INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K
L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

 

Wil Sterenborg

Van maadeke tot muwke

maadeke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Henk van Rijen -- 'maadekes' - bruidjes, maagden, maagdjes

 

maag

werkwoord, persoonsvorm

mag

- 1e + 3e pers. enkelv. van 'meuge'; via 'mag' met vocaalrekking 

- Maag ze meej mn meej?

- N. Daamen - Handschrift 1916 -- "moeder maa'k britsen?" (aardappelen tot brei maken)

- Cees Robben En dan maag ie meej... (19640228)

 

maagdeke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van maagd
maagdje; klein meisje dat bij roomse rituelen als huwelijk en processies het symbool is van reinheid.
Cees Robben Fleej-week-from mk-k maagdeke zn. (19651112)


maagt

zelfstandig naamwoord

macht; grote hoeveelheid

MP gez. n et drp de praacht, mar hier de maacht. (gez. van Goirkenaren: het geld was op 't Goirke te vinden.)

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- en hil maacht stroojbiljette

Henk van Rijen - der laage ne maacht kastannies - veel

WBD III.1.2:183 'macht' = lichaamskracht

WBD III.4.4:260 'macht' = grote hoeveelheid

Bont zelfstandig naamwoord vr. en m. - macht: vr. (fysieke) kracht, m. grote hoeveelheid

Biks maacht zelfstandig naamwoord  - kracht, grote hoeveelheid

WNT MACHT - 13) groote hoeveelheid, menigte

 

maagteg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

- B - machtig

- GD.06 - van die maachteg grote krkkore

- Bont - bijvoeglijk naamwoord  en bijwoord  - machtig

van voedsel

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD:  gezegd van voedsel.

Waardering voor Tilburg door WBD: frequent.

Zie ook: maog, steeveg, zwaor.

 

maaj

zelfstandig naamwoord

mei

Dialectenqute 1876 - in de Maai

Cees Robben Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... (19540508)

Cees Robben - ter bvert in de maond van maai... (19600520)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  zeuven n meej de maaj aacht (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1972) - je kunt me nog meer vertellen

Hoera, et is wir de maond van Maai/ ons kan niks mir gebeure/ n hil wreld lft wir op/ et barst wir van de kleure. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir volop kleur)

'Den irste zondag van de Maai/ dan gonge we te voet/ nr de Sint Jan toe in Den Bosch/ meej ene grote stoet. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nie zo wd...)

- In de Maaj mee vrouw en kender/ Gonge ze op bvert nor St. Job/ Dan wir nor huis mee unne stok/ Van fltjeshout, unne schar in top Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005

Frans Verbunt -  rgent et in maaj, dan is april al lang vurbij

Piet van Beers t og moet ok w hbbe: 'n Kriezaant, d is n njaorsblom/ die wrt geplaant in MAAI. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Ast Maaj was moge we meej ons moeder/ nor de Hasselse kepl. (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Bont zelfstandig naamwoord m. 1) mei, de bloeimaand; 2) meitak

Biks maaj - zelfstandig naamwoord  Mei

Dossier maaj

Toch maai...

Heurde smerges vruug in de geut

musse meej veul lewaai

vchte n speule meej mekaar

dan witte: Tis wir maai.'

 

As oewe zoon zen haore kamt

meej meer zrg vur zen schaai

oew dchter in de spiegel kkt

dan witte: Tis wir maai.'

 

As oew vrouw alle matte klpt

rondbuunt mee veul bezwaai

n daorbij zingt vals as en kraai

dan witte: Tis wir maai.'

 

Ast rgent, haogelt, strmt n waait

gin weer vur bos f haai

agge rrt in oewen ooverjas

dan witte: 'Tch..ist maai.'

LECHIM

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

 

maajbluumke - mezuutje - meizoentje - bellis perennis

maajbluumke

meibloempje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

WBD III.4.3:291 maajbluumke - madeliefje (bellis perennis), ook genoemd: 'meizoentje', 'meizoetje' of ►paosblom of waajbluumke

►mezuutje

Schilderij van William Bougereau -Daisies - (1896)

 

maajbom

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- meiboom, mastboom die in mei uitloopt

WBD III.4.3:98 maajbom - den; ook genoemd: dn, dnnenbom, maast, mastenboom, spar, grffe maast, hksemaast of waajbom

WBD maajbom (III.3.2:311) = tak op huizen in aanbouw

 

maaje

werkwoord, zwak

maaien

n dan spande ons moeder diejen eezel t n dan spande ze em in d aander krke n dan lisser de zeis op, op d krke n dan gong ons moeder gras maajemn moeder. Want die kos ons moeder kos beeter maaje as mn vaader! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

WBD (v.e. paard) onder het stappen de hoeven naar buiten bewegen

Dialectenqute 1876 - zoaien en moaie

DANB et hoj is ng gruun; tis pas gemaajd

WBD III.2.1:415 'maaien' = idem, ook 'afmaaien'

- maaje - maajde - gemaajd (geen vocaalkrimping)

- maaje - maajde - gemaajd

- geen vocaalkrimping

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - geen umlaut (blz. 91/92)

 

maajmnd

naam

Meimaand

Cees Robben - Prent van de Hasseltse kapel, die traditioneel in de aan Maria gewijde meimaand druk bezocht wordt. (19570504)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Hasselse kapl ok, daor gingde sondagsmreges, sondags, sondags ngal dikkels nr toe, mar j, ds lke keer in de maajmnde mar, h! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

maajs

bijvoeglijk naamwoord .

van mei

Henk van Rijen -- maajse mrt - markt half  mei, waar ook boerenvolk geworven werd voor het nieuwe huurjaar

Henk van Rijen -- maajse scheut - groeipijn (zie scheut)

Haor Mise - van de meimaand

 

maajscheut

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt -  groeipijn

maajsteek

zelfstandig naamwoord

aantasting door wormen; wrmsteek

WBD III.2.3:160 'maaisteek' = wormstekig

ANTW. MAAISTEEK zelfstandig naamwoord m. - wormsteek in appelen of peren. Dien appel is vol maaisteken. (SB: van 'maai' - made, worm?)

 

maajtak

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:116 maajtak - groene berkentak

 

Ill.: Naumann - fringilla coelebs - vink - maajvink (2e van boven)

maajvink

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- vink (fringilla coelebs)

 

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

maand, mndje

zelfstandig naamwoord

mand, korf

Mandenmaker - detail van een centsprent met beroepen

Mandenmaker - Caspar Luyken

 

Dialectenqute 1876 - Ze droeg 'n maand op den rug

- Kriesje Kleevers'die midden op den weg z'n maanden aon 't vlechten was; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- Toen zaat nog midden op den weg,/ Kriest  Kleevers  mee zn  maanden; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

Cees Robben ...vat die maand waas op (19640904)          

WBD (III.2.1:135) 'mand, kabas, korf' = marktkorf

WBD (III.3.2:247) maand = duivenmand

WBD (III.2.1:137) 'draagmand' = rugkorf

Uitdrukkingen

Ge kunt ze nder en maand stlpe (gezegd van nogal wat kleine kinderen met gering leeftijdsverschil)

MPR Der zal gin maand oover gestlpt zn = dat zou me niet verwonderen.

Cees Robben En daor is gin maand over gestlpt of... (19860523) [en het is zeker dat...]

Henk van Rijen - daor is gin maand oover gestlpt - daar is niets aan verloren

 Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  de maand in den hf hbben hange (NB'78) - op korte termijn een kind verwachten. (Uit de bijenhouderij: men hangt een korf in de tuin als men een bijenzwerm verwacht.)

Cees Robben Meej daauw kiepen de maand in... (19620921) [een vrouw die vrijgezel blijft]

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  tis en moord in en maand (D'16) - een te verwaarlozen zaak

maank

bijvoeglijk naamwoord

mank

WBD III.1.2:380 'mank' = kreupel

WBD III.4.4:286 'mankement' = iets onbelangrijks

 

maans

bijvoeglijk naamwoord .

De Wijs -- vat die maand waas op, Fraans, ge zt maans genog. (17-08-1964)

Cees Robben ...vat die maand waas op ge zd maans genog .. (19640904)        

Henk van Rijen -- mans

 

maansmeens

zelfstandig naamwoord

letterlijk: mansmens

man, mannen

Uit alle hoeken en kaante kwamen de maansmeense toegeloopen om den braand te blusschen... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)

...'nen maansmeensch alleen is niks gedaon op den duur! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

maantel

zelfstandig naamwoord

mantel

Toen viet et uit z'ne maantelplooi

'n fluit en sloeg aon 't fluiten

(Piet Heerkens; uit: De Mus, Mijn deuntje, 1939)

De Wijs -- (interessant mode-praatje) -- Mee dieje maantel heb ik ginnen aord, die doek zo nooi aon, t stao wel vlug as ge hard lopt en ik veint wel schn mar ik veint nie zo leuk (09-07-1967)

Cees Robben k Heb ginne aord meej deeze maantel.. (19680119)

WBD III.1.3:40 'manteltje' = jasje v.h. mantelpak

WBD III.1.3:36 'kraagmantel' = kraagmantel

WBD III.1.3:35 'mantel', 'damesmantel' = damesmantel

WBD III.1.3:71 'mantelpakje' = mantelpak

 

maars
zelfstandig naamwoord
mars
Cees Robben gin luis in de maars (19561215) geen cent te makken hebben

 

maast

zelfstandig naamwoord

mast

WTT-2012: In het Tilburgs vooral gebruikt om dennen en sparren aan te duiden, alsmede de bossen die zij vormen; dennenbos(sen); met 'den' wordt vooral bedoeld de Grove den, Pinus sylvestris, ofwel Pijnboom.

-- de maast in - naar de bossen

Cees Robben - ...hanneken/ die huizen in de maast. (19600708)
Cees Robben Ons drpke leej rontom/ In maast en haai gevangen (19600909)

Piet van Beers Gin katte: nr t park of de maast. (t lfde buukske, 2010)

WBD III.4.3:96 maast - dennenbos (bos bestaande uit naaldbomen), ook genoemd: mastbossen, mastenbos, bussel, bussels

WBD III.4.3:98 maast - den, ook genoemd: dn, dnnenbom, mastenboom, spar, groffe maast, hksemaast, waajbom of maajbom

WBD III.4.3:107 maast, fne maast, mastenbom - spar

Bont ma.st, zelfstandig naamwoord m. - mast 1) den; hierbij onderscheidt men 'fene maast' en 'grouve maast'; 2) mastbos resp. mastbossen.

ANTW. MAST zelfstandig naamwoord m. - den, Fr. sapin: fijne, grove, zwarte mast

Biks maast zelfstandig naamwoord  - mast, den, dennebos

Samenstellingen

- maastappel: - 'k Heb mee al de manne [kinderen] nog al w maastappel geraopt (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Stadsnieuws -  We gingen in de maast maastappels raope vur de kachel n te maoke (050900)

Elie van Schilt - Kwaamde aachter in ut schop, dan rookte de konijnen, ut konijnenvoeier, de maastappels die er lagen as aanmaok vur de wenter. (Uit: Ut stonk mar toch mis ik de stank van vruuger; Cubra, ca. 2000)

In de zomer moese we meej om maastappels te gaon raope in et bos.Alln meej schon weer, et mocht dan nie regenen. Regende et, dan waren de maastappels dicht en wiere de zakken veuls te zwaor. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- maastebom - grove den

- maastedl, maastedllekes - mastappels, mastappeltjes

- maasteknippel - tak van de boom - knippel = knuppel - ... en aaf en toe is mee innen maaste knippel in  t vuur kunt peuteren. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- maaste pinne - Hil onzen hof laag dan vol van die maaste pinnen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- maastetkske - takje van de boom - Neggerans ter waereld kunde zoo fn ppkes rooken en aonsteke mee in gloeiend maaste tekske... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

maat

werkwoord, persoonsvorm

mat

- verleden tijd van 'meete'

 

maaw

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- mouw

 

maawe

werkwoord, zwak  

zeuren, miauwen, zaniken

-- maawe - maawde - gemaawd

Meens, maauwt nie z! - Man zeur niet zo!

- Cees Robben W maauwde van unne haauw-maauw.. maauwer... (19570631)

- Cees Robben W zdder over maauwe... (19580705)

- Dialectenqute 1876 - de katte in Tilburg blve maauwe

- Piet Heerkens - Uit HANNES KAOKEL, VAN BAOKEL

En Hannes Kaokel toog op pad
van 't domme drpke Baokel
naor Boekel mee de vette koei,
alleenig, Hannes Kaokel;
de taanden hield ie op mekaar
en ie waar heel vaast besloten
om wijselijk te zwijgen, want
't is waor: die groote tooten,
die praoters en die maawers, al
die raoteleers en zwetsers
d zijn de ware kooplui nie,
ik mot ze nie, die kletsers!

Uit: Vertesselkes (1941)

- Henritte Vunderink

Ik hb toch iets meej Tilbrg n d is gin schaand.
Ik kan er zlf soms ok wl oover maawe.
Toch zal ik aaltij van der blven haawe.
Et is vur mn:
de schonste stad vant laand.

Uit: Kzal van oe blve haawe (2007) Tilbrg

 

- Piet van Beers
 

BEETERWEETERS

"'n Vlkstntje, d is niks,"
zeej Kees van Ballegooie.
"Ge kunt not p vekaansie gaon
tis zaaje f ogste f rooje,"

"n bovendien moete oewe tn
ok vrij van onkrd haawe,
doede d nie, dan leej 't bestuur
wir on oewe kp te maawe."

W ik prebeer jullie ddeluk te maoke
Is: D hij die t kln nie eert.
ok nie moet zaonikke n maauwe
want grote dinge is ie dan nie "wrt".

 

- Lodewijk van den Bredevoort Jo van Tilborg


Zwemmen han we ons ge geleerd. Asset goei weer waar, s woensdagsmiddags, vroegen we un dubbeltje aon ons moeder om nor et zwembad te meuge. We moese er dikkels lang om maauwe, mar dan docht ze, ben ik wir efkes van die druktemaokers verlost en kan ik
beter meej men wrk opschieten. Uit 'Kosset den brne wl trkke?' (1) 2006

Nao veul maauwe van onze kaant kocht ze ene keer un ptje zjem. In ene keer waar d ptje leeg, kunde begrpe. Zij begreep d dus nie, kaod desse waar
'Kosset den brne wl trkke?' (1) 2006



- Lechim

De knder sliepen zuutjesaon
De moeders gingen maauwen
Omd de vadder te veul dronk
En niemer op w haauwen.
Uit: Vruuger

Toen 'k vroeg Hoe stao'get mee m'n pak?"
Begos ons Sjaan te snaauwe
Ze zee 't Is aaltij w mee jouw
Gij mot k aaltij maauwe."
Uit: Naor de krmis

Ons Sjaan die meegekeeke ha'
Begos sebiet te maauwe
Ze zee: 't Is d'n hoogste td
Mee roke op te haauwe.
Lechim: Uit: 'Ge zut niks mit meuge'

'Tilburg hee himmol gin kultuur'
Heurde daogeluks maauwe
Loat ons d bietje dtter is
Drom asteblief haauwe!
Lechim uit: Haaw vaast, die bilde

D'n Heuvel gaot 'r op veuruit
't Verkeer hee wir gewonnen
Mar aaltij heur de maauwen van:
"W zn ze naauw begonnen?"
Lechim uit: Stoplichten
 

WBD III.3.1:258 'mauwen' = zeuren

WBD III.3.1:283 'mauwen' = (tijd) verbeuzelen; 294: zaniken

WBD III.2.1:500 'mauwen', 'miauwen' = stemgeluid v.d. kat

WBD III.1.4:256 'mauwen' = kreunen; 271 'mauwen' = aanhoudend klagen

Verh. MAUWEN (maawe), onov.ww - miauwen als een kat, zeuren, eindeloos doorpraten over kleinigheden.

Bont ma.we(n), zw.onp.ww. - mouwen, in de zin van hevig waaien

 

maawerd, maawer

zelfstandig naamwoord

iemand die zeurt, kletspraat verkoopt

want 't is waor: die groote tooten,

die praoters en die maawers, al

die raoteleers en zwetsers

d zijn de ware kooplui nie,

ik mot ze nie, die kletsers! (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, Hannes Kaokel, van Baokel, 1944)

Cees Robben W maauwde van unne haauw-maauw.. maauwer... (19570631)

Frans Verbunt -  zeurpiet; ook: maawknt

Stadsnieuws -  We zde tch ene maawerd, tis bij jou not goed f et dugd nie (080309) -Wat ben je toch een zeurpiet, het is bij jou nooit goed.

 

maawmeut

zelfstandig naamwoord  (v)

R leuteraar(ster)

WTT 2019 - variant op 'aawmeut'.

 

Maawmuur

zelfstandig naamwoord

Tilburgse variant op de klaagmuur. Monumentaal werk bij het Paleis raadhuis in het centrum, in 2012 gerealiseerd door Miranda Poel e.a. De muur bestaat uit stalen letters: WIE GEEN FOUTEN MAAKT
MAAKT MEESTAL NIETS. In de muur zijn twee brievenbussen aangebracht waarin klachten gepost kunnen worden, een daarvan speciaal om te maawen bij de gemeente.

 

 

 

Foto's: CuBra 2018.

 

machche

zelfstandig naamwoord 

corpulent vrouwspersoon

Hees magoggel (III:72)

ANTW. - MACHO?CHEL, MACHOCHEL - dikke, zwaarlijvige vrouw

S&S - MACHOCHEL: 1) diklijvige vrouw, De Bont 388

MACHOECHEL, MACHOCHEL, MASJOEFEL: dikke, zwaarlijvige vrouw, zwaar en log vrouwmensch. Wsch. moeten we uitgaan van mokkel (moggel): een dik, mollig kind of meisje, ook een dikke vrouw (WNT IX, 1013) Z. a.

Goem. - zelfstandig naamwoord vr. dikke vrouw of meisje.

Bont - zelfstandig naamwoord vr. 'machochel' - diklijvige vrouw

 

madam

zelfstandig naamwoord 

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "madam - steun onder karren en wagens"

 

madrrie

Bastaardvloek

De etymologie is niet duidelijk. 

 - Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Madorrie! t is al laot, ons klukske sleu daor tien.

 

maf

bijvoeglijk naamwoord 

gek

kaajmaf - hartstikke gek

WBD III.1.1:17 'maf' = pafferig dik

WBD III.4.4:30 'maf weer' = drukkend, benauwd weer

Bont maf, bijvoeglijk naamwoord  maf - l) pafferig; enen dikke maffe kaerel; 2) (van het weer gezegd) broeierig, zwoel.

WNT MAF - (in een aantal gewesten) - slap, krachteloos, mat, flauw enz. 

 

mafkees

zelfstandig naamwoord 

gek

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

S&S MAFKOEI: dik, log wijf

Corn. Vervl. 788.

WNT IX 87 omschrijft maf als slap, krachteloos, flauw, zowel van personen als zaken. Etym.onbekend. Het element 'log' kan men met 'maf' in verband brengen.

ANTW. MAF Znw.m. - iemand die maf, traag en vadsig is; MAFKOEI - dik, log wijf; MAFZAK , zelfstandig naamwoord m.- traag en vadsig mensch

 

maggeriene

zelfstandig naamwoord

margarine

De goei booter ha al irder et veld moete rme. Nao den oorlog waar et vort maggeriene, de goei booter waar allen nog mar vur rke meense en vur den export, zi onze pa (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

maggezn

zelfstandig naamwoord 

magazijn

ANTW. MAGGEZIJN zelfstandig naamwoord o. - magazijn

 

majens

zelfstandig naamwoord 

mayonaise, mayonnaise

Dirk Boutkan (1996) - majens maoke ze van ... (zin 123, blz. 101)

 

majesjesee

zelfstandig naamwoord

marechaussee, veldwachter

We waare nt waoterhoenekes vange n toen kwaame de majesjesees! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

makketijen
bijwoord
soms; somtijds; ook: semnketije, en daaruit verkort
Cees Robben D doek z mar makketijen... (19671013)
 

malder

zelfstandig naamwoord

merel

spreuwe, malders... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Oproep, 1941)

Lijsters, malders, wielewaole... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

 

Kindermallemolen van Janvier.

 

mallemeule

zelfstandig naamwoord

mallemolen

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  et kan mn nie schille wie de mallemeule draajt, as ik der mar in zit ('7l) - Het maakt de spreker niet uit wat er gebeurt, als hij er maar profijt van heeft.

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaaaene mallemeule n enen hoogaatie n ene ootoosktters n zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Henk van Rijen - de stommallemeules lope vort op illetriek

- Piet van Beers Bokstnt: der is naa nst de mallemeules/ ok wir ' n bokstnt opgericht. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Stadsnieuws -  Agge de kwaast deraf trokt, mogde in de mallemeule ng ene keer vur niks (101203)

- WNT MALLEMOLEN - draaimolen

 

Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie' (zie dat lemma). Afbeeldingen:  facebook.com/dejaozeetie, 2019.

 

mallemoerstaol

zelfstandig naamwoord

moedertaal

- dek zoo wir is in bietje mn mallemoersstaol heb kunnen praote (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- WTT-2012: van oorsprong heeft 'mallemoer'  een ongunstige betekenis: een 'malle', dus 'rare' moeder (moer). Te denken valt aan uitdrukkingen als 'geen mallemoer' (niets) of 'naar zijn mallemoer' (kapot, onbruikbaar).  Zie M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. Deze ongunstige connotatie is blijkbaar vervallen in de tekst van Naarus. Mallemoerstaal betekent hier in positieve zin 'moedertaal', namelijk het Tilburgs dialect.

 

malleur, meleur

zelfstandig naamwoord 

malheur, ongeluk(je) , tegenspoed

MP gez. D zn maleure, dr moete vur bidde.

= fr. 'malheur'

D gaaf wl w malleure mar tch ok veul leut, hurre. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004) (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)

Goem. MALHEUR - mal:r, zelfstandig naamwoord o. Zeer gewoon naast 'ongelik'

 

mals

bijvoeglijk naamwoord 

mals

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  z mals as et wf van Fraans Staps (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1965) - onbekend is wie ermee bedoeld wordt (spreekwoordelijke vergelijking)

D waar w wij noemden un malse md en verrkkes knap. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

man

zelfstandig naamwoord 

man

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  zn er drie mannen n en vrouw, dan is de vrouw en slaof; zn er drie vrouwen n ene man, dan is de man ene graof (Si'67)

- WBD III.3.1:326 'grote man' = vooraanstaande

mens

in de vorm: 'gin man' = geen mens, niemand

- n as ze naa ng es ene keer nor mn zon lstere, mar der lstert gin man nr mn.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Goed, ik stao daor dus te wchte diejen dag, mar ik zie gin man.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

-man

-man, pluralis: -lieden, -lui

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'orgelman/ orgelmeense'

 

manne

zelfstandig naamwoord, altijd meervoud

voorafgegaan door 'kln': de kleine kinderen, niet noodzakelijk alleen jongens

-  Et waar aaltij un hle eer om de kerskes te meuge tblaoze, veur die kln manne bij ons. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Laoter, hil veul laoter, toen we zelf in de kln manne zaate, not iemand van de femilie van wirskaante nie, gezien of geheurd meej: Redde gullie et wel? (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

►klnmanne

 

mannefetuure

zelfstandig naamwoord, meervoud van 'mannefetuur'

manufacturen

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Bij Fons van Lon daor ginget ngal, d was in de Heuvelstraot n de was en maggezn van mannefetuure. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

mangelknp

zelfstandig naamwoord 

Henk van Rijen -- knoop van zink omwikkeld met linnen, die tijdens het mangelen niet stukgaat

 

mangelpeej

zelfstandig naamwoord 

voederbiet; koolraap, 'knlraop', 'knlleraop', 'knllekes'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  vrt alles meugen hbbe behalve mangelpeeje (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - door de dokter voor genezen verklaard zijn

WBD I:1415 'mangelpeej?' - voederbieten

WBD III.2.3:107 'mangelpee' = koolraap

Hees mangelpeej (VI:10)

WNT MANGELWORTEL - een soort van beetwortel (veevoeder)

 

Manjuu

bastaardvloek

juu = dieu, god

- Manju, Antje, kek den diejen is, w'en branie!  Uit:  Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

 

manketije

bijwoord

soms

Van Beek - Hij doet 't "zo manketijen" - somwijlen, soms. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

 

manneezje

zelfstandig naamwoord

manege = installatie waarmee de dorsmachine door een paard in beweging wordt gebracht

Audioregistratie 1978 - Omd onze vadder ha zon kln mesjientje meej zonne manneezje eraon, daor die prd derop zo, ginne schubber f niks eraon n d was gemakker as meej dieje vleegel! Meej de vleegel hb ik ok ng gedrse, meej den drsvleegel! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

manskrel

zelfstandig naamwoord 

mannelijk persoon

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- dartig vrouwen en manskerels

WBD III.1.1:2 'manskerel' = man

GD.06 vur de miste manskrels van diejen aawer

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - in MANSKEREL ligt meer tautologie dan in VROUWMENSCH.

ANTW. MANSKREL zelfstandig naamwoord m. - manspersoon

WNT MANSKEREL - uitdrukking  voor manspersoon

 

mansmaot, -mtje

zelfstandig naamwoord 

herenmaat, inz. m.b.t. kleding

Henk van Rijen -- 'maansmaot'

 

maog, mgske

zelfstandig naamwoord en verkleinwoord

maag

- M - moag

- Omd innen gemiddelden meensch n mogske heej van innen decimeter dursnee, moet ik mee munnen kolossalen maog ok mar zien aon te tobbe (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  en kat gao not mee en leege maog van hs (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) men moet eten voordat men op stap gaat.

- In de maog staon; gezegd van stevig, zwaar voedsel. Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004).

- WBD III.1.2:318 'vuile maag' = indigestie

 

maogd

zelfstandig naamwoord 

maagd

M moagd

 

maoger

bijvoeglijk naamwoord

mager

- comparatief: maogerder, superl.: maogerst

Daorbij was ze zoo maoger as 'nen musterd... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Cees Robben ...maoger geremt.. (19670811)

WBD III.1.1:22 'mager = mager

WBD maoger, schraol of schier - mager, gezegd van een kalf

 

maogpnt

zelfstandig naamwoord

maagpijn

't Bleef de eerste daogen druk en 't waar net, of ineens alle jonge dochters verkouwen ware geworren of maogpent kregen... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)

Cees Robben ge zult er gin maogpent van krge... (19810320)

 

maogsap

zelfstandig naamwoord

maagsap

Ge kunt beter 'n paor knoezelbuskes minder hebbe dan d de spinne aon oe neus hange,of d oe maogsap bevriest. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

 

maoj

zelfstandig naamwoord 

made, maden

Van Beek - "Moe als 'n maai".  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Cees Robben Hij viste meej piere/ meej pluimen en maoije... (19590801)

Cees Robben [Hengelaar op weg naar visstek:] Hedde maoikes..? Jao, mar k gao toch... (19681011)

Henk van Rijen - wn kaoj maoj - wat een slechte maden!

Wij krge pillekes tegen de maoje. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

maoke

werkwoord, zwak

maken

- maoke - mkte - gemkt, met vocaalkrimping;

- Ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mkt

Henk van Rijen - maok et naa fkes - toe nou!

Hij mkt er nie veul van. - Hij brengt er niet veel van terecht.

MP gez. Z get mkt, z hddet.

WBD nzt maoke - de eerste voor ploegen (Hasselt)

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'ruziemokster'

Cees Robben Ik maoket zellef niemir meej... (19600916)

Cees Robben Mn mesien maoket gelk, mevrouw (19850510)

Piet van Beers Karnavalslezing 2004: Mokt dgge 't goed mkt./ Mkt dgge' t goed stelt./ Mkt dgge goed zt vur oe ge (t lfde buukske, 2010)

Dialectenqute 1876 - mok de gloaze is vol - vul de glazen

DANB die deur is van beukenhout 'gemakt'; d maoke ze meej den dojer v.e. aa;

WBD III.4.4:318 'maken' = repareren

Biks maoke ww - maken

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - maoke (bl.17)

 

maol

zelfstandig naamwoord  

maal; maaltijd

WBD koe die voor de eerste keer drachtig is, ook 'vrs' genoemd

WBD kalfmaol - jonge koe, ook genoemd: 'vrs', 'vaors', 'vijrs' of

'kalfvrs'

WBD afgekalfde - afgekalfde maal (een maal die voordat ze naar de markt gebracht wordt, reeds kalft)

Bont mo'.l, zelfstandig naamwoord vr. moo'l - maal, -+ tweejarig kalf dat, aangestierd, nog moet kalven

WNT MAAL (II) zelfstandig naamwoord vr. naam voor eene koe van l 1/2 of 2 jaar,

die nog niet heeft gekalfd.

Biks maol zelfstandig naamwoord  - tweejarig kalf

 

maole

werkwoord, zwak

malen

WND III.4.4:206 ' malen ' = verpulveren

B maole - maolde - gemaole

 

maol haawe

werkwoord, sterk

een maaltijd aanrichten

's Middags om twee uur hebben we in 't Guldhuis bij Merieke Kuijpers in "'t Engeltje" groot maol gehawen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

 

maon, mntje

zelfstandig naamwoord 

maan

WBD halve maon - half-cirkelvormig raam, (vaak toegepast in stalruimten)

Cees Robben - n de zn n de maon n de strre die schne dan niemer

Cees Robben - bescheene dur de vlle maon: dan gaode nr de maon:

 

maone

werkwoord, zwak

Manen

B maone - mnde gemnd

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mnt

 

maone

zelfstandig naamwoord, meervoud van 'maon'

manen

WBD manen (van een paard), ook genoemd 'moone'

WBD maonstaopel, maonstppel, (Hasselt:) mnstaopel - manenstrang (gewelfde bovenkant van de paardenek, die met manen begroeid is)

 

maonog

zelfstandig naamwoord 

WBD maanblindheid (oogaandoening bij een paard) (Hasseltse term), elders 'blsog' genoemd

Bont zelfstandig naamwoord o. - maanoog (van paarden gezegd) oog met een witte plek erop.

