Hoofdstuk 1

Bijnamen van personen van wie de werkelijke naam bekend is

 


 

CUBRA HOME

INHOUD BIJNAMEN
1. Personen, werkelijke naam bekend

2. Personen, zonder werkelijke naam

3. Schoolse bijnamen (leraren en leraressen)
4. Gebouwen, straten en andere spraakmakende zaken

 

In de banner van links naar rechts

Pieta Melis

Peerke Donders

Jan de Kort

Karin Bruers

Jan Plek

Rocking Louis

De Siemer

 

A

B

C

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

Q

R

S

T

U

V

W

X
Y

Z

1.A

 

Louis van der Aa

Loewieke

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

bekend voetbalkeeper, klein van stuk met grote pet. Begon bij RKTVV en stapte in 1925 over naar Willem II, waar hij tot 1935 in totaal 135 wedstrijden speelde.

 

Theo van der Aa

Rôoje Theo of Golse Theo

rood haar, afkomstig uit Goirle. Was in Tilburg bekend omdat hij hier vaak naar een voetbalwedstrijd van Willem II of een ijshockeymatch van TIJSC Trappers (toen nog op de ijsbaan in de wijk Theresia) kwam met een grote, spelende transistorradio (“ghettoblaster”) die hij op zijn schouder meedroeg. Daarmee was hij ook wel te zien en te horen in de Heuvelstraat.

 

dhr. Van der Aa

Drik Fruut (den Ollietuut)

boer uit de St. Josephstraat, die de extra bijnaam te danken zou hebben aan het heimelijk aftappen van olie. Zijn eerste bijnaam hield verband met het feit dat hij dikke lippen had. Het is nu moeilijk meer voor te stellen dat zijn land grensde aan de villa van burgemeester Van de Mortel, waar later ook de verpleegstersflat kwam te staan die den Hunkerbunker werd genoemd (zie hoofdstuk 4).

 

Wim Aarts

Wimpke Ei

verkocht sigaretten, in de Kapelstraat.

 

Co Adriaanse

de Tiran van Tilburg, ook: Koperen Cootje, Super Co of Koning Co

"import-Tilburger", succesvolle trainer/coach van voetbalvereniging Willem II van 1997-2000. Hij hechtte zeer aan discipline in en rond het team wat bijvoorbeeld de kantinebeheerster haar baan kostte. Leidde de club enkele malen naar Europees voetbal. Dit gaf Tilburg internationaal veel extra naamsbekendheid (zie hoofdstuk 2: de Tricolores). Zijn overstap naar Ajax verliep minder gelukkig want al in 2001 werd hij daar wegens tegenvallende resultaten ontslagen.

 

Jos Adriaansen

Jan den Braoj

zoon van een kolenboer die een weiland had waarin klèèn pèèrde stonden, achter het Metropoletheater (in 1926 begonnen als Burgerschouwburg in een voormalig gebouw van de wollenstoffenfabriek Wed. J.B. de Beer en Zn.) aan de Heuvel. Dit was dichtbij de spoorlijn, waar later het pand van ABN AMRO kwam te staan. Voor theaterbezoekers was dat behelpen, want als er een trein langsdenderde begon de hele zaal te trillen, en waren de acteurs of musici even niet te horen... De nieuwe Stadsschouwburg (van de architecten Bijvoet en Holt) kwam in 1961 als geroepen! De toenmalige situatie aan de spoorlijn is niet meer te herkennen door nieuwbouw en verkeersdoorbraken (zie ook bij Herman van der Waarden).

 

Jan van Amelsfoort

de (twidde) Börgemister van den Haajkaant

was in 1964 kerkmeester van de parochie Heikant toen de “zwartheren” daar werden opgevolgd door de “witheren”. Hij was in deze titel een opvolger van de in 1944 omgekomen (irste) Börgemister van den Haaajkaant, Hendrikus van Dijk (zie daar).   

 

Walter Antonius

de Spons 

had in jaren rond 1960 een tabakswinkel in de Molenstraat op de hoek met de Kruisstraat. Je kon daar ook boeken lenen. Hij werd zo genoemd omdat hij geen egale gezichtshuid had.

 

Kees van Arendonk sr. (gehuwd met Jamin)

de Pôot (1)

was directeur van schoenfabriek Van Arendonk in de Nieuwstraat, met de bekende arend aan de voorgevel. Woonde aan de Goirleseweg naast Bremhorst. Zijn vrouw die uit Duitsland kwam is eind jaren 1990 op hoge leeftijd gestorven.

 

Cornelia (Nelly) Maria Anna Arts (1878-1931)

Vraawke Arts of de Pausin, ook de Zuster van de Paus

zij was een dochter uit het gezin van Antoine Arts (zie hoofdstuk 4 bij den Artsekraant) en Cornelia Reh, en dus een zus van Pius (zie daar) en Leo Arts (zie ook bij Loek Lansdorp). Cornelia, soms vermeld als Christine, heeft op de hoek van Heuvel met de Telegraafstraat gewoond in het pand waar eerder de school van Borsten was geweest (zie hoofdstuk 3, bij Christiaan Borsten). Kenmerkend was haar lange witte jurk met daaronder paarse schoentjes waarin ze regelmatig gekleed ging, wat de tweede en derde bijnaam verklaart.

 

Deze foto uit 1912 door Fotografisch Atelier Veldman (sinds 1910 op de Heuvel) is bij het RAT beschreven als een waarop Christine (Cornelia) Arts, dochter van Antoine Arts en Cornelia Reh, geb. 1878, te zien is in de tuin van Heuvel 24-25 waar haar broer Leo Arts woonde en de Nieuwe Tilburgsche Courant gevestigd was. Zij ziet er hier zeker “pauselijk” uit. De gelegenheid was waarschijnlijk de bruiloft van haar broer Leo Arts met Maria A.A.F. Melis in 1912 (coll. RAT)

 

mr. Pius Maria Arts (1881-1955, x 1911 Leonie Gimbrère)

de Fèène

deze zoon van de zoeaaf Antoine Arts (zie bij den Artsekraant in hoofdstuk 4) werd na zijn rechtenstudie advocaat, procureur en politicus. Pius de Fèène Arts is meer dan veertig jaar lid van de gemeenteraad geweest, zat meer dan twintig jaar in de Provinciale Staten van Noord-Brabant en had tien jaar zitting in de Tweede Kamer. Toen zijn vader Antoine uit de R.K. Staatspartij was gewerkt en voor de verkiezingen in 1922 een eigen lijst-Arts begon, werd Pius daarop de tweede (en laatste) man. Nadat het níet lukte om een zetel te halen richtte Pius de R.K. Volkspartij op waar hij in 1925 wel mee in de Tweede Kamer kwam. Na wisselend succes sloot hij zich aan bij de Katholieke Democratische Partij, maar toen deze KDP in het politiek dynamische interbellum ook weer werd opgeheven stapte hij in 1939 over naar de R.K. Staatspartij. Na de oorlog keerde Pius Arts, eerst als onafhankelijk politicus (Vrije Lijst Arts) en daarna voor de KVP (Katholieke Volks Partij), terug in de gemeenteraad van Tilburg.

Van 1900-'08 was Pius Arts speler in het eerste elftal van voetbalclub Willem II, waarvan hij in de periode 1901-'19 ook voorzitter was. In deze tijd behaalde de club grote successen, met name het landelijk kampioenschap (in 1915-’16 als eerste niet-westelijke club). Arts bekleedde diverse bestuurlijke functies in deze sport: hij was medeoprichter van de Brabantse Voetbalbond en bestuurslid van de KNVB, en in de sectoren welzijn en cultuur. Zo was hij van 1912 tot 1931 bestuurslid van de R.K. Leeszaal. Pius kwam in de voetsporen van zijn vader op voor een meer open en sociaal katholicisme en was daarin een rivaal om de gunst van de kiezers van de gevestigde orde van fabrikanten en geestelijkheid. Die waren best bang voor hem vanwege zijn felle verkiezingstaal. Arts schroomde daarbij niet om bijvoorbeeld op het grote balkon van café Remmers op de Heuvel een redevoering af te steken. Uit het publiek werd dan wel geroepen: "Naajtem, Piejus!" ("Hoepel op, Pius!")

 

Een jonge Pius Arts (Roermond 1881-Tilburg 1955, x 1911 Leonie H.M. Gimbrère, 1886-Oisterwijk 1971) op het Vrijthof in Hilvarenbeek (links nog een stukje van de kerk; rechts nu Herberg Sint Petrus). Collectie Regionaal Archief Tilburg.

 

 

1.B

 

J.J. Bakx (1845-1936)

Baard Baks

omdat hij een grote baard had. Was wever, later bedrijfsleider in een textielfabriek. Een dochter van hem trouwde met Boink, de oprichter van het bekende installatie- bedrijf. Zie verder bij et Baksestròtje in hoofdstuk 4.

 

Kees Bastiaansen

den Bas

groenteboer aan de Stokhasseltkerkstraat (het nu niet meer bestaande verlengde van de huidige Waalstraat ten noorden van het kanaal). Na zijn route door Tilburg boven de lijn (et Gurke en omgeving) wieset pèèrd dè et meej zen kèèr moes stòppe voor café Van Broekhoven aan het Smidspad, en het bracht zijn baas na afloop altijd veilig weer naar huis.

 

Charles Bastings (1838-1920, x Antonetta van Dongen)

Sjarrel den Hoed

 

Charles Bastings als zoeaaf in dienst van de paus 1866-68.

 

was een in Boxtel geboren zoon van Pascal Bastings en Cornelia Brenders. Het gezin kwam al gauw naar Tilburg waar vader “op den Hogen Dries” een café begon. Charles, die na het overlijden van zijn vader in 1855 bij zijn grootvader werd ondergebracht, diende van 1866 tot ’68 als zoeaaf voor de paus. Na zijn terugkeer uit Italië trouwde hij en ging samen met zijn vrouw het café "In den Hoogen Hoed" aan de St. Josephstraat nr. 40 uitbaten. Dit moet heel dichtbij of op dezelfde plaats zijn geweest als het café van zijn vader. Het pand dat er nog staat dateert uit de tweede helft van de 18e eeuw.

De gevel van het café werd destijds gesierd door een hoed. Daarvoor had naar men zei die van Lodewijk Napoleon model gestaan, omdat die voorheen hier weleens een biertje zou zijn komen drinken. Een ander verhaal luidt dat Charles zelf de naam "In den Hoogen Hoed" bedacht heeft, naar de Italiaanse hoeden die bekend stonden als garibaldi's. Dit is echter niet waarschijnlijk, omdat de zoeaven het juist hadden moeten opnemen tégen de troepen van Garibaldi! Bovendien waren die hoeden bol. Hoe dan ook hield Charles er een bijnaam aan over.

In 1917 vestigde Willem Heerkens, een kleinzoon van Charles Bastings, een dames- en herenkapsalon in het historische pand St. Josephstraat 40. Zijn zoon Huub (1934-2012) volgde hem daarin op en zwaaide tot zijn pensionering in 1999 de scepter over de kapsalon. Huub Heerkens was geïnteresseerd in het Tilburgse verleden, kende veel feiten en verhalen en heeft ook een aantal inhoudelijke bijgedragen geleverd aan het Tilburgs Bijnamenboek uit 2000. Zijn dochter Mariëlle Heerkens zette vanaf 1999 de kapsalon voort, aanvankelijk samen met vader Huub die nog tot 2011 zijn trouwe klanten bleef helpen. In juni 2017 vierde Heerkens Coiffure het honderd jarig bestaan, nog altijd in het oorspronkelijke pand.

 

St. Josephstraat 40 - Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

mr. C.J.G. Becht (1910-1982)

Kees de Sloper

 

Tilburgs burgemeester van 1957 tot 1975 die in zijn ambtsperiode (te) veel ingrepen in de binnenstad op zijn naam had, wat de stad nogal veel oude panden en karakteristieke plekjes kostte. Bij Becht kwam modernisering van de door een diepe textielcrisis getroffen stad op de eerste plaats. Eerder was hij bestuurder in Nederlands Indië en burgemeester van Vaals en Kerkrade geweest.

 

Josephus (Jo of Jos.) Henricus Antonius Bedaux (1910 – Goirle 1989 x 1938 Wilhelmina “Mien” J.M. Willekens, geb. 1910)

de Nederlandse Le Corbusier

werd door sommige vakgenoten zo genoemd omdat hij zich als architect in de naoorlogse jaren liet beïnvloeden door ontwerpen van de befaamde Zwitsers-Franse architect Le Corbusier.

Als tweede zoon van aannemer Michiel Johannes Bedaux (1880-1940, x Francisca van Duuren, 1874-1955) groeide Jo op in de bouwwereld maar had uiteindelijk zelf niet de ambitie om in de zaak van zijn vader te gaan. Hij wilde architect worden. Omdat zijn vader daar niets in zag is Jo op eigen gelegenheid avondcolleges bouwkunde gaan volgen aan de R.K. Leergangen. Daar werd hij lid van Sint Leonardus (zie ook bij Frans “de Siemer” en in hoofdstuk 2 bij “Sint Leendert”) en leerde de Brabantia Nostra beweging kennen die ijverde voor behoud van de Brabantse, katholieke identiteit. Ook sympathiseerde hij met het Brabants Studenten Gilde O.L. Vrouw waarin Brabantse studenten, verspreid over het land, verbonden bleven met hun geboortegrond. Dit BSG (ontstaan in 1926) organiseerde ieder jaar een zomerkamp in een Brabantse gemeente. De deelnemers bouwden er dan zelf een Mariakapelletje. Dit was een kolfje naar de hand van de beginnende architect Jos. Bedaux, die vanaf 1933 een groot aantal van die kapelletjes ontwierp (zie voor één, welke bij hoge uitzondering niet in baksteen maar van hout werd gebouwd, in hoofdstuk 4 bij: “Duikbasis Moerle”). De laatste in deze serie werd in 1959 gebouwd. Nu sieren veel van deze kapelletjes nog steeds het Brabantse landschap.      

 

Mariakapel Udenhout: een oorlogsmonument (eerste steen 1946) door Jos. Bedaux, met Mariabeeld Luc van Hoek (zie daar), gedenksteen met namen van gesneuvelden (1953, Leo Baümier), muurschilderingen en gebrandschilderde ramen (1954, Jacques Verheijen) en smeedwerk op de waterput door “Willeke de Smid” van der Loo (zie daar. Foto: Henk Peters, Udenhout)

 

Geen wonder dat de architectuur van Bedaux vóór de oorlog de Delftse School ademde met haar traditionalistische, sobere baksteenbouw. Ook liet Bedaux zich inspireren door de bekende katholieke architect Alexander Kropholler, die o.a. begin dertiger jaren huize Mariëngaarde in Zorgvlied ontwierp. Typerend voor zijn werk in Tilburg van kort na de oorlog waren de kerk met pastorie van de parochie Fatima (zie bij pastoor P. van der Velden) en het nabijgelegen pension St. Jozefzorg (1947-’51). Maakte hij toen nog veel gebruik van classicistische elementen, vanaf de vijftiger jaren waagde Jos. Bedaux de sprong naar het modernisme (bijvoorbeeld door toepassing van het platte dak), maar bleef dit het liefst combineren met ambachtelijke kwaliteiten. Tevens moest hij, zoals de Nederlandse bouwkunst in het algemeen, naar schaalvergroting toe. Hij accepteerde het werken in een betonskelet, zoals bij Le Corbusier, maar verhulde die structuur zoveel mogelijk voor het oog. Het Cobbenhagen gebouw van de universiteit is daar een mooi voorbeeld van. Het uiteindelijke ontwerp was het resultaat van een meer dan tien jaar durende worsteling, waarbij twee ontwerpen (waarvan het tweede samen met architect Jan van der Laan) in de prullenbak verdwenen. Het derde en definitieve droeg toch vooral de signatuur van Jos. Bedaux. Op 13 november 1962 werd dit gebouw door Koningin Juliana officieel geopend.

Al met al omvat het totale oeuvre van Bedaux veel uiteenlopende items, van traditioneel kapelletje tot modern universiteitsgebouw met alles er tussenin. Zijn bureau werd voortgezet door zonen Peter Paul en George. Later voegde zich daarbij Jacques de Brouwer en werd de naam: Bedaux De Brouwer Architecten. Inmiddels zijn de kleinzonen Pieter en Thomas “in business”.

 

Jos. Bedaux in 1960

 

Foto Chef-d’oeuvre van architect Jos. Bedaux: het Cobbenhagen gebouw uit 1962 (na samenwerking met Jan v.d. Laan) met rechts het Tjalling Koopmans gebouw uit 1972 (samenwerking met bureau D3BN) van de Universiteit van Tilburg aan de rand van de Oude Warande (foto 1974 door Rien Siers, coll. RAT) 

 

Maria M.E.M.C. Beels-Brouwers (1898- Londen 1979, x Willem Carel Beels, Amsterdam 1889-1958)

Mies Optie

omdat zij naar verluidt nogal eens een optie op een huis nam zonder het te kopen. Desalniettemin betrok zij rond 1963 met haar zoon Len een woning op het adres Burgemeester Rauppstraat 2. Dit was in 1923 het eerste huis in de wijk Zorgvlied, van de hand van architect Henricus (Harrie) Constantinus Bonsel (Den Bosch 1886 - 1941) die er zelf ging wonen, tegenover de kerk van pastoor De Klijn (zie daar) aan de Ringbaan West die hij ook had ontworpen. Harrie Bonsel (gehuwd met Marie-Antoinette Groels, 1891-1992) was tevens directeur van de Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten van de R.K. Leergangen en had met zijn keuze voor Zorgvlied misschien gerekend op de komst van dit instituut naar deze wijk, hetgeen niet doorging (zie hoofdstuk 4, Börgemistersbuurt). Niettemin kon hij zijn portfolio uitbreiden met enkele opdrachten uit de hoek van de leergangen zoals het huis van dr. Moller aan de Bredaseweg en het gebouw voor het conservatorium uit 1929 aan de Bosscheweg (nu Tivolistraat, zie bij Vastersavendts).
Zijn huis aan de Burgemeester Rauppstraat werd in 1949 door architect Jos. Bedaux verbouwd in opdracht van de familie De Beer-Mannaerts die er tot 1963 woonde. Na Beels werd het gekocht door architect Dré Storimans. Mies Optie was mede-eigenaar van J. Brouwers’ Lakenfabrieken N.V. Ook haar man en zoon Len, die op latere leeftijd trouwde met de Brusselse (1936) Josine M.G. van der Belen, hadden functies bij deze fabriek (zie ook Joh. Franciscus Brouwers).

 

Harrie Bonsel. Detail uit een groepsfoto ter gelegenheid van een jubileum van
 

 De firma Jurgens en een klas van de Thomasschool aan de Ringbaan West poseren eerste helft jaren vijftig voor Burgemeester Rauppstraat 2, welk huis was ontworpen door H. Bonsel en verbouwd door Jos. Bedaux.

 

Johannes Antonius (frater Franciscus Salesius) de Beer (1821-1901)

Superior de Beer

was een zoon van Jan Baptist de Beer en Antonia van de Put die woonden en werkten op de Markt tegenover de Heikese kerk (zie ook bij Gertruda Goijarts). Hij wilde priester worden en was al bijna klaar met zijn opleiding toen hij in 1845 intrad bij de in het jaar daarvoor door Joannes Zwijsen gestichte congregatie van de Fraters van Tilburg. Nog in hetzelfde jaar werd hij priester gewijd en was daarmee officieel pater Maria Franciscus Salesius de Beer. In 1846 werd hij de eerste overste (superior) van de fraters (Fraters van Onze Lieve Vrouw, Moeder van Barmhartigheid of Fraters van Tilburg, zie ook hoofdstuk 2) wat verklaart dat hij voor frater werd aangezien en bekend werd als Superior de Beer. In 1861 werd hij algemeen overste (superior-generaal) wat hij bleef tot 1900. Onder zijn leiding kwam de congregatie verder van de grond en tot grote groei en bloei. In zijn functie was Superior de Beer o.m. (mede-) oprichter van een aantal instituten en scholen in de stad en van de eigen drukkerij van de fraters (later “Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis”). Verder was hij in 1899 betrokken bij oprichting van het R.K. Gymnasium (het latere St.-Odulphuslyceum). Ook is hij deken van Tilburg geweest.

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

Superior de Beer stond ook aan de wieg van het R.K. Gymnasium (het latere Sint-Odulphuslyceum). Op 25 september 1899 ging hij in de spreekkamer van het klooster van de Fraters van Tilburg aan de Gasthuisstraat van start met een groep van tien jongens voor een vierjarige cursus Grieks, Latijn, wiskunde, Nederlands, moderne vreemde talen, geschiedenis en aardrijkskunde. Hij heeft zelf de afloop van deze leergang niet meer meegemaakt. In 1900 werd pater P.C. de Brouwer rector van dit nieuwe R.K. Gymnasium dat het eerste (en een tijd enige) jongensgymnasium van ons land was. In 1902 werd een eigen pand betrokken aan de Lange Nieuwstraat. In 1912 volgde de officiële erkenning als gymnasium, en in 1917 vond uitbreiding met een HBS plaats en mocht de school zich (Sint-Odulphus) lyceum noemen. Na een tijdje bij de paters van Ave Maria aan het Columbusplein gehuisvest te zijn geweest, kwam in 1930 de nieuwbouw aan de Lange Schijfstraat gereed. In 1952 vond aansluiting bij de vereniging Ons Middelbaar Onderwijs plaats en in 1968 werden er ook meisjes toegelaten (een gevolg van de Mammoetwet). Het gebouw aan de inmiddels tot Noordhoekring omgedoopte Lange Schijfstraat is later verschillende keren uitgebreid zonder dat er afbreuk werd gedaan aan het oorspronkelijke ontwerp van architect Jan van der Valk. Het St.-Odulphuslyceum is tot op heden in dit gebouw gehuisvest en vierde er in 1999 op uitbundige manier zijn eeuwfeest.

 

Adrianus (Adriaan) Guilbertus(Guilbert of Hubert) de Beer (1844-’98)

 

Guibert de Beer, afgebeeld in een gedenkboek voor Superior de Beer: Levensschets van Franciscus Salesius de Beer, zonder auteur, Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis, Tilburg 1919.


de Zwarte Beer

hij was architect en een achterneef van Superior de Beer. De bijnaam verwijst naar zijn zwarte haardos. Er waren wel meer architecten De Beer – zo was hij een oom van Franciscus (Frans) Cornelis de Beer – dus zo’n bijnaam maakte het onderscheid wat gemakkelijker. Hubert ontwikkelde zich pas op wat latere leeftijd tot architect en verwierf in 1885 zijn eerste grote opdracht, een kapel voor het moederhuis van de fraters in de Gasthuisstraat. Zijn bloedverwant pater Superior de Beer was toen het hoofd van de Fraters van Tilburg als opvolger van de bekende Joannes Zwijsen. Superior zag het wel zitten met zijn naamgenoot Hubert, die min of meer zijn vaste architect werd tot diens plotselinge dood in 1898. Het oeuvre van Hubert is dan ook overwegend van religieus karakter en vertoont invloeden van de befaamde Pierre Cuypers. In de korte tijd die hem werd gegund, heeft De Beer (die met meerdere namen wordt aangeduid: A.G., Adriaan, Hubert of Guilbert, waarbij het voor zover mij bekend om een en dezelfde persoon gaat) belangrijke werken op zijn naam gebracht, met name het klooster (“Missiehuis”) van de Rooi Harten aan de Bredaseweg, de abdij van de Trappisten Koningshoeven, het Clarissenklooster aan de Lange Nieuwstraat en als laatste (1898) de Hasseltse kerk. Zijn jonge neef Frans C. de Beer (1873-1960) werd bekend om zijn utiliteitsgebouwen (fabrieken, winkels en scholen) en woningen (herenhuizen en villa’s) en kreeg meer tijd van leven dan zijn oom om tot een hoge productie te komen.

 

Norbertus (1831-1915) en Johanna (Joke) Maria Huberta (1840-1909) de Beer-Donders

 

 

Nopke en Sjooke de Beer

wel vaker in Tilburg voorkomende aanduidingen voor Norbertus (Nopke) en “ons Joke” (Sjooke). Zij noemden hun oudste zoon Lambert en die noemde zijn oudste zoon weer Norbert (Berry), wiens oudste zoon Lambert (Berry) was. Dit ging nog een paar keer zo door tot in het heden. De hier genoemde Norbertus (Nopke), mijn overgrootvader, was de jongste zoon van Thomas de Beer (1785-1863, x Antonetta Haans 1788-1848,) de grondlegger van de gelijknamige wollenstoffenfabriek. Zij kregen elf kinderen, van wie er vijf reeds in de wieg of als kind stierven. Norbert stond bekend als een harde werker die zich weinig bewoog in het publieke leven. Joke zat in 1904 in het eerste bestuur van de St. Elisabethvereniging (sociale zorg) van de parochie het Goirke.

Samen staan zij geregistreerd als schenkers van de twee houten beelden van bazuinblazende engelen op de balustrade voor het monumentale Smitsorgel uit 1905 in de Goirkese kerk (zie ook bij Reijniers). Deze schenking deden zij ter gelegenheid van hun 40-jarig huwelijksfeest.

Thomas de Beer was al bijna 70 jaar toen hij in 1854, samen met zijn zonen Johannes Cornelis (Jan, 1818-1899) en Norbertus de wollenstoffenfabriek oprichtte die naar hem werd genoemd. De zaak kwam in de oude bakkerij van Peter Janssens op de Vèldhoove goed van de grond. In 1867 werd deze zaak voortgezet in de gebouwen van de wollenstoffen- en baaienfabriek van Peter Mutsaers nabij het Wilhelminapark. In datzelfde jaar werd daar een grotere stoommachine in geplaatst. Er was op de nieuwe locatie ruimte genoeg voor verdere groei en bloei. Toen in 1892 de ongehuwde Jan zich uit de zaak terugtrok, trokken Norbertus en zijn zonen de kar verder. Aan Norbertus was deze taak welbesteed, want hij stond bekend om zijn grote werkkracht en energie. Ook kon hij op zijn vier zonen rekenen. Zijn oudste zoon, Lambertus Thomas Maria (Lambert 1867-1931, x Theresia Catharina Huberdina Eras 1870-1957) is ook bekend geworden van zijn jarenlange rol (1913-1927) als bestuurslid en voorzitter van de Vereniging van Tilburgsche Fabrikanten van Wollen Stoffen (den Fabriekaantenbond, hoofdstuk 2) en zijn meer dan 20 jaar als bestuurslid van De Kamer van Koophandel. De tweede zoon was Thomas Franciscus Maria (1868-1933), de derde Johannes Lodewijk Maria (Jan, 1870-1943, x Maria Antoinette "Net" C. Smulders 1880-1974) en de jongste Charles Joseph Maria (Karel, 1876-1948, x Constantina Anna Maria Eras 1877-1967). De meeste gebouwen van het fors uitdijende complex aan het Wilhelminapark werden ontworpen door de bekende architect Franciscus C. de Beer.

 

Briefhoofd uit 1919 met het toenmalige complex van Thomas de Beer. Rechts de uitloper van het Wilhelminapark met de tramlijn. De voorzijde en poort van de fabriek (nr. 5) worden opgesierd met een perkje. Aan iedere kant een directiewoning. Die met het torentje (het verste weg) is Wilhelminapark 4 (zie volgende foto). Het huis op de voorgrond (nr. 6) is later verbouwd tot politiebureau (foto: coll. RAT)

 

De crisis van de jaren 1930 ging niet ongemerkt voorbij aan de fabriek van Thomas de Beer. Er moest een (financiële) reorganisatie plaatsvinden. Niet alle takken van de familie bleken na de beurscrach in staat om het benodigde kapitaal op te hoesten. De tak Jan de Beer-Smulders had beter op de centen gepast en kon de anderen uitkopen. Hij en zijn drie zonen (Jan Smul, Bep en Tom de Beer) kregen het in de fabriek voor het zeggen. Daar voegde zich alleen Jan Piep de Beer bij, uit de tak van Lambert de Beer, die zich gesteund wist door zijn kapitaalkrachtige schoonfamilie. Charles (Karel) stelde zijn aandelen toen ook beschikbaar en verliet met zijn gezin het huis van vader Norbertus dat op het fabrieksterrein stond. Dit monumentale pand op Wilhelminapark 4 werd in 1936 gesloopt om plaats te maken voor een nieuwe toegang tot het ingebouwd geraakte fabriekscomplex

 

Dit monumentale, voormalige huis van Norbertus de Beer moest wijken voor een uitbreiding van de achtergelegen fabriek Thomas de Beer (foto: coll. Karel de Beer).

 

In 1954 kon op grootse wijze het eeuwfeest van de fabriek worden gevierd. In de zestiger jaren ging ook Thomas de Beer steeds meer de textielcrisis ondervinden. Getracht werd het tij te keren door samenwerkingsverbanden en overnames, maar in 1967 werd de geldkraan uiteindelijk toch dichtgedraaid door de dan grootste aandeelhouder, de jurist en zakenman mr. Jan H. de Pont (1915-'87).  Deze van oorsprong Tilburger bestemde bij zijn overlijden een deel van zijn nalatenschap voor een centrum ten behoeve van moderne kunst, dat in 1992 werd gevestigd in het voormalige spinnerijgebouw van Thomas de Beer. Dit gebouw werd door Van Benthem Crouwel Architecten verbouwd en geschikt gemaakt voor een museum. Ook enkele voormalige textielarbeiders konden daar aan de slag. Het museum De Pont kreeg in binnen- en buitenland een uitstekende reputatie als centrum voor hedendaagse kunst. In 2016 werd het museum uitgebreid en werd er langs de straatkant een door de gemeente geschonken entree gerealiseerd die herinnert aan de vroegere bebouwing van dit deel van het Wilhelminapark. 

 

Joannes (Jan) A.J.M. de Beer (1904-1961, x Constance A.Ph.M. Eras 1907-1990)

Jan Piep of Kaoje Jan

omdat hij een van zijn ogen half dichtgeknepen hield als hij iemand goed aankeek. Dit werd vroeger een “piepoog” genoemd, vandaar de eerste bijnaam. Werd in de fabriek van Thomas de Beer ook Kaoje Jan genoemd om hem te onderscheiden van zijn hierna te noemen neef Jan.

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

Joh. (Jan) N.C.M. de Beer (1904-1989, x Maria Th.A.H. "Zus" Janssen)

Jan Smul of Dikke Jan

om hem van andere Jannen de Beer te onderscheiden werd de achternaam van zijn moeder gebruikt, Maria Antoinette (Net) C. Smulders die getrouwd was met Jan, de derde zoon van Norbertus. Was evenals zijn neef en leeftijdgenoot Jan Piep de Beer wollenstoffenfabrikant bij Thomas de Beer. Om deze twee te onderscheiden werd in et febriek de ene Dikke en de andere Kaoje Jan genoemd. Hij was ook de vader van Wim et Kanon de Beer.

 

dr. Karel Constant Lambert de Beer (1908-1965)

de Pastoor van de Ongewijde Aarde

een van de drie priesterzonen van Lambert Th.M. de Beer (1867-1931). Hij ging in Rome studeren, promoveerde in de theologie en werd later pastoor in Hilvarenbeek. Zijn begrafenis in die plaats kreeg een nasleep, want die werd (om budgettaire reden) met een verborgen camera gefilmd door Jef van der Heijden voor diens film Ongewijde Aarde. Dit was voor de familie aanleiding om via een kort geding dat werd gewonnen de openbare vertoning van de film tegen te houden. Veel later mocht deze toch enige keren in Hilvarenbeek draaien, maar toen was er vrijwel geen belangstelling meer voor. De film kostte de makers ƒ 150.000.- en bracht slechts ƒ4.000.- op. Voor de speelfilmcarrière van Jef van der Heijden was dit geen goede zaak.

De volgende anekdote heb ik eens opgetekend uit de mond van Paul Spapens, uit zijn periode als misdienaar bij pastoor Karel de Beer te Hilvarenbeek:

Pastoor de Beer kwam op zeker moment in het bezit van een toepasselijk in zwart en wit uitgevoerde nieuwe DAF van het type Daffodil. De voor die tijd bijzondere "pastormobiel" kon ook worden ingezet na een uitvaartdienst om de hele staf van pastoor en misdienaars in vol ornaat, inclusief kruis en wijwatervat, van de kerk naar het kerkhof te brengen voor de aansluitende begrafenis. Dat moest altijd nogal snel gaan, voor de stoet uit. De eerste keer dat de Daffodil hiervoor werd gebruikt was de pastoor echter nog niet goed gewend aan "het pientere pookje" en scheurde met teveel gas door de eerste de beste bocht. Daardoor kantelde het vat met wijwater en vloeide het gezegende vocht over de vloer van de auto. Met de Daffodil kon het verder niet mis gaan, deze was nu goed gewijd, maar wel kwam hierdoor het verloop van de begrafenis in het gedrang. Op dat moment toonde De Beer een grote tegenwoordigheid van geest. Hij stuurde de auto even verderop een tankstation in. In één vloeiende beweging stapte hij uit en hield het wijwatervat onder een waterkraan. Onder het prevelen van een gebedje sloeg hij haastig een paar kruisen over het weer gevulde vat, en zie: het autoruitenwater was wijwater geworden. Slechts weinig seconden na deze bliksemceremonie, die zich afspeelde voor de ogen van de verbouwereerde pomphouder en enkele van zijn klanten, was het gezelschap alweer pijlsnel op weg naar het kerkhof!

 

Marie-Louise Thérèse Anna de Beer (1923 – Den Haag 2000, x Cor J.L. Walder, xx Antonius Lebuïnus Maria van der Lande, Deventer 1890 – Oisterwijk 1981)

Muis de Beer

Het schijnt wel meer te zijn voorgekomen dat de naam Marie-Louise werd ingekort tot “Muis”, maar een ander voorbeeld dan dit ken ik toch niet. Zij was een kleindochter van Lambert de Beer (zie in hoofdstuk 2 onder den Fabriekaantenbond) en dochter van Norbertus (Berry) Antonius Lambertus Maria de Beer (1898 – Oostende 1964, x 1920 Marie-Louise Caroline Anna “Loeky” Kerstens, 1899-1981). In 1976 trouwde zij voor de tweede keer, met Anton van der Lande. Na haar eerste huwelijk had Muis haar beroep als verpleegster weer opgepakt en kwam in dat verband bij de zieke Anton van der Lande te werken. Zij verpleegde hem zo goed, dat hij weer geheel herstelde en op 86-jarige leeftijd besloot haar ten huwelijk te vragen. Na diens dood vijf jaar later verhuisde Muis van Oisterwijk naar Voorburg en stierf in Den Haag. Zij was een zus van Lambertus (Berry) Josephus Maria de Beer (1921 – Wassenaar 2018, x Trees M.A.E. Wubbe, 1927-2013) die ook wordt vermeld bij Bernardus “Paus” Eras en Lau “Segaar” Janssens. Deze Berry vertelde mij eens dat Frans van Spaendonck (1920-’45, zie bij Céline Diepen) in zijn tienerjaren een oogje op zijn zus zou hebben. Als hij (Frans) dan een verjaardagsfeestje of zo organiseerde dan nodigde hij de wat jongere Berry ook uit, want hij wist dat die dan zijn zus Muis mee zou brengen.    

 

Wim J.M. de Beer (1932-2008, x Netty Hofland 1932-2018)

(et) Kenon de Beer

befaamd speler/midvoor van de hockeyclub TMHC “Tilburg” welke met hem en o.a. zijn mede-internationals Theo van Vroonhoven en Jan Taminiau in 1960 kampioen van Nederland werd. Ook in het Nederlands hockeyelftal werd Wim een succesvolle doelpuntenmaker en nam o.a. deel aan de Olympische Spelen van 1960 in Rome. Werd vanwege zijn kwaliteiten door de sportjournalistiek "het Kanon" genoemd. Ook kopte de krant: "de Beer is weer los" als hij op het veld had toegeslagen. Als laatbloeier speelde hij slechts 29 internationale wedstrijden waarin hij toch kans zag om 27 keer te scoren, een aanzienlijk moyenne in die tijd. In de voetsporen van zijn vader Dikke Jan de Beer werd hij directielid van de wollenstoffenfabriek Thomas de Beer.

 

 Wim de Beer, midden staand, kanon in Oranjedienst 1960 (foto: coll. HC Tilburg)

 

Gebrs. Stan (1943 – Deventer 2011), Joop (geb. 1945) en Karel de Beer (geb. 1946)

Grote Beer, Kleine Beer en Middelbeers

welke groepsbijnaam in de eerste helft van de jaren 1960 werd bedacht door Wil Sterenborg toen deze drie broers samen deelnamen aan het zeilkamp van het St.-Odulphuslyceum in Loosdrecht, waar Wil (toen nog conciërge van het lyceum) als staflid ook aan deelnam. Deze bijnaam was uitsluitend geschikt voor toepassing in groepsverband en is daarom sinds medio 2011 niet meer actief. Wil Sterenborg werd leraar Nederlands aan het St.-Odulphuslyceum, heeft o.a. in opdracht van de regering Lubbers een aantal jaren Troonredes nagekeken op taalgebruik en spelling en deed onderzoek naar het Tilburgs dialect, wat resulteerde in het Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT, sinds 2011 hier op CuBra voortgezet door Ed Schilders; ww.cubra.nl/wtt/index.htm ) en in officiële erkenning van de door hem ontworpen spellingsregels voor het Tilburgs dialect. Geen wonder dat hij ook een meester was in woordspelingen en andere spitsvondigheden (zie hoofdstuk 3: “de Wil” Sterenborg).  

 

Het mooie deel van het gezin De Beer mag dan niet ontbreken. Foto van het communiefeestje in 1963 van de jongste (Pia, geb. 1956). Ook van de partij en hier in beeld haar peetoom mr. J.H. (Jan) de Pont (1915-’87). Op de voorgrond links de moeder van het communicantje, M.C.E. (Zus) de Beer-Mannaerts (1917-’97, de oudste dochter van Jos Mannaerts, zie daar) en rechts op de achtergrond haar oudste dochter Marijke (geb. 1942). Wie de foto nam? Grote Beer, Kleine Beer of Middelbeers (coll. Karel de Beer).

 

Henricus de Beer (ca. 1880-1920)

Harrieke de Bèèr Schietgewèèr

dwerg van circa 1 meter, woonde in de Diepenstraat en werd door de jeugd uit de buurt gepest met deze bijnaam.

 

Cornelia de Beer

Kee Water

handelde in melk, boter, eieren e.d. Men zei dat zij stiekem de melk met water aanlengde, vandaar haar bijnaam. Ook verkocht zij brandstof voor de haard. Haar zaak had zij aan de Heikantsebaan bij Teurlings Molentje.

 

Willem de Beer (1882-1929)

Prikske

eerste man van Elisabeth Petronella van Hezik (zie daar). Enkele van hun zonen zijn buschauffeur bij de BBA geworden.

 

Johannes (Jo) Gerardus van Beerendonk (geb. Udenhout 1909)

den Bèèr

is 38 jaar lang bode geweest in het gemeentehuis van den Uunent (Udenhout) en woonde daar ook met zijn gezin in de achterbouw. Jo stond bekend om zijn ijzeren geheugen. Hij kende dan ook alles en iedereen in de gemeente maar klapte nooit uit de school. Hij werd in 1974 opgevolgd door zoon Jan die zijn vaders’ bijnaam overnam. Waarschijnlijk was dit slechts een verbastering van hun achternaam.

 

Janus Beerens

Jan Pot

omdat hij een bekende venter was in aardewerk

 

Jan van Belzen (ca. 1865-1938)

Boutje Gèrnaol

 

Collectie E. Pierson.

 

garnalenkoopman uit Arnemuiden, die dagelijks in Tilburg in Zeeuwse klederdracht langs de huizen kneukels en krabben kwam verkopen, die hij in twee manden aan een juk had. Heeft dit in totaal 42 jaar gedaan. Mogelijk is deze bijnaam ook aan een ander gegeven, misschien zijn zoon of een collega-venter.

In de jaren dertig startten Daniel en Janneke van Belzen uit Arnemuiden (waar zij in 1920 getrouwd waren) een viswinkel in de Enschotsestraat in Tilburg, later NS-plein. Zij noemde deze “De Zeeuwsche Vischhandel”. Zij stonden ook op de markt. Waarschijnlijk was het Jannetje die later als “Moeke van Belzen” bij iedereen bekend was die weleens op de vismarkt kwam. Hoe direct zij familie waren van Jan “Boutje Gèrnaol” van Belzen is niet bekend, maar een wegbereider was hij in ieder geval.

 

De familie van Belzen (v.l.n.r. Jannetje, Daniel, Theu, Kees, Geert en Rinus) voor hun vishandel in Tilburg (coll. Historische Vereniging Arnemuiden)

 

Jet van Belzen in 1979 op het Koningsplein. Veel Tilburgers herinneren zich nog haar stem boven iedereen uit: “Jaja, ze zijn d’rrr weer,” (nieuwe haringen) en: “Waar blijven mijn klantjes?” (Tilburgse Herinneringen op Facebook)

 

Jan-Baptist van de Berg

Tiesje van den Berg

uit Goirle, wiens tweede voornaam op een wel vaker gebruikte manier verbasterd werd. Zat begin jaren 1960 in het jeugdbestuur van de Golse voetbalclub GSBW.

 

Louis van den Berg

de Spartel

kapper aan de Korvelseweg.

 

Walter van den Berg

de Pôot (2)

ook kapper aan de Korvelseweg, waarschijnlijk de zoon van Louis.

 

L.C. van den Bergh

Rooje Loe

handelde in allerlei zaken. Ook bekend van het in stand houden van de illegale radiozender Radio Benelux. Woonde in Broekhoove en had geen officieel beroep.

 

dhr. en mevr. Van Berkel

de Zoere en Zwart Anneke (van Berkel)

zij woonden in de jaren 1940-'50 in de Doctor Mollerstraat, een straat die uitkwam op het Schaepmanplein achter de Theresiakerk (sinds 1969 heet dit het Horversplein). Volgens Tjeu Cleutjens, die aan het Schaepmanplein is opgegroeid en daar goede herinneringen aan heeft overgehouden (zie: http://www.cubra.nl/geschrevenstad/20horverspleincleutjens.htm) werden er in die omgeving veel bijnamen gebruikt voor bewoners waarover verder weinig of niets bekend is, zoals de ook in dit hoofdstuk genoemde Witte Bertens, “de Post” Mansvelders, Gètje van Berkel, en in hoofdstuk 2: Trees Babbel. 

 

Jantje van Berkel

Jantje Krulsjèk

woonde in de minister Talmastraat (zie ook hoofdstuk 4: et Zaandstròtje).

 

Jacques van Berkel

Sjaak Dap

nam metselwerk aan, maar men vond zijn werk niet altijd geslaagd. Vandaar zijn bijnaam (dabbe = knoeien, modderen, in dit geval met cement; zie ook bij August Gusje Dap van den Broek). Hij woonde aan het Lijnsheike.

 

mevr. Van Berkel

et Gètje

woonde in de jaren 1940-’50 aan het Schaepmanplein (nu Horversplein) en leefde erg teruggetrokken.

 

A. Bersin (Letland 1871 - Heukelom 1941)

de Russische Madam

een Letse vrouw die in Parijs gouvernante was in een welgesteld Russisch gezin, toen zij daar de Hagenaar W.A. Eschauzier leerde kennen die suikerplanter was geweest in Nederlands-Indië. Zij trouwden in 1903, gingen in Scheveningen wonen en kregen een zoon André (Dries, 1906-1997). Na de dood van haar man in 1916 trok de weduwe Eschauzier naar het platteland. Op een dag fietste zij langs Mie Pieters in Heukelom (zie hoofdstuk 4, de Hut van Mie Pieters,) een agrarische kern die tot de herindeling van 1997 bij Berkel-Enschot hoorde (daarna Oisterwijk). Hier beviel het haar zo goed dat zij in 1921 een boerderij als vakantiehuis kocht gelegen Baaneind 12. In 1925 vestigde zij zich met haar zoon Dries permanent in het na een verbouwing Villa Zonlicht genoemde huis (architect Philibertus Donders). Een verzoek van haar tot een bijdrage van NLG 500,00 om de toegangsweg met sintels te verharden zodat zij gemakkelijk met haar auto haar huis kon naderen werd eerst door de gemeente afgewezen, waarna door Gedeputeerde Staten gehonoreerd. “De Russische Madam” zoals men haar inmiddels noemde werd een van de kleurrijkste inwoners uit haar omgeving. Aan de ene kant gaf zij geregeld dikke feesten met bijzondere gasten, maar aan de andere kant was zij erg sociaal ingesteld: zij hielp mee op het land, was goed voor mensen die het niet breed hadden en droeg royaal bij aan het liefdadigheidswerk en verenigingsleven. De Russische Madam werd in Heukelom zeker niet als een kakmadame beschouwd.

Rond 1930 moet het in Villa Zonlicht geknetterd hebben van de jazzmuziek. Als Wageningse student had de muzikale Dries Eschauzier zich al in 1926 aangesloten bij de Ceresband, het eerste jazzensemble in ons land, waar hij (saxofoon) speelde met Eppo Doeve en de Tilburger Emile Verbunt. Diens stadgenoot Max Goijarts was ook zo’n jazzpionier. Deze speelde baritonsaxofoon maar had ook een bassaxofoon op de kop getikt die hij wilde bespelen. Er was er maar één in de jazzwereld die dit goed kon: de Amerikaan Adrian Rollini. Max en Dries togen naar Londen om deze grootheid aan het werk te zien en wisten hem over te halen om naar Nederland te komen. Zo logeerden Rollini en zijn vrouw Dixie in 1929 enkele weken bij Dries en zijn moeder in Heukelom. Rollini gaf masterclass aan zijn gastheren en leerde met zijn vrouw ons land kennen. Ook werden enkele optredens in België en Nederland geregeld, waarbij Rollini werd begeleid door Dries, Max en zijn moeder op de piano (zie Josephine Goijarts-Janssens). Dries speelde ook in het Tilburgse orkest “Max Goijarts and his Music.” Na afronding van zijn studie vestigde hij zich permanent in Heukelom. Toen Max Goijarts in 1938 stopte met zijn muziek ging Dries spelen bij “The Men from the South" van Emile Verbunt en bleef tot in de jaren 1950 lid van dit gezelschap. Tot op hoge leeftijd bleef André (Dries) Eschauzier in den lande een gerespecteerd deskundige in de oude jazz (zie het boek: “Jazz in Tilburg, Honderd jaar avontuurlijke muziek,” door Rinus van der Heijden e.a. Tilburg 2010).  

 

A. Bersin, links. Collectie familie Eschauzier; in: Berkel-Enschot-Heukelom drie zielen en één bestuurlijk hart, dr. Ad van den Oord & drs. Wil van Oosterhout, Gemeente Berkel-Enschot 1996.

 

Na de dood van zijn moeder in 1941 hield Dries de villa aan. Rond die tijd vond Rudi Wertheimer (Keulen 1909 - Breslau 1945) daar een onderduikadres. Deze uit Duitsland gevluchte zoon van een joodse lederfabrikant woonde al sinds 1930 in Oisterwijk. In de zomer van 1941 moest hij onderduiken. Op het landgoed van de Russische Madam kon hij zich schuilhouden en speelde er voor rentmeester. Toch werd hij in 1942 opgepakt, tegelijk met de trappistin Veronica (Wies) Löb, een lid van de familie Löb uit Berkel-Enschot van wie er zeven zijn omgebracht. Met Villa Zonlicht was het tien jaar later gedaan. Dries, die inmiddels een gezin had en in Vught was gaan wonen, verhuurde deze in die tijd aan een familie Lindner. Toen die in 1952 op vakantie was brandde Zonlicht tot de grond toe af.

 

Dries Eschauzier in de vijftiger jaren met zijn jazzvrienden van The Men from the South in de Philharmonie, v.l.n.r.: Nico Ayer (gitaar) Fons Knegtel (klarinet, baritonsax en zang) Dries Eschauzier (saxofoons) Jan Hoeks (alt- en sopraansax) Arie Beukers (piano) Emile Verbunt (drums) Guus van Oirschot (trombone en trompet) en Otto Dröge (bas). Foto uit: “Jazz in Tilburg” (zie in de tekst).

 

Bernhard Heinrich Wilhelm Berssenbrügge (Rotterdam 1873 – Goirle 1959)

Henri Berssenbrugge

Hij werkte in de eerste helft van de twintigste eeuw als fotograaf en werd in dat vak zowel nationaal als internationaal hoog gewaardeerd.

Over de modificatie van zijn naam was alleen te vinden dat hij zelf naar het schijnt zijn familienaam nooit van de officiële Umlaut heeft voorzien. De rest is gissen. Misschien vond hij “Henri” gemakkelijker en ook chiquer  (kwam meer voor, zoals bij Henri Mannaerts) en paste deze naam beter bij de fotografie, die oorspronkelijk uit Frankrijk kwam. Of misschien wilde hij liever niet aan zijn Duitse wortels worden herinnerd?

 

De fotograaf gefotografeerd: Henri Berssenbrugge 1873-1959

 

De vader van Henri was Johann Wilhelm Berssenbrügge, een koopman in manufacturen uit de regio Cloppenburg, Nedersaksen, aldaar geboren in 1841 (overleden 1911 te Rotterdam) en gehuwd in 1872 met Elisabeth Catharina Warnken (geboren 1845 te Nijmegen). In 1873 woonden zij in Rotterdam waar hun oudste kind Henri werd geboren, die in de periode 1887-‘99 (met een onderbreking o.a. vanwege militaire dienst) daar de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen volgde. Toen Henri zijn opleiding in 1899 voltooide noemde hij zich decoratie- en kunstschilder. Een jaar later raakte hij via een kennis gefascineerd door de fotografie. Reeds in 1901 vestigde Henri met Pierre Paul van Wulven een dependance van de Rotterdamse fotozaak Adolf Héron (een oom van Van Wulven) in de Bisschop Zwijsenstraat (nr. 15, nu Fontys) in Tilburg, welke hij “A. Héron” noemde. Van Wulven haakte al snel af en toen Henri in 1902 ook de samenwerking met Héron beëindigde ging hij alleen door en noemde zijn Tilburgse zaak gewoonweg “Au Héron”!

