INHOUD VEUGELTJES VANGEN
INHOUD VAN RIJSWIJK
CUBRA HOME

- Vink

- Keep

- Kneu

- Distelvink

- Sijs

- Barmsijs  

- Groenling

- Geelgors

- Goudvink

- Frater

- Europese kanarie

- Nachtegaal

- Zwartkop

 

- Merel

- Veldleeuwerik

- Pestvogel

- Europese kwartel

- Europese tortel

 

Henk van Rijswijk & Karel Hermans

Zanglijster (Turdus philomelos)

De zanglijster is van oorsprong een trekvogel maar door de zachte winters van de laatste jaren zien we ook veel lijsters in ons land overwinteren. In de loop van februari/maart, een beetje afhankelijk van het zachte weer, keren de trekvogels terug. De zanglijster komt het meest voor in gemengde loof- en naaldbossen met veel ondergroei van struikgewas. De zanglijster is meer een bosvogel dan een merel maar begint zich tegenwoordig ook meer in de nabijheid van mensen te vertonen. En naar men aanneemt zijn ze ook zeer plaatsgebonden. Ze keren dikwijls naar een eenmaal gekozen broedgebied terug. De zanglijster behoort tot de kleinere lijstersoorten. De rug is bruingekleurd, de borst is bruingeel met kleine donkere stipjes. Een typisch kenmerk is is de okergele driehoek die zich aan de onderkant van de vleugel bevindt. Tijdens de vlucht wordt deze plek goed zichtbaar. De ogen zijn donker en de spitse snavel is bruin. Het verschil tussen de man en de pop is niet te zien, ook niet door de zogenaamde experts. In tegenstelling tot de merel is de lijster een overwegend vleeseter. Het voedsel bestaat uit allerlei in en op de bodem levende dieren zoals wormen, slakken (waarvan het huis wordt opengemaakt met een steen), naaktslakken, rupsen, kevers, keverlarven (emelten) en vele andere insecten. En verder diverse soorten bessen. Van een zanglijster kun je ook een "smidse" vinden. Dat is een verzamelplaats van resten stukgeslagen huisjesslakken. Ze hebben twee methoden om wormen te verzamelen. Met zijn bek heft hij stenen en bladeren op om de daaronder schuilende wormen te verschalken. De andere methode heeft hij afgekeken van de merel en zo kan men hem in het gras zien trappelen om door de ontstane trillingen in de grond de wormen naar boven te laten komen. Vroeg in het voorjaar zet het mannetje zijn territorium af door gretig te zingen. Op het eerste gezicht lijkt het wat vreemd, dat hij zijn gebied alleen verdedigt tegen soortgenoten. Dus in één bepaald gebied kan men gelijktijdig een koppel merels en een koppel lijsters zien broeden. Omdat ze voor een deel hetzelfde voedsel eten, zou men verwachten dat ze elkaar zouden gaan bevechten. Dat is echter niet het geval. Als de broedtijd begint kan men de man rond het uitverkoren vrouwtje zien dansen met een grote slak of een worm als huwelijksgeschenk. Het nest wordt door het vrouwtje gebouwd. Het materiaal waarvan het nest wordt gemaakt is niet zo uitzonderlijk, veel meer is dat de aankleding van de nestbinnenkant, de stevigheid en de wonderbaarlijk gladde wand. Die binnenwand bestaat uit een mengsel van aarde, houtmot en speeksel, dat aan de koele en weinig zonnige nestplaatsen een uitstekende isolatie geeft. Deze isolatie is des te belangrijker als men bedenkt dat het wijfje alleen broedt en dus bij het verlaten van het nest voor korte tijd, de eitjes niet te veel kunnen afkoelen. Overigens is deze met de snavel aangebrachte en met lichaam glad gemaakte beschermingswand zo stevig, dat die dikwijls jarenlang alle weersomstandigheden doorstaat en zelfs jaren later nog als lijsternest is te herkennen. Het nest zit veelal goed verstopt op diverse hoogten en dicht tegen de stam aan. Je moet er een beetje naar zoeken. Maar als de oudervogels flink herrie beginnen te maken ben je dicht in de buurt. Een volledig legsel bestaat uit 4 of 5 blauwgroene eieren met zeer donkere stippels. De pop broedt die eieren alleen uit in ongeveer 15 dagen. Beide ouders verzorgen de jongen. Na uiterlijk 17 dagen verlaten de jongen het nest. Een lijster broedt tweemaal per jaar. Meestal worden jonge lijsters met nest en al meegenomen als ze ongeveer 6 dagen oud zijn. Daarna zijn ze bijna niet meer te ringen. Het nest wordt in een emmer gezet met op de bodem een flinke laag zand. In het begin nog een donkerstraler er boven om ze warm te houden. Als de jonge vogels tijdens het voeren schijten dan de uitwerpselen opvangen met een lepel en in het zand gooien. Het is heel belangrijk dat het nest zuiver en droog blijft. De jongen worden gevoerd met 1 deel zelf gemaakt eivoer (zie achteraan in een apart hoofdstukje over de basis van een goed eivoer) en 1 deel universeelvoer dat met een mixer extra fijn is gemaakt. Voeg daar nog aan toe een lepel "vlietabo" (druivensuiker met vitaminen), een lepel miereneitjes en wat water. Het geheel mag niet te nat worden. Voer dit mengsel met eenzelfde voerhoutje als waarmee vinken worden gevoerd. De stompe achterkant van een suikerlepeltje is ook geschikt. Als de jongen een staartje beginnen te krijgen worden ze in een kooi gezet en verder door de tralies gevoerd. Geleidelijk het voer en water in open bakjes in de kooi zetten. Daarna wennen aan het eten van universeelvoer en vette merelkorrels af en toe aangevuld met wat eivoer en miereneitjes. Er zijn ook liefhebbers die beweren jonge lijsters alleen op te brengen met merelkorrels en daarmee goede resultaten te bereiken. Navraag maakt duidelijk dat er dan toch nogal wat uitval is en dat lang niet alle vogels groot worden. Liefhebbers die zowel lijsters als merels met de hand opbrengen vertellen dat een opgebrachte lijster "zeeger" is dan een opgebrachte merel. De zang van een lijster komt feitelijk het beste tot zijn recht als die wordt gebracht vanaf een afstand b.v. vanuit de top van een boom. Vanaf februari kunnen we de zang al horen, dikwijls zelfs nog vroeger maar bijna nooit later. Ze hebben een prachtige en zeer welluidende zang, die bestaat uit strofen die allemaal enkele keren worden herhaald. De lijster draagt zijn zang minder kalm voor dan de merel. Het merkwaardigste in het lied van de zanglijster is wel, dat er veel nabootsingen van andere vogels in vóórkomen. Meer dan de helft van wat een zanglijster zingt is een nabootsing. Op de meeste achterplaatsen komt de zang vaak wat hard over. Als een lijster ergens van schrikt, schijt die de hele kooi onder met natte stront. Met lijsters wordt met heel veel succes in een aparte broedkooi gekweekt. In een volière met andere vogels erbij gaat ook heel goed maar dan moet je vergeten dat met de andere vogels kan worden gebroed want de lijsters eten alle kleine jongen op. Tegenwoordig wordt vaak gekweekt met isabel of isabel-verervende mannen. Die zien er heel mooi uit en worden bij verkoop hoger gewaardeerd. Voor wat betreft het zingen zul je goed moeten selecteren. Er zitten veel schreeuwers bij en het vraagt wat tijd om uiteindelijk een goede zanger met veel variatie in de zang in de kooi te krijgen. Maar als het lukt, kun je er jarenlang van genieten. De jonge vogels ondergaan het eerste jaar slechts een kleine rui. De oudervogels ondergaan een volledige rui van half juni tot eind september en deze neemt 50 tot 52 dagen in beslag.

