21 juli 1928 het eerste gedeelte uit “Uit Tilburg’s Verleden” overschreef.

In zijn inleiding schreef de anonieme schrijver onder meer “In de gemeente-archieven liggen tal van interessante stukken die op dit bezoek aan deze stad betrekking hebben”. Niet alleen Edmond Meelis bleek een grote duim te hebben !

Het vervolg van het hoofdstuk werd op 4 augustus 1928 en 25 augustus 1928 in dezelfde krant door Kees Smeulders overgenomen.

Hierna plaatste Gerard van Leyborgh [v] vanaf 1 december 1928 in zijn “Historische sprokkelingen” het door Melis verzonnen verhaal in de Nieuwe Tilburgsche Courant.

Van Leyborgh was vol lof over het werk dat Meelis voor de liefhebbers der Tilburgsche geschiedenis heeft gedaan. Het mocht volgens hem tot een grote verdienste gerekend worden dat Meelis de eerste was die enige losse schetsen uit de geschiedenis van Tilburg heeft geschreven.

En in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 18 juli 1936 schreef A.J. Prins dat er in de gemeentearchieven nauwkeurige bijzonderheden over het bezoek aan Tilburg van Willem V bewaard zijn gebleven. Het lijkt er op dat dit een eigen interpretatie van hem was, omdat er in de Resolutieboeken niets over een bezoek is terug te vinden.

In het zelfde jaar verscheen het “Gedenkboek bij gelegenheid van de plechtige ingebruikneming van het paleis van wijlen Z.M. Koning Willem II tot paleis-raadhuis der gemeente Tilburg”. En ook in dit boek werd het vermeende bezoek van prins Willem V aangehaald, waarbij “Uit Tilburg’s Verleden” als bron werd vermeld. [w] Dat ligt in

zoverre voor de hand dat de auteur Lambert de Wijs is, en dat die dezelfde is als Van Leyborgh, hierboven.

In het Nieuwsblad van het Zuiden van 30 november 1968 schreef Pierre van Beek een uitgebreide samenvatting van het gewraakte hoofdstuk uit “Uit Tilburg’s Verleden”. Het artikel droeg de titel “In 1767 stond op de Heuvel een schavot”. De inleiding van Van Beek was er een van formaat ! Hij schreef: “Het geheel blijkt een roversverhaal in optima forma, dat alle elementen bevat voor een daverend melodrama. Voor schrijvers van ouderwetse stuiversromans was dit om te likkebaarden. Maar het gaat hier niet om fantasie. Allemaal echt gebeurd…….” Het lijkt er op dat Van Beek blindelings vertrouwde op zijn bron.

Van Beek maakte een opsomming van alles wat er zoal in de paar dagen van het vermeende bezoek zou hebben plaatsgevonden. Van dat imposante rijtje was alleen de geboorte in de gevangenis van een jongetje waar.

Het slot van Pierre van Beeks artikel gaf nog het beste weer wat ik alsmaar probeer voor het voetlicht te halen: archiefonderzoek !

Van Beek schreef letterlijk: “Dat was dus het happy end van dit melodrama, dat door de schrijver met iets méér verve werd uitgesponnen dan wij nodig meenden te hebben. Jammer, dat we niet weten op welke documenten de vermelde feiten allemaal steunen.

Zou Pierre van Beek, toen hij zijn krantenartikel had uitgewerkt, toch wat twijfel hebben gehad over de echtheid van de gebeurtenissen? Een moeilijk te beantwoorden vraag, temeer omdat Van Beek op 9 januari 1975 nog eens met dit verhaal in het Nieuwsblad van het Zuiden terugkwam. De titel luidde nu ”Om te feesten zijn Tilburgers nooit te traag”. Daarmee lijkt het er tóch op dat Van Beek tien jaar later nauwelijks aan de authenticiteit van het bezoek getwijfeld heeft.