Zakelijk werd de onderneming geen succes, maar wel bleek Henri een groot fotografisch talent te hebben. Hij maakte naast de portretfoto’s in zijn studio ook veel foto’s in en om Tilburg van het boerenleven, kinderen, ambachtelijke thuiswerkers, zigeuners e.d.: eenvoudige mensen met hun alledaagse bezigheden die door hem met veel gevoel en vakmanschap werden uitgebeeld. In 1906 keerde hij terug naar Rotterdam en vestigde zich tien jaar later in Den Haag. In 1913 trouwde hij in Rotterdam met de veel jongere Ursulina Cornelia (Corry) Alban (geboren 1895 te Rotterdam) met wie hij twee kinderen kreeg. Al enkele maanden na hun scheiding in 1919 hertrouwde hij in Tilburg met Joanna (Jo) Maria Josephina Ludovica Melis (1891-1989, geen kinderen). Zij was een zus van Maria A.A.F. en Catharina W.J.M. Melis (ook genoemd bij Loek Lansdorp). Berssenbrugge woonde en werkte vanaf 1916 in Den Haag, in een gehuurd pand in de Zeestraat. In 1920 kocht hij dat pand en liet het moderniseren volgens de opvattingen van kunstbeweging De Stijl. In 1928-’30 trok hij er vaak op uit met de camera en fotografeerde in veel steden en dorpen in het land, ook weer in Tilburg. In de jaren daarna werd hij meermalen gelauwerd met prijzen en erelidmaatschappen. In 1939 kreeg hij een lichte beroerte welke het einde van zijn loopbaan én moeilijke tijden inluidde. In 1942 verkochten de Berssenbrugges hun pand in de Zeestraat en gingen in Scheveningen wonen. Daar moesten ze na een paar maanden alweer weg vanwege de aanleg van de Atlantikwall. Zij besloten om terug te keren naar onze contreien en konden tijdelijk hun intrek nemen in Villa Blanca, Tilburgseweg 176 Goirle (zie Franciscus “de Schroef” Mutsaerts). In 1944 verhuisden ze een klein eindje, naar een woning aan de Tilburgseweg 139. Daar overleed Henri in 1959. Jo Berssenbrugge-Melis overleed in 1989 in Tilburg op 98-jarige leeftijd.

Voor het zover was had Henri Berssenbrugge in de jaren vijftig een groot aantal van zijn werken moeten verkopen. Die gingen naar instellingen in Rotterdam, Leiden en Den Haag. Hij werd daarbij geholpen door een ere-tentoonstelling die de Brabantse fotograaf Martien Coppens voor hem in 1953 in Eindhoven organiseerde. In 1957 verkocht hij ook een honderdtal glasnegatieven en afdrukken aan de gemeente Tilburg. In 1968 werd dit Tilburgse oeuvre uit de vergetelheid gehaald door het boekje: “Pronte mensen: Leven in Tilburg van toen,” door H. van den Eerenbeemt en F. van Puijenbroek. Ook in dit Bijnamenboek komen enkele foto’s van Henri Berssenbrugge voor (zie bijv. in dit hoofdstuk bij “Baard” van Dongen, Cornelia de Kock en Anna van Pelt; in hoofdstuk 2 de Kèts; in hoofdstuk 4 de vierde foto bij den Bèrndèèk)  

 

 

Berssenbrugge bracht in zijn studio in de Bisschop Zwijsenstraat een landschappelijk decor aan en nam daar verschillende portretfoto’s die bewaard zijn gebleven. Boven: Clara Verschuuren (geb. 1881, in 1915 geh. met J. van den Brekel) in 1901-’02, toen fietsen voor vrouwen in de ogen van velen nog “not done” was (coll. RAT). Onder: het “vennetje” werd ook als de achtergrond gebruikt bij dit portret van Willem Hoosemans (geb. 1880, later bekend als wolhandelaar) met zijn Belgische Antoine motorfiets (uit Frans Kense: “Het vennetje aan de Zwijsenstraat” op het Geheugen van Tilburg).

 

C. (Kees) F.A. Bertens

Kees Halverweege

had een meubel- en woninginrichtingszaak halverwege het Smidspad (op nr. 57, ter hoogte van de Goirkezijstraat). Ging zichzelf zo noemen om zich te onderscheiden van een concurrent in dezelfde straat die ook Bertens heette.

 

Kees Bertens met vrouw en dochter in hun kraam tijdens een braderie. Bron: Louis Donders, Het Smidspad in Tilburg, MundiService 2013.

 

In zijn glorietijd afficheerde het Smidspad met liefst 42 winkels zich als "de winkelstraat van het noorden." Men zegt dat het Smidspad genoemd is naar een smid van de firma Van Blerk (zie daar).

 

Het Smidspad in 1946 (coll. RAT)

 

dhr. Bertens

Bultje Bèrtens

was journalist en woonde in de De Ruijterstraat (Trouwlaan). In de oorlog 1940-’45 was hij werkzaam bij de Provinciale Voedselcommissaris, Gasthuisring 23 en 39.

 

dhr. en mevr. Bertens

Ries Prèùm en Keej Kwatta

boerenechtpaar in Udenhout.

 

familie Bertens-Druijts

de Witte (1) of de Witte Bertens

waarvan de leden gekenmerkt werden door hun blonde haar. Zij woonden in de jaren 1940-’50 aan het Schaepmanplein (nu Horversplein). Miet Bertens-Druijts was daarbij een tante van Wimke Druijts (zie daar).

 

Gr.M. van de Besselaar en Jan van de Besselaar

den Boenes

respectievelijk vader en zoon, van de drukkerij aan de Tivolistraat. Hun bijnaam ging over van vader op zoon!

 

tandarts Johannes (Jan) Th. Beukers (1907-1978, x Maria B. Mutsaers)

den Beul (1)

omdat hij met zijn grote handen fors aanpakte. Hij kwam uit Schiedam, had een tandartsenpraktijk in de Zomerstraat en bouwde later een huis aan de Ringbaan-West aan de rand van et Mietavèld (naast de GGD, zie hoofdstuk 4). Het verhaal ging, dat hij daar al gauw een probleem had met zijn buurman. Deze stapte op enkele circusmensen af toen die op et Mietavèld bezig waren hun tent op te zetten, zeggend: "Het kan mij niet schelen hoeveel herrie jullie hier de komende week gaan maken, als jullie de strònt van oe biste maar bij hem (Beukers) in de tuin gooien…!" Dit gebeurde vervolgens ook. Men beweerde dat Beukers, die intussen met zijn gezin op vakantie was, er bij thuiskomst tot z'n knieën in zakte!

 

dr. A. (Janus) C.M. Beukers

Janus Pik

was chirurg medio 20e eeuw, over wie het verhaal ging dat zijn vrouw hem op de zondagochtend vroeg: “Janus, wilt gij nog gebruik maken van mijn lichaam? Anders ga ik ter kerke!”

 

Henri (Harrie) Frederik August van Beurden (1874-1930, x 1902 Christine Teulings, ’s Hertogenbosch 1874 - 1968)

Pa van Beurden

hij was boekhouder bij de wollenstoffenfabriek van A&N Mutsaerts (Bartje Mutsers, zie hoofdstuk 4). In 1905 werd hij lid van voetbalclub Willem II (zie o.a. de Tricolores in hoofdstuk 2) en trad een jaar later al toe tot het bestuur van deze vereniging, waarvan hij secretaris werd en bleef tot kort voor zijn plotselinge dood in 1930. Hij stond bij Willem II bekend als Pa van Beurden vanwege zijn volledige, haast vaderlijke toewijding aan de club, waar hij ook zijn vrouw en kinderen bij betrok. Tot 1930 woonde de familie in de Tuinstraat (nr. 76)

Henri van Beurden was een zoon van de bekende fotograaf Adriaan van Beurden (1843-1915) die sinds 1869 in de Willem II straat was gevestigd en daar werd opgevolgd door Henri’s broer Josephus Antonius. Toen deze in 1930 stierf kon Henri het fotoatelier nog juist overnemen ten behoeve van zijn zoon Leo, voordat hij zelf kwam te overlijden. Leo van Beurden bleef tot zijn dood in 1961 het beroep van fotograaf uitoefenen, als laatste van de familie. Kort daarna sloot deze zaak, die al in 1874 het predicaat Hofleverancier had verkregen.  

 

Reliëfportret van Henri van Beurden op het graf kerkhof Bredaseweg waar hij en zijn echtgenote rusten. “Aan onzen onvergetelyken secretaris. T.V.V. Willem II,” staat eronder. Het reliëf is gesigneerd met “Philo”. Dit kan staan voor Philo (Philomena) van Riel (1910-’70), een in Waalwijk geboren Antwerpse beeldhouwster die rond 1930 in opdracht van haar neef, de Tilburgse fabrikant Joseph H.A.M. Eras (zie bij Eras-Janssen) ook het beeld van de Schotse Margaretha Sinclair maakte, dat sinds 1980 in het bezit is van het Nederlands Textielmuseum.

 

Gertruda (Truus) Anna Leonora van Beurden (1910-97 x Frans Priem), de jongste dochter van Henri “Pa” van Beurden, hier op de foto uitgedost met rood-wit-blauwe accessoires, vermoedelijk voor een carnavalsbal van Willem II tussen 1925 en 1930 (coll. Brabants Dagblad, foto bij het relaas van Michiel Corten, een kleinzoon van Gertruda van Beurden).

 

Piet van Beurden

Pietje Kubiek

had een precieze kijk op hoeveelheden en werd daarom vaak gevraagd door de gemeente om bijvoorbeeld een partij zand te “meten”, dus schatten om hoeveel kubieke meter het ging, zoals een scheepsmeter bij het laden van een schip. Eens toen hij al oud en ziek was hebben ze van de gemeente hem daarvoor nog thuis met een koets opgehaald, omdat hij zo onmisbaar was! Oorspronkelijk was hij landbouwer op de Vèldhoove. Hij had ook een bosje tegen Goirle aan en een weitje met koeien in de Waaj, nu het kloppend hart van de stad. De familie had daar ook woningen in bezit. Kleindochter Riet ging daar altijd langs om de huurpenningen op te halen, omdat haar oudere zus dit niet dorst (zie ook bij “Kromme” Sophie van Oudheusden). Riet van Beurden (1926-2012), vond als gezinsverzorgster emplooi bij de AaBe Wollenstoffen- en Wollendekenfabrieken en ging vandaar verder in het maarschappelijk werk. Later werd zij ook bekend als actievoerster voor het behoud van huize Nazareth (met succes) waar zij rond 2000 tegenover woonde. Riet heeft inhoudelijk bijgedragen aan het Tilburgs Bijnamenboek (uit 2000).    

 

Piet van Beurden met zijn bruid Corrie Simons in okt. 1945

 

Piet van Beurden kort na de oorlog met zijn eerste bedrijfsmiddel, een achtergelaten Engels legervoertuig

 

De naam Piet van Beurden was en bleef bekend in Tilburg. Een latere Piet van Beurden (1921-’87) startte kort na de oorlog 1940-’45 een handel in brandstoffen (kolen en olie, later werd hij groot in benzine). Hij begon te werken met behulp van een kleine Engelse legervrachtauto. Deze Piet van Beurden had in de oorlog zijn geliefde Corrie Simons verlaten om zich aan te sluiten bij het Engelse leger, waar hij sergeant werd. Kort na de bevrijding in oktober 1945 trouwde hij met Corrie in de Koningswei in aanwezigheid van Engelse legervrienden. Eerder hadden zij hem een lap parachutestof meegegeven voor de bruidsjurk. Nu lieten ze de vrachtauto achter als huwelijksgeschenk en uit dank voor zijn geleverde diensten. Piet van Beurden opende in 1960 een bedrijfsvestiging aan de Hazelaarstraat, naast het spoorwegemplacement (Van Gend en Loos-terrein). In 1993, nadat het bedrijf daar was beëindigd, werd de grond met bebouwing verkocht aan twee schoonzonen van de inmiddels overleden Piet van Beurden. In 2017 is deze grond in het bezit van de gemeente en maakt deel uit van het plan om op het intussen verlaten complex een stadspark aan te leggen. In dat jaar ook kwam Corrie van Beurden - Simons (1920-2017) te overlijden.

 

gezusters Van Beurden (1923-....)

de Fientjes

tweeling, dochters van Fien van Eyck die gehuwd was geweest met Van Beurden. Woonden aan de Bredaseweg in een huis dat “’t Buitentje” heette. Dit werd in de oorlog als een van de weinige in die omgeving niet gevorderd door de Duitsers, wat tot roddels leiddde….  

 

dhr. Van Beurden

de Kneuter

omdat hij kneuters (bepaalde vogels) ving. Hij woonde in de Havenstraat op de Koningshoeve.

 

dhr. Van Beurden

de Peuter

woonde in en klèèn höske in et Körvels Huukske (zie hoofdstuk 4). Hij had veel kinderen, maar men zei dat hij toch nooit werkte. Zijn vrouw en een als dochter verklede zoon stonden op de kermis. Daar kon je voor een dubbeltje naar binnen om iets van hun benen te zien. Als je meer wilde zien moest je in een bakje geld bijgooien. Dan gingen de rokken nog iets omhoog. Boven een bepaalde zedelijkheid grens staken zij voor het meerdere geld alleen hun tong nog uit en daarmee hield het voor de bezoekers mee op!

 

Jos van Beurden (1935-2005, x Riet van Oirschot)

Batske

uit een overlijdensadvertentie voor hem die niet door naaste familie was geplaatst. Hij zal waarschijnlijk onder vrienden zo genoemd zijn.

 

Janus van den Biggelaar

den Blaawe

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

omdat hij rood haar had. Woonde in de Wilgenstraat vlakbij het kerkhof aan de Bredaseweg waar hij doodgraver was. Ook beheerde hij het sportterrein et HOO (Heike’s Ontspanningsoord, zie hoofdstuk 4) dus zal in vaste dienst zijn geweest van de parochie het Heike.

 

Een begrafenis op het kerkhof van ’t Heike (Bredaseweg) in 1937, met in uniform vooroplopend Janus van den Biggelaar, die grafmaker was op dit kerkhof en daarnaast allerlei klussen deed voor de parochie. De middelste misdienaar op de foto is Antonius (Toon) J.J. Ooms (1928-2018, zoon van slager Ooms in de Nieuwlandstraat). Deze werd in 1952 priester, volgde een studie klassieke talen in Nijmegen, was van 1970 tot ‘85 vicaris van bisschop Bluyssen en aansluitend tot 1993 pastoor van parochie ’t Heike in Tilburg (foto coll. Van den Biggelaar)

 

Hein Bijvoet

Neus van Palembang, later ook de Tôoverbòl

de eerste bijnaam omdat hij naar de Oost ging en de tweede omdat hij na die periode, toen hij met zijn gezin in de Burg. Suijsstraat woonde, kinderen had in verschillende kleuren: blond, rood…

 

Willem Bijvoet

Schoppenboer

van de Wijnhandel J.A. Verbunt. Heeft maatschappelijke nevenfuncties gehad, zoals bij de Koninklijke Liedertafel Souvenir des Montagnards. Voor zijn bijnaam is geen verklaring gevonden, of zou die iets te maken kunnen hebben met zijn achternaam (met een voet kun je schoppen….)?

 

Willem Bijvoet e.a. in de Willem II-straat ter hoogte van de tuin van Liedertafel Souvenir des Montagnards, ca 1910.

 

Jubilerend gezelschap bij de Koninklijke Liedertafel Souvenir des Montagnards in de Willem II straat die in 1932 haar 135-jarig bestaan en het jubileum van Willem Bijvoet vierde. Vooraan v.l.n.r.: Jef Verschuuren, Willem Bijvoet en Karel Swagemakers. Daarachter v.l.n.r.: Harrie Bonsel (zie zijn lemma), n.n., Harrie Korte, Jos Jansen, Harrie van loon, Jef (Jos) Vastersavendts en Leo Lejeune (foto 1932, coll. RAT).

 

Willem van Bladel

de Koeter

postbesteller, stoker en fietsenmaker bij PTT Post. Is waarschijnlijk een rusteloos iemand geweest die steeds moest koetere (heen en weer lopen, dingen regelen).

 

Nicolaas (Klaas) van Blerk

Klòske van Blerk

een verbastering van zijn voornaam. Hij was een zoon van de smid Gerard van Blerk uit Wòllek die zich medio 19e eeuw in Tilburg vestigde en op een gegeven moment (1864) een bekende zaak had aan het Smidspad (dat wellicht naar hem genoemd is). Klòske van Blerk, overleden in 1899, bouwde vanaf 1864 de smederij van zijn vader uit tot ijzerhandel met een meer fabrieksmatige productie. De zaken liepen goed en de drie zonen van Klòske werden vanaf 1904 zeer succesvol in met name tabernakels, kluizen en brandkasten. Later kwamen daar winkelapparaten (weeg- en snijmachines) bij. Rond 1935 werden er stalen kantoormeubelen aan het assortiment toegevoegd. Vanwege een nijpend ruimtegebrek werd besloten een geheel nieuw bedrijf te bouwen op het industrieterrein Kraaiven. Dit werd in 1964 in gebruik genomen, toen Van Blerk juist 100 jaar bestond: een feit dat kracht werd bijgezet door het aanbieden van een kunstwerk voor de Stadsschouwburg die dat jaar werd geopend. Dan veranderen de markten en moet Van Blerk in 1975 zijn zelfstandigheid prijsgeven. De fusieonderneming Assenburg draait aanvankelijk nog goed, maar uiteindelijk werd de Tilburgse fabriek in 2010 gesloten en gesloopt. 

 

 

Vanwege het 100-jarig bestaan schonk de firma N. van Blerk in 1964 de gemeente dit beeld van een zittend meisje (door Hans Goddefroy, Helmond). Het gebruik van een (toen trendy) kuipstoeltje in het ontwerp was een leuke verwijzing naar het jubilerende bedrijf. Er waren er ook die dit een vorm van sluikreclame vonden… Het beeld staat in het plantsoen voor de Stadsschouwburg.

 

Harrie Blomjous

de Sultan van Marokko

is ongehuwd gebleven, en heeft lang met zijn moeder (Anna P.M. Blomjous-van Glabbeek 1877-1968) in huize Mariëngaarde gewoond. De achtergrond van zijn bijnaam is niet bekend.

 

Henri M.J. Blomjous (1877-1953, x Maria Hermina Kolkman)

den Braajer, Poepbroek nr. 1 of et Stulphènneke

 

Henri Blomjous. Collectie Regionaal Archief Tilburg.

 

was textielfabrikant (van J.A. Blomjous in de Veemarktstraat), zoon van Josephus Andreas Blomjous en Theresia Maria Broeckx. Hij startte daarnaast een politieke loopbaan die leidde van lid van Provinciale Staten (1912-‘20) naar lid van de Eerste Kamer (1920-‘46). Was in 1917 mede-oprichter van Het Nieuwsblad van het Zuiden (zie ook in hoofdstuk 4: et Fabrikaantekrantje) en had diverse bestuurlijke functies bij plaatselijke onderwijsinstellingen.

Zijn eerste en derde bijnaam verwijzen naar zijn achtergrond als textielfabrikant. Zo werd Henri Blomjous op latere leeftijd ook wel et Stulphènneke genoemd omdat hij toen nogal gekromd voorover liep, bijvoorbeeld als hij door de stad op een klant af ging “meej zen blaaw Tilburgs pèkske onder zenen èèrem” (zie hoofdstuk 4). Zijn tweede bijnaam verwijst naar zijn functie als lid van de Eerste Kamer. Men vond dat hij daar zijn mond weleens wat meer open mocht doen, maar misschien durfde hij dat niet zo goed.

Eens ging hij met zijn zusters Cato en Marie hun broer Joseph M.D. Blomjous (1873-Den Haag 1930) opzoeken, die zich in 1923 in de Residentie had gevestigd. Aldaar meldde de conducteur van de tram op zeker moment: "Witte de Withstraat", waarop een van de zusters antwoordde: "Dè moete òn onzen Harrie (Henri) vraoge, die wit alles!" Een andere lezing voor het gegeven antwoord luidt: "Dan zudde veul kallek nôodeg hèbbe!"

 

Catharina M.Th. (Cato) en Maria A.A. Blomjous (1869-1944 en 1867-1945)

de Ruisrokke, of Poelepetaote

twee ongetrouwde zusters van bovengenoemde Henri Blomjous. Zij droegen wijde rokken of jurken met veel textiel die je altijd goed kon horen ruisen als zij door het gangpad van de Heuvelse kerk liepen, waar de familie Blomjous op een van de voorste banken plaatsnam. Het was destijds heel gebruikelijk dat vooraanstaande families vaste plaatsen vóór in de kerk innamen, die door de kerk aan hen werden verpacht (zie ook hoofdstuk 4: den Bloemetèùn). De tweede bijnaam komt van het Tilburgse woord Poelepetaat dat parelhoen betekent, of ook een vrouwspersoon die opvalt door haar gedrag. Dit past bij de wijde ruisende rokken waarin de dames Blomjous graag gekleed gingen.    

 

Frater Andreas (Jan) van den Boer (Udenhout 1841-1917)

de Heilige Frater

 

Devotieprentje met daarop als relikwie 'Stof door hem gedragen'. Collectie Ed Schilders

 

Frater Andreas, die opviel door zijn eenvoud en bescheidenheid, werd geboren in Udenhout als boerenzoon uit het gezin van Piet van den Boer en Maria Bergmans. Vader Piet was een harde werker die goed boerde en  zich twee keer een verhuizing naar een grotere boerderij kon permitteren: in 1846 naar Biezenmortel en in 1854 naar Helvoirt. Op school in Helvoirt werd de leergierige Jan aangeraden om naar de kweekschool te gaan van de Fraters van Tilburg aan de Gasthuisstraat. Daar werd hij in 1860 Frater Andreas en haalde een jaar later zijn onderwijsakte.

In 1861 ging hij als leraar werken bij de Ruwenberg in Sint-Michielsgestel, waar de Fraters van Tilburg tien jaar eerder een voorbereidende opleiding hadden gesticht voor leerlingen tussen de lagere school en het seminarie. Later was de Ruwenberg vooral bekend als (strenge) kostschool. Hoewel hij lesgeven erg lastig vond omdat hij moeilijk orde kon houden in de klas, beschouwde Frater Andreas het als zijn plicht om deze taak met grote toewijding te vervullen. Hij gaf les in Nederlands, Frans en Duits. Zelf bleef hij vreemde talen studeren en vertaalde kinderboeken uit het Duits en Engels onder het pseudoniem J.M. Vincent. Voorts werd hij een vaste medewerker aan het blad De Engelbewaarder dat de fraters uitgaven voor de katholieke jeugd. In 1871 werd hij ook hoofd van de opleiding. In de periode tot 1912 was hij bijna 50 jaar verbonden aan de Ruwenberg waar hij door zijn sobere, dienstbare en vrome levensstijl een reputatie had verworven. In 1912 keerde Frater Andreas terug naar Tilburg, waar hij nog vijf jaar woonde in het fraterhuis van het H. Hart aan de Bosscheweg, dichtbij de Heuvel (welk huis daar van 1909 tot 1987 heeft gestaan). Hij overleed er op 3 augustus 1917 en werd begraven op het kerkhof van het moederhuis van de fraters aan de Gasthuisring. Opmerkelijk was dat zijn verering snel op gang kwam. Van 1929 tot op de dag van vandaag wordt er elk jaar ene bèèvert (bedevaart) gehouden naar zijn graf. Vanaf 1968 is er nogal gesold met zijn stoffelijke resten, overigens met de beste bedoelingen. In dat jaar werden deze opgegraven voor de noodzakelijke verificatie in het kader van het proces van zijn zaligverklaring (dit proces loopt al vanaf 1949). Toen kreeg frater Andreas ook een nieuw graf in de kapel van het moederhuis. In 1971 werden de stoffelijke resten tijdelijk bij het fraterhuis in Goirle ondergebracht vanwege bouwactiviteiten in het moederhuis. In 1975 keerde Andreas terug naar Tilburg om weer bijgezet te worden in het moederhuis. Aan het begin van de 21e eeuw vonden er weer bouwkundige ingrepen plaats die nu leidden tot een eigen kapel met graf voor de Heilige Frater. Hier staat een beeld van hem, gemaakt door zuster Jesualda Kwanten (zie hoofdstuk 2: “Krengen van Barmhartigheid”, Zusters van Liefde). Deze kapel werd in mei 2003 ingewijd door de mgr. A. Hurkmans, bisschop van Den Bosch.

Ondanks deze manoeuvres bleven de pelgrims ieder jaar het graf vinden en bezoeken om er te bidden voor zijn zaligverklaring. In 2008 verleende Paus Benedictus XVI hem de titel van Eerbiedwaardige Dienaar Gods, wat een erkenning inhield voor zijn verering. Ook Udenhout heeft zijn bekende zoon geëerd, met een eigen plek in de kerk van Sint-Lambertus. In deze (waterstaats-) kerk, een rijksmonument, is voor hem een altaar ingericht met enkele kunstwerken van de Beierse beeldhouwers vader en zoon Leo en Quirin Bäumler. Vanwege de honderdste sterfdag van Frater Andreas op 3 augustus 2017 heeft een schrijversteam van heemkundecentrum ’t Schoor in Udenhout een boek en een film over hem uitgebracht.

 

P.M.F van den Bogaert (Den Bosch 1901-Tilburg 1977)

Vrouwenjager

 

 

beter bekend als schrijver onder zijn pseudoniem Walter Breedveld. Woonde in de Tuinstraat, waar hij vaak nog zeer laat doorheen wandelde. Als hij dan op nr. 36 traiteur De Wijs nog aan het werk zag in diens “Den Edelen Hertog” kon men hem horen mompelen: “Dag en nacht…..”

 

Vincent A.A. Bogaers (1838-1901, x Isabella Pollet 1842-1909)

Heer van Weyenberg

 

Vincentius Aloisius Antonius Bogaers (1838-1901) met echtgenote Isabella Philomena Theresia Pollet (1842-1909) op een foto uit 1865, drie jaar na hun huwelijk in 1862 (foto: coll. RAT)

 

had deze titel in 1873 gekocht voor ƒ 12.680,- hoewel die al was afgeschaft door Napoleon. Koning Willem I heeft dit soort titels wel in ere hersteld, zij het met beperkte bevoegdheden. Daarom werden ze "in de uitverkoop" gedaan. Als gevolg van de nieuwe Grondwetten van 1840 en 1848 kwamen alle bevoegdheden die nog waren overgebleven na verloop van tijd echter alsnog te vervallen. Vincent Bogaers woonde in de Willem II-straat, in het kapitale pand waarin nu theater De Vorst zit. Een Tilburg gezegde luidde: "zo rèèk as Sanneke Boogers." Als een van de rijkste fabrikanten van de stad stond Vincent Bogaers echter ook bekend als een sociaal betrokken persoon. Zo was hij actief in de armenzorg (St. Vincentiusvereniging). Ook is hij wethouder van Tilburg geweest. Een zoon van hem (Josephus Jacobus, 1869-Antwerpen 1930, x Maria Alphonsina Josepha Huberta Swagemakers, 1871- Antwerpen 1964) die wollenstoffenfabrikant en gemeenteraadslid was, had als eerste in Nederland een auto.

 

P. (Pieter) Ph. Bogaers (Helmond 1915-2002, x Cecile le Maire, Gilze 1910-2003)

Pibo, of den Oliesjeik

 

Architect Jan van der Valk ontwierp in 1900 deze raampartij in de Art-Nouveaustijl voor de straatzijde van een smal en diep kantoorpand aan de Nieuwlandstraat. Links daarvan was een toegangspoort met grote houten deuren die bij een verbouwing is gesneuveld. Ook de vermelding van “Oliehandel” op een tegeltableau onder het raam is in de loop der tijd verdwenen. Wat er rest hoort nu een kapperszaak (Diva) toe en heeft de status van gemeentelijk monument (informatiebron: Architectuur gids Tilburg 1850-2001, Cast 2002, p. 13)

 

directeur van oliehandel Van Vollenhoven en Smulders van 1943 tot 1975. In 1921 werd dit bedrijf dat dateerde uit 1895 door een van de oprichters, Jacques van Vollenhoven (1871-1958), verkocht aan Joseph Bogaers in Helmond, die de leiding overgaf aan zijn zoon Fons (de vader van Pibo) en zwager Hein Witlox. Het bedrijf was lang gevestigd in de Nieuwlandstraat (41) waar nog altijd het in jugendstil gebouwde kantoorpand staat met in de gevel in sierlijke letters de naam "Van Vollenhoven & Smulders". Het bedrijf verhuisde later naar de Goirkekanaaldijk, op het industrieterrein Kraaiven. Sinds 1975 heette het bedrijf Vollenhoven Groot-Olie (later onderscheiden in olie technologie en distributie) en hebben zonen van Pibo, onder wie Pieter jr., de leiding. In 1995 werd het predikaat Hofleverancier aan het bedrijf toegekend. De succesvolle zakenman Pieter Bogaers sr. stond ook bekend om zijn sociale instelling, en had verschillende nevenfuncties in de stad. Zo is hij bestuurslid geweest van voetbalclub Willem II en was hij beschermheer van diverse verenigingen (het gilde Sint Dionysius, boogschuttersvereniging Honos Alit Arcum en de Koninklijke Harmonie Orpheus). Ook zijn zoon Pieter jr. (geb. 1944) is behalve ondernemer ook bestuurlijk actief geweest met name bij Willem II (waar hij als voorzitter van de Ledenraad veel invloed had) en hockeyclub TMHC Tilburg. Bij de laatste club speelde hij als actief hockeyer tussen 1961-’69 op het hoogste niveau. Vervolgens was hij van 1976-’83 voorzitter in een periode waarin Tilburg als een van de eerste clubs investeerde in een kunstgrasveld. Van 2007-’10 was hij opnieuw voorzitter en speelde een belangrijke rol bij de voorbereiding van de grote Tilburgse hockeyfusie van Forward en Tilburg tot HC Tilburg (in 2011) welke nu hoort tot de grootste hockeyclubs van het land.

Op het moment van overlijden van Pieter sr. in 2002 waren er vier Pieter Bogaersen: naast senior zelf een zoon, kleinzoon en achterkleinzoon! De laatste drong begin 2018 door als voetballer in de selectie van Willem II.

 

 

Onder toeziend oog van clubvoorzitter Pieter Bogaers (jr.) verricht gedeputeerde J. v.d. Hart de officiële opening van het eerste kunstgrasveld in Tilburg door een hockeybal in het doel te slaan. De Provincie had bijgedragen aan dit project (foto 1982, coll. Karel de Beer)

 

Kees de Bont (1931-2008)

Kiske de Weerman

was ongehuwd en kreeg deze bijnaam op zijn grafsteen, kerkhof Heike Bredaseweg.

 

 

Antonius van de Boom

Tontje Bôom

lid van harmonie Orpheus, acteerde als triangelspeler in de promotiefilm "Harmonie van een gemeenschap" (1955).

 

pater Gregorius van den Boom (1901-1985)

de Paoter van de Kaoje Huuweleke

pater kapucijn van et Körvel die was gespecialiseerd in het bespreken en oplossen van huwelijksproblemen. Hij gaf ook huwelijkscursussen en doceerde volkenkunde aan de Katholieke Leergangen. Was ook een tijd gardiaan ofwel overste van het kapucijnenklooster van 't Korvel en leider van het Marialegioen in Tilburg. Fervent pijproker.

 

Karel Borstlap (Den Haag 1924-Poppel 2000)

Charles Plastron

ondernemer, groothandel in metaalwaren (Borstlap Masters in Fasteners) die louter uit liefhebberij chansons begon te zingen, welke later ook op plaat en CD werden vastgelegd. Zijn bijnaam, een ander woord voor zijn werkelijke naam, werd toen de "officiële" artiestennaam.

 

Leo Bosters (Oud-Vossemeer 1949 – 2017)

Het Rooie Manneke (et Rooj Mènneke)

hij was een dakloze, die in een provisorisch onderkomen op een weitje aan de Dr. Deelenlaan de nachten alleen doorbracht. Overdag zwierf hij door de stad in een volledig rode “outfit”. Daardoor viel hij erg op en kreeg hij vele “fans” die hem zo nu en dan wat toeschoven.

Door een alcoholprobleem en na enkele mislukte huwelijken was hij al vroeg een zwervend bestaan gaan leiden met af en toe een baantje als krantenbezorger of, in zijn goede tijd, ook als taxichauffeur. Uiteindelijk kwam hij eind negentiger jaren uit Breda in Tilburg terecht waar hij zich meer op z’n gemak voelde en er helemaal bij ging horen in het dagelijkse straatbeeld, totdat hij een fatale ziekte kreeg. Op het laatst genoot hij nog van een hereniging met zijn zoon Johan en van het meeleven van een schare fans hier.

 

Het Rooie Manneke in de Heuvelstraat (foto: Niek Willems, coll.: Brabants Dagblad)

 

Jan Bouwmeester (1950-2017, x Cecile van de Pol)

Jantje Plof

Bijnaam uit zijn overlijdensadvertentie, geen verdere achtergrond bekend

 

Waltherus Cornelis van Boxtel

Tirrus van de Hèrmenie

hij was tot 1876 op Korvel herbergier van “Kerkzicht” en kocht toen de Korvelse school (Korvel nr. 44) die hij ombouwde tot koffiehuis genaamd Vreugdendal, dat in de volksmond al gauw L’Echo des Montagnes heette omdat daar de gelijknamige harmonie van Korvel zetelde (zie hoofdstuk 2: de Zèùphèrmenie). Daar dankte Waltherus van Boxtel zijn bijnaam aan. Tirrus of Therus was een wel meer gebruikte verbastering van de eigenlijke naam Waltherus.

 

Kees van Boxtel

Lange Kees

uit Goirle, zie bij Jan van Heijst (de Stoere).

 

gebrs. Van Boxtel

Kees-ôom, Peer-ôom en Sjef-ôom

uit Goirle. Zij gingen in de jaren 1960 met pensioen na meer dan 50 jaar trouwe dienst bij Van Besouw. De bekendste van de drie was Kees, die ook raadslid en wethouder van Goirle is geweest en op 14 oktober 1941 hertrouwde met Dien Adriaansen. Op dezelfde dag trouwden ook drie dochters uit zijn eerste huwelijk! Kees vervulde naast de genoemde politieke nog enkele maatschappelijke functies.

 

Cornelis Braams (1891-1964)

Ome Cor

was als chauffeur in dienst bij de familie De Rooij in de St. Josephstraat en woonde in bij de familie Van Eijck in de Hoogvensestraat. Zie verder bij Antoon de Rooij jr.

 

dhr. Brabbers

Tiest Brabbers

waarschijnlijk omdat hij Baptist in zijn doopnamen had staan. Woonde en werkte als boer op de Kasteelhoeve aan de Hasseltstraat. De grond van deze hoeve kwam helemaal tot achter de Hasseltse kerk.

 

Frans van den Brand

de Fietsbaand

van de ijsclub/IJsclubweg (Koningshoeven).

 

Jos(ke) van den Brekel

de Zèùverste meens van den Heuvel

omdat hij naar men zei opvallend vaak in bad zou hebben gezeten als er zich iemand met een rekening voor hem aandiende. Hij liet zich dan met de smoes: “Mijnheer zit in bad,” verontschuldigen. Jos was klein van stuk en werd daarom vaak Joske genoemd. Mensen uit de buurt, onder wie de vader van Jos Naaijkens, die naast hem woonde, hebben eind jaren dertig eens voor de grap een badkuip bij Joske voor de deur gezet. Dit was de deur van Hotel Modern dat van 1916-’68 met het café-restaurant La Belle Meunière op de Heuvel was gevestigd. Joske nam in 1934 de zaak van zijn vader Louis over.

Als het verhaal van het bad op waarheid berust dan zal dit wel in de latere, magere jaren zijn geweest van hotel-restaurant Modern, waar Van den Brekel eigenaar van was. Er waren ook betere tijden. Zo is het bekend dat vader Louis van den Brekel (1866-1938) in het voorjaar van 1930 zijn vroegere overbuurman Jos Schijvens tegen het lijf liep, die architect was.  Van den Brekel vond dat Jos een eigen architectenbureau moest starten, zodat hij Jos zijn eerste opdracht kon geven. Jos nam dit advies ter harte en richtte op 21 juni 1930 zijn architectenbureau op onder de naam Jos. C.A. Schijvens. Hij vestigde zijn bureau aan huis. Meteen daarna kreeg Schijvens van Van den Brekel opdracht om Modern te moderniseren en uit te breiden. Het naastgelegen “Maison Boes” (zie hoofdstuk 4) werd erbij getrokken. Jos Schijvens nam de hele zaak onderhanden en gaf daarmee zijn visitekaartje af als architect met moderne signatuur en werd daarna veel gevraagd en gewaardeerd met name in de wederopbouwperiode na de oorlog. Een van zijn bekendste werken in Tilburg is de kapel van Onze Lieve Vrouw ter Nood uit 1964, nu een rijksmonument. Louis van den Brekel gaf in 1934 de zaak over aan zijn zoon Jos(ke). 

 

Hotel-café-restaurant Modern aan de oostzijde van de Heuvel in 1946. Deze panden werden de tweede helft van de jaren zestig gesloopt voor het verlengen van de Spoorlaan naar de Nieuwe Bosscheweg (coll. RAT)

 

Harrie Brekelmans (1874-1959, x Maria van Roestel 1884-1959)

Harrie van Heintjes of Harrie van Keeje

zoon van Henricus Brekelmans (1824-1876) en Cornelia Heijmans (1831-1914). Zij woonden in Udenhout in een boerderij (Groenstraat 86).

 

Kees Brekelmans (Udenhout 1941 – 2017, x Nel Verschuuren)

ome Kees

hij werd in elk geval zo genoemd bij het bedrijf Abrex Logistics, bleek uit een overlijdensadvertentie, waar hij door directie en collega’s zeer werd gewaardeerd vanwege zijn inzet en loyaliteit.

 

Johan Bressers (1871-1928)

Pinneke Bressers

zijn vader Martinus C.N. Bressers (1823-1902) was koopman en fabrikant van handbogen, pijlen, kaarsen, was en koloniale waren in het pand waarin later de antiekzaak kwam van Fien van Eyck en restaurant de Gouden Zwaan. Nu is daar stadscafé Meesters (dit heeft nog steeds M.C.N. Bressers gebeiteld staan op het fries van de gevel). In 1893 richtte Martinus ten behoeve van zijn zoon ijzerhandel Johan Bressers op. Deze zaak werd dichtbij gevestigd, in de Kerkstraat (zie ook hoofdstuk 4: et Brèssersstròtje). In 1907 werd in de Heuvelstraat (op nr. 76) een nieuw kantoor en afhaalbalie voor ijzerwaren en gereedschappen geopend. Johan werd Pinneke genoemd, omdat hij goed op z’n centen paste en naar verluidt ook de eerlijkheid van zijn personeel op dit gebied soms beproefde door ergens in de zaak een geldstuk neer te leggen en dan af te wachten of het daar bleef liggen. Men zei dat ze het ding eens hebben vastgespijkerd, en dat dit Johan enige nagels kostte toen hij het weer bij zich wilde steken!

 

Vader Martinus Cornelis Nicolaas Bressers (1823-1902, x 1860 Louisa Johanna Carolina Donders, 1834-1888) met hun oudste zoon Kees op een foto uit 1863. Kees volgde later zijn vader op in de zaak en Johan, nog niet geboren toen deze foto werd genomen, kreeg de leiding over de ijzerhandel (foto: coll. RAT)

 

mr. Carel M.M. (1939-....) mr. Maarten C.J.M. (1943-....) Bressers

de Staalmeesters

Johan Pinneke Bressers (zie hiervoor) werd in zijn zaak opgevolgd door zijn zonen Joh. Cornelis M.M. (1906-1993) en Martinus C.X.M. (1907-1975) Bressers, die op hun beurt in 1973 weer werden opgevolgd door hun respectieve zonen Maarten (zoon van Joh. Cornelis) en Carel (zoon van Martinus). Beiden haalden zij een meestertitel, vandaar de bijnaam. Zij bleven het bedrijf uitbouwen. Bressers Metaal is nu het grootste zelfstandige staalbedrijf van Nederland en ontving in 1995 het predikaat Hofleverancier. Vanaf de jaren 1950 zijn de vrachtauto's van Bressers een tijdlang opvallend aanwezig geweest in het straatbeeld. Zij hadden namelijk maar een halve cabine, om ook de langste ijzeren producten te kunnen vervoeren.

 

Carel Briels (1916 - Amsterdam1983)

de Nederlandse Cecil B. de Mil

hij werd bekend als organisator en regisseur van levende massaspektakels, naar het voorbeeld van de grote filmregisseur Cecil B. De Mil die beroemd was geworden van zijn massaproducties op het witte doek. Carel Briels werd geboren in Tilburg als de zoon van Johannes Briels (1875-1951) die in 1903 de Koninklijke Nederlandsche Stoom- Spiegel en Lijstenfabriek Briels in de Zomerstraat was begonnen achter het pand waarin sinds 1870 de winkel van zijn ouders (de grootouders van Carel) in spiegels, lijsten, schilderijen en andere kunstvoorwerpen was gevestigd. Henri (geb. Bergen op Zoom 1850, aanvankelijk huis- en decoratieschilder) en Paulina (geb. Weert 1856) Briels-Poell waren in dat jaar (1870) naar Tilburg gekomen. Briels mocht zijn zaak eigenlijk helemaal geen “Koninklijke” noemen omdat hij "slechts" Hofleverancier was (predicaat verleend in 1897 door koningin-regentes Emma), wat hem op een reprimande van burgemeester Raupp (1907-’15) kwam te staan. De zaak bleef desondanks tot 1943 reclame maken als “Koninklijke” en heeft tot 1959 bestaan. Enkele jaren daarna werd de bebouwing van dat deel van de Zomerstraat inclusief de voormalige zaak van Briels gesloopt vanwege een grote reconstructie van de binnenstad.

De jonge Carel Briels ging vanuit Tilburg in Amsterdam wonen en studeren aan de Academie voor dramatische kunsten. Kort na de oorlog begon hij naam te maken als organisator en regisseur van grootschalige openluchtspelen, zoals in het Olympisch Stadion van Amsterdam ter gelegenheid van Koninginnedag 1945 en “Het drama der bezetting” in 1946; “De Waterweg heroverd” in het Feyenoord Stadion in Rotterdam in 1947; bij het gouden ambtsjubileum van koningin Wilhelmina en de inauguratie van haar opvolgster Juliana in 1948; het massaspel in Breda “Zevenhonderd jaar en één nacht” (Breda-Oranjestad 1952) en in dat jaar ook “Aquamarijn” in de RAI. In 1956 was Briels betrokken bij de feestelijkheden ter gelegenheid van het huwelijk van prins Rainier van Monaco met prinses Gracia. De manifestatie “Voor en na Waterloo” ter ere van het 150-jarig bestaan van het Koninkrijk in 1963 werd ook Briels' Waterloo, want deze werd een flop die zijn naam langdurige schade toebracht. Niettemin wist Briels in 1974 een traditie in ere te herstellen door op nieuwjaarsdag de Gijsbreght van Aemstel in Amsterdam te produceren. 

 

 

Doorkijkje naar de Zomerstraat in de jaren 1950, op het drukke punt met de Bredaseweg en (rechts) het St. Annaplein / Korvelseweg. “Spiegel- en Lijstenfabriek Briels, Hofleverancier” staat er links op de zijkant van het hoge pand.
Dit was toch een heel bekend punt in de binnenstad met de agent op z’n console die het verkeer altijd onder controle hield!

 

mevr. Brocken

Moederke Drie

in en om de Van Hogendorpstraat wist iedereen wie dit was en dat zij drie kinderen had, maar of en wat er meer achter deze bijnaam zat is niet bekend.

 

Jan van den Broek (1919-….)

Broekie

was bode van de textielarbeidersbond Sint Lambertus en ging in 1947 de huizen langs om leden te werven. Kwam in 1953 in het bestuur van deze bond en werd in 1955 penningmeester. Als textielarbeider was hij in 1933 begonnen bij Kastofa – Van Beurden. Hij werkte vervolgens, behalve een periode in de oorlog, tot 1957 bij Dröge en tenslotte tot 1970 bij André van Spaendonck.

 

August van den Broek (geb. rond 1900)

Gusje Dap

Was een beton- en terazzowerker die aan de Heikant woonde. Hij kon ook wel een huis bouwen maar hield zich toch liever bezig met het ruwere werk zoals schuurtjes en schuttingen. Dat voegde niet zo nauw, en erg precies was hij ook niet. Vandaar zijn bijnaam die verwijst naar dabbe, dit is knoeien of modderen. Deze associatie kwam wel vaker voor (zie ook Sjaak Dap van Berkel).

 

dhr. Broekhans

Snötje Broekhans

had een spits muizengezicht en hazenlip, welke combinatie hem kennelijk een bijzonder snötje (snuitje) gaf. Hij dreef in de eerste helft van de 20e eeuw een drogisterij in de Zomerstraat.

 

mevr. Van Broekhoven

Splêet van Broekhoove

omdat ze een aardig eind weg kon kletsen. Woonde in de jaren 1940-’50 in de Dr. Mollerstraat

 

mr. Gerrit Ph. (Gerardus Philippus) Brokx (Oosterhout 1933-2002)

de Sheriff of Gerrit de Ritselaar

 

Burgemeester Brokx begroet Miet van Puijenbroek bij een officiële gelegenheid in 1994 (foto: coll. RAT)

 

hij was burgemeester van Tilburg in de periode 1988-1997. Zijn eerste bijnaam wed bedacht door schrijver en journalist Jace van der Ven in zijn als Putjeschepper geschreven rubriek in het Brabants Dagblad, omdat er met burgemeester Brokx niet te spotten viel. De tweede bijnaam verwijst naar het feit dat Brokx door een vasthoudende lobby en goede politieke contacten veel voor de stad gedaan wist te krijgen, zoals de erkenning als stedelijk knooppunt, de vestiging van een aantal buitenlandse bedrijven en de bouw van een “Kunstcluster” met een conservatorium en Concertzaal (zie hoofdstuk 4: et Stripkespak). Brokx werd om deze reden ook wel de “titels” van straatvechter of ijzervreter toegekend. Ook in mindere zaken van interne aard mocht hij graag zijn zin doordrukken (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 4: 't Zitje van Brokx). Zijn benoeming tot burgemeester in 1988 had overigens veel voeten in aarde, omdat hij niet voorkwam op de kandidatenlijst van de Tilburgse vertrouwenscommissie. Maar de in 1986 als staatssecretaris van Volkshuisvesting opgestapte Brokx kreeg de voorkeur van de toenmalige premier Lubbers. Negen turbulente jaren later was er brede erkenning van zijn verdiensten voor de stad. Een van zijn onderscheidingen was die van Bouwer van Verdienste. In zijn Tilburgse periode trouwde Brokx voor de tweede keer, met Marjolijn Uitzinger, een bekende radiopresentatrice. Gerrit Brokx overleed na een ernstige ziekte in het St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg en werd begraven in Oosterhout, waar hij was geboren en zijn politieke carrière begon: in 1962 werd hij gemeenteraadslid en daarna wethouder, vervolgens lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant en gedeputeerde. Van 1977 tot 1986 was hij, met een korte onderbreking als lid van de Tweede Kamer, staatssecretaris van Volkshuisvesting.

Op mijn site heb ik in januari 2002 dit verhaaltje geplaatst met mijn herinnering aan burgemeester Brokx:

Gerrit Brokx overleden, daar schrik je toch van, ook al kwam dit nieuws voor mij niet onverwachts. Vijf jaar geleden nog maar regeerde hij met krachtige hand over de stad. Niet voor niets stond hij hier bekend als 'De Sherrif'. In mijn Haagse tijd bij Economische Zaken dacht ik mee over de economische kansen voor Tilburg, waar het gedaan was met de wollenstoffenindustrie. In mijn werkstad Den Haag ging ik rondsnuffelen naar kansen voor Tilburg, bijvoorbeeld in het kader van de selectie van stedelijke knooppunten die toen in volle hevigheid woedde. Het waren boeiende tijden. Wel was het moeilijk om met Brokx op vriendschappelijke voet te komen. Den börgemister hield afstand. Toch heb ik later op een curieuze manier gemerkt dat hij me niet vergeten was. Dat was eind 1996 bij de geruchtmakende kaartjesaffaire voor de officiële opening van de Concertzaal. Brokx vond dat "zijn" zaal op grootse wijze moest worden geopend, als kroon op zijn burgemeesterschap en uitgelezen kans voor een stuk Tilburg-promotie waar hij het belang altijd zo van inzag. Vanuit het stadhuis waren echter ook uitnodigingen verstuurd naar een aantal prominenten van omliggende gemeenten. Toen Brokx dit merkte ontstak hij in woede, want hij vond dat bedoelde gemeenten ondanks zijn aandringen te weinig of niets hadden bijgedragen aan deze culturele voorziening voor de hele streek. Er ontstond grote deining ten stadhuize over de vraag of de burgemeester de lijst van genodigden vooraf zelf had gezien of niet, dus over de schuldvraag. Het moet er heftig toe zijn gegaan! Hoe het ook zij, de gewraakte uitnodigingen werden stante pede door Brokx zelf ingetrokken. Tot de afvallers hoorde volgens het Brabants Dagblad, dat dit nieuws op zijn voorpagina plaatste, ook het toenmalige lid van de Tweede Kamer en Goirlenaar Gerd Leers. Deze had zich juist rond die tijd immers de woede van Brokx op zijn hals gehaald door een geslaagde oppositie te voeren tegen de voorgenomen annexatie in het kader van de gemeentelijke herindeling van zijn woonplaats door Tilburg. Toen ik in de krant over de kaartjesrel las kreeg ik een nu-of-nooitgevoel van jewelste. Ik schreef meteen een brief aan Brokx met het verzoek of ik als "echte Tilburger" misschien Leers' plaatsen kon krijgen voor mij en mijn vrouw. Ik pakte mijn fiets en scheurde naar het stadhuis om de brief persoonlijk af te geven aan de bode van dienst. Nog nooit heb ik zo snel antwoord gekregen op een brief aan de gemeente of welke andere instantie ook. Eén dag later lagen de kaarten al bij ons in de bus! Enkele weken daarna waren wij getuigen van een mooi openingsconcert door Het Brabants Orkest en musici van het ook in het nieuwe "Kunstcluster" gevestigde Brabants Conservatorium, in aanwezigheid van H.M. Koningin Beatrix. Telkens als wij de Concertzaal bezoeken kunnen we nog met plezier terugdenken aan deze mooie avond die wij dankten aan "onze Sherrif."

