INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L
M
N

O

P
R
S

T

U

V

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van taageteg tot twisje

taageteg

telwoord

tachtig

-- onzen oopaa is bekaant taageteg

Cees Robben - Naa moete meej oew taageteg jaor wir leere lope;

Stadsnieuws - Hij is vendaog taageteg gewrre, mar ge zogget em nie geeve (130509)

B taachetig

Hoppenbrouwers -- tgenteg (gerekte aa, epenth. -n- als in zeventig, negentig)

WNT TACHTIG - Naast tachtig vindt men in het Mnl. en nog lang daarna TACHENTIG en tachtentig, dat het oudste schijnt te wezen.

 

taaj

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

WBD taaj mlke - slechts met moeite gemolken kunnen worden (van een koe)

WBD en taaje - koe die zich niet gemakkelijk laat melken

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z taaj as nen haajwortel (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968)- zeer taai

WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - taai zeldzaam in het midden van het Tilb. [?]
 

taaje

werkwoord, zwak  

WBD III.3.1:365 taaien, 'smoren' = verduisteren

 

taand, tndje

zelfstandig naamwoord

tand

R Ge moet oewe vles/vis/pudding/etc.-taand mar t laote trkke (dat gerecht is te duur)

R.J. haor p der taande

Cees Robben - Ik heb en naogelschrke gehad... ze dnke zeeker dek gin taande mir heb.

Zolang ge nooit mee ene mond vol taanden zit... (Tony Ansems,Agge oew mundje goed ruurt; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Pierre van Beek - nr zene taand - naar zijn smaak

Henk van Rijen - zo d gin man er zen taande n stot - zo dat niemand zich eraan ergert.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 -  TAND (Kemp. taand, Ned. a) - tand

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Jan taand = mr. Van de Mortel (blz. 56)

WBD III.1.1:105 'tanden' = gebit;

WBD III.1.1:109 'grote tand' = kies

WBD III.1.1.109: 'tand van verstand' = verstandskies; ook 'kies van verstand'

WBD taande - melkgebit van een kalf, ook genoemd 'melktaande' of 'kalvertaand

WBD breej taande - brede tanden van een koe

WBD snjtaande - snijtanden van een koe

WBD prstaand - (paardetanden) het blijvende gebit van een paard

WBD vlletaand, vulletaand - melkgebit van een veulen

WBD (Hasselt) eegtaand (plur.) - eg-tanden

Zie het 'taandpntdossier' met schilderijen uit de 17de eeuw

Pieter Quast

 

Louis Leopold Boilly

 

taandendkter

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  tandarts

 

taandepoets

zelfstandig naamwoord

tandpasta

Pep-so-dent, 't beste tandenkreeme. W's d, Anneke? "Taandenpoets!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

taandpnt

zelfstandig naamwoord

tandpijn

Van Delft - "Taandpnt". Dit is: Tandpijn, en zoo zijn er meerdere dier echt dialectische woorden aan te wijzen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. 'tandpijnt' - tandpijn, kiespijn

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 -  TANDPIJN (Kemp. taandpijn met Ned. a) zelfstandig naamwoord v. - kiespijn

Zie het dossier 'Taand' in  de schilderkunst van de 17de eeuw

 

taant-

tante

voorvoegsel bij een eigennaam

Bij Lidwien van ons Taantida, moese alle krullen der [bij de kapper] aon geleuve, d kostte w mr td. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

taante

zelfstandig naamwoord

tante

Cees Robben - We ist tch enen blk van en knd, taante;

Cees Robben - Ik hb zeuve knder, zi ns taante Wies;

Henk van Rijen - 'ons taant Ant waar vruug vendaog'

Henk van Rijen - 'taante nunneke' - aanspreektitel voor een tante die non is

WBD III.2.2.76 'tante = idem; ook 'moet of moetje'

 

taante zuster

uitdrukking

WTT 2013 - aanspreekvorm voor een vrouwelijk gezins- dan wel familielid dat in het klooster was getreden; ►vergelijk het veel vaker voorkomende 'heeroom' voor mannen.

 

taas

zelfstandig naamwoord

stapel, tas

- Als ik innen taas brood op heb, gebeurt er irst in tdje niks, mar dan begiene ze, dan gaoget aon t borrelen en aon t giste, aon t rommelen, net als innen vuurspouwenden berg. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Verder gaot ie [de wol] op dn taas/ om te drge.. (19560630)
Cees Robben Hier kan unne bekker nog is unne taas wegtaase... (19730929) [veel brood leveren in een kinderrijk gezin]

Henk van Rijen - hij taast nen hillen taas tasse in zen tas - een hele stapel kopjes

WBD III.4.4:260 'tas = grote hoeveelheid

WNT TAS (II) hoop, stapel

WBD oogststapel (hooi- of graanstapel, binnen het boerenhuis opgeslagen)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Hooitas, Koorntas: Het hooi/koren wanneer het in de schuur is opgestapelt. Op den hooitas slapen: boven op het hooi slapen.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TAS (taas) m - opgestapeld hooi, stro of koren.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - ta.s, zelfstandig naamwoord m. 'taas' - tas, hoop, stapel; verkleinwoord 'ta'ske(n)'

 

taase

werkwoord, zwak  

tassen; opstapelen, tasten

- taase - taaste - getaast; geen vocaalkrimping

WBD tasrmte - tasruimte in de schuur (bergruimte van de dorsvloer gescheiden door het tasmuurtje);  ook 'gebnt' genoemd

Henk van Rijen - hij taast nen hillen taas tasse in zen tas - een hele stapel kopjes

- betasten, met de vingers bevoelen:

Cees Robben Dn deugdelijken staot/ van de stof wel kunnen taasten... (19560630)

B taasse

CiT (90) 'Hij taast inne hille taas tasse in z'n tas'

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TASSEN niet alleen m.b.t. hooi e.d., maar ook voor laden, pakken in het algemeen. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TASSEN: ophopen (bij Hoogstraten aangetekend)

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tassen, opstapelen, ophopen

 

taast

zelfstandig naamwoord

tast, gevoel

Cees Robben - 'op 't gevuul en op dn taast' [datum?]

 

taatemiddag

bijwoord  

in de namiddag

Gmme taatemiddag nr de stad?

Cees Robben As d ons taante Tonia testag-taate-middag komt... (19710604) [Of dat tante Tonia dinsdag na de middag langskomt..]
Cees Robben Hoeneer komde wir... Beschient n testag-taatemiddeg.. (19760423)

Stadsnieuws - Taatemiddag zk nie ts, mar taovend kunde wl koome. (160809)

WBD III.4.4:124 'te achtermiddag', 'middag', 'te middag' = namiddag ; uit: te - achter - middag?

Haor TATEMIDDEG - na de middag

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - taatemiddag bijwoord - vanmiddag

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - ATEMIDDIG - achtermiddag, 'nen atemiddig' is een bepaalde werktijd, een schof tussen middageten en vier uur (frure); ontstaan uit 'aftermiddag': 's atemiddigs - in de namiddag! t'atemiddig - op deze namiddag.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - geeft 'taatermiddeg' voor Casteren, Riel en Goirle

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TACHTE(R)NOEN - dezen namiddag

 

taawhoer

zelfstandig naamwoord

samentrekking van et en aawhoer, waarmee de pastoor wordt bedoeld.

En witte w wij ok zin? D de pestoor de mis deej op Taltaar, mar assie op de prikstoel klom veraanderde-n-ie in Taawhoer. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

tabbernaokel

zelfstandig naamwoord

tabernakel

eigenlijk: de rijk versierde kast (onderdeel van het altaar) waarin het Allerheiligste bewaard wordt; oorspronkelijke betekenis: tent (zie Van Dale); van daaruit in het Tilburgs metaforisch gebruikt.

...in paor kaoi honden han um hil zn broek van zn tabbernaokel afgescheurd... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Frans Verbunt -  schap, spie

Henk van Rijen - deftige woning; groot decollet

Frans Verbunt -  ze heej der tabernaokel oope staon; ene rmen inkk

Stadsnieuws - Ze zaat meej der tabbernaokel n de kemuuniebaank n de pestoor wies nie wr dttie kke moes - ... met haar dcollet ... (280210)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tabbernaokel zelfstandig naamwoord  - tabernakel, schap

 

tabbernaokele

werkwoord, zwak  

Pierre van Beek - zich mooier voordoen dan de werkelijkheid

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TABERNAKELEN - hetz. als schilderen, lang blijven wachten.

WNT TABELNAKELEN - vertoeven, huizen; gewoonlijk met de bijgedachte dat men niet spoedig heengaat; blijven vertoeven

 

tadderak

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - vlegel

Henk van Rijen - w hk tch tadderakke van kaort - wat heb ik toch slechte kaarten!

Henk van Rijen - 'tadderak, tannerak' - slechterik, ondeugd

Frans Verbunt -  vod

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WNT TAD, TADDE, blijkbaar behoorende bij 'tod', hetzij 't een gewestel. vorm hiervan is, of, met 'tod' van onomatopotischen aard. Thans alleen ten N. van het IJ bekend, 1) Tod, vod, slordige lap. 2) Smerig wijf, tod; ook als scheldnaam in het alg. voor een vrouw. Afl.: tadderig; samenst.: taddemoer.

 

taffele

werkwoord, zwak  

WBD III.1.2:116 'taffele', 'aftaffele' = gaan, lopen; ook 'voeteren [uitgesproken: voeteere]

 

taggetig
telwoord
tachtig
Cees Robben Hier zaagde naa mannen van taggetig jaor (19571221)

 

takkeling

zelfstandig naamwoord

vink; met name jonge vinken die nog niet goed kunnen vliegen maar wel van tak naar tak springen

Cees Robben Ik heurde van dn tuureluut/ van takkeling en waol (19600708)

WBD vink van net geen jaar oud die nog geen winter beleefd heeft

WBD III.4.1. takkeling - vink, ook wel 'trekvink' of waalvink genoemd

 

taks

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:339 'taks = belasting

 

tang

zelfstandig naamwoord

tang

Dirk Boutkan (1996)  - dim: tangeske, tangske, tangetje (blz. 55)

WBD III.1.4:111 'tang' = gemene vrouw

 

tantemrgo

zelfstandig naamwoord

verbastering van het misgezang Tantum Ergo -> tante Margo. Dergelijke verbasterde gezangen staan bekend als 'Wilde vespers'.

De oorspronkelijke tekst:

Tantum Ergo sacramentum
Veneremur cernui
Et anticum documentum
Novo cedat ritui

Wim van de Wouw (CuBra; ca. 2005): Op het Tantum ergo zongen mijn neefjes uit Tilburg de volgende variant waar ik maar een klein stukske van herinner: Tante Margo, zak mee krenten/ Fijne rijst mee selderie/ En antieke dooie mensen/ Nova Zembla ver van hier.
- Drrem zongde zen bist de Marialiekes meej, n ok et Tantemrgoo. D waar wdaanders as ons taante Sjaan. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2005)

 

taofel, taofeltje

zelfstandig naamwoord

M tafel

Cees Robben De taofel stao hil de td te hukkele... (19660826)

Henk van Rijen - tafel (rekenkundig)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Op krt.61 ligt punt T juist ten W v.d. lijn ten O waarvan vocaalverkorting optreedt; dit houdt in dat er op T's gebied ook 'tffel'

gezegd zal worden, naast 'taofel'

 

taol, taoltje, tltje

zelfstandig naamwoord

taal

R.J. 'taol van men Brabant'

R.J. 'want ns taol verstn ze nie

- Cees Robben Hier klonk er ons taoltje zo sappig en mals... (19571221)

- Et waar un gemeenschapskamp van wel tien afdelinge van et jongensgilde t hil et laand. Et ideaal; un sort verbroedering, tusse de jongeren kon daordeur ontstaon. Daor is wnig van terchte gekoome. Ze verstonde d taoltje van ons nie en wij vonde dtter ene hop kak bij zaat, bij die aander dan. Wij zaate nie te wchte op kak en d Hollands d t hulli bek kwaam, vonde wij mar aonstellerij, ge kost toch ok gewoon praote. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'taol' - taal, stem

- Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - taol zelfstandig naamwoord  - taal, spraak

 

taole

werkwoord, zwak 

Henk van Rijen - talen, verlangen

Henk van Rijen - 'H tolt ur nie naor' - Hij heeft er geen behoefte aan.

 

taomelek

bijwoord 

tamelijk

 

taotele

werkwoord, zwak  

WBD III.1.2:221 'tatelen = ijlen

 

taotlf

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  (of: ttlf) - gaperd, sufferd

R sul

Van Beek - "W ne taotolf! Hij kan nie uit zun soepers kijken!" - Wat een sufferd is dat! Hij ziet niet, wat er om hem heen gebeurt. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

Cees Robben Kek uit oew soepers.... golliepaop..! Tut-tut-tut-mar.... taotolf..! (19560211)
Cees Robben Ik heb liever degge den Haaikese toren omstt as degge menne borrel leeg kwaanselt.. taotolf... (19820402)

Henk van Rijen - 'tut tut tut, taotlf' - hou je gemak, sufferd

Stadsnieuws - Meej dieje Taotlf valt gin rchte voor te ploege (031206)

Mar wieste ok d ene sufferd/ hier ene taotlf is? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - taotolf, totof - sufferd

WBD 'taotllef (11:943) - bijnaam v.d. wever

Hees taotolf (III:42)

WNT TATOLF - 1) sukkel, sul; 2) pop waarop een kleermaken een kleedingstuk past

De  Jager -  Nieuw archief voor Ned. taalkunde (1855/56): tot  -  lap,   vod. Gelijk  nu  in het Midden Hoogd. olf  een  individu  aanwijst,   zoo  ook  tot-olf,   zijnde  de  ledeman  van  den  kleermaker.

Kiliaan   (1599)   tot-olf,   taet-olf  -  Statua  sartoria  = ledenpop  voor  den  kleermaker.

 

taovend

bijwoord

vanavond (uit: te avond ►te, te middag)

Cees Robben Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed] (19651022)
Cees Robben Onze Jaones moet taovend wir overwerke... (19671117)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TAVEND, T'AVEND bijwoord - dezen avond, de avond die aanstaande is.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - taovend bijwoord - vanavond

WNT T'AVOND - TAVOND - thans alleen nog in Z-Nederl. en enkele streken van N-Nederl.

 

tas, taske

kopje, kommetje om uit te drinken

- Van Frans 'tasse' kopje

- tas n scheuteltje - kop en schotel

...zet 'ns 'n tas thee veur Van Halderen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
...taante Hanna ha al daolijk meelije mee 'm en gaaf 'm 'n tasch koffie mee suiker. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
De pastoor zaat bij z'n tas koffie en waar efkes ingedut... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; 'De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)
Toen ze in de boerenherberg aon et ven 'n taske koffie gedronken ha'n... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
"'t Is freet koud, h Kubke", zee ze, zodde nie 'n tas koffie lusse; 'k h precies 'n vorsch bekske gezet. 'k Zeg gre meid, as ge men 'n tas koffie gift, zde de biste op n nao. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
Cees Robben - ge vat en tas wrme rome;

Cees Robben ... En vat meepassaant n tas koffie Fons...... (19560224)
Cees Robben En spuul de smaok meej overleg/ voldoan dur n tas koffie weg... (19600624)
- Tas koffie was ook gangbaar om aan te duiden dat een vrouw al zo vaak in het kraambed had gelegen dat ze de komende bevalling geen enkel probleem vond:
Cees Robben Ik doeget vur n tas koffie... (19681206) [In een prent over een inzamelingsactie die in Goirle gehouden werd om een moderne kraomkliniek in te richten in missiegebied Kongo.]
Cees Robben Luste gllie sewle n tas koffie.. Ik neuk m aanders toch mar in den gtsteen.. (19720804)
Cees Robben ... En vat meepassaant n tas koffie Fons...... (19560224)
Cees Robben En spuul de smaok meej overleg/ voldoan dur n tas koffie weg... (19600624)
Cees Robben k Lus tnemekaare wel tien tassen thee... (19631108)

un tas thee kon er aaltij aaf. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

gullie lust zeker wel un taske thee meej un beschtje?, zi mevrouw, et aawmeut. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Ons Thea en ons Trees goote de thee in de tassen, et hiete nog gin kumkes, die al klaor gezet waare. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Dan han ze wir teveul zp gebrkt bij et omwaase van de tassen of te wnig waoter, en van tween. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Ik lus wel un tas koffie, as ik et toch vur et zegge heb en liefst meej twee klontjes, assik zo brutaol maag zn. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD (III.2.1:186) tas = kopje

WBD (III.1.3:129) 'tas' - losse zak onder de rok

Bosch tas - kop met oor; houtstapel

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - Een tasken thee is te Breda bij den burgerstand even zeer in zwang als een baksken thee of bakje. Van het Fransche 'tasse'. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TAS v. - kopje voor koffie of thee; soms ter vermijding van 'kumke'.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tas, zelfstandig naamwoord vr. 'tas' - kop om uit te drinken

Goem. TASSE - tas, zelfstandig naamwoord vr.: eene tas koffie

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TAS zelfstandig naamwoord v. - hetz. als fr. tasse - drinkkommetje

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tas zelfstandig naamwoord  - kopje

 

te

voorzetsel, bijwoord

in, naar; te + inf.

Hij leej te bd. - Hij ligt in bed.

Gao mar gaa te bd. - Ga maar gauw naar bed.

Ik zaag em daor te zitte.

te middag, taovend - vanmiddag, vanavond

Cees Robben En w eten we te middag (19680510)

Henk van Rijen - te vld gaon - ergens op uitgaan, op afgaan

WBD III.4.4:124 'te middag' = namiddag

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TE, T' voorzetsel - Wordt gebezigd in tijdsbepalingen: Te middag, t'avend; te neer - neder, omver; te pas - gesteld.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - te voorzetsel  - te

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - te, vz, tijdaanduidend: t'aovend, te middeg; distributief: - per honder gulden te man (met variant 'de', waaruit 'te' ontstaan is.); graadaanwijzend bijw.: te zeer

 

t

interjectie

(kindertaal?)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "t t - dankje"

 

tebak

zelfstandig naamwoord

tabak

- prmtebak, roktebak

gez. Tebak haole bij Woestenbrg (smoesje bij afwezigheid.)

 

Een speciale pijptabak werd in Tilburg per advertentie onder de aandacht van de roker gebracht ter gelegenheid van de onthulling van het standbeeld van koning Willem II in 1924. Let op de aanbeveling: 'Des lekker'.

 

Van Delft - "Ik heb er tabak van!" bezigt men om uit te drukken: Ik bedank er voor; 'k wil er niets mee te maken hebben, wijl het mij niet aanstaat en ik het wel ken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Onze vadder hee mn aaltij vurgehouwe dt nie zuiniger vertrd kos worre as dur in ppestiltje mar ik knaauw na hil den dag op in klein pruimke tebak. n Stuk of drie keer op innen dag vat ik in nuuw, en s aoves dreug ik ut in bietje en dan rook ik ut nog fn op, al duurt den orlog na nog 10 jaor himmel zonder tebak zak zo nie gemak geraoke. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Van Beek - 't Is geen pijp tabak waard.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Interview Jolen - 1978 - J, toen waaren er wl siegaare (in den ollg) mar d is alleml aachterdeur, hinlandse siegaare ok j, van inlandse tebak mar d was niks (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

As die bussen, tgeveegd wiere, waar d un schon kaans, veur ons, ens te gaon kke wetter allemol laag aon peuken. Daor nie teveul aon gezverd waar, raopte wij bij mekaar. Wij deeje et pepier detter nog aonzaat aaf en rolde van de tebak, in geschoepte vloeikes, van onze vadder, nuwe siegretjes... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

In den oorlog heetie k nog tebak geteuld. Et waren net de blaoier van de rabarber. Hij rg die blaoier aon un touwke en hing ze te dreugen onder de veranda. Asse dreug waren, viet ie er n van den draod, wreef em fn en stopte die krmels in un pp, daor ging dan de vlam in. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - idem (RL'47) - antwoord op de vraag 'Waar is hij?' (Woestenbergh was een tabakswinkel in de Heuvelstraat)

De winkel van Woestenbergh in de Heuvelstraat, circa 1915. Foto: regionaal Archief Tilburg

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tebak, zelfstandig naamwoord m. - tabak

 

Kaole tbbes, met een pruik, op de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018. 

tbbes

zelfstandig naamwoord

hoofd, kop

Waast oewe knst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Henk van Rijen - ene kaole tbbes - een kaal hoofd

Cees Robben - De vliege breke de been op zo'n kaol tebbes (Prentepraot 24)

Bosch tbbes - hoofd (m.) Houwt oewen tbbes! Hou je mond!

 

tdje

zelfstandig naamwoord , verkleinwoord

poosje, tijdje

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - en tdje

verkleinwoord van 'td', met vocaalkrimping

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Kaart 101 sluit 'tdje' niet uit, evenmin als 'wltje' en 'fkes'.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tdje zelfstandig naamwoord  - tijdje, poos

 

tds

zelfstandig naamwoord, tweede naamval van td;

tijds

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - tds geng - tijd genoeg

tds zat - tijd genoeg

met genitief-s (gen. partitivus)

Piet van Beers oope klosterdag: Ik heb tds genog, ik heb al lang pesjoen... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

teebeesee

zelfstandig naamwoord, acroniem

tuberculose

De Wijs -- Ik zeg aaltij mar dt veur de teebeecee is, dan geven ze t mist (17-08-1964)

 

teeblom

zelfstandig naamwoord

theebloem

1. violier

WBD III.2.1:431 teeblom = violier (Matthiola incana): De violier (Matthiola incana) is een sierplant, meestal met langwerpige, gaafrandige bladeren, die grijsachtig kunnen worden door de dichte beharing. De bloemen zijn verschillend gekleurd, meestal paarsrood, maar niet geel. De plant is dik van blad en heeft vaak dubbele bloemen. Ze bloeien in het voorjaar en in de nazomer.
WTT 2012 - ondanks deze opgave van het WBD lijkt het niet waarschijnlijk dat deze gecultiveerde bloem de naamgever is van de theebloem (teeblom) in Tilburgs verleden.

