INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

 

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

 

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van aachste tot azzoe

aachste

achtste

telwoord

Dialectenqute Willems (1887): aachste

D. Boutkan: aacht+st = aachste (blz.28); aachste/ achste

D. Boutkan: achste naast aachste (blz.43)

 

aacht

acht

telwoord

Zde gllie meej aachte? - Zijn jullie met z'n achten?

Cees Robben aacht vorse bukkeme (19680405)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - zeuven n meej de maaj aacht (Pierre van Beek: TT '72) - je kunt me nog meer vertellen!

Frans Verbunt: as aawhoere troef is, kunde gij gerust aacht slaoge bieje

Dialectenqute 1887 Willems -- aacht

Al pekaantekes aacht-en-taagentig ben ik! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

aachter

achter

Dialectenqute 1879 Kernkamp -- aachter

1. voorzetsel

-- Himml aachter zaat de vurzitter aachter de tffel. Helemaal achteraan zat de voorzitter achter de tafel.

Cees Robben ...aachter t scheurmikske... (19580118)

Stadsnieuws: Ik gao vanaovend es vruug aachter de gebraajde broek van ons Kee (290608)

2. bijwoord

-- ok de vurzitter stond eraachter. - Ook de voorzitter stond erachter.

3. bijvoeglijk gebruikt

WBD aachterstal, potstal - achterstal (deel v.d. koestal dat ligt achter de koeienstand, achter de mestgoot of achter de koedrempel)

WBD aachterse ketier links - linker achterkwartier v.d. koeie-uier

WBD aachterste ketier rchs - rechter achterkwartier v.d. koeie-uier

WBD III.4.4:132 'achter'= eerstvolgend

 

aachteraaf

achteraf

bijwoord

1. bepaling van tijd

Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek 164: "Aachteraaf kaokelen de kiepen", zei de wat gerriteerde kaartspeler, die zich na het spel door zijn "maat" voorgerekend zag hoe hij eigenlijk had behoren te spelen. Hij bedoelde dat het gemakkelijk praten is, wanneer men de gang van zaken kent.

P. Heerkens S.V.D. in: De Zaaier, een ontspanningsbijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941: Anneke wies ok nie goed w ze zeggen zou; ze begreep aachteraaf ok nie waorom ze hum dien brief te lezen ha gegeven en kreeg er een kleur van - w heur mar zelden overkwaam en w ze bizunder goed stond...

Lodewijk van den Bredevoort - Kosset den brne eigeluk wel trekken?; 2006: Hij schnt aachteraaf toch nog geld zat te hebben gehad. D kwamen zen kender nao zenne dod pas te weten.

Lechim Gedicht van de week; de Tilburgsche Koerier (datum onbekend):

We zulle mee de opruiming

'n Nuuw pak vur jou kpe

En mee de knder aachteraaf

Over de kermis lpe.

Piet van Beers Verzamelde gedichten #450:

A'k't aachteraaf bekke moet

dan vierden wij de Krsmis goed.

Van Rijen (1998): 'Aachteraaf kun de d makkelek zgge, want h wont nogal aachteraaf.'

2. bepaling van plaats

Lodewijk van den Bredevoort - Kosset den brne eigeluk wel trekken? (2); 2007: Deez, d zo mar aachteraaf gaon ligge vrije, hasse toch hillemaol nie aachter die twee gezocht.

Cees Robben W aachteraaf... (19590912)

Van Rijen (1998): '...h wont nogal aachteraaf.'

 

aachteraon

achteraan

Bijwoord

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Aachteraon koomen as de klote van d'rmelui (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): Spreekwoordelijke vergelijking. Varianten: ...kloten van Klabbeek (Breda 1892); Een arme mens en de kloten van een hond liggen achteraan (Deurne '87)

 

aachterbekaare

ook: aachtermekaare

bijwoord

achter elkaar, meteen

Wildet aachtebekaare af maoke? vroeg ie [de politie-agent] toen. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

dan moette die aachterbekare uit d'r baontje worre geschupt (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Aachterbekare de naome van die gruunteboere in de kraant en d'r zaok overdoen aon 'n aander! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Goedgetld (2004) -- nor bd zkkoe, n aachterbekaaren ok

 

aachterdeur

zelfstandig naamwoord

achterdeur

Henk van Rijen: lap n leur komt aachter deur, dur de aachterdeur - het gewone volk komt achterom

 

aachterdeur

bijwoord

binnendoor, binnenweggetjes nemen

Interview Jolen - 1978 - [smokkelen van tabak in de oorlogsjaren] J, toen waaren er wl siegaare (in den ollg) mar d is alleml aachterdeur, h inlandse siegaare ok j, van inlandse tebak mar d was niks (transcriptie Hans Hessels, 2013)

Interview Jolen - 1978 - As we gre nr et vliege ginge kke, ginge we nr Gielsaachterdeur waarder zo. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

 ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

aachtere

Bijwoord

WBD III.1.1. lemma Naar de WC gaan naar achteren moeten - Tilburg

 

aachternd

achtereind

zelfstandig naamwoord

WBD achternd, aachternd (II:l000) (achter)einde v.d. ketting

 

aachtert

Bijwoord

achteruit

Henk van Rijen: alleej vurt, aachtert - toe, ga achteruit;

De Wijs -- Ge zt n aachteruit gezet menneke, ik zal jou wellus goed bestruive (verwennen) (20-03-1968)

 

aachterhaand

zelfstandig naamwoord

gez. p de aachterhaand zitte - de laatste speelbeurt hebben (b.v. bij kaartspel.)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): op d'aachterhand zitte - de laatste speelbeurt hebben

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERHAND zelfstandig naamwoord v. - Op de achterhand zitten - bij kaartspelers: de laatste [kaart] moeten spelen.

 

aachterheene

Bijwoord

achterna, achteraan

Stadsnieuws: Ik ging der sebiet aachterheene, mar hij prde dertussent (261008)

 

aachterhs

zelfstandig naamwoord

WBD bijkeuken (op de boerderij), ook 'moos', 'goot' of 'washs' genoemd.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERHUIS zelfstandig naamwoordw, o. - huis dat niet tegen de straat gebouwd is, maar achter de huizen der straat.

 

Schilderij: Th. Gricault; 19e eeuw

aachterkaant

zelfstandig naamwoord

achterkant, achterzijde

WBD achterste deel van het paard, ook genoemd 'krs' of 'broek'

Vrrufde alleen dun aagterkaant of pak'tut gelk ? (Hein Quinten , Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

aachterlek

bijvoeglijk naamwoord

achterlijk, ouderwets

Et ha amml hil aanders kunne lope as we nie van die aachterleke aawelui han gehad. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

aachtermekaare

ook: aachterbekaare

bijwoord

direct, meteen, op stel en sprong; achter elkaar

Zgt dttie aachtermekaare komt. - Zeg hem dat hij meteen moet komen.

Cees Robben En doeget mar aachtermekaar dan heddet z vurmekaare.. (19691219)

Henk van Rijen: wnne kaojen hond; hij bt aachterbekaare

Frans Verbunt: aachterbekaare, aachtermekaare - meteen, onmiddellijk

Ik staak aachtermekaar menne vinger op. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): achtermekaore (Swanenberg: aachtermekare)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): Aachtermekaare, bijw. achter elkaar, meteen

 

aachtermiddag

zelfstandig naamwoord

namiddag, achtermiddag, het einde van de middag

- Op 'nen aachtermiddag zaag Kareltje vanuit den tuin 'n paor lange beenen langs de heg stappe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

 

aachternaom

zelfstandig naamwoord

achternaam, familienaam

-- Hoe hiet ie meej zenen aachternaom?

WTT (2011): de vraag naar de achternaam van ene persoon wordt meestal gesteld als: 'van aachtere', bijvoorbeeld: 'hoe hiet ie van aachtere?'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERNAAM zelfstandig naamwoord m. - familienaam, geslachtsnaam

 

aachterom

Bijwoord & zelfstandig naamwoord

achterom, door de achterdeur

-- as we jou tch nie han, n de vurste deur nie, dan moesse we aaltij aachterom

-- Aachterom ist kr(e)mes - laat de bewoners niet onnodig naar de voordeur komen; ga gerust achterom.

Van Beek - "Achterom is kermis", de buren lopen immers achterom en gaan niet door de voordeur binnen.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'Aachterom' bijw.zelfstandig naamwoord: Aachterom is 't krmis; Achteringang; ook: aachterum

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): achterom (VIII:21)

WNT Als zelfstandig naamwoord : Dat gedeelte aan de achterzijde v.e. boerenstolp, waar des winters het jonge vee gestald wordt; soms als straatnaam.

 

aachteroover

achterover

Bijwoord

Van Rijen (1998): 'stommen aachteroover' - dom iemand

 

aachterop

Bijwoord

achterop; vaak naast een werkwoord dat beweging uitdrukt en dan bedoeld als 'van achteren', 'aan de achterkant'

Affn... daor kaampe 'n stel engelsche waoges heur aachterop gereeje (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

 

aachtertboere

werkwoord, zwak

achteruitboeren, (langzaam) achteruitgaan (in zaken)

aachtertboere - boerde(n) aachtert - aachtertgeboerd

Stadsnieuws: Vanaf d hullieje paa t de zaok is gegaon, heetie alleen mar aachtertgeboerd. (080807)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERUITBOEREN - achteruitgaan in stoffelijken zin

WNT Achteruitboeren! Eigenlijk: Als boer slechte zaken doen; bij uitbreiding:in 't algemeen achteruitgaan in stoffelijke welvaart.

 

aachtertlope

werkwoord, sterk

achteruitlopen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - aachtertlopen as en prd d trkt (Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1968) zienderogen achteruitgaan

WBD III.1.2:159 'achteruitlopen' = achteruitgaan

 

aachterste

achterste

1. bijvoeglijk naamwoord

- de aachterste deur - de achterdeur

WBD (Hasselt) achterste wendakker (de het verst van de ingang af gelegen keerstrook voor de ploeg)

WBD aachterste/ achterste dwarsbalk (II:952) (v.e. handweefgetouw)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ACHTERSTE bn en zelfstandig naamwoord: Hij stond den achterste/ het achterste; het paard stond op zijn achterste pooten.

2. zelfstandig naamwoord

achterwerk, billen

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): aachterste - ik sloeg em vur z'nen aachterste

Pierre van Beek -- "Z kwaod (kwaad) as 't aachterste end van den duvel" is een ietwat lange superlatief voor "kwaad" (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - achterste, verspreid in  Tilburg

WBD III.1.1. lemma  bil c.q. dij achterste, Tilburg

WNT ACHTERSTE zelfstandig naamwoord onz., het mv. weinig in gebruik. Is het bnw. als zelfstandig naamwoord  gebruikt. De achterste deelen v.h. lichaam in de nabijheid van den aars. Alleen in gemeenzamen stijl.

WNT Achterste: bij menschen en dieren: de achterste deelen v.h. lichaam, in de nabijheid van den aars.

 

aachterstl

zelfstandig naamwoord

achterstel

WBD koej meej goej aachterstl - koe met mooie billen, ook genoemd: 'vierkaante', 'schoon gedraajde', 'meej goej / mooje bille'

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ACHTERSTEL, zelfstandig naamwoord m. - achterstallige schuld

 

aachtersteveure

Bijwoord

achterstevoren

WBD et kalf zit aachtersteveure, resp. 'gedraajd' - het kalf zit met de kop naar achter, dus verkeerd (vr de geboorte.)

Van Rijen (1998): 'aachtersteveure - vekeerd om, Bijwoord - achterstevoren'

WBD III.4.4:309 'ten achterstevoren' = averechts, verkeerd

 

Cees Robben - Prent van de week 30-05-1975

aachterwrk

zelfstandig naamwoord; dubbelzinnigheid: achterwerk van de mens, maar ook achter zijn met het werk dat verricht moet worden; meestal gebruikt met zitten

1. achterstand in werkzaamheden

In oew aachterwrk zn = Achter zijn met werk

De Wijs -- Eigenluk hekkut vuls te druk, ik zit flink in mn aachterwerk (09-07-1967)

Cees Robben Ze zitte daor mee dr allemolle flink in dr aachterwerek... (19671117)

Cees Robben Ge zit wir in oe aachterwrik... (19870911)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - te wd in zen aachterwrik zn - Te ver achter zijn met het werk.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTERWERK zelfstandig naamwoord  o. - In zijn achterwerk zijn - met iets ten achtere zijn

2. kont, achterste

SJAREL. Wel, die keek veul valsch nor d jaogertje en toen zeet-ie: W sudde gij dan doen azzoe aachterwrk in braand stint!? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

WBD III.1.1. lemma  achterwerk -  achterwerk, verspreid in  Tilburg

WBD III.1.1. lemma  bil c.q. dij achterwerk, ook Tilburg

WNT ACHTERWERK: figuurlijke opvatting: Schertsende benaming voor het lichaamsdeel dat veelal het 'achterste' genoemd wordt.

Ed Schilders over aachterwrk en andere namen voor het achterwerk

 

aachtien

achttien

telwoord

Dialectenqute 1887 Willems -- aachtien

 

aachting

zelfstandig naamwoord

achting

 

aachtkaanteg

bijvoeglijk naamwoord

achtkantig, in de zin van onbeholpen, grof, lomp

Van Rijen (1998): aachtkaantege zelfstandig naamwoord - grof en onbehouwen iemand

Frans Verbunt: aachtkaanteg - onbeholpen, onbehouwen, lomp

Stadsnieuws: Ds naa cht enen aachkaantegen boer. (200909)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ACHTKANTIG - achtvlakkig. Ook in de uitdrukking -  'Nen achtkantigen boer' - lompe, onbeschofte persoon.(Ned. achtkante boer)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): VIERKANTIGE zelfstandig naamwoord m. - iemand met plompe manieren: 'ne vierkantigen boer'. ACHTKANTIG bvw.; fig. lomp, plomp van manieren, dom van voorkomen.

 

aachtuuremis, aachtuursemis

zelfstandig naamwoord

H. Mis van acht uur 's morgens

Op dieje zondag, den irste februari 1953, waar ik meej ons Thea nr de aachtuurse mis gewist. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHTUREMIS zelfstandig naamwoord v. - Mis die ten 8 uren begint

 

Aadam

eigennaam; de oudtestamentaire figuur Adam

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Witte w Aadam dcht, toen ie vur et irst zaat te poepe? (Hij dacht dat hij een staart kreeg) Reactie als iemand zegt - 'ik dacht ...'

WBD III.1.4:345 'adammen' = zwoegen

 

aadel

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: meense van aadel hbbe gin voor in der kont

 

aaf

Bijwoord

af / van

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Op krt.77 (van/ af) valt T juist in het 'af/aaf'-gebied; even zuidelijk heeft 'van' de overhand.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): AAF - (thans geheel verouderde bijvorm van) af.

WNT (suppl.) AAF (I) Deze vorm komt voor bij Marin (1717) en wordt opgegeven voor N.-Brab.

1. af

Dialectenqute 1887 Willems -- aafkke - afkijken

Van Rijen (1998): 'den grotsten hits is ur naa wl aaf - hij is nu wel bekoeld.'

2. van

- Wa zodde daoraaf zeggen ? (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vurreej , 1932)

-D bericht sloeg in as 'nen bom! Baozel wier d'r stil aaf! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel;  feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

"Daor zeg ik niks aaf.  (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938)

Hij wier d'r wit aaf!  (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

3. eraf, vanaf, er vanaf

D. Boutkan: (blz.41) 'aaf/af' als ww-deel

D. Boutkan: (blz. 41-42) afblve - blft er aaf!

Gij wit er niks aaf = Jij weet er niets van.

Blfder aaf? - Blijf je eraf?

Blfter aaf! - Blijf eraf!

Van Rijen (1998): 'ge wit ur niks aaf - je weet er niets van'

 

aaftermiddaag

Zelfstandig naamwoord

Achtermiddag, namiddag

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: vruug op den aaftermiddaag op weg nor 't durp.

 

aaftrappe

werkwoord, zwak

aftrappen, weg- of verder gaan

Cees Robben Ze trappen t aaf/ Ze kennen de weg... (19570921)

Cees Robben Gao toch gaa.. en trappet aaf... (19600116)

 

aaftrekke [aaftrkke]
werkwoord, sterk
weggaan, verder gaan
Cees Robben En dan trekt ie [Sinterklaas] aaf... (19571207)
 

aai, ►aaj

 

aaj, aajke, aajer

Schilderij van Diego Rodriguez: 'Oude vrouw pocheert eieren' (detail)

zelfstandig naamwoord; zowel enkel als meervoud (naast aajer)

ei, eitje, eieren

Luister naar Tony Ansems: 'Kan'k 'n aaj hbbe op menen botteram'

I ei

Hoe is oew aaj? - Hoe is je ei (zacht genoeg)?

Cees Robben En vandaog wil ik slaoi mee juin meejaai meejrepel... (19810902)

-- Soms vrouwelijk gebruikt: Piet van Beers Op dieet: Den enen dag ' n maoger lpke./Den aanderen dag 'n harde aaj. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- En wie was d ok wir die aatij bij De Kluit n zo ooveral kwaam meej zen aajer n zen viskrref, hoe hiet die ok wir? (transcriptie Hans Hessels 2014) Klik hier om dit bestand te beluisteren

WBD mlkaaj - bebroed onbevrucht ei

WBD vl aaj - bebroed bevrucht ei

Frans Verbunt: z gezien as en vl aaj

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - meej en lg-aaj zitte (Si'70) - bedrogen uitkomen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Ks wille dggen aaj waart, dan knde k geleej wrre (Pierre van Beek: TT '7l) - Gezegd tegen iemand die wil rusten.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge moet et zpen m en aaj nie te bedrve (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): - waarschuwing tegen verkeerde zuinigheid (zuipen was een drank; zie aldaar)

Kan'k un aai hebbe op mijnen botterham?

Det he'k liever dan kaas

Oof tongeworst of jem

Och wilde gij vur mijn un kiepeaaj gon kope

Want ik ka nut waoter

Ut mijn bakkes vuule lope...

(Tony Ansems, Kank un aai hebbe op mijnen botterham;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

II eitje

uitdrukking -  rges aajkes onder lgge - overdreven ter wille zijn.

Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Ge waart in et kiepenhok gekropen en ge had er aaikes uit de nist gehaold... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Een verstaandige kiep kaokelt pas as 't aaike geleed is! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Van Delft - "Hij heeft er ook een eike bijgeslagen" wil zeggen: Hij heeft er zich ook mee gemoeid. "Hij heet er 't zijne bijgedaon." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Cees Robben Bij unne Paose paast n aaike. (19540417)

Cees Robben Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram...  (19560428)

Cees Robben - ..Mister, ge mot er op td w aaikes onder lgge... (19680628) [iemand verwennen]

Cees Robben Ik moet er af en toe welles n aaike onder legge.. (19660304)

Cees Robben Mar as ik op mn liste beenen liep, Merie.. Dan wieren dr bij men aaikes onder geleej... (19650430)

Cees Robben Ze wordt gevierd as n vuil aaike... (19710522) [Ze wordt goed verzorgd]

Cees Robben   Lust ons piskouske n koppel aaikes van de tiet-tiet-tiet... (19840615)

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - aajkes verloore lgge -een erfenis regelen - Van Rijen (1998): een verkeerde bestemming geven.

Van Beek - "Ik heb nog een eike met hem te pellen." - Of: een appeltje met hem te schillen. Ik moet hem nog eens ernstig over iets "onder handen nemen"; ik wil hem eens flink de waarheid zeggen. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

De Wijs -- Ik maag um gre, ge mot er zo af en toe ns n aaike onderlegge, dan komt ie wel op gang (24-02-1966)

Frans Verbunt: en goej meens, mar ze moes en aajke lusse van en zwart kiepke (gezegd v.e. heel traag mens)

Hoe wieste wgge moest zegge/ Hoeger aaikes onder moest legge... (Tony Ansems, Toon; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

III eieren

Dialectenqute 1879 Kernkamp -- Ze droagt aaier in 't mndje [ze is zwanger]

Cees Robben Komdom daaier zuute kiendjes..? (19540417)
Cees Robben Hardlvig (...) van al die harde aaier... (19670324)
uitdrukking: oud nieuws brengen
Cees Robben [ge] komt bij men meej oew aaier nao de Paose..! (19590328)
 

Schilderij van Henri-Horace Delaporte

Godfried Schalcken - Vrouw die een ei tegen het licht houdt om te zien of het bevrucht dan wel bebroed is. Hieronder een gravure naar dit schilderij

Pierre van Beek: gez. Twaalf aajer n dartien kkes - meevaller, buitenkansje

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ge kunt hier aajer krgen p de mrt; meej den doojer van en aaj

Pierre van Beek Wie zich hoort toevoegen, dat hij "inzit" over "ongeleed aaier (eieren)", kan er van overtuigd zijn, dat men van oordeel is, dat hij zich bezorgd maakt over zaken, die daartoe geen aanleiding geven. Bang zijn zich aan koud water te branden, zoals het beschaafd Nederlands kent, vertoont hiermede dus veel overeenkomst. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek - Et zn gin aajer al rlle ze. (Tilburgse Taaklplastiek 172)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Et zn gin aajer al rlle ze (Pierre van Beek: TT '73) - Het wil niet vlotten; alles gaat even moeilijk.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - De aajer verloore lgge (Pierre van Beek: TT '72) - Niet kunnen beslissen over de erflating

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Et van aajer maoke ('87) - Het bont maken.