 

 

”De Sherrif” poseert met enkele van zijn assistenten in de Heuvelstraat, 1993 (foto: coll. RAT)

 

Adr. de Brouwer (1855-1941)

de Stoere (1)

landbouwer op Abcoven die ook wethouder van Goirle werd (zie bij Jan van Heijst).

 

Jan de Brouwer

Jan de Kas

bepaalde van 1917 tot 1948 het gezicht van de Boerenleenbank van Goirle.

 

Marie de Brouwer

Miet Brèm

runde een zuivelwinkel in de Voltstraat terwijl haar man Jan een melktoer maakte met zijn paardenkar. Marie zag eruit als een blonde boerin en dankte haar bijnaam aan de plek in Berkel-Enschot waar ze geboren was (daar stond veel brem). Veel Belgische mensen die bij De Volt werkten (een groot productiebedrijf van Philips) kwamen haar winkel in om boter te halen die hier goedkoper was dan bij hen. Slim speelde Miet Brèm daarop in door iedere week speciaal voor hen ook zult te maken (wel 100 kilo), een typisch Tilburgs slagersproduct gemaakt uit varkenskoppen.

 

mgr. dr. P.C. (Petrus Cornelis) de Brouwer (1874-1961) tijdelijk pater M.(aria) Respicius

den Dòctòr

 

Portrettekening door Joop Liesker, 1958. Bron: Gedenkboek Sint-Odulphuslyceum 1899-1974.

 

was priester en rector van het RK Gymnasium (later St.-Odulphuslyceum), van 1900-1918. Gaf les in klassieke talen, godsdienst, geschiedenis én scheikunde (!) van 1899-1939 en zette zich in voor de vorming van religieus geïnspireerde intellectuelen ten behoeve van het toekomstige Brabant. Den Dòctòr was ook bekend als publicist in het tijdschrift Brabantia Nostra en het Roomsch Leven. Was van 1922 tot 1939 censor van de R.K. Leeszaal. Maakte als pater aanvankelijk deel uit van de Fraters van Tilburg (zie hoofdstuk 2).

De groep paters waar P.C. de Brouwer toe hoorde kreeg binnen de congregatie van de Fraters van Tilburg problemen met de gelijkheid aan de niet tot priester gewijde onderwijsfraters, van wie ze de sobere leefregels moesten overnemen. In 1916 werd deze paterskwestie door Rome opgelost door de paters de status van wereldheer te geven. Vijf van hen (w.o. den Dòctòr, zijn broer Harrie en Frans Siemer, zie daar) konden zich toen geheel wijden aan hun onderwijs- en culturele taken. Een vijf jaar eerder had P.C. (Pieter) de Brouwer in dat kader al een studie klassieke talen in Utrecht afgerond, wat van overheidswege als voorwaarde was gesteld voor het verkrijgen van overheidssubsidie voor het katholiek onderwijs. Aan zijn aldus “opgedrongen” promotie in 1911 aan de universiteit van Utrecht heeft hij zijn bijnaam, en het R.K. Gymnasium zijn officiële erkenning (1912) te danken. P.C. de Brouwer speelde een rol bij de pogingen om de Katholieke Leergangen uit Den Bosch naar Tilburg te halen (gelukt in 1918,) alsmede hier een katholieke universiteit van de grond te krijgen (deze werd aan Nijmegen toegekend; de Handelshogeschool in 1927 gold als een troostprijs). Na zijn werkzame jaren in Tilburg besloot den Dòctòr om terug te keren naar Hilvarenbeek, waar hij ook was geboren als zoon van Nicolaas de Brouwer en Johanna Antonia van den Berg (1845-1931).

 

Johannes Franciscus Maria Cornelis Paulus Dominicus Brouwers (1900-1956, x Dorothea van Wylick 1910-1983)

Fraans Hals

 

Detail uit een portret, geschilderd door Jan van Delft (foto: coll. fam. Brouwers)

 

alleen omdat hij een lange nek had. Moet rond de oorlog van 1940-1945 aan de Bredaseweg hebben gewoond, ter hoogte van het (toenmalige) Bels Lijntje. Was directielid van Brouwers' Lakenfabrieken aan de Korte Schijfstraat. Als roepnaam was zijn tweede doopnaam gekozen (Frans).

J. Brouwers' Lafenfabrieken aan de Korte Schijfstraat waren eigendom van de familie Brouwers. Frans Brouwers deelde in de fabriek ook figuurlijk de lakens uit. Zijn zuster Mies trouwde met Willem Carel (Wim) Beels die afkomstig was uit een Amsterdamse protestantse bankiersfamilie en in eerste instantie beroepsofficier bij de marine werd. Voor zijn huwelijk ging hij over tot het katholieke geloof, waar zijn familie duidelijk niet blij mee was. Wim Beels kwam vervolgens als mede-directeur in de fabriek van de familie Brouwers. Hij had misschien verstand van geld, echter niet van textiel. Het verhaal ging dat hij eens in de fabriek een prachtig wit bundeltje textiel zag liggen. Verrukt riep hij uit dat hij nog nooit zo'n mooie wol had gezien. Mensen die het hoorden hadden moeite hun lachen te bedwingen, want wat hij in zijn hand hield was gewone nylon! Zoon Leonard (Len) Marius Beels (Teteringen 1920-1989) volgde voor de oorlog het Odulphuslyceum, en richtte in 1938 samen met Lambertus (Berry) J.M. de Beer (geb. Tilburg 1921, x Trees Wubbe 1927-2013) de Tilburgse Jeugdluchtbescherming op. In 1942 werd Len adjunct-directeur in de fabriek van Brouwers. Nadat in 1956 Frans Brouwers en in 1958 Beels senior waren overleden, verkocht de weduwe Mies Beels-Brouwers alle aandelen J. Brouwers' Lakenfabrieken aan Freek K.M. Mutsaerts van J.A.A. Kerstens' Lakenfabrieken. Bij deze transactie bedong zij dat haar zoon Len de verkoop buitenland mocht blijven doen (zie ook bij Johannes Kerstens).

 

Toon Brouwers (1933-2000)

Antonio Maspes

hij werd genoemd naar een bekende wielrenner uit de jaren 1950 die hem erg aansprak en wiens voornaam overeenkwam. Hij was een bekend en gewaardeerd lid van de hockeyclub Forward en schreef onder deze bijnaam ook stukjes in het cluborgaan. Daarbij schuwde hij een poëtische benadering van zijn sport niet. Een aantal voorbeelden hiervan uit 1995 werd overgenomen in het boek “Onze Club”, waarin de geschiedenis is opgenomen van de hockeyclubs Forward en Tilburg tot en met hun fusie in 2011 tot HC Tilburg (uitgave hockeyclub HC Tilburg, nov. 2014), zoals zijn visie op het veteranenhockey:

 

Vet-er-aan!

Veteranen, bejaarde sterren

die ’s middags doen als toen

en harder rennen dan goed is

voor hun goede doen

die aan de toog zich vermannen

en onder Studio Sport merken……

dat ze niet meer kanne.

 

Toon Brouwers

Toontje Cognac

van de wijnhandel Brouwers Arnold in de Magazijnstraat. Hij begon in de textiel, maar deed zijn zaak al rond 1912 over aan Antoon de Rooij die onder eigen naam verder ging. Een kleinzoon van Toontje Cognac, Matheus "Tuuk" J.M. Brouwers (1920-Oisterwijk 2003, x Jetty Verbunt,) was de laatste directeur van wijnhandel Brouwers Arnold.

 

Sjef Brouwers

de Rôoje Sjèf

in de jaren 1980 eigenaar/exploitant van café De Spoel in de Fabriekstraat. In de zaal van dit café speelden in die tijd bekende muzikanten uit de Tilburgse scene zoals "Rokking Loewie" Israël (zie daar), Ton Leyten, Frank Jut en Jacques Mees hun onvervalste Rock 'n Roll. 

 

Toos de Bruijn-Huijbregts

Tooke de Bruijn

dreef met haar echtgenoot Jan een kruidenierszaak aan de Groenstraat, hoek Baanderheerstraat. Het ging zo goed met de zaak dat er twee hulpkrachten bij kwamen. In het begin van de jaren 1940 werd de winkel verbouwd maar Jan heeft daar niet lang van kunnen profiteren. Hij sneuvelde namelijk tijdens de laatste oorlogsdagen, terwijl hij dienst deed voor de Bescherming Bevolking.

 

Karin Bruers (1962-.…)

Bèts van et Bènkske

 

speelde onder deze naam de vrouwelijke hoofdrol in Tilburgse serie 't Benkske op TV8. Karin maakte naam als kleinkunstenaar en schrijfster. In Tilburg bedacht en ontwierp zij de “social sofa” (bènkske) waarvan zij ter bevordering van de sociale contacten er duizend wilde zetten op allerlei plaatsen in de stad. Haar idee werd opgepakt waardoor er door heel Tilburg steeds meer in beton gegoten banken met verschillende afbeeldingen in de vorm van een chaise longue verschenen. Bènkskes zijn 2,24 m lang. De kosten voor de bankjes in Tilburg worden gesponsord door het plaatselijke bedrijfsleven: bedrijven en organisaties kunnen de “social sofa’s” per stuk sponsoren en naar eigen smaak laten uitvoeren. Inmiddels heeft dit initiatief ook in andere steden opvolging gevonden.

 

dhr. Buddemeijer

den Bud

was deurwaarder en algemeen bekend als den Bud, ook al werd deze aanduiding wel vaker gebruikt voor een lid van de familie Buddemeyer of Buddemeijer. De Buddemeijers vormden een dynastie van deurwaarders in Tilburg, te beginnen met Gerardus (1829-1907) die uit Boxtel kwam en in 1876 gerechtsdeurwaarder werd in Tilburg. Aan het begin van de 20e eeuw verhuisde hij van de Poststraat naar de Tuinstraat, waar eerst zijn zoon Paul (1873-1959) en daarna diens zoon Gérard (1903-1980) de praktijk voortzetten.  

 

Koos Buster

de Lamme Koos

bekende verschijning op Körvel, was in de jaren 1950-‘55 vaak op de fiets te zien, hoewel hij aan een kant verlamd was.

 

dhr. Bu(u)ster

de Rôojen Buuster

politieagent, "buitenwijker" die in de jaren 1950 in de toen nog schaars bebouwde wijk De Blaok patrouilleerde. Hij woonde in de Watertorenstraat.

 

dhr. Buuster

Willeke Boezer

kastelein van café Groenlust op de Koningshoeven, achter de villa van Piet Smids.

 

 

1.C

 

A.J. (Nilles) Claesen

de Sèùkersteel

voor een steenfabrikant zag hij er nogal "zoet" uit, en was lang en mager. Liet rond 1920 een groot huis bouwen in Hoefstraat tegenover zijn fabriek. Later werd zene stinoove (steenfabriek) overgeplaatst naar de Lovense Kanaaldijk (Rauwbraken). Hij was ook actief in de VVV en het Oranjecomité. Zijn zoon Hans was beeldhouwer. Er zijn aan de rand van Tilburg drie stinooves geweest die in de periode van 1911 tot 1950 in ieder geval alle naast elkaar hebben bestaan. Naast die van Claesen was dat die van Stevens, die ook in de Rauwbraken zat en die van Smulders & Teurlings in het begin van de Dongeseweg. Zie in dit hoofdstuk: Pèèp Teurlings en in hoofdstuk 4: het Spoor van Claesen, het Treintje van Stevens en de Kieteltèùn.

 

frater Clementis

Clemens Klap Stijfsel

werkfrater en "Willie Wortel" op het moederhuis aan de Gasthuisstraat. Vond de eerste inductie-knipmachine uit, die kapper Heerkens in de St. Josephstraat als een van de eersten in het kappersvak gebruikte. Kwam rond de oorlog uit Duitsland om hier onder te duiken, want hij wilde niet dienen in het Duitse leger.

 

Jan de Cock

Jantje Kom-iel-foo

Omdat hij te pas en te onpas de Franse uitdrukking “comme-il-faut” gebruikte, waarschijnlijk om “chique” over te komen. Hij woonde op et Gurke en had een wollenstoffenfabriek in de Goirkestraat

 

Jo Coolen (….-2000)

Bulletje of Bill Coolen

Dankte zijn eerste bijnaam aan het feit dat hij een nogal rond gezicht had. Hij was  bekend als muzikant (gitarist) en kwam uit een muzikale familie. Zijn vader (Jan) was destijds ook bekend als vakbondsman en raadslid voor de SDAP, die een grote rol speelde bij de textielstaking van 1935. Jo Coolen speelde eerst bij de Palmyra Hawaiians en stapte daarna over op jazz. Vermoedelijk werd hij na de bevrijding in oktober 1944 door geallieerde soldaten voor het eerst Bill genoemd. Begon in 1949 een gitaarwinkel met ook andere muziekinstrumenten in de Gildebroederstraat en gaf gitaarlessen. Zijn zoon Ad (geboren in 1945) zette de zaak voort maar legde zich vanaf het einde van de jaren zeventig meer toe op accordeons, en vanaf 1997 zelfs uitsluitend op accordeons. In 2004 introduceert hij een eigen accordeon in zijn winkel die dan is gevestigd in de Piusstraat, de Carboni et Fili (Coolen & Zn) die hij laat produceren in Italië. Martin Coolen (geboren 1946 een neef van Ad) ging na een kortstondige carrière (1967-’71) als drummer bij de Tilburgse popband The Reflections werken bij drukkerij Van Laarhoven. Deze Martin begon in 1964 een eigen muziekblad uit te geven (“Cinderella”) dat hij bij zijn baas kon drukken. In 2004 bestaat dit blad 40 jaar.  tions  

 

Tinus Coolen

den Tiest

was lid van "De Dorstvlegels", een amusementsorkestje uit 1949 (hèrmenieke) dat als herkenningsmelodie had: "Doe et Hèrmenieke nog ene keer". Later werd het ook bekend als carnavalsorkestje onder dezelfde naam. In 1966 scoorden zij een hit in de vorm van het winnende Tilburgs carnavalsliedje "Krèùke meej oe harde bèùke", geschreven door den Tiest. "De Dorstvlegels" bestonden tot circa 1971.

 

Pater dr. Piet (Petrus Josephus) Cools MSC (1904-1973)

de Missionaris van het Boek

 

Portret in houtskool van Piet Cools. Collectie MSC Tilburg. Foto Ed Schilders

 

missiepater van de Rôoj Harte (zie hoofdstuk 2) die door zijn studie in Rome het bibliotheekwezen in rolde in plaats van naar de missie te gaan, en zich heel zijn verdere leven aan het boek wijdde. Eenmaal terug in Tilburg was hij o.m. censor van de R.K. Leeszaal. Einde jaren 1960 werd hij de eerste bibliothecaris van de Theologische faculteit. Nu zijn er nog een stichting en vriendenkring die de naam dr. P.J. Cools MSC dragen. De stichting organiseert de jaarlijkse boekenmarkt "Boeken rond het paleis" in Tilburg en stelt zich in ruime zin ten doel om de liefde voor het boek te bevorderen.

 

dhr. Cools

de Rôoje Cols (1)

woonde jaren 1930-1940 aan et Haaj-ènd (zie hoofdstuk 4). Hij woonde tegenover een familie De Beer, bestaande uit drie ongehuwde dames die functies in de Heilige  Kindsheid vervulden.

 

dhr. Cools

de Rôoje Cols (2)

aannemer aan de Ringbaan-Oost/Petrus Loosjesstraat, die later aan de Bosscheweg woonde, over het kanaal bij stoplichten. Voor zijn huis stonden enkele molenstenen die een markant herkenningspunt vormden.

 

dhr. Cools

de Gouwen Ùèl

had een stoffenwinkel aan het Lijnsheike, later Oude Lind. Ze noemden hem zo, omdat hij op zeker moment het plan had om een gouden uil op de trapgevel van zijn winkel te zetten. Nadat Cools de zaak had verlaten heeft ene Daems zich in het pand gevestigd. Deze stond ook met zijn stoffen op de markt. Daarna zette zijn dochter de zaak voort. Zij trouwde met Lahaije. Onder deze naam staat begin 21e eeuw op de hoek Oude Lind / Ringbaan-Noord nog steeds het stoffenhuis.

 

Michel Cools (ca. 1900)

Koopere Koo

was bekend in het straatbeeld als straatmuzikant / multi-instrumentalist en woonde in de Ruischvoornstraat (nr. 21, nu Alverstraat). Later was er nog en Koopere Koo maar die kwam uit Rotterdam en heette Willem Leijendekker.

 

Gerrit van Corstanje (1921-1989, x Nellie v. Dongen, ca. 1923-….)

Tilburgse Tijl

was kort na de oorlog de eerste radiopiraat van Tilburg, die uitzond onder de naam Tijl Uilenspiegel. Hij begon hiermee rond 1948 vanuit zijn huis aan de Klaverstraat, maar moest eind jaren vijftig hiermee ophouden van de politie. Andere piraten in de Tilburgse ether waren in die tijd, totdat er vanaf de jaren 1980 door politie en justitie paal en perk aan werd gesteld, bekend onder de namen Mascotte, Lord Lister, Lord Wanhoop, Lilliput, Paljas, Soojke den Draajer van Radio de Kwètterie met z’n van Radio Tilburg overgenomen, overbekende stopwoord “dèwèl” (is dit misschien dezelfde als et Radiomènneke in hoofdstruk 2, die ook gepeild is in de omgeving Oerlesestraat / Trouwlaan?)

 

Gerardus de Croon (1862-1950, x Cornelia Fabrie …-1928)

et Ouwe Kròntje

was metselaar en woonde in de Houtstraat. Verdiende ’s winters de kost als klompenmaker. Hij was klein van stuk en liep moeilijk sinds hij in zijn jeugd door een val zijn heup had gebroken en daarvan niet goed herstelde.

 

Wim Cuelenaere (1931-2006, x Fien Hamers)
Smidje de Bont

uit zijn overlijdensadvertentie. Zou hij bij installatiebedrijf De Bont hebben gewerkt?
 

Theo Cuunders

de Kuuno

was een bekend voetballer van RKTVV en woonde in de Van Hogendorpstraat.

 

 

1.D

 

Nolleke D...

de Fakir öt Lombok

Gurkese taol op Tilburgse kermis: hij had een kermiskraam en stond daarin onvervalst Gurkes te saawele.

 

Nicolaas (Klaas) Peter Joseph Daamen (1838-1921, x 1864 Antonetta Huberta Panis, 1834-1896)

den Ouwe Klaas Daamen of Grootvader

 

 

 

begonnen als kantoorbediende, bracht hij het tot eigenaar van Wolwasscherij N. Daamen & Cie, later Wolwasserij Broekhoven, en was daarnaast wolhandelaar. Hij was zeer bekend in het culturele leven van Tilburg als kunstverzamelaar, schrijver en musicus (Heikes Mannenkoor) en vervulde in deze sfeer ook nevenfuncties zoals secretaris van Liederentafel Souvenir des Montagnards. Daamen componeerde ook twee bundels met kerstliederen en maakte waarschijnlijk als eerste studie van het Tilburgs dialect (Handschrift Tilburgs Dialect uit 1916). Klaas Daamen schreef sprookjes voor zijn kleinkinderen en braille-verhalen voor de 'blinde kinderen uit het gesticht'. Bij Van Holkema & Warendorf te Amsterdam verscheen anoniem het boek Sprookjes van Grootvader. Een man, een man, een woord, een woord (jaar onbekend, ca. 1915), geïllustreerd door de Bossche kunstenaar Herman Moerkerk. Bij dezelfde uitgever verscheen omstreeks dezelfde tijd ook Nieuwe sprookjes. De baten schonk hij aan liefdadige instellingen.

 

Augustinus Daems (1866-....)

et Bèls Boerke

omdat hij uit België kwam (geboren in Schaffen). Hij had een groothandel in mijn- en rondhout aan de Houtstraat.

 

Jos Damen (ca. 1943-2005, partner van Dien Stam)

de Kruik

uit zijn overlijdensadvertentie

 

Koos Damen

Pater Greef

woonwagenbewoner, in de jaren 1950 op standplaats "Den Hazennest" (Tilburg-Noord). Hij stond daar bekend als een rustige, oudere man die veel binnenbleef.

 

Peer Damen (1867-….)

den Ouwen Dame

draaiorgelman, gehuwd met Henrica Cornelia (“Kee”) Haase (1877- ca. 1930)

 

Helga Deen (Stettin 1925 - Sobibór 1943)

de Tilburgse Anne Frank

pas in 2004 werd het duidelijk dat Tilburg “een eigen Anne Frank” had. Toen schonk Conrad van den Berg een dagboek met een aantal brieven uit de nalatenschap van zijn drie jaar eerder overleden vader Cornelis (Kees) Gerardus Wilhelmus van den Berg (1923 – Rekem, België 2001) aan het Regionaal Archief Tilburg. Het bleek dat deze Kees onder de oorlog een liefdesrelatie had met het Joodse meisje Helga Deen, welke abrupt werd afgebroken toen zij in april 1943 werd weggevoerd en via kamp Vught met haar familie in Duitsland, uiteindelijk in Polen, terecht kwam. Daar werden allen op 16 juli 1943 vergast. Helga, die in 1925 in Stettin was geboren als dochter van een Tilburgse vader (Willy Deen) en een Duitse moeder (Käthe Wolff uit Neurenburg) werd maar 18 jaar oud.

Tien jaar eerder, in 1933, waren de ouders Deen met hun twee jonge kinderen Helga en Klaus uit Duitsland naar Tilburg gevlucht. Helga ging in dat jaar naar de Openbare Lagere School nr. 3 in de Korte Schijfstraat (zie “Bezemschool” in hoofdstuk 3) en vervolgens in 1937 naar de Rijks-HBS.

 

Openbare lagere school Korte Schijfstraat 1933. Het meisje in de op een na achterste bank rechts, onder de horlogeketting van de onderwijzer, is de later vermoorde Joodse Helga Deen. Haar jongere broer Klaus zat nog op deze school toen het gezin werd opgepakt en weggevoerd door de Duitsers (foto coll. RAT)

 

Rond 1941 leerde zij de jonge kunstschilder Kees van den Berg kennen die in de J.P. Coenstraat woonde en raakte verliefd. Nadat Helga met haar familie in 1943 was weggevoerd tekende zij speciaal voor Kees haar ervaringen op in een dagboek, waar ze op 1 juni 1943, twee maanden nadat het gezin Deen was gedeporteerd, in kamp Vught aan begon. Alle brieven van Kees aan Helga kwamen ongeopend retour.

 

  

De Nederlandse uitgave en de Italiaanse vertaling

 

Helga Deen gebruikte een schoolschrift als dagboek en schreef daarin alles op met een potlood. Haar dagboek eindigt al een maand later op 2 juli, vlak voordat ze op transport moest naar Westerbork. Dat is geen lange periode, maar het gezin Deen is ook niet een tijd ondergedoken geweest zoals het gezin Frank. Het geeft wel een uniek beeld van het leven in het kamp, waar het strikt verboden was zo’n dagboek bij te houden. Hoe zij dat toch heeft klaargespeeld en hoe men het toen uit kamp Vught heeft gesmokkeld is niet opgehelderd. Op 8 juli 1943 schreef zij uit Westerbork nog een brief aan Kees. Was haar toon in Vught vooral verhard; in Westerbork was zij alleen maar verdrietig en moe. Haar geliefde Kees heeft het dagboek samen met een bundeltje brieven zorgvuldig bewaard in een tasje uit die tijd, maar hier nooit iets over losgelaten. In 2007 werd een en ander in boekvorm uitgegeven met als titel: “Dit is om nooit meer te vergeten. Dagboek en brieven van Helga Deen 1943” (zie foto). In 2013 werd er een monument voor haar onthuld in een parkje naast de Synagoge Tilburg (een rijksmonument uit 1874 van architect J. Fremau) op de hoek van de Willem II straat en de Telegraafstraat. Deze ruimte heet sindsdien Helga Deen Tuin.

 

“Verbondenheid”, een beeld voor Helga Deen uit 2013 door de Tilburgse beeldhouwster Margot Homan in de Helga Deen Tuin. Op de buitenmuur van de aangrenzende synagoge werd in 2015 een gedicht met dezelfde titel aangebracht van stadsdichter Jasper Mikkers.

 

A.H. Dekkers

Kòp Dekkers

was de laatste eigenaar van stoffenzaak Hubert Melis in de Heuvelstraat (zie ook hoofdstuk 4: (in) et Hèrt). Hij was een neef van de leraar dr. W. Dekkers die “de Snoek” werd genoemd.

 

Jan Cornelis (Kiske of Kees) Denissen (1880-1962)

Kees Pap

geboren in Udenhout en gestorven in Moergestel. Oefende zijn beroep (boer) in diverse plaatsen in de omgeving uit, o.a. in Berkel-Enschot, voordat hij zich rond 1924 in Moergestel vestigde. Was daarnaast bekend als organisator en bestuurder. Zo was hij ook bestuurslid van de CTM (Coöperatieve Tilburgsche Melkinrichting en Zuivelfabriek). Dit bedrijf is in 1914 van start gegaan aan het Wilhelminapark in een gebouw van architect Jos. Donders met een monumentale voorbouw in art-décostijl. "Kiske" Denissen dankte aan deze functie zijn bijnaam.

Hij was gehuwd met Christina (Stien) van Kasteren uit Haaren (1879-1948)

 

Een hondenkar van de CTM in de Heuvelstraat, 1935 (foto: coll. Tilburgse Herinneringen op Facebook)

 

Wim Denissen

Wimke van de Mulder

om hem van andere Denissens te onderscheiden. De naam Denissen komt veel voor in Berkel-Enschot. Jan, de vader Wim, nam in 1885 de Berkelse molen over van zijn vader (Willem) en die had ze weer van zijn vader (Jan). In ieder geval vanaf 1885 hadden ze het in Berkel dan ook over “Denissen van de Mulder”. Zo werd Wim “Wimke van de Mulder” en zal zijn broer Joost wel “Joost van de Mulder” genoemd zijn.

 

Nico Derksen

de Witte

van de bloemenwinkel tegenover de kerk van et Gurke. Hij is later in Hilvarenbeek gaan wonen en heeft daar een bloemengroothandel waar ook een zoon van hem in ging werken.

 

J.M. Devenijns

den Div

de eerste bioscoopexploitant in Tilburg. Had ook een café dat Div werd genoemd.

 

Johannes Hendricus Arnoldus Diepen (1815-1897)

den Ouwe Jan Diepen

 

Collectie Regiopnaal Archief Tilburg

 

Johannes Hendricus Arnoldus Diepen (1815-1897)

den Ouwe Jan Diepen

was tot op hoge leeftijd actief als textielfabrikant en in maatschappelijke functies waarin hij zich, o.a. als wethouder (van 1851-’92), inzette voor verbetering van het onderwijs. Hij vervulde ook functies bij de Kamer van Koophandel en was lid van Provinciale Staten. De textielfamilie Diepen kwam uit Zaltbommel. De grootvader van Johannes H.A., ook Johannes geheten (1774-1844) begon als militair, werd lakenkoopman en later president van de Rechtbank van Koophandel in Den Bosch. Zijn oudste zoon Johannes Nicolaas vestigde zich als eerste Diepen in Tilburg en stichtte in 1808 samen met Frans Jellinghaus en Willem van Spaendonck de wollenstoffen fabriek Diepen, Jellinghaus & Co. aan het Korvelplein. Deze werd medio negentiende eeuw de grootste van Tilburg en had toen ook een nevenvesting in Dongewijk (richting Breda, aan het riviertje De Donge). De fabriek op Korvel, die in 1827 de tweede stoommachine van Tilburg kreeg (de eerste stond bij Pieter van Dooren), brandde in 1839 finaal af. Op ongeveer dezelfde plek verrees een nieuwe fabriek. In 1845 werd de naam van de firma omgezet in J.N. Diepen & Co, genoemd naar Johannes Nicolaas.

In 1847 werd Dongewijk gesloten. De gebouwen en gronden werden verkocht aan koning Willem II die er grote veestallen liet bouwen. Nadat Johannes Nicolaas in 1865 was overleden, gevolgd door zijn broer Louis in 1870, werd de fabriek geliquideerd en werd er meteen een nieuwe opgericht door de enige overgebleven firmant van de oude, Johannes Hendricus Arnoldus den Ouwe Jan Diepen, mede ten behoeve van zijn zonen Armand en Gustave. Deze firma Gebrs. Diepen betrok een nieuw gebouw aan de Korvelseweg ter hoogte van de Diepenstraat. De oude gebouwen aan het Korvelplein werden verkocht aan Van Dooren & Dams. Johannes H.A. nam ook het  initiatief tot aanleg van de Korvelseweg (zie hoofdstuk 4, bij de Oude Baan) om een goede verbinding te krijgen met de nieuwe, verharde Bredaseweg. Zijn zoon Armand (1846-1895) is als industrieel bekend geworden door zijn publicaties over economische en sociale vraagstukken. De fabriek van Gebrs. Diepen heeft circa honderd jaar bestaan: in 1972 viel het doek. George (1834-1918), een jonge broer van Johannes H.A., had al eerder Tilburg weer verruild voor de lakenhandel van de familie in Den Bosch, zij het voor korte tijd, want hij werd vervolgens burgemeester van Roermond en ook lid van de Tweede Kamer. Hij was vader van een tweeling, van welke Arnoldus later bisschop van Den Bosch is geworden.

 

mgr. Arnoldus Franciscus Diepen (1860-1943)

Alles Flink Dicht

woordenspel op de drie initialen van deze bisschop van Den Bosch (1919-1943). Hij werd in Tilburg zo genoemd omdat hij naar men zei nauwlettend in de gaten hield of de dameskraagjes hoog genoeg gesloten, de armen bedekt en de rokken lang genoeg waren. Men fluisterde dat hij ook altijd een centimeter bij zich had om zelf de afstand van rok tot grond te kunnen opmeten. Vanwege zijn strengheid verbond men aan hem, met een knipoog naar de Bijbel, ook het alias: “Ik bèn Die-pèn.” In 1915 werd bisschop Diepen gewijd. Van 1919-’43 was hij residerend bisschop. Deze periode tot aan het uitbreken van de oorlog was die van Het Rijke Roomsche Leven, met een uitbundige groei van het aantal parochies, onderwijsinstellingen, priesters en gelovigen. Zijn “drukke winkel” bracht Diepen ook regelmatig op werkbezoek in  Tilburg.    

 

Mgr. Diepen wijdt het nieuw gebouw van het Sint Odulphuslyceum in, 1930.

 

de dames Diepen

de Dèùve (Duyve)

naar verluidt werden op Korvel de ongehuwde dochters van Diepen-Sträter hiermee aangeduid. Dit fabrikantengezin woonde in een groot wit huis (architect Jan van der Valk) aan het Korvelplein bij het begin van de Diepenstraat en telde veel dochters. De vader, Rudolf Johan August Diepen (1875-1920) trouwde in 1902 met Josepha Maria Wilhelmina Sträter (1878-1950). 

 

Céline Johanna Maria (“Lien”) Diepen (1920- Oisterwijk 1987, x 1943 Frans van Spaendonck 1920-’45, xx Guillaume Marie “Bob” Gimbrère 1920 – Oisterwijk 2013)

Céline Maria J. Seegers

welke naam een fantasienaam was op haar vervalste persoonsbewijs uit de oorlog (zie foto). Céline Diepen was een dochter uit het grote gezin van de fabrikant Herman Gustaaf Karel Frederik Diepen (1877-1946, x 1906 Coleta Maria Anna Josephina Berghegge 1886-1980) aan de Korvelseweg.

Voor de oorlog studeerde Céline een jaar theologie in Nijmegen. Toen de Duitsers ons land binnenvielen sloot zij zich meteen aan bij een groep protesterende studenten. Al in 1941 verrichtte zij koeriersdiensten voor het verzet over het hele land, zonder te weten wat zij precies bezorgde. Zo ging dat vaak: wat je niet weet kun je ook niet verraden. Zij werd al in die beginperiode opgepakt door de Duitsers en drie weken lang in Arnhem gevangen gezet en ondervraagd.

 

Vervalst persoonsbewijs uit 1941 van Céline Diepen (coll. fam. Van Spaendonck)

 

Op het persoonsbewijs staat: “Gehuwd met J.T.P. van Capelle.” Dit is ook verzonnen, want Céline trouwde in 1943 met Frans (Franciscus Theodore Pieter Maria) van Spaendonck (1920-’45), de derde zoon van de fabrikant Franciscus Andreas Jozeph Maria van Spaendonck (1882-1936, x 1908 Maria Carolina Cornelia Loven 1883-1958) aan de St.-Josephstraat. Er zijn geen aanwijzingen voor dat de gefingeerde naam J.T.P. van Capelle echt door Frans zou zijn gebruikt maar uitgesloten is dit ook weer niet, want rond die tijd verloofden zij zich wel. Frans begon in 1941 een studie aan de Katholieke Hogeschool Tilburg naast zijn werk in de fabriek. Dankzij dit laatste wist hij te ontkomen aan de Arbeitseinsatz.

 

Frans van Spaendonck (links) met twee onbekende collega’s in de fabriek van Van Spaendonck (coll. fam. Van Spaendonck)

 

Frans en Céline sloten zich vervolgens aan bij de plaatselijke afdeling van de verzetsgroep Trouw. Joost van de Mortel, zoon van de burgemeester, was hun contactpersoon. Een van de leden was de heer A. Breuker (“de Toon”, zie hoofdstuk 3, leraar Frans aan het Sint-Odulphuslyceum). Frans en Céline hielden zich nu bezig met het verspreiden van het illegale blad Trouw, het bezorgen van bonkaarten bij onderduikers e.d. Nadat zij in september 1943 trouwden gingen zij wonen in een buitenhuisje van de familie Diepen, “Dennenheuvel” aan de Bredaseweg (421). Dit maakte het mogelijk om onderdak te bieden aan geallieerden en verzetslieden en om wapens te verstoppen die nodig konden zijn bij een overval. Erg riskant maar geslaagd was de opvang en verzorging van een gewonde topman van Trouw, Kees Streef, die door verzetslieden op spectaculaire wijze was bevrijd uit een “Kriegslazarett” in Den Bosch. Toen de Duitsers daarop fanatiek jacht gingen maken op leden van Trouw dook Frans onder op het adres Broekhovenseweg 387. De intussen zwangere Céline ging door met het bezorgen van bonkaarten die zij nu rond haar buikje kon verstoppen. Frans werd echter op 10 mei 1944 door de gehate NSB-er Piet Gerrits opgepakt, aan de Duitsers overgeleverd en via kamp Vught op transport gezet naar Duitsland. Joost van de Mortel was kort daarvoor hetzelfde overkomen.

Deze Piet Gerrits was enkele maanden eerder nog ontkomen aan een aanslag door een verzetsgroep waar een oudere broer van Frans, Rob van Spaendonck, bij hoorde. Die aanslag mislukte jammerlijk, de groep werd opgepakt en door de Duitsers op 26 mei 1944 omgebracht in de omgeving van Bos en Duin in Udenhout bij de geruchtmakende fusillade van totaal veertien verzetslieden.

Frans kon in Vught nog op de hoogte worden gebracht van de geboorte van zijn dochter Marie-Colette. Eenmaal in Duitsland verslechterde zijn gezondheid zienderogen door de zware dwangarbeid en de erbarmelijke omstandigheden. Het feit dat hij sterk was en veel aan sport had gedaan woog daar niet tegenop. Hij overleed aan uitputting in kamp Buchenwald op 4 maart 1945, een paar weken voor de bevrijding van dat kamp.

(bron: “Macht – Moed – Stilte”, een voordracht door Marie-Colette van Spaendonck bij het Gedenkproject “Vrijheid Doorgeven”, Cobbenhagen Center, Universiteit van Tilburg 11 mei 2015)

In het Jaar van het Verzet 2018 besluit de gemeente Tilburg om alsnog een plein in een nieuw te creëren verzetswijk naar Frans van Spaendonck te noemen.

 

Tekening bij het straatnamenbesluit van 3 april 2018 voor een nieuwe verzetswijk tussen de Ringbaan-West en  Reitse Hoevenstraat. Rechts (donkerblauw) het geprojecteerde Frans van Spaendonckplein. De drie andere namen (Joop de Jong, Barend Busnac en Albert Meintser) horen tot de groep van veertien die werd gefusilleerd in Udenhout. Zij hadden ook verzetswerk gedaan in Tilburg maar kregen niet eerder een straatnaam (coll. gem. Tilburg)

 

Samen met Tilburgs burgemeester Theo Weterings onthulde Marie-Colette van Spaendonck op 18 sept. 2018 bij de feestelijke start van het bouwproject dit bord op de hoek van de Ringbaan West met de Lage Witsiebaan (foto: Ton van Rooij, coll. gem. Tilburg)

 

Theresia Maria Diepen (1925-2012)

Rees Diepen

zij was de jongste van elf kinderen in het fabrikantengezin Diepen-Berghegge aan de Korvelseweg en dus ook de jongste zus van Céline Diepen (zie hierboven). Zij studeerde rechten in Nijmegen maar merkte dat haar ambitie meer bij de fotografie lag. Niet zo verwonderlijk gezien het feit dat haar vader Herman en broer Rudolf Diepen al zeer gedreven amateurfotografen waren. Rees volgde de Nederlandse Fotovakschool in Den Haag en vestigde zich in 1956 als fotografe in Tilburg. Zij werd een bekende reportagefotografe met als favoriet thema de belevingswereld van kinderen. Die liet zij niet poseren, maar ze wachtte geduldig op het juiste moment om te knippen. Haar foto’s werden gebruikt voor dames-, opvoedings- en kindermagazines, kalenders, brochures, boeken etc. In 1990 sloot Rees Diepen haar loopbaan af. Zie meer over Rees Diepen en haar fotografie op CuBra: KLIK HIER door Joep Eijkens.

 

Foto uit 1990 van Rees Diepen met enkele van haar favoriete werken aan de muur, in het jaar dat zij stopte met fotograferen. Bij haar overlijden in 2012 werd deze foto opnieuw geplaatst in het Brabants Dagblad onder de kop: “Rees Diepen laat imposant oeuvre na.”

 

drs. M.F.A. (René) van Diessen (geb. 1952)

Lucky Luck

vanwege de steeds groter wordende hoeden die hij droeg werd hij genoemd naar een bekende stripheld die altijd een grote cowboyhoed op z’n hoofd had en rap van schieten was. Deze Tilburgse econoom was voor de VVD wethouder van deze stad van 1995 tot 2002. In de jaren 2013-’15 was hij waarnemend burgemeester van Dongen. Diezelfde functie heeft hij vervuld in nog enkele andere midden Brabantse gemeenten.

 

mevr. Van Dijk

de dikke Miena of de Wonderspin

waarvan het verhaal ging, dat zij alleen zijwaarts de bus in kon. Zij woonde aan de Dongeseweg.

 

dhr. Van Dijk

Bultje van Dijk

kapper aan de Van Hogendorpstraat (Goirke).

 

dhr. Van Dijk

de Gouwe Kòp

had zonen die Sus en Nil heetten of werden genoemd. Verder geen informatie.

 

Hendrikus (Drik) van Dijk (1891-1944)

de (irste) Börgemister van den Haajkaant

hij werkte als bedrijfsleider bij schoenmaker Oprinsen aan de Bredaseweg, maar woonde met zijn gezin “helemaal” op het Lijnsheike waar zijn vrouw Dien een kruidenierswinkeltje dreef. Hij was zeer sociaal gevoelig en ging overal in de buurt op af waar iets gebeurde. Vandaar zijn bijnaam. In de oorlog werden twee van zijn zonen te werk gesteld in Duitsland. Hun plaats in huis werd toen ingenomen door een joods echtpaar uit Amsterdam dat moest onderduiken. In 1944 werd Drik opgepakt wegens anti-Duitse uitlatingen, en vervolgens op 11 augustus van dat jaar gefusilleerd door de Duitsers, samen met o.a. Jef van Bebber (zie ook bij dokter Salomon Moerel). Later werd Jan van Amelsfoort de (twidde) Börgemister van den Haajkaant genoemd.

 

gebroeders Van Dijk

de Sneevelfraaters

deze bijnaam staat voor twee broers uit een groot katholiek gezin die beiden naar België werden gestuurd om frater of pater te worden, maar zich aan deze “roeping” hebben ontworsteld om uiteindelijk als slijter de kost te gaan verdienen (eerste helft 20e eeuw). De een had een drankenzaak in de Goirkestraat in de buurt van de gebroeders Reijniers (zie daar,) de ander in de Nijverstraat. Men bleef hen fraaters noemen, ondanks hun afgebroken roeping. Omdat jenever (sneevel) destijds vaak los in maatjes werd verkocht hing er in de drankwinkels een indringende lucht van sneevel. Dit kan de keuze van het eerste deel van de bijnaam verklaren. 

De zaak in de Nijverstraat werd voortgezet door zoon René en zijn vrouw Ans. Als jongen ging René al op een brommertje de pastorieën in de wijde omgeving af om bestellingen te noteren voor zijn ouders. Later nam hij de zaak annex feestzaal in de Nijverstraat over. In 1970 verhuisden ze naar een pand dat ze hadden gekocht aan de Schans, in Noord. Daar hebben ze 36 jaar het Wijnhuis Tilburg gehad. René en Ans hebben altijd aan de traditie vastgehouden dat de tapperij een belangrijk onderdeel was van hun zaak. In 2006 hielden ze ermee op en sloot het wijnhuis de deur bij gebrek aan opvolging. René was toen 75 en Ans 68 jaar.

 

’t Wijnhuis van René en Ans van Dijk was van 1970 tot 2006 gevestigd aan De Schans (Heikant) naast het voormalige Patronaatsgebouw Petrus Donders (1911, architect Jos Donders) dat nu rijksmonument is (foto uit 2001 door Paul van Galen, coll. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)

 

Christ of Nico van Dijk

de Dierentemmer

hun vader Cees begon rond 1900 een vogelhandel die de basis vormde van het familiebedrijf (dierenhandel). In 1946 nam Van Dijk het in 1932 geopende Burgers Dierenpark aan de Bredaseweg over van de familie Burgers en veranderde de naam in Tilburgs Natuurdierenpark. Zijn zonen Christ en Nico werden directieleden van dit dierenpark tot dit in 1973 de poorten moest sluiten vanwege de concurrentie van Safaripark De Beekse Bergen. Een van de twee broers ging op latere leeftijd wonen in verzorgingshuis Molenwijck in Loon op Zand, waar medebewoners hem alsnog de bijnaam “de Dierentemmer” gaven.

 

Van links naar rechts: Harrie van Dijk, Nico van Dijk, een dierenverzorger, Christ van Dijk. Foto collectie Nicole van Dijk.

 

In de laatste fase van het bestaan van hun in 1973 beëindigde dierenzaak heeft de familie Van Dijk onbedoeld nog iets unieks nagelaten aan de stad Tilburg. Een groep Siberische grondeekhoorns (Tamias Sibiricus) wist te ontsnappen en vluchtte de naastgelegen Oude Warande in. Het verhaal ging, dat dit kon gebeuren toen de krat waarin ze zaten van een wagen viel. De diertjes voelden zich meteen thuis in het bos, waar ze ruimte en voedsel in overvloed vonden. Zij vestigden zich hier definitief en breidden hun populatie met succes uit. Zo is er op de dag van vandaag een kolonie van toch zeker een paar honderd grondeekhoorns (Tamias Tilliburgis?) in en om de Oude Warande aanwezig, die helemaal bij onze stad hoort (voor de Oude Warande: zie ook Torendreef in hoofdstuk 4). Dit is, naast het gebied waar ze vandaan komen in noordelijk Azië, de enige plaats in de wereld waar ze in het wild leven.    

 

 

Dit bijzondere diertje is zelfs de naamgever geworden van een stripblad dat in 1996 werd uitgebracht door vier bekende, uit Tilburg afkomstige striptekenaars, onder de naam: “De Bedenkelijk Kijkende Grondeekhoorn” (D.B.K.G.) Dit absurdistische tijdschrift, waarin zij grappen kwijt konden die bij hun reguliere opdrachtgevers onverkoopbaar waren, was hooguit interessant voor een selecte lezersgroep en kwam dus niet echt van de grond. De naam wilde het eigenlijk al zeggen. Na nummer 11, verschenen in 2001, hield dit blad op te bestaan.

 

 

Voorplaat van nr. 11 waarop de vier tekenaars staan afgebeeld (zie http://www.cubra.nl/De-paap-van-gramschap/ door Ronald Peeters en Ed Schilders, kijk daar onder de B van Bedenkelijk)

 

Ook de hockeyclub aan de andere kant van de Oude Warande liet zich inspireren door al het eekhoornvolk in het bos. Toen in 2011 fusieclub HC Tilburg een feit was geworden werd het diertje afgebeeld in het nieuwe clublogo, vanwege de overeenkomst die er werd gezien met kwaliteiten die ook in de sport belangrijk zijn, zoals: slim, snel en doortastend.

 

Ria van Dijk (geb. 1920)

Luchtbuks Ria

Toen zij in 1936 als 16-jarige voor het eerst naar de kermis ging, besloot zij om haar geluk te beproeven in de schiettent en schoot meteen raak. Hiermee verdiende zij onderstaande foto, de gebruikelijke beloning voor een topschutter op de kermis.

 

Ria van Dijk in 1936 voor het eerst in de schiettent op de Tilburgse kermis.

 

Ria van Dijk hield stug vol als een trouwe bezoekster van de schiettent en sleepte met haar welgemikte schoten jaarlijks een foto in de wacht. Deze verzameling “jachttrofeeën” bleef groeien. Dit begon op zeker moment de aandacht te trekken, zodanig dat tijdens de kermis van 2018 in Cinecitta een overzichtstentoonstelling werd gehouden van haar foto’s van 1936 tot heden. Alleen een aantal jaren rond de oorlog ontbreekt. Tien jaar eerder, in 2008, hadden Erik Kessels en Joep Eijkens al een fotoboek uitgegeven (“60 jaar schieten op de kermis”) waarin een groot aantal foto’s van “Luchtbuks Ria” werd gebundeld. Haar serie loopt inmiddels door tot en met 2018. In dat jaar was zij 98 jaar oud en schoot ook toen raak, zij het met wat noodzakelijke ouderenhulp.

De vader van Ria van Dijk was procuratiehouder bij de Rotterdamsche Bank aan de Spoorlaan. Hij hield haar boekhouding bij maar werd toch compleet verrast door haar initiatief om een eigen drogisterij te beginnen. Aanvankelijk was Ria namelijk apothekersassistente in de Heuvelstraat, waarvoor zij was opgeleid. Maar een “pillendraaier” wilde ze niet blijven. Van 1950 tot 1975 dreef zij haar eigen drogisterij aan de Bosscheweg, later Tivolistraat, die een goede bekendheid genoot. Ria van Dijk is altijd vrijgezel gebleven en woont sinds 2003 in Het Laar (bron: www.hetlaar.nl uit een serie over oud-ondernemers die nu in Het Laar wonen)

 

Ria van Dijk in 1962 achter de kassa van haar drogisterij aan de Bosscheweg (vanaf circa 1970 Tivolistraat), met links haar hulp Angelie Mutsaers. Het pand en de winkel werden in 1973 geheel gemoderniseerd (foto op www.tilburgers.nl, coll. RAT)

 

Geurt Dijkland

et Orke [of Urke?]

omdat hij een opvallend gevormd oor had.

 

Johannes H. Dikkers (1878-....)

Jan Jêûk of Jan Pluk

omdat hij een grote haardos en lange baard had. Hij woonde in (een schuurtje) bij Miet Cools, die een van de vier kleine huisjes aan de Oerle(se)zijstraat bewoonde (zie ook bij den Oeper Oppermans en in hoofdstuk 4: et Körvels Huukske). Kinderen uit de buurt waren bang van hem, waarschijnlijk door zijn struma (gezwollen hals). Dit trok hij zich erg aan.

 

Harrie van Dommelen

Grammetje

was kruidenier in een winkel van de Spar aan het Lijnsheike (later Oude Lind). Als hij iets moest wegen dan was het ook precies het gewicht waar men om gevraagd had, zeker nooit iets teveel. Vandaar deze bijnaam.