WNT MAANBLIND - gezegd van paarden die zeker terugkeerend gebrek aan de oogen hebben dat vaak op blindheid uitloopt

 

maonstaopel

zelfstandig naamwoord 

WBD manenstrang (gewelfde bovenkant van de paardenek, begroeid met manen), ook genoemd 'maonstppel' of (Hasselt) 'mnstaopel'

 

Maontje
eigennaam, verkleind uit Maon = Maan; van Emmanuel
Cees Robben Peer van Dun en Maontje Mne... (19701120)
 

maontp

zelfstandig naamwoord 

WBD bosje haar dat tussen de oren naar voren hangt, ook 'bls' genoemd

 

maosnld

zelfstandig naamwoord 

maasnaald

ANTW. MAASNALD zelfstandig naamwoord v. - eene naald om te mazen

 

maot, mtje

zelfstandig naamwoord 

maat, werkgezel, collega

Moete meej oewe maot meej? - Moet je met je collega mee?

M moat

Cees Robben Gij beslcht men wel, maotje.... (19790914)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mar toen zg ik ok teege men andere maote, we waare toen meej zeuve man die daor b mekaare waare, ik zg  Klik hier om dit bestand te beluisteren

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ds ginne maot, ds ene lieter (Si'7l) kaartterm - gezegd als iemand bij het kaarten een voortreffelijke maat blijkt te hebben gekregen.

WBD III.3.1:228 'maat', 'gezel, makker' = vriend(in)

maateenheid

R Alles meej maote, zi de klirmaoker, en hij sloeg zen vrouw meej d'el. WBD maot (II:1384) - maat, hoedenmeter

Cees Robben W dist n schrepel maotje.. (19590905) [De prent gaat over Peerke Donders, die inderdaad zeer mager was.]

Pierre van Beek --  mundjesmaot - mondjesmaat

 

maotschappij

zelfstandig naamwoord 

maatschappij

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- maotschappij

of 'mtschappij'?

 

maozele

zelfstandig naamwoord , plur. tant.

mazelen

WBD III.1.2:369 'mazeren' = mazelen

M-I maozele - besmettelijke virusziekte die gepaard gaat met koorts en huidverschijnselen.

ANTW. MAZELEN zelfstandig naamwoord mrv. Het geslacht blijkt niet. De blauw mazelen

 

mar

voegwoord & bijwoord van modaliteit

maar

ANTW. MAAR, in 't N.der Kempen: MAR en MER - vgw. + bw - maar

voegwoord

DANB ge zaagt me wl mar ge zit niks teege me

bijwoord van modaliteit

Cees Robben Gaoget op de mert mar vraogen. (19540306)
Cees Robben En zuuke mar... (19540417

Henk van Rijen - hmmet mar zat - hadden we het maar in voldoende hoeveelheid

 

mardel

zelfstandig naamwoord

merel

Alleen aangetroffen bij Sterneberg: De mardel maag de vink verslaon... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vurreej , 1932)

 

margonie

zelfstandig naamwoord

mahonie, mahoniehout

- t Is van fn gepolijst margonie mee vurnaome deftige tierelantijne er aon (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

Marienus

zelfstandig naamwoord , eigennaam

Marinus, Jantje

Pierre van Beek --  Jantje Marinus - caf bij Bronsgist: wie daar uit kwam, was 'dood'zat

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  hartstikke Jantje Marienus zn (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - dood zijn (In het begin van de 20e eeuw had J.M. een caf in Tilburg)

Stadsnieuws -  Ik sloeg; die wps hartstikke jantjemarienes - ik sloeg die wesp hartstikke dood. (161207)

 

Markoen

eigennaam

Markoen, sint

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  Sinte Markoen (1 mei), veul eeten n wneg doen (D'16) - Men ging met St. Markoen ter bedevaart naar Dorst, waar de heilige vereerd werd. Hij werd aangeroepen ter verkrijging van genezing van ekzeem en andere ziekten, o.a. het koningszeer ( = kropzweren, een soort geelzucht die de koningen van Frankrijk en Engeland genezen konden.) Koning Willem III heeft het gebruik afgeschaft.

WNT MARKOEN - uitdrukking  (van) het sinte Markoen hebben, het koningszeer hebben; in geheel Vlaamsch Belgi gewoon.

-- G.H. Dexters -- Sint-Markoen en 't Sint-Markoenzeer; in: Brabantsche folklore, jrg. 1932 --Te Weert en de Neerglabbeek mogen de Sint-Markoenlijders geen varkenskop eten. Men hoort er vaak zeggen: Die of die mag van den kop niet eten!

 

markoot

zelfstandig naamwoord

Ill. Naumann - gallinula chloropus

klein, zwart eendje met rode bek

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "marcoot - klein zwart eendje met rooden bek"

WBD III.4.1:233 'markoot' - waterhoen (Gallinula chloropus) ook genoemd: 'waterkipke', 'schieteendje', 'witgatje', 'witkontje

 

marmiet

Schilderij van M. Monnot (detail) - 'Koperen marmiet'

zelfstandig naamwoord 

koperen ketel

WBD (III.2.1:192) marmiet - waterketel ook 'moor' genoemd

 

marre
werkwoord, zwak
maar zeggen, tegensputteren
Cees Robben Toe vuruit, en nie gemard... (19820903)
Cees Robben Niks te jao-marre... (19830923)
►gemard
 

marris

samentrekking

maar eens

KAREL. Asme d vast marris wiesse! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

 

marsepn, marsjepn

zelfstandig naamwoord

marsepein

speklaosie, marsjepijn, te veul om op te eten... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Mijn irste broek, 1941)

Ge moogt oewe schoen ztte, n de vllegede mrege waare de peeje nt aaw brod wg, n laager en spikmnneke in, f en marsepne vrekespotje, f ene kinkenduut van gevulde seklaa. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

marsjesee

zelfstandig naamwoord 

marechaussee

Henk van Rijen -- 'masjesee'

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'marsjesee' (passim)

Bont zelfstandig naamwoord m. marechaussee

Biks masseseej zelfstandig naamwoord  - marechaussee

 

martelaars

zelfstandig naamwoord 

martelares

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  beeter martelaars as zndaars (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1973) - van toepassing op de regel in de kath. Kerk dat bij een geboorte alles gedaan moest worden om het kind te redden, zelfs ten koste van de moeder.

 

maseur

zelfstandig naamwoord 

schoonzus

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "maseur - schoonzuster".

 

masjens

zelfstandig naamwoord

mayonaise

- Daor han ze vruuger extra grote friekendlle n agge in 't wiekent kwaamt kregder gratis dubbel masjens op.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Dus zrg ik vur goeie sprtvoeding, friet meej extra veul masjens.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

masjienaol

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

machinaal

WBD masjienaole wver / masjienaolwver (II:941) fabriekswever

WBD masjienaol/ masjienaal wve (II:949) machinaal weven, fabrieksweven

 

mastappel

zelfstandig naamwoord

dennenappel, dennenappels

WBD III.4.3:101 mastappel - dennenappel; ook genoemd: mastappeltje, appel, mastendol, mastendolleke

- plur. 'maastappel'

Biks maastappel zelfstandig naamwoord  - denneappel

►zie mast

 

mastendl

zelfstandig naamwoord

dennenappel

WBD III.4.3:102 mastendl, mastendlleke mastappel of mastappeltje

- dennenappel, ook genoemd appel

►zie mast

 

Mastepieperke - Regulus regulus - goudhaantje

mastepieperke

zelfstandig naamwoord 

Henk van Rijen -- goudhaantje (Regulus regulus); ook 'maasttieterke'

WBD III.4.1:71 mastpieperke - goudhaantje, ook 'masttieterke'

 

mats

zelfstandig naamwoord

stamp; stamppot

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "savoije mats, oranje mats, en verder alle gematste stamp (groenten met aardappelen)"

WBD III.2.3:119 vermeldt geen 'mats'

WTT-2012: Mogelijk afgeleid van het werkwoord 'matsen' - zie WNT lemma 'Matsen' (on line). En dan in de betekenis van 'metselen'. Vergelijk: het fijnmaken van het gerecht: prakken.

 

matser, matskp

zelfstandig naamwoord 

glazige aardappel

WTT-2012: zie 'mats'; mogelijk dus een aardappel die door ouderdom vooral geschikt is om te 'matsen', te prakken, stamppot van te maken.

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'matskoppen van aaw errepuls mee lawaaisaus'

Cees Robben - matskoppe van aaw rpel

 

matteklpper

zelfstandig naamwoord

mattenklopper; hier: de stang waaraan de te kloppen mat werd opgehangen

Ok rekstokken, aon de mattenklopper. Wij noemden d dwarszer tussen twee paole zo, omd ons moeder der aaltij de matten overgooide, om ze t te kloppen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

matteriejaol

zelfstandig naamwoord 

Henk van Rijen -- 'matteriejaol' - materiaal, gereedschap

 

mattirrie

zelfstandig naamwoord  

etter

N. Daamen - Handschrift 1916 -- matirrie - etter

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  zo zver as en og vol materrie - zo schoon als een oog vol etter; dus niet schoon

WNT IX:310 MATERIE 4) b) In 't bijzonder, als euphemismus voor ziekte stof , etter enz.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - materie, matere - etter (div. dial.), uit Mlat. materia

 

-me

persoonlijk voornaamwoord; me = we, wij

- Gmme, f zumme ng blve? D doeme nie;

Ontstaan door samensmelting van -n + w- (gn we) gmme, zumme, hmme, kosseme

Verh. - ME, 1e pers. mv - we (zonder nadruk) achter de stam v.h. ww geplaatst: hemme, gomme, zumme, hamme.

ANTW. ME (toonloos) vrnw. - wordt altijd gebruikt voor: wij, we, Fr. nous

 

mdje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

meisje

- verkleinde vorm van 'md', met vocaalkrimping

en schon mdje - een knap meisje

Mar apprepo, Karel, witte gij nie 'n goei medje vur me te zitte? (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

Cees Robben krek passeerde daor n medje... (19660401)

Henk van Rijen - en ks mdje - een mooi meisje

WBD III.2.2:47 'meidje' = jonge vrouw; ook 'jonge meid '

WBD III.2.2:84 'meidje' = meisje met wie een jongen verkering heeft

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 31) mdje

 

medllie

zelfstandig naamwoord 

Frans:  'mdaille' met vocaalreductie en ronding

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'medollie '(passim) ; 'medaollieke'

"Die krijgt nog 'n bende medollies op z'n vistje hangen..." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

SJAREL. D kunde begrpe. Hij holde zon vetlre medollie uit zunnen binnenzak en 'n buukske en hij kladde mn erop. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Interview met de heer De Kok (1978)  Daor kunde ng zien, daor stao en medllie dk daor en, en medllie van gehad hb, van de spoorwgstaoking KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

Bijnamenboek Karel de Beer - Toon medllie - had veel medailles (blz. 96)

Buuk pladllie - samentrekking van 'plaquette' en 'medaille'; wordt in Tilburgse carnavalskringen uitgereikt als herinnering aan deelnemers aan een bepaald evenement.

ANTW. MADALIE zelfstandig naamwoord v. - medaille, medalie

Biks medollie zelfstandig naamwoord  - medaille

 

md, mdje, mske, mde

zelstandig naamwoord

meid, meisje, dienstmeid, dienstbode

MP gez. Ene gldbl, en fls sneevel n en jnge md kunde not allen laote.

Keeke, 'n dochter van Nol van Willeke de Goey, die bij Sjef Koolen vur meid wont, kwaam net toen ik de liste kan vatte, buite geschoten. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Ik h zoow hil den aovond mee Keekes van Nol van Willeke de Goey gedaanst, ge wit wel die bij Sjef Koolen vur meid wont... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

Cees Robben Ik was vruuger gewoon mar md... Mar ik hielup in t huishaauwe net z veul as twee hullepe na vort hellepe... (19811002)
Cees Robben n stult van n md... (19670616)
Cees Robben n schn md... (19861107)

DANB de md zi dttie gelk ha - de dienstbode zei dat hij gelijk had

WBD III.2.2:47 'jonge meid' = jonge vrouw; 72 'meid' = dochter

 

Sticker van een Tilburgse carnavalsvereniging. Maart 2-19. Foto CuBra.

 

meej

voorzetsel

met, mee

Ik speul nie meej meej hullie. - Ik speel niet mee met hen.

- Cees Robben - ge htter niks meej te maoke; meej de krsdaoge;

- Cees Robben - As en vrouw tschaajt meej kraome, dan haawt ze meej der knder saome.

- Cees Robben - Tis iedere keer w aanders mee jou; mllekepap meej prme...

- Schrfde Tilbrg meej o n puntjes/ of alleen mar meej en u?/ n moet meej naa meej en j/ of moet et zonder? soodejuu! (Henritte Vunderink; Grot dikteej van de Tilbrgse taol; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- Dialectenqute 1876 - 'n nij rtuig mid 'n aauw prd er veur; brooikes mi kes; mi hert en ziel

- Dialectenqute 1876 - hij liep mid'n gewr - hij liep met een geweer

- Dialectenqute 1876 - mit den bssem kre

- DANB d maoke ze meej den dojer van en aaj

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  meej Pielepaose / meej kietelpinksetre ('16/'50) - antwoord op de vraag wanneer?

- Henk van Rijen - tskoome meej niks - zonder iets thuiskomen

- Verh. MEE 1. vz - met: mee iemand mee, mee 'ne riek; 2. bw - meteen: ze waren er mee; uitdrukking  : zoo: 's mee - in korte tijd; 3. mee mee (zie blz. 32)

- A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - meej (blz. 145)

- Bont bijwoord  - soms, nu en dan, 2) op hetzelfde ogenblik

- ANTW. MEE; bw - in sommige samenst.'in 't voordeel': meehebben, meekrijgen, meevallen, meewillen; iemand in iet mee zijn - gelijk geven

- Michels in 'Stoffen uit de 16e en 17e eeuw' blz. 292: mee als voorzetsel bij Huygens. Van een gebruik van mee als voorzetsel  wordt noch in het Mnl.Wbd. noch in het WNT melding gemaakt. In Brabant is dit het gebruikelijke woord, ofschoon niet overal in dezelfde klankvorm. Zie Weijnen, Dialectgrenzen, blz. 113/114.

bijwoord

meteen

- Dus ik viet meej de tillefoon n ik bl Jaones op.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

meejd

voegwoord

meteen nadat

Meejdk em zaag, wies ik et. - Op het moment dat ik hem zag, wist ik het.

- Ook met weglating van d: meej kem zaag, wies ik et

De Jager, Taalk. handleiding: MET DAT, vw = zoodra als: te gelijk als: Gen.XXXII.2: Ende Jacob seijde, met dat hijse sach. enz. 

ANTW. METDAT vgw. - aangezien, mitsdien, omdat, Fr. vu que, puisque, parce que

ANTW. MEEDAT (uitspr.mettat)- vgw. zie Idiot. 'me(t)dat'

WNT IX:619 - (29) In voegwoordelijke uitdrukkingen met 'dat', wordt het voegw. 'dat' soms weggelaten: 'Met ze was beschonken, ... SIX v. CH. Verg. bijv. vr(dat), eer(dat).

 

meejndan

bijwoord

Frans Verbunt -  nu en dan

Stadsnieuws -  Ik drink gelek not, mar zo meejndan meude wles van oe gelf valle. (210107)

 

meekaanies

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord  

Henk van Rijen -- mechanisch

 

meekanniek

zelfstandig naamwoord 

mechaniek

Stadsnieuws -  Kusse meude gerust, mar van et meekanniek moete afblve (151106)

 

ml

zelfstandig naamwoord  

meel

mijl

WBD mlzolder - zolder boven de oven; opslagruimte voor het meel WBD moutml - moutmeel (het mout na het 'schroden' in de brouwerij)

Bijnamenboek Karel de Beer - Piet ml = Piet Swaans (blz. 75)

WBD III.4.4:205 'meel' = poeder

WBD III.2.3:237 'meel' = idem

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 22) ml naast meel

ANTW. ML zelfstandig naamwoord o. - meel, Fr. farine

Biks ml zelfstandig naamwoord  - slijpsteen, meel

 

mleg

bijvoeglijk naamwoord 

melig, droog door overrijpheid, 'bkzuut'

WBD III.3.3:158 'meelachtig' (ook 'meilecht') = melig

 

mlemp

zelfstandig naamwoord

marie-koekje; droog koekje; zie ook: mpke

De Wijs  -- Ik hegget gelk: plek-brooikes, smrlappen en mle moppen. (15-06-1963)

Cees Robben mlemoppe (19630628)

Hil mun taande zeek kwd! k sop zelfs munne mlemop! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Frans Verbunt -  kmde p de mlemppe? (tegen onaangekondigde bezoeker)

Allen bij den irste bak kregde un kuukske, mistal ene mle mop. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Ze waar z terug meej un ronde trommel meej mle moppen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Piet van Beers Euwig sund: Toch, koome der ieder jaor al minder/ knder op oewe stoep./ Om te zinge vur ene mle mop n 'n hndje vol meej snoep. ('t lfde buukske, 2010)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Biks mlmoppe

 

meelije

zelfstandig naamwoord 

medelijden

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'meelije'

Henk van Rijen -- 'meejelje'

WBD 000.1.4:282 'medelijden' = idem

 

mlpr

zelfstandig naamwoord

meelpeer

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

meelope

werkwoord, sterk

meelopen

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  As alles meelpt, hmme ptcht is het dik in orde

(Pierre van Beek -- -Tilburgse Taalplastiek 1969) - Als alles goed gaat,

 

mlwrm

zelfstandig naamwoord  

meelworm (Tenebrio molitor)

Tenebrio molitor - Wikipedia

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  baos mlwrm: as gem p zene kp trapt, is ie dod (Nicolaas Daamen - handschrift 1916) - zo'n baas heeft niet veel gezag. De meelworm is een in oud meel voorkomende larve van de meeltor. (varianten: pierwrm, pier)

WBD III 4,2:192 lemma Meelworm, larve van de meeltor - De meelworm is de larve van de meeltor (Tenebrio molitor), een 14-16 mm lange tor met pikzwarte bovenkant en roodbruine onderzijde, die in bakkerij en, molens, pakhuizen e.d. wordt gevonden. Meer bekend dan de tor is zijn larve, de meelworm, die rolrond is met glanzende huid en voorkomt in meel, afval en mest. De meelworm vormt geliefd voedsel voor vogels, hagedissen en vissen en wordt daartoe wel gekweekt.
meelworm frequent in Tilburg


Larven van de meeltor - Wikipedia

 

mlzak

zelfstandig naamwoord  

meelzak

Van Beek - ..."maar hij heeft onder de meelzak gelopen." - zoveel als: 't is voor hem niet zonder gevolgen gebleven. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  nder de mlzak gelopen hbbe (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1972) - de gevolgen van een daad ondervonden hebben

Frans Verbunt -  stikte in ene mlzak, dan komde gepoejerd in den heemel

Frans Verbunt -  den dieje heej veul onder de mlzak gelope

 

mlzolder

zelfstandig naamwoord 

WBD opslagruimte voor het meel

WBD zolder boven de oven

Henk van Rijen -- mlzulder

 

mmere

werkwoord, zwak 

mijmeren

- mmere - mmerde - gemmerd

 

mn, mn, men

bezittelijk voornaamwoord

mijn, m'n

zelfstandig naamwoord

het mijne

Cees Robben Wek naa vort t mn noem (19701023)

 

mne

werkwoord, zwak

menen, bedoelen

't is mnes - serieus bedoeld

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'D mainen ze nie'; 'd was meinens'

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- meenschen die meinen d

B mne - mnde - gemnd

- ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij mnt

Dialectenqute 1876 - mne ( als in fr. mme)

Henk van Rijen -- 'K-mn! Un mndje is ng gin krref.' - Alles wat je meent, hoeft nog niet waar te zijn.

WBD III.1.4:48 'menen' = bevinden

ANTW. MEINEN - meenen, Hgd.meinen

Verhoeven - MENEN (mne) ov.ww - 1. van mening zijn: ik mn toch ammal - toch heb ik nog altijd de mening; 2. ernstig bedoelen, geen grapjes maken: d mnde nie - dat bedoel je niet serieus; ik zeg 't zo s ik 't mn; 3. van plan zijn, op het punt staan: ik mnde nor trp te gaon.

Bont - zw.ww.tr. meinen - menen.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MEINEN voor meenen, ook bij Kiliaen Zeer veel werd oudtijds EI gebruikt in ww die thans de verdubbelde E hebben.

WBD III.1.4:56 'menen' = vermoeden

 

mnes

bijvoeglijk naamwoord 

serieus bedoeld, menens

Cees Robben - Is d mnes, hoe bestaoget!

WBD III.1.4:73 'menens' = ernstig

Bont mn?s, zelfstandig naamwoord vr. meinens - menens, mening, bedoeling! D's de mnes.

ANTW. MEINENS - verbogen vorm van 'meinen': 't is meinens - 't is gemeend

 

meens, mees, meese, meense

zelfstandig naamwoord

mens

Dirk Boutkan (1996) - (blz.20) meens (i-umlaut met rekking); meensen n ptlojer (blz. 50)

N.B. ook 'man' in b.v. 'wrkmeens', 'dieje meens', 'mene meens'

dieje meens - die mens (en dan altijd een man)

d meens - dat mens (vrouwelijk)

mene meens - mijn man, mijn echtgenoot

mnne meens - mijn man, mijn echtgenoot (met nadruk)

Dialectenqute 1876 - meensch

Biks mins zelfstandig naamwoord  - mens; dieje mins, d mins (resp. m en v)

1. mens, de mensen

Bartje beheurt tot de kalme meenskes, zooas er veul op 'n dorp lven die Zondags vlak n de liste Mis 'nen stevigen borrel vatten... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

KAREL. Lmme irst is uitpraote. Het heele vraogstuk is nie half zoo gecompliceerd as de meensche wel denke. 't Is gewoonweg: de meensche zien ut nie, of ze willen ut nie zien. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

Cees Robben Jan Dokus waar unne goeie meens (19600701)
Cees Robben Mar het mar ginne bangen... Ik ben ginne onte meens... (19641127)
Cees Robben - Ge het abuus, meens... (19690328)
Cees Robben Unne Haaikaantse meens liep w hers en w geens (19550618)Cees Robben Meensen van jaore geleje... (19570706)
Cees Robben Vur fn meensen en motrgen moette oppaase Tirris.. (19641218)
Cees Robben Hoe beter ik de meense leer kenne... Hoe meer ik van munne hond gao haauwe.. (19770128)
Cees Robben Meej Kerstmis zen de meensen goed... (19811224)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - As vruuger ne meens dod was, dan stond dieje meens, die stond in hs in en kiest n dan stond ie vur et raom n dan kosse de meense van bten et raom, koste, koste gij nr den doje stn te kke! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  hoe meer ik de meense leer knne, hoe meer ik van menen hnd gao haawe (Alg. Brabants). Tilburgse variant: Ik zit liever nder de bome dan nder de meense ('76)

Frans Verbunt -  meensen n ptlojer, schrve doen ze allebaaj

Frans Verbunt -  zenge gin meens gelk vuule - zich heel beroerd voelen

Elie van Schilt - un glas bier, was te duur vur erm meessen en die wonden er toen veul in Tilburg. (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)

Elie van Schilt - Tilburgse meessen die al meer as veftig jaor in Canada of Australi wonen laoten daor de meesen die kaorten zien en zeggen dan nog frt: "Kek des onze waotertoren"... (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)

Jo van Tilborg - Aander meense kender opvoeden en zegge hoe d moes, daor waar ze goed in (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'meenschdom'

WBD III.3.1:28 'oude mensen' = ouden van dagen, ook 'ouden, bejaarden'

WBD III.3.1:313 'mensen' = volk (gemeenschap van bewoners)

Haor MIENSE - mensen

2. echtgenoot, man

Cees Robben - (vrouw spreekt:) mene meens is tch zoo bevattelijk;

Cees Robben - ...en blnde vrouw n enen dove meens; [de beste huwelijkspartners zijn...]

Cees Robben Munne meens praot s naachts in zunne slaop... (19820924)

Antw. MENS(CH) zelfstandig naamwoord  m. -zie wdb.; man, echtgenoot; gee(n) mens(ch) - niemand

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MENSCH - een man en wel een getrouwd man. Een getrouwde vrouw van haren man sprekende zal doorgaansch met den meierijschen tongval zeggen, mene mensch of mansmensch.

Henk van Rijen - heure meens laote zien - haar vrijer voorstellen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - type 'mens' = echtgenoot (krt.32 en blz.168)

Bont mins l) mens, 2) manspersoon, man

WBD III.1.4:65 'goede mens' = goedzak

3. echtgenote, vrouw

Goem. MENSCH - mins, zelfstandig naamwoord m.; o. van vrouwen; verkleinde vorm minske.

WBD III.3.1:27 'oud mens' = oude vrouw, ook 'een oud'

WBD III.1.2:5 'mens' = vrouw; 5 'vrouwmens' = vrouw

WBD III.2.2:88 'mens' = echtgenote

4. Uitdrukking

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  vur fn meensen n motrge moete ppaase ('75) van mtrgen n fn meense wrde zknat (of: fne lui) (38)

As we bij ons naa ok eenmaol trottoirs hebben dan hoop ik nog n ding en d is, d ze 'n bietje fesoenlijker zullen zn as die in Tilburg; aanders kunde er beter gin hebben! As er kuilen mee waoter in de straot zn, alle, die ziede overdag nog en dan kunde er neffen stappen mar die Tilburgsche trottoirs d lekt wel snert. Ge kunt ze 't bist vergelijken mee fijn meenschen en motrgen. 'n Aorige vergelijking h? En toch goed want ze nemen oe er allebaai tusschen en ge zijt nat vur d ge er erreg in hed! De Tilburgsche trottoirs lappen 'm d ook. As ge in de vurnomste straoten van Tilburg, d dan toch de naom van stad wil draogen, mee rgenweer op 'ne trottoirtegel trapt dan spat 't waoter en 't slijk oe on alle kaanten om oe ooren, nog erger as wanneer er 'nen auto vurbijroetst. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

 

meensepraot

zelfstandig naamwoord

mensenpraat

Van Delft - "O, ze zeggen zooveul, mr op meensepraotjes kunde gin staot maoken." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

meenseschaaw

bijvoeglijk naamwoord

mensenschuw

Audioregistratie 1978 - En hier rcht teegenoover enen, h, daor d hs daor. Dr wonde, die was meenseschouw. Witte gij d ng? Jaon Mommers! Die kwaam nojt bte dieje meens. Nojt, die zaagde nojt, nojt van zen leeve kwaam die bte! Nojt, die was meenseschouw, zin ze! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels

 

Prentbriefkaart ter gelegenheid van de kermistentoonstelling 'Jaozeetie', Tilburg 2018.

meepesaant

bijwoord; voegwoord

uit Frans: en passant (in het voorbijgaan)

S.G. 'en passant' blz. 91, 179

veel nuanceverschillen in de betekenis: terloops, tegelijkertijd, in het voorbijgaan, zodra

R direct, onmiddellijk; zodra; ondertussen

- Dan gaode meepesaant nr de mrt. - Dan ga je terloops naar de markt.

R Ik riep en ie kwaam meepesaant (onmiddellijk)

VW Meepesaant dk et zi (zodra, op hetzelfde moment)

- Mar meepesaant! - Maar ondertussen!

Verh. PASSANT, bij 'in': impessaant - en passant, intussen; meepesaant - in n moeite door: ja ja, mr meepesaant (of: mee imperesaant) - ja, maar intussen . .. (uiting van achterdocht).

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

in passant

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'in passant' (passim)

WNT XII:668, en passant, vernederl. tot 'in passant'

impassaant

Daamen Handschrift 1916: "impassaant (ondertusschen)"

in pesaant

- 'k Gonk in pesaant mar nor huis (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

impesaant

Cees Robben:  'hij naait oe impesaant 'n oor aon'

De Bont:  impesant, bijw.verb. 'in passant' - en passant

impersant

Jan Naaijkens, Jan Naaijkens, Biks: :  impersant bijvoeglijk naamwoord - ondertussen

Van heel die hitte/ Lopte kaans, impersaant/ Det oewe motor vast komt zitten... (Tony Ansems, Olliede gullie de jullieje ok?; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

mee in pesaant

Witt.: 'mee-impesaant'

... en mee in pesaant wier dien zieken vinger dan is flink aon d nuske afgevreve. (Naarus; Brieven van een oud Tilburger; ca. 1940; CuBra)

meejpesaant

- Kunde meejpesaant meej 'n pilske vatte. D z ik doen, in ieders geval. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

meepassant

Cees Robben ... En vat meepassaant n tas koffie Fons...... (19560224)

meepesaamt

En meepesaamt zoveul goei beloftes van de candidaten! Kom

mar aaf! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

meepesaant

Cees Robben [Werkster tegen ongeduldige vrouw:] Ik kan na immel nie luien en meepesaant den tooren nog vasthaauwe k... (19821015

Lechim: Die [de tandarts] vatte 'n hl grte tang/ 'k Ging meepesaant aon't kwken. (Michel van de Ven; knipsel uit de Tilburgse Koerier; ca. 1970)

Mar wij, we stn hier meepesaant/ vur hil de wreld gewon vur schaand. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De tour?..Besjoer...)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - De Piushaove dttis, d hbbe ze toen ndderaand ok meejpesaant tegelk oope gemkt daor, h, d kenaol, d is durgetrokke van, j, van, van, van Den Bosch aaf Klik hier om dit bestand te beluisteren
Henk van Rijen - doe meepesaant es en kaffetuuleke om d buukske - [een kaftje om dat boekje]

Henk van Rijen - meepesaant ie zaat, zaat ie al rond te schme - hij zat nog niet of hij schooide al.

Den tslag krgde meepesaant, van die assistnte... (Nel Timmermans; APK; CuBra; 200?)

