INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Wil Sterenborg

Van bberis tot ouwer

bberis f mis

uitdrukking; spelletje

ook: ►pperst of mis

Van Delft - Bij dit paapke en meetje steken werden de dichtst bij de streep liggende centen met twee of drie in de hand genomen, geschud en boven het hoofd opgeworpen: dan vormde op den grond het kruis of munt ("oppers of mis") weer den eindsleutel. Tijdens dit opgooien verbond men er nog wel ooit aan, dat nummer twee gedurende het in de lucht zweven der centen er eens de hand onder slaan mocht om de centen, die hij zodoende opving, weer neer te werpen. De geldstukjes, die dan "oppers lagen", waren voor hem. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

Van Delft - Ook werd vaak onderweg op straat "oppers (obbers) of mis gegooid". Men moest dan raden, terwijl de kameraad zijn cent opwierp, hoe het muntstukje neer zou komen. Waren de centen op, dan begon vaak de ruilhandel en het leentje-buur-spelen, geen van beide aanwensels met goede paedagogische strekking. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

Witte naa wir nie, wtt ies? Wel dan legde op nen steen 'n paor centen en die staon obberus of mis (d ies zo veul as kruis of munt) en die moette dan perberen om te mikke. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

Cees Robben Tis obberis.. of mis.. (19600219)

Interview Jolen - 1978 - meej de ge vf wastdan hadde vf lsse snte gewoon lsse snte nt as ge naa ng ht, war en, tweej, drie, vier leuwkes boove, d was, d noeme ze bbers! Agge dan, ik zal mar es zgge, ik gojde er drie mar den aandere gojden er mar tweej dan ha ik die vf gewonne d was ge vf! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Kiesde gij bij ut "Mitje steke" "Obburus" of "Munt" ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Frans Verbunt - bters f mis - munt of kruis bij het opgooien

Frans Verbunt - ppers f letters (volgens J. Naaijkens: kruis of munt)

WBD (III. 3. 2:206) oppers = getalzijde v. e. geldstuk

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - - 'oppers of ltters' - kruis of munt

 

chrm

tussenwerpsel, uitroep

ocharm

Cees Robben hij (...) stao gre in den ochrum... (19680628)

Cees Robben - ...ocherm we doen ze toch dr bist... (19540724)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) -  OCHERMEN tw - ocharm, ocharme. Spr. In den ochermen staan beklaagd worden, medelijden opwekken.

WNT - OCHARM - uitroep van smart

 

chd

tussenwerpsel, uitroep, bastaardvloek

- Och God!

Frans Verbunt - ach Heer!

"Geen brood,

geen mik,

ochod-ochod-ochod!

goei weef,

n keend,

ochod-ochod-ochod!"  (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, aaw Tilburg, 1938)

Audioregistratie 1978 - n toen was Drikka Kools, die wonde daor op de Ruudk waor naa Jan van Kempen wont in d ouw hs. n die ha daor en ketaaw, die was vort oud n dan moes ik daor gn wve nouwchd, chd, chd, hGin brod, gin gld, chd, chd, chd! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Cees Robben Verdomme, gilt Lewie... Ochot-te-chot.. (19700925)

Audioregistratie 1978 -- J, n, hoe was d lieke ok wir? Gin brod, gin eete, chd, chd chd! Zo was d vruuger!. (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

 

chchchtch

tussenwerpsel, uitroep

och och och toch

- chchchtch jee jee. Naa moet ik wir en hil stuk vol gaon zwamme. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

chtte

tussenwerpsel, uitroep, bastaardvloek

- Och God!

SJAREL. Ochchote nee, d zok gezellig vne. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

 

oddeklonje

eau de cologne, reukwater
►onjeklonje

 

oe, ou, oew, ouw

persoonlijk voornaamwoord & bezittelijk voornaamwoord

u, jou, je

vroeger ook geschreven (en uitgesproken?) als 'ou' - A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Bij de streken waar de vorm met nadruk 'jou' klinkt, is T niet vermeld (blz. 123)

persoonlijk voornaamwoord 'je'

N. Daamen - Handschrift 1916 - "oe - jou"

Heerkens - zilverblinkend blleke waoter, / geere zing ik over ou.  (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Drpke dauw, 1941)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - et is en 'uw' geleeje dk oe gezien hb

Cees Robben Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)Cees Robben k Wil oe hier wel kwt... (19600701)
Cees Robben Dn td die zal t oe leere (19600916)
Cees Robben Ge wit toch (...) dek veul van oe haauw... (19820122)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OE pers. voornaamwoord  - U, Fr. vous, toi. Ik heb oe daar gezien.

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - oe - persoonlijk voornaamwoord  3e + 4e naamval: u, je

persoonlijk voornaamwoord 'u'

Cees Robben Dies verzuuk ik oe ootmoedig (19660916) [een missionaris schrijft een brief aan zijn bisschop]

bezittelijk voornaamwoord

Cees Robben Nao al t zuut der vurrige daogen/ t zilte naa op oewen dis..... (19540306)

Cees Robben smerrige vingers op oe pet (19540703)
Cees Robben Gao-de meej oe bloei te veld... (19560804)
Cees Robben En denkt aon oe boezeroen... (19570622)
Cees Robben Ruurt oe tungske op n aander (19600116)
Cees Robben Mar snut irst oe neus (19640522)
Cees Robben Bende klaor meej oe wrik Merie? (19650917)
Cees Robben Gij meej oe kaskenaade.. (19661021)
Cees Robben Ge het mepessaant toch n weltje oe verzet gehad... (19810417)

Henk van Rijen - oew oge verschiete - een tukje doen

Henk van Rijen - oew schaoj inhaole - je schade (achterstand) inhalen

Henk van Rijen - oewen daas - je sjaal

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OEW bvw. Uw: oewen hof, oew huis.

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - oew - uw, jouw (bezittelijk voornaamwoord  )

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OE bez. voornaamwoord  - Uw, Fr. votre, tien. Oe huis, oe stok, oen hond.

 

oej

tussenwerpsel

N. Daamen - Handschrift 1916 - "oei z noa, had ie em (bijna)"

WNT - OEI - gearticuleerde uiting van pijn

 

Kaart: D. Zeijnen

Oel

zelfstandig naamwoord, eigennaam, toponiem

Oerle

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - et oel (bep. wijk)

- ok Oel en de Paddewaaikes, het Kretshuiske en iets over tuiten..., de blende Fiel; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- In Oel of op de Paddewaaikes/ Aachter d'Porkes mee  kietelkaaikes; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

1941 - Een oude weverswoning, ergens in Oel. Aan den vaalblauw bekalkten wand speelt een oude hangklok met de koperen maneplak voor het slingerruitje kiekeboe", op den maatslag van den tijd: tik-tak. En onder de oude hangklok zit een jong meisje te noppen. Haar teere vingeren hanteeren behendig het pluisijzer, dat als een nijdig vogeltje pikpik de noppen uit het weefsel trekt. (NTC; Kruispolka, anoniem (Frank Klaroen = Willem van Mook); 26-2-1941)

Cees Robben Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Krvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen hfkes en geen hoven. (19651224)

 

oets

Uit Kroniek van de Kempen 1987

zelfstandig naamwoord

mallejan

N. Daamen - Handschrift 1916 - "oets - voertuig om boomen mede te vervoeren"

Henk van Rijen - 'oets, oerts'

LDM - Verder om niet te vergeten "de oets", ook wel mallejan genoemd, het speciale vervoermiddel voor bomen. Deze bestond uit twee wielen maar groter dan een gewoon karwiel, zodat dus de as ook hoger kwam te liggen. Deze as was zwaarder dan van een gewone kar en er op lag een houten balk en hieraan was beweegbaar verbonden een vooruitstekende paal van ca. 3 m met aan het vooreind een stevige ijzeren ring, waar bij het gebruik de haamknuppel werd ingehaald met aan de uiteinden hiervan ook een stevig ijzeren oog, waar bij het inspannen de haagten of strengen werden ingehaakt. Dit voertuig werd gebruikt voor het vervoer van bomen, die onder de as werden gehangen. Drik en Kees Zebregs aan 't Goirke, Tinus, Kees en Jan Leijs, Hasselt, Huybrechts Lijnsheike waren in dit werk de mannen van 't vak. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 21 Tilburg had een respectabele lijst; NTC 4-2-1954)

Stadsnieuws - Wnnen oets, naa traptie der wir meej baaje poten in! - Wat een onnozele hals, nu trapt hij er weer met beide voeten in

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- OETS m - mallejan, voertuig met twee wielen voor het vervoeren van bomen. Niet in WNT, wel in v. Dale: OETS m - mallejan.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - HOETS vr! - mallejan. In Lage Mierde: 'n oerts.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - OEST noemt men hier zeker werktuig om stukken geschut of andere zware ligchamen te ligten of voort te trekken. Z. a. Reeds bij Kil.

WBD 'oets' - mallejan (II:2787)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) -  OERTS znw. m. zie HRST, zie HRTS

HRTS, NRTS, RTS, HUITS, UITS, NUITS, in N. Kempen: HOERTS, HOETS, OETS, NOETS voertuig op 2 wielen, met langen dissel, om boomen te vervoeren

Van Dale (XIV) mallejan - wagen bestaande uit een as met twee hoge wielen en een disselboom, om bomen en andere zware lasten te vervoeren (1872) - van 'mal' (dwaas) + de persoonsnaam Jan, vermoedelijk gevormd naar mallewagen (wagen waarop leden van het narrengilde rondreden).

 

Mallejan - Anton Mauve (Rijksmuseum)

Schilderij (detail) - Oets of mallejan in de winter - kunstenaar en datum niet bekend

► Dossier: Oets - Mallejan in prent- en schilderkunst

 

oewge

voornaamwoord

jezelf

van oewgen afgaon - het bewustzijn verliezen

Henk van Rijen - waor moeide oewge teegenaon? - waar bemoei je je mee?

Stadsnieuws - Ge moet oewge schaome, dgge oew moeder zo vur de gek haawt! (160907)

Cees Robben -- vuulde oewge nie veul lichter; doeget mar in oewen geste

 

f

onderscheidend voegwoord

of

-- Vaak gevolgd door 'd'; de komplemnte van ons moeder n f d...

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OFDAT, ook OCHDAT vgw. -of, Fr. si. Ik weet nie', ofdat ek wel den tijd zal hebben. - Alsof, Fr. comme, 't Is weer, ofdat de zee zou uitdroogen.

 

f niks
bijwoord
versterking van niet
Cees Robben Hij is nie goed of niks... (19780721)

 

fd

voegwoord

of, of dat

 

ffesier

zelfstandig naamwoord

officier

WBD III. 2. 3:269 'offecierke' = borrel

 

ffenr

zelfstandig naamwoord

effenaar

WBD ffeneer, uffenr, nuffenr (II:1001) - effenaar: toestel om kettingdraden gescheiden te houden.

 

ffer

zelfstandig naamwoord

offer

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - kmt ten ffer: den l is dod (D'16) - Ten offer gaan is naar de lijkdienst gaan. (Tijdens de dienst werd er geofferd, waarbij men langs de baar ging. Sommigen namen hieraan deel om door de familie gezien te worden en verlieten daarna de kerk. De uitdr. hekelt dit gedrag. )

 

oft

zelfstandig naamwoord

ooft

 

ogst

zelfstandig naamwoord

oogst

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 25) ogst

 

jem, aojem

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - adem

 

jeme, aojeme

werkwoord, zwak

ademen

Ge kst em heure jeme.

Dialectenqute Willems (1887) - aojeme - aojemde - geaojemd - geen vocaalkrimping

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt. 44 ligt T. op de grens van gebieden met j resp. s.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - znw. m. adem: 'ene kooien ooiem hebbe'

 

jere

werkwoord, zwak

WBD (van een koe) een zwellende uier krijgen in de draagtijd; ook 're' of nre genoemd

WBD uijere - verwelken (meer melk geven van runderen)

jere - jerde - gejerd

 

ok, ok

bijwoord

ook, eveneens

Toine Raaijmakers (informant) - Mar dan dik et k ok. - Maar dan deed ik het ook beslist.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - eete zullie k gre ks?

Henk van Rijen - lap et em ok es! - doe het ook maar eens!

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - k, voegw. en bijw. 'ok' - ook

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OK bijwoord - ook, Fr. aussi

 

ok nog ok nog

ook nog; tussenwerpsel, vaak verdubbeld ter versterking.

- Van mn belastingsnte ok ng es ok ng. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

-keesje
zelfstandig naamwoord
occasion [op zn Engels uitgesproken]
Cees Robben [over een auto] t Is n o-keesje, Toon.. (19681101)
 

kkaasie

zelfstandig naamwoord; uit Frans 'occasion'

Frans Verbunt - mogelijkheid

 

ok nie

bijwoord

ook niet

herhalend: ter versterking v. e. ontkenning

Toine Raaijmakers (informant) - Mar dan dik et k nie k nie - Maar dan deed ik het beslist niet.

Ad Vinken (informant) - ik doeget nie k nie (k nie)

Want die aander vf, die bte dere tong ok nie aaf ok nie, war? (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- OOK NIE OOK NIE - zeker niet. Zie blz. 33 en 77.

 

ksheut
zelfstandig naamwoord
okshoofd - vochtmaat voor wijn, bier en brandewijn; het vierde deel van een vat, 6 ankers (gemiddeld 220 liters)
Cees Robben Al kon dk n oksheut verschalken (19570727)

 

lf

zelfstandig naamwoord

oorlof, verlof, cong,

Toine Raaijmakers (informant) - oewen lf hbbe - 't erop hebben zitten: Hdde oewen lf?

Toine Raaijmakers (informant) - zenen lf krge - zijn cong krijgen

Toine Raaijmakers (informant) - rges meej in zenen lf zn - ergens mee in z'n sas zijn

De Wijs  -- Hedde den lf ? (Ben je klaar met je werk? Olf is vrijaf, verlof) (20-07-1962)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zen lf hbbe ('65) - zijn taak volbracht hebben; vrij zijn

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - lf maoke (D'16) - er met het werk uitscheiden

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zen lf krge ( '65) - ontslagen worden; (lf is verwant met oorlof - vergunning, verlof, toestemming)

N. Daamen - Handschrift 1916 - k heb olf (ik heb mijn taak volbracht); ik heb zelf mar olf gemokt (gereed of niet ik ben er uit gescheiden)

Henk van Rijen - 'llef, llem' - verlof, vrij, ontslag

Schuermans, Algemeen Vlaamsch idioticon (1984, herdruk) - OLF, verkort van: oorlof

Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

 

lgendag

bijwoord, zelfstandig naamwoord

N. Daamen - Handschrift 1916 - "olgendag - een geheelen dag'

 

'Den lleger' van 'et Gurke' - Foto - Regionaal Archief Tilburg

lleger

zelfstandig naamwoord

orgel

... as ik naauw nog is in de Noordhoekse kerk koom en ik zie daor zn praachtige schilderingen, zne prikstoel, zn ramen, den outer en dien schonen uileger, dan vergao k van plezier... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Swels dn lleger spulde/ stlperdenie over den dlleper van de Klleverse kerk.. (19651015)

 

llemaol

bijwoord

allemaal

► ammel ►mmel

Boom en boojem staon belooverd/ vol blaank blommen ollemaol. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Maonnaacht , 1932)

 

ollie

zelfstandig naamwoord

olie

Ik zaag er [paddenstoelen] z wit as roome, z gl als boter, wir aandere z bruin as peperkoek en vettig blinkend of er ollie over gesmrd zaat... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Dialectenqute 1876 - ollie (met heldere korte o)

Cees Robben in den ollie.. (19870508)

Lechim --

Ollie bespaoring?

't Is 'ne trubbel mee d'n ollie,
We motte mindere en gaauw,
Aanders zitte we van 't wnter
Mee allemolle in de kaauw.

't Auto-rije mot op staoikes
Honderd per uur, ds volop zat
Om te vurkoome dmme laoter
D'n bojum zien van 't ollievat.

In Argentini - heur ik zegge -
Slaon ze'r naa al van op hol
Gin beziene in de tnke
Mar ksselukke alkehol.

Och, 't is z mar 'n gedachte
Mar witte waor ik bang vur ben?
Dsse daor strak k znder ollie
Durlpend in d'n ollie zn.
(Tilburgse Koerier, ca 1975)

Frans Verbunt - ds aanderen ollie zittie, n hij zek in de lamp

Frans Verbunt - (sneevel) ik hbbem liever as den hllegen ollie

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Stien ollie (Joh. Mutsaers) (blz.56)

WBD III.2.3:233 'oliekoek' = idem

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - llie, met korte vocaal (krt. 61)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - li, znw.m. - olie

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ollie' zn - olie

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - ollie olie

 

llie, llieje

bezittelijk voornaamwoord

jullie, uw

Is llie paa ts? - Is jullie vader thuis?

Dialectenqute Willems (1887) - onder ullie - onder u; den ullie - de uwe

Van Delft - En Arjaon praotte d'r overheene: "Olliede gullie de jullieje ok meej slappen ollie?" (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

Cees Robben lliede-gllie den llieje-k... (19560825) [Olin jullie die van jullie ook?]

De Wijs  -- lliedeglliedejllieje nog? (feb. 1962)

Cees Robben Is d lliejen paaa..? (19570817)

Cees Robben llieje Sjennie is n nch hundje... D-wel.. Hij is vernoemt flnich.. (19600122)

Stadsnieuws - Hee llie moeder sewle nog repel nodeg? - Heeft je moeder soms ... (060610)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Op krt. 67 vallen de vormen 'jullie/jllie' en 'ullie/llie' rond Tilburg samen (blz. 125)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - voornaamwoord  'ullie' - jullie

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - LLIE, LLE(N) vrnw. en bvw. - zie ULIE - ulieden, dat. +acc. v. gijlie

 

olliebl

zelfstandig naamwoord

oliebol

Cees Robben -- de ollieblle ruuke goed;

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - olliebolle (meervoud )

Ons Jantje maawt om olliebolle/ ons Mietje om en skerspin/ Ons Wies die vraogt gerukte plling/ ieder wil zenen ge zin... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes haawe )
Ammol en Zaolig Nuuwjaor mense/ wns ik oe gre nt begien/ mee et vt van de olliebolle/ n vant knn ng n men kien. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Van veurenaaf aon)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den olliebl = Jan Oosterbaan (blz. 105)

 

olliebrd

zelfstandig naamwoord

bruid die in de z. g. besloten tijd in de kerk de 'roepen' krijgt, omdat er haast is bij het huwelijk

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - znw. vr. - 'oliebruid' - eertijds een bruid die op Goede Vrijdag (dag waarop vooral olie werd gebruikt) of in het algemeen: in de (grote) vasten aantekende.

 

olliefaant

zelfstandig naamwoord

olifant

 

ollieje

werkwoord, zwak

olin, smeren

Ik denk ineens aon die boerin, die mee 'n aander boerin stond te praote over d'ren koffiemeulen en vroeg: Olliede gullie den ullien ook?" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; NTC 19-11-1938)

Van Delft - En Arjaon praotte d'r overheene: "Olliede gullie de jullieje ok meej slappen ollie?" (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

Cees Robben lliede-gllie den llieje-k... (19560825) [Olin jullie die van jullie ook?]

Kek, wat feen/ Net as van meen/Ge het dezelfde Citron/ Olliede Gullie de Jullieje Ok? (Tony Ansems, Olliede gullie de jullieje ok?; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Olliede gllie den llien ok? - Smeren jullie die van jullie ook?

Pierre van Beek - ullieje

 

olliekont

zelfstandig naamwoord

oliekont

WTT 2013 meestal wordt oliekont beschouwd als een scheldwoord of spotnaam voor Tilburgers; met als aanleiding de lichaamsgeur van arbeiders die in de textielfabrieken werkten met smoutolie. ► smaawt. Dirk van der Heide zegt in zijn Groot Schimpnamenboek van Nederland (1998): De Tilburgers bakten vroeger alles in olie, vandaar de scheldnaam 'Oliekonten'. Anderen beweren, dat de scheldnaam te maken heeft met de fabrieksarbeiders, die altijd naar olie stonken. Het bakken in olie is onzin, het stinken is niet onmogelijk. Pierre van Beek suggereert een andere oorsprong. Zie hierna.


Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek


1974 (ca.) - "olliekont" - dialect - onder "olliekont" wordt verstaan een "verleidster" , een "bijdraaister" maar is altijd wel iemand die men het slecht kwalijk nemen kan. "ollie" is afkomstig van het frans: "jolie" = lief, aardig

WTT 2013 Als Van Beek gelijk heeft dan is de volgende stap logisch: kont is dan ook een verbastering, en wel van het Franse con.
A.M. de Jong (Merijntje Gijzens jonge jaren; 1957) -- Thuis... We zijn Brabanders.

- O . . . Ik heb ook nog femilie in Brabant, in Tilburg, is dat

bij jullie in de buurt ?

- Nee, da's een andere kant uit.

- Nou ja, dat lazert ook niet, 'k heb ze nog nooit gezien, die

oliekonte... Dan zal ik ook maar Merijntje zegge, as ie 't

goed vindt...

Henk van Rijen - verveeloor

 

olliekonte

werkwoord, zwak

vervelen, lastig zijn

Cees Robben Ze [de echtgenote] liekont en lammenteert/ en zeurt aon munne kop. (19650507)

 

ollielaamp

zelfstandig naamwoord

olielamp

Cees Robben -- 'Zo zaag ie list 'n olielaamp'

 

olliemaot

bijvoeglijk naamwoord

Van Beek - "'t Is oliemaat" - overvol.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

 

olliemeule

zelfstandig naamwoord

oliemolen

Audioregistratie 1978 - dtter kolzaod gezaajd wrd n dan geplaant! Hamme ok ieder jaor in en hoek! Ge ht wl ot van en olliemeule geheurd, h? D, nou d, d antiek ding daor in de Rt, d was ok enen olliemeule. B mn schonvadder bij Drikske Priems ha enen olliemeule n in de Trouwlaon! Ik weet er zo drie staon, olliemeule! En de boere zaajde ammel koolzaod! Dan han ze ollie, daor kosse ze strf van bakke n, n dan zo w saus n d was vordilleg n d ginge ze daor laote maole, ollie laote prse! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

ollienutje

zelfstandig naamwoord

apenootje, pinda

zaad van een tropische plant (Arachis Hypogaea)

- Cees Robben t Snoeppepier en bakkesvol/ En t llienutje...  (19580329)

- Ginge we aaltij meej de knder nr de Biks Brege. n de knderwaoge, we naame pindas meej, ollienutjes war [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- Jan Naaijkens, D's Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - 'ollienutje' zn - apenootje, pinda

- Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - ollienutjes pindas

Overdrachtelijk voor rotte tand(en)

- Naa mokte d nie veul t, hij ha toch aaltij al enen bk vol gebraande ollienutjes.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

ollievaor, ojevaor

zelfstandig naamwoord

ooievaar

R. J. kmt den oojevaer ngevlooge

Cees Robben -- Ist waor d den 'ooievaor' de kiendjes brengt?