 

de zalige pater Petrus Donders CssR (1809-1887)

Pirke Donders of Sint Peerke van Tilburg of Zaolege Pirke

 

Glaspositief met portret van Peerke Donders. Bron: Uit het archief van de fraters van Tilburg, Rien Vissers en Han van Meegeren, Tilburg 2014.

 

was een weverszoon die priester werd, als missionaris naar Suriname ging om er te werken onder de melaatsen en aldaar gestorven en begraven. Peerke Donders werd en wordt veel vereerd in zijn geboorte- en sterftestreek. Hem werden daarom nog meet “titels” toegekend, zoals: Vriend van de Bosnegers en Apostel der Melaatsen. Hij werd zalig verklaard door paus Johannes Paulus II op 23 mei 1982 na een lang proces waarin bepaalde gunsten aan Peerke Donders werden toegeschreven. Ook de bevrijding van Tilburg van de Duitse bezetting werd aan hem toegeschreven. Deze viel namelijk precies op zijn geboortedag: 27 oktober (1944)! Vanaf 1982 was het dus ook: Zaolege Pirke. In 1926 werd aan het Wilhelminapark een standbeeld van hem geplaatst. Beelden, schilderijen en gedenkramen in kerken en kloosters herinneren aan hem. In 1991 werd een beeld van hem geplaatst en ingewijd in de kathedraal Sint Jan van Den Bosch.

Pirkes vader Nol Donders (Arnold Dionysius, 1755-1834,) was thuiswever van beroep en is driemaal weduwnaar geworden voordat hij in 1817 trouwde met Marie van de Pas (Johanna Maria, 1773-?). Deze ontfermde zich over de jonge Pirke en zijn ziekelijk broertje Tinuske (Martinus, 1811-1856), die uit het derde huwelijk van Nol met Petronella (Nel) van den Brekel 1768-1816) waren. Het gezin woonde in een wevershuisje in de Heikant aan een zandpad dat destijds de Moerstraat heette. In 1835, na de dood van vader Arnoldus, is het huisje afgebroken maar in 1931 herbouwd. In het naastgelegen park (1926) werd vanaf 1937 een monumentale kruisweg gebouwd. In 1982, het jaar van de  zaligverklaring, kwam in het midden een openluchtkapel te staan. Deze werd in 2009, ter gelegenheid van de 200e geboortedag van Peerke, vervangen door een mooi paviljoen waarin een “museum voor naastenliefde” werd gevestigd. Dit maakte het “heiligdom” aan de Pater Dondersstraat compleet, dat wordt beheerd door de Stichting Petrus Donders.

Aanvankelijk trad de jonge Petrus Donders in de voetsporen van zijn vader, door thuiswever te worden. Van 1821 tot ’31 werkte hij in het fabriekshuis van Joannes (Jan) Laurentius Janssens dat dichtbij de Hasselse Kapel stond (zie Laurentius Lau Tòd Janssens). In die periode viel zijn vroomheid erg op. Peerke wilde vurig priester worden, maar het feit dat hij van minvermogende ouders kwam was een probleem. Hij liet zich niet uit het veld slaan en werd in 1831 als knecht-student toegelaten tot het kleinseminarie in Sint Michielsgestel. In 1841 werd Pirke tot priester gewijd, droeg zijn eerste mis op in zijn parochiekerk (et Gurke) en werkte van 1842 tot 1887 onafgebroken in Suriname. Daar hield hij zich bezig met de verpleging van melaatsen in Batavia. In 1866 werd de zorg voor de kerk in Suriname verder toevertrouwd aan de paters Redemptoristen. Petrus Donders trad daarom tot deze congregatie toe, waarvoor hij in 1867 de gelofte aflegde.

 

 

Peerke’s overlijden in 1887 was het begin van herdenkingen en vereringen tot op de dag van vandaag, door veel mensen in Tilburg en Suriname voor wie Peerke al lang heilig is, ook al ligt dit nog niet vast in een officieel diploma van Het Vaticaan. Het monument op deze foto staat sinds 1926 aan het Wilhelminapark in Tilburg.

 

Nol Vromans uit Hilvarenbeek (1943-2016) vervaardigde beeldjes en stak als fervent Willem II supporter zijn Peerke ook in de clubkleuren. Zo hielp Peerke de voetbalclub door menige crisis heen! (Foto: Paul Spapens 2013, uit de glossy uitgave van het blad Peerke, jan. 2017. Voor herinneringen aan Peerke zie ook hoofdstuk 4: Heiligdom Heikant)

 

Constant Hubert Donders (1904-1965, x Anna Matthia, Maria Pessers, 1903-1992)

Kontje Donders

een woordspeling op zijn voornaam. Directeur textielfabriek George Dröge (zie ook hoofdstuk 4: den Drêûge). Hij was een zoon van Albertus Theodorus (1866-1936, lakenhandelaar te Arnhem) en Elisabeth Gertrudis (1871-1951) Donders-Muller. Anna Donders-Pessers was het zevende kind en de oudste dochter van Bernard den Gouwen Bult Pessers.

 

Jo Donders (1895-1989)

Ome Jo of Toetamoela

 

Foto uit 1948 bij de festiviteiten vanwege het 50-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina. Het ging er vrolijk toe, met v.l.n.r. Nico Bakx, Martijn Bressers en Jo Donders (coll. RAT)

al vroeg werd Jo Donders in zijn buurt (et Gurke) Toetamoela genoemd, maar het waarom is niet bekend. Hij was firmant van de Anilinefabriek van Franken-Donders (grondstoffen voor textielverven) in de Twentestraat, aan het kanaal ter hoogte van de in de jaren 1950 gebouwde wijk Jeruzalem, maar verkocht zijn belang daarin al rond 1940. Hij heeft vervolgens  decennialang ingewoond bij de familie Backx, en verhuisde in de jaren 1960 ook met hen mee naar de Ringbaan-West. Daar in de buurt noemde men hem "Ome Jo." Donders was vrijgezel die wist te genieten van de goede dingen van het leven, en was erg gehecht aan bepaalde gewoontes. Zo was hij een zeer trouwe supporter van Willem II, in goede én in slechte tijden. Hij was bevriend met de ook vrijgezelle Bernard "de Witte Reus" Pessers jr. die aan de Goirleseweg woonde. Samen gingen ze nu en dan de bloemetjes even goed buiten zetten. Zijn laatste jaren bracht Donders door in huize Mariëngaarde.  

''Ome Jo" Donders trok soms de aandacht met zijn rake uitspraken. Zo heeft hij nooit autogereden omdat hij dit niet heeft willen leren, want: "Rèjlèsse zènder vur sjefeurs." Dus liet hij zich heel zijn leven rijden voor zover hij het niet te voet of op de fiets af kon. Kort na de bevrijding in 1944 speelde hij een rol bij de handhaving van de openbare orde in de stad. Mijn moeder fietste toen eens over het trottoir, wat in die dagen helemaal niet kon. Zij werd door een agent betrapt en moest mee naar het bureau. Daar werd zij voorgeleid bij Jo Donders (die haar gekend moet hebben omdat de families uit dezelfde buurt kwamen). Toen hij nota had genomen van de overtreding van de jonge vrouw tegenover hem die nogal ontdaan was door het gebeurde, wees hij naar de hoek van de kamer waar een geweer stond, draaide zich dreigend terug naar haar en zei op barse toon: "Ziede dè gewèèr daor? Agget nòg en kir doet schiet ik oe daormeej dôod!"   

 

W.P.L. Donders (1926-1999)

Broer Donders

 

 

Bron: De Paap van Gramschap

 

schreef vanaf 1980 diverse boeken zoals “Per ongeluk mens” (in 1981 gaf hij dit eerste boek met ƒ 7.000.- geleend geld in eigen beheer uit) en “Mèn Tilburg.” Is ook opgetreden als fakir in de show van de bekende hypnotiseur, paragnost en illusionist Winando (Henk van Heusen, zie daar). Is in begin 1999 erg ziek maar deelt mee nog geen euthanasie te willen ondergaan: "Want ik heb zeker nog een halve liter (jenever) staan". Die was 3 augustus van dat jaar zeker op. Toen stierf deze volksschrijver. Broer Donders was de tweede zoon van slager Donders-van Bijnen uit de Lange Nieuwstraat (nr. 52). Zijn oudere broer Harrie sneuvelde in Duitse krijgsdienst tijdens de oorlog 1940-’45. 

 

Jos. L. Donders (x Van Blerk)

en Tientje òf Vèèf

van de woninginrichtingzaak die tot de jaren 1960 in de Zomerstraat gevestigd is geweest, daarna aan Schouwburgring en sinds 1999 aan het Wilhelminapark (tot de sluiting in 2011). Zoon van Donders-Smulders. De oudere broer van Jos, Bernard, was in 1896 in hun ouderlijk huis en vroegere fabriek van Donders-Smulders met de zaak begonnen. Toen hij in 1936 kwam te overlijden werd deze voortgezet door zijn broer Jos. In 1945 kwam zijn zoon Theo erbij en openden zij boven hun winkel ook een Kunstzaal Donders die in de periode 1947-’57 met tal van exposities een goede naam kreeg. 

 

 

Wilhelmina Donders-Hendriks (1874-….)

Mina Vis

van de vishandel Donders in de Gasthuisstraat. Zij was de dochter van Mina Snoek (zie Wilhelmina Hendriks-Kuijten).

 

Hendrikus (Henri) Johannes Maria Donders (1870-1932)

de Kromme Donders van het Rechte Spoor

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

R.K. priester, geboren te Tilburg en overleden in Venlo. Hij werd in 1896 priester gewijd. Was in enkele plaatsen kapelaan en is vervolgens pastoor te Bergharen en Schijndel geweest. Liep hij gebogen, gezien het eerste deel van zijn bijnaam? Hij werd bekend als de medeoprichter en adviseur van de R.K. Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel St. Raphaël (zie hoofdstuk 2: Raphaëlieten) en dankte het tweede deel van zijn bijnaam in ieder geval aan het feit dat hij lang hoofdredacteur was van het in 1903 opgerichte bondsblad "Het Rechte Spoor", dat in die tijd het grootste katholieke vakblad was van Nederland. Hij overleed in het Mgr. Mutsaerts Oord (herstellingsoord van het katholieke spoor- en tramwegpersoneel) in Venlo. Johanna (Joke) Donders die getrouwd was met Norbert de Beer (zie daar) was een tante van Henri.

 

dhr. Donders

de Platte Donders

was ooit kastelijn van het café in de Berkdijksestraat waarin later een glas-in-loodzaak kwam. Had een platte neus, die naar men beweerde was platgeslagen door het boksen.

 

Bernard Donders (1925-….)

de Witte Donders

afkomstig van Broekhoove. Was koopman en leeft nog eind 2001. Hij trouwde in 1946 met Wilhelmina van Wanrooy (geboren in Loon op Zand in 1922) die toen al een baby had van een bevrijder. Hij nam dat kind aan en het kreeg ook de naam (Willem) Donders.

 

Roy Donders (geb. 1991)

de Stylist van het Zuiden

hij dankte dit alias aan het eerste televisieprogramma dat hij over en voor zichzelf maakte op RTL5 in 2013. Eerder had hij al deelgenomen aan televisieprogramma’s met het oog op zijn aanvankelijke doel om volkszanger te worden. Maar bij RTL5 kwamen al zijn talenten naar voren, ook die van kledingkenner/stylist en kapper. Bovendien was het een realityprogramma waarin ook zijn familie en omgeving (de wijk Broekhoven, waar hij in 1991 werd geboren) voor het voetlicht kwamen. Hij bracht het tot (voorlopig aantal) vijf seizoenen, een overstap van RTL5 naar SBS6 meegerekend, wat een bijzondere prestatie is. Daarbij wist hij slim zijn naam uit te baten via producten als een speciaal worstenbrood, een “huispak” waarin duizenden Nederlanders zich hebben gehesen en een in opdracht van Jumbo speciaal voor het wereldkampioenschap voetbal 2014 ontwikkelde “juichpak” waarop een stormloop ontstond. Kortom, Roy Donders kon al gauw geen teen meer buiten de deur steken of hij werd gevolgd door alle media die ook meteen wisten te melden dat zijn vriend Marvin heette en waar ze zouden gaan wonen (bleek toch Broekhoven te worden), wat ademloos door het hele land werd gevolgd. Nadat hij aanvankelijk Broekhoven steeds trouw was gebleven besloot Roy begin 2017 echter om een kledingwinkel te openen in het hartje van Tilburg.

 

 

dhr. van Dongen

Baard van Dongen

was omstreeks 1900 thuiswever in de Hesperenstraat en had een lange baard.

 

Foto uit 1901 door Henri Berssenbrugge (1873-1959), coll. RAT

 

Riet van Dongen (1930-….)

Katje Spiers

een niet al te snugger, zonderling type uit de St. Janstraat (Groeseind) ongehuwd. Zij hield veel van katjesdrop en als ze kwaad werd gemaakt begon ze te spuwen (spiersen, vandaar de bijnaam).  

 

Maria Virginie Doorakkers (1866-1952)

Kweezelke of Firzenie Doorakkers

Firzenie was de Tilburgse uitspraak voor Virginie, volgens Jan Swolfs in: “De kapel op de Hasselt, een bloemlezing uit het werk van 40 auteurs”, samengesteld door Ronald Peeters & Ed Schilders, Tilburg 2013 p. 84.  

 

collectie E. Pierson

 

voorbidster/kosteres in de Hasseltse kapel van 1912-1947. Zij woonde tegenover de kapel aan het Hasseltplein. Haar manier van voorbidden werd zeer bekend. Zij begon het Weesgegroet gebed heel langgerekt ("Wéééés-gegroet Maria,") om dit vervolgens steeds sneller af te raffelen en dan weer heel nadrukkelijk te eindigen met een: "…(Jezus de vrucht) van uw schóót," wat door sommige aanwezigen ook verstaan schijnt te zijn als een sluikreclame voor een ijzerzaak in de Heuvelstraat: ".. ga naar Van der Schoot!" (zie bij Van der Schoot).

Andere voorbidsters en -bidders in de Hasseltse kapel zijn geweest: Annie van Roermund-Schoonus (1916-2007, acht jaar kosteres en voorbidster), Kees van Zelst, Jaanske Zêever van Helvert (zie daar,) de heer Van Wezel die leraar was aan de Ambachtsschool en Willeke Leijten. In 1999 heeft Trees Theeuwes (geboren rond 1938) uit eigen beweging de draad opgepakt en is begonnen als voorbidster naar aanleiding van de oorlog in Kosovo en andere erge dingen in de wereld. Annie van Roermund-Schoonus is een van de personen met wie ik heb gesproken bij de voorbereiding van dit boek (zie ook achterin bij bronnen). Nog altijd wordt er in de maand mei (Mariamaand) de Hasseltse kapel van ‘s morgens 6 tot ‘s avonds 8.30 uur (voor)gebeden bij het Mariabeeld, voor en door naar schatting in totaal 160 á 170.000 mensen die de kapel bezoeken. In Tilburg zei men wel: "Der is mar één goej vraaw èn die stao in den Hasseltse kapèl!"

 

Thomas Josephus van Dooren (1754-1836, x Antonia Maria Delfontaine, 1757-1827)

Parijs van Dooren of de Zijden van Dooren

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

maakte fortuin als handelaar in met name lakens en zijde en moest voor zaken regelmatig in Parijs zijn. Daar heeft hij zijn bijnaam aan te danken. Thomas was een zoon van Cornelis van Dooren (1700-'67) en Johanna Margaretha van Son (geb. ? te Boxtel-1778), en een broer van Martinus Cornelis van Dooren (1756-1811), de eerste burgemeester (maire) van de stad Tilburg, zie hoofdstuk 4 et Kastiltje.

Thomas Josephus "Parijs" van Dooren trouwde in 1780 in Rotterdam met Antonia Delfontaine, die oorspronkelijk uit Antwerpen kwam. De Tilburger Thomas verbleef in die tijd met tussenpozen in Rotterdam, waar ook zijn jongste broer Jan Baptist (1758-1813) woonde. Toen deze kwam te overlijden werd zijn enig kind Sophia Maria (Sophie, 1796-1871) wees. Thomas werd haar voogd en stelde haar zijn woning in Rotterdam ter beschikking. In 1815 trad zij daar op 19-jarige leeftijd in het huwelijk met haar volle neef Petrus Cornelis Ludovicus van Dooren (Pieter, 1784-1845, een zoon van Martinus Cornelis. Zij kregen 13 kinderen. Voor de kinderloze Thomas waren Pieter en Sophie als zijn eigen zoon en dochter. Toen Thomas rond de Franse Revolutie (1789) veel in Parijs verbleef, heeft hij er het aartsbisschoppelijk paleis gekocht. Volgens familiale overlevering heeft hij dit gedaan opdat het niet in handen van de revolutionairen zou vallen. Deze lieten buitenlandse bezittingen in de regel met rust. Toen de revolutie was uitgeraasd heeft Thomas het paleis voor hetzelfde bedrag terugverkocht aan de kerk. Als dank voor zijn interventie heeft hij enkele kostbare schilderijen gekregen. Hij schonk er twee van aan de parochie het Heike toen in 1829 het geheel vernieuwde schip van de kerk in gebruik werd genomen, ook al had iemand anders hem een bod gedaan van f 12.000,-. Deze twee schilderijen, die de kruisiging van Petrus en de Maria-Tenhemelopneming voorstellen, hangen nog altijd in de Heikese kerk. Het verhaal gaat dat er nog een derde schilderij was, dat Judith met 't hoofd van Holofernes voorstelde, maar dat dit door een pastoor van het Heike verpatst zou zijn aan de familie Kerstens tegen een anker wijn! Toen Thomas het wat rustiger aan ging doen, kocht hij in 1815 een kast van een huis aan de Steenweg (Heuvelstraat). Hier zitten nu drie winkels: Dixons, Het Lichtpaleis en Kruidvat. Een bekende zaak die hier vanaf 1865 ook heeft gezeten was de wijnhandel Wed. P.J. Knegtel. Het huis liep vroeger zelfs nog verder door, tot ongeveer de huidige Willem II straat. De parkachtige tuin grensde aan de Tuinstraat. In het oostelijke deel van dit huis heeft vanaf 1827 Pieter met zijn gezin enkele jaren gewoond. De aanleiding was mogelijk het overlijden van de vrouw van Thomas in 1827. Vanaf 1831 verbleef kroonprins Willem II met zijn gevolg vaak in dit huis, totdat hij in 1835 over een eigen huis in Tilburg beschikte (zie bij prins Willem van Oranje). Willem II gaf in het huis van Thomas ook diners en tuinfeesten en ontving er buitenlandse gasten. Thomas heeft tijdig gedacht aan zijn laatste rustplaats. Hij was betrokken bij de grondaankopen voor de nieuwe katholieke begraafplaats aan de Bredaseweg (zie ook hoofdstuk 4: de Schèèf). Daar werd zijn vrouw in 1827 begraven. In 1833 werd op die plek de in Antwerpen vervaardigde monumentale familiegraftombe geplaatst. Thomas Josephus volgde haar in 1836

 

François Pierre Jules Marie van Dooren (1860-1950, x Sophie Victorine Maria Koppel, 1867 te Nijmegen-1945)

den Baron van de Leij

had een zeer lange loopbaan als fabrikant (1881-1922) en daarna als commanditair vennoot (1923-'48) bij de wolspinnerij van Pieter van Dooren, de eerste en grootste textielfabriek die zich vestigde in de omgeving van de (Oude) Leij in het uiterste zuiden van Tilburg (zie in hoofdstuk 4, bij de Schôone en de Vèùle Leij). In 1891 verwierf hij zelfs het gehele eigendom van deze fabriek. Ook was hij bijna 40 (1897-1936) jaar bestuurslid en in deze periode van 1899-1904 voorzitter van den Fabriekaantenbond (zie hoofdstuk 2). Reden genoeg om hem een passende "titel" te geven! Van 1930-'37 was hij president van sociëteit Philharmonie waarmee hij in de voetsporen trad van zijn grootvader Pieter, die de eerste president was (zie ook hoofdstuk 4: de Blènde Fiel). Francois was de grootvader van "Lange Frans" van Dooren (zie hierna). 

 

Frans Vincent Marie van Dooren (1916-1985 te Turnhout, x Leonie J.C.A.M. Albers, geb. te Lier 1924)

Lange Frans (1)

was de laatste directeur van wolspinnerij Pieter van Dooren. Hij was een kleinzoon van den Baron van de Leij en kwam aan de leiding van de fabriek in 1949, toen deze een N.V. werd. In 1972 werd de productie beëindigd en werden de grond en 

opstallen te koop aangeboden aan de gemeente. Pas in 1975 vond deze transactie plaats en werden de karakteristieke gebouwen afgebroken na een late en vergeefse lobby om er het Nederlands Textielmuseum in te vestigen. Hierdoor ontstond er de nodige extra ruimte voor het nieuwe Sint Elisabeth Ziekenhuis. Deze sloop maakte veel emotie los vanwege de historische waarde van het deels authentieke complex. Als reactie hierop werd in het vervolg met soortgelijke beslissingen zorgvuldiger omgesprongen en werd in 1975 de Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed opgericht. Het textielmuseum kreeg daarna toch een prachtig onderkomen in de vroegere fabriek van Criesje Mommers in de Goirkestraat.

 

Van de wolspinnerij van Pieter van Dooren die moest wijken voor het nieuw Elisabeth Ziekenhuis, zijn naast dossiers en foto’s alleen overgebleven de oude fabrieksklok in het Regionaal Archief Tilburg en dit ijzeren toegangshek dat, voorzien van een opvallend kleurtje, in 2002 werd geplaatst in het Regenboogpark. Het groen op de foto staat in de “achtertuin” van het CZ-kantoor aan de Ringbaan West (foto: “Gate to the Past”, Karel de Beer 2006).

 

politieagent Doreleijers

Sik Zeuve / Er ontgaat me niks

had er een handje van om taxichauffeurs als Gerritje Boom, Toon en Harrie de Rooy, Jos en Leo "Zoenmans" Louer, Christ van Gorp en Jan van Heugten (Kòp van Genugte, zie daar) aan te houden om hun papieren te controleren op het moment dat zij met hun passagiers wilden wegrijden van het station. Tot de maat vol was en een van de chauffeurs een drol ertussen stopte en aan Sik Zeuve overhandigde. Deze greep finaal in de stront. Ze hadden intussen borden in lantaarnpalen van de Spoorlaan gehangen met de leuze: "Sik Zeuve, strònt vat strònt!"

 

Maria Cornelia van de Dries (1853-1930)

Mie Fiedel

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

speelde cello en trouwde in 1898 met Frans Jansen (1858-1933), een huiswever die viool kon spelen. Vormden samen het bekende muzikale duo Mie Fiedel èn dere meens voor bruiloften en partijen. Populair was bijvoorbeeld hun versie van de boerencarré, een traditionele dans die in Tilburg de Mie Ketoen werd genoemd (onder deze naam werd in Tilburg in 1979 ook een volksdansvereniging opgericht) en Jan Toerlezjoer (van Jean de tous les jours?) Dit populaire liedje waarbij een dansje hoorde moet zo zijn gegaan:

 

“Jan Toerlezjoer

de beene, de beene,

Jan Toerlezjoer,

de bintjes van de vloer!”

 

Lenny Breidenbach in de rol van Mie Fiedel in de Tilburgse Revue Gloria Historia (2009)

 

George Johan Dröge (1875-1965, x Donders)

den Drôoge

was de oprichter van de wollenstoffenfabriek George Dröge in de Goirkestraat (zie in hoofdstuk 4: den Drôoge). Over hem ging het volgende verhaal. Vraag aan de deur: "Is den Drôoge thèùs?" Antwoord van het meisje dat opendeed: "Ik dènket nie, want zen gebit hangt nie òn de kapstòk."

 

Wimke F.A. Druyts (1924-1986)

et Zòt Wimke

was lijder aan het syndroom van Down. Hij mocht als supporter van voetbalclub Willem II weleens de aftrap doen, of in de rust van de wedstrijd pienanties nemen op de keeper van Willem II. Die dook dan de verkeerde hoek in. Applaus van de tribunes, en Wimke draaide dan triomfantelijk enkele ererondjes. Wimke Druijts liep vaak met harmonie Kapelle Sint Jan mee (bij de bok die altijd meeliep in deze harmonie van Wilhelmus “Bok” van Spaendonck, zie hoofdstuk 2: Kapèlle Den Bok). Wimke woonde in de jaren 1940-'50 bij zijn ouders aan het Schaepmanplein (thans Horversplein).

 

abt Dom Simon (Ernest Joseph) Dubuisson (Mouseron-B. 1876 - 1945)

IJzeren Simon

was prior van het klooster Notre-Dame de Scourmont bij Chimay (België) toen hij werd benoemd tot abt van de Trappisten van Koningshoeven. Hij moest de in 1909 afgezette abt Dom Willibrord Verbruggen opvolgen. Zijn “parachutering” veroorzaakte hier veel beroering in een tijd waarin het aantal voorstanders van een vrije abtkeuze juist toenam! Het kostte de communiteit dan ook een aantal uittredingen. Echter, de eerst ambitieuze maar later roekeloze eerste abt Verbruggen had de abdij naar het randje van de financiële afgrond gevoerd, dus moest een nieuwe abt van buiten  schoon schip komen maken. De benoeming van Dubuisson werd pas in 1913 door Rome bekrachtigd, waarna hij tot (tweede) abt werd gewijd (zie voor deze roerige fase: “De Trappistenkwestie” deel 1 en 2, door Anton van de Wiel op het Geheugen van Tilburg).  Ant(o)on van de Wiel, 1929-2018 plaatste na zijn pensionering bij Fontys Hogescholen liefst 194 bijdragen op die site, zie: https://geheugenvantilburg.nl/)

 

De Trappistenabdij van O.L. Vrouw van Koningshoeven op een ansichtkaart uit 1898 van Everts & Co. Tilburg (coll. RAT)

 

Toen de Trappisten zich rond 1880 oriënteerden op vestiging in Nederland (want het politiek klimaat in Frankrijk was vijandig voor kloosters) vonden zij in de omgeving Tilburg (op het grondgebied van Berkel-Enschot) een geschikte locatie die ze in bruikleen kregen van de eigenaar, Caspar Houben (zie in hoofdstuk 2: de Brèùne Bèère) en met behulp van de fraters van Tilburg inrichtten als een voorlopig klooster. Zij besloten al gauw om hier te blijven. In 1881 gingen ze als priorij (d.w.z. gesticht vanuit de Abdij op de Katsberg in Frans Vlaanderen) van start met een mis in een provisorische kapel die werd opgedragen door pater Superior de Beer (zie daar).

In 1890 werd aan de Koningshoeven een nieuwe prior aangesteld die uit Westmalle kwam, Willibrord Verbruggen (1859-1935). Al een jaar later (1891) werd de priorij verheven tot abdij, met Verbruggen als de eerste abt. De communiteit telde toen zestig leden. Zoals gezegd sloegen de ambities van Verbruggen om in roekeloosheid. Na zijn gedwongen vertrek in 1909 liet hij een schuldenlast achter, die door zijn opvolger pas in 1922 was weggewerkt. Die tweede abt, Dom Simon Dubuisson, moest wel een krachtige bestuurder zijn, te meer daar in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak zodat hij de klus moest zien te klaren zonder verdere steun van zijn moederhuis in het bezette Vlaanderen. Een onverwachte meevaller was de inkwartiering van een groot regiment gemobiliseerde militairen die de abdij financieel geen windeieren legde. Inkwartiering leverde immers een vergoeding op van de staat en bovendien verwierf de abdij opbrengst uit aan deze militairen verstrekte voedings- en genotmiddelen (bier!) De overlast die zoveel ingekwartierde militairen konden veroorzaken bleef gelukkig beperkt. De bijnaam “IJzeren Simon” dook op in een artikel over dit onderwerp: “De toffe jongens van het zevende regiment op de abdij van Koningshoeven in 1914,” door Frans Goris in “Tilburg, Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur” (uitgave Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed, april 2018) waar ook dit stukje tekst aan ontleend is.  

 

De bisschop van Den Bosch mgr. A.F. Diepen (l.) feliciteert abt Dom Simon Dubuisson in 1931 met de 50-jarige aanwezigheid van de Trappisten op de Koningshoeven (foto Persbureau Het Zuiden, coll. RAT)

 

Cornelis van Dun

Snulles van Dun

verbastering van zijn voornaam. Woonde in de Wittebollestraat met zijn ongehuwde zuster, en was straatarm. In de oorlogsjaren kwam hij distributiebonnen ophalen om die in te wisselen voor mensen in de buurt die daar niet aan toekwamen en hij hoopte dan bij hen mee te mogen eten.

 

Harrie van Dun

Harrieke Snuf

was de echtgenoot van Louise Wieske Snuf  Tuerlings

 

Sjef van Dun (1923-2001)

den Aopeboer van Vèssem

had een fabriek voor badstoffen kleding in Goirle. Hij was een nogal teruggetrokken man. Toen zijn vriendin was overleden en het ook niet meer ging met zijn fabriek heeft hij Goirle de rug toegekeerd en is in Vessem gaan wonen bij een boer in een caravan. Hij werd er regelmatig op de fiets gezien met een aap op zijn schouder. Hij had er een stuk of veertien. In 1972 kwam hij daarmee in het nieuws nadat ze allemaal waren omgekomen bij een brand. 

 

Wim Dusee (ca. 1916-2000, x Wil Verspeek)

Bourgondiër

was bij zijn overlijden levenspartner van Jopie Meurs. Zij woonden in de Drossaard Bernagiestraat. Hij was ruim 60 jaar lang lid en ook bestuurslid van het Koninklijk Erkend Harmoniekorps "L'Echo des Montagnes".

 

 

1.E

 

Huub van der Eerden (ca. 1914-1989, x Nel Eskens)

de Staale Jezus (1) of den Börgemister

hij woonde in de Goirkestraat en ook zijn vrouw sprak steeds van hem als den Börgemister.

 

kapelaan Van der Eerden

Van Hutseleduts

van de parochie Hoefstraat, omdat hij in de kerk eindeloze preken hield waar op zeker moment niemand meer een touw aan kon vastknopen, naar men dacht hij zelf ook niet.

 

Jozef L.M. van Eijck (1914-1991)

Professor Vlijmscherp

tijdschriftenbezorger, liep altijd gebogen met zijn plastic tassen.

 

juffr. Huberta (Bertje) Eijgenraam (1907-2002)

Akeela van de Waaj

werd na oprichting van de Stichting Wijkwerk in 1947 de eerste maatschappelijk werkster van Tilburg, in de arme binnenstadswijk ”de Koningswei” (zie hoofdstuk 4) en bleef dit tot na de afbraak van deze wijk eind 1964. Tijdens de oorlog zat zij in het verzet. Door haar activiteit in de verkennerij van de parochie van het Heilig Sacrament werd ze daar al gauw "Akela Eijgenraam" genoemd. Deze titel nam ze mee naar de Koningswei, waar ze later "de Akeela van de Waaj" heette, omdat ze daar iedereen kende en iedereen haar. Zij werkte veel samen met "Akka" Panis - de Bont, die er zorgde voor het jeugdwerk. In 1957 werd Bertje voor haar werk in de Waaj namens de paus door bisschop Bekkers onderscheiden met “Pro Ecclesia et Pontifice”. De drijvende kracht achter de Stichting Wijkwerk, waar de Waaj en Broekhoove onder vielen, was kapelaan Gerard Soons van de Heuvelparochie. Die zorgde dat er in 1951 in de Waaj een wijkhuis kwam en twee jaar later een eigen gebedshuis, de St. Maartenkapel. "Akka en Akela" aarzelden niet om bijvoorbeeld 's morgens om half acht ergens aan te bellen en te vragen of Marietje ook naar de kerk kwam!

 

Bertje Eijgenraam (links) aan het werk. Bron: Berry van Oudheusden, Koningswei, van villapark tot volkswijk, Tilburg 2011.

 

Bertje Eijgenraam (rechtsvoor) leidt een kinderstoet door de Koningswei in de vijftiger jaren

 

Arnoldus (Nol) Henricus Maria Joseph Eijgenraam x Corry Mommers (1908-1978)

Dôove Nol

deze broer van Huberta Eijgenraam was een bekende verschijning in Tilburg, met zijn besnorde hazelip. Hij dankte zijn bijnaam aan het feit dat hij slecht kon horen. Nol woonde met zijn vrouw en twee ongehuwde zusters aan het Wilhelminapark. Van daar fietste hij de stad door, langs al zijn klanten. Hij had dan een stuk of drie kartonnen koffers op zijn bagagedrager waarin zijn handel zat: vooral textielwaren zoals washandjes en handdoeken.  

De doofheid van Nol Eijgenraam was aanleiding tot verschillende verhalen. Zo werd gezegd dat hij eens met zijn handel over de Heuvel fietste toen daar nog "kinderkopjes" lagen. Het spatbord van zijn fiets (in het Tilburgs: slèkbord, van slijk) zat op dat moment los. Toen hij een terrasje passeerde riep iemand: "Heej Nol, wè rammelt oew slèkbord toch!" Nol: "Wè zidde?" Reactie (harder:) "Ik zeej dèttoe slèkbord zôo rammelt!" Antwoord Nol: "Ik kan oe nie verstaon, want men slèkbord rammelt zôo!" Ook werd hij eens aangesproken door iemand die tegen hem zei: “Wèst vandaog toch schôon wir Nol.” Nol: “Wè zidde?” (Harder:) “Dèt schôon wir is!” Nol (harder:) "Wè zidde?" (Nog harder:) "Ik zeej dèt schôon wir is!" Waarop Nol begrijpend knikte en antwoordde: "Jèjè, et zèn kèèrels!” Deze woorden werden voor sommige Tilburgers een vaste uitdrukking. Viel er in een gesprek een diepe stilte, dan zeiden ze: "Jèjè, et zèn kèèrels!"

 

Prent van de week door Cees Robben (22 juli 1960) klaarblijkelijk gebaseerd op een anekdote over Dôove Nol.

 

Noud van Eijk

Snötje van Eijk of den Drieduim

werd zo genoemd omdat hij een hazenlip en een vergroeide duim had. Hij woonde in de Hasselt, aan den Ötlègger (zie hoofdstuk 4) en hoorde bij Trubbel èn Onrust, een borrelclub van wel veertig leden ("ze han em gèère") die in de naoorlogse tijd regelmatig de gezelligheid van café Fouchier opzochten (zie Fesjèèr in hoofdstuk 4) totdat dit vernieuwd werd en "De Postelse Hoeve" ging heten. Toen week Trubbel èn Onrust uit naar café Kapelzicht van Anneke en Frans van Gender aan het Hasseltplein, tot dit in 1974 werd gesloten. De foto is uit 1960 en nog genomen in het oude café Fouchier. Ze werd geplaatst in de rubriek Weerzien van het Brabants Dagblad van 12 nov. 1998, wat genoeg herkennende reacties opleverde om te kunnen zeggen wie we hier van hun pensioentje zien genieten: v.l.n.r. Fons van Gorp (kettinglijmer bij Eras), Rinus de Kort (brugwachter, woonde in de Ruwerstraat), Piet Vlaminkx (of “De Vlam”, zie daar, had bij de Hasseltse kapel een schoenmakerij die moest wijken voor de aanleg van de Hasselt rotonde), Noud van Eijk en Janus Sparidaens.

Foto uit 1960 door F. Gijsbers, coll. C. Fouchier/RAT

 

Janus van Eksel

de Man van Slap en Stijf

dankte zijn bijnaam aan het feit dat hij een stomerij had.

 

Johannes P. Elen (1846-1911)

de Mòsterdmadam

kwam uit België en verkocht mosterd aan huis, die volgens eigen recept gemaakt was. Vroeg, als er werd opengedaan, steevast: “Mosterd, madame?” Deed dit uit gewoonte ook toen er op een dag onverwachts een imposante mannelijke gestalte in de deuropening verscheen. Een en ander leverde hem de bijnaam op. Er werd ook wel beweerd dat zijn vaatje mosterd waarmee hij langs de deuren ging nooit op wilde raken. Altijd als hij het deksel eraf nam zat het weer tot de rand toe vol! Elen woonde met zijn broer Victor in “de Koningswei” en wel in de Kortestraat (zijstraat van de Piusstraat, die tot de Oranjestraat liep). Achter zijn huis had hij een mosterdmolen staan die werd aangedreven door zijn honden. 

 

Frans P.L. Elen (1891-1960)

et Mòsterdmènneke

 

Collectie E. Pierson.

 

zoon van de Mòsterdmadam die de praktijk van zijn vader voortzette en daarmee een van de laatste huis-aan-huisventers was (zie ook van der Wouw). Hij is eens uitbundig geëerd als "de Witte Raaf" begin van de jaren 1950 in het toen bekende KRO-radioprogramma "Negen heit de klok". Ook is et Mòsterdmènneke in beeld gebracht op een door de gemeente uitgegeven videoband "Terugblik Tilburg". Hierop werd gedemonstreerd hoe Elen in zijn eigen werkplaats zijn mosterd heel precies bereidde volgens het aloude, geheime recept en vervolgens met zijn vaatje langs de deuren ging (voor 25 ct kon men een leeg glas weer laten vullen) tot het leeg was. De mythe van het zelfvullende vaatje was daarmee wel de wereld uit! Frans gaf zijn handel door aan zijn neef Emile van de Wouw en die aan zijn broer Frans (zie bij Van de Wouw), zodat we de volgende dynastie van de Mòsterdmènnekes noteren:

1. Jan Elen: de Mòsterdmadam (1846-1911, x Maria Gonthier). Zij komen in 1882 van Antwerpen naar Tilburg. Hij staat in 1889 als “Mosterdmolenaar” geregistreerd en is vanaf 1922 gevestigd in de Kortestraat (Koningswei). 

2. Frans Elen (1891-1960): et Mòsterdmènneke, een zoon van Jan Elen. Frans Elen werd het meest bekende Mòsterdmènneke in het straatbeeld. 

3. Emile van de Wouw (geb. 1925), neef van Frans Elen: Miel et Mòsterdmènneke, die ging helpen in de zaak.

4. Frans van de Wouw (x Jo Brent, overl. 2005): ‘t Mosterdmanneke, die in 1966 zijn broer Emile opvolgde en de zaak voortzette tot 2011.

Na 2011 nam kaashandelaar Gert-Jan van der Heijden het geheim mosterdrecept, de productie en verkoop over van Frans van de Wouw.

 

dhr. Elings

Kòp Elings

werd zo genoemd vanwege zijn ruim bemeten hoofd. Had een delicatesse- annex fruitzaak op de Bosscheweg.

 

Jacques (Sjaak) van de Elsen

de Sik, Sik de Gunst of den (twidde) Börgemister van den Bèsterd

dreef met vrouw en schoonzuster manufacturenhandel "de Gunst" op den Bèsterd. Was oorspronkelijk elektriciën die alleen maar even langs kwam om er elektriciteit aan te leggen, maar niet kon verhinderen dat er wat vonken oversprongen: hij viel prompt op vrouw en zaak en bleef daar dus (nu: De Gunst Mode, Besterdplein 37).  Sjaak nam veel initiatieven en bemoeide zich overal mee in den Bèsterd, vandaar de laatste bijnaam. Leo Geerts (zie daar) ging hem voor in deze rol. De Gunst was aanvankelijk in bedrijfskleding gespecialiseerd. Sjaak kwam op het idee om “De Boerenkapel” in deze kleding te steken als reclame voor de zaak tijdens de Ronde van de Besterd in 1954 (zie ook hoofdstuk 4: den Bèsterd).

 

Boerenkapel in bedrijfskleding van De Gunst tijdens de reclameoptocht van de Ronde van den Bèsterd in 1954. Helemaal links staat Jacques van de Elsen (foto Tilburgse Koerier)

 

Dat Van de Elsen in die jaren (1950-‘60) veel te vertellen had in de Besterd, bleek toen hij in de etalage van snoepwinkeltje Wedo een hoeveelheid kaneelstokken en suikerstelen zag staan, met daarbij de leuze: “Stelen om te stelen”. Van de Elsen vond dit niet gepast, want het zou de kinderen op een verkeerde gedachte kunnen brengen. Hij ging naar de pastoor om te horen hoe die dit vond en deze was het met hem eens. Samen hebben ze de eigenaar van het winkeltje te verstaan gegeven dat de tekst verwijderd moest worden!

Ook is ooit zijn sik gesneuveld, nadat Van de Elsen met iemand had gewed dat de snoerloze scheerapparaten met batterijen die toen op de markt kwamen niets voorstelden en dat je er die sik van hem niet eens mee af zou kunnen krijgen. Deze weddenschap haalde zelfs de plaatselijke krant. Van de Elsen verloor de weddenschap en zijn sik!

 

Piet Embrechts

den Dikke Peer

woonde aan de Dongenseweg.

 

Nelleke Engel

et Mollepòtje

was en klèèn vraawke meej korte bintjes, waar zij de bijnaam aan te danken had. Zij woonde in de Pretoriastraat.

 

Theo Engel

Ome Theo

was afkomstig uit de wijk Theresia in Tilburg, waar hij in het eerste kwart van de twintigste eeuw geboren moet zijn en kwam al op jonge leeftijd in Berkel-Enschot wonen. Theo Engel was van beroep metselaar en deed daarnaast vrijwilligerswerk bij de voetbalclub en korfbalvereniging van Jong Brabant, en bij de buurtvereniging. Vanwege zijn trouwe inzet stond hij bekend als Ome Theo. Hij verrichtte dit werk omdat het volgens hem zo belangrijk was om de jongeren van de straat te houden. Het leverde hem diverse blijken van waardering op. Zo werd zijn naam verbonden aan een toernooi van Jong Brabant (uit: rubriek Weerzien, Brabants Dagblad 18 februari 2018, door Jeroen Ketelaars)

 

Wim Engel (1917-1979)

de Zòtten Engel

voetballer, die 256 wedstrijden speelde in het eerste van Willem II (periode 1935-1950) en daarin 141 doelpunten scoorde. Werd vooral door aanhangers van Longa en Noad zo genoemd, omdat hij enorm fanatiek was voor zijn club Willem II. Als rechtsbuiten vocht hij met name heroïsche duels uit met de befaamde linksback van Longa, Jo van den Hoven (zie daar). Hij kwam van de Paterstraat en trouwde in 1942 met Sjaantje van Hoof, die de weduwe was van zijn broer San.

 

Afscheid in 1950 van Wim Engel (midden) als speler van Willem II. Hij wordt hier toegesproken door vicevoorzitter Theo Bonants, met rechts naast hem bestuurslid H. Kuijsters en uiterst rechts geestelijk adviseur pastoor Van der Waarden van parochie Korvel (coll. RAT)

 

Hein J.M. Enneking (1895-1981, x Annie Kerstens)

IJzeren Hein

 

Hein Enneking geeft uitleg aan Prins Bernhard tijdens diens bezoek aan zijn bedrijf in 1950 (foto: coll. RAT)

 

Was een zoon van Henri A Enneking (Breda 1858-1937, x Antoinette G. Hofman) van Textielfabrieken H.F.C. Enneking (den Ènneking). Als opvolger van zijn vader leidde hij dit bedrijf met straffe hand, vandaar de bijnaam. Zijn zoon Hein A.M.Q. (1928-1979) volgde hun voetsporen, totdat in 1974 ook hier het doek viel. Deze bedrijfsluiting heeft destijds veel stof doen opwaaien, gezien de degelijke reputatie van Enneking. Dit heeft misschien iets te maken gehad met hun afkomst, want oorspronkelijk was de familie Enneking afkomstig uit Duitsland. De naam Hein kwam in vroegere generaties dan ook wel voor als Heinrich. Vader Henri A. was ook bekend vanwege zijn inzet voor het textielvakonderwijs in Tilburg. Hij was  bestuurslid van de Ambachts- en Industrieschool, van 1905 (toen deze school een afdeling Textiel kreeg) tot 1933, en ook voorzitter van de Vereniging Textielschool Tilburg van 1911-1937.

Een verhaal luidde dat den IJzeren Hein Enneking als hij in de fabriek kwam altijd een hoedje droeg en dat, als hij dit aachter op zene kòp had staan, dit een teken was van een slecht humeur. Dan zwaaide er al gauw wat voor de arbeider die iets deed wat hem niet zinde. Dan gaf hij die bijvoorbeeld een boete van vijf centen! Het schijnt dat er in de fabriek van Enneking een bepaalde tijd een "gouwen wèèk" heeft bestaan. Dit was een afdeling waar de wevers beter werden betaald dan hun collega's. De reden hiervoor was dat zij eens een extra prestatie hadden geleverd in het belang van de firma. Enneking woonde aan de Bredaseweg in een landhuis op nr. 389, ontworpen door architect Jan Rebel.

 

Maria Jacoba Eras-Brouwers (1802-1891)

Wèfke Irras

was gehuwd (1825) met Hermanus Eras (1797-1869). Deze Herman Eras was de grondlegger van wollenstoffenfabriek H. Eras & Zonen (1854) in de Goirkestraat. Zij woonden in de Van Hogendorpstraat (nr. 13). De fabriek in het blok tussen Goirkestraat, Wittebollenstraat en Kapelstraat werd in korte tijd vele malen uitgebreid en heeft tot de grootste wollenstoffenfabrieken van Tilburg behoord. In 1958 staakte ze haar activiteiten nadat een deel van de gebouwen een jaar eerder al was overgenomen door de aangrenzende fabriek van W. Schoenmakers & Zn, die door een brand in de Van Hogendorpstraat ruimtegebrek had gekregen.

 

Het graf van Eras-Brouwers uit 1869 in het Eras-laantje (zie hoofdstuk 4: Irraslòntje) op het kerkhof van ‘t Goirke (foto: Karel de Beer)

 

De fabriek van H. Eras & Zonen domineert (links) het noordelijk deel van de Goirkestraat. Daar zien we de Goirkestraat naar rechts afbuigen naar et Gèètepark (zie hoofdstuk 4). Boven de fabriek van Eras is van links naar rechts het (pas) gegraven Wilhelminakanaal te zien met aan de overkant “Teurlings Molentje” (zie bij Adrianus A. Teurlings). Rechts daarvan het Lijnsheike. De Ringbaan-Noord is nog niet aangelegd (foto: coll. RAT)

 

Maria Johanna Philomena Josephina Eras-Janssen (1878-1951, x 1904 Henricus Hermanus Gabriël Cornelis Eras 1875-1959)

Marie Sonnèt, de Dèùf of de Tilburgse Florence Nightingale

 

Maria J.P.J. Eras-Janssen, foto van bidprentje uit 1951 (coll. RAT)

 

kreeg de eerste bijnaam toen ze op kostschool was in België, vanwege haar luide stem. Deze bijnaam kwam van het Franse sonnette wat bel, schel betekent. De tweede, latere bijnaam dankte zij aan haar dichte grijs-witte haardos. Haar man Henricus Hermanus (Harrie) was een kleinzoon van de hiervoor genoemde Herman Eras. Het gezin Eras-Janssen woonde in de Goirkestraat schuin tegenover de kerk en had drie kinderen: de oudste was Joseph (“Ep”) Henri August Maria (1905-1957), in 1940 gehuwd met Bertha (Bep) Antoinetta Maria Elisabeth Kreuger, 1911-1982. Zij waren de ouders van George Eras uit Rotterdam die informatie leverde voor dit boek. Dan kwam Constance (Conny) A.Ph.J. (1907-’90) die trouwde met Jan "Piep" de Beer (zie daar) en de jongste was Jan den Bòlle (zie hierna). Marie Sonnèt was maatschappelijk actief ondermeer als voorzitter van het Wit-Gele Kruis en in het bestuur van het Maria Goretti-huis (zie hoofdstuk 4 bij de Verlaote Kènder) en werd om dit soort activiteiten ook de Tilburgse Florence Nightingale genoemd, naar de bekende Engelse (1820-1910) die een pionierster was op het gebied van verpleging en verzorging.  

Het kwam in onze familiegeschiedenis vaker voor dat een mannelijke De Beer een vrouwelijke Eras ten huwelijk vroeg (maar niet andersom!) Zo is ook mijn oma een Eras. Rond het Goirke kenden de kinderrijke fabrikantenfamilies elkaar goed en dit bood de gelegenheid. Mijn broer Joop heeft eens vijf van die “gevallen De Beer-Eras” getraceerd onder de 19e en 20e eeuwse nakomelingen van Jacobus Eras (1736-1803) en Catharina van der Sanden (1736-1776). De vrouwelijke Irrasse (Tilburgse uitspraak) waren van rijke familie maar ook vroom en maatschappelijk actief. "Hun geld werd intussen opgemaakt door de mannen,” werd eens spottend opgemerkt toen het slechter ging in de textielindustrie. Wat er ook van waar mag zijn, zaken doen in de familie kwam overal in Tilburg voor en kan in slechte tijden al gauw riskant blijken. Al rond 1900 moet het zijn geweest, toen een meisje Eras dat een sérieuze omgang had met een De Beer op een avond aan zijn familie werd voorgesteld. Op het moment dat zij werd binnengelaten in de kamer waar haar toekomstige schoonouders waren, werd daar juist het rozenhoedje gebeden. Dit was aangekomen bij de "bijzondere intenties". Zij hoorde tot haar ontzetting voorbidden: "…en nu een weesgegroetje voor Harrie Eras, dattie mar flink maag braande in de hèl..!" Het huwelijk is toch doorgegaan!

In 1933 stapte Harrie Eras uit het familiebedrijf en richtte de wollenstoffenfabriek H. Eras-Janssen op. Hij liet aan de Ringbaan Noord een fraaie nieuwe fabriek bouwen naar een ontwerp van architect A.G. Beltman uit Enschede, die in 1935 in gebruik werd genomen. De eerste steen voor dit gebouw werd gelegd door zijn kleinzoon Henk (zoon van Jan den Bòlle). Van Koos Eras, een neef van Harrie die ook de overstap maakte naar Eras-Janssen, is bekend dat hij veel heeft gedaan voor de sportbeoefening in bedrijfsverband bij Eras (zie in hoofdstuk 2: SET). In 1957 werd de fabriek Eras-Janssen overgenomen door E. Elias Lakenfabrieken. Nadat ook die (E. Elias-Eras) was gestopt, werd op deze plaats (naast de bekende bakkerij van Smarius) een nieuw gebouw neergezet door energiebedrijf PNEM. 