Van Beek schreef zeer veel over de geschiedenis van Tilburg. Regelmatig verwijst hij, soms maar met enkele woorden, naar het bezoek van Willem V aan Tilburg. De Heemkundekring “Tilburg” gaf in 1994 een boekje uit met de titel “Terugblik op Tilburg”. In dit boekje staat een aantal artikelen van de hand van Pierre van Beek. Een van die verhalen was dat van het schavot op de Heuvel. [x]

 

Het tijdschrift “Rondom de schutsboom” van de Heemkundige kring “De Vyer Heertganghen” uit Goirle vond het waarschijnlijk ook al een interessant verhaal en nam het hoofdstuk van Meelis integraal over. [y]

In 2017 verscheen het boek “Koning Willem-Alexander ziet Abraham in Tilburg”. De koning vierde op 27 april 2017 met zijn gezin Koningsdag in Tilburg. Naar aanleiding van dit bezoek werd een schitterend boek samen gesteld, waarin de dag vooral met veel foto’s als het ware werd herbeleefd.

Op bladzijde 9 van dit boek schreef Ronald Peeters het hoofdstuk: “250 jaar Oranje in Tilburg”, waarin een greep werd gedaan uit 250 jaar Oranje en Oranjefeesten.

Als eerste werd daar vermeld, dat prins Willem V in 1766 een bezoek aan Tilburg had gebracht. Onder de grote oranje cijfers die het jaartal 1766 vormden, lezen we enkele passages die, al dan niet gemodificeerd, rechtstreeks uit “Uit Tilburg’s Verleden” van Edmond Meelis zijn over-geschreven.

De pleisterplaats waar prins Willem V in de pronkkamer werd ontvangen, werd door Peeters aangeduid met herberg “De Dongewijk”. In geen enkel archiefstuk ben ik een herberg in die periode en onder die naam tegengekomen. Het landgoed “Dongewijk” bestaat volgens hun eigen website sedert 1835.

Naast gedrukte sporen van Meelis’ hand, worden ook sporen op het internet teruggevonden. Op de website “Stadsbos013”, een site van de gemeente Tilburg, werd op 21 december 2017 het één en ander geschreven over “Dongewijk”. Onder het kopje “Herberg” staat het fragment geschreven waar prins Willem V het grondgebied van Tilburg zou zijn binnengekomen en de aanwezigheid van een herberg op die plaats. Inmiddels weten we beter en zou dit gedeelte van de website verwijderd moeten worden.

De website Geheugen van Tilburg wordt beheerd door het Stadsmuseum Tilburg. In een korte samenvatting uit “Terugblik op Tilburg” schrijft Anton van de Wiel in 2008 ondermeer over het bezoek dat Willem V aan Tilburg bracht en de rol die Gerrit Bartels, alias Gerritje de Vlug, gespeeld zou hebben. Zijn verhaal kreeg de titel “Struikrovers in Bommelskonte”.

Op TilburgWiki wordt het vermeende bezoek van Willem V door een onbekende auteur aangehaald onder de kop “Oranje-feesten”.

De beheerders van deze websites worden opgeroepen, om de teksten over het vermeende bezoek van prins Willem V aan te passen of te verwijderen.

 

Conclusies:

-- als je je opleiding aan een klein seminarie en een groot seminarie hebt gevolgd, dan behoorde je niet tot de dommeriken van deze wereld.

-- toch heeft Edmond Meelis met zijn volle verstand een historisch feit uit de duim gezogen en gepubliceerd.

- - dit verzinsel heeft hij vervolgens “opgeleukt” met feiten die het midden houden tussen fictie en werkelijkheid.

- - de vraag doet zich voor of hij zich bewust is geweest van de consequenties van zijn publicaties.

-- de reputatie van Melis als schrijver is van weinig importantie. Onder aan de streep komen we niet veel verder dan tweemaal dezelfde artikelen en één boekwerk over een gilde.

-- het boekje “Uit Tilburg’s Verleden” wordt in enkele biografische portretten als zijn belangrijkste werk gezien. We weten nu dat een belangrijk hoofdstuk uit dit boekje vrijwel volledig is gefingeerd. De kwalificatie “belangrijkste” dekt mijns inziens de lading nauwelijks.

-- controle op de juistheid van overgenomen teksten of gedeelten daarvan wordt sterk aanbevolen.

 



4

 

Edmundis Hubertus Melis

geschiedschrijver of duimzuiger ?

 

 
 

Edmundus Hubertus Melis.