Cees Robben -- Witte gij wl d den 'ooievaor' de kiendjes brengt?

WBD III. 4. 1:225 'olievaar' - ooievaar (Ciconia ciconia), ook 'ooievaar'

Jan Naaijkens, D's Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - 'oojevr' zn - ooievaar

 

olliewrtel

zelfstandig naamwoord

stinkende sigaar

N. Daamen - Handschrift 1916 - "oliewortel - noemt men een stinkende sigaar"

 

ollg

zelfstandig naamwoord

oorlog

not mir ollg - nooit meer oorlog

Interview Jolen - 1978 - J, toen waaren er wl siegaare (in den ollg) mar d is alleml aachterdeur, hinlandse siegaare ok j, van inlandse tebak mar d was niks (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- want et was olg war.... (Henritte Vunderink; Vruuger; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

ollgstd

zelfstandig naamwoord

oorlogstijd, oorlogsjaren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - et kenaol d was ng nie gelk oopen toen wast, in den ollgstd ok ng gebeurd, en bietje vur den ollgstd want den dk hier, die, die, de verkeerswg, den dk, ds zaand wr den dk meej opgehogd, ds ammel zaand hier t et kenaol! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Ik heb toen bij Jantje Brouwers gewrrekt gehad in den ollgstd want toen bn ik meej, meej wrkverlf gekoome, pas tweej mnde n toen wrrekte ik bij Jantje Brouwers neegeneneegeteg uren in de week. Van smreges vf tt saoves neege n saoterdagsaoves tt twaalef uure n dan kregeme en dubbeltje per uur! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

lm

zelfstandig naamwoord

WBD III. 4. 2:198 'olm' - houtworm (Anobium punctatum), ook genoemd: 'meutel', 'houtwormpje' of 'mot'

WBD III. 4. 3:143 lm - iep (Ulmus)

WBD III. 2. 1:458 lm = houtmeel, ook genoemd mlm, vermlmd hout, meutel

 

ltje

zelfstandig naamwoord dim.

Henk van Rijen - uiltje

 

om

tussenwerpsel

WBD opzij! (conmando voor een paard), ook hm genoemd

 

omd

voegwoord

omdat; doordat

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'omd ze vererremoeien'

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij heej veul prts mdttie strk is

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMDAT vgw. - wordt altijd gebezigd voor 'opdat'

samentrekkingen

omdat het (en dus niet omdat je het)
Cees Robben Omdegget (...) eene keer per jaor mar carneval is... (19600226)
omdat ik er
Cees Robben omdekker (19721027)
 

omgaon

werkwoord, sterk

omgaan

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ik kan meej gin dwarse meensen mgaon

 

omgevallewt
zelfstandig naamwoord
ongevallenwet
Cees Robben Vur ziekte.. kiendjeskperij/ of omgevallewet (19600701)

 

omgoje

werkwoord, zwak

omgooien, omvergooien

WBD ze (de melk) heet er gat mgegojd - ze is geschift (hs K 183)

 

omhbbe

werkwoord, sterk

omhebben

Pierre van Beek - Hij hm m - Hij had hem om, hij had te diep in het glaasje gekeken (TT170)

WBD III. 2. 3:259 'hem omhebben', 'hem goed omhebben' = dronken zijn

 

omkiepe

werkwoord, zwak

Frans Verbunt - omkippen

Jan Naaijkens, D's Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - (1992) - omkiepe ww - omkippen ; 'de kr omkiepe - een miskraam hebben

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - omkiepe - leeggooien

 

omleg

bijwoord

omlaag

Henk van Rijen - 'ombleg, omleg' - omlaag

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMLEEG (scherpe e) bijwoord - omlaag

 

mmel

bijwoord

allemaal

►amml

d's ommol t mijn... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: t Zaangerke , 1932)

 

ommers

bijwoord

immers

R. J. Ze kwaamen mmers nr et kiendje kke

"D zeg ik toch ommers, dettie goed zingt." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)
Den arbeider is z'n loon waardig, zee St. Paulus ommers!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)

Daor is ommers ok niks van aon! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

Cees Robben Hij pruimt ommers (19570817)

...ge wit wt spulgoed lot is./ Dt nao enen dag of aanderhalf/ ommers toch wir kepot is. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Spulgoed)
...want ollietroep n trammelaant/ vnd ommers niemand fn. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin aaw zer)

ik zuuk gin herrie ast nie moet/ Ommers : et Akkedeert naa goed (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ellef-Ellef)

Zo haole Jaon n Jaantje saome/ aaw koeie t de slot/ want de td dsse ng knder waare/ vergeete ze ommers not. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Rommelpot)

Meljoene meense lije rmoei/ mar j, ds wir en sort apart/ die zitte rges in de rimboe/ n ze zn ommers tch mar zwart... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vreede n Sneuw)

't Gao ommers nie aaltij effe gemak... (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

...ik geleuf d alleman ont klttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

GD 06 die zn ommers al lang tgezonge

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - OMMERS, voor 'immers'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMMERS, OMMES, OMMERS, OEMMES bw - immers, Fr. pourtant, n'est-ce pas?

WNT - IMMERS, emmers, ommers

 

ommetom

bijwoord, voorzetsel

Frans Verbunt - rondom

Stadsnieuws - 'Et onweer zaat ommetom: et wirlichtte n alle kaante (071107) - Het onweer hing om ons heen: het bliksemde aan alle kanten.

WNT - X:150 OM (45) Om, als bijw. , in verband gebracht met een ww., waarmede het gewoon is in samenstelling te treden, wordt ook wel dubbel gebezigd (om en om, voorheen om end' om, ook wel in n woord ommendom en ommentom geschreven), doch alleen in die gevallen, waar het de beteekenis heeft van omwending of rondgaande beweging; ( 58, a,alpha). Die verdubbeling dient om te kennen te geven dat de draaiende beweging om en nog eens om gaat, dat er derhalve eene herhaalde omwending geschiedt. . . . (zie aldaar)

 

mml, amml

telwoord, voornaamwoord, bijwoord

Henk van Rijen - allen, allemaal, steeds maar

 

omreeje

voegwoord

omdat

- n daor haddet al, hij w nie betaole omreje dttie et te duur vos  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

omslaon

werkwoord, sterk

omslaan

WBD III.2.2:5 'omslaan' = een miskraam krijgen; ook: 'omslagen', 'verlopen

 

omspaoje

werkwoord, zwak

WBD (Hasselt) - omspitten, elders ook 'spitte' genoemd

WBD (Hasselt) - omspitten met een voor

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - mspaoje

Interview met de heer De Kok (1978) Omspaoje! Nie omspitte, omspaoje! Op zen Tilburgs gezeej! D moes ik dan doen (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - OMSPA(D)EN, OMSPAAIEN - omspitten

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'mspaoje' ww. - omspitten

 

omsprs, sprs

bijwoord

Henk van Rijen - expres, met opzet

 

omstaandeghd, -hei

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - omstandigheid

 

omstand

zelfstandig naamwoord

WBD III. 1.4:384 'omstand maken' = drukte maken

 

omsteburt

bijwoordelijke uitdrukking

om beurten

Elken irste Woensdag van de mnd omsteburt bij iemand aanders bij mekaare koome om te kunne klppe. (Nel Timmermans; Onze klpclub; CuBra; 200?)

 

omstote

werkwoord, sterk

omstoten

-- omstoote - stotte(n) om omgestote - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stot om

 

omwaas

afwas

WBD III. 2. 1:286 omwaas, afwaas, opwaas = vaat

 

omwaase

werkwoord, zwak

afwassen

as ie omwaast, krgt ie en segaar

WBD III. 2.1:287 omwaase, schootelwaase = de vaat doen - omwaase - waaste om - omgewaase

 

n, aon

voorzetsel, bijwoord

aan

Dnkt eraon dgger on dnkt . - Vergeet niet eraan te denken.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ik bb et n men hart

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - hij heej gezeej dttie n me zal dnke

Henk van Rijen - n zon kr hk niks aon

Henk van Rijen - n hs koome

Henk van Rijen - n kouse nuuw voete braaje

WBD III. 2. 2:83 'aan zijn' - verkering hebben

 

nbne

werkwoord, sterk

aanbinden

nbne - bond aon - ngebonde

Dirk Boutkan (1996) - (41-42) nbne - bnd er dees mar aon

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANBIJNEN - aanbinden (Kempen)

 

nbre

werkwoord, zwak

WBD (Hasselt) laten dekken v. e. varken), aldaar ook 'bre' genoemd

-- nbeere - brde aon - ngebrd (geen stamvocaalkrimping)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanberen, (een zog) door de beer laten dekken

 

onbekwaom

bijvoeglijk naamwoord

Frans Verbunt - dronken

Stadsnieuws - Hij h ene goejen brrel aachter zen knpe, mar hij waar nie onbekwaom. - Hij had een flinke borrel op, maar hij was niet dronken. (180710)

 

onbeschaaje

bijvoeglijk naamwoord

onbescheiden

N. Daamen - Handschrift 1916 - "ik heb em noot onbeschaaie gezien (ontoerekenbaar, onhebbelijk: te veel gedronken)"

Cees Robben vrouw over haar man: Hij tuutert gre moeder... Mar ik heb m nog nt teut of onbeschaaie gezien... (19660610)

Henk van Rijen - ds ginnen onbeschaaje meens, hurre - dat is geen onbescheiden man, hoor!

CiT (27) 'Des ginnen onbeschaaie meens, hrre!

 

onbesnut

bijvoeglijk naamwoord

WBD III. 3. 1:223 'onbesnut', 'ruw, rouw, lomp, boers' = ruw

WBD III. 3. 1:226 'onbesnut', 'strant, ontstrant, frank' = brutaal

 

nbetije

werkwoord, zwak

FVv zijn gang gaan; 'lot em mar nbetije' - laat hem zijn gang maar gaan

Stadsnieuws - Lt em mar en bietje nbetije, dan gaoget wl wir oover Laat hem maar een beetje zijn gang gaan, dan . . . (070908)

WNT - BETIJEN - in deze vorm alleen nog in den tegenw. tijd als onz. ww in gebruik. Reeds in het Mnl. kende men de uitdrukking 'enen laten betien - iemand laten begaan; de algemeene taal heeft dat later veranderd in 'iemand laten betijen.

 

onbewkt

bijvoeglijk naamwoord

onbewaakt

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - nen onbewkten ooverweg

 

nbezoelieje

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - aansukkelen

 

nbieje

werkwoord, sterk

aanbieden

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonbooi'

-- nbieje - boj aon - ngebje

 

nbraaje

werkwoord, zwak

aanbreien

n kouse nuuw voete braaje - aan kousen nieuwe voeten breien

-- nbraaje - braajde aon - ngebraajd

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanbreien, beginnen te breien, nl. op de plaats waar de vernieuwing een aanvang neemt. Z. a.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANBREIEN - wkw (brj n, ongebrje of onge9br:) - gedurig breien

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANBREIEN - een versleten stuk v. eene kous vervangen (aangebreen)

 

nbraande

werkwoord, zwak

aanbranden, ook figuurlijk

-- nbraande braande(n) aon - ngebraand

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANBRANDEN - ombrane wkw (branden on, ongebrant): De pan is aangebrand; het riekt daar aangebrand (naar iets dat aanbebrand is)

 

nbrnge

werkwoord, sterk

aanbrengen

werkwoord, sterk

--nbrnge - brcht aon - ngebrcht

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - Brengt me een beetje water aan. Ook: kenbaar maken bij het gerecht e. d.

  

ndacht

zelfstandig naamwoord

aandacht

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aondacht'

Henk van Rijen - 'ndaacht

 

ndaawe

werkwoord, zwak

Henk van Rijen - aanduwen

 

ndel, ndiltje

zelfstandig naamwoord

aandeel, aandeeltje

Henk van Rijen - aandeel, part

 

ndehaand

bijvoeglijk naamwoord

WBD linkerkant van het paard, ook genoemd 'b de haand' of 'van de haandse kaant)

 

ondngbaor

bijvoeglijk naamwoord 

ondenkbaar

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 28) uit cluster ngkb wordt de k verzwegen,

 

ndnke

zelfstandig naamwoord

aandenken, voorwerp dat aan iets of iemand herinnert

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANDENKEN - znw. o. - voorwerp waardoor men aan afgestorvenen blijft denken.

 

onder, dr
bijwoordelijke uitdrukking
in de cel
Cees Robben Den Sjarel moes boven-komen.. En tnemekaare dr onder... (19620406) [De cellen waren blijkbaar onder het politiebureau gelegen.]
 

onderaand, onderhaand

bijwoord

eindelijk

Komde naa onderaand?

Van Delft - "Komd' onder(r)aand?" Kom je nu eindelijk eens, na al dat getreuzel. "'k Ben onderaand klaor." 'k Ben bijna klaar. "Onderaand" beteekent: onder de hand, bijna welhaast, ongeveer. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Cees Robben Geld geld... (...) ik ben k onderaand tne (19730824)
Cees Robben Goade onderaand nog nie trouwen Tirris... (19821105)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - onderaand - weldra (wnbr. ) = onderhand

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERHAND (klemt. op hand) bijwoord - binnenkort, aanstonds

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ONDERHAND (onderhaand) bijwoord

v. Dale omschrijft de Zuidned. betekenis als 'spoedig' en onderscheidt die van ABN 'intussen'. In mijn herinnering combineert 'onderhaand' beide bett. en is het daardoor moeilijk met n woord te omschrijven.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bijw. 'onderhand' - binnenkort, weldra, zo zoetjes aan

 

onderbaand

zelfstandig naamwoord

onderband

WBD nderbaand (II:997) - onderband (touw v. e. dradenkruis)

WBD nderbaand (II:1000 en 1010) - onderband: vitskoord flsroejlus

 

onderbroek

zelfstandig naamwoord

onderbroek

...zon lange onderbroek, meej lage zoldering, in menne nek. In de volksmond bekend as un onderbroek meej lange mouwen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

onderdouwe

werkwoord, zwak

onderdrukken

Frans Verbunt - deronder gedouwd wrre - begraven worden

WBD III. 1. 2:92 'onderdouwen' - (onder)dompelen; ook: 'soppen'

 

onderdraaje

werkwoord, zwak

spel

Van Delft - Het "onderdraaien" was wederom een geldspelletje. Onder den klomp of den schoen werden naar wederzijdsch goedvinden 4 of 5 centen gelegd. Die legde men, zonder dat de tegenpartij het zag, willekeurig "oppers of mis" door elkaar. Nu mocht de ander daarnaast zijn 4 of 5 centen leggen. Lagen die met de bedekte overeenkomstig kruis of munt, dan had hij gewonnen wat gelijk lag, terwijl de ongelijk liggende voor den ander waren. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

 

onderdurke

zelfstandig naamwoord dim.

kind dat niet groeit

Henk van Rijen - in groei achterblijvend kind, miserabel nietig persoon

 

ondert

bijwoord

onderuit

R. J. n kmt er ndert gekroope

 

ondergeril

zelfstandig naamwoord

WBD vilten haam, evenals 'onderhaom' in de Hasselt gebruikt voor dat vilten haam of twee met elkaar verbonden kussens die het paard om de nek draagt onder het haam, indien dit te groot is.

 

onderleuper

zelfstandig naamwoord

onderloper

WBD nderleuper (II:962) onderloper = doekboom v. e. weefgetouw

 

onderlst

bijwoord

onlaangs

Zie ook 'onderlist'

- Goed, zo zaat ik dus onderlst bij kaffeej De Saawelr in de Pironstraot  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Onderlst waar mn wasmesjien kept n Fredje van Boesschoten waar langsgewist, mar die kossem niemer gemokt krge, zeetie. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Ik liep onderlst dur de Heuvelstraot (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Dus onderlst belle wij meej z'n tweeje ggeraans n de deur aon, doeter zon meens ope. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

onderlist

bijwoord

onlangs

- n toen ik onderlist/ en goei kaaw ha gevat... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De kreeg ie wl)

- Net as toen onderlist... (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

ondermne

werkwoord, zwak

ondermijnen

Dialectenqute Willems (1887) - ndermne - ndermnde - ndermnd

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij ndermnt

 

ondermlk

zelfstandig naamwoord

WBD afgeroomde melk, ook 'zwiers' genoemd

 

onderpak

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - n na beste kostuum (evt. combinatie met vest)

 

onderploege

werkwoord, zwak

onderploegen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zich nie laoten nderploege (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1974) - niet voor anderen willen onderdoen, nooit de mindere willen zijn (variant: ndereggen)

 

onderschlle

werkwoord, zwak

WBD ondiep onderploegen van mest

 

ondertas

zelfstandig naamwoord

Ad Vinken (informant) - schoteltje

Ad Vinken (informant) - tas n ndertas

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERTAS znw. v. - het schaaltje onder het koffiekopje

 

ondervne

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - ondervinden

 

ondervning

zelfstandig naamwoord

ondervinding

Dialectenqute 1876 - ondervijning of ondervning: ('t verschil is klein)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERVIJNEN (Kemp.) in 't Z. ook: ONDERVINNEN ondervinden; ONDERVIJNSELS, ONDERVINSELS znw. o. mrv.

 

onderweege, onderweeges

bijwoord

onderweg; in verwachtin

onderweg

MP gez.  Et is nie rg as ge onderweege honger krgt, as ge mar ts it.

Cees Robben En onderweege likkisaon... (19550716)

Cees Robben onderwege (...) akkoe naor huis breng (9870102)

Frans Verbunt - zat zn f onderweege

- Ik waar onderweges nr ene maot van mn  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERWEGEN bw onderweg; onderwegen blijven - achterwege blijven, niet uitgevoerd worden

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - onderweejge bw - onderweg

In verwachting

Frans Verbunt - onderweg, in verwachting

- Ze vonden et wel leuk un nuuw moeder, der geste han ze amper gekend, ziek of onderweege. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - onderwege - onderweg, in verwachting, miskraam

 

onderwl

bijwoord

onderwijl, inmiddels

 

onderwrk

WBD onderwerk: het onderste gedeelte v. d. schoen (II:736)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERWERK znw. o. - bij schoenm.: onderstukken, al wat de zool van eenen schoen uitmaakt, zooals de hiel, de tree enz.

 

onderws

zelfstandig naamwoord

onderwijs

 

onderztte

werkwoord, zwak

Van Delft - - Vroeger "mossen de zatlappen boven kommen bij den commesaar" en als zij dan boven (op het stadhuis) waren geweest "wieren ze d'r onder gezet" (in de gevangenis).(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

onderzuuk

zelfstandig naamwoord

onderzoek

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - nderzuuk

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERZUUK (klemt. op zuuk; znw. o. - onderzoek

 

onderzuuke

werkwoord, sterk

onderzoeken

-- onderzuuke - onderzcht - onderzcht

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONDERZUKEN onderzoeken

 

ndieft

bijvoeglijk naamwoord

ondeugend

de etymologie is WTT vooralsnog onduidelijk

ondieft *) lievenheerentieke, *) -noot van Sterneberg bij dit woord: ondeugend... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Ons lievenheerentieke,  1932)

 

ondiep

bijvoeglijk naamwoord

ondiep

WBD ndiepe koej - koe met hoge poten, ook genoemd 'hogbinder', 'langbinder of 'lochte koej'

 

ndoen

werkwoord, sterk

aandoen (in div. bett. )

Henk van Rijen - doe es gaaw oew aaw aon

WBD (III. 2. 1:264) ndoen of nsteeke (v. d. laamp) = aansteken

WBD (III. 1. 3:7) 'aandoen' = zich aankleden

-- ndoen - di aon - ngedaon

Bont - aandoen 1) aantrekken, aankleden, 2) aanranden . . . (z. a.); Zegsw. 'met iemenden of iejt aandoewn' kan ook betekenen: zich behelpen met.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANDOEN, - een kleed, hoed, schoen, ring aandoen; slecht, poverkes aangedaan (gekleed). Z.a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANDOEN - voor 't gerecht brengen; beslag op iemands goed leggen; aanvallen, aanranden; wdk: zich aankleden; enz.; 'me(t) iemand aandoen - ongeoorloofde liefdesbetrekkingen hebben

 

ndouwe

werkwoord, sterk

aanduwen

ene waogen ndouwe - aanduwen, op gang brengen

ndouwe - douwden aon - ngedouwd

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANDOUWEN - aanduwen

 

ndraaje

werkwoord, zwak

aandraaien

WBD 'aondraoje', 'ndraoje', andrje' (II:1012) - aandraaien (van de kettingdraden); ook: 'aonknpe', 'anknpe' genoemd

WBD 'aondraojplank', 'ndraojplank' (II:1013) - aandraaiplank

WBD ndraajer (of: -draojer?); 'aondraojer' (of: n-?) (II:1016) - aandraaier: aandraaiband; ook: type aandraaihaak

WBD III. 2. 1:264 'aandraaien' = het licht aansteken

 

ndraaier

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - nknper, man die de kettings aan het kettingraam knoopt

 

ondugd

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - ondeugd

ook: ondeugend iemand

WBD III. 1. 4:99 '(kleine) ondeugd = ondeugend kind

 

nrde

werkwoord, zwak

aanaarden

WBD I:1453 aardappels aanaarden: 'aonrde', 'onrde'

 

nre

werkwoord, zwak

WBD (van een koe) een zwellende uier krijgen in de draagtijd; ook 're' of 'jere' genoemd

-- nre - eurde aon - ongerd - geen vocaalkrimping

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. intr. aanuieren, een mooie volle uier beginnen te krijgen: Ze (de koe) rt schoon aan.

 

onfesoendeleks

bijvoeglijk naamwoord

Wet is er naa vur onfesoendelijks aon degge oe bord aflekt? (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

ongaans

misselijk, onwel (gewoonlijk i. v. m. overdadig eten)

Hij h zengen ongaans gegeete. - Hij had zoveel gegeten dat hij misselijk werd

N. Daamen - Handschrift 1916 - "hij was er ongaans van geworden (onwel)"

CiT (15) 'Hij hee z'n ge ongaans gegete aon d'appeltjes

WBD (III. 1. 2:190) 'ongans' = ziekelijk

WBD (III. 1. 2:230 'ongans worden' = flauwvallen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ongans - ziek, dwaas (brab. )

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ONGANS bn en zn v, onwel, ziek, misselijk; altijd gebezigd i. v. m. overmatig eten of drinken: ik heb m'n gen ongans gevreten. Ook n ongans wordt gezegd.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ONGANS of ONGANSCH = schapenziekte. Overdragtelijk ook 'onzuiver', zoo ligchamelijk als zedelijk. Mogelijk 'gans' = gezond, wijs bij Van Maerlant. Z. a.