2. Duizendblad

Duizendblad - Achillea millefolium

Is waarschijnlijk de in Tilburg breder verbreide aanduiding  voor teeblom, theebloem. Het betreft dan Achillea millefolium L., door Heukels gesignaleerd als Theebloemeken en Theeblommen. Geen bloem maar een veldplant met medicinale eigenschappen:

- Omdat de bloempjes, als thee getrokken, dienden als geneesmiddel bij nier- en blaaskwalen sprak men in Zeeuws-Vlaanderen van Theeblommen, en in de omgeving van Goes van Theebloemeken. In Twente en Salland heet de plant Kamille, omdat zij evenals de echte kamille als thee getrokken werd. Hierbij valt op te merken dat beide planten een etherische olie bevatten. (Planten en hun naam - Een botanisch lexicon voor de Lage Landen; door H. Kleijn; 1970)

 

td, tdje, tije

zelfstandig naamwoord

tijd

'n Tdje gelejen... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit 't klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

Frans Verbunt -  den halven td - zo nu en dan

Uitdrukking: Ge gaot nie vur oewen td. - Je sterft niet voor je tijd.

R t de td zn = dood zijn

R De td n oew ge hbbe - volop tijd hebben

WBD oover td zn - de drachtigheidsperiode overschreden hebbend; men zegt ook ... 'draogt oover'

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - tije = tijden

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - tds geng - tijd genoeg = tds zat - idem

Cees Robben Man ge bent nie bij den td... (19580315)
Cees Robben Waor de td is blven steken (19590905)
Cees Robben Waor is de td gebleven... (19591219)
Cees Robben Dn td die zal t oe leere (19600916)

Henk van Rijen - hij heej de td n zenege - hij heeft niets te verletten

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - td (krt. 24)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Henk van Rijen - 'Hallef zunne tj', waar ie nie op tt' - Meestentijds was hij niet op tijd

WTT - mondelinge mededeling - Grote td speule: zich groter voordoen dan men is, opscheppen; hij spulde grote teed. Gehoord in de jaren '60.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - td zelfstandig naamwoord  tijd

WBD III.1.4:5 'iets beheersen' = 'bij de tijd zijn'

WBD III.4.4:130 ' tijd', 'tijdje', 'tij' = poosje

GD08 Waor is de td gebleeve dtter

 

teege

voorzetsel  bijwoord

tegen

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - tege Korsemis

Henk van Rijen - tis ammol dwars teegen et regeur in - tegen de regels in

Henk van Rijen - De knt teege de krib goje - Onhandelbaar doen (niet meegaand zijn)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - teejge bijwoord - tegen, tegemoet

 

teegelope

werkwoord, sterk

tegemoet lopen, gaan

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: Truike liep um tge

 

teegenaon

bijwoord

tegenaan

der teegenn pre - erop slaan

der teegenn gaon - flink aanpakken

Cees Robben - Vurd et erteegenn gao, wffer blmme wilde p oew graf?

Henk van Rijen - waor moeide oewgge teegenaon? - waar bemoei je je mee?

 

teegestikke
werkwoord, sterk
tegensteken, dwarszitten
Cees Robben Witte w mn tegenstikt (19831223)
 

teegesworreg, teegeworreg

bijwoord en bijvoeglijk naamwoord

tegenwoordig

tirresworreg

bijwoord

- Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 94) teegesworreg spinne ze alleneg nch mar meej mesjienes

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'tegensworrig'

- ...zooas ge ze tegesworrig nie meer ziet... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)
- ...den goeien aawen tijd toen alles nog veul beter was as tegesworrig... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)

- toen den oorlog begon han de Moffen mr soldaote dan tegesworrig (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

- SJAREL. En zoo is 't tegesworrig op alle gebied. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

- KAREL. Sjarel, ge ziet tegesworrig nog allis van die dames mee manskleeren aon vende nie? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

- Hedde gij er iets van geheurd weffer ete de koeie tegesworrig krge? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 19 januari 1945)

- De Wijs -- Teugeswoorig is t ammaol love en sweet mar zn ze wel wete d n lven lang kan zn. (1965)

- Die pannen van tegesworrig hebben ammel van die dunne bjems,

daor zn gin goeie pannen te kop, zizze dan. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Stadsnieuws - Ge wit teegesworreg nie nir wor ge n toezt (011109)

- Et is ammel de schuld van de jeugd van teegesworrig.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Vruuger koste ok ng es laage, mar teegesworrig niemer.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Mar ik dcht: hup, vurt, want teegesworregs lket wl f iederen goed intersaant meej ene kllum in de puubliesiett verschnt. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

- A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijwoord  'tegenswoordig' - tegenwoordig

- Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - teejgeswrrig;  bijwoord - tegenwoordig

- WNT TEGENWOORDIG - voorheen en nog gewestelijk ook: TEGENSWOORDIG

bijvoeglijk naamwoord

- R.J. de wvers van den teegesworregen td

- De tegesworrige wereld wil veuruit! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

- Interview Jolen - 1978 - ch kk, ng en hille verzaameling siegaarebandjesjvan allerandevan de teegeworrege td. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

teej

zelfstandig naamwoord

thee

Toe teej toe haj bm - Zelfs thee had hij bij zich

gez. teej meej puntjes - slappe thee

Frans Verbunt -  meej slappe teej p kunde hard lope n schrp kke

Cees Robben En dan gaon we bij omas thee-leppen... (19640228)

Audioregistratie 1978 - Ik kan van teej ok wel ouwoeren hor! Mar van en borreltje gaoget wl gemakkeleker! Oo j! En zachte wnk, hi! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

n dan en, en paor flsse teej meegenoome n dan teej op was dan ginge we bij den boer, daor was ng enen boer, ginge we meej de fls ginge wij bij den boer waoter haole! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

Cheiranthus cheiri / Erysium cheiri - bron: Wikipedia 2013

teejblom

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:355 teejblom - muurbloem (Erysimum cheiri)

Henk van Rijen - muurbloem (Cheiranthus cheiri)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - teejbloeme zelfstandig naamwoord  muurbloemen

Wikipedia 2013 - De muurbloem (Erysimum cheiri) is een vaste plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). Het is een soort die niet alleen in het wild voor komt, maar ook veel wordt gebruikt als sierplant. De plant is afkomstig uit het oostelijke deel van het Middellandse Zeegebied. De muurbloem komt in Nederland voor op oude muren van kerken, runes, stadswallen en forten.

 

teejbrkke

zelfstandig naamwoord, meervoud

karamels, borstbollen

WTT 2013 - suikerwerk / snoepjes; de bekendste zijn de 'Borstbollen' van het Belgische merk Wycam's. - Waarom borstbollen 'teejbrkke' werden genoemd is (nog) niet duidelijk. 'Borstbollen' werden beschouwd als een middel tegen hoest.

 

 

Wikipedia 2013 - Wycam's borstbol is de naam van een snoepje op basis van suiker en glucose. Het woord Wycam's is een merknaam.
Deze snoepjes worden al bijna 60 jaar volgens hetzelfde proced gemaakt. Verschillende suikersoorten worden gekookt tot een dikke stroop. Deze wordt gevormd tot een dikke draad en wordt vervolgens tot vierkante snoepjes geslagen met bovenaan een kussenvormpje. De Wycam's borstbollen worden sinds het begin van de productie verpakt in blikken bussen van 325 gram. Deze blikken bussen met rode en witte kleuren zien er al 60 jaar hetzelfde uit. Slechts het witte deksel werd rond 2006 vervangen door een rood deksel. Deze borstbollen worden te Kalmthout gefabriceerd door de familie Wyckmans. Wycam's borstbollen zijn erkend als Antwerps streekproduct.

 

 

teejtn

zelfstandig naamwoord

theetuin; Theetuin, naam van een uitspanning

Interview Jolen - 1978 - Gebeurde es ot, mar nie veul, n, d wrd vruuger nie gedaon (schoolreisje) j, en nd de wg op nr de teejtn f zo, nr de teejtn op den Bosscheweg n op Krvelop de Rielseweg! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

tk

zelfstandig naamwoord

lastig wijf

Henk van Rijen - tijk, zwaar katoenen of linnen weefsel

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "O!' 't is zo'n taik (lastig wijf)"

 

teke

zelfstandig naamwoord

teken, sein, signaal

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 24) teke

Goem. TEEKEN - een - van gezondheid; geen teeken van leven

 

tl

zelfstandig naamwoord

WBD (Korvel:) rij mesthoopjes (op een akker)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "teil of tail -(keukengerief)"

Toen waare de knder, de knder waaren em ammel nt plaoge. Teege die, die, die deur nt schuppe. Hij komt meej zen tl waoter bte gelope, nr de knder goje n daor laag ie zllef meej den mmer waoter, ha, ha, ha, ha! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

WBD (III.2.1:329) tl - wastobbe, ook 'wastl'

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - te.l, zelfstandig naamwoord m. 'teel', 'tijl' - lange rij hooi die met een reek in twee tegengestelde richtingen tegen elkaar geslagen is.

WNT TIJL - rij, reeks, thans nog in bepaalde toepassingen (korenschoven, hokken op een land )

 

tm

zelfstandig naamwoord

tijm

 

ten, tintje, tene

zelfstandig naamwoord 

teen (lichaamsdeel)

Cees Robben Moeder, ik weet nie wek moet doen... Dan spult mar mee oew teen tot vermaok van oew hielen... (19821119)

jonge tak

WBD III.4.3:127 ten - wilgenteen; ook genoemd: baand of twg

WBD III.4.3:74 ten - loot, nieuw uitgelopen twijgje; ook genoemd: scht, uitschieter, loot of uitloper

WBD III.4.3:75 ten - twijg, jonge tak; ook genoemd: wis, twijg, tak, takje, rijs of scheut

WBD III.2.3:84 - klein teentje 'boerenteen' = jonge tuinboon

► zie dossier Tuinboon

Goem. TEEN - tien, zelfstandig naamwoord m.

 

tne

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

1. ten einde, het eind van, het eindpunt

R Ge gaot irst toe tne de straot

uitdr. toe tne toe - tot het (bittere) einde

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'Ge kunt die straot nie teine loopen'

Ziezo, ge hgget wir gehad/ de vrije td is tne/ Ge ziet gin Fraanse brge mir/ gin Spnse zon mir schne. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: In de burries)
De R die komt wir in de mnd/ dan is de zoomer tne/ al hbbe we de zon dees jaor/ verrkt wnig zien schne. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De R van rre)

Ast rozenhuuke tnen is... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Maaimnd)

Meej dees verhaol wil ik mar zgge:/ Mkt dgge nie te laot vertrkt /pas n de meet - ds himml tne -/ wrre de prze tgerkt... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: n de meet...)

2. bekaf; aan het eind van

'k z tne

Paa is zo muug as enen hond/ moeder host himml tne... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)

Henk van Rijen - van hier et tne toe daor et tne toe is gelk et mn - zover je kijken kunt is alle grond van mij [ontlening aan Cees Robben]

CiT (3) 'Hij was in 't ginsgns al tne'; (68) ''K s tne'

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - (onder Eind) 3) in enkele uitdr.: tne - aan het eind, afgelopen; ook wel: doodmoe, aan het einde van zijn krachten; ik z tne; tnenaon - op het einde, aan het andere einde.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TENDEN, TEINDEN vz/bw - ten einde, aan het uiteinde; uitgeput van krachten; ik ben tenden asem van 't danig hoesten.

1559 theynde die Coestraet [? bron]

tne

samentrekking van ten einde; aan het eind van zijn Latijn, uitgeput; vaak in combinatie met ssem: buiten adem; blut zijn
Cees Robben Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram.../ Naor daffaire waar t kiepke/ iet of wet begerbeleurd.../ Teine aojem.... nogal wiebus.... (19560428)

Cees Robben En vur d ge t wit... is ie [de dag] tine (19561222)
Cees Robben Geld geld... (...) ik ben k onderaand tne (19730824)

WBD keerstrook / wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg gekeerd wordt), ook genoemd: 'tnerug', 'dwarsrug', rug' of 'vurft'

WBD III.1.4.318 'ten einde' = gereed

WBD tnerug = tne

Haor tine - achter; tinen aon - achteraan

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tne bijwoord - ten einde, aan het eind, achter elkaar, meteen

Hees tenne'nan (V:76)

 

tenebter

zelfstandig naamwoord

tenenbijter

WBD III.4.2:178 lemma Watertor - De larve van de geelgerande watertor noemt men teenbijter in het Antwerps Wb. 3 en tenenbijter in het N.- Antwerps Wb. en Deurne Wb.

- Sjef Paijmans We leerden wat de Geel Gerande Watertor was, de Waterschorpioen en de Zwarte Watertor. Maar wij hadden voor die torren en torretjes onze eigen namen. Een schrijvertje was voor ons een schotelwasserke; en de verschillende larven bleven voor ons
viskesfreters. De waterschorpioen, een tenenbijter en de rivierprik, een negenoog en bloedzuigers waren eggels. ('Herinneringen'; CuBra, ca. 2003)

 

tnehaawe

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - korthouden, weinig vrijheid geven

 

tnemekaare

bijwoord

meteen, onverwijld

Vraogt f dttie tnemekaare komt. - Vraag of hij meteen komt.

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'teine bekare'; 'teinebekare'

Cees Robben k Lus tnemekaare wel tien tassen thee... (19631108)

t'Is euwige sund van mun voske ! Ik gao merrige tnemekaar un nuuw haole. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

De Wijs -- As ik t doe, doeket tnemekaare (04-07-1969)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - (onder Eind) tnemekare - vlak achter elkaar, direct aansluitend, zonder uitstel, onmiddellijk: ge moet tnemekare komen; ook: aachtermekare.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tmekaare - achtereen

 

tnenaovend

bijwoord  

Frans Verbunt -  tegen het einde van de avond

 

tnenen

bijwoord  

meteen, achtereen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "taineneen - achtereen"

 

tnenssem

bijvoeglijk naamwoord

Frans Verbunt -  buiten adem

 

ten n taander

onbepaald voornaamwoord

het een en ander

Kmt ns taante Too naa taatemiddag ng meej ten n taander?

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor din ze zogezeej in e zg et es gauw ints..ts..tsgdvernondejuudie gebrkte ze zogezeej vur e vur middelsne, vur ten n taander gebrke (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

tnerug

zelfstandig naamwoord

WBD keerstrook / wendakker (strook grond aan het uiteinde van een akker, waar de ploeg gekeerd wordt; ook genoemd 'tne', 'rug', 'dwarsrug' of 'vurft' c.q. 'vurnd'

 

tentrjer

zelfstandig naamwoord

WBD paard met naar binnen gedraaide hoeven, ook 'toontrjer' genoemd

 

tr

zelfstandig naamwoord

teer

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - tr (Tilb. ged.), taar(s)' / 'taor(s)' oostel. Midden-N-Br.

Goem. TEER zelfstandig naamwoord m. Fr. goudron

 

traovend, trdag

zelfstandig naamwoord

teeravond; avond waarop verenigingen (jaarlijks) feest vierden van opgespaard geld; vergelijk 'potverteren'

[De gildes] "St. Jurris" hee z'ne teiraovond gehad en "Sinte Ketrien" k al... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

"Sinte Ketrien" h dan d're traditioneele teirdag. 't Vurspel van 't fist begon 's mergens om negen uur toen we allemol, pontificaol uitgedost - d wil zeggen mee 't wit visje en den oranje sjerp aon en den hoogen hoed op - nor de Mis gewist zn... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

Frans Verbunt -  feestavond in een caf, waarop de rente en de boetes van de dubbeltjespot werden opgemaakt

 

tre

werkwoord, zwak

verteren, feestvieren

Ze rikte saome jaorelang,/ d din ze ammol gre,/ n zaat er in de pot geng/ dan ginge ze nt tre. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D kos nie) 

 

trf

zelfstandig naamwoord

tarwe

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - trf en gaarst ( van fr. mme)

Piet van Beers -- Den bkker stokte zenen oove meej hout n bakte mik n brod;/ Ieder kcht wttie gebrkte de keus waar nie zo grot:/ Rgge n trfbrod n ene witte mik,/ Vur en brlft f fist mik meej krente, mar die waar nie zo dik. (Uit: Wtter in vf n zistig jaor veraanderde...)

WBD I:1406 Kolom 185 niet vermeld

WBD III.2.3:188 'tarwebrood' = idem, ook 'zoet brood', 'mik'

WBD III.2.3:189 'tarwebrood' = half en half

Goem. TARWE - t:ref, zelfstandig naamwoord vr.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TERF (uitspr. trref, taerref), Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 -  TRF, zelfstandig naamwoord v. - tarwe

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - trf zelfstandig naamwoord  - tarwe

WNT TARWE - in Z-Ned. veelal TERWE; daarnaast in Brab. trref, terf

 

trge

werkwoord, zwak  

Henk van Rijen - tergen

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - trege ww - tergen

 

trptje, trreptje

Ill. Naumann

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

roodborstje

Henk van Rijen - roodborstje (Saxicola torquata)

Cees Robben - ...gle wiewouws... trptjes... (19600708)

WTT 2012: het tweede lid 'ptje' wijst in de richting van 'tapuit', conform de oude Nederlandse benaming 'roodborsttappuit'. Het eerste lid 'tr' lijkt te verwijzen naar de vogels van de genus Saxicola; 'saxicola' is een samentrekking van het Latijnse 'rots' en 'verblijf'. Het Tilburgse 'tre' lijkt een samenvoeging van 'ter aarde'; aarde = rde, rd.

 

trvenblom

zelfstandig naamwoord

WBD bloem van meel, ook 'blom' of 'bloem' genoemd

 

trzalf

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - zwarte teerachtige zalf voor behandeling van zweren

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - trzalf zelfstandig naamwoord  - teerzalf

 

tt

zelfstandig naamwoord

akelige vrouw

 

tegelk

bijwoord

tegelijk

Henk van Rijen - ge kunt nie blaoze(n) n tegelk de rok in oewe mond haawe - je kunt geen twee tegengestelde dingen tegelijk doen

 

tegelkertd

bijwoord

Henk van Rijen - tegelijkertijd, gelijktijdig

 

teheuj

bijwoord  

achterover (zie ook 'heu')

De kr ging teheuj

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de kr stao teheuj (met de burries naar boven en het krat naar beneden

Henk van Rijen - en kr teheuj stote - een kar leegkiepen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - teheui - achterover, gezegd van een kar

Wat. te heui gaon, slaon - achterover vallen; valt te vergelijken met 'over den kop gaan' vooroverslaan. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - gezegd van een kar die achterover gestoten werd, zodat de voorkant de hoogte in ging (misschien: ten hoge of te hoogte). Bij uitbr. ook gezegd van b.v. een stoel.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOOI: de kar staat TE HOOI - met de burrie of bomen naar boven en het krat naar beneden, Zoals de karren dikwijls worden weggezet.

Opm. Michels (blz. 87): TE HOOI = te hovede, nu 'te heuj'. Z.a.

Weij (T&T 38:89) teheuj bijwoord  'achterover' met als voorbeeldzin: 'De kr ging teheuj' - 'de kar ging achterover'. Ik herinner mij verder dat ik meer dan vijftig jaar geleden het woord eens had horen gebruiken door iemand afkomstig uit Reek die een liedje aanhaalde dat ongeveer aldus begon. Sti de kaars (= kar) teheuj, Arjanneke. De etymologie van dit woord vindt men bij Van de Water, blz. 86. Daar staat als voorbeeld 'dar gonk an kar vol boere te heui en die laage in 't zand, vurde ze't wieste' en dan volgt er 'Te heui gaon (uit te heude, d.i. te hoofde, gaon) valt te vergelijken met over den kop gaan, vooroverslaan'. Als men denkt aan de gotische datief haubida is de ontwikkeling klaar. Er treedt umlaut op, intervocalische [v] kan uitvallen (vgl. J. Stroop, Een hoofd-stukje in TT, XXI 228-231), intervoc. d>j en afval van de slot-vocaal. Overigens heb ik de uitdrukking in het WNT niet teruggevonden, noch in dl. VI, 950-952 waar hoofd behandeld wordt in de bet. 'bovenste of voorste deel van iets', noch in dl. XVI, 1052-1082, waar de verbindingen van te met een subst. gegeven worden.

 

tekrt

bijwoord

te kort (doen)

Van Delft - "Hij hee z'n gen tekort gedaon." Hij heeft zich gezelfmoord. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek Erger gesteld is het wanneer men hoort, dat iemand "z'n eigen tekort gedaon heej". Dat betekent namelijk niets meer of minder dan dat hij zelfmoord heeft gepleegd. Dat is - in tegenstelling tot de grofheid, die de volksmond vaak kenmerkt - keurig gezegd en bovendien nog raak getypeerd ook. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

 

tkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kleine tak, jonge tak, twijg

Henk van Rijen - schoenmakersspijkertje

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - grune tkskes - groene twijgen; tak - tkske

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et dunste tkske braandt et irst (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972)

WBD III.4.3:77 'takje' = idem

WBD III.4.3:79 'dooi tkske' = dood takje

- verkleinwoord van tak, met umlaut

 

tkstiel

zelfstandig naamwoord

textiel

'op de tkstiel': werkzaam in de textiel

Die was op de tkstiel! Die was, die was ok op de tkstiel Wij hbbe amml op de tkstiel gewist! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

tkswipper

zelfstandig naamwoord

WBD spijkertrekker, het speciale ijzeren werktuigje om spijkers uit te trekken (II:688)

 

tl

zelfstandig naamwoord

tel

Van Delft - "Hij is van zunnen tel" wordt gezegd van iemand die suf is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - van tl zn as rtte kol b de gruunteboer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1964) - niet gewaardeerd worden

 

telangenliste, teliste

bijwoord

Tenlangeliste h 'k m'n frontje van m'ne nek motten gooien omd 'k bang was te stikken. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

Henk van Rijen - ten langen leste, ten slotte, uiteindelijk

 

tlle

werkwoord, zwak 

PM (meestal negatief) waarderen

D tlt ie wneg - dat stelt hij niet zo erg op prijs

WBD III.1.4:61 'tellen' = waarderen'

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TELLEN onov. en ov.ww in allerlei gangbare bett.; specifiek: 1) achten, waarderen: d tel ik niks; 2) menen, op grond v. berekening verwachten: ik tel d 't nog lang kan duren.

Van meikevers

WBD III 4,2:167 lemma Pompen van de meikever - Het herhaalde malen met de vleugels bewegen voordat een meikever opvliegt.
tellen Tilburg
mulderen Tilburg
pompen Tlburg

Rolf Janssen, We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Wanneer de meikevers weer te vinden waren in de buurt van de beukenhagen, werden deze door de kinderen gevangen. Ze werden opgeborgen in een lucifersdoosje met een blaadje sla. Vervolgens bonden de kinderen een draadje garen aan de poten van het dier en begonnen dan te zingen tot hij ging vliegen:

mlderke, mlderke telt oew geld
en gao dan nog s vliegen

 

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2

 

tlling

zelfstandig naamwoord

telling

WBD n (de) tlling, de baot - de koe heeft het einde van de dracht

bereikt; ze is tgetld, tgereekend

 

tloor

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - kleine waterketel op drie pootjes, veelal gebruikt voor kruidenthee.