...as ge aaier in oew zakken hebt, dan springen er over 'n uur allemaol jonge kiepkes uit. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

Mar, w doede gij, slurpte gij de aaier uit, menneke? (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Naa is t wel beroerd demme [in de oorlog] nie zoveul aaikes kunne ete as me willen... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

De Wijs -- Zn deez aaier vers? - Vers? Ze hadden eigenlijk merrege pas geleej motten worren (09-04-1973)

Naa waren onze kiepe van de leg en ons moeder mar gillen: Naa hebben we gin aaier meej Paosen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

De aajer waare wir z goeiekop degger gin kiepe vur kost haawe. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Zo hen we un paosaaieractie gehaawe, meej wel virtig man zn wij in Tilburg langs de deur gegaon om skergoedaaier n de man te brenge. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Twaalf aajer n dartien kkes (Pierre van Beek: TT '7l) - een buitenkansje

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - d klpt as twaalf aajer meej nen mikken btteram (Pierre van Beek: TT '70)

Henk van Rijen: komdom daajer? - kom je om de eieren?

Henk van Rijen: aajer f jong - kiezen of delen

Frans Verbunt: wl aajer eete, k al hdde gin kiepe; een buitenechtelijke of losse relatie onderhouden met een vrouw

Piet van Beers Den haon sprikt: DEN HAON SPRIKT:/ Gullie wit wl, biste mde/ Dt al gaaw wir Paose wort./ Ik hb verlt nr grote aaier./ Klntjes koom ik nie te kort. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers Nie sjouwe: Den dkter kwaam er n te paas./ Die zeej: "D duurt wl weeke."/ Ik ha 'n flinke kaaw gevat,/ d hattie zo bekeeke./ Ik moes lken dag drie aajer eete/ meej enne scheut kejak./ En nao 'n week toen hak n bakkes/ as enen rpelzak./ Ik kan drrom... sins dieje td/ de aajer nie mir zien./ Meej de kejak, ist aanders meej.../ Die lus ik er wl tien. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Vruuger noemde ze t mansvlk ok wl vrrekes. Naa, as dieje vnt nr de durskes van plezier ging, ge wit wl wk wil zgge, dan zinne ze dttie gin kiep hield mar wl aajer ging eete. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Frans Verbunt: meej oew aajer n Paose koome - te laat met een attentie aankomen

Frans Verbunt: aajer f jong; et van aajer maoke

Detail uit een schilderij van Bertha Bach

Gerard Dou (detail) - eieren in een mandje

Willem-Joseph Laquy (ca. 1765) - eieren in een mandje

 

Jean Simon Chardin - Stilleven (detail)

Edouard Dambourgez - Stilleven (detail)

 

aajer maoke

uitdrukking; slechte stoot bij biljarten

Cees Robben Hier maokten ze aaier... (19571221)

 

aajne-tswaaje-hoepsekaaj...

Tilburgs Duits

een-twee-hupsakee

Cees Robben (19790601) [De prent haakt in op een bezoek van het Duitse Rode Kruis aan Tilburg.]

 

aajerbluumke, -blumke

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord

Frans Verbunt: primula (primula veris - eersteling v.d. lente) = aajerblumke

WTT 2011: sleutelbloem, ook ►'mertuntje' genoemd

Thom - primula veris

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): Aajerbluumkes - primula's

 

aajerdpke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

eierdopje

 

aajerkoek

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: eierkoek

Frans Verbunt: der zn ok gl aajerkoeke

 

aajerkrf

zelfstandig naamwoord

eiermand

WBD III.2.1:207) 'eierkorf '

Jean Baptiste Simon Chardin

Edouard Dambourgez

Jean Baptiste Simon Chardin

 

aajerprm

zelfstandig naamwoord

pruim tabak zo groot als een ei

-- De locht is naa zo wijd en ruim
en lekker, - as 'n aaierpruim. (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Naacht, 1938)

 

aajerstrf

zelfstandig naamwoord

Informant Ad Vinken: gebroken rauwe eieren; geklopte eieren; omelet

hij zaat himml onder den aajerstrf; luste gij aajerstrf?

WBD III.2.3:150 'eierstruif', 'struif' = eierkoek

 

aajerweezeltje

zelfstandig naamwoord

wezeltje

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'aaierwezeltjes'

WBD III.4.2:48 'eierwezel' - wezel (Mustela nivalis)

Mustela nivoina

WBD III.4.2:54 'sierwezel' - marter (Martes foina), ook genoemd: 'fluwijn', 'steenmarter', 'buisem', 'fret' of 'fretje' 

Martes foina

Het epitheton duidt op de activiteit v.h. dier: eieren roven.

 

aajke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van 'aaj'

eitje

Cees Robben Bij unne Paose paast n aaike. (19540417)

Cees Robben Tiest Vermeeren haoj n kiepke... / En die preutse pik-madam/ Leej n aaike... en t woog zuiver.../ Honderd-vijf-en-sistig gram...  (19560428)

Cees Robben - ..Mister, ge mot er op td w aaikes onder lgge... (19680628) [iemand verwennen]

Cees Robben Ik moet er af en toe welles n aaike onder legge.. (19660304)

Cees Robben Mar as ik op mn liste beenen liep, Merie.. Dan wieren dr bij men aaikes onder geleej... (19650430)

Cees Robben Ze wordt gevierd as n vuil aaike... (19710522) [Ze wordt goed verzorgd]

Cees Robben   Lust ons piskouske n koppel aaikes van de tiet-tiet-tiet... (19840615)

Henk van Rijen: rges aajkes onder lgge - iemand overdreven ter wille zijn

Henk van Rijen: ge mot er mar goed aajkes onder lgge, dan zal ie ze wl vl broeje

Frans Verbunt: aajke t de fles - advocaatje

WBD III.2.3:146 'aaiketiet' = ei; ook 'tietei'

 

aajketiet

zelfstandig naamwoord

meestal voor ei (zie aajke)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): "aai-ke-tiet - Moeder kraig 'k in aaiketiet?" (ei)

WBD aajke-tiet - ei (hs K 183)

ook aangetroffen voor eigeel

- Ge waart in et kiepenhok gekropen en ge had er aaikes uit de nist gehaold en 'n stuk of tien hadde 'r op de deur van de schuur kapot gebutst en uitgesmeerd en toen kwaamde mee oew haanden en oew kleere vol aaiketiet binneloope en ge riept d ge de deur toch zoo schoon geverfd had! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

aalsmrges

bijwoord

elke morgen; aal= alle

Aalsmrges sukkelt ze naor t raom...  (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Mn ideaol , 1932)

 

aaltij, aatij

bijwoord

altijd

tis aaltij w - Er valt altijd wel iets op te merken

Want liefde wordt onder innen schoonen boom aatij t irste en t gemakste verklaord. (Naarus - ca. 1940)

Overal wit ze raod op, alles kent ze, en aatij staosse vur oe klaor, al is t midden in de naacht (Naarus - ca. 1940)

Op de irste plots doe'k d zoo omd'k nie goed aanders kan, want ik z zoo lomp as 't aachterste end van 'n vrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej. (Kubke Kladder 1929)

Want Jan Viool ha' aaltij lol
en streek mar tierelierelier......
z'n wange stonden peers en bol
van bier en van plezier! (Piet Heerkens Dn rgel)

Woone in n rijkeshs
Is nie aaltij n genoege.
Munne linksen buurman barbekjoet,
de rchtse is de muur n t voege. (Piet van Beers Woone in n rijkeshs; 2004)

Ik vond wel aaltij d de fraters gezelliger waren in lesgeven, dan misters. (Lodewijk van de Bredevoort 2006)

Bij et voetballen zakten die ppe van die broek aaltij op oew schoen. (Lodewijk van de Bredevoort 2006)

Ons moeder droeg aaltij un hl lang kld tot op der voeten, in bed, as nachtjapon. (Lodewijk van de Bredevoort 2006)

Lomperik d ge zt, w moet de buurt wel nie denken, gij aaltij meej oew gevloek en getier. (Lodewijk van de Bredevoort 2006)

Ik hb toch iets meej Tilbrg
n d is gin schaand.
Ik kan er zlf soms ok wl oover maawe.
Toch zal ik aaltij van der blven haawe.
Et is vur mn:
de schonste stad vant laand. (Henritte Vunderink; 2007)

Ik hb wl es heure zgge,
d van unne koejenbist,
de stront tch wl 't bist is...
Ds aaltij zo gewist. (Piet van Beers; ?)

We hbbe aaltij w te maawe
mar koome geluk niks te kort.
En ding moete es goed onthaawe.
D is: D t aaltij mrege wordt. (Piet van Beers; ?)

Cees Robben Ik ben naa vf en dartig jaor bij de Reiniging en ik heb nog aaltij munne irste bissum... (19720310)

Cees Robben Wilde n schutje... [koffiemelk] Gif mar unne scheut... Ik ben nog aaltij goed rms... (19691017)

Cees Robben Meense dieter ginne eene hebbe.. hebben t aaltij over aander meense geld... (19850816)

Cees Robben [Vraag van een vriend aan een zieke] Hoe is ter meej bruur...  Nog aaltij deuzig war.. (19600212)

Cees Robben Ze haauwt aaltij dren pt stf... (19790518)

Cees Robben Den lompsten boer hee aaltij de grtste repel... (19811218)

Cees Robben Ik heb aaltij goed gelimmeneerd... (19790202)

Cees Robben De goei gaon aaltij t irst... (19720519)

Cees Robben Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wrk... (19700329)

Cees Robben Den spulleman zit bij ons nog aaltij op t dak.. (19690815) [We zijn al op leeftijd, maar nog seksueel actief]

Cees Robben Ze zeej aaltij wesse doe.. (19640403)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hij is aaltij teegen et regeur

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): alt - altijd

 

aame

tussenwerpsel

amen (het zij zo)

Goedgetld (2004) -- aamen - n ze kwammen n ze aaten alles op -

uitdrukking die een einde aan een gesprek maakt

 

aamper

bijwoord

amper, nauwelijks

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): aamper

R.J. 'nog mar aamper zistien jaoren'

WNT AMPER bijw. Ternauwernood, nauwelijks. In Noord-Ned. en Vlaams-Belgi algemeen gebruikelijk. bij uitbreiding: nauwelijks, pas.

Etymologie: Komt op germ. gebied alleen in onze taal voor. Zou dus ontleend kunnen zijn aan Maleis 'ampir' = dicht bij, bijna. Z.a.

 

aamperaon

bijwoord

amper, maar nauwelijks; sterker dan 'aamper'

- Mar aamperaon twee daoge laoter... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Waor et heurde was et nie)

 

aamperkes

bijwoord
amper
Cees Robben Gaode zwemme, Naris... / Zwemme... / Ik kan nog mar aamperkes dokkele... (19610630)
 

aander

voornaamwoord

(een) ander, iemand anders; vaak gewoon 'iemand'

R.J. praoten oover en aander

den aandere - een niet nader genoemd persoon, die geciteerd wordt

Cees Robben - ik gun en aander k wl w

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): DEN AANDERE - een niet nader genoemd persoon die in het vervolg geciteerd wordt.

om de anderse

Dialectenqute 1887 Willems -- oover aanderse dag - om den anderen dag

WBD III.4.4:120 'om de andere dag' = om de dag; ook 'om de anderste dag'

Cees Robben: om de aanderste deur

ergens anders, bij iemand anders

Op en aander slaope = logeren

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): p en aander kope

Cees Robben Ruurt oe tungske op n aander (19600116)

volgende

Cees Robben: saanderendags

Lechim - andere in de betekenis 'volgende': Zis en drtig jaor geleeje/ Ist wir in de aander week /D de bevrijders binnereeje... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nou... Nou...)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): ander .... 'den anderen dag' - de eerstkomende/eerstvolgende dag.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'ANDER' bijvoeglijk naamwoord eerstkomend, elders

 

aandere

werkwoord, zwak

veranderen

WBD III.4.4:315 'anderen' - veranderen

 

aanderhalf

Telwoord

anderhalf

Henk van Rijen: aanderhalve meens n ene prdekp - weinig publiek

Frans Verbunt: daor lpt vur aanderhalve cnt (ook wel m.b.t. plebs)

 

aandermans

voornaamwoord

andermans

Henk van Rijen: voejer zuuke vur aandermans gt - werken voor een ander

 

aanders

Bijwoord

anders

Vruuger was et amml aanders. - Vroeger was alles anders.

- Waorom n revue? Och t is weer s w daanders en weer s w nuuws. Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

Cees Robben: niks aanders as ... ; zoo ist n nie aanders;

Cees Robben: mar wrm zot ok aanders gaon; aanders gaode mar is ...;

Cees Robben: agge me naa ng nie geluft, maok ik oe wl w aanders ws;

Dialectenqute 1879 Kernkamp -- aanders

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ze zchte niks aanders as gld

Van Rijen (1998): 'aanders, aanderst bijwoord - anders; vruuger waar ut amml aanders'

Grot diktee van de Tilburgse taol - 2005: Vruuger waar d wl aanders

 

aanderst

bijvoeglijk naamwoord

Van Rijen (1998): 'aanderst' - bn - andere'

 

aangst

zelfstandig naamwoord

angst

WBD III.1.4:293 : 'angst' = idem

 

Aante

eigennaam

Aant (met de e van de tweede naamval); van Antonia?

Cees Robben (19740329)

 

Aantwrps

Van Rijen (1998): Antwerps

Van Rijen (1998): 'aantwrps jaor = drie maanden (de Antwerpenaar overdrijft graag)'

 

aar

tussenwerpsel

WBD naar links (commando voor een paard)

WBD aarm, (uitsluitend Hasselt:) aarewch - naar links

Bovendien zijn nog in gebruik: 'hier' en 'hierm' - naar links

WNT HAAR (IX) Eigenlijk een voermanswoord in Overijssel, Geld., Ned. + Belg. Limburg, N-Brabant en Zeeland... gebruikelijk om het paard naar links te doen gaan.

Etym.: wsch. slechts klanken. Haar/her = herwaarts = hierheen. Z.a. Zie ook Taalkundig Magazijn III:56.

 

Schilderij (detail) van Pieter Claesz - 17e eeuw

 

aarbeezie

zelfstandig naamwoord

aardbei, 'aarbei', 'rbeezie; 'rbeezem'

WNT AARDBEZIE - Deftige en wetenschappelijke naam der bekende vrucht van de aardbezieplant, waarvan 'aardbei' de meer gewone en dagelijksche benaming is.

 

aarbei

zelfstandig naamwoord

aardbei

soms ook als meervoud i.p.v. aarbeije

Die vrouwe schote metn bij ons de moestn in waor aarbei en bone groeide die ze meten begonne te plukke. (Nel Timmermans; De zigeuners kwaame op de Reeshofdk; CuBra; 200?)

 

aas

zelfstandig naamwoord

as; stof

Cees Robben Van aas gemaokt... De dood die wocht... (19600304)

 

aase

zelfstandig naamwoord

as

in oude spelling ook geschreven als aasch, aasche, assche

WBD askl - ashok (bewaarplaats voor as, vaak gelegen onder de bakoven)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): d'aasche uitkruie - de overblijvende rommel opruimen (?)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'Asschewoensdag'

Cees Robben: t de aase vant verleeje

Cees Robben: assekrske

Henk van Rijen: ek val tusse twee stoele(n) n d'aase - ik kom maar niet verder

Henk van Rijen: ek hb aatij de aase vur em tgekroje - het vuile werk voor hem gedaan

Van Rijen (1998): 'K-val tusse tweej stoel n d-aase - Ik kom maar niet verder (heb geen houvast meer.)

WBD III.3.3:225 'askruisje', 'assenwoensdag'

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'Aasse' (bij voorkeur in 't mv) Tusse tweej stoele deur in d'aasse valle

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ASS(CH)E en ASS(CH)EN, zelfstandig naamwoord v. Wordt altijd gebezigd voor 'asch'.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): met gerekte vocaal blz.106 en krt.79

WNT ASCH, in ouderen vorm ASSCHE, zelfstandig naamwoord , vr.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): a.se(n) zelfstandig naamwoord mv. 'aassen' as (cineres). Voor deze mv-vorm vgl. Verdam

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ASCH - ase, zelfstandig naamwoord vr.... asch is verbrand hout.

WNT Het mv. asschen evenals lat. cineres en fr. cendres, niet zelden gebezigd, in collectieven zin zonder eene eigenlijk meervoudige betekenis, soms zelfs als een enkelvoud opgevat.

Statenbijbel II Petr.2.6 Ende de steden van Sodoma ende Gomorra tot asschen verbrandende...(meervoud)

 

aast

zelfstandig naamwoord

drijfriem van een machine

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- vruuger j, toen heetie op de febriek gewrkt gehad bij van Dooren n toen heetie toen n de aast gehange, zon drfriem, heetie n de aast gehange n daor heetie toen en paor van die krom bene van gekreege. Die waare toen gebrooke n toen hbbe zem gezt gehad n die waare vort krom (transcriptie Hans Hessels 2014)

 

aat

werkwoordsvorm

-- at, meervoud: aate(n); -- verleden tijd van 'eete'; eete - aat - gegeete

-- In den olg aate ze veul rpel.- In de oorlog at men veel aardappels.

Cees Robben: Dan aat ie t de haand; Asse wiese w ze aate; et knd aat goed
 

aatij, aaltij

bijwoord

altijd

Dialectenqute 1887 Willems -- aatij

Want liefde wordt onder innen schoonen boom aatij t irste en t gemakste verklaord. - Naarus - ca. 1940

Overal wit ze raod op, alles kent ze, en aatij staosse vur oe klaor, al is t midden in de naacht - Naarus - ca. 1940

Op de irste plots doe'k d zoo omd'k nie goed aanders kan, want ik z zoo lomp as 't aachterste end van 'n vrreke, heej me onze vadder vruger aaltij gezeej. - Kubke Kladder 1929

Piet Heerkens Dn rgel - Want Jan Viool ha' aaltij lol/ en streek mar tierelierelier.../ z'n wange stonden peers en bol/ van bier en van plezier!

Piet van Beers Woone in n rijkeshs (2004) - Woone in n rijkeshs/ Is nie aaltij n genoege./ Munne linksen buurman barbekjoet,/ de rchtse is de muur n t voege.

Ik vond wel aaltij d de fraters gezelliger waren in lesgeven, dan misters. - Lodewijk van de Bredevoort 2006

Bij et voetballen zakten die ppe van die broek aaltij op oew schoen.
Lodewijk van de Bredevoort 2006

Ons moeder droeg aaltij un hl lang kld tot op der voeten, in bed, as nachtjapon. - Lodewijk van de Bredevoort 2006

Lomperik d ge zt, w moet de buurt wel nie denken, gij aaltij meej oew gevloek en getier. - Lodewijk van de Bredevoort 2006

Henritte Vunderink (2007) - Ik hb toch iets meej Tilbrg/ n d is gin schaand./ Ik kan er zlf soms ok wl oover maawe./ Toch zal ik aaltij van der blven haawe./ Et is vur mn:/ de schonste stad vant laand.

Piet van Beers:

Ik hb wl es heure zgge,
d van unne koejenbist,
de stront tch wl 't bist is...
Ds aaltij zo gewist.
Piet van Beers
We hbbe aaltij w te maawe
mar koome geluk niks te kort.
En ding moete es goed onthaawe.
D is: D t aaltij mrege wordt.

Henk van Rijen: tis aatij w - 't is altijd wat

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bijw., 'aattij', altijd

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): Aat - altijd ook: altd

Koekoeloeris -- Op bladzij 11 daor stao nog n schoon leuterlied over Kiske znne fietsenbaand, d heet ie ok aatij zon schoon lied gevonden en telken keer asser in den orlog baande geplkt mosse worre en d was nogal dikkels dan stond ie d lied wir te citeren. (in het voorwoord bij 'Brieven van een oud-Tilburger', door Naarus; CuBra)

Meer citaten met aatij

 

aauw

► voor alle woorden met 'aauw' zie onder 'aaw...'

