INHOUD ZUINIGHEID
INHOUD LEED
HOME
AUTEURS
TEKSTEN
BRABANTS
INTERVIEWS
SPECIAAL


Print Pagina

Zuinigheid van vroeger - Reacties
Stuur ons uw verhaal over de zuinigheid van vroeger
Inzendingen: leed@brabantsdagblad.nl

Joop van der Pol
(op 21 december als column verschenen in het Brabants Dagblad)

 

Zwoerd

 

Als u dit stukje uit heeft, moet u straks maar eens door de weekendbijlage bladeren. Daar heeft Ed Schilders, medewerker van deze dagelijkse rubriek, twee pagina's vol prachtige voorbeelden verzameld die lezers instuurden van Hollandse zuinigheid in de jaren na de oorlog. Niet alleen was er geen geld, in die dagen gold zuinigheid gewoon als burgerfatsoen.

Bij ons thuis ging het precies zo. We waren met achten, en ook mijn ouders moesten de stuivers uit het zand krabben om rond te komen. Onze kerstboom werd niet op 2 januari met ballen en al bij het vuil gezet, zoals je nu wel ziet. Nee, nadat hij tot Driekoningen met liefde was bewaterd, pootte mijn vader onze boom terug in de tuin tot er weer een kindje Jezus werd geboren. Dan werden ook het gipsen kopje van Maria en de bult van Balthazars kameel voor de zoveelste keer gelijmd met Velpon en bijgeverfd.

Wij waren thuis ook onder de Na Vijven, een zwartwit hobby-blad dat het leven kleur gaf. Er stond in hoe je een fruitschaal kon knutselen van ijscohoutjes en hoe je het profiel van Koningin Fabiola figuurzaagde uit triplex. De deugdzaamheid drp van ons af zoals onze gebreide zwembroeken 's zomers, wanneer we uit het zwembad klauterden. Gelukkig voor onze beschaamde witte jongensbillen lag de meisjeswei aan de andere kant en de deugd - de badjuf - onverzettelijk in het midden.

We waren zuinig, niet arm. We voelden ons zelfs rijk toen mijn vaders bouwkundig inzicht, mijn moeders trapnaaitechniek en een lap zeildoek op een goeie dag fuseerden tot een enorme bungalowtent. Het gevaarte paste in het door mijn vader ook al zelfgebouwde bagagewagentje, en zo trokken we per fonkelnieuwe (!) Skoda naar het Zilvermeer in Mol. Een noodweer raasde over de camping, de tenten hingen aan rafels in de bomen, maar niet het vakantiefort van mijn ouders. Dat rees ongenaakbaar op uit zijn vijftig centimeter diepe slotgracht terwijl mijn vader gelijk een pauw met zeven staarten ramptoeristen geduldig de kwaliteit van zijn winnende constructie uiteenzette.

Van oud brood maakte mijn moeder brokkenpap, en etensrestjes vonden we steevast terug in haar fameuze rommelsoep. Dat was krachtvoer vergeleken bij de confetti in lauw water die ze tegenwoordig opdienen. Deze week vertelde een kennis me over een boerengezin dat omstreeks die tijd in mijn dorp moet hebben geleefd: een pront wijf, een knoest van een kerel en een stel vrijgezelle bonken van zonen. De Aardappeleters zeg maar, alleen deze aten snert. Op maandag visten zij ieder een stuk spekzwoerd uit de enorme soepketel. Dat zwoerd trokken ze dan een keer stevig langs hun enig overgebleven bruine voortand - rits! - waarna ze het gestripte riefeltje terug in de erwtenbrij wierpen - ploemp! Dinsdag visten ze de spekrandjes, die in de opgewarmde soep weer lichtjes aanzwollen, opnieuw op en herhaalden het ritueel. Woensdag weer - rits, ploemp! Op donderdag tenslotte aten ze het zwoerdje op. Ze zouden dat volgens mijn zegsman beslist pas op vrijdag gedaan hebben, ware het niet dat een goed katholiek dan geen vlees eet.

Dat was nog 'ns armoede.