WTT 2016 - In deze betekenis alleen bij Van Beek aangetroffen. Waarschijnlijk betekent tloor eerder de meer gangbare aanduiding voor 'bord'

WNT: gewestelijk ook m. en vr., mv. teljoren. Daarnaast taljoor (in meer fransche spelling tailloor enz.); telloor, talloor, in een groot deel van Brab. en in het Land van Waas; talloore (vr.), in t Z.-O. van Vlaand.; teljer, bij Schuerm. (1865-1870). In t Westvl. is een vr. taljoore, teljoore.

Bord, schotel, waarop vleesch wordt voorgesneden (in dezen zin lang verouderd); vervolgens, en dit is reeds in t Mnl. de gewone bet.: tafelbord, etensbord, bord.

REY - Tailler a produit d'autres noms limits des sens concrets : TAILLOIR n. m. (v. 1130, tailleours ; puis 1175, tailleoir) dsigne un instrument pour tailler et spcialement un plat pour dcouper la viande.

 

temeej

bijwoord  

tegelijkertijd

Henk van Rijen - temeej dk et zeej, kwaamp ie binne - net toen ik het zei, kwam hij binnen

WNT TEMEE (bijw.) behoort niet tot het algemeen beschaafd Nederlandsch; 1) in toepassing op de toekomst: aanstonds, (zoo)meteen, straks; 2) in toepassing op het verleden: zooeven, zoo pas.

 

temeenste

bijwoord  

tenminste, ten minste

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - temeenste (passim)

Cees Robben Ge hoeft na temeenste nie in oew haande te spierse... (19821008)

 

temntij

Bijwoord

Vanochtend

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mer vajer! Ou brudt iet in t heut; k zaag t te mentij aon oe weze

- De Bont - znw. (alleen in de verouderde verbinding te mnte heden ochtend, van morgen; Brabantius - te mentie, die het uit te mergentit ontstaan denkt, in tegenstelling met Van de Schelde tot de Weichsel I, 344 (ook Weijnen, De Nederl. Dialecten blz. 35), waar tementij uit te metten tijd - mnl. te mattintide - wordt verklaard.

 

temt

bijwoord 

Henk van Rijen - onmiddellijk, meteen

Bosch temet - direct, zo dadelijk

Cees Robben Dan koos ik toch temet (19611201)

WNT TEMET (II) = TEMEE - aanstonds, zoo meteen, straks

 

temiddag

bijwoord  

Was de erpelsoep temiddag nie goed misschien? (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Henk van Rijen - vanmiddag

WMT TE MIDDAG - thans nog gewestelijk, b.v. in Z.-Nederl.

 

temndag

bijwoord  

Henk van Rijen - a.s. maandag

 

tmpel

zelfstandig naamwoord

tempel

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej iemand tmpels gaon zitte bouwe (AM'84) - met iemand zitten bomen

Frans Verbunt -  tmpels baawe - zich illusies maken

 

tms

zelfstandig naamwoord

vergiet

Henk van Rijen - 'tems, tmmes'

WBD (III.2.1:173) 'temst' = vergiet, ook 'durslag'

WNT TEEMS - zeef, fijne zeef voor melk

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEEMS: word eigenlijk alleen van die zift gebruikt, waar door men de vers gemolken melk laat lopen, en is dus een zijg of zijpvat.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. 'temes' - vergiet (test)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TEMST zelfstandig naamwoord w-m. - teems, haarzeef, fr. sas, tamis; ook een keukengereedschap met veel gaatjes.

 

tmtaosie

zelfstandig naamwoord

opgave, kwelling, temptatie

Vruug pstaon is vur hum en tmtaosie.

Cees Robben t Is un temtaosie... (19570720)

Want as ik leege flsse hb/ moet ik er en nd meej slpe/ mar d d gin temtaosie is/ is makkelek te begrpe. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Der stn der te wneg) [namelijk: glas naar de glasbak brengen is goed werk]

WBD III.3.1:240 'temptatie' = pesterij

Stadsnieuws - Ds en hil tmtaosie: zeuve knder grotbrnge in deeze td.(230907)

WNT TEMPTATIE 1) verzoeking, 2) kwelling, plaag

Lat. TEMPTARE aanraken, betasten; naar iets streven, onderzoeken; beproever proberen, pogen, trachten, ondernemen, zich met iets inlaten; aantasten, aangrijpen, aanvallen, bestoken; in verzoeking brengen, enz.

 

tmteere

werkwoord, zwak  

Henk van Rijen - tempteren, kwellen

WNT TEMPTEEREN - 1) trachten, beproeven; 2) op de proef stellen

 

tn

zelfstandig naamwoord

tin

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TEN, zelfstandig naamwoord o. -tin, fr. tain.

WNT TIN - in Brabants dialect TEN

 

tenaacht
bijwoord
vannacht
Cees Robben tenaacht leuterde wir in oewen iepert... (19731005)
 

tndje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

tandje

Dirk Boutkan (1996)  - tndje (archasch); hiernaast: tandje (blz. 32)

verkleinwoord van 'taand' met umlaut (via tand?)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Braban (1937) - met umlaut, volgens krt.48

 

teneer, tenir

bijwoord  

neer

Cees Robben Hier draaien we ons sevooi teneer... (19670818)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TENEER (met zachte e) bijwoord  - neder; vormt talrijke koppelingen als: teneervallen, teneerleggen enz.

 

tent

bijwoord 

Henk van Rijen - zojuist

 

tngske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van tang

tangetje

WBD riettngske (II:1018) - riettangetje

Henk van Rijen - op et bnkske laag en plenkske n en tngske

Dirk Boutkan (1996)  - tangeske, tangske, tangetje

 

tnne

bijvoeglijk naamwoord

tinnen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TEN, voor 'tin' . In het Wallisch is het y s t a e n . Ook bij Kiliaan 'ten' , en bij Huygens: tennegieter.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord  'tennen tinnen; bijvoeglijk naamwoord  'tijnnen' - tinnen

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TENNEN bvw. - tinnen

 

tnnebruukske

zelfstandig naamwoord

jenevermaatje

N. Daamen (handschrift 1916) --  "tinnebruukske een half maatje jenever"

Ge krgt dan koffie meej en kuukske/ n zo waor as ik hier stao/ alle omes die ter waare/ ng en tnnebruukske nao. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Verjrdaoge)

Van Beek - Vroeger ging men om "'n tennebruukske" klaore en "'n maotje braandewn".  (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Frans Verbunt -  kleinste in de slijterij verkrijgbare flesje jenever

-- Naar een zekere 'Tinnebroek' (?), welke naam blijkens de volkstelling in 1947 14 maal in Noord-Brabant voorkwam, waarvan 8 maal in Tilburg.

 

tenstenbaaj

bijwoord  

bijna, ongeveer

We zaate tenstenbaaj meej fftege(n) in de klas. - We zaten met ongeveer vijftig in de klas.

In sisteg f zo tenstenbaaj [kwamen] de echte Trke en Markkaane... (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)

Stadsnieuws - Et schouw tenostenbaaj en dmke - het scheelde ongeveer een cm (081008)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tenosteb bijwoord - ongeveer

 

tp

bijvoeglijk naamwoord

blut, alles verloren hebbend

tp zn

Cees Robben Mar meens ik stao himmel tep... (19730824)
Cees Robben [ik] stao wir klinkklaor tep... (19641204)

Henk van Rijen - tp speule - alles verliezen

CiT (25) 'Hij is tp'

WBD (III.3.2:38) tp, blut, kps, rut = alle verloren hebbend (bij spel)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TEP (tp) bijwoord, blut; bij spelletjes: iemand tp zetten, tp staon; tp twee trug - wie blut is, krijgt twee knikkers terug.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - KEPPES, KEP, KEBBES - 'keppes zijn' - alles verspeeld hebben, alles verloren hebben in het spel

 

-teraande

suffix

Henk van Rijen - verschillende

-erhande, -erlei

 

teraawste

bijwoord  

ongeveer, bijna, globaal, ruwweg

Henk van Rijen - 'teraawste'

► zie verder bij terouwste

 

tercht

bijwoord van plaats

terecht

- meestal met de verlenging met e, terchte

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - daorvan kmt niks terchte

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - in en goej waaj terchtgekoome zn (JM'57)- goed terechtgekomen zijn in het huwelijk

 Et waar in mn oge un hl grote rmte, waor we in terchte waren gekomen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Hij moes dan in zon nuuwbouwwk gaon kke, wetter die mannen van terchte brochte. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Hij kwaam terchte op et plattelaand. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
 

terouwste

bijwoord

ongeveer, bijna, globaal, ruwweg

Van Delft - Het werk is "terouwste klaor" wil zeggen, dat het bijna voltooid is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 -

TROUW(E)STE (traauwste) bijvoeglijk naamwoord  - in grote trekken, bijna. Wsch. is het woord ontstaan uit 'te ruwste' en betekent het letterlijk 'grosso modo.

WNT vermeldt de uitdr. 'uit den rouwe' - onafgewerkt, niet precies. Z.a.

Frans Verbunt -  'terouwste' - ongeveer

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. verb. 'te rouwste',- in het rouwe (ruwe), ongeveer, bijna.

Pierre van Beek - 'trouwste' - in grote trekken, zo ongeveer, ook wel: bijna (ten rouwste?)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - terouwste bijwoord - ongeveer, ruwweg

 

trpetn

zelfstandig naamwoord

terpentijn; kleverig plantensap vooral van naaldbomen

WBD III.4.3:90 trpetn -hars

WBD III.4.3:103 terpetnkpke - dennentakje met een harsknopje

 

trrewebrod

zelfstandig naamwoord

tarwebrood

WBD III 2.3 (2004) - algemeen in Tilburg

 

trring

zelfstandig naamwoord

tering, tuberculose, tbc

Cees Robben Onze Jaon (...) hee gin zucht of terring... fieteldaans.. bof.. of keliek... (19551217)

Interview Jolen - 1978 - J, trring, d wit, d wit gin man, d wit gin man, j, d wit gin man! Hij heej de trring zin ze! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

WBD III.1.2:302: 'vliegende tering' = tuberculose

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TERING zelfstandig naamwoord v. - ziekte: de etende of de frtende tring - waarbij de lijder veel kan eten.

 

terugkoomes

bijwoord

op de terugweg, toen we terug gingen

...in et geensgaons kreeg ik 'n glas waoter veur niks en in et terugkomes 'n glas rome veur twee cente.. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)

T.B.C. waar un belaoje woord, de trring zin ze vruuger ent waar eigelek schaand degge ze onder de leeje hadt of der meej besmet waart gewist. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

trvebrod

zelfstandig naamwoord

tarwebrood

WBD III 2.3 - verspreid in Tilburg (2003)

 

ts

zelfstandig naamwoord

tas

Cees Robben Sigaren, centen in de tes (19651224)

Henk van Rijen - zak, broekzak

 

Schilderij van Jan Miense Molenaer (detail) - Goed gezelschap - 17e eeuw

De vrouw steunt met een voet op een stoof, waarin het zogenaamde tsje:

tsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kolenbakje in een stoof

verkleinwoord van 'tst'

WNT Test I 1) Schotel of kom, gewoonlijk van aardewerk, soms van hout; teil. Het woord is in dezen zin thans vooral in Z.-Nederl. bekend, en wordt er in verschillende streken voor onderscheiden schotels of kommen gebezigd

Zie het dossier 'Tsje in de schilderkunst van de 17de eeuw'

WNT Test I 2) Pot of schotel van aardewerk, voor vuur bestemd; thans bepaaldelijk een kleine vierkante, naar onderen smaller toeloopende, pot met n oor, die met een kooltje vuur in een stoof wordt geplaatst.

Van Rijen - tsje zelfstandig naamwoord  - kolenbakje in stoof, testje.

Cees Robben - man houdt zijn scheerwater warm op een testje - Prent van de week (detail) 18-01-1959

 

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'Testa'.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TEST zelfstandig naamwoord v. -soort v. aarden teiltje met n oor en zonder toot. De test verschilt v.d. teil, die veel grooter is, geen oor heeft, en aan den rand voorzien is van eenen toot.

WNT STOOF I-8 a) Toestel om de voeten te warmen en wel oorspronkelijk: meestal houten omhulsel met doorboord bovenvlak, waarin een test met vuur of steen kan worden gezet.

 

tsse

werkwoord, zwak  

testen

Cees Robben En desseme gadeeseme nog tesse mosse k... (19621005)

 

tst, tiest

zelfstandig naamwoord

kop, hoofd

Enen hoed vuugt nie op oewe tst. -Een hoed past niet op jouw kop.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - meej de hoed in de haand ... mar meej de pt p oewe test kmder k best (Si'67) - humoristische aanvulling op het spreekwoord

N. Daamen (handschrift 1916) --  "ik sloeg en tegen z'nen test (hoofd - tte)"

Cees Robben As d ons taante Tonia testag-taate-middag komt... (19710604) [Of dat tante Tonia dinsdag na de middag langskomt..]
Cees Robben Hoeneer komde wir... Beschient n testag-taatemiddeg.. (19760423)

WBD III.1.1:37 'test' = hoofd

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TEST: een aarden vat. In het Lat. 'testa'.

WNT TEST (I) 3) bij vergelijking in onbeschaafde taal voor HOOFD

 

tstag

zelfstandig naamwoord

dinsdag

VR 'testag-taate-middag'

Zie: Pijnenburg - Bijdrage tot de etymologie van het oudste Nederlands, 122

 

tt

zelfstandig naamwoord

bepaald meisje

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "'n flinke tet (meisje)"

WBD III.2.2:22 'de tet hebben' = gezoogd worden; ook 'tetteren', 'lurken'

Bosch ttte - borsten

WNT TET, tette - 1) vrouweborst, ook tepel; verachtelijke naam voor een vrouw...

 

tetonstlling

zelfstandig naamwoord

tentoonstelling

Kssels febriek, witte gij instruumntefebriek aachter de Noordhoekse krk n daor, daor wast himmel waaj, h. n daor heej toen de tetonstlling gestaon. Neegetieneege. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Aachter de febriek was en grote tetonstlling n daor was Veneti himmel meej zwm...  meej grot waoter n alles! () W zonge ze toen? En hebben zij die schne Berta al in der onderbroek op straat gezet![Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

tg

zelfstandig naamwoord

tuig

WBD (Hasselt): paardetuig

WBD III.2.2:32 'looptuig' = looprek (voor kleuters)

 

tge

werkwoord, zwak  

optuigen

- tge - tgde - getgd (geen vooaalkrimping)

WBD tge - het paard wennen aan tuig en arbeid

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. - tuigen, van tuig voorzien (bij paarden)

 

teugel

zelfstandig naamwoord

teugel

- Iemand singelen, waarmee men bedoelde: zijn werk of gangen nauwkeurig nagaan. Verwant hiermee is: iemand op de teugel rijden. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

 

tgkaast

zelfstandig naamwoord

WBD bergplaats voor (paarden)tuig

 

teugws

bijvoeglijk naamwoord
gezegde: teugws maoke - inwijden, inlichten
Cees Robben Kom-de gij ons teugws maoken... (19600116)
Cees Robben Ik zal oe w teugws maoke hoe degge d vort moet begaffele... (19650115)

R teugws maoke - flink zeggen waaraan iemand zich te houden heeft

Henk van Rijen - 'teugws, teugelws'

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOOMWIJS, enkel als gez. gebezigd: Da' veulen is al wat toomwijs. TEUGELWIJS bvw. -hetz. als toomwijs

 

teule

werkwoord, zwak

telen, kweken

- teule - tulde - getuld, met vocaalkrimping

In tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: gij/hij tult.

Cees Robben Ik teul toch z gre... (19570309)

Cees Robben [hij] teult er wilde blommen... (19550129)

 

- Ze tilde zelf veul sorte gruunte Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

Erpel, bontjes, erwten en tnbone teulde we zelf, we han aachter et hs enne hille grote hof. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

In den oorlog heetie k nog tebak geteuld. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Die teulde toen ok zelf tebak in den hof, n die grote blaojer wiere aon enen draod gerege en hinge dan te drge in de zon. (Nel Timmermans; Den orlog; CuBra; 200?)

WBD I:1393 teule

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - gebruikt TEULEN en TEULLAND voor 'verbouwen' en 'bouwland'.

'Groeskant' = ene begroesde streep die ... niet 'beteuld' word.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. 'tuilen' - teulen, telen

WNT TELEN, daarnaast gewestelijk TEULEN

 

tmele

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:11 'tuimelen' = vooroverduikelen; ook 'duikelen'

WBD III.3.1.105'tuimelen' = idem

 

tmelr

zelfstandig naamwoord

tuimelaar

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TUIMELR zelfstandig naamwoord m. - bij smeden: elleboogvormig ijzer dat klinkt en  omtuimelt op eenen nagel of eene spil die door den elleboog steekt.

 

tn, tntje

zelfstandig naamwoord

heg, tuin, omheining

R.J. 'die waar gebonden aon 'n tin'

n dan kwaamde tusse tweej tntjes, daor hadde de boere, de boere der waaj n dan hadde daor de, de tn van de febrieke, van die heere dan [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - den tuin aachter 't huis (ui = eu in fr. Meuse)

WBD (III.3.3:96) tn = omheining v.h. kerkhof

WBD (III.2.1:399) 'tuin' = idem

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUIN = lage omheining, omtuining. Z.a.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. tuin, haag om een hof, hofheg

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TUIN zelfstandig naamwoord m. -haag, hegge rond eenen hof, Hgd. Zaun

Hees tn (IV:33, VI:41)

 

teune

werkwoord, zwak

de indruk wekken, tonen (doch passief)

teune - tunde - getund, vocaalkrimping ook in tegenwoordige tijd: gij/hij tunt

M Hij tunt wl ffteg - Hij wekt de indruk wel vijftig jaar te zijn

WBD III.l.l:240 'teunen' = tonen

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.intr. tonen' - een fraai voorkomen hebben, uitkomen.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOONEN - getuigen, getuigenis afleggen; een fraai voorkomen hebben; schijnen, het uitzicht hebben van.

 

tnbon

zelfstandig naamwoord

tuinboon - Vicia faba

in Tilburg beter bekend onder diverse volksnamen

► zie Dossier Tuinboon

Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) Ons moeder haolde soms de gruunte op de mrt. Erpel, bontjes, erwten en tnbone teulde we zelf, we han aachter et hs enne hille grote hof.

Piet van Beers -- Wie tnbone wil eete,/moet (ze in) Februari/ nie vergeete (te ztte). (www.CuBra; ca 2005)
 

tnkster

zelfstandig naamwoord

ekster, die overal present is waar ze iets van haar gading meent te kunnen vinden; overgedragen op vrouwen

Stadsnieuws - Die tnkster wil gelek et liefst alles vur niks (310808)

 

ts, ts

bijwoord, zelfstandig naamwoord

thuis, tehuis

Wie ts is, moet tsblve.

MP gez. Ge meut wl p en aander hnger krge, as ge ts mar kmt eete.

MP gezegde  - Et is nie rg as ge onderweg honger krgt, agge mar ts it.

Van Beek - "Thuis zijn" betekent het (kaart)spel winnen.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Henk van Rijen - 'p un aander honger krge, mar ts koomen eete' - een ander mag je aardig vinden, maar daar moet het bij blijven

Frans Verbunt -  hij is er ts as ene pestoor in zene krkboek

 

tsslachte

werkwoord

thuis slachten

meestal opgetekend als zelfstandig naamwoord, de 'tusslacht'.

Audio-opname 1978 -- D tsslachteden ene die hagget zo n den aandere zo. Den ene ha en ketrl n den aandere moeste gij zogezeej boove meej en ketrl, moeste gij daor en zere dingen in steeke, heej, n dan moeste ze boove zogezeej meej en  zer moeste gij ze meej tweej man opdraaje boove (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

tswver

zelfstandig naamwoord

thuiswever

Audioregistratie 1978 -- Mar en tswver d was er ene, war, die ging nr en febriek toe, onverschilleg wlk febriekmar ze krege en ktting meej, d wil zgge, ge ht ktting n inslag, dus ge ht enen hille breejen bom, zo breej as et stuk moet zn n die zn ammel draojkes nffe mekaare, war (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Audioregistratie 1978 - Die teuswvers die han amml zo ene leme vloer amml die van Honsbrege n Peer de Koning! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WBD tswver (II:941) - thuiswever, wever die niet op een fabriek werkte, ook 'btewver' genoemd

WBD tsweve (II:949), ook btewve (buiten de fabriek weven)

WTT 2013 - de fabriekswevers werden ook 'binnewvers' genoemd

 

teut

zelfstandig naamwoord

marskramer: tuit, pijp

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "teut - een soort van marskramer met manufacturen op den rug die de dorpen overal afgingen, meest Duitschers"

- Zoo kwaam' we 't Kretshuiske vurbij,/ Daor wonden  toen twee tuiten ; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- ok Oel en de Paddewaaikes, het Kretshuiske en iets over tuiten...; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

WBD schrtte, schrtte (of: schir- ?), tte (II:990) - scheerklossen; ook: ppe, schrklsse, schrklsse (of: schir- ?) of krsklsse genoemd.

WBD III.1.1.65 'teut = gezicht; ook: 'toot'

WBD III.1.3:247 'teut' = neus van een schoen

WBD III.2.1:142 'tuit* = pijp aan kan of ketel

Hees teut (II:58)

 

Cees Robben - Prent van de week - 05-01-1979

teut

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

aangeschoten

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "hij was teut (dronken)"

WBD III.2.3:257 'teut' = dronken

Stadsnieuws - 'Hij was mar en bietje teut, nt genog om gezlleg te zn' (301207)

WNT TEUT 2) dronken; gewestelijk, o.a. in de Vechtstreek nog bekend.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TEUT - afgemat, ten einde van vermoeienis, enkel als gezegde gebruikt: Ai mij! ik ben teut. Wordt ook gebruikt voor 'dronken'.

WNT TEUT - l ) suf, in de Kempen ook: afgemat, uitgeput; 2) dronken

 

tt, ttje

zelfstandig naamwoord

tuit

WBD tt (II:1030) tuit: spoelpijp; ook: pp of klos

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TEUT zelfstandig naamwoord m. = Toot: t u i t of pijp van eene kan of eenen moor.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - teut tuit van een kan, neus van een schoen

 

teute

werkwoord, zwak  

talmen, treuzelen

- teute - teutte - geteut (vocaalkrimping in tegenwoordige tijd?)