Nu duidelijk is geworden dat het bezoek van erfstadhouder prins Willem V in 1766 aan Tilburg nooit heeft plaatsgevonden, de beweringen in het gewraakte hoofdstuk zijn weerlegd en we inzicht hebben gekregen in verschillende publicaties, wordt het tijd nader kennis te maken met de bedenker van dit alles.

 

Edmundus Hubertus Melis, werd op 22 mei 1856 in Tilburg geboren, als zoon van Gerardus Melis en Adriana Cornelia Blaisse. Hij trouwde op 17 mei 1883 te Breda met Clara Maria de Ruijter. [z] Zij werd op 24 april 1860 in Breda geboren en overleed op

8 november 1949 te Maastricht. Het echtpaar kreeg zes kinderen: vier zonen en twee dochters. Alle zes de kinderen werden bij de geboorte aangegeven onder de naam Melis.

Melis studeerde eerst aan het klein seminarie in Sint-Michielsgestel en daarna nog twee jaar aan het groot seminarie in Haaren. Na het afronden van zijn studie ging hij werken op het kantoor van notaris Antonius Johannes Bink in Waalwijk.

In 1882 solliciteerde hij op de functie van tweede commies ter secretarie in Tilburg. Edmond Melis was degene die uit de negentig sollicitanten werd geselecteerd en op 2 september 1882 in die functie werd aangesteld. [aa]

 

 

Bron: Tilburgsche Courant (7-9-1882)

 

In het jaar van zijn aanstelling op de secretarie, werd hij redacteur van de Tilburgsche Courant. Die functie bekleedde hij tot en met 1892. Als katholiek journalist werd hij op 30 december 1888 door paus Leo XIII onderscheiden met het erekruis in zilver “Pro Ecclesia et Pontifice”.

Op 23 juni 1884 nam hij op het gemeentehuis van Tilburg deel aan het examen voor ambtenaren ter secretarie. Edmond Melis slaagde als beste van alle deelnemers en verwierf zijn acte van bekwaamheid met de meeste onderscheiding. [bb]

In de maand september 1890 werd op het plein De Veldhoven een tentoonstelling van de Noord-Brabantsche Maatschappij van Landbouw georganiseerd. Edmond Melis was 2e secretaris van de regelings-commissie. [cc]

Naast zijn werkzaamheden op de secretarie beklede Melis tal van secretariële functies. Ook werd hij in 1891 amanuensis [dd] van het Burgerlijk Armbestuur, en was hij lid van de Commissie van Toezicht op het Lager Onderwijs. [ee] Vanaf de oprichting in

1905 was Melis secretaris van de Voogdijraad. Sinds de oprichting in 1899 was hij lid van het parochiaal kerkbestuur van de parochie Sint-Anna en vicepresident van de Sint-Anna-kring.

Op 28 april 1900 ontving Edmond Melis opnieuw een hoge pauselijke onderscheiding. Dit keer ontving hij de onderscheiding “Bene Merenti”.

Melis schopte het op de secretarie uiteindelijk tot hoofdcommies en op 20 september 1907 vierde hij zijn zilveren ambtsjubileum.

Als afgevaardigde van het kerkbestuur was hij secretaris bij een comité voor het offreren van een aandenken aan de Eerwaarde Zusters van Onze-Lieve-Vrouw, Moeder van Barmhartigheid wegens hun 75-jarig bestaan. [ff]

Ondertussen werd Edmond Melis ziek en overleed hij in Tilburg op 17 november 1910

 [gg] aan de gevolgen van een keelaandoening. [hh]

 

Het valt op, dat overal waar we iets over Edmond Melis kunnen vinden, zijn naam altijd als Edmond Meelis werd geschreven. In alle akten van de Burgerlijke Stand die zowel over hem, als over zijn kinderen gaan, wordt zijn naam als Melis gespeld. Dat geldt ook voor de akten, die betrekking hebben op zijn vader.

Maar van zijn vader en enkele van diens kinderen, waaronder Edmundus Hubertus Melis, werden bidprentjes aangetroffen waarop de naam Meelis staat vermeld. Kennelijk heeft zijn vader het er dus bij zijn kinderen ingeprent, dat zij de naam Meelis moesten gebruiken. De mogelijke reden hiervoor laat ik voor wat ie is.