 

aaventoe

bijwoord

af en toe

Ik z ginne Vondel , ik rommel mar raok,/ Mar aaventoe heur ik : Et valt in de smaok... ...strak zdet ammol meej mn ens/ d wn verrkkes fn is. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Haawt ze vaast)

Et lkt gewonweg aaventoe/ of we in de Lntetd zn... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gedaon meej et goej lve)

Ik koom zo mar is aaventoe/ ene keer in de stad... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Hel hard nodeg.)

 

aaw, aawe

oud, oude

1 bijvoeglijk naamwoord

D. Boutkan: -- et hs is oud / aaw

D. Boutkan: -- en aaw hs, aaw schoene/schoen (blz. 48/49)

D. Boutkan: -- aawer hze, aawer schoene/schoen

Pierre van Beek: aaw hork - oude vrouw

KAREL. Mar Sjarel, w worde toch romantisch op oewen aawen dag! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 9 februari 1945)

Cees Robben   We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer... (19540515)

Frans Verbunt: zen aaw vlam wier aaw poelie en_wier zo en aaw hrk

Van Rijen (1998): 'H heej un gezicht van aaw lappe - Hij ziet er slecht uit.'

Van Rijen (1998): 'aawe n jonge jan - allegaartje, rommeltje'

Van Rijen (1998): 'aawespper(t) zelfstandig naamwoord - sukkelaar, tobberd'

- Dur de straote van aaw Tilburg Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

Dialectenqute 1879 Kernkamp -- 'n aauw prd; nen aauwen boek

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ons aaw hs is afgebraand

De meense wrre wl steeds aawer, mar ze gn jonger lke. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)

2 zelfstandig naamwoord

2.1. datgene wat oud is

Cees Robben: Lig nie oover oew schoen te maawe, n doe naa gaa oew aaw aon

2.2. de ouderen, in het bijzonder de oudelui, vader en moeder

Ut zen goei jong die nor de aauw aorde. (Hein Quinten , Tilburgse spreuken; ca. 1980)

Cees Robben t Zn goei die naor daauw aore... (19851108)

WBD III.3.1:26 'een oude', ook: 'oude man, oude mens' = oude man

2.3. ouders, vader of moeder

WBD III.3.1:28 'ouden' = ouden van dagen, ook 'oude mensen, bejaarden'

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- OUDER - a:ver, zelfstandig naamwoord m. - vader of moeder, Fr. parent

Cees Robben Ik hebdet nog nie aon den aauwe gevraoge... (19760917)

Cees Robben W trekt ie [het kind] toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi... (19840217)

Frans Verbunt: d'aaw - de vrouwelijke ouder; beide ouders

D. Boutkan: -- krk den aawe - precies zijn vader

Van Rijen (1998): 'den aawe - Vader'

Frans Verbunt: 'den aawe' - de mannelijke ouder, het gezinshoofd

Frans Verbunt: 'd'aaw'- de vrouwelijke ouder

WBD III.3.1:27 'een oud', ook 'oud mens' = oude vrouw

2.4. oudjaarsavond

naam, onzijdig omdat jaar (het Oudjaar) verondersteld wordt
Oudjaarsavond
Cees Robben Wij speulen wir van t Aauw in t Nuuw (19601230)
Cees Robben Ik heb al minstens duuzend keer/ Van t Aauw in t Nuuw gespuld..! (19601230)
Cees Robben En we speule mar wir deur... mee de kaort van t Aauw in t Nuuwe... (19860103)
Cees Robben Ze spulden saom van t Aauw in t Nuu.. (19710102)

Henk van Rijen: vant aaw int nuuw speule - de jaarwisseling vieren (met kaarten)

2.5. de oude, degene die je vroeger was, vooral met betrekking tot gezondheid

Cees Robben: dgge wir den aawe wrdt

Cees Robben: 'gij wordt wel wir den aauwe'

 

aawbt

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: kletskous, grappenmaker

 

aawbtte

werkwoord, zwak

-- aawbtte - aawbtte - geaawbt

-- kletsen, ouwehoeren; ook: aawmeute

Hij blef mar zitte aawbtte. - Hij bleef maar zitten kletsen.

Hel dikkels stond ze dan ok nog teege d soepie in et aachterstrtje te aawbtten. (Lodewijk van den Bredevoort - Kosset den brne eigeluk wel trekken? (2); 2007)

...kunde goed ouwbetten?... (Tony Ansems,Agge oew mundje goed ruurt; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

 

aawe klaore
zelfstandig naamwoord
oude klare, jenever
Cees Robben klinkklaor aauwe klaore. (19730831)
 

Aawe Vraant, d

toponiem

De Oude Warande; bosgebied in Tilburg West

Cees Robben Zuutjes kuieren, luikes luieren/ mee munne streup in dAauwe vraant (19540612)

 

Aauwen Dk [Aawen Dk]
toponiem
Oude Dijk
Cees Robben gao dan naor den Aauwen Dk! (19571214)
 

aawer

zelfstandig naamwoord

ouderdom, leeftijd, ouder

► 'aawerdom'

WBD III.2.2:37 'ouderdom', 'ouder' = leeftijd

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): ouwer - leeftijd, ouderdom

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): Aaw(er) bijvoeglijk naamwoordzelfstandig naamwoord - voormalig, oud, leeftijd

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): 'ouder' voor ouderdom; of in het algemeen voor leeftijd; in beide beteekenissen reeds bij Kiliaan. Z.a.

WNT OUDER (II) zelfstandig naamwoord - 1) ouderdom, leeftijd; 2) ouderdom, hooge leeftijd of langdurig bestaan. Z.a.

1. leeftijd

iemand van mnnen aawer

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ouwer, aauwer - leeftijd (oostnl.)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): OU(D)ER zelfstandig naamwoord m. - ouderdom, leeftijd. Hij is van mijnen ouwer.

...ze was taomelijk klein van postuur, vergeleken mee veul aander meiskes van heuren aawer. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

'n Vrouw van mijnen aawer die zooveul hee meegemaokt... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Cees Robben n Stuup knd vur durren aauwer..! (19550806)

Cees Robben [Ze is] vuls te ws vur durren aauwer... (19670505)

2. ouderdom, oude dag

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): OUWER (aawer) m - leeftijd, ouderdom: den aawer hebben - oud genoeg zijn: hij is van mennen aawer - hij is even oud als ik (A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958):

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): AAUWER, ouwer, ouderdom, leeftijd.

Frans Verbunt: ene schonen aawer - een mooie oude-dag

aawers

 

aawerdom

zelfstandig naamwoord

ouderdom

Cees Robben: grs van den aawerdm

Cees Robben: 'van aauwerdom laag te strve'

- De grutmoeder waar al half blend van aawerdom... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Pierre van Beek Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbten (doorbijten) al was 't d-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

 

aawers

zelfstandig naamwoord, meervoud

ouders

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - aawers leere de knder praote, mar de knder leere de aawers zwge

SV '84 - Als kinderen volwassen zijn, willen ze geen commentaar  meer van hun ouders.

WvM 'De aa is van aawers'

WBD III.2.2:80 'oudershuis' = vaderlijk huis

 

aawerwts - aawverwts - ouwverwts [korte ou]

bijvoeglijk naamwoord

ouderwets

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'aawerwetsch'

- Dan komen d' aawerwetsche Krvelsche figuren van over

vijftig jaor terug; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- aawerwetsch, goeiertrouw en plezierig volk; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

Cees Robben Mn boerinnekes die blven/ Van dn aauwverwetsen staand... (19600116)
Cees Robben Des nog n aauwverwetse fn trip... (19680809)
Cees Robben Dr gao niks boven aauwverwets getuig... (19720310)

Cees Robben De ouden van dagen han wir is zonne aauwerwetsen aovend bij Tntjes in de Lancierstraot (19571221)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Dr stonde vruuger allemel mar van die ouwverwtse hskes het stond ammel vol mar et was ammel oud! Klik hier om dit bestand te beluisteren

bijwoord

De gawe ketting mee 't kruis, die doen ze [de boerinnen in klederdracht] niemer aon... ph!... d's vul te awerwets. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Cees Robben In t schensel van de suute maan/ Stond ik werechtig mee ons Sjaans/ Wir aauwerwets te vrijen... (19850823)

Cees Robben Te aauwverwets vur onze td... (19590912)

Van Rijen (1998): 'aawerwts, aawverwts - ouderwets

Al w vruuger aawerwts was/ noemt de jeugd naa nostalgie (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et kiendje heej tch enen ge naom)

zelfstandig naamwoord

Piet van Beers Aawkes op Internet: Ons Opoe is nog 'n chte aawerwtse. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

KAREL. 't Is nog 'n aawverwetschte. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

 

aawlui

zelfstandig naamwoord, meervoud

oudelui, ouders

R.J. 'deh hah'n ons aawlui moeten zien'

Interview Jolen - 1978 - Want ak dan men ge aawlui n ons moeders aawlui n onze vadders aawlui, agge d t gaot reekene, war, n腔 (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Ik zegget wel efkes d we gaon fietse, zi ons Treeske. Zij de gang in, doe de deur van de vurkaomer, naa vort slaopkaomer van daawlui, oopen en schrikt der ge weezeloos (Lodewijk van den Bredevoort - Kosset den brne eigeluk wel trekken? (2); 2007)

WBD III.2.2:66 'oudelui' = ouders

WBD III.2.2:78 'schoonoudelui' = schoonouders

 

aawluuvie

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: van de oude stempel

Goedgetld -- aawluuvie - zelfstandig naamwoord - van de oude stempel (van vr het 'diluvium' = de zondvloed)

WTT 2012 - het woord komt uitsluitend voor in de uitdrukking met 'van de'; hij is, zij is, iemand, het is er een of iets van de aawluuvie. Net als ► deluuvie is het in het Tilburgs dus mannelijk, en niet onzijdig. Het woord bestaat uit 'diluvium / deluuvie' waarbij de eerste lettergreep vervangen is door 'aaw / oud'. In het Standaardnederlands is de uitdrukking gebruikelijk als 'iets of iemand van vr de zondvloed' om ouderwetsheid of achterlijkheid aan te duiden.

 

aauw-mannen-gesticht [aawmannegestigt]

zelfstandig naamwoord

bejaardenhuis voor mannen

Cees Robben D menneke uit het aauw-mannen-gesticht... (19590516)

 

aawmeut

zelfstandig naamwoord

kletser, ouwehoer, aawbet, kletsmajoor

w zde toch en aawmeut! - Wat ben je toch een kletsmajoor!

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): MEUTEN .... Wie het doet, is een 'meut' of 'ouwmeut'.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): Aawmeut zelfstandig naamwoord kletsmeier, praatjesmaker

 

aawmeute

werkwoord, zwak

kletsen, ouwehoeren; ook: aawbtte

Schaaj tch t meej de geaawmeut! - Hou toch op met dat kletsen.'

aawmeute - aawmeutte - geaawmeut

Cees Robben En naa moette nie ligge te teute of taauw-meute (19660513)

en ge kost es lekker aawmeute meej mekaare. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD III.3.1:42 'smoren en ouwehoeren','(gaan) buurten' = kortavonden

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): aawmeute: zelfde bet. hebben: aawbtte, aawfiepe, aawoere, kwatse, maawe

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): MEUTEN onov.ww - kletsen, gewoonlijk in verbinding met ouw-, vgl. ouwehoeren. Wie het doet, is een 'meut' of 'ouwmeut', wsch. van 'moet' of 'meuj', tante.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): ouwemeute - ouwehoeren, kletspraat verkopen

 

aawriejol

zelfstandig naamwoord

aureool

De Krstal op den Heuvel, in en vlammend aawriejol. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Niet te verwarren met aaw riejool = een oud riool.

 

aawverwts ► aawerwts

 

aawwvebrojke

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: ? bep. soort 'luxe' broodjes

 

aawwveknp

Knoop die garen overbodig maakt doordat twee delen door de stof heen in elkaar gedrukt worden

WBD 'wt wf' - oud wijf (II:l05l), benaming v.d. verkeerde knoop

Frans Verbunt: drukknoop, bijv. in uniform of kokskleding

Frans Verbunt: knoop, gelegd door een aanknoper, een helper v.d. kettingscheerder; een knoop die te slap werd gelegd en daardoor te vlug losging.

 

abbendaans

zelfstandig naamwoord

overvloed

Frans Verbunt: bij het rikken: alle dertien slagen

via fr. 'abondance' uit lat. abundantia

 

abbetjoek, appetjoek

zelfstandig naamwoord
de etymologie is niet opgehelderd; komt alleen voor in Tilburg en naaste omgeving
gek, iemand die zich afwijkend gedraagt; appetjoek is de bekendere vorm
Cees Robben Hullieje pa is unne wous.. hullie moeder unne abbetjoek.. en zelf is t k mar unne drie-kwart... Vur de rest gaoget wel. (19840330)
 

abbetwaar

zelfstandig naamwoord

abattoir

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'abetwaar'

Van Fr. 'abattre' = neerslaan, dus 'abattoir', de plaats waar men vee slacht.

 

aboepartaon, aboepertaant

bijwoord

Uit het Frans: bout portant: onverwacht, willekeurig

Frans Verbunt: plotsklaps (Fr. bout portant)

Stadsnieuws: Toen we siedereklaosliekes zaate te zinge, wier der aboepertaant gestrojd. (130909)

Van Rijen (1998): op stel en sprong

 

Abraam

eigennaam

Abraham; Abraham zien = 50 jaar worden

Naarus - Och w zakkoe daor op antwoorde? Ge wit dk thuis as "den elfde" aongezet kwaamp bij ons Moederke, die echteluk den kraomtd al jaore vurbij was. 'k Was nog "n plat jong" toense Abraam zaag... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

abrikoos

zelfstandig naamwoord

abrikoos; figuurlijk: vrouwelijk geslachtsdeel

WBD III.1.1. lemma  vrouwelijk geslachtsdeel abrikoos, Tilburg

 

abuus

zelfstandig naamwoord

korte uu

abuis, vergissing

-- Ge ht abuus - je vergist je

-- abuus hebben of abuus zijn - mis zijn; abuus gaan - de verkeerde weg nemen

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ABUUS zelfstandig naamwoord o. - abuis, misslag, misgreep (Fr. erreur, mprise)Ach ge d denkt zde abuus. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Henk van Rijen: ge hgget abuus - u vergist u

Cees Robben Ge het abuus, meens... (19690328)

Cees Robben Ge het wirris abuus bruur.. (19870410)

WBD III.l.4:15 'abuis' = idem 'abuis hebben = zich vergissen

WBD III.1.4:09 'per abuis' = zonder opzet

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): abuis; Ik heb abs - ik vergis me

 

achche

Samentrekking: als je --> achche

De scherpere vorm van agge

Achche die naawis verkocht. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

 

achchin

Samentrekking: als je geen --> agge gin -->achchin

Achchin sigarepepke het dan wilde rooke, en achche democratie het dan moete kunne bromme. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

 

achste

rangtelwoord

achtste

D. Boutkan: (blz. 28) uit cluster chtst wordt de t verzwegen

 

achtuuremoejer

zelfstandig naamwoord

Br.Sp. Et is en achtuuremoejer - het is een acht-uren-moeder

(Pierre van Beek: Tilburgse Taalplastiek 1972) Zo heet in de streek tussen Tilburg en Turnhout maar ook elders in de Kempen de avondschrik; het is een kinderschrik, waarmee men kinderen die 's avonds niet vroeg naar bed willen of, als het donker is nog op straat lopen, bang maakt.

 

adjm

tantime

komt ook voor als 'tjmtjm'

Volgens C. Robben de uitspraak van rond 1900.

Verbastering van fr. 'tantime'

 

af

voorzetsel

in de betekenis 'van'

"Ik zal et wel slachten",

zee Jan, de slachter,

"en worst er af maoken!" (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De mol van Baokel, 1944)

 

afbne

werkwoord, sterk

WBD castreren, ook 'lubbe', 'snije' of 'afknpe' genoemd

Frans Verbunt: laatste hand leggen aan een gebonden saus of soep

Van Rijen (1998): afbinden

afbne - bond aaf - afgebnde

-- met vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bnt aaf

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFWIJNEN - afbinden

 

afbeume

werkwoord, zwak

afbomen

WBD afbeume, aafbeume (II:l005) - afbome: de ketting v.d. kettingboom afwinden; ook wel 'lsse' genoemd

 

afbieje

werkwoord, sterk

afdingen (b.v. bij het kaartspel)

WBD III.3.1:57 'afbiejen', 'afkorten' = afdingen

WBD III.3.1:58 'afbiejen', 'zemelen' = trekken en talmen

WBD III.3.1:59 'afbiejen','afpingelen, afpekelen' = afbieden

-- afbieje - bj aaf -afgebje

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFBIEDEN. afdingen, b.v. op de markt

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFBIE(D)EN, AFBEE(D)EN - afdingen; iemand afb. - boven zijn bod komen.

 

afblve

werkwoord, sterk

afblijven

Henk van Rijen: blft eraaf! - blijf eraf:

Henk van Rijen: blfde raaf ?/! - Blijf je eraf ?/!

 

afboestere

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: wassen

 

afbraande

werkwoord, zwak 

afbranden, door brand verloren gaan

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): die is afgebraand (gezegd v.e. persoon)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ns aaw hs is afgebraand

afbraande - braandde aaf - afgebraand

Als onderwerp wordt vaak de eigenaar van het pand gebruikt.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFBRANDEN - avbrane wkw (branden af, afcheabrant).

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFBRANDEN (met 'zijn') - Door 't verbranden v. zijn huis zijn goed verliezen

J. H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836): AFGEBRAND noemt men hier en omstreeks iemand, die, door het verbranden v. zijn huis, zijn goed verloren heeft.

 

afbrnge

werkwoord, sterk

slagen

Ge hgget er goed afgebrcht - Je bent behoorlijk geslaagd

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFBRENGEN - ontwennen, afleeren: Wacht manneken, ik zal oe die leelijke manieren wel afbrengen.

 

afbuune

werkwoord, zwak

afboenen

WBD (m.b.t. een paard) - roskammen (ook genoemd: 'rskamme' of 'rsse')

-- afbuune - buunde(n) aaf - afgebuund

-- korte uu

 

afdoen

werkwoord, sterk

schoonmaken , plukken

oe neus afdoen

Van Rijen (1998): 'K-mot de pre nog aafdoen - Ik moet de peren nog plukken.'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFDOEN - afmaaien, -pikken, -snijden, -plukken, -scheren

 

afdraaje

werkwoord, zwak

afdraaien

WBD een kalf met hulpmiddelen doen geboren worden, ook 'afhaole' genoemd

afdraaje - draajde aaf - afgedraajd (geen vocaalkrimping)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFDRAAIEN - avdrue, wkw (drden af, afchedrt). Buiten de woordelijke beteekenis: iemand zijnen of den teen - (erg vervelen)

 

afdraoge

werkwoord, sterk

afdragen, dragen tot het versleten is (een kledingstuk)

WBD III.1.3:l6 'afgedragen' = versleten

- afdraoge - droeg aaf - afgedraoge

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFDRAGEN, avdru:ge wkw (drug af, afchedru:ge) - iemand/iets naar beneden dragen; van kleederen: kleeren tot het laatste -

 

afdrne

werkwoord, zwak

aflopen, er langs lopen

Ik vein d ge sommigte dingen in ons toltje toch z lekker smeujig zeggen kunt; net of ge in 'nen spekstruif bt en 't vet langs oe mondhoeken afdrent. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit 't klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

afdrge

geld afhandig maken

lett.: afdrogen

afdrge - drgde(n) aaf - afgedrgd (geen vocaalkrimping)

Van Rijen (1998): afstraffing geven

WBD III.3.1:67 'afdrogerij' , 'woekerij, woekerwinst' = woeker

WBD III.3.1:195 'afdrogen','affoefelen, aftruitelen, ontfutselen, aftroggen, aftroggelen' = aftroggelen

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFDROOGEN - afdrogen; fig. aframmelen, afranselen; geheel verslaan in 't spel; bedriegen

 

afdunne

werkwoord, zwak

WBD III.1.1:24 'afdunnen' = mager worden

 

affn

tussenwerpsel

afein - uit Frans 'en fin'

Affn, hier zit ik dan. Alleneg, op menge, aachter men buuroowke meej mene kompjoeter. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

affktgaore

zelfstandig naamwoord

Alle garens die afwijken van het normale garenbeeld.