 

ngaon

werkwoord, sterk

aangaan

Cees Robben -- W kiendjes kope ngao . . . ;

WBD (III. 2. 1:478) 'aangaan' = blaffen (v. e. hond)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- AANGAAN (ongaon) ov. ww. , meestal als zelfstandig naamwoord gebezigd; een begin maken dat meteen het halve werk is: 't is mt 'n ongaon (De Bont).

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANGAAN, ongon, wkw. - aangaan, betreffen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANGAAN - heengaan, weggaan; beginnen (b. v. de mis); kwalijk, barsch toespreken; toebehoren; iemand aangaan - dringend verzoeken; aan iemand aangaan- hem aansporen, aanzetten; gevoelig berispen of afranselen; aan iet aangaan - er aan beginnen

 

ngaon

zelfstandig naamwoord

onderneming

eemigreere ds en hil ngaon

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - AANGAAN, voor 'beginnen' verouderd. Z. a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ONGAON: 'n hil ongaon - een omvangrijk karwei

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ongaon' zn - onderneming

 

ngebonde

bijvoeglijk naamwoord

Van Delft - "Hij is kort aangebonden", hij kan niet veel verdragen, hij wordt spoedig driftig of kwaad. (Een geit, die op een grasveldje staat en ook maar aan een kort touwtje gebonden staat, rukt en trekt er ook veel aan.) (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

 

ngebraand

bijvoeglijk naamwoord

aangebrand; (figuurlijk.) zwanger vr het huwelijk;

N. Daamen - Handschrift 1916 - "oangebraand - Ze is oangebraand (buiten echt zwanger)"

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - deelw. bnw. aangebrand: 'Z'is aangebrand' gezegd als een meisje dat verkering heeft zwanger wordt.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANGEBRAND - heel mager, zoodat de huid aan de beenderen kleeft. Ze is aangebrand - bedrogen, verleid (.van eene jongedochter)

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ongebrand deelw - aangebrand

 

ongediert

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - ongedierte

 

ongedopt

bijvoeglijk naamwoord

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ONGEDOOPT bn - oningewijd, onervaren, ook: ongemanierd

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - znw. m. - ongedoopte, van een jonge knecht gezegd die nog niet veel presteert of van een bijna 'ongeleerd' paard.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONGEDOOPT (Kemp. : ongept, Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ongedoept) bvw. - ongedoopt

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'ongedopte zn - ruw, halfwijs; iem. met onbehouwen manieren

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - ongedopt - lomp, onbeleefd; oningewijd, onervaren

 

ongeduureg

bijvoeglijk naamwoord

ongeduldig, onrustig

Cees Robben Van hg toe lg t heej allemol/ n ongedurig gat...  (19651224)

Henk van Rijen - onrustig, ongeduldig

WBD III. 1. 4:396 'ongedurig' = ongerust, onrustig

WBD III. 1. 4:397 'ongedurige' = onrustig persoon; ook 'koteraar'

WBD III. 1. 4:398 'ongedurig zijn' = geen rust hebben

C.J. Verhoeven, Haorese woorde, spreuke en gezegdes (2007) - ONDURIG - ongedurig

 

ngeeve

werkwoord, sterk

aangeven

WBD III. 3. 3:293 ngeeve = zich laten inschrijven voor het huwelijk

-- ngeeve - gaaf aon - ngegeeve

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANGEVEN wkw - aangeven, ook bij de burgerlijke stand

 

ngehaold

bijvoeglijk naamwoord

aangehaald, aangedaan door

Van Delft - "W is d keind toch aongehaold mej bukpnt" beteekent dat een kind telkens aan buikpijn onderhevig is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

ngelaoje

bijwoord

blijkbaar uit 'aanladen', maar als werkwoord niet bekend

dronken

D uurke wier enen halve naacht/ ik was goed ngelaoje (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dur de maand gevalle...)

Piet van Beers Grze clle: Toen ik zlf nao nog w slokke/ ngelaoie z vertrokke... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

onglde

zelfstandig naamwoord, plur. tant.

onkosten, opcenten

WBD III. 3. 1:109 'ongelden', 'opgeld ' = notariskosten

WBD III. 3. 1:112 ongeld, opgeld, toeslag = toeslag (kosten boven de koopprijs bij een verkoping)

 

ongelk

zelfstandig naamwoord / bijvoeglijk naamwoord

ongelijk, ongelijkheid

Cees Robben Ongelk isser bij die van men nt bij.. Ze haauwt aaltij dren pt stf... (197905180

WBD III. 4. 4:310 'ongelijk' = ongeordend

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ongelijk bvw - van verschillend geslacht: Ongelijke personen. ONGELIJK znw, o. - ongelijk. Op kosten van ongelijk.

 

ngeleet

bijvoeglijk naamwoord

behept

rgeraand meej ongeleet zn = Ergens mee behept zijn.

voltooid deelwoord van 'lgge'

Cees Robben Ik ben nie bang vur n ongeleet aai... (1987016)

 

ongelveg

bijvoeglijk naamwoord

ongelovig

Dialectenqute 1876 - hij schudde ongeleuvig z'nen kop

 

ongelooge

bijwoord

ongelogen, echt waar

Cees Robben Jan Dokus waar unne goeie meens/ Die vf en twintig jaor/ De zaok gediend had toerlezjoer/ J... ongelogen waor... (19600701)
Cees Robben Des ongelogen waor. (19821231)
 

 

ongeluk

zelfstandig naamwoord

MP gez.  En ongeluk is nt as ene platvoet: die komt not allen.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - ngelukke zn kwaoj kaanse, moete mar dnke (vBTilburgse Taalplastiek 1972) - gezegd als troost en als aansporing tot berusting in geval van tegenslag.

 

ngemetoerd

bijvoeglijk naamwoord

opgedirkt

gez. Pierre van Beek - ongemetoerd is knap (Tilburgse Taaklplastiek 172)

Henk van Rijen - 'gemontrd' - mooi aangekleed, opvallend opgemaakt, naar eigen smaak

 

ngemkt

bijvoeglijk naamwoord  volt. dw.

aangemaakt- onderhevig

Pierre van Beek - ngemkt zn meej en kwaol - aan een kwaal lijden (Tilburgse Taaklplastiek 171)

Frans Verbunt - ngemokt meej bkpnt - geplaagd door buikpijn

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - deelw. / bnw. aangemaakt, onderhevig: 'Hij is vuil (veul) mee de bkpent aangemakt' - hij heeft veel last van buikpijn.

 

ngenaom

bijvoeglijk naamwoord  / bijwoord

aangenaam

 

ongeprremeteerd
bijwoord
ongepermitteerd; ongepast, onfatsoenlijk
uit Franse permettre, toestaan
Cees Robben t Is ongeperremeteerd... (19580201)
 

ongestaojeg

bijvoeglijk naamwoord

ongestadig, onbestendig

Cees Robben ongestaog (19611215)

Henk van Rijen - tis zo mar ongestaojeg weer - het is zo maar onbestendig weer

CiT (122) 't Is z mar ongestaoig weer'

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - ongestaojig - onrustig, ongedurig

 

ongetrouwd

bijvoeglijk naamwoord

ongehuwd, ongetrouwd

 

ngetrouwd

bijvoeglijk naamwoord

aangetrouwd

MP gez.  ngetrouwd is ngescheete.

Frans Verbunt - ngetrouwd is ngedouwd - je hoort niet echt bij de familie

WBD III. 2. 2:79 'aangetrouwde dochter' = schoondochter

WBD III. 2. 2:79 'aangetrouwde zoon' = schoonzoon

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bnw. aangetrouwd, aangehuwd: 'Aangetrwd is aangescheite' de band met aangetrouwde familie is niet innig, waaruit zich dan sekundair de bet. ontwikkelt van: aangetrouwde familie is bij de bloedverwanten niet in tel.

 

ongevuuleg

bijvoeglijk naamwoord

ongevoelig

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONGEVULIG bvw. - ongevoelig

 

ngewaajd

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - niet getrouwde schoonfamilie

 

ongeziens

bijwoord

zonder gezien te hebben/ zijn

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bijw. 'ongeziens' - zonder gezien te hebben: ongeziens rle

 

ngezt

volt. dw.

Henk van Rijen - ngezt koome - aankomen (langs komen)

Henk van Rijen - 'Wit te waor-t-ie meej kwaam ngezt? - Weet je wat hij meebracht?

 

nhaaw

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt - buitenechtelijke partner

WBD III. 2. 2:111 'aanhouder' = minnaar

Cees Robben -- 'ze hee wir unne nuuwe aonhauwer'

 

nhaawe

werkwoord, sterk

aanhouden (div. betekenissen)

Cees Robben -- agge rchs nhaawt; haawe we naaw links f rchs aon?

Henk van Rijen - Haawt oewe jas mar aon.

WBD III. 3. 1:353 'aanhouden' = arresteren; 258 'aanhouden' = zaniken, zeuren

WBD III. 1. 4:50 'aanhouden' = aandringen

WBD III. 2. 2:110 'aanhouden'= ongehuwd samenleven

GD07 die h zen skken ngehaawe

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHOUDEN - omgang hebben, verkeren; blijven houden; brandende houden; aanlokken, aantrekken.

-- nhaawe - hiel aon - ngehaawe (geen vocaalkrimping)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. 1) intr. (het) aanhouden (met iemand), het met hem houden, n lijn trekken met, op iemands zijde staan. 2) tr. aanlokken, aanhalen. Z. a.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHOUDEN, wkw - aan het branden houden, aanbranden, liefdesbetrekkingen hebben. Z.a.

 

nhaawer

zelfstandig naamwoord

aanhouder

gez.  Den nhaawer wint

WBD III. 2. 2:111 'aanhouder' = minnaar

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHOU(D)ER - die met dieven aanspant, verheler en opkooper van gestolen goederen; die ongeoorloofde liefdesbetrekkingen met eene vrouw heeft, bijslaper (concubinus).

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHOUDER - znw. m. - vrijer, in ongunstige beteekenis: 'hoeveel aanhouders heeft ze al wel niet gehad?'

 

nhang

zelfstandig naamwoord

aanhang

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonhang'

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHANG, znw. m. - Betrekkingen, gezelschap, met een misprijzende beteekenis: ze moet altijd - hebben.

 

nhange

werkwoord, sterk

de dupe zijn

Ge hangt eraon! - je bent erbij!

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHANGEN: . . . er aan hangen - verliezen in het spel

 

nhaole

werkwoord, zwak

aanhalen

WBD (III. 2. 1:487) nhaole = een hond vleien; ook: fluren

-- nhaole hlde(n)aon - ngehld

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANHALEN, - aanbrengen, ontvangen, aanlokken

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANHALEN - vriendelijk ontvangen, minzaam bejegenen; aanbrengen, bijhalen (hout voor het vuur).

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - onhaole ww - aanslepen

 

njaoge

werkwoord, sterk

aanjagen

schrik njaoge - bang maken

-- njaoge - joeg aon - ngejaoge

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANJAGEN, wkw - schrik, vrees, het vuur het wild ---

 

onjeklonje, oddeklonje, odeklonje, oojeklonje

zelfstandig naamwoord

eau de cologne, Keuls water, reukwater

...en d'r zakduukske rook zoo lekker naor onjeklonje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
Cato van Dungen laag op de sofa mee 't hoofd aachterover en de dienstbode hield 'r 'nen zakdoek mee onjeklonje onder d'r neus. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)
Hanna, z'n zuster, had 'm stiekum enkelde dubbeltjes gegeven om 'n stiekum fleschke onjeklonje veur d'r mee te brengen, mar moeder hoefde daor niks van te wete. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)
En ie rook zelfs naor odeklonje, ze kos et goed ruuke... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)
...en juffrouw Jaanse was er van overtuigd, d de ware deugd nie naor odeklonje rook, mar eer naor wierook of zo iets (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)
D'een waaschte [de zieke] d'r polsen mee natte doeke, d'aander d'r gezicht mee onjeklonje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)

duukskes meej oddeklonje... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Asse de kaans mar krge)

Gin oddeklonje of d spul/ om lekker van te ruuke (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D kan ok wl en seprieske zn)

Elie van Schilt - nee in de kapsalon van toen rooke we gewoon un fris luchtje van oojeklonje 4711 of un aander merk. (Uit: Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger; Cubra, ca. 2000)

Eigen roem die ruukt, net as onjeklonje/ Eigen roem die stinkt nie... (Tony Ansems, Eigen roem die stinkt nie; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

Henk van Rijen - eau de cologne, Keuls water, reukwater

WBD III. 1. 3:278 'onjeklonje' = eau de cologne; ook 'ruuk'

Stadsnieuws - aaw wfkes han in de krk dikkels ene zaddoek meej onjeklonje bij der (110407)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - onjeklonje

 

nkke

werkwoord, sterk

aankijken

Cees Robben -- ik zal oe er nie op nkke

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - iemand meej zene rug ng nie nkke (RL '48) - links laten liggen

-- nkke - keek aon ngekeeke

-- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kkt aon

 

onknneg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen - onwetend

 

nkleeje

werkwoord, zwak

aankleden

-- nkleeje - kleede(n) aon - ngekleed

 

nklote, nkloje

werkwoord, zwak

aantobben, aansukkelen

Cees Robben -- We kloten hier z mar aon

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - mar nklote meej sint Thoomas' hunneke (Si'67) - Maar wat aanrommelen met het hondje van Sint Thomas

WBD III. 1. 4:54 'aankloten' = aarzelen; 371 'wat aankloten' = stuntelen

-- nklote - klotte aon - ongeklt (met vocaalkrimping)

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij klot aon

Stadsnieuws - et schiet nie op, hij leej mar en biet je n te kloje (041006)

Buuk = aanrommelen, ongenspireerd werken (ook: nmkee)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. intr. aankleuten, aankloten; Ge moet mar wa met em aankleute'; langzaam met iets verder gaan. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- AANKLOTEN (onkloo:te) onov. ww, werken zonder zich al te veel illusies te maken omtrent het resultaat, zijn best doen in het besef van eigen beperkingen en afhankelijkheid. Z. a.

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'onklte' ww - zie klte

 

nknpe

werkwoord, zwak

aanknopen

WBD 'aonknpe', 'anknpe' (II:1012) - aanknopen van kettingdraden; ook: 'aondraoje', 'andraoje' of 'andrje' genoemd

 

nknper

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - draadmaker (op textielfabriek)

onze Co werkte op un wollenstoffefebriek, hij waar daor nknper (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD 'anknpster' (II:1012) - aanknoopster: vrouw die 'aandraait'

Henk van Rijen - = ndraajer, man die de 'kettings' aan het kettingraam knoopt.

 

nkoome

werkwoord, sterk

aankomen

Ge meut er nie nkoome.

Hoeveul is ze ngekoome?

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - aonkwaarapen

Cees Robben -- ge komt er niemer aon; wrom komde wir halfzat aon?; n aster op nkomt; ak zat nkoom;

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ik moes ssebloed drinke m n te koome

WBD III. 3. 1:267 'niet nakomen' = idem

nkoome - kwaam aon - ngekoome

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANKOMEN - aankomen, arriveren, groeien, bloeien

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANKOMEN - beginnen (twist, brand); groot worden (kind, gewas); voegen, passen; iemand hooren aankomen - iemands inzicht raden.

 

onkrdg

zelfstandig naamwoord

WBD onkruid-eg (meestal driehoekig, met lange scherpe tanden), ook genoemd (Hasselt) 'zere eeg' Henk van Rijen - 'onkrt-eg, zere eg' - onkruid-eg

WBD III. 4. 3:216 'onkruid' = idem

 

nkwakke

werkwoord, zwak

Frans Verbunt - koome nkwakke - waggelend komen aanlopen

Stadsnieuws - Daor komt ie eindelek ok es nkwakke. (300909)

 

nlaande

werkwoord, zwak

aanlanden, ergens arriveren

dan zmme tch goed ngelaand... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Van veurenaaf aon)

 

nlaote

werkwoord, sterk

aanlaten, niet uitmaken

-- nlaote - liet aon - ngelaote

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLATEN - Laten aanhouden (v. e. kleedingstuk); door laten branden (vuur, licht)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANLATEN - laten branden

 

nleere

aanleren

d hdde gaa ngeleerd

- nleere - leerde(n) aon - ngeleerd

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLEEREN - Ge zult uwen stiel gauw -- .

 

nlg

zelfstandig naamwoord

aanleg, talent, geschiktheid

Hij heeter ginnen nlg veur.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLEG znw. m. : Hij heeft geenen - voor . . . (muziek, studeren)

 

nlgge

werkwoord, sterk

-- nlgge - li aon - ngeleej; praes.: hij leej aon

de arbeid aanvangen; een tocht onderbreken; een caf bezoeken

-- Bij mene vurregen baos moes ik om aacht uur nlgge.

-- Zumme bij 't Drsteg Hrt nlgge?

Interview Hermans - 1978 - ge had nie veul snte, ge kost nie veul nlgge n mnne kastelein, assie oe knde dan pofte ie wl (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Interview met de heer De Kok (1978)  J, bij Jan van Aorendonk hbbe we ene td gewist d we om vf f zs uur n moese lgge, war. n dan smndags moge we om half zeuven nlgge. KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

WBD (II:667) nlgge - beginnen met het werk (niet vermeld)

WBD III. 3. 1:383 'aanleggen' = mikken (om te schieten)

Buuk = een caf bezoeken

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. . . . 5) inchoatieve waarde heeft het ww. in ' ene meet aanlegge' het eerste begin maken met de bouw van een mijt.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLEGGEN, onl:, wkw. Het goed - ; doelmatig handelen

 

nlope

werkwoord, sterk

aanlopen; duren

Komt nog mar is nlope.

WBD III. 4. 4:120 'aanlopen' = duren

nlope - liep aon - ngelope

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANLOOPEN uitblijven: het zal nog een jaar -- eer dat het werk gedaan is.

 

onmaacht

zelfstandig naamwoord

WBD III. 1. 2:227 'onmacht' = bezwijming

 

nmaoke

werkwoord, zwak

aanmaken

nmaoke - mkte(n)aon - ngemkt

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANMAKEN - gereed maken (stoof, kachel); bijleggen: hij alleen kan het opnieuw -- .

 

nmkele

werkwoord, zwak

Frans Verbunt - aanrommelen

Buuk ongenspireerd werken (ook: nkloje, nklote)

 

nnaoje

werkwoord, zwak

aannaaien

MP gez. Zich gin ooren laote naoje.

nnaoje - naojde(n)aon - ngenaojd

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANNAAIEN -  ge zult hem geen ooren -- (niets wijsmaken, d. i. : hij is geen ezel)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANNAAIEN - spr. iemand ooren aannaaien

 

nneeme

werkwoord, sterk

aannemen

Cees Robben -- dan zde ngenoome

gez.  goed van nneeme - goedgelovig

nneeme - naam aon - ngenoome

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij nimt aon

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANNEMEN: een boodschap aannen , als lid opnemen; hij is goed/slecht van aannemen (leert gemakkelijk / moeilijk) Z. a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANNEMEN: goed, gemakkelijk, slecht, moeilijk van aannemen zijn - . . leren

 

onnzel

bijvoeglijk naamwoord

onnozel; beklagenswaardig

Cees Robben -- zo hel onneuzel; w hk onneuzel dom gedaon

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - onneuzel (passim)

Henk van Rijen - 'onnzel'

WBD III. 1. 4:40 'onnozele', 'onnozele ziel' = onnozel iemand

WBD III. 1. 4:282 'onnozel' = deerniswekkend

WBD III. 1. 4:437 'onnozel' = onschuldig

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - onnzel bn - onnozel

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ONNOZEL (onneu:zel) bn, behalve de bet. 'niet opgewassen tegen bedrog' heeft onnozel dikwijls ook de bijbetekenis: tragisch, onbegrijpelijk, ellendig: 't is toch onneu:zel - mijn verstand staat erbij stil, hoe kan zoiets nou gebeuren. Z. a.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bnw. 'onnozel' 1) onschuldig; a) kinderachtig, dwaas.

 

onnut

bijwoord

PM overdreven, onnodig, geweldig, enorm

Cees Robben Hijs onnut strik... dieje Jan.. (19600226)
Cees Robben [Onderwijzer tegen leerling] Gij Pietje.. de drie trappen [van vergelijking] van sterk.. ..strik, mister.. onnut strik en t prd van Jantje Groenen, mister... (19700821)

Frans Verbunt - 'onnut veul geld' - geweldig, enorm veel geld

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ONNUT, als bw - in hoge mate of zelfs in overdreven mate; onnut groot, onnut sterk

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - bnw. en bijw. 'onnut'; bnw. onkies, vuil, gemeen 'onnutte proo't; bijw. zeer, geweldig: 'Hij is onnut staerk'

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - onnut bw - extreem, zeer, geweldig

WNT - - ONNUT - van zaken: niet van nut; van personen: onbruikbaar

 

npaase

werkwoord, zwak

aanpassen

npaase - paaste(n)aon - ngepaase

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANPASSEN - Een kleedingstuk, schoenen - -. Men bezigt meer 'passen'.

 

onpaor

bijvoeglijk naamwoord

oneven

uit Frans 'impair'

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - In de verb. 'paor of onpaor' (kinderspel) Z. a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - ONPAAR (uitspr. ompaar) bvw. oneven (van getallen)

 

npertije

werkwoord, zwak

begaan

Toine Raaijmakers (informant) - aanmodderen, zo maar bezig zijn; lt em mar npertije - laat hem maar begaan/ betijen, zijn gang maar gaan

De Wijs -- Laot um mar aonpartije, hij is nie gewn, maar kaaigek (23-10-1963)

Toine Raaijmakers (informant) - Lt en mar w-d-npertije - Laat hem zijn gang maar gaan

-- is eigenlijk een misvorming van nbetije

 

npeutere

werkwoord, zwak

Pierre van Beek - hard werken, flink doorwerken

 

npiepe

werkwoord, zwak

'nschiete' in kindertaal; kleding aantrekken

-- npiepe - piepten aon - ngepiept

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANPIEPEN - in de kindertaal 'aanschieten': me zullen oe' fraksken is aanpiepen.

 

nploege

ww., zw .

aanaarden met de ploeg (van aardappelplanten)

WBD I:1454 ( Hasselt) nploege

 

nraande

werkwoord, zwak

aanranden

-- nraande - raande(n)aon - ngeraand

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANRANDEN - aanvallen om te berooven; aanklampen: de kleermaker randde hem op straat aan voor zijn schuld.