Edmond Melis deed dus trouw wat zijn vader hem waarschijnlijk had opgedragen en droeg naar buiten uit Edmond Meelis te heten. De oudste vermelding met die naam werd aangetroffen in een familiebericht, waarin Melis zijn ondertrouw aankondigde.

 

 

                                   Bron: Nieuwe Tilburgsche Courant d.d.6-5-1883

 

De geboorten van alle kinderen van Edmond Melis en Clara de Ruijter werden aangegeven als Melis. Maar in de familieberichten van de krant werden zij steevast als Meelis aangeduid.

Tot het eind toe hield hij voor de buitenwereld vol Meelis te heten. Op zijn bidprentje staat zijn naam dus ook als Meelis geschreven. Daarbij valt nog wel op, dat de familienaam van zijn vrouw als De Ruyter in plaats van De Ruijter stond vermeld.

 

 

    Bron: Verzameling bidprentjes Regionaal Archief Tilburg

 

Rest nog de vraag waarom Edmond Melis het meerdaags bezoek van erfstadhouder Willem V aan Tilburg als waar gebeurd feit wereldkundig heeft gemaakt. Vragen kunnen we het hem niet meer, ernaar gissen wel.

Het eerste wat in mijn gedachten opkomt is of  “de wens misschien de vader van de gedachte is geweest”. Was er een zekere mate van jaloezie ten opzichte van Breda en ’s-Hertogenbosch, die wél met een bezoek werden vereerd? Had hij misschien liever gezien, dat Tilburg in de Meierij een belangrijker plaats innam dan ’s-Hertogenbosch?

De manier waarop Melis over prins Willem V schreef wekt de indruk dat hij orangist was. Het lijkt erop dat hij hield van pracht en praal, uniformen en decorum. Net zoals het erop lijkt dat hij opzag tegen mensen van een hogere komaf of die een hogere functie bekleedden dan hij.

Met alles wat hij tijdens zijn leven heeft gedaan heeft Melis beslist indruk gemaakt. Zijn naam zal in Tilburg blijven voortbestaan doordat Burgemeester en Wethouders van Tilburg op 24 februari 1987 de straatnaam Edmond Meeliserf  (met twee ee’s !) hebben vastgesteld.

 

Bron: Google Maps

 

Tot slot.

Eerlijk is eerlijk, Edmond Melis had zeer zeker de gave om mooie verhalen uit zijn pen te laten vloeien. Het kostte hem geen moeite om zijn lezers in verbeelding mee ten nemen naar datgene wat hij beschreef. Hád hij er maar bij gezet, dat zijn verhaal zelfverzonnen was !

 

Deze uitwerking heeft tot doel:

-- de verdere verspreiding van het vermeende bezoek in 1766 van prins Willem V aan Tilburg zoveel mogelijk tegen te gaan.

-- toekomstige studenten, deskundigen of andere geïnteresseerden een bron te bieden, waaruit zij met een gerust hart kunnen putten. Deze publicatie verwijst namelijk in ruime mate naar geraadpleegde bronnen en alles is dus controleerbaar.

-- daar waar op websites van welke instantie dan ook naar of over dit vermeende bezoek wordt verwezen of geschreven, dit op de kortst mogelijke termijn te doen verwijderen. Krantenknipsels zijn daarvan uiteraard uitgezonderd, maar het erbij plaatsen van een annotatie zou in overweging genomen kunnen worden.

 

 

John van Erve

Nieuwegein (2018)

 

 


 

Noten:

[a]

Met dank aan Ed Schilders voor zijn ondersteuning en feedback.

[b]

In de Resolutieboeken werden de belangrijke beslissingen, benoemingen en andere bestuurlijke  aangelegenheden betreffende Tilburg genotuleerd.

[c]

Grote Kerk was de naam voor 't Heike, in de tijd dat de Gereformeerden deze kerk in gebruik hadden.

[d]

Ook wel de Maasbrug of Maasdijkse genoemd.

[e]

Nauwkeurige beschryving van de plechtigheden by de receptie en inhuldiging van ZDH Willem de Vijfde, f.114 en 115

[f]

De Maandelykse Nederlandische Mercurius, Volumes 20-23, f.40

[g]

Hertog Lodewijk Ernst van Brunswijk-Wolfenbüttel.