Cees Robben Stao daor nie te teute.. (19640306)
Cees Robben En naa moette nie ligge te teute of taauw-meute (19660513)

Van Beek - "Ge moet nie teute. Pees um!" is: Ge moogt niet treuzelen. Haast je! (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

WBD III.1.1:249 'tuiten' = suizen v.d. oren; ook 'toeten', 'hommen'

WBD III.1.4:52 'teutelen' = aarzelen; 72 'teutelen = verlegen zijn

WBD III.1.4:363 'teuten' = prutsen

WNT TEUTEN van onomatopotischen aard, wsch. samenhangend met TEUT (I).

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.intr. 'teutelen' - teuten, talmen, langzaam te werk gaan;

WNT TEUTEN - talmen, treuzelen; babbelen, kletsen ...

 

ttele

werkwoord, zwak  

Pierre van Beek - ruilen (door kinderen)

Henk van Rijen - weifelen, tuitelen

Cees Robben Valt er nog w te ruitele of te tuitele... (19760903)

WBD III.3.1:49 'tuitelen', 'vertuitelen, vertutselen, matsen, ruilen = verkwanselen

WBD III.3.1:55 'tuitelen', 'kwanselen, ruilen, verhandelen' = kwanselen

- ttele - ttelde - getteld

-- geen vocaalkrimping

WBD (III.3.2:191) ttele, rtele, rle = tuitelen

WBD (III.3.1:49) 'vertuitelen' = verkwanselen, ook 'vertutselen

WBD (III.4.4:304) 'tuitelen' = wisselen

Bosch tuitele - ruilen (kindertaal)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - tuitelen - ruilen

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TUITELEN onov.ww. - zich bezighouden met kleine transacties; misschien naar 'tuit' - ketel en tuit - marskramer.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.intr. 'tuitelen' - kwanselen,... verwisselen

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - titele ww - ruilen

WNT TUITELEN (I) - 1) ruilen, verwisselen; 2) veranderingen aanbrengen

 

ttelr

zelfstandig naamwoord

iemand die graag ruilt

Frans Verbunt -  scharrelaar ; ook: sloom persoon

Henk van Rijen - weifelaar, tuitelaar

WNT TUITELAAR - ruiler, kwanselaar (gewestelijk in Zuid-ned.)

 

tevreeje

bijvoeglijk naamwoord

tevreden

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - ik ben tevreeje; zde g t oak?

WBD III.1.4:189 'tevredenheid' = zin

 

tevurre

bijwoord  

tevoren

GD08 tevurre wrter alles n gedaon

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Dan moeste gij hil de week deur, dan wast hier smndags mrt, aacht daoge ven tevurre wier der meej die koej geleurd dur de stad heen (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

tiederietje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen - brandewijntje met suiker

 

tieles

bijwoord  

Henk van Rijen - 'tieles wns' - gedeelde wens (als jij dit doet, doe ik dat)

 

tiend

zelfstandig naamwoord

tiende deel

Audioregistratie 1978 - Asseme graon op et vld han staon n d was dan rg n d rg wrd binnegehld mar dan  moeste van de tien hope, er wrre vier n vier gezt, moester ene laote staon! n d was tiend! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

tienderaand

bijvoeglijk naamwoord

het eerste lid 'tien' kan variren; het tweede 'aand' = 'haand', van 'hand'; vergelijk 'allerhande'

"Hij voeiert z'n kiepe! Hij hee wel tienderande soorten en allemaol echte ras-kiepe." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)
 

tiengeboje

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen - tiengebojje tien geboden, handen

 

tientje
zelfstandig naamwoord; verkleinwoord van tien
een onderdeel van de rozenkrans of van het rozenhoedje
Wikipedia - De rozenkrans bestaat uit 5 grote en 50 kleine kralen en wordt gebruikt voor het rozenkransgebed. Dit gebed bestaat uit het bidden van het Onzevader (15 maal) en het Weesgegroet (150 maal) door de rozenkrans driemaal te doorlopen. De verkorte versie van het rozenkransgebed is het rozenhoedje. Hiervoor gebruikt men de rozenkrans of paternoster (met zijn 5 grote en 50 kleine kralen) slechts eenmaal. En rozenhoedje bestaat uit vijf zogenaamde 'tientjes': tien Weesgegroeten en een Onzevader, en dat vijfmaal.
Cees Robben As gij oew tientje bidden wilt... (19670428)

 

tiep
zelfstandig naamwoord
type
Cees Robben Omdet men tiep nie is... (19720128)
 

tier

zelfstandig naamwoord

groei, wasdom, levenskracht

WNT TIER (I) ?) de toestand dat een persoon of zaak zich gunstig of

behoorlijk ontwikkelt; groei, bloei, wasdom, welvaren

 

tiere

werkwoord, zwak
(
overvloedig) groeien

nie tiere - niet goed groeien, 'wgkwne'

WBD III.1.4:278 'niet tieren' = heimwee hebben

WBD III.1.4:237 'tieren' = razen en tieren

tiere - tierde - getierd

lange ie

WNT TIEREN 3) goed groeien, gedijen, welvarend zijn

 

tiereg

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.2:191 'nie tierig' = ziekelijk

 

tiest, tiesje, tst

zelfstandig naamwoord

kop

ene roje tiest - een rood hoofd (gezegd van iemand die bloost)

- Cees Robben Akkum langs zn tiesje aai (19760102)

- Cees Robben - ... zittie meen hg-ri tiesje... (19600916)

- Affn, van 't en kwaam et aander n op 'n gegeeve moment geef ik em toch 'n pr teege zene tiest aon.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Witt. tiesje

- WBD III.1.4:191 'tiestelijk' = vreugdevol

 

Tiest

zelfstandig naamwoord, eigennaam

van Baptist; Jan Baptist; Johannes de Doper

Cees Robben Tiest Vermeeren haoj n kiepke... (19560428)

Cees Robben Des Toos en Tiest.. wn span.. (19750404)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "Tiest 'onzen Tiest' (verkorting van den naam Janbaptist)"

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - den tiest = Tinus Coolen (blz. 30)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TIST zelfstandig naamwoord m. -verkorting van Baptist.

 

tiet, tietje

zelfstandig naamwoord

WBD kip (kindertaal)

WBD aajke-tiet - ei (hs K 185)

WBD tiet tiet tiet, tie tie tie, kiep - roepwoorden voor de kip

WBD tiet tiet tiet, tk, kiepke, kieke, kieken, kuikentje, (Hasselt) tjiep roepwoorden voor kuikens

WBD tiet - roepwoord voor de haan

Cees Robben - tietekes; en kppel aajkes van de tiet-tiet-tiet;

Pierre van Beek - tiet - kip, vrouwenborst

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "tiet borst

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "'t goa as 'n tiet ('t gaat als vanzelf)"

Vruuger noemde ze n kiep ok n tiet of n tieteke. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - tiet - kip

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tiet zelfstandig naamwoord  - kip, vrouwenborst

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TIET, voor kip, en 'tiet-ei' voor hoender-ei.

TIET, voor tit, titte, Lat. mamma. Z.a.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TIET v. - kinderlijk woord voor kip; gerekt uitgesproken in de uitroep bij het voederen v.d. kippen: tieit, tieit, tieit.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'tiet' - roepnaam voor de hen

vD. tiet (veroud. gew.) tepel aan een vrouwenborst

Hees tiet (V:62)

WNT TIET (II) 1) kip, hen, hoen; 2) kuiken, groot kuiken'; 4) kippenei (in Vlaanderen)

WBD III.1.1:118 'tiet' - tepel

WBD III.1.1:116 'tieten' - borsten

 

tietaaj

zelfstandig naamwoord

kippe-ei

fig.: zonderlinge, 'exemplaar'

MP tietaajke - kippe-eitje

Cees Robben [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.2.3:148 'tietei' = ei; ook 'aaiketiet'

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - w zdde toch 'n tietaaj;

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - tiet-ei voor hoender-ei.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord o. (kindert.) toetei kippei.

WNT TIETEI zie Hoeufft

 

tietkorf [tietkrf ?]

zelfstandig naamwoord

boezem

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "tietkorf - boezem"

WBD III.1.1:119 'tietkorf' = boezem

 

tiet-mm, en

uitdrukking
hetzelfde, gelijk; uit Frans tout-mme, verbasterd tot twee woorden voor de borst van de vrouw
Cees Robben [Onderwijzer:] Wes t verschil tussen ruiteketuit en bonnefooi... [leerlinge:] Volgens men is d n tiet-mem, mister.. (19840120)

 

tiet-tiet-tiet
-lokroep voor kippen om voer te komen eten; tiet was een gangbare benaming voor de kip
Cees Robben Ze voeierde dag-in-dag-uit/ En riep mar tiet-tiet-tiet (19670922)
-ook als zelfstandig naamwoord voor kip:
Cees Robben Lust ons piskouske n koppel aaikes van de tiet-tiet-tiet... (19840615)
 

tifke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van teef

Cees Robben Is d na n reu of n tifke... Hoe-joei n, Sjarel... t is unne zwarte (19730601)

Piet van Beers Ge moet t goei mee t kaoi nemen: Mar 'n tifke, zo ge wit,/ hee unnen heelen aandere zit!! (With Love; 1982-1987)

 

tift

speeksel

Henk van Rijen - sperma

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "ge mot er w tift aan doen (speeksel)"

WBD III.1.1:189 'tift = speeksel

WBD III.1.1:226 'tift' = sperma

WNT TUF (II) 1) speeksel; 2) het eenmaal spuwen

 

tije

werkwoord, sterk

tijgen, trekken, gaan

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - zak er k es p af tije - zal ik er ook eens op af gaan

tije - toog - getooge

WNT TIJGEN (I) B, onz. z.a. TIJEN = tijgen

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - GETIJD ( getjt) vd. van niet gebruikt ww. 'tijen'. Zie aldaar!

zelfstandig naamwoord, meervoud van 'td'

tijden

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - tije

Cees Robben D paast nie in deez dure tijen! (19541127)
Cees Robben In nuuwe beter tije... (19571102)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TIJ zelfstandig naamwoord m. - wordt soms gehoord voor 'tijd': tij genoeg hebben.

 

tijeg

bijwoord , bijvoeglijk naamwoord

tijdig

 

tijing

bijwoord , bijvoeglijk naamwoord

tijding, bericht

WBD III.3.1:254 'tijding' - bericht

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tijing zelfstandig naamwoord  - tijding, nieuws

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TENG, samentr. van 'Tijding'; ook 'Tijn' en 'Tjng'

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TIJDING. Tijding doen voor tijding geven, bescheid doen, antwoord geven. Ten platten lande zegt men 'ting doen'. Somtijds wordt het gebruikt voor eenvoudig 'kennis geven'.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TIJNG - tijding, boodschap. Bij Kiliaen -  noch bij Plant. Z.a.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'tijing' - tijding

Bosch teng - tijding, bericht

 

tijlijend

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - langdurig, zonder eind

Van Beek - Hij is veel te tijlijden. - (tijdlijdend) - Hij werkt iets niet af, doch schuift 't op de lange baan. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

Cees Robben Hij is toch z tij-leiend war... (19560714)
Cees Robben - ... lzig en tijlijend... (19650430)

WNT VIII:2224 - Lijd-den-tijd, iemand die zijn tijd verleutert of die een zaak altijd uitstelt.

Kiliaen -  Homo ignauus, otiosus, tempus transigens ignau - traag, onwerkzaam

WBD III.4.4:325 'tijlijdig = langzaam

WBD III.4.4:325 'tijlijend = langzaam

 

tikke
werkwoord, zwak
tikken
Cees Robben gebruikt het werkwoord om iets aan te duiden dat makkelijk is:

Cees Robben t was mar tikke... (19540717)
be- bijvoorbeeld ook: bevallen in een moderne kraamkliniek
Cees Robben In zon moderne kraomkliniek... Daor is t mar tikke... (19681206)

 

tikkere

werkwoord, zwak

tikken

Hanna zaat vlijtig te tikkere mee d'r braainaolde... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

 

tikkes n schuppes

variant op het bokspring-spel

 

tikkes n spannes

V bij het knikkerspel; met een knikker een andere raken en daarna de afstand tussen beide met de vingers van n hand kunnen overbruggen

 

Tilburg, Tilbrg

zelfstandig naamwoord, toponiem

Over het verschil in uitspraak, zie: Tijdschr. TILBURG: jg. 27 blz. 93 Tilburger of Tilbrger, W. Sterenborg.

Tot genoege van et Tilbrgse puubliek. (Henritte Vunderink, Oode n de lindenbom, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - In Tilburg steeke de misse boove de daksparren t (Sn'34 - Vroeger werd er in Tilburg veel gevochten.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en Tilburgse tn hbbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968)-Als vroeger een Tilburger zei dat hij een ton bezat, werd dat met een korreltje zout genomen (Men dacht dan aan dertigduizend gulden.)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en Tilburgs prje duurt mar drie daoge (SV'75) - roddelpraat duurt niet lang

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - 'd'n aawe wg n Tilbrg liep langs 't Raok n de Voort'

Actum Tilliburgis jg.5, blz. 55: Meningen over herkomst naam 'Tilburg  

Tilbrgs

bijvoeglijk naamwoord

Tilburgs

ene Tilbrgse - een Tilburger

Cees Robben t Tilbrgs Prentebuukske... (19751128) [In een prent over Robbens zevende Prentebuukske]

Ik wilde w zgge/ in de Tilbrgse taol. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Haawt ze vaast)

Frans Verbunt -  Tilburgse ton - f 10.000 (volgens Mandos f 30.000)

Frans Verbunt -  en Tilburgs prtje duurt mar drie daoge.

 

tillefoon

zelfstandig naamwoord

telefoon

- Dus ik bl Fred van Boesschoten op meej de tillefoon  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

timmerduske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm va.bn timmerdos

timmerdoosje (kinderspeelgoed)

Interview met de heer De Kok (1978) Van Siendreklaos kregde en timmerduske, d kste toen vijftien snte! En timmerduske! En timmerduske! We waare jonge jonges van en jaor f aacht, neege, zak zggen, h. D kste vijftien snte. Moete kke w ge nouw krgt. Nouw krgde vort enen autoo! KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

timper

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  beslag voor pannekoeken

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - temper, timper - beslag (Meierijs, wvla.)

WNT TEMPER - 3) dun beslag van verschillende dooreengemengde ingredinten voor pannekoeken, wafels enz.

► Zie Dossier Pannenkoek

 

tintje

zelfstandig naamwoord, verkleind

teentje

- verkleinwoord van 'ten', met vocaalkrimping

Dirk Boutkan (1996)  - (blz. 51) tintje

1. lichaamsdeel

Dan stonne wij op ons tintjes... (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WBD III.1.1:176 'teentje' = teen

2. gewas

kln tintje - jonge tuinboon, 'spkbon', sluimererwt

WBD III.2.3:85 'klein teentje = jonge tuinboon

 

tipbltje

zelfstandig naamwoord verkleinwoord

puntzakje

WBD (III.2.1:131) 'tipbuiltje'

 

tipke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

tipje; puntje

Hij gonk op et tipke van den stoel zitte... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

tirresworreg

► teegesworreg

bijwoord  

tegenwoordig (variant op 'teegesworreg')

Cees Robben Vruuger han jong snotneuze.. en tirreswrrig hebben snotneuze vort jong... (19790817)

Cees Robben West tirrisworrig toch unne vremde td war... (19810821)

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. 'terrewoorrig' - tegenwoordig

 

tirse

werkwoord, zwak 

WBD III.1.4.233 'tirsen' = kwaadmaken

 

tis

samentrekking van het & is.

 

T-shirt met reclame voor de Kringloopwinkel Tilburg (2018)

 

tisse

werkwoord, zwak

- tisse - tiste - getist

ongeduldig wachten; met spanning zitten wachten

Pierre van Beek - Hij stond te tissen m wg te koome. Hij zaat te tissen p en tas teej. Het blijkt geen Tilburgs en niet eens gewestelijke taal, maar ABN te zijn. Van Dale vermeldt het ... (Tilburgse Taaklplastiek 145)

Cees Robben Tisse van kaoighed... (19671201)

n agge lang moet wchte, / dgge dan staot te tisse? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD III.4.4.247 'tissen' = sissen

Bosch tisse - gespannen zijn, zijn ongeduld niet kunnen verbergen

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tisse ww - ongeduldig zijn

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.intr. 'tissen' - 1) een sissend geluid veroorzaken; 2) op het kookpunt staan (van woede of ongeduld)

WNT TISSEN - ineendraaien of -strengelen, verwarren enz. 2) onz. ww. - in de war geraken of zitten; 3) - harrewarren, ook in verwarde of moeilijke zaken wurmen, wroeten.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TISSEN onov.ww - alleen in 'staan te tissen'- zijn ongeduld niet kunnen verbergen: w stodde toch wir te tisse.

v.Dale: in de war zitten.

WNT ook: ov.ww, ophitsen, prikkelen.

Haor Tisse - haastig opdrijven

 

tits, titske

zelfstandig naamwoord

PM tik (licht rakend)

Der zit ng en titske in de fles - een beetje, tikkeltje, pietsje

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "'t schol mar 'n titske (een beetje)"

En 't daanste er nog 'n titske bij...

(Piet Heerkens; uit: De Mus, Mijn deuntje, 1939)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TITSKE o. - kleine tits, tikje, n beetje

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TETSKEN zelfstandig naamwoord o. - de laatste slag of klap bij het naar huis gaan van schoolkinderen. Testken geven.

TITSKEN zelfstandig naamwoord o. - een weinigje, een klein beetje.

WNT TITS - aanraking, tik

 

titse

werkwoord, zwak 

licht rakend slaan

-- titse - titste - getitst

Stadsnieuws - Ge waart em asse oe hn getitst (151109)

WNT TITSEN - 1) aanraken, beroeren; 2) iets in aanraking brengen met; 3) prikken (een paard); 4) prikkelen; tergen, opstoken, stimuleren

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zw.ww.intr. + tr. 'titsen' - 1) al slaande eventjes raken, tikken; 2) een meisje "bedriegen"

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TITSEN ov.ww - aanraken; vooral in de uitdr.'centje titse' voor een spelletje met ijzeren ballen.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TITSEN - eventjes aanraken. E prd met de zweep titsen.

 

tjan, tjannek

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek - tamme vogel (kraai, kauw, roek, gaai), b.v. op een kostschool

De Wijs -- As munne tjan (ekster) in de geut blft zitte, zeik munne vingerhoed wir kwt (27-12-1968)

Frans Verbunt -  tjannek - tamme kauw (Corvus monedula)

Henk van Rijen - 'tjallek, tjan, tjannek

- n hij had toen k ene Tjan. D was ene kraai diese t de nst holde vur dttie ks vliege. Die wier dan gevoeierd n werd dan hel tam. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)

Elie van Schilt - Veul jongens hadden toen un tam ekster op durre schouwer, ze hadden allemal dezelfde naom 'tjannek'. (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)

WBD III.4.1:149 tjan, tjannek, tjallek - kauw (Corvus monedula)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tjannek zelfstandig naamwoord - tamme kauw of ekster

WNT TJAK - tussenw. - nabootsing van het geluid v. den Kramsvogel

 

tjmtjm

zelfstandig naamwoord

tantime

Komt ook voor als 'adjm  

 Ze zitte nie meej en kln pesjoentje aachter de gerdntjes te koekeloere, mar ze gn meej dikkels ng enen beheurleken hop tjmtjm den hrt op... (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)

 

tjppe, tjppere

werkwoord, zwak  

tjeppen; drinken van sterke drank

Hij hee aaltij goed getjepperd, dien Boemes, mar de leste jaoren is ie 'nen echten zuiplap geworren... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Henk van Rijen - drinken, zuipen

 

tjoeke

werkwoord, zwak

versneld draaien bij het touwtjespringen

wsch. geluidsnabootsing

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TJOEKEN, TJOKKEN - tokken, kloppen; wordt gezeid van de krevenlende pijn die in de gestoorde zenuwen siddert, het slaan der aders, enz.

WNT TJOKKEN (II) - onomatopee - stooten, schokken, stampen

 

tb, tbber(d)

zelfstandig naamwoord

GG tobberig of zielig mens

WBD III.1.2:192 'tobben' = sukkelen; ook: 'pratten'

WBD III.1.4.259 'tobberij' = getob

 

tcht

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1.189 'tocht', 'gebruik bij (net) leven' = vruchtgebruik

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home

td, tdde

zelfstandig naamwoord

vod, lomp

eigenlijk: afgedragen textiel; in het algemeen: dingen van inferieure kwaliteit; bijvoorbeeld door Cees Robben otoegepast op schoenen: Cees Robben t Zn todde.. (19720421)

Mar dieje Meekes die daor naa op de Piejeshaove wont, h, dieje Meekes die daor n de Piejeshaove wont, die heej ok meej tdde gedaon! Die heej ok in tdde gedaon! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - Lau td = Laur. Janssens (blz. 46)

 

tddejood

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  voddenkoopman

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.3.1:83 'toddenjood' = voddenkoopman? ook 'toddenkoopman, 'toddenman', 'toddenmens', '-boer', 'toddenkruier'

 

tddeke

zelfstandig naamwoord, verkleinwofrd van td

doekje

Gift es gaa en toddeke.

Cees Robben - 'en 't zwiepte as 'n ttje ..."

WBD III.3.1:307 'todje (toddeke)' = snipper (strook papier of stof)

CiT (67) 'Gimmis 'n tddeke om d daf te bune'

WBD III.1.3:17 'todje' - vod

verkleinwoord van 'td', met umlaut

 

tddezak, tdzak

zelfstandig naamwoord

voddenzak

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - tddezakke van kaorte (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1970) kaartterm: slechte kaarten

 

td, toed (?)

voegwoord

totdat

 

tdchteg

bijwoord , bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.3:18 'todachtig' - in lompen gekleed

 

tdhop

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  hoop rommel, verzameling vodden

Stadsnieuws - Dkt dieje tdhop es op; daor kunde zo tch nie inkrupe. (240208)

 

tdkrmer

zelfstandig naamwoord

voddenman

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'toddenkreimer; 'toddenkreimers'

Daor komt den toddekreemer aon,

hij jaogt z'n hitje langs de baon.

Todd!

Hot - ju!

 

De kender, ze graaien in schuur en in schop

ze moeten 'n meulentje, pias of pop.

Todd!

Allee - ju!

 

Ze laoien d'r zakken toe boven toe vol

en draoven er hard mee de straot op! - n ll!

Todd!

Hu! - Hu! -

 

De toddeman zet er z'n waogeltje stop,

z'n Mie lee te slaopen languit aachterop.