Bosch meepesant - tegelijkertijd, in een moeite

Stadsnieuws -  As ge tch nr de klder gaot, brngt dan meepesaant en paor flskes bier meej. (200307)

meepersaant

Han ze ginne heilige veur enne naom, dan verzonnen ze der ter plekke, ne bij. D waar dan meepersaant oewe patronhlige... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

mepessaant

Cees Robben Ge het mepessaant toch n weltje oe verzet gehad... (19810417)

 

Scne uit de Tilburgse Revue 'Hemel en Aarde' (1989). De deelnemers moeten het woord raden dat de assistente op het bord heeft geschreven zonder klinkers. De ABN-sprekers staan voor met 26-0 tegen de Tilburgers. De ABN-sprekers geven als antwoord: 'imposant'. En verliezen.

 

meepraoter

zelfstandig naamwoord

Van Beek - 'n meepraoter is 'n sikje, 'n kinbaardje. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

 

mrege

bijwoord

morgen

B mrrege

smreges - 's morgens

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- toe merregenmiddag

alle mrges - elke morgen / alle mreges zaat ie ths

Cees Robben Ik wor mrege vf jaor (19640131)
Cees Robben ast dan mrege wir net is as vandaog (19730629)
Cees Robben Ak mrege iets nuus begien (19710122)
Cees Robben k Mot mrege vruug op, Suus.. (19740208)
Cees Robben Ochrum ons vreke... t mot mrege streve.. (19650903)

Henk van Rijen - holt mregen es en mrgppke

Frans Verbunt -  mrege kmt er wir nen dag waor de mze nie n gezeete hbbe

Frans Verbunt -  er wrt van ges mrege

WBD III.4.4:122 'Morgen', 'morgend' = ochtend

Bosch mrege - morgen

Bont m.r(e)ge(n), zelfstandig naamwoord m.- morgen, ochtend; bijwoord  - morgen

Goem. MORGEN - m:rege, bijwoord

ANTW. MERGEN (uitspr. mrregn) bijwoord - morgen, Fr. demain

mrege, van de

zelfstandig naamwoord in tweede naamval
vanochtend, heden ochtend
Cees Robben [Een aanzegger spreekt] - Merie heeget laote schiete.../ Van de mrege om vf uure/ Heese dr gat dichtgeneepe.. (19640605)
Cees Robben Van de mrege om vf uure (19640605)
 

mregeziekte

zelfstandig naamwoord

ochtendziekte

De Wijs -- Dettie veul laast hee van de merregeziekte is nie z errig, mar hij rektet toe dettie naor bed gao. (04-07-1969)

De Wijs -- Hij hee veul laast van de merge-ziekte en des nie zo erg assie t mar nie rekt tot den aovond. (24-02-1966)

 

mrel

zelfstandig naamwoord

merel; turdus merula

Ill.: Naumann - turdus merula

Luister naar het geluid van de merel

 

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  de mrel zit p den kkepost (JM'50) - de merel zit op de paal van het hek (teken dat het goed weer blijft )

Cees Robben Zwarte mrel... Felle krel... (19601007)

Henk van Rijen -- mrel, mulder - merel (Turdus merula)

Piet van Beers As ge me zuukt: As ge smreges de mrels/ wir zen bist te keer heurt gaon/ Denk ik wl es bij mn ge/ "Ik gaor vandaog wir tegenaon." (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.4.1:80: 'mulder', 'malder meelder, molder, 'lijster', 'gieteling')

Str. mrel (2:57)

Piet Heerkens 2 gedichten over de mrel

 

mrg

zelfstandig naamwoord 

merg

Henk van Rijen - hlt mregen es en mrgppke

 

mrgpp

zelfstandig naamwoord 

mergpijp

Cees Robben - 'mrig-pepkes' (19611221)

 

meerije

werkwoord, sterk

Pierre van Beek --  financieel betrokken zijn bij b.v. een faillissement

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ngal es meerije (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970)- veel tegenslag hebben; nogal eens bespot worden.

 

meerkat

zelfstandig naamwoord 

WBD III.4.2:l01 'meerkat' - modderkruiper (Misgurnus fossilis), ook 'weeraal' genoemd

 

meeroeje

werkwoord, zwak

meeroeien

Henk van Rijen - hij zal nie lang meeroeje - hij zal het niet lang volhouden

 

mrpel, mrpel

zelfstandig naamwoord 

glazen knikker

D16 mairbel wit marmeren knikker

Henk van Rijen - wen schon mrpelke, kwok et zo en h

WBD (III.3.2:96) mrpel, stuiter, proem = grote knokker

Hees - murpel, murbel, marbel, marber, (I:8, 24)

ANTW. - MARREBOL, MARRENBOL, MERREBOL, MERRENBOL, MARMBOL, MARBOL, MARBEL, MIRPS

MERBEL, marmeren of glazen bolletje waar kinderen mee spelen.

Goem. MARMER zelfstandig naamwoord m. Fr. Marbre.

L-C MAARBEL m marmeren, steenen, albasten of glazen bal,

Iets groter dan een knikker: mee de s spelen.

WNT MARMER 3)een voorwerp van marmer, b) inz. Een marmeren ook wel ivoren of glazen) knikker; in deze toepassing komen voor:

Marmel (zelden marmer), marbel, merbel, ook marrebol, marbol en marboel, ook marmbol; marm is als eene wijziging van marmbol te be-

Schouwen. Andere vormen zijn molber, molper en mulver. Z. a.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - marbel, molleber, mulver, murmel, murpel, mervel, mervelr.

knikker

 

mrt, mrt

zelfstandig naamwoord  

maart

DANB 'mrt' ist ng te kaaw om te katsele - In maart is het nog te koud om te kaatsen.

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 22) maart

Bont mrt, zelfstandig naamwoord m. maart

Antw. - MRT - maart, Fr.mars

WNT MAART, meert

 

mrvlle

zelfstandig naamwoord  

WBD vrouwelijk jong van een paard, ook genoemd 'mrreveuleke'

WBD vullemr - dragende merrie, ook genoemd 'vlmrrie'

WNT MERRIEVEULEN - vrouwelijk veulen

 

mees

zelfstandig naamwoord

mens
Cees Robben W gin mees normaol behappen kan... (19580823)
► meens

 

mes

zelfstandig naamwoord 

kleine zangvogel

 

meesjoefele

werkwoord, zwak

stilaan meelopen

- meesjoefele - sjoefelde meej- meegesjoefeld

 

meespeule

werkwoord, zwak

meespelen

- meespeule - spulde meej - meegespuld

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij spult meej

ANTW. MEESPELEN, in 't N. MEESPEULEN - aan een spel deelnemen

 

meet

zelfstandig naamwoord 

1. eindstreep (bijv. bij het wielrennen); meter (bij doop)

Frans Verbunt -  startpunt, begin (van meet af aan) ►mitje

aankomststreep (bij wielrennen)

WBD (III.3.2:24) meet, schreef, streep = meet

2.WBD III.2.2:90 'meet', 'meetje' = meter (bij doop); ook genoemd:

'peet', 'peetje' of 'petetante'

3.WBD pand van een weideperceel (gedeelte van een perceel weiland, dat zich bevindt tussen afwateringssloten) (Hasseltse term)

 

mt

zelfstandig naamwoord 

1. WBD III 4,2:235 lemma Mijt - De mijten (Acari) vormen een zeer uitgebreide familie van kleine spinachtige diertjes, die veelal schadelijk zijn. Sommige leven parasitair op andere organismes en voeden zich aan hun gastheer, anderen leven van producten van de mens, zoals meel en kaas.
mijt Tilburg
wemel zeldzaam in Noorden van Tilburg
kalander, klander Tilburg

2.

WBD III.4.4:260 'mijt' = grote hoeveelheid

 

meete

werkwoord, sterk

meten

WBD meete - meten (m.b.t. leer) II 665

B meete - maat gemeete

- vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij mit

Haor Mte - meten

 

meetrasnat

zelfstandig naamwoord 

Frans Verbunt - kookvocht van aardappels; werd vroeger bewaard om op vrijdag te dienen om de botersaus te binden; WTT-2012: mogelijk is het deel 'tras' overgebleven uit 'patras', aardappel. WTT 2017: als het voorgaande juist is, kan 'meetrasnat' in feite een samentrekking van 'mee' en de samenstelling 'patrasnat' zijn. Wat eten we vandaag? We eten 'aardappelen met aardappelsaus'.

 

meeval

zelfstandig naamwoord

wat de verwachting overtreft; geluk, meevaller

-- Ds amml meeval

Den boer hee dees jaor wir 'ns meeval gehad. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WBD III.3.1:133 'meeval' meevaller, bof, voordeeltje, tref' = meevaller

ANTW. MEEVAL zelfstandig naamwoord m. - goeden uitval, Fr. bonne russite. Ik heb met die zaak meeval gehad; in plaats van te verliezen, win ik er nog wat aan.

 

meevuure
werkwoord, zwak
meevoeren
Cees Robben Wegge ruurt/ Degge meevuurt [Wat je aanraakt, dat moet je nemen] (19640313)
 

mekaanst

bijwoord

bijna, bijkans, 'bekaan(s)t'

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- "t schilt mekaanst de helft' - mekaanst (passim)

 

mekaor(e), mekaar(e), bekaare

voornaamwoord

elkaar, mekaar = 'bekaare'

B bij mekaor = bijeen

B in mekare slaon - ineenslaan

B p mekare plkke - opeenplakken

De Wijs -- Toen ik ut utmekaar had, wies ik wel hoe ut in mekaar zaat (24-02-1966)

Cees Robben As ge mekaare mar begrpt... (19580705)
Cees Robben Daor zaate twee dfkes/ hil dicht bij mekaar... (19590822)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mar toen zg ik ok teege men andere maote, we waare toen meej zeuve man die daor b mekaare waare, ik zg as gllie nouw wilt blve wrreke, ik zg dan moete vort binne blve, ik zg want ze brnge oe naor hs, vendaog f mrege krge we ng en pak slaog erbij! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Dialectenqute 1876 - Ze hebbe mi mekoar gevochte

Henk van Rijen -- mekaare, bekaare - elkaar

WBD III.4.4:310 'door elkaar' = ongeordend; ook 'door mekaar'

Bont vnw. mekaar, ook de vorm 'mekare(n)' komt voor. 

Bosch mekaore - elkaar

Haor mekare - elkaar

 

mekeere

werkwoord, zwak

mankeren, haperen

- mekeere - mekeerde gemekeerd

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- daor mekeert niks aon

De Wijs -- Daor zal nie aon mankeere (23-10-1963)
De Wijs -- Doe de groete ths. - D zal nie mankeere (23-09-1970)

- ANTW. MANKEEREN - letten, deren, hinderen, eenige ongesteldheid of lichamelijk gebrek hebben.

 

mkke

werkwoord, zwak

WBD geluid voortbrengen, gezegd van een geit

- mkke -mkte - gemkt

 

meleur, malleur

zelfstandig naamwoord  

Pierre van Beek --  ongeluk

gez. Pierre van Beek --  D zn meleure, daor moete vur bidde. (troostwoord tot iemand die pech heeft) (Tilburgse Taaklplastiek 152)

uit fr. 'malheur', met vocaalreductie

Naa snapte wel, d den deeze of de geene per ongeluk wel 'ns zis borrels vat as ie wit d-'t-ie er mar vijf hebben kan; d zen meleuren en daor motte vur bidden. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

Bont zelfstandig naamwoord  (kaartspelersterm) malheur.

 

meljoen

zelfstandig naamwoord, telwoord

Henk van Rijen -- miljoen

 

mlk - mllek

zelfstandig naamwoord 

melk

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  de mlk is gegisseld ('40) - met water verdund

Henk van Rijen - mlk van de blaaw koej - taptemelk (sterk afgeroomde melk)

D noemde ze losse melk, n mistal laag er zon bietje en blauwig waos op dieje melk, dan was ie ngelngd meej waoter. (Nel Timmermans; Wtter amml n de deur komt; CuBra; 200?)

WBD III.4.3:39 mlk - sap in planten, ook 'vcht' ►zie mlk 3

 

Schilderij (detail) van Adolphe Charles Marais - 1856

 

mllekboerehondehaor

zelfstandig naamwoord

spotwoord

haar van een mens dat lijkt op het haar van de hond die voor de hondenkar van de melkboer gespannen was.

"Mellukboerhondehaor" (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Hij krabt in zijn melkboere honden haor... (Tony Ansems, As unnen boer op t laand lopt;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

 

mlleke

werkwoord, sterk

melken

R een moeilijk te melken koe: die moeste meej de nld mlleke; die moeste meej de nptang mlleke

Cees Robben - ge moet de gt gn mlleke

N. Daamen - Handschrift 1916 -- ge ht gelk dgge nen s kopt: die hoefde nie te mlleke

Van Beek - Van iemand, die zich niet lichtvaardig laat beetnemen, zegt men, dat men hem "niet in een mendje melkt". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Dirk Boutkan (1996) - mlleke - molk - gemolleke

B mlleke - molk - gemolleke

WBD III.3.1 'melken' = speculeren (l81); zaniken (294)

Bont ww. (verl.tijd 'mlkte' en 'molk' = melken

 

mlleker

zelfstandig naamwoord 

WBD III.1.4:60 'melker' = kieskeurig persoon

 

mlkmik

zelfstandig naamwoord 

met melk bereid wittebrood

-- voor het verschil, in het Tilburgs, tussen ►mik en ►brod

► rggebrod

-- De aanduiding melkbrood mag uitsluitend worden gebezigd voor tarwebroodsoorten (witbrood, bruinbrood) 'waaraan melkbestanddelen in hun natuurlijke verhouding zijn toegevoegd, zodat het melkvetgehalte ten minste 1,5% van de droge stof bedraagt.' (Koninklijk besluit van 4 juni 1998)

Nieuwe Tilburgsche Courant 29-10-1927

 

mlktaande

zelfstandig naamwoord , plur.

melktanden

WBD melkgebit van een kalf

 

mlpr

zelfstandig naamwoord 

droge, meelachtige peer

Cees Robben Ik heb mlpre, suikerpre, juutepre en klapse... en dan hek nog Glse vringpre, mar die zen enkelt goed vur de stoof... (19850927)

WNT MEELPEER - droge, meelachtige peer, zonder sap

 

mlton
zelfstandig naamwoord - stofnaam (Textiel)

Henk van Rijswijk - Melton: sterk gevolde lichte wollen stof, niet geruwd, soms licht geschoren met een viltlaag aan beide zijden. Gebruikt voor mantelpakjes, jassen en mantels. Geweven in platbinding, keper of visgraat.

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm

J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Melton. Kamgaren bukskin in dubbelkeper geweven, veelal in donkere tinten geverfd. De stof is iets geruwd en voelt zacht aan. Zwaardere kwaliteiten worden vaak als versterkte of dubbelweefsels geweven.

 

mm

zelfstandig naamwoord 

mem

WBD (Hasselt) tepel (v.e. varken)

R n dirste mm ligge - een wit voetje hebben

Biks mm - zelfstandig naamwoord  - borst, speen; on d'aachterste mm ligge. Achtergesteld worden, op de laatste plaats komen

V van den irsten dag aaf hk bij men schonmoeder n d'irste mm geleege

WBD III.1.1:116 'memmen' = borsten v.e. vrouw

WBD III.1.1:118 'mem' tepel

Antw MEM (Kemp. ook mm) zelfstandig naamwoord v. - moederborst: aan de mem liggen. 

Kiliaen - mamme, memme - nutrix

 

mn

persoonlijk voornaamwoord

mij

Ds van mn. - Dat is van mij.

 

mn, mn, men

bezittelijk voornaamwoord

mijn, m'n

Cees Robben van mn kiep... (19540417)Henk van Rijen - de mn; de mnne - mijn vrouw; mijn man

WBD III.2.2:88 'de mijne' = echtgenoot

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 59) mene tn, menen ooverbuurman, menen ond, menen buurman

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - vormen met 'n' (krt.43)+(blz. 122)

ANTW. MIJN, te St-Antonius ook 'men' (heldere e). Dat is mennen boek.

►mene

 

mnde

verleden tijd van 'mne'

meende (je)

tegenwoordige tijd van 'mne' vragend

meen je, bedoel je

Cees Robben De weffere mende? (19551015)

 

mndje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm van 'maand'

mandje

 

gez. Pierre van Beek --  mndjes zn gin krfkes - er moet onderscheid gemaakt worden

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Dan gingde Driekonenge zinge, dan ginge ze de straoten aaf n dan hadde zon mndje bij, zon krrefke, n dan krede ooveral en paor (??) f en snoepke n zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

Dialectenqute 1876 - Ze droagt aaier in 't mndje

WBD kalvermndje - muilkorf voor een kalf

Biks mndje zelfstandig naamwoord  - mandje

 

mene
bezittelijk voornaamwoord

meestal geschreven als 'munne'
mijn, de mijne, van mij
Cees Robben W bonst munne knar... (19540424)
Cees Robben Vogels fluiten op munne buiten/ schne weskes... (19540612)
Cees Robben [Vraag van een vriend aan een zieke] Hoe is ter meej bruur... Nog aaltij deuzig war.. En zinkes in munne kop... (19600212)
Cees Robben t Krsje kraokt in munne mond... (19600624)
Cees Robben Munne rooie kl groeit de buurt in.. (19640918)
 

menge

voornaamwoord, samentrekking

mijn eigen; me, mezelf

- D moet ik tch vur menge weete.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

meneezie

zelfstandig naamwoord 

Henk van Rijen -- manege

- manege

Biks meneejzie zelfstandig naamwoord 

 

mngbier

zelfstandig naamwoord 

WBD versnijbier (bier dat men gebruikt om te versnijden, te mengen met een ander brouwsel, in een brouwerij)

 

menier

zelfstandig naamwoord 

manier

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- menier; p die menier;

- mar 't was gin menier van doen... (Lauran Toorians; Blauwke; CuBra; 200?) 

 

menister

zelfstandig naamwoord 

minister

Dialectenqute 1876 - Naauw hemme we wir nije menisters - nu hebben we weer nieuwe ministers.

 

mnnegt(e)

zelfstandig naamwoord 

menigte, grote hoeveelheid

De Wijs -- ik kp fleskes veur 5 cent en verkp ze veur 3 cent en verdien toch. deur de mennigte (23-10-1963)

WBD III.4.4:255 'menigte' = menigte, troep

dur de mnnegt

Biks mnnigte zelfstandig naamwoord  - menigte, heel veel

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MENNIG wordt hier, even gelijk op meer plaatsen, in de volkstaal gezegd voor 'menig'? z. a.

Bont 'mennigte keer'

ANTW. MENIGTE, Kemp.: MENNIGTE bvw - menig, veel, Fr. maint, nombreux. Da' zal u menigte frangs kosten.

 

mnneke

zelfstandig naamwoord

mannetje

verkleinde vorm van 'man', met umlaut

Kom mar gaa, mnneke. - Kom maar gauw, jongen.

1. kleine man, jongen, koosnaam voor volwassen man.

R.J. 'menneke gao toch slaopen'

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

"Knde gij mn?" Waarop de ander direct reageert: "J, ik kn jouw hil goed mnneke!" En de eerste weer ad-remt: "Dan deugde gij k nie!" (Jan Triborgh, pseudoniem van John Majoie, in een serie van 4 artikelen uit de Nieuwe Tilburgsche Courant over de feestelijkheden vanaf 27 oktober 1954 ter herdenking van de tiende bevrijdingsdag van Tilburg.)

Cees Robben Waor leej mn schaors, troeleke..? .. Op dn naoricht.... menneke... (19580118)

GD06 n dan kln mnnekes vur de vrouwestmme. 

DANB et mnneke lpt brrevoets

ANTW. MANNEKE(N), Kemp. ook: MNNEKE(N) en MENNEKE(N) - vklw. van 'man' 

Jan Naaijkens - D's Biks -  mnneke zelfstandig naamwoord  - mannetje

2. van de mannelijke soort

Pierre van Beek --  mnnekeskneuter - mannetjesputter

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "mennekus kneuter (een flinke man, krachtig en uit n stuk)"

Cees Robben n menneke... of wel n wefke (19570525)

Henk van Rijen -- 'Zo ut mnneke, zo ut gespnneke ' - De vakman herkent men aan zijn gereedschap.

Stadsnieuws -  Meej zon pak aon zde wl et mnneke (030609) -- Met zo'n kostuum aan kun je wel voor den dag komen.

3. deurwaarder

Van Beek - Bij een moelgevecht klonk het: "Bij ons hebben de Mennekes nooit op de vloer gezeten lek bij jullie". Dit stamt uit de dagen, dat het nogal eens voorkwam, dat bij beslaglegging door de deurwaarder alles in huis werd verzegeld en twee heren daar dan dag en nacht de wacht hielden, die men nog bovendien te eten moest geven ook. (Die twee wakers waren "de Mennekes".) (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959

Bijnamenboek Karel de Beer - de mnnekes = zonen Mutsaerts-v. Waesberghe (blz. 56)

Henk van Rijen -- belastinggaarders die in pension gedaan werden bij mensen die belastingschuld hadden, ter vereffening hiervan.

4. zangvogel

WBD III.4.1:24 'mannetje (ook manneke) ( = mnneke) - mannelijke zangvogel

5. vis

WBD III.4.2:70 'mannetje' - mannelijke vis;

6. hond

WBD III.2.1:476: mannelijke hond

7. kalf

WBD mannelijk kalf

8. schaap

WBD 'ha mnneke', 'ha jnge', 'schaopke', 'woojke', wjke' -

vleiwoorden voor het schaap

9. meikever

WBD III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn.
mulder Tilburg
mulderke Tilburg
molenaar Tilburg
bakker frequent in Tilburg
bakkerke Tilburg
kapucientje Tilburg, Goirle
manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

Piet Brock, uit Vuurstintjes ketsen (1996) Mlders/ Ge he't z'in soorten:/ 'nen bkker of kappesien,/ 'n mnneke of 'n wfke,/ d kunde hil goed zien.

 

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document mlder 2 ► tlle

- zie ook lantremnneke

 

mnnekeskneuter

zelfstandig naamwoord 

Henk van Rijen -- harde werker

N. Daamen - handschrift 1916 - 'mennekus knueter' een flinke man, krachtig en uit n stuk

Pierre van Beek --  mnnekeskneuter - mannetjesputter

 

mnsie maoke

uitdrukking 

de oorsprong van mnsie is het Oudfranse 'mention' voor melding, gewag

- In het Tilburgs meestal: opschieten; serieus gaan werken, serieus doorwerken

WTT 2012 - Hoewel in het taalgebruik mnsie en apprnsie synoniem gebruikt zijn in uitdrukkingen met 'maken' voor bijvoorbeeld 'aanstalten maken', is mnsie geen verkorting van apprnsie; in de betekenis melding, gewag maken komt de uitdrukking al voor bij Kiliaen]

► apprnsie

MNW - lemma Mentie - Melding, gewag. Kil. 850: mentie, mentio, memoria; mentie maecken, memorare, facere mentionem. De Bo: mensie, mentie. Vgl. Boom d. Scr. Gloss.: mencie, vermelding.

Cees Robben Zeg maokt is mensie, zee mn vrouw... (19550716)

Frans Verbunt -  werk maken van iets, acht geven, gewag maken, complimenten maken, serieus doorwerken

Bont mnsi, zelfstandig naamwoord vr. mentie (alleen voorkomend in de uitdrukking  'mnsie maoken op iejt' - werk, drukte, komplimenten maken. Z. a.

WNT MENTIE - in de uitdrukking  MENTIE MAKEN, melding, gewag v. iets maken; dezelfde uitdrukking  komt ook in Z. -Ned. voor in den zin van: aanstalten maken.

 

mnt

meent

- tegenwoordige tijd van 'mne', met vocaalkrimping

- gij, hij, zij, et mnt

 

mnteneere

werkwoord, zwak  

Frans Verbunt -  in stand houden, zich doen gelden

- van Fr. maintenir

Biks mnteneere ww - in ere houden, handhaven

WNT MAINTENEEREN - iemand onderhouden, van het noodige voorzien; vroeger in ruimere toepassing dan thans.

 

menuut, menuutje

zelfstandig naamwoord 

minuut

Cees Robben - d veraandert meej de menuut

DANB hij kmt not en menuut te laot

 

meraokel

zelfstandig naamwoord 

wonder, mirakel

Tis gin meraokel dttie wir zat is. - Het is geen wonder dat hij weer dronken is.

Cees Robben - d hdde meraokels goed gedaon

Cees Robben - Tis gewoonwg en meraokel

WBD (III.3.3:344) meraokel = mirakel

WNT MIRAKEL - bovennatuurlijk feit; MIRAKELS - hetzelfde als miraculeus

 

meraokels

bijwoord

buitengewoon, wonderlijk

tis ieder jaor wir en meraokel/ dgge d wir belve meut. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vurjaor)

Cees Robben - Ge trft er meraokels goej weer p.

Cees Robben - D hdde meraokels goed gedaon.

Bont bijwoord  - mirakels, buitengewoon, zeer.

WNT MIRAKELSCH - hetzelfde als het vreemde woord miraculeus; thans onbekend

 

Merieke van-hemke-raokt-m'n-gatje-nie...

spotnaam voor een vrouw die enigszins overdreven deftig is

Jan-stap-ntjes

 

mrketon

zelfstandig naamwoord 

grote gele perzik

WBD III.2.3:171 'merkaton' = idem

Biks mrketn zelfstandig naamwoord  - grote gele perzik

WNT: merketon, in Z.-N. de naam van eene soort van groote gele perzik, waarvoor men in het Fransch de namen vindt: mirecouton, mirelecoton, millicoton, mericoton, merlicoton, berlicoton. De vorm 'merketon' staat bij Claes; Corn.-Vervl. heeft merkaton, De Bo melekaton en mellekaton.

Vruuger, och man, 't geluk hong veur 't grijpe,

zijjig en zoft as 'ne merkaton

mar naa; oei-oei, wa kan 't er nijpe,

na ben ik al blij mee 'n klein bietje zon. (Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), Vruuger en naa, 1949)

ANTW. MERKATON zelfstandig naamwoord m - groote gele perzik die rijp is op 't einde v.d. herfst - Fr. mirlicoton.

 

mrks

zelfstandig naamwoord 

bep. vis: modderkruiper of weeraal - visje

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "merkuis - visch 'weeraal'"

WNT: modderkruiper (Misgurnus fossilis) uit de familie der karpers, zoo genoemd omdat hij onrustig wordt en aan de oppervlakte komt bij naderend onweer

-- De etymologie van de Tilburgse naam is onbekend.

 

mrkl, mrklf

zelfstandig naamwoord

Ill.: Naumann - garrulus glandarius

vlaamse gaai, meerkol, markol(f), broekekster, schreeuwekster

Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz."(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD III.4.1:147 'markol' (ook: merkol, mjarkol, morkol), mrklf - gaai (Garrulus glandarius); ook: 'broekhannek', 'hannekbroek', 'hannebroek' en 'roeter' en 'broekekster.

WNT MEERKOL, daarnaast andere namen, voor verschillende vogels: 1) In beteekenis gelijk aan meerkoet ('KOL' doet denken aan het Fries); 2) Vlaamsche gaai, corvus glandarius, vanouds 'marcolf' z.a.

Bosch - mrkol - Vlaamse gaai

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MARKOLF - Vlaamsche gaaij. 

Kiliaen: Maer-kolf.

Biks - 'mrkol' zelfstandig naamwoord  - Vlaamse gaai

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - maarkolle - gaai (Achterhoek, Veluwe), contaminatie van 'maarkolf' en 'meerkol' (meerkoet).

 

mrmerere

werkwoord, zwak

mompelen

uit het Franse murmurer

Zo mrmereerde ome Tiest/ teege al die 't wn heure,/ Hij kreg wl hier n daor gelk/ mar mist de wnd van veure. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nie waoge... nie winne...)

 

meraokel
zelfstandig naamwoord
mirakel
Cees Robben d klinkklaor en smeujig meraokel (19570921)
 

meraokels
bijwoord
mirakels
Cees Robben meraokels goed (19611229)

 

Merieke van-hemke-raokt-mn-gatje-nie
fantasie-eigennaam
milde spotnaam voor deftige dame
Cees Robben (19620302)
►Jan-stap-netjes
 

mrrebel

zelfstandig naamwoord

mrpel

B marmer

Frans: marbre

 

mrrie

zelfstandig naamwoord  

WBD vrouwelijk paard, ook genoemd 'mirrie'

WBD fkmrrie', ' fkmr' - fokmerrie

WBD mrvlle, mrreveuleke - vrouwelijk jong van een paard

WBD vlmrrie - dragende merrie, ook genoemd 'vullemr'

 

mrsie 

tussenwerpsel

wordt algemeen gebruikt in plaats van het Ned. dankjewel

 

mrt, mrt

zelfstandig naamwoord, eigennaam

de maand maart

Frans Verbunt -  ene dreuge mrt is gld wrd, ast in april mar rgene wil

Stadsnieuws -  Ene drge mrt is gld wrt, ast in april mar rgene wil (300308)

WNT MAART, meert

Haor mrt - maart of markt

 

mrt

zelfstandig naamwoord

1. markt

de vrddagse mrt - de vrijdagse markt

- Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "mert - markt"

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- mert

- Pierre van Beek Komt men "als Jan met kraaien naor de mert (markt)" of "mee vijgen nao Paosen" dan is men met zijn voorstel te laat. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

- DANB ge kunt hier aajer krgen p de mrt

- Cees Robben Gaoget op de mert mar vraogen. (19540306)
- Cees Robben rond de Mert (19590207) [de Oude Markt]

- Piet Heerkens; uit Vertesselkes, Hannes Kaokel, van Baokel, 1944.

Zeg Hannes, mergen is 't Boekelsche mert,

ik kan zo wijd nie loope;

gij gaot dus mergenvruug daorheen

een van ons koei' verkoopen!