 

naoje

werkwoord, zwak

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonraojde'

-- nraoje - raojden aon - ngeraoje

 

nraoke

werkwoord, zwak

aanraken

-- nraoke - rkte(n) aon - ngerkt

 

onrchtvrdighd
zelfstandig naamwoord
onrechtvaardigheid
Cees Robben Onrechtverdighed komt te buute... (19850830)
 

nrikkemendeere

werkwoord, zwak

aanprijzen, aanbevelen, recommanderen

Cees Robben -- ik zal em nrikkemendeere

-- nrikkemendeere rikkemendeerde (n) aon - ngerikkemendeerd

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanrekonmanderen, aanbevelen.

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - aonrikkemedere

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

ons

bezittelijk voornaamwoord

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'net of w'uit ons neus bloejen'

► onze

Om verwantschap aan te duiden

ons moeder, ons oomaa, ons Miet ; onze paa (= vader)

Van Delft - - Alles wat tot een huishouden behoort, spreekt men aan met "ons". Zoo zegt men: onzen vadder, ons moeder, onzen hond, ons kat, enz.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Cees Robben -- Dees zn dons; n zn d dllie? [onze kinderen; en die van jullie]

Cees Robben -- Ik zie ons moeder zo ng staon

Cees Robben -- n naa gifde ons grutje n onzen grutvadder en schon hendje

Cees Robben -- Onzen Lieven Heer gong ze zuuke; . . . . , zi ons taante Wies;

-- Mar goed. Om nog is op die van ns trug te koome.  (Jos Naaijkens; De krstman die mar nie vol kwaam;  CuBra, ca 2005)

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 60) onze/ons knder, onze/ons vraawe (blz. 59) onze paa, bruur, neef, zwaoger, onz om, onzen/onz oopaa

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952) - ns aaw hs is afgebraand

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - ns, voornaamwoord  - ons; voor het gebruik bij verwantschapsnamen zie 431.

In het bijzonder gebruikt om de echtgenote aan te duiden

Cees Robben -- Dan is ons vrouw den baos.

C.J. Verhoeven, Haorese woorde, spreuke en gezegdes (2007) - ONS: d'ons - die van ons, mijn vrouw

Piet van Beers Wie tuinbonen wil eten moet Februari niet vergeten: D vraogt mar Aon ons Kee. (With Love; 1982-1987)

► den onze

 

nschaffe

werkwoord, zwak

aanschaffen

Cees Robben -- we han toch veul beeter ene goejen bok kunnen nschaffe;

Cees Robben -- Ik hb mar en nuu klok ngeschaft;

nschaffe - schafte (n) aon - ngeschaft

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSCHAFFEN wkw. zeldz . , 'aankoopen',

 

nschiete

werkwoord, sterk

aantrekken (van kleren)

Ge schiet tch wl ne jas aon meej zon kaaw.

Cees Robben -- dan kundem sebiet wir nschiete;

Cees Robben -- 't is den liste keer d ge menne jas aonschiet

-- nschiete - schot aon - ngeschoote

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. tr. + intr. aanschieten 1) tr. garven en schoven met zekere snelheid werpen naar de persoon die ze optast; 2) (een of ander kledingstuk) snel aantrekken.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - AANSCHIETEN, een hemd of rok, of ander kleedingstuk, voor 'aantrekken' . Z. a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - AANSCHIETEN - aandoen (bij Hoogstraten aangetekend)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSCHIETEN: kleedingstuk haastig aantrekken

Van Dale aanschieten - haastig aantrekken (van kleren)

 

nslag

zelfstandig naamwoord

aanslag (i. a. b.)

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'aonslag'

WBD (II:738J nslag - aanslag, het verlengstuk aan de zool dat onder de hak komt te zitten (niet vermeld)

WBD III. 3. 1:340 'aanslag = belastingbrief

 

nslaon

werkwoord, sterk

-- nslaon - sloeg aon ngeslaon; geen vocaalkrimping; ik slao - gij slaot - hij slao

aanslaan

Henk van Rijen - aanspreken, aanbreken, beginnen te gebruiken

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'nooit hoog aongeslaon'

WBD 'aonslaon (of: n- ?) (II:1039( - aanslaan

Henk van Rijen - 'D seklaade aaj zu me onderaand us nslaon'

WBD III. 3. 1:379 'aanslaan' = salueren

kreunen, jammeren van pijn

WBD III. 1. 4:255 'aanslaan' = luid schreien

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. intr. aanslaan 1) met overdreven ophef gewagen van; 2) heftig kreunen of jammeren van pijn.

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen hadde ng die tuuberkuulooze koeje, hoen vlleghd d was, d hbbe ze op et momnt, d hbbe ze gddank nie mir. Mar ot dsse dervan nsloege man dgge der niks mir meej kost doen! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

nslpe

werkwoord, zwak

aanslepen; aanslijpen

Cees Robben -- ik krg dees jaor de honde mar nie ngesleepe;

-- nslpe slipte aon - ngesleepe

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSLEEPEN - met moeite aanbrengen; AANSLIJPEN  Ne punt aanslijpen (fijner slijpen)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSLEIPEN - lang duren, langdurig zijn, aanslepen

 

nslte

werkwoord, sterk

aansluiten

WBD III. 4. 4:201 'aansluiten' = grenzen; ook 'raken', 'aanliggen'

nslte - slot aon - ngesloote

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSLUITEN - aan een ander voorwerp sluiten of passen.

 

nsmoore

werkwoord, zwak

WBD III. 2. 3:281 'aansmoren' = roken

 

ons nffe

bijwoord

onze buren, de buren

Ak vruuger meej Ntte van bij ons nffe wo praote, dan liep ik den hfpad op riep oover de hg. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

 

nspanne

werkwoord, zwak

aanspannen

-- nspanne - spande(n) aon - ngespanne

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPANNEN - dicht op een spannen

 

nspeete

werkwoord, zwak

aanhechten, vasthechten

Pierre van Beek - met een speld dichtmaken (van een luier)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPETEN - aanspelden: zij heeft den kraag van het kleed maar aangespeet.

WNT - - AANSPETEN bedr. zw. ww. Uit 'speten' aan een spit doen, en 'aan' (bw), in de zin van aanhechten; eigenlijk het braadspit of een zilveren of houten speetje door het voorwerp steken en het zoodoende vasthechten.

Joos SPETEN ww, overg. = spelden (affigere acicula; hij speette het kruis op mijn borst.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanspeten, aanspelden: enen doek, ene nuizek (neusdoek) aanspeite.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSPETEN - aanspelden

 

nspraok

zelfstandig naamwoord

aanspraak, gelegenheid om mensen te spreken, voordracht

De knder moesen en nspraok doen - De kinderen moesten een voordracht houden/ versje opzeggen

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPRAAK - znw. vr. ; zonder mv. Alleen van meisjes gezegd en meestal in de uitdr. : aanspraak hebben, d. i. aangesproken worden.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANSPRAAK - aanspraak hebben - verkeeren, sprek, van eene jongedochter, gevrijd worden.

 

nspreeke

werkwoord, sterk

aanspreken

Pierre van Beek - aandere manne nspreeke - hogere instanties om hulp aanklampen

nspreeke - spraak aon - ngesprooke

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij sprikt aon

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSPREKEN wkw - Tot iemand het woord richten.

 

nstaon

werkwoord, sterk

aanstaan

Cees Robben -- jouwen meens stao mn nie aon; d stond mn wl aon;

nstaon - ston(d) aon - ngestaon

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTAAN - wkw - bevallen

 

nsteeke

werkwoord, sterk

aansteken, aan het branden brengen, besmetten

WBD (III. 2. 1:264) nsteeke = aansteken, ook aandoen (v. d. lamp)

WBD III. 2. 3:161 'aangestoken' = wormstekig

- nsteeke- staak aon - ngestooke

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTEKEN wkw - het vuur, het licht, eene pijp -- ; meer: in brand doen.

contact zoeken met een meisje

Audioregistratie 1978 - Meej vrije? Vrije, d, huhu, d was toen meej, d was en moejlekheid! Dan ginge ze ze nsteeke, zin ze vruuger! Ik gao ze nsteeke, ik gao ze onsteeke zin ze dan! n as d mske vuur gaaf, d was, d was d d goed kwaam!  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

nstreke

werkwoord, zwak

aansterken, consolideren

Cees Robben -- om der kas n te streke;

 

nstlle

werkwoord, zwak

aanstellen, benoemen; zich abnormaal gedragen

Stlt oewge nie zo aon!

WBD III. 1. 4:96 'aansteller' = hansworst

-- nstlle stlde(n) aon - ngestld

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTELLEN - in dienst stellen

 

nstiefele

werkwoord, zwak

Frans Verbunt - parmantig aan komen stappen

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'onstiefele' ww - met vaste tred naderbij komen

 

nstnde

bijvoeglijk naamwoord  / zelfstandig naamwoord

aanstaande

WBD III. 2. 2:84 'aanstaande' = jongen met wie een meisje verkering heeft; idem = meisje met wie een jongen verkering heeft

 

nstote

werkwoord, sterk

aanstoten

nstote - stotte(n) aon - ngestote

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANSTOOTEN - Meest in wederkeerige of lijdende vormen met de bet. v. slecht, zonder smaak gekleed gaan. Z. a.

 

Cees Robben - Prent van de week 30-08-1985

ont

bijvoeglijk naamwoord

sluw, kwaadaardig, met slechte bedoelingen

onte kapoen - gehaaid persoon, grote deugniet

N. Daamen - Handschrift 1916 - "ge zult em nie licht kraigen, doar is ie te ont veur (te slim)"

N. Daamen - Handschrift 1916 - '"t is 'nen onte mensch (zedeloos mensch)"

Cees Robben - Cees Robben t Was unne bekaampige meens.. (...) Daorbij was ie nog ont k... (19691107)
Cees Robben Nie ont mar pront.... (19850830)
Cees Robben Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... (19641127)
Cees Robben Op zon onte menier (19780512)
Cees Robben D waar n heele onte streek... (19611020)

Henk van Rijen - ba, w zde g tch en ont mnneke - een vervelend kereltje

Frans Verbunt - en onte taante - een gehaaide tante

Vruuger zeeje ze d Tilburgers nie ont mar pront zn. f ok wl: Nie lammenteere mar akkedeere. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ONT bn, volgens WNT - is een 'onter': 'iets dat slecht is in zijn soort' en houdt het woord verband met 'ont' en 'ontig', 'die thans nog in meer zuidel. gewesten in den zin van 'slecht, vuil' gebruikt worden. Z.a.

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen(1836) - ONT. Men zegt hier een 'ont mensch', niet alleen voor een vuil mensch, gelijk elders, maar ook voor een slechts mensch (homo malus, homo nequam)

ONT is wsch. verkorting of zamentrekking van 'onnut' of 'ontijg'; z.a.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - nt, bnw. - smerig, vuil 'enen onten boer'; hij is ont (in zijn woorden) = gemeen.

Vrom. De opvatting van Hoeufft dat dit woord ontstaan kan zijn uit onnut kan ik delen, zijn mening dat ontijg aan de basis ervan zou liggen echter niet. Het verband met Deens/Zweeds ond is dus waarschijnlijk ook te verwerpen, (brief 4 XII. 85)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ont - vuil, gemeen (wnbr., zholl., nbet., bommel., Mierlo)

Hees ont, onteruk (I:77,78)

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - ontig - onfatsoenlijk

WBD (III.3.2:31) ont doen, ont spelen = vals spelen; ook; foezele, foetele

WBD (III.1.4:27) 'ont' - slim; 76 'ont' = gemeen

WBD (III.4.4:237) 'ont' = vuil, smerig

 

ntamboere

werkwoord, zwak

Pierre van Beek - z'n gang gaan

Pierre van Beek - lt em mar ntamboere - laat hem zijn gang maar gaan

De Wijs -- Ze is nie katholiek k nog nie mar ze motte mar aon tamboere (04-07-1969)

Frans Verbunt - ntamboereere, ontamboere - zijn gang gaan

WNT - - TAMBOEREN 1) op de tamboer slaan; 2) Oneig. door kloppen, slaan o.i.d groot rumoer maken; 3.) Oneig.: (gemeenz. ) op iets aandringen, tamboereeren. NIET in de bet. 'zijn gang gaan.

 

ntekene

werkwoord, zwak

aantekenen, in ondertrouw gaan

-- ntekene - tekende(n) aon - ongetekend

Goern. AANTEEKENEN - opschrijven; goed, slecht aangeteekend staan

 

onteghd

zelfstandig naamwoord

kwaadaardigheid

N. Daamen - Handschrift 1916 - "ontegij (nteghei) - de ontegij stroalt 'em z'n oogen uit (zedeloosheid)"

Cees Robben Al wek kreeg meej ontighed... (19701023)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - (bijvoegsel) znw. vr. 'ontigheid' - smeerlapperij

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - onterik - ondeugd (meestal jongen); ontigheid - ondeugendheid

 

ntge

werkwoord, zwak

aantuigen

De Wijs -- G zit k goed in oew vls. - J, j en t is ammaol cht, nie aongetuigd, gelk van mn ge (23-02-1972)

Ik heb dees jaor nie veul wrk mee den kerstbom oprme n over en jaor wir ntge, zi smoeder vurrege week nog tege mn. (Jos Naaijkens; De krsbom in de dos;  CuBra, ca 2005)

Bij ons vruuger tege kerst/ kwaam er veul bij kke./  Den kerstbom wier toen aongetgd /waor alles vur moes wke. (Jos Naaijkens; Et Krstkled;  CuBra, ca 2005)

WBD optuigen (v. e. paard)

WBD III. 1. 3:9 'aantuigen' = zich verkleden

WBD III. 1. 4:166 'aantuigen' = uitdossen

-- nteuge - tgde aon - ongetgd (geen vocaalkrimping)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aantuigen 1) optuigen, het (ge)tuig aandoen;

2) hetz. als bet.ge(n): We mossen dtte nog aantge, d. i. aanschaffen.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANTUIGEN - het getuig aandoen; fig. aankleeden

 

ontgeeve

werkwoord, sterk

zichzelf iets niet gunnen

Cees Robben Mar ik ontgaaf t mn ge... (19860613)

WNT - - zich iets uit het hoofd stellen

 

onthaawe

werkwoord, sterk

onthouden (in beide bett. )

Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - 'onthaawe' (passim)

-- onthaawe - onthiel - onthaawe (geen vocaalkrimping)

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - st. ww. tr. 'onthaawen' - onthouden

 

ontkiemingsmeule

zelfstandig naamwoord

WBD moutpoetsmaohine (apparaat waarmee het geeste graan van kiemen en onzuiverheden werd ontdaan, in de brouwerij)

 

ntreeje

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - aantreden

 

ntrkke

werkwoord, sterk

aantrekken

Cees Robben -- ik trek men miezezonneke mar is aon

WBD 'antrkke' (II:1041) - aantrekken = opdeunen; ook: phaole

WBD III. 1. 3:7 'aantrekken' zich aankleden, ook: 'aandoen

WBD III. 1. 4:435 'aantrekkelijk' = begeerlijk

-- ntrkke - trok aon - ngetrokke

Goem AANTREKKEN - wkw - Ne jas -- , zijn stoute schoenen -- Z. a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANTREKKEN  - vriendelijk ontvangen, aanhalen, minzaam bejegenen

 

ontschiete

werkwoord, sterk

ontschieten, uit het geheugen verdwijnen; ontglippen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - et was em ntschooten as en mnneke de biecht (D'16) - reactie op de verontschuldiging 'het was me ontschoten, ik had het vergeten'

 

nuuvere

werkwoord, zwak

Pierre van Beek - aansporen, aanmoedigen

-- nuuvere - uuverde aon - ngeuuverd

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'nuuvere' ww - stimuleren

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- AANUVEREN (onnvere) ov. ww - enthousiast maken, opstoken, aansporen; uit hypercorrectie wel eens uitgesproken als 'aanoefenen'. Vgl. 'uver'.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. aanuveren, de ijver aanwakkeren. Z. a.

 

nvange

werkwoord, sterk

aanvangen

Cees Robben -- w moet ik daor naa meej nvange?

 

nvatte

werkwoord, sterk

-- nvatte - viet aon - ngevat

aanpakken (ook fig.)

Cees Robben -- Ze waare wel van vat-aon

Cees Robben -- Nou oopaa, gij vat nogal aon!

Reelick e.a. - Bosch' woordenboek (1993 & 2002) - aonvatte - aanpakken, werken; aannemen; begrijpen

 

onverdoens

bijwoord

onnodig, nutteloos, overdadig;

R: verkwistend, zonder overleg

Toine Raaijmakers (informant) - Ge moet oew gld nie nverdoens tgeeve; nverdoense dinger - prullerij, waardeloze spullen

Ze beschaoiige de boel hier nie onverdoens. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben t Is nie onverdoens verdaon... (19580426)
Cees Robben Dn rgen viel in overdaod/ Z onverdoens in steeg en straot (19600902)
Cees Robben alles is te gribbel-de-grabbel gegooid... en hil de mieter onverdoens verdaon... (19650205)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - iets nverdoens pmaoke ('86) - onnodig geld verspillen, dooreten terwijl men al genoeg heeft

CiT (l6) 'Ge mot die lucifers nie z onverdoens verschrappe'

Stadsnieuws - Ge moet d nie onverdoens opmaoke; daor is et vus te kstelek veuir. (251006)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- ONVERDOENS, in de uitdr. 'ten onverdoens' - zonder enig nut of zin. Blz. 83: eenzinloze verkwisting, een uitgave, inspanning of consumptie waar niemand van genoot en die tot niets leidde. Z. a.

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - onverdoens bw - onnodig

WNT - XIX:1288 onnuttelijk verdoen

 

onverschilleg

bijwoord

zonder verschil, het maakt niets uit

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Asser ene, ene klne kwaam hier f daor, onverschilleg, dan ging zon vroedvrouw, die ging er meej, h, omgewikkeld in den rem meej en paor (???) erooverheene n dan ging ze der meej nr de krk n dan wier zon kind gedopt n dan kwaam et wir ts! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

onverstaand

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - onverstandig iemand

 

nvolle

werkwoord, zwak

aanvollen

WBD nvlle (of aonvlle ?) (WBD II:1056) - aanvollen (op de volkom?)

 

nvraoge

werkwoord, sterk

aanvragen

nvraoge - vroeg aon - ngevraoge

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANVRAGEN - officieel mondeling of schriftelijk om iets verzoeken.

 

nvuule

werkwoord, zwak

aanvoelen

Cees Robben -- d vuulde ommers aon

-- nvuule - vuulde aon - ongevuuld -- korte uu (geen vocaalkrimping)

 

onwrk

zelfstandig naamwoord

begin, aanvang

Pierre van Beek - onwrk maoke - iets beginnen, aan de draai brengen

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) -- AANWERK (onwrek) o. , het aanwerk maken: voorbereiding treffen, b. v. voor een flinke ruzie, uitlokken.

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - znw. o. aanwerk, begin 'Wie heiget aanwaerk gemakt? - Wie is er met de twist begonnen? Et aanwaerk is gemakt - Het begin ie gemaakt (van een of ander werk gezegd).

 

nwve

werkwoord, zwak

aanweven

WBD nwve, aonwve (II:1013) aanweven

 

nwze

werkwoord, sterk

aanwijzen

-- nwze - wees aon - ngeweeze

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANWIJZEN - wkw, ook 'om. . . '

 

onws
zelfstandig naamwoord
onwijs; een domoor
Cees Robben ...znne onws... (19591003)
 

onwicht

zelfstandig naamwoord

WBD, III. 4. 4:282 'onwicht' = onbelangrijk, ook 'ongewichtig

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home

onze

bezittelijk voornaamwoord

komt onze paa zondag meejeete?

hout sprkkele in de bosse van onze grutvadder - in de gemeentebossen

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 59) onze bruur, onzen oopaa, 'onz om (niet: onzen om), onze paa

► ons

 

den onze

bezittelijk voornaamwoord

mijn man, echtgenoot

Van Beek - "Den onze" zal "die van ons" nooit 'n lel om der oren geven, zegt 'n moeder, die bedoelt, dat haar man de kinderen niet slaat. (Zo'n uitdrukking houdt iets patriarchaals in). (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

► ons

 

nzegge

werkwoord, sterk

aanzeggen, verwittigen, aankondigen

WBD III. 3. 1:358 'aanzeggen' = dagvaarden

WBD III. 3. 3:319 'het aanzeggen' (rouw)

nzgge - zi aon - ngezeed

A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland (1958-2005) - zw. ww. tr. - aanzeggen, (mondeling) bekend maken, aankondigen

Jan Naaijkens, D's Biks (1992) - 'onzgge' ww - aanzeggen

 

nzt

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) - eerste voor (bij het ploegen)

WBD nzt maoke (Hasselt) - de eerste voor ploegen

 

nzette

werkwoord, zwak

aanzetten

WBD grijpen (beginnen te gisten: de eerste verschijnselen v. d. gisting, in een brouwerij)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - de voor nztte ('87) - een begin maken

Henk van Rijen - witte waortie meej kwaam ngezet? - weet je wat hij meebracht?

Henk van Rijen - wr komde naa wir meej nztte? - wat/wie breng je nu weer mee?

-- nztte - ztte(n) aon - ngezt

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANZETTEN - aanwakkeren

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANZETTEN - beginnen, aanvangen van een werk

 

nzien

werkwoord, sterk

aanzien, bekijken

Cees Robben -- agge jou nziet;

Cees Robben -- zien wij mekaar mar fkes aon;

-- nzien - zaag aon - ngezien

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) - AANZIEN - In de bet. van 'houden voor', 'achten' is het ww onscheidbaar; in de werkelijke zin van 'bekijken' wordt meer 'bezien' gebruikt.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899) - AANZIEN - Fr. regarder (.zowel scheidb. als onscheidbaar): Ik aanzien hem voor geene' goeie. / Ik zien hem veur geene' goeien aan; wachten, geduld nemen. Aanzien  wordt verbonden met 'veur', niet met 'als'.

 

oodeglaarwaoter

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: goulardwater ; loodacetaat tegen huidaandoening

Van Dale: GOULARDWATER - genoemd naar de Franse arts Goulard, die het in 1760 introduceerde; verkoelend en opdrogend heelmiddel, een oplossing van loodacetaat in alcohol, verdund met water (eau de Goulard)

De publicatie waarin Thomas Goulard zijn vinding bekendmaakt (1751) - bron: www.gallica

 

og, oge, ugske, eugske

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

1. het oog, de ogen, oogje

MP gez. Haawt Gd vur oge n de haand vur oew gat, dan zal oe niks ontvalle.

"Meens, kijk toch 'n bietjen uit oe soep-ooge!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

n ok zen oge waare niemir al te bist. (Henritte Vunderink, Vergeefse mankemnte, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

DANB zen oge

LENA die aander og - dat andere oog

Mandos - Brabantse spreekwoorden: D zn de lf oge nie (D16) - Daar is weinig kans op.