[h]

Zij noemde zich aanvankelijk Ebelings, maar verklaarde later Waits of Waitz te heten.

[i]

Struikrovers in Bommelskonte (2) d.d.10-1-2008 door Anton van de Wiel

[j]

Uit Tilburg’s verleden, f.97

[k]

In de plaats van Perrollet werd Johannes Weltij als nieuwe vorster aangesteld.

[l]

Uit Tilburg’s verleden, vanaf f.99

[m]

Uit Tilburgs verleden, f.103

[n]

Uit Tilburg’s verleden, f.104

[o]

Verhoor met pijniging

[p]

“In gevangenschap geboren…..als hooploper gestorven”. John van Erve - 2018

[q]

Thorn ligt in Limburg en niet in Duitsland (blz.117)

[r]

De ‘Tilburgsche Courant’ verscheen 2 keer per week en is vanaf 3 juli 1869 de voortzetting van het ‘Weekblad van Tilburg’. De exacte naam van deze krant is: “Tilburgsche Courant voormalig  Weekblad van Tilburg”.

[s]

Tilburgsche Courant 1 – 13 – 17 – 20 en 24 oktober 1889

[t]

Tilburgsche Courant 31-7-1890

[u]

Adriaan van Roessel was de zoon van Jan Baptist van Roessel en Maria Helena Melis.

[v]

Pseudoniem van de amateur-historicus Lambert de Wijs.

[w]

Auteur van dit boek was L.G.de Wijs  (1936), f.32

[x]

De artikelen van Pierre van Beek zijn te vinden op het Webmagazine Cultureel Brabant (Cubra)

[y]

Rond de Schutsboom 1997-1 (J.Hoogendoorn), f.11 e.v.

[z]

Geboorteakte Tilburg 1856, nr.179 en huwelijksakte Breda 1883, nr.54

[aa]

Tilburgsche Courant (7-9-1882)

[bb]

Tilburgsche Courant (23 juni 1884)

[cc]

De Tijd (4-6-1890)

[dd]

secretaris

[ee]

Nieuwe Tilburgsche Courant (25-6-1891)

[ff]

Nieuwe Tilburgsche Courant (15-11-1907)

[gg]

Overlijdensakte Tilburg 1910, nr.752

[hh]

Necrologiën Tilburgsche Courant en Nieuwe Tilburgsche Courant (17-11-1910)

 

Bronnen:

[1]

(RAT) Tilburg, Toeg.3 – inv.nr.8, f.10r (22-2-1766)

[2]

(RAT) Tilburg, Toeg.3 – inv.nr.8, f.27r (7-6-1766)

[3]

(SAH) ’s-Hertogenbosch OSA 1262-1811, inv.nr.387, f.195r (2-6-1766)

[4]

(SAH) ’s-Hertogenbosch OSA 1262-1811, inv.nr.387, f.230v (11-6-1766)

[5]

(SAH) ’s-Hertogenbosch OSA 1262-1811, inv.nr.387, f.231r (17-6-1766)

[6]

(RAT) Tilburg en Goirle Toegangsnr.14 – inv.nr.323

[7]

(RAT) Tilburg en Goirle Toegangsnr.14 – inv.nr.324

[8]

(RAT) Tilburg en Goirle Lidmatenboek 1735-1802, f.28

[9]

(RAT) Tilburg en Goirle, Toegangsnr.14 – inv.323

[10]

(RAT) Tilburg en Goirle, Toegangsnr.14 – inv.323

[11]

(RAT) Tilburg en Goirle, Toegangsnr.14 – inv.324

[12]

(RAT) Tilburg en Goirle, Toegangsnr.14, inv.nr.13, f.38v (9-4-1765)

[13]

(NA) Database opvarenden VOC-schepen

[14]

(NA) Toegangsnr.1.04.02, inv.nr.13232, f.118

[15]

(RAT) Tilburg Toegangsnr. 14 - inv.nr.13, f.41r (22-7-1765)

[16]

(RAT) Tilburg en Goirle, Toegangsnr.14 – inv.nr.11, f.15v (26-6-1765)

[17]

(RAT) Tilburg en Goirle, Toeg.14 – inv.nr.11, f.15v (26-6-1765)