- Audioregistratie 1978 --  Asse daor en koej nie verkcht hn dan ginge ze nr de Bosse mrt, die Tilburgse boere (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  dgs nao de mrt koome, nt as Jan mee zen Kieviete (= draagmars) ('70) - te laat komen

- Henk van Rijen - dirste mrt - de eerste markt v.h. jaar (vroeger in maart)

- Lopt bevobbeld saoterdags mar es oover de mert. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2000)

- Piet van Beers Hobbys: 'k gao int vervolg mar nor de mrt toe/ vur blomme, gruunte n vur frt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

- Dan ging ik smreges de straoten aaf om de zak van Max p te haole. n die di'k dan wir verkope p de mrt. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

in de uitdrukking dur de mrt: gemiddeld, meestal
Cees Robben Dur de mert zeggen wellie.. t is wir naatje... (19580315)
Cees Robben Dur de mert... [gemiddeld] (19560721)
Cees Robben Des dur de mert nie pluis... (19660429)

WBD III.3.1:327 'markt' = dorpsplein

WBD III.3.1:329 'marktveld' = marktplein

WBD III.3.1:86 'markt' = jaarmarkt

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mrt (blz. 13 ), auslaut zonder velaar (blz. 78)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Bont mrt, zelfstandig naamwoord vr. markt l) marktplein; 2) marktprijs, prijs.

Antw. MER(K)T zelfstandig naamwoord v. (Kemp. ook mt) Antw. MART

Bosch mrt - markt; maand maart

WNT MARKT, merkt, mart

Stadsnieuws -  Ons moeder ging aatij nor de vrddagse mrt om vis te kope (280508)

2. stront

uit Frans: merde (verkort)

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "mert - ik heb er mert aan" (str...) = lak [WTT 2012: Ik heb er lak aan]

 

mrte

werkwoord, zwak

markten, naar de markt gaan; op de markt aanbieden

- mrte - mrtte gemrt

- afleiding van 'mrt' (markt)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  en goej prd wrdt nie gemrt (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1969) - een goed bekend staand meisje gaat niet op pad om een vrijer

Cees Robben Mietje Mutsers was aon t merten (19620413)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MARKTEN wordt hier in het gemeen gebruikt voor 'ter markt gaan', zoo wel om te koopen als om te verkoopen.

Bont zw.ww.intr.- markten, de markt bezoeken om te (ver)kopen

ANTW. MERTEN markten

Bosch mrte - de markt bezoeken

 

mrtmister

zelfstandig naamwoord

marktmeester

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'mrtmister'

 

mertuntje

zelfstandig naamwoord

meertuintje - sleutelbloem - primula officinalis

helmkruid - scrophularia nodosa

PM sleutelbloem; marteunisje (?)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "meertuintje - Primula vere"

Henk van Rijen -- 'mrtuntje'- gewoon sleutelbloempje (Primula officinalis)

WBD III.4.3:259 mrtuntje - sleutelbloem (Primula veris)

WBD III.2.1:445 'meteuntje' = petunia (Petunia hybrida)

WBD III.2.1:447 'mateuntje' = primula (Primula vulgaris), ook genoemd 'sleutelbloem'

De bos prse petuunekes/ die giestere ng schon stond/ leej naa as ene toddenhop/ verrgend p de grond. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et begien van de kndervekaansie)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - mertuntje - sleutelbloem

S.G. meteuntje (S.G. beteunie 186; betonie 42,185)

Weij (T&T 38:88) mertuntje zelfstandig naamwoord 'sleutelbloem'.

Heukels 1907, 199 geeft metuintje voor 'gewone sleutelbloem' een woord dat bij Van Dale en in het WNT niet vermeld wordt, maar een doorzichtige vervorming is van 'betonia'.

Heuk. METUINTJE - gewone sleutelbloem (primula officinalis Jacq.)

Betonie - Scrophularia nodosa L. - Helmkruid.

Betonie - oude naam (N.H., G.H., Dod.) voor beteuniebloem, Betonica officinalis L.

Heuk. MARTEUNISJE (Z.H.) - slanke sleutelbloem, Primula elatior Jacq.

MEERTENSBLOEM (Achterh.) - sleutelbloem, Primula L.

 

meschient

bijwoord

misschien, met paragogische t

Meschient kmt ns oomaa en zndag. - Misschien komt grootmoeder zondag

- Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- meschiend (passim), misschiend, mischiend

- Ge hgget meschient al deur. (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

- Meschient wrtie wl et nuuwe gruune hart van onze stad waor we meej zen alle wir fret op kunne zn. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

- Messchient kunde zllef iets verzinne.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- ANTW. MISSCHIENS en MISSCHIENST bw - misschien, Fr. peut-tre.

- BESCHIEN, BESCHIENST (met toonlooze e en korte ie)

 

mesien
zelfstandig naamwoord
machine
Cees Robben Mn mesien maoket gelk, mevrouw (19850510)
 

mesjster

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijknaamwoord

M manchester, geribt fluweel

-- en mesjster broek

Frans Verbunt -  en mesjsterse broek - ribfluwelen broek van machester

Piet van Beers Baos in eige huis/tuin: Ik vat 'n Aauw Mesjester broek/ en doe m'n leerzen aon,/ 'n fleske kaauwe slappe thee/ en ik zeg Salluu we gaon. (With Love; 1982-1987)

Piet van Beers De buurvrouw vertlt: Waor is m'n aaw mesjsterbroek... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Stadsnieuws -  'En mesjsterse broek versltte nie zo gemak' (130708)

Ze stonke nr smoutolie, d wl, mar ze mkten ok laoke n ze mkte flenl. n rips, n baaj, n ok mesjster. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Biks mesjster zelfstandig naamwoord  - manchester

 

mesjt

zelfstandig naamwoord

manchet

WBD III.1.3:139 'manchetknoop' = manchetknoop

 

mesjien, mesjientje

zelfstandig naamwoord

machine

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'mechienen' (plur.); 't mesjien (passim); 't vliegmesjien, vliegmechienen

Haaw ik van ou, raar stuk spektaokel?

stemt die meziek van ou me tevree?

Och, gij stampt en gij doet mar, mesjien, en

spek mar goed dik mijn portemenee. (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), t Mesjien, 1940)

De moederkes van teegesworrig/ douwe der wasgoed int mesjien. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens As ge nou en mesjien moest wasse, want die had tweej mesjiene vur gehaktmesjiene, heej. Aachter hatttie et staon vur de Joode n veur gewoon zogezeej, we zulle mar zgge jan-en- alleman, de kattelieke n, n dinge. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

WBD ntklitmesjien - ontklitmachine (II 600) in de leerindustrie

WBD vlesmesjien - vleesmachine, om huiden te ontvlezen (II 608)

WBD schaofmesjien - schaafmachine (in de leerindustrie; II 614)

WBD tztmesjien(ne) - uitzetmachine (in de leerindustrie; II 649)

WBD slichtmesjien - stolmachine (in de leerindustrie; II 652)

WBD falsmesjien - falzmachine (voor het egaliseren van leer; II 655)

WBD glaansstotmesjien - glansstootmachine (om leer te glanzen; II 663)

WBD meetmesjien - meetmachine (in de leerindustrie; II 665)

DANB 'teegewrreg'spinne ze alleneg mar meej mesjienes

WBD dts mesien (of: dtsmesien) (II:972) - schaftmachine

ANTW. MACHIEN zelfstandig naamwoord o. en niet v. - Fr.machine

WBD (III.2.1:336) 'machientje' = petroleumstelletje

 

mesjienebooter

zelfstandig naamwoord

boter die niet door de boer thuis gemaakt wordt, maar op de zuivelfabriek

Henk van Rijen -- 'mesjienbooter' - kunstboter, margarine

 

mske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

meisje, verloofde

- Ik zie nog alles vur me staon,/ De stadslui mee d'r meskes; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

MP gez. Fltende mskes n brullende koej zn zlde goej. (zie Br. Heem 38:204;

Cees Robben Ze zagen nog gin meske staon... (19600304)
Cees Robben Mn meske lispelt... (19661014)
Cees Robben Ik kan mar nie aon n meske komen, vadder... (19770107)
Cees Robben Ik heb vur mn 18de nog nt n meske gekust.. (19801107)

Interview Hermans - 1978 - Ze ztte ze aaltij nt wrek veul, de mskes, die waare de duupe. Want agge dan mskes ht, war, die en jaor f neege zn n ge ht en grot hshaawe, war, dan moese ze veul meejwrke. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Dialectenqute 1876 - veul mskes; 'n meske as mulk en bloed - eene blozende deern

Dialectenqute 1876 - meske - meisje, meiske

DANB der mske is nr et bs gegaon - haar dochtertje is naar het bos gegaan

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ik z gevreeje, zit mske, n ze waar mar eens gekust, p et llleke

van der oor (D'16) (variant: p et randje van der muts)

Henk van Rijen -- 'Ons mskes hn goej lulle' -Onze meisjes hebben gemakkelijk praten.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MESKEN hoort men hier doorgaans voor 'meisken', 'meisje'. In Zuid-Braband zegt men veel, zelfs onder lieden van den beschaafden stand, maske en maeske.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mske (krt.96)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Bont mske(n) zelfstandig naamwoord o. - meisje

Biks mske zelfstandig naamwoord  - mesje, meisje

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  soep znder slderie n bone znder spk n en mske znder vrijer, ds tch al te gk (D'16) bepaalde zaken horen bij elkaar

Henk van Rijen - "ons mskes hn goej lulle" - de meisjes hebben gemakkelijk praten

Bosch meske - meisje, klein mes

WBD III.2.2.:19 'meiske' = meisje 41 'meid' = meisje

WBD III.2.2.:73 'meske' = dochter

 

mskesmrt

zelfstandig naamwoord 

'meisjesmarkt' (concr. en abstr.) t.w. speciaal de Heuvelstraat, waar meisjes plachten te flaneren en contact zochten

't Gebeurt k wel is 'nen ennigte keer, d 'k 's Zondagsaovends - as ik gin zin om te kaorten h - evetjes mee m'n fiets op en neer rij. Ik zet m'n fiets on 't station en dan maok ik 'n blkske van den Heuvel over de "mskes-mert" - d is toch de Heuvelstraot is nie? - dur de Nuuwlandstraot en over de Spoorlaon terug. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

 

mskesmrte

werkwoord, zwak

Henk van Rijen -- Heuvelstraatje pikken (waar de jeugd elkaar ontmoette)

 

metaol

zelfstandig naamwoord 

metaal

Goem. METAAL - m?tu:l, zelfstandig naamwoord o.

 

mtje

zelfstandig naamwoord , dim

Henk van Rijen -- matje

 

mtselr

zelfstandig naamwoord  

metselaar

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'metselair' ; 'metselaer'

DANB nze mtselr is z vt as en vreke

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 96) onze mtselr is zo vt as en vreke

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - krt, 84: mtselr

 

-meu

zelfstandig naamwoord  

(achter een voornaam gevoegd) - tante, die zuster is van de moeder 

Cees Robben - zi toen ons Maajke-meu

WNT MEU zie MOEI; 1) Eerst is 'moei' een naam voor de tante die zuster is van de moeder, doch het is daarna ook toegepast op de zuster van de vader, ten slotte op de vrouw van den oom.

 

meude

werkwoord, persoonsvorm.

mag je, mag u

2e pers. enk. + mv. van 'meuge' + encl. pron. (meut + ge)

D meude nie doen.

Meude gllie meej?

Cees Robben En drrom meude hier naa staon (19590912)
Cees Robben - .. en liege meude nt... (19641231)
Cees Robben D meude gerust, Miena... (19840406)

 

meuge

werkwoord, sterk

mogen

D moes nie meuge. - Dat moest niet mogen.

-- meuge - mog - gemeugd;

-- tegenwoordige tijd enkelv. 'ik/hij maag', 'gij meut'

-- Btk+B meuge - mcht - gemeuge ; ik/hij mag, gij meugt

-- BvD imp. mch en niet mog

-- Dialectenqute 1876 - meuge

...want ie zaat al aon z'n vierde borreltje, en meer dan vier moog ie er nie nemen van z'n vrouw... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

Pierre van Beek "Van mekaar meugen ze nie en bij mekaar deugen ze nie!" In zo'n geval hebben we te doen met een echtpaar, dat veel kijft en ruziet over kleinigheden. Dat kan natuurlijk zijn oorzaak vinden in het feit, dat hij of zij een "netek....t" is. Dat betekent een akelig humeurig iemand. (Tilburgse taalplastiek 10 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 8 april 1950)

Cees Robben ...d lve mg... (19590822)

Cees Robben Fleej-week-from mk-k maagdeke zn.. (19651112)

Stadsnieuws -  Akket gevraoge ha, hakket nie gemeuge. (251109)

Henk van Rijen - g meut nie meej - jij mag niet mee

Et is aaltij zo en et zal not aanders worre, wegge nie meugt lkt, lekkerder, schnder en leuker. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Dingen doen diege gelek nie meugt. (Henritte Vunderink, Jong zn, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Samentrekkingen met het onderwerp

B maa'k - mag ik?

Van Beek - "D meugde nie" is: dat mag niet.  (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

... in [een] wkje gelee zaag ik op t bordje van de Tilb. Cursus, hil meewaorig afgedrukt staon: "Niks meude mir". [De Tilburgsche Cursus was een cartooneske rubriek in Groot Tilburg. Het plaatje was steeds hetzelfde: een professor bij een schoolbord; op het schoolbord stond een treffende Tilburgse uitspraak geschreven.] (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Henk van Rijen - Mie, meume meew meej? - Mie, mogen we met je mee?

Henk van Rijen - meens, meumer op? - meneer, mogen wij erop? (b.v. achter op een kar)

Aanvullende bronnen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MEUGEN voor mogen. Dit is geenszins eene verbasterde uitspraak; want, dat men oudtijds zoowel 'meugen' als 'mogen' zeide, getuigt nog heden ten dage 'tegen heug en meug'. Z. a.

ANTW. MEUGEN - mogen; meugen van - verlof hebben van; kunnen eten Biks meujge ww - mogen

Bosch meuge - mogen

WNT MOGEN, gewestelijk MEUGEN

WBD III.3.1:230 'mogen', 'gaarne mogen', 'lijden, goed kunnen zetten staan op' = iemand graag mogen

 

meugelek

bijvoeglijk naamwoord ., bw.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - meu(j)gelek (krt.62)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Antw. MEUGELIJK en MEUGENTLIJK bvw, bw. - mogelijk, Fr. possible, peut-tre

 

meugelekhei, -hd

zelfstandig naamwoord 

mogelijkheid

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- meugelijkhei

 

mk-

voorvoegsel

pruts-

Cees Robben - 'Nog aaltij mieke-muik-wrik' - nog steeds prutswerk

WNT MEUKEN, muiken -(Beide vormen hebben een overvloed aan betekenissen. )

 

mke

werkwoord, zwak

WBD (III.2.1:375) 'meuken' = fruit in een donkere, koele, soms geheime bergplaats leggen om het rijp te laten worden

WBD III.1.4:345 'meuken' = zwoegen

 

mkele

werkwoord, zwak

aanrommelen, onhandig bezig zijn

- mkele - mkelde - gemkeld

- Steeds lange

R Zit nie z te mkele. Houw tch p meej oe gemkel.

Cees Robben Ze muikelt en koetert in t rond (19700102)

Mar ge mkelt mar w aon... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Sneuw)

t'is unne taotolf die zit te miemkele... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Henk van Rijen - zde onderhaand tne meej d mkele? - ben je stilaan uitgestunteld?

WBD III.1.2:18 -muikelen' = mompelend heen en weer draaien; ook: koeteren

WBD III.1.2:96 'muikelen' = morsen (ook: 'dabben')

WBD III.1.4:372 'meukelen' = verkeerd handelen

WBD III.4.4: 89 'muikelen' = geluid van naderend onweer

ANTW. MEEKELEN - veel geweld doen om aardappelen of iets anders met spade of riek in den grond te krijgen. - Langzaam vorderen aan iets: Ge moet u wa'meer spoeien, ge meekelt den eenen tijd aan den anderen.

ANTW. MRKELEN, MRKEN - pruttelen, knorren, zijne ontevredenheid laten blijken

Jag. MUICHELEN frequentatief van MUIKEN, dat naar zijn oorsprong betekent: iets ter sluik of heimelijk verrichten. Z. a.

WBD III.4.4:321 ' bemuikelen' = bevuilen

 

mkelwfke

zelfstandig naamwoord 

vies, onooglijk vrouwtje

 

mkend(e)

bijvoeglijk naamwoord  

Henk van Rijen -- 'mkende kaort' - kaarten die tijdens het spel nog goed moeten worden

 

ml, mltje

zelfstandig naamwoord 

muil

WBD III.4.2:32 'muil' - bek; ook genoemd: 'bakkes', 'bek', 'kweek' WBD III.1.3:245 'muil' = muiltje

 

meule

zelfstandig naamwoord  

molen; fig. mond

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Dialectenqute 1876 - den mulderszoon is op den meule

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  As et waait, draaien alle meules (Pierre van Beek -- -Tilburgse Taalplastiek 1972) - reactie tegen iemand die alsmaar bezwaren maakt in de geest van 'ja maar, als ...'

Die wven, derre meulen stond ginne genblik stil... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD vurmeule (Hasselt) - voorploeg (het losse, tweewielige voorste deel van de ploeg)

WBD 'dur de meule draaje' - worstvlees en -vet kleinmaken, ook genoemd 'durdraaje'

WBD ntkiemingsmeule - moutpoetsmachine (apparaat waarmee het geeste graan van kiemen en onzuiverheden werd ontdaan, in de brouwerij)

WBD schrootmeule - moutmolen (in de brouwerij)

WBD standerdmeule - standerdmolen

WBD schrmeule, haspelmeule (II:994) - scheerraam, grote haspel; ook: schrraom, schirraom of schrkron genoemd

WBD wndneule ('wntmujl?') (II:l027) - windmolen: windmeulen

WBD (II:2814) 'meujle' - voorstel v.e. samengestelde kar

ANTW. MEULEN zelfstandig naamwoord m. - molen, Fr.moulin; fig.de tanden, het gebit

Hees meule (IV:22)

WNT MOLEN, daarnaast MEULEN

 

Meulennd
toponiem
Het Moleneind gebied in de Heikant
Cees Robben t Was ieveraans in t Meule-end... (19560609)
 

Meulescht
toponiem
Molenschot buurtschap bij Tilburg
Cees Robben Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... (19540508)
 

meuleprd

zelfstandig naamwoord 

struise vrouw; letterlijk: molenpaard

- Dus ik zg, 'Tieske, as gij meej d meuleprd wilt traawe, zllef wete.'  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

- Bosch - meuleprd - molenpaard; vrouw van lompe, grote gestalte

- Biks - meuleprd zelfstandig naamwoord  - molenpaard; grof gebouwde vrouw

- Verhoeven - MOLENPAARD (meuleprd) v - 1.paard dat de molen in beweging houdt; 2. zwoeger; 3. grof gebouwde vrouw.

- S&S MEULE(N)PRD: struisch, stevig vrouwmensch, Corn.Vervl. A.1898. Metaforisch gebruik van molenpaard. Het woord is zeer gewoon voor een vrouw v. lompe, grote gestalte.

- WNT - van toepassing op eene vrouw van lompe, groote gestalte. 

 

meulestller

zelfstandig naamwoord 

assortimentsteller

WBD meulestller (II:938) - assortimentsteller

Anoniem 1959
De meulesteller was unne neetoor,
die Nillus wel 'n bietje zocht,
Om dettie bij hum, gin sigaore
of 'n rulleke pruimtebak kocht.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

 

meulevt

zelfstandig naamwoord 

molenvet

WBD meulevt (II:938) - afval uit assortiment

 

mrt

werkwoord, persoonsvorm

Dirk Boutkan (1996) - stinkt (2e + 3e pers. sing.)

WNT MOOR (II) ook nog bekend in den vorm MOER; onstaan uit modere (MOER IV) - veengrond, moeras. Alleen in Z-Ned.

MOREN - door de modder loopen, er in wroeten, verg. MUIEREN

 

ms, mske

zelfstandig naamwoord

muis

   

Illustraties: Rolf Janssen

MP gez. En ms heej meer dan en hlleke. (Het is altijd gemakkelijk over meer dan n mogelijkheid te kunnen beschikken.)

MP gez. Twee vrouwen i n en hs zn as twee katte meej en ms.

Van Beek - Van muizen kunnen geen ratten komen, of: Van ratten kunnen geen muizen komen. Daar draai ik m'n hand niet voor om. -- Dat gaat als vanzelf. - Daar behoef ik geen moeite voor te doen. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Anoniem 1959
De buikriem wier strakker aongetrokke,
aaltij zwaorder wier de laast,
De muize kreege traonen in dur ooge
of lage dood vur de kaast.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

Cees Robben - ... meej de mze van ns haand ...

Cees Robben - as de meze bij mn p zulder zo knap waaren as gij;

Dialectenqute 1876 - muizen en roate (meestal: muis en roate) (ui = eu van Meuse fr. )

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  tis mzemeelis (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1968) - het is muizenmelis = armoe troef (vgl. musemele' = fijn meel. Het woord betekent misschien: afknaagsel v.e. muis

Bijnamenboek Karel de Beer - de ms = frater Euphratius, frater Hungero (blz. 101)

Der zaat en mske in mene tn,/ zon kln grs spitseg ding. (Henritte Vunderink, Et mske, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD (III.2.1:497) ms of mskat = muizenvanger

WBD (III.1.1:151) 'muis' = muis v.d. hand

M-I het onderste vlezige deel van de duim

Bont zelfstandig naamwoord vr. - muis, kat (die bijzonder goed muist)

 

meut

werkwoord, persoonsvorm

mag, mogen

2e pers. enk.+ mv. van 'meuge' met elisie van de 'g'

Gij meut nie meej.

Tilbrg, dgge zo meut blve

Cees Robben - ge meut de krintjes nie t de mik plleke;

Henk van Rijen - ge meut er nie n dnke - je moet er niet aan denken

 

meute

werkwoord, zwak

PM kletsen, ouwehoeren, 'aawbtte', 'aawmeute'

- meute - meutte - gemeut

Verh. MEUTEN onov.ww - kletsen, gewoonlijk in verbinding met ouw-, vgl. ouwehoeren. Wie het doet, is een 'meut' of 'ouwmeut', wsch. van 'moet' of 'meuj', tante.

Bosch meute - kletsen, ouwehoeren

Als zelfstandig naamwoord: gemeut: Agge meej un half oor meej lsterde nao der gemeut waarde subiet hillemaol op de hogte  meej wetter in de buurt splde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

meutel

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- houtworm

WBD III.4.2:l98 meutel - houtworm, ook genoemd 'houtwormpje' of 'mot'

WBD III.2.1:459 meutel - houtmeel, ook genoemd mlm, lm, vermlmd hout

Stadsnieuws -  D kasje zok niemir in hs ztte, d lopt wg op de meutel (170607)

Biks meujtel zelfstandig naamwoord  - houtworm

 

meutele

werkwoord, zwak

wrikken, spartelen

-- meutele - meutelde - gemeuteld

WBD III.1.2:4 'meutelen' = in beweging komen; ook: beginnen'

WBD III.4.4:89 'meutelen = geluid van naderend onweer

De Wijs -- Eigendiglijk staode daor mar n bietje te meutele. (10-02-1963)
De Wijs -- W ge doet motte goed doen, spkers mee koppe slaon, mar gij ligt te meutele! (17-10-1966)

Cees Robben Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

Stadsnieuws -  Hij zaat meej zene vinger in en gtje van de baank te meutele - te peuteren (150709)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - MEUTELE, meutere - zeuren, pruttelen, peuteren, bouwvallig worden

Bont zw.ww.intr. muitelen, meutelen 1) door de houtworm aangestoken zijn; 2) pruttelen, mopperen.

ANTW. MEUTELEN, MEUTEREN - peuteren, bij kleine brokjes afpikken/afpeuteren. Ge zit altijd in oe' tanden te meutelen. - Werken, allerlei werk verrichten. Ik heb den heelen dag gemeuterd. Hees. meutele (IV:46)+(VII:78)

WNT MEUTELEN, meuteren - l) pruttelen, zeuren; 2) in Brabant ongeveer: aan iets peuteren, zeurig werk doen.

 

meuw, muwke

zelfstandig naamwoord

meeuw

Dirk Boutkan (1996) - (blz. 24) 'mw' = meuw

Bont zelfstandig naamwoord vr. - meeuw

 

mze

werkwoord, zwak

muizen

WBD (III.2.1:506) mze = muizen, ook jaoge genoemd

 

mzekeutel

zelfstandig naamwoord

muizekeutel

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  'ds aander koore', zi de mlder, n hij bet in ene mzekeutel (Pierre van Beek --  TT '70)

 

meuzelke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

WBD III.2.3:127 'meuzeltje' = klein stukje vlees of kaas

 

mzetrf

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- muizentarwe (vergif voor muizen)

 

meziek

zelfstandig naamwoord

muziek, ook: de harmonie, en dan ook onzijdig gebruikt (zie Kees & Bart, hieronder)

WNT vrouwelijk, vroeger, en thans nog in de volkstaal, ook in Z.-N., onzijdig.

Met gereduceerde vocaal; echter 'muziekaol' (K+B)

R.J. 'schndere meziek'

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 't muziek

- Toneelspul, zang, meziek en daans; advertentie voor de Korvelse Revue Vruuger en naa, 1926.

Cees Robben Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... (19540508)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - in de aoola hier van, van et hs, dan was ok zon, zon  hrmenieke van die aaw manne die ok ammel bij de meziek gewist waare vruuger n naa meej de aaw manne bij mekaare gebleeve zn n dan geeve ze hier f daor zon, zon konsrtje, hEt Hrmenieke noeme ze derge, hDs leuk! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mar nt as vruuger van Orfeejus (Orpheus) ok, die hadde en schon, en btegewoon goej harmenie n die spulden in et Wilhelminapark, ginge ze sondagsmiddags, spulde ze dan en meziekske, h. En nt as op den Heuvel op de kiejsk ok aldaor heej vruuger ok ene kiejsk gestaon die muziek gaaf. Krvel presies inder! Klik hier om dit bestand te beluisteren

- MnlW. in het Wvla 'muzijk', o., evenals ook nu en dan in het Ndl. Krtr. Musique [me'zik / ma'zek] zelfstandig naamwoord o.

- Bont mezik, zelfstandig naamwoord  o. - muziek, meerstemmige muziek.

- Goem. MUZIEK - mezi:k zelfstandig naamwoord o., soms ook mazi:k

- ANTW. MUZIEK zelfstandig naamwoord o. en niet v.

- Hopp. MEZIEK: het woord is onzijdig; 'n folkgroep heet hier 't meziek.

- Leuv. MEZIEK: onzijdig

- Goem. idem

- Eekl. meziek, het

- DeBo MUZIJK (wvl.MUZIIK en niet muziek) is v. in de woordenb, maar o. t'onzent

- Bild. muzijk - v., doch o.in den zin v.'t zang- of speelgeluid.

 

mezuutje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

madeliefje, meizoetje

► maajbluumke

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "mezuutje - dubbelbloemig weibloempje"

Henk van Rijen -- 'mjzuutje' - madeliefje (Bellis perennis)

Heuk. Mezuutjes (Vlaamsche naam) - Bellis perennis L. - Madeliefje

 

middag

zelfstandig naamwoord

middag

Henk van Rijen - op de middag - in de middag

 

middageete

zelfstandig naamwoord

middageten

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: Warme maaltijd op de middag, meestal bestaande uit vlees of vis, aardappelen en groenten.

Waardering voor Tilburg door WBD: frequent.

 

midde

zelfstandig naamwoord

midden in het Tilburgs niet onzijdig maar mannelijk

Interview met de heer De Kok (1978)  As en vrouw, as en vrouw, as en vrouw ene klne kreg dan ginge ze em meej drieje ginge ze em ngeeve! n dan mog ik in de midde lope want et was ene klne van mn.  KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  midden dur den hrd gaon (De'59) - verwaand zijn

dur de midde - middendoor, in tween, doormidden

 

middehaand

zelfstandig naamwoord  

WBD het middendeel van een paard, ook genoemd 'middelhaand' of 'lf' (Hass.) of 'midderib' (ook Hasselts)

 

middel-

midden- (in composities)

WBD (III.3.3:23) middelschip of middenschip = middenschip; middelgang of breeje gang = middengang c.q. middenpad

 

middelek

bijwoord

onmiddellijk

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Toen d febriek afgebraand is hbbe zem (Cees van Arendonk) middelek teege de grond n gespootejjaods afgebraand daorop de Krvelsewg. Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

middeleuws

bijvoeglijk naamwoord /bw

middeleeuws

of beter: middeluws?

 

middelgang
zelfstandig naamwoord
middengang, middenpad in een kerk
Cees Robben - ...in de baank vlak bij de middelgang (19641231)
 

middelsn, middelsne

Ill.: Tijs Dorenbosch

zelfstandig naamwoord

medicijn(en)

De Wijs  -- (Moeder met kinderwagen tegen moeder met kinderwagen) Dan mok wir naor t consolatie bero en zak wel wir aandere middelezijn krge (23-10-1963)

"Er is mar n middelcijn," zee oome Teun, "ge moet ze [de vrouwen] van 't begien aaf onder oewen duim haawen... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; NTC 20-1-1940)
...en hij [de huisarts] hee-t-er m'ne man deurgebraocht zonder appeteker en zonder middelcijne!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den jongen dokter; feuilleton in 3 afl. in de NTC 22-4-1939 8-5-1939)
...d-d-is nog de beste middecijn! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Cees Robben - ... En dan krgt ie wir aandere middelesntjes... (19640228)

Cees Robben Vruuger zaag ik blauw van de snevel (...) en naa vort van de middelsne... (19820730)

Ge klopt mar iedren dag en aai/ Zeejtie toen teege Miete,/ n daor motte as middesin/ ene scheut kejak bij giete (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D hai liever)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor din ze zogezeej in e zg et es gauw ints..ts..tsgdvernondejuudie gebrkte ze zogezeej vur e vur middelsne, vur ten n taander gebrke (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels)
middels 11 Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Nou weet ik tch gdverdomme nie wlk febriek d d was. .. Was d bij den Organon?.. Bij den Organon j!! Presies, daor wasset j, daor wiere die ammel zogezeej vur middelsne gebrkt. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En dan () had ze zon blaos bezije op dieje mond zitte, dan was die, die middelsne n et wrreke gewist f zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

Stadsnieuws -  Vruuger zaag ik blauw van de sneevel, n na vort van de middelesne. (070410)

WBD III.1.2:406 'medicijn' = medicijn

Bont zelfstandig naamwoord mv. - medicijnen (in het bijz. drankjes)

Cees Robben - Prent van de week 30-05-1986

 

middelstand - middelstaand

zelfstandig naamwoord 

middenstand

Goem. MIDDENSTAND - midelstand

 

middelstander - middelstaander

zelfstandig naamwoord

middenstander

Bij ons Taantida zaag et er k veul deftiger t dan bij ons, gin matten maar vaaste vloerbedekking. Ons Taantida waar dan k enne middelstander volgens ons moeder. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

midvr

zelfstandig naamwoord

middenvoor; in het voetbalelftal

...of midveur van Velocitas... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg heeget nodeg)

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home

mie

zelfstandig naamwoord  

V vrouw in het kaartspel; geit

schuppemie - schoppenvrouw

schuppemie - bep. spel dat ermee eindigt dat een der spelers met schoppenvrouw blijft zitten

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  et erp hbben as den bk op mieje (Kn'50.) - er zo belust op zijn als de bok op geiten

Bont mi.i, zelfstandig naamwoord (eigennaam) Mie, Marie; verkleinde vorm Mieke(n); Bij het kaartspel is de miej een benaming voor de vrouw (waarnaast vaker: de vraauw).