Mandos - Brabantse spreekwoorden: Hij stikt Gd de ogen t (vB Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van iemand die ondanks dat hij het goed heeft, altijd klaagt en meent te kort te komen.

Mandos - Brabantse spreekwoorden: kalk in de ogen hbbe (vB Tilburgse Taalplastiek 1972) - moeten trouwen (Vrouwen menen aan de ogen te kunnen zien of iemand in verwachting is.)

Mandos - Brabantse spreekwoorden: et og moet k w hbbe, al is et mar en blauw (vB Tilburgse Taalplastiek 1972) - ironische aanvulling op een bekend gegeven.

Mandos - Brabantse spreekwoorden: et wiegestroj zit ng in zen oge ('7l)-hij is nog niet droog achter zijn oren

Mandos - Brabantse spreekwoorden: z zver as en og vl matrrie (N. Daamen, woordenlijst 1916:) - zo schoon (?) als een oog vol etter: dus niet schoon

WBD 'ge' (II:974) - ogen; ook: 'heejvelchskes' (heveloogjes) [?]

Henk van Rijen: ek gao fkes men oge verschiete - ik ga even een dutje doen.

Frans Verbunt: schl oge geeve - jaloezie opwekken

Interview Hermans - 1978 - dronkenschap - d was en dwltocht, war, toed we ts kwaame n dan laagen ons ogen al en bietje boovenop n dan kwaame we ts n dan viele we in de bdsteej oover ons moeder heen omd ge zat waart!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

WBD III.1.1:71 'oogklep', 'oogschelp', 'deksel v. h. oog' = ooglid

Jan Naaijkens, D's Jan Naaijkens, D's Biks: 'Og' zn - oog z. a.

2. boomknop waaruit scheuten of loten tevoorschijn komen

Mandos - Brabantse spreekwoorden: z veul oge, z veul vge (N. Daamen, woordenlijst 1916:)

3. vetringen in de soep

Omd de kender daor niks van snappen lee-t-ie verder uit: "hoe vetter ik wor, hoe kleiner m'n oogen worren. Mee soep is 't krek aandersom; hoe vetter, hoe grotter oogen erop! Hi, hi, hi!... Ds 't verschil tusschen mijn en soep." (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

 

oge

werkwoord, zwak

ogen, uitzien, een indruk wekken

De Wijs -- Ge mot oew oge bter opmaoke, d ogt mir! (10-01-1970)

 

ogenblik

zelfstandig naamwoord

ogenblik

Op den ogenblik

- Mar goed, op 'n gegeven ogenblik, 't waar in kaffee 't Bomstrunkske gelf ik, zie ik van Boesschoten op z'n kniejes over de vloer krpe. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

Antw. OOGENBLIK znw. m., nooit o.

 

oj

zelfstandig naamwoord

WBD vrouwelijk schaap, ook 'grm' genoemd of 'schaop'

 

ojeklonje

zelfstandig naamwoord

eau de cologne

► onjeklonje

 

ojevaor, ollievaor

zelfstandig naamwoord

ooievaar

R. J. kmt den oojevaer ngevlooge

De Wijs -- veur dn marathon motte oewe kute insmre mee ooievaorskuke-vet (23-10-1963)

Cees Robben: Ist waor d den 'ooievaor' de kiendjes brengt?

Cees Robben: Witte gij wl d den 'ooievaor' de kiendjes brengt?

WBD III. 4. 1: 225 'ooievaar' (Ciconia ciconia), ook 'olievaar' genoemd

 

ok, ok

bijwoord

ook

Dialectenqute 1876 - ik ben tevreeje; zde g 't oak?

Antw. OOK, Kemp. ok bijwoord, Fr. aussi

-om

zelfstandig naamwoord

achter een voornaam gevoegd: onzen Jaonom

Cees Robben Piet-oom ((19810508)

Anneke van nze Tiestom... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Annekes kleeke....)

D was et ordel, tenaostenbij/ van onzeTirrus-om... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dan wrret iets aanders)

Onze Tirrus-om ploetert aaltij/ vur et daogleks krsje brod. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As vadder belond)
K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - Kees-om, Peer-om, Sjf-om = gebr. Van Boxtel (blz. 27)

Piet van Beers Laandhonger: M'n schnvadder ha w bos en w laand van Kees-omke's ge-orve. (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers Unne mooien open dag: Mar Jaonusoom die kent gin maot ..(With Love; 1982-1987)

Jan Naaijkens, D's Biks: Janme, Pietme

Dirk Boutkan: (blz. 59) onze / jullie/ hullie om

Cornelis Verhoeven: -OOM, achter de naam gevoegd

Tuinstra Enige opmerkingen over composita van het type Jan-oom (Nieuwe Taalgids 34:279)

Antw. JAN-OOM znw. m. - schertsende benaming voor Lombaard, berg van Bermhertigheid, Fr. mont-de-piti

 

oomaa

zelfstandig naamwoord

oma, grootmoeder

Henk van Rijen: ons moeder, onz oomaa n ons Miet

(blz. 55) et gao de ltste td wir w beeter meej oomaas

WBD III. 5. 2:63 'oma' = grootmoeder; ook 'omoe', 'grutje'

 

oomaasfiets

zelfstandig naamwoord

omafiets - oma's fiets

► pestorsfiets

 

ome

zelfstandig naamwoord
oom; in de omgang met kinderen echter niet noodzakelijk een familielid, maar bijvoorbeeld ook een buurman of kennis van het gezin; voor taante geldt hetzelfde.
Cees Robben [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn me is n hendje... Hij is wel vrimd... Mar nie vremd vur oe... (19580510)

WBD III. 3. 1:135 'ome Jan', 'bank, pandjeshuis' = bank van lening

WBD III. 2. 2:75 'oom' = idem

Antw. OOMEN znw. m. - oom, Fr. oncle

Jan Naaijkens, D's Biks: 'Ome' zn - oom

 

oopaa

zelfstandig naamwoord

opa

Cees Robben: 'oopaa'

Cees Robben: naa maag den oopaa zeeker et penneken tlekke;

Cees Robben: den oopaa heeget bij mekaar geschrpt;

Dirk Boutkan: zulde goed nr oopaas lstere? - luister je goed naar opa?

Dirk Boutkan: (blz. 59) onzen/onze, julliejen/jullie, hulliejen/hullie oopaa

WBD III. 2. 2:64 'opa' = grootvader

 

oope

bijvoeglijk naamwoord/bijwoord

open

vB in weeke gin vnster oope gehad - wekenlang werkloos geweest

Cees Robben: mar as oew schuurdeur oope gao;

DANB hij ztte zen kwk oope

WBD III. 4. 4:55 'open weer' = vriezend weer; c. q. zacht winterweer

 

oope-toe-broek

zelfstandig naamwoord

kruisloze broek, vroeger gedragen door oude vrouwen; ze konden dan gemakkelijk hun behoefte doen

Bron: Geheugen van Nederland

 

Van Rijen: oope-toe-broek, oope-sjoo-broek, snlzker

Jan Naaijkens, D's Biks: oopetoebroek zn bep. soort vrouwenbroek

 

oopoe

zelfstandig naamwoord

grootmoeder

oopoe zien

uitdrukking

Sinds der ok nog zon stuk of vier van onze en heur zusjes, regelmaotig opoe zaage, hasse aon de waas der haande mer dan vol. Wij han die tdrukking van opoe zien ok mar ot ergens geheurd en wiese verder ok niks. De emmers stonden aaltij afgedekt in et schp. Wij wiese b God nie w d waare, waor ze vendaon kwaamen of waor ze vur diende, die lappe meej al d bloed der aon. Vraoge? Hoe vraoge? En aon wie? (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

or, urke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

oor

vB krtoore = kinderen (in gez. 'Ze zal dere kak wl phaawe as . . . ')

DANB hij heej lopoore

Mandos - Brabantse spreekwoorden: de oore te dicht b de kp hbbe staon (vB Tilburgse Taalplastiek 1969) gierig zijn

Van Rijen: 'We zun hum us un or nnaaje' - . . . te pakken nemen

Frans Verbunt: hij kan meej zen ore den ngel ds heere klppe

WBD III. 1. 3:263 'oorring', 'oorbelletje, 'belletje' = oorring

WBD III. 1. 3:264 'oorknopje', 'knop(je)' = oorknop;ook: oorbel(letje)

 

oorvg

zelfstandig naamwoord

oorvijg

Antw. OORVG znw. v. en niet m.

 

ot

bijwoord

ooit, eens, weleens

Komde ot op t Gurke? - Kom je weleens op het Goirke?

Cees Robben En heddet t ter haand gehad (19600624)

Hoeveul meense hbbe der ot/ vur d lokt gestaon? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daklos)

DANB hij is es ot in zen lve gebeete

B t

Antw. OOIT (uitspr. oet) bijwoord - op een tijdstip in het verleden

 

ootoo
zelfstandig naamwoord
auto
Cees Robben Unne ooto vur-de-deur.. (19640925)

Audioregistratie 1978 - In mnne jonge td dan, enen ootoo, die zaagde zo mar es ene keer in de week! en f tweej! En d was veul agge die en f tweej gezien had want den dkter die kwaam meej de fiets f meej enen brommert f meej en rijtg (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

ootoosktters

zelfstandig naamwoord

autoscooter (kermisattraktie)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaaaene mallemeule n enen hoogaatie n ene ootoosktters n zo n dan gebakkraome n snoep n nooga, ollieblle ... Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

oove, oowve

WBD oven, bakoven (in het bakhuis v. e. boerenhuis), ook 'bakoove' genoemd

WBD broodoven (van de bakker)

WBD houtoove - oven waarbij men in dezelfde ruimte stookt en bakt (oven in een bakhuis)

WBD onderoove - onderoven (benedenste gedeelte van een oven, vooral de ruimte beneden in de oven, waar het brood gezet wordt om te rijzen)

DANB de scheuter die stao bij den oove - de ovenpaal staat bij de oven

 

oovenbkkerke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

Van Rijen: winterkoninkje (Troglodytes troglodytes)

WBD III. 4. 1:76 'ovenbakkerke' - winterkoninkje

 

oover

voorzetsel, bijwoord

over

oover drie weeke, oover de schaansmuur; gaotie nie oover?

B oover aanderse dag - om den anderen dag

Cees Robben: oover twee daog; d van men is mrege oover;

Cees Robben: Waor heetie et amml oover?; Ge rst em ene keer oover zen bikkeltje;

Cees Robben: tis oover td; oover men lk; oover et kpke;

Van Rijen: 'oover den hfpat achterom, via de achterdeur

Jan Naaijkens, D's Biks: oover vz, bw over

 

ooveral

bijwoord

overal

 

ooverblve

werkwoord, sterk

WBD III. 4. 4:28 'overblijven' = droog blijven (het weer)

 

oovernd

bijwoord

overeind

Cees Robben: hij heej zene riek hard nodeg om ooverend te blve;

Cees Robben: hij ks nie ooverend;

Antw. OVEREIND, OVEREND bw - in opschudding, overhoop, in wanorde. Heel de straat stond overeind.

 

oovernsie

zelfstandig naamwoord

in oovernsie - overcompleet, te veel

uitdrukking: In oovernsie - overcompleet, overschietend, overblijvend

Kees & Bart (ca. 1935): nog en in oovernsie

N. Daamen, woordenlijst 1916: "iets in overentie hebben (te veel)"

Henk van Rijen: buurvraaw, hdde meschient en paor aajer in oovernsie?

D ledikantje han ze nog in overentie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WNT zie OVERENTSIG, overensig (klemt. op de 3e lettergr.) - overschietend, overblijvend, overig.

Verh OVERENTIE (overnsie) v. - alleen in de verbinding 'in overnsie hebben' - over hebben, meer hebben dan voor het moment noodzakelijk is.

Jan Naaijkens, D's Biks: oovernsie bw - over; iets in oovernsie hbbe

Bosch overnsie overvloed, voldoende

 

oovergaon

werkwoord, sterk

overgaan, voorbijgaan

oovergaon - ging/gong oover - oovergegaon

 

ooverhaoler

zelfstandig naamwoord

overhaler; in de schoenenfabricage

Interview met de heer De Kok (1978)  Toen vroege ze bij Blankers enen ooverhaoler. Enen ooverhaoler. Ds schoene ooverhaole. Ds schoene, der wrre schoene n mekaare gezt n der worre dan, zo dgge hier n daor mar ene spker in  Meej et mesien, h! KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

ooverheene

bijwoord

overheen

Kees & Bart (ca. 1935): 'Oover tnne stappe ze ooverheene' (de gemeenteraadsleden)

 

ooverhs

zelfstandig naamwoord

verhuizing

De Guust was aon den ooverhs/ alles stond oovernd/ Ik snap nie zeetie tot zen vrouw '/ wgge begonnen bnt. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Verhs-plezier?)

 

ooverhieuw

verleden tijd van ooverhaawe [nog niet opgetekend]

overhield

Van de lepkes diesse overhieuw heesse innen regenjas vur mn gemokt. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

 

ooverkaant

zelfstandig naamwoord

overkant

 

ooverlist

bijwoord

laatst, onlangs

N ooverlist heurdenik ng zgge: ch val dod meens, lfde gij ng! (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)

Van Dale - D14 overlaatst, bw v. tijd (Belg. N. , spreektaal) onlangs, laatst

WNT OVERLAATST - daarnaast (in Brabant) OVERLEST - (klemt. op 3e lettergr. ) - laatst, onlangs. In Z.-Nederl., en gewestelijk ook elders, b. v. in Gelderland. Z. o. De Bo en Corn. Vervl.

 

ooverloper

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: geit die geen jong heeft gehad

Het WBD kent deze naam voor een 'onvruchtbare ooi' (schaap): K242, L281

A.P. de Bont: znw. m. overloper, geit die, al of niet voor de eerste maal gedekt zijnde, niet lamt, maar een jaar overslaat.

 

oovermrege

bijwoord

De Wijs -- (gehoord van een maandaghouder) K z blij dk overmerrege kan zegge de wut overmerrege alwir gehad hebbe (10-01-1970)

 

oovermisterd

bijvoeglijk naamwoord

overmeesterd, overspannen

 

oovernuut, oovernuuwt

bijwoord

opnieuw

Cees Robben Of ze dint overnuut (19571221)

Henk van Rijen: gift is oovernuut - geef eens opnieuw

WBD III. 4. 4:315 'overnieuw doen' = veranderen

Jan Naaijkens, D's Biks: oovernuuwt bw - opnieuw

Haor OPNET - opnieuw

 

ooverschiete
werkwoord, sterk

Uitdrukking
- Cees Robben Zn ge overschieten... [even de ogen dichtdoen, een dutje doen] (19800314)

er over schieten, ongehuwd blijven
-
Mar j, hij waar bang dttie der aanders over z schiete, dus hij lsterde nie nor mn.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

ooversprong

zelfstandig naamwoord

oversprong; kinderspel

Audioregistratie 1978 - En dan ooversprong! D din we vruuger ok op school! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

oovertrkke

werkwoord, sterk

verhuizen

N. Daamen, woordenlijst 1916: "we zen an den overtrek (aan het verhuizen)"

WBD (III. 3. 2:307) oovertrk = burenovertrek

WBD (III. 4. 4:9) 'overtrekken' = betrekken (v.d. lucht)

 

ooverweg

zelfstandig naamwoord

overweg

Den ooverweg waar wir dicht.

 

op

voorzetsel, bijwoord

op

Dialectenqute 1876 - p (met klinker van fr. oeu)

Henk van Rijen: op slt van zaoke - per slot van rekening

Van Rijen: p de middag - in de namiddag

Van Rijen: p en aander slaope - logeren

WBD (III. 2. 1:395) op, hl = wakker

Jan Naaijkens, D's Biks: op vz., bijwoord - op

 

Albert Servaes - Oogstende boeren; 1905

opbne

werkwoord, sterk

opbinden

Antw. OPBIJNEN - opbinden. Hout opbijnen, koren opbijnen

Bosch opbeinde - binden, vastbinden, vastmaken

 

opblaoze

werkwoord, zwak

opblazen

Blaost em op - loop naar de maan!

Ge kunt em opblaoze - Je kunt me wat!

CR10 (blz. 61) 'ge kunt 'm opblaoze'

-- opblaoze blaosde(n) op - opgeblaoze

Bosch opblaoze - opblazen: Blaost 'm toch op! Verrk toch!

 

opblk

zelfstandig naamwoord

oprisping, maagzuur opboeren

gez. den vlen opblk krge - misselijk worden van (te veel) eten:

Cees Robben [vrouw tegen drogist:] Nog gre vur n dubbeltje vur den vuilen opbllik... (19750620)

- ook figuurlijk en dan meestal in combinatie met vle en dan bedoeld om een tekortkoming aan te duiden:
Cees Robben Wek van den onzen krg.. Nou daor zak ginne vuilen opblk van krge... [vrouw over haar gierige man] (19650416)

 

opblleke

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: boeren

WBD III. 1. 2: [?] 'opbreken' = zuur oprispen

Stadsnieuws: Ik mot smreges gin pap eete; d blf ik hil den dag ng opblleke (020507)-

 

opbrnge

werkwoord, sterk

opvoeden, grootbrengen

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Van klnsaf aon zk opgebrcht van Krvel Klik hier om dit bestand te beluisteren

mar doe der iets aon, d koste toch nie en ge drfde nie, ge waart te bang opgebrcht. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

opdkke

werkwoord, zwak

WBD III.2.3:43 de tafel opdekken = de tafel dekken

 

opdoen

werkwoord, sterk

1. opdienen

Frans Verbunt: het eten op tafel zetten; opdienen

2. leren kennen

Enen blauwe maondag hb ik toen,/ meej en mdje omgegaon./ Die hak opt huukske van de straot/ meej et daanse opgedaon (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ng vrij)

3. Frans Verbunt: ook: iemand de broek opdoen

de verbeelding is niet duidelijk; de betekenis is: iemand zijn vet geven, de waarheid zeggen

Piet van Beers Kaorte: Toch hk ze alle drie de broek opgedaon. Al is den "hoofdprs" toch men neus vurbij gegaon. (Het zeventiende boekje, 2010)

4. jenever tappen

WTT 2012 -Vruger deejen z'm mee 't half of heel motje op, om w in huis te hebben as ge volk kreegt of as ge 'ns 'nen aanderen smaok in oe mond w't hebben, mar naa zen ze van 'n heel kruikske niemer vies. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

 

opdraaje

werkwoord, zwak

opdraaien; het hoofd op hol jagen

Ik heb ze [haar] heelemaal nie opgedraaid en opgevreje! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

opgaon

werkwoord, sterk

opgaan

as de zon opgao

zn al die brojkes opgegaon?

Van Delft - Aanduidende, dat een poging niet gelukken zal, zegt men: "Dien vlieger zal nie opgaon." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Antw. OPGAAN (met 'zijn') bij kegelaars, biljartspelers: het spel beginnen; soldaat worden, naar het leger gaan; verbruikt worden; opvliegen

 

opgeleej

bijvoeglijk naemwoord

opgelegd

De Wijs -- Ds nie toevalligerws, ds opgelee pandoer (09-04-1973)

 

opgemsd
voltooid deelwoord van opmze
opsmikkelen
Cees Robben Vur degget fn het opgemuisd... (19600624)

 

opgeslferde
zelfstandig naamwoord
mogelijk van 'opserveren', opgeserveerde; alleen gevonden in verband met het zoeken naar een (tweede) echtgenoot, waarbij een koppelaar(ster) een rol speelt
Cees Robben Zal ik vur jou is naor unne goeie kloris uitkke...? N.. vur men ginne opgesolferde! (19660819)

 

opgestokt
voltooid deelwoord van opstooke
gecremeerd
Cees Robben Gij wilt nao oew verschaaie zeker opgestokt worre... (19800829)

 

opgetaase
voltooid deelwoord van optaase
opgestapeld
Cees Robben Ik heb t mar nie opgetaase.. (19651203)
 

opgriesele

werkwoord, zwak

G aanharken

 

ophaawe

werkwoord, sterk

ophouden

-- ophaawe - hiel(d) op - opgehaawe

ophouden in betekenis omhoogsteken, trots zijn op, pronken met
Cees Robben Ut is n heel schn knd.. (...) en werd om op-te-haauwe (19580705)
andere betekenissen

- WBD inhouden van de melk door een koe, ook 'optrkke' genoemd

WvM - 'da'k nie mir kos ophouwe'

WBD III. 1. 4:312 'ophouden' = idem

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. 'ophaauwen' - ophouden: 1) opkweken, opfokken (van dieren en schertsenderwijze van kinderen gezegd); 2) 'et kunnen ophaawe' (van zieken gezegd) kunnen opblijven, niet gedwongen worden door zwakte om naar bed te gaan; 3) de verkoop v. e. boerderij niet laten doorgaan

 

ophange

werkwoord, sterk

ophangen

WBD phange - ophangen, van leer ter droging (II 640)

WBD phanger - ophanger, van leer ter droging (II 641)

 

ophaole

werkwoord, zwak

WBD ophalen: de laatste poetsbewerking v. e. schoen met behulp v. borstels, zachte doeken etc. om de schoen zijn diepste glans te geven (II:794)

WBD phaole (II:1041) - ophalen: opdeunen; ook: ntrkke

WBD (III. 3. 3:135) ophaole = collecteren

-- ophaole - hlde(n) p opgehld; (ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hlt p)

 

ophbbe

werkwoord, sterk

Frans Verbunt: opgedronken hebben

 

ophpe, ophope

werkwoord, zwak

M ophopen

- ophpe - hpte op - opgehpt

 

ophippere

werkwoord, zwak

opknappen

Henk van Rijen: hij is wir aoreg opgehipperd - hij is weer aardig opgeknapt

 

ophope

werkwoord, zwak

Van Rijen: ophopen

 

opjne

werkwoord, zwak

opjutten, gek maken

-- pjune - jnde p - pgejnd, met vocaalkrimping; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij jnt op

Die kunde gemak opjne. - Die kun je gemakkelijk opjutten.

De Wijs -- t gao z gf goed, mar ge mt me nie opjuine (1965)

Cees Robben Ge moet m nie z opjuine Toke (19660218)

Stadsnieuws: Jantje wier dur zen kammeraoj opgejnd om blleke te trkke (040309)

WBD III. 1. 4:430 'opjuinen' = de hemel in prijzen

Cornelis Verhoeven: OPJUINEN (opj:ne) ov. ww - gek maken, op slinkse manier iemands geestdrift bevorderen om er dan profijt van te trekken of ermee te lachen.