Todd!

Hu! - Hu! -

 

De toddeman laacht er mee heel z'n gezicht,

die zakke die zijn er, verdomme, nie licht!

Todd!

Hu! - Hu! -

 

"W moete gij emme?! 'ne Meule? - 'n Fluit?

'n Pop of 'ne pias? - En gij, kleine guit"

Todd!

Hot - ju!

 

De kender die springen en gieren van lol

en de toddeman laoit er z'n waogeltje vol.

Todd!

Allee - ju!

(Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), De toddeman, 1940)

Lechim - 'De tdkrmer' - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

Henk van Rijen - ziede gij dieje tdkrmer ng ot?

WBD III.3.1:83 'todkramer, 'toddenkramer, toddenkruier, toddenkoopman, toddenboer, toddenman, toddenmens, japie todde' = voddenkoopman

CiT (24) 'Ziede gij dieje tdkrmer nog ot?'

Stadsnieuws - Z zuut of ik verkoop oe n de tdkrmer. (272008)

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. - toddenkremer, voddenkoopman

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - 'toddekrmer' zelfstandig naamwoord  - voddenkoopman

WNT TODDENKRAMER - voddenkoopman

 

tdmeule

zelfstandig naamwoord

lompenscheurmachine

WBD tdmeule (II:936) - lompenmolen

 

tdzak, tddezak

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - bed

toe

tot

1. bijwoord

WNT TOE (IV) voorzetsel. Het bijwoord TOE (I) gewestelijk als voorzetsel gebezigd, reeds in het Mnl. en thans nog opgegeven voor ... het Brabants en het Zaansch.

2. voorzetsel (tot... aan toe)

B van hier toe daor

Ge moet wchte toe nuuwjaor toe.

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Toe en zndag = tot zondag; 'toe merregenmiddag'

...van veuren toe aachteren... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...Toe zelfs z'n hoesten en kuchen toe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
Mar afijn, d waar nogal toe daoraon toe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
Hij ha koppent en bleef toe 's middags te bed... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
Teun moes 'n half uurke loopen toe aon et station... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)
...hij gong er gemakkelijk toe zitten en vaawde z'n haanden over z'nen buik... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
Den buurman gong er toe zitten... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)
...zuinig toe gierig toe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)
...van kop toe teen! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)
De vrouw gong toe de deur toe mee... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)
Toen wij nog jonk waren, gong et er heel aanders naor toe! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)
...van deur toe deur. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)
...vant Gurke toe de Rt... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vur den aawe prs)

...meej der taande op mekaare/ haawe ze vol toe n et nd. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aovendvierdaogse)

Audio-opname 1978 -- van smorges vijf uure toe saoves twaalef uure (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

Et waar daor werken van s mrges vruug, vier uur, toe s aovens tien uur. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ge zondigde van hier toe giender, verkondigden ze van de prikstoel (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Hij deej ok not sker in zen pap en ie aat aaltij un bord toe de raand toe vol. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

van aaronsklke, drve, jn/ toe fuksias n strkmargriet. (Henritte Vunderink; Wiet; k Zal van oe blve haawe, 2007)

GD 06 toe en uur f vf toe

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOE voorzetsel  = te; ook gebruikt voor 'tot'; wachten toe morgen.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TOE vz - tot aan, dikwijls herhaald achter de aangeduide plaats of tijd; toe de school toe, toe Kerstmis toe. Thans 'tot ,.. toe' en 'tot on'.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOE voor 'tot', in de beteekenis zoo wel van ad, usque, welke Kiliaen -  aan dit 'toe' geeft, als in die van 'te'. Z.a.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - krt. 78 plaatst T in het 'toe'-gebied. Zie ook blz. 181.

WNT TOE (IV) voorzetsel. Het bijwoord TOE (I) gewestelijk als voorzetsel gebezigd, reeds in het Mnl. en thans nog opgegeven voor ... het Brabants en het Zaansch.

2.1. voorzetsel 'toe'  vervangt 'op'

Cees Robben Mar t is taovend wir niks toe den botteram... [vanavond op droog brood naar bed] (19651022)

3. bijvoeglijk naamwoord

toe = dicht

CiT (53) 'Des 'ne waoge mee toe raoi'

...ginnen overweg die aaltij toe is (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Aan den overweg die netuurlijk toe was, wier er gestopt.. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

toebene

werkwoord, sterk

Henk van Rijen - dichtbinden

Henk van Rijen - 'Dur wrre wl meer zakke toegebonne die nie vol zn' - Je hoeft je niet altijd vol te eten voordat je ophoudt.

 

toed

voornaamwoord

totdat

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - wchte toed

- Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen waarder himml meej genaajd, toen moeste vort saoves wchte toed die rijers trugwaare, d was toen saoves en uur f llef, half twaalf (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

- Toed ik p et list vort vammene kruk aaf mieterde. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - vw. 'toed' - toedat, totdat

- WNT TOEDAT - totdat

 

toegeeve

werkwoord, sterk

toegeven; extra geven

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'Ge moet ze w toegeeve', zi Brnsgist (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - lett.: in de

kruidenierswinkel wat boven het normale gewicht geven; ook: gelijk geven.

WBD III.1.4:50 'niet toegeven' = iemand weerstaan

toegeeve - gaaf toe - toegegeeve

 

toegestsseld

voltooid deelwoord

Henk van Rijen - dichtgeplakt

 

toekiel

► bazzeroen

► boezeroen

werkkiel, over het hoofd aangetrokken, van voren dicht

N. Daamen - Handschrift 1916 -- Toekiel blauwe kiel

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'mee z'ne Brabantsche toekiel aon'

- Vur mutsen en pelerienen en ook vur zijje petjes en toekielen kun-de in de buurt van Diessen en vural verderop, de vremde laanden van de Aacht Zaoligheden in nog haost overal terecht. En rooi zakdoeken en kazienees verkoopen zin de Heuvelstraot nog wel. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

WBD III.1.3:74 'toekiel' = kiel; ook 'kieltje' -- als zeldzaam voor boerenkiel in Dongen en Tilburg.

Hoeufft: TOEKIEL noemt men in deze streken de meestijds blaauwe kielen, door de karrelieden en anderen gedragen wordende, omdat dezelfve van voren toe zijn, en even als de hemden over het hoofd aangeschoten worden.

WNT citeert Hoeufft

 

toekrd

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:128 'toekruid' = specerij

 

toelaog

zelfstandig naamwoord

broodbeleg

De Wijs  -- t Is vandaog mr brood dan toelaog. (10-02-1963)

Cees Robben [vrouw in kruidenierszaak:] En k nog w toelaog.. (19860425)
Cees Robben t Is vandaog meer brd dan toelaog (19630215)

d spaorde toelaog t(Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

D spek aate we et list op. Onze Co vond d zund, die bewaorde d veur s aovens bij zen brod. D vonden ze bij ons ths wel fn want d spaorde toelaog t. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

en klaor waar de nassi. Agge dcht d as middageete te krge, zaater neffe. Ge moest et opeeten astoelaog bij oew brod. Et wier hoe langer hoe gekker, mar nie lekker. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

toemet, toemaot

zelfstandig naamwoord

tweede grasoogst in de nazomer; meevaller, extraatje

Henk van Rijen - 'toemaot, toemt'

MP gez. Van de toemaot nr de haaj lope.

Pierre van Beek - (Tilburgse Taaklplastiek 178) Een belangstellend lezer vestigt de aandacht op een originele verklaringsmogelijkheid van de herkomst van ons "toemet" dat men ook wel als "toemert" ontmoet. TOEMET zou afkomstig zijn van het Latijnse ww augmentare / augere, dat vermeerderen, vergroten betekent. We ontmoeten dit woord ook in andere Latijnse of Romaanse talen, zoals in het Italiaans en in het Frans, in welke laatste taal het "augmenter" luidt. Het Frans voor 'aanwas is o.a. "augment"; met het lidwoord ervoor spreken we uit: "toment", wat dan uiteindelijk 'toemet ' geworden zou kunnen zijn. Wat ver gezocht?

WBD III.4.2:30 'toemaat' - kleinste dier van een nest; ook: 'achterblijver'

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - toemaat, tommet - nagras

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOEMAAT (ook toemmat,tommet,toemmert,tommert) zelfstandig naamwoord m. - nagras, nahooi

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - EIMET, nagras, toemaat (op sommige plaatsen 'toemaat' uitgesproken).

Verhoeven - Toemaat (toemut of toemunt), tweede oogst (zie blz. 58)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOEMAAT is hier bij de landlieden hetgeen men ook het nagroen, het nagras of het hooi van de tweede snede noemt. Kiliaen -  'toe-maet-hoij. Z.a.

De A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - tument - toement, toemaat, nagras (z.a., blz. 676)

WNT XVII I, kol. 559

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Braban (1937) - toemet: T zuiden? (blz. 168)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - toemnet zelfstandig naamwoord - tweede grasoogst in de nazomer

Etym. Het element met is verwant met maat, mate, meadow, en afgeleid van het ww. maaien.

 

toemetktje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

meevallertje

Cees Robben [over een magere vrouw:] t lkent wel n toemet-ketje... (19681004)

Frans Verbunt -  najaarskatje

WBD (III.2.1:495) 'toementkatje', 'toemaatkatje', ook 'winterkatje' =

najaarskatje

WNT TOEMAATKAT - kat die in het najaar geboren is. Ook fig. voor: persoon die graag rustig thuis zit.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - Van 'toemet', najaarsgras (extra-oogst). Letterlijk 'katje in het najaar geboren'. Zie C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - blz. 58

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord o. 'toementkatje', poesje dat in het najaar (september) in de tijd v.d. toemaat wordt geboren

Pierre van Beek - Jong katje dat in het najaar geboren is. Ze zouden niet zo goed zijn als voorjaarskatjes, omdat ze te veel achter de kachel opgroeien.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOEMAATKAT - eene kat die in t najaar, in den tijd v.d. toemaat, geboren is

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - toemetktje in de herfst geboren katje

 

toen

bijwoord  

toen

in kindertaal: 'toen-irst', 'toen-urst - destijds

Pierre van Beek - toen-nt - zojuist, zopas, kort geleden

Henk van Rijen - toentte dittie et ng

Frans Verbunt -  toen irst - voorheen

Frans Verbunt -  toen strak - kort geleden

Hees toenirst (V:82)

 

toengk
samentrekking
toen ik
Cees Robben Toenk ze zaag... (19620420)
 

toenie
samentrekking
toen niet
Cees Robben Toenie.. Naanie... N-notnie.. (19861128)


toendertds, -td

bijwoord  

Henk van Rijen - toentertijd, destijds

 

toent(te)

bijwoord  

Henk van Rijen - zojuist

CiT (20) 'Toennette di-jt nog

 

toepertoe

bijwoord

alsmaar, alles ineens; overdadig, geheel en al, met alle geweld; overal

R Allee, et hoeft nie toepertoe - Het kan toch wel op, al is het lekker!

R.J. 'pillen slikken, toepartoe'

Piet Heerkens - M'n biekes zie ik geere gaon / van blom toe blom, en aaf en aon / toezjoer en toepartoe en vlug / de blumkes aaf en weer terug (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Iemker-lieke, 1938)

Cees Robben Zeuve daoge toepertoe.... [namelijk op de kermis] (19540814)
Cees Robben Dn ijsco lokt klnen... Die toe-per-toe lekken... (19580524)
Cees Robben [tegen een bierdrinker:] Kalm aon, Jaon.. t hoeft nie ammol toepertoe... (19730202)
- door Robben ook gebruikt als tussendoor:
Cees Robben Korsemis.. Vrede... En toepertoe mar laoie en losse... (19851227)
- ook in de betekenis altijd maar weer
Cees Robben Mar Jantje (...) vruutte, vrukte vort... Jaor in jaor uit.. z toepertoe.. (19611229)

De Wijs  -- Kalm aon, t hoeft nie ammaol toepertoe. (10-02-1963)

Lechim - Mar pruuft daor naa nie toepertoe/ want et is gin zuurkesnat/ Ge zt vur dgger rg in ht/ van wn ok lkker zat. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: En vurpruufke)

Lechim - Van lieverleej is d veraanderd/ der kwaame aotos toepertoe. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De Ringbaon? Niks mir aon...)

Lechim - ...alles volop, te toepertoe. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krsmes vruuger...)

Henk van Rijen - hij spaojde mar toepertoe, toe tweeje toe - hij spitte alsmaar door tot 2 uur toe

Frans Verbunt -  toepartoe, toepertoe - zonder beperkingen

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

CiT (49) 'Hij spaoide mar toepertoe toe toe tweje toe'

GG toepartoe, toepertoe - zonder beperkingen, alles ineens (Fr. tout pour le tout - alles of niets)

-Fr. tout partout (?)

- Van Roessel: uit 'du tout au tout' (?)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TOEPERTOE (tout partout( (?) - alles ineens, op alle fronten tegelijk.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
bijw. verb. 'toepertoe ' (fr. ontlening?'; tout par tout) - zonder ergens naar te kijken, zonder iets aan te zien, gedurig, zonder ophouden.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - toepertoe bijwoord - ongeremd, zonder ophouden

- Geval van homofonie: Als carnavalsmotto was voorgesteld iets met 'toepertoe'; resultaat: 'toepertoe taaste nie toe'. Later bleek het in de praktijk neer te komen op 'toepertoe taastenie toe'. Frappant!

- in juni 2008 lanceren enkele Tilb. bakkers een nieuwe lekkernij, een gebakje volgens collectief recept, met de naam toepertoetje. M.i. hybridisch: het achtervoegsel -ke zou Tilburgs zijn.

 

toepraote
werkwoord, zwak
toepraten = gelijk geven
Cees Robben ...praot na mar toe.. (19780707) [Geef me nou maar gelijk.]
 

toer

zelfstandig naamwoord

beurt: moeilijk karwei, de route die een straathandelaar aflegt

Ik h dees week de toer om de mulkwaogen te rijen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen zk irst de mlkrichting gegaon n daor liepe die, die, d waare zak zgge, die manne die ene toer hadde n d waare gewoon jongere om meej te lope (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Cees Robben - meej toere roket er - nu en dan is het er niet pluis

Cees Robben - Tis enen hillen toer - het is een moeilijk karwei

DANB de melkboer mkte 'ne grote toer' Dirk Boutkan (1996)  - (99) ... ene grote roete

WBD III.3.1.434 'toer' = rit

WNT TOER, TOUR - 5) ronde, rondje; 6) reis, tocht; 7) beurt; 10) daad die behendigheid vereischt; 13) moeilijk, zwaar werk

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOER zelfstandig naamwoord m. - wijl ('nen heelen toer blijven); wandeling ('en toerken doen); wonder voorval; lastig werk ('nen heelen toer, ook jodentoer) van fr. 'tour' = beurt

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. 'toer' 1) beurt; 2) poos, tijd, wjjl; 3) een vervelend,lastig iets, een ongemak; 4) gedeelte (weinig gebr.); 5) verschijnsel, aanduiding, aanwijzing

Goem. TOER - zelfstandig naamwoord m.: nen - breien; nen toer doen (wandeling); ieder op zijnen toer.

 

toereloerke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

omweg

Mee n sierluk toereloerke draaiden ze durre weg eromhene... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

toerke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

PM dutje

en toerke doen - een dutje doen, een tukje doen

Henk van Rijen - 'K-maok nog gaaw un toerke vur-k wir in de burries mot' - Ik doe nog vlug een dutje, voor ik weer moet gaan werken.

WBD (III.2.1:39l) en toerke doen - een middagdutje doen

- korte oe

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TOERKE - kleine toer b.v. rondrit, uitstapje; speciaal: verontschuldigende

benaming van een kort, welverdiend middagslaapje: efkes n toerke doen, op z'ne rug gon staon e.d.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOERKE wandeling: 'en toerken doen'

 

toerlezjoer
bijwoord
uit Frans tous les jours, elke dag
Cees Robben Jan Dokus waar unne goeie meens/ Die vf en twintig jaor/ De zaok gediend had toerlezjoer/ J... ongelogen waor... (19600701)
 

toerlezjoere

werkwoord, zwak

blijmoedig rondtrekken; uitgaan

- toerlezjoere - toerlezjoerde - getoerlezjoerd

- 1e oe is kort, 2e oe is lang

- kennelijk van Franse oorsprong

Ze zullen dus wel, as wij sliepen, in de bedsteej hebben liggen toerlezjoeren. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - p zene toerlezjoer zn (Pierre van Beek - TT68) - de hort op zijn (Mogelijk van Fr. 'tour de jour' = dagronde)

Piet van Beers 1ste Lezing uit Lukas 15: De jongste van die tweej, ha enen heekel n boere/ n di gelek niks liever as "toerlezjoere." (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Stadsnieuws - 'Naa dttie getrouwd is, zat wl t zn meej d toerlezjoere'(100908)

WBD III.3.2 kent niets wat erop lijkt.

 

toerrije

werkwoord, sterk

WBD brood thuis bezorgen

Henk van Rijen - 'trrje' - koopwaar bezorgen

 

toeschrt

zelfstandig naamwoord

schort (van kin tot over de knien)

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - ''nen eenderen toeschort (daor ze gelijk in zitten)'

 

toesjee
uitroep; uit Frans Touch; biljartterm om aan te geven dat de speler de te stoten bal wel heeft geraakt met de keu echter zonder de stoot uit te voeren, waardoor hij de beurt verliest.
Cees Robben En zidde toesjee nou dan haddet gedaon/ En hadden zoe willen vermre... (19571221)
 

toestssele

werkwoord, zwak

uit 'toe' = dicht, en 'stssel' = stijfsel: dichtplakken

Alleen aangetroffen bij Heerkens

Ge weet wel waor Baokel in Brabant lee:

et lee aon den uitersten kaant, en

't bestao mar uit enkelde boerestee,

w haai en w waaie, - de weerelt, o j,

is er toegestesseld mee kraante! (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944)

 

toestraks

bijwoord

toen straks = kort geleden

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

toeswiet

uitroep

onmiddellijk; uit Frans 'tout de suite'

Interview Jolen - 1978 - Ik zaat daor siegaare te maoke, war, n hij moes iets hbbe nt ging nie vlug, vlug genog, h, dan stond hij: toeswiet!!toeswiet!!...Kiske van Hest was d. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

toethaspel

zelfstandig naamwoord

sukkelaar, stoethaspel

Daamen - woordenlijst 1916 - "toethaspel - sukkeltje"

WNT STOETHASPEL - 1) onbehouwen of onbeholpen persoon, iemand die zich niet weet te redden; 2) 'een vreemie stoethaspel' een vreemdeling met wien men niet op kan schieten

 

toetmm

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  ene toetmm - alles gelijk (fr. tout de mme)

WNT TOETMEM, toetemem, zelfstandig naamwoord  verbastering van fr. tout de mme - geheel hetzelfde (in div. dialecten)

 

toetsmp

zelfstandig naamwoord

De betekenis is niet geheel duidelijk, gezien slechts deze mededeling:

- 'n Toetsmop" geeft men aan zn kleinste lieveling. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

Mogelijk een koosnaam.

 

toezjoer

bijwoord

altijd; uit Frans toujours

M'n biekes zie ik geere gaon

van blom toe blom, en aaf en aon

toezjoer en toepartoe en vlug

de blumkes aaf en weer terug (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Iemker-lieke, 1938)

Cees Robben En daornao [ na de kermisweek] ... toezjoer gemaon [rekeningen] van slachter en van bekker... (19540814)
Cees Robben ...toezjoer zonder end (19600102)
 

tffel, taofel

zelfstandig naamwoord

tafel

We zaate meej zissen on tffel.

N. Daamen - Handschrift 1916 -- 'toffel' - tafel

M taofel

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Volgens krt. 61 ligt punt T juist ten westen v.d. lijn ten oosten waarvan klinkerverkorting optreedt, hetgeen inhoudt dat op T's gebied naast 'taofel' ook wel 'tffel' gezegd zal worden.

R.J. 'op vloer en toffel'; n w stn de tffels vl

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - zowel 'taofel' als 'toffel'

Cees Robben - driederhaand srt gruuntes p tffel;

WvM 'en t van dees toffel'

Frans Verbunt -  dije lange lummel kan bij Onze Lieven Heer op tffel kke

Frans Verbunt -  speule meej et mis op tffel

- Nao ut opstaon saom n toffel/ Mee w spekvet in de pan. Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

- As smiddaags de fubrieksflit gong/ Stond ut eete op de toffel klaor Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

Ok laag der vort un toffelkld op de toffel. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Siendereklaos reej vur die kln nog op toffel. Ze han nog gin benul van suppriese maoke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Bij ons taante Gerrie kosse wij aaltij ons ben meej onder de toffel schve (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Om op de vrijdag terug te komen. Soms en wel hl soms, krge wij un half aai bij ons brod. Gin hl, ben de gij naa hillemol mee et toffelkld bedekt, d kos den brne nie trekken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. 'toffel' - tafel

 

tffele

werkwoord, zwak  

GG ongewenst gedrag in het openbaar afstraffen, een volksgericht houden

WBD (III.3.2:310) tffele, c.q. uitkeetele, trommele = zie hierboven

 

tffelr

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - ketelmuzikant

 

tffelgeraaj

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  bestek

Stadsnieuws - Et tffelgeraaj laag meej et tffelkled in de tffelschf (010309) - het bestek lag met het ontbijtlaken in de tafella.

 

tffelschf

zelfstandig naamwoord

tafella(de)

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord vr. - tafelschuif

 

tol

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:106 tol = raap

 

tlde

verleden tijd van 'taole'

Henk van Rijen - taalde

 

tlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

tolletje

R.J. 'draait as n tlleke'

verkleinwoord van tl, met umlaut

 

tlsereej, twalsereej

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - tafelzeil (Fr. toile cire)

 

tlt

werkwoordsvorm; persoonsvorm.

taalt (enkelv. verleden tijd van 'talen'/ taole)

Henk van Rijen - hij tlt er nie naor - hij geeft er niet om, heeft er geen belangstelling voor

 

tltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

taaltje

Buuk Tilbrgs is nie zomar en aoreg tltje, mar tis en chte taol.

- verkleinwoord van 'taol', met vocaalkrimping

 

tltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

tuiltje, ruikertje, bosje bloemen, boeket

- verkleinwoord van 'tl', met vocaalkrimping

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUILTJE zegt men hier voor hetgeen men elders een ruiker noemt, waar

tuiltje naauwelijks dan in den diohterlijken stijl bekend is.