Bosch mie - sullige vrouw

WNT MIE - gemeenzame vorm voor Maria, Marie

 

mie-karm

zelfstandig naamwoord 

Frans Verbunt -  halfvasten

WBD (III.3.3:228) 'mi-carme' = halfvastenzondag

- van Fr. mi-carme

 

Mieke

zelfstandig naamwoord 

verkleinwoord van de naam 'Mie'

WBD mieke, 'mieke mieke', 'gijt', 'gt' - roepwoorden voor de geit WBD mieke, 'mieneke mieneke' - vleiwoorden voor de geit

mieke-mk treuzeltrien

ANTW. MIEKEN zelfstandig naamwoord o., MIEKEGEIT v. - geit in de kindertaal

 

miekemk

zelfstandig naamwoord; de etymologie is niet vastgesteld

Henk van Rijen -- droomster

Henk van Rijen -- 'W z de tch un miekemk!

- Wat ben je toch een droomster

 

miekemkwrek
zelfstandig naamwoord
prutswerk;
Cees Robben t is wir mieke-muik-wrik, Wimke... Ge hetter wir meej oew pet naor gegooid... (19770909)
Cees Robben Nog aaltij mieke-muik-wrik, Wout... (19860725)

De Wijs -- Ds mieke-muk werk (knoeiwerk). Ge gooit ut veur zn kont. (10-01-1970)

 

mie ketoen, mieketoen

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen -- boerendans

Muziek van de Mie Ketoen, zoals gespeeld door het Tilburgse duo straatmuzikanten Mie Fiedel en dere meens. Uit: Rolf Janssen, 'We hebben gezongen en niks gehad'; 1984

 

mielietr

zelfstandig naamwoord

zware geweven stof om uniformen van te vervaardigen

Audioregistratie 1978 -- mar as ge dan die goedere hd, ik zal zgge mielietr, duffel, hil d zwaore goed Toen ginge ze vort de uuriene van de mnse, ginge ze ooveral ophaole die vroeger toenzk noeme ze et, war, d ginge ze toen daor bij verplaatse om et boeltje ng dicht te krijge. (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

 

mieljeuw

zelfstandig naamwoord

milieu

Mar naa zgge ze van mieljeuw n hiegiejeene. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

miemaaw

zelfstandig naamwoord

GG zeur

GG nr die miemaawe moete niemir lstere

 

miemaawe

werkwoord, zwak

R leuteren

 

miemkel

zelfstandig naamwoord

onhandig iemand, stoethaspel

 

mienejoo

naam van een schapenras

mogelijk bedoelt de spreker in het volgende audiofragment het schapenras merino

Interview Hermans - 1978 - De fijnste wolle die koome t de Mienejoo schaap t Frankrijk n Itaalieje. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

mieneke

zelfstandig naamwoord  

letterlijk mientje; de etymologie is onduidelijk; Robben gebruikt het woord voor een geit
Cees Robben t mieneke van Jantje Ram/ Moes op gezette tijje/ Vur de vuruitgang naor t Laor.../ Want daor stond vruuger kaant en klaor/ Den bok... der kontereije... (19610929)

 

mienoors mieniem
eigennaam; verwijzing naar de kloosterorde Ordo Fratrum Minorum Capucinorum, ofwel de in Tilburg zeer bekende kapucijnen, de minderbroeders capucijnen
Cees Robben - ...paoter Bernardus / minores miniem... (19570706)
 

mientje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Van de eigennaam Mien

Nicolaas Daamen - Handschrift 1916 - "'t is zoo'n mientje (onnoozel meisje)"; "'t is mar 'n mientje (kleedje of mogelijk rokje)"

d

 

mier hbbe

werkwoordelijke uitdrukking

ergens een hekel aan heben

Aan glad gebuunde zeil of perketvloeren hk innen mier, as innen Isralliet aon spek. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

Mierd

zelfstandig naamwoordeigennaam

Hooge en Lage Mierde

ook: 'de Mierde'

 

miere

werkwoord, zwak

vervelend doen; klieren

- miere - mierde - gemierd

- Lange ie handhaaft zich

Lig nie te miere! - Verveel niet zo!

Van Delft - Iemand, die allerhande karweitjes uitvoert zonder dat men weet, wat het allemaal is, wordt toegevoegd: "W zdde toch aon 't mieren?" "De zieke stumper lag te mieren in z'n bed." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 118; 8 juni 1929)

Cees Robben Gullie miert, maauwt en moppert (19860523)

WBD III.1.4:271 'mieren' = aanhoudend klagen

- "De zieke stumper lag te mieren in z'n bed." (A.J.A.C. van Delft; uit: de rubriek Van vroeger dagen # 118: Naar beschaafder spraak, Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 8 juni 1929)

Stadsnieuws -  Lig nie zo te miere, man, soodemieter aanders mar op.' (110207)

WNT: Mieren II onpers. in de zin van 'jeuken';

Mieren III in de zin van: aan iets peuteren, peuterwerk doen; in Z. -N.: mikken, op iets turen, loeren.

Biks miere ww - zeuren

 

miereaajkes
zelfstandig naamwoord, meervoud, verkleinwoord van miereaaj
miereneitjes; vaak gebruikt als onderdeel van het voedsel voor zangvogels; in feite geen eitjes maar de reeds verpopte larve van de bosmier; het verzamelen ervan is tegenwoordig verboden.
Cees Robben n half ons miereaaikes vur mn veugeltjes... (19860117)

 

miert

zelfstandig naamwoord

1. stellaria media = vogelmuur

WBD III.4.3: 276 - De vogelmuur (Stellaria media) is een klein onkruidje, dat bijna het gehele jaar bloeit, op alle mogelijke plaatsen
voorkomt en zeer algemeen is.

Daamen Handschrift 1916: "miert - plantje dat hier menigvuldig voorkomt"
WBD III.4.3:277 - mier: freq. Tilb. en Oostnoordbr., ook in Breda, Gilze-Rijen, Baarle-Nassau, Lith, Huisseling, Mill, Beugen en Wanroij.
WBD III.4.3:277 - miert: freq. Kempenl. en in het midden van het Tilb., ook in Kaatsheuvel.

2. Myosoton aquaticum, ook Malachium aquaticum = watermuur

WBD III.4.3:277 - De WATERMUUR (Myosoton aquaticum of Malachium aquaticum) heet in Tilburg miert. Het is verwant aan
vogelmuur, maar groeit alleen op vochtige plaatsen.

Henk van Rijen -- watermuur (Malachium aquaticum)

3. Anagallis arvensis = gewoon guichelheil

WBD III.4.3:315 roje miert - guichelheil (Anagallis arvensis) - Het guichelheil (Anagallis arvensis) is een 5 tot 40 cm lage plant met liggende stengels dat tapijten vormt. De bladeren zijn eivormig en ongesteeld en groeien tegenoverstaand. De rode of vleeskleurige bloemen groeien in de bladoksels en hebben vijf kroonblaadjes. De bloemen zijn alleen bij zonnig weer in de voormiddag geopend. De
bloeitijd duurt van mei tot september. Guichelheil groeit op bouwland, in moestuinen en grazige duinterreinen.
4. Sedum acre = muurpeper


WBD III.4.3:365 mier, ook genoemd: vtkrd of peeperplantje - De muurpeper (Sedum acre) is een klein zodevormend vetplantje van 5 tot
15 cm groot. De stengels zijn kruipend en kort. De lichtgroene bladeren zijn kort en bolrond, staan dicht opeen en bedekken elkaar dakpansgewijs. De bloeiende stengels verschijnen in juni en juli en groeien rechtop; de stervormige bloemen zijn geel en hebben vijf
kroonblaadjes.

5. Stellaria media Cyrillo = sterremuur

Zie 1

Heukels - MIER - Stellaria media Cyrillo muur, ten oosten van Tilburg

 

Mies Blaons
Eigennaam, merknaam
Miss Blanche. Sigarettenmerk dat zeer populair was.
Cees Robben Mies Blaons van t Meule-end... (19560609) [De prent gaat over een witte mol die door een kat werd gevangen. De witte mol werd opgezet en volgens Robben in een museum getoond.]

 

mieter
verkorting van soodemieter; bastaardvloek
Cees Robben As de mieter naor boven... want gij brengt er het brekspul in... (19640619)

 

miezre

1. zelfstandig naamwoord

ellende, droefenis, treurnis

uit Frans: misre

Kenderpraot, - ik heur 't zo geere!

Babbelen uit 'ne kendermond

maokt me los van veul mizeere... (Piet Heerkens; uit: De Mus, Kenderpraot, 1939)

ochheere, wn misre (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Mijn irste broek, 1941)

Mar wij as knder wiese van/ gin zrregen n miezre... (Henritte Vunderink; Vruuger; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Zij knne ng gin zrrege, gin miezre. (Henritte Vunderink, Jong zn, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

2. werkwoord, zwak

alleen als term in het kaartspel (rikken)

miezjr - speelwijze waarbij de speler meent te kunnen voorkomen dat hij een slag haalt.

oope miezjr - idem, met de kaarten open op tafel

oope miezjr meej en prtje - de tegenspelers mogen overleggen, dit laatste noemen natnekken ook wel 'misre ouvert consultative' (Tilburgse scheurkalender 28 aug. 2007)

WTT - (ik) miezr;  ik speel en ga geen enkele slag halen; de speler heeft zeer lage kaarten. Als hij zelfverzekerd is, biedt de speler 'oope miezr', waarbij hij zijn kaarten op tafel legt; de drie tegenspelers mogen echter niet overleggen hoe zij hun kaarten gaan uitspelen om de bieder er alsnog 'in te spelen'. De hoogste vorm van lage kaarten hebben, is het bod 'oope miezr meej en prtje': de tegenspelers mogen overleggen.

Cees Robben En opa riep/ Dan naa of nt... miesre.!!/ Heel hendig wier t spel gespuld,/ Hij ztter eene haole...!!! (19710102) [De laatste regel uiteraard gezien vanuit opas tegenstanders.]

Frans Verbunt: meej aoze kunde nie maoze = met azen kun je geen 'misere' spelen

Af en toe wiert er ne kaod, omd zenne maot der neffen braoide of omdettie meej de liste slag der nog in misrde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Cees Robben - Prent van de week - 2 januari 1971

Vrouke miezre

Hoofdfiguur een een populair volksgedicht van Guido Gezelle. Vooral als voordracht bij feesten en partijen geliefd.

Ik kos reedelek vurdraogen al zeg ik etzelf dus vroeg ik et woord vur Vrouwke Misre. Ik heb der sukses meej gehad, elke verjaordag as hullie taante Toos kwaam, waar et: Lodewijk draogde gij Vrouwke Misre nog ens veur, d vn ik zo schon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

KLIK HIER voor de versie van Pater Piet Heerkens op CuBra

 

miezere

werkwoord, zwak

motregenen, miezelen

Zt naa hil den dag blve miezere! - Zou het nou de hele dag blijven

motregenen!

WBD III.4.4:65 'miezeren' = lichtjes regenen

- miezere - miezerde - gemiezerd

Korte ie

WNT: miezelen: zacht, dun regenen; verwant met 'mist'

 

miezereg

bijvoeglijk naamwoord

druilerig (v.h. weer)

WBD III.4.4:39 'miezerig weer' = wisselvallig weer

Bont bijvoeglijk naamwoord  miezerig 1) regenachtig, druilerig (v.h. weer, ) 2) iezegrimmig: Wa heesse toch e miezerig gezicht!'

WNT MIEZERIG - druilerig of ook slechtgehumeurd, stuursch. Het woord beteekent ook: onwelvarend, ziekelijk ... z. a.

ANTW. MIEZER, te ANTW. MIEZERIG bvw. - bedrukt, treurig, ziekelijk. Hij zag er zoo miezer uit. Ze kan zoo miezerig zien.

 

miezezon

zelfstandig naamwoord

demi-saison, demi, lichte jas; zowel in voorjaar als najaar draagbaar; echter ook voor dameskleding in gebruik.

- Uit het Frans: demi-saison; met procope van als lidwoord opgevatte beginsyllabe > WTT-2013 - dat wil zeggen: bij 'demi' is het deel 'de' opgevat als het lidwoord 'de'; alsof er stond: 'de misaison' > miesezon > miezezon

Cees Robben Ik docht ik laot mn koo-ver-kooke mar is uit en ik trek mee dees weer mn miezezonneke mar is aon... (19740322)

Cees Robben - den pronten staand van geenekaant/ Die haauwe vaast mee haand en taand../ en draogen nog meej eere.../ d'n missieson.. d'n sjetten sok/ 't flenelleke.. d'n baaijen rok/ al is 't ok nie te keere.... (Prent van de week 6-7-1957)

Cees Robben - Prent van de week 22-3-1974

Ed Schilders - We droege gin boezeroen mir, mar missiezonnekes. n palletoo n kooverkookes. D waar amml vur ooverdaags. (W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD III.1.3:33 'demi-saison' = lichte herenoverjas; ook: 'demi'

Debrabandere - miezezon, mieterson, zn.: herenoverjas. Verhaspeling van Fr. demi-saison lichte overjas voor voor- of najaar. (Brabants etymologisch woordenboek, 2010)

 

 

Tilburgsche Courant - 26-10-1879

Demi-saison - advertentie uit Nieuwe Tilburgsche Courant 1895

► Dossier Miezezon / demi-saison

Het einde van de miezezon

 

Uit een artikel in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 25-3-1936

mik

zelfstandig naamwoord

verkleinwoord: mikske

brood, tarwebrood, melkbrood, waterbrood; brood waarvan tarwebloem het voornaamste meelbestanddeel is; en waarin zemelen met het blote oog niet waarneembaar zijn. (Koninklijk besluit 4 juni 1998)

WBD III.2.3:186 'mik = wittebrood; ook 'witte mik' of 'wit mikje' -- Brood van fijn gebuild tarwemeel waar alle zemelen uit verwijderd zijn.

Piet Heerkens - Den aawe Teurlings wiste de taoffel aaf mee 'nen
slip van z'ne kiel, sloeg de kat naor den aanderen hoek van de kaomer en smeet et brood en de mik in de kaast.
► voor bruinbrood zie brod

► voor melkbrood zie mlkmik

► rggebrod

WNT: Etymologisch zal 'mik' wel verwant zijn met fr. 'miche', doch men kent dit verband niet . . .

WTT-2012: De etymologie is sindsdien (WNT) duidelijker geworden. Rey - Dictionnaire historique de la langue franaise - geeft onder lemma MICHE: 'est issu (1172-1190) du latin populaire "micca, forme renforce de mica parcelle, miette.'

Schilderij van Gerrit Heda (detail) - Stilleven met witbrood - 17e eeuw

NTC - 11-2-1921

1. witbrood

Hier zn twee mikke. Mar ik lus gin mik. - Hier zijn twee wittebroden; maar wittebrood lust ik niet.

MP, R Van brod wrde grot, van mik wrde dik;

ene mikken btteram - een boterham van wittebrood

gez. dikke mik - dik in orde

gez. dikke mik meej zuure zult - heel dik in orde

Kubke Kladder - 1930 -- Swels Toontje, na een pruim tabak uit Tiesten tabaksbuil achter zijn kaken te hebben gewerkt, de voornaamste gebeurtenissen uit zijn zwerversleven zat te vertellen, zorgde Kee voor de boterhams. Er verscheen op de tafel een halve boerenmik en 'n stuk gekookte kinnebaksham, waar iemand 'ne moord voor doen zou. Toontje genoot al zichtbaar van deze voorbereidselen alleen. Toen de goeie boerin nog een tas dampende koffie ingeschonken en mee 'ne punt van d'ren blauwen schort 'ne tip van de tafel schoongeveegd had, zei ze voldaan: "Ziezoo Toontje, ge kunt aan den slag," en ze voegde er lachend bij: "as ge nie genog hed wittet mar te zeggen!"... Toontje was niet te lui om aan te vatten en ie begos z'n eigen goed te doen. Bree sneen as schoenzolen van maat achtenveertig rispte-n-ie van den mik. (Pierre van Beek; Kubke Kladder; column in de Nieuwe Tilburgsche Courant 1930)

Daor was er eens 'nen boeremik,

'nen boeremik mee krente

van drie en dartig cente,

en de mik waar lang en dik.

En de boeremik laag dik en lang,

al donkerbruin van bove,

te bakken in den ove,

mee 'n kleurken op z'n wang.

(Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Van de luien bekker, 1938)

Cees Robben - Gin brod, gin mik, en kaoj wf; krintjes t de mik plleke;

...zis man moes worre tgezakt/ drie sneekes mik, vier dikke rogge/ meej en flitterke gehakt (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

Dan snee ze [moeder] irst de witte mik/ En 't kuntje daorvan d krg ik / De smaok daorvan vergeet ik nt/ Nao alle daoge roggebrood. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

Ik haol wir vorsgebakke mik/ Bij onzen gen bekker/ Want toen die mee vekaansie/ Was 't nergeraans z lekker. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)
Ik zt gaon missen, et eten van die grte sneeje mik meej reuzel. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ze lieten twee blikskes corned bief aachter en zonne vierkaante witte mik, bij ons waar et brod aaltij langwerpig. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Piet van beers -- Ik haaw nie zo van mik./ Ge kunt er slcht van poepe./ Mar."wit" meej vrse aardbeie/ daor kunde me vur roepe. (CuBra 2008)
WBD III.2.3:186 'mik = wittebrood; ook 'witte mik' of 'wit mikje' -- Brood van fijn gebuild tarwemeel waar alle zemelen uit verwijderd zijn. - wit mikje (wit mikske): Tilburg.

WNT MIK (I) Thans in allerlei streken de naam voor brood van tarwe of van roggebloem (soms ook van grof meel)

WBD III.2.3:192 'ronde mik' - rond wittebrood;

WBD III.2.3:188 'mik' = tarwebrood

WBD III.2.3:193 'mik' = langwerpig wittebrood

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MIK. Deze soort van brood wordt hier veel gebakken, zoowel van tarwe als van rogge. Z.a. (o.a. mikkenbrood)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MIK; een soort van brood uit bloem van roggemeel en zomtijds uit tarwemeel gebakken.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  et klpt as twaalf aajer meej nen mikken btteram (v3 Tilburgse Taalplastiek 1970)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ch rm stversmikske, w hdde tch wneg krm (D16) - ...wat stel je toch weinig voor.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  meej de Paose krge me mik p mik n ks dertusse (D'16) - uit de tijd toen wittebrood, 'mik', nog luxe was.

►mikke vink

2. putgalg, vorkvormige vertakking

WBD - putgalg (naast de put staande gaffelvormige paal met putzwengel)

- deel v.e. boom waar de stam zich in tween splitst

Pierre van Beek -- "Dat komt uit als spurrie met n mikske () Voor een niet-Tilburger is deze uitdrukking ongetwijfeld met duisternis omhangen. "Spurrie", dat als voeder voor het vee door de boeren op de akker verbouwd wordt, kent men nog wel, maar met dat "mikske" wordt het al wat moeilijker. Dit is het verkleinwoord van "mik". En hieronder verstaan wij in onze streken (behalve een wittebrood) ook een "gaffel". "Gaffel" heeft ook de betekenis van hooivork maar die wordt hier niet bedoeld, al houdt ook deze benaming toch wel verband met onze "mik". Een "mik" dan duidt een vorm aan van een Griekse ie, dus Y. Men treft deze o.a. veel aan in houtgewassen, daar waar takken of stammen zich in V-vorm splitsen. Nu schijnt het een eigenschap van spurrie te zijn, dat deze zich ook V-vormig vertakt. Als dit gebeurt, wordt voldaan aan een voorwaarde, waaraan spurrie behoort te voldoen. Dan is de zaak in orde. Dan "klopt" ze dus. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950)

WBD III.4.3:53 mik - splitsing v.e. stam; ook vork of gaffel genoemd

WBD III.3.2:130) mikske = stokje dat aan n kant in twee uiteinden uitloopt, waarmee kinderen vogelnestjes uithalen

►putmik

3. stuit, achterwerk, kont, kruis van het menselijk lichaam

WBD III.1.1:135 'mik' = kruis (mik)

Stadsnieuws -  Bij et voetballe wier ie ontiegelek teege zene mik geschupt. (040307)

4. de voorgaande samen

Verh. MIK m - 1. wittebrood; 2. plaats waar aan een boom een zijtak groeit; 3. kruis, plaats waar de benen beginnen: toe z'ne mik toe.

Bont zelfstandig naamwoord  m. - l) 'ene mik (= weg) bouter'; 2) wittebrood

Antw. MIK zelfstandig naamwoord m+v. - gaffelvormig hout. 'Nen boom m' 'ne mik.

MIK zelfstandig naamwoord v. - brood van tarwebloem, wit brood

MIK zelfstandig naamwoord v. en m. -bij kleerm.: kruis der broek

Biks mik zelfstandig naamwoord  - mik; witbrood, gaffelvormige boomtak, plaats waar de dijen bij elkaar komen

Bosch mik - wittebrood; gevorkte tak; kruis

 

mikhrst

zelfstandig naamwoord  

Pierre van Beek --  iemand die niet goed ter been is; = 'ssestaawer'

 

mikke vink

zelfstandig naamwoord

bepaald soort feestelijk brood

A.J.A.C. van Delft -- Zoo hadde bevoorbild mikke vinken. Nou ziede die niemeer, net zo min as unne mik mee vinken. () Mikke vinken waren kleine broodjes op een stokje van brooddeeg gebakken met soms een paar oogjes van krenten er in en een kippeveertje als staartje. Die werden gestoken in een, liefst ronde, roggemik, die met Sinterklaas op tafel prijkte: dat was de mik mee vinken.(Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

 

milledie, milledieke

zelfstandig naamwoord

melodie

R-J. 'ik ken 'n milledieke'

Cees Robben - 'melodieke'

 

Milstraot

toponiem

Meelstraat

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Toen wonde wij ng in de Milstraot (Meelstraat), zo lang is d geleeje j, ik hb driejenvirteg jaor in etzllefde hs gewond in de Ballingstraot Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

min

bijvoeglijk naamwoord

klein, jong

Interview Jolen - 1978 -  Hil men lve geroktsiegaare Jao, mar toenk ng zo min was rokte ik nie veul siegaare, het gebeurde f zo, mar siegrtte nie, die hk not gerokt!. (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

minneke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

WBD vrouwelijk jong van een geit

WBD mieneke mieneke - vleiwoorden voor een geit

WBD (III.2.1:492) minneke, minneke poes = benaming v.e. kat

minneke = roepnaam v.d. kat

ANTW. MINNEKE(N) zelfstandig naamwoord o., MINNEKEPOES v.- naam dien men aan eene kat geeft

Bosch. minneke - de min, de baker

 

minnekes

bijvoeglijk naamwoord

't stond er zoo minnekes bij (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WBD III.1.1:25 'minnekes' = zwak; ook 'min'

 

minnebroeder

zelfstandig naamwoord

minderbroeder (kloosterorde)

Cees Robben Toen we nog vreeje waarde unne echte minnebroeder... Naa zdevrt unne kruisheer... (19641231)
WTT - De uitdrukking (bij Robben) is een woordspel met de twee kloosterorden minderbroeders en kruisheren. Minderbroeders zijn franciscanen (Ordo Fratrum Minorum, O.F.M.), volgelingen van Franciscus van Assisi; naastenliefde kenmerkt hun streven. Kruisheren behoren tot de Orde van het Heilig Kruis (Latijn: Ordo Sanctae Crucis, OSC); de uitdrukking is uiteraard ook gebaseerd op de uitdrukking dat iets of iemand 'een kruis', een last, is; vergelijk 'ieder huisje heeft zijn kruisje'.

Noord en Zuid, jrg. 7, 1884, p. 148 Zoo heet ook de minderbroeder (minoriet of Franciscaner monnik) in 't mnl. nog minrebroeder, en zelfs nog bij Hooft, Henrik de Grote (uitg. 1626; bl. 146). Verkeerde opvatting van 't woord heeft de assimilatie van nr tot nn in de hand gewerkt en den vorm minnebroeder doen ontstaan.

1929 -- Van Delft - "Zoolang ze vrijen, zijn het minnebroeders, doch getrouwd worden het kruisheeren." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

1964 -- Pierre van Beek -- Ja, hoe gaat het eigenlijk met die mannen: "Zolang ze vrijen zijn het minnebroeders, getrouwd worden het kruisheren". (Tilburgse Taalplastiek afl. 15; Nieuwsblad van het Zuiden, 21-10-1964)

1969 -- Cees Robben - Prent van de week, 4 april 1969:

WTT 2012 -- De uitdrukking is een woordspel met de twee kloosterorden minderbroeders en kruisheren. Minderbroeders zijn franciscanen (Ordo Fratrum Minorum, O.F.M.), volgelingen van Franciscus van Assisi; naastenliefde kenmerkt hun streven. Kruisheren behoren tot de Orde van het Heilig Kruis (Latijn: Ordo Sanctae Crucis, OSC); de uitdrukking is uiteraard ook gebaseerd op de uitdrukking dat iets of iemand 'een kruis', een last, is; vergelijk 'ieder huisje heeft zijn kruisje'.

► zie voogel voor een vergelijkbare uitdrukking

 

mir

bijwoord, telwoord

meer

Cees Robben - Dan knd oewge nie mir trug; ik krg niks mir;

Cees Robben - D heej meej staand niks mir te maoke; nieveraans mir te vne;

WvM 'da'k nie mir kos ophouwe'

 

mis

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) mest, stalmest, ook 'mist' genoemd

Van Delft - - "We hebben dan tegelijk veul mis voor ons eirepullaand, want huskemis deugt nie daorveur." "D witte, war?"(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD misflt - mestkuil, ook 'misflt' genoemd

WBD miskl - idem

WBD (Hasselt:) koejmis - koemest

WBD (Hasselt:) prsmis - paardemest

WBD (Korvel:) misse - mesten

WBD mishaok - mesthaak

mesthaak, ca. 1870 - uit: Rijke oogst van schrale grond, tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991

WBD misstik - meststik

WBD (Korvel:) mis rije - mest naar de akker brengen

WBD (Hasselt:) mis aftrkke - mest van de kar trekken

WBD (Hasselt:) mishupke - mesthoopje (op de akker liggend hoopje mest)

WBD (Hasselt:) mis brjke - mest verspreiden

WBD III.4.1:54 mis - vogelmest, ook 'vogeltjespoep' genoemd

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - mis, mes - mest (holl., utr., brab., oosten)

Verh. MIS v. - mest: z'n mis hoo:g draoge - lange benen hebben.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mis (krt.56); mis + mist (blz.143)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Antw. MIS, MES zelfstandig naamwoord o. - mest, Fr. engrais, fumier

Biks mis zelfstandig naamwoord  - mest

GD06 n dan n de liste mis nrt kefeej

 

mis

zelfstandig naamwoord 

mis (r.k. kerkdienst)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  hij gao de liste mis afzgge (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd van iemand wiens broek te laag hangt

Cees Robben [Priester:] Moet ik de Prefatie zingen, kster..? [Koster] N, paoter, t is vandaog n stille mis... We zingen aleen mar w mpkes... (19810619)

Cees Robben Mee n miske beklonken. (19791130)

Frans Verbunt -  et schiet nie op, et lkent wl en mis meej drie heere

Frans Verbunt -  de pestoor doe ok gin twee misse vur en gld

WBD (III.3.3:117+) vruugmis, vissersmiske, liste mis, geleeze mis, stil miske, hogmis, gezonge mis, zingende mis, Latijnse mis, sweekse mis, kndermis, schoolmis, rouwmis, dojemis

 

 

broodmessen met handgreep en armsteun - uit: Rijke oogst van schrale grond, tentoonstellingscatalogus Noordbrabants Museum, 1991

 

mis, miske

zelfstandig naamwoord

mes

(Limmoe mizzis) = Leen mij je mes even. Lin moe mis es (fonologische weergave van: lin men oew mis es)

- vlijmend scherpe missen... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Laaster, 1941)

- Missen en scheeresliep!