Bosch opjuine - op stang jagen, opjutten

 

opkalifaatere

werkwoord, zwak

opkalefateren, opknappen

As ie 'n vrouw krijgt die 'm 'n bietje opkalifatert, dan wor et nog iets fatsoendelijks in de maatschappij... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

 

opkaomer

zelfstandig naamwoord

via enkele treden bereikbare, halfhoge, boven een kelder gelegen kamer

Mandos - Brabantse spreekwoorden: hier groejt de rg p de pkaomer (vB Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd bij het zien van rogge op een hooggelegen akker

LDM - Verder vonden we gewoonlijk in de woonruimte nog een deur naar op- of zijkamer en de bedstee van het ouderpaar. Onder de opkamer was de kelder, waarin de aardappelen en in de slachttijd ook de kuip met de pekel, waarin de hammen en zijden spek en de kleinigheidjes als de pootjes, rugstrang, enz. een plaats vonden. () Op de opkamer trof men een ledikant of bedstee, kleerkast en verder gerief aan, indien er de plaats voor was. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 Rond de boerenhaard 1; NTC 27-6-1952)

 

pke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van 'aop', met vocaalkrimping

aapje

Cees Robben t lkend precies op n pke... (19600408)

Witte w d is, enen Bimbo-box? Ds zonne sort djoeboks. Mar dan nie meej 45-toere-pltjes der in, mar meej pkes. Die pkes hbbe kleeren aon n huudjes op n ze speulen ammel en instruumnt. En pkes-rkst, d isset. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WBD III. 3. 2:351 pke = aapje

 

pke-dpke...
aftelrijm
Cees Robben pke-dpke-boter-stpke pke-dpke-dons.. (19870731)

 

opkle
werkwoord, zwak
opkuilen; het bewaren van gewassen (bijvoorbeeld om de dieren te voeren) door ze te overdekken met zand.
Cees Robben gebruikt het werkwoord in de betekenis ter aarde bestellen.
Cees Robben t Wordt td desse dr opkuile... (19791116)
 

opkieze, opkieste

werkwoord, zwak

aanhitsen

Zumme den hond is opkieze? - Zullen we de hond eens aanhitsen?

Cees Robben Zummummis opkieze...? (19681018)

WBD (III. 2. 1:489) 'opkissen', 'opkitsen', 'ophitsen' = aanhitsen (v. e. hond)

WBD III. 1. 4:420 'opkisten' = ophitsen

Haor OPKIESE - ophitsen

-- opkieze - kiesde(n) op - opgekiesd

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - OPKITSEN voor 'ophitsen'. KISSEN voor 'ophitsen'.

Cornelis Verhoeven: HISSEN ov. wvv. ophitsen, vooral v. e. hond gezegd; de hissende kreet is: 'hieskies'.

Antw. OPHUSSEN - ophitsen: 'nen hond ophussen

WNT OPKISSEN - hetzelfde als ophitsen, vooral van honden gezegd

 

opkoome

werkwoord, sterk

opkomen

Frans Verbunt: opkoomen as kak - heel plotseling zich voordoen

WBD III. 3. 1:385 'opkomen' = dienstplicht doen

WBD III. 4. 4:3 'opkomende maan' = eerste kwartier

WBD III. 4. 4:192 'opkomen' = vloed

 

oplaoje

werkwoord, zwak

Van Rijen: opladen

WBD III. 1. 4:232 'zijn eigen opladen' = zich kwaad maken

Figuurlijk

arresteren, meenemen in de politiewagen

-  Iedereen wier opgelaoie n zoodoende zit ik naa saome meej de naachtburgemister in n cel. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Mar j, Joaneke is er al wir 'n paor jaor t. Ze han em op n gegeeve moment opgelaoie, omdttie boove zene friettent ok ene wietzolder ha.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

oplaote

werkwoord, sterk

Van Delft - - Wij gaon vliegers maar ook duiven "oplaoten" en laten dan los "twee duiven en drie horens", waarmede wij "prijs verdienen en ook den scherreweg", terwijl een ander "geen veerke thuis had" en er zoodoende weinig om gaf, wie met "de poel" ging strijken.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Van Rijen: oplaten

Van Rijen: 'W-s daor te doen? Der wrt unnen boer opgelaote tusse tweej zakke stront

 

oplappe

werkwoord, zwak

oplappen, verstellen

WBD oplappe (II:1252) - oplappen, verstellen

 

oplgge

werkwoord, sterk

opleggen

Cees Robben: d was opgeleej pandoer;

-- oplgge - li(n) op - opgeleej

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opleggen

 

opliere

werkwoord, zwak

opjutten, aansporen

KAREL. En mn raoide 't aon! Ge bent al percies as veul meensche die aander meensche opliere om hout te gaon kappe en gappe, mar zelf d'r ge er nie aon waoge. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

 

oplope

werkwoord, sterk

oplopen

WBD opzwellen, in het kader v. d. zgn. trommelzucht, een koeieziekte

WBD ploping - trommelzucht, een koeieziekte

Cees Robben: waor heetie d wir opgelope?

-- oploope - liep op opgelope

Cornelis Verhoeven: OPLOPING (oploo:ping) v - trommelzucht of windpens bij een koe. (WBD pag. 468) Ook gezegd v. h. gevolg van overdadig eten door mensen: z'n gen 'n oploo:ping vrte - oververzadiging, zwelling.

A.P. de Bont: znw. vr. oploping, trommelzucht

Antw. OPLOOPEN - opzwellen, dik worden;

Kiliaan: tumescere

 

opmaok

zelfstandig naamwoord

WBD III. 1. 3:259 opmaak = versiersel; ook: '(op)tooi', 'opdof', 'tierelantijn'

 

opmaoke

werkwoord, zwak

opmaken (in div. bett. )

WBD deegbollen hun broodvorm geven

DANB ze heet em irst zen gld hlpen opmaoke

WBD III. 3. 1:208 'opmaken' = besteden

WBD III. 3. 1:209 'opmaken' = verkwisten

-- opmaoke - mkte op - opgemkt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mkt op

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opmaken: 'mutserd opmaoke' - hout tot takkenbossen binden.

 

opmis

zelfstandig naamwoord

WBD ploegschaar, ook genoemd (Hasselt) 'ploegmis'

 

opnaaje

werkwoord, zwak

opjutten, aansporen

-- opnaaje - naajde op - opgenaajd

Ik ha ze allen un bietje staon op te naaie.(Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Bosch opnaaie - opjuinen, gek maken

Cornelis Verhoeven: OPNAAIEN (opnje) ov. ww - enthousiast maken met de bedoeling te bedriegen of te profiteren (erop nje - erop lostimmeren): lot oew ge nie opnje; z'n gen opnje - zich opwinden, steeds enthousiaster of bozer worden. Zie ook: opjuinen, opkloten.

 

opneeme

werkwoord, sterk

opnemen, namelijk van sterke drank

Om den goeien afloop te vieren z'k regelrecht nor de Looiersbeurs gestapt en daor h'k m'n eige getracteerd op drie aawe klaores, die 'k zoo mar stondeweg on 't buffet heb opgenomen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

 

opneuker

zelfstandig naamwoord

schelm, kwajongen, lastig iemand

V klap, vuistslag

klnen opneuker - lastig ventje

V hij kreg me tch en opneuker

GG tis mar en kln opneukerke

WBD III. 1. 2:42 'opneuker' = oorveeg; ook: 'fleer, draai, klap, klets' enz.

WBD III. 4. 4:223 'opneukerke' = iets kleins in zijn soort, ook 'geneuk', 'neuk'

Stadsnieuws: Tis mar en kln opneukerke, mar hij heej wl lef (280307)

Antw. OPNEUKER znw. m. - klap, oorveeg. Iemand 'nen opneuker geven.

A.P. de Bont: znw. m. opneuker - opdonder, opstopper

WNT OPDONDER, n. a. v. synonieme znw. in platte taal. De volkstaal kent een aantal synonieme uitdrr. Eenige daarvan zijn afgeleid v. ww die slaan of stompen beteekenen, verg. opdril, opslag krijgen (= afgeranseld worden), en verder: opdoffer, opdokker en opstopper; in navolging hiervan maakte men in scherts andere, die wel schijnbaar van ww waren afgeleid, doch welke ww niet of zeer zelden in de zin van slaan worden gebruikt, b. v. opmepper, opnaaier, opneuker, oppeuter, opwaaier, opzaniker. Z. a.

 

opnooteere
werkwoord, zwak
contaminatie van opschrijven en noteren
Cees Robben [onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliciteere.. (19720128)
 

opnuut

bijwoord

opnieuw

n lke keer opnuut... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

oppaase

werkwoord, zwak

oppassen, opletten

Cees Robben: Vur fn meensen en motrge moette oppaasse

Cees Robben: meej de krsemes ist oppaase geblaoze; Ze heej aaltij goed opgepaase (ze is nog maagd ?)

GD94 ik moet oppaasse dttie nie wir leekende nat wrt

WBD III. 1. 4:355 oppassen= in acht nemen

-- oppaase - paaste(n) op - opgepaase

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. - oppassen

 

oppenuut
bijwoord
opnieuw
Cees Robben Jllie moeder is wir oppenuut getrouwd, war... (19800222)

 

pperleuterr

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: winnaar van het leuterconcours

 

oppernuut, oppernuuw

bijwoord

opnieuw

oppernuut begiene - opnieuw beginnen

B ppernuuw - herdoens

Kees & Bart (ca. 1935): 'op nuut'

...ieder jaor oppernuut... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...omd ge daornao wir oppernuut kost begiene! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...en de stoffen ha'n soms zoo lang gelegen, d ze weer oppernuut in de mode ware gekome. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
De meester stopte z'n pijp oppernuut... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
...en boer Verheie stopte z'n pijpke oppernuut... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
Mee zoo'n schoon mutsken kunde nog 'ns oppernuut aon t vrijen; (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
En aaltij, aaltij oppernuut/ trok me mijn hart naor d'aawe stad... (Piet Heerkens; Zeuventig jaor, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

Cees Robben: as ze wir opnuut begos

Cees Robben: jllie moeder is wir 'oppenuut' getrouwd war;

Van Rijen: 'oppernuut, oppernuuw, opnuu'

Hees oppernuuwt (I:37)

WNT OPNIEUW- In de vormen 'op een nieuw' en 'op het nieuw verouderd.

 

ppers

zelfstandig naamwoord

getalzijde van een geldstuk

WBD (III. 3. 2:206) oppers (getalzijde van een geldstuk)

 

pperst f mis

naam van een kinderspelletje met centstukken

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- obberis -- En dan ging et daor meej d blleke nt boove zon snt, dan liete zem nt op zon raand valle n asse dan pperst was f mis, dan mogde, pperst mogde hbbe mar mis dan mogdem nie hbbe (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

►obberis

 

opploege

werkwoord, zwak

WBD (Hasselt) bijeenploegen (de aarde wordt bij het ploegen in de richting van het midden van de akker gekeerd)

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opploegen

 

opraope

werkwoord, zwak

oprapen

 

oprme

werkwoord, zwak

opruimen

GD94 die han ze opgermd

WBD (III. 2. 1:283( oprme = opruimen)

-- oprme - rmde op opgermd; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij rmt op

 

opsallemander
zelfstandig naamwoord
oplawaai
Handschrift Daamen, 1916 Ik gaaf em n opsalamander (slag)
WTT 2013 Het zelfstandig naamwoord lijkt nergens anders in Noord-Brabant voor te komen. Het WBD geeft wel (III.1.2:126, lemma Op de loop gaan) het werkwoord opsalamanderen, uitsluitend opgetekend in Reusel.
 

opschp

zelfstandig naamwoord

opschepperigheid, opsmuk

...mar 'k geef himmel nie om den opschep, daor bedoel ik mee, w de vrouwkes schon en sjiek vnen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

opschppe

werkwoord, zwak

opscheppen, namelijk: zoals iets zich voordoet

...mar gre of nie, ge hed 't te nemen zooas Onze Lieve Heer 't opschept en 't biste is er nie over te lammenteeren. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

opschpper

zelfstandig naamwoord

WBD (III. 2. 1:163) opschepper = pollepel

 

opschiete

werkwoord, sterk

opschieten

Mandos - Brabantse spreekwoorden: hoe meer volk veur, hoe minder dt opschiet (vB Tilburgse Taalplastiek 197l) - gezegd m. b. t. een mis met drie heren

WBD III. 1. 2:5 'opschieten' = zich haasten, ook: 'affeceren', 'spoeien'

WBD III. 1. 4:347 'opschieten' = idem

WBD III. 4. 4:323 'opschieten' = vorderen

GD07 'asse en bietje opgeschoote hbbe . . . '

 

opschoore

werkwoord, zwak

R omhoogbrengen van de boven het vuur hangende 'spkeetel', via in de haak aangebrachte inkepingen

Van Rijen: aan de zoldering ophangen, opbergen op zolder

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opschoren, door schoren omhoog grengen, b. v. een stromijt die scheef hangt met behulp van houten stutten.

 

opschrve

werkwoord, sterk

opschrijven, namelijk: op de bon geslingerd worden door de politie

Hij [een Tilburgse politieagent belast met de sluitingstijd van kroegen] zal oe nog veul liever tien keer worschouwen dan oe eene keer opschrijve. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

WBD III. 3. 1:349 opschrijven = beboeten (door politie)

 

opslaon

werkwoord, sterk

opslaan (in div. bett.)

Kees & Bart (ca. 1935): ''t teveul d opgeslaon moet worren'

WBD III. 3. 1:61 'opslaan', 'opzetten' = verhogen

-- opslaon - sloeg op - opgeslaon

 

opsmre

werkwoord, zwak

besmeren met boter o. i. d. -- nen botteram opsmre

-- opsmre - smrden op - opgesmrd

Antw. OPSMEREN - besmeren, met boter, vet enz. , bestrijken.

 

opsnije

werkwoord, sterk

WBD de buik opensnijden van geslacht vee

Antw. OPSNIJ(D)EN - versnijden, snijden totdat iets op is

 

opslfeere

werkwoord, zwak

mogelijk van 'opserveren'; alleen gevonden in verband met het zoeken naar een (tweede) echtgenoot, waarbij een koppelaarster een rol speelt; zie:

De Wijs -- Zal ik veur jou is naor unne goeije kloris uitkke [?] - N, veur men ginnen opgesolferde (13-07-1966)

De informatie van De Wijs werd door Cees Robben gebruikt in zijn Prent van de week van 19 augustus 1966.

 

opspeule

werkwoord, zwak

PM uitvaren, uitvallen, opspelen

-- opspeule - spulden op - opgespuld ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij spult op

Cornelis Verhoeven: OPSPELEN (opspeule) onov. ww - op zijn poot spelen, iemand een standje geven, uitvallen

A.P. de Bont: zw. ww. intr. 'opspeulen' - opspelen, razen, uitvaren, te

keer gaan.

Antw. OPSPELEN - opspannen, in gramschap uitvaren; in 't N.: OPSPEULEN

 

opstalle

werkwoord, zwak

WBD (van koeien) naar de stal brengen na de zomer; ook genoemd: 'indoen', 'binnedoen', 'inhaole' of 'binnegaon'

-- opstalle - stalde op - opgestald

 

opstaoj

bijwoord/bijvoeglijk naamwoord

►op staoj, waar het woord gesplitst is

As d mn nog is vergund moog zn, dan zok d liefst zoo opstaoi meugelijk wille doen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

vB kalm aan

vB enen pstaoje meens - een kalme mens , die alles langzaam doet (Tilburgse Taaklplastiek 175)

Van Rijen: 'Ut gong amml mar opstaoj aon' - Het ging allemaal maar rustig aan

Van Rijen: rustig, kalm, langzaam

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - STADE, voor gemak. Reeds bij Kiliaan. Z. a.

WNT STADE - 'op stade', 'op zijn stade' - op zijn gemak, zonder zich te haasten (in Zuid-Nederland)

 

opstaon

werkwoord, sterk

opstaan

Cees Robben: vruug opstaon d is gin proft;

-- opstaon - stond op - opgestaon; ik stao, gij staot, hij stao op

WTT-2012: de oudere verleden tijd: Toenk vumrge opstind was t rgen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

A.P. de Bont: onr. st. ww. intr. opstaan, opkomen (van plannen, gedachten, neigingen enz. gezegd. )

 

opsteuke

werkwoord, zwak

opstoken, aanzetten tot kwaad

vB zengen opsteuke - zich kwaadmaken

WBD III. 1. 4:420 'opstoken' = ophitsen

B opsteuke - stukte op opgestukt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stukt op

KAREL. Stil nou en stukt oe gge nie op. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

Cees Robben En hier kan ik mn ge toch z over opsteuke war... (19870403)

Jan Naaijkens, D's Biks: 'opsteujke' ww opstoken; Indien afleiding van 'stooke', dan wijziging stamklinker

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. en wederkerend 'opstuiken, opsteuken' - opstoken (in het geheim) ophitsen; zich opwinden, zich driftig of bezorgd maken.

 

opstve

werkwoord, zwak

opstuiven

Mandos - Brabantse spreekwoorden: opstven as ene zak vol vlooje ('72) - naar alle kanten wegvliegen

 

opstiere

werkwoord, zwak

WBD de koe laten paren, ook 'stiere' genoemd

-- lange ie

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opstieren, hetz. als 'sti. jere(n)', maar minder gebruikelijk.

 

opstoet

zelfstandig naamwoord

-- contaminatie van optocht en stoet

- Van Rijen: optocht

- Mar et schonste van Karneval vn ik den opstoet. Meej al die hogkre, n die strpe. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

- Stadsnieuws: Alle jaore zitten er meej karneval in den opstoet grote gaote - (140210) Ieder jaar vallen er met carnaval in de optocht grote gaten

- n diejen pstoet die zie ik vanges, assie toevallig langs de raom komt. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

WBD (III. 3. 2:279) stoet, optocht (geen opstoet vermeld)

 

opstooke

werkwoord, zwak

opstoken

-- opstooke - stokte(n) op - opgestokt ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij/gij stokt op

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. opstoken, opbranden, verstoken.

 

optaase

werkwoord, zwak

De Wijs -- (Gehoord van Sint Nicolaas) Ge kunt alles wel optsse mar als gut tspraait lk t veul en veul meer (11-02-1965)

Hil den hsraod opgetaase... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vurjors-trubbel)

Van Rijen: opstapelen

 

optal

zelfstandig naamwoord

aantal

Henk van Rijen: wittet optal al, waor et schaajt? - weet je het aantal al dat er mankeert

 

optg

optuigen

WBD III. 1. 4:166 'optuigen' = uitdossen

 

optillefeneere
werkwoord, zwak
contaminatie: opbellen en telefoneren
Cees Robben hedde gij (...) opgetillefeneerd..? (19680816)
Cees Robben [onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliteere.. (19720128)
 

optffefe

werkwoord, zwak

een thuisweefstuk opvouwen/oprollen

WBD ptffele (II:1052) - optafelen: tefelen, het stuk stof dat v. e. weefgetouw genomen is, in brede plooien omslaan, zodat het een stapel vormt die aan een tafel kan doen denken; ook: inmaantele

-- optffele tffelde(n) op - opgetffeld

 

optrkke

werkwoord, sterk

optrekken; opdonderen, wegwezen

WBD inhouden van de melk door een koe, ook 'phaawe' genoemd

Mandos - Brabantse spreekwoorden: trk mar p meejoew zije kouse (D'l6) - wees maar niet zo veeleisend (zijden kousen werden door deftige mensen gedragen)

WBD III. 1. 2:245 'zijn neus optrekken' = snotteren

-- optrkke - trok op - opgetrokke

Cornelis Verhoeven: OPTREKKEN ov. ww - omhoogtrekken; inhouden (zie bij 'rome')

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. + intr. optrekken 1) van koeien: de melk niet

gewillig geven; 2) (voermantaal) een weinig verder trekken; 3) opharken.

Antw. OPTREKKEN - heengaan, vertrekken; naar het leger vertrekken

 

optuutere

werkwoord, zwak

in verbinding met 'em' = 'em opblaoze'

Ge kunt em optuutere! - . . . naar de donder lopen

-- Alleen de infinitief wordt gebruikt, met hulpww. 'kunne'

 

opval

bijwoord

de betekenis is obscuur; mogelijk is de betekenis op stel en sprong, binnenkort
Cees Robben opval (19801031)
Cees Robben Ons Wies w gaon witte opval... (19620209)
N. Daamen, woordenlijst 1916: "opval wel - waarschijnlijk wel"

 

opvatte

werkwoord, sterk

opvatten, oppakken, opbeuren, oplichten

DANB vat d bd is meej op - help eens dat bed oplichten

-- opvatte - viet op opgevat

 

opwaas

zelfstandig naamwoord

afwas, vaat

Daor wier aaltij alles van n bord gegeten, al waren et vier gangen, w not vurkwaam. Den opwaas z aanders te grot worre en w dochte gij van de zp, die d ging kosten en de afdreughanddoeken nie te vergeten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Wij hebben pas toen we onder de meense kwamen, geleerd det omwaas waar en gin opwaas, wij zin ok aaltij zjam w zjm moes zn, we liepen w d betrof wel un bietje aachter. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD (III. 2. 1:286) opwaas, afwaas, omwaas = vaat

 

opwaase

werkwoord, zwak

omwassen, de vaat doen

Ik weet zeker: as de leeje van den bond 'n tedje opgewaassche hebbe op n aander desse al hl gauw hl blij zulle zen asse mee durren opwaasch vort thuis meuge blve. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

En ik weet zeker dechcher nie ut minste bezwaor tegen hadt om na afloop van de eterij de rommel mee op te waassche. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

 

opzaante

werkwoord, zwak

Van Rijen: de vloer met zand bestrooien na het vegen

Jan Naaijkens, D's Biks: 'opsante' ww - opzanden: met zand bestrooien

 

opztte

werkwoord, zwak

opzetten; aanschaffen; in het bijzonder het opzetten van een gezin / huishouden

-- opztte - ztte(n) op - opgezet

Cees Robben Ge het n schn vrouw opgezet/ Kees.. (19640221)
Cees Robben Gij moet n vrouw opzette, Sjef.. Gao op de Zaandpad noemer zeuve mar is aon de bel hange... Daor zitte nog twee aauw soepkiepe.. (19720211)

WBD pztte (II:999) - bomen, (een kepertje, een platte, 'n andere ketting opzetten; ook: beume of (de ketting) klaorztte genoemd

WBD III. 3. 1:61 'opzetten', 'opslaan' = verhogen

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - opzetten 1) het gemaaide veldgewas; 2) trouwen (resp. v. man of vrouw); 3) een dier op stal zetten, bepaaldelijk om het te mesten.

Antw. OPZETTEN - opschikken, opsmukken; een dier aankoopen om het te vetten; op het vuur zetten.

 

opzpe

werkwoord, sterk

opzuipen

DANB ze hbbe meej der vve drie lieter wn opgezoope

-- opzpe - zoop op - opgezoope

 

opzije

voorzetsel

Van Rijen: bezijden

 

opzuuke

werkwoord, sterk

opzoeken, bezoeken

WBD III. 3. 1:38 'opzoeken' resp. 'bezoeken' = bezoeken

 

ordil, ordel

zelfstandig naamwoord

oordeel

Cees Robben: ''t liste oordeel'

 

rcht, den - aonrcht

zelfstandig naamwoord

aanrecht, het -

Zet et mar op den rcht.