Interview Hermans - 1978 - want affktgaores op zichzllef die zijn van ketoen mar ge ht ok veel die gevrfd zn dt wol is, war..want ene wollen draod kunne ze nie zo dun maoke as ene gewoone hillen dunne zijen draod fwl ene ketoenen draod.. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

affeseere

werkwoord, zwak

opschieten, voortmaken, zich haasten, avanceren

-- affeseere - affeseerde - geaffeseerd

R As ge affeseert, zder nog op td

Cees Robben Zeg maokt is mensie, zee mn vrouw.../ en affeseert n bietje... (19550716)

Cees Robben Ge het nogal geaffeseerd... (19810710)

Henk van Rijen: Affeseert en bietje! Ge ht ngal geaffeseerd;

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): agge en bietje affeseert, zder op td

Stadsnieuws: Alleej, affeseert es w - Kom, schiet eens een beetje op (030210)

- Smregus vruug al avveseere Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005
WBD III.1.2:5 'affeceren' = zich haasten, ook 'spoeien', 'opschieten'

WBD III.1.4:347 'avanceren' = opschieten

WBD III.4.4:323 'avanceren' = vorderen

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): affeseere - opschieten (1:30)

S.G. blz.236 (not. Witters)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): van Fr. avancer = opschieten

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): AVANCEREN - (avveseren) onov. ww. - opschieten, avanceren, voortmaken, opschieten.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AVANCEEREN - avans:re - vooruitkomen, sneller gaan; ook: voorschieten van geld)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): affeseere - voortmaken, opschieten

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - affeseere, avveseere - voortmaken (nbrab)

zie WNT Suppl.I, kol. 2172

Carnavalsmotto Tilburg 2016

 

affeseerkwaast

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: witkwast, blokkwast

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): affeseerkwast - blokkwast

 

Ill.: Tijs Dorenbosch

affeseerplngske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

autoped, step

WBD III.5.2:131 'avanceerplakje' = step, glijer

wsch. geen origineel dialectwoord, maar 'fantasie-metonymia'

 

affeseerschoene

zelfstandig naamwoord plur.

De Wijs -- (gehoord na n wandeling:) oew averseer schoene zn gelk ondergestobberd (17-08-1964)
De Wijs -- Ge mot ns kke hoe rap dettie is mee zn aveseerschoenen aon (16-01-1975)
Frans Verbunt: schoenen waarop men gemakkelijk veel en snel loopt

Nie bromme [op de bromfiets rijden] paa, mar ge meugt wl/ mn avesseerplngske vatte. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ons Sjfke zee: Tis vuls te glad Paa)

WBD III.1.3:215 'avanceerschoen' = veel te grote schoen

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): affeseerschoene (I:30)

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): affeseerschoene

 

affeseersteek

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: grove steek bij het naaiwerk

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): affeseersteek

 

affronteere

werkwoord, zwak

beledigen; uit Franse affronter

Cees Robben Ik wil oe niet affronteere meneer... (19640124)

De Wijs  -- Ik wil oe nie affronteere mar hij zaat gewn zat te zn. (23-10-1963)

► affrontig, geaffronteerd, veraffronteere

 

affrontig

bijvoeglijk naamwoord

beledigend; uit Frans affronter= beledigen

Cees Robben Zn affrontig ding [namelijk een kunstgebit in een kerkbank achtergelaten] (19641231)

► affronteere, geaffronteerd, veraffronteere

 

afgang

zelfstandig naamwoord

stoelgang

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - as ge n den afgang zt, kkte nie p ene keutel (Si '66)- kaartterm: Als je aan het verliezen bent, blijf je maar betalen.

Stadsnieuws: Ds goed vur den afgang, zi de pestoor, n hij dronk et liste t de wnfls. - Dat is goed voor de stoelgang, zei de pastoor, en hij dronk het laatste .. (2006l0)

WBD III.1.1. lemma uitwerpselen - Tilburg

WNT I:951 AFGANG - 2) stoelgang, ontlasting; concreet: de stof die men bij stoelgang loost; uitwerpsel, ontlasting

 

afgaon

werkwoord, sterk

afgaan; aflopen; ontlasting hebben

hil de buurt afgaon

van oewgen afgaon - het bewustzijn verliezen

Frans Verbunt: et hs is nie afgegaon - niet verkocht (bij openbare veiling)

Frans Verbunt: afgaon as ene gieter - een flater slaan

Cees Robben: 9 (blz. 11) ge zult gin zaand mir afgaon

WBD III.3.1:106 'afgaan', ''gegund worden' = gegund worden (v.e. koop)

WBD III.1.1. lemma ontlasting hebben frequent Tilburg

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFGAAN - verlaten, verzaken, verloochenen; ook afloopen

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFGAON - afgaan, ontlasting hebben; niet doorgaan v.e. verkoping; z.a.

WNT 1:941 AFGAAN A I 1,b ) absoluut gesteld, in bijzondere toepassing. Stoelgang hebben, zich ontlasten. De oorspr. opvatting was 'zich verwijderen en afzonderen, t.w. om aan de natuurlijke behoefte te voldoen (hd. abtritt).

 

afgeeve

werkwoord, sterk

Pierre van Beek: smakelijk vertellen; afstaan, kwijtraken

Pierre van Beek: Hij kan et goed afgeeve -

-- afgeeve - gaaf aaf - afgegeeve

-- in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij gift aaf

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): AFGEVEN - afstaan, meestal in 'moeten afgeven' - kwijtraken, vooral gezegd van gestorven kinderen: 'Ik heb er twee af moeten geven'.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFGEVEN - afchve of afjve: Nen brief - ; iets goed - = op handige wijze doen.

 

afgelaoje

bijvoeglijk naamwoord

volgeladen - in het bijzonder: vol van drank

Pierre van Beek: afgelaoje zn - te diep in het glaasje gekeken hebben (Tilburgse Taaklplastiek 170)

Frans Verbunt: stomdronken

Stadsnieuws: hij ha zoveul ingenoome dettie afgelaoje tskwaam (271006)

 

afgenaojeg

Bijwoord

ongenadig, erbarmelijk

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'de loonen zijn er ook afgenaojig leeg'

Stadsnieuws: De lone zn der ok afgenaojeg leg - ... verschrikkelijk laag (180109)
 

afgespanne

bijvoeglijk naamwoord

ontriefd, gedallaast, 'opgezadeld'

Ak menen bril nie bij/hb, zk afgespanne.- Als ik mijn bril niet bij me heb, ben ik ontriefd.

Heeft iemand een nuttig voorwerp, dat hij niet missen kan, verloren, dan is hij "er lelijk mee afgespannen". Dat wil zeggen "ontriefd". Dit "afgespannen" is de tegenhanger van "goed ingespannen". Men is "goed ingespannen" als men van het nodige voorzien is, dus zijn "gerief" heeft. (Pierre van Beek Tilburgse Taalplastiek 53)

Frans Verbunt: Meej den dieje, daor bnde meej afgespanne - ...mee opgezadeld

 

afgetrokke

bijvoeglijk naamwoord

WBD door veelvuldig zogen vermagerde zeug heet in de Hasselt zo

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFGETROKKEN bvw. - bij landb.: afgemolken, geene melk meer gevende; ook gezeid van brood dat tusschen korst en kruim afgebersten is.

 

afgezt

voltooid deelwoord van 'afztte'

Van Rijen (1998): afgezt koome - komen afzetten, overkomen, aankomen

 

afhaole

werkwoord, zwak

afhalen

-- afhaole - hlde aaf - afgehld

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hlt aaf

WBD een kalf met hulpmiddelen doen geboren worden, ook 'afdraaje' genoemd

WBD afhaoler - degene die het leer van de droogstokken haalt als het

voldoende gedroogd is (II 641)

WBD III.2.3:44 'afhalen' = de tafel afruimen

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFHALEN - avu:le wkw (lden af, afchlt) - van boven naar beneden halen; een pak op de post gaan - ; De dokter heeft het kind moeten afhalen.

 

afhakke

werkwoord, zwak

afhakken, het geslachte varken in stukken hakken voor conservering van het vlees

Audioregistratie 1978 - n assem af ginge hakke, d din ze dan vierentwinteg uur ndderaand assie koud was, moesie ingezoute wrre in zon grote kp, h.  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

afhne

werkwoord, zwak

WBD afrasteren (Hasselts, evenals 'afmaoke')

-- afhne - hnde aaf - afgehnd

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hnt aaf

 

afhffe

werkwoord, zwak

-- afheffen (b.v. van kaarten); het er afbrengen

-- afhffe - hfte aaf - afgehft

--hij heeget er goed afgehft - hij heeft het er goed afgebracht (Tilburgse Taaklplastiek 171)

WBD (III.3.2:171) afhffe of hffe = couperen (van kaarten)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFHFFE het er afbrengen; z.a.

vdWater: 't er goed, slcht afhfte - iets goed of slecht volbrengen.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr. en intr. zegsw. et er goewd / slaecht afheffe. - het er goed / slecht afbrengen.

- In de Betuwe en de Bommelerwaard wordt 'het er af heffen' gebezigd voor 'het er af brengen, verrichten'. Zie ook v.d. Water (Bommelerwaard)

WNT AFHEFFEN ... De kaarten afheffen: voor het rondgeven eenige kaarten van het spel aflichten om die onderaan te leggen. (couperen)

 

afkaaje

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: afbreken

 

afkke

werkwoord, sterk

afkijken, aanzien, geduld hebben

Van Rijen (1998): 'We zun de zaok nog mar as fkes afkke - 'We zullen de zaak nog maar even aanzien.

WBD III.1.1:236 'afkijken'= afloeren, bespieden

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): afkke - afwachten, nader bekijken

 

afknpe

werkwoord, sterk

WBD III.3.1:253 'afkleppen', 'uitroepen' = bekendmaken

WBD castreren, ook 'lubbe', 'afbne' of 'snije' genoemd

afknpe - knep aaf - afgekneepe

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij knpt aaf

 

afkrabbe

werkwoord, zwak afkrabben

WBD de geweekte haren van een geslacht varken verwijderen, met een krabber of andere hulpmiddelen

-- afkrabbe - krabde(n) aaf - afgebrabd

 

aflaaje

werkwoord, zwak

afleiden (deducere)

-- aflaaje - laajde(n) aaf - afgelaajd (geen vocaalkrimping)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): aflaaje

Cees Robben: hij wies de gaans w af te laaje;

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFLAAJE afleiden, uitlaten van dieren

 

aflaot

zelfstandig naamwoord

aflaat (r.-k.) ►: pesjonkele

-- 'nen vollen aflaot

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFLAAT zelfstandig naamwoord  m. - fig. Nen aflaat aan iet verdienen - afmattende arbeid aan iets moeten besteden.

 

aflgge

werkwoord, sterk

afleggen

aflgge - li/leej aaf - afgelgd/afgeleej

1. afleggen van een overledene

Dorrus Misters: Het afleggen van het lijk geschiedde meestal door de vrouw van de aanspreker [►bidde]. (Zo sneed het mes aan twee kanten.) Maar er waren ook wel andere vrouwen die dit werk als bijverdienste waarnamen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 Doden-cultus van eertijds; NTC 16-11-1950)

Audioregistratie 1978 - n asser ene beebie dod was dan stond ie vur de raom schon versierdn dan ginge buurmskes ginge d saoves aflgge, nkleeje, meej blumkes, en schon jurkske aon! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

WBD III.2.2:94 'afleggen' = idem (een dode)

2. afzetten, oplichten

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'd de meensen weer afgelee zijn' (= afgezet)

3. afleggen - diverse betekenissen

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFLEggEN - afl, wkw (lag af, afchel:): iets van de tafel - (afnemen); ook: een bezoek, zijn kaarten, nen eed - ; zijn schuld - (= met kortingen aflossen)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFLEggEN - afzoomen, afboorden, den zoom met eenig sieraad beleggen; afgeven, teruggeven

 

aflggesgered

gezegde: bekaant aflggesgered - op het punt te sterven

Typoscript van een brief van A.C. Hoogendoorn aan Pierre van Beek - 1965

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): aflegges klaor (VI:22)

 

aflkke

aflikken

ww.zw.

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): de schipper lkte zen lippen aaf

-- aflkke - lkten aaf - afgelkt

 

afloekieje

werkwoord, zwak

bespieden

Henk van Rijen: iemand afloekieje - iemand bespieden

 

afmaoke (1)

werkwoord, zwak

afmaken (in div. bett.); afrasteren

afmaoke - mkte(n) aaf - afgemkt

-- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mkt aaf

WBD afrasteren (evenals 'afhne', Hasselts)

WBD afmaoke (II:l390) - afmaken, afwerken (in pettenindustrie)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.tr. afsluiten, afschutten ....; de laatse hand aan iets leggen.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFMAKEN - afmu:ke, wkw (mokten af, afchemaokt): zijn werk, een paard, iemand - ; eene straat - (= afsluiten)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFMAKEN - afsluiten, 't zij met eenen muur, eene haag, een schutsel.

 

afmaoke (2)

werkwoord, zwak

onder narcose brengen

Van Delft - Maar de buurvrouw vergoelijkt haar houding, want "ze heej in 't gaasthuis gelegen waor ze geopereerd is en nie afgemaokt", hetgeen wil zeggen, dat zij niet onder narcose gebracht werd.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Frans Verbunt: nie afgemkt - zonder narcose (geopereerd)

 

afmaoke (3)

werkwoord, zwak

in de betekenis 'betalen'

Wildet aachtebekaare af maoke? vroeg ie [de politie-agent] toen. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

 

afneeme

werkwoord, sterk

afnemen, verminderen

WBD III.4.4:4 'afnemende maan' = laatste kwartier

WBD III.4.4:27 'afnemen' = krimpen

 

afpre

werkwoord, zwak

afranselen, een pak slaag geven

Die zumme wl is afpre.

WBD III.1.2:56 'afperen' = een pak slaag geven; ook: 'bijperen e.d.'

afpre - prde(n) aaf - afgeprd

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): afpe.re(n) zw.ww.tr. afperen, een pak slaag geven.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFPEREN - kletsen, lappen, oorvegen geven.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFPRE - een pak slaag geven

 

afpikke

werkwoord, zwak

het tegen iets of iemand afleggen

Mar d's ok gin wonder want die Piet [Pijnenburg]  is 'ne zisdaogen-renner in de wol geverfd, daor mot iedereen 't van afpikken. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

 

afploege

werkwoord, zwak

WBD (Hasselt) uiteenploegen (tegengestelde werkwijze aan de vorige keer)

- afploege - ploegde(n) aaf - afgeploegd

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): afpluge(n), zie: afplu.uge(n), zw.ww.tr. afploegen; van een grotere akker een veld afploegen zodat het door een flinke voor ervan gescheiden is.

 

afptte

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: aftellen, bij een spelletje

 

afrakke

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): iemand of iets in de vernieling jagen

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFRAKKE - rondzwerven

 

afraoje

werkwoord, zwak

afraden

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ik hb et em afgeraoje

Cees Robben Mar afraoje is aonraoje (19641106) [een wijs advies om iets niet te doen wordt vaak niet opgevolgd]

Henk van Rijen: afraojen is nraoje

afraoje - raojde(n) aaf - afgeraoje

 

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home

afrffele

werkwoord, zwak

Pierre van Beek: afraffelen

Koen. haastig en slordig opzeggen of afmaken

Frans Verbunt: de roozekraans afrffele - afratelen

Frans Verbunt: garen (van de klos af laten lopen)

WBD (III.3.3:195) 'afraffelen' = afraffelen

afrffele - rffelde(n) aaf - afgerffeld

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): afroefele - haastig en slordig werken

 

afroepe

werkwoord, zwak

afkondigen, bekend maken

D hebbe ze toch degeluk afgeroepe. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

 

afrsse

werkwoord, zwak

aframmelen, afranselen, een pak slaag geven, 'afslaon'

De Wijs -- (Gehoord van de hertrouwde weduwe tegen haar man (de hertrouwde weduwnaar:) Mn kender en jouw kender zn ons kender aont afrosse (27-12-1968)

WBD III.1.2:56 'afrossen' = een pak slaag geven; ook: 'afslaan'

afrsse - rste(n) aaf - afgerst

 

afschaaje

werkwoord, zwak

uitscheiden, ophouden

afschaaje - schaajde(n) aaf - afgeschaaje

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.intr. - afscheiden, uitscheiden, ophouden (met iets)

Baos ik werk nie langer mir, ik schaai eraaf (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

WBD III.1.4:312 'afscheiden' = ophouden met het werk

gez. Hij schaajt eraaf as enen hond van zene stront, -levert slordig werk

Zegsw. 'Hij schaeit ouveral van af lak enen boer (of hond) va z'ne stront.' d.w.z. hij werkt zijn zaken niet netjes af.

Van Rijen (1998): 'Dur afschaaje as unnen boer van zunne stront' - stoppen met iets zonder de boel op te ruimen

Stadsnieuws: erven afschaajen as enen hond

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFSCHEE(D)EN - afscheiden

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFSCHAAJE - ermee ophouden, uitscheiden

Naa schaai ik er af hurre... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

 

afschaajing

zelfstandig naamwoord

WBD akkerscheiding (grens tussen twee stukken grond), ook 'scheiing' en (Hasselts) 'schaaj' genoemd

Frans Verbunt: schutting, hek

WBD III.4.4:202 'afscheiding' = scheiding, ook'schei'

 

afschte

werkwoord, sterk

Van Rijen (1998): aan komen slenteren

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFSCHTE - aan komen sukkelen

 

afschiete

werkwoord, sterk

betalen, over de brug komen, over de brug komen met geld

Et wier td dttie afschoot. - Het werd tijd dat hij over de brug kwam.

Cees Robben En dek nie gemak afschiet... (19591107)

Cees Robben En assie is afschiet.. Nou dan kan t (...) op unne wetsteen... (19650416) [... dan is het heel magertjes]

● Als het werkwoord gesplitst wordt, wordt af verlengd:

Cees Robben Alleej dan meensen... schiet is aaf... [bijdrage leveren aan inzamelingsactie] (19650326)

Frans Verbunt: de Carnavalsstichting kent als donateurs: De scheutege afschieters

WBD III.5.1:115: 'afschieten','over de brug komen' = betalen

- afschiete - schot aaf - afgeschoote

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): st.ww.tr. afschieten l) geld geven bij wijze van douceur, 2) betalen: ik zoo mar is afschiejte.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFSCHIETEN, een geweer e.d. - ; het zeel is afgeschoten (= losgeraakt); hij kwam den trap afgeschoten (in hollende vaart).

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFSCHIETEN - betalen; bij landb.: den stal afschieten = afdoen

 

afsjouwe

werkwoord, zwak

uitputten

En daansen as ze kan! Ze wit van gin uitschaaien en ze sjouwt oe aaf as 'nen hond in 'nen botermeulen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

 

afslaoger

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): veilingmeester

 

afslaon

werkwoord, sterk

afslaan ; een pak slaag geven

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Ik slao niks aaf as vliegen n blndaoze = Ik sla niets af.

WBD 'afslaon (Hasselt.), of 'spinne' (v.e. merrie) - afscheiding geven uit de schede, teken van hengstigheid

WBD III.3.1:62 'afslaan','afzetten' = verlagen (v.d. prijs)

WBD III.1.2:16 'afslaan' = keren} ook: omkeren, omdraaien, wenden, zwenken

WBD. III.1.2:55 'afslaan' = een pak slaag geven

WBD III.2.3:185 'afslaan' = idem van noten

afslaon - sloeg aaf - afgeslaon

geen vocaalkrimping in tegenwoordige tijd

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): afslon st.ww.tr.- afslaan 1)een pak slaag geven... Zegsw. Ik sloi niks af a's vliejge.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFSLAAN - het stof v.d. kleeren, een stuk van iets - ; iemand - (= afranselen)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFSLAON - afslaan, een pak slaag geven; zen klk is afgeslaon (t.w. v.d. duivenmelker;

 

afsnlle

werkwoord, zwak

Van Rijen (1998): (Textiel) garen van pijpen stropen of het schiet er spontaan af

 

afsnlle

afschieten, afkalven

WBD afsnlle (II:939) - als 't garen van de pijp afschiet

 

afspanne

werkwoord, zwak

WBD uitspannen (v.e. paard), (Hasselts) ook 'tspanne' genoemd

afspanne - spande(n)aaf - afgespanne

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): afspane(n) st.ww.tr. afspannen, ontspannen: de zaog afspanne.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFSPANNEN - afsluiten met ijzerdraad, koorden enz.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFSPANNE - losmaken; in de knoei raken

 

afsplle

werkwoord, zwak

afspelden

WBD afsplle (II:1189) - afspelden (van een zoom in kleding)

 

afstaand

zelfstandig naamwoord

afstand

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): afstaand

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFSTAND, afstant zelfstandig naamwoord m.: afstand doen; iemand op afstand houden; DISTANTIE - distanse, zelfstandig naamwoord vr. Wordt meer gebruikt dan 'afstant'

 

afsteeke

werkwoord, sterk

afsteken; verminderen

Van Delft - Ze zijn 't loon aan 't "afsteken" wil zeggen verminderen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

WBD het deeg op de werkbank verdelen

afsteeke - staak aaf - afgestooke

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij stikt aaf

 

afstooke

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: in brand steken

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFSTOOKE - in brand steken

 

afstrpe

Frans Verbunt: winkels aflopen voor koopjes

En as ik zo de school afstrp kom ik hil w tege. (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

Stadsnieuws: 'Ons moeder moes sewle afstrpe om der jong nt eete te haawe - Mijn moeder moest soms op koopjes jagen om haar kinderen de kost te geven' (240308)

 

afstrije

werkwoord, sterk

betwisten, loochenen, ontkennen; tegenwerpen, met argumenten bestrijden

Henk van Rijen: d zak nie afstrije - dat zal ik niet aanvechten

WBD III.3.1:236 'afstrijden', 'bekvechten, strijden, muilvechten, smoelvechten, ruzie maken, haarenkelen' = bekvechten 

- afstrije - streej aaf - afgestreeje

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFSTRIJ(D)EN - betwisten, loochenen (Fr. contester, nier); iemand iet afstrij(d)en - in eenen woordenstrijd hem iets uit het hoofd trachten te praten, van het tegendeel overtuigen.