Was er daor iemand die-t-er mijn riep? (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Scheeresliep, 1938)

- R.J. 'en ik wet m'n meske al op m'ne schoen'

- Cees Robben En t mis gevat (19600624)
- Cees Robben Legt oew mis en oew verket/ op oew bordje... (19611221)
- Cees Robben Rits-rats.. dittie meej zn mis (19660429)
- Cees Robben Den dokter [chirurg] moes twee keer zn mis aonwitte.. (19670317)

- Ge krgt men mis vur zeuve knikkers en ne proem! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

- Elie van Schilt - want vur det brd gesneien wier, mokte de moeder mee ut mis drie kruyskus op ut brd. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

- Piet van Beers Wkkraantfist: Mar....alles w ik kreeg vurgezet, aat ik meej ene leepel, en mis, of ene verkt. (Het zeventiende boekje, 2010)

- Ik weet ng goed dsse p 'n gegeeve moment mene maot Grtje van rp pgelaoie han. Hij waar ngehauwe vur verbje waopenbezit, want hij ha 'n mis in zene rug.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

WBD pmis - ploegschaar, ook genoemd (Hasselt) 'ploegmis'

WBD ploegmis (Hasselt) - ploegmes

WBD rsmis - kouter

WBD spits mske - bepaald slachtersmes(nl. om de runderhuid door te snijden)

WBD splitms - slachtersmes waarmee men de huid losmaakt v.h. runderlijf

WBD splitsms - slachtersmes, aan beide zijden scherp, om slachtvee te doden

WBD steekmis - bepaald slachtersmes; deegmes (v.d. bakker)

WBD vlderms - slachtersmes met spitse punt om de runderhuis door te snijden:

WBD vilmis - bep. slachtersmes

WBD beschtmis - beschuitmes (om beschuitbollen doormidden te snijden)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  in Tilburg steeke de misse boove de daksparren t (Sn'34) - vroeger werd er in Tilburg veel gevochten

WBD rietmes (II:1015) - rietmes: plat metalen voorwerp voor het inrijgen van de rietkam

WBD mis (II:1061) - mes; ook 'ms'

WBD (II:2922) 'paolmes'- paalmes (in de klompenmakerij)

(II:2922) 'krammes'- krammes (in de klompenmakerij)

 

misdiender - misdienr

Schilderij: Gino Severini - 'Betrapt' (1904)

zelfstandig naamwoord

misdienaar

De Wijs -- Stao ik in de weg? -N, waant ik z misdienr gewist (17-10-1972) [Ik kan goed uit de voeten in een kleine ruimte]

Elie van Schilt - kender van unne metselr, draoimaoker of duvelr, die wieren gin misdienr. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

Op et altaar stao de priester meej un paor misdienrs (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

De misdienrs, ochrm de mennekes, ze moese meej blote haande die misbelle laote rinkele. De pestoor ha handschoenen aon, die jungskes nie. Ze stonden der bij te janken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD (III.3.3:158) misdiender = misdienaar

 

misflt

zelfstandig naamwoord 

WBD mesthoop op het erf, ook 'misthop' genoemd

WBD mestkuil (vaak omlijst door een laag stenen muurtje), ook 'misflt' of 'miskl' genoemd

WBD misflt - mestkuil, ook 'misflt' genoemd

WBD miskl - idem

 

mishaok

zelfstandig naamwoord 

WBD mesthaak (gereedschap om de mest uit de stal of van de kar te trekken)

ANTW. MISHAAK, MESHAAK, MESTHAAK zelfstandig naamwoord m. - drietandige omgebogen haak om het mest uit den stal of van de kar te trekken.

Biks mishaok zelfstandig naamwoord  - tweetandige vork

 

mishop, -hupke

zelfstandig naamwoord 

mesthoop

Henk van Rijen -- mesthoop, rommeltje troep; 'mishoop'

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'mishoop' = vuilnisbelt,

ANTW. MISHOOP, MESHOOP zelfstandig naamwoord m.

- mesthoop, Fr. tas de fumier

 

mishupke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

WBD (Hasselt) mesthoopje (op het land)

 

Misjenaaresstraot

toponiem

Missionarisstraat

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Koske van de Wouw  wonde op de hoek van de Misjenaaresstraot in d kefeejke daor! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

miske

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

mesje

Henk van Rijen -- miske steeke (spel): een mes vanaf diverse lichaamsdelen in de grond werpen.

 

misse (miste)

werkwoord, zwak

WBD (Korvel) mesten

- misse - miste - gemist

Van Delft - - "As we dan goed misten, dan haolen we een vat van de roei, de zetters en verrekeseirepul nie meegerekend, nee alleen een vat eeters", zoo keuvelde een Hasseltsche huiswever(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Goed dek giestere gemist heb.T'is vandaog zo mistig! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

misselek

bijvoeglijk naamwoord 

PM onzeker, nog een vraag

Hoe laot ie tskmt, ds misselek!

Hoeveul er in de pt zit, ds misselek!

Biks misselek bijvoeglijk naamwoord  - misselijk

WNT MISSELIJK 5) Onzeker, hachelijk, thans verouderd. Bij deze bet. denkt men onwillekeurig aan het ww missen; een woordje 'misselijk', daarv.inderdaad afgeleid, bestaat in W-Vl, in de zin v. kunnende gemist worden, ontbeerlijk

Verh. MISSELIJK bijvoeglijk naamwoord  - moeilijk te raden. Als bv. gevraagd werd wat iemand wel aan bezit of inkomen had en het antwoord luidde 'ds misselijk', betekende dit dat het bedrag zeker niet laag zou zijn. ANTW. MISSELIJK bvw. - met 'n persoon als onderw.: moeilijk, lastig v. karakter, knorrig, gemelijk: 'ne misselijke meens'; ook: woest, baldadig; driftig, oploopend; onpasselijk; met zaak als onderw.: onaangenaam, allendig

Hft. MISSELIJK voor misnoegd, te onvrede; b.v. misselijk over iets zijn.

Kil  - morosus, difficilis

 

missiekiendje

zelfstandig naamwoord

Elie van Schilt - Dun pastoor en ok dun fabrikaant zagen ut liefst un huyshouwe mee un stuk of aacht jong, ut mgen ur ok gerust meer zn, mar det w nie zeggen det iedern zun gen daor aon hield. Durum kwamen Cappesienen of Paoters aaf en toe donderpreken houwen, ze noemde die weken dan un missieweek. De meesen waoren daor dan z van verschoten, veul din ut dan wir z as ut moes. Dus nie mee ut kruyske de kerk uyt of daogen tellen. Wier ur dan negen maonden laoter un kiendje geboren, dan was ut un missiekiendje. Dus z'n kiendje had zun lven te danken aon ut katteliek zn van zun ouwelui. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

 

missezin

zelfstandig naamwoord 

smoesje

Henk van Rijen - ds ng ene schone missezin - dat is nog eens een mooi smoesje!

 

missieson
zelfstandig naamwoord
kledingstuk, demi, lichte jas; zowel in voorjaar als najaar draagbaar; ook voor dameskleding in gebruik; uit Frans: demi-saison
Cees Robben Dn missieson (19570706)
►miezezon
 

misstik

zelfstandig naamwoord

WBD meststik (gereedschap voor opeengeperste mest)

 

mist, mis(se)

zelfstandig naamwoord

WBD mest, stalmest, ook genoemd (Hasselt:) 'mis'

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Veur 't mis.

WBD mistkalf - mestkalf

WBD mistvrk - mestriek

WBD mistkr - mestkar

WBD mist laoje - mest laden

WBD (Hasselt) kunsmis - kunstmest

gez. Henk van Rijen - zlang rpel ztten as ge mist ht - volhouden zolang je kunt

Henk van Rijen - in dieje mist ziede dieje mist nie - in die mist zie je die mest niet

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mis (krt.56); mis + mist (blz. 143)

 

mist, miste

● bijwoord
het meest; overtreffende trap van veul; vergrotende trap = meer
Cees Robben En naa treft mn wel t mist... (19550806)
Cees Robben Wij schudden ons mlderkes mist uit de heg (...) of vonge ze rond de lantre op straot... (19570525)
Cees Robben Wie heej naa zn gen/ t Mist laoten paaien...? (19580524)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  wie et miste heej, strft et nojst (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970)

Henk van Rijen - nr de miste van de liste fiste is ie meej gewist
● tegenwoordige tijd van misse, missen & ● tegenwoordige tijd van miste, mesten:
Cees Robben t Staoter z mar schraol bij.. J, wie nie mist, mist t mist... (19800711) [Wie niet mest, mist het meest...; en daarom staat het gewas er maar schraal bij]
● zelfstandig naamwoord
mest
Cees Robben En pruufde van dn mist (19611229)
 

mistal

bijwoord

meestal

R.J. ns moeder zaat mistal te spinne

Cees Robben As gem iets vraogt gift ie mistal gin sjoegel.. (19650416) Cees Robben As gem iets vraogt gift ie mistal gin sjoegel.. (19650416)
Cees Robben En boven deze soeppot hong (...) Mistal n locht van smr (19701016)
Cees Robben Mistal drek (19780630)

Jos Naaijkens - Wl vr 19.00 uur belle. Ze leej mistal vruug in bd. (Jos Naaijkens; Mnne ceeveej; CuBra)

Piet van Beers Frietkot: Op Zondag hk mistal gin zin om te kooke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

miste

werkwoord, zwak

mesten

Cees Robben Mn haande vol blne van t kreugeltje douwe... van t misten en spaoje (19570309)

Lechim - Akt aachteraaf bekke moet/ vierde we Krsmes vruuger goed./ Meej en knntje, zlf gemist/ ha hil et hshaawe grot fist. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krsmes vruuger...)

Piet van Beers Van veul heure zgge: Ik hb wel es heure zgge,/ d hij, die 't miste, mist./ De grotste rpel tstikt/ Ds aaltij zo gewist. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

 

mistegetije

bijwoord

meestentijds, meesttijds, meestal

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'meestegetijje' (bis)

Stadsnieuws -  Hij heej mistegetije ng gin td om rusteg zenen botram te eete (191108)

 

mistent()ds

bijwoord

Henk van Rijen -- 'mistent()ts' - meestal, meestentijds

GD07 mistentds zitter en vrouw in de spreekkaomer...

- met adverbiale 's'

 

mistentij

bijwoord

meestal

De barones laag mistentij op et bed... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

 

mister

zelfstandig naamwoord 

meester, schoolmeester, onderwijzer

Cees Robben - ..Mister, ge mot er op td w aaikes onder lgge... (19680628)
Cees Robben [Onderwijzer tegen leerling] Gij Pietje.. de drie trappen [van vergelijking] van sterk.. ..strik, mister.. onnut strik en t prd van Jantje Groenen, mister... (19700821)
Cees Robben D weet ik, mister... (19840106)

Henk van Rijen - w zal de mister ene sldder beure! - wat zal de m. veel verdienen!

WvM 'De m van de mister, die leert oew zoo veul'

Bijnamenboek Karel de Beer - de mister = Jos Eras (blz. 38)

Bijnamenboek Karel de Beer - de meester = Eduard van Spaendonck (blz. 73)

WBD III.3.1:450 'mister', meester, hoofdmeester, hoofd = schoolhoofd Stadsnieuws -  In Tilbrg waare hil w misters die ot fraater han wille wrre (130906),

Biks mister zelfstandig naamwoord  - meester, onderwijzer

 

mistere
werkwoord, zwak
Meesteren, dat wil zeggen naar de dokter gaan; vergelijk heelmeester.
- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Want mistere kost iet, d beloof ik.
 

misterkncht

zelfstandig naamwoord

meesterknecht

Interview met de heer De Kok (1978) Jaa jaa jaa jaa jaa ik hb er tweejendrteg jaor meesterknecht, noemde ze d toen. Baas, h. Mar d was vruuger, dan zin ze mar "o, d was ene misterkncht, h腔

Interview met de heer De Kok (1978) Ik kreg bericht dttek dan n dan om, om twaalf uur moes koome bij Riche op den Heuvel, h! Daor was de misterkncht van de fabriek, h! Van en Duitse firma! (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

Foto: Henri Berssenbrugge - Regionaal Archief Tilburg

misthop

zelfstandig naamwoord 

Frans Verbunt -  mesthoop, puinhoop

Elie van Schilt - Aachter in onze tuin, laag net as bij iedern de misthp, daor laag van alles, de mist uit de konijnehokken, rpelschellen, afval van gruunte, sjuust en ok dieje misthp had ok zunnen eigen stank. Stonk ie te hard, dan wieren er un paor schoepen zaand overgegooid en dan stonk alln de zijkaant nog.

Piet van Beers Herfst 1982: As ge bij de strontboer, unne misthop besteld ht. (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

 

mistkalf

zelfstandig naamwoord 

WBD mestkalf

 

mistkr

zelfstandig naamwoord 

WBD mestkar

 

mistkeever

zelfstandig naamwoord

mestkever

WBD III 4.2:175 lemma Mestkever - Mestkever is de algemene naam voor een familie van kevers die van mest leven; de bekendste twee soorten zijn de grote zwarte mestkever (Geotrupes stercorarius, ongeveer 2 cm) die vooral op de hei voorkomt en z'n nest volpropt met mest en de kleine veldmestkever (Aphodius fimetarius, 5-8 mm), een klein algemeen voorkomend kevertje met een oranjebruin schild en een zwart borststukje dat leeft op en van halfdroge paarden- en koeienmest.
strontkever frequent in Tilburg
mestkever frequent in Tilburg
strontmulder midden van Tilburg maar zeldzaam
strontbeest - Tilburg
stronthommel Tilburg

Geotrupes stercorarius - Wikipedia

Aphodius fimetarius - Wikipedia

 

mistvrk

zelfstandig naamwoord 

WBD mestriek, ook genoemd 'riek'

 

miszeej
voltooid deelwoord van ►miszgge
iets verkeerds zeggen, tegenspreken
Cees Robben Hij h dn baos nt iets miszaaj... (19600701)
 

miszgge

werkwoord, sterk

GG verkeerde dingen zeggen, de mond voorbij praten

 

miszin

persoonsvorm van ►miszgge

Henk van Rijen -- miszeiden

Henk van Rijen -- 'missin ik w?' - Zei ik iets verkeerds?

Cees Robben - mar ze miszin gin woord

WNT MISZEGGEN - l) iets zeggen dat verkeerd, onjuist, ongepast is; 2) iemand iets beleedigends zeggen

 

mitje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

meetje

 

mitjesteeke

werkwoord, sterk

GG kinderspel: landje veroveren

mitje goje - spel: met centen gooien

mitje steeke - spel: landje veroveren

...en dan was 't hil den dag mitje steke. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Van Beek - En "mitje stke", een spelletje om centen, was vroeger bij politieverordening verboden. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Interview Hermans - 1978 - Toen din ze niks as mitje steeke, war, n stintje kltse! Der konde kln n der konde grote meej doen mar et ging aatij om de snte n d waare mist grote, die hn meer snte as de kln mar ze moge dan tch wl ene keer van hullieje vadder meej doen!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren
Interview Hermans - 1978 - Dan ztte ze op de wg, want d was vruuger ammel zaand, zo en streep, d was hier en dwarsstreep n d was in de midde en huudje op. Dan gingde daor vier meeter vendn staonkwaamde op de streep, war, dan waare die snte van jouwaarde die in diejen hoed ene, dan mogde er ene veur bztte die vur de meet dieter nie opgekoome was . (transcriptie Hans Hessels, 2013)
► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Interview Jolen - 1978 - mitjesteekesnt () meej sntemar meej, meej de ge vf, d witte nie zeeker hmeej de ge vfmj de ge vf, d noemde ze zo h n stintje kltse? (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- en hakdlle en stintje kltse, stltlope n mitje steeke (transcriptie Hans Hessels 2014)Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Mitje steeke -- Zon plavs laag  er dan op de grond n dr leeje ze dan snten op, h. Mar dan moeste in de vrte gn staon n dan hadde van die zere bllekes n dr wier dan geschoote n wie dan et krtste bij zon plevs laag die mog dan irst, h! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Audioregistratie 1978 - n mitje steeke! Mitje steeken, h! D was ok meej snte. Dan hdde we en streep getrokke in de grond meej zon kln hkske der boovenop n dan gingde zo op enen afstand van en meeter f drie n dan meej zonne snt! n wie daor op die meet kwaam f wie dt krste bij n wie daorin kwaam kreg alles! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Van Delft - Iets soortgelijks was het meetje steken. Hierbij ontbrak de steen en de ijzeren bol, zoowel als de "proem" of "merpel". (Deze laatste zijn een plaatselijke benaming voor een stuiter van steen of glas.) Men "stak" (wierp) met centen naar een half ovale lijn, waarboven nog een klein vierkantje in het zand geteekend was. Wie het dichtst bij de streep lagen, wonnen het geld, waarmee geworpen was, en wie in het vierkantje kwam, was de voornaamste winner. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 9 maart 1929)

De kleen brakke zen in dun hof ont mitje steke ! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Kiesde gij bij ut "Mitje steke" "Obburus" of "Munt" ? (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Cees Robben - mitje steeke meej schfkes (blikken bovenstukken v. garenpijpen)

Biks mitjesteejke ww- meetje steken

Ok midjesteken wier veul gedaon. Ge moest dan perberen van un bepaolde afstand centen in enne getkende hoed op de grond te gooien. As oe d lukte, mochte alle centen, die er omhene lagen, hebben. Wij deeje daor nie aon meej want wij han gin centen, et blf bij kke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD (III.3.2:206) mitjesteeke = meetje steken

Hees mitsesteke (II:53)

ANTW. MEET (zachte e) zelfstandig naamwoord v. - geteekende schreef, waar men den voet of de hand moet houden om het spel te beginnen. MEETJE SCHIETEN - een spel waarbij de jongens met geldstukken werpen naar eene op den grond getrokken schreef.

 

mddekevl

zelfstandig naamwoord 

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "mddekevuil - smerig, vuil meisje"

WNT MODDE - moddeke - Scheldnaam voor eene vrouw, inzonderheid - naar het schijnt - voor een vuil, lomp en onhandig vrouwmensch.

Hft. MODDE, moddeken, wordt hier, in de straattaal, wel gebruikt voor een vuil, slordig, vrouwspersoon. Z. a.

 

mdden

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:74 'modden, modderen' = overhoophalen

 

moeder, moejer, moederke

zelfstandig naamwoord 

moeder

Cees Robben n moederke vol stil geluk...... (19540213)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  zen ge moeder nie gekoozen hbbe (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd als er kritiek komt op de mening, c.q. het gedrag van de moeder.

WBD III.2.2: 66 'moeder' = idem, ook 'ons moeder'

echtgenote

Interview Hermans - 1978 - d was en dwltocht, war, toed we ts kwaame n dan laagen ons ogen al en bietje boovenop n dan kwaame we ts n dan viele we in de bdsteej oover ons moeder heen omd ge zat waart!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren
Interview Hermans - 1978 - ge had nie veul snte, ge kost nie veul nlgge n mnne kastelein, assie oe knde dan pofte ie wl mar as ons moeder t bd komt n ge had daor ng w staon, dan kregde ng ruuzie d moet in bd wir goed gemkt wrre hahahahaha hahaha..zo ist immel!. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
► KLIK HIER om het interview te beluisteren
 

moedermeej(n)sallen

bijwoord

moederziel alleen

Verh. moejermiesallee:n - moederziel alleen

ANTW. MOEDERMENS(CH)ALLEEN en MOEDERZIEL-ALLEEN bw - gans alleen

 

moefele

werkwoord, zwak

moffelen, verbergen

Henk van Rijen - iets wegmoefele - doen verdwijnen

- moefele - moefelde - gemoefeld

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MOFFELEN voor verbergen. Het is zeer goed woord, komende van 'moffel', 'mof', eigenlijk iets dat bedekt, wordende 'Moffel' in het Hoogd. ook genaamd zekere soort van ketel, door de scheikundigen gebruikt wordende. In het Fransch zijn 'mouffles' wanten of handschoenen van welke de vingers niet van elkander gescheiden zijn. Z. a.

WNT MOFFELEN 2) iets behendig in zijn moffel wegstoppen

 

moefelr

zelfstandig naamwoord 

moffelaar

1974 - Van verbergen gesproken: In dit verband kennen we het woord "moefelr". Dat is iemand, die iets stiekum verbergt, ongemerkt wegpikt of iets laat verdwijnen. We hebben hier te maken met "wegmoffelen", wat ons doet denken aan de "mof", een accessoire van dames uit het begin van deze eeuw, dat meestal uit bont bestond en in de winter gedragen werd om beide handen in weg te steken. Toen kloosterlingen nog habijten met wijde mouwen droegen, plachten zij vaak hun handen in die mouwen te steken. Daardoor kregen ze wel
de spotnaam van "moefelr". (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 187, 15-7-1974)
Henk van Rijen -- iemand die iets verbergt

Frans Verbunt -  kloosterling (die zijn handen in zijn wijde mouwen stak)

Stadsnieuws -  Meej dije moefelr moete tkke: hij naajt oe wr ge bij staot (110206)

Typoscript - Archief Pierre van Beek

 

moeje

werkwoord, zwak

bemoeien

- moeje - moejde gemoejd

- korte oe

zenge moeje - zich bemoeien

Waor moejde oewge teegenaon? - Waar bemoei je je mee?

- ... hil de omgeving moeide z'n eigen mee de opvoering (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

- SJAREL. Asse naa nie is hl gaaw gaon publiceere wie die zen, dan zulle wij er ons ge is mee gaon moeie, Karel. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

- Daor ha ene paus, bisschop of pestoor zen ge niemer tegenn te moeie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Ik zg, 'Moeide gij oewge nreges tegenaon, verrekten drpsnor!'  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- WBD III.1.4:106 'moeial', 'bemoeial' = snotneus

- Bont zw.wederk.ww, moeien - zich bemoeien met

- Bosch moeie - bemoeien

- WNT MOEIEN zw.ww., bedr. en wederk. z. a. II

 

moejzker, zkmoejer

zelfstandig naamwoord 

PM mier

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "moierzaike - mieren" zie ook "zkmjer"

Verh MOEIZEIKER (moeizker) m - mier; ook: zeikmoeier. 

ANTW. MUURZEIKER zelfstandig naamwoord m.- mier, Fr. fourmi; in de Kempen: moerzeik, v.

MOERZEIKER zelfstandig naamwoord m. = moerzeik

 

moeljnnie
zelfstandig naamwoord

machine waarop het garen gesponnen wordt voordat het bij het weven gebruikt kan worden; in de tweede helft van de 19de eeuw vervangen door de 'self actor' ►salfak

naar de Engelse naam: 'mule jenny'

Gerard van Leijborgh - Het garen kregen we op zgn. tuiten, soms ook op strengen, er waren toen nog geen blikken pijpen en het garen werd dus zoo maar op de spil van de selfading (#) of moeljenie * gesponnen en daarvan gewoon afgetrokken. Dit garen werd dan door ons op het scheerijzer" gezet en vandaar in gangen op het scheerraam, gedraaid, totdat we de juiste hoogte van de ketting kregen".
* Moeljenie mule-jennij [sic] de voorlooper van de selfading (#), eene Engelsche uitvinding, genaamd naar den uitvinder.
(De laatste Tilburgsche huiswever 2, Nieuwe Tilburgsche Courant, 9-11-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)
# WTT selfading het is niet duidelijk of het een Tilburgs bastaardwoord betreft dan wel een fout van de schrijver of de zetter. Bedoeld moet zijn: self actor, in het Tilburgs genoemd salfak. Deze machine was de opvolger van de mule jenny. Daarover had Van Leijborgh, pseudoniem van Lambert de Wijs, al eerder geschreven: Onze oude Tilburgsche spinners spreken nog met weemoed over de oude muljenies'' die hun wat meer "zweet" gekost hebben dan de moderne "selfactors". (Historische Tips, NTC, 7-4-1926) Wat Van Leijborgh bedoelt met genaamd naar den uitvinder is geheel onduidelijk.
Wikipedia - 2013 - De Mule Jenny (of Spinning Mule) was een spintoestel, uitgevonden rond 1779 in Engeland (...) door Samuel Crompton (...) Voor de uitvinding van de Mule Jenny moest men zich behelpen met het Waterframe, uitgevonden door Richard Arkwright en de Spinning Jenny, uitgevonden door James Hargreaves. Het nadeel aan de Spinning Jenny, die al dateerde van 1764, was dat die enkel fijne breekbare draad kon spinnen, die enkel geschikt was voor de inslag. In 1769 volgde een verbetering met de uitvinding van de Waterframe, die werkte op waterkracht, maar die kon enkel grove, sterke draad spinnen, die geschikt was voor schering. In 1779 ten slotte, werd een combinatie van beide machines ontwikkeld, de Mule Jenny, die zowel sterkere als fijnere draden kon spinnen, nodig voor het weven van puur katoenproducten. Men was niet meer afhankelijk van een linnen ketting(schering). Alles in een ontwikkeling naar een grotere garenproductie om de veel grotere vraag naar weefsels bij te houden. Het duurde nog tot 1780 echter vooraleer spintoestellen aangedreven werden met stoomkracht.

De Mule Jenny, het enige bekende exemplaar dat door de uitvinder Samuel Crompton zelf gebouwd is; collectie Bolton Museum and Archive Service.


Advertentie Nieuwe Tilburgsche Courant 15-10-1899

Advertentie Tilburgsche Courant 19-3-1876

 

moelvchte

werkwoord, sterk

Henk van Rijen -- bekvechten

 

moer

zelfstandig naamwoord 

WBD III.4.2:135 'moer' - bijenkoningin

WBD III.4.4:165 'moer' = zwarte, ondoordringbare aardlaag

WBD III.4.4:166 'moer' = veengrond

 

moeraas

zelfstandig naamwoord 

moeras

 

moerbalk

zelfstandig naamwoord 

WBD ankerbalk (zware dwarsverbinding tussen twee tegenover elkaar geplaatste stijlen; bevordert de stabiliteit van een gebouw)

 

moerbeezie

zelfstandig naamwoord 

Frans Verbunt -  blauwe bosbes

Vaccinium myrtillus

GG blauwe bosbes, moerbei - zie: klkkebaaje

WBD: De blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) is een klein struikje uit de heidefamilie. Het is een bodembedekker in bossen op zure grond met fijn getande, lichtgroene blaadjes, met bleekpaarse bolvormige bloempjes en met blauw bestoven besjes met kenmerkend blauw sap. In Tilburg ook: Klokkebei, Klokkebeien, Sint-jansbezem.
Biks moerbeejzem zelfstandig naamwoord  - blauwe bosbes

 

moerke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van moer = moeder
Cees Robben Goeie moerke (19601118)
 

moes, mos

verleden tijd van ►'moete'

moest

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'wij moesen mar 's zeggen d ...'

Cees Robben - W d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor het oog van het kerkvolk gemaakt werden.]
Cees Robben Swels det ik efkes wochte moes (19590912)
Cees Robben Hij moes zn port hebben... (19650402)
Cees Robben Den dokter [chirurg] moes twee keer zn mis aonwitte.. (19670317)
Cees Robben W waren ze toch ws mee dren irste klne... Hil de reutemeteut moes er op... (19800620)

DANB ik moes ssebloed drinke m n te koome

verleden tijd van 'moete'

Henk van Rijen - ze mossen oe gehad hn - ze hebben je nodig

Henk van Rijen - agger nie meej sohreuwe most, dan moster meej laage

ANTW. MOST - 2e hoofdvorm van 'moeten'

WNT MOETEN - Als verl.tijd heeft het Mnl.naast moeste ook MOST

 

moeskp

zelfstandig naamwoord 

Henk van Rijen -- stroper

WNT MOESKOPPEN (II) l) eig. uit stelen gaan, stroopen, vooral van soldaten - 2) oneig. moorden, doodslaan.

 

-moet

zelfstandig naamwoord 

PM tante, oudtante (wordt achter de eigennaam gezet)

Hannemoet

Verh. -MOET, ook -moei en -meuj (-m:j) achter de naam als aanduiding van oudtante of tante: Miemoet. (zie blz. 64)

Bont zelfstandig naamwoord  vr. 'moet'- tante (achter de voornaam geplaatst)

ANTW. MO?T en MUT zelfstandig naamwoord v - moei, Fr. tante; wordt altijd voorafgegaan door een eigennaam: Trienemut, Annemoet.

WNT MOET = moei, naam voor de tante die zuster is van de moeder...

 

moete, mtte

werkwoord, sterk

moeten

B  m'k - moet ik? mottewe - moeten wij?

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- d mtte gelve (passim 'mtte')

Cees Robben En desseme gadeeseme nog tesse mosse k... (19621005)

B  mtte - ms - gemtte; praes. enk. 'mt', mv 'mtte'

moet; met name naar de wc moeten
Cees Robben En naa zegde onderwege nie .. akkoe naor huis breng , degge wir mot (19870102)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) -  mtte (krt.27)

WBD III.1.4:328 'moeten', 'moet', 'moetje' = verplichting

samentrekkingen met 'moete'

moetem
moet je hem
Cees Robben Dan moetem is in zn hemd zien staon... (19781222)
Cees Robben Moeten daor zien staon te kke... (19640731)
moetet
moet het, of moet je het
Cees Robben Mar k moetet irst nog zien... (19600219)
Cees Robben Dan moetet lepeltje dr uit haole... (19730511)
moetiejer
moet hij er
Cees Robben Dan moetiejer zunne td mar over doen... (19810508)
moettem
moet je hem
Cees Robben Dan moettem overdag k mar de kaans geven (19820924)
 

moezelien

zelfstandig naamwoord -stofnaam (textiel)

moezelien
WBD II.4. p. 879 Los geweven stof van katoen, wol of zijde (genoemd naar de stad Mosoel in Turkije)" J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij mousseline": Zacht en doorzichtig weefsel in effen binding geweven. Effen en bedrukt. Katoen mousseline: ketting en inslag uit zacht
getwist garen. Wol mousseline: zacht getwist kamgaren.Toepassing: dameszomerkleeding."
mousseline: moezelien, K 183 (= Tilburg)
WNT lemma Mousseline 1908 - in de volkstaal ook wel MOEZELIEN , znw. onz. Van fr. mousseline (verg. b.v. DOZY, Oosterl. 68). Benaming van zekere los geweven stoffen, oorpronkelijk van katoen, doch later ook wel van zijde of wol.
Het mousseline of moesselien , ook wel neteldoek geheeten, KUYPER, Technol. 2, 266

 

moffel

zelfstandig naamwoord 

WBD III.4.4:278 'moffel' = mondvol

 

moffelbon

zelfstandig naamwoord

tuinboon

► zie dossier tuinboon

Ill.: Thom - tuinboon, 'knaawbon', 'lapbon', 'boereten', vicia faba L.