 

 

Het gezin van Henri (Harrie) en Maria Eras-Janssen met hun kinderen, v.l.n.r. Jan, Ep en Conny (foto: coll. RAT)

 

Gabriël L.J. Eras (1876-1931)

Ôome Gabbus

van textielfabriek H. Eras & Zn. Bleef ongehuwd en woonde met zijn vader Henri in de Goirkestraat tegenover de kerk van et Gurke. Was een broer van Harrie Eras. Hij maakte als bestuurslid van de R.K. Leesbibliotheek St. Dionysius in 1912 door een lening van ƒ 2.000.- een snelle oprichting en opening (in 1913) mogelijk van een R.K. Leeszaal. Tien jaar later nam hij met Hein (Henri) Mannaerts het initiatief om deze instelling een eigen huisvesting te geven op het adres Willem II-straat 23, door dit pand voorlopig op eigen naam aan te kopen (zie ook bij Gerard Verbiest).

 

Gabriël Eras maakte de verhuizing van de R.K. Openbare Bibliotheek en Leeszaal naar Willem II straat 23 mogelijk (foto 1957)

 

Jan Eras (1908-1987, x Rietje Swagemakers)

den Bòlle

zoon van Henri en Marie Sonnèt Eras-Janssen (zie boven). Rietje Swagemakers hoorde tot een meidengroep die door het leven ging als “de Drie Musketiers” (zie hoofdstuk 2).

Jan Eras was eigenlijk alleen geïnteresseerd in auto’s maar moest gaan werken in een textielfabriek, te weten het familiebedrijf van zijn ouders, H. Eras-Janssen. Hij ging op een gegeven moment toch naar Zuid Afrika, maar dat avontuur werd niet zo’n succes. Eenmaal terug begon hij een wijnhandel die tot 1968 heeft bestaan.

 

mgr. dr. Bernardus (Bernard) Josephus Eras (1876 – Arnhem 1952)

Paus Eras

 

Bernardus “Paus” Eras op het voorblad van de Katholieke Illustratie van 21 dec. 1912 (foto: Kath. Ill.; coll. RAT)


studeerde en woonde in Rome en was daar vanaf 1931 rector van het Nederlands Priestercollege dat in dat jaar werd gesticht door de Nederlandse bisschoppen. In deze functie was Bernard Eras ook permanent vertegenwoordiger van het Nederlands episcopaat bij de paus en had daarmee een invloedrijke positie. Overleden te Arnhem. “Paus” was een kleinzoon van Herman Eras (1797-1869, zie bij Wèfke Irras) en zoon van Jan Baptist Eras (1831-1906, x 1865 Anna Maria Catharina Mercx, 1839-1897). Toen Bernard Eras na zijn priesterwijding in Rome verder ging studeren, was zijn oom Henri Eras (1836-1913, zoon van Herman en vader van Harrie, gehuwd in 1873 met Anna Philomena van Dijk 1844-1884) kennelijk ongerust dat hij daar naast alle onstoffelijke niet genoeg stoffelijke kost zou krijgen. Daarom stuurde Henri hem enige kilo's bijvoeding, maar dat dit niet zonder meer de Eeuwige Stad binnen mocht blijkt uit een schriftelijk verzoek op briefpapier van H. Eras & Zonen van 26 februari 1903 aan de burgemeester van Tilburg: "Door ons werd op 16 Februari verzonden naar Rome een stuk gerookt rundsvleesch, dat echter niet in Italië mag worden ingevoerd alvoorens te hebben overgelegd een gezondheidsbewijs, dat volgens onze bescheiden meening bij UEdelAchtbare zou te verkrijgen zijn. Beleefd verzoeken wij UEdelAchtbare, indien het mogelijk is, het door ons aangevraagde bewijs aan toonder te willen meegeven." Kennelijk had Henri Eras iemand van de fabriek met dit briefje naar het stadhuis gestuurd (uit: "Familie De Beer - Eras", Joop de Beer 1982).

 

Erassen in Rome, 1910. Staand tweede van rechts Bernard Eras, zittend zijn oom Henri.

 

Bernard Eras is 76 jaar geworden en moet aanzien hebben gehad in de kerkelijke hiërarchie: als prelaat in Rome kwam hij minstens eenmaal per jaar naar Tilburg per luxe auto, gereden door chauffeur Pietro. De naam Eras is overigens ook een Latijns woord en betekent "jij was". Dit ontlokte de toenmalige (echte) paus de opmerking aan het adres van mgr. Bernard Eras: "Jouw naam zegt me dat je er was, maar je bent er nog."

Kort na de oorlog 1940-‘45 kwam de kleinzoon van zijn schoonbroer Lambert de Beer (x Theresia C.H.M. Eras, 1870-1957), die ook Lambert (Berry) heette (1921 – Wassenaar 2018, zie bij Marie-Louise “Muis” de Beer) als militair eens in Rome op doorreis naar Indonesië. Zijn vader heette Norbertus. Het is in die tak van de familie De Beer een tijdlang de gewoonte geweest om de eerste zoon van een nieuwe generatie om en om te laten dopen als Lambertus resp. Norbertus, maar hem altijd de roepnaam Berry te geven. Aangekomen in Rome had bedoelde Berry tijd genoeg om zijn opwachting te maken bij zijn oud-heeroom Bernard Eras in het Nederlands College, wat niet ongebruikelijk was voor katholieke Tilburgers die Rome aandeden. Hij besloot zich eerst via de telefoon aan te melden. Enkele tellen later pakte Eras de hoorn over en schalde het door hartje Rome: "Zèddegèt Bèrrie?" ("Ben jij het, Berry?") Waarop de verblufte Berry jr., die als inlichtingenofficier bij de marine toch wel wat gewend was, uitlegde dat hij de zoon was van degene die monseigneur veronderstelde aan de lijn te krijgen. Diezelfde avond werd Berry jr. in het Nederlands Priestercollege onthaald op een vorstelijk diner.

 

mgr. Hubertus (Hubert) Johannes Augustinus Eras (1900-1971)

den Heilige Stoelganger

was bouwpastoor te Vught en ere-kapelaan van de paus, waardoor hij zich mgr. mocht noemen. Hij moest nogal eens in Rome zijn, vandaar de bijnaam, en was een broer van Jos de Mister Eras.

 

mr. dr. Josephus (Jos) Franciscus Maria Eras (1903-1958, x Arnoldine Bonhomme, overl. 1995)

de Mister

hij woonde in de Burg. Damsstraat (nr. 52) en was rechter in Den Bosch en tevens magistraat in de militaire rechtspraak. Bij zijn overlijden was hij vice-president van het gerechtshof in Den Bosch. De Mister placht met de trein naar zijn werk te gaan, maar verongelukte in 1958 tijdens een van de weinige autoritten die hij maakte, in dit geval naar de begrafenis van zijn zwager. Hij is in de oorlog 1940-’45 geïnterneerd geweest in St. Michielsgestel. Zijn weduwe is op hogere leeftijd teruggegaan naar Maastricht waar zij oorspronkelijk vandaan kwam en is daar in 1995 overleden. Jos Eras was een broer van mgr. Hubert den Heilige Stoelganger Eras.

  

Hans Eras (1927-1965, x Ria Happel)

Bultje Irras

zoon van Gerrit, de oudste zoon van Daniël. Woonde in de Goirkestraat en had een kleermaker die als enige in staat was om voor hem kleren op maat te maken. Die stierf in 1999.

 

Goirkestraat (met een  van de karakteristieke wagentjes van bakkerij Smarius. (foto: coll. RAT)

 

gebrs. Jan (“Ruuk”, 1916-2001) en Mathieu (geb. 1921) Eras

de Koffiemènnekes of Koffiebontjes

deze twee zonen van de familie Eras-Teubner werden zo genoemd vanwege hun enigszins donkere huidskleur. Terwijl Jan in de textiel ging werken, verdiende Mathieu (Thieu) de kost in het autovak, waar hij al vroeg een passie voor had. Hun vader (Daniël Eras, 1873-1926) is verschillende malen getrouwd geweest en had uit ieder huwelijk wel een of meerdere kinderen. De oudste was dochter Mary die trouwde met Jan "de notaris" Swagemakers (zie daar).

 

Johannes (Jan) Daniël Maria Eras (1916-2001, x Petronella Alfonsina Maria Jacoba Scheepers

Jan Ruuk

één van de Koffiemènnekes of -bontjes (zie hiervoor). Zag er met zijn wat donkere huidskleur altijd goed verzorgd, sjiek uit. Zijn haarlotion was op afstand te ruiken.  Het verhaal ging dat, als Jan Ruuk zijn dagelijkse rondgang door de fabriek maakte (de Wollenstoffenfabriek H. Eras & Zn in de Goirkestraat) de reuk van zijn lotion het signaal was voor de mensen om goed door te werken. Ook als hij al voorbij was bleef deze geur een tijdje de gewone fabrieksluchtjes overheersen, zei men. Vandaar zijn bijnaam (ruuk van ruuke = ruiken). Over deze fabriek van H. Eras & Zn. ging ook de volgende anekdote. Op zekere dag, terwijl een directielid in zijn kantoor zat te werken, kwam er een man binnen om een lamp te repareren. Hij (het directielid) dacht: "Die man komt zeker van een elektricien uit de buurt," en vroeg hem, opkijkend uit zijn papieren, belangstellend: "Waor wèrktegij?" Waarop de man antwoordde: "Al mir dan vèèventwinteg jaor bij u, meneer!"

 

Jos (Josepha) van Erp

de Lat

een lange magere, ongehuwde vrouw die in de jaren 1950-'60 assistente was bij apotheek Van Nunen (nu Zorgvlied) aan de Ringbaan-West. Iedere dag op stipt dezelfde momenten fietste ze langs deze ringbaan van en naar haar werk. Zij had een hoge oude damesfiets waar zij kaarsrecht op zat, alsof zij een lat had ingeslikt. Dit accentueerde haar lange en magere gestalte nog. Vandaar haar bijnaam. 

 

Toon van Erp

Toon Pap

was melkboer bij CTM (Coöperatieve Tilburgsche Melkinrichting en Zuivelfabriek, zie ook bij Kees Pap Jan C. Denissen). Dit bedrijf is in 1914 van start gegaan aan het Wilhelminapark in een gebouw van architect Jos. Donders met monumentale voorbouw in art-décostijl. Lange tijd kwam de melkboer iedere dag langs de deur met verse producten en nam dan de lege flessen van de vorige dag mee terug.

 

Jantje van Es

Jantje Liechtaus

NSB'er, die erop toezag dat de verduisteringsvoorschriften van de bezetter goed werden nageleefd. Hij woonde aan de Oisterwijksebaan.

 

Corry Eskens

Kabinètje op Hôoge Pôote

omdat zij heel klein van stuk was en op zeer hoge hakken liep om groter te lijken.

 

dhr. Esser

de Staale Jezus (2)

omdat hij heel statig rechtop liep. Stond bekend op et Gurke om zijn overdreven katholieke geloofsopvattingen. Als hij het niet eens was met een preek liet hij het weten ook. Wanneer hij een meisje zag lopen dat niet decent genoeg was gekleed, bijvoorbeeld iets van haar benen liet zien, dan sprak hij haar daar op aan.  

 

Karel Evers

Kareltje Dap

Hoogvensestraat: schilder en drogist, die ook zelf alcohol destilleerde. Voor zichzelf kocht hij drank bij een ander, omdat hij zijn eigen brouwsels niet goed genoeg vond. Bij hem kon je ook terecht als je verkouden was. Daar had hij altijd wel een middeltje tegen.

 

gezusters Evers

de Gezêevers

een woordspeling op hun werkelijke naam. Zij waren twee zussen van Karel Evers, die een snoepwinkeltje annex bakkerijtje hadden op de Heuvel (nu Korte Heuvel) tegenover café Voskens (Vòskes, zie hoofdstuk 4). Zij stonden erom bekend dat zij erg beleefd waren tegenover hun klanten. Zo zeiden ze: “Dag jongeheer,” tegen een nog jong mènneke. Ook waren zij heel vroom. De samentrekking gezêevers werd vervolgens vaker gebruikt voor samenwonende ongehuwde zussen!

 

Fien van Eyck

de Fien

trouwde met en scheidde weer van Van Beurden, waar zij en twilling aan overhield ("de Fientjes"). Zij woonden aan de Bredaseweg, op nr. 414 (“’t Buitentje”). De Fien heeft een antiekwinkel gehad, eerst in de Heuvelstraat en daarna korte tijd in het pand Monumentstraat nr. 6-8, waar tot 1978 de firma Bressers gevestigd was geweest. In 1980 kwam daar het restaurant de Gouden Zwaan, daarna stadscafé Meesters.

 

 

1.F

 

John Feskens (geb. Nijmegen, 1965)

de Rôoje Fès, den Blaawe of den Beitel

 

 

men noemde hem een “hoekige” voetballer, deze alom aanwezige spelmaker met veel overzicht en een uitstekende traptechniek. Geboren in Nijmegen en al jong verhuisd naar Tilburg (Broekhoove). De vader van het gezin met drie kinderen kwam al vroeg te overlijden. Als voetballer kwam John van 1982 tot 1997 uit voor Willem II, in liefst 432 officiële competitiewedstrijden (een clubrecord) waarin hij 48 keer scoorde, voordat hij overstapte naar uitgerekend concurrent NAC Breda (50 wedstrijden, een goal) en vervolgens Excelsior Rotterdam (1999-2002, 81 wedstrijden met vijf goals). Den Beitel is altijd wijk Broekhoove trouw gebleven (Arendlaan). Zijn eerste twee bijnamen hebben met zijn rossige haar te maken en de derde is bedacht door verzorger Henri van Amelsfort van Willem II vanwege de vorm van zijn kin (die hem een hoekig gezicht gaf).

 

dokter F.J. Franken

Boerke Franke

had vanaf de jaren 1950 zijn praktijk aan het St. Annaplein. Heeft lang gewoond aan de Bredaseweg ter hoogte van de Vierwindenlaan.

 

dhr. Franken

Bultje Franke

klèèn mènneke met een bult op de rug, dat aan het begin van de Goirkestraat woonde.

 

Anna Franken (1876-1951)

Kiep Franke

omdat zij aan één stuk door kakelde. Zij werd ook wel “Kip Franken met haar òpzètjes” genoemd vanwege de inmaakpotten met vruchten op brandewijn die zij zelf maakte. Zij was ongehuwd en woonde samen met haar vrijgezelle broer Nop (Norbertus Franken) in een groot huis in de Goirkestraat vlakbij de fabriek van de Gebroeders Franken, die naast die van George Dröge stond (zie Criesje Mommers, hoofdstuk 4).

 

dhr. Franken

den Ameriekaon of den Dòllarkôoning

omdat hij op een gegeven moment naar Amerika ging. Was een van de "textiel-“ gebroeders Franken. Hij dacht het te gaan maken in het vooroorlogse Amerika wat echter op een deceptie uitliep. Van èèremoej kwam hij weer terug.

 

mej. Franken

Groeten uit de Missie

geen verklaring voor deze aanduiding beschikbaar, was een dochter van de familie Franken-Keyzer.

 

mevr. C.P. Franken

Weuw Franke

uitbaatster van café Wed. C.P. Franken, op het punt waar de Ringbaan West toen nog doodliep op den Bèrndèèk (nr. 118). Op de foto staat rechts al het pand van apotheek Van Nunen, aan de nieuwe rooilijn. Men sprak van café Weuw Franke, ook al had het officieel de wat saaiere naam “Ringbaan West”, vermeld boven in het raam rechts. In de vijftiger jaren werd de Ringbaan West doorgetrokken tot de Ringbaan Zuid en toen die ook nog dubbelbaans moest worden stond het café echt hinderlijk in de weg. In 1959 werd het uiteindelijk gesloopt.

 

Boven: de situatie in 1954 met een smalle Ringbaan West en café Franken in het midden nog fier overeind. Onder: close-up van de voorzijde met de nodige naamsvermeldingen (foto’s coll. Regionaal Archief Tilburg)

 

Naar verluidt kon het daar aan den Bèrndèèk in vroeger tijden behoorlijk ruig aan toe gaan. Dat speelde al voordat het café in handen kwam van Kees Franken, toen Jaon de Kanter er nog de scepter zwaaide. Zo hadden boeren die vanaf de zuidkant (Goirle, Riel en Alphen) naar Tilburg kwamen in die dagen (begin twintigste eeuw) nogal last van een driemanschap dat een ware terreur uitoefende (als het trio tenminste niet in de gevangenis vertoefde). Echte namen zijn er niet bekend, maar er circuleerden daar in de buurt wel enkele bijnamen: et Knèntje (’t Konijntje), den Drik, de Slaof en de Paus (omdat hij weleens dronken op straat stond te brullen dat hij de paus was).

In het Nieuwsblad van het Zuiden van 8 december 1971 heeft hierover het volgende verhaal van Pierre van Beek gestaan:

Op zekere dag keerde een flinke boerenzoon uit Riel van de Tilburgse Meimarkt huiswaarts en legde nog even aan in het café op den Bèrndèèk. "Drik", één lid van het driemanschap, stond aan de toog en vroeg aan de jonge Rielenaar: "Trakteerdegij nie?" Aangezien "Riel" geen aanstalten maakte op die uitnodiging in te gaan, voegde de vrager eraan toe: "Ik ben Drik, dieje kaoje." De Rielenaar greep een stoel en sloeg die, onder de woorden: "O dè wies ik nie", vierkant om de oren van zijn slachtoffer, zodat Drik stond te kijken als een dief achter de tralies. Drik drong niet verder aan op een traktatie. Het driemanschap, dat steeds probeerde zonder werken aan de kost te komen, zou in de gevangenis gestorven zijn.

 

René Freiters

den Bèls (1)                

werkte in de jaren 1950 als koster in de kerk van pastoor De Klijn (zie daar) aan de Ringbaan-West. Hij was jong alleen komen te staan en werd opgevangen door de pastoor bij wie hij ook een tijd in de pastorie woonde. Zo rolde hij in zijn functie als koster.

In de Thomas van Kempenstraat, achter de kerk, stond een patronaatsgebouw met cinema (tot ca. 1955 bekend als het Westend-theater, daarna van 1956 tot 1968 als bioscoop Rex). Wellicht heeft dit René Freiters op het idee gebracht om verder te gaan in het theaterleven. Daarin heeft hij een goed bestaan opgebouwd als impresario en manager in het populaire muziekgenre. Zo bracht hij zangeres Corry Konings naar de nationale podia. Het ging Freiters zo voor de wind dat hij op zeker moment de vrijgekomen villa van de fabrikant Charles van Spaendonck (x Pia Dreesmann) kon kopen. Deze modern ogende villa tegenover Mariëngaarde aan het pleintje in de Burgemeester Damsstraat (nr. 50), nu bekend onder de naam "Doucement", was in 1933 gebouwd (architect W.A. Maas) in opdracht van prof. dr. J. (Jan) E. de Quay, die nog minister-president zou worden. Freiters liet later nog een huis bouwen aan de Gilzerbaan tegenover de Frankenlaan. Na hem ging Corry Konings daar wonen. De reden waarom hij den Bèls werd genoemd is niet duidelijk. Waarschijnlijk kwam hij als weeskind oorspronkelijk daar vandaan.  

 

mevr. E. von der Fuhr

Miet meej de Mòppe

omdat ze vaak een hoed vol met nopjes droeg.

 

 

1.G

 

Piet Galema (geb. 1926 x Thea van Arendonk)

Monsieur Six Millions

hij ging in de Belgische Congo werken tot de omwenteling het daar te gevaarlijk maakte. Vervolgens, in dienst van het Franse bedrijf Proclaim (machines voor grondbewerking), wist Piet Galema in het Midden-Oosten een order van 6 mln. Franse francs af te sluiten, wat voor die tijd (jaren 1960-‘70) een zeer hoog bedrag was. Dit leverde hem de eretitel Monsieur Six Millions op.

 

Jan Galema was van 1914 tot ’46 directeur van de CTM aan het Wilhelminapark (foto: coll. fam. Galema)

 

De Galema’s kwamen oorspronkelijk uit een Fries katholiek geslacht van melkproducenten. Enkele zonen van de in 1891 vroeg overleden Ysbrand Galema hadden geen toekomst meer in de Friese familieboerderij die toen werd verkocht en besloten om met hun Friese kennis en ervaring emplooi te zoeken in de opkomende zuivelindustrie van Noord-Brabant. Een van hen was de vader van Piet Galema, Jan (Bolsward 1876 – 1953, x 1911 Jeanette Hesselmans, Kaatsheuvel 1886 – 1968). Jan Galema werd in 1899 de eerste directeur van een nieuwe coöperatieve melkfabriek in Dongen. In 1914 solliciteerde hij naar de functie van directeur bij de Tilburgse CTM, die aan het Wilhelminapark een nieuwe fabriek liet bouwen, maar de keuze viel op zijn verre neef Titus Terwisscha van Scheltinga. Deze overleed echter plotseling, nog voordat de fabriek in bedrijf was. Jan was nog beschikbaar en werd in 1914 alsnog directeur van de melkfabriek CTM, wat hij tot 1946 bleef. Hij woonde met zijn gezin aan de Bredaseweg. De nieuwe CTM-fabriek kreeg een bijzondere facade aan het Wilhelminapark in art-decostijl, een ontwerp van Jos Donders dat nu de status heeft van rijksmonument. In 1976 werd CTM verkocht aan Campina, die de faciliteit aan het Wilhelminapark al gauw minder ging gebruiken. In 1981 stopte de melkproductie geheel en werd het gebouw verkocht aan de gemeente. Na een kommervolle tijd met bewoning door studenten en junks is daar, na grondige renovatie (vanaf 1994) en een kortstondig bestaan als horecazaak, nu al een aantal jaren galerie Via Venezia gevestigd (glaskunst). 

 

Tilburgse Herinneringen op Facebook

 

 

Jean-Paul van Gastel

JP of Jeep

voetballer die bij Willem II doorbrak naar de nationale top, in 1997 naar Feijenoord Rotterdam ging en vervolgens ook het Nederlands Elftal bereikte.

 

Leo Geerts

den (irste) Börgemister van Den Bèsterd

van 1919-1922 was hij de eerste voorzitter van wijkvereniging Besterd's Belang, die zich vanaf rond 1935 steeds meer profileerde als winkeliersvereniging.

 

José van Gestel

de Mama van het Wilhelminapark

In het Brabants Dagblad van 11 juli 2018 werd deze markante, dan 62-jarige vrouw op een voetstuk gehesen, omdat zij zich met hart en ziel belangeloos inzette voor anderen. Die anderen zijn mensen die aan de rand van de maatschappij leven: zwervers die ergens aan verslaafd, of alleen maar arm en dakloos waren. Zij zag die in het Wilhelminapark (zie hoofdstuk 4, Het Park), waar zij dan sinds een jaar of tien met haar man Theo een appartement bewoont. Zij sprak die arme sloebers aan en stopte ze voedsel, drinken, of een warme jas toe. Toen het sociaal eethuis De Pollepel na een korte onderbreking weer aan “Het Park” neerstreek (zie bij Gerrit “Pater” Poels) werd zij daar vrijwilligster en kwam in een team te werken met Hulya, de pleegdochter van Poels (bron: Stephan Jongerius, Brabants Dagblad 11 juli 2018).

 

Coll. Brabants Dagblad

 

Walter van Gestel

Walter de Klopper

van de vishandel Van Gestel-Takkenberg aan et Hèrringsènd (zie ook hoofdstuk 4), Korvelseweg 108. De bijnaam verwijst naar de bereidingswijze (het kloppen) van stokvis.

 

Dominicus Wilhelmus Maria van Gijsel (1927-2003)

Don van Gijsel

speelde meer dan honderd rollen bij verschillende Midden-Brabantse (amateur-) toneelverenigingen. Trad ook prominent op in verscheidene afleveringen van de Tilburgse Revue, te beginnen als de Toneelmeester in de eerste aflevering "Kannen en Kruiken" (1986). In "Hemel & aarde" (1989) speelde hij zelfs de "Zaolege Pirke Donders". Verder regisseerde Van Gijsel ook, en was hij van 1962-'66 de echte Stadssinterklaas (als een van de opvolgers van de legendarische Frie van Moorsel, zie daar). Don was gehuwd met Corry Brocken, die ook vaak als tegenspeelster met hem op de planken stond. In oktober 1998 vierde Don van Gijsel zijn gouden theaterjubileum, waarbij hij een onderscheiding kreeg van de stad Tilburg. 

 

Don van Gijsel als Peerke Donders in de Tilburgse Revue 'Hemel en aarde' (1989). BronL Ed Schilders, 25 Jaar Tilburgse Revue, 2011.

 

De Tilburgse Revue is een grootschalige amateurproductie die sinds 1986 eens in de twee of drie jaar op de planken staat in de grote zaal van Theaters Tilburg. Er worden per productie tien tot vijftien voorstellingen gegeven en die zijn meestal uitverkocht. Begin 2018 staat de dertiende Tilburgse Revue op het podium van Theaters Tilburg onder het motto: Tóp013. Sinds 2015 is er ook een jaarlijkse Kinderrevue in samenwerking met de basisscholen en buitenschoolse opvang in Tilburg. De Tilburgse Revue is er door en voor Tilburgers en wil het publiek telkens een wat andere spiegel voorhouden van de stad (bron: “25 Jaar Tilburgse Revue 1986-2011”, jubileumboek door Ed Schilders voor de Stichting Tilburgse Revue). 

 

Antonius van Gils (1758-1834)

Primus van Gils

was theoloog en auteur, hij werd primus van de Universiteit van Leuven op 10 augustus 1779 en vanwege dit feit op de 31e van die maand ingehaald in Tilburg met zes erebogen en drie schuttersgilden. Natuurlijk was “Primus”geen echte bijnaam, maar sindsdien was hij bij iedereen in Tilburg niet anders bekend.

 

Mgr. Diepen met zijn gevolg op weg door de Nieuwlandstraat naar de plek aan de overkant van de straat (nu nr. 49, niet op deze foto) waar Primus van Gils in 1758 geboren zou zijn, om er een gedenksteen te onthullen. Het huis werd op dat moment (1934) bewoond door handelsagent Theo Schots. Voorop v.l.n.r. mgr. Diepen, mgr. Van Gils en burgemeester Vonk de Both (foto coll. RAT)

 

Dit is de gedenksteen uit 1890 die in 1929 werd herontdekt en vijf jaar later officieel heronthuld (foto coll. RAT)

 

Jan van Gils (1928-2001, x Nelly Santegoets, ca. 1930-2013)

Jan Fust

was van Golse origine. Hij zal wel van een pilsje gehouden hebben?

 

Gertruda Goijarts

Trui de Beer

was heel lang hulp in de winkel van Jan Baptist de Beer en zijn vrouw Antonia van de Put tegenover de Heikese kerk, zodat iedereen na verloop van tijd haar "Trui de Beer" noemde. Deze familie De Beer had vijf zoons, waarvan de één na jongste de eerste superior-generaal van de fraters was (zie Johannes Antonius "Superior" de Beer). Misschien heeft "Trui de Beer" nog samengewerkt met Jan de Cocq (1840-1909, ook wel bekend als Dirk de Cocq) die van 1855 tot 1905 bij De Beer heeft gewerkt als arbeider, magazijnmedewerker en reiziger. Dus in totaal 50 jaar, zij het met onderbreking van 1866 tot '68 toen hij als zoeaaf diende voor de paus.

 

Josephine Goijarts-Janssens (1873-1949)

Jolige Fien

uit de familietak Janssens de Horion (zie ook bij Franciscus Segaar Janssens). Zij was gehuwd met Wijnand Goijaerts, die een textielfabriek in de Heuvelstraat had. Het was een muzikale familie die veel samen musiceerde. Een van hun kinderen was Max Goijaerts (1907-1974, x Eveline Lam) die het liefst jazz speelde nadat hij deze muziek had leren kennen via een heeroom in New Orleans. Max wordt gezien als een van de belangrijkste jazzpioniers in den lande. Reeds vóór 1930 speelde hij met Emile Verbunt (de vader van Guus, zie daar), Eppo Doeve, Dries Eschauzier en anderen (zie bij De Russische Madam A. Bersin).  

 

Kinderen van Eduard F.A. Janssens (zie onder Frans “Segaar” Janssens) op een foto uit 1930. Helemaal rechts staat Josephine M.R. Goijarts-Janssens. Linksvoor zit mgr. Alphonsus (Alphons) Maria Josephus Janssens (1865-1951) die in 1891 in de voetsporen van zijn heeroom Francois Janssens als priester naar de V.S. ging. Hij werd enkele jaren later pastoor in New Orleans, waar zijn oom sinds 1888 aartsbisschop was. Hij bleef daar 42 jaar lang pastoor, tot hij in 1939 vanwege zijn gezondheid terugkeerde naar Tilburg. Als hij voor familiebezoek overkwam nam hij wasrollen en later grammofoonplaten mee met vroege opnames van jazzmuziek die ook terechtkwamen in de zeer muzikale familie van zijn zuster, Josephine Goijarts-Janssens. Verder op de foto, staand v.l.n.r.: Maria A.C.F. Swagemakers-Janssens (1883-1961, zie daar), Adeline M.C.A. Janssens (1880-1974), Anna H.W.M. Houben-Janssens (1871-1950, zie daar) en Louise J.M. Verbunt-Janssens (1881-1971, x Bernard J.M. Verbunt, zie onder Eduard Verbunt). Foto Grijpink, Nijmegen, coll. RAT.    

 

Zoon Max Goijarts (1907-’75, jazzpionier) spelend op zijn bassaxofoon (zie ook de tekst bij A. Bersin, de Russische Madam. Foto uit: “Jazz in Tilburg, Honderd jaar avontuurlijke muziek,” door Rinus van der Heijden e.a. Tilburg 2010)

 

Bas L.M.H. Goijarts (geb. 1937, x Margriet Peijnenborg)

den Beul van Gôol

omdat men vond dat deze inwoner van Goirle hard reed. Zoon van Max en Eveline Goijarts-Lam (zie bij Josephine Goijaerts-Janssens).

 

Ernest "Bobby" A.J.I. Goijarts (1912-1998, x Van Dithuijzen)

Bogo

samentrekking van Bobby Goijaerts. Woonde in de Prof. Dondersstraat. Hij was een neef van Max (zie bij Josephine Goijaerts-Janssens).

 

dhr. Van Gorp

Bòlle van Gorp

had een stevig postuur en was bekend van een taxibedrijf aan de Bosscheweg tegenover garage Ed Lepelaers (de Leepel).

 

Johannes Cornelis Graafmans (geb. 1878)

Jan Tabak

dreef een winkel in Gelderse vleeswaren aan de Berkdijksezijstraat. Deze niet meer bestaande straat kwam destijds uit op den Bèrndèèk (zie hoofdstuk 4), ter hoogte van de huidige uitbouw van apotheek Zorgvlied. “Jan Tabak” ging ook naar zijn klanten toe met zijn negotie in een hondenkar. Hij was een grote, gezette man die over zijn vrouw sprak als mèn sakremènt.

 

Arius (of Ario) Granucci

den Ario van La Toscana

 

 

Over de voornaam van deze ijsverkoper die op deze foto uit 1935 panne schijnt te hebben midden op de Heuvel zijn de bronnen het niet eens: Arius of Ario. In ieder geval is hij een familielid van Luigi Granucci die in 1928 in Tilburg verzeild raakte en aanvankelijk als bijverdienste in de zomermaanden Italiaans ijs ging verkopen. Dat sloeg zo goed aan dat hij in 1932 aan de Veldhovenstraat de ijssalon La Toscana begon en familie uit Italië liet overkomen om hem te helpen. Deze zaak bestaat nog steeds als cafetaria aan de Veldhovenring. Edi, de zoon van Luigi, opende in 1980 een ijssalon in Wageningen. Ook hij boekte succes, maar verkocht in 2004 zijn zaak om zich geheel toe te leggen op de fabrieksmatige productie van Granucci-ijs (foto: Tilburgse Herinneringen op Facebook)

 

Hein de Groot (1891-1963)

Hein de Leugenèèr

was een garagehouder en dealer van het merk General Motors die lange tijd was gevestigd aan de Spoorlaan (hoek met de Langestraat) tegenover het station van de NS, waar voorheen hotel Suisse zat. Naast hem was banketbakker en cuisinier Leo Verschuren gevestigd en (op de hoek met de Stationsstraat) café Royal. Nu staat daar prominent het kantoor van de ING bank. Op de andere hoek zat hotel-restaurant Noord Brabant (ook welbekend als Piet Mulders), vervolgens tot 2016 Central en daarna een kantoor van Randstad.

Oorspronkelijk in de Prinses Sophiastraat begonnen met de verkoop van rijwielen en motorfietsen, vestigde Hein’s vader Michel de Groot (1865-1940) zich rond 1900 in de Willem II straat en voegde auto’s toe aan zijn assortiment. Dit was het begin van de Eerste Tilburgsche Auto Garage (ETAG) MJ de Groot & Zoon. De Groot verwierf grote stukken grond in de vierhoek Spoorlaan, Stationsstraat, Poststraat en Langestraat. Al gauw richtte hij een werkplaats in aan de Poststraat (nr. 26, tegenover de Karrestraat) en een showroom aan de Stationsstraat (nr. 10-12). In 1921 nam Hein de zaak van vader Michel over. In 1947 werd aan de Spoorlaan (nr. 118-120) een nieuw gebouw betrokken met genoeg ruimte voor showroom, kantoor en werkplaats, ontworpen door architect Jos. Bedaux die een fervent Chevrolet rijder was. Dit beeldbepalende pand is op de foto te zien, met ernaast Leo Verschuren en café Royal. In 1967 verliet garage De Groot voor het eerst de binnenstad en verhuisde naar een nieuwe hoofdvestiging aan de Lage Witsiebaan in de nieuwbouwwijk ’t Zand. In 1980 – na de energiecrisis was het bergafwaarts gegaan met de Amerikaanse automerken – ging garage De Groot failliet. 

 

Van 1947 tot 1967 was garage De Groot gevestigd in dit door Jos. Bedaux ontworpen pand.

 

Hans Gruijters (Boekel 1925 – Rumpt 1980)

de Zwarte Ruiter

hij koos al jong voor het slechte pad en zat in de veertiger jaren vanwege fietsendiefstal in jeugddetentie. Ging daarna over tot het zwaardere werk (smokkel, inbraken, overvallen) maar liet zich niet pakken. De jacht op hem werd nauw gevolgd door de media. Dit maakte hem tot een legende, en gauw rijp als motief voor boek en film. Begin januari 1955 overviel hij een bank in Oss. De Zwarte Ruiter vluchtte en verschool zich daarna in de bossen bij Berkel-Enschot. Vervolgens wilde hij een auto stelen in Tilburg bij het café Casino (in de St. Josephstraat, zie bij Dré Meulenbroek) maar werd door de eigenaar betrapt. Bij de achtervolging werd deze beschoten en de dader ontkwam op een fiets die hij pakte in de Oisterwijksebaan. De volgende dag werd De Zwarte Ruiter uiteindelijk toch gearresteerd in hotel Schuermans aan de Spoorlaan (het huidige Wapen van Tilburg op de hoek met de Willem II straat).

 


 

1.H

 

Adrianus (Janus) Bernardus Antonius Haans (1901-’71)

Wit Jaoneke

vanwege zijn ruime bos spierwit haar. Woonde in de Kapelstraat (later Oude Kapelstraat) op nr. 20 (et Zaandpad, zie in hoofdstuk 4). Bij hem kon je o.a. bronollie (petroleum, ook wel bromollie, zie Johan Christinus Mutsaers) en witkalk kopen, en hij wist ook altijd wel iets aan te prijzen tegen verkoudheid en zo. En bij zijn zussen Lucia (Sieke) Adriana Maria (1905-’85) en Martina (Martha) Waltera Bernarda (1903-’91) Haans, die daar ook een winkel hadden, kon je snuupkes e.d. kopen vanaf 1 cent. Jaoneke en zijn zusters Sieke en Martha zijn nooit getrouwd geweest en woonden op hetzelfde adres. Zij waren de oudoom en –tantes van Frank Haans die verder nog schreef: “Het huis aan de Kapelstraat (later Oude Kapelstraat) was een monument in die tijd. De laatste keer dat ik daar ben geweest eind jaren zeventig klingelde er bij binnenkomst (je ging door de winkel naar binnen) een belletje en stond er op de toonbank een grote koffiemolen (zo eentje met twee wielen). In de kamer was een oude stoof, tevens fornuis. Ook de bedsteeën (een soort van kast waarin men sliep) waren er nog. En wie naar het toilet wilde moest achter naar buiten .…” Tot begin jaren tachtig hebben de taantes er gewoond: “Toen zijn de huizen in de Oude Kapelstraat onbewoonbaar verklaard.”

 

Oude Kapelstraat 20 (links) tot 30 op een foto van Publieke Werken Tilburg uit 1971 (coll. RAT) 

 

Johannes (Jan) Cornelius Joseph Haans (geb. 1951)

Jantje Mandje

handelaar die groot werd in producten als manden en mandjes, meubelstukken en decoratieve artikelen van met name riet en bamboe die hij in grote hoeveelheden vooral in het Verre Oosten haalde en hier weer uitvoerde naar meer dan 50 landen. Van een omzet van NLG 68.000 in 1968 door toen nog het bedrijf van zijn vader, tot meer dan € 50 mln door het inmiddels Haans Lifestyle Products geheten bedrijf, toen dit begin 2006 de Stimuleringsprijs van het Bedrijven Overleg Regio Tilburg (BORT) ontving. Sinds 1993 gevestigd in een fraai gebouw van architect Jo Coenen op het industrieterrein Katsbogten. In 2009 ging het bedrijf failliet, maar kon een doorstart maken in afgeslankte vorm. In mei 2013 ontving Jan Haans uit handen van burgemeester Noordanus de zilveren legpenning van de gemeente Tilburg vanwege zijn verdiensten voor Tilburg en omgeving op maatschappelijk en cultureel gebied.   

 

Jan Haans ontvangt in 2013 van burgemeester Noordanus de legpenning

 

Harrie van Hagen

den Jammes

de zoon van een boswachter.

 

Jantje van Halteren

et Bèlske

was smokkelaar in de jaren 1930 en woonde in de Oude Kerkstraat (Koningswei), waar veel smokkelaars woonden van Belgisch gedestilleerd (zoals Elixer d'Anvers).

Een bekend gezegde in Tilburg luidde: "Hij komt van Gôol èn wit van niks, èn hij wont in et Kèrkstròtje." Dit heeft betrekking op (oud-)smokkelaars die zich vanuit Goirle in de (Oude) Kerkstraat in de Koningswei vestigden. Zij hielden zich van de domme (ze waren zogenaamd 's nachts natuurlijk nooit van huis geweest,) maar "men" wist verduiveld goed waar ze de kost mee verdienden! De Oude Kerkstraat is een zijstraat van de Bisschop Zwijsenstraat tussen de Van Doorenstraat en de Ververstraat in. De straatnaam verwijst naar een schuurkerk die hier vroeger heeft gestaan.

 

 

Nico van Ham

Budje van Ham

voetballer, snelle midvoor van Willem II van 1932 tot en met 1944. In dat laatste seizoen won hij met Willem II de finale om de KNVB-beker (met maar liefst 9-2 tegen Groene Ster). Hij speelde 175 wedstrijden voor Willem II en maakte in totaal 24 doelpunten (zie ook hoofdstuk 2: enen Bud).

 

dhr. Hamers

Kwèèk Hamers

zong in de kerk boven iedereen uit, vooral het Ave Maria.

 

dhr. Hamers

Pôot Hamers

omdat hij een handicap aan de voet had.

 

... Hazendonk

et Hòske

voetballer bij NOAD (Nooit Ophouden Altijd Doorgaan). Hòske is Tilburgs voor haasje. Hij zal dus wel heel snel over het veld zijn gegaan.

 

dr. Jan Heeffer (geb. 1948)

Don Jan

ging in 1966 voor priester studeren in Bergamo (Italië). In 1973 is hij daar priester gewijd en ging er vervolgens als godsdienstleraar aan de slag op het Patronato San Vincenzo, een soort ambachtsschool. In 1987 werd hij aldaar naast rector van het jongensinternaat ook directeur van de school. Promoveerde in 1993 in Rome tot doctor in de theologie. Als hij op verlof terugging naar zijn geboortestad Tilburg was de pastorie van de Heuvelse kerk een goede thuisbasis en kon pastoor Van Noorwegen ook even op vakantie. Op 1 maart 2003 werd Heeffer rector van het Nederlands Priestercollege in Rome (zie ook mgr. dr. Bernardus Josephus Eras), wat tevens inhoudt het adviseren van de Nederlandse ambassade bij de Heilige Stoel en het houden van toezicht op de Kerk van de Friezen nabij de Sint Pieter. Sinds 2005 mag hij zich mgr. noemen. Hij bleef tot medio 2007 rector van het Nederlands College in Rome, dat steeds meer een internationaal instituut werd bij gebrek aan passanten uit Nederland. Don Jan keerde toen terug naar Bergamo.

 

Ad Heerkens (x Annie)

de Kiep

In 2018, toen hij 77 jaar was, besteedde het Brabants Dagblad aandacht aan hem, omdat hij van die 77 liefst 65 jaar lid was van voetbalclub ZIGO (zie in hoofdstuk 2: Zèèkers In Gèèl Onderbroeke) en van die 65 liefst 40 jaar jeugdtrainer was. Zelf heeft hij er ook lang gevoetbald maar nooit in de top. Hij was een echte gezelligheidsspeler en clubmens. Ook toen hij “ver weg” ging wonen (in De Blaak) bleef hij ZIGO trouw. Zijn bijnaam heeft niets met het keepersvak te maken, maar kreeg hij nadat hij eens de kleedkamer binnenkwam voor de jeugdtraining, waar een voor hem nieuwe jonge spelersgroep zat te wachten. Toen er prompt een stilte viel zei hij maar: “Aangenaam. Mijn naam is kip, maar ik leg geen eieren….” Vanaf dat moment heette hij bij ZIGO “de Kiep”!

 

Bakker Heerkens

Vruut Heerkens

omdat hij een wat ver vooruitgestoken onderlip had. Zijn bakkerszaak was op Den Bèsterd, hoek Schaepmanstraat met Besterdstraat. Later werkte hij bij "de Bakker op de Hoek" van der Sande.

 

dhr. Heerkens

Frut Hirkes

omdat hij er niet bepaald knap uitzag. Had een textielzaak in de Piusstraat. Niet uitgesloten is dat deze bijnaam weer een verbastering was van de vorige, en dat het om dezelfde persoon ging. Immers, wellicht is de ex-bakker eerst zijn geluk gaan beproeven in een andere branche, nadat hij zijn eigen zaak moest opgeven. Een bevestiging hiervan kon niet worden gekregen.

 

Louieke Heerkens

Klababske

was getrouwd met een Belgische. Zij woonden in de St. Josephstraat, ter hoogte van de Prinsenhoeven is. Hij zou dus verwant kunnen zijn aan Huub Heerkens (zie bij Charles Bastings).

 

Willem Heerkens

den Börrie

omdat hij "börrie, börrie" riep (?) Met börrie zouden de “armen” van en kreugel (kruiwagen) bedoeld kunnen zijn (van: burrie of berrie, vaker geassocieerd met een brancard of houten draagconstructie van een kar).

 

Henricus J. Heerkens

Drik Heeren

Hij dreef tot 1930 een monumentale boerderij annex herberg ten westen van de Hasseltse kapel, die sinds 1827 in het bezit van zijn familie was. Heerkens was een oom van Cees Fouchier die hem opvolgde in 1930 en in 1934 een grote zaal met horecabestemming vóór de boerderij bouwde. Het geheel werd in 1964 gesloopt vanwege bouw van het Mariaziekenhuis en de aanleg van de Dr. Deelenlaan (zie verder in hoofdstuk 4: Fesjèèr).

 

 

De oorspronkelijke boerderij uit 1608 werd fraai vereeuwigd door fotograaf Louis Schmidlin (foto tussen 1917 en ’34 gemaakt) 

 

Jan Heerkens

Jan Pils

woonde aan de Rugdijk, en werd zo genoemd omdat hij gèère en pilske lustte.

 

Marinus Heessels (1867-1962)

Marinuske de Kat

was kastelein van café Boslust en een van de eersten die de geschiedenis van Udenhout beschreef. Hij schreef bijvoorbeeld hoe primitief het in zijn tijd was in dit dorp. Het was één grote modderpoel voordat er verharde wegen lagen, en hele buurtschappen waren daardoor soms maandenlang niet of nauwelijks te bereiken. Waar zijn bijnaam vandaan kwam vermeldt de geschiedenis niet.

 

Karel Heijman

Kareltje Kus

assistent dansleraar bij Dansschool Kruiselbergen.

 

Jan van Heijst

de Stoere (2)

inwoner van Goirle, maakte (al voor de oorlog) deel uit van cabaretgroepje de Zingende Zwervers, met o.a. zijn plaatsgenoot ("Lange'') Kees van Boxtel (zie daar). Zijn bijnaam dankte hij aan een typetje dat hij op de planken bracht. Hij kon namelijk heel goed wethouder Adr. de Brouwer van Goirle naspelen, die de Stoere werd genoemd.

 

dhr. Van Helfteren

et Schaop

men vond hem wat schaapachtig en de familie waarvan hij een zoon was woonde in de jaren 1940-’50 ook aan het Schaepmanplein (nu Horversplein).

 

Mevr. J. van Helvert

Jaanske Zêever

is voorbidster geweest in de Hasseltse kapel (zie ook bij Maria Virginie Kweezelke Doorakkers). Haar man runde een van de snoepkraampjes die in de meimaand bij de kapel stonden.

 

Wilhelmina Hendriks-Kuijten (1845-1910)

Miena Snoek

van vishandel De Bont-Hendriks (zie ook Bartje van Iersel) in de Telefoonstraat, later Eijgenraam.

 

Adrianus Petrus Hersmis

Kuus Hèrsemis

hij was volgens hardnekkige beweringen een afstammeling (kleinzoon) van koning Willem II. Men wees daarbij veelbetekenend op het feit dat hij nooit geld tekort kwam en dat hij zijn kinderen kon laten studeren, hoe eenvoudig hij zelf ook was. Kuus was een klèèn dik mènneke, woonde op de Koningshoeve en noemde zichzelf ook prins. Was kruier op het station, zoals zijn vader was geweest.

Op de verjaardag van "mijn nicht", zoals Kuus Hèrsemis koningin Wilhelmina noemde, liep hij altijd sjiek gekleed in zwart pak met hoge zij op het hoofd te paraderen door de Heuvelstraat. Als nicht Wilhelmina in Tilburg op bezoek kwam werd Hersmis preventief ingesloten, want men wist dat hij zou proberen haar te begroeten. Adrianus Hersmis' vader heette Willem en deze was in 1832 geboren als een zoon van Wilhelmina Hendriks, die in 1834 trouwde met Arnoldus Hersmis. Bij hun huwelijk erkenden zij Willem direct als hun zoon. Deze Willem werd kruier op het station en trouwde met Maria Baptist. Kuus was hun oudste zoon en ging zoals gezegd eveneens als kruier de kost verdienen. Op het station liep hij eens te kruien voor een stel waarvan zíj een wind liet. De man zei: “Dat was ‘n poepertje uit ‘t roepertje van m’n snoepertje”, waarop Kuus een klaroenstoot van een wind liet en zei: “Dè waar en scheet öt den sjaawer zen reet!”

 

Willem, de vader van Adrianus “Kuus” Hersmis (vroeger ook geschreven als Hers(e)mus) was kruier op het station en beweerde hardnekkig dat hij een (onwettig) kind van koning Willem II was. Zoon Adrianus nam deze pretentie en de baan bij het Spoor van zijn vader over (foto: coll. RAT)

 

Miet Hersmis (x Van Mechelen)

Miet de Kuus

dochter van Adrianus Kuus Hersmis (zie boven). Woonde aan de Varkens(!)markt. Ging steevast op zondagochtend bij de kruidenier aan de Broekhovenseweg op de hoek met de Voltstraat (later kwam daar André van Hilst) om een pond suiker of zo vragen, die ze de dag daarvoor was vergeten. Zij kreeg eens per week bezoek van een kennis uit België die zelf een motor had gebouwd die op petroleum liep, wat veel lawaai en stank veroorzaakte in de buurt.

 

drs. W. (Wilbert) L.F. van Herwijnen (geb. 1959)

Soepele Joep

dankte deze bijnaam aan zijn passie voor dansen, die vooral tot zijn recht kwam wanneer hij tijdens het jaarlijkse carnaval als Òpper van "De Vèrrekesstaawers" in beweging was, voortdurend draaiend met zijn carnavalsdas. Deze jonge van Lôove (zie ook hoofdstuk 2) was een zoon van Frans en Toos van Herwijnen–de Jong en werd in januari 1997, toen de gemeentelijke herindeling van kracht werd, voor het CDA wethouder van Financiën en Cultuur. Vooral in de culturele sector profileerde hij zich als een geëngageerd bestuurder. Na de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2002 moest hij zijn wethouderschap beëindigen. Hij had toen cultuur, zorg, onderwijs, mondiale bewustwording, emancipatie en de dienst Stadszaken in zijn portefeuille. Een jaar later werd hij griffier bij het provinciebestuur van Utrecht. In dat jaar (2003) ook werd hij winnaar van de eerste Grote Tilburg Quiz, en mocht hij zich dus de beste Tilburgkenner van dat moment noemen. Schrijver dezes nam die titel een jaar later van hem over.