 

aftaands

bijvoeglijk naamwoord

aftands

N. Daamen - handschrift 1916 - 'aaftaands' - iemand van zekeren leeftijd

 

aftge

WBD aftuigen (v.e. paard) 

Van Rijen (1998): afranselen, aftuigen

WBD III.1.2:57 'aftuigen' = een pak slaag geven

aftge - tgde aaf - afgetgd (geen vocaalkrimping)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFTUIGEN - het getuig afdoen: E prd aftuigen

 

aftrappe

werkwoord, zwak

vertrokken, ertussenuit gaan

Van Rijen (1998): 'aaftrappe ww - vertrekken'

 

aftreeje

werkwoord, sterk

WBD land aftreden (om een perceel te meten)

WBD III.4.4:292 'aftreden = afpassen

- aftreeje - aaf - afgetreeje

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): st.ww.tr aftreden, met passen afmeten b.v. een veld.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AFTRE(D)EN meten hoeveel treden iets lang is.

 

aftrkke

werkwoord, sterk

van het getouw halen

WBD aftrkke (II:1052) - van het getouw halen (v.h. weefsel)

WBD III.2.2:107 'zijn eigen aftrekken' = masturberen

 

afval

zelfstandig naamwoord

afval

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): longen en hart van een varken, om zult (hoofdkaas) van te maken

kinderen, nageslacht

Cees Robben Ge het n schn vrouw opgezet/ Kees.. En dr is z nogal w afval aon k ziek... (19640221)

 

afvalle

werkwoord, sterk

flink tegenvallen; gewicht verliezen;

V 'van oewge afvalle' - in onmacht vallen, flauwvallen

R Et zal oe wl afvalle daor. - Het zal je daar wel tegenvallen.

R Et wrke viel wl aaf.

V Hij valt gereegeld van zengen(aaf)

WBD III.1.1:24 'afvallen' = mager worden

wBD III.1.4:277 'afvallen' = heimwee hebben

afvalle - viel aaf - afgevalle

Door progressieve assimilatie van stem wordt de v geabsorbeerd.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFVALLEN, Het fruit is met den wind afgevallen; hij viel van de leer af; lichamelijk vervallen; Hij is de laatste jaren fel afgevallen.

 

afvatte

werkwoord, sterk

afnemen, ontnemen

Van Rijen (1998): 'aaffatte, affatte ww - afnemen, ontnemen'

afvatte - viet aaf - afgevat

(de v assimileert aan de f)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): afate(n) st. en zw. ww. tr. - afvatten, (iemand iets) afnemen

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFVATTE - afnemen

 

afwaas

zelfstandig naamwoord

afwas, vaat

WBD III.2.1:286) afwaas, opwaas, omwaas = vaat

 

afwaase

werkwoord, zwak

wassen (van personen)

zengen afwaase - zich wassen

R.J. 'toen hebben wij ons afgewasen'

- afwaase - waaste(n) aaf - afgewaase

Geen vocaalkrimping

 

afwinne

werkwoord, sterk

van iemand winnen

Van Rijen (1998): 'aafwinne ww - iemand voor zijn'

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFWINNE - afwinnen (ergens mee vr zijn)

 

afwchte

werkwoord, zwak

afwachten

Cees Robben: niks as de bui afwchte;

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - mar afwchte, as nze Lieven Heer nt krs (Pierre van Beek:-TT '7l) - Zijn ziel in lijdzaamheid bezitten.

afwchte - wchtte(n) aaf - afgewcht

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- AFWACHTEN, wkw; wacht mij aan de statie af; zijnen tijd, zijnen toer (beurt) - ; met vijandelijke gevoelens opwachten

 

afzke

werkwoord, sterk

afzke, zeek aaf, afgezeeke

Van Rijen (1998): iemand voor de gek houden of belachelijk maken

WTT 2013 - Een bijzonder deftige dan wel spottend bedoelde variant op het dialectische 'afzke' vinden we in de weergave van een Tilburgse bestuurder die in 1638 in Den Haag bij de Staten-Generaal ging pleiten voor de Tilburgse textielindustrie. Dr. Cock Gorisse, schrijft daarover: 'Vele malen zijn Tilburgse bestuurders naar 's-Gravenhage gereisd om het vrije verkeer van grondstoffen, halffabrikaten en eindproducten te bepleiten. Daarbij werden ze niet altijd correct behandeld. Zo klaagde de Tilburgse schepen en lakenkoopman Willem Gerits Geritsen de Roy er in 1638 over dat hij op een avond onversien, van pampieren ontbloot voor de Staten-Generaal moest verschijnen om de zaak van de Tilburgse lakennijverheid te bepleiten. Verschillende leden van dat college - duidelijk afkomstig van de concurrerende Hollandse nijverheid - hadden hem toen proberen te uurineren met woorden.' Bronnen: Gorisse (Red): Tilburg, stad met een levend verleden - 'De geschiedenis van Tilburg vanaf de steentijd tot en met de twintigste eeuw'; gebaseerd op: De Bruijn: 'De opkomst en de orintatie van de Tilburgse lakennijverheid in de 16de en 17de eeuw', Bijdragen tot de Geschiedenis 73 (1990) 165-178.

 

afzgge

werkwoord, sterk

afzeggen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - hij gao de liste mis afzgge (Pierre van Beek: TT '70) - gezegd van iemand wiens broek te laag hangt

 

afztte

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: urineren

financieel oplichten

WBD III.3.1:62 'afzetten', 'afslaan' = verlagen v.d. prijs

WBD III.3.1:195 'afzetten', 'aftroggelen, aftroggen, ontfutselen, aftruitelen, afdrogen, affoefelen' = aftroggelen

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AFZETTE - uit laten stappen; wateren

 

agge

samentrekking (sandhi)

als ge

Cees Robben Agge (...) buiten-buiks te veul eet of drinkt... (19670804)

Dialectenqute 1887 Willems -- agge - als gij

als>as>a + ge = agge

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACHE, samentrekking van 'als gij'

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): AggE - adde (V:56)

Str. agge (l:92)

 

agget

samentrekking

als je het

Cees Robben Agget mar doet... (19850329)

 

aj

tussenwerpsel

au! (kreet van pijn)

aj men ksterog!

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AAI (zuiver uitgespr.) telwoord - kreet van droefheid of pijn. Ook 'ai'. AE telwoord - kreet van pijn of van schrik

 

ajasses

bastaardvloek

WNT lemma AJASZES - Uitroep van tegenzin, afkeer of walging, in de platte volksspraak. Verbastering van Ah! Jezus!

Cees Robben Ossetong (...) Ajasses n... (19701211)

 

ajuu

interjectie (tussenwerpsel)

Van Rijen (1998): gegroet

 

ak

samentrekking (sandhi)

als ik

Ak gao, meude meej

Cees Robben ...z ver ak weet (19651231)

Cees Robben Ok ak naor de hel toe gao... (19701023)   

Henk van Rijen: ak menen bril nie bij hb, zk afgespanne - ... ben ik ontriefd

bt ie ak em aaj?

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AK samentrekking van 'als ik': Ak den tijd heb ...: Ak mag ...

 

Akkedmie [Akkedeemie]

naam

Tilburgse Kunstacademie

Cees Robben (19590321)

 

akkem

samentrekking

als ik hem

Goedgetld (2004) -- bttie akkem aaj?

 

akker

samentrekking

als ik er

Cees Robben Akker iets aon heb... (19650813)

 

akkerdeere - akkedeere

werkwoord, zwak

- akkerdeere - akkerdeerde - geakkerdeerd

- kunnen opschieten met iemand, overweg kunnen, accorderen

Str. akkerdeere (2:5l)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): akkerdeere (II:18)

S.G. blz. 84, III,326,330 (aant. Witters)

van fr. accorder = tot overeenstemming brengen, tred houden of s'accorder = het eens zijn

Ze ksse goed akkerdeere. Ze konden goed met elkaar overweg.

R As gullie naa mar akkerdeert. - Als jullie nou maar geen ruzie maken.

- k geleuf d die nie mee bekaore kunne akkerdeere. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Ak meej ons Sjaan nie akkerdeer/ (n d komt wl es veur)/ Trk ik altij n et krtste nd./ Ik moet er onderdeur. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Pretst)

Cees Robben As ge mekaar mar begrept../ En saom kunt akkerdeeren... (19580705)

Cees Robben Om meej dn dieje te kunne akkerderen (...) moette schaopebloed hebbe... (19641106)

Cees Robben t Akkerdeert goed... (19620928)

Cees Robben -  Ik kan meej onze vadder nie akkerdeere.. (19791214)

Cees Robben Mee jou viel (...) heel goed te akkerderen (19820813) [Prent bij het koperen jubileum van A. van den Wildenberg als burgemeester van Goirle]

►fokkedeert

Piet van Beers Parads: Waor meense meej mekaor goed akkedeere. / Daor is et saomewoone en genot. (Het zeventiende boekje, 2010)

Meschient doetie [Pirke Donders] dan ng ene keer en wonder n krgeme strak ene nuuwe geminteraod meej alleneg mar pronte meense, die goed akkerdeere meej mekaare.  (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2009)

Vruuger zeeje ze d Tilburgers nie ont mar pront zn. f ok wl: Nie lammenteere mar akkedeere.  (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger... maart 2013 -

WNT ACCORDEEREN is geene afleiding van 'accoord', maar rechtstreeks aan fr.'accorder' ontleend.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ACCORDEEREN - akordren wkw - overeenkomen: ze - goed samen.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ACCORDEEREN (uitspr. akkerdren)- in goede overeenkomst met elkander leven (Fr. s'accorder); ook onpers.: 't accordeert daar niet.

 

akkefietje

zelfstandig naamwoord

kleinigheid

Van Beek - Akkefietje - En toch zijn 't vaak maar kleine "akkefietjes". Daar heb je weer zo'n woord. Waar komt 't vandaan? Hoe is 't ontstaan? U moogt ook schrijven: "akkevietje" en het beste zou zijn als u "akevietje" schreef. De oorsprong is: aqua vitae; eau de vie, levenswater oftewel brandewijn. Wees nou eerlijk: Had ge dit gedacht? En 't wordt nog interessanter, als we er bij vertellen, dat in Denemarken akvavit de naam is voor een soort jenever. Een akkefietje is dus een borreltje. Maar wij verstaan er onder: een koopje, een vervelend karweitje, een tegenvaller. Niet dat het drinken van 'n ouwe klare door velen als een lastig werkje beschouwd wordt, maar de betekenisovergang wordt duidelijk als men de uitdrukking: "dat is me ook een hapje" er naast plaatst.  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. ?; 22 jan. 1958)

 

akkoe

samentrekking

als ik je

Cees Robben Akkoe nie gezien h... (19610602)

Cees Robben Akkoe mar zie Sofie zk gelek van munne apprepoo... (19641127)

 

akkoewiets

samentrekking

als ik je iets

Cees Robben [vrouw tegen haar man:] Ge mot nie hi zegge akkoewiets vraog... zeg dan toch fesoenluk w motte na toch wir...? (19850315)

 

akkum

samentrekking

als ik hem

Cees Robben Akkum geraokt ha... (19730706)

 

al

bijwoord

Dialectenqute 1879 Kernkamp -- Ze waandelden aal proatende tot oan de staad

telwoord

Henk van Rijen: ek gelf et al zen daoge - ik geloof het ongetwijfeld

 

alder

bijvorm van voorvoegsel aller

► Alderhllige ► alderlist

 

alderaand, alderaande

bijvoeglijk naamwoord

allerhande, allerlei

De kraante staon tegesworrig vol mee alderande raodgevinge... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Frans Verbunt: allerhaande sorte - goed gesorteerd

Veugeltjes van allerhaande sorte vliege dr rond. (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

We zn verwnd meej alderaande kompjoetergestuurde anniemaasies... (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WNT ALDER voor ALLER is in de volksspraak gewoon en komt ook bij 17e-eeuwsche schrijvers veelvuldig voor.

 

alderhllege

zelfstandig naamwoord, meervoud

Allerheiligen, r.-k. feestdag op 1 november

Cees Robben Mee Alderhellege (19681108)

WBD (III.3.3:174) allerheiligendag met epenthetische d (na l)

 

alderlist

telwoord, bijvoeglijk naamwoord

allerlaatst

Cees Robben Want die [voetbalclub NOAD] hongen onderaon... en alderlist... (19610421)

WNT ALLER-. De vorm 'alder-' is nog heden in de volksspraak gewoon en komt ook bij de schrijvers der 17e eeuw veelvuldig voor.

 

aldervruugst

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

Van Rijen (1998): op zijn vroegst

 

alderziele

zelfstandig naamwoord, meervoud

Allerzielen, 2 november in r.-k. kerk

met epenthetische d (na l)

 

alskes

bijwoord

langzaam maar zeker; verbastering van allengs, allengskes

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): As vreuken nie meer en hulpt en alleskes veul overstuurs gee?

Cees Robben Ze sloven en sjouwen alskes al meer (19590207)

►allngskes

 

algemen

bijwoord bijvoeglijk naamwoord

algemeen

D. Boutkan: blz. 16

 

alkoof

zelfstandig naamwoord

alkoof

WBD alkoof, alkoowf - alkoof, klein vertrekje zonder ramen, waarin bedden of bedsteden zijn geplaatst.

WNT ALKOOF .... via fr. en sp. van Arabischen oorsprong, uit het lidw. al + kobba, een verwulfd of koepelvormig gebouw of vertrek.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ALKOOF, alko:f, zelfstandig naamwoord vr. soms in den zin van bed

 

alla

tussenwerpsel; berusting uitdrukkend; het zij zo, nou ja

uit het Frans: la

Cees Robben alla dan mar... en zwijgen (19570706)

Cees Robben Mar witte wet is... zeej Lewieke kwansuis.. D vissen alla... Mar ge zt is van huis.. (19590801)

 

alla bonneur          

tussenwerpsel

uit Franse la bonheur, op goed geluk

Cees Robben alla bonneur... (19600422)

► allebeneur

 

allebaaj

telwoord

beide, allebei(de), alle twee

Die zn allebaaj ffe zot. - Die zijn alle twee even gek

 

allebeneur

bijwoord

Van Rijen (1998): mij goed, vooruit dan maar

Frans Verbunt: allebeheur - vooruit dan maar (Fr. la bonheur)

Stadsnieuws: Naa allebeneur, as ge d naa zo gre ht, dan doek d wl (070207)

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) alla beneur...  

 

alledaoge

uitdrukking

elke dag, alle dagen

Goedgetld (2004) -- d is ene meens van alle daog - die zal het niet lang meer maken

 

alleej

aansporend tussenwerpsel

WBD allee vert - vlugger! (commando voor een paard)

WBD alleej-hup, halee-hop - opstaan (commando voor een paard)

R.J. alleej-naa, Kees, nie stoeje

Cees Robben: alleej vurt, truuhuup!

Cees Robben: alleej, ge meuget weete; allee allee Mientje;

Cees Robben: alleej koesjeej - vooruit, naar bed

Van Rijen (1998): alleej, saluu war - kom, gegroet hoor: afscheidsgroet

= fr. 'allez' = ga, kom!

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ALLEZ (Fr.), al:, ali, alai; telwoord aansporend: - kom! Z.a.

 

allen

bijwoord

alleen

Grot diktee van de Tilburgse taol 1994 -- daor wrde allen mar muug van

WBD III.3.1:40 'alleen' = eenzaam

 

alleneg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

alleen

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'alleenig'

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Ge had vruuger niks as varkensslaagers alleneg n runds alleneg, witte wl!? (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Mar naa lopt den ene den aandere vurbijn d nie alleneg mar ze zien elkaar, ze knne der geste buure ng nie eens (transcriptie Hans Hessels 2014) Klik hier voor audiofragment

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): Teegeswrreg spinne zalleneg mar meej mesjienes

Ik heb nooit gin heimwee gehad/ Omd ik nooit allenig ben... (Tony Ansems, Hoe kan ik jou missen, schat?; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Affn, hier zit ik dan. Alleneg, op menge, aachter men buuroowke meej mene kompjoeter. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

As de Tilburgers langs oe lope dan heurde alleneg gemaaw. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WNT ALLEENIG ... van 'alleen' + het achterv. -ig. In de volksspraak gewone, maar ook bij dichters niet ongebruikelijke verlenging van 'alleen', die echter de beteekenis geheel onveranderd laat.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bijw. (weinig gebr.) allenig, alleen. Zie WNT.

WAT allenig b.n. (pred.) z.a.

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): allenig

 

allegeduureg

bijwoord

voortdurend, doorlopend, steeds; contaminatie van al en gedurig; komt ook in het Fries voor: algeduerich

Hij moes allegeduureg drinke

Hij vorderde weinig en zuchtte allegedurig... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

"En is et te verwondere, d ge allegedurig in de kraant leest van ophangen en veur de kop schieten in de stad!?" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; NTC 20-1-1940)

De kapelaons keken allegedurig naor de klok... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)
...allegedurig zaat ie er mee z'n vingers aon te plukken... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

...en allegedurig dronk ie 'n glas waoter. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Cees Robben Hij is allegedurige ziek en blft vur elk hondsgezk thuis (19870320)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bijw. gedurig, aanhoudend! Et wa's allegeduurigen te doewn

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ALLE GEDURIGEN - gedurig aan, alle oogenblikken: 't Is alle gedurigen zoo

 

allejizzus

bastaardvloek

Jo van Tilborg -- Elk keind d op de grote school zaat, moes ne keer per jaor, drie centen meejbrengen, mr mocht ok, mar bij ons vonden ze d al allejizzus veul geld. (uit Lodewijk van den Bredevoort, Kosset den brne eigeluk wel trekken dl. 1, 2006)

Jo van Tilborg -- Assik d ding tlaot, krg ikket allejizzus in menne rug, ze bedoelde der kesjet. (uit Lodewijk van den Bredevoort, Kosset den brne eigeluk wel trekken dl. 1, 2006)

Overzicht van alle bastaardvloeken

 

alleman

zelfstandig naamwoord

iedereen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - allemans vriend is allemans gk (Daamen, Handschrift Tilburgs (1916):-wie voor iedereen goed is, ziet zijn goedheid al gauw misbruikt

Et waar druk in de Heuvelstraot: ik geleuf d alleman ont klttere waar. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

WNT ALLEMAN, koppeling van 'alle' en 'man', als eenheid opgevat, evenals ieman(d) en nieman(d), en als zelfst. vn. gebruikt. 'Man' staat hier in de oude beteekening van 'mensen'. Komt al in de hooge oudheid voor.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ALLEMAN: allemansvriend is -szot.