Hij gaaf ze spk meej moffelbone/ boerebrod meej en schf zult/ mar ze han liever kwattastrooisel/ goei eete was er n verspuld. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gift ze mar zuut)

Moffelbne die zn te taai/ Peeje vend ze te flauw,/ En ak' oover andievie praot, / Zee'se : Ds kattespauw... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gift ze mar zuut)

Piet van Beers Op dieet: Mar...moffelboone meej 'n papke,/ zn nie te eete zonder spek. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III. 2.3:84 'moffelboon' = tuinboon, ook 'labboon'

WNT MOFFEL (I) 3) Groote boonen heeten in Brabant moffels of moffelboonen.

Bosch moffelbone - tuinbonen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MOFFELBOONEN noemt men hier, in Braband en elders, de zoogenaamde groote boonen, ook boerenboonen geheeten, om derzelver schil waarschijnlijk alzoo genaamd, heerschende in het woord 'moffel' het denkbeeld van iets dat tot bedekking dient . Z.a. (ook genaamd 'moffels' of 'boeren-wanten').

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MOFFELBONEN: Roomsche bonen, Boerenbonen. De boeren zeggen Flodderbonen, op zommige plaatsen Lapbonen.

 

mgske

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

Henk van Rijen -- maagje

WBD III.1.1:193 'maagje' = maag

 

mj

zelfstandig naamwoord 

Henk van Rijen -- moeder

 

mkkel

zelfstandig naamwoord 

meisje, jonge vrouw

- Cees Robben Ik z mee mn mokkel in de Laai wiste dokkele... (19850607)

- Waor kwaame die vrmde mkkeltjes, as die zoone strak gonge vrije, der ge tegen n moeie? (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Onze Co kwaam mistal om un uur of en aon en ons Jaoneke, nie veul laoter. D laag der aon, waor de mokkeltjes wonde, diese naor hs han moete brengen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- Nog 'n prtje gemkt meej 'n paor mkkels, mar die wo'n nie.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- WBD III.2.2:84 'mokkel' = meisje met wie een jongen verkering heeft

- WBD III.2.2:104 'mokkel' = kus

- WNT MOKKEL (I) - daarnaast ook moggel - dik, mollig kind of meisje, ook eene dikke vrouw

 

mkkepaajer

zelfstandig naamwoord 

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "mokkepaaier - slachter van verdacht vee"

WBD niet vermeld

Sch. MOKKEPOOT Het mv. mokkepooten of ook groetjepooten betekent 'vuile handen'. Van mok of mot of modde, wat mottig, morsig of vuil is. Z.a.

 

mksel

zelfstandig naamwoord 

maaksel

 

mkt, mkte

werkwoord, persoonsvorm

maakt

- 2e + 3e pers.enk.tegenwoordige tijd van 'maoke', met vocaalkrimping

Mkt dgget goed mkt. - Zorg dat je het goed maakt.

Cees Robben - Z ge ze mkt, zo hdde ze; en aaw moonika mkt ok meziek;

Cees Robben - mkt gin ngelukke;

Henk van Rijen - hij mkt er nie veul van - hij brengt er niet veel van terecht

DANB de mlkboer mkte ne (sic) grote (sic) toer

 

Kleurenets - Molenaar - W. Witsen - 1910

mlder

zelfstandig naamwoord

Dirk Boutkan (1996) - (blz.21) mlder naast mulder

►malder

Et z nog efkes duren, veur d we naor de mlder moese, om enne zak rog te laote maole. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Verh. MULDER (mlder) m. 1. molenaar; 2. meikever - De metaforische naam van de meikever berust stellig op de meelkleurige stoffering van de bruine schilden. De effen bruine wordt wel 'pastoor' genoemd.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MULDER voor molenaar n meikever. Ik achte het zooveel te zijn als meuler, meulder, van meulen, hetwelk men, zoowel als molen, vindt bij Kiliaan; z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MULDER - molenaar. Ook een kever doorgaans Molenaar genoemd, Z.a.

Antw. MEULDER zelfstandig naamwoord m. - molenaar, mulder, Fr. meunier

MEULDENR, MEULDERTR zelfstandig naamwoord m. - meikever, Fr. hanneton

1. molenaar (maalder)

R Van een moeilijk probleem: D kan allen Gd n de mlder schaaje. - Lt d God n de mlder mar schaaje.

LDM - Waarschijnlijk heeft ieder van ons wel eens het spreekwoord gehoord: Dat zullen we God en de mulder maar laten scheiden, die scheiden zo veel. () Velen zullen de mulder wel eens bezig hebben gezien. Het aangebrachte koren of graan gaat eerst naar boven tussen de maalstenen, het meel hiervan gemalen komt door een gleuf van ca. 25 cm naar beneden. Deze gleuf heeft schuin opstaande wanden van 10 tot 15 cm hoogte en aan het einde is er een plankje, dat in de gleuf past en er bij het scheiden tegen kan worden gezet. De zak waarin het meel wordt opgevangen, hangt open aan die gleuf met twee haakjes. De voorkant van die zak wordt opengehouden door een haakje verbonden aan een touwtje, dat over een katrolletje loopt en waaraan een gewicht is bevestigd.

Toen de boer de zak bracht, was er bijv. 50 kg graan in, dus er zou ook 50 kg meel in moeten komen. Neen, zegt de mulder, want van dat meel verstuift onderweg of blijft kleven aan molenstenen en waar het verder passeert. De mulder staat onder bij de zak en meent op zeker moment dat er genoeg in is. Hij neemt bovengenoemd plankje en zet het tegen de latjes aan het eind der gleuf. Nu loopt er geen meel meer in de zak. De mulder heeft gescheiden, even de zak losgemaakt en op de bascule. Is er te weinig in, dan gaat er een schep bij, andersom een schep er uit. Dat is het scheiden van de mulder en iedereen zal nu het bovenaangehaalde gezegde wel begrijpen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 20 Over mulders en molens; NTC 4-10-1952)

gez. Mlderke, mlderke, tlt oew gld...

Pierre van Beek "D zullen we den duvel en de mulder mar laoten schaaien, die schaaien 't z veul!" waarbij gesuggereerd wordt, dat de molenaar nogal relatie heeft met de duivel. De uitdrukking wordt in het algemeen gebezigd als men bedoelt aan te geven, dat men een zaak maar op haar beloop moet laten - er zich niet in moet verdiepen. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)

Pierre van Beek De molenaars schijnen vroeger bij het volk een niet al te goede reputatie te hebben genoten. Vanwaar anders de uitdrukking: "Als de mulder z'ne Paosen gehouwen heej, is de pastoor deur z'n werk"? Hieruit blijkt, dat men aannam, dat een mulder ieder jaar nogal wat op zijn geweten heeft en daarom zijn Paasbiecht maar liefst tot het laatste moment uitstelt. Die zwaarbezette kerfstok kan hem moeilijk anders zijn toebedeeld, dan dat men hem verdacht van het achterhouden van meel wanneer hij graan te malen kreeg. (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)

Pierre van Beek --  Mlders- n brouwersvrekes zn aaltij et vtst (Tilburgse Taaklplastiek 178; BrH 38:217)

Audioregistratie 1978 - n bij de mlder moes ik ok gn wrke, daor nffen ons b die van Tuurlings n die zin aaltij teege mn: Jaon, ge kunt beeter hier wrke as daor b de mlder! Ik zeg: Wrrom? want daor wrd priema gekokt netuurlek! Daor zien ze hoeveul dgge it, t zon grote schaol ziede d nie! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Kern: den mulderszoon is op den meule

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ds aander koore, zi de mlder, n hij beet in ene mzekeutel (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  as de mlder zene paose gehaawen heej, is de pestoor dur zen wrk (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1964) Molenaars stonden als oneerlijk bekend; ze gingen hun paasbiecht spreken op het allerlaatste moment, nl. op de zaterdag na Pasen.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  ge zt er zeeker ene van de mlder (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1965) - gezegd tegen een kind met wit haar

Cees Robben En ik ken er gin man.. Alleenig nog molder Mathse... (19570525) Cees Robben D laoten we God.. en/ Dn mlder beschaaijen (19580524)

mulder - volksliedjes over de molenaar op CuBra, verzameld door Ben Hartman

2. meikever (Melolontha vulgaris)

melolontha vulgaris

Meikevers vangen - uit: Kroniek van de Kempen

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "mulder - meikever"

...terwijl de mlders om z'ne kop snorden. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
Een van de knechts had enkelde mulders in z'ne zak meegebraocht en zette ze stiekum aachter op 't haor van de meiden. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

As ge hil vruug op waart koste daor nog wel is innen mulder uit schudden... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Mlders zuuke... (titel van de prent van 19570525)
Cees Robben Wij schudden ons mlderkes mist uit de heg (19570525)
Cees Robben Mlderke mlderke tel toch oe geld [uit een kinderliedje; het tellen duidt op de bewegingen die d emeikever met zijn pootjes maakt als hij op zijn rug ligt] (19570525)
Cees Robben Naa hedde daor himmel gin mlderkes mir... (19570525)

Pierre van Beek --  Mlders schudde - meikevers uit een heg schudden Vunderink - langs en waaj vol booterbloeme/ n en hg meej mlders... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Biks - mlder zelfstandig naamwoord  - mulder, molenaar; bep. meikever

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - mulder - meikever (versch. dial.)

Hees mulder, meulenr (I:85) + (VI:54,57)

Str. mulder (1:14)

WBD III 4,2:160 lemma Meikever - De meikever (Melolontha melolontha) wordt 25 mm lang. Het was vroeger een algemeen bekende en onder schoolkinderen populaire middelgrote kever met een licht bruinrood schild, een zwarte kop en borststuk en een witte beharing op de buik, maar hij is nu zeldzamer.
mulder frequent in Midden-noordbrabant
mulderke Tilburg

WBD III 4.2:164 lemma Kleine bruine meikever - Voor kleinere, glimmend bruine meikevers zijn er ook specifieke benamingen in gebruik.
kapucien Tilburg, Goirle, Hilvarenbeek
bakker Tilburg
WBD III 4.2:165 lemma Mannetje van de meikever - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor het mannetje van de meikever. Vele respondenten noemen de grotere voelhorens als een onderscheidend kenmerk.
mulder zeldzaam in Tilburg
koninkske zeldzaam Tilburg
WBD III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn.
mulder Tilburg
mulderke Tilburg
molenaar Tilburg
bakker frequent in Tilburg
bakkerke Tilburg
kapucientje Tilburg, Goirle
manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

 

Piet Brock, uit Vuurstintjes ketsen (1996)

Mlders
In de mond van maaj
vende langs de weg
de bruine mlders
in de buukeheg.

Ge he't z'in soorten:
'nen bkker of kappesien,
'n mnneke of 'n wfke,
d kunde hil goed zien.

Ge bewaort ze in 'n potje
meej 'n buukeblaoike.
En soms maag ie vaastgebonden
vliegen on 'n draoike.

De heggen zn gerooid.
Verkaoveld hil 't veld.
En niemer heurde zingen:
mlderke, mlderke telt oe geld...

Veul van vruuger is verdwenen,
ginne mlder mir te zien,
ginne bekker mir te vne,
zelfs ginne blte-voete kappesien.

 

[blte-voete kappesien] ►kappesien

Rolf Janssen - We hebben gezongen en niks gehad, 1984 - Wanneer de meikevers weer te vinden waren in de buurt van de beukenhagen, werden deze door de kinderen gevangen. Ze werden opgeborgen in een lucifersdoosje met een blaadje sla. Vervolgens bonden de kinderen een draadje garen aan de poten van het dier en begonnen dan te zingen tot hij ging vliegen:

mlderke, mlderke telt oew geld
en gao dan nog s vliegen
 

 

citaten over de mlder - meikever

Cees Robben - rijmprent over mlders, capecientjes en bekkers

De eerste meikever van het jaar in Tilburg - een overzicht uit de kranten

Open Taalkaart Meikever uit de Taalatlas van Nederland

 

Jan Breughel de Oudere - Boeket (en detail)

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► tlle

3.Bijnaam

De Mlder = Kees Teurlings (blz.77) [Tuerlings was een molenaar]

4. merel

WBD III.4.1:80 'malder' = merel, ook 'mulder'

 

mlderblad
zelfstandig naamwoord; beukenblad; geliefd voedsel van de meikever
Cees Robben en n mlderblad toe... (19570525)


mlderbladhg
zelfstandig naamwoord; beukenhaag, waarin de meikever graag verblijft
Cees Robben We gaven ze gruun van de mlder-blad-heg... (19570525)
 

mlk, mllek

zelfstandig naamwoord

melk, maar in het Tilburgs specifiek voor karnemelk in gebruik geweest; gewone melk was ►'rome' of 'romme'.

Audioregistratie 1978 - Bij ons vnte ze rome, rome hiet d, in de straot vnte, n mllek, ds karnemlk (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

MP gez. Ene stver mlk, n nie gebooterd.

WBD mlk, rome, (Hasselt:) rmme - melk

► mulk

1. karnemelk

WBD melk - karnemelk, ook 'karnemelk' genoemd

D16 "mulk - karnemelk"

...aongebraande, geschifte mlkse pap... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ik weet zeker dk overal naor z gaon zuuke mar not van ze lang zal ze lve nie, naor aongebraande, geschifte mlkse pap, zas die bij ons hiete. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
DANB die mlk (verouderd) is dun en zuur;

Dirk Boutkan (1996) - (99) dieje karnemlk..

Biks mlk zelfstandig naamwoord  - karnemelk

Verhoeven - MLK v. - karnemelk: 'n gezicht s mlk een pips en grauw gezicht.

A.A. Weijnen - Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mlk - karnemelk (krt. 91)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Hees - mulk (IV:60)

Dirk Boutkan (1996) - (blz.20) In het woord 'mlk' (melk, karnemelk) vinden we ronding en centralisering, vr 'l'.

►mllekepap

2. kuit; hom

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "mulk - hom van visch, hoofdzakelijk van haring en bokking"

Cees Robben aacht vorse bukkeme, liefst meej mlluk/ En gin zaaiers... (19680405)

WBD III.4.2:79 'mulk' - hom, ook 'hommeke' genoemd

gez. Hij heej veul mlk vlgemkt. - Hij heeft het nogal bont gemaakt, zo erg dat hij het zwarte schaap van de familie is.

►hrring

3. het uitlopen van het zaad van rogge

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "mulk - de rogge laag pursies in z'n mulk toen de vorst kwaam (het zaad was in den grond als melk aan het uitloopen)"

 

mlkaaj

zelfstandig naamwoord 

WBD bebroed onbevrucht ei (van een kip)

Bont zelfstandig naamwoord vr. en o. 'mulkei' - ei zonder kiem.

Biks mlkaaj - ei zonder dooier

 

mlleke

werkwoord, zwak

Henk van Rijen -- melken

 

Ill: Rolf Janssen

mlleke

zelfstandig naamwoord, verkleind

molletje

verkleinwoord van 'ml'

Cees Robben t poeske aaide langs de neus.../ En t mlleke zee: Hik... (19560609)

Cees Robben Ze slaope daor, de drllekes/ In beddekes... as mllekes... (19580531)

Henk van Rijen -- wiegekind, weggestopt in het wiegje

 

mllekepap

zelfstandig naamwoord 

karnemelksepap

Cees Robben Hij hiled vam (...) zuute mlkse pap... (19590919)

Cees Robben mlleke-pap (19611221)
Cees Robben Hoem-pap-hemme...? Mlleke... (19590502)

Audioregistratie 1978 - n ik ha gre mllekepap, ds karnemlk, h, n dan moek d daor haole mar die schpt meej zon schp. D was tweejnnenhalleve snt zon schp (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

- En as besluit vant wrem eete/ un lekker bordje mllekepap Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

WBD III.2.3:137 'melksepap' = karnemelksepap; ook 'botermelksepap'

Bont bnw 'mulken' - van 'mulk', d.i. karnemelk; 'Mlleke pp', karnemelkspap.

Bosch mllekepap - karnemelkse pap

►mlk

 

mllestrt

zelfstandig naamwoord 

WBD III.4.3:57 mllestrt - zijwortel, ook genoemd: knoest, knol, dikkewortel

 

mlletaksie

zelfstandig naamwoord

lijkwagen

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

mllikboer
zelfstandig naamwoord
melkboer
Cees Robben Goeie vaaste mllikboer... (19540821)
 

mlm

zelfstandig naamwoord 

houtmeel

WBD (III.2.1:458) mlm = houtmeel, ook genoemd 'vermolmd hout', 'olm' resp. 'meutel'

 

mlshop

zelfstandig naamwoord 

WBD III.4.2:40 molshoop', ook: mollenhoop

 

mlslaoj

zelfstandig naamwoord

Ill. Thom - molsla - ganzetong - taraxacum officinale

blad van de paardebloem, molsla, 'gaanzetng' (Taraxacum)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "molsloai - jonge scheuten van de ganzenbloem die men in de lente hoofdzakelijk in molshoopen vindt"

WBD III.4.3:287 mlslaoj - bladrozet v.d. paardebloem, ook 'morgenster'

Antw. MOLSALAAD zelfstandig naamwoord m. - Het loof v.d. wilde suikerij, Fr. pissenlit, salade de taupe, Lat. Taraxacum officinale

WNT MOLSLA, molsalade, naam voor de paardenbloem, aldus genoemd omdat het blad, onder de molshoopen groeiende, door gebrek aan licht verbleekt en dan als spijs wordt gebruikt.

 

mlt, mlde

werkwoord, persoonsvorm.

maalt, maalde (van 'maole')

 

mltij

zelfstandig naamwoord 

maaltijd

Henk van Rijen -- 'maoltj, mltj'

Bont zelfstandig naamwoord m. - maaltijd

 

mltje

zelfstandig naamwoord , dim

hoeveelheid voor een maaltijd

Ze plukten in den hf en mltje bontjes. - Ze plukte...

- verkleinde vorm van 'maol', met vocaalkrimping

 

mltje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

Henk van Rijen -- muiltje

 

mond, ►mundje

zelfstandig naamwoord 

mond

WBD ovenmond (opening in de oven waardoor brandstof en brood naar binnen worden geschoven)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  daor spuult ie de mnd nie meej (Kn'50) - daar weet hij niets van

Frans Verbunt -  pas mar op d oewe mond nie eer versleeten is as oew kont (gezegd tegen een praatziek iemand)

 

mnd, mndje

zelfstandig naamwoord 

maand

oover drie mnde - over drie maanden

WBD III.2.2:4 'maand' of 'maandstond' = menstruatie

Cees Robben En na is t list van de maond... en na hek toch de maond wir... (19829716)

 

mndag

zelfstandig naamwoord 

maandag

Tt en mndag. - Tot maandag.

MTW: 'toe un mndag'

Kmde gij en mndag? - Kom jij maandag?

Dialectenqute 1876 - Mondaag - maandag

Frans Verbunt -  beeter en mndags prd as ne mndagse kncht

Henk van Rijen -- mndaggemrege - maandagmorgen

Henk van Rijen -- 'velore mndag' - eerste maandag na Driekoningen (dan werden de jaarrekeningen uitgeschreven en had men geen tijd voor ander werk)

Frans Verbunt -  'den mndag' - gebruik bij kasteleins om hun klanten op maandag een gratis borrel te schenken

Dieje maondaggemrge waar ik om negen uur present (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

mondfie(j)at

bijvoeglijk naamwoord 

welbespraakt

Felix Dndera was wl mndfiejat. - Felix Donders kon goed praten. WBD III.3.1:295 'mondfiat' = welbespraakt

Bont mntfijat, bijvoeglijk naamwoord  - mondfiat, over een flux de bouche beschikkend Biks 'mndfiejat' bijvoeglijk naamwoord  - mondfiat, welsprekend

Bosch mondfiat welbespraakt

+ Den Bosch, Meierij, Gilze Rijen, Made

 

mndje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

maandje

verkleinde vorm van 'mnd' (of van 'maond'; met vocaalkrimping?)

 

mndmrt

zelfstandig naamwoord 

...ik mot 'n Mondag toch nor de mondmert... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)Henk van Rijen -- markt op de eerste maandag van de maand

 

mndschter

zelfstandig naamwoord  

WBD paard dat last heeft van maandelijkse diarree (Hasseltse term)

 

Mondvoltaandelaon

zelfstandig naamwoord eigennaam

Montfortanenlaan

De Wijs -- (gehoord in t Zand: ) Ik geleuf dettie wnt in de Mondvoltaandelaon (Montfortanenlaan) (23-02-1972)

 

monnekske

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

Henk van Rijen -- huismus (Passer domesticus)

 

Schilderij van Giuseppe Magni - 'De eerste dans'  

monnieka, moonieka, monieka

zelfstandig naamwoord

harmonica, mondharmonica, trekharmonica, accordeon

Toen ik vurbij "'t Engeltje" ging kwaam er monnica-muziek uit de half openstonde deur gejoedeld. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

- Van d'ren bijnaom hieten ze de Manke en de Schoeft. De leste spult mondmonika of zingt; de Manke begeleidt 'm dan op de trek-monika, mar ie zingt zelf ook gewoonlijk mee. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.
- ...en toen 't kermis waar, kocht ie veur Arnold 'n monika, nie zoo'n mondharmonika, mar 'nen echten trekrgel. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)

Monika-speulder

 

Ge trekt en sjouwt,

ge douwt en trekt

en et rregelt zuut deur de straote;

ge kekt benauwd

en oe blauwe neus lekt

en ge laot er oe monika praote.

 

Kek, bende getrouwd?

En oe vrouwke trekt

mee ou deur de stille gementen?

Gij douwt en trekt,

zij trekt en sjouwt

n ze schooit er oe schellep vol cente! (Piet Heerkens; Monika-speulder, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

Cees Robben n aauw mnika maokt k neziek; as ge mar speule kunt... (19750912) [uitdrukking om aan te duiden dat ouderdom geen belemmering vormt voor liefde]

CiT (119) 'Kekkis wen kln monica-ke'

Vunderink - Kha liever dsse en mpke spulden/ op en monieka... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Henk van Rijen -- 'monnieka' - harmonika; monniekaspeuler - accordeonist

WBD (III.3.2:335) moonieka - harmonica (ook: trekzak)

WBD (III.3.2:337) mondharmonica, mondmonica = mondharmonica

Bont mo'nika, zelfstandig naamwoord vr. 'monika' - harmonika

Antw. MONICA zelfstandig naamwoord v. - Harmonica, accordeon

Biks 'mnnieka zelfstandig naamwoord  harmonika'

 

Illustratie van Staf Rijckers, in Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

 

monniekaspeuler

zelfstandig naamwoord

Ill.: FM. 1922

Ill. uit: 'We hebben gezongen en niks gehad', Rolf Janssen, 1984

De legendarische Tilburgse straatmuzikant Jan Kortenraij (1869-1936), alias Jan de Kater.

Rolf Janssen - KLIK HIER om een CuBra-PDF te downloaden van het hoofdstuk over Jan de Kater uit 'We hebben gezongen en niks gehad'.

In tegenstelling mee aandere jaoren wanneer we 'n orkestje van de Hermonie hadden, hn we deze keer 'ns twee trekmonnicaspeulers genomen, den Doedel en den Tjoeker. Die krels speulen vur 'n paor gulden d'r vingers blauw as ge mar zorgt d ze volop te drinken hebben, want d 'ne monnica-artiest zonder bier nie speulen kan is zo klaor as 'n klontje. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

Stadsnieuws -  Diejen blnde mooniekaspeuler keek stiekum fdgge wl gld in zen pt gojde

 

monsienjeur

zelfstandig naamwoord

monseigneur

Monsienjeur Deken Sanders... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

monster

zelfstandig naamwoord

monster

WBD mster (II:1041) - doorsnede van een weefsel

 

mnt, mnde

werkwoord, persoonsvorm

maant, maande

- tegenwoordige tijd, resp. verleden tijd van 'Maone', met vocaalkrimping

 

monteleur

zelfstandig naamwoord

monteur in de schoenindustrie

Interview met de heer De Kok (1978) n d was denbij van Aorendonk wassie monteleur gewist, schoenmonteleur, h! (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

mntje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

maantje

WBD III.1.1:160 'maantje' = idem (op de nagel); ook 'half maantje'

- verkleinde vorm van 'maon', met vocaalkrimping

 

moobieliezaasie

zelfstandig naamwoord

mobilisatie; tijdens de Eerste Wereldoorlog

Interview Jolen - 1978 - Ik was in dienst, war, in de moobeliezaasie was d [1914-1918], et irst van de moobeliezaasie n toen hadde we oefening n moeste ammel springe n venalles n hardlope n zo, h (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

mog(e)

werkwoord, persoonsvorm

mocht

- verleden tijd van 'meuge'

Cees Robben - et knd mog nr hs;

Cees Robben - Ik mog vruuger nie leere md we gin gld han;

Dirk Boutkan (1996) - In de verl. tijd variatie tussen: mg- en mcht-

 

mo(g)t

werkwoord, persoonsvorm

Henk van Rijen -- mocht

Henk van Rijen -- 'G mot k wl us w hn! - Jij mocht ook wel eens wat hebben. Dirk Boutkan (1996) - In de verl.tijd variatie tussen: mg- en mcht-

 

mok

zelfstandig naamwoord  

Biks 'mk' zelfstandig naamwoord  - onbepaalde hoeveelheid

WBD maag van een koe

WNT MOOK - In Z. -N. bekend als naam voor de eerste maag van herkauwende dieren, ook wel voor pens of buik in ruimeren zin.

C. Verhoeven - MOOK (moo:k) - m - eerste maag van een koe, maag in het alg., minder eerbiedige aanduiding voor dikke buik. Van iemand die in de oorlog veel clandestien slachtte: z'nen hof wiegelt van de moo:ke.

ANTW. MOOK zelfstandig naamwoord m.(scherpe o) - de eerste maag der herkauwers, Fr. panse

 

Mookerhaaj

toponiem

Mokerheide

Pierre van Beek "op de Mokerhaai mee z'n beentjes te liggen rammelen" ()dan is men "effenaaf" dood. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

 

moolenr

zelfstandig naamwoord

molenaar

WBD III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn.
mulder Tilburg
mulderke Tilburg
molenaar Tilburg
bakker frequent in Tilburg
bakkerke Tilburg
kapucientje Tilburg, Goirle
manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 26, 23-1-1965 Onder die "mlders" (meikevers) kwamen ook "molenaars" voor. Dat waren in de jongenswereld meikevers met een witachtige kleur over de dekvleugels (alsof ze met meel bestoven waren). Daarnaast bestonden er "kappecientjes" (capucijnen). Deze waren diep, mooi bruin van kleur en zagen er met hun "baard" en glad kopje... - en met een beetje fantasie! - ook inderdaad als een capucijn uit.

 

mooluk

zelfstandig naamwoord

VB onbestaande vogel (waarmee o.a. kinderen bang gemaakt werden)

Pierre van Beek --  hoesten as ene mooluk - zwaar hoesten

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  zde ene mooluk? (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - vraag als iemand veel geeuwt (Moluk, molik = fantasiebeest, vogelschrik. Vgl. 'Zal ik ene mooluk vur oe vange? met deze vraag houdt men kinderen voor het lapje.)

Henk van Rijen -- 'molek' - fantasievogel of beest

WNT - lemma Molik - ook MOLIJK, MOLOK, MOLUK , znw. m. Mnl. moloc (VERDAM 4, 1877). Reeds BILD. (Geslachtl. 2, 247) wilde molik verklaren uit dennaam van den afgod Moloch; WEILAND achtte die afleiding onzeker; DE VRIES (War. 215) vond ze zeer aannemelijk, doch BAKH. V. BRINK (Stud. 3, 336) en L. A. TE WINKEL (Mag. v. Ned. Taalk. 4, 287 vlgg.) begrepen niet hoe de Moloch, van wiens dienst in den bijbel eenige malen wordt gesproken, in de latere taal zijn naam zou gegeven hebben aan een vogelverschrikker (zie beneden). In het Mnl. ziet men duidelijk de beteekenissen afgodsbeeld, beeld, vogelenschrik, doch zonderling is de tekst in het eerste der bij VERDAM genoemde voorbeelden, waarvoor de Vulg. (Levit. 20, 2) heeft: si quis dederit de semine suo idolo Moloch, dus iets geheel anders dan het Nederlandsch. Waarschijnlijk is mnl. moloc inderdaad hetzelfde als Moloch, maar de geschiedenis van het woord is niet volledig te geven.

 

Mone

zelfstandig naamwoord , eigennaam

Moonen, Piet

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  Piet Mone gezien hebben ('78) -flink in de lorum zijn? dronken zijn

(Piet Moonen was een smid in Tilburg, die heel lang op de stoel in de soos zat.) [?]

 

moonieka, monieka

zelfstandig naamwoord

trekharmonica

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Nt as toen die lui, nt as die van, van Kessels. Ge had aaltij hier of daor meense die mkten en monieka f den of daander instruumnt n zo. En d zn ok wl pltse dsse zon kln konsrtje b mekaare kosse krge, zak zegge, meej en paor man. Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview met de heer De Kok (1978) Kiske de Paoter die kn ik amml ng J, meej, meej de monieka, Kiske de Paoter. n dan op straot begos ie te zinge KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

►monnieka

 

moor

zelfstandig naamwoord 

waterketel

Van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Henk van Rijen - de schaaw blkt n de mor wsemt - de schoorsteen rookt en de

waterketel stoomt

WBD (III.2.1:192) moor = waterketel, ook 'marmiet' genoemd

Stadsnieuws -  Doe es waoter in de moor vur men krk (010608)

Taalk.Mag. I(I835) 318 MOOR zelfstandig naamwoord , m. een groote ketel, die door het langdurig blootgesteld zijn aan het vuur geheel zwart wordt; vandaar zijn naam.

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - moor, moer - waterketel (zelfstandig naamwoord l., geld.)

Biks - moor zelfstandig naamwoord  - waterketel

WNT WNT: MOOR (I), 4: Waterketel (die in het gebruik zwart wordt door telkens op het vuur te staan), waarin het water wordt gekookt om koffie mee te zetten; inz. in Z. -N.

Verh. - MOOR m - ketel om water in te koken (zo genoemd omdat hij zwartgeblakerd was?)

ANTW. - MOOR (scherpe o) zelfstandig naamwoord m. - bolronde of wijdgebuikte koperen of ijzeren waterketel, met hengsel en toot, waar men water voor de koffie in kookt.