Ze stond n den recht. - Ze stond bij het aanrecht.

Mandos - Brabantse spreekwoorden: zie mar is dgge de schootels onder den recht krgt (vB (Tilburgse Taalplastiek 1970) - aansporing om met het werk voort te maken

Henk van Rijen: ze stin n den recht

Henk van Rijen: der stn kaojkes in den recht

Van Rijen: 'nrcht, recht'

-- aonrecht nrcht rcht recht rcht

Jan Naaijkens, D's Biks: 'orricht zn - aanrecht

 

orf, orve

verleden tijd van 'rve'

erfde

 

rfeejus

eigennaam

Tilburgse uitspraak van de naam van harmonieorkest Orpheus, daarnaast ook de sociteit waar het orkest resideerde.

Orpheus aan het Wilhelminapark.

LDM - "Orpheus" is tegenwoordig gevestigd op het Smidspad, in de vroegere zaak van de heer Zebregs. Het eigen gebouw aan het Wilhelminapark heeft niet lang dienst gedaan. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 14 Oude koffiehuizen in Tilburg 2; NTC 8-3-1952)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mar nt as vruuger van Orfeejus (Orpheus) ok, die hadde en schon, en btegewoon goej harmenie n die spulden in et Wilhelminapark, ginge ze sondagsmiddags, spulde ze dan en meziekske, h. Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview met de heer De Kok (1978) Orfeejus, d was, d was Die ene die teege mn om moes zgge die was daor tromdraoger! Die is nouw ok dod! KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

Tekening van Frans Mandos Tzn - 1945

rgel

orgel, kerkorgel, straatorgel, handorgel

zelfstandig naamwoord, onzijdig

...toen 't nuuw rgel ingeweje wier. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Ik heur zoo gre zingen in de kerk en 't rgel is veur mijn gewoonweg 'n feest! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Ze zonge alle liekes mee/ die drgels mar won speule... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En dan wonde Fons (Aleejaose = Elissen), die wonde daor op de Noordhoek, d kefeejke, ik weet nie f ge d ot wl nie, d, dieje kefeej daor ot geknd ht n daor stond aaltij enen rgel Klik hier om dit bestand te beluisteren

Piet Heerkens - melodieus as rgelspel (uit: Brabant, Ons eige plat, 1941)

n Peer Luite meej zen rgeltje [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Die, die, die, kom, dan hattie zon rgeltje vur zenen bk hange, zon draajding [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

WBD III. 3. 3:l65 'orgel spelen, 'het orgel spelen

WBD III. 3. 3:167 'orgel trappen', 'orgel treen'

A.P. de Bont: znw. m. 'urgel' - orgel

Antw. RGEL (uitspr. 'rregel) znw. , Fr. orgue, is meest overal v., doch op sommige plaatsen o. of m.

Bosch rgel orgel

zelfstandig naamwoord, vrouwelijk

zeer gebruikelijk in Tilburg

Wrom spult den rgel nie? - Waarom speelt het orgel niet?

R. J. 'de kster liet den rgel giechelen'

Van Delft - - Wij plukken "brem bezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Kees & Bart (ca. 1935): 'nen aawen rgel'

Cees Robben Unne rgel in de liste mis... (19701113)

WvM 'De u van den urreghel da speulde zoo schoon'; 'mesiek op den urreghel'

als lleger

De verwisseling van de R en de L (methatesis) komt vaker voor in het Tilburgs; zie: Van Delft - Een dorpel noemt hij een "dulleper"; een orgel een "ulleger"; zelfs hoort men de wijk Korvel ooit "Kullever" noemen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Kees & Bart (ca. 1935): 'den lleger in 't Caf'

- L -- Wordt met R verwisseld, en omgekeerd. Zulker (zurkel), flamboes (framboos), kellever (kervel), hallever (armvol), enz. (Schuermans, Algemeen Vlaamsch Idioticon, 1865-1870)

Piet Heerkens - D'n rgel - 1938

 

 

Straatzangers met draaiorgel - uit: Het straatlied, D. Wouters & J. Moormann, 1933

rgelman - volksliedjes over de orgelman op CuBra, verzameld door Ben Hartman

 

Uit een Tilburgs liedschrift van Toos van Poppel-van Es. Peer Luyten was een bekende Tilburgse straatmuzikant

 

rgeltrapper

zelfstandig naamwoord

degene die het orgel trapt

Pierre van Beek --"D hebben we saomen goed gelapt, zeej den rgeltrapper tegen den rgenist toen ze de trap af gingen" slaat op iemand, die zich een prestatie toe-eigent, die hem eigenlijk niet toekomt. Hoe fijn-geestig wordt hier zo iemand in de maling genomen! (Tilburgse taalplastiek 6 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 11 maart 1950)

 

rksier

zelfstandig naamwoord

yorkshire (bep. varkensras: met staande oren)

Van Rijen: 'rreg sierke, rrek - kort gedrongen varken (vlees)

WBD L 100: 'orksier' (Berchem bij Oss)

 

Orscht

zelfstandig naamwoord eigennaam

Oirschot

 

Orschtsendk

toponiem

Oirschotsedijk

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En hil ouwe taante van mn grotmoeder, zak zegge, die wonde toen vroegertd op Roosephoeve in Oisterwijk, d was teege den Orschtsendk aon n d was wd de haaj in n die zaat daor op en boerderij! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

rtestiesje

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: sufferd, dromer

 

rweege

bijwoord

Zoals Mandos het definieert in De Brabantse Spreekwoorden: orwegen: In orwegen zijn. In oirwegen zijn. 1. Op komst zijn: bij een zwangere vrouw; 2. in de mode zijn; 3. op gezette tijden terugkeren van kinderspelen. 4. er was geen onraad (Tilburg 16). () in de gesproken taal klinkt dat als inno(o)rwege, hetgeen leidde tot in Noorwegen zijn.

 

orzaok

zelfstandig naamwoord

oorzaak

R. J. 'de oorzaok van de pent'

 

s

zelfstandig naamwoord

Mandos - Brabantse spreekwoorden: daor is ginnen s oover gemolke (vB Tilburgse Taalplastiek 1971) - gezegd als men iets onmogelijk acht

Henk van Rijen: as d lukt, dan kalft den s - . . . dan is het een wonder

 

ske

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

Van Rijen: aasje

 

ssekniejes

zelfstandig naamwoord

WBD III. 1. 2:391 'mee osseknien lopen

 

Ill.: Naumann

ssekpke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

bep. meesje, pimpelmees (Parus caeruleus)

N. Daamen, woordenlijst 1916: "ossenkpke - zwartkopmees"

WBD III. 4. 1:l02 'ossekopke' pimpelmees

 

ssem, aojem

zelfstandig naamwoord

asem, adem

Hij h ginnen ssem mir.

Ze gaaf ginnen ssem = Ze reageerde niet.
N. Daamen, woordenlijst 1916: "z'nen ossem waas te kort (hij had geen centen genoeg om te doen wat hij voorhad

N. Daamen - handschrift 1916 - "(adem) Ik z er wel over gesproken hebben as ie er mar iet of w ossem van gegeven ha (als hij er maar iets over losgelaten had)"

Cees Robben En as ge drie keer het gesnakt/ Zdoewen ossum kwt... (19600219)
Cees Robben kort van ossum (19700925)

PVb aachter zenen ssem zn - buiten adem zijn

Mar vurtie halverweege kwaam/ wassie al bte ssem (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aanders...)

Frans Verbunt: ik hb mar enen ssem n twee haande - ik kan niet alles tegelijk

Frans Verbunt: ak ernr kk, zk al tnen ssem

Mijn ogen jeuken allemol, ik hoest ak ossum haol... (Tony Ansems,Zak moete niese akkum aai?; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

Stadsnieuws: Ik heb mar enen ssem n twee haande - Ik kan niet alles tegelijk. (081210)

WBD III. 1. 2:235: 'kort van asem' = kortademig

WBD III. 1. 2:236: 'nie achter zijn asem komen' = stikken

Jan Naaijkens, D's Biks: 'ossem' zn - adem

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt.44 ligt T. op de grens van de gebieden met s resp. j.

Goem. ADEM, ASEM - znw. m. : Den - inhouden; kort van - ; enz.

Antw. ASEM - adem: Krt van asem - kortborstig

WBD III. 2. 2:54 'naar aden happen', 'asem tekort komen' = reutelen

 

sseme

werkwoord, zwak

ademen

R. J. 'daor ossemt m'n ziel dan deurheen'

WBD III. 1. 2:233 'zwaar ademhalen', 'moeilijk esetnen' = hijgen

WBD III. 1. 1:182 'asemen' = ademen

sseme - ssemde - gessemd

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Blijkens krt. 44 ligt T op de grens v. d. gebieden met s resp. j .

Goem. ADEMEN, ASEMEN wkw. Daar hebben ze niet meer over geasemd = over gezwegen.

Antw. ASEMEN - ademen

 

ssestaawer

zelfstandig naamwoord

vB iemand die niet goed ter been is; = mikhrst '

Van Rijen: 'H lopt as unnen ossestaawer' - Hij loopt wel erg moeilijk

Antw. OSSESTOUWER znw. m. - ossendrijver

 

ost

zelfstandig naamwoord

oogst, oost

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - st (= oogst) (krt. 47) met korte vocaal (blz. 115)

Goem. OOGST - ust, znw. m.

Antw. OO(G)ST znw. m. , Fr. moisson. Spr. Zijnen oo(g)st opdoen - eene goede gelegenheid waarnemen om een goeden voorraad op te doen.

Jan Naaijkens, D's Biks: okst zn - oogst

 

oste

werkwoord, zwak

oogsten

B oste - ostte - geost

Goem. OOGSTEN - uste wkw (rg. )

Antw. OO(G)STEN - de achtergebleven korenaren oprapen van den akker

 

ster

zelfstandig naamwoord

unster, weegschaal

Daamen 1916 - "ster - klein weegwerktuigje dat de boeren wel mede naar de markt nemen; het werkt met een veer"

Pierre van Beek "Ze hebben 'm aon den ster gehad!" Het betekent, dat iemand "gewogen" is naar z'n geldelijk bezit, een hebbelijkheid, waarin zich bepaalde klassen uit de bevolking nog al eens schuldig maken. Speciaal wordt het gebruikt in verband met een jongeman, die om de hand van iemands dochter gaat vragen. Een ster noemt men in het beschaafd Nederlands unster. Dat is een enigszins primitief weegapparaat, dat werkt met een veer en waarbij men op een met streepjes verdeelde plaat het gewicht afleest. Het meest kenmerkende van dit weegapparaat is wel zijn gering formaat zodat men het gemakkelijk in de zak kan steken. Veel ziet men het tegenwoordig niet meer gebruikt, doch wij herinneren ons, dat in onze jeugd alle "toddenkooplui" er mee waren uitgerust. Zuiver wegen doet het apparaat niet, maar het geeft het gewicht toch zo "te rauwste" aan. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

Pierre van Beek Er is aanleiding nog eens terug te komen op hetgeen wij in ons vorige artikel zeiden over "den ster". Lowie Van Dorrus Misters is nl. van mening, dat de beschrijving, die wij van een unster gaven, niet die van de echte ouderwetse unster geweest is. Zo'n unster zag er volgens onze geachte opmerker als volgt uit: Hij was een stalen (ook wel houten - Tilb.) lat, die aan een haak kon worden opgehangen en welke lat voorzien was van inkervingen. Een tweede haak diende ter bevestiging van het te wegen voorwerp en dan bevond zich aan het apparaat nog een gewicht (waarschijnlijk een pond), dat over de lat heen en weer bewogen kon worden. De schuifring van het pond had boven aan de onderkant een nokje, dat greep in de inkervingen zodat de ring bij het verschuiven wat gelicht moest worden. Als het pond met het aangehangen voorwerp in evenwicht was en de lat derhalve waterpas hing, kon hierop het gewicht worden afgelezen. Om het pondsgewicht noemde men "den ster" ook wel "punder". (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950)

Pierre van Beek Als een jongeman het plan had om bij een zeker soort gegoede lui te proberen kennis aan te knopen met de dochter maar zelf geen vermogen bezat, werd hij wel eens gewaarschuwd door zijn vrienden met het gezegde: "Denk er om, daor hangt den ster of punder aachter de deur." Bedoeld was dan de voordeur en het betekende, dat hij eerst "gewogen" zou worden voor hij gelegenheid kreeg de woning verder binnen te gaan. (Tilburgse taalplastiek 8 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 25 maart 1950)

Cees Robben Ge zd nie goed aon oewen ster... (19670908)

WNT UISTER zie 'unster'. - UNSTER - ons(t)er, ens(t)er, eunster, anster, uister, huiser, oister, uuser, ulster. Van 'ons' (mnl. unce) met -er, al dan niet met epenthetische t. Z. a.

Cornelis Verhoeven: UNSTER (ster) m - ponder, balans met ongelijke armen.

A.P. de Bont: ster, znw. m. , 'uister' - unster

achterste, derrire

op oewen ster valle - op je gat vallen

Cees Robben Ge zd nie goed aon oewen ster... (19670908)

N. Daamen, woordenlijst 1916: "ik viel op m'nen ster (achterste); hij kreeg vur z'nen ster (billen)"

 


Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek


1974 (ca.) - ster (dialect) - "Hij is op z'nen ster gevallen " "Hij heej z'nen ster flink gestte" - "ster" = achterste - is afkomstig van 'uiterste. (Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek)

Pierre van Beek Tussen deze bedrijven door schiet ons echter nog een "ster"-uitdrukking te binnen nl. "Hij is op z'nen ster gevallen!" En dit heeft met wegen niets meer te maken. Men bedoelt dan dat gedeelte van de rug, waar deze van naam verandert. Waar men het vandaan haalt is ons een raadsel!

OSTER 5 Pierre van Beek Veertien dagen geleden hebben we hier stilgestaan bij de unster en in verband daarmede bij de uitdrukking: "Hij is op z'nen ster gevallen." We dachten, dat deze Tilburgse uitdrukking niets met het weegapparaat te maken had. Thans is Louis van Dorrus Misters zo vriendelijk het raadseltje van de afkomst, zoals hij die ziet, op te lossen. Hij herinnert er aan, dat men de veer-unster, waarover wij het hadden, wel gemakkelijk in de zak kan steken, maar... niet zo gemakkelijk er weer uithalen. Dit wordt namelijk bemoeilijkt door de aanwezige haak, die in de stof blijft steken. Hij vindt het daarom natuurlijk, dat na het gebruik de ster werd opgehangen aan de broeksband. En wel achter op de dij. Aan de voorkant zou hij namelijk kunnen hinderen met 't bukken en opnemen van zak of pak. Viel nu Jan de "toddekrmer" op z'n derrire, dan kon hij gemakkelijk letterlijk "op z'nen ster" vallen met alle nadelige gevolgen van dien omdat de haak pijnlijke verwondingen mogelijk maakt. Daar zo'n voddenkoopman gewoonlijk een bekende figuur was, ging het verhaal van Jan, die "op z'nen ster gevallen" was al spoedig van mond tot mond. Daarna is de uitdrukking in de volksmond blijven leven - ook al betrof het een val, waar helemaal geen unster of verwonding meer bij betrokken was. Aldus L. v. D. M., die in ieder geval een vernuftig gevonden verklaring geeft. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

 

Osterwk

toponiem

Van Rijen: Oisterwijk

 

t, t

voorzetsel / bijwoord

uit

W mkt et t, dttie et tmkt.

W maok et t

Cees Robben: van vruuger, t verleeje td; de krintjes t de mik plleke;

Cees Robben: Gao t de licht staon! hij frt t de rf;

DANB der is ene sprt t de leer; de rome spt t den jer van de koej

Van Rijen: 't dijen bl komt nie veul t' - er komt niet veel uit die zak.

Van Rijen: 'T-is t licht' - Het is volop dag.

A.P. de Bont: t, voorzetsel en bijw. uit: ''t Is t - de verkering is uit.

 

tbakke

werkwoord, zwak

uitbakken

WBD gewicht verliezen tijdens het bakproces

tbakke - bakte(n) t - tgebakke

Antw. UITBAKKEN (met 'zijn') onder 't bakken zijne tocht, zijn sap verliezen en hard en droog worden.

 

tbeduije

werkwoord, zwak

vB uitleggen, verklaren, duidelijk maken

-- vervoeging: zie 'beduije'

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. , 'uitbeduiden'- uitduiden

WS Contaminatie uit 'tlgge' en 'beduije'

 

tboezeroene

werkwoord, zwak

uitvlakken, onderschatten - Gewoonlijk in negatief gebruik.

Kees & Bart (ca. 1935): D moete nie tboezeroene!

-- tboezeroene - boezeroende t - tgeboezeroend

 

tbrstele

werkwoord, zwak

WBD bostel lossen (het weghalen van de bostel uit de beslagkuip, in de brouwerij)

Antw. UITB(R)STELEN - uitborstelen - aframmelen

 

tbotte

werkwoord, zwak

uitbotten; uit de kiem opgroeien van planten; uitlopers krijgen, loten vormen van planten en bomen; tschiete.

-- tbotte - botte t tgebot

 

tbraaje

werkwoord, zwak

uitbreiden

DANB tbraaje

-- tbraaje - braajde(n) t - tgebraajd

 

tbroeje

werkwoord, zwak

uitbroeden

Cees Robben: Dnkte naa dk van zonne stommen haon nog en aaj wil tbroeje?

WBD III. 1. 4:19 'uitbroeden' = broeden

-- tbroeje - broejde(n) t - tgebroejd

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - uitbroeden

 

tdele

werkwoord, sterk

uitdelen

Kees & Bart (ca. 1935): uitgedild

tdeele - dilde t - tgedild

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij dilt t

 

tdeur, tteur

zelfstandig naamwoord

deur naar buiten, vluchtweg, uitvlucht, smoesje

gez. Henk van Rijen: de tdeur zuuke - een uitvlucht zoeken (vB Tilburgse Taalplastiek 1965)

 

tdoen

werkwoord, sterk

uitdoen, doven, uitweiden, rooien van gewas

tdoen - di t - tgedaon (zie: doen)

Op den oogenblik zen we druk bezig mee gruunplukken en mangelpeejen utdoen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WBD (van koeien) naar de wei brengen

WBD (III. 2. 1:214) 'uitdoen', blussen = doven

A.P. de Bont: onr. ww. tr. - uitdoen, in versch. opvattingen, zoals 1) een schuld doorhalen, 2) aardappels rooien, 3) koeien uit de stal brengen, 4) mest uit de potstal verwijderen.

Antw. UITDOEN - ten einde doen, voltrekken; de(n) stal uitdoen - het mest uit den stal trekken. Eindigen: De meester het de school vandaag 'en half uur eer uitgedaan.

 

tdrge

werkwoord, zwak

uitdrogen

WBD III. 2. 3:158 'uitdrogen' = rotten van appels

WBD III. 4. 3:215 uitgedroogd = verdord

 

tdrpe

werkwoord, sterk

uitdruipen

WBD 'trupe' - uitdruipen, gezegd v. d. huid of het leer na verschillende bewerkingen (II:597)

-- tdrpe drop t - tgedroope

 

tduije

werkwoord, zwak

vB verklaren, uitleggen

Van Delft - "'k Heb 'm uitgeduid, wa'k w." 'k Heb hem uiteengezet en verklaard, wat ik wenschte. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

-- contaminatie van 'beduiden' en 'uitleggen' (Tilburgse Taaklplastiek 126)

WBD III. 3. 1:271 'uitduiden' = verklaren

 

tdunne

werkwoord, zwak

uitdunnen

WBD I:1460 op n zetten (tweede fase v. h. uitdunnen van bietenplanten), waarbij van elk hoopje slechts een plantje blijft staan, dat moet uitgroeien tot een biet): 'uitdunne', ''tdunne', 'afdunne'

 

tenvalle

werkwoord, sterk

uit elkaar vallen

Mandos - Brabantse spreekwoorden: tenvallen as enen braojappel (D16) uit elkaar vallen als een gebraden appel : over iets onbenulligs kwaad worden

 

tnde

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uiteinde

 

tgaon

werkwoord, sterk

uitgaan

de krk gao t

die meense gaon veul t

Cees Robben: vurdttie de deur 'tgao'; ze doe niks as roken n tgaon;

Frans Verbunt: as ge tgaot, moete oewen rmoej tslaote

WBD III. 3. 1:42 'uitgaan', 'aan de zwier gaan, de hort opgaan, op stap gaan, op sjanturnel gaan, pierewaaien, zwalken, dweilen' = uitgaan

tgaon - ging/gong t - tgegaon

 

tgeblkt
voltooid deelwoord van tbleeke
uitgebleekt; verbleekt; wit geworden
WNT zie lemma Uitbleeken
Cees Robben W uitgeblekt.. verblikt en schraol (19590912)
 

tgeblkte
bijvoeglijk naamwoord
stier met uitgeblokte billen; ook dikbil-os
Cees Robben uitgeblokte (19600226)
 

tgeboezeroend

voltooid deelwoord

Van Rijen: buitengezet, het vertrouwen verspeeld

 

tgebroejd
voltooid deelwoord van zwak werkwoord tbroeje
uitbroeien; hier in de betekenis geboren, van bepaalde afkomst zijn
Cees Robben Ze wit zeker nie waor ze uit is gebroeid.. (19580201)
 

tgediend

bijvoeglijk naamwoord

tot het eind gediend hebbend

GD08 veul van die zogenmde tgediende zn himml nie van die sukkelrs

 

tgelaote

bijvoeglijk naamwoord

uitgelaten

WBD III. 1. 4:95 'uitgelaten' = baldadig

WBD III. 1. 4:192 uitgelaten = zeer blij

 

tgeleuterd

voltooid deelwoord /bijvoeglijk naamwoord

GG uitgesleten, uitgelopen (van schoenen) uitgepraat

 

tgepakt

zelfstandig naamwoord

het uitgepakte, het uitgestalde

Nr et tgepakt gn kke = Gaan kijken naar de sinterklaasuitstalling

Kees & Bart (ca. 1935): 'naor 't uitgepakt weest te kijken'

Kees & Bart (ca. 1935): 'mee de klein mannen naor 't uitgepakt kijken

De Wijs -- Gao de gij kke naor t uitgepakt / of wochtte op de klottermert? (11-02-1965)

Cees Robben -  k Gao mee de knder naor t uitgepakt kke... (19651119)

Lechim - De knderkes staon alleml/ rme zo goed as rke / meej der nuske teege de rt/ nr et tgepakt te kke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sintreklaos ok)

Jan Naaijkens, D's Biks - tgepakt deelw., zelfstandig naamwoord - uitgepakt z. a.