 

allemanshond

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek: meisje dat met iedere jongen op pad gaat, of met zich laat spelen

 

allemanstd

zelfstandig naamwoord

Mar komt dan nie op zonnen allemanstd... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra) (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

allemrges

elke morgen

Goedgetld (2004) -- as ge alle aovende int kefeej zit, hdde ok alle mrges kppnt

 

allemel ► alleml

 

alleml

onbepaald voornaamwoord, bijwoord

in het Tilburgs vaker de kortere vorm: amml

Cees Robben Hier zn ze allemol gelk... (19571102)

Cees Robben Ge zd allemol op den vrekesbak geboren... (19860523)

Cees Robben Van hg toe lg t heej allemol/ n ongedurig gat...  (19651224)

Allemol deeje ze d'r bist/ D'n beker te verdienen/ Mar kossen tegen Willem II/ Ten liste niks begienen. (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - rondom Piushaoven n zomoete es kkede Leenherenstraot n de Groenstraot, d was vroeger allemel een vld, zak zggen dan hadde daoraachter hadde d febriekske van, van dinges, van.van Franke, d vrverijke  Klik hier om dit bestand te beluisteren

Ik wil nie zien wtter alleml gebeurt... (Henritte Vunderink, Heure, zien n zwge, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

allemlle

bijwoordelijke uitdrukking

ons allen, allemaal

Cees Robben Hier zen we dan meej zn allemolle... (19660325)

Cees Robben Mee dr allemolle (19671117)

 

allngskes

bijwoord

Langzaam maar zeker, beetje bij beetje

Ze hbben er en paor gevat/ wiere allngskes blijer/ n waare vur zer rg in han/ al vf kefeekes wijer. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nr de bvert)

► allskes

 

allerhaande

► alderhaande
bijvoeglijk naamwoord
allerhande, allerlei
Frans Verbunt: allerhaande sorte goed gesorteerd

 

alles

voornaamwoord

alles

Dialectenqute 1879 Kernkamp -- Ze nemen aalles wetter te krgen is

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Alles is kits: de kachel p bed en de klne in de koolenbak (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 1974)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Alles p zene td n bntjes in augustus, n et knd hiet Jaoneke. (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 1969) - reactie van iemand die tot spoed wordt aangemaand.

Variant: Alles p zene td n de brune bonen in mei.

Frans Verbunt: Alles is in rde: de kachel op bd n de klne in de koolekit

 

allskes

bijwoord

allengs, allengskens, langzamerhand, hoe langer hoe meer

Ik krg er allskes al meer t laand aon. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben: alskes al meer (als titel v.e. gedicht, en frequent daarin)

Van Rijen (1998): alskes - allengs, langzamerhand

WNT ALLENGS, voorheen 'allencx, later ook 'allenks'. Andere vormen: allenken, allenkskens, allenskens, allengskens. Z.a., waar nergens de nasaal na de tweede klinker ontbreekt.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ALLESKE(N)S Bijwoord Uitspraak van 'allengskens'

 

Allewieske

eigennaam, verkleinde vorm

uit Aloisius

Cees Robben (19570427)

 

Alling

Bijwoord

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): ons klaan gaon alling baors in de schoen; - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: geheel.

- De Bont - bnw. en bijw. alink resp. aling, (ge)heel, geheel en al, volkomen, gans.

 

allis

samentrekking: al eens

Och jao, ge moet de kln manne allis iets geve asser om vraoge (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

KAREL. Sjarel, ge ziet tegesworrig nog allis van die dames mee manskleeren aon vende nie? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945)

 

allozzie

zelfstandig naamwoord

horloge (zie lermma 'lozzie')

Mar d hk zelvers op mnen alloozie naogegaon, d d messien nao zeuven en in halve menuut nog boven in de locht zaat... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

alpinke

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:192 'alpinke' = alpinomuts; ook: 'alpinetje'

 

alzelve

Bijwoord

zijn hele leven; vast en zeker

Die heej alzelven p Krvel gewond.

Ik gelf et alzelve. variant: Ik gelf et al zen daoge

Ik gelf alzelve d ze laoter nog s gaon hokke ok (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): alzeleve (VII:22)

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): ALZELEVEN (alzelve), Bijwoord heel zijn leven; ook: altijd, in alle omstandigheden, zeer zeker, in elk geval.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- al ze lieve - altijd; ook wellicht, vermoedelijk

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): alzeleeve - zijn hele leven, altijd, zeker, nadrukkelijk; lieve hemel!

 

ambetaant

bijwoord

Uit Frans: embtant, vervelend, beroerd

Hieronder wsch. eerder: gnant, onbetamelijk

"Zaagde vruuger ene sjarretl/ dan wast al ambetaant". (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ze dcht wir aon vruuger)

 

ambras

Frans Verbunt: heibel, problemen

WBD III.3.1:305 'ambras' = bluf

WBD III.1.4:382 'ambras' = drukte

van Fr. 'embarras'

 

ammel

► amml

 

ammejak

zelfstandig naamwoord

ammoniak

Ammejak, ptaasene n smoutollie! Mar in smoutollie daor zit piedelaast in. Piedelaast! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

ammezuur

zelfstandig naamwoord

uit het Franse embouchure

WNT a. Mondstuk van een blaasinstrument. b.  De houding van lippen, tong en andere lichaamsdeelen betrokken bij het bespelen van een blaasinstrument; ook: de wijze van aanblazen, het toongeven op een blaasinstrument.   Een goede embouchure hebben, een blaasinstrument door een goede mond- en ademhalingstechniek goed en zuiver bespelen.

R uithoudingsvermogen

Mar Kareltje kreeg er zjenie en ammezuur in; (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Frans Verbunt: vermogen om goed op een blaasinstrument te spelen; lipspanning

- In het Tilburgs wordt en goej ammezuur gebruikt om aan te geven dat men goed in vorm is of in goede conditie.

Cees Robben [laat de muziekkiosk van het Wilhelminapark aan het woord:] Ik ben un kios mee un goei ammezuur... (19550730)

R Hij heej ng den amezuur van ene jonge krel.

Cees Robben: Hij heej den amezuur ng van ene ffteger (Burgemeester van Voorst tot Voorst, 1e spade hoogspoor.)

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'aonmonding'

Henk van Rijen: ginnen ammezuur hbbe - geen lust, fut, animo hebben

Van Rijen (1998): Vandaog gin ammezuur - vandaag geen zin / lust

Frans Verbunt: De blaozers v.d.hrmenie vatten en paor glaoze bier vur et ammezuur.

N MAR BLAOZE

 

Den aawe Jan Buuster

(wie knt die naa nie)

blaost tweej instremnte

bij de Stadshrmenie.

 

Hij blaost bij de marse

n koopere trompt

n bij de klassieke

n hel aaw krnt.

 

Nao lang rippeteere

verlies d'ammezuur.

Dan vatte w pilskes.

D schilt op den duur

(Piet van Beers; CuBra; 20??)

 

WBD (III.3.2:325) ammezuur = mondstuk

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): amez.jer zelfstandig naamwoordo. ammezuur, embouchure, mondstuk v.e. blaasinstrument...

Verbinding 'ammezuuier hebben (op)' zekere geschiktheid bezitten voor het bespelen van (een af ander blaasinstrument). Z.a.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AMMEZUUR - 'ammezuur hbbe'- aanleg hebben v. 't bespelen v.e. instrum.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ammezuur - embouchure (Hamont-Achel)

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): ammezuur is onze variant van embouchure (I:14)

 

ammiekaol

bijwoord

amicaal; vriendelijk

uit Franse amical

Cees Robben Den schrpen geur van broeder kuus/ die vond ik amiekaol. (19701016)

 

amml

onbepaald voornaamwoord, bijwoord

In het Tilburgs ook, maar minder vaak, de langere vorm: alleml

Daarnaast met vocaalreductie: ammel - Die pkes hbbe kleeren aon n huudjes op n ze speulen ammel en instruumnt. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

Interview Hermans - 1978 - n in de midde ston ammel paole, zere paole n dr bonde ze die koeje ammel aond hk ng meejgemktd was mistdinsdags!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

►llemaol ►mmel

1 Onbepaald voornaamwoord

- alles, alle, allen tezamen; met zn allen; allemaal

Uit het Middelnederlandse altemale

WS daor stonne ze meej zen ammlle - ...met z'n allen

Ook in vervoegde vormen, en dan voorafgegaan door een voorzetsel: ammlle, allemlle (ammel leent zich blijkbaar niet voor vervoeging)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Ze hbben k nie amml bllekes aon, die nr de krk gn.

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): mee allemollen zongen we

De Wijs  -- Hier zn we dan, mee zn allemolle! (20-07-1962)

Cees Robben: hier zn ze alleml gelk

Cees Robben: gullie wilt amml mar te pst n te prd trouwe

Cees Robben: dod gmme amml

Tis ene trubbel meej den ollie,/ we mtte mindere n gaaw,/ aanders zitte we vant wnter/ mee allemolle in de kaaw. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ollie bespaoring?)

We lven ammol mee oe mee/ Mar ge mot winnen, Willem II. (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

Interview met de heer De Kok (1978)  n dan kwaame we ammel goed zat ts! Amml! KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

- Ammol han zun krkske bedder/Waor ze durre zk in moese doen Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.
- Ammol han ze unnen hof Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005
- Amml hielde ze knne/ Soms ok un vreke in un kot Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005
Henk van Rijen: zooj zi zn zamml zuut. - naar hij zei, zijn ze allemaal zoet

Henk van Rijen: koome ze meej zen ammlle? - komen ze met z'n allen?

Piet van Beers Jonges, lster is: "Van aovent gn we meej zen ammol/ fiste op ' t Kednt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Van allemolle in d mega hshaawe van ons, wier verwocht, desse der stintje bijdroegen om de zaak draaiend te haawe. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Meej zen ammlle zingen (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

as de femilie aon toffel gong en meej zen ammlle in de eetkamer derre kanis vol zaate te douwen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Ze waare der amml. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

CiT (4) 'Kome ze mee zamolle?'

2. Bijwoord

alsmaar (steeds weer, voortdurend); geheel (allemaal = alles)

Kwk et amml wies. - Ik wou dat ik het allemaal wist.

Hij plaogt mn amml. - Hij plaagt me alsmaar.

- "W'n flauwe kul toch ammel!" (Jan Triborgh, pseudoniem van John Majoie, in een serie van 4 artikelen uit de Nieuwe Tilburgsche Courant over de feestelijkheden vanaf 27 oktober 1954 ter herdenking van de tiende bevrijdingsdag van Tilburg.)

Cees Robben t Is ammol niks... (19600916)          

Cees Robben Asser ammol ingaon... (19610707)

- Ammel interessante dinger over vanalles n ng w. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

alleml

Piet van Beers Advertnsies leeze: Ge moet nie vraoge w d ammol wir gao koste. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Omgeving Tilburg

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'AMMEL' bijw. : allemaal, voortdurend

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): AMMAL Bijwoord, 1. allemaal, met zijn allen; 2. steeds, de hele tijd door: 'hij din ammal rre ' - hij beefde voortdurend

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): I bijw. en vn. allemaal, altemaal: Wa zess' ammel? II bijw. al maar (door), voortdurend: 'k Denk ammel dat et woensdeg is;

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ALLEMAAL (ook 'ammal' uitgespr.) - geheel en al; allen

CiT (4) 'Kome ze mee zamolle?'

 

amtenr

zelfstandig naamwoord

ambtenaar

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'ambtenr', 'ambtenair'

 

anderst

bijvoeglijk naamwoord

ander

m den andersten dag - om de dag (de ene dag wel, de volgende niet)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): um den andersen dag, ook 'ouver andersen dag' - om de andere dag; 'ouver anderst joor'- om het andere jaar

 

Andijvie

Andijvie

zelfstandig naamwoord

Piet van Beers Mar... hilt jaor deur, was er volop/ te ogste van munnen hf./ Spinzzie, Slaoj n Boerekol/ Andijvie, Brussels lf... (uit: Balaanze)

Piet van Beers Meej slaoj n andijvie,/ haol ik alle prze/ n schondere praai/ hb ik nrges gezien. (uit Drome)

Piet van Beers Raopsteele n andijvie lke op mekaor (uit De kunst van t kooke)

Piet van Beers Wie knde vruuger mangoow n kiewie f brkkolie, karmbola n taugee ?/ Meej sprtjes, andvie, boerekol n bloemkole waareme tevreej. (uit: Wtter in vfteg jaor veraanderde)

 

anee

tussenwerpsel

PM nee hoor (nadrukkelijke ontkenning van een bewering)

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): ANEE (ahnee) ontk., nee hoor, (diende om tegenover een bevestiging iets te ontkennen) zie.blz.77

 

antiespties

bijwoord

De Wijs -- D kan ammaol wel waor zn mar ik stao er antisepties tegenover (10-01-1970)

Robben laat het woord verkeerd gebruiken, daar waar sceptisch bedoeld wordt:

Cees Robben Mar ik stao dr toch antie-septies tegenover... (19700130)

 

Anvrs

zelfstandig naamwoord

De Franse benaming van Antwerpen wordt in het Tilburg met de scherpe e uitgesproken en met de s; in de regel gaat daaraan vooraf het lidwoord 'den'

"Ik heb nen keer iets van Wagner geheurd in den Anvers... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 5; NTC 29-10-1938)

 

Antwrpe - Aantwrpe

zelfstandig naamwoord

Antwerpen

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ge moet mn in Antwrpe de wg leere knne.' (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 1969) - Hiermee wil iemand zeggen dat hij ergens goed in thuis is.

Frans Verbunt: Aantwrps jaor - drie maanden

 

anzjee

zelfstandig naamwoord

hachee

Van Rijen (1998): anzjeej, hansjee

Verbastering van fr. 'hach'

 

Anzjeliekske

eigennaam, verkleind uit: Angelica > Angelique

Cees Robben (19720414)

 

aojem, ssem

zelfstandig naamwoord

adem, asem

Daorveur moete ne langen aojem hbbe. - Daarvoor moet je een lange adem hebben.

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): deren lsten aojem; in enen aojem noeme

Cees Robben Teine aojem.... (19560428)

(detail uit een Prent van de week van onbekende datum)

► ssum

Frans Verbunt: ik hb mar enen aojem n tweej haande (ook Stadsnieuws: 120506)

WBD III.1.2:232 'naar adem snakken' = hijgen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Blijkens krt. 44 ligt T. op de grens van vormen met resp. j en s.

WNT ADEM... ASEM is een andere vorm v. hetzelfde woord, doch meer alledaags

 

aojeme, jeme

werkwoord, zwak

ademen

We drfden hst nie te aojeme.

Van Rijen (1998): 'Ge kost um nie heure aojeme - Je kon hem niet horen ademen.'

Van Rijen (1998): 'K-kos hst niemir aojeme want k-kreg gin ssem mir.'

- aojeme - aojemde - geaojemd

Dialectenqute 1887 Willems -- geen vocaalkrimping, dus niet de vorm 'jeme'

WBD III.1.2:233 'zwaar ademhalen','moeilijk asemen' = hijgen

WBD III.1.1:182 'ademen' = ademen

WBJ III.2.2:54 'zwaar ademen' = reutelen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): Blijkens krt. 44 ligt T. op de grens van het j/s-gebied.

 

aojer

zelfstandig naamwoord

ader

WBD III.3.1:335 'ader' = brandslang, ook genoemd 'darm'

WBD III.l.l:l80 - aders = aderen

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): o.jer, resp. o'jer, zelfstandig naamwoord vr.+m. 'ooier' - ader

 

aokelek

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

akelig

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'aokelijker'

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): bnw. akelig

 

aoola

zelfstandig naamwoord

aula

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - in de aoola hier van, van et hs, dan was ok zon, zon  hrmenieke van die aaw manne die ok ammel bij de meziek gewist waare vruuger n naa meej de aaw manne bij mekaare gebleeve zn n dan geeve ze hier f daor zon, zon konsrtje, hEt Hrmenieke noeme ze derge, hDs leuk! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

aon, n

voorzetsel, bijwoord

aan

Daor hddem aon. - Daar komt hij aan.

Ge meut nergeraand nkome; n hs kome.

Cees Robben: ik trk men miezeznneke mar is aon; wrm kmde wir halfzat aon?

Cees Robben: ze zien mn staon meej niks aon; as ge p hs aon gaot;

Pierre van Beek: Ik bn er goed aon beknd - ik ben er goed mee op de hoogte. (TT)

Henk van Rijen: tis dik aon - het is nauwe vriendschap

Van Delft - Zij is er goed "aan" bekend zegt men in plaats van: zij is er goed mede bekend. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Dialectenqute 1879 Kernkamp -- Ze waandelden tot oan de staad

Van Rijen (1998): 'On zo-n kr h-k niks aon - met zo'n wagen kan ik niets doen.'

D. Boutkan: (blz.41) 'aon/ n' als ww-deel

- En vurlichting waar der toen ng nie bij, dus veul vraauwe waare-n-er llek jaor steevaast bij. Dan waare ze wir aon de tl, n asse n mnd of zis op scheut waare, dan werd de luurkrf wir klaor gezt. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

aongemkt
voltooid deelwoord van Aonmaoke

aanmaken

hier: - Zoo zegt men hij is hier of daar mede aangemaakt", wanneer men wil zeggen, dat iemand aan dit of dat lijdende is. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.
 

aongetrouwde

bijvoeglijk naamwoord

aangetrouwde; namelijk leden van de schoonfamilie; in het Tilburgs meestal kaawe kaant genoemd

Cees Robben Over dn aongetrouwde kaant (titel van de prent van 19641106)

 

aonlgge

werkwoord, zwak

aanleggen

1. in het bijzonder een cafeetje bezoeken

In 't geensgaons hebben we 'ne keer aongeleed, en toen we terugkwame ng 'ne keer. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 6; NTC 5-11-1938)

Cees Robben En onderweege likkisaon... (19550716)

Cees Robben Ik legde is aon (19590801)

2. werk krijgen

Anoniem 1959
Jaans zaag de kaoi rikkemedaosie,
naauw kossie nieveraans aonlegge.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst klik hier
3. het werk in de textielfabriek hervatten na de middagpauze

1941 - De jongeren hebben er geen denkbeeld van hoe het vijftig jaren geleden met de arbeiderstoestanden en ook met die van de kleine burgerij was gesteld. Er waren ontzettend lange arbeidsdagen en er werd zeer karig loon verdiend. De fabrieken ratelden van des morgens zes tot des avonds zes, zeven uur en niet zelden tot acht, negen, en als het voor de werkgevers druk was soms tot middernacht. Geschaft werd er om acht uur n kwartier voor de boterham; de drijfriemen bleven echter op de losse poelie voortloopen, zoodat terstond als het kwartier om was de arbeid weer voort kon gaan. Om twaalf uur was de grootte rusttijd om te gaan eten tot half twee; maar ouderen herinneren zich den tijd nog wel dat op veel fabrieken om een uur weer moest worden aangelegd, zooals het heette. (Anoniem; in Nieuwe Tilburgsche Courant 30-01-1941, Hoe was het in onze streken?")

 

aonprissenteere, aonprizzenteere

werkwoord, zwak

iets of zichzelf aanbieden dan wel aanbevelen

contaminatie van presenteren en aanbieden

Ons Lia presenteerde der ge aon om de soep op te scheppe. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

aonraoje

werkwoord, zwak

aanraden

Cees Robben Mar afraoje is aonraoje (19641106) [met een negatief advies bereik je vaak het tegendeel]

 

aonrcht, recht, den

zelfstandig naamwoord

aanrecht, het

Zt alles mar p den aonrcht. - Zet alles maar op het aanrecht.

WBD aonrcht, naarcht, gutsten - aanrecht, gootsteen (zonder duidelijk onderscheid)

Cees Robben: ast p den aonrcht in en kumke leej;

Fonologische varianten: aonrcht, nrcht, rcht, recht, rcht, naarcht, nrcht

►nrcht, nrcht

 

aonrikkemendeere

werkwoord, zwak

contaminatie van aanbevelen en het Franse recommander = aanbevelen

Cees Robben [onderwijzer tegen een moeder die haar zoon aan een baan wil helpen:] Ik kan nie over m stuite, mar omd gt-zd zal ik opnoteere dek van de week moet optillefeneere en m aon rikkemendeere.. En dan moet ie mar solliciteere.. (19720128)

 

aonschrepe

werkwoord, zwak

aanscherpen, scherp maken

De Wijs -- (Gehoord van n rasechte Tilburger, vertellende van zn operatie) Den dokter most 2 keer zn mis aonscherpe veur dettie deur munne pens kos koome    (17-10-1966)

►aonwitte

 

aonspreeke

werkwoord, sterk

aanspreken

Van Delft - - Iemand uit het volk, die een autoriteit wil raadplegen wijl hij meent verongelijkt te zijn, zegt, dat hij "andere mannen zal aonspreken" ofwel dat hij "hoogerop zal gaon". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

 

aonsteeke

werkwoord, sterk

aansteken; het electrisch licht aandoen

Piet van Beers t Jaor is wir om: ...n steeke we de laamp w laoter aon. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

 

aontge

werkwoord, zwak

aantuigen, optuigen, zich aankleden

- s Mergens om vf uure begos ik me aon te tuige (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

aontreej

zelfstandig naamwoord

entree, intreegeld

Aontreej zs euro n as ge wot konde oewe jas kwt vur enne euro. (Jos Naaijkens; De krstfr; CuBra, ca. 2005)

 

aonwitte

werkwoord, zwak

wetten, scherp maken van een mes, contaminatie met aanscherpen

Cees Robben Den dokter [chirurg] moes twee keer zn mis aonwitte.. (19670317)

 

aonzien veur

werkwoord, sterk

aonzien, aonzaag (nzaag), aongezien

aanzien voor

- de buuvrouw, mevrouw van Gompel, die is tch vort z wd wg dsse onze lieven Heer vur 'nen doedelzak nzie. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

aop, pke

zelfstandig naamwoord

aap; snotneus

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'aop w hedde schoon jong'

Gez. Aop, w hdde schon jong!- Aap, wat heb je mooie jongen!