 

tompoes

Ill. Thom - grote lisdodde - typha latifolia

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:412 tompoes - lisdodde (typha latifolia), ook genoemd: lis, lisdt, lampepoetser of riet

WBD III.4.3:413 tompoes - aar v.d. lisdodde; ook genoemd: lisdt , klf, lampepoetser of kattestrt

 

ton

zelfstandig naamwoord

ton, vat

1. inhoudsmaat

Lodewijk van Dorrus Misters - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; NTC 23-6-1951)

2. geldbedrag

Henk van Rijen - geldbedrag ad f. 30.000 (Tilburgs ton)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en Tilburgse ton hebbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Als vroeger een Tilburger zei dat hij een ton bezat, werd dat met een korreltje zout genomen (Men schatte dat op dertigduizend gulden)

 

tonbaank

zelfstandig naamwoord

toonbank

 

tong, tungske

zelfstandig naamwoord

tong

MP gez. Den dieje, die zal k gin blnen p zen tng krge (zegt weinig)

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - op de tong - op de tong

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - oover zen tng kakke (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - overgeven (ook van dronkenschap)

WBD III.1.4:ll6 'vuil tong' = vrouw die graag kwaadspreekt

 

tongblaor

zelfstandig naamwoord

WBD mond- en klauwzeer (bij koeien)

 

tonkle

Werkwoord, zwak

Tonkuilen, inkuilen.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): En det de mert van de patrasen, die ge ton kuilde.

 

tnman

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - tuinman

Dirk Boutkan (1996)  - 'tman' (blz. 55)

Uitspraak: met tot m geassimileerde n

 

tonpraot

zelfstandig naamwoord

tonpraat

een voordracht die met carnaval gehouden wordt, en waarbij de spreker in een ton staat

Cees Robben Hoe vonde menne tonpraot, Nel..? Nou.. veul geklets, mar t praotte wel. (19741129)

Cees Robben - detail Prent van de week 29-11-1974

 

Witte gullie dtter in Tilbrg ene Tonpraotakkedeemie is? Wr ge kunt leere leutere? (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

tontje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

toontje

Cees Robben - n hij zingt en tntje leger;

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - ieder bntje hee zen tntje, ieder rtje zen knsrtje (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - bonen en erwten veroorzaken namelijk winden

verkleinwoord van 'ton', met vocaalkrimping

 

tntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hegje, tuintje

Henk van Rijen - gez. Nie oover et tntje loere

verkleinwoord van 'tun', met vocaalkrimping

 

tog

zelfstandig naamwoord

toonbank, in het bijz. in een caf; gewelfd metselwerk

WBD III.3.1:89 'toog = toonbank

WBD III.3.2:258) tog, ereboog, triomfboog, straatboog, feestboog, priesterboog = ereboog

WBD III2.1:68 'toog' = gewelf

Gent TOOG 1) toonbank: 'Aan den - geplakt staan' - ergens (vooral in een herberg) aan den toog staan en niet weg kunnen.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOOG (scherpe o) zelfstandig naamwoord m. - toonbank in eenen winkel of eene herberg.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - 'toog' zelfstandig naamwoord  - toog

WNT TOOG (II) - 11) plaats waar koopwaar uitgestald ligt of getoond wordt; later bepaaldelijk toonbank in een winkel en, minder eigenlijk, buffet (tapkast) in een herberg of caf (in Vlaand., Nbrab. en Zeeland)

Opmerking: Bij jppe, hierboven, komt ook 'toog' voor. Wat voor mij aanleiding was tot onderzoek. Van Dale XIV geeft onder 1. TOOG 7) tapkast, 'schouwspel' van togen (tonen). Van Dale Etymologie verwijst naar Gotisch ataugjan < augo 'iets voor ogen brengen. In WNT XVII: 1283 wordt TOONEN vermeld: "Toonen is wsch. reeds in de 16de, doch zeker de 17de eeuw het gewone woord boven den Moerdijk. Terzelfder tijd is het in het brab. en limb. naast het verouderende toogen in gebruik ..." De dubbel oo in de open lettergreep garandeert dat het om een scherplange oo gaat, en de schrijfwijze toog juist is. Niettemin geeft de Woordenlijst van 1865: toog, togen; toog (=toga) togen; toonen; maar toogen komt niet voor (dialect).

 

toge

werkwoord, zwak  

tonen, laten zien, duidelijk maken

 

toogpin

zelfstandig naamwoord

WBD (II:2494) toowchpin' - houten nagel

 

toje

werkwoord, zwak  

versieren, opsieren

 

tom

zelfstandig naamwoord

toom

WNT - de gezamenlijke terzelfdertijd uitgebroede jongen; broedsel, nest.

Cees Robben - t Is kazzjewel die kiep van mn.../ z zrgt ze vur de Paose.../ t Is de leste van den tm.../ En asse lee.... dan staose... (19550312) ► leste

WBD (Hasselt) - hoofdstel (v.h. paard), aldaar ook 'trens' genoemd of 'hoofdstl'; elders: 'hoofdstl'

WBD (Hasselt) - troep biggen uit n worp

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOOM, voor geslacht (Lat. soboles), hoorde ik eene enkele reis gebruiken door iemand die zeide een 'toompje hoenders' voor een koppel. Z.a

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOOM zelfstandig naamwoord m. - hoofdstel van een peerd

 

ton, tontje

zelfstandig naamwoord

toon, klank

WBD (III.3.3:85) toon, klokketon, klaank = klank van een klok

 

tone

werkwoord, zwak  

laten zien

WBD III.4.4.301 'tonen' = gelijken

tone - tonde - getond

met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: tont

 

tontrjer

zelfstandig naamwoord

WBD paard met naar binnen gedraaide hoeven, ook 'tentrjer' genoemd

 

toore, torre

zelfstandig naamwoord

toren

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - die nder de schaoj van den toore woone, die zn me te fn (D.16)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - haole ze bij jllie saoves de toore ng binne ('72; - smalend tegen mensen uit Enschot

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - teege de tooren omho zinge (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - uiting van waardering voor de kwaliteit van het zangkoor

Dirk Boutkan (1996)  - trretje; (blz. 51) toore - torretje

WBD (III.3.3:75) toore, klkketoore = kerktoren - ik zie zo gre al die toores

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - toore (krt. 61)

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord m. - toren

 

toot

zelfstandig naamwoord

wang

Van Dale - toot - (gew.) gezicht, gelaat, mond, tuitmond; grimas (vgl. toet)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "'k zal oe tegen oe tooten kletsen (wangen)"

WBD III.4.2:34 toot - voorste deel v.h. gezicht van een dier; ook genoemd: bakkes, wroet, neus of bek

WBD III.1.1.65 'toot' = gezicht

WBD III.2.2:103 'tootje' = kus

WNT TOOT 12) van een persoon: mond, en vervolgens ook aangezicht

 

tootenbakkes

zelfstandig naamwoord

N. Daamen (handschrift 1916) --  "ze hee 'n totenbakkes (een gezicht met vooruit stekende tanden)"

 

toverbl, toverblleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

toverbal, - bol; snoepgoed in de vorm van een bolletje, dat steeds van kleur verandert naarmate het zich langer in de mond bevindt en kleiner wordt. Het snoepen van een toverbal ging daarom gepaard met het voortdurend uit de mond nemen van het snoepje om te zien of en hoe de kleur veranderd was. Cees Robben maakte er een prent van met twee driekoningen die n toverbol hebben (5 januari 1962; Rooms Leven):

 

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de toverbol = Hein Bijvoet (blz. 25)

Wij moese aatij irst de [Hasseltse] kepl in n n rozehuuke bidde vurdmme vur en of twee cnte snuupkes mochte kope. En ik moet zgge, dan smkte-n-et ok beeter. Et joodevt, de stroopseldtjes, de drpveeters, t zuuthout, toverblle. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

tovere

werkwoord, zwak  

toveren

- tovere - toverde - getoverd (geen vocaalkrimping)

 

tpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'tp', met vocaalkrimping

topje

Cees Robben Ziede n tpke... [van een boom] (19601007)

 

trf

Turfstekers in de Peel

zelfstandig naamwoord

turf

MP gez. Had, had haaj gefreete, dan hadde trf gescheete.

MP gez. Hak hooj gegeete, dan hak trf gescheete.

R.J. "n houtje of 'n trrefke '

Cees Robben - As ge haaj had gegeete, dan hadde naa trf gescheete.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge en kltje ht, wilde en trfke teege ('84) - Geld trouwt graag geld.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - die een trfke brngt, kmt en kltje teege ('50) - Geld trouwt graag geld

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - zak enen trf haole? (Alg. Brab. '87) - gezegd tegen iemand die met de ellebogen op tafel zit te eten.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. (als voorw.naam en als stofnaam) - turf

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TRF (uitspr.trref ) zelfstandig naamwoord m., ook als stofnaam: turf.

 

torte raope

koeienmest verzamelen

Audioregistratie 1978 - die ging prdstront raope, torte raope, zisse ds dan wir Riels, die kwaam van Riel aon! Prdstront raope om dere tn te bemste n ze han dan ok en vreke n en gt! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

   

tttere
werkwoord, zwak
totteren
WNT lemma TOTTEREN - knoeierig bezig zijn, prutsen. In het antw. en het vl.-zeeuwsch.
Cees Robben Zit toch nie z te tottere meejoewaai... (19730729)

 

traajfel
bijvoeglijk naamwoord

Hebreeuws: treefa; jiddisch: treife

niet-geoorloofd; bijvoorbeeld van vlees dat op onjuiste wijze behandeld is

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens .n asse d hadde dan mooge ze der niks van gebrke as d vastzaat. Dan was die nie traajfel! J d noemde zullie traajfel j, ds en tdrukking van de Joode!! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

traaw, trouw, trouwe

zelfstandig naamwoord

het trouwen, het getrouwd zijn, het huwelijk

...in den trouw koom et ongeluk aaltij van den kaant van et mansvolk! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

...hij ha wel schrik van 't trouwe, d wel, want ge wit noot, hoe zoo'n frammes d'r eigen nao d'ren trouw ontwikkelt... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
Hij ha-g-et al zoo dikkels geheurd, d 't zachtste lammeke nao den trouw in 'nen draok kan veraandere! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

...dan is me de trouw nie vur honderd percent meegevallen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

traawe

werkwoord, zwak

Pierre van Beek -- vast staat wel, dat zekere Tilburgse Duse, die een verstokte vrijgezel was - en daarbij een grapjas ook! - de volgende woorden op zijn rekening geschreven ziet. Als er sprake over trouwen was, zei hij steeds: "Ze hebben Onze Lieve Heer gemarteld en gekruisigd mar nog nie laote trouwen!"

 

traktemnt

zelfstandig naamwoord

tractement; meestal het geld dat een man van het weekloon mocht behouden voor zichzelf

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

traon

zelfstandig naamwoord

traan; meervoud 'traone'; verkleinwoord = trntje, trntjes

traan

CR van mannen n jn krg ik aaltij de traonen in men oge.
FVb traone die ge schruwt, hoefde nie te piese
FVb traone n sneevel geeve gin vlkke

levertraan

- alleen enkelvoud: traon
CR daor rok et nor traon

Bont tro'.n , znw.m. 'troo'n', traan, vet of olie v. walvissen - troi-n, znw.vr. 'troo'n', traan (oogvocht)
 

traonoge

zelfstandig naamwoord, meervoudig

traanogen

WBD traonoge - (v.e. paard) troebele ogen, (in de Hasselt) genoemd
'droezeleg'

WBD III.1.1:245 'soepogen', 'leepogen' = tranende ogen

 

trap

zelstandig naamwoord

constructie van opeenvolgende treden; traptrede

WBD III.2.1:71 - trap, tree - trede
WBD III.1.2:171 -  trap = schop

 

traplirke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van trapleer; laddertje
WNT - TRAPLEER - hetzelfde als laddertje

 

Trappedoelie

zelfstandig naamwoord, eigennaam

een van de namen voor Zwarte piet; met ►Sjaksjoer was hij een van de strengste helpers van sint Nicolaas

f dmme meej de roej zon krge van Sjaksjoer f Trappedoelie. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

trappeere

werkwoord, zwak

betrappen

WBD III.3.1:351 'trapperen' = betrappen
 

trappistevreke

zelfstandig naamwoord

Trappistenvarken

A.J.A.C van Delft: Iedere rechtgeaarde Tilburgsche wever toch kocht met de "Kauwmrt" een varken en 't moest geen "trappistevrke" worden, teneinde omstreeks Allerheiligen buren en bekenden te kunnen laten komen "stuiten". (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 9 maart 1929; Van vroeger dagen 104: Kinderspelen 1)

WTT 2012: De door Van Delft genoemde kaawmrt was de maandmarkt in februari. Het gekochte varken werd vetgemest en rond Allerheiligen geslacht. Bij die gelegenheid kwamen de buren stuiten, dat wil zeggen: het resultaat prijzen. Zie bestte.  Trappistevrke behoorde blijkbaar tot het Tilburgs taaleigen van die tijd, maar verklaringen zijn niet opgetekend. Blijkbaar was het iets wat liever niet moest gebeuren.  Dat vermoeden wordt bevestigd door Van Delfts dialectische aantekening, korte tijd later:  "In het veurjaor koopen wu een vrreken, een knap vrreke of een trappistevrreke, en als ie het goed gedaon hee, dan gaot ie mee Korsmis op de leer en komt de buurt stuiten en 's avonds op de kaoikes." (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 20 april 1929; Van vroeger dagen 110: Tilburgsch dialect.) We mogen aannemen dat een knap vrreke een varken is dat het goed gedaon hee, namelijk goed vet geworden is en dus veel vlees opbrengt. Een dergelijk varken zou dan het tegengestelde zijn van een trappistevrreke, een varken dat het minder goed gedaan heeft, minder vlees opbrengt dan gehoopt was. Wat een varken precies zou opleveren was immers pas na de slacht precies vast te stellen. Het was een onvoorziene meevaller als het geslachte varken een binnevtter bleek te zijn, een exemplaar met veel spekvet dat van buiten nou eenmaal niet zichtbaar was. Maar daarmee is de naamgeving trappistevreke niet verklaard. Een vergelijkbare benaming vinden we echter in het tijdschrift De Brabantsche Folklore in een artikel van F. de Ridder over Het H. Geest varken:

De inrichters van een liefdadigheidsfeest zaten voor eenige jaren te Thienen bijeen en regelden, hoe het diende aangelegd, om het feest te doen gelukken. Vooraf was, als een stelregel, gezet, dat, dewijl het liefdadigheid gold, iever en moeite zouden gegeven worden "gratis pro Deo. Toch meenden leden van het bestuur, dat sommige arbeid een vergoeding hebben mocht. "Voorzichtig! zei daarop iemand of 't wordt een H. Geestvarken! Deze uitdrukking komt zelden nog voor in het Hageland. Binst een tijdspanne van vijf en twintig jaar hebben wij ze hoogstens vier vijfmaal gehoord. Zij wordt gebezigd, om te beduiden, dat iets mislukt is of beter[:] zijn doel niet heeft getroffen. (De Brabantsche Folklore;  augustus 1925)

In beide benamingen is de religieuze achtergrond opvallend.

Heilige Geestvarkens waren varkens die eigendom waren van een liefdadigheidsorganisatie, met name die welke voedsel wilden verstrekken aan armen. (In Nederland vaak Tafel van de Heilige Geest genoemd.) Het artikel in Brabantsche Folklore schetst echter een wat cynisch beeld van deze vorm van armenzorg. De auteur presenteert een achttiende-eeuws reglement waarin nauwkeurig omschreven wordt hoe de opbrengst van een dergelijk varken na de slacht verdeeld moest worden. Daaruit blijkt dat verreweg het grootse deel, en de beste delen, ten goede komen aan: meneer pastoor, de koster, de ouden H. Geestmeester, de jonge Armmeester, de slachter, en Den officier (vertegenwoordiger van het wettelijk gezag). Wat er dan nog overbleef was voor den armen. Of zulk een althans voor de armen tegenvallende opbrengst wil zeggen dat in Tilburg het beste deel van sommige varkens naar de paters Trappisten op Koningshoeven ging, is daarmee niet vastgesteld. Wel sprak men in Tilburg over het pastoorsstuk, namelijk een deel, en niet het geringste, dat voor meneer pastoor bestemd was. Zie aldaar en zie lemma krp.

Ook in Nederland is deze vorm van liefdadigheid in gebruik geweest, en naar het zich laat aanzien ook deze vorm van teleurstelling. J. H. Kruizinga schrijft tenminste: 's Avonds komt de slager terug om het varken in stukken te snijden. Het is nog gewoonte dat deze en gene van de slacht profiteren. De jongste zoon krijgt meestal ,,'t muiske", een stukje vlees dat direct gebraden wordt; burgemeester, dominee, dokter en de armen van het dorp krijgen soms ook hun deel. (In:  Levende Folklore in Nederland en Vlaanderen; 1953)

- Martin de Bruijn in: Tilburg, stad met een levend verleden (2001):  De leniging van nood - van echte bestrijding van armoede kan zoals we gezien hebben niet gesproken worden - was in Tilburg, zoals ook elders gebruikelijk was, in beginsel in handen van de Tafel van de Heilige Geest, een organisatie die haar wortels had in de Middeleeuwen. Voor Tilburg wordt zij al vermeld in het hertogelijk cijnsregister van 1334.  Deze overal voorkomende instellingen danken hun naam aan de tafel waarvan de uitdelingen aan de armen werden gedaan.

 

traveljeur

Assortiment met travailleurs - foto uit: Commandeur e.a.,Ge waart mar arbeider; 1981

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - (textiel; werker (deel van het assortiment) (Fr. travailleur)

WNT TRAVAILLEUR - arbeidswals op een textielmachine

 

trchter

zelfstandig naamwoord

trechter

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - type 'trechter', met ch (krt. 40)

 

treej

zelfstandig naamwoord

trede

WBD tri-je (II:976) - treden (van een getouw)

WBD (II:2795) 'treejer' (mv.) - treden (van een huifkar)

WBD (III.2.1.71) tree - trede, ook: trap

WBD (III.1.2.153) 'tred' = stap, schrede

 

treeje

werkwoord, sterk

treden

WBD aftreeje - land aftreden (on de grootte ervan vast te stellen;

WBD III.1.2:151 'treden' = met grote stappen lopen'

WBD III.4.4:292 'treden' = afpassen, ook 'afstappen'

B treeje - trj - getrje

Dirk Boutkan (1996)  - treeje - traad - getreeje

 

treejer

zelfstandig naamwoord

treder

WBD treejer (II:956) - treder, plank vr het weefgetouw, waarop de wever loopt.

 

trn

zelfstandig naamwoord

trein

WBD (II:2813) 'trjnkr' - treinkar (samengestelde kar)

 

trffe

werkwoord, sterk

Dirk Boutkan (1996)  - trffe - trf - getrffe 

 

trk

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4.116 'trek' = tocht

N. Daamen - Handschrift 1916 -- trek 'het trekt hier zoo' (tocht)

 

trkgat

zelfstandig naamwoord

tochtige opening

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TREKGAT zelfstandig naamwoord o. - plaats waar voortdurend een windtocht gevoeld wordt. Smalle straten langsheen eene kerk zijn doorgaans trekgaten.

WNT TREKGAT (II) - Plaats, b.v. een steeg; of een straathoek, waar het sterk tocht

 

trkgld

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:110 'trekgeld',  'inzetgeld, slagengeld' = priem (bedrag dat

uitbetaald wordt aan degene die bij de eerste verkoping het hoogste bod heeft gedaan)

 

trkke

werkwoord, sterk

trekken, in uiteenlopende betekenissen.

- C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TREKKEN, bij v. Dale 28 bett., bij het onov. ww vallen o.a. op: 1) tochten: het trekt hier; 2) inkomen hebben uit rente; 3) winnen: 'n vrskalf trekken; 4) lijken op; Hij trekt op zijn vader; 5) betrekking hebben op, innerlijke samenhang vertonen; d trekt nergens op.

- A.P. de Bont -Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww.intr. + tr. - trekken (div. bett. z.a.)

- trkke trok - getrokke

op iets, iemand of elkaar lijken

- Cees Robben W trekt ie [het kind] toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi... (19840217)
- Cees Robben Ze trekke wel op mekaar (19790907)

- Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TREKKEN OP - trekken naar, gelijken op, fr. ressembler

WBD III.4.4:301 'trekken' = gelijken, ook 'trekken hebben'

met ontkenning: nergens op slaan,geen gezicht, waardeloos

- Audioregistratie 1978 - D weet ik ng goed zuur brod, j, meej zuurdeg gebakke nt as den Dtser dieje kuch doen, h! n die knder, h, en bietje booter derop. Et trok van gin kaante! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et trkt erp as zk p ene riek ('47) - het lijkt nergens op.

- Henk van Rijen - d trkt op niks - dat lijkt nergens op.

- Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - trkke ww - trekken; d trekt nrreges op.

geld ontvangen voor onderhoud

- Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - Hij trk van den stillen rme.

tochten

- WBD III.4.4:42 'trekkerig weer' = winderig weer, ook 'waaierig'

- Cees Robben Figuurlijk: Asset thuis waait moete n deur dicht doen... aanders trekket... (19721117)

- WBD III.4.4:116 'trekken = tocht

beginnen

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: Mar vur ie an zun aovendte trok, taastte ie irst in zunnen zaak

 

trkmoonieka

zelfstandig naamwoord

GG accordeon, trkrgel

 

trkplster
zelfstandig naamwoord
trekpleister; overdrachtelijk gebruikt voor flirten
Cees Robben Des n schn trekploster daor... (19650129)
 

trkrgel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - trekharmohika, trekzak

WNT TREKORGEL - Zuid-Nederlands voor (trekharmonica).

 

trkpt

zelfstandig naamwoord

N. Daamen - Handschrift 1916 -- trekpot - theepot

 

trktemnt

zelfstandig naamwoord

traktement

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - et weer is goed, zi den boer, as et trktemnt k mar goed was (Si67)

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'trektement' (passim)

WBD III.3.1:138 'traktement' - zakgeld - Haar tractemnt - zakgeld

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o. - traktement, zakgeld dat een boerenjongen resp. een man van zijn ouders resp. van zijn vrouw voor de zondag krijgt.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - traktemnt zelfstandig naamwoord  zakgeld

 

trmke

zelfstandig naamwoord

trammetje

verkleinwoord van 'tram', met umlaut

Cees Robben Jouw tremke (19610929)

 

trns

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) - hoofdstel (van een paard), aldaar ook 'toom' genoemd of 'hoofdstl'

WNT TRENS (I) - 1) deel v.h. gareel van een paard

 

trpke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van 'trap'

Henk van Rijen - trapje

 

treure

werkwoord, zwak  

treuren

WBD III.1.4:267 'treuren' = kniezen

B treure - trurde - getreurd (lange eu)

vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij treurt

 

trewel, truifel

zelfstandig naamwoord

troffel, kalkscheppertje

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - zelfstandig naamwoord o.+vr. 'traweel, treweel' - truweel, troffel

WNT TRUWEEL, trouweel - De vormen truwel en trouwel wijzen wellicht op aceentverschuiving, welke in het Mnl. geleid heeft tot TRUFEL en later  tot den opvallenden vorm TROFFEL. - Zeker gereedschap van metselaars.