 

moord

zelfstandig naamwoord 

moord

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  tis en moord in en maand / in en hlleke (D'16)- het is een soort te verwaarlozen zaak

 

moordenr

zelfstandig naamwoord 

moordenaar

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'moordenaer'

ANTW. MOORDENR zelfstandig naamwoord m. moordenaar

 

moorkp

zelfstandig naamwoord 

WBD paard met zwarte kop

WNT MOORKOP - een paard met zwart grondhaar, vermengd met witte haren, en waarbij hoofd, benen, manen en staart zwart zijn.

 

moos

zelfstandig naamwoord 

keuken (op de boerderij); drek

R drassige plaats waar het afvalwater van het huiswerk terechtkwam uit de 'goot'

WBD bijkeuken (op de boerderij), ook 'goot' genoemd,

of 'washs' of 'aachterhs'. Hs K 183 geeft 'moos'

WBD moozegoot - vuilwatergoot (goot of greppel, waardoor het water uit de keuken en ander vuil water afvloeit naar de zinkput); Hasselt: goowt

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  den dieje kan ik wel zweten p en kaaw moos (D'16) - die kan ik wel zweten? op een koude achterkeuken (z. a. op 'geut')

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  van en kaaw moos koome (D'16)-van een koude achterkeuken komen = van een koude kermis thuiskomen (moos = ruimte achter den herd) N. Daamen - Handschrift 1916 -- "moos - boeren achter keuken"

ANTW. MOOS (zachte o) zelfstandig naamwoord v. - achterplaats in de boerenhuizen, waar afgewassen wordt.

MOOS (zachte o) zelfstandig naamwoord m. - modder, slijk, Fr.boue.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MOOS voor Vuilnishok, voor die aan de keuken grenzende plaats, welke men elders het vaathok noemt. Het woord is van hoogen oorsprong.

Mws is, in het Wallisch, foetidus, putidus, vapidus.

Verh. MOOS (soms: mouws) m - modderige, open afvoer van waswater en andere vloeibare ongerechtigheid. Verwant met 'modder' en 'moeras'.

Biks moos zelfstandig naamwoord  - keuken, afvalwater

WNT MOOS (I) 2) Ook als naam voor de plaats waar het vuil langs gaat; thans nog: plaats waar het vaatwerk wordt gewasschen.

WBD III.3.1: 'moos aan de knien hebben' = rijk zijn

 

moosgat, mzzegat

zelfstandig naamwoord 

gat in de muur voor waterafvoer vanuit de keuken

WBD moowsgat (Hasselt), moozegat - gootgat (afvoergat in de buitenmuur van de bijkeuken)

WBD geutgat - gootgat

WBD moozegoot, (Hasselt:) goowt - vuilwatergoot (voor keukenafvalwater en ander, naar de zinkput)

WNT MOOSGAT, mozegat - (bij Kiliaen lavatrinae foramen) kleine opening onder in den muur van waschhuizen, kamers enz.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MOSEKUIL, ook MOSIK; een kuil waarin het vuile nat, bijzonder de pis der koeien inloopt. Kiliaen & Plantijn op 'mosegat'. 

Bont zelfstandig naamwoord o. 'mozikgat', moosgat

Hees mosgat, moosgat (II:17)

Str. moosgat (2:99)

 

moosput(je)

zelfstandig naamwoord (verkleinde vorm)

zinkputje

WBD moosput, hs K183: moosput, Hasselt: moowskl - zinkput (voor vuil water o.a. uit de gootsteen); ook 'mooskl' genoemd

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  stinken as en moosputje ('7l)

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "moosput - vuilwaterput"

Diejen boer, die heej meej emmers nr, nr, nr veure brnge. Dan was daor ene moosput n daoraachter laag den msthop. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

mooswaoter

zelfstandig naamwoord 

huiselijk afvalwater

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "mooswoater - vuilniswater"

WBD III.4.4:188 'mooswater' = vuil water, ook 'get', 'drekwater'

 

mot

zelfstandig naamwoord 

afgesneden stuk

 

Advertentie uit 1922

mooter

zelfstandig naamwoord 

motor

Cees Robben - ik maok naa vur ene mooter plts

DANB zene mooter is kept

 

mp

zelfstandig naamwoord  

'iemand zonder goede manieren'

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  mp is lam (HM'70) gezegd van een arm persoon.

 

mpke

zelfstandig naamwoord, verkleind

meestal: eenvoudige liedjes of melodietjes; koekje

- verkleinwoord van 'mp', met umlaut

...et waar 'n lustig mpke en et hiette: die Lustige Witwe!? (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
En Teuntje speulde verschaaiene mpkes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

In dees miseraobele tije/ kan 'n mpke er veul verblije! (Piet Heerkens; Kritieke, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

Cees Robben [Priester:] Moet ik de Prefatie zingen, kster..? [Koster:] N, paoter, t is vandaog n stille mis... We zingen aleen mar w mpkes... (19810619)

Piet van Beers Ene gewone zondagmiddag: Op den aachtergrond spulden ze n mpke. (t lfde buukske, 2010)

Vunderink - Kha liever dsse en mpke spulden/ op en monieka... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Steijns - D zn dan wl nie van die leutege mpkes diese dan zinge, mar alleej... (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2006)

WBD III.2.3:235 'mopje' (ook: meupke) = koekje v. overgeschoten deeg

 

mordie [mrdie?]
bastaardvloek; verbastering van de Franse woorden 'mort' en 'dieu', ongeveer gelijk aan potver;

Cees Robben Mordie... Lowie, hek gelk of nie? (19840113)

 

morllesap
zelfstandig naamwoord
kersensap
Cees Robben morellensap (19611221)
 

mrf

bijvoeglijk naamwoord 

zacht, week, verrot

rte kooke tt ze mrf zn

Cees Robben Vleje-week-vrom waren oew pre buikzuut.. oew appelesiene mrf.. oewe knolraop vs... en oew repel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209)

WBD III.2.3:33  'murw/murf' = gaar

WBD III.4.4:207 'murw' = bros

Bont bijvoeglijk naamwoord  murw, gaar (van aardappels, vlees en eieren gezegd).

ANTW. MRG (uitspr.mrrech) bvw.-murw, gaar, genoeg gezoden of gebraden.

WNT MURW - week, zacht, niet hard, niet vast; malsoh, fijn, niet grof...

 

mrklf, mrkl

zelfstandig naamwoord 

Vlaamse gaai, meerkol, markolf

Henk van Rijen -- mrkl, mrkl - gaai (Garrulus glandarius)

Elie van Schilt - ok wieren dur ons jong morkolven uitgehaold. Zagen die kaans om grt te worren, ok die hadden pech want die gingen dan de soep in. (Uit: Tilburg waor zen oe bossen; CuBra ca. 2000)

WBD III.4.1:147 mrklf - gaai z. a.

Stadsnieuws -  De blauwe vrkes van ene mrklf stn schon op ene hoed (241208)

Verh. MORKOLF m - meerkol, vlaamse gaai.

Str. morkolf (2:59)

WNT MEERKOL - daarnaast andere namen - naam van verschillende vogels

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - maarkolf, maerkef, merjoef, meelkrf, marklau, markloper, marklover, markrover

 

mrmereere
werkwoord, zwak
murmureren; Vroegmiddelnederlandse mompelen; Robben bedoelt het eveneens Vroegmiddelnederlandse morren: klagen
Cees Robben W zodde mrmereeren... (19580705)
 

morrelboon (mrrelboon -  mrrelbon ?)

zelfstandig naamwoord

tuinboon

Niet in Sterenborgs oorspronkelijke kaartsysteem opgenomen

WTT 2012 -- Alleen aangetroffen in WBD III. 2.3:84, maar daar wel aangeduid als 'verspr. Tilb.' = verspreid over Tilburg. Mogelijk een variant op 'moffelbon'

► zie dossier tuinboon

 

mos, moes

werkwoord, persoonsvorm

moest

- verleden tijd van 'moete'

 

ms

zelfstandig naamwoord 

mos

uitdrukking  meej ms n der kniejes- kapitaalkrachtig (in het bijzonder m.b.t. een vrouw in geval van een huwelijk)

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "ze hee mos an d'r kuiten (ze heeft geld)"

Pierre van Beek een "meid mee mos aon d'r kniejes" ()daaronder verstaan we in Tilburg een bemiddeld meisje. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

Van Beek - "Zij heeft mos aan d'r knien" - zij is rijk. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben Gin mos aon dr kniejes... en toch lief... (19561215) Niet rijk en toch lief.

Cees Robben Pa, mn meske heej mos aon dr kniejes... (19870724)

D kostte un kapitaol, dchte wij, mar j as we onze pa moese gelve nie z rg, ze ha immers un paor cente, mos n der kniens zin wij van mskes daor ze et ts goed kosse doen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

Msbrmpt, De

toponiem

De exacte lokatie is niet vastgesteld; alleen aangetroffen in een interview uit 1978:

Interview Hermans - 1978 - daor gingeme ok aatij voogeltjes vangeDe Msbrmpt!! De Msbramptbrmpt!! Van hil die kontrije daor koste gij van de Biksewg bij de irste waaj, nouw zit er De Kat meej zen febriek n teegenoover zaat Franke vruuger (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

mske

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

muisje; ook voor meisje gebruik (Robben)

Dialectenqute 1876 - mske ( als fr. oeu)

Cees Robben De mskes vnde overal... (19620720)

Henk van Rijen - hij goojde meej et miske vant mske nrt mske

- verkleinde vorm van 'ms', met vocaalkrimping

 

msterdmnneke

zelfstandig naamwoord, verkleind

Frans Verbunt -  mosterdmannetje (ging langs de huizen)

Bijnamenboek Karel de Beer - msterdmnneke = Frans Elen (blz. 37)

Bijnamenboek Karel de Beer - de msterdmadam = Johannes Elen) (blz. 36)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Ent msterdmnneke, msterdmadammeke. Die is lang gewist, die wonde in de Atteljeestraot (Atelierstraat) n daor wont naa en neef die d oovergenoomen heej van em, die doe d ng verkope n d is goeje msterd, hor (transcriptie Hans Hessels 2014)

Henritte Vunderink:

Et msterdmnneke
Weekeleks kwaamie bij ons n de deur,
meej zen dfteg visgraotjasken aon,
n en pet op, die ik em zo schon vond staon.
Hij had ok aaltij zon fris-roje kleur.

En tunneke, meej koopere baanden, in zen haand.
Die baande blonken asf ge vur ne spiegel stond.
Ons moeder gaafem dan en glas, n verdomd,
hij knoejde not, assie teegen de kaant

van d glas meej zenen houte leepel mpte,
n de msterd tt n de raand
vur ons moeder daorin schpte,

die, al meej der snten in der haand
klrstond, n et mnneke zich drnao fef wir rpte
nr de vlgende klaant. (Henritte Vunderink, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

En aaf en toe dan kwaam et mosterdmnneke n de deur, die zaag er aaltij hel netjes t, alles gepoetst tot n mt zen tunneke meej koopere baande, mar ok zen schoene. En wffer glas dttie ok vol moes doen, hij mikte meej zen houte lepeltje der not nffe. (Nel Timmermans; Wtter amml n de deur komt; CuBra; 200?)

  wie was het Msterdmnneke?

Tony Ansems: Waar Abraham de mosterd haalt 

Et runsvles dtter dan ng inzaat was vur onze paa. D sneetie fn, n dan snipperdenie er en uike bij f en aawgurrukske meej msterd van et msterdmnneke. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
n ast en goej jaor waar gewist, dan kreegeme nok ng kektte meej msterd van et msterdmnneke. Dan zeej onzen ome Koop: Hurtem es laage (...) Die heej de msterd gehld, opt Piuspln! n dan zeej ons taante Diena, die meej Koope getrouwd waar: ch gk, gij! Meej oewe msterd! (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
 

Verkoper van mosterd - 19de eeuw

 

mot, moet

werkwoord, persoonsvorm

moet

- tegenwoordige tijd van 'moete'

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- d mtte gelve; (passim 'mtte')

Cees Robben - ik mt mrege vruug p; ge mt er me nie inlze; w mtte?

Cees Robben - Wies, waor ist hier, want ik mt zo ...

Dialectenqute 1876 - Wie nie heure wil, mot vule

 

mt

zelfstandig naamwoord 

WBD III.4.4:58 'mot' = mist; ook 'smook', 'waas', 'wasem'

 

mtje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

- verkleinde vorm van 'maot', met vocaalkrimping

maatje, werkgezel; aanspreking van jongen; kleine inhoudsmaat', met name van sterke drank

Heej mtje, hlt es gaa en mtje sneevel.

...en iedere gebeurtenis van veul of weinig beteekenis ongrpen as 'n welkome gelegenheid om 'n half motje in de flesch te haolen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

Cees Robben - Gij beslcht mn wl, mtje? d lstert hel naaw, mtje;

gez. MM Ene kp as nen hktoolieter n gin mtje verstaand.

Dialectenqute 1876 - 'n motje - een maatje (gewicht)

WBD III.4.4:296 'maatje' = deciliter

 

mtrge

zelfstandig naamwoord 

motregen

Van Beek - Voor fijne mensen en motregen moet men oppassen. - Huichelaars gelove men niet. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  van mtrgen n fne lui worde zknat ('38)

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  vur fn meensen n mtrge moete ppaase ('13)- geen huichelaars vertrouwen

Cees Robben Vur fn meensen en motrgen moette oppaase Tirris.. (19641218)

 

mtte, moete

werkwoord, sterk

moeten

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- d mtte gelve (passim: mtte)

B m'k - moet ik (?) mttewe - moeten wij?

Pierre van Beek --  Ge ht niks te mtte - naar jouw verlangens wordt niet geluisterd

B mtte - ms - gemtte; praes.enk. 'mt', mv 'mtte

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - mtte (krt.27)

Bosch motte - moeten

 

motverdikke
bastaardvloek
Cees Robben - motverdikke (19841019)

 

mouw

zelfstandig naamwoord

Van Beek - De Tilburgers noemde men vroeger "messentrekkers" of "messenstekers", omdat men bij vechten vlug met het mes was. Dan voegde men daaraan toe: "Ze hebben het achter (of in) de mouw". Dit is dan de oorspronkelijke betekenis der uitdrukking, toen men het mes in de mouw droeg, zodat de tegenstander het niet zag. Dr. F.A. Stoet schrijft, dat men vroeger verboden wapenen in de mouw droeg, en dat bewijst het "Keurboek van Haerlem. 27": waert dat yement enige wapene anders droege dan geschreven staet, heymelyc in bosemen, in mouwen, in cousen, enz. In West-Vlaanderen zegt men ook "Een mes in de mouw hebben", voor trouweloos en wreedaardig zijn, onbetrouwbaar. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

mouwe

werkwoord, zwak

Pierre van Beek --  als een molenaar het hem toekomende gedeelte van het meel uit een zak schepte, schepte zijn wijde mouw wel eens mee: 'mouwe'

 

mwke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

WBD mouw (gewrichtsziekte bij jonge paarden), ook genoemd 'mk' of 'haozenhak'

 

mzzegat, moosgat

zelfstandig naamwoord 

gat in de muur voor waterafvoer

WBD moozegat, (Hasselt:) moowsgat - gootgat (afvoergat in de buitenmuur van de bijkeuken)

WBD geutgat - gootgat 

 

mud

zelfstandig naamwoord  

inhoudsmaat voor droge waar, = 301 liter, verdeeld in 8 schepels van ieder 37, 6 liter (in Tilburg in gebruik vr de invoering v.h. Ned. Metriek Stelsel, 1820) zie: Verhoeff

Frans Verbunt -  en mud rpel, mssel, koole

WBD III.4.4:300 'mud' = hectoliter, ook 'schepel' of 'spint'

300 'mud' = duizend liter

 

muggesnapper

zelfstandig naamwoord

Ill.: Naumann - ficedula striata

Henk van Rijen -- grauwe vliegenvanger (Muscicapa striata)

WNT Muggensnapper - in Groningen benaming voor den grauwen vliegenvanger; Muscicapa grisola

 

mulder

merel

zelfstandig naamwoord 

Ill.: Naumann - turdus merula

Luister naar het geluid van de merel

 

Henk van Rijen -- merel (Turdus merula)

WBD 'mulder', 'malder' (meelder, mlder; 'lijster', 'gieteling')

 

muldere

werkwoord, zwak

WBD III 4,2:167 lemma Pompen van de meikever - Het herhaalde malen met de vleugels bewegen voordat een meikever opvliegt.
tellen Tilburg
mulderen Tilburg
pompen Tlburg
 

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

mulderke

zelfstandig naamwoord, verkleinvorm van mulder = merel of een kleine meikever

WBD III 4.2:160 lemma Meikever - De meikever (Melolontha melolontha) wordt 25 mm lang. Het was vroeger een algemeen bekende en onder schoolkinderen populaire middelgrote kever met een licht bruinrood schild, een zwarte kop en borststuk en een witte beharing op de buik, maar hij is nu zeldzamer.
mulder frequent in Midden-noordbrabant
mulderke Tilburg
WBD III 4,.2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn.
mulder Tilburg
mulderke Tilburg
molenaar Tilburg
bakker frequent in Tilburg
bakkerke Tilburg
kapucientje Tilburg, Goirle
manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

 

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

muldig

bijvoeglijk naamwoord

mul, rul [?]

Alleen bij Heerkens aangetroffen

D'r maone zwieren en d'r harde hoeven

klotteren dof in muldig stof en zaand,

(Piet Heerkens; uit: De Mus, Wende, 1939)

 

mulk

zelfstandig naamwoord

melk

►zie mlk voor de betekenis karnemelk

WTT-2012 - de uitspraak'zonder umlaut - 'mulk' - lijkt ook voor te zijn gekomen voor (gewone) melk, met name in samenstellingen

Dialectenqute 1876 - eene blozende deern - 'n meske as mulk en bloed (blozen hier onbekend)

In de vruugt, as de miste meenschen nog op n oor liggen haol ik bij de boeren de kannen op en breng die in Tilburg naor 't mulkfebriek. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
Ik h dees week de toer om de mulkwaogen te rijen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

 

mundeg

bijvoeglijk naamwoord

mondig

WBD III.2.2:45 'mondig' = meerderjarig

Bont bijvoeglijk naamwoord  'mundig' - mondig, meerderjarig.

Haor muntig - mondig

 

mundje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

mondje

- verkleinde vorm van 'mond', met umlaut

...want ik z nie op m'n mundje gevallen al zeg ik 't zelf; (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Mundje gehou'en,

zal niemand berouwen;

mundje te vrij,

maokt niemand nie blij. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, t Mundje, 1941)

Cees Robben - n der mundje dun n zneg van et venn

Agge oew mundje goed ruurt, draaider oew kundje wel in... (Tony Ansems,Agge oew mundje goed ruurt; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Pierre van Beek --  mundjesmaot - mondjesmaat

Dialectenqute 1876 - mundje

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  as ge mee d mundje gaot schoje, zulde nie veul krge (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - gezegd tegen iemand die niet geschikt is om te bedelen.

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  laagende mundjes zn btende hundjes (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - waarschuwing: vertrouw vriendelijke mensen niet altijd

Cees Robben - 'Ik heb m'n mundje dicht gehaauwe'

WBD III.1.1:96 'mondje' = mond

WBD III.2.2:104 'mondje' = kus

 

muntig

Bijwoord en bijvoeglijk naamwoord.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): t Doe niks af om t [de koe] muntig op de haai te vaoren staauwen. Daar niet geannoteerd, ook niet in Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882).

- WNT lemma muntig - nog thans [1908] is in Z.-N. die term in gebruik voor eene koe die nog melk geeft, maar sedert een jaar niet vol of drachtig is geweest

 

murt

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.2.3:159 'murt' = rot (fruit), ook 'voos', 'verrimpeld'

 

mus, musse

zelfstandig naamwoord 

mus, mussen

Ill. Naumann - huismus - Passer passer

Luister naar het geluid van de huismus

 

gez. Pierre van Beek --  Waor en mus durheene vliegt, blft en mug hange - een grote piet kan zich in de maatschappij allerlei zaken veroorloven waarvoor de kleine man in de kraag gegrepen wordt. (Tilburgse Taaklplastiek 128)

Audioregistratie 1978 - Asse die gemaajd hadde dan kosseme musseklmme ztten n musse vangen dan ging, hamme sondagsmiddags hamme fist. Dan ginge we die musse slachte! We hlde ze t n we din ze in et zout n sondags, Gust ven den Broek n onze Jaon n Kees de Wolf, han we zon pan meej musse n, n de smkte goed! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Dialectenqute 1876 - muske - kleine musch of mosch

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  waor en mus durheene vliegt , blft en mug hange (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1971) prominenten kunnen zich in de maatschappij veel veroorloven waarvoor de kleine man in de kraag wordt gegrepen.

 

muts

zelfstandig naamwoord  

muts

Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) -  vur iemand de muts nie oover de ooren hoeve te trkke (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970) - de ander vrij in de ogen kunnen kijken; niets te verbergen hebben

Bijnamenboek Karel de Beer - ene Muts = lid v.d. familie Mutsaer(t)s (blz. 93)

 

mutserd, musterd

zelfstandig naamwoord

takkenbos, mutsaard, mutserd

In den oven wiere irst takkenbossen, musterd genoemd, geschoven en in braand gestoken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD mutsaard (bijeengebonden hoeveelheid takken: bakkershout)

WBD III.3.4:81 'musterd' = takkenbos

WBD brkemutserd, kemutserd, lzenhout

WBD III.4.3:80 mutserd - takkenbos, ook 'musterd' genoemd

WBD III.4.3:93 mutserd - kreupelhout, ook struikgewas genoemd

WBD III.2.1:261 mutserd = mutsaard

WBD III.4.4:258 'musterd' = bundel

Hees musterd (I:87)

Biks musterd zelfstandig naamwoord  - mutsaard - takkenbos

ANTW. MUSTERD zelfstandig naamwoord m. -mutsaard, Fr. fagot; daarnevens mutserd en mutsaard

Bont zelfstandig naamwoord m. 'mutserd' - takkenbos

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MUTSAARD voor takkebossen. Het woord komt van 'mutsen', caedere, bij Kiliaan ook Moetsen. Z. a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MUTSERD - takkenbosch (bij Hoogstraten aangetekend)

Verh. MUSTERD m - mutsaard, takkenbos, gebruikt als aanmaakhout en om oven en sopketel te stoken.

 

mutsewaaser

zelfstandig naamwoord

mutsenwasser

Iemand die de grote en kostbare Brabantse mutsen wast en daarin, blijkbaar ook handelt:

- Mie de mutsewaasser kan alle meskes van den Heuvel nog aon schoon gewaasse mutsen helpen; dus knder, as ge ze mee d'ren kurf op den Heuvel ziet dan weet-te gellie hoe laot 't is! Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Blijkbaar een bezigheid waarmee vooral 'kwezels' zich bezighielden:

- Audioregistratie 1978 - n dan de kweezeltjes! De kweezeltjes hb ik ok ng!! De kweezeltjes Biezemans! O, de mutsewaasers! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

muug, muuger

bijvoeglijk naamwoord 

moe, vermoeid

kaajmuug - doodmoe

N. Daamen - Handschrift 1916 --"muug - moede"

N. Daamen - Handschrift 1916 -- "ik zaiget z muug as kaauw pap"

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- die was et gaaw muug

Hij zal wel muug zijn van al d geroei! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
"Ik gao te bed, 'k ben muug." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Pierre van Beek "Muug" heeft naast de gewone betekenis van "moe" ook nog de waarde van beu. Zo kan men iemand "muug" zijn. Liefst dan nog wel "as kaauw pap", hetgeen wil zeggen, dat men hem liever "kwijt dan rijk" is of liever "van achteren" (bij het vertrekken) dan "van veuren" (bij het komen) ziet. (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)
MUUG Pierre van Beek -- Wanneer we zeggen "ik z oe z muug as kaauw pap" dan kon je er van overtuigd zijn, dat je vertrek niet kwalijk genomen wordt zoals ook het "hij is van tel als een rotte kool bij den gruunteboer" niet als een compliment beschouwd behoeft te worden. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)
Cees Robben Daor wieren zn ptjes z muug as van ld. (19551119)
Cees Robben Muug van t rke... (19580426)
Cees Robben ...muug gestrejen... (19591031)
Cees Robben Dr hitje is muug (19600102)
Cees Robben - ... en muug naor huis. (19600520)

Ik deej et wel veftien keer en toen waar ik nog nie muug mar ons Jana w onderhaand toch wel slaope. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

DANB men bruur was muug (korte uu)

Henk van Rijen - wssie muug, zeeker as ie mn beslcht - wat is hij moe, zeker als hij zich voelt zoals ik

Gin wonder, de'k zo muug ben/ Ha'k de fiets gevat, man, dan was ik er niet zo muug van... ... (Tony Ansems, Gin wonder dek zo muug ben; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

WBD III.1.4 'moe' = traag (152)

Bosch muu - moe

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - moeg, muug - moe (limb., brab., zvlw.)

Verh. MUUG bijvoeglijk naamwoord  (uit: moede en moei) moe.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Auslaut = ch (blz.78); met umlaut (krt.50)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937

Bont bijvoeglijk naamwoord  muug - moe; komp. muujger; superl. muujgst

Antw. MUUG bvw - moede, vermoeid, Fr. las,fatigu; muge beenen hebben.

Biks muug - bijvoeglijk naamwoord  moe

Afr. moeg

Haor muug - moe, beu

 

muugeghd

zelfstandig naamwoord 

moeheid, vermoeidheid

Henk van Rijen - hij hgt van muugeghd - hij hijgt van moeheid

...hij viel dur puure muugighed/ int waoter, van de slaop. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Onder waoter...)

Stadsnieuws -  Toen ze et hs gekrd ha, kosse van muugeghd hst niemir op de ben staon (260809)

CiT (40) 'Hij hgt van de mugighet'

ANTW. MUGIGHEID zelfstandig naamwoord m.v. - vermoeidheid

 

muugt(e)

zelfstandig naamwoord 

vermoeidheid - moeheid

Ik kos nie' meegaan van de muugte.

De Wijs -- As ik mee mn voete in w laaw waoter mee w zout gao zitte, trekt er de muugt wel t (04-07-1969)

Cees Robben En van muugte prs en blauw. (19700925)
Cees Robben Ik ben hil den dag toch z aorig, war... En d komt van de muugte... (19790302)

Bont zelfstandig naamwoord vr. 'mugigheid'

Antw. MUUGTE zelfstandig naamwoord v. - vermoeidheid.

 

muuk

zelfstandig naamwoord 

warme bewaarplaats voor fruit, nl. aan het voeteneind in bed

WNT MUIK (verwant met MEUK) - 1) plaats waar fruit wordt bewaard; z. a.

Hees muuk (V:52)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - muik, muuk, mk - bewaarplaats om fruit te doen rijpen (zelfstandig naamwoord l.)

ANTW. MUIK zelfstandig naamwoord v. - plaats waar fruit te muiken ligt

Verh. MUIK (m:k) m - vooral in de verklvorm gebruikt(mkske),

kleine hoeveelheid, voorraadje, kwkske: 'n mooi mkske rpel. In WNT: bewaarplaats.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - MEUK (muek) doorgaans muek uitgesproken, is hier eene zich langzamerhand bijeen gepakt en zich vast gezet hebbende vergadering van kwade stoffen in het menselijk ligchaam, bij de Franschen 'un dept' genaamd. Muek beteekent in Neder-Saksen zooveel als 'rot', verrot. Z. a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MUIJK - ene plaats alwaar men appelen, peren of ander fruit bewaart. Ook wel in 't gemeen ene bewaarplaats.

Goem. MEUK - muik, zelfstandig naamwoord vr.: in de - liggen

 

muuke

werkwoord, zwak 

muuke - muukte - gemuukt

korte uu

fruit ter rijping op een warme plaats bewaren (voeteneind in bed)

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "loat ze mar w muuken (laat het fruit nog maar wat liggen, dan wordt het wat zachter) Men zegt het ook als een grapje bij het kaarten"

Van Delft - "Ik laot me kaort iets muuke", zegt een kaartspeler, die zijn kaarten bijeen laat liggen totdat ze rondgedeeld zijn en allen ze opnemen. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Antw. MUIKEN (met 'zijn') - hetz. als Holl. 'meuken', fruit wegleggen en bewaren opdat het malsch zou worden.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - zie MEUK. MUEKEN, voor 'meuken'. Bij Kiliaen is het 'muycken', als bedrijvend werkwoord, van hetwelk de beteekenis beantwoordt aan die van het Fransche 'mitonner' (o.a. 'langzaam laten smelten')

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - MUUKEN - week laten worden. Thans 'meuken'. Kiliaenheeft beide woorden.

Bont zw.ww.tr. 'muken' - halfrijp fruit wegstoppen (vooral in het bedstro) om het zacht te doen worden.

Goem. MEUKEN - muike wkw (mkte, gemkt)

Str muken (1:89)

Schilderij van G.G. Joncherie; appels muuken bij een stoof (detail; ca. 1835)

 

muur, muurke

zelfstandig naamwoord

muur

De Wijs -- W, de hge C zingen, des mar n stukske alfabet, de kalk mt van de muure (27-12-1968)

WBD muurplaot - balk of plaat die plat op de buitenmuur van de lange gevel ligt.

WBD muurke - tasmuurtje (laag wandje, meest van hout of vlechtwerk, dat de scheiding vormt tussen dorsvloer en tasruimte) - 'muur' met lange uu, 'muurke' met korte uu

 

muurschilderij

zelfstandig naamwoord

muurschildering

WBD (III.3.3:32) muurschilderij = gewelfschildering

 

muurzeiker

zelfstandig naamwoord

mier

WBD (4.2.211) 'muurzeiker, mierzeiker, mierzeik, (mier)'

►moejzker, zkmjer

 

muuziekaant

zelfstandig naamwoord

muzikant  

ANTW. MUZIKANT (Kemp.: muzz?kaant, met Ned. a) zelfstandig naamwoord m. - speelman

 

muuziekaol

bijvoeglijk naamwoord

muzikaal

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'muzikaol'

 

muwke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

Henk van Rijen -- meeuwtje


Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home