Henk van Rijen: naa zudde nen aop zien neuke - nu zul je wat beleven

R 'Aop w hdde schon jong' speule = vleien

gez. Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Hij is z blij as nen aop meej zeuve lulle.

gez. Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: Ge hoeft nen aawen aop nie te leere hoe dttie snte moet trkke.

Cees Robben: Ge hoeft enen aawen aop gin bakkese te leere trkke;

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nen aop zien neuken op glad s - Iets geks zien.

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op website Je bent een echte Tilburger... maart 2013 -

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - Der zit nen aop op zulder (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 1969) - reactie die twijfel uitdrukt over wat iemand meedeelt

WBD III.1.4:36 'aop' =ezel

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AAP - fig. kleine snuiter, snotneus! 'Nen aap van 'ne jongen. Ezel, dommerik

Frans Verbunt: der zit nen aop p zlder (opm. in bijzijn v. iem. die leugens vertelt)

Frans Verbunt: zich et aopelaazerus schrikke - heel erg schrikken

WvM 'De ao is van aopen'

Frans Verbunt: al w ene vent schonder is as enen aop, is meegenoome

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - de gouwen aop = E. van Spaendonck (blz.73.)

K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - den aop = frater Embertus (blz.101)

WBD III.1.4:106 'aap', 'snotaap' - snotneus

36 'aap' = ezelachtig persoon

Stadsnieuws: der zit nen aop op zulder (300406)

 

aopezuur

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: maagzuur

 

aor

zelfstandig naamwoord

aar, halm

R De tiende maaj schiet de rog in d'aor

WBD I:1466 halm: 'aor'

 

aord

zelfstandig naamwoord

aard

WBD goejen aord - goede afstamming (gezegd v.e. koe), ook 'goeje(n) tuk;

'goejen komaaf'genoemd

R.J. dttie prt nr zenen aord

Des naaw eemel den aord van 't bisje. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

Cees Robben k Heb ginne aord meej deeze maantel.. (19680119)

Pierre van Beek: ot den aord geslaon zn - niet aarden naar zijn vader (Tilburgse Taaklplastiek 178)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): en vreke meej nen baord is zlde van goejen aord

Henk van Rijen: den aord vant bisje - zijn eigen aard

Henk van Rijen: den aord nr gin vrmde - aardje naar zijn vaartje

Henk van Rijen: heet ie den aord? - aardt hij?

Henk van Rijen: ot den aord geslaon - vervreemd; op het verkeerde pad

Frans Verbunt: hij heej den aord nor ginne vrmde

Van Rijen (1998): 'aord hn - zich thuisvoelen'

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- En asse naa in de krk komme preeke n ze preeken oover de td van vruuger jaore van Adam n Eva n hil diejen aord van dinge n van reize n hil diejen aord van dinge, stn ze te preeke in de krk n hier gdverdomme de pestoor drie weeke geleeje zeetie zllef dttie et ok nie gelft! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord  m. aord, aard... 2) afkomst, geslacht, soort; 3) natuur, inborst, karakter, geaardheid. Z.a.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AARD zelfstandig naamwoord m, Fr. nature

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AORD - aard z.a.

WBD III.4.3:25 den aard hebben (zeldz. in het midden v. Tilburg), daarnaast: wassen, uitstoelen, gedijen, tieren, wild groeien en hard groeien voor het begrip 'groeien, wassen'

III.1.4:274 'de aard krijgen' = aarden; ook 'aard krijgen'

274 'goede aard krijgen' = aarden

 

aore

werkwoord, zwak

aarden

- aore - aorde - geaord (geen vocaalkrimping)

De 'd' van 'aord' is gesyncopeerd.(in A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): geen verklaring)

Cees Robben t Zn goei die naor daauw aore... (19851108)

Ut zen goei jong die nor de aauw aorde. (Hein Quinten , Tilburgse spreuken; ca. 1985)

WBD III.4.3:27 'niet aarden' c.q. niet tieren of verrmoejen voor het begrip 'niet gedijen'; 277 'niet aarden' = heimwee hebben

CiT (43) ''t Zen goei die nor d'aaw oare'

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zw.ww.intr. aarden, ergens de aard hebben of krijgen.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AARDEN - zich ergens schikken

 

aoreg / aorig

bijvoeglijk naamwoord, Bijwoord

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): AARDIG (aorig) bn, eigenaardig vreemd, niet aangepast, 'n beetje ziek; heeft nooit de betekenis 'sympathiek'; deze is wel aanwezig in het abstractum 'aoright', plezier, genot.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AORIG - bn/bijwoord - aardig, eigenaardig; heeft meerdere bett.

Haor AORIG - vreemd, raar, eigenaardig

I aardig, lief

Frans Verbunt: zij is wl aoreg, mar hij is mar enen aorege

En Anneke is ok 'n heel aorig meiske... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Cees Robben n aorig menneke d wel... mar w jengelchtig..! (19620810)

Ge zult nie gaa iemand heure zgge dttie onze nuuwen burgemister ginnen aorege meens vnt. Mar hij prt wl en bietje aoreg. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)

II eigenaardig, vreemd, raar

Brabantius (1884) - Aordig, aorig, vreemd, raar, in ongunstige beteekenis. (Onze Volkstaal, 1882, nr.4; Woordenlijst der Noord-Brabantsche Volkstaal).

...want onder ons gezeed en gezwege, 't is 'n aorige, die taante Sophie. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Cees Robben Hij keek me efkes aorig aon (19661021)

Cees Robben t klinkt wel aorig al meej al/ Mar t is toch waor gebeurd... (19611020)

Jan Boemelgtje zin zer teege mar meer weet ik er nie van want die liep zo aoreg! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Ik weet t wl meense. Ok bij de Tilburgers hdder netuurlek zat aorige bij, mar de miste Tilburgers vn ik tch hel aorig. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

WBD III.1.4:59 'aardig' = vreemd

Hans Heestermans, Witte nog? (1988-1994): arig - vreemd, raar I:25

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AARDIG (Kemp. aorag) vreemd, zonderling (Fr. trange, singulier); onpasselijk, misselijk, kwalijk. ARIG - aardig

III onwel, vreemd

R Ik wier der aoreg van. - ik werd er beroerd/ onwel van.

Cees Robben Ik ben hil den dag toch z aorig, war... D komt van de muugte... (19790302)

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AARDIG (Kemp. aorag) vreemd, zonderling (Fr. trange, singulier); onpasselijk, misselijk, kwalijk. ARIG - aardig

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): are bnw en bijw. 'arrig' - aardig 1) eigenaardig, zonderling, vreemd. 2) onwel, onpasselijk, duizelig, raar. Z.a.

IV behoorlijk

Toen zaat et aoreg in de frut. - Toen zat het behoorlijk in de war.

V Een combinatie van I en II bij Robben:

Cees Robben Ik vn heur wel n aorig medje... hum vn ik mar unne aorige... (19860328)

 

aoreg

suffix

-aardig

kwaodaoreg

D. Boutkan: (blz.62) wnnen aorege meens

 

aoreghei, aoreghdje

zelfstandig naamwoord

attentie, aangename verrassing, aardigheid

Daor is gin aoreghei aon! - Dat is helemaal niet leuk!

V Ik hb mar en aoreghkke vur oe meegebrcht

Frans Verbunt: tis mar en aoreghdje - klein cadeautje

Van Rijen (1998): 'aoreght/hj - aardigheid, aangename verrassing' mv. aoregheeje

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AARDIGHEID zelfstandig naamwoord v. - verzet, genoegen, vermaak (Fr. divertissement, plaisir.; zeldzaamheid (Fr. raret); veur de aardigheid - voor de grap. Ook: lastigheid, onbeleefdheid.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): aorighd: d'r is gin aorighd aon - er is niks aan

Reelick, Bosch' woordenboek (1993 & 2002): aorigheid - plezier, genot

 

aos, ske

zelfstandig naamwoord

aas

gez.Pierre van Beek: Meej aoze kunde nie maoze, zei een rijmende kaartspeler toen een ploegmakker die 'mezjre' deed, erin speelde.

Henk van Rijen: ek h nen aos - ik had een aas

 

aosem

zelfstandig naamwoord

adem

...lang en breed van aosem... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Zie ook ssem

 

aovend

zelfstandig naamwoord

avond

taovend - vanavond

R.J. Ik koom nie ts vur taovend

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): 'Zondaggenaovend', 'Zaoterdaggenaovend'

As t' aovend Sjarel de veldwachter ons uit "'t Engeltje" zet... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

Cees Robben Heel laot op den aovend... (19540925)

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): tis ene zachten aovend

Henk van Rijen: hoe laoter op den aovend, hoen schonder vlk

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937): type 'aovend', met n (krt.32 en blz.75)

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. avond; t'aovend - vanavond, hedenavond.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AVE(N)D zelfstandig naamwoord m.: te avend, t'avend

 

aozen [aoze]

werkwoord, sterk

azen (op)

Cees Robben   ...Den onze is gewend aachter bakvissen te aozen... (19560414)

 

appel, appeltje, meervoud appels maar ook appel

zelfstandig naamwoord

1. de vrucht

- Ik ha 20 kilo appel, 10 kilo pre, in mndje vol mee waaichampions (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. As ge oewge goed doet, dan doedet gin rtte appel.

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden: gez. Wie zenge bewaort, bewaort gin rot appel.

Dialectenqute 1879 Kernkamp -- 'nen zuren aap'el

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - der wrdt in de appels nie germmeld: van boovenaon begiene! (HM-76) - Gezegd als een vrijer niet de oudste, nog ongetrouwde, dochter ten huwelijk kwam vragen, maar een jongere.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. appel; mv. 'appel', minder vaak 'appelke(n)';

 

Schilderij (detail) van Osias Beert de oudere - 17e eeuw

 

Jongen met appels - Eugenio de Blaas.

 

2. als beeld voor hoofd

- Dan sldde z iemand tege zenen appel aon.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- dus vur dttie der reg in ha pr ik em goed hard teege zenen appel aon.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

appelchtig

bijwoord

appelachtig; woordspeling met de naam van de schilder Karel Appel

Cees Robben [in een museum:] Ik ben nie zoo appelchtig... Ik haauwet meer bij Citroen... (19860516) [de schilder Paul Citroen]

(Prent van de week- detail- 19860516)

 

appelenprl

zelfstandig naamwoord

stamppot van aardappelen, gestoofde appels of peren, spek; hete bliksem

-- het lid 'prol' is een klanknabootsing

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): appelenprol = heeten bliksem, appelstaamp

WNT PROL (I) - 1) a) znw. vr. (in Z.-Ned. m.). (...) Sterk femin. van denzelfden wortel als prollen; de oudste bet. zal zijn week lichaam, weeke massa die (bij het koken) het geluid prol maakt. Verg. prut, dat in bet. het nauwst verwant is (waarnaast pruttelen, dat verschillende bet. met prollen gemeen heeft), prul, dat in den vorm het meest overeenkomt, en zie verder bij PROLLEN.

WBD III,2.3:122 -- in Tilburg ook 'appelstamp' maar zeldzaam; 'appelenprol' ook in Veghel en Turnhout.
 

appelsien, appelesien, appelesiene

zelfstandig naamwoord

Schilderij van Elias van den Broeck - detail - 17e eeuw

sinaasappel, appelsien

A.J.A.C. van Delft -- appelsien -- Daor ware 's aoves [5 december, op de klttermarkt] de irste applesiene zo zuur as brm, nog zuurder as setroene. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

Reflector - Mijne appelesien is grotter dan de jouwe".  "D zodde willen! De mijne is vl grotter dan de jouwe." (Tilburgsche Courant - 18-03-1926)

De Wijs -- Sebiet schifde it over diejen applesienenschl (17-08-1964)

Cees Robben [Bij een marktkraam:] Vleje-week-vrom waren oew pre buikzuut.. oew appelesiene mrf.. oewe knolraop vs... en oew repel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209)

Piet van Beers Griepepidemie: 'k Haol w paaraceetamolle/ n appellesiene op de mrt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.2.3:172 'appelsien' = sinaasappel

WNT APPELSINA In de volkstaal niet ongewone bijvorm voor sinaas- of chinaasappel. Bijvorm is ontstaan in navolging v.lat. malum Sinicum.

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- APPELSIEN - apelsi:n, zelfstandig naamwoord vr.

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. appelsien, sinaasappel

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): APPELESIEN - sinaasappel

Str. appelsien (1:77)

 

Appelesienesteeg

straatnaam; fantasienaam

Cees Robben - Het fictieve adres van Sinterklaas in Madrid. MADRID Appelesienesteeg, bijschrift bij het eerste prentje (van 5) over Sinterklaas. Sinterklaas bracht de eerste sinasappels mee uit Spanje. (19531205)

 

appelmnneke

zelfstandig naamwoord

appelmannetje

Van Beek - "Het appelmanneke komt om zijn geld" zeide een moeder tot een kind, dat onrijp fruit gegeten had en toen van buikpijn klaagde. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

apperetuur

zelfstandig naamwoord

appretuur, afdeling in de textielfabriek voor veredeling en afwerking van stoffen

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Daor hb ik ok in de apperetuur gestaon (Gooyaerts), daor hk alles gedaon, geprst, gestpt, genpt. (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment)

 

Prentbriefkaart ter gelegenheid van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.

appetjoek, abbetjoek

bijvoeglijk naamwoord

een geestelijke afwijking hebbend, 'getikt'

De Wijs -- (gehoord bij de kapper:) hllie pa is wouws, hllie moe is appetjoek en, d kunde wel naogaon, zellef is ie habbetjap (16-01-1975)

Ik z nie himmol appetjoek... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik haaw nie van zwmme)

Den irste kwaam hier t de straot.
De twidde kwaam van Gol vandaon.
Meej dieje Glse appetjoek
Heese nie z lang gegaon. (Piet van Beers Blnd; 2004)

As de fillem in Tilburg verschijnt/ Dan ziede gij de grotsten appetjoek/ En ik kan gewoon mijn gen zijn... (Tony Ansems, Gewoon mijn ge zijn; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

Buuk appetjoek, appetjoekt - geestelijk gestoord

Stadsnieuws: Och appetjoek die ge daor zt, hadde nie t oe dppe kunne kke! (150608)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebook Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

Drie keer Appetjoek!

Op een kleine handpers van Studio Zeedauw kon op de markt in Tilburg een woord of een zinnetje gezet en afgedrukt worden. CuBra koos voor het typisch Tilburgse scheldwoord Appetjoek.

Eerst het zetwerk:

Daarna inkten:

En het resultaat:

Op papier ziet een appetjoek er dan zo uit:

 

Foto's: CuBra, 23 maart 2019.

Meer informatie over Zeedauw: www.studiozeedauw.nl

 

 

 

 

apprnsie

apparnsie, apperansie, oppernsie

uitdrukking

apprnsie maoke - aanstalten maken, voorbereidingen treffen (ook verkort: 'mnsie maoke') [WTT 2012 de veronderstelling dat het een verkorting betreft is twijfelachtig; ►mnsie]

WNT - artikel Apparentie - Uit fr. apparence. In N.-Nederl. in de alg. taal verouderd. (1951)

'n Baokelsch boerken is eens gekomen

toe in de hellige stad van Rome,

hij maokte daor daodelijk apperentie

om ok te gaon op audintie (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, t Baokelse boerke bij den paus, 1944)

Stadsnieuws: Alleej vort, zodde onderhaand nie es apprnsie maoke (191106)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): APPERENTIE zelfstandig naamwoord  - aanstalten maken

S.G. blz. 101, 107, 181 (not. Witters);

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): APPRENTIE, wsch. fr. apparence: apprentie maken - aanstalten maken; ook gezegd v.e. koe waarbij de kenteekenen v.h. kalven verschijnen.

C. Verhoeven, Herinneringen aan mijn moedertaal (1978): APPARENTIE MAKEN - aanstalten maken, voorbereidingen treffen, opschieten

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): aprnsi, zelfstandig naamwoord vr. apprentie, aanstalten, toebereidselen: 'k Zo mar is apprnsie maoke' (b.v. om naar bed te gaan).

Andere gebruiksvormen

Bij Daamen, Handschrift Tilburgs (1916) een uitzonderlijke opgave: "ik heb er aprensie van (afkeer)"

Frans Verbunt: (Fr. apparent = zichtbaar (maken)) [?]

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- APPARENCE - aprnse, zelfstandig naamwoord  vr. - schijn: Daar is geen - van regen. Z.a.

Haor. APPERNSIE - haast

 

apprepoo, aprepoo

zelstandig naamwoord

apropos, onderwerp, stuk

uit het Frans: propos; meestal in de uitdrukking van mn propos = van slag zijn, de kluts kwijt zijn

Cees Robben Akkoe mar zie Sofie zk gelek van munne apprepoo... (19641127)

Cees Robben Ik raokte gelk van munne aprepoo aaf toen onze Sooi van zunne sus ging... (19850906)

Henk van Rijen: ak oe zie Sofie, zk gelk van menen aprepoo - ... van mijn stuk, de kluts kwijt

Zk van menen apprepoo gerkt... (Henritte Vunderink, Zonder rg, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

apteeker

zelfstandig naamwoord

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): APTEKER zelfstandig naamwoord m. - apotheker

WNT in de spreektaal veelal APTEKER

 

arbje

werkwoord, zwak

arbeiden

WBD de koej arbjt - maakt uitdrijvende bewegingen bij het kalven;

ook genoemd: de koej 'rbt', 'wrkt', 'prst'

WBD III.1.4:344 'arbeiden' ? werken

WBD III.5.1:212 'arbeiden' = werken

arbje - arbjde - gearbjd

 

ardnner

zelfstandig naamwoord

WBD I.4: 597 geeft voor Tilburg 'licht paard', en 'Bedoeld wordt niet een paard dat licht van kleur is, maar een paard dat licht van bouw is.

WTT 2012 -- De Ardenner is een paardenras afkomstig uit de Ardennen om precies te zijn het bergachtige gebied op de grens van Belgi en Frankrijk. De stokmaat is tussen de 1.55 en 1.60 meter. Ze komen voor in de kleuren bruin, schimmel en vos. (website dierennet.be; 2012)
 

arreb

zelfstandig naamwoord, meervoud

aardbeien; door Robben gebruikt in de uitspraak van een marktkoopman; de normale uitspraak is aarbei

Cees Robben Arreb koop koop-koop... (19650709)

 

arreej

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: op arree zitte - ongeduldig zitten wachten, aanstalten maken, paraat zijn

 

arsjief

zelfstandig naamwoord

archief

Audioregistratie 1978 - Mar daor zn ng wl ouw kaorte van op, in et arsjief dnk, op de gemnte (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Artskes kraant

uitdrukking

De krant die door de familie Arts werd uitgegeven: de Nieuwe Tilburgsche Courant.

Sommige kraanten saawelen d Jantje [Pijnenburg] in Brussel mee rijdt in den zisdaogschen, mar Artskes kraant hee gezee, d-t-er vurloopig nog niks van waor is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

...dan schreef ik is 'n stukske en daor stapte-n-ik mee nor Tilburg nor Artskes kraant. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

op et ketoor van Artse Kraant (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

En we waare aaltij benuuwd hoe de recenties waare in 't Nuuwsblad, n in Artse kraant, die wiere tgeknipt n bewaord. (Nel Timmermans; Tenel speule ds leuk; CuBra; 200?)

Antoine Arts

Ronald Peeters -- Antonius Henricus Arnoldus ('Antoine') Arts werd op 20 april 1845 te Arnhem geboren (...) Aanvankelijk werkte hij in 's-Hertogenbosch op een handelskantoor. Daarna begon zijn journalistieke loopbaan. In 1877 werd hij hoofdredacteur van De Kruisvaan, het wekelijks orgaan van de Zouavenbond St. Bonifacius. Deze krant werd aanvankelijk gedrukt door N. Luijten in Tilburg, de drukker van de Tilburgsche Courant. In 1878 richtte Arts een eigen
drukkerij op in de Poststraat. Hij verhuisde naar de Nieuwendijk (de tegenwoordige Bisschop Zwijsenstraat) en begon met ingang van 1 januari 1879 met het drukken en uitgeven van De Kruisvaan (vermoedelijk tot 1882 verschenen). In april 1879 richtte hij de Nieuwe Tilburgsche Courant op en op 10 januari 1898 Het Tilburgsch Dagblad voor het Volksbelang. Beide kranten zouden per 1 januari 1901 tot n dagblad worden samengevoegd. Zijn oudste zoon Antoon werd hoofdredacteur. (...) Hij overleed te Tilburg op 31 maart 1926. (De Paap van Gramschap; internetversie 2012)
 

as

voegwoord - als

WNT Door de zwakke toon versmolt de l vr de s, en zo ontstond in de volksspraak het thans nog algemeen gebruikelijke as, dat reeds in het Middelnederlands voorkwam.