In het boek "HALT POLITIE" kwamen we het volgende verhaal tegen.

"Op zekere dag ontdekten we op een perceel bouwgrond een val die wel drie meter lang en twee meter breed was. Dit vangmiddel bestaande uit een raamwerk van latten was omspannen met volièregaas. Het was geschikt om er alle soorten vogels mee te vangen. Op de grond lagen stukken brood en diverse soorten granen. Met behulp van een veertig centimeter lang stokje dat onder één van de zijden van de val was geplaatst, was het vangmiddel opgesteld. Het trektouw dat aan dat stokje verbonden was liep in de richting van de woning. Dit huis stond wel honderd meter van de vangplaats verwijderd. Vermoedelijk was de vogelvangerij begonnen. Mussen vlogen af en aan en al vlug zaten er verschillenden onder de val bij het uitgestrooide voedsel. De vogelvanger gaf echter van zijn aanwezigheid geen blijk. Het vangmiddel werd tenminste niet in werking gesteld. Toen even later een lijster in de nabijheid van de val kwam zagen we dat het trektouw werd bewogen. Het duurde niet lang of ook deze vogel waagde zich onder het vangmiddel. Onmiddellijk werd nu het stokje vanonder de val weggetrokken en elke vogel die op dat moment op de voerplaats naar wat eten zocht was gevangen. Daar was ook de lijster bij om welke vogel het kennelijk te doen was. Het duurde niet lang of de vogelvanger kwam vanuit de bijkeuken het bouwland opgewandeld. Op zijn gemak liep hij naar de vangplaats. Een vogelkooi, die vermoedelijk bestemd was om de gevangen vogels in te bewaren droeg hij mee naar de vangplaats. Bij de val gekomen, hurkte hij neer om de lijster vanonder dat vangmiddel vandaan te halen en in de vogelkooi te stoppen. De andere gevangen vogels liet hij vrij. Nadat de man het vangmiddel weer had opgesteld, liep hij terug naar zijn woning. Op dat moment kwamen wij te voorschijn en sommeerden hem om te blijven staan. Zodra hij zich ontdekt wist, zette hij de vogelkooi op de grond en bleef op ons staan wachten. Toen we bij hem kwamen hield hij het volgende verhaal. Het heeft voor mij geen zin om er tussenuit te knijpen. Op de eerste plaats kennen jullie me al en op de tweede plaats hebben jullie alles van dichtbij gevolgd. Wat jullie volgens mij ook gezien hebben is dat ik helemaal geen vogelvanger ben en tientallen vogels zomaar vrijliet. Kijk om die vogels was het mij niet begonnen. Ik had het voorzien op die smerige lijsters en merels. Daar heb ik de gehele zomer last van. Zij vreten mijn aardbeien op en in de winter vreet ik hen op. Zo doen wij dat en zo blijft de schaal in evenwicht want als ik eenmaal bezig ben, blijft zelfs de slager van mijn deur. Ik snap trouwens niet waar al die lijsters en merels vandaan blijven komen. Ik heb er dit jaar misschien al wel honderd gevangen maar elke dag komen er weer anderen onder en in de nabijheid van de val. Enkele dagen geleden ving ik er tien. Vijf ervan leven nog en zitten in een kooi. In de regel slacht ik er vijf tegelijk. Soms zijn de vogels bestemd voor de soep, een andere keer worden ze gebraden en het is zelfs voorgekomen dat ze in de kroketten terecht kwamen. Zo regel ik hier voor mezelf de vogelstand. Zij nemen mij in de zomer en ik hen in de winter."