 

Wilbert van Herwijnen wint de Tilburg Quiz in 2003. Links Ronald Peeters, rechts Gerard Otten.

 

Alexander J.M. van Hest

de Sander of de Saert

woonde in de Weverstraat.

 

Jos van Hest

de Paus öt Gôol

een fervente Jehovagetuige die vanuit Goirle door Korvel kwam om daar deur voor deur zijn geloof aan de man te brengen.

 

Kees van Hest

de Spitsmèùs

kastelein van café Den Eik aan de Bredaseweg, dat ook wel de Paotergaopers werd genoemd omdat het stond tegenover de Rôoj Harte (zie hoofdstuk 4). Als Van Hest een smal gezicht heeft gehad zou deze bijnaam voor de hand liggen, maar of dit ook in werkelijkheid het geval is geweest is niet bekend.

 

Piet van Hest

de Witte (2)

omdat hij licht haar had. Voormalig eigenaar van een friteszaak op de hoek van de Nieuwstraat en de Trouwlaan.

 

Jan van Heugten (1897-1977)

Kòp van Genugte of den Dôodrijer

taxichauffeur die een gezond dik hoofd had. Hij deed in z’n vrije tijd mee aan de gevaarlijke weddenschap om, rijdend over de parallelweg, de trein over et Bèls Lèntje (zie hoofdstuk 4) vóór te blijven. Omdat deze weg een aantal malen de spoorweg kruiste was dit een erg gevaarlijk spel, dat naar werd beweerd diverse levens heeft gekost. In ieder geval is er twee keer een aanrijding geweest met de trein, te weten bij Alphen en Riel (1923) en Antwerpen (1927). Zeker één keer was Kòp, die als zeer bedreven in deze tak van "sport" bekendstond, daarbij betrokken. Terwijl men al vreesde voor zijn leven werd hij vrolijk zittend aangetroffen op de bumper (koeienvanger) van de locomotief! Ze zullen toen zeker wel een biertje zijn gaan drinken in Antwerpen. Dat deden zij aaltij op de goejen aflôop! Ook privé was Van Heugten erg beweeglijk: hij woonde met vrouw en drie kinderen nooit lang op één adres, maar achtereenvolgens in de Veemarktstraat (1924) op de Heuvel (1926), in de Tuinstraat (1930), weer Veemarktstraat (1936), Oisterwijksebaan (1937), Nazarethstraat (1937) en Kloosterstraat (1938). In 1943 zat hij negen maanden gevangen in kamp Vught, waarna hij door de Duitsers tewerkgesteld werd in Stuttgart en Pforzheim. Na de oorlog woonde hij in de Henri Verbuntstraat (1952) en de Abdij van Bernestraat (1964).

 

Henk B. van Heusen (1902-1971)

Winando of de Professor

artiestennaam respectievelijk bijnaam van deze in Breda geboren, alom bekende telepaat, illusionist en hypnotiseur. Huwde Mary Schiffers, die onder artiestennaam Mary Lepino ook zijn medewerkster werd. Zij woonden en werkten vanaf de jaren 1930 in/vanuit de Lange Nieuwstraat (villa Casa Cara) en later, toen de zaken niet zo goed meer gingen, de Heile Schoorstraat (nr. 14). Wim "Broer" Donders (zie daar) is een van zijn assistenten geweest tijdens zijn shows. Kort na de bevrijding van het zuiden, begin 1945, ontdekte Winando de Tilburgse groep "de Palmyra Hawaiians" (waar ook Jo "Bill" Coolen een poosje in had gespeeld, zie daar) en maakte hij als paragnost en illusionist een succesvolle tournee door Brabant met deze groep.  

 

Louis van der Heyden jr. (geb. rond 1926)

de Kleine Winst

was een zoon van de oprichter van gelijknamige speelgoedzaak op den Bèsterd. Daar mochten veel kinderen tijdens de kermis iets kopen. Louis junior is men naar zijn winkel blijven noemen. Louis senior had ook De Boerenkapel opgericht. Deze werd in 1954 door Sjaak de Sik van de Elsen in bedrijfskleding gestoken, naar het voorbeeld van Bossche boerenkapellen. Louis senior speelde er trombone en junior trompet in. De Boerenkapel van den Bèsterd speelde een prominente rol in het begin van het openbaar carnaval in Tilburg.        

 

Elisabeth (Betje) Petronella van Hezik (1884-1955)

et Hasselts Wèfke, Fèètwèfke, of Fèètvraawke

 

Collectie E. Pierson

 

zij woonde sinds 1910 in de Hasseltstraat op nr. 30 en later nr. 23, waar zij haar praktijk had als genezeres van patiënten met allerlei vormen van fijt, zweren, eczeem e.d. die zij met succes behandelde. Van een oom had zij geleerd om zelf zalfjes te maken, die bestonden uit diverse soorten teer met kruiden. Zij breidde haar kennis uit door zelfstudie en werd op dit gebied een bekende genezer die bij vriend en vijand bewondering afdwong met haar wonderbaarlijke geneeskunst. Zij werd een keer door de reguliere medische stand aangeklaagd op verdenking van kwakzalverij, maar kreeg slechts een boete van twee kwartjes opgelegd. Zij is driemaal gehuwd geweest met (eerste) Willem de Beer en (derde) Willem Jacobs. Lees ook wat Evert Pierson schreef over Betje in het boek: “De kapel op de Hasselt, een bloemlezing uit het werk van 40 auteurs”, samengesteld door Ronald Peeters & Ed Schilders, Tilburg 2013, p. 90-91.  

 

Jan Hoed

de Schèèlen Hoed

woonde aan het St. Jorispad, tussen de Piusstraat en de Bisschop Zwijsenstraat, en werd zo genoemd omdat hij een oogafwijking had. Kinderen van hem werden op school ook wel de Kènder van de Schèèlen Hoed genoemd.

 

Lucianus (Luc) Albertus Matthias Maria van Hoek (1910-Goirle 1991)

de Stoetebouwer

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

was een veelzijdige kunstenaar die de Sint Jansprocessie in Goirle ontwierp (zie ook hoofdstuk 2: Jan Kòpaaf), en de nieuwe Heilig Hartstoet die van 1955 tot en met 1961 onder veel belangstelling door Tilburg trok. Eerder werd er slechts een traditionele Heilig Hartprocessie gehouden, maar nu werd er een waar kijkspel van gemaakt met elk jaar een andere intentie. In het laatste jaar dat de stoet trok (1961) bestond het Heilig Hart Comité veertig jaar. Veel van de kostuums en allerlei attributen zijn daarna op een of andere manier terechtgekomen in Heeze, waar ze zijn gebruikt in de optocht van de jaarlijkse Brabantse Dag in die plaats. Luc van Hoek maakte naast kostuumontwerpen ook glas-in-loodramen, schilder- en grafisch werk. Studeerde in de jaren dertig aanvankelijk Nederlands aan de Katholieke Leergangen. Als lid van het studentencorps Sint Leonardus raakte hij aangestoken door het “Brabantia-Nostravirus.” In die tijd dichtte hij ook, en dan ging het vaak over Brabant. Weemoedig werd het grootse verleden van Brabant met z’n hertog Jan I bezongen, zoals (1936):

 

“De torens van Brabant die zingen niet meer

die hebben hun stemme verloren.

Wij hunkeren naar ’t hoge lied zo zeer!

En Brabant den Hertog, were di weer!

Sa, were di, land uitverkoren.”

 

Aan de kop van de Heilig Hartstoet neemt deze tamboergroep, bestaande uit leden van de harmonie Tilburgsche Capelle Sint Jan, tegenover Old Dutch de bocht richting Piusplein (foto uit de jaren 1955-’61, coll. Jan Schellekens)

 

Philibertus Hoendervangers

Flip Hoed

zoon van "Kees Hoed", die oprichter was van uiteindelijk een keten van hoeden- en pettenwinkels, nadat hij en zijn zus als weeskinderen uit Steenbergen hun geluk in Tilburg kwamen beproeven. De ongehuwde zoon van Flip, "Kees Hoed jr." en zijn zus hebben in 1999 de zaak aan het Piusplein moeten sluiten (zie ook hoofdstuk 4: Hoedevangers).

 

Joseph Hollander (1915-1993)

et Zòt Jooke

 

Tekening van Zòt Jooke door Harrie Corvers (collectoie Evert Pierson).

 

verbastering van zijn oorspronkelijke bijnaam: Zòt Joodje, en van zijn voornaam (Joseph, Jo, Jo-ke). Hij kwam uit een joods gezin dat in de Waaj woonde. Zijn vader was Abraham Hollander, een textielhandelaar die gehuwd was met Anna Verbruecken. In de oorlog heeft de familie veel te lijden gehad. Joseph Hollander heeft in de jaren 1940-’45 altijd met een Jodenster op rondgelopen. In zijn jonge jaren liep hij vaak tussen Kerstmis en Nieuwjaar door de straten, terwijl hij riep om hazen- en konijnenvellen. Die stopte hij dan in een juten zak die hij op zijn rug droeg. Hij was oorspronkelijk ook vèllekesblôoter (leerbewerker) van beroep. De meeste mensen kennen Jooke als de man in de lange leren jas die heel vaak te zien en te horen was in de straten van het centrum van Tilburg, weer of geen weer, het liefst in de buurt van het draaiorgel (törgel). Een tijdlang is hij tijdens zijn zwerftochten door de stad vaste "klant" geweest  bij slagerij Beerens (hoek Philips Vingboonsstraat en Jan Heijnsstraat). Daar kreeg hij dan een stukje worst, of iets te drinken. Een ander vast punt was voor hem de kelder van V en D in de Heuvelstraat. Daar ging hij in een tuinstoel even zitten uitrusten van zijn lange zwerftochten door de stad. Niemand kwam om het idee om Jooke weg te sturen, want hij hoorde er gewoon bij.

 

Harrie Hoogendoorn

den Burt

broer van Leonard Hoogendoorn (de Fòp, zie hoofdstuk 3). Heel Goirle kende hem onder de naam den Burt.

 

dhr. Hooyen

Boerke Hooje

had in de jaren 1930-'40 een weilandje met paarden aan de Lancierstraat. Op "et waajke van Boerke Hooje" werden ook weleens een soort hazewindhondenrennen gehouden, met behulp van een amateuristisch in elkaar geknutselde constructie met fietswielen e.d. waarlangs de honden achter een velletje aan renden.

 

Marie (?) Hopmans

den Bosse Trut

zij leefde in 1930 en verkocht o.a. gesmokkelde margarine in een winkel aan de Broekhovenseweg. Den Bosse Trut kwam uit een grote, oorspronkelijk Bossche familie. Zij was ook veel op de markt te zien met haar koopwaar, en droeg nog lang een Bossche muts met een omslagdoek (die toen ook wel nèùsdoek werd genoemd).

 

… Horsten

Klumpke Horsten

woonde aan het St. Pietersplein, werd kort voor de oorlog 1940-'45 gemobiliseerd om als militair naar Nederlands Indië te gaan maar vond het niet de moeite waard om daarvoor zijn klompen uit te doen. Of hij zo ook de Oost heeft gehaald is niet bekend, maar het leverde hem wel een bijnaam op!

 

Toine Horsten

de Kontekrabber

omdat hij als grensrechter langs het voetbalveld zijn vlaggenstok soms ook ergens anders voor gebruikte.

 

Harrie Horvers

de Klòssebak

werd geboren eerste helft jaren 1930. Het gezin woonde rond de oorlog in de Hoogvensestraat. De bijnaam duidt op iemand die ruw en lawaaierig is (zie ook hoofdstuk 2 bij klòssebak). De moeder van Harrie zei altijd: "Ge lòpt nèt zonne klòssebak."

 

… Horvers

den Hòrlepiep

woonde omgeving Fatimastraat (Ouwèèvepaojke, zie daar).

 

Caspar (Cas) A.P.J.M. Houben (1892-1957)

den Zòtte Cas

was een schoonbroer van burgemeester Jan van de Mortel, dus een broer van Fien Kèùf (zie Jan Taand van de Mortel en Josephine van de Mortel-Houben). Men zegt dat Cas door de familie betaald naar Parijs werd gestuurd toen hij hen hier steeds meer voor de voeten liep.

 

Anna Houben-Janssens

Kaoj Anna

 

Collectie Regionaal Archief Tilburg

 

zij kwam uit de familietak Janssens de Horion (zie bij Franciscus Segaar Janssens). Zij was getrouwd met Joh. M.C. Houben (1868-1936), de weduwnaar van haar zus Constance (1867-1894).

 

Francisca van den Hout (1821-1913)

de Leerkweezel

 

Francisca van den Hout werd beschouwd als de laatste “leerkwezel”. Zij werkte in de wijk “Klein Oerle” op Korvel (foto: H. v.d. Schoot; coll. RAT)

 

 

 

was een kwezel die ook catechismusles gaf aan schoolkinderen en daaraan haar bijnaam dankte. Francisca van den Hout was meer specifiek een Norbertuskwezel, dit wil zeggen dat zij plechtig was opgenomen in de derde regel van St. Norbertus. Kwezels waren vrome vrouwkes die buiten een kloosterverband verzorgend werk deden voor zieken en armen, en verder de tijd doorbrachten met veel bidden. De Leerkweezel was vooral werkzaam in de buurt Klèèn Oel (zie hoofdstuk 4) en heeft in de  Trouwlaan gewoond. Toen er ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de parochie Körvel (1850-1950) een revue werd opgevoerd, heeft men haar als voorbeeld genomen voor de hoofdfiguur uit de derde scéne: “Kòttegiesmuslès bij Jaans de Kweezel.” Niet zo gek, want de wijk Korvel wordt als bakermat gezien van de revue in Tilburg. Behoefte aan vermaak in eigen kring en een gemoedelijke sfeer waren belangrijke motieven. De aanwezigheid van “L’Echo des Montagnes” en “De Liedertafel” (muziek en zang) deed de rest. Wat in de wijk ontstond vond later op het niveau van de stad navolging in de vorm van de Tilburgse Revue (zie bij Don van Gijsel). 

 

 

Korvel was een wijk waar van oudsher veel muziek in zat. Deze kiosk stond niet toevallig op het Korvelplein, al was ze er zonder het geld van de familie Van Dooren waarschijnlijk nooit gekomen.

 

Dorus van Houtum

den Blanke Neeger of Doorus Roetmòp

ijscoboer in de wijk Hasselt, bewoonde een wevershuisje in de Hasseltstraat op de hoek met de Van Hogendorpstraat. Heeft naast ijscoboer nog veel andere baantjes gehad.

 

Jo van den Hoven (1911-2001, x Riet Coolen)

Joop Peeters

voetbalinternational van Longa, uit de tijd van de meer bekende Henk Pellikaan (zie daar en in hoofdstuk 4: Pellikaandorp). Jo was een kleine, snelle achterspeler, die vanwege veel concurrentie voor die plaats en het uitbreken van de oorlog slechts één interland speelde: in 1937 tegen Zwitserland (2-1). Ondanks mooie aanbiedingen van andere clubs bleef Van den Hoven altijd trouw aan Longa. Met hulp van die club vestigde hij een kleine schoenmakerij aan het NS-plein die later uitgroeide tot een sportzaak. In de oorlog moest Jo van den Hoven onderduiken, en kon toen alleen nog onder een gefingeerde naam spelen. Dat deed hij als Joop Peeters bij Unity Amsterdam.

 

boer Van Hoven

de Stinkerd

aan et Haaj-ènd (zie hoofdstuk 4) ten noorden van het Wilhelminakanaal (dat er in zijn tijd echter nog niet was). Hij werd zo genoemd door kinderen uit de omgeving die daar kwamen spelen.

 

Gerard van Huijgevoort

den Pèèrdebeul

hij handelde in pèèrde en ging naar men zei bepaald niet zachtzinnig om met zijn “handelswaar”. Woonde in de Anna Paulownastraat.

 

Hendrika Huts

Bètje Kaatje of Ka Ka Kaatje of de Hittepetit

straatzangeres rond 1900, die aanbelde en dan voor 1 cent een liedje zong. De tweede bijnaam dankte zij aan een gelijknamig liedje. Zij leefde nog in 1927.

 


1.I

 

Bert van Ierland (1918-2003)

de Rôoje van Ierland of Rôoje Bèrt

voetballer (linkshalf) die van 1936 tot 1952 in totaal 278 wedstrijden voor Willem II speelde waarin hij 17 keer scoorde. Had een rode haardos. Haalde met zijn degelijk en fysiek sterke spel de nationale selectie, maar werd toch nooit in het Nederlands Elftal opgesteld. Hij werkte veertig jaar bij de AaBe, eerst als wever en daarna als getouwsteller. 

 

Petrus (Piet) Antonius Franciscus van Ierlant (1897-1973, x 1925 Maria Theresia “Marie-Thérèse” Joosen, geb. Baarle-Nassau 1901 – Bergen op Zoom 1995)

de Hoedjesboy

Hij runde met zijn vrouw een dameshoedenzaak in de Heuvelstraat. Piet bracht vaak bestellingen rond terwijl zij op de winkel paste. Dit leverde hem de bijnaam op. Zijn moeder begon als modiste reeds een modezaak op den Bèsterd. Zoon Piet kwam in dezelfde branche terecht en werd bedrijfsleider in een hoedenfabriek. In 1923 begon hij een eigen zaak. In 1937 liet hij een winkel- en woonpand bouwen in de Heuvelstraat (nr. 48) naar ontwerp van Jos. Bedaux. Tegelijkertijd werd daarnaast op nr. 50 een winkel- en woonpand gerealiseerd, in opdracht van de firma Hamers- van Hooff ontworpen door Jos Donders. Dit hele beeldbepalende blok werd gemeentelijk monument. Lang nadat daar het laatste hoedje en de laatste lederen tas werden verkocht woedde er begin augustus 2017 een grote uitslaande brand die deze monumentale panden veel schade toebracht. Piet van Ierlant vervulde ook functies in het georganiseerde bedrijfsleven (o.a. bij de R.K. Middenstandsbond en de Kamer van Koophandel en Fabrieken). In 1938 werd hij lid van de KVP, waarvoor hij van 1954 tot ’61 wethouder van Tilburg was met in zijn portefeuille lichamelijke opvoeding, sport en huisvesting. Ook werd hij in 1958 lid van Provinciale Staten en bekleedde hij verschillende nevenfuncties zoals bestuurslid van een waterschap. Piet van Ierlant genoot veel bekendheid in de wielrennerij. In de jaren 1930 was hij in die wereld een belangrijke manager, die bijvoorbeeld contracten regelde voor Jan Pijnenburg en Cor Wals (zie daar). Later was hij ook betrokken bij het management van de eerste naoorlogse Nederlandse wielerploegen in de Tour de France. In 1950 en ’51 was hij chef d’équipe van de Nederlandse ploeg.

 

Piet van Ierlant (rechts) poseert in 1965 met leden van de Tilburgse Wielerclub Pijnenburg.

 

 

Bartje van Iersel

Bartje Gaanzenèk

knecht van Miena Snoek (zie bij Wilhelmina Hendriks-Kuijten), die vis ventte voor De Bont-Hendriks.

 

Drik van Iersel

den Buurt

woonde bij de Hasseltse kapel.

 

gezusters D.J.M.M. en H.J.J.M. van Iersel

Adje en Badje van Jamin

twee gezusters, die de winkel van Jamin dreven op de hoek van de Oude Markt (nr. 2) en de Heuvelstraat. In de periode van circa 1937 tot 1969 woonden zij er ook boven de zaak. Later, tot rond 2012, zat hier Hans van Hout Mannenmode.

 

Nicolaas Martinus (Tinus) van Iersel (geb. 1877)

Boerke van Iersel

was geboren in Berkel en in 1904 gehuwd met Martina Henrica (Stiena) Verhoeven (geb. 1879). Was eigenaar van café "In 't Bruine Vrachtpaard" aan de Bosscheweg.

 

dhr. IJpelaar

de Kat

werkte in de textielfabriek van H. Enneking (zie “IJzeren Hein” Enneking).

 

Mari Madelaine van IJsseldijk (1923-2003)

Tante Pop

bijnaam vermeld in haar overlijdensadvertentie

 

Louis J.M. Israël (1945-2011)

Ròkking Loewie

begon in 1973 met het spelen van "rock 'n roll"-muziek in de stijl van Elvis Presley. Hij werd al gauw gevraagd voor gastoptredens, en zong dan met de band die er op zo'n avond al was (een van die bands had de bijzondere naam Msturbietm). Trad op in vele cafe's en heeft op alle bekende poppodia van de stad gestaan. Hij was in die (zeventiger) jaren een opvallende verschijning met zijn rood haar, grote snor en aparte, zware stem. Hij reed steevast op een in die jaren populaire bromfiets van het merk Zündapp, die hij na 2000 nog steeds heeft. Louis trad in 2002 zelfs nog op in popcentrum 013 in het kader van een herdenkingsconcert voor Elvis Presley. Hij is zeer bekend geworden in het Tilburgse uitgaansleven, in het bijzonder op de Korte Heuvel. In juni 1997 werd Rockin' Louis, ter gelegenheid van de opvolging van de (echte) burgemeester van Tilburg Gerrit Brokx door Johan Stekelenburg, in café De Uitstad uitgeroepen tot de eerste (officieuze) Naachtbörgemister. Hij trad op in café Lambiek (Wilhelminapark), De Spoel (Fabriekstraat, zie de Rôoje Sjèf Brouwers en Wim Kruize), Marijnen en Polly Maggoo (de Korte Heuvel), La Cabane aan de Academielaan, in de studentensociëteit van Sint Olof en de Sportacademie (op de Korte Heuvel achter sociëteit Askloa) en Theseus. In de laatstgenoemde gelegenheid aan de Bredaseweg (het latere Denksportcentrum) bleek op een zekere avond weer eens hoezeer Louis opging in zijn geliefde muziek. Het podium waar hij optrad bestond uit een aantal tegen elkaar geschoven houten kubussen. Onder het eerste het beste nummer maakte Louis met zijn forse postuur een woeste sprong… en zakte prompt door de kubus heen waarop hij nog een tijdje had willen blijven staan zingen. Tot grote verbazing en geestdrift van het publiek bleef hij een niveau lager gewoon doorzingen, alsof er niets was gebeurd!

 

Rocking Louis in 1985.

 

 

1.J

 

Hendrik Jacobs

et Kakkie

uit de Veemarktstraat.

 

Jan Jacobs (1871-ca. 1930)

de Stinkerd

woonde aan de Varkensmarkt op nr. 3 en was paraplumaker.

 

Jo Jacobs

Joo Tuut

zat in de jaren 1950 op school in Broekhoven I.

 

Wesley Jacobs (geb. 1987)

Brabants Jantje

was als knul van 13 jaar onder deze bijnaam al bekend als zanger en ook als fanatieke Willem II-supporter, die in het stadion met een groot eigen spandoek opvallend aanwezig was. Gaat na de ontdekking van zijn pril zangtalent zich rond 2000 toeleggen op het levenslied en zet daarvoor zijn opleiding tot kok opzij.

 

Willem Jacobs (1882-1959)

Willeke Broek

de derde man van et Hasselts Wèfke (zie Elisabeth van Hezik).

 

W.H.M. Jacobs-van Wees

Jacobswèèfböllekesjuffraaw

dreef met haar man een stoffen-, garen- en wolwinkel aan het Rosmolenplein nr. 2. Later werd er ook een vestiging geopend aan de Westermarkt, nr. 16 waar de zaak meer dan veertig jaar heeft bestaan.

 

mevr. Jansen

et Ballewèèf

zij woonde aan de Abraham Kuijperstraat en was in de buurt berucht omdat ze de ballen (speelballen) die bij haar over de schutting kwamen niet teruggaf. 

 

Jan Jansen

Jantje Sakker, ook wel Jantje Verdomme of de Kinkenduut

naar verluidt een driftkikkertje dat rond 1970 in de omgeving Nieuwe Bosscheweg gewoond moet hebben.

 

Jos Jansen

de Heer van de Hoef

was gemeentesecretaris van Tilburg. Kreeg via zijn vrouw "De Leeuwenhoeve" aan de Abcovenseweg onder Goirle in bezit. Deze grote boerderij was gebouwd door de Tilburgse aannemer Antonie Goyaerts op de plaats waar voordien koning Willem II een van zijn schaapskooien had. De weduwe van Jos Jansen heeft in 1939 de hoeve verkocht aan de familie Piet Brock.

 

dhr. Jansen

Schaopke Jaanse

omdat hij een kop met blonde "schapenkrullen" had.

 

Willem Jansen

de Lapperd

werkte in de jaren 1950 bij het Nieuwsblad van het Zuiden en werd zo genoemd vanwege zijn grote oren. Stond er bekend als gangmaker onder het personeel die altijd wel te vinden was voor een geintje. Dan lapte hij graag iemand een streek.

 

Christina Janssen-Quinten (1921-2002)

Rôoje Stien

 

Rôoje Stien stal de harten van wielerliefhebbers door deze omhelzing van Maarten Ducrot bij de start van de Ronde van Tilburg. Dit wielercriterium  werd gehouden op 1 november 1987 (foto: Persburo van Eijndhoven).

 

had rood haar en liet bij openbare gelegenheden altijd goed merken dat zij er was, soms met een boodschappentas zwaaiend waar naar men zei best een steen in kon zitten. Zij nam (ongevraagd) een ereplaats in bij de inhuldiging van Prins Carnaval, ging recepties af die in de krant waren aangekondigd en liet merken dat zij er was. Was zij er niet dan werd ze gemist, want zij hoorde erbij. Zij woonde als kind in de Trompstraat en later, getrouwd met Janssen, eerst in de Veemarktstraat en daarna in de Reinier Claeszenstraat. In 2000 verblijft zij in het verpleeghuis “De Volckaert” in Dongen waar ze enkele jaren later is overleden.

 

Rôoje Stien in een act met Simon Vinkenoog.

  

Josephus (Jos, Jozef) Franciscus Maria Janssen (1872-1945, x Maria A.J. Verhulst 1878-1927, xx 1929 Wil Twaalfhoven, zie daar)

de Gebraojen Haon

dankte zijn bijnaam aan een parmantige manier van lopen die iets weg had van die van een haan. Hij was directeur van de Stoomververij en Chemische Wasserij “De Regenboog” van Janssen & Bierens aan de Bredaseweg. Deze fabriek werd in 1891 opgericht door Henricus Dionysius Janssen (geb. 1833), Augustinus Hubertus Vincentius Janssen (1842-1910) en Daniël Franciscus Bierens (geb. 1840) en stond in de volksmond ook wel bekend als “Jaanse èn en Bietje” omdat er nogal zuinig werd uitbetaald. De Regenboog heeft tot in de jaren 1980 bestaan, sinds 1961 echter als een onderdeel van Palthe. In de jaren 1990 zijn de gebouwen, die toen nog maar gedeeltelijk door De Regenboog zelf werden gebruikt, afgebroken om plaats te maken voor het woningcomplex Regenboogpark. Jos Janssen is eerst gehuwd geweest met Verhulst (een van hun kinderen was Han "Puntje", zie daar) en was o.a. betrokken bij de bouw van de kerk van pastoor De Klijn (zie daar) aan de Ringbaan West, waar hij van 1921 tot zijn overlijden ook kerkmeester was.  

 

Bedrijvigheid bij Stoomververij en Chemisch Wasscherij De Regenboog in 1930. De naam stond heel hoog in knotsgrote letters in de richting van het spoor, zodat deze goed te zien was vanuit de trein.

 

In 1940 werd gevierd dat De Regenboog 50 jaar bestond. Hier de medeoprichter Jos Janssen aan het woord. Hij kreeg een portret aangeboden van het personeel, geschilderd door Theo Swagemakers. Links met de bloemen zijn echtgenote Wil Janssen-Twaalfhoven (foto: coll. RAT)

 

Een karavaan auto's van de Regenboog voor de Heuvelse kerk bij de jaarlijkse Christoffel zegening bij de Christoffel-zegening in 1950. Rond 1960 werd dit ritueel verplaatst naar de kerk van de Koningshoeven.

 

Wilhelmina (Wil) Theodora Maria Janssen-Twaalfhoven (Utrecht 1894 -1982)

de Koningin van Tilburg

Wil Twaalfhoven trouwde in 1929 met de weduwnaar Jos F.M. Janssen (zie hiervoor). Na de oorlog 1940-’45 werd zij actief op politiek en sociaal-cultureel gebied. In 1945 werd zij het eerste vrouwelijke gemeenteraadslid (voor de KVP, tot 1966) en werd lid van de provinciale staten (ook tot 1966). Verder zat zij in zowat alle zorg- en liefdadigheidsinstellingen die er waren, vandaar de bijnaam. Zo was zij voorzitter van het Wit-Gele Kruis afdeling Tilburg, voorzitter Katholieke Gezinszorg en van het Katholiek Vrouwengilde en organiseerde het ziekentriduüm. Ook was zij president-commissaris bij De Regenboog. In 1964 ontving zij de zilveren legpenning van de gemeente Tilburg.

 

Charles en Joop Janssen

de Goede Moordenaars

bijnaam met een knipoog naar een bekende boektitel van Antoon Coolen uit 1931 die werd gegeven aan twee ongehuwd gebleven zonen van Jos Janssen. Reden: ze zouden nog geen vlieg kwaaddoen, zo goedaardig waren ze! Zij volgden hun vader op in de Regenboog.

De familie Janssen woonde in villa Mariënhof aan de Bredaseweg (nr. 387) die Jos de Gebraojen Haon in 1916 had laten bouwen, met een landschapstuin eromheen naar ontwerp van de bekende tuinarchitect Leonard Springer. Na de dood van Jos bleven zijn weduwe en zonen Charles en Joop daar wonen. Toen de langstlevende (Charles) in 1986 kinderloos stierf, liet hij huis en tuin na aan Staatsbosbeheer omdat deze dienst de familie al jaren had bijgestaan met het onderhoud van de monumentale tuin. Voorwaarde was wel dat de tuin nog minstens 25 jaar zou blijven gehandhaafd. Staatsbosbeheer heeft er zelf na 1989 echter nog geen tien jaar gezeten, want in de tweede helft van de jaren 1990 werd het regiokantoor te Tilburg in het kader van een reorganisatie opgeheven. Het huis, met als nieuwe huurder een Europese natuurorganisatie, en de tuin staan er rond de eeuwwisseling in volle glorie bij. In 2002 trok er een nieuwe huurder in nadat de natuurorganisatie naar Brussel was verhuisd.

 

Han Janssen (x Mariëtte van Kemenade)

Puntje

oudste zoon uit het eerste huwelijk van Jozef Janssen (zie hiervoor). Woonde in de Sint Josephstraat naast Knegtel in een huis met zwembad, wat toen opzien baarde. Was o.a. voorzitter van de Stichting "Hart van Brabant" in 1959 (zie ook hoofdstuk 4: de Bille van Mariëtte).

 

de gezusters Janssen

de Gèète van Pigge

een van deze vier zussen was getrouwd met Dikke Jan de Beer (zie daar). De gèèt van Pigge was een begrip in Tilburg (zie bij Leonard Pigmans) maar waarom deze zussen zo werden genoemd is niet bekend.
 

Laurentius Joannes Janssens (1817-1899, x 1846 Elisabeth van Buren, Voorburg 1821 - 1902)

Lau Tòd

 

 

 

hij was de oprichter van de firma N.V. Janssens van Buren wollenstoffen. De fabriek was deels opgebouwd met stenen van het in 1856 gesloopte nabijgelegen Kasteel van Tilburg. De voorloper van deze fabriek is een fabriekshuis geweest dat stond aan de noordkant van het Hasseltplein met uitzicht op de Hasseltse kapel. Daar was Joannes Laurentius Janssens (1779-1860) de baas. Van 1821-’31 heeft Peerke Donders bij hem gewerkt. Over Peerke schijnt Joannes te hebben gezegd: “Het is een sukkelaar, maar men moet hem vergeven, hij heeft het te druk met Onze Lieve Heer”. Later heeft er als herinnering nog heel lang een beeld van Peerke in de fabriek van Janssens van Buren gestaan!   

 

 

Briefhoofd van Janssens van Buren uit 1918. Rechtsonder loopt de Gasthuisstraat langs de voorzijde van de fabriek en directiewoningen. In de laagbouw linksachter met het platte dak kwam later de grote Albert Heijn (foto: coll. RAT)

 

Elisabeth Joanna Maria Janssens (1860-1936)

de Koningin van de Locht

 

Elisabeth (Lisa, Lies) Janssens woonde met haar ook ongehuwde broer Vincent naast de fabriek Janssens van Buren aan de Gasthuisstraat, in het huis waar vanaf 1958 het Textielmuseum heeft gezeten totdat dit in 1985 naar de voormalige fabriek van Mommers in de Goirkestraat ging (foto: coll. Fam. Janssens)

 

deed, zoals veel fabrikantenvrouwen, liefdadigheidswerk zowel in bestuursfuncties als “in het veld” (het bezoeken van zieken en ouderen e.d.) Zij woonde in een huis naast de fabriek van Janssens van Buren op de hoek met de Pironstraat tegenover A&N Mutsaerts. Zij liep regelmatig naar het ziekenhuis aan de Locht en deed dat in een opvallend statige houding, vandaar haar bijnaam.

 

Laurentius Joannes Antonius Hermanus Janssens (1894-1964, x Maria F.H. Laane)

de Loudspeaker

was wollenstoffenfabrikant bij Janssens van Buren. Woonde in de Gasthuisstraat, later in de Stationsstraat. Zoon van Johannes (Jan) Laurentius Janssens x Maria Johanna van Spaendonck en een kleinzoon van Laurentius Lau Tòd Janssens, de oprichter van het familiebedrijf aan de Gasthuisstraat. Hij was een broer van Jan Ballon en neef van Lau Segaar en Lau Parapluu. Zijn bijnaam had hij te danken aan zijn luide stem.

 

Maria Francisca Henrica Janssens-Laane (geb. te Roosendaal 1896)

Mater Dolorosa

was de vrouw van Laurentius J.A.H. Janssens (zie hiervoor) omdat ze iets droevigs in haar blik scheen te hebben.

 

Cornelis (Cees) Bernardus Janssens (1867-1947)

Kaoie Kees

hij was de vader van de hierna genoemde Bernard Janssens en werd zo genoemd omdat hij dagelijks door de fabriek van Janssens van Buren liep te kijken of alles goed ging. Hij trok daarbij steevast een streng en ernstig gezicht, vandaar.

 

Bernard Janssens (overleden 1983, x Nettie de Jongh)

den Beul (2)

omdat hij nooit ook maar een vlieg kwaad deed. Familietak Janssens van Buren, broer van Lau Parapluu.

 

 

Bernard Janssens (1902-'83) en familie op zijn tachtigste verjaardag in 1982. Links van hem zijn zoon Duc (Liaan). Foto: coll. Fam. Janssens

 

Nettie Janssens-de Jongh (Duiven 1913 – Vosselaar, België, 2000)

de Lama

was gehuwd met Bernard Janssens. De verklaring voor haar bijnaam luidt, dat zij “met consumptie” sprak en/of op een bepaalde manier kon kijken die hooghartig leek.

 

Ronald C.J.L. Janssens (geb. 1944, x 1972 Christa Paula van Overzee)

Duc of Duc Liaan

zijn bijnaam werd al vroeg uitgevonden, toen hij een jaar of zeven was, door zijn vriendjes die de Donald Duck lazen. Ronald werd Donald Duck en dat werd weer ingekort tot Duc. Door deze ervaring wijs geworden hebben ze in 1974 hun zoon maar meteen als Duc laten dopen. De toevoeging Liaan ontstond op het Odulphus lyceum omdat hij groot en mager was en wat slungelachtig liep. Duc is een zoon van de hiervoor genoemde Bernard en Nettie Janssens-de Jongh. Bernard was dus textielfabrikant bij Janssens van Buren. Het gezin woonde ten tijde van de oorlog 1940-’45 in de Drossaard van Wesepstraat (Zorgvlied). Duc werd geboren in een schuilkelder vlakbij, want het overvliegen van Duitse V-1’s richting Engeland was gevaarlijk. Er kwam er weleens een voortijdig naar beneden, wat een keer werkelijk gebeurde op nog geen 100 meter afstand. Deze viel op de kapel van Mariëngaarde (zie bij Benoit Mutsaerts). Na zijn studie sociale wetenschappen in Tilburg vond Duc werk bij de rijksoverheid en leek hij afgeschreven voor deze stad. Hij bleef echter belangstelling houden voor het verleden en heeft een aantal jeugdherinneringen uit Tilburg gepubliceerd in een serie Vertèlverhaoltjes op www.geheugenvantilburg.nl

 

Laurentius J.I. Janssens (1891-1944, x Henriëtta J.C. Bressers)

Lau Segaar of de Spònse Braobander

was wollenstoffenfabrikant bij Janssens van Buren. Neef van Tòd, Parapluu en Ballon. Zoon van Karel Janssens (x Eras) in de Gasthuisstraat.

Vroeger was het in fabrikantenkringen gewoonte dat men elkaar op de eerste dag van het nieuwe jaar zalig Nieuwjaar ging wensen. Dat gaf een hele drukte met af en aan rijdende koetsen. Deze geste moest door het drukke nieuwjaarsdagprogramma overigens soms beperkt blijven tot het afgeven van een visitekaartje met gevouwen hoekje ten bewijze van een persoonlijke visite. Karel Janssens, de vader van Lau Segaar die in een groot huis aan de Gasthuisstraat woonde, nam op zekere dag Marinus Leemans als huisknecht en chauffeur in dienst, die eerder had gediend bij baron van Pallandt. Leemans vroeg kort na zijn aanstelling aan zijn nieuwe patroon of hij op nieuwjaarsdag het (butler)uniform met gouden tressen e.d. mocht dragen dat hij nog had uit zijn vorige dienstbetrekking. Op de eerste dag van het jaar werd er immers veel aanloop verwacht. Janssens zal zo ongeveer geantwoord hebben: “Ge doet mar.” Waarop Leemans inderdaad besloot om zich in zijn gala-uniform te hijsen. De eerste die vervolgens aanbelde in de Gasthuisstraat was Karel Janssens’ zwager Lambert de Beer en zijn vrouw. Toen een “echte butler” in vol ornaat er de deur opendeed sprak de verbouwereerde Lambert de Beer, die bekend stond als een ad rem persoon, de onsterfelijke woorden: ”Siere, is Jaanse thèùs?”

Opvallend genoeg dook de naam Marinus Leemans ook op in een verhaaltje dat ik laatst hoorde van mijn achterneef Berry de Beer (zie bij Marie-Louise “Muis” de Beer en Bernardus “Paus” Eras). Deze Marinus was de zoon van voornoemde huisknecht en chauffeur. We hadden het over het standsverschil in Tilburg voor de oorlog en wat je daarvan kon merken op school. Hij gaf mij het volgende opmerkelijke voorbeeld:

“Voor de oorlog speelde het standsverschil ook op de lagere school. Zo werd ik bij het spel vlag veroveren in de Drunense Duinen steevast als de generaal gekozen. Als een leerling mij beledigde of bedreigde, dan kreeg hij te maken met Marinus Leemans. Deze sloeg hem dan op zijn (.…) Marinus was de zoon van de chauffeur van Karel Janssens. Hij had geleerd dat het zijn plicht was altijd op te komen voor de hogere klasse…...”

 

Laurentius C.A.M. Janssens (1899-1975)

Lau Parapluu

 

Laurentius Janssens, of Lau Parapluu (foto: coll. RAT)

 

familietak Janssens van Buren. Zijdelings betrokken bij het familiebedrijf, koos hij voor maatschappelijke en politieke functies. Was wethouder van 1939-1961, gemeenteraadslid van 1927-1966 en loco-burgemeester van Tilburg o.a. in de moeilijke oorlogsjaren. Zoon van Kees en neef van Segaar, Tòd en Ballon. Hij is ongehuwd gebleven.

 

Mathilde (Tilly) Janssens

Willem de Zwèèger

familietak Janssens van Buren, zuster van de wethouder (Lau Parapluu) bij wie zij inwoonde. Er wordt wel gezegd dat zij daaraan haar bijnaam te danken heeft: zij wilde niet uit de school klappen over vertrouwelijke gemeentezaken, ook niet als ze onder druk werd gezet. Dit laatste is naar men zei meer dan eens voorgekomen!

 

Jan Janssens (geb. tussen 1895-1900)

Jan Ballon

was wollenstoffenfabrikant bij Janssens van Buren, zoon van Jan. Bleef vrijgezel en woonde eerst bij de fabriek in de Gasthuisstraat, daarna Ringbaan Oost. Broer van Tòd en neef van Segaar en Parapluu. Over Ballon gaat het verhaal dat hij de was de deur uit deed naar de zusters van De Goede Herder aan de Bredaseweg (ook de Zusters van de Verlaote Kènder genoemd, zie hoofdstuk 2) en dat hij, toen hij niet zo tevreden was over de kwaliteit van dit gezegende werk, eens een mand zou hebben teruggestuurd met een briefje erin: "S.v.p. meer zeep gebruiken!" Naar verluidt kreeg hij een week later precies dezelfde mand retour, zij het met een ander briefje: "S.v.p. meer papier gebruiken!"

Over de fabriek van Janssens van Buren ging ook het volgende verhaaltje: een van de directieleden was op een dag druk bezig op zijn kantoor toen er een bezoeker binnenstoof die kennelijk langs zijn secretaresse was geglipt. Het was een verkoper van kantoorboekhandel Aarts & Co. Dit kwam helemaal niet gelegen maar voordat hij iets kon zeggen vroeg de bezoeker hem: “Heeft u misschien nog potloden nodig meneer?” Waarop Janssens de vraagsteller toesnauwde: “Potlooje, potlooje!? Die hèk zat. Stikt ze mar in oew gat!” De geschrokken verkoper trok zich snel terug. Even later werd er opgebeld door de directeur van Aarts & Co. die zijn beklag wilde doen over deze bejegening van zijn medewerker. Het aangesproken directielid reageerde quasi verstrooid en vroeg wanneer dat dan wel geweest was. “Een half uur tot drie kwartier geleden meneer.” De reactie liet niet op zich wachten: “Dan zeg mar dattie ze d’er öt kan haole!”

 

pastoor Karel D.J. Janssens (1897-1980)

Karel Kwèèk

familietak Janssens van Buren, zoon van Karel. Is pastoor geweest van de parochie Gasthuisstraat van 1939 tot 1963. Daarvoor was hij prefect van kleinseminarie Beekvliet in St. Michielsgestel, waar hij "de Buffel" werd genoemd. Na zijn periode als pastoor is hij rector geweest op 't Hooge Veer (zie de Zusters van de verlaote Kènder, hoofdstuk 2.)

Karel Kwèèk Janssens stond bekend als een ouderwetse bullebak en ongedurige driftkikker. Uit zijn tijd als pastoor van de Gasthuisstraat stamt het verhaal dat hij zijn misdienaars eens voor wilde doen hoe ze de klok moesten luiden omdat hij niet tevreden was over hoe zij dat deden. Hij verzamelde zijn misdienaars onder in de klokkentoren voor zijn demonstratie. Vervolgens gooide hij vol ongeduld en energie zijn zware lichaam omhoog tegen het klokkentouw. Door het gewicht knapte er iets helemaal bovenin en dwarrelde dit touw van hoog in de toren naar beneden. Enkele tellen later lag pastoor Janssens op de grond, bedolven onder de grote touwkluwen!

 

Pastoor Karel Janssens reikt de eerste communie uit in de nieuwe kerk van de Gasthuisstraat, 1957 (foto coll. RAT)

 

Franciscus (Frans) J.M.H. Janssens (1890-1954, x Anna M.C.A. de Beer)

Fraans Segaar

uit de familietak van Eduard Janssens de Horion. Frans was een kleinzoon van Eduard en zoon van Emile Janssens (1860-1927, x Feldbrugge). Deze familie woonde eerst op de Heuvel en had er het pand laten bouwen, in het oostelijk deel waarvan later dokter Taminiau kwam te wonen (zie ook in hoofdstuk 4: et Stròtje van Taminiau) en nu de horecazaak Philip is gevestigd. Het westelijk deel werd afgebroken om ruimte te maken voor de doorsteek naar het Piusplein. De familie Janssens was zeer kinderrijk. Zo had Fraans Segaar liefst acht tantes, waarvan er drie elders in dit hoofdstuk onder hun huwelijkse naam zijn genoemd (Josephine Goijarts-, Anna Houben- en Miet Swagemakers-Janssens). Frans is overleden in Lugano.

 

Eduard F.A. Janssens (1834-1911, x 1859 Maria F.A.A. de Horion-de Corby, 1841-1907) stichtte de wollenstoffenfabriek Janssens de Horion, zat tot 1881 in de gemeenteraad en was van 1854-’96 president van de Kon. Liedertafel Souvenir des Montagnards (foto: Thiebault 1870, coll. RAT)

 

De fabriek van Janssens de Horion aan de Koestraat werd in de volksmond ook wel “Janssens (tot) de Horizon” genoemd. Dit beeld past daar zeker bij (foto: coll. RAT)

 

Walter Janssens (x Antoinette Enneking)

den Bill

was wollenstoffenfabrikant bij Janssens de Horion. Had een groot, rond gezicht en was helemaal kaal (kon met een pilsje op z'n hoofd lopen!) Vandaar de bijnaam. Hij was een broer van Frans Segaar Janssens (zie hiervoor).

 

Jos de Jong

de Kwaks

kantoorbeambte bij PTT Post met een bijnaam zonder afzender…..

 

Sjef de Jong (ca. 1900)

Beëlzebub

spookte rond op het kerkhof om mensen bang te maken.

 

Ludovicus (Louis) de Jong (1869 – Breda 1959)

de Swies

hij werd vooral bekend van zijn functie als suisse van de Goirkese kerk. Deze moest de orde bewaken tijdens de erediensten. De naam Suisse verwijst naar de Zwitserse Garde die een dergelijke rol vervult in het Vaticaan. Louis de Jong deed dit op et Gurke van 1935-’58, dus als een 65+ dienst. Hij had een statige, rijzige gestalte die daar goed bij paste. Iedereen daar kende hem dan ook als De Swies. Een suisse zag er in galatenue zeer indrukwekkend uit met staf, steek en een sjerp met de tekst "Eerbied in Gods Huis''. De jeugd was vol ontzag voor zijn gestalte en uniform. In de parochie den Bèsterd hadden ze vóór de sloop van de kerk in 1975 (deze in 1901 ingewijde kerk was opgedragen aan de H.H. Leonardus van Veghel en gezellen, en ontworpen door architect C.F. van Hoof) ook een suisse die aan dit signalement beantwoordde. Hij heette Van Gils en woonde in de Hoefakkerstraat. De suisse van de Heikese kerk had een soort tamboermaître-staf met een koperen bol aan een van de uiteinden.

Eerder (1895) was Louis de Jong medeoprichter van de Weversbond Sint Severus die in 1910 onder impulsen van kapelaan Poell (zie hoofdstuk 1) opging in St. Lambertus. In 1903 richtte hij de Tilburgse afdeling op van het “Kruisverbond” tegen drankmisbruik, wat aansloot bij een diocesaan initiatief uit 1897 om matigheid te promoten. Het is dus niet gewaagd om te veronderstellen dat De Jong in een van de vele textielfabrieken op het Goirke werkte en zich toen al betrokken voelde bij de kerk.   

 

Louis de Jong in vol ornaat als suisse van de Goirkese kerk (coll. Parochieel Kerkkoor Goirke)

 

dhr. De Jong

Dokter de Jong of Pietje Rutsel

woonde in de jaren 1940-'50 aan het Theresiaplein. Hij was een prominent lid van de EHBO-vereniging Petrus Donders (zie hoofdstuk 2: de Zwachtelbond). Mensen in de wijk die iets opliepen aan hoofd of ledematen gingen vaak eerst naar "Dokter" de Jong. Zijn werkelijke beroep was personeelschef bij een wollenstoffenfabriek. Er werd gezegd dat hij nogal eens arbeiders in de gaten hield terwijl hij zich in de fabriek verborgen hield. Als personeelschef liep je toen echter veel risico dat er zulke verhalen over je werden verteld. 

 

Dionysius Jongbloets

Nies Spiers

spierste altijd. Woonde in de Prinses Sophiastraat.

 

dhr. Jongen (overl. ca. 1900)

de Sloome

was bakker in de Prinses Sophiastraat, hoek Oranjestraat. Hij was de grootvader van mevr. Tessy van Dooren-Jongen (1931-2002), lid van de gemeenteraad voor de ABT (Algemene Bejaardenpartij Tilburg, later TOP: de Tilburgse Ouderen Partij) van 1980 tot 1993.

 

Josephus Jongen (1871-1933, x 1896 Adriana van der Weegen)

Toet of Jôozep Jongen

Jôozep Toet Jongen was gehuwd met Adriana (Jana) van der Weegen (zie daar), die een winkel dreef op de spie van de Korvelseweg en Nieuwstraat. In 1932 verhuisden ze naar de Hesperenstraat vlakbij, waar “Toet” een jaar later kwam te overlijden. Hij was het hoofd van een ploeg kabelleggers, die na het graven van een sleuf door op een toeter te blazen het moment aangaf waarop zijn mannen allemaal tegelijk aan de kabel moesten sjorren om deze in de gleuf te leggen. Vandaar deze bijnaam. Meer officieel luidde zijn beroep metselaar-aannemer.