 

triekoow

zelfstandig naamwoord

WBD tricot (II:889)

WNT TRICOT zelfstandig naamwoord bijvoeglijk naamwoord  - 1) als verzamelnaam: gebreide goederen of kleeding; 2) machinaal of met de hand gebreide stof van wol, zijde, katoen of dergelijk materiaal; 3) benaming voor verschillende kleedingstukken, van de genoemde stof vervaardigd

 

triesteg

bijvoeglijk naamwoord

triest, droevig

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'triestig'

WBD III.1.4:249 'triestig' = bedroefd

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijvoeglijk naamwoord  'tristig' - triestig

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TRISTIG - bedroefd, neerslachtig, treurig.

WNT - TRIESTIG, TRISTIG

 

trifke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

treefje

WBD III.2.1:l76 'treefje' = taartenroostertje

 

trip

zelfstandig naamwoord; uit trijp, namelijk het Franse tripe
- oorspronkelijk afkeurende of minachtende benaming voor een gierig persoonn
WNT lemma Trijp: Scheldnaam met betrekking tot een valsche, liederlijke of gierige vrouw; loeder, feeks en dergelijke.
Cees Robben Des nog n aauwverwetse fn trip... (19680809) [Dat Robben gierig bedoelt mag worden afgeleid uit de prent: de fn trip laat aan het strand alleen haar blote voeten zien...
Henk van Rijen - en fn trip - een knappe vrouw [Van Rijen lijkt de prent van Robben niet goed te hebben begrepen.]

- De oorspronkelijke negatieve betekenis en ook het idee van gierigheid is volledig verdwenen in een andere prent van Robben om plaats te maken voor kwezelachtigheid:
Cees Robben Die fn trip (...) mee dr prevelementje en durre seklaade.. (19850215)

WBD III.1.4:87 'fijn trip' = huichelaar

WNT TRIP (VII) zie TRIJP 3) - Scheldnaam m.b.t. een valsche, liederlijke of gierige vrouw; loeder, feeks en derg. Z.a.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TRIP zelfstandig naamwoord v. gierige vrouw: En gierige trip

 

trits

zelfstandig naamwoord

trits, drietal

Pierre van Beek - dubbele (dbbele?) trits - iets wat langer duurt dan normaal, b.v. Mis met drie heren - mis meej nen dubbelen (dbbelen) trits

D16 dubbelen trits (als iets aan beide zijden meevalt)

WNT onder TRITS: Volgens schuerm. te Antwerpen in de uitdr. dat is dobbel en trits of: dobbelen tris om aan te duiden dat iets zeer overvloedig is.

 

troef, truufke

zelfstandig naamwoord dim

troef, doorslaggevend element

- Daor ist rmoej troef. - Daar heerst doorlopend gebrek.

- rtes troef

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
truf, zelfstandig naamwoord m. troef; 'Den troef is ert' - de fut is eruit.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TROEF zelfstandig naamwoord m., niet v. - spr. Armoei is daar troef

 

troefel

WBD (III.2.1:259) troefel = kolenschop (op Korvel)

ook genoemd 'kolenschup  

 

troel, troeleke

zelfstandig naamwoord

vleinaam voor een kind, meisje of vrouw

Cees Robben Waor leej mn schaors, troeleke..? (19580118)

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - trul: zie 'trui'; zelfstandig naamwoord vr. 'Trui', sulachtige vrouw: 1) een smerige vrouw, 2) een gierige vrouw; vleinaam voor een koe

WNT TROEL - In minachtenden of verachtelijken zin of als scheldwoord toegepast op een vrouw ... z.a.

 

troela

zelfstandig naamwoord

tamelijk negatieve kwalificatie van een niet magere vrouw

ietwat sullig vrouwspersoon

ws d toch en dikke troela!

WBD III.1.4:35 'troelie' = domme vrouw

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - trula (kaartspelersterm) troela

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - troela zelfstandig naamwoord  - drie azen (kaartterm); onhandige vrouw

WNT TROELA = troel

 

trof

verleden tijd van 'trffe'

trof

 

Foto: Katholieke illustratie ca. 1925

trg

zelfstandig naamwoord

WBD varkenstrog, ook 'voejerbak' genoemd

WBD baktrog waarin bloem bewaard wordt

WBD degtrg , trog - baktrog (kuip waarin de eerste bewerking van het deeg plaatsvindt)

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
tro.ch, zelfstandig naamwoord m. 'troog' - trog , hetz. als 'vrkesbak'

 

trok

werkwoordsvorm; persoonsvorm.

trok (verleden tijd van trkke); tochtte, leek

DANB hij trk et prd n zene strt

 

trllie

zelfstandig naamwoord

tralie, in het bijzonder voor een raam in een gevangeniscel

- D hoeft toch nie hil Tilburg te weete, d ik aachter de trllies hb gezeete? (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- WBD III.2.1:49 - tralie = tralie

 

trom, tromke

zelfstandig naamwoord

trom, slaginstrument

Hij heej al zolang op en trom gestaon

DANB ik kcht vur de klne en trm, trmke

WBD (III.3.2:331) trom = trom; ook: trommel

 

tromdraoger

zelfstandig naamwoord

tromdrager degene die in de harmonie de grote trom slaat

Interview met de heer De Kok (1978) Orfeejus [het tilburgs harmonieorkest Orpheus] d was, d was Die ene die teege mn om moes zgge die was daor tromdraoger! Die is nouw ok dod! KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

 

trommeltje, trommelke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

trommeltje

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - het plur. suffix -tje komt voor naast -ke (blz. 121)

 

trntje

traantje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

verkleinwoord van 'traon', met vocaalkrimping

 

tron, trontje

zelfstandig naamwoord

troon

Goem. TROON zelfstandig naamwoord m., verkleinwoord. trunke

 

troppiekal

Henk van Rijswijk - Tropical: Fijne kamgaren stof in platbinding geweven. Kaal geschoren. Zeer geschikt voor dames- en herenkleding te gebruiken in de tropen.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), ►henkvanrijswijk/textielschool.htm
J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Tropical: Zwaar drill-weefsel voor werkmans- en sporthemden, met geweven dessin. Ook; grijs gemeeerd kamgaren weefsel in keper binding voor heerencostumes.
WNT lemma Tropical -1967 - znw. onz. en bnw. Een blijkbaar aan het eng. ontleende ben. voor twee soorten van weefsels; (door DE VOOYS uit ndl. advert. opgeteekend in 1914; N. Tg. 8, 237); 1. Dunne kamgaren stof voor heerenkostuums. In de voorlaatste aanh. gebezigd als bnw.
 

tros, truske

zelfstandig naamwoord

tros

As ons taante Sjaan waar gewist, krg ik dan nog un truske drve of enne banaan. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD trs, truske, kf of 'kuif' - haren tussen de horens van een koe

 

trske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Frans Verbunt -  betaalmiddel tijdens manifestatie Tilburg Culinair

Frans Verbunt -  'trskesmenuu' - speciaal menu tijdens manifestatie Tilburg Culinair

 

trost

zelfstandig naamwoord

troost

 

trostprs

zelfstandig naamwoord

troostprijs

De Wijs  --  D zn zeker de trstprze! (10-02-1963)

 

trouw

zelfstandig naamwoord

het huwelijk, de trouw

In et begien van hulli trouw, had et daor hillemol nie op geleken, desse veul kiendjes zon krge... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

trouwe

werkwoord, zwak  

trouwen

De Wijs -- Zij is aaltij haontje de veurste gewist, echt bdehaand; ze vree mee dur zistien al thus en mee t trouwen mos ze k hard lope (10-03-1967)

Van Beek - "Trouwen breekt de huur." Dit houdt verband met de goede gewoonte, die in onze streek nog op de landbouwdorpen bestaat, om de dienstbode en de inwonende boerenknecht voor een vol jaar te huren in mei. Ook het inhuren geschiedt voor een vol jaar. Alleen als er een huwelijk tussen komt, wordt de termijn met wederzijds goedvinden verbroken. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Henk van Rijen - 'traawe'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - z gaa as ge kaod genoeg gedaon ht, lot O.L.H, oe trouwe (Nicolaas Daamen (Handschrift Tilburgs) - 1916 - ) - Met het huwelijk eindigt het vrije leven.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - de irste trouwde t geneegenhd, de twidde t verleegenhd (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971) - een weduwe of weduwnaar moet wegens omstandigheden vaak trouwen.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - aster en vrouw getrouwd f en prd gekcht wrdt, moete der nie tusse koome (Kn'50) - met tussenkomst is geen eer te behalen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - as ge gaot trouwe, moete begiene meej en aaw vrouw n en jong vreke, aanders boerde oover de start (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1972) - ... anders ga je financieel te gronde

Henk van Rijen - 'H-s meej unne smalle ring getraawd - hij neemt het huwelijk niet zo net

WBD III.2.2:85 'trouwerij', 'trouwpartij' = huwelijk

 

trug

bijwoord 

terug

Dan knd oewge nie mir terug.

Cees Robben - en wltje 'trug';

Kernkamp - Bezorging Dialectenqute 1879 - terugkre - terugkeeren

DANB hij kan nie vrt f trug

Dirk Boutkan (1996)  - 'stuurt em er mar mee t(e)rug' (zin 100, blz. 99)

- Rijmt op 'vlug'; de sjwa is volledig geabsorbeerd.

Weijnen (De oorzaken in de taalgesch. blz. 13) truchals zinsdeel, tegenover truuguup' als zinwoord.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TRUG bijwoord  - samentrekking van 'terug'

 

trugkoome

werkwoord, sterk

terugkomen

DANB de zwleme zulle vrt gaaw trugkoome

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - 'et kmt vanzf trug', zi den boer, n hij gaaf zen vrkes spk ('72)

-- trugkoome - kwaam trug - truggekoome

 

trugkoomes

bijwoord  

op de terugweg

Henk van Rijen - 'Heengns n trugkoomes waar ut wl un uur lope.

 

truifel, trewel

zelfstandig naamwoord

troffel, kalkscheppertje

WNT TROFFEL (I) - TROEFEL, TRUF(F)EL - wisselvorm van TRUWEEL. Blijkbaar is TRUFEL de oudste vorm.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - troffel - graanschop, metselaarsschep

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - 'trfel' zelfstandig naamwoord  - truweel

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord vr. truffel, hetz. als maar minder gebr. dan 'truifel en 'traweel'; zelfstandig naamwoord  vr-' truifel ', 'treufel' - troffel

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TROEFEL zelfstandig naamwoord v. - groote,kromme ijzeren schop, voorzien van een langen steel,

dienende om steenkolen, assche, aarde, kalk, steengruis enz. te scheppen

 

trul

zelfstandig naamwoord

R lodderige mond (met dikke, slappe lippen), openstaand

gez. Henk van Rijen - Hul oover trul - hals over kop

WBD III.1.1:100 'open trul' mond (spotnaam)

Bosch trul - mond

WNT TRUL (II) - 6) benaming voor een kind: a) dik kind; b) troetelnaam voor een kind, troel.

 

trulleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kindje, tongetje

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "trulleke - 'n klein kindeke, ook zegt men wel 'steekt oe trulleke eens uit (tongetje)"

WBD III.1.1:100 'trulleke' = mond (spotnaam)

Hees trulleke (V:60)

WNT TRUL (II) - 6) benaming voor een kind; a) dik kind; b) troetelnaam voor een kind, troel

 

truske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

trosje

en truske drve

WBD truske, tros, kf of 'kuif' - haren tussen de horens van een koe

WBD III.2.3:151 'troske' = tros vruchten, ook 'trossel'

verkleinwoord van 'tros', met umlaut

 

trussel

zelfstandig naamwoord

trs, ris, rist: twee of meer vruchten aaneen

WBD III.2.3:151 'trossel', 'troske' - tros vruchten

contaminatie van 'tros' en 'bussel'?

WNT TROS, trosse, trots, tors, torts, trousse, TRUS(SE) verzameling vruchten of bloemen die op een bepaalde wijze aan n tak of stengel groeien.

 

trut

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.4:35 'trut', 'truttebees' = domme vrouw

WBD III.1.4:152 'trut' = domme trage vrouw

 

truttenbl

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  flauwerd

Stadsnieuws - Dieje truttenbl moet naa aatij alles verraoje - die flauwerd ... (090809)

WNT TRUTTEBEL hetzelfde als TRUT

 

truufke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

troefje

verkleinwoord van 'troef', met umlaut

 

truug

tussenwerpsel

WBD achteruit! (voermansterm om een paard te doen achteruitgaan)

WBD truugp achteruit! (idem)

WBD huuptruug, (Hasselt ook:) 'truughuup' - achteruit: (idem)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TERUG (uitspr. trch)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - truughuup tsw - achteruit! (voermansterm)

Weijnen (De oorzaken in de taalgeschiedenis, blz. 13) 'truch als zinsdeel, tegenover 'truughuup' als zinwoord.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TRUUGHUUP - terug! hup! kreet waarmee een paard wordt aangespoord de kar achteruit te duwen; ook toegepast op andere achterwaartse bewegingen, veelal van plotselinge en onvrijwillige aard.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - bijw. (voermanstaal) 'terug' - achteruit!

 

truur

zelfstandig naamwoord

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "hij was in der truur (zatjes)"

 

truure

werkwoord, zwak 

treuren

WNT TREUREN, trueren, truren. TRUEREN wordt na het eerste kwart der 17e eeuw verdrongen door TREUREN, welke laatste vorm verkozen werd in  de Statenbijbel, z.a.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en knd moet aaltij truuren of muuren ('71) dient altijd bezig te zijn

 

tuf

WBD III.1.1:189 'tuf' = speeksel

 

tuije

werkwoord, zwak

tuien

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Ik weet nog d 't geitepark 'n waai was mee waai- en boterblumkes. De omwonende meense teuide de geite op die waai, daarom de naom geitepark.

 

Boerin tuiert de geiten

 

tuijer

zelfstandig naamwoord

 

Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

 

WBD tuiertouw (touw of ketting waarmee de koe of de geit aan de tuierpaal getuierd is)

WBD ooks 'teurtouw' en 'tou'

WBD tr (Hasselt) - deel van een weide dat een aan een paal vastgebonden koe of geit kan afgrazen

Frans Verbunt -  komde van oewen tuier aaf? (kom je van huis?)

WNT TUIER - 1) IJzeren of houten paal ...; 2) touw om vee vast te zetten; 4) af te grazen deel v. weide of anderen grond; ...

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TUIER zelfstandig naamwoord m. - bij landb. bindtouw, zeel, om het vee te binden

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TUIER m. - rondgang van een getuierd schaap of paard: hij heej z'ne tuier aaf - hij is klaar met zijn rondgang, heeft de hele familie bezocht.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. 'tuier' 1) bindmiddel van een koe; 2) ruimte die zon tuier het dier toelaat.

 

tuijere

werkwoord, zwak

Van Delft - Een geit wordt "op de tuyer gezet". Dit is zij wordt aan een touw, verbonden aan een paaltje, op een stukje grasland te grazen gezet. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Pierre van Beek - de koej tuijere - de koe langs de berm laten grazen onder toezicht van een begeleider

WBD (Hasselt) tre (vastmaken v. rundvee en geiten aan een paal om te grazen)

-- tuijere - tuijerde - getuijerd

Audioregistratie 1978 - Int njaor moeste ze tuijere, daor zaat dan de, de md, de dienstboode bij, de md zin wij vruuger. Die laag dr b te braaje n die moes aaf n toe die starte vort slaon! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WBD vaasttuiere - vastmaken v. rundvee en geiten aan een paal

WNT TUIEREN - vee vastzetten ...; (bij uitbr.) in 't alg.: vastbinden

-- frequentatief van ndl. 'tuien' (vastbinden van b.v. een koe)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TUIEREN - bij landb. Het vee in de weide met een touw vastleggen.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TUIJEREN- het opstallen van het vee tegen den winter? alg. beteekenis 'binden'. Oorsprong wsch. Angels. 'tian', vincire, ligare. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - TUIJEREN: de beesten aan een paal in de weide vast binden ten einde zij niet meer zoude kunnen eten, dan zo ver het touw toelaat. Z.a.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.tr. 'tuieren' - een koe of geit met een zeel als anderszins aan een paal in de wei vastmaken, zodat ... z.a.

 

tuijerslag
zelfstandig naamwoord
tuierslag; van tuijer, tuijeren; een geit of koe met een touw aan een paal vastbinden; de lengte van het touw bepaalt de oppervlakte die het dier kan afgrazen.
Cees Robben Ze stao aon dren liste tuirslag (19791116) [Ze is op sterven na dood]
 

tuk

zelfstandig naamwoord

karaktertrek

ene kaoje tuk = een slechte karaktertrek

...'n Keend waor 'ne goeie tuk in zit en d aaltij 't goei veurbeeld van z'n aawe lui veur oogen hee... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

WBD goeje tuk, goejjen tuk - goede afstamming, gezegd van een koe, ook genoemd: goejen aord, goejen kmaaf

Cees Robben [over een vrouw] Dr zaat unne vulste goeie tuk in. (19740510)

WBD (III.2.1:389) tuk = middagdutje

WBD (III.2.1:391) een tukje doen, een toertje doen, vijf vatten, zijn ogen eventjes overschieten - een (middag)dutje doen

WBD III.1.4:64 'tuk' = karakter

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tuk zelfstandig naamwoord  - aard, trek

Verh TUK m - erfelyk trekje, meestal ongunstig: 'ne kaoje tuk' - een slechte eigenschap.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zelfstandig naamwoord m. 'tuk' - trek: in eenen tuk - in n trek, zonder onderbreken; goed/slecht van tuk: van koeien gezegd en bij uitbr. van mensen.

Weij (T&T 58:89) tuk 'karaktertrek'. Ook hierover zeg ik eigenlijk niets nieuws. Ik verwijs dan alleen naar WNT XVII, 4002, waar een Meierijs voorbeeld uit Roothaert wordt aangehaald en verwezen wordt naar De A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
1958. Het WNT ziet er terecht een afleiding in van tukken en dit is identiek met Duits zucken 'trekken'.

WNT TUK - (I), 6) aangeboren eigenschappen, aard, inborst, natuur

 

tukke

werkwoord, zwak  

WBD III.4.4:200 'tukken' = machten (ongeveer: aarzelen)

 

tulaand

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) land (nl. teelland)

WNT TEELLAND - In collectieven zint grond,geschikt of bestemd voor het telen van gewassen; stuk land daarvoor

 

tult

teelt

2e + 5e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'teule', met vocaalkrimping

 

tunde

Henk van Rijen - toonde

verleden tijd van 'teune

 

tungske, tungeske

zelfstandig naamwoord

tongetje

verkleinwoord van 'tong', met umlaut

Weinig harsens denke klaor,

weinig tungskes praote waor... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De worrend, 1941)

Van Beek - "'t Is er een met stroop op d'r tongske." Zij is een mooipraatster. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

Alleen as et er op aonkwaam, dan kon ze d'r tungske nog ruure, d-t-er de vonken afvlogen. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Cees Robben Ruurt oe tungske op n aander (19600116)
Cees Robben Ge zult mn tungske nie schappen.. (19650402)

WBD III.1.2:103 tongetje = tong

 

tunneke

zelfstandig naamwoord, dim

tonnetje

Dirk Boutkan (1996)  - tunneke (blz. 32)

verkleinwoord van 'ton', met umlaut

 

tunt

werkwoordsvorm; persoonsvorm.

de indruk geven (tonen, doch passief)

M Hij tunt wl ffteg. - Hij wekt de indruk wel vijftig jaar te zijn.

-- teune - tunde - getund

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - TOONEN, vroeger ook voor 'vertoonen'. Z.a.

 

Sint Tunnes, Tunnis

eigennaam

Sint Antonius, Antonius abt, of Antonius de heremiet, die bekend staat als patroon tegen ziekten van het varken

 

 

Van Beek - Van een losbol zegt men: "Dit is als 't varken van St. Teunis". - De verklaring zou zijn, dat enige varkens, die aan de H. Antonius toebehoorden, vrij langs de straten rondliepen. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959) [Van Beek bedoelt de varkens die aan Antonius abt waren toegewijd, en die vrij op straat en in het veld mochten scharrelen; wat zij opbrachten, in vlees of geld, was bestemd voor de armen.]

- Dr. Jos Schrijnen Nederlandsche volkskunde, deel 1, 1915 -  Antoniussabt (17 Jan.) behoort in Belgi tot de meest populaire heiligen. (...) Zijn attribuut is het varken, omdat de duivel in varkensgedaante hem bekoorde. Vandaar, dat de heilige naderhand algemeen als patroon van het vee werd beschouwd, en als zoodanig door boeren, vleeschhouwers en spekslagers vereerd. In de Middeleeuwen hadden de Sint Antoniusgilden het recht, een zwijn, dat als herkenningsteeken een klokje aan den hals droeg, overal vrij te laten weiden; zelfs in de steden zag men dit Antoniuszwijn ongehinderd rondloopen. In Belgi, de Rijnprovincie en, tot voor eenige jaren, in Limburg (Vaals, Hoensbroek, enz.) wordt den 17en Januari varkensvleesch geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld.

 

De verzoeking van de Heilige Antonius Hieronymus Bosch; ca. 1468 (Prado, Madrid)

 

Idem: detail 

 

  Antonius abt werd in Riel vereerd; zijn cultus is nog steeds levendig (2012) in Loon op Zand. Ook Chaam, waar hij vooral als pestheilige [Antoniusvuur = pest] werd vereerd, was voor Tilburgers een Antonius-bedevaart.

- Gerard Rooijakkers - Soms kruisten ook dieren met een positieve magische connotatie het pad van mensen, zoals te Oirschot gebeurde, waar omstreeks 1557 op voorspraak van de heilige Antonius Abt de pest ophield. Toen daar een lijk naar de kerk werd gebracht verscheen bij het sterfhuis een wit paard, zonder dat iemand wist waar het vandaan kwam. In dat huis vielen daarna geen pestslachtoffers meer, en nadat de ziekte overal geweken was heeft men het paard niet meer gezien. (Gerard Rooijakkers, Eer en schande; 1995.)