Jac. P. Thijsse schrijft in zijn boek "Het Vogeljaar" ook over het vangen van lijsters op een zeer speciale manier en alleen bedoeld voor de consumptie. Het boek, in twee delen, werd geschreven in 1903 en 1904 en de beschreven methode was toen kennelijk nog heel normaal.

"Ik heb in een streek gewoond, waar de lijstervangst een belangrijke factor is in het volksleven, een hoogernstig vermaak voor de kinderen, een ontspanning voor de ouderen, een aardige bijverdienste voor allen. Reeds in den zomer nemen de jongens hun voorbereidende maatregelen. Zoodra de lijsterbessen rood beginnen te worden, stappen ze naar vrienden en familie om te vragen of ze in dit of dat boschje hun boogjes (strikken) mogen hangen. In den regel lukt dat wel, tenzij de eigenaar van den een of anderen beroepsvanger een verleidelijk pachtbod heeft gekregen. Dan moet je er weer op uit om de lijsterbessen in te zamelen, want nauwelijks zijn ze rijp of talloze spreeuwen zitter er achter heen en je collega’s zijn ook bij de pinken. Nu doen zich interessante kwesties voor van eigendomsrecht. Zoo’n lijsterbes is toch eigenlijk een wilde boom, maar zijn vruchten zijn geld waard en hij groeit op den grond van een eigenaar. Doch daar breekt zoo’n schooljongen zich het hoofd niet mee, het is hem alleen te doen om kilogrammen lokaas te bezitten tegen den tijd, dat het strikken geoorloofd is. En als er een nat pak, een pak slaag of een calange (bekeuring) van den veldwachter mee gemoeid is, dan maakt dat de zaak voor hem ten slotte nog des te aantrekkelijker. Zijn vader en zijn ooms hebben dat vroeger ook gedaan en schamen zich niet om nu nog in zijn bijzijn hun jeugdige escapades met innig welbehagen te herdenken. En als nu de lijstertrek begint, dan heeft zoo’n jongen al zooveel gewerkt en gestreefd, dat hij tot alles in staat is. Hij knoopt zijn boogjes handig aan het kreupelhout, behoorlijk volgens de wet minstens één meter boven den beganen grond, voorziet ze mondjesmaat van zijn dierbare lijsterbessen en gaat dan naar kooi om heel vroeg weer bij de hand te zijn. Want ofschoon er een sterk vooroordeel bestaat tegen het plunderen van elkaars strikken, zou het toch wel kunnen, dat een goede kennis de vette boutjes uit de haren heeft gehaald. Daarom zijn de jongens ’s morgens al vroeg op de been met hun hengselmand. De zon is pas op en glinstert in de dauwdruppelen en over de bonte blaren van boom en struik. Over de berkentoppen slieren ritsen groepen van mooie lijsters, koperwieken en kramsvogels. Zij zijn in den vroege morgen aangekomen en zoeken nu voedsel. Al die mooie roode lijsterbessen in het lage hout waren een meevallertje. Die zie je anders in October niet. Gretig zijn ze er op afgevlogen en nu zijn ze gevangen in paardeharen strikken. Sommigen met den kop en die zijn dan vrij gauw dood, anderen met de pooten, zoodat ze nog lang hangen te spartelen. Ijverig haalt de jongen ze uit de strik. Een druk op den kop of onder de vleugels helpt ze uit hun lijden en welgemoed gaat hij zijn prooi verkoopen beij den opkooper. Zoo gaat het voort tot Nieuwjaar. Wanneer de lijsterbessenvoorraad op raakt, dan behelpen ze zich met "rooie japen", de vruchten van den meidoorn. Maar meestal komt het zoover niet, want na November begint de trek al merkbaar te verflauwen. Alleen bij snel invallend streng weer komen nog wat afzonderlijke oude vogels opdagen."

Jac. P. Thijsse meende de volgende melodie te horen.