1. voegwoord van vergelijking

A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ze zchte niks aanders as ...

De Wijs  -- Ik z zo ziek as iets, 'k gao naor his en alles (feb. 1962

Cees Robben: niks as de bui afwchte: niks as roken n tgaon;

Cees Robben: Ge doet mar zo as ge denkt det goed is ... as et mar goed is.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): AS voegwoord - als; ook in krachttermen: as te moeter

2. voegwoord van tijd

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - As et waait, draaien alle meules (Pierre van Beek: - Tilburgse Taalplastiek 1972) - reactie tegen iemand die alsmaar bezwaren maakt in de geest van '...ja maar, als..."

3. voegwoord van voorwaardelijkheid

As tis dt is, dan fisteme. - Als het inderdaad zo is, feesten we.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - As alles meelpt, hmme optcht (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 1969.) - Als alles goed gaat is het dik in orde.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - As ge alles wilt, kkte schl p oew neus (Si'66) - Waarschuwing

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - As we jou nie han... (zie onder 'vurste (deur)')

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - As nze kat en koei was, dan knde gij ze mlke (Pierre van Beek:-Tilburgse Taalplastiek 1964) - reactie op loze bezwaren (ja maar als...)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - j, as we ham han, dan kosseme snippere (Cees Robben: '65) - reactie op bezwaren.

Cees Robben Kkkis of ie kkt Pietje... En as ie kkt... Nie kke... (19541224)

Henk van Rijen: asse mar kosse

Henk van Rijen: ast toevalleg geleege komt - als het uitkomt

4. samentrekkingen van het voegwoord met het onderwerp bij de persoonsvorm

Dialectenqute 1887 Willems -- ak, agge, asie, asze, ast, aswe/awe

ak = als ik

agge = als jij / gij

asie, assie = als hij

asse, asze - als zij het

asset = als het

aswe, awwet = als we het

agger = als je er

Cees Robben: ak et ks, dik et ok; ak aajer ha;

Cees Robben: agger mar rg in ht; daor hk meer kaans toe as dk nog pestoor wr;

Henk van Rijen: asse mar kosse

Henk van Rijen: ast toevalleg geleege komt - als het uitkomt

5. in plaats van 'dan'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ALS (ook 'as' uitgespr.). Wordt altijd gebruikt in plaats van 'dan' achter eenen vermeerderenden trap, alsook achter ander(s), niemand, niets, nooit

Henk van Rijen: grotter as en prd

 

as-as-as

voegwoord, versterkende herhaling

als-als-als

om een uitspraak in te leiden waarmee onwaarschijnlijkheid wordt uitgedrukt.

AS... AS... AS...

 

Denk eraon, m'n goeie ziel:

as... is de spil van 't kreugelwiel!

 

As... is hout, as 't opgestookt is,

as... is vuur as 't uitgerookt is.

 

As den hemel valt? - Geen nood!

al de musse valle dan dood!

 

As de locht valt op onze kop,

hebbeme blauwe mutskes op!

 

As de as breekt van oewe waoge,

zullen oe beenen oe nog wel draoge!

 

Laot die "assen" uit oewe krf;

as... is mar verbraande trf!

 

Strooi geen "assen" op oe brood,

want as suiker smaoken ze noot!

 

Denk eraon, m'n goeie ziel,

as... is de spil van 'n kreugelwiel!

(Piet Heerkens; uit De knaorrie, As...as...as..., 1949)
Cees Robben J, as-as-as... As we ham hn dan kosse we snippere... (19750919)

 

asd

voegwoord

als, alsdat

hij zi asdttie nie ks

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ALSDA(T) vgw - als, vergelijkend: Gij drinkt meer op alsda'ge vertrt. ook ASDA(T)

 

as det [as dt]

betrekkelijk voornaamwoord

als dat

Cees Robben W zidde..? (...) As det oew slekbord rammelt... (19600722)

 

asger

samentrekking

als je er

Cees Robben Z oud asger uitziet worde gij toch nt... (19710507)

 

askl

WBD askl - ashok (bewaarplaats voor as, vaak gelegen onder de bakoven)

 

asoosjaale

zelfstandig naamwoord, meervoud

asocialen, minder beschaafden

n die asoosjaale kwaame ammel van de Paddewaajkes, van et Krvels Huukske aaf! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

Asprges

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Het gezang uit de roomskatholieke liturgie 'Asperges Me'; gebruikt als woordspeling met het gewas asperges.

't Waar muisstil in de kerk, toen ie uit de sacristie kwaam om den Asperges te zinge. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

Piet van Beers - 2009 (fragment) --

ASPERGES ME ( Besproei mij)


Ik denk wlles terug n vruuger,
Dn aawe rke Rmse td.
k Zuuk dan wl es nr schon dinge.
(D doede agge aawer zt)
We wiere dan aaltij gezeegent
vur d de liste mis begon.
t Asperges Me wier dan gezonge.
" Besproei mij", in t vakjargon.
 

Onze pastoor was rg scheutig
meej zenne grote waoterkwaast.
Hij ha n hel goei haand van sproeie.
n d wier figuurlek toegepaast.
As misdiender liep ik n paor meeter
daor meej n mmerke vur m t
Die t dichtste bij t gangpad zaate
kreege t miste waoter op der snt.

Ed Schilders - Als meneer pastoor vroeger zijn wijwaterkwast ter hand nam om zijn parochianen te zegenen, ging dat vaak gepaard met de koorzang van een psalm die begint met de woorden Asperges me Dat betekent: Heer, besprenkel mij Het lijkt me heel begrijpelijk dat daar vroeger grappen over gemaakt werden. Deze asperges komen heel vaak voor in de voordrachten die bij (familie)feesten door een zogenaamde pastoor in een zogenaamde preek ten beste werden gegeven. Uit enige inzendingen van oude feestpreken bleek echter dat het niet bij woordgrapjes bleef. In een voordracht met de titel Preek van de pastoor van Sansbeek, uit 1926, horen we meneer pastoor tegen de vrouwen in de kerk donderen: As ge de wijwaterkwast mar ziet, dan lopte al de kerk uit, krek of ge van achter angestokt zijt, denkte d ik die kwast in oeuwe mond zal steken? Ge hoeft um nie op te vreten! En die juffrouwe, die trekke durre kop net in as 'n zwaon die op 't waoter zwemt. Want de jufrouwe van toen waren blijkbaar bang dat hun kleding door water werd bevlekt, ook al was het dan heilig water. De pastoor: Dur mos [moest] ok 'ns 'n drupke van op die verre [veren] van die pronkhoewd valle. Harrie Franken heeft een dergelijk preek opgetekend onder de titel Preek van de pastoor van Soerendonk. Ook daarin blijkt hoe de Brabantse boerin vroeger zelfs tijdens de heilige mis of het lof zuinig was op haar traditionele zondagse kledij. De pastoor zegt in deze preek: Het is dan gebeurd een keer of twee/ Als ik zondags mijn asperges dee/ of liever gezegd met mijn wijwaterkwast/ door de kerk kom plassen/ om jullie boerinnenzielen schoon te wassen/ dan staan ze klaar/ met een zakdoek of boezelaar/ Ik begrijp niet, hoe ik het gedoog/ die houden ze dan omhoog/ om die kanjaarden/ van mutsen te sparen/ voor t wijwater dat mocht spatten, wat een verdriet Zulke preken bestaan meestal uit twee delen. De vrouwen krijgen ervan langs omdat ze hun kleding belangrijker vinden dan het wijwater, en de mannen omdat ze te veel drinken in de plaatselijke kroeg. Over de mannen preekt de pastoor dan: Beminde boeren/ Al dikwijls heb ik bemerkt dat er meer zitten in herberg of kroeg/ dan dat er lopen achter eg of ploeg. Het mooie is, vind ik, dat wijwater en alcohol hier eigenlijk hetzelfde zijn. Het was tenslotte feest. En dus zegt de pastoor tegen de vrouwen: wat een verdriet/ Was het jenever/ dan deden ze het niet/ Dan zouden die lieve vrouwen/ Hun mondje wel open houden. (Brabants dagblad; ca. 2002)

Wikipedia 2012 -- De naam 'Asperges me' komt van de Latijnse antifoon die tijdens deze besprenkeling met wijwater Gregoriaans gezongen wordt, namelijk Psalm 51 (50), vers 9. In de Paastijd (Tempus Paschalis) zingt men in plaats van Psalm 51, Psalm 118:1; deze antifoon heet het 'Vidi aquam', waarin op mystieke wijze Christus aan het kruis bezongen wordt, uit wiens zijde water en bloed vloeide.
De priester of bisschop gaat hierbij, gekleed in pluviale en eventueel geholpen door diakens, door de kerk en besprenkelt de gelovigen door middel van een aspergil met wijwater. Dit gebeurt ter herinnering aan het doopsel en om barmhartigheid en reiniging van God af te smeken, voordat men de heilige geheimen van de eucharistie celebreert. (...)
Asperges me, Domine, hyssopo, et mundabor:/ Lavabis me, et super nivem dealbabor // Gij besprenkelt mij, Heer, met hysop, en ik zal rein worden./ Gij wast mij, en ik zal witter worden dan sneeuw.

YouTube-link (2012):

 

asse

samentrekking

als ze

Cees Robben En kusse asse kan... (19640417)

 

Foto: website catholicworkeramsterdam

assekrs, assekrske

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord daavan

askruis, askruisje; aswoensdag

Cees Robben Ieder die zn asse-krske/ Mee den Paose nog hee staon/ Krijgt van den pastr n pekske.../ zee meneer den kapelaon..... (19550226) [Deze prent verscheen ter gelegenheid van Aswoensdag 1955. Aswoensdag is de dag waarop in de katholieke traditie de 40-daagse vasten begint, die eindigt met Pasen. Het askruisje dat gelovigen op Aswoensdag in hun parochiekerk gingen halen, is het teken van berouw, in het bijzonder berouw over de zonden begaan tijdens het carneval. De katholieke folklore wilde vooral onder kinderen - dat dit kruisje niet mocht worden afgewassen. De as waarmee de priester het kruisje op het voorhoofd van de gelovige had aangebracht, was as van verbrande palmtakjes van Palmpasen van het vorig jaar. Uiteraard lukte het nooit iemand om het askruisje meer dan veertig dagen lang op het voorhoofd intact te houden, zelfs niet al de pastoor daarvoor een premie uitloofde die uit n pekske bestond, een pakje, een kledingstuk om met Pasen mee voor de dag te komen. Toch had Robben in deze prent een tip om een poging te wagen.

(Detail - 19550226)

► krske

WBD III.3.3:225 'askruisje'

Geduurende de vaastetd,/ van assekrs toe Paose... (Henritte Vunderink, Et vaastetrommeltje, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

asser

samentrekking

als ze er

Cees Robben Asser ammol ingaon... (19610707)

 

advertentie 1922

 

asseraansie

zelfstandig naamwoord

assurantie, verzekering

uit Franse assurance

Cees Robben Ik keek wel effenaaf toen ik zaag desse mn fiets gejat han.. Na hek van de asseraansie n effenaave trug gekocht... (19870918)

 

asseradeere

werkwoord, zwak

verzekeren; van Franse 'assurer'

Frans Verbunt: asseradeere, verasseradeere, verassereere - verzekeren

 

asset

samentrekking

als het

Cees Robben Asset thuis waait moete n deur dicht doen... aanders trekket... (19721117)

 

assewiessewsseaate

samentrekking

als ze wisten wat ze aten

Cees Robben (19810306)

 

assie

samentrekking

als hij

Cees Robben En assie is afschiet.. Nou dan kan t (...) op unne wetsteen... (19650416) [... dan is het heel magertjes]

Cees Robben Mar assie gedaon heej mottie effegoed vge... (19650828)

Cees Robben Hij is z kiem assie grt is... (19690110)

Cees Robben Assie in zn vaon stao (19690110)

 

assienie

samentrekking

als hij niet

Cees Robben Ze hebben op den Heuvel unne put gevonden.. (...) Afblve assienie van jouw is... (19640327)

 

assortiemnt

zelfstandig naamwoord

Van Rijen (1998): assortiment, (textiel) meerdelige voorspinmachine

 

ast

samentrekking van als & het

De Wijs  -- Astis dttis, dan fiste we  (feb. 1962)

Goedgetld (2004) -- ast is dt is - als het waar is, als het zo is

 

asteblief

interjectie (tussenwerpsel)

als 't u belieft

Cees Robben: en ons persvles asteblief

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ASJEBLIEFT - astebli:ft met of zonder t.

 

aster

samentrekking

als het er

Cees Robben En aster op aonkomt (19760213)

 

astraant, straant 

bijvoeglijk naamwoord

brutaal

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): astraant - brutaal

Zonnen aastraanten bliksem was ie! (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

WBD III.3.1:221 'astrant', 'strant, brutaal' = vrijpostig, onbeschaamd (222)

WBD III.1.4:130 'astrant' = moedig

WNT ASSURANT - in de volkstaal geworden tot ASTRANT

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - ASTRANT, strant - onbeschroomd, vrijpostig = nl. assurant - brutaal

 

astraasie

zelfstandig naamwoord

verzekering

'braandastraasie' = brandverzekering

-- verbastering van 'assurantie'

Henk van Rijen: b wffere braandastraasie zde g verastreerd?

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): ASTRANTIE zelfstandig naamwoord v. - assurantie, verzekeringsmaatschappij

 

attak

zelfstandig naamwoord

attaque; hartaanval; uit het Frans

Cees Robben En ast nie meevalt/ Hedde gij unne attak... (19731231)

WBD III.1.2:277 - attaque = beroerte

 

atteljeej, den

zelfstandig naamwoord, eigennaam

 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

Centrale Werkplaats der N.S.

Hij heej fifteg jaor op den atteljeej gewrkt.

De oorspronkelijke uitspraak - attelier ?

Pierre van Beek - Tegenwoordig wordt er in Tilburg van de Centrale Werkplaats (van de Ned. Spoorwegen) gesproken. Vroeger hoorde men evenwel van niet anders dan "den atelier" praten, waarbij velen dan de laatste lettergreep op z'n Nederlands - dus als de "ie" van "bier" - uitspraken in de plaats van gesplitst zoals het Frans dat eist. Onze "atelier" van weleer leeft nog voort in een straatnaam. "Atelier" betekent letterlijk eigenlijk: plaats, waar men in het gareel
loopt... maar daarom zijn we in Tilburg toch niet aan onze "atelier" gekomen. Had in Tilburg dit woord een wel zeer specifieke - vooral tot de Centrale Werkplaats beperkte betekenis - een meer algemene betekenis was ook "werkplaats", hoewel men toch niet iedere werkplaats als "atelier" kan betitelen. (TTP 16-04-1966)

Atteljee

Kekkis Karel, veronderstel d gij den bisten wver bent van hil Tilburg en ikke den bisten wielendraaier van hil den Ateljee. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)

Anoniem 1959
Buur Jaonus ha okkal zo dikkels gezee,
"'k Zallet is vur oe probeere op den atteljeej",
(...)
's-Maondags smerrigis stapte Nillus mee hart en ziel,
Naor den atteljee, mee kruik en unne nuuwe blauwe kiel.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

- Die rotmoffen waren de werkplaots van de Nederlandse Spoorwegen aon et opblaozen, den atelj hiete d bij ons. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Bijnamenboek Karel de Beer: den atteljeej - Centrale Werkplaats van de NS (blz.109)

WBD III.3.1:213 'atelier', 'werkwinkel, werkplaats' = atelier = Fr. atelier = werkplaats

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. atelier: Hij werkt in Tilburg op den atelier (v.d. N.S.)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ATELIER - atelj, zelfstandig naamwoord m.- werkhuis: op nen atelj werken: Met 'den atelj' bedoelt men te Leuven de werkhuizen van "Dyle et Bacalan".

 

avelot
zelfstandig naamwoord
enveloppe
LDM : Postagentschappen bestonden nog niet. Wel verkocht men in sommige winkels postzegels, maar met verhoging van een halve of hele cent en daar werd 70 jaar geleden ook rekening mee gehouden. Men verkocht bijv. postzegels en schrijfbehoeften, velletjes brievenpapier, "brievenzekskes" of "avelotten" (enveloppen), pennen en inkt in 't Herringsend (Haringseind, Korvelseweg) bij F. v.d. Hout-Becx, op Korvel bij Trui Bos (recht tegenover de brievenbus), in den Berrendijk (Berkdijk) bij Piet van Heijst. Zo zal het in andere buurten ook wel geweest zijn. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 12 Van postwagen en diligence; NTC 11-12-1951)

 

avvegaosie

zelfstandig naamwoord

drukte (navigatie)

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): ''t was er 'n hil n'avegaosie" (drukte)

 

avvekaot

zelfstandig naamwoord

advocaat (beroep); ook de drank maar in dat geval meestal in de verkleinde vorm ►avvektje

-- Regressieve assimilatie: d > v

Kees & Bart (krantenrubriek 1922-193?): avvekaot

...d valt dur ginneneene avekaot weg te redeneeren. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit 't klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

Cees Robben Die schiet er in as unne avvekaot in de hel [iets gaat heel makkelijk] (19640529)[advocaten komen uiterst gemakkelijk in de hel]

Van Beek - De timmerman zei: "Die spijker schiet in de plank als 'n advokaat in de hel". (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

Noord en Zuid, jrg. 2, 1879, p.312 AVVEKAAT. znw. m. I redeneert as 'n avvekaat in een kakstoel. Zijne redeneeringen beteekenen niet veel.

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) avverkaat...

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord m. 'avvekoo't', advokaat

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ADVOCAAT - aveku:t zelfstandig naamwoord m. - de gekende likeur; dimin. 'avekke'

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): A(D)VOCAAT zelfstandig naamwoord m. Fr. avocat; fig. iemand die goed ter taal is: 't Is 'nen avocaat (hij kan goed spreken). Verg. klappen gelijk 'nen avocaat. Ook: AVEKAAT (korte a in eerste lettergreep)

 

avvektje

zelfstandig naamwoord, verkleinvorm: glaasje advokaat

et vrouwvolk deej der ge te goed n de boerejongens of lepelden un advocaotje nr binnen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Van Rijen (1998): 'avvektje, advektje zelfstandig naamwoord - glaasje advocaat'

 

avvenant

bijwoord

voorkomend

Daamen, Handschrift Tilburgs (1916): 'hij ziet er avenant uit' (voorkomend)

Van Rijen (1998): 'avvenant'

Fr. avenant ( l') - (dien)overeenkomstig - de - in overeenstemming met, dienovereenkomstig

WNT AVENANT - alleen in de bijw. uitdrukking -  NAAR AVENANT, naar het Frans

 

avvendaans
zelfstandig naamwoord
overvloed
►abbendaans
Frans Verbunt: bij het rikken: dertien slagen
- via Fr. abondance uit Latijn abundantia

 

avventoe

bijwoord

nu en dan, af en toe

Avventoe gaot ie ng nr et Park. - Nu en dan gaat hij nog naar het Wilhelminapark.

 

avveteere

Van Rijen (1998): adverteren, te koop lopen met

Van Rijen (1998): 'Avvetere doe verkoope - De gelegenheid maakt de dief'

 

avvezaans

bijwoord

voortgang, vooruitgang

Cees Robben: dan bidde we ng ene rozekraans n ds goed vur den avvezaans

Henk van Rijen: hij mkt avvezaans - hij gaat vooruit

Uit lat. abundantia ?

A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. avancatie, vooruitgang, voortgang: 'Door zit niks geen avvecosie in' (in het werk nl.)

Leo Goemans - Leuvens taaleigen (1936) -- ABONDANCE - abondanse zelfstandig naamwoord vr. - overvloed: iets in - hebben; i:t in abondansen me.

J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): AB0NDANSIE (uitspr. abbendanse), in - : in overvloed

 

awir

bijwoord

alweer

dan komder awwir (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

Henk van Rijen: zitte awir te ntele - zit je alweer te vervelen!

 

azn

zelfstandig naamwoord

azijn

Cees Robben azn en gal (19660401)

 

azzoe

samentrekking: als ze je --> asse oe --> azzoe

 

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home