 

tgetoerlezjoerd
bijwoord
aan het eind gekomen, uitgerangeerd; uit Franse tous les jours, alle dagen
Cees Robben Gaode dd (...) bende uitgetoerlezjoerd.. (19761001)
 

tgevlooge

bijvoeglijk naamwoord

uitgevlogen

WBD III. 4. 1:32 'uitgevlogen' - in staat om uit te vliegen (van vogels); ook 'vlug'

 

tgnsdag

zelfstandig naamwoord

uitgaansdag

vB de doj hebben ok enen gsdag (wordt gezegd als een mop of grappige opmerking niet begrepen wordt)

 

tgoje

werkwoord, zwak

WBD III. 1. 2:243 'uitgooien' = fluimen

 

thaawe

werkwoord, sterk

uithouden, volhouden, harden

Ik kos et nie thaawe - ik kon het niet volhouden

 

thaole

werkwoord, zwak

uithalen

Van Delft - Een boer wijkt niet gaarne ver uit en dan zeggen wij, dat hij "niet genog uithaolt".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD thaole (II:1049) - uithalen (v. e. paddevoet), ook trffele Henk van Rijen: de klomp thaole - eruit halen wat Sinterklaas erin gelegd heeft

thaole - hlde(n) t tgehld; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij hlt t

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. - uithalen (in versch. bett. )

Een vrouw vinden, zoals een vogel uit een nest wordt gehaald

Cees Robben: Die et veugeltje vnt die heeget nie, mar die et thlt. Interview Jolen - 1978 - Die [m,ijn vrouw] was ok van Tilburg, die heej ok bij Vendoore gewrkt, bij Vendoore-Dams. Daor hb ik ze tenminste tgehld, hh! W deese daor? Jao, stukke, stukke meej nppe n stppe n zo. Jjjjj!! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

thbbe

werkwoord, sterk

Frans Verbunt: opgedronken hebben

 

thoek

zelfstandig naamwoord

WBD III. 3. 1:318 'uithoek' = gehucht

 

tkke

werkwoord, sterk

uitkijken

Cees Robben: ge kwaamt nie tgekeeke; kkt is w beeter t;

Cees Robben: gij meugt wl iets zeggen oover tkke;

Van Rijen: tkken n daoge tlle - op je tellen passen

-- tkeeke - keek t - tgekeeke

-- met vooaalkrimping in praes. : gij/hij kkt t

 

tkleeje

werkwoord, zwak

uitkleden, ook fig.

GD07 kleet oewge mar hilleml t

-- tkleeje kleedel(n) t - tgekleed

Antw. UITKLEE(D)EN fig. uitplunderen, uitschudden. Spr. Zijn eigen uitklee(d)en eerdat men gaat slapen - zijne goederen weggeven aan zijne kinderen, eer men dood is.

 

tklote

werkwoord, zwak

Van Rijen: sarren, tergen, voor de gek houden

 

tkoome

werkwoord, sterk

tkoome - kwaam t - tgekoome

aansluiten

Cees Robben: d stuk wg d op dieje wg tkomt.

uitlopen op

Mandos - Brabantse spreekwoorden: p etzlfde strtje tkoome (vB TT '70) - steeds hetzelfde vertellen; een gesprek altijd naar hetzelfde punt leiden

van gewas

WBD III. 4. 3: 30 'uitkomen' = bloeien

als zelfstandig naamwoord: de lente, het voorjaar

- Een roestpraatje, Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882; en niet in dezelfde tekst in Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): En 't [vaarsje] is sens den uitkome al ning keere gelaaid. Daar geannoteerd als: sinds de lente.

 

tkruije

werkwoord, sterk

uitkruien

Henk van Rijen: hij lt aander meense de aase tkruije - . . . het vuile werk doen

 

tlbbere

werkwoord, zwak

uit zijn model raken van b. v. gebreid goed (intransitief)

vB en tgelbberde trui - die aan een kant lager is komen hangen dan aan de andere. (Tilburgse Taaklplastiek 127)

WNT kent wel een transitief 'uitlebberen' (uittrekken, uitrekken, langer of wijder maken), evenals 'uitlepperen', lebberen, lepperen enz.

Cornelis Verhoeven: LEBBEREN onov. ww - 1) slurpen, 2) uitrekken.

Antw. UITLEBBEREN - uitrekken, uittrekken; ik zal oe' ooren is uitlebberen, deugniet'.

 

tlege

werkwoord, zwak

Van Rijen: afgraven

Jan Naaijkens, D's Biks: tlge ww - afgraven

 

tlene

werkwoord, zwak

uitlenen

-- tlene - linde t tgelind; vocaalkrimping, behalve in infinitief , praes. plur., praes. ik-vorm

 

tlgge

werkwoord, sterk

uitleggen

WBD tlgge (II:1250) - uitleggen (een kledingstuk langer maken) WBD III. 3. 1:45 'uitleggen', 'bij elkaar leggen' = lappen

 

tlkke

werkwoord, zwak

uitlikken; uitlekken

Cees Robben: naa maag onzen oopaa zeeker et pnneken tlkke;

gez. vB As de pestoor gao praote, lkt alles t.

tlkke - lkte(n) t - tgelkt

 

tlope

uitlopen; loten vormen van planten en bomen, uitlopers krijgen; 'sprte', 'tschiete', tbotte

Henk van Rijen: al mot ek er de bene vur onder mene zulder tlope

-- tlope - liep t tgelope; in tegenwoordige tijd vooaalkrimping: lopt t

 

tlootere

werkwoord, zwak

Van Rijen: uitloten

 

tmaok

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: smoesje

WBD III. 1. 4:334 'uitmaak' = uitvlucht, smoesje

Jan Naaijkens, D's Biks: tmaok zn - smoesje, excuus

 

tmaoke

werkwoord, zwak

uitmaken

Henk van Rijen: w maoket t, dttiet tmkt - wat maakt het uit dat hij het uitmaakt; . . . , d hij et tmokt - . . . hij beslist

WBD III. 1. 4:317 'uitmaken' = ten einde brengen

 

tmlleke

werkwoord, sterk

WBD leegmelken (van koeien), ook genoemd 'uitmlke', 'tmlleke'

 

tmeutele

werkwoord, zwak

uit: t + meutel (= wrikken)

WBD tgemeutelde lst, tmeutelende lst (II:1051) - uitrnetelende/uitgemeutelde lijst: (te) slappe zelfkant van geweven stof; ook 'slchte kaant' genoemd

 

tmiste

werkwoord, zwak

uitmesten

Dan wier dieje stal goed tgemist... (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2003)

 

tneuje, tnoje

werkwoord, zwak

uitnodigen

WBD III. 3. 1:39 'uitnodigen', resp. 'noden, vragen, verzoeken' = uitnodigen

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk, 'uitneuien' - uitnod(ig)en

 

tnoeme

werkwoord, zwak

letterlijk: uitnoemen; benoemen, beschrijven, verklaren

Interview Jolen - 1978 - daor ene pin aon, hdie gingk in de grond n dan hadde d hoek en gat n d en gat n dan hadde ene beugel in hout, in plank, j, hoe zak die naa ttnoeme? Die was zo en bietje schefaon n onder dicht n zo diep n moeste meej die beugelblle, hadde houtere blle, schppe n nr die ringe goje (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

tperbeere

werkwoord, zwak

uitproberen

WBD III. 1. 4:351 'uitproberen' = proberen

 

tploege

werkwoord, zwak

WBD 'voor tploege' - middenvoor afwerken (het uitdiepen van de laatste ploegvoor, in het midden)

 

tpoetse

werkwoord, zwak

uitpoetsen

WBD uitpoetsen: het met diverse uitpoetspreparaten bewerken van schoenen (II:783)

-- tpoetse - poetste(n) t - tgepoetst

 

tpraote

werkwoord, zwak

uitpraten

Cees Robben: ik koom er nie oover :otgeprt; lt me naaw is tpraote

-- tpraote - prtte(n) t - :tgeprt; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij prt t

 

tpurgeere

WNT m. b. t. gist, deesem: zuiverend verwijderen; alleen in fig. verband in religieus taalgebruik aangetroffen en na de 16e eeuw verouderd. 2) (Maastricht; uitpraten

Mandos - Brabantse spreekwoorden: tgepurgeerd zn (D16) - er (gauw) van afzijn, ermee klaar zijn

N. Daamen, woordenlijst 1916: "hij waas gaauw uitgepurgeerd - hij had er gauw mede gedaan, het was er gauw mede afgeloopen"

 

treekene

werkwoord, zwak

uitrekenen

WBD tgereekend - (gezegd van een koe) het einde van de draagtijd bereikt hebbend, ook 'tgetld' of n de telling, 'n de baot'

-- treekene - reekende(n) t - tgereekend

 

trffele

werkwoord, zwak

vB uitrafelen (onoverg. + overg. ?)

WBD trffele (II:1049) - uitrafelen (v. e. paddevoet), ook 'thaole'

WBD III. 1. 3:16 'uitreffelen' = uitrafelen

-- trffele - rffelde(n) t - tgerffeld

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. + intr. uitreifelen, uitrafelen.

Antw. UITRIJFELEN - uitrafelen

 

truste

werkwoord, zwak

uitrusten

Cees Robben: Ist koffiedrinken of truste?

-- truste - rustte(n) t - tgerust

 

tschaaje

werkwoord, sterk

uitscheiden, ophouden

Schaaj t, f ik begien ok

tschaaje - scheej t - tgeschaaje/tgescheeje

Henk van Rijen: schaaj t meej d pnnekes-geschr - hou op met dat panne-schrapen

Dirk Boutkan: tschje - scheej t - tgescheeje

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen ging den buk zon bietje meer aachtert n toen isser de man tgescheeje, witte wl (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

tschne

werkwoord, zwak

uitschelden

WBD III. 3. 1: 'uitschenden' = uitschelden

Stadsnieuws: Mister, hij leej mn alleml t te schne (050308)

-- tschne - scheen t tgescheene; in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: hij/gij schnt t

Cornelis Verhoeven: TSCHNE: deze samenstelling betekent ook wel: noemen, maar met ontleende woorden.

 

tschre

werkwoord, zwak

leegschrapen

G meut de pan tschre

-- tschre - schrde t - tgeschrd

Antw. 'UITSCHREN - met. een scheermes uit- of afnemen: het haar van den hals uitschren

 

tschter

zelfstandig naamwoord

WBD III. 1. 4:427 'uitschijter' = uitbrander

 

tschve

werkwoord, sterk

vB een blauwtje lopen, bot vangen, ernaast zitten, van de koude kermis thuiskomen

WBD III. 1. 2:14 uitschuiven = uitglijden

WBD III. 2. 2:82 'uitschuiven' = een blauwtje lopen

-- ve - schof t - tgeschoove

Van Dale: = uitglijden (?)

Van Dale: een flater begaan, zich vergalopperen

Antw. UITSCHUIVEN - eene weigering oploopen.

 

tschiete

werkwoord, sterk

WBD uitschieten; 'tloope', 'tbtte', 'sprte'; uitlopers krijgen, loten vormen; gezegd van planten en bomen;

-- uittrekken (van kleren) : Schiet oewe jas mar t.

WBD brood uit de oven halen

WBD III. 2. 3:112 'uitschieter' = aardappeluitwas

-- tschiete - schot t - tgeschoote

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - UITSCHIETEN: zijn rok aanschieten, uitschieten. Ook fig. gebruikt. Z. a.

A.P. de Bont: sterk werkwoord overgankelijk. uitschieten: iets ergens uit verwijderen; 2) snel uittrekken (kleding)

 

tslag

zelfstandig naamwoord

uitslag (i. a. b. )

WBD III. 1. 2:324 'uitslag' = huiduitslag

WBD III. 1. 2:331 'uitslag' = exzeem

R. J. n den tslag wrdt beknd

WBD III. 1. 2:340 'uitslag' = uitslag onder de neus

-- den tslag wrt beknd

 

tsleutel, tsltsel

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uitslag, antwoord
Cees Robben de naoste week krg ik den uitsleutel... (19641009) [van een medisch onderzoek]

WBD III. 3. 1:273 'uitsluitsel' = idem

Stadsnieuws: Ik hb vendaog mn waoter nr den dkter gebrcht n merege krg ik den tsleutel (230507)

 

tsliepe

werkwoord, zwak

bespottelijk maken door de wijsvingers over elkaar te strijken

vB sliep t, sliep t: roept men tijdens de handeling

WBD (III. 3, 2:66) tsliepe = uitsliepen

Jan Naaijkens, D's Biks: tsliepe ww - uitlachen

WNT UITSLIEPEN, uitslijpen, bespotten door met den eenen wijsvinger gedurig over den anderen te strijken alsof men een mes slijpt; inz. in den vorm 'sliep uit!' als uitroep waarmee men deze handeling meestal vergezeld doet gaan. (XVII III 1433)

A.P. de Bont: zwak werkwoord overgankelijk. (kindertaal), uitsliepen, iemand voor de gek

houden door met de wijsvinger v. d. rechterhand enige malen over die v. d. linkerhand te strijken onder het roepen van 'Sliep uit! sliep uit!

Antw. UITSLIPPEN - beschimpen, uitlachen met den eenen wijsvinger herhaaldelijk over den anderen strijkend.

 

tspanne

werkwoord, zwak

WBD uitspannen (v. e. paard), ook 'afspanne' genoemd (in de Hasselt)

-- tspanne - spande t - tgespanne

 

tspeule

werkwoord, zwak

uitspelen; het spel beginnen

in een speelbeurt het spel beindigen, resp. winnen

-- tspeule - spulden t tgespuld; ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij spult t

Antw. UITSPELEN beginnen te spelen, opgaan: Gij moet uitspelen; zoo spelen dat het spel uit is, dat men wint.

 

tspldere

werkwoord zwak

zich onhandig bewegen, spartelen

Mar toen ik docht dk klaor waar en z gaaw meugluk d donker hok tspolderde, kwaam de kapelaon k t zen hok en ging naor de frater. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

►spldere

 

tspraaje

werkwoord, zwak

uitspreiden

-- tspraaje - spraajde(n) t - tgespraajd

De Wijs -- (Gehoord van Sint Nicolaas) Ge kunt alles wel optsse mar als gut tspraait lk t veul en veul meer (11-02-1965)

De Wijs -- ut dn kerk motte irst oewen maantel itspraaie in de goei kaomer (23-10-1963)

Ths wieren die zakken bij dreug weer nog ens tgeschud en de rpel op de plots tgespraaid. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

DANB tspraaje

n ons moeder hagget [de sinterklaascadeaus] dan ng wt tgespraaid. Dan leeket meer. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

tsprs
bijwoord
expres, met opzet

't Lekt vergimme wel of detter utspres om gedaon wordt! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)
Cees Robben Nie uitspres gedaon?! (19631011)
 

tstaon

werkwoord, sterk

uitstaan; vooral in de zin van 'er iets mee van doen hebben', ontkenning van enig verband, zoals:

D'r ziekte waar wel iets aparts, mee de maog ha't niks uit te staon... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

WBD III. 1. 4:261 'uitstaan' = lijden

 

tstap

zelfstandig naamwoord

uitstap, eindpunt waar men uit het openbaar vervoer stapt

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Die reej aatij tt n de Hemeltjes toe in, in Hilverenbeek, h, d waar et Hemeltje n daor wast gewoonlek tstap (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

tstapke

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

uitstapje

Kees & Bart (ca. 1935): 'tstapke'

 

ttakking

zelfstandig naamwoord

vertakking, aftakking

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - De Piushaove dttis, d hbbe ze toen ndderaand ok meejpesaant tegelk oope gemkt daor, h, d kenaol, d is durgetrokke van, j, van, van, van Den Bosch aaf, zak mar zegge, nr hiere toe n toen in de Piushaove hbbe ze daor zon ttakking gekreege Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

ttlle

werkwoord, zwak

uittellen

WBD tgetld - (gezegd van een koe) het einde v. d. draagtijd bereikt hebbend; ook 'tgereekend' genoemd, ofwel 'n de telling', 'n de baot'

-- ttlle - tlde t - tgetld

 

tteur

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: g zuukt aatij den tteur - jij zoekt altijd een uitvlucht

 

ttoomoobiel

automobiel, auto

Kees & Bart (ca. 1935): 'ottomobiel'

 

ttrkke

werkwoord, sterk

uittrekken

Van Delft - Als bijv. ouders tegen een verloving zijn, "trekt er een zoon of dochter wel eens uit"; ook "zetten ze ooit de kont tegen de krib" en geven enkel kostgeld af om dan toch tegen beters wil en wensch in te trouwen. Een beschaafder spreker drukt dit uit door te zeggen: "Men slaat de verzenen tegen de prikkels." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Cees Robben: Ik w dk ze indertd gebraajd ha dan ks ik ze naa ttrkke.

ttrekke - trok t - tgetrokke

 

ttrouwe

werkwoord, zwak

letterlijk: uittrouwen, namelijk uit het huis waarin men woont tot aan het huwelijk

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Toen bn we, zn we nr de H. Berkvensstraot getrokke n daor bn ik tgetrouwd in vierentwinteg.  (transcriptie Hans Hessels 2014) (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

ttuijere

werkwoord, zwak

zijn gang gaan - speciaal in onderstaande uitdrukking:

vB lt ema aar ttuijere - laat hem zijn gang maar gaan; geef hem de ruimte

-- alleen de infinitief is gangbaar

 

tval

zelfstandig naamwoord

lot, toeval

den tval moet et goedmaoke

 

tvaort, tvrt

zelfstandig naamwoord

uitvaart, begrafenis

WBD III. 3. 3:321 tvaort = begrafenis

A.P. de Bont: znw. vr. uitvaart 1) begrafenis; 2) de gezamenlijke familieleden van een overledene bij zijn/haar begrafenis

 

tvne

werkwoord, sterk

uitvinden

-- tvne - von(d) t - tgevonde

- N d moete zllef mar uitvne.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- WBD III. 1. 4:19 'uitvinden' = broeden

- WBD III. 1. 4:18 'uitvinden' = uitdenken

- Antw. UITVIJNEN - uitvinden

 

otvner

zelfstandig naamwoord

uitvinder

Kees & Bart (ca. 1935): 'uitveiner'

De vorm 'tvender' zou ook kunnen bestaan.

 

tviegieleere

werkwoord, zwak

WBD III. 1. 4:18 uitvigileren = uitdenken

 

tvrt

uitvaart

GD. 06 en korke vur te zinge meej tvorten n zo meer

 

tvraoge

werkwoord, sterk

doorvragen

Van Delft - "Vraag me nou asteblief nie tot op m'n hemd uit." Dit is: Blijf niet zoo nauwkeurig vragen, zoodat ik vast raak. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

 

tvundere

werkwoord, zwak

uitpluizen, uitvissen

Stadsnieuws: D moete tch ng es goed tvundere; ik gelf d zo mar nie (240107)

-- tvundere vunderde(n) t - tgevunderd

Antw. UITVUNDEREN - uithooren, polsen; VUNDEREN - uithooren, polsen. Iemand vunderen.

 

tzakke

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: een uitzet meegeven, toerusten, met name: van voedsel voorzien om mee te nemen naar werk of voor onderweg

Cees Robben Ik moet munne man nog uitzakke.. (19860425)

...zis man moes worre tgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

En ding weet ik zeker, zittie de woorden die ik notmir vergeete ben: Ik zal mn knder beter tzakke dan dttiezen knder heej gedaon, d sloeg op w ons moeder indertd ha meejgekreegen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Jan Naaijkens, D's Biks: 'tsakke' ww - uitzakken

 

tzgge

werkwoord, sterk

doorvertellen (wat vertrouwelijk is)

Interview met de heer De Kok (1978) Ik maag alles nie zgge want d komt er wir op te staon wgge ammel meej tgezeet ht KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

tztte

werkwoord, zwak

uitzetten; uitspoken

W hedde toch uitgezet? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

WBD tztte - uitzetten, nabewerking van gelooide huid, om overtollig water weg te halen en het leer glad te maken (II 648)

WBD tztter - uitzetter (werktuig), botte, smalle ijzeren strook in een houten handvat (II 649)

 

tznigge

werkwoord, zwak

uitzuinigen, bezuinigen, uitsparen

Audioregistratie 1978 - n dan vatte ons moeder en stuk zwart brod, d krege we zllef dikkels ok mar hr want bij ons wier et tgeznegd bij et eete! D weet ik ng goed zuur brod, j, meej zuurdeg gebakke nt as den Dtser dieje kuch doen, h!  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

tzien

werkwoord, sterk

uitzien

-- tzien - zaag t tgezien; tegenwoordige tijd 3e pers.: zie t

Antw. UITZIEN - er uitzien - schijnen, den schijn hebben van: Hij ziet er uit gelijk 'ne schooier.

 

tzundering

zelfstandig naamwoord

Van Rijen: uitzondering

 

tzuuke

werkwoord, sterk

uitzoeken

WBD III. 1. 4:45 'uitzoeken' = uitkiezen

-- tzuuke - zcht t - tgezcht

Antw. UITZUKEN - uitzoeken

 

tzuute

werkwoord, zwak

uitzoeten

WBD 'tsuutte' - uitzoeten, door stromen of weken ontzouten van geconserveerde huiden (II 601)

 

ou, oe

pers. vn.

u, jou, je

Laot leven mij, 'k laot leven ou . . . (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vurreej , 1932)

zilverblinkend blleke waoter, / geere zing ik over ou. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Drpke dauw, 1941)

Antw. OU vrnw. - U. Dat is van ou. Ik heb 't tegen ou gezeed.

 

oud

bijvoeglijk naamwoord

oud

GD08 ge wrt not zo oud as dgge der tziet

-- oud - aawer - oudst

 

outer

zelfstandig naamwoord

altaar

... as ik naauw nog is in de Noordhoekse kerk koom en ik zie daor zn praachtige schilderingen, zne prikstoel, zn ramen, den outer en dien schonen uileger, dan vergao k van plezier... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

ouw, oew

bezittelijk voornaamwoord

uw, jouw, je

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - OUW, voor 'uw', veel gebezigd, niet zonder voorbeeld bij de ouden. Niet uitgesproken als in 'oud'; ook niet 'auw', maar als 'oew'. Ik acht het veel minder onbeschaafd dan het Hollandsche jouw . Z. a.

Antw. OUW - uw. Ouwe vrind. Ouw kind

 

ouwehoere

werkwoord, zwak

ouwehoeren

Audioregistratie 1978 - Ik kan van teej ok wel ouwoeren hor! Mar van en borreltje gaoget wl gemakkeleker! Oo j! En zachte wnk, hi! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

ouwer

zelfstandig naamwoord

altaar

WBD III. 3. 3:64 ouwer = altaar

 


Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home