- Lowie van Dorrus Misters - In Riel werd op de feestdag van St. Antonius Abt [17 januari] meel gewijd en gingen varkenshouders met een builtje meel daarheen. Het meel werd na de wijding met kleine beetjes onder de "slobber" voor de varkens gemengd. (Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 5 december 1952, Uit onze folklore 19. Oude gebruiken en de Beekse doornboom.)

- Ronald Peeters - Eind zestiende begin zeventiende eeuw heersten er in Tilburg diverse pestepidemien. Nabestaanden of familie van de overledenen ondernamen in 1602, 1625, 1626 en 1628 bedevaarten naar Boxtel en in 1587 naar Chaam (St. Antonius Abt, een pestheilige) uit dankbaarheid dat zij de ziekte hadden overleefd. (In: Godsvrucht en deugdzaamheid; 1997)

- J. B. Berns, Namen voor ziekten van het vee (1983) - De populairste heilige gedurende de Middeleeuwen was Sint Antonius Abt, feestdag 17 januari. Hij werd aangeroepen tegen het vuur, waaronder men "ignis sacer" heeft te verstaan in de eerste plaats en wel in de dubbele betekenis, te weten "erysipelas" en "gangreen" (Wickersheimer 1960); vervolgens alle ziekten die met vuur benoemd werden, zoals miltvuur en ook vlekziekte. Volgens Kluge wordt in het Duitse taalgebied Antoniusfeuer in de 17de eeuw door Rose verdrongen (s.v. Rose); De Cock zegt, dat in Nederland Sint Antoniusvuur thans alleen nog in gebruik is als benaming voor een varkensziekte (De Cock 1891, 249 en 256). Goossenaerts geeft sinttunnisvier, "roodvonk der zwijnen" en Corn.-Vervl.-A.: Sint-Teunisvier, "idem" en ook "huiduitslag". Wouters (1966, 119 vv.) geeft een uitgebreide lijst van plaatsen waar men Antonius aanroept en bij welke veeziekten in het bijzonder zijn hulp wordt gevraagd. Van Haver (1964) is met betrekking tot ziekten van dieren minder gedetailleerd; hij spreekt van "tegen buikpijn en andere dierkwalen" (nr. 584, 621, 623 en 624) en van "behekst vee" (nr. 1020, 1021).

 

turf

zelfstandig naamwoord

turf

Van Beek - "Er diende nog wel een turf in de kachel", er moet nog 'n schepje bij.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

 

turk, trk

zelfstandig naamwoord

spotnaam

inwoner van het stadsdeel Goirke, meer in het algemeen ook inwoner van het noordelijk deel van Tilburg (boven de lijn of aon geene kaant); de benaming is waarschijnlijk gebaseerd op het vaak donkere voorkomen van de arbeiders in de textielfabrieken. Tilburgers bezuiden de spoorlijn werden kaaibuuters genoemd.
Cees Robben Isser d eene van t Gurke Tonia...? Nee hrre... dr wordt bij ons ginne Turk vermist... (19560303)
- Lst han ze teege Stekelenburg gezeej dttie te veul op et gemintehs zaat. Hij moes es meej de meense in de stad knnes gn maoke. Ze han en afspraok vur em gemkt b de Turke. Naa, tweej uurkes laoter wier er gebld op et gemintehs: et wksntrum van et Gurke n de lijn. f den burgemister al onderweege waar? I, die waar allang vertrokke. Et nde van et lieke waar dsse den burgemister opgescharreld hbben in de moskeej. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)
- Vruuger waar d aanders. Toen hamme hier meschient wel Trke, mar die waare gewoon gebooren op et Gurke. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)
 

turkelaand

zelfstandig naamwoord

het noordelijk deel van Tilburg; benoorden de spoorlijn

Van Delft - "Wat een ferm kindje ligt daar in de wieg", zei ik. "Ja, ja," was 't antwoord "en 't is er eene van half om half! De vrouw komt uit 't Turkenland en ik ben van de stad." Hiermede werd bedoeld, dat het ouderpaar onderscheidenlijk van benoorden en bezuiden de spoorlijn afkomstig is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

 

turkslr

stofnaam

Turks leer

- En de zij je petjes, de blauwe toekielen en de turkschleeren broek heuren er van eiges bij. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

 

tusse

voorzetsel  

tussen

Cees Robben - hij zaat as enen eezel tusse twee brge hooj;

Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - dertusse geschoove zn as Pnsieus Pielaatus int kreedoo (R'75)

WBD III.4.4:240 'tussen licht en donker = schemering; 240: 'tussen de grauwe en de blauwe' = schemering
 

tussejas

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:33 'tussenjas' = Lichte herenoverjas; ook 'miezezon

 

tussenbaaje

bijwoord  

tussenbeide, nu en dan

-- Als gevolg van regressieve assimilatie klinkt de n als m.

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - 'tussenbaaje'

Cees Robben Niemand die kwaam tusse-baaie... (19810515)

Stadsnieuws - Kunde dees tussenbaaje ok nie fkes doen? - ... ondertussen ... (050709)

WBD III.1.4:337 'tussenbeide komen' = ingrijpen

WNT TUSSCHENBEIJE

 

tussent

bijwoord  

tussenuit

meestal gebruikt met een werkwoord dat 'weglopen', 'wegrennen' betekent; en waarschijnlijk daarmee een beeld ter vergelijking met het oudere gezegde over een paard dat op hol slaat; met name in samenstellingen met 'pre'.

- der tussent naaje - ervandoor gaan

- WBD er tussent gaon - op hol slaan (van een paard), ook genoemd 'p hl slaon'

- Henk van Rijen - 'Toen ie de pliessie zaag, prde-n-ie urtussent.

- Vruuger wonde ik ng saome meej ons Deborah. Mar die isser meej Dethlef p 't Hog tussentgeprd. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - 'r tussent naaje - ervandoor gaan

 

tut

interjectie

- N. Daamen (handschrift 1916) --  "tut gij (loop heen, enz.)"

zelfstandig naamwoord

- WBD III.1.4:35 'tut' = domme vrouw

- Bosch tut - fopspeen; domme vrouw

werkwoord

- WBD III.2.2:22 'tutten' = spenen; 24 'tut' = speen, ook 'frut'; 25 'tut' = fopspeen; ook 'tutter', 'tutje

 

tutta
vriendelijke scheldnaam voor een vrouw; vergelijk tut en tuthola
Cees Robben (19820924)
 

tut-tut

1. zelfstandig naamwoord (!)

alle vindplaatsen met 'geen', en dus in de betekenis: 'het is niet niks', dat wil zeggen: 'het is een grote opgave om...'

...et was ginnen tut-tut om mee zooiets te begiene. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
"D-d-is geenen tut-tut, man!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; NTC 29-10-1938)
..."'t is toch geenen tut-tut om z'n lang gedicht in mekaar te draaien... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 9; NTC 26-11-1938)
...Een en tachtig jaar, 't is geenen tut-tut, ik wil 't er veur doen! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

De Baokelsche kerk stond

te dicht bij de straot;

"'n fout van den dommen

pastoor", waar de praot.

't Waar geenen tut-tut om

'n nuuwe te bouwe; (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De kerk verdouwd, 1944)
2. tussenwerpsel

WNT TUT, tuttut - (v) tussenwerpsel - 1) uitroep als uiting van verwerping, afkeuring, misnoegen, ongeduld en derg. 2) uitroep om aan te sporen tot matiging, kalmte, dan wel om te sussen; 3) uitroep van verbazing

Cees Robben Tut-tut, Siebil.. (19570803)

 

tutter

zelfstandig naamwoord

Van Beek - Een fopspeen noemt men in Tilburg "een tuitter" of een "frut" of "een tutter". Overdrachtelijk zegt men van iemand, die zich aan drank te buiten gaat, dat "hij flink tuttert". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

tuttere

werkwoord, zwak 

duimzuigen

WBD III.2.2:22 'tetteren' = gezoogd worden

WBD III.2.2:23 'tutterfles' = zuigfles; ook 'tutfles', 'tutter'

WBD III.2.2:23 'tutter' = speen

-- tuttere - tutterde - getutterd

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TUTTEREN, ook TEUTEREN - zuigen (van kleine kinderen); zuipen, overdadig drinken.

Bosch tuttere - drinken; zuigen op een fopspeen; duimen

WNT TUTTEREN (I) - 1) zuigen, in 't bijz. van kinderen; 2) (Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - en Ned.

Limburg) bep. zuipen

 

tuul

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

tule

WBD II.4. p. 891 Doorzichtig garenweefsel met fijne mazen, met of zonder patroon" (Van Dale, tule). J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij tule- of gordijnweefsel": Bij dit soort weefsel hebben de draden ten opzichte van elkaar een schuin verloop. Tule glasgordijnstof heeft het uiterlijk van een honingraat. Bobbinnetgoed"
tule: het type tuul, K 183 (= Tilburg) ,
WNT lemma Tule I 1974 - TULLE , znw. vr. (in Vl.-Belgi m., door BAL [1899] echter als vr. vermeld; als stofnaam is het thans soms onz.: Ontleening van fr. (point de) tulle. De oudste bewijsplaats in het fr. dateert van 1765, de vroegste gegevens omtrent de fabricage von feinem gewebe fr spitzen usw. in Tulle van 1698. 1. Naam voor zeker netvormig fijn weefsel van zijde, katoen of daarop gelijkende kunstvezels, hetzij met de hand (bij zekere soorten van kant), hetzij machinaal vervaardigd. NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. [1821]. 2. Als ben. voor elk van de versch. soorten van tule.

 

tuureluut

zelfstandig naamwoord

Ill. Naumann

Dossier Leeuwerik (tuureluut) - Brabantse namen, dialectkaarten, afbeeldingen - citaten

Henk van Rijen - kuifleeuwerik, tuureluur (tringa totanus)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "tuureluut - groote vogel in de hei (zie kulder)"

Cees Robben Ik heurde van dn tuureluut/ van takkeling en waol (19600708)
Cees Robben [de ene vogeltjesprutter tegen de andere:] Ik heb hier niks hangen as unne tuureluut... Mar doar binne hek nog n kwk zitte mee drie jong... (19710723)

WBD III.4.1:164 'tureluut' - leeuwerik (Galerida cristata)

WBD III.4.1:222 'Tureluut' - wulp (Numenius arquata), ook: 'wulp', 'kuilder'

Ghijsen (Wdb. Zeeuwse dial.): tuureluut

WP-enc. dierenrijk: kuifleeuwerik = galerida cristata

WNT TURELUUR (I)-3) benaming voor zekere soorten van vogels, z.a.

 

tuut

zelfstandig naamwoord

1. politieagent

WBD III.3.1:345 'tuut' = politieagent

WNT TUUT (I) in enkele westnederl. steden, m.n. Utrecht, benaming voor politieagent, smeris

2. fietsband (tuub, tuup; van Frans: tube)

lekke tuut - lekke band (van een fiets)

Frans Verbunt -  tuut, tuup - fietsband

3. tuit, puntzak

Frans Verbunt -  ene tuut friet

4. voetbal van leder

V ene lre tuut - een leren voetbal

Ons Jaoneke ha dieje lre tuut gewonnen, et waar den hoofdprs van un loterij. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Enne grote gezette vent meej ene pens van de grotste maot lre tuut (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
5. mond, beter: tiet

- Een "tuut" of "tuter" is een fopspeen. Zoo'n fopspeen wordt ook op de zuigflesch gezet, en als de kleine goed drinkt, zegt moeder: "Hij tutert goed." In overdrachtelijken zin is men dit ook op volwassenen gaan toepassen, die nogal eens misbruik van sterken drank maken of die regelmatig heel wat borreltjes gebruiken; dan zegt men ook: "Hij tutert goed." (A.J.A.C. van Delft; uit: de rubriek Van vroeger dagen # 118: Naar beschaafder spraak, Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 8 juni 1929)WBD III.1.1:99 'tuut' = mond (spotnaam)

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TUUT v - tuit, iets om aan te tutteren.

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - tuut zelfstandig naamwoord  - speen

6. bijnaam

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek - 2000 - de tuut - bijnaam van veel Tuerlingsen/ Teurlingsen (blz. 77)

 

tuute

werkwoord, zwak  

Henk van Rijen - toeteren, jengelen

WNT TUTEN nevenvorm van toeten en tuiten

 

tuuter

zelfstandig naamwoord

toeter, toethoorn, claxon

 

tuutere

werkwoord, zwak  

- tuutere - tuuterde - getuuterd

-- steeds korte uu

-- Wellicht een frequentatieve onomatopee.

Van Delft - "Hij tutert goed" beteekent: hij drinkt nogal veel. ('t Schijnt ontleend te zijn aan 'n "tuter" of 'n "tuut", dat de Tilburgsche benaming voor een fopspeen is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Van Delft - Een "tuut" of "tuter" is een fopspeen. Zoo'n fopspeen wordt ook op de zuigflesch gezet, en als de kleine goed drinkt, zegt moeder: "Hij tutert goed." In overdrachtelijken zin is men dit ook op volwassenen gaan toepassen, die nogal eens misbruik van sterken drank maken of die regelmatig heel wat borreltjes gebruiken; dan zegt men ook: "Hij tutert goed." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Lopte 's aovends bij 't nor huis gaon Sjarels [=de veldwachter] 'ns tegen 't lijf en ie zee, d-'t net lekt of ge nog al goed getuterd hed, dan zegde mar, d ge krek oe teen stotte tegen 'nen utstekenden kaai en 't is lang vur mekare. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)
D'r wier goed bij getuuterd dien aovond... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Pierre van Beek - drinken van een baby; rijkelijk veel alcoholica tot zich nemen

Pierre van Beek - hij tuutert goed - hij (de baby) drinkt goed

Cees Robben Hij tuutert en hij doe mar aon... (19600226)
Cees Robben vrouw over haar man: Hij tuutert gre moeder... (19660610)

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TUTTEREN, ook TEUTEREN - zuigen (kinderen); overdadig drinken, zuipen

WNT kent het woord niet, evenmin als De Jager.

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TUTEREN onov.ww - zuigen, tutteren, lebberen: op z'nen d:m tuteren.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
zw.ww.intr. 'tuteren' - 1) geringschattende benaming voor het spelen op een of ander instrument; 2) (v. vogeltjes) fluiten, kwinkeleren.

Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TEUTEREN - zuigen van kinderen, ook TUTTEREN

WNT TUTTEREN - 1) zuigen, drinken (v. kind); 2) (Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - N-Limb.: zuipen

 

tuuterke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

toetertje, speelgoed-blaasinstrument

Pierre van Beek - tuuterke (kregen de kinderen met de kermis) (Tilburgse Taaklplastiek 128)

 

twaalf

telwoord

twaalf [zonder svarabhaktivocaal omdat die binnen de eerste syllabe blijft]

in de uitdrukking twaalf gooien (met twee dobbelstenen); geluk hebben

Die is wl getrouwd! Mee 'n dochter van Door de Vries en d wit-ie-zelf ook, want ie hee twaalf gegooid hurre! Krimmeneel wen vrammes is d! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

Pierre van Beek iemand die "twaalf gegooid" heeft, want wanneer de volksmond dit oordeel uitspreekt, kan de betrokkene zich allesbehalve gelukkig prijzen met de andere helft van zijn trouwboekje. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

De Wijs -- (op straat gehoord, de ene vrouw tegen de ander over n passerend vrouw: ) t is n struise vrouw, ik geleuf wl dettie er twaalef mee gegooid hee (13-07-1966)

WTT 2012: een opmerkelijke vindplaats beweert echter het tegendeel:
Van Delft - "Hij heeft twaalf gegooid." Dit is: Hij heeft het (met zijn vrouw) niet getroffen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

 

twaalfde

telwoord

twaalfde [zonder svarabhaktivocaal omdat die binnen de eerste syllabe blijft]

 

twalsereej, tlsereej

zelfstandig naamwoord

Verbastering van Franse 'toile cire' = met was bestreken doek

wasdoek, veelal gebruikt als tafelzeil

- d de kasteleins, inplaots van d'ren twalsiree te buunen, zaand

zouwen strooien en d ze, ook de bedienden en de muzikaanten dr eigen zouwen verkleejen as boerkens uit de haai. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook. (Zand was in vroeger tijd de vloerbedekking van kroegen.)

Frans Verbunt -  dwalseree

 

twaolf

telwoord

twaalf

R.J. 'de klok slao' twaolf'

Henk van Rijen - twaolf aajer n dartien kkes - een buitenkansje

B twalef

 

twg

zelfstandig naamwoord

boomknop waaruit scheuten of loten te voorschijn komen

jonge tak

WBD III.4.3:127 twg - wilgenteen; ook genoemd: wis, baand, teen, sliet

WBD III.4.3:70 twg - knop waaruit een twijg groeit; ook genoemd: loot

WBD III.4.3:75 twg - twijg, jonge tak; ook genoemd: wis, tak, takje, teen, rijs of scheut

 

tweej

telwoord

twee

DANB de tweej dtsers kwaame nr bte

Henk van Rijen - 'T-waar dik aon meej die tweej' - ze konden het goed met elkaar vinden

 

tweejffteg

telwoord

Henk van Rijen - rijksdaalder, 'rksdlder  

 

tweejzak

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen - iemand die praat met twee monden

 

twne

werkwoord, zwak 

WBD twijnen: het in elkaar draaien van hennepvezels tot een draad (II:699)

twne - twnde - getwnd

(ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij twnt)

 

twffel

zelfstandig naamwoord

twijfel

 

twffele

werkwoord, zwak  

twijfelen

WBD III.1.4:53 'twijfelen' = aarzelen

-- twffele - twffelde - getwffeld

Cees Robben ...n vlinderke tweffelend hangen... (19590822)
Cees Robben En keert de rust al tweffelend/ in t vredig huisgezin... (19650507)
 

twnner

zelfstandig naamwoord

twijnder

WBD twnner (II:935) - twerner, twijner

 

twnter

zelfstandig naamwoord

WBD paard van anderhalf jaar oud, ook 'jrling' genoemd

WNT TWENTER (I) - zelfstandig naamwoord 1) dier, inz. paard of rund dat twee jaar oud is; 2) (driejarige) koe die haar tweede kalf krijgt

 

twidde

telwoord

tweede

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - twidde rang

R.J. ds ng en twidde = dat valt nog te bezien

zacht van hart en mild van tong...

et irste is heel curieus,

et twidde meer miraculeus... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Daawe lijster, 1941)

Cees Robben den twidde waoge... (19751701)

...ons laand euwig de twidde... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Twiddes)

B twidde

WBD III.2.2:74 'tweede moeder' = stiefmoeder

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
telw. 'tweedes' - tweede: 'den tweedese', 'de twedese laog'

 

twidderaande

zelfstandig naamwoord

tweerhande, tweerlei

Kees en Bart - in Tilburgsche Post 1922-193? - twidderhaande

Cees Robben - Kekkis Merie... Twidderaande srt ks... (19540313)

Henk van Rijen - daor leej twidderaande ks; tunnekesks n kemneks - daar liggen twee soorten kaas: tonnetjeskaas en komijne

 

twiddehaans

bijvoeglijk naamwoord

tweedehands

Mar we zn wl fret op onze Willem tweej.
Hij is twiddehaans, mar d kan ons niks verschille,
want in Den Haag zon zum toch niemir wille,
ons Heuvels pronkstuk,
n wij doent er gre meej.

(Henritte Vunderink; Tilbrg; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- Dus ik bl Fred van Boesschoten op meej de tillefoon, want die heej ng ene td in twiddehaans kleding gedaon.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Ik zg: 'Witte w gij moet doen', zggik. 'Gij moet es meej mn meejgaon naor Fred van Boesschoten, die doe in twiddehaans waoges  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

twiddes, twids

telwoord

als tweede; te laat; ten tweede

Gij komt twiddes (je had er eerder moeten zijn)

Je komt te laat (vist achter het net)

Zoo kwaam 't dan d Jantje [de baanrenner Jan Pijnenburg] en den Bras [en zijn koppelgenoot Braspennincx] - al waren ze in 't geheel twiddes - toch de recordhawers van den 144-minuten koppelwedstrijd geworden zn... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

WNT TWEEDE(N)S, tweeders, twee(d)s(t) - ten tweede, in de tweede plaats; (als) de tweede, in het bijz. bij kinderspelen

C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - TWEEDENS (twiddes) bijwoord - te laat, speciaal gezegd in het geval dat aan op tijd komen enig profijt verbonden is, meestal in verbinding met 'komen': hij  kwaam(p) twiddes.

A.P. de Bont -- - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. -
telw. 'tweedes' - tweede (ook attributief.)

Jan Naaijkens - Ds Biks -- (1992) - twiddes tw - tweede

 

twiet

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

Henk van Rijswijk - Tweed: wollen strijkgaren stof met een ruwe optiek in plat- of gelijkzijdige keperbinding of visgraatkeperbinding. Weinig of niet gevold. Gebruikt voor damesmantels en lichte overjassen. Harris tweed: als tweed maar dan met specifieke ruitpatronen.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm
WNT lemma Tweed 1979 - znw. onz., soms de-woord, mv. -s. Ontleening van eng. tweed (sinds 1847); evenzoo b.v. in hd., en fr. Het eerst aangetroffen in 1908; de ontleening heeft wsch. reeds vroeger plaatsgehad... Zekere, in bepaalde bindingen geweven kleedingstof, min of meer oneffen, soms genopt, waarin minstens twee verschillende kleuren zichtbaar zijn. De cheviotwol is altijd ruw en in keperweefsel, dat zich dan eens in grove, dan eens in fijne diagonaalstrepen vertoont In plaats van cheviot spreekt men vaak van serge of tweed, V. WESSEM, Kostuumn. 10 [1908].
 

Schilderij - Salomon de Bray - 17de eeuw

twilling

zelfstandig naamwoord

tweeling

Cees Robben - 'Jaon hee un twilling gekregen'

Meej zon kaante tweeling-ptje/ w motte daor naa toch meej doen. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Behaa-haandel...)

 

twisje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

twistje

vD aantal ineendraaiingen van getwijnd garen per lengte-eenheid

WBD twisje (II:1012) onregelmatigheid aan een draad

WNT TWIST (II) als weversterm gewestelijk - 1) variabel aantal opeenvolgende nog niet verweven kettingdraden op een weefgetouw, als eenheid gezien; 2) uit een aantal vezels gesponnen draad; 3) lengtemaat voor gesponnen draad; enz.