 

Pieter Jooss (1966-2018)

de Hindernisfotograaf

 

Foto op www.tilburgers.nl (2013)

 

Fotograaf Pieter Jooss leed aan een erfelijke stofwisselingsziekte (ziekte van Kufs) die zijn gezichtsvermogen steeds verder aantastte. Niettemin bleef hij foto’s maken, zelfs toen hij nog maar 5% gezichtsvermogen had. “Hindernisfotografie” noemde hij dit. Toen hij in 2018 op 52-jarige leeftijd aan zijn ziekte kwam te overlijden, liet hij een groot online oeuvre na met vooral veel zwart-wit foto’s van Tilburgse mensen, liefst natuurlijk in hun alledaagse omgeving, en van de stad in al haar mooie én rauwe facetten.  

 

 

Pieter Jooss maakte op 29 januari 2014 in het Cultureel Café bij Theater de Nieuwe Vorst deze foto van de journalist, poëzie-, proza- en dramaschrijver Jace van de Ven (geb. in Leende 1949), die van 2003-’05 de eerste Tilburgse stadsdichter was en in zijn columns in het Brabants Dagblad graag burgemeester Gerrit Brokx (zie daar) op de korrel nam (foto van www.tilburgers.nl)

 

 

1.K

 

Harrie van Kasteren jr.

Bultje

omdat hij wat hoog in de kraag zat (een bochel had) na een val uit een boom. Zijn vader (Harrie senior) en moeder San van Kasteren-Vriens dreven een uit eind 19e eeuw daterende winkel in kaas en vis in de "Bomenbuurt" (tussen de Bredaseweg en de Hart van Brabantlaan). Harrie junior stond altijd in de winkel wanneer zijn ouders met kaas en vis naar de markt waren. Na de dood van Harrie senior ging San nog even met haar tweede man Toon van Soest in de zaak verder, maar ze verhuisden al gauw naar België. In het hoekpand kwam een kruidenierswinkel. In 2002 kwam bij een restauratie van dit hoekwinkelpand de gevelplaat met de tekst "Handel in Kaas en Visch" in vergulde letters weer tevoorschijn.

 

Jan(-tje) Keller

Kuntje Kèlder (1)

dreef met zijn vrouw een kruideniers- annex snoepwinkeltje tegenover de Leo XIII-school in de Leo XIII-straat. Voor kinderen was het de grote lol om de winkeldeur hard open te gooien en te zien of Kuntje hen achternakwam.

 

Johannes Maria Josephus Kerstens (1848-1913, x 1876 Aldegonda Maria Johanna van Leeuwen, 1849-1910)

Jantje “K”

hij was naast textielondernemer van de firma J.A.A. Kerstens' Lakenfabriek ook politicus: gemeenteraadslid van 1888 tot 1891, wethouder van 1891 tot 1913 en ook lid van provinciale van staten. Had in die combinatie van functies veel invloed in de stad. Woonde op de Heuvel, dichtbij "de Razzeldazzel" (zie hoofdstuk 4). Zijn vrouw kwam uit Den Haag, waar zij in 1876 in het huwelijk traden.

De samenwerking tussen Mutsaers en Kerstens die begon in 1848 werd in 1857 voortgezet als J.A.A. Kerstens' Lakenfabrieken aan de Langestraat. Leden van de families Kerstens en Mutsaer(t)s deelden er beurtelings de lakens uit. De laatste directeur was Frederik (Freek) Frans Karel Maria Mutsaerts (geb. 1919, x Marguerite Marie Jeanne van Dooren geb. 1920), die door samenwerking en overnames het slechte tij van de textielcrisis probeerde te keren, totdat ook hij moest aftreden (1965) om zich verder geheel te wijden aan zijn voorzitterschap van de Vereniging van Tilburgse Wolfabrikanten. Deze Freek was een zoon van Frederic (Frits) Richard Marie Mutsaerts (1895-1967, x Carola Renildis Marie Kerstens, zie ook bij Johannes Franciscus Soosje Mutsaerts. Hun dochter Carla en zus van Freek trouwde met de latere KVP-coryfee, fractievoorzitter en minister van Buitenlandse Zaken, Norbert Schmeltzer die in Tilburg economie had gestudeerd). Over Frits Mutsaerts ging het verhaal dat, hoewel hij niet meer rookte, toch steeds door de fabriek liep met een onaangestoken sigaret in de mond. Mensen die al langer bij hem werkten spoorden nieuw personeel aan om hem een vuurtje aan te bieden. Dit kwam die bereidwillige lieden echter op een fikse uitbrander te staan, want mijnheer Frits rookte toch niet meer! Een van de latere overnames was die van J. Brouwers' Lakenfabrieken (zie bij Fraans Hals Brouwers) in 1958. Mies Beels-Brouwers had bij deze transactie bedongen dat haar zoon Len de verkoop in het buitenland mocht blijven doen. Kennelijk had niet iedereen bij Kerstens veel fiducie in deze parachutist en misschien was hij ook niet meer zo gemotiveerd. Hoe het ook zij, bij een jong medewerker op de stalenkamer (Jan Pessers "Twee" zie daar,) die altijd de stalenkoffer voor Beels prepareerde voordat deze op zakenreis ging, rees al gauw het vermoeden dat er in het buitenland niet veel werd gewerkt, want de koffer ontving hij altijd keurig terug met alles precies zoals hij het er in had gelegd. Dit punt bleek onbespreekbaar bij de directie. Beels' positie was ijzersterk. Pessers nam daarop zelf eens de proef op de som en stopte enkele keien tussen de stalen. Toen Beels weer terugkeerde van zijn zakenreis zat alles, inclusief de keien, nog keurig op z'n plaats! Beels is later nog voor zichzelf begonnen met textielagenturen. 

 

De begrafenis van de ondernemer en politicus Johannes Kerstens in 1913 trok veel belangstelling. Deze foto is genomen in de St. Josephstraat (coll. RAT)

 

Aloysia (Wiesje) Kerstens

den Uut

was een dochter van Kerstens-van Leeuwen. Waarom zij den Uut werd genoemd is niet duidelijk. Misschien had zij veel liefdes die snel weer “uut” gingen?

 

Léon M.J.A. Kerstens (1900-1980, x Olga F.M. Schröder, 1901-2002)

de Beminneleke Gifmenger of den Bottelèèr

van Wijnhandel André Kerstens. In 1980 werd herdacht dat de familie Kerstens liefst 300 jaar in de wijnhandel actief was. Pas in 1840 kwam de eerste Kerstens overigens naar Tilburg. Dat was Bernard, die zich hier vestigde als apotheker en wijnhandelaar! In 1970 werd het sinds 1882 bestaande wijnhuis Louis Bogaers overgenomen. De geplande feestelijkheden in 1980 werden echter overschaduwd door de dood van “Mijnheer León” (een zoon van André Kerstens (1865-1925, x 1897 Seraphina Maria Camilla Bogaers, 1874-1944, dochter van Vincent, zie daar).

Na het overlijden van Léon Kerstens in 1980 werd de familiezaak voortgezet door zijn zonen Rob en Leopold samen met hun neef André, totdat die in 1990 werd overgenomen door Pernod Ricard. Het vanaf 1987 al tot dit Franse concern horende bedrijf Cooymans uit Den Bosch werd in 1993 met André Kerstens samengevoegd op de Tilburgse locatie die daartoe werd uitgebreid. Rob is ook bekend geworden als schrijver van artikelen en boeken over wijn, waarbij hij overigens ook veel aandacht schonk aan Spaanse wijnen en sherry. Hij kreeg daarvoor eens een hoge Spaanse onderscheiding. Neef André is geruime tijd verbonden geweest aan de Nederlandse Wijn Academie. De familie Kerstens zou rechtstreeks afstammen van de markies van Léoville, die in 1712 het prestigieuze Château Léoville Las Cases in het Sain-Julien district verwierf.

 

Petrus van Keulen (1855-1938)

Peer Luijten

 

Petrus van Keulen, Peer Luijten genoemd, hier op een foto uit 1923 (coll. RAT)

 

was eerst brandstofhandelaar en sloper, later straatmuzikant. Bespeelde een draaiorgeltje dat op zijn buik hing. Woonde op et Körvel en dronk naar men zei veel. Hij stierf in Breda. Hij was een zoon van Jan Baptist van Keulen en Petronella Somers. Zijn tweede achternaam (Luijten) wijst mogelijk naar een familielid waar Peer bij heeft ingewoond toen hij nog jong was. Twee nichten van hem heetten namelijk zo.

 

dr. Klercks

Kòp Klercks

huisarts

 

pastoor Waltherus J.J. de Klijn (1884-1958)

den Absoluusie of pestoor Akkermans

 

 

rector van ‘t Moederhuis Oude Dijk van 1914-1922, waarna bouwpastoor van de nieuwe parochie H. Margarita Maria Alacoque, of “de Bredaseweg”, als afsplitsing van Korvel. Deze kerk aan de Ringbaan-West (architect Bonsel, zie ook bij Beels-Brouwers) werd in 1922 ingewijd door de wnd. deken en pastoor van de Hasselt F.J.A. de Beer. Pastoor De Klijn was bekend om zijn ambities voor de kerk aan “het west-end” van de stad en zette daarvoor met succes zijn (vele) zakelijke talenten in.

 

Pastoor De Klijns domein, getekend door Bonsel 1920, gerealiseerd behalve de toren naast kerk. Linksvoor huis Bonsel.

 

Het bolwerk van kloosters en scholen rondom de kerk en pastorie van pastoor De Klijn besloeg al een heel blok tussen de Ringbaan-West en de Poirtersstraat voordat men er goed en wel was begonnen met de stadsuitbreiding. Vooral de sprong over de ringbaan met nieuwe woningen kwam slechts moeizaam op gang. De Klijn nam niettemin met enkele parochianen het gedurfde initiatief tot de bouw van pension Mariëngaarde, een huis voor (welgestelde) ouderen (architect Kropholler, 1935). Toch moest De Klijn, die al voor de oorlog op veul schòpkes had gerekend, tot zijn verdriet nog lang vanuit zijn pastorie over lege, uitgestrekte akkers kijken. Hij werd daarom ook wel pestoor Akkermans genoemd. Na de oorlog, toen de akkers snel met woningen werden bebouwd, heeft hij met grote vasthoudendheid gewerkt aan de stichting vanuit zijn parochie van de nieuwe parochie Sint Petrus en Paulus waar zijn kapelaan en neef C. Manders in 1955 de bouwpastoor werd. Manders werd in 1965 echter al benoemd tot opvolger van pastoor Karel C.L. de Beer (zie daar) in Hilvarenbeek nog voordat de bouw van zijn kerk aan de Vierwindenlaan van start kon gaan. De Klijn is begraven in zijn geboorteplaats Raamsdonkveer (zie hoofdstuk 4: de Börgemistersbuurt en et Teerevèldje).

Het verhaal ging dat pastoor De Klijn eens de hoge kerkelijke onderscheiding “Pro Ecclesia et Pontifice” moest gaan opspelden bij een vrouwelijke parochiaan met jarenlange verdiensten als vrijwilligster in organisaties van zorg en liefdadigheid. Toen de pastoor bij die gelegenheid haar omvangrijke "rondborstig voorkomen" waarnam werd hij onzeker over de plek voor zijn prik en vroeg, met het onderscheidingsteken in zijn hand kijkend naar het doelgebied: "Waar heeft u graag dat ik het neerleg, mevrouw?"

 

Prent  van de week van Cees Robben (15 februari 1958), ter gelegenheid van het afscheid van pastoor De Klijn.

 

Theo A.M. Knegtel (1893-1974)

den Beminneleken Afzètter

Forddealer, een van de eerste garagebedrijven in Tilburg, aanvankelijk jarenlang aan het Piusplein gevestigd, op de plaats waar eerst de bakkerszaak van zijn vader was. Hij breidde zijn zaak uit tot de Heuvel met een showroom (met groot voorover hellend raam) naast hotel Riche (nu Mercuur). Rond 1980 verhuisde garage Knegtel naar een terrein aan de Spoorlaan dat grensde aan de Gasthuisring en was daar een tijdje de buur van de drukkerij van het Nieuwsblad van het Zuiden. Later werd garage Knegtel overgenomen door Obam en verhuisde in 1999 naar industrieterrein Noord. Het terrein met opstallen aan de Spoorlaan is vervolgens verkocht aan een projectontwikkelaar die daar een groot woon- en kantoorcomplex neerzette, met een parkeergarage aan de spoorzijde die nog steeds Knegtelgarage heet.

 

Autoshow van Fordgarage Knegtel in 1924 op het Piusplein. Van enkele klanten die deelnemen zijn de namen herkenbaar, zoals A. Heerkens steenkolenhandel Zuidoosterstraat, J.J. de Leeuw handel in vis e.d. Tuinstraat, bakker M.C. Santegoets Trouwlaan en M&H de Bont grossier in kruidenierswaren Heuvelstraat. Linksboven de Koopmansbeurs die van 1919 tot 1927 op het Piusplein heeft gestaan. De inrit van garage Knegtel lag ook aan dit plein.

 

Fordgarage Th. Knegtel exposeert en jubileert op de Heuvel vanwege het 25-jarig bestaan in 1946.

 

Foto uit 1930 van een Lincoln uit de Tilburgse garage Knegtel die de eerste prijs won op een autoshow in Waalrijk. De prijs, twee zilveren kandelaars, ging naar eigenaar Sjef de Rooij. Achter het stuur: Theo Knegtel (coll. RAT)

 

 

Cornelia de Kock-Marsé (1842-1916)

Moejke de Kòck

woonde in een wevershuisje in de Rèèt. Zij was een van de vele volksfiguren die rond de eeuwwisseling werden vastgelegd door de befaamde, destijds in Tilburg gevestigde fotograaf Henri Berssenbrugge.

 

Foto Henri Berssenbrugge.

 

Broeder Desideratus (Wilhelmus Adrianus Josephus) Kocken (Ravenstein 1927 – 2007)
Broeder Desi, de Laatste Bedelpater

hij was een pater Kapucijn die bekend was in het straatbeeld van Tilburg omdat hij er steeds op uit ging, te voet of op de fiets, om mensen devotionalia aan te bieden zoals rozenkransen en kleine beeldjes van Maria en Antonius, sleutelhangers van Christophorus enz. De opbrengst was altijd voor de missie, waar zijn medebroeders als missionarissen werkten. Hij ging daar tot zijn tachtigste jaar mee door, vanuit het klooster aan de Korvelseweg waar hij sinds 1979 woonde. Daarvoor had hij al gewoond en gewerkt in verschillende andere kapucijnenkloosters als kok, koster en tuinman, nadat hij eind jaren 1940 was ingetreden in de Orde der Minderbroeders-Kapucijnen.
 

Broeder Desi Kocken op de Tilburgse kermis in 2006 (foto Karel de Beer)

Nies Koetje (1936-2006)
Koei

uit zijn overlijdensadvertentie
 

Antony Kok (Rotterdam 1882- Haarlem 1969)

Kokkie of Toon

 

Anthony Kok in de Lovensestraat met op de achtergrond de kerk van de parochie Loven, 1931

 

werd zo genoemd door zijn vrienden, allen aanhangers van de kunstbeweging De Stijl. Theo van Doesburg was in ons land een van de bekendsten. In 1914 leerde Kok in Tilburg Van Doesburg kennen en nog hetzelfde jaar besloten ze een tijdschrift over beeldende kunst uit te geven en soirees te organiseren. Kok bekwaamde zich in klankgedichten. Later voegden zich bijvoorbeeld ook Piet Mondriaan en Bart van der Lek bij hen. De Stijl zocht in plaats van breedvoerigheid naar diepte en intensiteit. Kok was een zoon van de Rotterdamse commies der Staatsspoorwegen Pieter Kok (x Sophia Hagen), die in het voetspoor van zijn vader trad en in 1908 naar Tilburg kwam in verband met zijn werk voor de spoorwegen, waar hij het bracht tot hoofdcommies. In 1952, tien jaar na zijn pensionering in Tilburg, verhuisde Kok naar Haarlem waar hij in 1969 is overleden.

Antony Kok, die een kamer betrok boven slagerij De Brouwer op de hoek van de Tuinstraat en de Telefoonstraat, ontpopte zich als amateur-dichter. In 1914 leerde hij de hier gemobiliseerde militair Theo van Doesburg (1883-1931) kennen. Deze beeldend kunstenaar, schrijver en dichter kwam hem regelmatig opzoeken in de Tuinstraat. Van Doesburg kon later nog lyrisch terugkijken op deze tijd en die omgeving: "Ik ben voortdurend met mijn gedachten te Tilburg. Ik zie voortdurend de Zomerstraat, de Heuvelstraat, de Stationsstraat en niet in het minst de Tuinstraat." Al in 1915 organiseerden ze samen met hun vriend de zanger Maurits Manheim het eerste "soiree intime" in café-restaurant Albert Jansen tegenover het station van Tilburg (later hotel P. Mulders, daarna Central) met een programma van klassieke muziek (door Kok op piano en Manheim zang) en een literair gedeelte (door Van Doesburg). In 1917 volgde oprichting van het blad De Stijl dat een van de belangrijkste tijdschriften zou worden uit de Nederlandse kunstgeschiedenis. In 1920 vond ondertekening van een manifest plaats door een groep rond De Stijl, onder wie Piet Mondriaan. Kok was de eerste die op klank gebaseerde gedichten maakte, zoals De Wisselwachter, Nachtkroeg en Klanken. Later raakte hij in de ban van een spiritualistische beweging. Misschien verklaart dat het feit dat er na 1923 geen bijdragen van hem meer zijn verschenen in De Stijl, en dat hij als belangrijke dichter van de Stijl toch behoorlijk in de vergetelheid raakte. Door zijn connecties met beeldende kunstenaars zou Kok in het bezit zijn gekomen van een verzameling schilderijen die ten tijde van zijn overlijden miljoenen guldens waard moet zijn geweest. Zijn erfgenamen hebben daar maar enkele duizenden guldens voor gehad. Men zegt dat de rest is verdwenen in de zakken van kunsthandelaren.

 

Op een deeltentoonstelling in Museum De Pont met betrekking tot 'De Stijl' en Antony Kok, was in 2007 een beredeneerde reconstructie te zien van de kunstwerken die bij Kok thuis ooit aan de muur hebben gehangen. Foto Ed Schilders.

 

 

Anthony Kok met Hannie (1912-’90) en Jan van Beurden, kinderen van een goede collega en vriend van hem, rond 1922. Een van de vroegste gedichten van Kok ging over baby Hannie.

 

Theo de Kok

de Matjas

fervent supporter van de TIJSC (Tilburgse IJshockeyclub) Trappers toen deze nog op een open baan speelde in wijk Theresia (zie bij Theo van der Aa). Ging daar altijd kijken met zijn vriend Van Melsbroek die de Fieliedoor werd genoemd (zie daar). De Matjas en de Fieliedoor kwamen beiden uit de Schaepmanstraat. Matjas de Kok stond erom bekend dat hij na afloop van de wedstrijd meer rondjes aannam dan weggaf.

 

Kees de Kokken

Kees de Jaoger

zoon van de jachtopziener van het kasteel van Tilburg op de Hasselt.

 

Gerard Koks (1939-2004, x Angelique van den Oetelaar

Kokkie Petat

kwam op 25-jarige leeftijd vanuit de regio Den Haag naar Tilburg en werkte eerst bij warenhuis Priba (Heuvelstraat). Toen dit werd gesloten zag hij kans om aan het Paletplein, in het nieuw westelijk stadsdeel, een cafetaria te beginnen. Hij noemde dat Kokkie Petat, gelijk aan de bijnaam die hij had overgehouden aan zijn militaire diensttijd. Later kortte hij dit in tot “Kopasnacks” en bedacht zijn befaamd broodje frika (worstenbroodje maar dan met frikadel in plaats van worst). De zaken liepen gesmeerd, zodat hij al gauw kon uitbreiden tot uiteindelijk zeven cafetaria’s (o.a. aan de Korveleseweg) en twee zaken in comestibles (één aan het Paletlein). Hij verkocht alles begin jaren 1990. Als hartstochtelijk carnavalsvierder was hij in 1967 een van de oprichters van de carnavalsvereniging de Fèènpruuvers (thuis in café De Fijnproever aan de Bredaseweg). Koks zat verder o.a. in de organisatie van den Opstoet (zie hoofdstuk 4) en nam daar ook zelf aan deel. Was medeoprichter van carnavalsorkest “De Vipkus” en bespeelde daarin de grote trom. Hij kocht voor het vervoer van dit orkest een oude brandweerauto, die werd gereden door zijn broer Harry (zie hierna).

 

Harry Koks

Cola Harry

was de broer van Gerard Kokkie Petat Koks. Kwam ieder jaar met carnaval uit Den Haag naar Tilburg om de brandweerauto van de Fèèpruuvers met het orkest “De Vipkus” te rijden, want er ging bij hem toch alleen maar Coca Cola in.

 

Adriaan Kolen

de Procureur

bekende stroper die alles van de jachtwet wist en daardoor nooit werd bekeurd, woonde in de Kapelstraat (ter hoogte van later bakker Smarius aan de Ringbaan-Noord).

 

Adrianus Kolen (1870-1950)

Zwarte Jaanus of den Zwarte Koole

boer die op de Tongerlose Hoeve aan de Reitse Hoevenstraat woonde, vanwege zijn donker uiterlijk.

 

Jan Kolen

de Rèèke Jan Koole

hij was een begrip in de Rèèt en Reitse Hoevenstraat in de 19e eeuw. Daar waren meerdere boerderijen zoals de Bisschopshoeve en de Tongerlose Hoeve waar een familie Kolen in woonde. Deze bijnaam werd ook meer algemeen gebruikt voor iemand die goed geboerd had: "Hij is ene rèèke Jan Koole." Volgens een andere lezing woonde er op een hoek van de Telegraafstraat ook een Jan Kolen waar een gezegde van is afgeleid. Deze dééd alsof hij erg rijk was: “Hij beslècht (lijkt op) de rèèke Jan Koole,” kon dan ook slaan op iemand die dééd alsof hij geld genoeg had. 

 

weduwe Kolen

Mina Kuus

woonde in de Reitse Hoevenstraat.

 

dhr. Kolen

den Dôove Koole

was de oprichter van het transportbedrijf Gebroeders Kolen. Ook bekend van de Zandbar in de Goirkestraat.

 

Andreas (Dré) de Kort

Dreeke den Buts of Poeperd de Kort (1)

 

 

reeds in 1879 moet er aan de Korvelseweg 209a een handel De Kort-Van Geloven hebben bestaan in naaimachines (links op de foto) later aan gevuld met rijwielen (rechts). Dré de Kort had een opvallende "buts" in zijn hoofd, vandaar zij eerste bijnaam. Men zei tegen hem: “Ge hiet nie Poeperd, war De Kort, mar ge hiet De Kort, war Poeperd.” Zijn (klein-) zoon Ben had er een postagentschap bijgenomen. In 2001 heeft deze zijn rijwielwinkel annex postkantoor gesloten, mede vanwege het feit dat hij meerdere malen het slachtoffer was geworden van een brute overval.

 

Jacques de Kort

Poeperd de Kort (2)

dreef een winkel (De Kort-van Leeuwen) in huishoudelijke artikelen en speelgoed in de Goirkestraat (nr. 58).

 

dhr. De Kort

Poeperd de Kort (3)

werkte in de winkel bij Jan Plèk van Laarhoven aan het Wilhelminapark (zie daar). Hij stond daar bij zijn klanten bekend om zijn voorzichtigheid. Zo kon je vlak na de oorlog toen er aan van alles nog gebrek was met veel moeite slechts een of twee schriften bij hem losweken, ook al moest je er méér hebben voor school, anders was hij bang dat hij andere klanten tekort zou doen.  

 

dhr. De Kort

Poeperd de Kort (4)

zijn vader had een drogisterij vlak voor de overweg van de Gasthuisstraat. Deze zaak moest wijken voor de aanleg van et Hôogspoor (zie hoofdstuk 4). De Kort jr. vestigde zich in de Nieuwlandstraat. Hij dreef daar tot het midden van de jaren 1990 een parfumeriezaak.

 

dhr. De Kort

Poeperd de Kort (5)

was een dakloze die vaak rondhing op de standplaats van de taxi's, voor het station. Hij werd ook quasi-deftig Poupée à la Cour genoemd (cour = plaats, waar de taxi's stonden voor het station).

Meer dan vijf “Poeperds de Kort” kwam ik niet tegen! Het lijkt sterk dat er liefst vijf verschillende “Poeperds de Kort” geweest kunnen zijn, zodat men hier zou gaan twijfelen aan het bronnenmateriaal. Toch waren de informanten stellig overtuigd van hun herinneringen op dit punt! Je zou haast aan een genreaanduiding gaan denken.

 

Jan de Kort (x Mieke)
Jantje Contantje

omdat deze eigenaar van de welbekende zaak Broodje Jantje aan het NS-plein geen consumpties op krediet accepteerde. Meer dan 37 jaar was zijn creatie populair bij stappers en liefhebbers van het broodje met gehakt, gebakken uien en een pittige tomatensaus. Jantje was zó geliefd dat er zelfs in een aflevering van de Tilburgse Revue eens een lied over werd gezongen, geschreven door Ed Schilders (“Heimwee naar een Broodje Jantje”). Algemeen bekend in Tilburg en wijde omgeving was het motto “In ieder handje een Broodje Jantje”. In 2002 namen Jan en Mieke de Kort afscheid van het NS-plein. In 2005 nam de Bonheur Horeca Groep de naam, het beeldmerk en de receptuur over en beleefde het broodje een come-back tijdens evenementen en feesten, in varianten zoals: “Jantje Rood” met tomatensaus en “Jantje Bruin” met satésaus. Jan de Kort bleef als “ambassadeur” aan dit project verbonden. In 2010 werd een vestiging geopend aan het Pieter Vreedeplein. Bij het vijftigjarig bestaan van Broodje Jantje in 2015 kreeg Jan de Kort de Tilburg Trofee uitgereikt door loco-burgemeester Erik de Ridder.

 

Jan de Kort met in ieder hand een broodje, in zijn slagerij annex automatiek aan het NS-plein.

 

   

Het Broodje Jantje mocht zich op 27 april 2107 zelfs in een koninklijke belangstelling verheugen tijdens de gouden (Willem-Alexander 50 jaar) Koningsdag die de Oranje familie in Tilburg vierde. De prinsen Constantijn en Maurits doen zich hier te goed aan Jantje's broodjes. Een ingelijste vergroting van de foto rechts werd precies een jaar later in Groningen aangeboden aan prins Constantijn door Tilburg´s twee meest fervente fans van het Koningshuis, de gezusters Pauline en Marieke Gimbrère (foto's: Broodje Jantje).

 

Joannes (Jan) Reinerus Kortenray (1869-1936)

Jan de Kater of den Sik of Ouwe Jan

 

Foto van Jan Kortenray uit 1895 toen hij nog bij het Spoor werkte (foto: P. Weijnen, coll. RAT)

 

was straatmuzikant, geboren in Helmond en in 1914 verhuisd naar Tilburg. Hij werkte eerst bij het spoor maar werd in 1903 vanwege staken ontslagen. Hij werd harmonicaspeler en was met name te zien en te horen op (jaar-)markten en kermissen. Hij woonde in de Ruischvoornstraat.

 

 

“Zonder drank geen klank,” dacht Jan Kortenray zeker toen hem werd gevraagd om zijn muziek te laten horen tijdens een Brabantse koffietafel van de R.K. Bond van Café – Restauranthouders en Slijters te Tilburg (foto: Kath. Illustratie 1936. Zie ook: We hebben gezongen en niks gehad, Rolf Janssen, Tilburg 1984).

 

Jan Kortenray jr.

den Dôove of Dôove Jan

trad in de voetsporen van senior: was ook accordeonspeler en woonde ook in de Ruischvoornstraat.

 

Peer Krijnen (geb. ca. 1945)

de Slip

woonde tot 1985 in de Veestraat. Stond aan het hoofd van een familie die er veel overlast veroorzaakte. Peer heeft ook geruime tijd in de gevangenis doorgebracht. Het verhaal wil dat er in 1985 een opmerkelijke deal werd gesloten tussen Tilburg en de gemeente Maastricht, waarbij besloten zou zijn om twee probleemfamilies te ruilen. Zodoende werden de gemeentes ieder van een probleem verlost, en kregen de beide families een nieuwe kans. Begin 2002 luidt het nieuws dat de gemeente Maastricht een huizenblok naast een gevangenis voor de familie Krijnen opkoopt, omdat deze zich na zeventien jaar nog altijd onaangepast gedraagt!

 

Piet Krijnen (1957-2001)

Rooje Piet

woonde met zijn partner Nel van den Dungen in de Zernikerstraat

 

dhr. de Kroon

den Boolus

zoon van bakker J.J. De Kroon-Swaans uit de Houtstraat (37), later chefkok van Princeville (toen Van der Valk de smaak daar nog niet verrinneweerde).

 

Wim Kruize

Rôoje Willem

draaide begin jaren 1970 plaatjes o.a. in vestzaktheaer en uitgaansgelegenheid “De Spoel” in de Fabriekstraat (oorspronkelijk praktijkgebouw, ontworpen in 1906 door architect Jos Donders voor de chirurg Deelen) en de Slakkengang (Antoniusstraat). Rôoje Willem was een opvallende verschijning met lang rood haar. Vaak droeg hij toen een donkerpaars, fluwelen pak met wijde broekspijpen waaronder schoenen met hoge plateauzolen. Soms als hij ging stappen was hij ook compleet in het wit gekleed (zie Rôoje Sjef Brouwers). 

 

Lou Kuijpers (1947-2003)

Ons Mènneke

Tilburger die docent Frans was aan het Jeroen Boschcollege in Den Bosch. Bijnaam gezien in overlijdensadvertentie, waarin ook stond vermeld dat hij "bourgondiër en docent Frans in hart en nieren" was, wat goed bij elkaar past. Maar of hij op school ook een (deze?) bijnaam had is niet bekend.

 

Jan Kwakman

Jan Kwak

Volendammer visboer aan de Tilburgse Abraham Kuijperstraat (een zijstraat van het Wilhelminapark).

 

Cato Kwinten

Kaatje de Laat

was de vrouw van Kees de Laat, kok & keukenprinses op de Heuvel, circa 1835.

 

 

1.L

 

Bart van Laarhoven

de Prik

komt voor in lied van Van Ostade over Pieta Melis.

 

Jantje van Laarhoven (1885?)

Jantje de Wuust

woonde in de Kaojen Hoek (zie hoofdstuk 4) en ventte met krabben en kneukels.

 

Jan van Laarhoven (1828-1915)

Jan Plèk

 

Jan Plek van Laarhoven (foto: coll. RAT)

 

was eerst thuiswever die in 1863 boeken ging inbinden en in 1875 een boekbinderij annex papierhandel begon, eerst aan het Smidspad en later op die hoogte aan het Wilhelminapark. In 1907 begon hij daar ook een drukkerij. De kantoorboekhandel die daaruit ontstond is altijd bekend gebleven als Jan Plèk. Intussen is op die plek een politiebureau gebouwd. Minder bekend is de sjiekere versie van zijn bijnaam: "Jean Cleef".

 

Jos van Laarhoven

de Rooje Soeschoe

waarom hij zo werd genoemd is niet bekend. Hij had met zijn vrouw Bertha van 1960 tot circa 1974 een winkel in de Molenstraat in Goirle die “Het Borstelhuis” heette. Je kon er overigens ook speelgoed, snoep en wasmiddelen kopen. Het opgestoken blonde haar van Bertha van Laarhoven maakte op menigeen indruk.

 

Harrie de Laat (1928-2004, x Puck Schikhof)

Broer de Laat

hij verkocht kleding voor de gewone man in de Oerlesestraat, waar volgens zijn advertentie: “Lijn 2 stopt vur de deur.” In de jaren zestig en zeventig had hij vijf van deze zaken in Midden-Brabant. Hij had in die tijd een grote bekendheid, ook door zijn advertenties in eenvoudige dichtvorm zoals: “… Dus bèn verstaandig èn kèkt irst bij Broer de Laot, vur ge op en aander gaot.” Daarom wist men niet anders dan dat hij Broer heette, terwijl zijn eigenlijke naam Harrie was. Voordat hij in de kleding ging probeerde Broer de Laat het o.m. als slager in de Oerlesestraat, maar dat bleek niet zijn roeping.

 

Mieke de Laat

Mieke den Bort of Mieke Jodel

zij kwam met haar man van buiten Tilburg Ze gingen wonen in de Wittebollestraat wonen. Mieke was populair in de buurt, o.a. omdat ze minutenlang aan één stuk door kon jodelen.  

 

Louis (Loek) Albert Lansdorp (Semarang 1921- Arnhem 1944)

Carl le Croix, ook wel Paul, Carlo of Charles van de Heuvel

Hij werkte in de oorlog 1940-’45 onder deze schuilnamen in het verzet.

De vader van Loek, Albert Jacob Lansdorp, werd in 1898 in Bandoeng geboren en was vanaf 1919 werkzaam te Semarang als hoofdboekhouder van een Nederlandse handelsfirma. Hij trouwde in 1920 bij volmacht met de Tilburgse Catharina Wilhelmina Johanna Maria Melis (1899-1982, een dochter van Ludovicus P.P. Melis en Josephina M. Franken). Zij kregen naast Loek ook een dochter: Sonja Mary (Semarang 1922 – Rotterdam 1972, in 1943 te Tilburg getrouwd met Bernardus P.M.M. Hoogeweegen). In 1931 scheidden de ouders van Loek en Sonja te Batavia. Moeder en kinderen keerden terug naar Nederland en kregen in Tilburg onderdak in het huis op de Heuvel van Leo Arts (1883-1965, zie ook hoofdstuk 4: den Artsekraant) die getrouwd was met Maria A.A.F. Melis (geb. 1887), een zus van Catharina Lansdorp-Melis. Nadat Maria in 1963 was overleden, hertrouwde Leo Arts in 1964 met haar zus Catharina. Dit huwelijk duurde niet lang, want in 1965 overleed Leo Arts op de leeftijd van 81 jaar.      

Na de scheiding van zijn ouders groeide de jonge Loek Lansdorp zodoende op als pleegzoon van Leo Arts. Tijdens de oorlog koos hij voor het verzet. Hij begon met het verspreiden van illegale lectuur en het verstrekken van vervalste persoonsbewijzen aan onderduikers, maar voelde zich al gauw meer aangetrokken tot (gewapende) acties in het veld. Via de contacten van René Norenburg (zie daar) kwam hij terecht bij een geheime militaire opleiding in Deurne. Daarna werd hij lid van de Raad van Verzet die het verzet organiseerde en zorgde voor vluchtroutes naar het zuiden voor geallieerde piloten. In eerste instantie werkte hij vanuit de Zwarte Plak in de plaats America (Noord-Limburg), waar onderstaande foto’s gemaakt zijn. De Zwarte Plak was een gehucht met een gelijknamige boerderij in die gemeente, waar verzetswerk werd georganiseerd en Britse piloten en Joden zaten ondergedoken. Toen het daar te onveilig werd verlegde Loek zijn werkterrein naar het midden van het land. Tijdens een verraden actie op de Veluwe werd hij op 3 september 1944 door de Duitsers opgepakt en twee dagen later (op Dolle Dinsdag) gefusilleerd in Arnhem. In Tilburg is een straat naar hem genoemd.

Het was dus niet zo, wat met name zijn moeder lang gedacht schijnt te hebben, dat Loek Lansdorp al door de Duitsers was omgebracht vóór hij zich goed en wel bij het verzet had aangesloten. Deze afwijkende lezing kan worden verklaard uit het waarschijnlijke feit dat Loek, omwille van de veiligheid van hem en zijn collega’s, zijn familie onwetend liet van zijn verzetswerk. Dit was gebruikelijk in het oorlogsverzet, om geen risico te lopen op verraad onder dwang. Saillant punt: de krant van zijn pleegvader en oom Leo, de Nieuwe Tilburgsche Courant, was de enige in Tilburg die tijdens de oorlog altijd mocht blijven verschijnen. Hiervoor werd ze na de bevrijding van Tilburg in oktober 1944 door het Militair Gezag gestraft in de vorm van een verschijningsverbod, dat in april 1945 werd opgeheven.

 

Loek Lansdorp uiterst rechts op de foto met leden van de R.V.V. Verzetsgroep Deurne. Verder v.l.n.r. Wim Ahout, Johan Vosmeer en Cor Noordermeer (coll. fam. Vosmeer)

 

Loek Lansdorp op een plaquette aan de muur van verzetsmonument Zwarte Plak in de Noord-Limburgse plaats America.

 

Theo Lanslots

Zotte Theo

Werd het boegbeeld van de B-jeugd van ijshockeyclub Tilburg Trappers. Hij trok altijd met ze op, helemaal gekleed in de outfit van de Trappers en werd door de jongelui op handen gedragen. Kwam oorspronkelijk uit de Kaojen Hoek (huidige Prof. Romeinstraat) en woonde later in een opvang huisvesting bij de Ringbaan West (Traverse).

 

Franciscus Antonius Laros (1933-2004)

Paus

uit zijn overlijdensadvertentie

 

Riet de Laure (1937-‘99)

Blonde Dòllie

woonde in de Akkerstraat.

 

dhr. Laureijssen

den Dikke Laureijssen

was rond de jaren 1960 een bekende wijkagent in Loven - Den Besterd, die heel hard kon fietsen ondanks zijn zware postuur. Kwajongens in de buurt, die op straat voetbalden hoewel dat niet mocht, hadden er goed de schrik in als den Dikke Laureijssen er aankwam. Ze renden dan hard weg. Laureijssen woonde in de Rozenstraat. Men zegt dat hij eens, tijdens een uitstapje naar Limburg met collega's, zijn gewicht niet meer kon houden toen ze een steile helling af moesten lopen. Hij ging steeds harder en harder. Gelukkig konden ze hem beneden nog net opvangen! 

 

Martinus (Tinus) Laureijssen

Pienantie

was bekend als straatveger in de wijk Loven. Hij werd zo genoemd omdat hij als voetbalsupporter steeds penalties claimde. Hij werd door de schooljeugd vaak gepest. De een riep naar hem: "Pienantie!" De anderen vervolgden dan: "Schèèt in zen broek, dor hangtie!" Dit maakte hem goed kwaad. Kleinzoon Ben Laureijssen (53 jr. in 2001) zegt dat zijn grootvader fan van Longa was en voor het eerst Pienantie werd genoemd na een verhitte discussie over een penalty voor of tegen die club.

 

mej. Laureijssen

De Schrik der Mooskèùle

dochter van Tinus Pienantie Laureijssen.

 

Mevr. Laureijssen-….

Jès Kak

was een dikke dame die woonde in de Matthiasstraat, wijk Groeseind. Kwajongens uit de buurt hebben eens een punaise op haar stoel gelegd waar ze op ging zitten, maar daar ze merkte niets van! Haar man heette Herman Laureijssen.

 

Paulina Lautenslager (geb. 1938)

Moeder van de Vierdaagse

was een diabetespatiënte, die jarenlang van Tilburg naar de Nijmeegse Vierdaagse trok om vanuit een scootmobiel de wandelaars aan te moedigen.

 

Cor Lauwerijssen (geb. 1950)

Lauwke Tòd

woonde in de jaren vijftig in Huize Nazareth en mocht in de weekenden naar zijn moeder in het Pieter Vreedepadje. In Huize Nazareth noemden ze hem Lauwke Tòd omdat zijn moeder in een toddenfabriek werkte. Om rond te komen in die moeilijke tijden deed zij overigens ook de was voor diverse kermisgasten. Cor Lauwerijssen heeft ooit eens op de Tilburgse kermis de stunt uitgehaald om in een kijkshow van “Moeder en Zoon wegen samen 900 pond” bij de dochter de pruik af te rukken. Het bleek een jongen te zijn, maar dat wist hij al (zie bij Van Wanrooij).

Later maakte Cor Lauwerijssen de allereerste Puk en Muk site (zie voor een update: www.puk-en-muk.simpsite.nl. Puk en Muk zijn de hoofdpersonen uit een reeks bekende Nederlandse kinderboeken. De authentieke versies werden geschreven door Frans Fransen (pseudoniem van de Tilburgse frater Franciscus van Ostaden, 1896-1961) met illustraties van de Oostenrijkse tekenaar Carl Storch, en geproduceerd en uitgegeven door de Drukkerij van het RKJW (Roomsch-Katholiek Jongensweeshuis van de Fraters van Tilburg). Deze drukkerij was in 1846 opgericht op instigatie van mgr. Joannes Zwijsen. De eerste Puk en Muk werd uitgegeven in 1927. De naam van de uitgever veranderde in 1959 in Uitgeverij Zwijsen, vanaf dat moment een seculier bedrijf.

Personeel Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis Tilburg in 1895 (uit: Korte geschiedenis van de Drukkerij van het RKJW Tilburg, Jos Naaijkens op CuBra, 2015)

 

W.F. Lauwersheimer (geb. Scheveningen ca. 1896)

Pierre Ditz (of Dietz), Seraar Wip of de Man met de Zilveren Ribben

Lauwersheimer alias Ditz was afkomstig uit Scheveningen alwaar hij voor galg en rad opgroeide. Op zekere dag toen hij daar uit de gevangenis vrijkwam, besloot hij zijn geluk in andere steden en ook beneden de rivieren te beproeven onder de naam Pierre Ditz. Zo kwam hij in Tilburg terecht en zette hier zijn praktijken als simulant en oplichter voort. Ditz maakte bij iedere stap een onnatuurlijk soort buiging die voor menigeen best eng was om te zien. Met deze ongelukkige manier van lopen wist hij  medelijden te wekken en dus ook aalmoezen op te strijken, maar mensen werden ook achterdochtig. Men zei dat het wel leek of hij zijn bretels had vastgemaakt aan zijn sokophouder (en daardoor na iedere stap terugveerde). Ditz had een op schrift gesteld verhaal bij zich waarin beschreven stond hoe hij zijn handicap bij een zwaar mijnongeluk in Duitsland had opgelopen. Hij wist met deze voorstelling van zaken menige gunst los te peuteren. Zo kreeg hij eens een invalidenwagentje aangeboden waarin hij zich bijvoorbeeld naar sportwedstrijden begaf die hij gratis mocht bijwonen. Hij liep uiteindelijk tegen de lamp op het politiebureau in de Bisschop Zwijsenstraat. Ditz, die doorging voor een kruimeldief, was daar ingesloten wegens diefstal van bananen, waarbij zijn kleding werd doorzocht. Men ontdekte toen zijn vernuftige veerconstructie die het hem niet goed mogelijk maakte om normaal te lopen, welke constructie door hermandad terstond onklaar werd gemaakt. Omdat een en ander in de omgeving niet onopgemerkt bleef en Ditz een zeer bekende verschijning was geworden in de stad, was er veel kijkerspubliek op de been toen ze hem overbrachten naar de rechtbank in Breda ("kijk, Seraar wipt niet meer!" In de taal van vandaag de dag: “No more silly walks!”) Honderden kijkers voor het station deden hem “uitgeleide.” Ditz, die een jaar in de kost was geweest bij Louer in de Willem II straat, kreeg door de rechter in Breda zes maanden (gratis) cel opgelegd.

 

Dit spotlied op het ongeloofwaardige verhaal van “Pierre Ditz”, dat hij een aantal ribben zou hebben verspeeld bij een mijnongeluk in Duitsland, deed het goed op bruiloften en partijen (coll. RAT)

 

Ton Leenaars

de Pel (1)

zat in 1951 op de kweekschool St. Gerardus Majella in Dongen en ging daar iedere dag met een vast groepje leerlingen vanuit Tilburg op de fiets naartoe.

 

Harry Leermakers (geb. rond 1928)

de Witkèts

omdat hij spierwitte haren had. Is in de oorlog, tijdens zijn tienerjaren, diverse keren gewond geraakt maar bracht het er steeds levend af. Wel raakte hij door al het geweld twee vingers en een duim van zijn rechterhand kwijt.

 

Kees de Leeuw (ca. 1953-2000)

Dikke Kees

was een kunstenaar die onder andere collages maakte. Hij had een wilde haardos en een gedrongen postuur (vandaar de bijnaam) maar was niet echt dik. Is eind 20e eeuw overleden, toen hij nog maar circa 47 jaar oud was. Men fluisterde dat drugsgebruik daarbij een rol zou hebben gespeeld. 

 

Piet Leijten

den Bukkem of den Hèrring

woonde op de Rèètse Hoeve.

 

Frans Lepelaars

de Neus of Neus Lepelaars

hij was een forse man met een grote neus die deel uit maakte van het Tilburgs Stedelijk Orkest. Dit gezelschap trad in de naoorlogse jaren vaak op in kerken en de oude schouwburg Metropole om koren te begeleiden. Ze repeteerden in het Casino, een bekend café van Dré Meulenbroek in de St. Josephstraat. Nadat in 1950 Het Brabants Orkest was opgericht bleek er voor dit orkest geen plaats meer te zijn en werd het ontbonden. Toch bleef er behoefte bestaan aan een dergelijk ondersteunend orkest dat ook projectmatig kon worden ingezet. Daarom werd in 1978 het Tilburgs Begeleidings Orkest opgericht, een nieuw stedelijk orkest onder de vleugels van de Tilburgse Dans- en Muziekschool. In 2000 kreeg dit orkest de naam Brabant Sinfonia en werd het ondergebracht in een aparte Stichting TBO. Het bestaat uit een combinatie van beroepsmusici, goede amateurs en gevorderde conservatoriumstudenten.

 

Ed (Eduard) Lepelaers sr. (1901-1989, x Lies Broeckx) en jr. (geb. 1930)

de Leepel

 

Ed Lepelaers sr als kabelwacht, Bredaseweg, 1942.

 

was een bekende garagehouder en Opeldealer aan de Ringbaan-Oost. Ed Lepelaers senior begon in 1920 achter zijn ouderlijk huis aan de Bisschop Zwijsenstraat met een eigen reparatiebedrijf, eerst voor fietsen en motorfietsen. In 1924 werd een groter pand betrokken aan de Bosscheweg, waar in 1929 een nieuwe autogarage met showroom werd geopend. Zoon Eduard trad in de voetsporen van zijn vader, die tot het laatst wel de baas bleef. In 1954 volgde verhuizing naar de Ringbaan Oost waar een nieuw en groot pand was gebouwd, ontworpen door architect Jos. Bedaux in samenwerking met een architect van General Motors, dat later werd uitgebreid. In 1962 werd een filiaal geopend bij de Westermarkt en was Lepelaers een tijd een van de grootste garages van de stad. In 1975 verkocht Lepelaers sr. zijn bedrijf aan Renault. Lepelaers sr. en jr. waren ook enthousiast in de rallysport (zie Ernest “de Muts” Mutsaerts).

 

De Ringbaan Oost in 1962 gezien in de richting van de Sacramentskerk met links garage Lepelaers. In 2017 is deze locatie in het nieuws vanwege de voorgenomen vestiging van een Aldi super op dit terrein, wat sloop zou betekenen van dit ontwerp van Jos. Bedaux.

 

Tijdens de oorlog (1942) werd Ed Lepelaers sr. opgeroepen als kabelwacht langs de Bredaseweg. Aan weerszijden van deze weg hadden de Duitsers belangrijke verbindingskabels voor telefonie en telegrafie aangelegd tussen vliegveld Gilze-Rijen en de Ortskommandantur in Tilburg, die was gevestigd in een gevorderd huis aan de Bredaseweg ter hoogte van het Bels Lijntje (nu Vierwindenlaan). Deze kabels konden door het verzet nogal gemakkelijk gesaboteerd worden. Daarom werd er door het lokaal gezag op last van de Wehrmachtsbefehlshaber een aantal mannelijke Tilburgers opgetrommeld om in wisseldienst stukken van het traject te bewaken.

 

De kabelwachters bij het Dorstige Hert in 1942.

 

 Dit was voor de bezetter tevens een methode om die Tilburgers beter in de gaten te kunnen houden. In het begin (1942) gebeurde dit nog in een enigszins gemoedelijke sfeer. Het gezag liet oogluikend toe dat men het zich comfortabel maakte met een stoel, parasol, wachthokje of zelfs strandstoel en dat men lectuur bij zich had om de tijd goed door te komen. Ook deden er verhalen de ronde dat de kabelwachters, die met name waren gerekruteerd uit de directe omgeving waar zij vaak in gerieflijke villas woonden (zie bijv.: “Bredaseweg met drie Gezichten,” door Berry van Oudheusden, 2015), zich vanuit huis goed lieten voorzien van drank en sigaren. Toen de beruchte Grüne Polizei hier lucht van kreeg was het echter gauw gedaan met deze luxe! 

 


 

Begin van deze pagina

Inhoud Bijnamen

CuBra Home

 


dhr. Lemmens

Kupke Lemmens

bijnaam waarschijnlijk een verbastering van Jacobus. Hielp (voor 1940) op het kerkhof aan de Bredaseweg (zie ook hoofdstuk 4: de Schèèf) en woonde in een boerderij op ’t Stappegoor, een open gebied tussen Tilburg en Gôol met vroeger veel moeras waar tegenwoordig een aantal onderwijs- en sportvoorzieningen is geconcentreerd.

 

Johanna Leppers

Sjooke Lèp

van een snoepwinkeltje Oerlesestraat/Veestraat (vroeger Klèèn Oel, zie hoofdstuk 4: Oel), waar je nog voor een halve cent drop kon krijgen.

 

André de Leuw

Pètje (Dreeke) de Leuw

had destijds een elektronicazaak aan de Nieuwe Bosscheweg (nu Tivolistraat). Droeg altijd een welpenpetje omdat hij een huidaandoening op zijn hoofd had. Daardoor viel hij op en kreeg deze bijnaam.

 

dhr. Leyten

et Vrêûkerke

woonde op de Hasselt

 

Mathieu H.J. van Lieshout sr. (x Bogaers)

Tjeu van et Kiltje

drogist en verfhandelaar aan het Lieve Vrouweplein (nr. 6). Had deze bijnaam te danken aan zijn reclame voor drop: goed tegen keelpijn.

 

Mathieu M.G. van Lieshout

Matjeu Glasbak

was de eerste eigenaar van glasspeciaalzaak Porcello op de Heuvel, later in de Emmapassage. Deze mooie zaak sloot begin 21e eeuw.

 

... van Lieshout

de Spin

woonde op de Hasselt

 

… van Lieshout

den Dôok

werkte op het stadhuis.

 

Jan van Lieshout

Jan de Golfman

Deze in 2018 73-jarige Tilburger besloot deze bijnaam te gebruiken toen hij bij zijn internetprovider geen e-mailadres meer kon krijgen onder zijn werkelijke naam. Hij koos toen voor Jan de Golfman. Geen uit de lucht gegrepen keuze, want hij deed al jaren vrijwilligerswerk bij recreatiepark De Financiën in Loon op Zand. Daar reikt hij bij de Midgetgolfbaan trouw sticks, schoenen en scorekaartjes uit aan de bezoekers. Ook kunnen de kinderen bij hem ijsjes e.d. kopen. Als aanspreekpunt voor jong en oud kwam hij daar bekend te staan als Jan de Golfman, welke bijnaam hij ook geschikt vond voor zijn e-mailaccount. Toen Jan van Lieshout nog werkte voor de kost, was hij kantinebeheerder bij de machinefabriek van Bierens aan de Ringbaan Noord. De carnavalsvereniging van dit bedrijf kwam vaak bij De Financiën. Zo is voor Jan het golfballetje aan het rollen gegaan (bron: Brabants Dagblad, 14 juli 2018)

 

Coll. Brabants Dagblad

 

M. Ligtenberg

Mien Lieg

Omdat ze naar men zei alles bij elkaar kon liegen. Wat hiervan waar is blijft de vraag, want ook haar familienaam kan natuurlijk een rol hebben gespeeld bij de keuze van deze bijnaam. Zij had een snoepwinkeltje in het Groeseind, parochie Hoefstraat. Zij verkocht daar o.a. gelukssnoepjes die ook bakkesvol of kattespouw werden genoemd.

 

dominee Lucas Lindeboom

et Scholteriaans Pestorke

deed in 1866 zijn intrede als gereformeerd predikant in Den Bosch en werkte van daaruit ook in Tilburg. Stichtte samen met zijn eerste bekeerling hier, de jonge goudsmid Willem Poulus, een gereformeerde gemeente. Na verloop van enige jaren wisten ze tegen de verdrukking in hiervoor een eigen locatie te krijgen in de Lange Nieuwstraat. Veel geriffermeerde bokke zoals in Sprang-Capelle leverde dit echter in Tilburg niet op.

 

Kees van Lissum

den Bròbbel

Woonde op Broekhoove

 

… van de Loo

Rôoje Harrie

was een bekende ijscoman die (in de jaren 1960) altijd bij de Sacramentskerk aan de Ringbaan-Oost stond, was vrijgezel en woonde in bij Van Mol (zie daar). In de winter was hij wever bij André van Spaendonck, waar hij in de zomer dispensatie kreeg om ijs te gaan verkopen.

 

Cornelia (Kee) van der Loo

de Kee

was bekend van café-restaurant L'Industrie naast de kerk op de Heuvel. Zij was de vrouw van Piet van der Loo en zij namen L’Industrie over van Van Straelen, toen die als kelner ging werken bij Jan Pijnenburg die in 1939 Old Dutch was begonnen aan wat nu de Korte Heuvel heet. Daarna kwam dus de familie Van der Loo. Hun zoon Joes studeerde economie maar besloot later toch in de zaak te gaan en zette die voort, tot in 1965 Harry Moors uit Breda het stokje voor tien jaar overnam.

 

Willem van der Loo (Udenhout 1898 - 1973)

Willeke de Smid

hij had een smederij aan de Groenstraat in Udenhout. Zijn vader werd al Kees de Smid genoemd, hoewel die het niet lang had volgehouden in de oude familiesmederij in Biezenmortel. Hij werd op een gegeven moment rietdekker, maar men bleef hem toch Kees de Smid noemen. Zoon Willem pakte echter de draad weer op en werd smid. In 1920 nam hij de smederij van Kruijssen aan de Groenstraat in Udenhout over, waar hij als knecht werkte, omdat deze geen zoon als opvolger had. Later kocht Willeke de Smid een klompenmakerspand aan de overkant van de straat en vestigde daar zijn smederij in.

Van der Loo was ook ondercommandant van de plaatselijke brandweer. Toen de gemeente Udenhout in 1939 een gemotoriseerde brandweerspuit aanschafte werd hij aangewezen om die te besturen, vanwege het feit dat hij naast de burgemeester de enige was die een auto had. Met zijn auto speelde Willeke ook wel voor taxichauffeur in het dorp.  

 

 Willeke de Smid aan het werk (coll. Pierre van Beek: zie elders op Cubra zijn hele verhaal over Willeke de Smid, oorspronkelijk in Het Nieuwsblad van het Zuiden uit 1969)

 

Antoon van Loon

de Rôoje Toon

werkte bij Wollenstoffen- en Wollendekenfabriek H. Eras en Zonen als baas van de plesserij. Ging in 1933 mee met Henricus Eras (1875-1959) toen die uit het bedrijf stapte en de wollenstoffenfabriek H. Eras-Janssen oprichtte. Van Loon speelde als vakbondsman een actieve rol tijdens de Tilburgse textielstaking van 1935 en kreeg naar men zei daarom ontslag bij Eras.

 

Leo (Leon) Henricus Matheus Maria van Loon (1889-1978, x Maria Mathilda Alberdina van Thiel, Beek en Donk 1896 – Den Bosch 1962)

Baron Mèèl

hij had een zaak in graan en meel. Zijn vader Augustus Christianus van Loon (1855-1934, x Maria Catharina van den Bosch 1850-1927) was een molenaarszoon uit Lage Mierde die naar Tilburg kwam en in 1883 een handel in graan begon aan de Spoorlaan. In 1896 verhuisde hij die naar de Tuinstraat. Toen het in 1909 technisch mogelijk werd ging hij ook meel produceren en sprak men wel over “de meelfabriek”. Zijn specialiteit was roggebloem. Eind 1925 werd de zaak voortgezet door zijn zoon Leon als de “NV A.C. van Loon coöperatieve Graan- en Meelhandel”. Na een grote brand in de fabriek in 1933 werd gekozen voor een nieuwe vestiging aan de Piushaven. Architect Jos. Schijvens kreeg opdracht om de nieuwbouw te ontwerpen en die maakte daar iets bijzonders van in expressionistische bouwstijl. In 1935 werd de nieuwe vestiging in gebruik genomen. In 1940 werd er nog een uitbreiding gerealiseerd. Het bedrijfsgebouw Piushaven 1 en een bijbehorend dubbel woonhuis om de hoek in de Lancierstraat zijn sinds 2003 rijksmonument.

Om het nuttige met het aangename te verenigen had Van Loon ernaast een manege met paardenstallen laten bouwen. Hij was een groot fan van paarden. Naar men zei stamde deze liefhebberij uit de begintijd van het bedrijf, toen het noodzakelijk was om graan en meel met paard en wagen te vervoeren, maar ook aan de Piushaven werd dit “paardenmiddel” nog toegepast voor de aan- en afvoer. Twee zonen van Leon, Ernest (1921 – Breda 2009) en Max (geb. 1927) werden uitstekende ruiters en namen deel aan de Olympische Spelen van 1948 (Ernest) en ’52 (Ernest en Max). De bekende springruiter Anton (Toon) Ebben (1930-2011) heeft ook hier bij Van Loon leren paardrijden.

Na de Tweede Wereldoorlog ging het geleidelijk minder met de fabriek, die in 1959 werd verkocht. Het gebouw kreeg andere functies en de stallen en manege werden gesloopt.

 

 

Het gebouw van Jos. Schijvens uit 1935 dat nu rijksmonument is. Met wat fantasie kan men er een boot in zien, bijvoorbeeld de stoomboot van Sinterklaas die ieder jaar in de Piushaven aanmeert (met links de schoorsteen en de uitbreiding uit 1940 rechts, hier niet in beeld, als achterschip. Zie ook hoofdstuk 4: “Amsterdamse Boot”.)

 

Voordat hij aan de Piushaven een eigen manege had was Leo van Loon al betrokken bij de ruitersport in Tilburg. In 1913 was hij voorzitter van de Tilburgsche Rij-Vereeniging (TRV) die sinds 1893 binnen de sociëteit Philharmonie actief was met dressuur- en veldrijden. Dit was de eerste burger paardrijvereniging van het land. Niet zo verwonderlijk, omdat veel fabrikanten die lid waren van deze sinds 1840 bestaande sociëteit, over privé over paardenkoetsjes beschikten en in hun fabriek ook wel gebruik maakten van paardenkrachten. Omdat de TRV ook indoor wilde kunnen rijden werd er onder het voorzitterschap van Van Loon besloten om een eigen manege te bouwen. Die kwam er een op de Oude Dijk, onder de vleugels van de Philharmonie (de lidmaatschappen waren gekoppeld). Van Loon introduceerde er het springen over niet-natuurlijke hindernissen (parcours). Hij werd als voorzitter opgevolgd door Jan van de Mortel, de latere burgemeester. De exploitatie van de manege kwam successievelijk verder weg te staan van de Philharmonie en uiteindelijk werd de manege rond de zestiger jaren zelfs door de TRV verlaten, omdat de ligging in de binnenstad steeds meer een bezwaar was geworden. De TRV bleef actief op andere locaties en voor de manege aan de Oude Dijk restte de sloper (foto uit 1966, bron: het Geheugen van Tilburg).

 

Piet van Loon

Piet Mannaerts of Piet Sjefeur

in dienst bij de familie Mannaerts van de schoenfabriek aan het Lijnsheike. Was van vele markten thuis. Zo was hij chauffeur voor de zaak en voor de familie.

 

Leo Louer

Zoenmans

was taxichauffeur en later evenals zijn broer Jos buschauffeur bij de BBA. Men noemde hem zo omdat hij nogal forse lippen had (zie ook bij Doreleijers).

 

Bep van Luijk

et Snuupke van de Wêek

schôon vrommes, dat ook opviel doordat zij veel rondreed in een grote auto en actief was in de paardensport. Woonde aan de Bredaseweg waar de familie de Tilburgsche Band- en Veterfabriek A.J. van Luijk had, welke in 1934 door brand werd verwoest. De bijnaam is geleend van de fa. P. de Gruyter & Zn. (zie hoofdstuk 4: Piet den Dief) die onder de titel "het Snoepje van de Week" destijds met veel succes een reclamecampagne voerde ("met iedere week een nieuwe verrassing").

 

 

1.M

 

Louis J.L. Maas

Frutje Maos

begon in 1920 een doodskistenfabriek (“De Woelgeest”) in de Goirkezijstraat. Wegens ruimtegebrek moest hij in 1926 op die plaats stoppen. Hij besloot om verder te gaan als ijzerhandel in het Smidspad, destijds een van de belangrijkste winkelstraten van Tilburg. In de crisisjaren (dertiger jaren) was er schaarste aan materialen en moest er voortdurend geïmproviseerd worden. Maas was daar erg handig in en verdiende daaraan de bijnaam “Frutje”. Zijn zoon Cees kwam bij hem in de zaak, en verhuisde deze in 1967 naar een groter pand in de Goirkestraat (nr. 16-18) waar eerst de zaak van (Anton) Schoenmakers was gevestigd.

 

 

Bekend was zijn slogan: “Maas heeft het.” In 1980 droeg Cees de zaak over aan zoon Louis (geb. 1958, x Desiree Brenders). Deze stopte er per 1 januari 2002 mee, want de concurrentie van grote, beter bereikbare bouwmarkten aan de rand van de stad was te hevig geworden. Rond 1980 was er in Goirle een filiaal gesticht door Paul Boeren, schoonzoon van Louis Maas. Ook deze voerde de slogan “Maas heeft het.” Vanaf september 2004 heeft Maas echter helemaal niets meer, want toen moest ook deze zaak worden gesloten, vanwege de gezondheid van Boeren.

 

Johannes (John) Josephus Maria Antonius Majoie (1910-1974)

Voici, of JanTriborgh, of John Palet

 

John Majoie, circa 1943 geschilderd door Louis Melis.

 

was afkomstig uit een familie die een sigarenfabriek had. John besloot om niet in het familiebedrijf te gaan werken, maar werd in 1930 journalist en redacteur van de Nieuwe Tilburgsche Courant. In de jaren '50 werd hij reisleider van georganiseerde rondreizen door Spanje en Portugal. In Bilbao trouwde hij met de Spaanse Amparo Olguita G. de Ubieta y Casaras. Over de toeristische geneugten van Spanje publiceerde hij in 1960 het boek Paradijs achter de Pyreneeën. Hij bleef daar nog lang wonen, ook nadat zijn huwelijk op de klippen was gelopen, maar overleed uiteindelijk in Tilburg (1974).

John Majoie verwierf al snel bekendheid in Tilburg nadat hij, nog als middelbarescholier, in 1929  zijn 'rijmelarijen' begon te publiceren onder de schuilnaam Voici. Hij zou dat blijven doen tot 1945, en daarna nog enige jaren onder het pseudoniem John Palet. In 1943 verscheen een selectie onder de titel 100 versjes van Voici. In de jaren '50 schreef hij vrij onregelmatig een column onder de titel 'Dagboek', eveneens voor de NTC, nu onder de naam Jan Triborgh.

Godefroid Henri Marie Joseph Majoie (geboren in 1880 te Hilvarenbeek) begon in 1899 met een bescheiden handel in sigaren. Hij ontmoette in Boxmeer de sigarenfabrikant Edmond van der Voort, die er voor voelde om samen met Majoie een fabriek in Tilburg te beginnen. Dit gebeurde al in 1900. In dat jaar ging in de Stedekestraat (nabij het Wilhelminapark) de sigarenfabriek Majoie & Van der Voort van start. De zaken verliepen goed en in het kader van een uitbreiding werd in 1903 ook Samuel Majoie (1873-1963, broer van Godefroid en vader van John) bij de fabriek betrokken. Na een tumultueus vertrek van Edmond van der Voort in 1910, die had gepoogd de fabriek uit handen te halen van de familie Majoie, werd de naam veranderd in G & S Majoie’s Sigarenfabrieken.

 

Godefroid en Samuel Majoie (rechts) bij de viering van het vijfentwintigjarig bestaan van hun sigarenfabriek in 1924.

 

Nu kwamen ook drie andere broers van Godefroid en Samuel voor kortere of langere tijd in de zaak. Veel succes boekte Majoie met de introductie van het merk het Gulden Vlies. In 1929 wordt de naam uitgebreid tot N.V. Gulden Vlies Sigarenfabrieken v/h G & S Majoie. De eerste generatie bleef tot 1933 de fabriek leiden. Toen namen René (geboren in 1908, zoon van Godefroid) en Jules (1905, zoon van Samuel en broer van Johnny) het roer over. In 1958 verloor de fabriek haar zelfstandigheid en rond 1961 hield het op te bestaan. Jules bleef het langst aan boord. Hij runde nog enige tijd een kantoor in de Diepenstraat.

 

 

 

Franciscus (Frans) Hubertus Wilhelmus Mandos (1910 – Nijmegen 1977, x 1944 Johanna “Janneke” Hendrika van den Hurk, Hilversum 1919 – Hilvarenbeek 2017)

de Fèène (2)

was een van twee zonen van de familie Mandos die beeldend kunstenaar werden. Vader Toon was huis- en kerkschilder, en maakte later ook reclamewerk. Moeder was een dochter van een goudsmid uit Grave en dreef een drogisterij. Na hun les aan de Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten van de R.K. Leergangen in Tilburg bleven de broers veel samen werken. Er waren echter duidelijke verschillen te zien in hun werken. Frans heeft vaak een dunne lijn en hanteert een sierlijke stijl. Kees gebruikt vaak dikke lijnen en stileert zijn werk meer. Hun collega's spraken daarom van "de fijne en de groffe" Mandos. Frans en zijn vrouw, die ook kunstzinnig was, verhuisden in 1963 naar Hilvarenbeek. Zij hield zich met name bezig met schilderen en kunstnaaldwerk.

 

Huwelijksaankondiging die hij zelf maakte, 1944 

Cornelius (Kees) Antonius Maria Mandos (1913-2001, x Beppie van der Bijl)

de Gròffe

 

 

kreeg evenals zijn broer Frans les aan de Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten van de R.K. Leergangen in Tilburg, van 1927 tot ’32, en sloot zich ook aan bij de studentenvereniging Sint Leonardus. Naast beeldende kunst was muziek een grote liefde van hem. Bleef altijd gelovig katholiek en maakte met zijn broer Frans deel uit van de Brabantia-Nostrabeweging (zie bij de Siemer). Woonde het grootste deel van zijn leven aan de Ringbaan Oost (nummer 351). Als beeldend kunstenaar was hij zeer veelzijdig. Hij was m.n. kunstschilder, graficus, illustrator en kalligraaf  Onder zijn bekendste werken horen muurschilderingen in drie Antoniuskerken: in de Hoefstraat en aan het Korvelplein in Tilburg en een in Valkenswaard, alsmede het verluchtigen van een door zijn zwager Anton Eijkens geschreven Rijmkroniek van Tilburg (1946) ter gelegenheid van het afscheid van burgemeester Van de Mortel. Dit bijzondere werkstuk werd in augustus 2002 door een kleindochter van Van de Mortel aan het Regionaal Archief Tilburg geschonken. Kees Mandos gaf ook bijna 22 jaar les, dit is circa 20 jaar langer dan Frans. Pas in 1994 nam hij afscheid als docent bij het Duvelhok (St. Josephstraat).

 

Jos Mannaerts (1887-1983, x 1913 Maria Schoenmakers, 1891-1961)

Opa Citroen

welke bijnaam hem postuum is toegekend omdat hij verzot was op auto’s en zijn zinnen had gezet op een Citroën. Hoe hij de eerste Citroën rijder van ons land was bleek in 2004, toen er een bundeltje met correspondentie uit die tijd tussen hem en de fabriek opdook. 

Omdat dit Franse automerk in de begintijd nog geen verkooppunt in Nederland had, trok Jos Mannaerts de stoute schoenen aan en toog in het najaar van 1919 naar de Parijse autosalon. Hij ging daar kijken in de stand van André Citroën en viel voor een blauwe vierpersoons cabrio van het type 10 HP Torpedo. Hij mocht daar een proefrit mee maken, gezeten naast een chauffeur in livrei. Deze rit maakte hem helemaal enthousiast en hij besloot om er onmiddellijk een te bestellen. Eenmaal weer thuisgekomen werd snel het afgesproken voorschot overgemaakt, waarvan op 15 november 1919 een schriftelijke bevestiging uit Frankrijk werd ontvangen onder dankzegging en met de geruststellende verklaring dat de order door Citroën met de grootste zorg zou worden uitgevoerd binnen een levertijd van zes maanden. Mijn opa die haast niet meer kon wachten om zelf achter het stuur te kruipen deed nog een dringend verzoek om deze termijn in te korten, hetgeen werd beantwoord met de toezegging dat getracht zou worden om zijn order in de productie naar voren te halen. De levering vond op 31 maart 1920 plaats. Op deze dag werd de auto in een grote kist bij Mannaerts aan huis afgeleverd met de wielen er los bij. Toen alles in elkaar was geschroefd en er een blik benzine in was gegooid kon de opmars van Citroën in ons land vanaf het Lijnsheike (Goirke) beginnen! De brieven en nota’s die met deze opmerkelijke transactie gemoeid waren, werden door mijn opa lange tijd zorgvuldig bewaard. Rond 1973 heeft hij dit dossier uiteindelijk afgestaan aan de heer Riemer, directeur van de Autoschool in Driebergen, die hij goed kende omdat drie van zijn zonen deze school hadden gevolgd. Riemer had puur uit liefhebberij in zijn school een automuseum ingericht. Later, nadat dit museum was opgedoekt, is dit dossiertje op een veiling terechtgekomen.  

 

Opa Citroen werd opa Buick toen hij een groot gezin had. Foto 1930. (coll. fam. Mannaerts)

 

De bovengenoemde “stoute schoenen” zullen ongetwijfeld van het merk Mannaerts zijn geweest, gemaakt in het familiebedrijf. De schoenfabriek van J. Mannaerts aan het Lijnsheike werd in 1846 opgericht door Joannes Mannaerts (1818-1905, x Anna de Bont). Zijn zonen zetten het bedrijf voort, van wie Franciscus Norbertus (Frans, 1852-1937, x Elisabeth van Bebber) de bekendste was, omdat hij ook 25 jaar in de gemeenteraad zat en nog diverse andere maatschappelijke functies bekleedde. De derde generatie, onder wie Jos, volgde hem in de zaak op. In de jaren 1960 kon de fabriek de concurrentie uit het buitenland steeds minder het hoofd bieden. In 1970 ging ze dicht. 

 

 

Schoenfabriek Mannaerts aan het Lijnsheike, 1923. (foto: coll. RAT)

 

Jos Mannaerts was mijn opa van moederskant. Ik heb in die familie nooit Tilburgs horen praten, wat waarschijnlijk komt door hun Vlaamse roots, ook al moet je daarvoor intussen wel meer dan twee eeuwen terug. Petrus Josephus Mannaerts (geb. Geel 1777) trouwde met Helena van Beurden uit Tilburg, heeft mijn broer Joop eens uitgeplozen, wat hem zeker in onze contreien heeft gehouden als hij hier al niet eerder was. Dat moet zo rond 1800 zijn geweest. Dus geen Tilbörgse Taol in huize Mannaerts, maar wel hadden zij een ijzeren geheugen voor feiten en voorvallen uit hun jeugd in  Tilburg “Boven de Lijn”. Dit leverde al een aantal leuke bijdragen op voor het eerste Tilburgs Bijnamenboek, met name van de kant van mijn moeder en haar jongere zus, Louisa J.M. Verschuuren-Mannaerts (geb. 1922) die mijn peettante is. Zij werd in juli 2017 liefst 95 jaar en wist zich op die dag enkele bijzonderheden over haar vader te herinneren die ik nog niet kende.  

Enkele jaren nadat mijn oma in 1961 plotseling was overleden, nam Jos Mannaerts het besluit om te verhuizen naar een kleinere woning aan de Ringbaan West. Echt klein kon deze ook weer niet zijn, want opa had nogal wat oude spullen mee te nemen. Zo stond hij erop om zijn oude radio te houden, een kanjer van een apparaat met ouderwetse buizen, in een zware houten kast gebouwd. De kinderen hadden aangedrongen op een nieuw en kleiner exemplaar, zodat vader er dan een televisietoestel bij kon plaatsen? Nee, dat vond hij helemaal geen goed idee. De oude radio was nog goed genoeg en een televisie was nergens voor nodig, die had hij nooit een gehad en kwam er ook nu niet in. 

Bij het klimmen der jaren bleef opa goed vitaal en zelfstandig, al begon hij af en toe weleens een tand te verliezen. Die stopte hij in een luciferdoosje dat hij altijd bij zich stak in de zak van zijn jasje. Dit moet van lieverlee een aardige collectie zijn geworden. De kinderen vroegen zich af waarom vader dit deed en daar zal ongetwijfeld ook wel wat over gezegd zijn. Op een zekere dag werd het echter duidelijk. Opa kwam een oude bekende tegen die informeerde naar zijn gezondheid. “Die is best hoor. Ik word wel wat ouder en stram, maar mankeer verder niks,” was zijn fiere antwoord. “En,” vervolgde hij met een brede, wat lege grijns en een hand op de zak van zijn jasje: “Ik heb al mijn tanden nog……”

 

Aloysius (Louis) F.J. Mannaerts (1915-2007, x Louisa de Rooy, geb. 1922)

den Bud (3)

omdat hij in het voetbalteam van zijn kostschool in Roosendaal op dezelfde plaats speelde als in de jaren 1930 Gust “den Bud” Buddemeijer, de bekende linksbinnen van Willem II. Was een zoon van Jos “Opa Citroen” Mannaerts.

 

Henricus (Hein) Johannes Hermanus Josephus Mannaerts (1899-1956)

Heintje Medio

 

Heintje Medio Mannaerts (coll. fam. Mannaerts)

 

ongehuwd, zat qua leeftijd tussen de ene Hein Mannaerts (1886-1981, zijn neef) en de andere (1912-1993, zoon van diens broer) in. Vandaar de bijnaam. Hij woonde aan het Wilhelminapark. Was in de fabriek eens in een machine gekomen en had daar een kromme vinger aan overgehouden.

 

Henricus (Hein) Aloysius Josephus Mannaerts (1886-1981, x Marie “Riet” Jacqueline Antoinette Muijldermans, geb. Schaerbeek 1897 - 1987)

Henri

De oudste Hein (H.A.J.) Mannaerts was een zoon van de schoenfabrikant Frans Mannaerts en een broer van Jos (zie daar) en werd ook Henri genoemd vanwege zijn huwelijk met de Belgische Riet Muijldermans. Hij werd bekend als voorzitter van de Kamer van Koophandel. Ook is hij het langst zittende (van 1912-1952) bestuurslid geweest van de R.K. Openbare Leeszaal-Bibliotheek St. Dionysius. Was al betrokken bij de oprichting van de leeszaal en gaf in 1922 met Gabriël Eras (zie daar) de impuls tot een eigen huisvesting (in de Willem II-straat, nr. 23) voor deze instelling die sinds de start in 1912 zolang boven de boekhandel van W. Bergmans (in de Langestraat op de hoek met de Markt) had gezeten. In 1922 werd den Dree van Spaendonck aangesteld als parttime bibliothecaris en directeur, wat deze bleef tot zijn overlijden in 1957 (zie ook bij Gerard Verbiest).

De Mannaertsen van de schoenfabriek aan het Lijnsheike (later was op deze plaats  VW- en Audi-garage Van Mossel gevestigd) waren over het algemeen gelovige en wat saaie mensen, zonder een uitbundige levensstijl. Hier hoorde bij dat ze het liefst alleen het hoognodige zeiden. Het verhaal luidde dat de gebroeders Henri, Guust en Jan Mannaerts eens op reis gingen naar Den Haag. Onderweg werd er natuurlijk geen woord gezegd. Bij het binnenrijden van Den Haag zei Hein toch maar: "We zèn der." Waarop Jan opmerkte: "Dè hadde himmòl nie hoeve zègge Hein, want dè zaage onzen Guust èn ik ok wèl!"

 

Franciscus (Frans) Norbertus Mannaerts (1889-1974)

Heeroom Loven, ook: Pèèr Friegiedèèr

 

Pastoor Frans Mannaerts, parochie Loven (coll. fam. Mannaerts)

 

ook van de "schoenenfamilie", als zoon van Frans en broer van Jos en Henri. Ging zijn roeping achterna en werd op 6 juni 1914 tot priester gewijd. Zijn eerste post in dat ambt was kapelaan in Eindhoven, tot zijn aanstelling als bouwpastoor van de parochie Loven in Tilburg. Daar werd de Willibrorduskerk van architect C. van Hoof in 1922 ingezegend. Mannaerts, die vanaf toen "Heeroom Loven" werd genoemd door de (talrijke) oomzeggers in zijn familie, bleef tot 1965 pastoor en stond er bekend om zijn onbaatzuchtigheid en tolerantie. De kerk werd in 1999 gesloten en in 2000 gesloopt (behalve de toren) om plaats te maken voor nieuwbouw van de kleinere Petrus Donderskerk. De tweede bijnaam dankte hij aan twee feiten. Het eerste was dat hij tot op hoge leeftijd nog iedere dag ging zwemmen. Het tweede, dat hij eens na een bezoek aan zijn vriend pastoor Piet van der Velden (zie daar) buiten onwel werd (of uitgegleden en met zijn hoofd ergens op gevallen) en toen onopgemerkt een nachtje in de vrieskou is blijven liggen, zonder dat dit achteraf kwalijke gevolgen had (zie ook hoofdstuk 2: de Jonges van Lôove).

De Tilburgse familie Mannaerts kwam oorspronkelijk uit het Belgische Diest en omgeving. Op een dag ging heeroom Frans Mannaerts met zijn jonge neef Louis op familiebezoek naar Diest. Zij reisden, wat niet ongewoon was in die dagen, in een auto met chauffeur. De reis voerde over Geel. In deze plaats is sinds jaar en dag een grote instelling voor geestelijk gehandicapten, vergelijk Geel wat dat betreft met Vught. Op de terugweg vroeg pastoor Mannaerts de chauffeur te stoppen bij een bakker in Geel om wat gebakjes mee te nemen voor thuis. De chauffeur ging voor hem de winkel in en pastoor Mannaerts bleef buiten staan voor de etalage. Daar lagen allerlei gebakjes, in veel verschillende soorten en maten maar allemaal even Belgisch-lekker. De pastoor wees de chauffeur aan welke hij moest nemen. Die daar helemaal rechts, of nee die toch niet, maar een hoger. En daar in het midden, nee niet die maar die daar, dáár. En links beneden, die twee naast de chocoladebol, enz. enz. Intussen in de winkel zei de mevrouw achter de toonbank tegen de chauffeur, met een blik op de man buiten die zo met zijn armen stond te zwaaien: “Let maar niet op hem, dat zal er een van hier zijn…..!”

 

Pastoor Frans Mannaerts in oktober 1944 gearmd met een Schotse bevrijder.

 

F.I.M. "Boy" Mannaerts (1925-1981, x Ciel Claesen)

Boy Bokma

Het eerste deel van zijn bijnaam, "Boy", was afkomstig uit zijn legertijd in Indië en het tweede moet slaan op zijn voorkeur voor een bepaalde borrel. Hij is wethouder (van Financiën) geweest in Tilburg. Hij was een zoon van August (1892-1975) en Joséphine (circa 1902-1979) Mannaerts-Keyzer uit de Goirkestraat. August was een broer van Henri, Jos en de pastoor van Loven. De eigenlijke roepnaam van Boy was Frans. Kenmerkend was dat hij steevast en nondejuuke (vlinderdas, strikje) droeg.

 

dhr. Mansvelders

de Post

hij woonde aan het Schaepmanplein (nu Horversplein) en was postbode. Daar dankte hij de bijnaam aan die zijn buurtgenoten hem gaven (zie ook bij dhr. en mevr. Van Berkel)

 

Dirk van Maren (1902-’74)

In de Frut, öt de Frut

was een vrijgezel met een goed oor voor mensen uit zijn omgeving die hun (privé-) problemen aan hem voorlegden. Boze tongen beweerden echter, dat die problemen door zijn bemoeienis alleen maar erger werden! Hij was ook een van de pioniers van de in 1925 opgerichte hockeyclub Tilburg en vervulde zowel in deze club als in de overkoepelende hockeywereld verschillende functies. Dirk van Maren bewoonde in de St. Josephstraat één van de twee aaneengesloten herenhuizen (nr. 110 en 112) die zijn vader Dirk Pieter van Maren (1866-1922) in 1912 had laten bouwen door architect Jos Donders. Een broer van Dirk, Herman, trok met zijn gezin in het tweede huis. Vader Dirk Pieter, wiens vader (Dirk) oorspronkelijk uit de provincie   Groningen kwam, had een drijfriemenfabriek in de Lancierstraat (nr. 42, gebouw ook ontworpen door Jos Donders) waarin hij werd opgevolgd door zijn genoemde zonen. Herman richtte vervolgens een textieltwernerij op in de Groeseindstraat 33, D.P. van Maren geheten. Deze fabriek doorstond iedere textielcrisis en nam in 2002 onder de directie van Herman's zoon ir. D.P. (Pieter), Acordis Industrial Fibers in Steenbergen over. De fabriek Van Maren verhuisde toen van de Groeseindstraat in Tilburg naar het gebouw van Acordis in Steenbergen.

 

Bart Marienissen

Bartje Fik(ke)

klèèn mènneke met Amerikaans legermodel haar en een dribbelende tred. Was wat schuw voor kinderen uit de buurt (die wilden hem soms plagen). Men zegt dat hij weleens katten slachtte om die als konijn te verkopen. Hij woonde in de Noord Besterdstraat (nr. 14). Zijn dochter trouwde met Van Boven en woonde in dezelfde straat op nr. 54.

 

Willem F.M. Marschalk (1935-2003)

de Stèm

bijnaam uit de krant (overlijdensadvertentie) die te maken kan hebben met het feit dat hij bij Teleperformance Nederland had gewerkt. Hij was geboren in Utrecht en gehuwd met Irene Vosters. Werd ook een bourgondiër genoemd.  

 

dhr. Mastenbroek

de Kròp

automonteur, Frans Mannaertsstraat.

 

Chris Mathijssen

Vèntje Mathijssen

bekend voetbalkeeper, stond van 1918 tot 1924 in het doel bij Willem II.

 

Frans van der Meer

Bèrrie van den Bèbber of Fèrrie van der Zaande

deze muzikant uit Berkel-Enschot scoorde in 1998 onder de naam Bèrrie van den Bèbber een hit in onvervalst Tilburgs dialect, met als titel: "Doe mènne Mèxicaano". Moest al gauw na een conflict met zijn manager deze artiestennaam opgeven en noemde zich toen Fèrrie van der Zaande. Doet in 2000 weer een kansrijke poging om in de hitlijsten te komen met: "(Dès ene) Schôon(e) Waoge".

 

Joseph (Sjef) van der Meer                      

Sjèf de Schout

werd zo genoemd omdat zijn vader rond 1850-'60 in een toneelgezelschap uit Udenhout een rol als schout-bij-nacht had gespeeld. Trouwde met Dötse Anna Derks (zie daar). Een kleindochter van hen, mevr. A. Spijkers uit Tilburg Noord, heeft deze en enkele andere bijnamen aangedragen na het lezen van het Tilburgs Bijnamenboek uit 2000.

 

Louis Meesters

Louis van Dorismisters

genoemd in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 1935. Een verbastering die naar alle waarschijnlijkheid wil zeggen dat hij (Louis) de zoon was van (Theo-) Dorus Meesters, en dat was een machinist die in de Koestraat (nr. 67) woonde.

 

Cor van der Meijs

Zwarte Còr

omdat hij naar men beweerde zich maar één keer per jaar waste, óók als het dan nog niet nodig was. Koningshoeven.

 

Pieta Melis (1906-1980)

de Kôonegin of de Börgemisterès van de Waaj, of Pieta Siegaar

 

Pieta Melis, Koningin van de Waaj (foto: coll. E. Pierson)

 

was een prominente bewoonster van “de Koningswei” (of de Waaj, zie hoofdstuk 4) die opviel doordat ze dikke sigaren rookte van het merk Witte Poes (gemaakt door Kiske de Kok, die daar in de buurt een sigarenfabriekje had). Bij Pieta kon je na de Kerst ook altijd konijnenvellen krijgen. Pieta was het sociale middelpunt in de Waaj. Wat zij zei was er wet. Zij was gehuwd met Toon Claesen. Zij hadden een zoon die vrij ongelukkig liep, lastig was en er "vier èn en krèntebölleke ha" (dit wil zeggen: hij had ze niet alle vijf, was niet erg snugger). en die op de openbare school zat in de Korte Schijfstraat. Er werd ook weleens een liedje over Pieta Melis gezongen dat luidde:

 

Tjèmbolaaj

de Koningswaaj

èn Pieta Meelis.

Ze rôokt siegaare

èn sieg'rètte

tot ze geelis!

 

Sigarenbandjes Witte Poes.

 

 

Anton (Toon) Melis (1928-2013)

Toon de Gieter, later ook wel: Toon den Ötvènder

broer van de bekende ondernemer/CDA-politicus Jan Melis afkomstig van Loven (zie ook hoofdstuk 2: de Jonges van Lôove). De eerste bijnaam verwijst naar de metaalgieterij waar beide broers de directie van vormden. Anton was de oudste en ging het eerst met pensioen. Daarna kreeg hij meer tijd om zijn creatieve geest te ontplooien. Zo ontwierp hij nieuwe golfclubs. Vooral met zijn revolutionaire putter, de Melisputter, maakte hij naam nadat deze was erkend door het eerbiedwaardige St. Andrews. Hier dankte hij zijn tweede bijnaam aan. Toepassing van zijn vak (metaal) in de sport lag eigenlijk wel voor de hand, want in zijn jeugd was Toon Melis eerst een verdienstelijk atleet. Daarna maakte hij naam als voetbalkeeper, eerst bij Longa om daarna af te sluiten met een korte carrière in het eerste van Willem II (7 wedstrijden in het seizoen 1953-‘54). 

 

Antoon Melis

Tontje Kits

geboren eerste helft jaren 1930, kwam uit een gezin in de Hoogvensestraat. Had de rotgewoonte om door zijn tanden welgemikt naar de grond tussen je schoenen te spierse.

 

Jan Melis (1899-1972)

Jan de Smid

was 42 jaar lang de smidsbaas bij de wollenstoffenfabriek A & N Mutsaerts in de Pironstraat. Hij behaalde in 1929 het machinistendiploma en heeft tot 1964 de stoommachine uit 1906 van dit bedrijf gerepareerd en onderhouden, die na de sluiting van de fabriek van Mutsaerts in 1977 in het Nederlands Textielmuseum werd opgesteld.

 

De oude stoommachine van A & N Mutsaerts, gebouwd in 1906 door Louis Smulders & Co. in Utrecht, draait tot op de dag van vandaag onberispelijk door in het Nederlands Textielmusem (coll. Ned. Textielmusem)

 

Melchior van Melsbroek

de Mèl

afkorting van zijn voor- of achternaam. Hij kwam uit de Schaepmanstraat, en stond in de jaren 1970 bekend als een vechtersbaas.

 

... van Melsbroek

de Fieliedoor

was een broer van Melchior. Ging altijd met Theo de Matjas de Kok (zie daar) naar het ijshockey kijken. Waarom hij deze bijnaam kreeg is niet bekend.  

 

G. Menssink

Broeder Gabriël of the King

accountant die in de Burgemeester Van Meursstraat woonde en mooie dochters had. Ook genoemd als leraar (parttime in boekhouden?)

 

Andreas (Dré) J. Meulenbroek

den Dree (1)

bekend uit de Tilburgse horecawereld, als kastelein van het Casino St. Josephstraat (jarenlang uitvalsbasis van de autorijexamens van het CBR), restauratiehouder bij de Stadssporthal aan de Goirleseweg en de eerste voorzitter van het stadscarnaval van Tilburg. Hij behartigde ook de belangen van de bedrijfstak bij de gemeente.

 

Dré Meulenbroek (links) in 1976 in actie als voorzitter van de georganiseerde horeca in Tilburg (foto: Tilburgse herinneringen op Facebook)

 

Dit was lang het bekende domein van Dré Meulenbroek en een schrikbeeld voor degenen die vaker moesten opkomen voor hun rijexamen (foto: Tilburgse Herinneringen op Facebook)

 

Eric Meurs

de Stroopsoldaat (Stroopsòldaot)

Had een snoepzaak in de Sasse van Ysseltstraat waar hij ook zelf snoep fabriceerde dat bekend stond als Stroopsoldaat (Stroopsòldòtjes, zie ook bij Anneke Smolders). Eric is een broer van Jan Meurs, die met zijn vrouw Anita een supermarkt begon in de vroegere noodkerk van de parochie Koningshoeven aan de Piushaven (intussen woongebouw “IJzergieterij”, naar de oorspronkelijke bestemming), daarna als Lekker & Laag op de hoek van de Broekhovenseweg met de Groenstraat. Nadat Jan Meurs zijn supermarkt verkocht, die uiteindelijk in handen kwam van Jumbo, begon hij in 2006 restaurant Etenstijd aan de Leijparkweg. Dit brandde in april 2017 tot de grond toe af. De familie Meurs was toen al enkele jaren uit de zaak. Ook een zoon van Eric, Maarten Meurs, koos voor horeca en stichtte samen met zijn vader ABC-restaurants, waarvan de formule vergelijkbaar was met die van Etenstijd.

 

drs. Franciscus (Frans) Ignatius Antonius Maria van Miert (Den Bosch 1906-1984)

Pestoorke, of de Laatste Pastoor in Toog

was pastoor van de Heuvelse kerk van 1950 tot 1984 en is lang verbonden geweest aan het St.-Odulphuslyceum: van 1934-‘50 als leraar godsdienst en moderator, en daarna tot 1984 als curator. Wat gebogen lopend in lange priesterkleding en altijd met een boekentas in de hand, die hij gebruikte om het collecte- en plaatsengeld naar de nabijgelegen bank te brengen, is hij lange tijd markant aanwezig geweest in het straatbeeld. Op beide plaatsen, de Heuvelse kerk en het St.-Odulphus, werd hij sinds de jaren 1960 geassisteerd en na zijn overlijden opgevolgd door Jan van Noorwegen (zie hoofdstuk 3). Van Miert was ook moderator van de studenten aan de toenmalige Katholieke Hogeschool Tilburg (nu UvT).

 

Pastoor Frans van Miert bleef aan het St.-Odulphuslyceum verbonden als lid van het curatorium. Links naast hem de voorzitter, mr. Jan Molkenboer en helemaal links Frans Mannaerts. Achterste rij wethouder H. Ponzen (l.) en dhr. A. Pillot (r.) Uit gedenkboek St.-Odulphuslyceum 1959.

 

Pastoor Frans van Miert in een van hem op hogere leeftijd bekende houding. Beeldje in 1983 gemaakt door Kees Koster (zie bij pastoor Tilman). Foto: Gerard Steijns.

 

dokter Salomon Moerel (overl.-1944)

Judje Moerèl

 

 

ze hadden eens een pop naar hem gemaakt en op z'n buik 2 x 2 = 4 geschreven, en daaronder: "Judje Moerèl, daor kunde op reekene". Huisarts in de Tuinstraat over wie men ook zei dat je je bij deze "meneer den dokter aaltij moes ötkleeje, ok agge allêeneg mar en flèske zèksel hoefde af te geeve". Deze woorden zullen wel gauw ingeslikt zijn in de oorlog, toen hij moest onderduiken voor de Duitsers. Hij vond een schuilplaats bij Jef van Bebber, een ambtenaar die veel levens redde totdat hij in augustus 1944 zelf verraden en enige dagen later in kamp Vught gefusilleerd werd. Ook dokter Moerel en zijn vrouw overleefden de oorlog niet: zij kwamen een maand later om in Auschwitz. Onder de geredde onderduikers waren moeder en zoon (Ernst) Elzas uit Tilburg, die bij Van Bebber onderdak kregen als het op hun eigenlijke onderduikadres tijdelijk niet veilig was.

 

dhr. Van Mol

den Dôove Mol

van wie alleen bekend is dat de ijscoman Rôoje Harrie (zie Van de Loo) bij hem in de kost was.

 

Elisabeth Mols-van Laerhoven

Bètje Kap

een dochter van de vishandel Van Laerhoven aan het Piusplein. Begon thuis haar te kappen, wat een bijnaam opleverde. Stond later op de Kruikenmarkt (Krèùkemèrt), dat was de zaterdagse markt op het Stadhuisplein voor antiquiteiten, curiosa e.d.

 

Christiaan Mommers (1836-1910)

Criesje Mommers

oprichter van C. Mommers & Co. (zie ook hoofdstuk 4) in de Goirkestraat, waar nu het Nederlandse Textielmuseum is gevestigd.

 

Wolfabrikant Christiaan Mommers (hoed) met enkele voorlieden van zijn fabriek op de foto in 1889 (foto: coll. RAT)

 

Harrie en Netty Mommers-Brocken

Steuntelkaander

tandarts Harrie Mommers en zijn vrouw Netty liepen als stel op vergevorderde leeftijd altijd leunend tegen elkaar, vandaar hun gezamenlijke bijnaam. Zij leeft begin 21e eeuw nog en is dan ongeveer 95 jaar oud.

 

Johannes (Jan) Franciscus Alphonsus Maria Mommers (1908-2004, x Sophia Hendrika Th.M. de Man, Rotterdam 1909 – 1952)

de Bijenkoning (en –koningin)

omdat hij had gestudeerd aan de Landbouwhogeschool in Wageningen en van beroep bijenconsulent werd. Hij trouwde in Wageningen met Sophia de Man, waarna men over haar ook wel sprak als “de Bijenkoningin”. Zij woonden lang aan de Ringbaan West ter hoogte van de Bredaseweg. Jan was een zoon van de fabrikant Franciscus Mommers (1854–1932, x 1899 Helena Anna Maria de Rooij, 1868-1938).

 

Lex Mommers

Docter Mommers

drogist op de Oude Markt (als opvolger van et Kösterke Pessers, zie daar). Werd zo genoemd omdat hij er in de zaak altijd onberispelijk en voornaam uitzag, met zijn smetteloos witte jas en keurig achterover gekamd haar). Heeft rond 2000 zijn zaak beëindigd, waarna er een croissanterie in kwam.

 

Lex Mommers voor zijn zaak bezig met het zonnescherm? (foto C. Wouters 1972)

 

 

Josephus van Mook (1869-1943)

Jup van Mook

inkorting van zijn voornaam. Was ijzergieter, in ieder geval tussen 1892 en 1912 (Piusstraat 60).

 

G.J. (Frie) van Moorsel

de Sienterklaos van Tilburg

 

 

was een levende legende als de officiële Sinterklaas bij in-/optochten in de stad. Frie is in deze functie gebleven van 1920-'40. Hij zat daarbij weleens teut op z’n paard (tot ie er bekaand vanaf viel) als hij vanwege de kou te veel borrels op had. Ze hebben om die reden eens een keer z’n benen onder het paard door aan elkaar moeten binden! Frie van Moorsel was als grofsmid in 1912 in de Goirkestraat (nr. 110) gevestigd en heeft ook in de Hendrik de Keijserstraat gewoond. Het hele jaar door noemden zijn vrienden hem Sienterklaos, behalve in sinterklaastijd als hij weer op zijn paard de stad door moest trekken. Dan riepen ze naar hem: "Heej Frie!" De teugels werden dan vaak vastgehouden door Zòtte Kobus (zie hoofdstuk 2) die het geweldig vond om dit te mogen doen. Min of meer officiële "stadsklazen" van Tilburg zijn in de 20e eeuw geweest: Bart Mutsaers, 1901-'19; Frie van Moorsel 1920-'40; André van Moorsel, 1945-'55; Jan Oosterbaan, 1956-'61; Don van Gijsel (zie daar, 1962-'66); Jacques Berben, 1967-'89 en Willem van Heijst, 1990-2000.  

 

mr. J. (Jan) Christiaan Alphonse Maria van de Mortel (1880-1947, x Josephine E.A.M. Houben, 1887-1966)

Jan Taand

werd lid van de gemeenteraad in Tilburg in 1911 en vervolgens wethouder in 1919, totdat hij in 1940 burgemeester van deze stad werd. Op 12 juli 1944 werd Van de Mortel door de Duitsers uit zijn ambt gezet en daarna gegijzeld in St.-Michielsgestel en Vught. Onmiddellijk na de bevrijding van Tilburg op 27 oktober 1944 is hij door de geallieerden teruggehaald om voor korte tijd opnieuw burgemeester te worden, namelijk tot zijn pensionering op 15 januari 1946. Van de Mortel is ook lid geweest van Provinciale Staten (1916-'39) en van de Eerste Kamer (benoemd in 1939). Jan van de Mortel was een zoon van de Tilburgse notaris Josephus Florentinus Joannes van de Mortel en Francisca Anthonia Maria Verheyen van Estvelt. Na zijn studie rechten in Amsterdam vestigde hij zich aanvankelijk als advocaat en procureur in Tilburg. Weldra werd hij griffier bij het kantongerecht, en terwijl hij dat was (1910-’19) begon hij aan zijn politieke loopbaan. Naast zijn publieke functies heeft hij zeer veel maatschappelijke functies bekleed.

 

 

Het echtpaar Van de Mortel bij het afscheid van Jan als burgemeester van Tilburg in 1947. Rechts deken Nabuurs.Collectie Regionaal Archief Tilburg.

 

Josephine (Fien) Eleonora Arnolda Maria van de Mortel-Houben (1887-1966)

Fien Kèùf of Ma Fienne of Fien meej der Èèzeren Broek

de eerste bijnaam had zij te danken aan haar hoog opgestoken kapsel. De tweede omdat ze deftig was, maar zij was dan ook de burgemeestersvrouw. Zij droeg vaak handschoenen, naar men beweerde omdat haar handen hadden geleden van al het werken met de kippen rond de villa in de St. Josephstraat (nr. 67, zie hoofdstuk 4: den Hunkerbunker). Daar was zij vaak mee bezig was. De derde bijnaam had naar werd gefluisterd iets te maken met strakke lingerie.

 

Willem Mulderij

Fietspomp

was de echtgenoot van “Jong Wieske”, de dochter van “Wieske Snuf” Tuerlings (zie daar).

 

mr. Jacobus Arnoldus Mutsaers (1805 – Den Haag 1880, x 1834 Anna Odilia van Dooren, 1805-1872)

den Affekaot

 

 

hij was de jongste zoon van de wijnhandelaar Arnoldus Mutsaers (1745-1811) en Maria Elisabeth de Greef (1769-1841).

Jacobus Arnoldus Mutsaers werd bekend als jurist, politicus en staatsman. Na zijn rechtenstudie en promotie aan de universiteit van Luik was hij van 1830-‘42 advocaat te Tilburg. In 1842 werd hij kantonrechter in Tilburg (tot 1849) en was vanaf dat moment dus geen advocaat meer. Niettemin bleef men hem den Affekaot noemen (wat Ed Schilders heeft ontdekt in het Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek).