INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Wil Sterenborg

Van kaaj- tot kwossebons

kaaj-

voorvoegsel

ontzettend

WTT-2012: kaaj- is afgeleid van 'kei', en wordt overdrachtelijk gebruikt.

'k Z kaajmuug - Ik ben doodmoe; kaajkept - doodop, uitgeput; kaajdod - morsdood; kaajhard - keihard

Elie van Schilt - hil dun Heuvel stond dan kaaivol mee kender. (Uit: As ge katteliek geboren wierd'; CuBra ca. 2000)

List vruug er ng iemes n mn, f ik wies w in et Tilburgs De Drie Kaas zn. Ik zg de w? De drie Kaas, zeetie. Ksg ksot nie weete. Ds nie goed, zeetie. D zn mar twee Kaas. De drie Kaas zeetie, d is: Ks Kaaj Kept!  (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

►kaajkept

Bont Gebruikt hetzelfde suffix in woorden als: keibloot, keidood, keileeg, keimager, keiarm.

Antw. KEIMAGER - zeer mager; KEIDOOD - morsdood

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kaajdd' morsdood

 

kaaj(e)

zelfstandig naamwoord

kei(en)

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Leeg vee, zulde zegge, scht geen kaaijen op stal. Daar geannoteerd als: Kempiesch spreekw. bet. Ledig vee geeft toch mest.
- Niet in Mandos.
- Daamen - Handschrift 1916;  "vilt mar 'ne kaai - haalt er maar iets als er niets is"

- Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  Ze koomen p de kaaje

- Van Delft - Als het ware eenigszins ter vertroosting bij een gebeurtenis, een feit, dat niet meer te verhelpen of te veranderen is, klinkt het: "Al gingde op oewe kop staon"; ook wel: "Al trokte de kaaien uit den grond", het helpt toch niet. - Sprekende over iemand, die veel ondervonden heeft, hoort men ter beklemtooning: "De kaaien in de straot hebben zooveul nie gelejen as zij." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

- Pierre van Beek Wanneer iemand veel in het leven te verduren heeft gehad, beklemtoont men dit graag met: "De kaaien in de straot hebben nie zoveul gelejen as hij." (Tilburgse Taalplastiek 1950; Nieuwe Tilburgsche Courant).

- Pierre van Beek Het volk houdt er van zich krachtig uit te drukken. Wanneer men te maken heeft met een feit, waaraan niets meer te veranderen valt, dan klinkt het () "Al trokte de kaaien uit den grond." (Tilburgse Taalplastiek 1950; Nieuwe Tilburgsche Courant)

- W is en aander woord vur sten?/ D blkt dan ene kaai/ n as er laoter grasveld stao/ is d gewon en waai. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wn gezuuk war')

- Audioregistratie 1978 -- Dan hadde vruuger ene grote kaaj meej zere blle van die grotte, war, n daor deej llek die meej di ene snt. Op dieje kaaj! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

- H. van Rijen (1988): de kaaj n de straot hbbe nie zveul geleejen as hij

- Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  tis m de kaajen ervan in te lope (AM'76) - het is om er verschrikkelijk de pest over in te hebben.

- Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  vilt mar ene kaaj! ('86) - waar geen geld is, kun je het niet halen

- Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): de kaaj = Van der Steen (blz. 107)

- WBD III.3.1:403 'keiweg' = straat

- WBD III.3.1:429 'kaai', 'kade' = kade

- Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kaaj zelfstandig naamwoord  - kei

 

kaajbaand

zelfstandig naamwoord

stoeprand, trottoir

De Wijs -- (over n hond die weigert op straat te poepen:) ik haaw m aon de leibaand en nog leetie m aaltij op de kaaibaand (09-04-1973)

De Wijs -- Mee zon streup knder moet ik oppaasse d ze nie van de kaaibaand gaon, as ge naa aachter mekaor loopt, koom t wel veur mekaor (27-12-1968)

Cees Robben Z soepel as unne kaaibaand..! (19691003)

Cees Robben Ik haauw m [de hond] aon de laaibaand.. En nog leettiem op de kaaibaand... (19760430)

Cees Robben Ik krj [kruij] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

Lechim - De ootoos die oe aaventoe/ teege de kaaibaand vge/ krk of ze mne: Hil de straot/ is allen vur ons ge. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Fietse)

Van Tilborg - In die straot voetballen ging nie, de stoep waar te smal en op die kaaien koste alln oewe nek breken, as ge nie tkkt en die kaaibaande zaten ok verekkes in de weeg. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Schilders - Mar de schonste hundjesprnt van Keese [Cees Robben] is dees: Meej n bske d zunnen hond tlaot, en n vraauw die daor iets op aon te mrreke heej. Wrop t bske teege die vraauw zeej: Naa hk m n de laaibaand, en naa leetie m tch ng op de kaaibaand. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Stadsnieuws - Knts tch nie zo op de kaajbaand, sebiet hdde ene lkke tuut (270507)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.3.1:397 'keibaan' = openbare weg, ook 'kasseiweg', 'klinkerd'

 

kaajbaande

werkwoord, zwak

kinderspel: een bal vanaf het ene trottoir op de rand van het tegenover liggende (trachten te) werpen

 

kaajbaanderas

zelfstandig naamwoord

hond van dubieus ras, straathond

 

kaajbuuter

zelfstandig naamwoord

Tilburger, die, in tegenstelling tot de 'Turken', bezuiden de spoorlijn woont

Daamen - Handschrift 1916:  "kaaibuuters - naam die de Noordelijke aan de Zuidelijke Tilburgers gaven"

WTT 2012: In december 1933 en januari 1934 ontspon zich in de Nieuwe Tilburgsche Courant een zeer uitgebreide discussie over de betekenis en herkomst van het scheldwoord dan wel de spotnaam 'kaajbuuter', waarin zeer uiteenlopende theorien  de revue passeerden.

Dossier Kaajbuuter

1933 - Lowie van Dorrus Misters: Maar we hebben nog een ander woord waarbij "buter" gebruikt wordt, namelijk "ketelbuter" en daarmede is dan bedoeld de vroeger reizende ketelmaker, meer speciaal de huishoudelijke koperen waschketels, voor korten tijd nog algemeen in het gebruik. En hier beteekent buten slaan, kloppen. Dan zou dus kaaibuter beteekenen keiklopper en slaan op het leggen der keibestrating... ( Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 16 december 1933)

1933 - Lowie van Dorrus Misters: Zaterdag jl. gaf ik twee verklaringen van het scheldwoord "Kaaibuter", waarvan m.i. de laatste als keiklopper, keilegger, de ware moet zijn. En dit te meer, omdat daaruit logisch volgt, dat de naam "kaaibuter" als woord op zich zelf in 't geheel geen scheldnaam is, maar gewoon een beroepsnaam evenals ketelbuter. (Nieuwe Tilburgsche Courant - maandag 18 december 1933)

1933 - Lowie van Dorrus Misters: Eerstens wordt "kaaibuter" en "kaaibutter" door elkaar gebruikt, zoodat de vraag van den heer de Wijs "Is nu kaaibuter oorspronkelijk kaaibotter geweest en hebben de Tilburgers er in het idioom van de plaats kaaibuter van gemaakt?" met ja dient te worden beantwoord. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 13 januari 1934)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kaajbuuter - Tilburger van bezuiden de lijn (90)

Buuk = stratenmaker. Een 'kaajbuuter' is een inwoner van Tilburg ten zuiden van de spoorlijn. De bijnaam is waarschijnlijk ontstaan doordat in het centrum van de stad de eerste verharde wegen werden aangelegd. Letterlijk betekent de naam "iemand die de straat herstelt of met een scherp voorwerp ongerechtigheden zoals gras tussen de stenen wegkrabt."

KAAIBUTER moet zoveel betekenen als 'stratenlegger' (volgens Uri Nooteboom in 'Jeugd in een fabrieksstad' (1950))

Bont zw.ww.tr. - boeten, kastreren. Oudtijds sprak men van 'de stoep buute' - met een mes het gras tussen de voegen uithalen; keibuuters - scheldnaam voor de Tilburgers. Z.a.

 

kaajeschter

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt:  gierigaard

Stadsnieuws:  Dieje kaajeschter doe not meer as ene snt int zkske. (040407)

 

kaajhard

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord .

Frans Verbunt:  loeihard, steenhard

Frans Verbunt:  ds zonne kaajharde dttum den duuvel nog nie eens wil

 

kaajkept

bijvoeglijk naamwoord .

Frans Verbunt:  uitgeput

Tony Ansems - liedtekst van de muziekcassette A Touch of Dutch - Aan de Platte Kant; ca. 1980 -

Ge meut oe moedertaol nie vergeete

Agge nor Tilburrug wilt gaon

Want as ge daor nie zt geboore

Dan kunde g niks verstaon

 

As gij nie plat kunt praote

Dan val et abseluut nie meej

Dan staode gij vur Laazerus

As ene krkezker zeej:

 

(Refrein)

De drie Ks, De drie Ks

Die maoke me harstikke zt

De drie Ks, De drie Ks:

Ks Kaai - Kept

 

kaajlgger

zelfstandig naamwoord

keienlegger, stratemaker

Stadsnieuws:  Et gao derin as sneevel in ene kaajlgger. (070909)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  et gao derin as sneevel in ene kaajlgger (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - het valt in de smaak

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kaajlgger - stratenmaker

 

kaajmaf

bijvoeglijk naamwoord .

knettergek

 

kaajscheut

zelfstandig naamwoord

gebakken aarden knikker

Daamen - Handschrift 1916:  "kaaischeut - knikker"

- Antje maakte de verschrokken gebaren van een schooljongen, wiens mooi gekleurden kaaischeut in een zinkputje verdween. Uit:  Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

Mee in [een] jaor of vier is t al wir aanders, dan worrut in autoped en norvenaant het seizoen nen vlieger, kaaischeuten, drf of hakdollen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

M'n moeder vertelde, dat ze hum nog as ennen blaog van 'n jaor of tien, toen ie meej kaaischeuten aon 't speulen was, naor z'n vadder zunnen kop mikte meej nen proem, omdat die meej nen kaai op naor de Heilige Fermelie wou gaon. (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

Anoniem 1959
Van unne stinpust op zunne rrum,
as unne proem zo groot,
Zis zo groot as unne kaaischeut,
tot aon z'n schauwers was ie rood.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

Cees Robben Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. (19720915)
Cees Robben En na vchte ze [de kinderen] om n paor kltege kaaischeute... (19860502)
Cees Robben Ruile... Twee kaaischeute tegen unne proem..? (19670129)

WBD (III.2:94) kaajscheut, blbaaj, proem, buukenotje = knikker

WBD (III.3.2:101) 'spelen met keischeuten' = knikkeren

 

kaajscheute

werkwoord; infinitief

knikkeren (niet alleen met kaaischeute, ook met mrpels en proeme)

WBD (III.5.2:101) kaajscheute, proeme = knikkeren (NIET genoemd!)

Audioregistratie 1978 - Wie doet er meej kaajscheute?  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

Kaajstoep

zelfstandig naamwoord, toponiem in de wijk Berkdijk

Keistoep

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): natuurgebiedje ten zuidwesten van Tilburg (blz. 119)

 

Tilburgsche Courant 13 januari 1871

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 22 januari 1893

 

kaajwg

zelfstandig naamwoord

keiweg; steenweg

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Want nt as hier vruuger de Bredssewg, d was, d was mar ene grote kaajewg want der laage van die grote Blze kaaje laage derin (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Audioregistratie 1978 - Nffe de tramlijn was en zwart, zwart pdje daor ze kosse fietse vort. Nffe de kaajwg (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kaajzt

bijvoeglijk naamwoord .

H. van Rijen (1988): bezeten van iets

 

kaamp

zelfstandig naamwoord

kamp

 

kaanes

zelfstandig naamwoord

hoofd, kop

Niemand zitter un woord, veuls te druk derre kanis vol te krge. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Stadsnieuws:  Hij heej zene kaanes wir volgevreete - Hij heeft weer onbeschoft veel gegeten (210109)

 

kaankerblom

kaankerblom - chrysanthemum segetum

zelfstandig naamwoord

paardebloem, ganzebloem

Daamen - Handschrift 1916:  "kaankerblom - paardenbloem, ganzenbloem"

 

Cees Robben - Prent van de week 16-06-1972

kaans

zelfstandig naamwoord

kans

Cees Robben:  Dan hdde kaans dgge in de prze vliegt

Cees Robben:  d hij gin kaans h; dan moete em ooverdag ok mar de kaans geeve;

Cees Robben:  daor hk meer kaans toe as dk ng pestoor wr;

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  ng en kaans hbben as der goej p de lummel ligge (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '69) kaartterm: (lummel = stok): succes is niet helemaal uitgesloten.

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  ngelukke zn kwaoj kaanse, moete mar dnke (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72) - gezegd als troost en als aansporing tot berusting in geval van tegenslag

 

kaant, kntje/kantje

zelfstandig naamwoord

1. kant, zijde, grens van een vlak

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  p et kaantje aaf

Cees Robben En w vond ie daor..? / Alles vur m kaant en klaor. (19540213)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kant' zelfstandig naamwoord  - kant; 't deujgt van gin kante - er deugt niets van

WBD III.3.1:310 'kant' = bladzijde, een v.d. kanten v.e. blad papier

WBD III.4.4:184 'waterkant', 'slootkant'; 'stroomkant' = oever

1.1 Met betrekking tot personen

R Et gao wl n mene kaant - Het doet me zeer, dat me dit overkomt me.

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  D zal ze n dere kaant gekoome hbbe, dnk ik - aan het hart gaan?

Cees Robben Over dn aongetrouwde kaant (titel van de prent van 19641106)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  iemand n zene kaant koome ('85) - te na komen

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): vur zene kaant schudde - de waarheid zeggen, voor de voeten werpen

1.2 Met betrekking tot een plaats of regio

DANB ... ziede nie veul langs dees kaante - ... ziet men hier niet veel

Mar d [een pastoorsmeid] is er gelukkig gin van ons kaanten, die komt van wijt weg, uit de stad en daor mokte wel meer zotte dingen mee. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  n geene kaant (van de lijn) (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 64) - benoorden de spoorlijn in Tilburg

- Jaon van Harrie van de boere Bet, Nieuwe Tilburgse Courant - 2 februari 1950: Lewie, ik weet nie of ge d'r ene van deze of van gene kaant zijt.

2. Zijden van een paard

WBD van de haandse kaant, van de haand - rechterkant van het paard

WBD van de haandse kaant, b de haand - linkerkant van het paard

3. In verband met textiel

WBD kaant (III:900) - kant, fijn, licht weefsel van linnen garen..

WBD boowvekaant (II:911) - bovenkant

WBD rchse kaant (II:911) - rechtse kant = bovenkant v.h. weefsel

WBD linkse kaant (III:911) - linkse kant = onderkant v.h. weefsel

WBD zlfkaant (III:911) - zelfkant; ook: kaant of lst

WBD slchte kaant (II:1051) - (te) slappe zelfkant (v. geweven stof); ook tmeutelende lst of tgemeutelde lst genoemd

 

kaast, kasje

zelfstandig naamwoord

kast

WBD spinde, eeteskaast, brodkaast, vliegekaast

R Bij iemand goed in de kaast ligge - geen kwaad kunnen doen

Cees Robben - Hij stond er heel goed in de paas.../ Laag veuraon in de kaast..  (19600701)

Ik ben zoo stijf as 'n kaast! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

WBD kiemkaast - kiemtrog (voor de ontkieming van geweekte gerst)

Cees Robben Ze heej n paor flinke kommen op dr kaast staon... (19670616) [figuurlijk voor de borstpartij van een vrouw]

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  ds ene vle vnt: hij scht nder de kaast (Daamen - Handschrift 1916)

Ze begosse me un bietje te waardeere, nie dk naa ineens in de kaast kwaam te ligge. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007) [...ineens erg populair was; ook: 'rges hog in de kaast ligge']

WBD III.1.1:115 'borstkast' = borst

WBD III.1.4:422 'de kast uitvegen' = een aanmerking maken

Bont ka.st zelfst.nw.vr. 'kaast' kast

 

kaaw

zelfstandig naamwoord

1. koude

In den olg hmme veul kaaw geleeje. - In de oorlog hebben we veel kou geleden.

Kaaw op zen waoter hbbe - aan een blaasaandoening lijden

De kraaie zwaaie zwaor en zwart / en kweeke kwaod: "'t Is kaaw! - 't Is kaaw!" (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Sneuw, 1938)

Mar allee, hoe gaoget bij jou mee de kaaw? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

Cees Robben Wie goed is vur de kaauw meneer.../ Is beter nog vur t hitste weer...! (19570706)

H. van Rijen (1988): hdde kaaw, kom mar gaaw

Bont zelfstandig naamwoordvr. 'kaauw' - kou, koude

2. vogel, kauw, Corvus monedula

CiT (100) 'Z 'n kaaw ok kaaw hebbe?'

H. van Rijen (1988): zon kaawe ok kaaw hbbe?

 

kaaw / kaauw

bijvoeglijk naamwoord

koud, koude

- Et bluujke heej kaaw vuutjes. - Het kindje heeft koude voetjes. 

- MP gez. Koud, d ist pas as den boer s scht.

- DANB 'mrt' ist ng te kaaw m te katsele - In maart is het nog te koud om te kaatsen.

- DANB ene kaawe kelder is goed vurt bier.

- H. van Rijen (1988): 'Wit te hoeneer ut kaaw is? As de hllege s schte, dan is-t pas kaaw.

- Frans Verbunt:  van de kaawe kaant - aangetrouwd.

- Tis allenig vort z verkkes kaaw d oew haande der bekaant aafvrieze. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- De Bont: bijvoeglijk naamwoord  'kaauw' - 'kou' - koud.

- Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kaaw bijvoeglijk naamwoord, bw. - koud.

zelfstandig naamwoord - de koude

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ze zoont van kaauw besterven.

zelfstandig naamwoord - verkoudheid

WBD III.1.2:294 'een kou hebben' = een verkoudheid hebben.

D. Boutkan (1996): (blz. 49) en kaaw/kaawt hs; et hs is kaaw/kawt; tis ng te kaaw/kawt.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaaw (praedicatief: het is koud) (blz. 14), resp. 'kaawt' in T(noordoost)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 VERGROTING

 

kaawaaj
samentrekking
koud ei
Cees Robben Zit toch nie z te tottere meejoewaai... n kaauwaai is gin doen... (19730729)
 

kaawe

werkwoord, zwak

kauwen

De Wijs -- Ik kom daar aon, ik stap van mn fiets, ik zet mn fiets tegen t hus, ik bel, ik wocht veur de deur, de deur gao ope, ik zeg. - J, j, kawde gij aaltij zolang over unnen drol? (24-02-1966)

 

kaawrepelbuurt

zelfstandig naamwoord

V buurt waarin de bewoners een dermate hoge huur moeten betalen dat zij - naar het volk meent - geen middelen overhouden voor een normaal bestaan

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): wijk Zorgvlied (blz. 119)

Stadsnieuws:  kaawrpelbuurt - oude bijnaam voor Zorgvlied (240506)

N et waar wegge op dieje dag allemol en d tweenveftig keer per jaor te vreten krgt. Naa zn alle diten er op gebaseerd, mar ik weet er zo gaa gin dialectisch woord veur, veur d gebaseerd. Vetarm z zon dieet in deze td hiete, geleuf ik, ofwel kaauw rpelbuurtvrete. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
 

kaaweg

bijvoeglijk naamwoord .

WBD III.4.4:36 'kouwig weer' = fris weer, ook 'kouwelijk, zuur, lucht weer'

 

kaawelek

bijvoeglijk naamwoord .

kouwelijk

Dialectenqute 1876 - kaauwelik

WBD III.4.4:36 'kouwelijk weer'

 

kaawkrimperd

zelfstandig naamwoord

koukleum

Hees krimperd (VI:78)

 

kaawmrt

zelfstandig naamwoord

Kou-markt. Zo genoemd omdat de kou-markt in de winter werd gehouden, in Tilburg op 25 januari.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Mergen is 't kaauwmert, ik zel ze [het vee] r henen staauwen.

- Van Delft - - "Mee Baomus" (St. Bavomarkt) betaalt de boer zijn landhuur en "mee Kauwmert" (Koudemarkt) huurt hij zijn personeel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- WBD (III:950): Niet opgenomen zijn 'blauwe maandag' en 'kaawmert'

 

kaaziemier

zelfstandig naamwoord - stofnaam (textiel)

Henk van Rijswijk - Casimir: zachte fijne wollen lakenstof, vaak met kamgarenketting en strijkgareninslag, in 3 schachts keperbinding of 4 schachts dubbelkeper geweven, lichtgevold en kort geschoren, waarbij de keperbinding nog zichtbaar blijft. Toepassing zomerkleding en shawls. De naam verwijst naar het oorspronkelijke gebruik van wol van de kasjmirgeit uit Tibet.

 

(Herinneringen aan zijn opleiding aan de Hogere Textielschool - 1 september 1950 tot en met juli 1954), http://www.cubra.nl/auteurs/henkvanrijswijk/textielschool.htm

J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) Casimir. Fijn glad wollen laken, licht gevold en kort geschoren. Keperbinding.

 

kab, kbke

zelfstandig naamwoord

bigge(n), jong varken

WBD jong varken, big, ook genoemd 'big', 'bag' of 'kuuske'

Dialectenqute 1876 - kabben en zeuge - biggen en zeugen

Zie De Bont, kap II

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Naast 'drift' in T, ook 'kuuske' en 'kab/kabbe' rond T, alsmede 'bag' in een gedeelte v. Midden-Brabant. (blz. 154, krt.86)

Bont kap, zelfstandig naamwoordvr. (weinig gebr.) 'kab' - bag, (het gewone woord in ons dial. big; verkleinde vorm 'kbke(n)'

 

kabaan

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:25 'caban' = wijde regenmantel zonder mouwen [?]

 

kabas

zelfstandig naamwoord

boodschappenmand, armkorf

WBD III.3.1:95 'kabas' = winkelkorf

WBD III.2.1:135 kabas, korf = marktkorf

Stadsnieuws:  Ze liep meej der kabas langs de mrtkraome en laojde vur hil de week bodschappen in (050706)

 

Kaboutersmidje

zelfstandig naamwoord, vogelnaam

specht

- Frank Klaroen (= Willem van Mook), Nieuwe Tilburgsche Courant, Het wonder van pastoor van der Lee, 9 mei 1934: Vinken floten in het verborgene en in een populier kwetterde een ekster. Daar waren nog andere vogelen die zij niet kenden, als een pochende koekoek, die zijn eigen naam riep, en de lijk een kaboutersmidje op een ver boomenaambeeld hamerende specht.

- WTT 2017 - De benaming komt niet voor in het WBD III.4.1

 

kabbe

werkwoord, zwak

WBD (Hasselt) jongen, biggen ter wereld brengen, ook 'bagge' genoemd

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Naast 'drift' in T, ook 'kuuske' en 'kab/kabbe' rond T, alsmede 'bag' in een gedeelte v. Midden-Brabant, (blz. 154, krt. 86)

Bont kabə(n) zw.ww.intr. (weinig gebr.) 'kabben',- biggen werpen.

 

kachel

zelfstandig naamwoord

kachel

Daamen - Handschrift 1916:  'en ze zaat bij 'n uite kachel'

ES 2012: Daamen tekende dit waarschijnlijk op om het bijvoeglijk gebruik van 'uit' te signaleren.

 

kachele

werkwoord, zwak

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): bevallen

WNT KACHTELEN, kachelen, onz.zw.ww. (van Kachtel, kachel)

1)Eigenlijk. Van een merrie. Een kachtel (veulen) werpen. 2)Figuurlijk. Van een opper of een schelf, of van eene lading, waar een deel van losgaat of uitvalt. Uitschieten, uitvallen (De Bo).

 

kachelpp

zelfstandig naamwoord

kachelpijp

Frans Verbunt:  hogehoed

WBD III.1.3:172 'kachelbuis' = hogehoed ook 'hoge dop', 'hondenkooi'

WBD III.1.3:176 'kachelbuis' = hogehoed

 

 

kadeej

zelfstandig naamwoord

iemand van forse gestalte; uit de kluiten gewassen persoon; manwijf

Daamen - Handschrift 1916:  "kadee - 't is ne flinke kadee ('n flink iemand)"

Hees - kedee (I:39)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kadee - rare kerel (zned.)= fr.'cadet' - jongste zoon; Ontleend aan fr. 'cadet'.

Antw. CADEE zelfstandig naamwoord m. - iem. die in 't goede of 't kwade uitmunt; kerel, snaak

Verhoeven (1978):  KADEI (kedj) m. feest, smulpartij. Z.a.

Bont KADEE - iemand die groot van stuk, flink uit de kluiten gewassen is; 1) b.v. een zwaar kind: 't Is enen dikke/zwore Kadei; ook van zaken gezegd: Die lesten biejkrf, da's zeu 'ne kadei! 2) in verzwakte opvatting: kerel, vent, snaak, sinjeur, een hele meneer; 3) drek v.e. mens: Pas op, door lee 'ne kadei!

WNT CADEE, ca(d)dei, ontl. aan fr. 'cadet' en dus eigenlijk hetzelfde woord als 'cadet'. Z.a.

S&S KADEE: 1) iem. groot v. stuk, flink uit de kluiten gewassen; 2) in verzwakte opvatting: kerel, vent, snaak, sinjeur, een hele meneer (De Bont 275).

Goem. CADEE (Wa.) - kad; znw.m.; mv. -s; Jongen, zoon, kind: ne - van 10 jaar; hij heeft al twee -s; Man, in de uitdrukking ''t is ne vieze -, ne flauwe -, enz.; Jongen of man die zich in iets onderscheidt; Dat is ne - geworden! (die is knap of groot geworden). Z.a.; Bet. ook 'pret' in de uitdrukking ''t zal gaan - zijn met de kermis'; ook het tegenovergestelde 'herrie' in de uitdrukking ''t was daar - ', ze vochten dat de pluimen eraf vlogen.

WBD III.1.1:3 'kadee' = man

WBD III.4.4:222 'Kadee' =iets groots in zijn soort, ook 'joekel', knoeperd'

 

kaffetuul

zelfstandig naamwoord

kaft, omslag van een boek. Zie lemma WNT koffertorie onzijdig) Uit ofra. covertoir. Verg. KAPITORIE, KAFFETORIE, KAFT, enz. Daarnaast koffetuur (mnl. coffiture enz.), overgenomen uit ofra. coverture.

H. van Rijen (1988): doe meepesaant es en kaffetuuleke om d buukske - ... een kaftje;

Schu KAFETUUR te Roermonde voor 'omslag eens boeks', gewis van 't fr. 'couverture'; te Loven: 'couvert'; in Brab. vroeger 'spaarsel';

WNT KAFFETORIE - het perkamenten, lederen overtreksel v.e. boekband; bij uitbr.: boekband, omslag v.e. boek

 

kak

zelfstandig naamwoord

poep, stront

KAOLE KAK - kale kak (verband met 'kakelen, gekakel'?; zie De Vries 'Taalkundige opstellen' blz. 253)

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Ze zal dere kak wl phaawen as ze irst mar is en paor kortooren heej. = haar branie zal wel minderen zodra ze kinderen heeft (Tilburgse Taalplastiek 123)

WBD III.1:302 'kak, hoge kak, bluf, lef, geneuk' = bekakte praat

WBD III.1.1. lemma uitwerpselen ook in Tilburg

WBD III.1.4:169 'kale kak', 'hoge kak' = trots (subst.)

WBD III.1.4:171 'kale kak hebben' = zich heel wat inbeelden

WBD III.1.4:174 'veel kak' = pralerij

WBD III.1.4:394 'kale kak' = kouwe drukte

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kak zn - kak: veul kak hbbe

Bont kak zelfstandig naamwoord m. - kak; zegsw. "Hij zal z'ne kak wel ophaauwe' - Hij zal zijn grootse plannen wel niet ten uitvoer brengen.

Antw. KAK zelfstandig naamwoord m. - wdbb.; fig. beslag, beschar, windmakerij: veul kak. Daar is kak aan den knikker; zijne(n) kak ophouden - zich bedenken.

 

kakbngske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kakbankje; meestal in het meervoud gebruikt

ES 2012 - 'Kak' betekent hier 'armoede', en dus niet het 'kak' van hierboven; en wel de zitplaatsen in de kerk voor de armsten van de parochie.

WBD III.3.3:45-46 'kakbankske' (in de kerk); De banken achterin de kerk, die niet werden verpacht, en waar de armen kostenloos konden gaan zitten. De informanten uit Hoogerheide, Breda, Hoeven, Oosterhout, Loon op Zand, Tilburg, 's-Hertogenbosch en Kontich vermelden dat dit gebruik niet meer bestaat.

ES 2012 - Het WBD geeft voor Tilburg ook: klompenbenkskes, bankskes, gemeentebanken, spierenbankskes, gemeen banken, armenbankskes, armbanken.

 

kakhs

zelfstandig naamwoord

kakhuis, WC

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  as ge p grote-meensekakhze gaot, dan valde dur den bril (Daamen - Handschrift 1916: ) - Wie de grote heer wil uithangen of dingen wil doen die alleen volwassenen aankunnen, komt bedrogen uit.

 

kakhiele

werkwoord, zwak

op hielen trappen; figuurlijk: doordrammen, dwarsliggen

kakhiele - kakhielde - gekakhield, maar alleen in de infinief aangetroffen

Daamen - Handschrift 1916:  "kakhielen - noemen de kinderen, als ze bij het baantje glijden, elkaar van achteren hard tegen de hielen glijden"

Van Beek - Ge meugt nie kakhielen! roepen de kinderen tot elkaar bij het glijden, bedoelende, dat men elkaar niet zo vlug achterop mag glijden, dat de voorganger vallen zou. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

Cees Robben Moette-me-noggus... k..k kkakhiele...(19560128)

n kakhiele zin ze dan, hi. n dan han we klompen aon n dan zin ze: N, ge moet nie kakhiele! N, gao mar vur ons t! Kke f gij et goed knt n ineens hup zgge n dan vielde op oew gat! Ha, ha, ha! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Frans Verbunt:  pootjelappen

Slibberen in de wnter/ op en sbaon meej zen alle./ "Kakhiele" roepe n die veur oe/ stiekem laote valle. (Henritte Vunderink; Vruuger; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Stadsnieuws:  Lig tch nie zo te kakhiele, ge haawt de hille mieterse boel op! - Werk toch eens door, je houdt de hele zaak op! (210410)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kakhiele - (doen) onderuitglijden

WNT KAKHIELEN - heeft slechts betekenissen die letterlijk met schoeisel te maken hebben.

Oorsprong

WTT 2012: de oorsprong van het werkwoord ligt waarschijnlijk bij het zelfstandig naamwoord 'kakhiel'

OT 72:196 kakhiel 'zere hiel, winterhiel'; met kakhielen loopen = 'last hebben van pijnlijke hielen', ook: 'er berooid bij lopen'; kak als negatief voorvoegsel. (l8e-eeuws)

Antw. KAKHIEL zelfstandig naamwoord mannelijk - hiel die ver naar achter staat (ook: schijtvessem)

 

kakke

kakken, defaeceren

werkwoord, zwak

kakke - kakte - gekakt

Kwart veur kakke: lt oew broek mar vast zakke.

A.J.A.C. van delft - "Dat vrouwtje zou wel op 'n stuivertje kakken" zegt men schertsend, waar een meer beschaafde spreekt van "Hemmetje raak m'n rokje niet". (Nieuwe Tilburgsche Courant - 27 april 1929; Van vroeger dagen 111: Spreektaal)

MP gez. Kakke gao vur't bakke.

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  as ge krooten it dan kakte bloed (JM'50) - het is je eigen schuld.

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  oover zen tng kakke ( Daamen - Handschrift 1916: ) - overgeven (ook van dronkenschap;

Lechim - Jullieje Sjarel hee 'nen auto/ Hij kan gewoon niemir te voet
Irst gao'tie d rotding vatte/ assie efkes kakke moet.' (
Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: 't Mot ergens
vendaon koome
')

Piet van Beers - We ginge saome meej den hond/ want die moes fkes kakke. (uit: 'Strm oover Nederlaand...', 27-10-02)

Piet van Beers - 't Eete is goed n de slaoj isser mals/ n 't vles wort in oolie gebakke./ n... 't vurdl daorvan is... ge rkt nie verstpt./ n... ge kunt lken dag fn gn kakke. (uit: Groeten uit Mallorca; www.CuBra)

Piet van Beers - Vruuger han de rme meense/ gin van allen n W.C.
Martoen zaate ze te kakke/ op t Hske of de Plee. (Uit: De Poepdos; www.CuBra)

Elie van Schilt - As de kraante gelezen waren dan werden die zorgvuldig in vierkantjes gescheurd. In de plee, zaat neffen de deur unne grote spker en daor wieren die blaoikus aangeprikt. We hadden toen nog gin puuzeltjes; duurde ut un bietje lang vur ut kakken hillemal klaor was, dan konde de td vullen mee die stukskes kraant te lezen. Kon alln mar overdag, want licht op de plee, dat kwam pas veul laoter. (uit: 'De plee', www.cubra, ca. 2002)

WBD III.4.2:37 kakke - schijten

WBD III.1.1. lemma ontlasting hebben ook in Tilburg

Bont kakə(n) zw.ww.intr. 'kakken'

Goem.KAKKEN - kakə, wkw (rg.): kakken gaat vr bakken

Antw. KAKKEN zie wdbb.; spr. Kakken ga(at) veur bakken, al staat den oven heet

 

Hippolais icterina (onder)

kakkeluut, kakeluut

zelfstandig naamwoord

spotvogel - Hippolais icterina

Daamen - Handschrift 1916:  "kakkeluutje - klein lief zingvogeltje dat alle vogels nazingt, zoeteliefje"

ES 2012: In tegenstelling tot wat Daamen suggereert, lijkt 'zoetelief' niet gebruikt te zijn om de spotvogel aan te duiden, maar is het de volksnaam voor soorten leeuweriken en voor de ortolaan. ►Zie dossier leeuwerik van Jos Swanenberg; zie Blok & Ter Stege 2000)

Van Delft - - Als wij des zomers vogeltjes gaan zoeken dan "gaon we veugeltjes zuuken" en we vinden "veugeltjes op aijkens en mee naokte jong van bremkwetjes, piedieven, kweiken, schrijvers, kakeluutjes, blaauwkupkes, merkoven, koolmees, enz."(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD III.4.1:70 kakkeluutje - spotvogel

Zijn karakteristieke geluid werd omgezet in de namen Kuleku (NB), Kakeluutje (NB), Kakkeluut (Vla), Kakkeduut (Vla)... (Blok & Ter Stege, De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis; 2000)

 

kakkestoelemaaje

werkwoord; infinitief

een persoon vervoeren, zittend op de gekruist samengevatte armen van twee personen

Foto: Woordenboek van de Vlaamse dialecten III-6 School- en kinderspelen

Detail uit een schilderij van Pieter Brueghel de oudere met kinderspelen

WNT - KAKKESTOELEMEIEN - Aan den kinderkakstoel (?) wordt gedacht bij 't bekende spel waarbij twee kinderen, die elkaar de hand of de beide handen geven, een derde kind op het zoo gevormde zeteltje ronddragen; het heet te Oudenaarde kakkestoelke dragen, te Brugge kakstoeltje-wagenare, in Belgisch-Brabant kakkestoelemenneken, in Holland nagenoeg algemeen kakkestoelemeien, en daarnaast te Zwolle kakkemaaiestoelen, in Groningen kakkemanjestoulen, in Oost-Friesland kakkemakkestleken.

A.J.A.C. van Delft - En dan dat elkaar op de handen en armen dragen, dat "kakkestoelemaaie" genoemd werd. Een speelliedje hierbij luidde: "kakkestoelemeien, we dragen het kindje met beije (beiden)". (Nieuwe Tilburgse Courant - 13 november 1954; Uit de oude doos: Een brokje Folklore)

WTT 2012: Bij dit spel hoort een rijm dat in zeer vele vormen is overgeleverd. Jac. Van Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, deel 1, pag. 420-421 (1913), geeft deze variant:

En deze foto met de drie fases van het spel:

Koenen - kakkestoelemeien - spel waarbij twee kinderen elkaar de handen geven en daarop een derde kind ronddragen.

Antw. KAKKEKOELEMEIEN - hetzelfde te Antw. als elders Deezeken dragen.

Molema KAKKEMANJESTOULEN - een kinderspel, z.a.

Hees kakkestoelemeie (I:62)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kakkestoele - ook 'drille' genoemd, z.a.

 

kakscholtje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

bewaarschool

WBD III.3.1:445 'kakschooltje' = kleuterschool: ook 'papschool'

 

kakstoel, kakkestoel

Circa 1860

zelfstandig naamwoord

kinderstoel met ingebouwd potje

Van Delft - Een rijf is een hark, een reep is een hoepel, een moor is een ketel, een kakstoel is een kinderstoel. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

WBD (III.2.1:87) kakstoel = kamerstoel

Antw. KAKSTOEL zelfstandig naamwoord m. - kinderzeteltje met een tafeltje dat tot sluitsel dient, en een latwerk dat het kind belet er uit te vallen. Fig. iemand die flauwen praat verkoopt. Zoo 'ne kakstoel!

WNT KAKSTOEL 1) eigenlijk: een stoel om op te kakken; soort van kinderstoel met een gat in, en eene pot onder de zitting, tevens tafelstoel.

Schilderij van Jan Miense Molenaer - 17de eeuw (detail)

Schilderij van Evert Pieters - 17de eeuw (detail)

 

kalf, kalfke, ►klfke

zelfstandig naamwoord

kalf

Van Delft - "'n Kalf kan tegen 'n koe niet stooten." Dit is: De mindere moet voor den meerdere bukken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

WBD nuchter kalf - pasgeboren kalf

WBD de kalvertaande ng (in)hbbe - gezegd van een overjarig kalf dat nog niet van tanden gewisseld heeft

WBD (ng) en kalf in de bk/ mnd zn - als boven

WBD vrskalf, vrskalf, vijrskalf, kuuskalf - vrouwelijk kalf WBD kalfvrs, kalfmaol - jonge koe

WBD kalfkoej, kalfvrs - koe die kalven moet

WBD loojkalf, lj - mannelijk kalf

WBD (van een koe) 'der is en kalf in', 'der zit en kalf p' - ze is drachtig

WBD vleinaam v.h. kalf: 'kalfke', 'klfke'

WBD roep-/loknaam v.h. kalf: kalf, koes, koes koes koes (Tilburgse Taalplastiek 143)

gez. Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): et kalf wrdt grtter as de koej = de kosten wegen niet op tegen 't resultaat

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  et kalf is de koej nie wrd (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - 't sop is de kool niet waard

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kalf zn - kalf; zegswijzen z.a.

WvM 'De k ziede by 't kallef'

Frans Verbunt:  as et lukt kalft den s - er moet een wonder gebeuren, wil het lukken

 

kalfkoej

zelfstandig naamwoord

WBD koe die kalven moet, ook 'kalfvrs' genoemd

Bont kaləfku.u zelfstandig naamwoordvr. 'kalfkoe' - koe die kalven moet

WNT KALFKOE - Benaming voor eene koe die met kalf is, die kalven moet.

 

kalfsmesien

zelfstandig naamwoord

WBD instrument waarmee men, mechanisch geholpen, kalveren doet geboren worden

 

kalftndjes

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

H. van Rijen (1988): melkgebit

 

kalfvrs

zelfstandig naamwoord

WBD jonge koe, ook genoemd: 'vrs', 'vaors', 'vijrs' of 'kalfmaol

Antw. KALFVERS zelfstandig naamwoord v.- drachtige veers

WNT KALFVAARS - kalfdragende vaars

WBD III.1.5:139 'manchetknoop' = manchetknoop

WBD III.1.5:139 'boordenknoopje' = boordenknoopje - Naglijder op basis van nevenvorm 'knoop' met scherplange oo.

 

kalido

hoofd

etymologie onbekend

...den aawe Vinken mee z'n zwart petje op z'ne kalido. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
...terwijl den Sik z'n bolhuudje netjes recht op z'nen kalido plaantte. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

 

kalk

zelfstandig naamwoord

kalk

WBD kalk - nathuis, de afd. in de looierij of het bijgebouw waar de zgn. nathuisprocessen plaatsvinden; II 600

WBD kalk - vlezerij, de afd. of ruimte waar wordt gevleesd; volgens de respondent van K 183 vond het vlezen plaats in de 'kalkerij'. II 608

WBD kalk - kalkerij, de afd. of ruimte waar wordt gekalkt; II 604

WBD kalke (ww) - kalken, behandeling van tuig- of overleer (II 603), ook 'zwaovele' genoemd

WBD kalk stroje - kalk strooien, kalken van lijmvlees (II 610) 

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  kalk in de ogen hbbe (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72) - moeten trouwen (Vrouwen menen aan de ogen te kunnen zien dat iemand in verwachting is.)

 

kalkaaj

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): kalkei

 

kalleve

werkwoord, zwak

kalven

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Overdrachtelijk zei men tegen een jongen wiens hemd te voorschijn kwam uit zijn kapotte broek: 'ge kalft' (Tilburgse Taalplastiek 143)

WBD kalve (II:1006) - afkalven: het afzakken v.h. kettinggaren; ook wel: afkalve, inkalve of kalvere genoemd

Frans Verbunt:  as et lukt kalft den os (er moet een wonder gebeuren, wil het lukken)

Stadsnieuws:  As et lukt kalft den s (280506)

Bont kalvə(n) zw.ww.intr. 'kalven' overgeven, braken

Antw. KALVEN - overgeven, braken

zelfstandig naamwoord meervoud van 'kalf', kalveren

Audio-opname 1978 -- ..n schaope nt as in den orlg, wiere zak zgge schaopen ok geslachtn nuchtere kalleve zak zgge, kalleve die zak zgge nt snaachs geboore waare! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

 

kalvermndje

zelfstandig naamwoord

WBD muilkorf voor een kalf

 

kalvertaand

zelfstandig naamwoord , plur.

WBD melkgebit van een kalf, ook genoemd: 'mlktaande' of 'taande'

 

kam, kmke

zelfstandig naamwoord

kam

Dialectenqute 1876 - hoanekaam

 

kameraod, kammeraod

verkleinwoord: kam(m)erdje

meervoud: kam(m)eraoj

zelfstandig naamwoord

kameraad

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  kameraoj (plur.)

Bont kamərot, zelfstandig naamwoord m. 'kammerood' - kameraad

zelfstandig naamwoord

Diktee 2000 '... onze kammeraoj t Suurienaame'

Diktee 2007 'Dere meens f kammeraod lopt naa vort achter de waoge...'

 

kamgaore

zelfstandig naamwoord

WBD 'kamgaarə' (III:870) - kamgaren

WBD 'kamgaorən stuk' (II:870) - kamgaren stuk

Cees Robben Mar t is unne echte kamgaore... [jas] (19700306)

WBD II.4. p. 870 Stof geweven van uit kamwol gesponnen garen.

kmgaoren stuk, K 183 (= Tilburg) ;

kamgaare, K 183 (= Tilburg) .

 

kamieon, kameeon, kammeejon

zelfstandig naamwoord

WBD III.3.1:395 'camion' = vrachtwagen

LDM - Dan de camon, wel bekend, ook een platte wagen, waarop ook opzij en achter borden konden worden gezet om het afvallen van de geladen stukgoederen te voorkomen. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 21 Tilburg had een respectabele lijst; NTC 4-2-1954)

 

kammemaoker

zelfstandig naamwoord

kamslager

WBD kammemaoker (II:977) - kammenmaker, kamslager: vervaardiger van weefkammen; ook wel: 'kamslaager' genoemd.

 

kamment

zelfstandig naamwoord

kabinet, bep. type kast

Cees Robben Op de bovenste plaank van t kammenet.. (19741115)

S&S kabint-p-hoge-poote: zware, dikke vrouw met lange benen (hs K 183)

Daamen - Handschrift 1916:  "kabinet op hooge pooten (een zware dikke vrouw met lange beenen)"

Urk - KAMMENET - cabinet, grote kast (verouderd)

S&S - KABINET-OP-Hoge-POTEN, vgl.

WNT VIII 817 s.v. kabinet, bet. IV, overdrachtelijk gebruik. Bet. element 'zwaar en dik' zit in 'kabinet', 'lange benen' zit in 'hoge poten'. Elders niet aangetroffen. (blz. 35) XVIIe eeuw (Glossarium, v. Sterkenburg) CAMENET kabinet

 

kamwiel

zelfstandig naamwoord

kamwiel

WBD kamwiel (II:1041) - onderdeel v.e. regulateur; ook genoemd: kamwieleke, wisselwiel, schaokelwiel of rnsel

 

kan

zelfstandig naamwoord

inhoudsmaat voor natte waar, gelijk aan 1,44 liter

(in Tilburg in gebruik vr de invoering v.h. Ned. Metriek Stelsel, 1820) zie: Verhoeff

WBD III. 4.4:298 'kan' = liter, ook 'kop' of 'kopke'

WBD III.4.4:299 'kan' = kwart hectoliter, ook 'viertel' of 'deel'

 

kandelr, kandelrke

zelfstandig naamwoord

kandelaar

R.J. en krske in ene kandelr

WBD (III.3.3:67) kandelr = kandelaar

Antw. KANDELR zelfstandig naamwoord m. - kandelaar

WNT KANDELAAR, kandeleer, kandeler

 

kandijmik

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3:195 'kandijmik' = suikerbrood

 

kanelwaoter

zelfstandig naamwoord

kaneelwater (drank of medicijn)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  van gist tt kanelwaoter (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 72) van het kastje naar de muur

WNT KANEELWATER - Benaming van een, van of met kaneel, door distillatie bereid "water"; als geneesmiddel enz.; waarvan verschillende recepten bekend zijn.

 

kanjert

zelfstandig naamwoord

kanjer, exemplaar groot in zijn soort

met paragogische t

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  kanjert

WBD III.1.1:223 'kanjer' = penis

WNT KANJER, kanjert - B) 1) Iemand die voortreffelijk, uitnemend, uitmuntend is in zijn vak, in zijne soort; een baas; een heer, een Piet. 2) Iemand met een groot vermogen; van een aanzienlijken staat. 3) Iemand die door lichaamsgrootte of door lichaamssterkte, of door beide, uitmunt. 4) Overdrachtelijk van toepassing op zaken ...

 

kannadas, kanniedas

zelfstandig naamwoord

Canada populier, canada; 'kanada' - Populus canadensis, ook wel: Populus monilifera Ait.


Heukels: Canadassenboom - Oost-Brabant
WBD III.4. 3:132 canadas - witte abeel; ook genoemd witte canada of pppel

WBD III.4.3:134 canadas - canadapopulier; ook genoemd kannidas, kanada of populier

Bont ka'nidas zelfstandig naamwoord m. 'Canidas' - Canadese populier

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kaniedas' zn - Canadese populier

WNT CANADA - Eene soort van populier, Populus monilifera of canadensis.

Tilburgsche Courant - 23-9-1888

 

kaod, kaot, kaoj

1. bijvoeglijk naamwoord / bijwoord

D. Boutkan (1996): (blz. 50) kaod - kaojer - kaojst - kwaad, kwade, slecht, slechte

Meej zn kaoj weer zdde kaod wrre. - Met zo' n slecht weer zou je kwaad worden.

MP gez. (m.b.t. vrouwen:) Ge ht kaoj n verrkte kaoj. (Die nkhaor hbbe, zn kaoj, mar die krullekeshaor hbbe, zn verrkte kaoj.)

R.J. ze wier kaod

Van Delft - - Sterft iemand aan een ziekte met een snel verloop, dan "sterft hij aon een kaoi ziekte".(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

"Hij is kaod", zee den postbooi. "Veur mijn part", zee den winkelier. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

...mar ik maok me mar kaot, en t helpt me niks. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

SJAREL. N, hij [een politie-agent] kwaamp vraoge of dek 'n vergunning ha om bloemwinkeltje te speule!

KARL. Oeioeie nog toe toch! En toen?

SJAREL. Wel, ik hiel um eerluk gezee n bietje vur den aop en ik vroeg um of hij n vergunning ha om men kaod te maoke. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Nou is 't vergeetmenieke/ vergeten en vergaon;/ da hee ons dikke Mieke,/ die kaoje koei gedaon. (Leo Heerkens; uit De knaorrie (Piet Heerkens), Vergeetmenieke, 1949)

De Wijs -- Ik wil bist wete dk n kaoi boor ben mar zij is k nie prut (23-09-1970)

Cees Robben En kaoi bier hier meej karneval... (19730316)

Cees Robben [vrouw spreekt:] Ik wil bist weten dek n kaoi boor z... Mar gij bent k nie prut... (19761008)

Cees Robben ..Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wrk... (19700329)

Assie z kaod waar, maokte wij wel d we t de buurt blve. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Godverdomme, w waar ik kaod (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Hij stampte dan net as un kaoi prd, meej zen voeten op de grond. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Onze vadder vertrok w laoter, die reej ons mistal halfweg veurbij, op zen kaoj fiets. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Op zonne zondag asset regende, han wij flink kaoie zin. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

leider speule over un groep van zon twintig jongens, in de kaoje lftd zas ze hier zegge. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  ge ht kaoj n verrkte kaoj; - die meej krullekes in dere nk, d zn verrkte kaoj ('65)

Verhoeven (1978):  KWAAD (uitgespr. als 'kaot' in onverbogen vorm, en 'kaoj' in verb. vorm) bijvoeglijk naamwoord : 'n kaoj mnneke - een slecht persoon, een kinderlokker; heeft dikwijls de bet. van: zwak, ziek: m'ne kaoje knie, rcht in m'n kaoj oo:g.  Z.a.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaod, zonder w (krt.54)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  z gaa as ge kaod geng gedaon hd, lot O.L.H. oe trouwe (Daamen - Handschrift 1916: ) - Na het huwelijk krijgt men minder kans voor 't vrije leven

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  z kaod ast aachterste nd van den duuvel ('64)

H. van Rijen (1988): wnne kaojen hond

H. van Rijen (1988): kaoj pronoosies - slechte bedoelingen

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kaoje Jan = J. de Beer (blz. 23)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kaoj Anna = Anna Houben-Janssens (blz. 44)

WBD (III.1.2:190) 'in kwaaien doen' = ziekelijk

Bont ko.t, bijvoeglijk naamwoord  en bijwoord  'kood' (d.i. 'kaad', voor welke vorm zonder w men zie o.a. Franck v. Wijk s.v. kwaad) - kwaad, slecht, boos, kwaadaardig.

Antw. KAAD bvw. - kwaad (...) Hij is kaad op mij.

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kaod bw, bijvoeglijk naamwoord  - kwaad, slecht, boos

WBD III.4.4:43 'kwaad weer' = slecht weer

2. Zelfstandig naamwoord

het kwaad, de kwade(n), slechterikken

MP gez. Ieder et zne n de kaoj ervan dele.

V en kaoj - een ongemakkelijke, eigengereide, onwillige vrouw 

CiT (114): 'Hijst kaoi deur!'

Ons taante Zus, die moppert dan/ Want ds 'n echte kaoi. (Gieleke wsch. ps. van Michel van de Ven (Lechim) ongedateerd knipsel uit onbekende bron; ca. 1960-1980)

Cees Robben Na is ie t kaoi wir deur... (19870320)

Cees Robben Bij de goeie... Bij de kaoie... (19580426)

In de grond ist ginne koije... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

H. van Rijen (1988): hij ist kaoj deur - hij heeft het ergste gehad

...en liet Adam k enne keer bte. D hasse dus nie moeten doen. Naa waar Adam effe schuldig en han ze saomen kaod gedaon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Verhoeven (1978):  KWAAD (uitgespr. als 'kaot' in onverbogen vorm, en 'kaoj' in verb. vorm) (...) Zelfst. geb.: 'ne kaoje - een slechterik, geducht tegenstander: dan hebbe ze on men 'ne kaoje. Z.a.

WBD III.3.1:369 'kwade (kaaie)' = galgenaas

WBD (III.1.4:116) 'kwatong' = vrouw die graag kwaadspreekt; 227 'kwaad' = boos

Goem. KWAAD - ku:t, zelfstandig naamwoord. o.

Antw. KAAD zelfstandig naamwoord. o. en bvw. - kwaad. Gij doet daar kaad mee.

 

kaoje

zelfstandig naamwoord

kwade, een slecht persoon, onaangenaam mens

Interview Jolen - 1978 - Ik hb er wlles gewist, ik kwaam er ng wllesjao, Frits was ginne kaoje (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

Kaojen hoek

toponiem

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

GG Kwade Hoek - buurtschap in het noordelijk stadsdeel (tussen Groeseind en Rauwbraken)

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Paarde wiere der hier mar hil wneg geslacht. D was Jan van den Berg n die wont injwaor wont die naa zo gaaw ok wir.in de Kaojen Hoek, daor wondenie. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

kaojeghd

zelfstandig naamwoord

kwaadheid, boosheid

Van kaojeghd aatie nie.

Tot dsse ineens van kaojeghd zeej:/ "Ik lig vur piet snt hier, Gddoome!" (Henritte Vunderink, Kaawe jatte, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kottighd' - kwaadheid

...n ons Jaans die heej van kaojighei/ al daoge nie geprt. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Agge gaot hamstere)

 

kaojer

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap van 'kaod'

kwader = slechter

Cees Robben t Kos kaoier... (1860829)

H. van Rijen (1988): kwader, bozer, slechter

 

kaojjonge, kwjonge

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): kwajongen, vlegel, ondeugd

H. van Rijen (1988): plur. 'kaojjong, kwjong;' vkw. 'kaojjunske, kwjungske'

 

kaojke

zelfstandig naamwoord, komt meestal in de verkleinvorm voor;  kaantjes, stukjes uitgebraden reuzel

Cees Robben - detail uit Prent van de week van 12 februari 1965, waarschijnlijk vastenavond

- de gewone vorm 'kaoj' komt echter ook voor, het meervoud is dan 'kaoje'

- de korte vorm 'kjkes' is gangbaar naast 'kaojkes'

WNT KAAN, wsch. oorspr. meervoudsvorm. A) Vliezig overblijfsel van een stuk(je) uitgebraden vet. z.a.

De n in 'kaantjes' is ontstaan uit het mv. 'kaaien'.

kaoikes

Cees Robben - detail uit Prent van de week van 4 oktober 1985

Van Delft - - "In het veurjaor koopen wu een vrreken, een knap vrreke of een trappistevrreke, en als ie het goed gedaon hee, dan gaot ie mee Korsmis op de leer en komt de buurt stuiten en 's avonds op de kaoikes."(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klfkes.../ Kienebak soms uit de nek... (19550205)

Cees Robben [Hij] hee gin kaoikes in zn kpke. Nee mar herses.. (19540522

Lechim - Vur et braoie van de kaoikes... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Moederdag)

Lechim - gin goei booter mir op oe brod/ allen mar kneut, of kaoikes. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Oktober... spaormnd)

- Soms wier ur brood gegete/ Mee zelfgemokte zult of kaojkes Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

Piet van Beers Kaoikes: Kaoikes van ennen aawe zog./ 't Knarste n krkte tusse m n taande... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers Kaoikes: Wild oe ge ene gang bespaore/ nor taandarts of "smoelesmid"?/ Kopt gin kaoikes t de reklaome./ Want... d kost' n nuu gebit. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Van den Bredevoort - Soms waar un vrke pas geslacht, waar der zult en bloedworst en kaoikes zat (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

kaoje

Daamen - Handschrift 1916:  'koaie - kaanen'

Cees Robben   Bruine bne meej w kaoije... (19611221)

Piet van Beers De stinpst: Vier ons vrse worst n peeje../  doet er mar w jne bij./ 'n Bkske zult 'n half pond kaoje/ n tweej schve balkenbrei. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

kaojkes

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden - kaojkes in de kp hbbe (JM'50) - weinig verstand hebben

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Miet, gao mar gauw daor bij Bert Hns (Haans), gao mar gaa vur en dubbeltje bintjes haole, dan hbbe we mrege soep n kaojkes, zo (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Frans Verbunt:  gin kaojkes eete vurdt vrken op de leer hangt

Frans Verbunt:  kaojkes in zene kp hbbe - dom zijn

Ansems - Luste kaojkes, of botterhammeworst... (Tony Ansems, Kank un aai hebbe op mijnen botterham;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

Aanverwante bronnen

Bosch kaoikes - kaantjes

Hees kaai, kaan (1:77)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kaaikes' zelfstandig naamwoord , mv. - kaantjes

Verhoeven (1978):  KAAIKES (kaojkes), mv. - kaantjes, stukjes uitgebraden reuzel; van mnl. 'cade' randje.

Bont zelfstandig naamwoord vr. (gewoonlijk in het mv.) kooi, kaai, kaan - uitgesmolten stukje vet of spek.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KAAIJEN noemt men hier de vezels van geroost, gebraden of gesmolten vet.

Kiliaan: "convenit cum verbo χαω, i.e. uro, aduro, torreo."

Antw. KAAI zelfstandig naamwoord v. - hard uitgebakken of afgesmolten stukje verkenslies of rundvet, in de wdbb. 'kaan', mnl. cade, kade.

►Zie Dossier Kaojkes

 

kaok, kkske

zelfstandig naamwoord.

kaak

WBD III.1.1:79 'kaak', 'kaakbeen' = kaakbeenrand

WBD III.1.1:80 'kaken' = kaakgestel; ook: 'kakement' of 'bakkes'

WBD III.1.1:81 'kaak' = wang

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - 'kaok' komt in T niet voor in de bet. 'wang'; daarvoor dient 'wang' (blz. 184)

Antw. KAAK, znw.v. - wang, fr. joue

►zie Kaokemnt

 

kaokel

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): kletskous

 

kaokele

werkwoord, zwak

kaokele - kaokelde - gekaokeld (geen vocaalkrimping)

kakelen (als een kip)

Cees Robben [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)

Kaokele as un kiep, de wel d. Mar aaijer legge, ho mar! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

WBD (Hasselt) geluid voortbrengen (van een kip)

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): zonder ophouden babbelen

Frans Verbunt:  hij kaokelt wl, mar leej gin aajer

WBD III.2.2:69 'kakelnestje' = jongste kind

Verhoeven (1978):  KAKELEN (Kaokele) onov.ww - is behalve voor het geluid van een kip en 'door elkaar praten' het gewone woord voor: hakkelen, stotteren.

WNT KAKELEN - B) van menschen: a) luid en druk praten; klappen; ijdelen of laffen praat uitslaan; enz. Z.a.

 

kaokelgat

scheldwoord

kakelgat

Cees Robben Ruurt oe tungske op n aander/ Uitgeslaope kaokelgat (19600116) [door een pastoor gezegd tegen een gezinsverzorgster met moderne opvattingen]

 

kaokelnist

zelfstandig naamwoord

Van Beek - Het jongste kind zou voor 't eerst naar de leerschool gaan en de vader zei: "Onze kakelnest zal dit jaar ook uitvliegen. We zullen afwachten en hem zo nodig bij 't starten 'n handje helpen." (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

 

kaokemnt

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:80 'kakement' = kaakgestel; ook: 'kaken' of 'bakkes'

 

kaol, klder, klst

bijvoeglijk naamwoord .

kaal, quasi-welgesteld

kaole kak - kale kak

ene kaolen bom - een boom zonder bladeren

MP gez. Hoe klder/ grtter hnd, hoe meer vloje.

R.J. 'deh kaol en kaoi Parijs'

Cees Robben:  zene gladden kaolen bl;

H. van Rijen (1988): ene kaole tbbes - een kaal hoofd

Ts  han ze ginne naogel gehad om der kont te krabbe. Kaole kak waar et en daor waar alles meej gezeej. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD III.4.1:26 'kaal jong' (= kaol jong) - jong en kaal vogeltje

ook 'kale neet' of 'nestjong'

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): Bonnie de kaole = frater Bonifatius (blz. 100)

WBD III.3.1:302 'kak, hoge kak, kale kak' = bekakte praat

WBD III.1.1:51 'kaal' = kaal (hoofd): kaole kp, kaole knikker 

WBD III.1.3:17 'kaal' = versleten; ook: 'afgedragen'

Bont bijvoeglijk naamwoord  kaal

D kos nie

Ze rikte saome jaorelang,

d din ze ammol gre,

n zaat er in de pot geng

dan ginge ze nt tre.

 

Naa zon ze nr de Schouwburg gaon

Trees kocht en zwart-grs kleeke

omd die kleure zo op de haor

van durre meens geleeke.

 

Sjaan zcht en aorig truike t

hel sjiek, meej krte mouwe

vuurrood, want Jaonus heure man

is zogezeej enen blauwe.

 

Toen zeej Merie: Ik blf mar ts,

aanders krde schandaole,

kzo gre meedoen, mar ge wit:

"De mnne is ene kaole."

LECHIM

kaoljakker, kljakker

zelfstandig naamwoord

onbemiddelde man die dit poogt te verbergen door heer te spelen

WNT kaaljager (kaoljaoger), aanmatigende arme duivel (Molema)

Verhoeven (1978):  KAALJAKKER (koljakker) m. kale neet, opschepper. Z.a.

 

Kaom

toponiem

Chaam

 

kaomer

zelfstandig naamwoord

kamer

goej kaomer - voorkamer in arbeidershuisje (daar stonden o.a. moeders fiets en de kinderwagen)

MP gez. As plddeke-vl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes.

WBD goej kaomer - salon (de mooie doch zelden gebruikte zitkamer in een boerenhuis); ook 'vurkaomer' genoemd

WBD pkaomer - opkamer (boven de kelder, via klein trapje toegankelijk)

WBD booterkaomer - melkhuis (deel v.h. boerenhuis waar men de melk verwerkt en bewaart) 

Frans Verbunt:  kaomerke - wc

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'goejkaomer' zn - pronkkamer

 

kaomerke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Frans Verbunt:  WC

 

kaones

zelfstandig naamwoord

Van Dale - kanis - (volkst.) 1. hoofd, kop, 2. bek, 5. lichaam, 4 (gew. en Z-A) vent, 5. (gew.) kanjer

Daamen - Handschrift 1916:  "koanus - hij hee z'nen koanus goed gevuld (maag)"

WNT KANIS (II) Een "bargoensche" term, een straatwoord voor hoofd; 'kop', 'test'

Cees Robben Vleje-week-vrom waren oew pre buikzuut.. oew appelesiene mrf.. oewe knolraop vs... en oew repel glaozig... steeket zelf mar in oewe kaones... (19680209)

 

kaoper

zelfstandig naamwoord

kaper

 

WBD III.3:204: 'kaper' = meisjesmuts met afhangende strook; ook; kapmuts

 

kaord

zelfstandig naamwoord

M kaarde

 

kaordebl

zelfstandig naamwoord

kaardebol

WBD kaordeblle (II:1057) - kaardebollen

 

kaordemaoker

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): weefkaartmaker

 

kaordewals

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): (textiel)wals waar de kaardebollen op bevestigd worden voor het kaarden van de wolvezels

 

Kaartspelers - Lucas van Leijden

kaort, krtje; meervoud: kaorte, kaorde

zelfstandig naamwoord

D. Boutkan (1996): plur.: kaorde/ kaorte

1. speelkaart

D. Boutkan (1996): kaort - kaorde/kaorte

Wffer kaort hdde? - Wat voor kaarten had je? hartes, rtes, schuppes, kleeveres

leege kaorte - kaarten zonder prentje

lege kaorte - lage kaarten

Van Beek - Men zegt ook "kaarten als klompen" te hebben.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Cees Robben:  Van de kaort aaf; kaortaovend;

Frans Verbunt:  leege kaorte zn mistal kaoj kaorte - kaarten znder prentjes

H. van Rijen (1988): 'leege kaorde' speelkaarten zonder plaatjes

H. van Rijen (1988): leege kaorde, kaoj kaorde - slechte speelkaarten

Bosch kaort - kaart, kaarten

Antw. KAART zelfstandig naamwoord v., Fr. carte - wordt in den zin van speelkaart veel zonder meervoudsuitgang gebezigd. Schoon, slechte kaart hebben.

2. andere samenstellingen

Bont zelfstandig naamwoord m. 'kaort' - kaart (brief-, speel-)

WBD kaort (II:1067) - kaart, patroonkaart met weefpatroon

WBD III.3.1:440 'kaart' = ansichtkaart; ook 'prentkaart'

 

Schilderij van Jan Miense Molenaer (detail) - 17e eeuw - Kaartspelers bij kaarslicht

 

kaorte

werkwoord, zwak

B kaorte - kaortte - gekaort geen vocaalkrimping

kaarten, kaartspelen

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Cees Robben:  Ik hb ng gin rg in oe, al zaate in mene broekzak te kaorte.

DANB gaode gij vandaog nie kaorte?

WBD (III.3.2:164) kaorte, ►kaortspeule, meej de kaort(e) speule = kaarten

 

kaortewals

zelfstandig naamwoord

kaartenwals

WBD kaortewals (of: kaordewals) (II:1061) - kaartenwals

H. van Rijen (1988): 'kaordewals' (textiel) - wals waar de kaardebollen op bevestigd worden voor het kaarden van de wolvezels (vgl. WBD II 1060: kaord(t)ewls)

 

Detail uit een schilderij van Willem Cornelis Duysters

kaortspeule

werkwoord, zwak

kaartspelen

Daamen - Handschrift 1916:  kaortspeulen is gin schaophuuje...

's aovends kaortspeulen... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

As der kaort gespuld wier, vroege ze wel of ik meedeej. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Interview met de heer De Kok (1978) D was de St. Josefkring, die was daor. D was de St Jozefkring. D was, daor konde, konde kaortspeule n zowiets ammel, h. KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren

WBD (III.3.2:164) kaortspeule, kaorte, meej de kaort(e) speule = kaarten

 

kaot

zelfstandig naamwoord, onzijdig

kwaad

Cees Robben Wie heej nog niemand kaot gedaon... (19570615)

 

kaoter

zelfstandig naamwoord

kater

Van Beek - "Hij hee unne kaoter gestrikt" wil zeggen dat hij een rijk meisje trouwde. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben Unne kaoter gestrikt op de klinkert (19561215) De betekenis van klinkert is hier niet duidelijk; Robben bedoelt: een goede partij, een rijke echtgenoot voor meisje van eenvoudige komaf.

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  derbij zn as ene gelubde kaoter (Pierre van Beek -- -Tilburgse Taalplastiek 1970) - steeds haantje de voorste

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  ene kaoter strikke ('87) voordeel behalen (ook bij kaartspel)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  hij had ene kaoter gestrikt p de Klinkert ('58) - een rijk huwelijk gesloten (klinkert = klinkerweg)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de kaoter zen knt gelkt hbbe ('50) nadorst hebben, daags na overmatig alcoholgebruik

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  dnke ene vtte kaoter te strikke, n et waar en maoger poeske (Daamen - Handschrift 1916: )

 

kapbltje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

H. van Rijen (1988): = kapmis - hakbijl, kapmes

 

kapmis

zelfstandig naamwoord

kapmes, hakbijl

Kapmis, leepel f schr (kinderspelletje)

WBD III.2.1:249 'kapmes' = hakmesje, ook 'hakmes', 'slichtmes'

kapmis, leepel f schr

naam van een kinderspel (geen nadere gegevens bekend)

Audioregistratie 1978 - Ik weet nie f gullie d ng wit d wij vruuger op school din kapmis, leepel f schr? Dan ging er zonne jonge, ging krom staon, dan zaat er ene op zene rug n die op zene rug zaat die di dan zo: Kapmis, leepel f schr? n assie d raojde dan, h, dan moes den aandere krom gn staon! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kapoen

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): nte kapoen - gehaaid persoon, c.q. grote deugniet

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KAPOEN is een verachtelijke naam of scheldwoord, hier van Brussel overgewaaid, alwaar de kaai-boeven, aldaar voor een zeer slecht slag van volk gehouden, aldus genaamd worden.

Antw. KAPOEN zelfstandig naamwoord m. - deugniet, Fr. coquin

WNT KAPOEN III) 1) als een verachtelijke benaming, als een scheldwoord in 't algemeen; 2) vreemde gast, rare klant; 3) beklagenswaardig wezen; 4) in Z-Ndl. deugniet (eigenlijk of schertsend).

 

kapoerewiets

bijvoeglijk naamwoord

H. van Rijen (1988): stuk, kapot, dood

WTT-2012: de etymologie is nog niet bekend

WTT-2019: een uitbreiding van het jiddische 'kapore' via het bargoense 'kapoeres'. 'Kapore' verwijst naar het ritueel 'kapores sjlogn' (voorafgaand aan Jom Kipoer), waarbij een haan geslacht wordt en aan een arme wordt gegeven. (Bron: Heikens, Henk, e.a.: Hebreeuwsche en Jiddische woorden in het Nederlands, SDU, Den Haag 2002) In het bargoens is dit doden overgenomen als toestand.

Van kapores gaan

- Anoniem - Ons varken is gestorven/ En 't beest heeft zoo geschreid, faldera,/ Al om die narigheid. // Waar ging het van kapores?/ 't Was vetziek, beste man, faldera./ Daar sterven ze alle van. Uit: De Engelbewaarder, jrg. 25, Tilburg 1908, p. 290.

 

 

kappe

werkwoord, zwak

kappen

kappe - kapte - gekapt

WBD (v.e. paard) met de voorbenen een trap geven

 

kappelaon

zelfstandig naamwoord

kapelaan

Cees Robben Den kapelaon, hij boert mar vort... (19550129)

 

kapplmister

zelfstandig naamwoord

kapelmeester

- Jan Melis is kapelmister en zal oew laoten genieten van fijne muziek; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

 

kapper, kapperke

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:297 'kapper', 'kappertje' = twee deciliter

WBD III.2.1:181 'kapper' = drinkglas met een voet; borrelglaasjes, kleine bierglazen

LDM - Nu zouden wij het hebben over de biertapperij. Ja, en zoals reeds gezegd, werd vroeger het bier in de kelder uit de houten kraan getapt. Er waren echter ook herbergen waar het per literskruik op tafel gebracht werd. Zo herinneren wij ons nog het caf van de Wed. van Broekhoven, juist in de bocht rechts, ongeveer aan de Groenewoudstraat. Men bestelde daar een kruik bier en de kasteleines bracht die met evenveel glaasjes als het gezelschap personen telde. Die glaasjes waren natuurlijk niet groot. Men noemde ze kapperkes. Was de kruik leeg, dan bestelde men een nieuwe. De prijs was n dubbeltje. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 10 Het tappen van het bier; NTC 29-08-1951)

WNT: znw. m.; dikwijls in den vorm van het verkl. Alleen in Z.-Ndl.
De naam van een drinkglas dat ongeveer 1/4 liter inhoudt. (...) Kapper, glas van een halve pint, het vierde van een liter, SCHUERM. [1865-1870]. Kapper, Glazen vat, met of zonder voet, omtrent de helft van een gewoon bierglas, CORN.-VERVL. 'Ne glazen kapper, Ald. - Pintglazen, joorkens of kapperkens, genever- en wynglazekens, DUVILLERS, Bar. Penninck bij DE BO 433 a [1851]. Met den naam van een drank in bijstelling (vroeger in den genitief): zooveel als er van dien drank in een kapper gaat; een halve pint. Kapper, oude vochtmaat, wat meer dan het vijfde van eenen liter, CORN.-VERVL. 'Ne kapper smout. 'Ne kapper olie. Ald.
 

kappesien

zelfstandig naamwoord

1. capucijn (monnik)

lid van de kloosterorde Ordo Fratrum Minorum Capucinorum (franciscanen); afkorting: OFM Cap.

In Tilburg gevestigd in een klooster op Korvel.

 

De Kappesiene krk witte te staon dnk, h? [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

- ook: kappesiener; meervoud: kappesiene, zowel voor de kloosterlingen als de orde.

- in de volksmond 'blotevoetepaoters' genoemd wegens hun blote voeten in sandalen.

- hun bruine pij zorgde voor naamsoverdracht op een bepaald soort kever, een soort van erwt, en diverse kruid- en plantnamen - zie verderop.

- de kerk van de kapucijnen op Korvel speelde in het geloofsleven van veel Tilburgers een belangrijke rol door 1) de mogelijkheid om in die kerk te pesjonkele; 2) het feit dat kapucijnen als biechtvaders meer begrip hadden voor wereldse zaken dan de gemiddelde parochiegeestelijke; 3) de 'dovenbiechtstoel' waarover zij beschikten om slechthorenden de gelegenheid te geven hun zonden te biechten zonder dat de hele kerk daarvan getuige kon zijn;

Cees Robben - Prent van de week - 19661209

4) hun voedselverstrekking aan zwervers: zie schabberdebonk

Cees Robben - detail -Prent van de week 19570921

Robben: "...Hier schafte d'n pot bruine boone..."

Cees Robben Voor pater De Wit.. kappesien. Titel van de prent van 19650326 in verband met een inzamelingsactie voor missionaris De Wit ofm. cap.

De Wijs -- t was n geboren capecien, hij hee de kleere thuis gehad, mar ze paaste nie (17-10-1972) [D.i.: hij heeft zijn roeping gemist]

Frans Verbunt:  de deugd int midde, zi den duuvel, n hij ging tusse twee kappesiene

Misschien vendt zet wel un goeie daod, dk ene priester, ene paoter terwille ben gewist en wel ene blote voetenpaoter, ene paoter die in Tilburg zenne kost bij mekaare moes schooie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Die Kappesiene, d waar iets hel aparts. In hullie krek koste pesjonkele, n onze paa ging daor biechte, want daor kreede nie zo gaaw et schfke. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Goem.KAPUCIEN - kapəsi:n, zelfstandig naamwoord m. - monnik

Bosch kappesien capucijn

2. soort meikever

kappesien - melolontha hippocastani

WBD III 4,2:164 lemma Kleine bruine meikever - Voor kleinere, glimmend bruine meikevers zijn er ook specifieke benamingen in gebruik.
kapucien Tilburg, Goirle, Hilvarenbeek
bakker Tilburg

Piet Brock, uit Vuurstintjes ketsen (1996) Mlders/ Ge he't z'in soorten:/ 'nen bkker of kappesien,/ 'n mnneke of 'n wfke,/ d kunde hil goed zien.

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

3. peulvrucht

Pisum sativum subspecies sativum - grauwe erwt; kapucijner; velderwt; voererwt

'sativum' betekent dat het gekweekte soorten betreft

ook: kapucijner, schokker, 'brne bon', 'kapesientje'

De volksnamen hebben betrekking op diverse soorten; telers onderscheiden strikt: ronde groene erwten, gele erwten, schokkers, kapucijners, rozijn- of grauwe erwten.

Cees Robben   Bruine bne meej w kaoije... / Kapecyners... maoger spek (19611221)

WBD III.2.3:82 'kapucijntje' = kapucijner; ook 'schokker', 'grauwe erwt'

4. bloem

Tropaeolum majus - Oostindische kers

Antw. CAPUCIEN zelfstandig naamwoord m. - KAPUSIEN - kapucijn; ook bep. hofbloem 

Joseph Samyn, Kruidwoordenboek (1888): TROPAEOLUM MAJUS L. Capucijn; Kapucijntjes, Paterskap; Stanse, Stonse; Tabakpijpen. Capucine.

Het betreft de oostindische kers. Heukels geeft geen benamingen uit Brabant, maar voor Vlaanderen: Capeciene(n), Capecintjes, Capuciene, Capuciene(n)mutsen, Capucintjes, Capucijn, Kappers, Kapuciene(n), Kapucijntjes. (Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten; H. Heukels, 1907)

Har Brok, Van vergeet-me-nietje tot gebroken hartje, 1993: ...volksnamen die allemaal op de vorm van de bloemen slaan:
capucijnenmuts, capucijntje (...) paterklimop, paterskapje, paterskopje...

Har Brok, Stinkend-juffertje en duivelskruid - Volksnamen van planten (2006): Vooral in het zuiden deed de vorm van de bloem met slip denken aan de muts of capuchon (kap of tip) aan de pij van de paters
kapucijnen. Zo komt men dan tot capucijnenmuts en capucijn(tje) en
wat algemener tot paterklimop, paterskapje, pastoorkapje, muntenkapje ('monnikenkapje') en zelfs kwezeltip.


Emanuel Phillips Fox, Nasturtiums (1912)

 

kappesientje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kappesien 2 hierboven, de meikever

WBD III 4,2:162 lemma Meikever met witachtige rug - Dit lemma bevat de specifieke benamingen voor een meikever die met meel bestoven lijkt te zijn.
mulder Tilburg
mulderke Tilburg
molenaar Tilburg
bakker frequent in Tilburg
bakkerke Tilburg
kapucientje Tilburg, Goirle
manneke frequent in Tilburg
wijfje, wijfke frequent in Tilburg

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek 26, 23-1-1965 Onder die "mlders" (meikevers) kwamen ook "molenaars" voor. Dat waren in de jongenswereld meikevers met een witachtige kleur over de dekvleugels (alsof ze met meel bestoven waren). Daarnaast bestonden er "kappecientjes" (capucijnen). Deze waren diep, mooi bruin van kleur en zagen er met hun "baard" en glad kopje... - en met een beetje fantasie! - ook inderdaad als een capucijn uit.

 

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► hgmlder ► kappesien 2 ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

kappeson

zelfstandig naamwoord

naar Frans: capuchon

WBD ossetoom (Hasseltse term)

 

kappetaol

zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord .

H. van Rijen (1988): kapitaal

 

kapsie, kapsies

zelfstandig naamwoord, meestal meervoudig 'kapsies' in een uitdrukking met een infinitief zoals  'maken, hebben, zoeken'; eigenlijk algemeen Nederlands

- uit 'captie' van Latijn 'captio' (zie WNT hieronder)

Van Dale - in de uitdrukking  'kapsie(s) maken of hebben' - bezwaren maken, zich met iets niet eens verklaren, ofwel: tegenstribbelen, onwillig zijn

P.H. Schrder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager - kapsies - Het Latijnse werkwoord capere betekent: pakken, grijpen en het daarvan afgeleide captio is dus: de greep, de strik, de streek, het bedrog, de drogreden. Het Franse woord captieux beduidt dan ook: bedriegelijk. Wie kapsies maakt, zoekt dus drogredenen, uitvluchten; hij stribbelt tegen, oppert allerlei bezwaren.

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  aaltij n ooveral kapsies zuuke (Daamen - Handschrift 1916: ) - overal aanleiding tot ruzie zoeken.

WNT KAPSIE, CAPTIE - znw.(v.) Modern lemma: captie - znw. vr. Ontleend aan lat. captio, drogreden. Alleen in de uitdrukking captie(s) maken, bezwaar maken, tegenstribbelen, chicaneeren, kunsten hebben enz. -- Als hij vertrekt (uit een hotel), maakt hij eeuwig kaptie op de rekening, LOOSJES, Bronkh. 6, 295 [1807]. -- Al maakt hy nu nog zooveel capties, hij zal wel moeten eindigen met toe te geven. Neen jongen, je krijgt het niet, en als je nu nog meer captie maakt, moet je maar naar bed.

WTT 2012 - vergelijk kapsoones - WNT lemma kapsoones: (v. kapsie): drukte

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden - 1087. Captie maken,
d.w.z. zich verzetten, bezwaar maken, tegenstribbelen, uitvluchten zoeken. Het volk zegt veelal kapsies maken. Eigenlijk verstaat men onder captie eene verstrikking, tegenstribbeling, chicane (lat. captio, drogreden; vgl. fr. captieux). Eerst in de 19de eeuw aangetroffen: vgl. Molema, 191: Kapsie maken op iets, aanmerking maken, niet gaaf aannemen, iets afkeuren; fri. kapsie, kapsje meitsje; Bouman, 51; Ndl. Wdb. III, 1967; Het Volk, 16 Sept. 1913, p. 1, k. 3: Wil de rechterzijde hierop kaptie maken dan schendt zij haar eigen aangezicht; Zandstr. 33: Hein stond ze ordentelijk te woord, nooit kapsie of onbeschoft; Slop, 145: In elk geval niet dadelijk toestemmen, de noodige kapsies maken, ze een goed poosje laten darren; Kster Henke, 30; Ppl. 181: En as je dan nog kapsies maakt, dan douwe ze je in 'n dwangbuis; Nkr. V, 22 Jan. p. 3; Dievenp. 80 (zonder eene kapsie te maken); Jord. 465; Het Volk, 15 Juni 1914, p. 1 k. 1: Is er in n krant van rechts captie op gemaakt? Voor Zuid-Nederland vgl. Stallaert II, 39, die captie citeert in de bet. arglistigheid (18de eeuw). In Antw. Idiot. 122 wordt kapsie vermeld in den zin van dwaze, onbezonnen daad.
 

kapstk

zelfstandig naamwoord

kapstok

WBD mager paard, ook 'vrak' genoemd

 

karakoko

zelfstandig naamwoord

- Daor waar 'n optreje van John Ray, de beroemde karakokozangert.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Zo is er venaovend bevobbeld karakoko bij kaffee et Bomstrunkske,  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

karakl

zelfstandig naamwoord

eetbare slak

uit Frans: caracole, en mogelijk daar uit het Spaans caracol

de benaming is volgens WBD (zie onder) in Tilburg minder gebruikt dan 'huisjesslak' / 'hskesslak'/

WBD III.4.2:206 'karakol' - huisjesslak (Helicidae), ook genoemd 'slak'

WBD III 4.2:206 Huisjesslak - Algemene benaming voor de slakkensoorten (Helicidae) die kalkachtige spiraalvormige huisjes op hun rug meedragen, waarin ze zich kunnen terugtrekken. De meest bekende is de gewone huisjesslak (Cepaea nemoralis), waarvan het huisje 25 mm breed wordt en geel-bruin gestreept is; hij leeft in bossen, tuinen en bij huizen. De grootste is de wijngaardslak (Helix  pomatia), die gegeten wordt, donkerbruin is en tot 4 cm groot kan worden.
 

karbenaade

zelfstandig naamwoord

karbonade

WBD III.2.3:62 'kabernade' = karbonade

► zie krmenaaj

 

karbied, kerbied

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt:  carbid

Frans Verbunt:  den dieje moes karbied lusse, dan ks ie omhog

H. van Rijen (1988): 'kerbiet'

 

karneuk

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.4:300 'karneuk' - 250 liter, ook 'vaatje' of 'okshoofd'

Wikipedia: Een okshoofd (ouderwets oxhoofd) is een inhoudsmaat in de vorm van een groot vat, dat vroeger voor wijn gebruikt werd. De maat wordt echter ook gebruikt voor azijn, bier, tabak en suiker. Een okshoofd bevatte zes ankers. De naam Okshoofd wordt nog steeds voor bedrijven geassocieerd met drank, of drankenhandel, gebruikt.

 

karneval

zelfstandig naamwoord

carnaval

WBD (III.3.2:277) karneval = vastenavond

 

kasje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kastje

Cees Robben:  sms dan daanst ie van et kasje;

WBD III.1.3:262 'kastje- = medaillon; ook: 'hartje'

D. Boutkan (1996): (blz. 31) kasje verkleinde vorm van 'kaast' (met vocaalkrimping)

 

kasjenee

zelfstandig naamwoord

doek van dunne stof, als sjaal om de hals geknoopt = Fr. 'cache-nez'

WBD III.1.3:146 'cache-nez' = das, sjaal

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  ns aaw ptjes meej nze kasjenee

Op d'aandere daogen kon ik m'n kasjeneej wel om m'ne nek en m'n haanden in m'n broekzakken velen en ik was jandories blij as ik bij de stee van Sjef Koolen kwaam ... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 7; 30-11-1929)

Van Beek - Een "kazjeneej" is een halsdoek;  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kazineej' zn - soort halsdoek

Bont zelfstandig naamwoordn. 'kazin' - cache-nez, halsdoek

Witt. kazzienee (S.G. blz. 80 en 147)

 

kasjeweel

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

H. van Rijen (1988): opzienbarend, casueel

WNT CASUEEL - A) toevallig, eigenaardig, merkwaardig (bijvoeglijk naamwoord )

B) toevalligerwijze, bij toeval, bijgeval (bijwoord )

 

kasjewle, kassiewle

bijvoeglijk naamwoord .

H. van Rijen (1988): dood, stuk, niet meer aanwezig

= Hebr. breng ons terug; Bargoens 'asjeweine'= weg, dood, kapot. Ned. varianten: asjeweine, gasjewijne, kasjewijne, kassiewijle, kassiewijne, sjewijne (zie Van Dale)

 

kasjezis, kassiezis

bijvoeglijk naamwoord /bw.

H. van Rijen (1988): dood

= kassie-zes (Barg.), naar het dobbelspel 'kassie-zes', wellicht onder invloed van kassie-wijle en de zes zijden van een doodskist

 

kaskenaade, kaskenoj, kskenaoj

zelfstandig naamwoord

Cees Robben

blufferige drukte, opschepperij; noten op z'n zang, pretenties, praatjes

WTT -2012 - Van Frans. 'gasconnade': grootspraak, opsnijderij, snoeverij (als van Gasconjers, bewoners van de Gascogne). De toeschrijving is waarschijnlijk zeer willekeurig. Pierre Germa schrijft in 'Du nom propre au nom commun, dictionnaire' over 'gasconnade': Synonyme de fanfaronnade, de vantardise, de hblerie, comme en seraient coutumiers les Gascons, selon une croyance rpandue dont
on peut discuter le bien-fond.' De toeschrijving is mogelijk het gevolg van het feit dat de Gasconjers tijdens de Franse Revolutie het hoogste aantal soldaten geleverd hebben. Rey (Dictionnaire historique de la langue franaise), dateert de toeschrijving in de 17de eeuw: 'Le mot s'est employ au figur de faon pjorative (1622) pour parler d'une personne qui a les traits que l'on attribuait (...) aux Gascons, supposs vantards et malins.'

Schuermans (Algemeen Vlaams Idioticon; 1865-1870): KASKENADEN, mv., verwaande manieren, gekke streken. Een kaskenademaker, iemand die verwaande manieren heeft, die gekke streken uitzet (Antw. Limb.). Van 't fr. gasconnade, snorkerij,
zwelserij (in Br. snakerij).

R Ge moet nie zveul kaskenaoj hbbe, gij.

Daamen - Handschrift 1916:  "kaskenoade - ze hee w kaskenoade (opsnijderij)"

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'kaskenaode'

"Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon." (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

Cees Robben - W d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor het oog van het kerkvolk gemaakt werden.]
Cees Robben W heej ze toch veul kaskenaade... (19561215)
Cees Robben Gij meej oe kaskenaade.. (19661021)

Van Beek - "kaskenaode" is opschepperij. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Witt. 'keskenaode (S.G. 362, 90, 111, 237, 273, 330)

Zo lve zonder kaskenaoi/ ds schonder n veul rker./ Dan gaoder grot op agge heurt:/ daor gao ene Krkezker. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Lt zet mar heure)

Frans Verbunt:  'kskenaode' - verbeelding

Bosch kaskenade - opschepperij, verbeelding 

Hees kassekenade (II:11)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kskenaoj zn - opschepperij

Verhoeven (1978):  KASKENADE (kskenaot) v. gasconade, opschepperij. Z.a.

Bont kaskəno.də zelfstandig naamwoordvr. 'kaskenade' resp. 'kasgenaai' d.i. gasconnade, opschepperij, pralerij, aanstellerige drukte.

Antw. KASGENADEN, KASKENADEN zelfstandig naamwoord v.mrv.   - drukte, lawaai, beslag; van Fr. gasconnade

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kasgenaade, kaskenades (mv.) - koude drukte, zwetserij

WBD III.1.4:171 'gasconnade-tjes veil hebben' = zich heel wat inbeelden

WBD III.1.4:174 'gasconnade' = pralerij

WBD III.1.4:389 'gasconnade maken' = koude drukte maken

 

kasse

werkwoord, zwak

het spel 'klap-kas-afzak' bedrijven, c.q. iemand de in dat spel voorkomende trap geven

Cees Robben Oversprong.. hiet d vandaog... (...) t aauw drie appelepap (...) mar z as wij kossen kassen... (19570427)
► drie appelepap
H. van Rijen (1988): met hak aansporen

 

kastannie

zelfstandig naamwoord

Stilleven - Flegel - 19de eeuw

kastanje

Daor hedde nog hille woude van tamme kastannieboomen, haozelnote en zukke getuig. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

H. van Rijen (1988): der laage ne maacht kastannies - veel

H. van Rijen (1988): 'kestannie'

WBD kastannie - paardekastanje, kastanje (Aesculus hippocastanum)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kestannie' zn - kastanje

► zie ook kerstannie

 

kastel

zelfstandig naamwoord

kasteel

D. Boutkan (1996): (blz. 51) kastel kastiltje

 

kasteln

zelfstandig naamwoord

kastelein, cafhouder, kroegbaas

 

kaster

zelfstandig naamwoord

WBD II.4. p. 871 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij kastor": Langharig weefsel uit Spaansche wol. Imitatie pelswerk. Geweven in kruiskeperbinding.

Van Dale zegt bij kastoor": Beverhaar en het daarvan gemaakte vilt".

kastor: kster, K 183 (= Tilburg).

WNT lemma Kastoren 1921 - bnw. Van Kastoor, in de bet. 2).

Van kastoor; uit bevervilt gemaakt. Fijnkastoren, witkastoren, van fijn , van wit kastoor.

WNT lemma Kastoor 1921 - znw. m. en (als stofnaam) onz. Ontleend aan fra. castor, bever; beverhaar.

1. Als diernaam (manl.), slechts een enkele maal. Bever. Kastoors haar (of als koppel. kastoorshaar): beverhaar. Castoers hayr om hoeyen te maken, Placc. v. Brab. 1, 414 a [1597].

2. Stofnaam, onz.; voorheen manl. Beverhaar en het daarvan gemaakte bevervilt waarvan men hoeden maakt.

Half (voorheen halve) kastoor: met haren of wol van andere dieren gemengd. (Verg. halve kastoor, straks onder 3) en geheele , halve enz. kastoorhoed op dit laatste woord).

3. Voorwerpsnaam, manl. Een van bevervilt of van wat daarvoor door moet gaan gemaakte hoed.

 

kat

zelfstandig naamwoord

kat, poes

H. van Rijen (1988): de kat moet van de stoel - wordt gezegd als er iemand voor de eerste keer met een loonzakje thuiskomt (ook worden dan b.v. de pantoffels klaargezet)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  As nze kat en koei was, dan knde gij ze mlke (Pierre van Beek -- -Tilburgse Taalplastiek 1964) - reactie op herhaalde bezwaren (..ja, maar als . ..)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  agge de kat nr ngelaand stuurt, dan maawt ze as ze terugkmt (Daamen - Handschrift 1916: ) Als je een domoor wegstuurt, komt er een sufferd terug.

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de kat slpt meej den bukkem (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '64) gezegd v.e. verliefd paartje

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de kat was vannaacht weer p den Finkelenbrg (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - de kat is de hele nacht op sjouw geweest.

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  en kat gao not mee en leege maog van hs (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - men moet eten voordat men van huis gaat.

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  een katje krabt em nie (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72) - die is niet bang uitgevallen

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  z flauw zn dgge wl katte kunt spouwe (Daamen - Handschrift 1916: ) - erg misselijk zijn.

Frans Verbunt:  et is gin kln kat d en pond scht

 

katl

zelfstandig naamwoord

ransuil - rechts: kerkuil

 

velduil

H. van Rijen (1988): 'katl' - ransuil (Asio otus)

WBD III.4.1:192 'katuil' - kerkuil (Tyto alba), ook 'kransuil' genoemd WBD III.4.1:190 'katuil' - ransuil (Asio otus)

WNT KATUIL - benaming voor sommige uilen: 1) alg. voor de uilen zonder oorpluimpjes; 2) volksnaam voor den Velduil, Asio accipitrinus; 3) groote katuil: volksnaam voor den ransuil (Asio otus)

 

kats

bijwoord

vreemd (?)

De Wijs  -- 'k weet nie w gij ervan denkt mar ik vn t mar n kats gezicht (23-10-1963)

Cees Robben Ik vn t mar n kats gezicht  (19640207)

 

katseblle

werkwoord, zwak

met kaatsballen spelen

H. van Rijen (1988): kaatsen, 'katsele'

 

katsele

werkwoord, zwak

kaatsspel (kinderspel)

Cees Robben   Hij haauwt lang weg mee zunne gaoren-bol... Dan kumme niet gaon katsele..  (19671215)

DANB 'mrt' ist ng te kaaw m te katsele - in maart is 't nog te koud om te kaatsen

WBD (III.3.2:125) katsele, blle = ballen, met de bal spelen

 

katsembl, ktsembl, katsebl, katseblleke

Ill.: Tijs Dorenbosch

zelfstandig naamwoord

kaatsbal

Is ie w aauwer geworre dan denkt ie vort hil den dag aon spulgoed, aon in spoortuutje, in kesjoe katsebulleke en zooal. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Frans Verbunt:  ktsembl

H. van Rijen (1988): ktsembl

WBD (III.2:122) ktsembl, ook: kesjoe bl

Bont zelfstandig naamwoord m. 'ketsenbol' - kaatsbal

Antw. KETSEBOL zelfstandig naamwoord m. - kaatsbal; KETSE(N)BAL zelfstandig naamwoord m.; ook: KETSENBAL

 

kattebak

zelfstandig naamwoord, spotwoord

catechismus

- Parochie Hasselt, circa 1960

► kattechismes, kattekiesemus

 

kattekaod

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): 'kattekaot' - kattekwaad, kwajongensstreken

 

De 'kleine'(links) en de 'grote' catechismus,zoals in gebruik circa 1960. Collectie Ed Schilders/WTT

kattechismes - kattekiesemus

zelfstandig naamwoord

catechismus

...onze vadder zaoliger vertelde aaltij al dt ie vruuger bij de kwezel op de kattekiesemus was... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WTT 2013 - circa 1960 lijkt de uitspraak te zijn geweest 'kattegissemus' of 'kattegismus' ►kattebak

Audioregistratie 1978 - Ene keer f vier pr week, hi, moese wij smrreges nr de kattechismes toe. Daor in die irste klas, daor bij die mskesschool (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Audioregistratie 1978 - Agge hil et jaor oewe kattechismes geknd had, dan krede, wrd d op de prikstoel gezeej. Dan krede en prntje!  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kattekp

zelfstandig naamwoord

inhoudsmaat (bier)

LDM - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; NTC 23-6-1951)

 

katteliek

bijvoeglijk naamwoord

katholiek

H. van Rijen (1988): ze zn goed katteliek - ze zijn heel vroom; fig: hebben veel geld

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - J, daor bn ik toen ok onder gewist, d was de kattelieke bond in de Tuinstraot toen dieje td Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

kattemmme

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

tepeltjes van de kat

GG zo taaj as kattemmme

 

kattepies

zelfstandig naamwoord

lett. kattepis

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): zegsw. 'Ds gin kattepies!' - dat is geen kleinigheid, dat is niet niks.

Antw. KATTEPIS zelfstandig naamwoord m.- soort van muscadelledruif, Fr. raisin rauscat (ook in Brabant)

 

kattespouw, kattespaaw, kattespauw

zelfstandig naamwoord

 

Tilburg 2019 - Hasseltse kapel. Foto: CuBra.

 

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): soort snoepgoed, ook genoemd 'bakkesvol' (druivensuiker met noten)

Cees Robben t Snoeppepier en bakkesvol/ En t llienutje leej/ Versmolten meej de kattespouw... (19580329)
►bakkesvol
H. van Rijen (1988): 'kattespaaw'

Frans Verbunt:  'kattespouw' - braaksel v.e. kat, ragot; snoep: druivesuiker met pinda

De Wijs -- Kunde nog ergeraans kattespouw-brokke kpe? (23-10-1963)

Moffelbone die zn te taai/ peeje vnd se te flauw,/ n ak oover andijvie praot,/ zeese : Ds kattespauw (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: DE GROTSTE VRAOG)

Want as knder reekendeme toen nie in munte, mar in snoep: zoveul sjp f zoveul brkke kattespaaw konder vur kope. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2001)

Mar wddik t lkkerste van alleml von, d waar kattespaaw. Witte w dt is? Ds nt as joodevt mar dan irst gesmolte n dan deeje zr pindanutjes durheene. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

Antw. KATTESPOUWSEL zelfstandig naamwoordo.-eten of drinken waar men tegezin voor gevoelt, dat te flauw of niet genoeg gekruid is.

 

kattespaawbrkke

zelfstandig naamwoord meervoud

snoepgoed; brokken druivesuiker ofwel jodevet met nootjes

Cees Robben - ...Wittte gij waor degge kattespauwbrokke kunt kpe..? (19640424)

 

kattestrt

Vergroting

Ill.: Thom - kattestrt - kattenstaart - schaafstro - lythrum salicaria

Ill.: Thom - kattestrt - lampepoetser - grote lisdodde - typha latifolia

WBD III.4.3:417 kattestrt - schaafstro (Equisetum hyemale)

kattestrt - kattenstaart (Lythrum salicaria)

WBD III.4.3:412 kattestrt - lisdodde (Typha latifolia), ook genoemd: lis, lisdt, lampepoetser, tompoes of riet

WBD III.4.3:413 kattestrt - aar v.d. lisdodde, ook genoemd: lisdot, kolf, lampepoetser, of tompoes

WBD (III.2.1:426) kattestrt = kattenstaart 429 kattestrt - lupine

 

kavalerie

zelfstandig naamwoord

cavalerie

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  ds lchte kavalerie (Kn'50) dat zijn wufte meisjes

 

kaviaor

zelfstandig naamwoord

kaviaar

Frans Verbunt:  Tilburgs kaviaor - bramenjam die naar vis smaakt

 

kawauwel

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:101 'kawauwel' = mond (spotnaam)

ZOVI Kawauwelen = snateren, onzinnig babbelen

 

kazienee - kazjeneej

zelfstandig naamwoord

doek van dunne stof, als sjaal om de hals geknoopt = Frans 'cache-nez'

Vur mutsen en pelerienen en ook vur zijje petjes en toekielen kun-de in de buurt van Diessen en vural verderop, de vremde laanden van de Aacht Zaoligheden in nog haost overal terecht. En rooi zakdoeken en kazienees verkoopen zin de Heuvelstraot nog wel. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Cees Robben En hij riep dan k meteen.../ t zn inscripsies... pree-histories/ En hij spelde kazjeneej - .../ - zimmezetje -.. de pertienes/ - Staon op t gutje... bij de pleej... (19570119)

 

kazjewel
bijwoord
toevallig - uit het Franse casuel in het Tilburgs altijd met de betekenis bijzonder toevallig, wonderlijk, buitengewoon
Cees Robben - t Is kazzjewel die kiep van mn.../ z zrgt ze vur de Paose... (19550312)
 

kebaol

zelfstandig naamwoord

kabaal

Cees Robben:  meej veul kebaol

WNT CABAAL 4) een hevig en hinderlijk, opschudding veroorzakend of medebrengend (oorspr.: opzettelijk met dat doel verwekt) rumoer.

 

kbke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

klein jong varken

gez. Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): et liste kbke t de maand

H. van Rijen (1988): 'kpke' - jong kind

verkleinde vorm van 'kab' (met umlaut) Zie De Bont, kap II

laatste dochter uit het gezin

 

kchele

werkwoord, zwak

WBD III.1.2:239 'kechelen' = kuchen

 

kedaaj

zelfstandig naamwoord

feest, smulpartij

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  tisser en grot kedaaj ('86)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  p kedaaj gaon (Daamen - Handschrift 1916: ) - naar een feestmaal gaan

Daamen - Handschrift 1916:  "kadaai - 't is er groot kadaai - ze gan op kadaai (feestmaal)"

H. van Rijen (1988): gedoe, drukte

Schu KADIJ, te Antwerpen: feest, smulpartij: 't zal er gaan spannen; 't is vandaag kadij. Het woord is zijn bestaan aan den franschen republikeinschen decadi verschuldigd.

WNT KADEI, KADDEI - ook ironisch, met de beteekenis van: een prettige, een lekkere boel.

 

Kednt

toponiem

Letterlijk: kwaad (= slecht) einde

Cees Robben Van t Krvent naor t Kedent is mar unne bolscheut... zisse... (19850504)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): et Kednt = Kwaadeindstraat (blz. 121)

- Kzaag me lope over ut Gurke/ En ok dur de Hasseltstraat/ Over ut Kednt Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

- Int Kednt daor stint un echtpaor/ Te praote in ut durgebont Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

Piet van Beers Jonges, lster is: "Van aovent gn we meej zen ammol/ fiste op ' t Kednt. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

op et Krvel f int Zaand,/ den Haajkaant ft Kednt. (Henritte Vunderink, Tilbrg trakteert, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

kedze

WTT 2017: van (waarschijnlijk) keds; echter alleen in het meervoud aangetroffen; bak waarin een geslacht dier werd gelegd om het te villen; naar analogie van cartouche, omhulsel. Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Dan hadde vruuger zogezeej, waare d kedze wr dgge ze ingojde dan op dere rug want aanders kosse ze zak zgge nie ville!! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels) ► Klik hier voor audiofragment)

 

kedoow, kedooke

zelfstandig naamwoord

cadeau, geschenk = fr. 'cadeau' met vocaalreductie

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  kedoo; kedoos

De winnaors van de gle trui/ krgen et cht nie kedoo/ Zot ene Nederlaander zn,/ of wir Bernard Hienoo? (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Naa de Toer in)

WBD III.3.:190 'cadeau' = geschenk 'cadeautje, geschenk, gift, present, presentje'

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook van (...) kardootje...

 

keduuk, keduukelek

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

Frans: caduc

bouwvallig, versleten (ook m.b.t. mensen)

R-J. 'die is wah kadukelijk'

Daamen - Handschrift 1916:  "kaduk - gebrekkig"

Cees Robben Ik ben z keduuk... (19550730)
Cees Robben Hij zaag de gedoentes, vervallen, keduuk (19551119)

H. van Rijen (1988): zis en keduukelek ineens nt wrre - ze raakt versleten

 

Keej

eigennaam

Cornelia

GG ook: ons Keej - mijn vrouw

Stadsnieuws:  'Ak mar es wies ws Keej dervan zeej' (160108)

 

kk

zelfstandig naamwoord

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kk zn - kijk

1. kijk als mening, deskundig oordeel

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Kk erp hbben is meer as twee haande - verstandelijk overleg is beter dan in het wilde weg ergens aan beginnen (Tilburgse Taalplastiek 128)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  kk erp hbbe doe meer as twee haande (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '71) - overleg hebben is belangrijker dan kunnen werken

2. gul zijn

H. van Rijen (1988): ik kk nie op nen bos peeje, ak et lof mar h - ik kijk niet zo fijn, als het maar redelijk is;

3. te kijk staan

GD07 Jan staode daor te kk

4. zelfstandig naamwoord = uitzicht

- ene kk wd - zo ver als je kijken kunt/kon [Bron?]

Agge op de Ringbaon wonde/ vuulde oe ge vruuger rk/ meej veul gruun n stoere bome/ n ge had ene Schone kk (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De Ringbaon? Niks mir aon...)

 

kek

verleden tijd van 'kke'

keek

 

Bouwschutting rond de afgebrande Febo-frituur. Heuvelstraat 2018. Door de luikjes kan de passant naar de verbouwing kijken.Foto Margriet Bekkers.

 

kke

werkwoord, sterk

kijken

kke - kek - gekeeke

in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij kkt

- D. Boutkan (1996): (blz. 40) verl. tijd: kek, maar: kikte gij?

- Kkt is of ie kkt, n as ie kkt nie kke.

"Kek w se kekt!

Kek w se kekt!

Witte gij, Kiske, op wie d se lekt?!" (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Kender en koei, 1938)

- Cees Robben Kkkis of ie kkt Pietje... En as ie kkt... Nie kke... (19541224)

- Cees Robben Nie kke.. as ze kekt... (19600219)

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

- "Kkt eens of ze kkt, en als ze kijkt niet kke"... (Tony Ansems, De dochter van Dorus de Boer; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

-Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  kken as en hllegebildje d van de krswg is gevalle (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '71) - beduusd kijken

- Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  te veul nr de zulder gekeeken hbbe (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70)-te veel borreltjes op hebben.

- H. van Rijen (1988): die rpel kken oe aon - ... zijn niet goed gepit

- H. van Rijen (1988): 'K-kk nie op unnen bos peeje, a-k ut loof mar h' - ik kijk niet zo fijn, als 't maar redelijk is.

- n wk list op de mrt heurde: Kom s kke, kom s kke / K stao hier nie vur niks te kwke! (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

- Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

Sticker op voetgangersstoplicht Willem II-straat. Bij rood laat het licht een kruikenzeiker zien, bij groen loopt hij met zijn kruip over. Het stoplicht is een kunstobject van Marieke Vromans en Irene Vermeulen. Het speelt in op het gegeven dat Tilburgse textielarbeiders in vroeger eeuwen hun urine in een kruik opvingen en voor een paar centen verkochten aan textielfabrikanten. Die gebruikten de zk om wol te reinigen en te vollen. De slogan is: Nie zke mar kke. Foto: CuBra 2019.

 

- Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kke ww - kijken

Zien

- J.M. Van der Donck, Mooi Truike, in Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel, deel 1, 1882: De wnter begos zun ge naauw en daan aal is te laote kke

 

kkgtje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kijkgaatje

WBD (III.2.1:51) kijkgaatje spionnetje

 

kl, kltje

zelfstandig naamwoord

keel

D. Boutkan (1996): (blz. 22) kl naast keel

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  ''t zal d'r de keil uithangen'

Van Beek - "Hij hangt mee de keel in den haak" betekent: Hij verdient zijn kost niet; hij weet niet, hoe het hoofd boven water te houden; hij weet niet van wat hout pijlen te maken. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

- Hij hangt met de keel in de haak. - Hij verdient zijn kost niet, hij weet niet hoe het hoofd boven water te houden. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  meej de kl in den haok hange ('71) - niet weten hoe het hoofd boven water te houden

Rooie, witte,n gle wn/ hoeveul ds nie te ple/ verdwnt temidde vant plezier/ in duuzend dreuge kle. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ws wn tch fn)

GD06 der zaaten in de miste femoelies hil w geoefende kle

Antw. KL zelfstandig naamwoord v.-keel, Fr. gorge

 

kle

werkwoord, zwak

H. van Rijen (1988): zuipen

H. van Rijen (1988): 'erot kle' - eruit gooien

Frans Verbunt:  'kle' - vreten en zuipen

Stadsnieuws:  Asset mar vur niks is, dan kunne ze kle - Als het maar gratis is, dan weten ze van innemen. (210508)

 

klgang

zelfstandig naamwoord

WBD keel van een paard

 

klpnt

zelfstandig naamwoord

keelpijn

DANB hij heej klpnt

D. Boutkan (1996): 'kilpnt' (blz. 95)

 

keemel
zelfstandig naamwoord; uit Middelnederlands kemel
kameel (dromedaris)
Cees Robben W ligder toch wir sakkertjns bij... Alleej.. Schuif op keemel... (19691128)
 

knd, kiendje, ►knder

zelfstandig naamwoord

kind

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  keind

...en staot er nie ergens in et Zondagsevangelie: agge nie wordt as klein kender dan komde mijnen hemel nie binnen? (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
Cees Robben Ut is n heel schn knd.. (19580705)

Cees Robben n Stuup knd vur durren aauwer..! (19550806)

H. van Rijen (1988): en knd moet ruuren f truure - als een kind rustig is, heeft het verdriet (?)

Hoe groter de strp hoe beeter. Ge had toen ok ng veul mer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte knder. D waare de kiendjes die ng nie kosse lope. Die wrre dikkels ok haawknder genoemd, omdt moeders ze n de mm moes haawe. Asse dan groter wiere van et zg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
Dere meens f kammeraod lopt naa vort aachter de waoge meej en plat knd n, asse en bietje opgeschoote hbben aachter de bddeplaank, ok ng meej ene komvort dernffe. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2007)Dialectenqute 1876 - kijnd (hoewel: vne, bne) - meerv. kender

DANB km hier knd

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  tis en hard gelaag en knd te kusse meej en stene bakkes (Daamen - Handschrift 1916: )

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  van et knd zen irste kreet vergit de moeder alle leed (Kn'50)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  en knd moet aaltij truuren f muuren ('71) - dient altijd bezig te zijn

H. van Rijen (1988): en knd oover de halleve deur - een onecht kind

H. van Rijen (1988): mar knd lieve, it tch meej oew aander haand

Stadsnieuws:  Ons Lewieke spult zo schon, ge htter gin knd aon (100509)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIJND voor kind, was eertijds zelfs in den hofstijl in gebruik. Z.a

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - knd (krt.16)

Kaart uit: A.A. Weijnen, Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant; 1937 Vergroting

Bont kƐnt, zelfstandig naamwoordo. 'kend' (<-) kijnd, - kind; mv. 'kender'

Antw. KEND, KIJND zelfstandig naamwoordo., mrv. 'kender, kijnder' - kind, Fr. enfant.

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): knd zn - kind

WNT KIJND - bijvorm van 'kind'

 

keep

zelfstandig naamwoord

D. Boutkan (1996): keep - keepvink (Fringilla montifringilla)

WNT KEEP - naam van een soort van het geslacht der Vinken; samenst.: keepvink

 

keeper

zelfstandig naamwoord

WBD II.4. p. 872 J.T. Bonthond, Woordenboek voor de manufacturier (1947) zegt bij keper-, serge- of casimirbinding": Binding , waarbij door de onderlinge draadkruising schuine, evenwijdige lijnen in het weefsel ontstaan."

keejper, K 183 (= Tilburg)

kepertje : keeperke, K 183 (= Tilburg)

 

keer

zelfstandig naamwoord

keer, maal

uitdrukking  in de krtste keere - zo vlug mogelijk

Cees Robben:  et schilt mar amper haand f keer - het is op het nippertje

Cees Robben:  mistal drie keer; meschien d deeze keer de lm haawt; nog ene keer;

D. Boutkan (1996): 'Ik b oe al twee kere geroepe.' (blz. 96); ene keer (95)

 

kr, krke

zelfstandig naamwoord

kar, wagen

gez. En kr geriffermeerd maoke = een kar stiekem onklaar maken, een hoogkar ondersteboven zetten

gez. de kr mgoje - een miskraam krijgen

uitdrukking  krt in de kr - kort aangebonden, lichtgeraakt, uit zijn humeur

Den aawe pastoor was 'ne goeien meensch, mar 'n bietje uit den tijd, hij ha den naom dettie nie kos laache. Hij naam alles ernstig op. De meensche zeejen van 'm: "Hij rijdt mee 'n zwaor kr!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 3; NTC 15-10-1938)
...den Sik stond aaltij klaor om de kr van den dokter uit et los zaand te trekken... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
...onze vadder zaoliger [...] zi aaltij: k Zit liever mee in koai kr in de haai as mee in goei schip op zee.
(Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

De Wijs  -- Boer maak op oew kr? - N jongen, naa nie. - Rot boer, rot kr, rot prd (20-07-1962)

Cees Robben t komt er meej de schoep binnen en t gaot er meej de kr uit. (19641106)

Elie van Schilt - We zagen ok twee sorten putjesscheppers, dun ene ok mee un kiepkerke en un korte schep vur de putjes langs de kaaibaand, dan was er nog ene mee un grote kiepkeer, mee un peerd er veur. Die had unne schep mee unne hele lange steel en die mokte die putten in ut midden van de straot schn. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

WBD krhngst - lomp paard

WBD krspringer- (paard dat probeert uit het tuig te springen) Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  kair

Dialectenqute 1876 - kr ( = fr. mme)

DANB n de schft spanne me et prd vur de nuuw kr

H. van Rijen (1988): ge gaot nie dod vurd ge en kr zaand op ht

H. van Rijen (1988): en kr teheuj stote - een kar leegkiepen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KER voor kar. ... Verwisseling van A en E niet ongemeen: smart/smert, hart/hert, scharp/scherp. Z.a.

Goem. KAR - k:r, zelfstandig naamwoordvr., verkleinde vorm k:rəkə

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kr zn - kar

 

kere

werkwoord, zwak

keren, omkeren, wenden

B keere - kirde - gekird

- ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij kirt

Dialectenqute 1876 - terugkre - terugkeeren

Cees Robben Al is t k nie te keere... (19570706)

WBD III.1.2:15 'keren' = keren (draaien); ook: omdraaien, wenden, zwenken, afslaan

Bont ke.rə(n) zw.ww.tr. 'keren' 1) tegenhouden; 2) uithouden, harden

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): keere ww - keren, uithouden, tegenhouden

 

kre

werkwoord, zwak

vegen

WBD (III.2.1:295) 'keren', 'vegen' = vegen - kre - krde - gekrd Geen vocaalkrimping

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): den huis kre = de woonruimte uitvegen, den hrd kre

Dialectenqute 1876 - mit den bssen kre - met den bezem keeren; mne, vre, kre

Stadsnieuws:  As strak de pestoor nkomt, mot ik et hs ng fkes kre (060408)

Stadsnieuws:  Meej de schomaok wier et hs van boove toe beneeje gekrd (260409) = Met de schoonmaak werd het huis van boven tot beneden op zijn kop gezet.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KEEREN voor vegen, hoezeer niet algemeen. Bij Meyer reeds verouderd.

Verhoeven (1978):  KEREN ov.ww. 1. vegen, schoonmaken met een bezem; 2. tegenhouden; 3.doorstaan, uithouden: 't is nie te keren; ik kon 't nie keren van

Bont ke.rə(n) zw.ww.tr. 'keren' - met een bezem vegen

Antw. KREN ww - vegen: den vloer kren

 

krel

zelfstandig naamwoord

kerel

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'keirel'

Cees Robben Zwarte mrel... Felle krel... (19601007)

WBD III.3.1:22 'kerel' - kerel

D. Boutkan (1996): krel / kerel (blz. 95)

WBD III.1.1:3 'kerel' = man

WBD III.1.4:127 'kerel' = betrouwbaar iemand

WBD III.4.in222 'kerel' = iets groots in zijn soort', ook 'knoeperd','knoert

Bont krəl, zelfstandig naamwoord m. 'kaerel' - kerel

Goem. KEREL - k:rəl, zelfstandig naamwoord m.: nə gəlak nəm bʉəm

Antw. KREL zelfstandig naamwoord m. -iets groots in zijne soort

 

kreme

werkwoord, zwak

H. van Rijen (1988): kermen

WBD III.1.4:255 'kermen' = kreunen

 

krk

zelfstandig naamwoord

kerk

D. Boutkan (1996): (blz. 22) 'krk' gez.

MP De krk is hgger as de toore; gez.

MP Hij is krks as nen hnd klippels; gez.

MP Den nzen is nt z krks as nen hnd klippels; gez.

MP Ge mt nie teegen et krkhske piese, want et drgt not p; gez.

MP Ge moet nie plasse teegen et krkhske, want ... gez.

MP Ontzie krk n geestelekhei; gez.

MP Ze hbben k nie amml bllekes aon, die nr de krk gn; gez.

MP As ze amml en blleke droege dan knde mekare nie verstaon van de hrrie Dialectenqute 1876 - krreke - kerken

Dialectenqute 1876 - kerk: blijft onveranderd, (tegenover strrek, wrrek, met scherplange )

DANB de grote krek (bep. wijk)

Antw. KERK (uitspr. krrək, kerrək, te Antw. : kārrək) zelfstandig naamwoord v.; Fr. glise

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de krk moet dur et krkstrotje (Kn'50) m.b.t. een zware bevalling

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  driemaol rnd de krk is z goed as eens derin (Daamen - Handschrift 1916: ) - verontschuldiging van iemand die niet naar de kerk gaat

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  rokende nr de krk is schtend Variant: eetend nr de krk is -

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'krk' zn - kerk nr de hl (Daamen - Handschrift 1916: ) stinkend nr de hl (Daamen - Handschrift 1916: )

 

kers, krske

zelfstandig naamwoord

kaars

D. Boutkan (1996): (blz. 22) krs

- Vruuger mkte de koster de krse zelf.

gez. Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Stikt de kers mar aon - werd gezegd als iedereen binnen was (omdat zulks ook gebeurde zodra iedereen aanwezig was bij een gestorvene)

Van Delft - Als iemand iets goeds of een goede betrekking verwaarloost, zegt men om z'n verontwaardiging uit te drukken: "Hij zal het nog mee 'n kerske (of: 'n lanterntje) gaon zuuken." Ook hoort men: "Hij zal er z'n vingers nog ooit naor afbijten." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Pierre van Beek -- Zodra iets moet "al z den duvel de krs (kaars) vaasthawen" valt er niet meer aan te ontkomen (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Hoeveul krskes zottie al nie/ daor hbbe laote braande? (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et gouwe ksterke )

Het leven is un braandende krs/ Den dood det is de wind... (Tony Ansems, Houd oew haande vur oewe mond;  van de cd Gatvermiedenhoet; 2010)

Dialectenqute 1876 - waas-krs - waskaars ( als in Fr. mme)

DANB die krs gift goej licht war - die kaars geeft 'n helder licht he?

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de krs nsteeke (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - met het werk beginnen

Bont k.rs, zelfstandig naamwoordvr. 'kaers' 1) steen v.e. steenvrucht; 2) pit(ten) v. appels en peren. Z.a.

Antw. KRS (Kemp.: kjs, ks) zelfstandig naamwoord v., vklw. 'kesken' - kaars, Fr. chandelle WNT KAARS, keers

 

krvel

zelfstandig naamwoord

kervel, tuinkervel; Anthriscus cerefolium; Echte kervel

 

H. van Rijen (1988): 'krevel'

Antw. KERVEL (uitspr. krrəvəl; Antw.: karrəvəl) zelfstandig naamwoord m. en niet v.; Fr. cerfeuille - kervel; ook KELVER (uitspr. kelləvər)

 

ks

zelfstandig naamwoord

kaas, ook volgens WBD

Detail uit een stilleven van Pieter Claesz

gemneks komijnekaas; snippersks - gesneden kaas (in plakjes)

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'keiskop'

Cees Robben Ik ben sjuust op de ks gebid... (19590328)
Cees Robben Zde gij k op de ks gebid.. (19700814)

Cees Robben - Kekkis Merie... Twidderaande srt ks... (19540313

Gezegde - Beeter grs as ks. - Beter grijze haren dan geen haren.

Dialectenqute 1876 - brooikes m ks ( van fr. mme) (ook: kees); kees (scherp)

DANB eete zullie k gre ks?

D. Boutkan (1996): (97) eetən ullie ok gre kaas?

H. van Rijen (1988): ds ng ginne kaoje ks, hurre - dat is nog zo'n slechte kaas niet, hoor

H. van Rijen (1988): daar leej twidderaande ks: tunnekesks n kemneks

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): ks zn - kaas

Piet van Beers - 23-8-2004 - uit: 'As, as, as...': As ze op t krkhof mn graf zn dicht on t gooie/of bij t crmatorium mn as zn on t verstrooie./ As femilie, knd n kraai on toffel is gezeete/ om daor koffie, krintemik n brooikes ks te eete. (CuBra)

Elie van Schilt - De trouwmissen en de begroffenissen waren vur de kenderzangers ut fnst, dan kreegde as de mis afgelpen was, bij un trouwmis iets lekkers en bij un begroffenis, brooikus mee ks of ham.
(Uit: As ge katteliek geboren wierd dan hadde toch veul te doen
en te laoten, 2009, CuBra)

Piet van Beers - uit: 'Vrmde kst': n die vremde eetgewontes/ brnge ze vandaor dan meej./ Fraanse ks n Spaonse wne/ n oolve f patee. (CuBra)

Piet van Beers - uit: 'n Verjaordgsfist': Op de tffel ollienutjes/ sjips meej sauskes, ks n wrst./ Limmenade, unnen brrel/ f Trappisjes vur den drst. (CuBra)

Lodewijk van den Bredevoort - Smrges op oew brod krgde ks, elke vrijdag opnuuw ks en nog ens ks. Kende gullie d n van alle nog; tien sneeje brood meej ks. Kunde oe ge daor nog iets bij vurstelle? Ik zeej daor ens enne keer iets van tegen onze vadder: Kunde gullie d brod nie w dunder en dieje ks nie w dikker snije? (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Smokkelen zgezeed. Hij heej hil w rog en ks naor hs gesjouwd op zen roestige fiets. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Volgens sommige van mn bruurs en zusters, waar dieje ks dikkels
z taai degger gerust oew schoenen meej kost verzole. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

f brojkes meej gemne ks n uikes. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

Middenstandsrijm in het dialect in de marktkraam van Kaashandel Bastiaansen uit Molenschot. Tilburg, Koningsplein maart 2019. Foto: CuBra.

 

Antw. KS zelfstandig naamwoord m. en niet v. - kaas, Fr. fromage

Verhoeven (1978):  KAAS (ks) m. het bekende zuivelprodukt; vandaar: de ks, op de ks kome, en op de ks verzuke, uitnodiging op het begrafenismaal, bestaande uit koffie en broodjes met kaas.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - met umlaut (blz. 90)

WNT KAAS, gewestelijk KEES (en kies)

WBD III.1.3:178 ' kaasbolletje', 'kaasbol' = bolhoed (spotnaam) 

WBD III.4.4:2 'kaasbol' = volle maan

Schilderij van Clara Peeters (17e eeuw) - Stilleven met kaas (detail) - 1615

 

Ket, De
toponiem
onderdeel van De Uilenvlucht, Korvel
Keet is hier waarschijnlijk bedoeld als benaming voor een primitief bouwsel
Willem van Mook Den Uilenvlucht was de verzamelnaam voor drie grote weverswoningen. Ze stonden zeer afgelegen, op een open veld, waar toen nog geen andere bebouwing was. Er voor, er achter en bezijden niets dan weide, heide en bossen. In bet begin van deze eeuw waren die drie huizen tot ruines vervallen en toch woonden er toen nog mensen in. Het Kretshuis was het voornaamste van de drie. De Keet en de Krucht waren dpendances van het grote Kretshuis dat in het begin van de vorige eeuw, toen Tilburg onder Frans bewind stond (1795-1813), gebruikt is geweest als Leprosie (Melaatsenhuis). Omdat er in Tilburg gelukkig geen melaatsen waren, bestemde men het voor quarantaine bij besmettelijke ziekten. (Nieuwe Brabantse novellen; 1970)

 

ket, kitje

zelfstandig naamwoord

keet, armoedige houten woning

H. van Rijen (1988): de Ket - onderkomen van leproserie 'Den levlucht'

WNT VII:2016: gewestelijk nog KETE (men schrijft gewoonlijk KEETE) Men schrijft , blijkens de hedendaagsche dialecten.

WBD III.4.4:245 keet = lawaai

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KEET hut;

Kiliaen 'keete'. Hier van daan 'bakkeet'.

Bont ke.t, zelfstandig naamwoord vr. 'keet' - klein woonhuis, geringe woning

 

keetel

zelfstandig naamwoord

ketel

Dialectenqute 1876 - ktel

H. van Rijen (1988): 'kittel'

 

keetelapper

zelfstandig naamwoord

ketellapper

Van Beek - Hij zuipt als een ketellapper (ketelbuter, d.i. ketelboeter). (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

 

keetelbuunder

zelfstandig naamwoord

ketelboeter, ketellapper

ketellapper, classificeerder

gez. Vchten as nen keetelbuuner

...n vochte as keetelbuunders/ rondom de mallemeule. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vruuger...veul muuger)

H. van Rijen (1988): 'keetelbuunder, keetelbuuner'

Verhoeven (1978):  Ketelbuunder, m. ketelboeter, ketellapper, marskramer die met ketels leurt. Dikwijls in verband gebracht met vechten en vloeken. De vorm -buunder is misschien ontstaan onder invloed van een associatie met 'boenen' en 'boenders' als handelswaar. 

Bosch ketelbuter - ketelboeter, ketellapper, ketelbutter

WNT KETELBOETER - gewoonlijk een rondtrekkend, vagebondeerend handwerksman

Pierre van Beek -- De ketelboeners, dat zijn degenen, die op gezette tijden als het "ketelbunen" was de ketelsteen uit de fabrieksketels bikten, schijnen vroeger geen al te beste reputatie gehad te hebben. Hoe komt men anders aan "vechten als ketelbuners", welk gezegde nog in zwang is. Zoals trouwens ook het beroep, dat overigens een zeer eerzaam vak is. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Pierre van Beek - Leefden de houtrapers met de waarheid schijnbaar vaak op gespannen voet, de ketelboeners hadden ook geen al te beste reputatie. Nu nog hebben we de uitdrukking "vechten als ketelbuners". Ketelboeners waren mensen, die gekleed in witte pakken met een daaraan vastgemaakte dito muts de ketelsteen uit het inwendige van de stoomketels der fabrieken bikten. Dit gebeurde op gezette
tijden. Dat was het zg. "ketelbunen", wat tot consequentie had, dat de fabriek stil lag, omdat men van te voren "de stoom had laten schieten". Met het steeds meer uit de tijd geraken van de stoomketels is uiteraard ook de behoefte aan het "ketelbunen" verminderd. (Pierre van Beek - TTP - Nr. 6 - Za 06-06-1964)

De jonge kok - Joseph Bail

keetelbuuter

zelfstandig naamwoord

(rondreizend) ketellapper, koperslager

 

keetelmeziek

zelfstandig naamwoord

ketelmuziek; lawaai maken met potten, pannen, etc.

Audioregistratie 1978 - Meej grote schijnwerpers vur zen deur (Vermeer)! n e toen e keetelmeziek! Ik meej en akkrdeejon veur erop n ik kreg er ng ene b me.  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kve

werkwoord, sterk

kijven

B kve - kef - gekeeve - geen vocaalkrimping

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  de moeder kef

Cees Robben:  'isser hier niks om te kve?'

Cees Robben:  'aaltij hier meej d gekf'

WBD III.4.1:47 'kijven' -waarschuwen (van vogels)

WBD III.1.4:422 'kijven' = idem; 'bekijven' = berispen

Bont ke.və(n) st.ww.intr. - kijven

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kve ww - kijven

KIJVEN st. (soms zwak gebezigd) ww. Van onbekenden oorsprong

 

Keevelr
toponiem
Kevelaar; in Tilburg een populaire bestemming om op bedevaart te gaan; de prent van Robben behandelt de zogenaamde voetprocessie daarheen
Cees Robben De voetprocessie trok vurbij / Naor t verre Kevelr... (19600715)
Cees Robben De vurspraok van Onze Lieve Vrouw van de Hasseltse Kapel [is] zeket z straf as die van Kevelr... (19710515)
Cees Robben Ik gao te voet naor Kevelr... (19610421)
 

kzer

zelfstandig naamwoord

keizer

WTT 2012 - in dialectteksten wordt 'keizer' vaker aangetroffen dan 'kzer'

Jodocus - Maria, die klopte-n-um in zunne nek:/ nog efkes, dan kunne we ruste!/ W denkte van mn! Nege maonde al z 'k!/ en d ammaol vur keizer Augustus. (ps. van Jacques Stroucken, uit: Toemet-hooi, 1993)
 

kefeej

zelfstandig naamwoord, onzijdig

caf = fr. 'caf' met vocaalreductie

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  in de caf ; cafhaawer

...in et kefeeke op den hoek... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ik haaw nie van zwmme)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En dan wonde Fons (Aleejaose = Elissen), die wonde daor op de Noordhoek, d kefeejke, ik weet nie f ge d ot wl nie, d, dieje kefeej daor ot geknd ht n daor stond aaltij enen rgel Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Koske van de Wouw  wonde op de hoek van de Misjenaaresstraot (Missionarisstraat) in d kefeejke daor! Klik hier om dit bestand te beluisteren

ook gebruikt als vrouwelijk zelfstandig naamwoord

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n den ooverkaant van, van de kerk, daor hadde vruuger de bierhal [het caf] van Panhuysen  n n den ooverkaant hadde Piet Krse (Kruyssen), die kefeej n dan hdde teegenoover op den hoek, hdde Jantje Vorselaars zitte, ok en kefeej! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n toen kosseme saoves f  tweej keer in de week bij Toon van t Hof op de Bredssewg in die kefeej daor vruuger de Haos gezeeten heej Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

kejak

zelfstandig naamwoord

cognac

Cees Robben Unne scheut kejak... (19840525)

Cees Robben En [ik] kus (...) vur de zovvelste keer devoot en mee smaok/ t reliekske vol Fraanse kejak... (19700102)

Hij riep: Gif mar alln kejak,/ die aai kunde vergete (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D hai liever)

Piet van Beers Asperges me: Boove op 't koor zonge de heere/ saome meej 't allergrotst gemak./ Die hadde vur dsse begosse/ soms al gepruufd van de kejak. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers Nie sjouwe: Den dkter kwaam er n te paas./ Die zeej: "D duurt wl weeke."/ Ik ha 'n flinke kaaw gevat,/ d hattie zo bekeeke./ Ik moes lken dag drie aajer eete/ meej enne scheut kejak./ En nao 'n week toen hak n bakkes/ as enen rpelzak./ Ik kan drrom... sins dieje td/ de aajer nie mir zien./ Meej de kejak, ist aanders meej.../ Die lus ik er wl tien. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

n saoves vur et nor bd gaon/ wier der nog kejak geschonke... (Henritte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Nieuwe Tilburgsche Courant 20-11-1889

 

kk
gebiedende wijs van kke
Cees Robben Kek uit oew soepers.... (19560211)
Cees Robben Kek Sjenet... z is t gekomen (19560714)

Dialectenqute 1876 - kk! ( als van fr. mme)

 

kkkis
gebiedende wijs van kke, samengetrokken met bijwoord eens (es)
kijk eens
Cees Robben - Kekkis Merie... Twidderaande srt ks... (19540313)
Cees Robben Kkkis of ie kkt Pietje... En as ie kkt... Nie kke... (19541224)
 

kkt

persoonsvorm van werkwoord kke

kijkt, gebiedende wijs: kijk

Imperatief en 2e + 3e pers. enk. van 'kke', met vocaalkrimping.

Kkt is f ie kkt, n assie kkt, nie kke.

 

kl

zelfstandig naamwoord

kerel

alleen aangetroffen bij Piet Heerkens; verkorting van dialectisch krel;

z'is laoter getrouwd mee 'nen Tilburgsche kel... (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944)

 

klderbist, -vrke

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt:  pissebed

WNT KELDERVARKEN - kelderpissebed, keldermot, kelderzeug

 

klderwnd

zelfstandig naamwoord

krik, dommekracht, kelderwinde

WNT KELDERWINDAS - kelderwinde, dommekracht

 

klfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'kalf', met umlaut

kalfje

Piet Heerkens - de kelfkes daanse... (uit: De Mus, Lente, 1939)

Leo Heerkens - 'k Zie de blumkes lekker bloeien/ en de kelfkes lollig stoeien (uit: 'Op m'n beene'; 1940)

Cees Robben Bende al getrouwd Piet...? ..Ongebonden is t bist zeej t kelfke.. en t kos rond den schelft... (19650910)

In die waaie liepe s zomers w koeikes en klfkes (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

keliek

zelfstandig naamwoord

koliek, onderbuikskramp

van Fr. 'colique'

Cees Robben Onze Jaon (...) hee gin zucht of terring... fieteldaans.. bof.. of keliek... (19551217)

Bont - kli.ik resp. klik, zelfstandig naamwoord. o. - koliek

WNT KOLIEK - benaming van verschillende, met kramppijnen gepaard gaande buikaandoeningen ...

 

klriem

zelfstandig naamwoord

WBD kopstuk (Hasselt), de riem die achter de oren v.h. paard langs loopt. N.B. De letterlijke vertaling 'keelriem' komt ook in het WBD voor, echter zonder vermelding van een Tilburgs woord.

WNT KEELRIEM aan het paardenhoofdstel, de riem die, van de slapen, onder den kop door, om het bovenste van den hals gaat.

 

klsgat

zelfstandig naamwoord

keelgat

Ik kos et nie dur men klsgat krge. klsgat;

Cees Robben t Blft in mn kelsgat steken... (19600923)

Piet van Beers Hoest: Zo nou n dan, vatte ik 'n snuupke./ Van die hete (varn Jamin.)/ Mar....toen schoot 't in m'n klsgat./ En ik stikte der host in. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

WBD III.1.1:191 'keelsgat' = keelgat

WNT KEELGAT. Uit 'keel' en 'gat'

Bont zelfstandig naamwoordo. 'keelsgat' - keelgat

Antw. KLGAT zelfstandig naamwoordo. - keelgat. Verkeerd klgat - luchtpijp, adempijp.

 

kltje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

H. van Rijen (1988): keeltje

 

kemel

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): kameel

WBD (III.3.2:351) kemel = kameel

► keemel

 

kemelhaor

zelfstandig naamwoord, stofnaam: kamelenhaar, kamelenharen ...

- Laot ons ze 'n paor werme kameelhaor kraogpantoffels geven. (Nieuwe Tilburgsche Courant 27-11-1943)

- Kemeelhaor pantoffels mee lre zool. (Nieuwe Tilburgsche Courant 30-11-1943)

Nieuwe Tilburgsche Courant 27-11-1943

Kamelenharen pantoffels (Internet 2013)

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 30-11-1943

 

kemne

soortnaam

met komijn als ingredint; komijnekaas.

Cees Robben - Kekkis Merie... Twidderaande srt ks... Bllekes ks... en kemne ks... (19540313)

 

kemiek

bijvoeglijk naamwoord /zelfstandig naamwoord

komisch; komiek

fr. 'comique' met vocaalreductie

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  ene kemieke film

...hij was dikkels ok grappig, soms kemiek. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Noord en Zuid, jrg. 10, 1887, p. 11 Diverse Meijerrijse woorden - Zoo spreken de Meierijers en schrijven ook (...) kemiek...

WBD III.1.4:197 'komiek' = grapjas

WBD III.1.4:207 'komiek' = grappig

WBD III.1.4:208 'komisch' = geestig

 

kmke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

kammetje

verkleinde vorm van 'kam', met umlaut

Cees Robben - ...wol mee rcht.. of wol mee kemkes... (19560630)

H. van Rijen (1988): hdde ieveraans mn kmke zien ligge?

Stadsnieuws:  Hij heej zo wneg haor dttie en fn kmke nodeg heej om ze te vne (290309) + (020610)

CiT (89) 'Hedd' ieveraans m'n kemke zien ligge?'

Bont k.mə(n) zw.ww.tr.+intr. 'keimmen' - kammen

 

kmme

werkwoord, zwak

kammen

B kmme - kmde - gekmd

Bont k.mə(n) zw.ww.tr.+intr. 'keimmen' - kammen

Antw. KAMMEN, KEMMEN zie wdb.

Gez. 't Is slecht kammen waar geen haar is.

Haor KMME - kammen

 

kemiekerig

bijwoord

uit komiek

komisch, lachwekkend

- Daar worre die twee na kemiekerig van. Uit Kraaien-moraal door J.A., Nieuwe Tilburgsche Courant 14-04-1938.

 

keminniekaanten
zelfstandig naamwoord, meervoud van 'communiekant'

- de eerste i is mogelijk een verschrijving; deze vorm is nergens anders aangetroffen.
zelfstandig naamwoord, meervoud; communiekanten, kinderen die hun eerste communie doen.
Cees Robben k Zie ze gaon... die klne klaanten/ Stap vur stap keminniekaanten... (19560512)
 

Ill.: Thom - cannabis sativa L. - hennep - kemp

kmp

zelfstandig naamwoord

hennep

WBD III.4.3:326 wilde kmp - hennepnetel (Galeopsis tetrahit), ook 'neetel' genoemd

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kmp (krt.89)

Bont knəp, zelfstandig naamwoord m. 'kennep' - hennep

Antw. KEMP (Kempen: kmp, kae ae mp) zelfstandig naamwoord m. - hennip, Fr. chanure

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kmp - zn - hennep (Hennep werd ook uitgespr. als knnep) 

WNT KEMP (uit kennep (kenp)) Cannabis sativa L.

 

kmpekurtje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

Daamen - Handschrift 1916:  "op 't kempekurtje aaf (op 't nippertje)"

H. van Rijen (1988): 'op ut kmberkurtje' - op het nippertje

 

kempgaore

zelfstandig naamwoord

WBD hennepgaren, het grove hennepgaren waar men pekdraad van verdaardigt, ook genoemd 'hnnepgaore' (II:698)

 

kmpzaod

zelfstandig naamwoord

hennepzaad, veelal als vogelvoer gebruikt

 

kemuunie

zelfstandig naamwoord

oew irste kemuunie doen

te kemuunie gaon

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- as ge dan in de, in de krk kwaamt, nou, dan wierde oovergeslaon agge te kemuunie gingt! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

kenaarieveugel

zelstandig naamwoord

kanarievogel, kanarie

zie knrrie

Interview Jolen - 1978 - ik ha zo, ja, jao, vinke, en kenaarievoogel en zo, drie dezllefde (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

kenaarieveugeltungske

zelfstandig naamwoord

tong van een kanarievogel

Van Delft - Tegen iemand, die wat kieskeurig blijkt, wordt gezegd: "We zullen je kanarievogeltongetjes geven." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

 

kenaol

zelfstandig naamwoord

kanaal

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - et kenaol d was ng nie gelk oopen toen wast, in den ollgstd ok ng gebeurd, en bietje vur den ollgstd want den dk hier, die, die, de verkeerswg, den dk, ds zaand wr den dk meej opgehogd, ds ammel zaand hier t et kenaol! Klik hier om dit bestand te beluisterenet kenaol - het Wilhelminakanaal

DANB et kenaol

► knaol

 

kenaoldk, knldk

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt:  kanaaldijk (langs het Wilhelminakanaal)

 

knder - knder

zelfstandig naamwoord meervoud

kinderen

uitdrukking  platte knder - nog in de wieg liggende kinderen; ook: platte jng

uitdrukking  knder van half-om-half - kinderen waarvan een ouder benoorden en een van bezuiden de spoorlijn afkomstig is.

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  knderwaoge

Praot me nie van kiendjes, kender,

overal ter wereld zijn d'r;

schreuwe... doen ze nergens zuutjes,

overal hebben ze vieze snuutjes;

(Piet Heerkens; uit: De Mus, Kiendjes, 1939)

Cees Robben De kender gaon t list... (19540724)
Cees Robben - Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe... (19540814)
Cees Robben Enkel kender in de Laai/ Dokkelen w in dn braai (19570704)
Cees Robben Daor vlinderen as vlemmekes/ Veul helle kender-stemmekes... (19580531)
Cees Robben k Heb alle bij mekaare tien kender gehad... aacht goei en twee kaoi... (19610526)
Cees Robben De kender (...) pruuven den slameur... (19650507)
Cees Robben De kender (...) zen tegen t regeur (19650507)
Cees Robben De kender hebben ginne rust (...) en moeten deurke-deurke-dons (19650507)
Cees Robben Twee platte kender... en naa wir z... (19680322)
Cees Robben Dan ruuk ik wir dem eeremoei/ die vruuger deur vur deur/ De straot op kwaam heel zwoel en zwaor/ van kender en slameur... (19701016)
Cees Robben As n vrouw uitschaait mee kraome,/ Haauwt ze mee dr kender saome... (19790720)
Cees Robben Men kender wille toch wel elke week w nuus, Nel... En zelf hek nog ginne buuste-haauwer aon mn kont... (19860926)
Cees Robben - k Gao mee de knder naor t uitgepakt kke... (19651119)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Et was netuurlek ammel vur knder, hde snoep n de snte, meer krede not nie!! Klik hier om dit bestand te beluisteren

V natte knder - kinderen die nog niet zindelijk zijn.

Nie te veul hrrie meej oew Sjaan/ gin trubbel meej de knder... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: En nuu begien)

Elie van Schilt - kender van unne metselr, draoimaoker of duvelr, die wieren gin misdienr. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

En hshaawe meej negen knder. Niks biezonders in dieje td zulde zegge. Mar dn oudste waar 'nne zoon en daoronder kwaame nog aacht mskes. (Jos Naaijkens; Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot;  CuBra, ca 2005)

Begin jaore vftig ginge wij bij heur iedere woensdagmiddaag om vf uur tilleviezie kke. Alle knder t de buurt mochte koome. We moeste ons schoene tdoen en in de keuke zette. Soms zaate we wel meej drtig knder in dr hskaomer, amml vur zn kln teeveeke meej zn kln bild w nie presies int midde van t toestel zaat. (Jos Naaijkens; Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot;  CuBra, ca 2005)

Piet van Beers Snuupkes: Drie knder t de buurt, drie zwarte snuutjes./ Meej krontjes op der blleke n lrze n der vuutjes/ zonge ze "Gif mn enne nuuwen hoed". (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Dialectenqute 1876 - kender (de e heel scherp, scherper dan in 'pen')

DANB de schoolknder zn meej de mister nr de zeej gewist

H. van Rijen (1988): aander meense knder zn aatij gaawer groot

Frans Verbunt:  dur de knder n de kiepe krde de miste ruuzie

Bont knder

WNT KIND mv. kinderen, kinders, gewestelijk nog kinder;

Antw. kijnder

GD05 ze waare meej al de knderrkdom zo rm as Job

 

knderchteg

bijvoeglijk naamwoord .

H. van Rijen (1988): 'kndergteg' - kinderachtig

 

knderjaore

zelfstandig naamwoord; samenstelling uit meervoud van knd, kind, en meervoud van jaor, jaar.

kinderjaren

Cees Robben k Denk wir aon mn knderjaoren... (19560512) 

 

knderkpke

zelfstandig naamwoord

kinderhoofdje; veldkei voor bestrating

R.J. waor ge int waandele knderkpkes vuult

Ut kend is mee zun kopke op de kenderkopkus gevalle... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

De straot, et wegdek op zen Nederlands gezeed, waar vur fietsers un straf, om daor deur te moeten, over die hobbelkaaien. Echte kenderkpkes waren et, ingevoerd vant den Bels. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Daor waar nog meer veraanderd, n die rotkaaie, die knderkpkes, laage der aaltij nog, dus dur de straot fietse nog steeds nie n te raoje. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): knderkpkes - de grote 'Blze kaaje' staan bekend als knderkpkes

 

knderwaoge

zelfstandig naamwoord

kinderwagen

Audioregistratie 1978 -- llek jaor ging ons moeder meej de knderwaoge, war, ging ze en vreke kope op de vrekesmrt in de knderwaoge in ene zak! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

... en vruuger hk r veul gewaandeld meej de knderwaoge. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

 

kndoe
samentrekking
ken je je
Cees Robben Dan kendoe ge niemir terug (datum niet bekend
 

knds, kns

bijvoeglijk naamwoord .

kinds

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'as ge zelf kendsch bent'

 

kenn, knn

zelfstandig naamwoord

konijn

De Wijs -- (Gehoord bij de groentenboer: ) Gij mee oew vitaminen, ik zeg mar slaoi is goed veur de kenne  (10-03-1967)

Piet van Beers Peeje, knne n jonge mt: En Jan die ging te lange liste/ meej z'n kenne nr de mrt./ Ze waare zwaor n vt gewrre./ En vur den haandel hil w wrd. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

► knn

Verkoper van konijnenvellen -19de eeuw

 

kennejuus

zelfstandig naamwoord

Van Beek - Liefhebbers van konijnen zijn het "kunijnenjuus" (kenijnen). (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

kenntje, knntje
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kenn of knn
konijntje
Cees Robben Wie blijft vur un kenntje staon... (19570615)

 

Kenilles

eigennaam; Cornelis

in het bijzonder het bedevaartoord van de heilige Cornelis in Esbeek

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- D zn ammel veul dinge die ammel t den booze zn vort, h. Nt as Keevelr, j, daor heurde ng wel es ene keer vann nt as Schrepenheuvel n zon nt as Pirke Dondersn nt as den Hllegen k in, in, in, in Orschtn den Hllege Kenilles (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

knneke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

inhoudsmaat (bier) verkleinde vorm van 'kan' met umlaut.

kannetje

LDM - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of "vat", van 1/4 ton of "keneke" en van 1/8 ton dat men "kattekop" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 Oude brouwerijen in Tilburg; NTC 23-6-1951)

H. van Rijen (1988): et knneke stao op den recht

Brod eten tussen et koren op et veld en koffie drinken t zon kom, diese vol schonken t zon blaaw kenneke. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.2.1:124 'kanneke

 

kenon, knon

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): 'kenon, knon' kanon, verkleinde vorm 'knunneke'

Pierre van Beek -- Wie des avonds "z zat as 'n kanon" is, loopt veel gevaar des morgens "z ziek as 'n krab" te zijn, beweert men in Tilburg al is het ons niet duidelijk waarom hier nu juist die "krab" en dat "kanon" bij te pas moeten komen. . (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

 

kenonbl, de

bijnaam

Jan Pijnenburg

Luister naar de stem van Jan - Kenonbl - Pijnenburg na een verloren zesdaagse in Antwerpen - radio-interview met Albert Milhado uit 1936 (MP3 - 2,8 Mb) - Met dank aan Paul Bogaert

 

kns, knds

bijvoeglijk naamwoord .

kinds, dement

Bont kƐns, bijvoeglijk naamwoord  'kends' (d.i. kijnds)

 

knsknder

zelfstandig naamwoord , plur.

kleinkinderen, kindskinderen

Bewaor et mar vur oew knsknder.

 

kntje

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm van kaant

kantje

Cees Robben Op t kentje aaf... (19780113)

 

kepl, keplleke

zelfstandig naamwoord

1. kapel

Cees Robben Gao delke merrege naor t kepelleke Ketooke..? (19570504)

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  kepel

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

 

Tony Ansems --

De hasseltse kapel

As de Maaj maond was begonnen

Gingen wij mee hil 't stel

Onze Pa, en ons Moeder en heel de kender

Naor de Hasseltse Kapel

Gauw 't Roozenhuuke bidde

Die ouw vrouwkes waren snel

En dan saome snoep tzuuke

Bij de Hasseltse Kapel

Van die lekkere kaneele steele

Zuuthout, drop en karamel

Leerden om alles saam te dele

Bij de Hasseltse Kapel

(.De Hasseltse kapel; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Dossier Hasseltse Kepl

 

2. caf

- Onderweg hebben we heel w kepellekes aongedaon en ook in Oirschot lee je we aon. Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

Bij geboorten gingen de naaste buren mee aangeven. Dit laatste was dan voor de vader nog al een dure gebeurtenis, want dan sloeg men bij het naar huis gaan geen een "kapelleke" over. En dan bleven de gevolgen niet uit... (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 1 Wijkbuurten in vroeger dagen; NTC 8-11-1950)

Pierre van Beek -- De uitdrukking "As O.L. Heer een kerk bouwt, zet de duvel er een kapel neffe" slaat op de cafs die men gewoonlijk nabij een kerk aantreft al kan men er ook wel een diepere zin uithalen, namelijk deze, dat de duivel er steeds op uit is de mens tot het kwaad te verleiden. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Want die leej de kapplleke meej aon, h! Kefeejkes, kappllekes zin ze vruuger [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

3. twijfelgeval !!

Ik dnk dk nr de Hasselt gao/ kke rond de kepl. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Nr de Bvert...)

Nr de Bvert...
Kom, zeej Lewie, ik fiets is op.
Waorheene?, vroeg zen Nel.
Ik dnk dk nr de Hasselt gao
kke rond de kepl.


Mar halverweege kreeg ie drst
n hij leej daor fkes aon.
daor zaag ie hangend n de toog
zenen aauwe ploegmaot staon.


Ze hbben er en paor gevat
wiere allngskes blijer
n waare vur zer rg in han
al vf kefeekes wijer.


Teege den aoved kwaam ie ts.
Nel zaat ng meej der eete.
Keplleks hai zat gehad
mar et Hasselse was vergeete.

4. vlinder

Uit een ABC-boek

WNT Eigenlijk. Een vlinder (dagvlinder) van de eene of andere soort, gedaante of kleuren. Soms kan de toevoeging van witje als synon. (zie beneden, onder de aangehaalde voorbeelden) doen meenen dat met den naam kapel slechts vlinders van ne bepaalde soort en kleur, de witjes of koolwitjes, zijn bedoeld, maar vermoedelijk is ook witje op die plaatsen niet anders dan een algemeene naam voor vlinder, ontleend aan dien van eene zeer veel voorkomende, algemeen bekende soort.

Reeds bij Kiliaen - 1599

Kapelleke

 

'n Leuk citroen kapelleke woei

alleenig deur et bos,

en m'n ooge die wieren van et zien nie moei

en ze lieten et ding nie meer los.

 

Toen woei er 'n wit kapelleke bij

en ze daansten deur et bos,

te saome zot, te saome blij,

te saome vrij en los.

 

En de twee kapellekes allebei

deur 't lentelieve bos

ze sjaansten en daansten mijn ooge veurbij

al boven et lekkere mos.

 

Gij lieve kapellekes daor in et bos

een wit en een citroen,

toe, sjaanst er en daanst er mar lekker op los,

ge meugt et gerustekes doen!

(Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Kapelleke, 1941)

 

keplaon, keplntje

zelfstandig naamwoord

kapelaan

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de pestoor n de keplaon lopen aachter etzlfde vaon (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek  '70) die houden er dezelfde principes op na

Cees Robben:  'd'r was is unne kappelaon'

Bont kəplo.n, zelfstandig naamwoord m. 'keploon', - kaplaan, kapelaan

 

kepoerewiets

bijvoeglijk naamwoord .

kapot, dood

Stadsnieuws:  fkes piepte ze ng, mar toen waar de ms hartstikke kepoerewiets - eventjes piepte de muis nog, maar daarna was ze morsdood (220407)

van Jiddisch 'kapoeres' (= dood) [?]

 

kept

bijvoeglijk naamwoord .

kapot, stuk

● kapot, in de zin van voorbij
Cees Robben Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... Mar t is kepot...../ dauwtrappen is vort van de baon....../ d hee jandoome afgedaon! (19540508) Deze prent werd gemaakt naar aanleiding van een hernieuwing (handhaving) van het oeroude verbod op katholiek getinte manifestaties op de openbare weg, meestal het processieverbodgenoemd.

D. Boutkan (1996): (blz. 27) de vaos is kept

WBD keptten deg - ongeschikt deeg , dat nl. niet wil rijzen

R.J. die gao dervan kept

DANB zene mooter is kept

WBD III.4.3: kept - verdord (van bloemen); ook genoemd: verdrd, dod, tgedrgd, afgestrve, rt
● dood
Cees Robben Ik krj [kruij] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

WBD kept gaon - sterven (van een dier)

 

keptgaon

werkwoord, sterk

V kapotgaan, stukgaan; van dieren: sterven; bij het kaarten geen enkele slag halen

voor elkaar krijgen

We zullen dan mar is afwochten w-t-ie in Keule kepot mokt! (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)

failliet gaan

Interview met de heer De Kok (1978) Jan van Aorendonk die is toen kept gegaon in firteg. (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

WBD III.4.2:31 'kapotgaan' - sterven (van dieren), ook genoemd: 'sterven' 'doodgaan' of 'creperen'

WBD III.4.3:35 kept gaon - sterven (v.e. plant)

 

kepthuudje

zelfstandig naamwoord

GG kapothoed, kleine zwarte hoed bezet met kralen, die door oudere burgervrouwen werd gedragen

 

keptspeule

werkwoord, sterk

kapotsnijden; het geslachte varken 'afkappen'

Audioregistratie 1978 - En dan kwaam de slager, h, f de slachter dgs ndderhand. Dan kwam ie saoves gewoonlek n dan kwaamie die zaak kept snije n d ging dan in en hille grote tn  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

keptspeule

werkwoord, zwak

kapotspelen: bij een bep. kaartspel alle slagen halen

Frans Verbunt:  bij het hoogjassen: honderd roem en kapot

keptspeule - spulde kept - keptgespuld

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij spult kept
Cees Robben Ik speul hartstikke kepot..! (19740614)
 

kps

zelfstandig naamwoord

blut

Daamen - Handschrift 1916:  "ik doe nie mir me ik zai keps (m'n beurs is leeg)"

Stadsnieuws:  Ik doe niemir meej: ik z kps -  ik heb geen geld meer om in te leggen (100110)

WBD (III.3.2:36) kps of blut - alles kwijt (bij een spel)

Bosch kps - blut

 

kerbied

zelfstandig naamwoord

carbid

H. van Rijen (1988): gez. Ge moest kerbied lusse! (dan zou je ontploffen??)

Bont kərbit, zelfstandig naamwoord m. - carbid

Hees carbid (II:87)

 

kerbies

zelfstandig naamwoord

Van Dale: karbies, handtas zonder klep of sluiting, met twee grote oren

Hij stapte frd meej zen kerbieske/ as gong ie op ene wreldtoer. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: 'Waor et heurde was et nie')

 

krbl

zelfstandig naamwoord

biljartterm; carambole

Onzen Oopaa kos veul krbols maoke... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Not Genoeg Geoefend)

Frans Verbunt:  (biljartterm) carambole, geslaagde stoot

Kiske, Willum n de Sjef/ beljrten alle weeke./ Iedere krbol wort gewikt,/ gewooge n bekeeke. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krt op td...)

WBD (III.3.2:249) krbol = carambole

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'krbol' zn - carambol

 

kerbl
zelfstandig naamwoord

carbolineum [ook wel, maar foutief, carboleum] - zwarte vloeistof uit steenkooldestillaat om hout te verduurzamen [tegenwoordig verboden wegens schadelijke stoffen]
Cees Robben teerzeep en kerbol (19701016)
 

kerdaot

zelfstandig naamwoord

kordaat

R.J. 'draai mar kordaot on oew wieltje

Cees Robben:  kerdaot

WBD III.3.1:299 'kordaat' = vinnig

 

krdon

zelfstandig naamwoord

kordon

H. van Rijen (1988): iemand die dur de krdons mot - die door een zure appel heen moet bijten

Hees deur d'n kerdoezel (I:86)

WNT KORDON - Door de kordons (moeten) loopen - voorheen een straf voor militairen van denzelfden aard als het spitsroedenloopen, waarbij de geweerriemen als strafwerktuig dienden.

 

keresier - krresier

zelfstandig naamwoord

bazige vrouw, heerszuchtige echtgenote

Cees Robben:  jong die om den haoverklap nor bte worre gekerreseerd (sic)

H. van Rijen (1988): 'krreser'

's Moeder hield van praajvesie mar was k wel 'nne kurresier as ge
begrpt w 'k bedoel. (Jos Naaijkens; Mnne ceeveej; CuBra)

Stadsnieuws:  Hij heej ene keresier getrouwd: hij maag vort niks meer as nr heur lstere - Hij heeft een bazige vrouw getrouwd: hij mag voortaan niets meer dan haar gehoorzamen. (210710)

Van fr. carossier (koetspaard), of van 'kurassier' (= dragonder), dat volgens WNT overdrachtelijk 'manwijf' betekent.

Verhoeven (1978):  KAROSSIER (krresier) m. groot, gewarig en heerszuchtig vrouwmens; strenge echtgenote; wsch. v. Fr. 'carossier'- paard dat de koets trekt (vgl. molenpaard). Niet in WNT. Z.a.

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'karessier zn - manwijf'

 

krhngst

zelfstandig naamwoord

WBD lomp paard

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  z zuur as ene krhngst (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '70) - 'zuur' betekent hier agressief, onhandelbaar, zoals een hengst voor een gespan

H. van Rijen (1988): lastig (onhandelbaar) persoon

Bont zelfstandig naamwoord m. (scheldn.) 'karhengst' - lompe onhandelbare boer.

 

krke

zelfstandig naamwoord, verkleinde vorm

karretje, wagentje

Cees Robben Lam Lewieke zaat gelaote/ In zn krke... (19700925)

D. Boutkan (1996): (blz. 16) 'krke' geen svarabhaktivocaal wegens morfeemgrens

GD08 dieje meens die die krkes mkt ... zonne skoetmoobiel

Dim. van 'kr', met vocaalkrimping.

 

krkehske

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kerkhuisje

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  as ge teegen et krkehske piest, d drgt noot p - Als je autoriteiten, geestelijke of wereldlijke beledigd hebt, wordt dat door hen nooit vergeten.

 

krkenbank

zelfstandig naamwoord

WBD (III.3.3:41) krkenbank, bank = kerkbank

 

krkendeur

zelfstandig naamwoord

kerkdeur

WBD (III.3.3:28) krkendeur, hoofddeur, grote deur = kerkdeur

 

krkhf

zelfstandig naamwoord (m)

kerkhof

R gez. Kannie leej opt krkhf (als reactie op de uitlating 'ik kan het niet')

MP gez. Ksters koej maag opt krkhf waaje

Pierre van Beek: opt krkhf ligge de doje n liege de lvende

 

krkwg

zelfstandig naamwoord

kerkweg

H. van Rijen (1988): alle weege zn gin krkweege - niet elke weg leidt direct naar een doel

 

kermneks

zelfstandig naamwoord

komijnekaas, pitjesks, gemneks

 

krmenaaj

zelfstandig naamwoord

karbonade

- de uitspraak met b komt in het Tilburgs nauwelijks (meer) voor:

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'kerbenaai'

- b is genasaliseerd: m; < a, als kr < kar.

De Bo - De b en de m verwisselen somwijlen met elkander, b.v. (...)
Bedeen medeen, met een. Bestelle mostelle. Karbonade karmena. (De Bo, Westvlaamsch Idioticon, 1892)

Cees Robben:  Dan kan ie meej de 'kermenaoi' ng veul goedmaoke

Stadsnieuws:  ... nao et vuurwrk waar der vur iederen ene lkkere vtte krmenaoj en vors brod (020108)= fr. 'carbonnade'

De krmenaoj, de platte ribbe, de zult of krp, et zwoert n spk. Toe den hiel aon toe. Durreege spk n ballekebraaj. Et smdderptje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Bont krmən.i, zelfstandig naamwoordvr. 'krmenaei' - karbonade

Goem. KARBONADE - k:rmənoə

Antw. KARMENEI, KERMENEI zelfstandig naamwoord v. - karbonnadei ook: KERMENAAI 

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): krmenaaj zn - karbonade

 

krmes

Tekening van Frans Mandos Tzn - 1945

zelfstandig naamwoord

kermis

D. Boutkan (1996): (blz. 97) toen kwaamde gullie lk jaor nor de krremes

MPR Aachterm ist kr(e)mes - Laat bewoners niet onnodig naar de voordeur komen; ga gerust achterom.

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'kermisgaast' - kermisgast, kermisbezoeker
Cees Robben Al vur de Kermis aont zrge De Leuw..? [Over een vishandelaar die voor de Kermis haringen op potjes zet] (19640724)

Dialectenqute 1876 - kerremiskroam

DANB toen kwaamde gllie hier lk jaor nr de krmis

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  tis aaltij gin krmes, zi de begijn n ze sneej den appel in viere (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '72)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  meej Hasseltse krmes f rpel f lof ('49); de eerste zondag na 2 juli zijn de aardappels rijp om gerooid te worden. 

H. van Rijen (1988): 'krremes'

Stadsnieuws:  'Tilbrgse krmes is de grotste van et laand' (160708)

Bont kƐrməs, zelfstandig naamwoord vr. - kermis

Antw. KERMIS (uitspr.: krrəmiis; te Antw.: karrəmiis), zelfstandig naamwoord v. en hier en daar Fr. kermesse.

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): krmes zn - kermis

 

krmes haawe

werkwoordelijke uitdrukking

kermis vieren

Cees Robben - Mee de vrouw en kender/ Kermis haauwe... (19540814)

 

krmespt

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): ' krremespot' = dubbeltjespot - spaarpot in caf voor kermisgeld

Stadsnieuws:  'De krmespt stlt meej die prze van teegesworreg nie veul mir veur' =... met die tarieven ...

 

krmessteel

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): 'krremessteel' zuurstok

 

krmesvrijer

zelfstandig naamwoord

kermisvrijer, vrijer voor korte duur

H. van Rijen (1988): ene krmesvrijer n ne mikken botterham zn etzlfde

 

Ill.: Thom - paeonia officinalis - pioenroos - kernillesros

kernillesros, knillesros

zelfstandig naamwoord

pioenroos (paeonia), kornelisroos (Paeonia)

WBD (III.2.1:433) kernillesros = pioen (Paeonia officinalis), ook genoemd pioenroos, klaproos

In aanvangssyllabe eerst vooaalreductie, daarna contractie.

Bont kərne'ləsr.s, zelfstandig naamwoordvr. - Cornelisroos, pioenroos

Antw. CORNELISROOS (uitspr. cornelləsroes) zelfstandig naamwoord v. Pioen, Fr. pivoine

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kernillesrs' zn - pioenroos

 

kernllie

zelfstandig naamwoord

Uit het Frans: canaille

Daamen - Handschrift 1916:  "karnalje - une canaille"

R kernllie

H. van Rijen (1988): kreng, gemeen vrouwspersoon, helleveeg

Ieder viswf is ng gin kenllie. - Ieder viswijf is nog geen kanalje.

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  't was zo kernaolies heet

Cees Robben Naa-nie entele.. kernollie... (19580802)
Cees Robben [Echtgenoot met blauw oog spreekt:] Ik zaag meej unne schiem desse sloeg, de kernollie... (19680920)

Frans Verbunt:  'knllie' - bazige vrouw

WBD III.1.4:109 'canaille' = ondeugende vrouw

WNT KANALJE, in den volksmond veelal KARNALJE 1) verachtelijke benaming voor het gewone volk, het gepeupel, het janhagel; 2) gemeen persoon Verbastering van fr. 'canaille'

Bont kərna'li, zelfstandig naamwoordvr. 'kernalie' - helleveeg (uitsl. v. vrouwen en bepaalde vrouwelijke dieren als geit en koe gezegd).

Antw CARNALIE (uitspr. krnllə) zelfstandig naamwoord v.- boosaardig, slecht wijf, Fr. canaille

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kernollie' zn - helleveeg

Hees kernollie, kanoelie (II:50)

Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters:

Knallie

 

'n Knallie is een strenge vrouw,

ze heeft veelal een harde stem,

haar eisen zijn zo zout als brem:

juist daarom staat ze in de kou.

krrad

zelfstandig naamwoord

karrad, kar(re)wiel

Cees Robben Zo zot as n kerrad (19600325)
Cees Robben Hij is van zn ge al z zot as n kerrad... (19660218)
Cees Robben Z zot as n kerrad... (19851220)
 

krreljon

zelfstandig naamwoord

H. van Rijen (1988): 'krreljon' - carillon, klokkenspel

 

krreme

werkwoord, zwak

kermen

krreme - krremde - gekrremd

 

Krrenemulk

zelfstandig naamwoord

karnemelk

- Frank Klaroen (= Willem van Mook), Nieuwe Tilburgsche Courant, Het wonder van pastoor van der Lee, 9 mei 1934: het was weer vorsche kerrenemulk van boer Pikke uit 't Groenewoud.

- Idem: Nog dienzelfden Vrijdagavond sprak half Tilburg over het opzienbarende wonder van pastoor van der Lee, die, ergens in 't Groenewoud, aan de Ley, het mirakel van Kana herhaald zou hebben, door wel geen water in wijn, maar dan toch in karnemelk te veranderen. En den volgenden morgen, reeds vroeg, zag men voor de pastorie van 't Heike, een gedrang van huismoeders, allen uitgerust met groote melkkannen, welke zij gevuld hadden met zuiver putwater, om het, op de beproefde manier, waarvan pastoor van der Lee het geheim kende, te doen veranderen in vorsche kerrenemulk.

 

krreseere

werkwoord, zwak

commanderen

uit Frans 'carrosser' en 'carrosse', koets, en de koets besturen

Cees Robben Hij kerreseerde ze [ de kinderen] naor bed... (19600219)

 

krsbom

zelfstandig naamwoord

kerstboom

De t valt uit in de uitspraak, ook in Standaardtaal

 

Napolitaanse kerstgroep

Krsemes

zelfstandig naamwoord

Kerstmis

Cees Robben t Wordt Kersemis... (19561222)

Bosch krsemes - Kerstmis

Antw. KERSMIS en KERSEMIS (in 't Z. der Kemp.: kssəmiis) zelfstandig naamwoord m. en niet v.

in de Kempen: kssemis; oudere vorm: Korsmes

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kersmes zn - Kerstmis

► krsemis

 

krsenbom

zelfstandig naamwoord

kersenboom

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  (ds ene goeje) ge kunt en zoo in de krsenbom zette ('73.) Gezegd over iemand die er haveloos uitziet.

 

krske

verkleind zelfstandig naamwoord van krs, kaars; kaarsje; dus met vocaalkrimping.

R.J. ''t kerske is bekaant uit d'n blaoker gebraand'

R.J. Zlang as men krske duurt

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'kairske'

Dialectenqute 1876 - kerske

Daamen - Handschrift 1916:  "Kerske, kerske, over de been; al die daar nie over en kan, die wit er nie van. Kerske (op 3 koningendag over kaarsjes springend zingen de kinderen dit versje)"

't kersken is haost uit den blaoker gebraand; (Leo Heerkens; uit De mus  (Piet Heerkens), Slaoplieke, 1939)

 

krskiendje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kerstkindje

Cees Robben:  et krskiendje t et stalleke is kept

 

krsmid

zelfstandig naamwoord

wagenmaker, 'waogemaoker'

DANB witte ginne waogemaoker/krsmid ?

 

krspor

zelfstandig naamwoord

karrenspoor

Daor neffe laag un krspoor. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

krspringer

zelfstandig naamwoord

WBD karspringer (paard dat probeert uit het tuig te springen)

 

kerstannie

zelfstandig naamwoord

kastanje

- mn zakke vol kerstannies en haozelnote (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

► zie ook kastannie

 

krstfr

zelfstandig naamwoord

kerstmarkt

van kerst en Engels fair (markt)

Mocht meej naor de krstfr in De Vurste Venne in Drunen. (Jos Naaijkens; De krstfr; CuBra, ca. 2005)

 

krsvtplkke
zelfstandig naamwoord meervoud
plekken (vlekken) van kaarsvet
Cees Robben En kersvetplekke op oew jas... (19540703)
 

kerveeje
werkwoord, zwak
corvee doen
Cees Robben Bij unne gruntenboer kerveeje... (19560721)
 

kerwaaj, kerwaajke

zelfstandig naamwoord

karwei

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  karwaaike; 'kerwaaike'

SJAREL. Vergimme, des 'n kaoi kerwaai! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 2 februari 1945)

Cees Robben n Schn kerwaai (19600520)
Cees Robben Aon d kerwaai gevrukt... (19830401)

Bij de miste kerwaaikes, wies ik er men ge aaltij wel ondert te draaie, omwaasse deej ik wel ot mar d blf beperkt tot afdreuge. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.3.1:400 'korveen' = karweien (onbetaalde arbeid verrichten aan de openbare wegen)

WBD III.1.4:356 'heel karwei' = last, moeilijkheid

● eufemisme voor een reu die een teef zoekt

Cees Robben Mn hundje is weggelpe (...) Ik denk dettie op kerwaai is (...) t is n menneke... (19710730)

 

kesjrs

zelfstandig naamwoord

concirge

Goem. CONCIERGE (Fr. uitspr.)

 

kesjt

zelfstandig naamwoord

korset

ook wel: kersjt

Kees en Bart (ca. 1925; in Tilburgsche Post) -- 'kesjt'

De Wijs -- (moeder tegen haar dochter: )t motte teugeswoordig ammaol steppinnen zn, mar wij waren vruuger blij mee n kesjet mee blnen (17-08-1964)

Cees Robben n Kesjet meej blne.. (19640911)

H. van Rijen (1988): 'kesjt'

Ons moeder zi vruuger aaltij: Assik d ding tlaot, krg ikket allejizzus in menne rug, ze bedoelde der kesjet. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WNT KORSET. De bij Boekenoogen (corsietten) aangetroffen, thans niet meer als beschaafd geldende vorm korsjet (corchet) moet wellicht aan hypercorrecte, z.g. fransche, uitspraak worden toegeschreven.

Bont kə(r)s't, zelfstandig naamwoord o. 'korsjet' - korset

 

kesjoe

zelfstandig naamwoord

rubber, gummi, caoutchouc,

Verbastering van fr. caoutchouc

en kesjoeke van en beugelflske - 'n gummiringetje van 'n beugelfles

Die bus hattie ok himmel zelf gemokt, en ze ree fn al daoverden ut dan in bietje mar d kwaam omdt er massieve kesjoe baande aan zate... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Is ie w aauwer geworre dan denkt ie vort hil den dag aon spulgoed, aon in spoortuutje, in kesjoe katsebulleke en zooal. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WBD (III.3.2:123) kesjoe bl, ktsembl = kaatsebal

Goem. CAOUTCHOUC (Fr.) 'katsu:' (of Fr. uitspr.) zelfstandig naamwoord m.

Hees kusjoew (III:24)

 

kesjt

zelfstandig naamwoord

cachot, gevangenis

Audioregistratie 1978 - Toen zttenie [de pastoor] me daor in, in et kesjt, daoraachter de krk, ik n Sjefke Dams. Ik vergeet et gaddoome not mir.  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

kskedieje

werkwoord, zwak

inbrengen, te vertellen hebben

WTT - mogelijk uit Frans: Quest-ce quen dire? Wat zal ik ervan zeggen?

Van Beek - "Hij heej niks te kiskedieje!" - Hij heeft niets te zeggen; hij heeft niets in 't midden te brengen; hij heeft niets te commanderen; hij heeft niets in de melk te brokkelen. (Zou dit van het Frans komen? - Qu'est que dit?)  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Cees Robben [Man spreekt:] Ik heb thuis (...) toch niks te kes-ke-dieje... (19831209)

H. van Rijen (1988): "ge ht niks te kiskedieje" - je hebt niets te kiezen

WNT KEDIEZEN, KADIEZEN (kadijzen) - in Noord-Ned. ook kiskediezen, kieskediezen. Men heeft gepoogd deze woorden met Fransche klanken en vormen in verband te brengen (qu'est ce que dis?) doch zonder bevredigende uitkomst, 1) Op- of aanmerkingen inbrengen; 2) vitten, bedillen, berispen; 3) zeggen, gezag hebben, bevelen. Verbastering van fr. 'qu' est-ce-que ... dit' ? 

Antw. KISKEDIE (klemt, op die) zelfstandig naamwoord m. - pronkzieke manspersoon (spotnaam op eenen manspersoon)

KISKEDIEN (klemt, op die) - Ge het niks te kiskedien - niets te seggen, niets te bevelen.

Ed Schilders over kskedieje

 

kskenaoj

►zie kaskenaoj

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt:  kskenaode - verbeelding

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kskenaoj - opschepperij (ook: kskenaode)

Haor kshenaodemaokers - opscheppers

 

kestel

zelfstandig naamwoord

kasteel

dim: kestiltje

 

Een weefgetouw van een Goirlese thuiswever - archief Pierre van Beek

 

ketaaw

zelfstandig naamwoord

getouw

 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

en aawerwts haandketaaw - een ouderwets handgetouw

R.J. 'nuuw ketaaw'; 'op 'n awerwets haandketaaw'

'n Weeverke,

'n jong, vlug weeverke

al op z'n nuuw ketaaw  (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Aaw Tilburg, 1938)

Cees Robben Uit t laand van ketaauwe en wol... (19580308)

Onze vadder stao in en blauw kieltje n zen ketaaw/ te lstere nr et getok n ons moeders gemaaw... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Tilburg op zn bst)

Audioregistratie 1978 - n toen was Drikka Kools, die wonde daor op de Ruudk waor naa Jan van Kempen wont in d ouw hs. n die ha daor en ketaaw, die was vort oud n dan moes ik daor gn wve nouwchd, chd, chd, hGin brod, gin gld, chd, chd, chd! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

De vaader van mn vaader, h, die zaat tuis meej en houtere ketaaw te weeve! Bij ons heej acht, achtien jaor en houtere ketaaw in huis gestaan! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

WBD ketaawe (II:943) - getouwen; ketaaw (II:944) - getouw (ook: II:945)

WBD handketaaw/haandgetaaw (II:944) - handweefgetouw

WBD masjienaol ketaaw/getaaw (II:945) - machinaal weefgetouw

WBD brd getaaw/ bri-j ketaaw (II:945) - breedweefgetouw

stemh. spirant is stemloze explosief geworden

WBD buksketaaw/buksgetaaw/bukskinketaaw (II:947) - bukskingetouw WBD ketaaw stlle/getaaw stlle (II:947) - getouw stellen

WBD spoelgetaaw/spoelketaaw (II:1031) - pijpenspoel

Bont zelfstandig naamwoordo. 'ketaauw' - getouw, weefgetouw

 

ketaawbegeleiding
zelfstandig naamwoord
muzikale begeleiding van een weefgetouw
Cees Robben Den Sjef zingt goed... Mar t biste meet ketaauw-begeleiding.. (19810313) [Milde spot van Robben op de zangkwaliteiten van wevers; thuiswevers kenden vele liedjes om de arbeid van vitaminen te voorzien; het geluid van het weefgetouw gaf de maat aan]
 

ketaawstller

zelfstandig naamwoord

getouwsteller, afsteller van het weefgetouw

WBD getaawstller/ketaawstller (II:948) - getouwsteller

WBD ketaawestller (II:948) - getouwe(n)steller

 

ketnt, kontnt

bijvoeglijk naamwoord .

H. van Rijen (1988): content, tevreden

 

ketier, kertier

zelfstandig naamwoord - de ie is lang

kwartier

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  'kertier' naast 'ketier'

M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands - kwartier zn. een kwart uur; landstreek, stadswijk
Mnl. quartier deel van een geheel (...) Ontleend aan Frans quartier vierde deel (van een geheel) [13e eeuw; Rey] (...) De betekenis kwart uur is in het Nederlands ontstaan als verkorting van de uitdrukking een kwartier uurs, ouder een quartier uers [ca. 1500; WNT toeven].

WBD III.4.4:2 'eerste kwartier' = eerste kwartier; 3 laatste kw. = idem

Bont kəti.jər, zelfstandig naamwoord o. 'ketier' - kwartier 1) vierde van een uur; 2) (vierde)deel v.e. uier; 3) verblijf.

Goem. KWARTIER - koti: zelfstandig naamwoord o., verkleinde vorm koti:kə

Antw. KAARTIER, KERTIER zelfstandig naamwoord o.- kwartier
1. tijdspanne van 15 minuten, vierde deel van een uur

Cees Robben:  nao en stf ketierke; lange ie!

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): ketier zn - kwartier

B kertier oover vve - kwart na vijven

1.1. In het gezegde 'Tilburgs ketierke' [korte ie]

- geaccepteerde want gebruikelijke tijdsoverschrijding bij de aanvang van bijeenkomsten

Piet van Beers Ndderhaand moete nie maawe:  Nao 't gebrkelek "ketierke" (Brabants Bont 1; z.j., ca. 2005)

Stadsnieuws - En Tilbrgs ketierke duurt sewle wl en half uur (170908)

1.1.1. Benaming van een 'Tilburgs' drankje.

 

Foto: CuBra 2018

 

2. woning

M Et is er en saaj ketier - saai gedoentje

Uitdrukking: raauw ketier = huishouden van Jan Steen [Robben schrijft rouw]
Cees Robben Des me k n rouw ketier (...) alles lee schots en scheef en hars en dwars dur mekaare... (19840210)

Gerard van Leijborgh Electriciteit", riep hij, dat heb ik nooit in m'n ketier gehad". (De laatste Tilburgsche huiswever 4, Nieuwe Tilburgsche Courant, 22-11-1940 - Aan het woord is Frans van Geloven, de laatste huiswever.)

3. de verdeling van de koeienuier in vier delen

WBD bddehaandsketier - linker voorkwartier v.d. koeie-uier

WBD vur de haands ketier - rechter voorkwartier v.d. koeie-uier

WBD aachterse ketier links - linker achterkwartier v.d. koeie-uier

WBD aachterste ketier rchs - rechter achterkwartier v.d. koeie-uier

4. deel van de week

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): int liste ketier zitte - op zwart zaad zitten (op 't eind v.d. week)

 

ketierke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van ketier - de ie is kort
kwartiertje
Cees Robben n Stjf ketierke dur de Rt.... iets meer dan een kwartier door de Reit (19550716)
 

ktje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

katje

Dialectenqute 1876 - 'n hundje en n ketje

 

ketoen

zelfstandig naamwoord

katoen

Daamen - Handschrift 1916:  "katoen - mar ze gaaf em katoen (hard werken, haast achter het werk zetten)"

Interview Hermans - 1978 - want affktgaores op zichzllef die zijn van ketoen mar ge ht ok veel die gevrfd zn dt wol is, war..want ene wollen draod kunne ze nie zo dun maoke as ene gewoone hillen dunne zijen draod fwl ene ketoenen draod.. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om het interview te beluisteren

WBD ketoen (II:872)

Frans Verbunt:  zo slcht as ketoen van ne cnt et l

Cees Robben:  ''t is ketoen ... en enkelt pap'

WBD (III.2.1:271) ketoen = lampenpit

 

ketoor, ketorke

zelfstandig naamwoord

kantoor; met name de ruimte waar de bazen van de fabrieken zetelden.

Interview met de heer De Kok (1978) dk op ketoor moes koome, dan zok daor op men soodemieter kregen, h. (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

GD07 Ze wiere dan school- f ketoorjuffrouw

Bont kə(n)t.r, zelfstandig naamwoordo. ' ke(n)teur' - kantoor

 

Kts, de

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Kaatsheuvel

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de Kts en Lon, ze schooje den hnger n stooke den braand (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '65) - .... en steken de brand: (in K. en L. woonden veel stoelenmatters scharenslijpers en zwervers.)

Variant: Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de Kets n Lon, kaoj vlk, koaj laand, ze steele de kst n steeke den braand ('82)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  de Kts n Lon zn ene gaddome ('82) - ... zijn n goddomme (de inwoners vloekten namelijk veel)

De Kts die heej den fteling/ Den Bosch heej de Sint Jan/ Iederen kwaam steeds meej de vraog:/ n w heej Tilburg dan?" (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wij aaltij aachter)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): en Kts - iemand die uit Kaatsheuvel kwam (blz. 91)

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): de Kts = Karel Swagemakers (blz. 76)

 

ktse

werkwoord, zwak

1 kaatsen - sport en spel

H. van Rijen (1988): kaatsen

Frans Verbunt:  'ktseblle' - kaatsen als meisjessport, c.q. -spel

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): ktse ww - kaatsen

2. afgeleid van 1; steentjes (stintjes) ktse

een kiezelsteen op het wateroppervlak gooien zodat de steen afketst op het water, liefst meerder keren achter elkaar

kltse

stintje ktse

 

Ill.: Tijs Dorenbosch

ktsembl

zelfstandig naamwoord

► zie katsembl

H. van Rijen (1988): kaatsbal

Frans Verbunt:  ktsembl

un springtouw en un paor ketsebollen(Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): ktsebol

 

ktting

zelfstandig naamwoord

de draden die bij het weven in de lengte lopen; in tegenstelling tot de inslagdraden, die in de breedte lopen.

Interview Hermans - 1978 - mar as ge ng van de veezel af irst et gaare moet spinne, war daarnaa ng verwrke tt ktting n inslag in de weeverij n dan ng es et stuk 54 meeter maoke.. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
Interview Hermans - 1978 - Die ktting die was nat n die moes gedrgd wrren dan han ze ene paol op meej ene zwarte paol derop n dan stond er ammel spkers n pinne op n d was van dieje bridte n daor wier dan. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
Interview Hermans - 1978 - Op de kreugel laag de ktting n dan wier zo, zo vr ast was, war, d wier daor ammel opgehkt toed de ktting daoroover ophong, toen wier ie gedrgd. (transcriptie Hans Hessels, 2013)
► KLIK HIER om het interview te beluisteren

Audioregistratie 1978 - Onze vadder hoeveul, hoeveul stukke heej die nie gelmd!? Hdde gezien hoe ze die kttinge lmden, h? En die wrden dan bte gezt oover hil de straot, h. Die lngte van die ktting, want die wrd, die wrd dan gelijmd n dan moese ze buite drooge! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WBD III.1.3:261 'horlogeketting' = horlogeketting

WBD III.1.3.263: 'kettinkje' = halssnoer; 'halsketting = halssnoer

 

kttingkeeper

zelfstandig naamwoord

WBD II.4. p. 873 Een keper waarvan het oppervlak (de "bovenkant van het weefsel") hoofdzakelijk door kettingdraden wordt gevormd.

kettingkeper : het type ktingkeejper, K 183 (= Tilburg) .

 

Scheren van de stof; 18de eeuw

kttingschirder

zelfstandig naamwoord

kettingscheerder

WBD kttingschirder (II:989): de man die de handeling v.h. scheren verricht

H. van Rijen (1988): 'kttingschrder' - degene die de ketting maakt en boomt

N.B. Als het ww 'schre' is, ontstaat bij stamverkorting toch een (schrder); of is het ww toch 'scheere', met de lange opponent van 'schir'?

 

kttingseten

zelfstandig naamwoord

WBD II.4. p. 873 Satijn waarvan het oppervlak (de bovenkant van het weefsel") hoofdzakelijk door kettingdraden wordt gevormd.

kettingsatijn: het type ktingsatn, K 183 (= Tilburg)

 

kf, kfke

zelfstandig naamwoord

kuif

WBD haren tussen de horens van een koe, ook 'Kuif', 'trs' of 'truske'

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): Fien kf = (v.d. Mortel-Houben) (blz. 56)

WBD III.1.3:271 'kuif' = kuif; ook: 'pleeborstel'

D. Boutkan (1996): (blz. 52) kf - kfke

Bont zelfstandig naamwoord m. - kuif

 

kke

zelfstandig naamwoord

kuiken

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): gez. Twaalf aajer en dartien kkes - een meevaller, buitenkansje

WBD kke, 'kkentje', 'kiepke' - kuiken

WBD kke - pas uit het ei gekropen kipje

WBD kuikentje, kieken, kieke, kiepke, tk, tiet tiet tiet, (Hasselt) tjiep - roepwoorden voor kuikens

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  alle kkes wrre gin kiepe (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '73) - niet iedereen groeit uit tot wat men van hem verwacht

Bont zelfstandig naamwoordvr. 'kuik' - jonge kip; verkleinde vorm 'kkske(n)'

 

keukebescht

zelfstandig naamwoord

keukenbeschuit

A.J.A.C. van Delft -- keukebescht -- Nou 'k daorvan spreek, schiete me ineens ok weer de keukenbeschuit van vroeger jaoren te binne nt s de bestellen veur de pap van 't kln. Die ziede ok zoow niemeer! Ws de tijd toch veraanderd, war! () Keukenbeschuit was vroeger algemeen gebruikelijk, zoowel voor gerecht bij de koffie als voor de keuken, bijv. voor het vervaardigen van gehakt. Deze had den vorm van een doorgesneden "St. Huibertbroodje", dat nl. de niet gedroogde keukenbeschuit was. Bestellen hadden ongeveer den vorm van een cadetje en werden hard gebakken met anijszaadjes erin. Het was een gekruid masteluinbroodje, en werd inzonder gebruikt om er pap voor kraamvrouwen en kinderen van te koken. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

 

kl, kltje

zelfstandig naamwoord

kuil, ook voor b.v. aardappels (WBD)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Tweej, drie daoge stonde ze zoiets den doj, den dojen in hs n dan brchte ze em wgj, d was de kl in! Klik hier om dit bestand te beluisteren

kinderspel met knikkers: Knikkeren, ofschon ik d nie z zaag zitten. Ge wiert er zo smrrig van, zeker bij kltje. Ge mokte dan un kltje in de grond en van un bepaolde afstand moeste dan knikkers, meej oewe vinger in d kltje schven. Wie d in de minste keren deej, mocht de knikkers allemaol hebben. Et kan zn det nie hillemol klopt, wk naa vertel, mar z waren de spelregels, geleuf ik. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD askl - ashok (bewaarplaats voor as, vaak gelegen onder de bakoven)

WBD rpelkl - aardappelkuil (ook in Hasselt)

WBD drinkeskl, Hasselt: drinkkl of drinkesgat - weterkuil (natuurlijke of gegraven kuil op het erf of op de weide, waarin men vee drenkt)

WBD voejerkl - spoelkuil voor groenvoer (kuil op het erf, voortdurend met (grond)water gevuld, waarin men het groenvoer voor de koeien spoelt of wast)

WBD mooskl, (Hasselt)s moowskl - zinkput (voor afvalwater uit o.a. de gootsteen); ook genoemd 'moosput'

Cees Robben:  Ik zit liever n ene viskl.

WBD III.1.2:72 'een kuil graven/maken; ook 'spaden'

WBD III.4.4:145 'kuil' = dal;

WBD III.4.4:178 'kuil' = vijver;

WBD III.4.4:179 'kuil' = poel

Bont zelfstandig naamwoord m. - kuil; verkleinde vorm'klleke(n)'

WBD III.4.4:170 'waterkuil', 'voederkuil' = vijver

 

kp, kpke

zelfstandig naamwoord

kuip

s Anderendaogs kwaam de slachter terug om alles [van het geslachte varken] in handzame porties te verdle en wier alles in enne kp, in de kelder, in de pekel geleej. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD beslagkp - beslagkuip (waarin moutmeel en water werden gemengd, in de brouwerij)

WBD klaoringskp - klaringskuip (waarin het aftreksel van mout en water wordt geklaard, in de brouwerij)

Verhoeven (1978):  KUIP (k:p) v - gezegd v.h. bovenste gedeelte v.e. ouderwetse preekstoel, soms met 'n toespeling op de kuip in de kelder waarin spek gepekeld wordt: 'n hil vrken in de k:p.

Bont zelfstandig naamwoordvr.- kuip, ook (schertsende benaming voor) dat deel van de preekstoel waar de redenaar in staat.

 

 

kper

zelfstandig naamwoord

kuiper

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): et kperke = H. Wilborts (blz. 84)

 

ks

helemaal, finaal, totaal; mooi, gaaf, schoon, zedig, kuis

1. bijvoeglijk naamwoord

V en ks waogetje - een mooie auto

H. van Rijen (1988): en ks mdje - een mooi meisje

WBD (III.3.3:359) ks = zedig; ook: ntjes

Hees kuis verslete (V:54)

Antw. KUIS(CH) (uitspr.ks) - zuiver, rein, Fr. propre, in eigenlijken zin gebezigd. E glas kuisch water. 'Ne kuischen handdoek.

2. bijwoord

zen schoene waare ks versleete

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - ... Zonderling is echter het gebruik, 'twelk men hier van KUISCH adverbialiter, even als elders van 'schoon' en 'zuiver', maakt. Z.a.

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): ks p - helemaal op (b.d. voedsel)

Frans Verbunt:  'ks op' finaal versleten

Daamen - Handschrift 1916:  "kuisch - 't is kuisch versleten (geheel)"

Stadsnieuws:  'Die broek is ks op, ze valt bekaant van oe kont.'(041107)

die stof is ks versleete... (Henritte Vunderink; Zoas ik et as knd beleefde; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Verhoeven (1978):  KUIS (k:s) bw - helemaal: k:s verslete.

Bont bijwoord 'kuis' - schoon, totaal, gans, heel en al.

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): 'kis' bw - helemaal, totaal

 

kt

zelfstandig naamwoord

kuit

1. lichaamsdeel

H. van Rijen (1988): 'smr oew kte!' - Maak dat je wegkomt!

H. van Rijen (1988): 'ktetikker, billetikker' - pandjesjas

Van Delft - "Hij heeft de kuitenlatten genomen." Dit is: Hij is op den loop gegaan. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

2. zaad van vissen

WBD III.4.2:77 'kuit' - kuit, ook 'zaad' genoemd of 'zaaiers'

WBD III.4.2:71 'kuit' - vrouwelijke vis; ook genoemd: 'kuitvis', 'vrouwtje'

 

keutel

zelfstandig naamwoord

keutel, uitwerpsel

Van Beek - Als men "voor de keutel gespeeld heeft, is men bedankt".  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Van Beek - Evenzo zegt men dan: "Veur de keutel werken", of "Monnikenwerk doen."  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

...hij keutelde zo mar w aon... (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Graot zene Krsmes )

 

Keutel-moer
toponiem - De locatie is niet duidelijk. Ketelmoer?
Cees Robben - (19570119)
 

keuter

Zelfstandig naamwoord

Boer met een klein bedrijf; cf. keuterboer.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): aan een of anderen keuter

 

keuterstk

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) akkerstok (een (gevorkte) stok waarmee men mest e.d. van kouter en rister verwijdert tijdens het ploegen)

Antw. KEUTERMIK zelfstandig naamwoord m. - stok met eene mik, dien de ploegers in de hand dragen om het kouter zuiver te houden; ook 'neersteker' geheeten.

 

keuvel

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:112 'keuvel' = kap v.e. lange schoudermantel (kovel)

 

kezn

zelfstandig naamwoord

neef; kozijn

uit Frans: cousin

Daamen - Handschrift 1916:  "kezain - naif - neef"

WBD III.2.1:55 kozijn

WBD III.2.2:77 'kozijn' = neef

 

khm

samentrekking

ik heb hem

Cees Robben khem tegen t derde verzekerd mar hij is nog alle riks werd.. (19681101)

 

khien

zelfstandig naamwoord

kin

Cees Robben K h n khaauw khien..... (19550212) [Robben imiteert in een winterprent met sneeuwvlokken en sneeuwballen de nasale uitspraak van een verkouden kind. De prent is ongetwijfeld bedoeld als een voorbeeld van het klankspel dat inherent kan zijn aan het Tilburgs, waarbij zinnen (woordreeksen) klinken als n, voor buitenstaanders onbegrijpelijk, woord: Khnkouwhkien.]

 

Kiosk op de Heuvel; prentbriefkaart; bron: Regionaal Archief

kiejs, kiejsk

zelfstandig naamwoord

kiosk

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - En nt as op den Heuvel op de kiejsk ok aldaor heej vruuger ok ene kiejsk gestaon die muziek gaaf. Krvel presies inder! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

kieke, kiekske

zelfstandig naamwoord

kip

WBD kieke, kieken, kuikentje, kiepke, tk, tiet tiet tiet, (Hasselt) tjiep - roepwoorden voor kuikens

WBD kiekske, kiepke, pieleke - vleinamen voor het kuiken

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEKEN is beter dan 'kuiken'. Alle verwante tongvallen hebben I, behalve het Neder-Saksisch en Hoogduitsch. Z.a.

Bont zelfstandig naamwoord. o. 'kieken' - kuiken (zolang het binnen de dop is); buiten de dop: 'pieleke(n).

Antw. KIEKEN zelfstandig naamwoord. o. -jong hoen; Holl.kuiken; Fr. poulet; vkl. kieksken

 

 

kiekemedie

zelfstandig naamwoord

kwartel

H. van Rijen (1988): kwartel

ES (2012): Coturnix coturnix; uit: De Nederlandse vogelnamen en hun betenis, Henk Blok en Herman ter Stege (1995): Betekenis wetenschappelijke naam: men neemt aan dat Coturnix een gelatiniseerde klanknabootsing is van de roep (de 'drieslag') van deze soort, met name van het mannetje. (...) Van de drie-lettergrepige kwartelroep zijn de volgende volksnamen afgeleid: Kuutjeblik (Gr), Kietkediet (ONB), Kikemedie (NB), Kwikmedit - in Engeland
Quick-me-dick - Hutte ke dut (NB) en Prutje-Dut (Ach).
► zie ook kwakkel (kwartel)

 

kiekkaast

zelfstandig naamwoord

kijkkast

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden: et is en loze kiekkaast (Kn'50) het stelt weinig voor, het is een lege kijkkast

 

kiele

werkwoord, zwak

kietelen (zie WNT)

WBD III.1.2:105 'kielen' = kietelen

 

kiem

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

preuts

Cees Robben Hij is z kiem assie grt is... (19690110)

kleinzerig

Elie van Schilt - Kwaamde jankend ths, dan was ut al gauw Verekte kwkert, ge moet nie z kiem zn,schaai t mee oe gejank. (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

kieskeurig

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kiem - kieskeurig, inhalig (Belg-Limb., Brab.)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kiem - zuinig, kieskeurig

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEM voor kiesch, meest van spijs of drank; reeds bij Kiliaan. Z.a

Verhoeven (1978): KIEM - bijvoeglijk naamwoord ., kieskeurig (iemand die pitst en pieliet) Z.a.

Bont bijvoeglijk naamwoord  'kiem' - 1) zorgzaam en spaarzaam met iets omgaand; 2) keurig (op spijs en drank en kleren)

Antw. KIEM bvw. - kieschkeurig op eten en drinken, vies op spijs en drank, weinig van eten zijnde; rustig, tam.

andere betekenissen

WBD III.3.1:197 'kiem', 'spaarzaam, benauwd' = spaarzaam

WBD III.1.1:254 'kiem' = gevoelig zijnde

Haor KIEM - secuur

Hees kiem (II:43)

uitroep

Van Dale - kien - bij het lottospel: roep 'kien!' = ik heb de vijf nummers op 'n rij

Daamen - Handschrift 1916:  "kiem - roepen de kinderen als ze bij het kienspel (lotto) een rijtje van vijf vol hebben"

WBD III.3.2:199 'kiem' uitroep bij bepaald spel, ook kien

 

kiemkaast

zelfstandig naamwoord

WBD kiemtrog (trog waarin de geweekte gerst tot ontkieming moet komen)

 

kiemoo

zelfstandig naamwoord

kiemoo

WBD II.4 lemma - Draadbreuk krijgen - Voor de herkomst en betekenis van kiemoo werd geen nadere verklaring gevonden. - een kiemoo spinnen: 'n kiemoo spinne, K 183 (= Tilburg), betekent dat alle draden breken, Swagemakers - Vos.

Anoniem 1959
"Klosse over laote lope,
kimo spinne, pees te gappe,
'k Wo jou allin mar zegge,
degge aachtermekaar aon kunt stappe."
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

Willem van Mook Kimo: Draadmakersjargon voor alle draden stuk. (Nieuwe Brabantse novellen; 1970)
H. van Rijen (1988): (textiel) als alle draden tijdens het spinnen gelijktijdig breken

 

kien, kieneke

zelfstandig naamwoord

kin

En ze kregen 'n lekker Trieneke

mee een kuiltjen in d'r kieneke. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Van Kees en Kee, 1941)

Ammol en Zaolig Nuuwjaor mense/ wns ik oe gre nt begien/ mee et vt van de olliebolle/ n vant knn ng n men kien. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Van veurenaaf aon)

Zuster Willemien heej un gotje in der kien, heej un gotje in der gat,
raoj, raoj wat is dat. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD kienktting - kinketting (die onder de kin v.h. paard doorgaat) (Hasselt)

WBD III.3.2:199 'kien' = idem (spel), ook 'kiem'

Bont kin, zelfstandig naamwoord vr. 'kien' - kin (welke laatste vorm ook voorkomt).

 

kienekeschteg

bijwoord

kinderachtig

De Wijs -- Doe naa is flink! Ge doeget toch z kienekeschtig (13-07-1966)

 

kiendje

Tijs Dorenbosch - Vignetten uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

zelfstandig naamwoord

kindje

D. Boutkan (1996): (blz. 32) kiendje

Hoeveul kiendjes hdde gllie? - Hoeveel kinderen hebben jullie?

R.J. twee kiendjes ds krk genoeg

Cees Robben t Kribbeke... mee d kln kiendje er in... (19561222)
Cees Robben t Kiendje isser... God zij daank (19600422)
meervoud:
Cees Robben De kiendjes zn naa wir tevreje... (19541204)
Cees Robben Ik zie mn selotte en peekes al staon/ Mn kiendjes vur slaoi al dn hofpad op gaon... (19570309)
Cees Robben Komdom daaier zuute kiendjes..? (19540417)
Cees Robben Want de kiendjes zen z braaf... (19571207)
Cees Robben Wel honderd kiendjes blij en goed (19600826)

DANB et kiendje was dod vurdset ksse dope

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  en kiendje wigen eer et gebooren is ('71.) Je moet niet ergens over beschikken voor je het gezien hebt.

H. van Rijen (1988): ge zot er en kiendje van krge - je zou je geduld erbij verliezen

H. van Rijen (1988): irst et kiendje zien, dan pas wiege - eerst zien en dan geloven

Bjn. et kiendeke Jeezus = Albert Pirenne (blz. 63)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - Als verkleinwoord werd 'kientjə' (dus met ie!) opgegeven in: Klundert, Cromvoirt, Hilvarenbeek, enz. (Hierbij wordt Tilburg verzwegen.)

Bont kinəkə(n), zelfstandig naamwoordo. 'kienneke' (< kindeke) kinderachtig persoon.

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kiendje Jeezus = kind v. onbekende vader (blz. 91)

WBB III.2.2:3 'kindje kopen' = zwanger zijn

WBD III.2.2:7 'een kindje krijgen' = bevallen

WBD III.2.2:9 'kindje' = baby, zuigeling; ook 'kleine'

WBD III.2.2:37 'kindje' = kind

Stadsnieuws:  D nukt de baoker nie, ast kiendje mar gezond is - hoe het afloopt,speelt geen rol: het resultaat telt (190206)

GD05 fdtter wl genog kiendjes wiere gemkt

 

kiendjeskoperij
zelfstandig naamwoord
het kopen van kindjes
Cees Robben Vur ziekte.. kiendjeskperij/ of omgevallewet (19600701)
 

kienebak
zelfstandig naamwoord
kinnebak; deel van de varkenskop dat door de slachter apart kon worden afgesneden
Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klfkes.../ Kienebak soms uit de nek... (19550205)

 

Schilderij van Edgar Hunt - 1909

kiep, kiepke

zelfstandig naamwoord

- kip; bewaarschoolkind

- zeuve kiepe n enen haon - zeven kippen en een haan

WBD kip, (in de Hasselt) ook 'hn' genoemd

WBD kieperoest - kippenzolder

WBD kiepehk, kiepekooj - kippenhok (Hasselts: kiepekooj)

WBD kiepern, (Hasselts:) rn - kippenren (buitenverblijf voor kippen)

WBD kiepke - kuiken

WBD kiep, tiet tiet tiet, tie tie tie - roepwoorden voor de kip 

WBD kiep, kiepke - vleinamen voor de kip

WBD kiepke, kieke, kieken, kuikentje, tk, tiet tiet tiet, (Hasselt) tjiep - roepwoorden voor kuikens

WBD kiepke, kiekske, pieleke - vleinamen van het kuiken

...de haontjes zijn wel 'ns laastig veur de kiepkes, mar as ze d'r nie zijn, of al te weinig, dan is 't ok nie goed, d snapte! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

't Is 'ne schoone nist kiepkes, d-d-ist! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Cees Robben van mn kiep... (19540417)
Cees Robben n kiep of tien (19670922)
Cees Robben - t Is kazzjewel die kiep van mn.../ z zrgt ze vur de Paose... (19550312)
in de uitdrukking gin kiep maoke...; niets presteren
Cees Robben Aanders maokte nog gin kiep/ k al hedde kilos vren... (19580719)
Cees Robben Meej daauw kiepen de maand in... (1620921) [een vrouw die vrijgezel blijft]
Cees Robben Ik wil oe niet veraffronteere en zegge degge unne dief zd... Mar ik raok wel al mn kiepe kwd... (19790713)

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): En zwarte kiep leej k aajer. - Iemand die minder goed bekend staat, kan niettemin goede eigenschappen bezitten. (Tilburgse Taalplastiek 131)

Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): doen w de kiepe nie kunne - urineren, wateren

DANB as de kiepe ne zaandvoogel zien, dan wrre ze bang

H. van Rijen (1988): as en kiep leej, stao se - als een kip legt, staat ze; Een geregeld leven geeft veel rendement.

J, ik kook de kiep aaltij irst, dan wr et vles beter gaor en hk meepesaant soep. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Et rook der naor kiepesoep, dcht ik en d hak goed gedcht. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  vruug p n meej de kiepen p stk, d zal et em nie verlieze (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '6?) [onleesbaar]

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  en verstaandege kiep leej ng wl es en aaj in de danneetels ('72)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kiepe (plur.) is (naast 'kippe) reeds bijna overal het gewone woord (blz. 163 en krt.93)

Bont kip, resp. ki.p - lokwoord of roepnaam voor kippen: kiep kiep kiep! kɪp resp. kip zelfstandig naamwoordvr.'kip' resp. 'kiep' - kip

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  as de vs oud wrdt, daanse de kiepen p zene rug (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '69) - een oud mens verliest energie en gezag

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kiep zn - kip Str. kiep (I:28)

Frans Verbunt:  as de kiepe schle reegent et nie lang

Frans Verbunt:  as enen boer kiep it, is den boer ziek f de kiep

Karel de Beer, Tilburgs bijnamenboek (2000): kiep Franke = mej. Franken (blz. 39)

Stadsnieuws:  En kiep is gin mus, en klap is gin kus, n en scheet kan nie in en peeperbus - Alles heeft zijn eigen aard en moeilijkheden (180508)

Waar is dieje Russischen haon, die heur op kiep heej gezet? (Tony Ansems, Kaka Diedel Dee; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Vruuger noemde ze n kiep ok n tiet of n tieteke. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Vruuger noemde ze t mansvlk ok wl vrrekes. Naa, as dieje vnt nr de durskes van plezier ging, ge wit wl wk wil zgge, dan zinne ze dttie gin kiep hield mar wl aajer ging eete. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Zo rem waare sommegte Tilburgers dsse gineens gin kiepe hadde n gin vreke. Gin aajke, gin ham, allenig honger. Witte wsse dan zinne? Dan zinne ze dsse unnen houtere ham op tffel han. f unne houtere ks. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

kiepeboer

zelfstandig naamwoord

Van Beek - Liefhebbers van de hoendersport zijn "kiepenboeren";  (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

 

kiepebrst

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:377 'kiepenborst(je)' = kippenborst

 

kiepedrfke

verkleind zelfstandig naamwoord uit kip en draf; de manier waarop een kip loopt

al sukkelend op 'ne kiependraf. (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, t Leeve, 1938)

sukkelend op 'ne kiependraf... (Piet Heerkens; uit: Brabant, Stokperdjes, 1941)

De Wijs -- Ge zt n zeeverkiep en ge lpt op n kiepedrefke; den grtste braand is er wel aaf. (04-07-1969)

Frans Verbunt:  snelwandelen

WBD III.1.2:125 'op een kiependrafje lopen' = op een sukkeldrafje lopen; ook: 'op een drafje lopen, 'op een schokje lopen'

Stadsnieuws:  Toen ik em riep, kwaam den oober op en kiepedrfke nlope (250806)

WBD III.1.4:213 'kregelig' = wrevelig

WBD III.1.4:214 'krikkel' = lichtgeraakt, kregel; ook 'krikkelig'

WBD III.1.4:228 'krikkel', 'kregel' = driftig

 

kiepegaarst
zelfstandig naamwoord
gerst; hier als voer voor kippen
Cees Robben Gin ochtendvoer of kiepegaarst (19670922)
 

kiepekont

zelfstandig naamwoord

figuur in de nek bij jongenskapsel

 

kiepekoj, -kt

zelfstandig naamwoord

kippenkooi, kippenhok

WBD 'kiepehk, kiepekooj - kippenhok; (Hasselt): kiepekooj

 

kiepekors, kiepekors
zelfstandig naamwoord
kippenkoorts; bepaalde ziekte van kippen; overdrachtelijk: de zenuwen
Cees Robben k Kreeg de kiepekrs vant wochte... (19560714)
 

kiepere

werkwoord, zwak

H. van Rijen (1988): doelverdedigen (voetbal)

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kiepere ww - kieperen, vangspel

WNT KIEPEREN (oorspr. gewestelijk) 1)vallen, tuimelen; 2) gooien, smijten

 

kieperegoe
zelfstandig naamwoord
kippenragout
Cees Robben [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)
 

kiepesoep

zelfstandig naamwoord

kippensoep

Cees Robben [Van de menukaart in een restaurant:] Irst kiepe-soep... Dan kiepe-regout. Dan poelepetaat mee n tietaai toe... Dan nog efkes kaokele en de roest op... (19710709)

 

kiepke

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

kippetje, kuikentje

V kln kiepke - kleuter (vgl. kiepkesschool)

verkleinde vorm van 'kiep' Bont kipkə(n), zelfstandig naamwoordo. 'kiepke' - kuikentje

 

kiepke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kiep
kippetje
Cees Robben Tiest Vermeeren haoj n kiepke... (19560428)
Cees Robben Tien kiepkes asteblieft... (19570323)

 

kiepkesschool

zelfstandig naamwoord

bewaarschool

In de twidde klas van de kiepkesschool kwaam ik bij zuster Bernadette te zitten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ik gao niemer nr de kiepkesschool/ waor ze mar matjes vlchte/ Kgao naa vort nr de Fraaters toe/ ds pas en school, en chte. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Niemer nr school)

WBD III.3.1:445 'kipkesschool, kipkesschooltje' = kleuterschool

 

kierve

verleden tijd meervoud van krve, kerven

alleen aangetroffen bij Heerkens

't Wier herfst, 't wier wenter, 't weer wier guur

en rauwe wende kierve

mijn teere zieltjen uur nao uur

 en al de blumkes stierve... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Toen en na..., 1949)

 

kiesje

zelfstandig naamwoord , verkleinde vorm

verkleinde vorm van 'kiest'

kistje; soldatenschoen

Kees en Bart (Tilburgsche Post, 1922-193?):  kiesje

Cees Robben in n kiesje gestopt... (19551119)
Cees Robben - ... dan lig ik in mn kiesje... (19600916)
Cees Robben Aleen mar verlet naor ennige stessel-kiesjes... (19720414)

We droege unnu lampion, of een kiestje meej n keers... (Tony Ansems, Drie koningen; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

H. van Rijen (1988): kiesjes - soldatenschoenen

Bosch kiesje - kistje

 

kiespnt

zelfstandig naamwoord

kiespijn

Daamen - Handschrift 1916:  "ik kan oe missen as kiespent (pijn)"

 

kiest, kiesje

zelfstandig naamwoord

kist

Dialectenqute 1876 - hoaverkiest

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - As vruuger ne meens dod was, dan stond dieje meens, die stond in hs in en kiest n dan stond ie vur et raom n dan kosse de meense van bten et raom, koste, koste gij nr den doje stn te kke! Klik hier om dit bestand te beluisteren

H. van Rijen (1988): wggeefkiesje - speciaal kistje sigaren om (anderen) te presenteren

Cees Robben:  ''n kiest van waai-bome-hout'

D. Boutkan (1996): (blz. 53) kiest- kiesje

Bont kist, zelfstandig naamwoordvr. 'kist' resp. 'kiest' - kist; ook: dikke, plompe kerel.

- n oerdegelijke kiest () van duims hout, laankwerpig van model (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Koos stond zene gal te spierse/ bij zen nutje n de kiest... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gefrut meej de friet) - ...bij zijn borreltje aan de bar.
 

kieste

werkwoord, zwak

kisten

LDM - De timmerman, die de doodskist had mogen maken, verzorgde ook het kisten, d.i. het in de kist leggen van het lijk. Kleine kinderen werden, als zij in het kistje gelegd waren, door de jongste meisjes uit de buurt versierd met blaadjes en bloempjes. Voor deze versierselen waren er bepaalde winkels, zoals Cato Becx tegenover het Willem II-monument. Tegenwoordig is in hetzelfde huis het caf Otten gevestigd. Voorts was er de firma Jansen-Gram in de Zomerstraat bij de Markt. Nu zijn ook nog in hetzelfde pand gevestigd de firma's v.d. Linden, groentenhandel, en Van Zantbeek, kachels en haarden. Op het Goirke hadden we de dames Vos in het pand - of er naast - waarin nu de firma Jac. de Kort-van Leeuwen haar zaak heeft. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 Doden-cultus van eertijds; NTC 16-11-1950)

 

kiet

zelfstandig naamwoord

V keet; minachtend voor: huis of andere ruimte

V hil de kiet stao ooverhop

 

kiet

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

gelijk

WBD (III.3.2:35) kiet speule = quitte spelen

 

kietele

werkwoord, zwak

kietelen

Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  ge moet oewge kietele, en aander doeget nie ('87) je moet jezelf trakteren

 

kietelkaaj

zelfstandig naamwoord

kiezelsteen

- In Oel of op de Paddewaaikes/ Aachter d'Porkes mee  kietelkaaikes; Willem van Mook, voorwoord in programmaboekje van de Korvelse revue Vruuger en naa, 1926.

- Onder hartverscheurend gejeremias drukte ze de zakdoek onder de neus want ze bloeide dood. Uit het snikkende relaas kon Mieke distilleren dat ze mee d'r toet op innen grooten kietelkaai was terechtgekomen! Uit:  Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

...en gooiden nie al te veul kietelkaaien... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

over zaand en kietelkaaikes... (Piet Heerkens; uit: Brabant, Rikketikketik, 1941)

Cees Robben Unne grte kietelkaai... (19570119)

H. van Rijen (1988): meej dieje kietelkaaj kunde fn schierve - met die kiezelsteen kun je fijn keilen.

Beton ? De bestao uit kietelkaaije, zaand en sement! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

...en ik ha al zveul in men broekzakken. Elastiekskes, schon gladde kietelkaaikes, schroefkes en spkers, ze kosse aaltij te paas komen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

We vonden onderweege k allemol leuke kietelkaaikes... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Toen zaag hij ineens ene kietelkaai... (Tony Ansems, Kaka Diedel Dee; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

De ftelingse stene/ f de Amersfoortse kei,/ die zn der vergeleeke,/ zoas ik et hb bekeeke,/ mar kietelkaajkes bij. (Henritte Vunderink, Kaajgaaf, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD III.4.4:173 'Kietelkei' = kiezelsteen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KIEZEL-KEIJEN noemt men hier de steentjes, elders in ons Vaderland kezel-steen, kiezel-steen, en kittel-steen genaamd. Z.a.

Jan Naaijkens, D's Biks (1988): kietelkaaje zn - kiezelstenen

Hees kielekeikes (I:25), kietelkeie (VIII:69)

Bosch kielekei kiezelsteen

 

kietelpinkstere

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt:  sint-juttemis

Stadsnieuws:  Ds nie zonne vlotte, hij zal meej kietelpinkstere wl klr zn (221106)

 

Kieviet, de

toponiem

indertijd buitengebied van Tilburg, westelijker dan t Zand; nu ingekapseld door de Reeshof

Cees Robben - ...op de Kieviet aon. Naar de Kieviet. (19540227)

 

kieze

werkwoord, sterk

kiezen

B kieze - kos - gekooze : ik kies, gij/hij kiest

 

kiezelgoer

zelfstandig naamwoord

WBD bierklaarsel (middel dat, in een brouwerij, aan bier wordt toegevoegd om dit te klaren)

 

kik

werkwoord, persoonsvorm, gebiedende wijs

kijk

Kik hum daor. Kijk hem daar

Van inf. ►'kke'

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): Hoe zuukte d te doen mee de slaoperij? O zizze, kom mar is mee, kik, eenen op
den divan zizze, en guilie hierin, en daarbij wees ze op dr eige bed in dr eige kaomer, en ik gao nor bove zizze."

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): "Kik zittie: staode hier nog, k was oe vloore."

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): Kik, zittie, ge het toch dikkels genog geheurd desse praoten van luizen as kameelen.

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): ...en dan zin we: Kik naa daor! Daor gaon die kaole Bossenaers w deur waandele as ze schl kke van den honger...

Naarus - Brieven van een Oud-Tilburger (1940): kik naa, waor
lkent d naa op?

Lechim - pseudoniem van Michel van de Ven, ongedateerd knipsel, Tilburgse Koerier 196-1980: En dan zeetie: 'Kik, m'ne jonge,/ Ds 't schoonste gruun w Tilburg hee'
Jo van Tilborg (2007): Kik, en hij laot ons zen haand vol bloed zien.

Jo van Tilborg (2007): Kik, zittie dan, terwl ie naor boven ws...

 

kikkendril

zelfstandig naamwoord.

kikkerdril, kikkereieren, kikkerrit, kikkerschot

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  kikkendril - kikkerrit - kikvssendril - kikkerrit

WBD III.4.2:113 kikkendril - kikkerdril, 'kikvorsendrek', 'dril' ook genoemd: 'paddengedrek'

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):  (blz. 96) kikkendril

 

Raapstelen - kiltjes - Brassica rapa

kiltjes

zelfstandig naamwoord., meervoudig

keeltjes; met krimping van de stamvocaal: ee > i

Brassica rapa - meiraap

Van Dale (raapstelen): jonge, gesteelde bladeren van de meiraap; gegeten als voorjaarsgroente; ook: 'stiltjes', 'keele'

H. van Rijen (1988): jonge bladeren van de meiraap (Rapum)

It oe kiltjes es op. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)

Antw. KELEN znw.v.mrv. - jong raaploof zonder knollen, dat men in t voorjaar als moes eet.

Hft. KEELEN - zeker moeskruid (z.a.)

 

kiltjesstamp

zelfstandig naamwoord.

stamp van keeltjes

►zie: kiltjes

 

kimme

Werkwoord, zwak
WBD (v.e. paard) harkend over de grond klauwen met de voorbenen, ook genoemd 'klaawe', (Hasselt) 'klawe'

 

Gravure van Jacob de Gheyn - 17de eeuw

kinkenduut

Ill.: Tijs Dorenbosch

zelfstandig naamwoord.

kikvors - Rana esculenta; nieuwere benaming: Pelophylax lessonae

- kink is een variant op kik, een klanknabootsing; zoals het WNT schrijft, lemma kikker: Eigenlijk: het dier dat "kikt", het geluid "kik" doet hooren

- duut is een variant van 'puut', kikvors; zie lemma pt in het Oudnederlands woordenboek (online), en lemma puut in het Vroegmiddelnederlands woordenboek (online).

- 'n Kinkedut" beteekent zooveel als kikvorsch. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

Kiliaen: puyt, Fland. Zeland. j. vorsch, rana; puyde, j. puyt, rana.

Plantijn:  puyt, vorsch, une grenouille, rana.

Van Maerlant: Rana dat es die vorsch of die puut (Nat. Bl. VII, 836)

Zie Middelnederlandsch woordenboek (on line) voor vele citaten.


Rana esculenta

 

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  kinkenduut

Met uitgesproken n (wegens volgende dentaal)

Daamen - Handschrift 1916:  "kinkenduut - kikvorsch"

-- hij reej meej zene kreugel ene kinkenduut harstikke jantje marinus

Kinkenduut, mijn bruurke,

kwaoker van beroep,

'k luister dik 'n uurke

naor oe rauw geroep.

(Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Kinkenduut, mn bruurke, 1941)

Er zaat eenen dikke kinkenduut / te kwaoken in 't lekkere waoter (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941)

kinkeduuten-grgels... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Oproep, 1941)

De koekoek koekoekt deur et hout

en wilde duifkes koere,

de kinkeduuten worre stout

en kwaoken in de moere

(Piet Heerkens; Den aovend, gepubliceerd in De Zaaier, bijlage van de Nieuwe Tilburgsche Courant, 1941)

- Nu verscheen bij Henri Bergmans te Tilburg reeds een derde bundel [van Piet Heerkens]: De Kinkenduut". Dit beteekent: kikvorsch. Wat 'n klank zit er in dit woord met zn langgerekt duut".

 

Cees Robben Ik krj [kruij] krek munne kreugel op den kaaibaand unne kinkenduut kepot... (19711119)

Stadsnieuws:  Ik reej krk mee mene kreugel teege de kaajbaand ene kinkenduut kept (270909)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.4.2:110 kinkenduut - kikker, ook genoemd 'kikker', 'kikkebil' of 'broeknachtegaal', 'puit' of 'kinkvors'

Bijnamenboek Karel de Beer - de kinkenduut = Jan Jansen (blz. 45)

Ge ziet r veul veugeltjes, n saoves hurde ng wel s unne kinkenduut. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)
Ge moogt oewe schoen ztte, n de vllegede mrege waare de peeje nt aaw brod wg, n laager en spikmnneke in, f en marsepne vrekespotje, f ene kinkenduut van gevulde seklaa. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Detail uit de 'Leidse Taalatlas' kaart 'De kikvors' (nr. 58, 1937), opgesteld door Tonitte van Beusekom - Duidelijk te zien is het oranje hartje bij Tilburg dat op 'kinke(n)duut' duidt en dat nergens anders op de kaart voorkomt. Alle oranje ingekleurde tekens duiden op een naam die met 'kink-'begint.

Verh. KINKENDUUT m. - kikvors (Tilburgs?)

Antw. KAKKEDUUT znw.m. - vogeltje, ook linnenweverken genaamd, dat kakkeduut! kakkeduut! roept (eene soort grasmusch).

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - zie Kienkvuit + Taalk. mag. I: 254, 304

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kinkenduut - kikvors (Tilburg)

WNT Kinkvorsch; KINKEN I: geluidnabootsend woord (VII:3093)

Made (Kooiman) - kinkeluut: kikker

Dong. (v.d. Elshout) - kinkeluut: kikker

Bl kinkpt (groene) kikker

Ill.: Rolf Janssen

Twee gedichten van pater Piet Heerkens uit, en over, De kinkenduut (1940)

 

kip

zelfstandig naamwoord.

Daamen - Handschrift 1916:  "kip - groote blikken kan, waarin men vroeger bij de boeren karnemelk ging halen".

 

kirke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
H. van Rijen (1988): keertje

 

kirs

zelfstandig naamwoord.

Cees Robben: kers

Cees Robben: kirzenbom - kersenboom

 

kiskasse

werkwoord, zwak

klanknabootsing - het geluid van vlees dat gebakken wordt

De Wijs -- As ik vruuger uit de naachtmis kwaam, stond t kenn al te pruttele en lagen de kortelette in de pan te kiskassen (10-01-1970)

Cees Robben As ik vruuger uit de naachtmis kwaam stond t kenn al te pruttele en lagen de kortelette in de pan te kiskassen... (19691212)

 

Kiske

eigennaam; Keesje

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- n Kiske de Paoter ok al, witte nie? En dan zaatie zo, hattie daor enen hillen hop knder rond em staon n dan zee, dan vroege ze: Paoterke, w komde gij hier doen?, ja, Jllie, jllie fkes plaoge, zittie n goed nr Onze Lieven Heer lstere!, zeetie dan! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

kitje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
keetje

verkleinwoord van 'ket', met vocaalkrimping

 

kits

bijwoord

in orde

Van Beek - "Alles kits en 't keind hiet Jaoneke." Of: "Alles kits! de kachel op bed en de kleine in de kolenbak." Alles is in orde. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

Cees Robben Mar ast bijgeleet is, is alles wir kits... (19631122)

 

kitse

Werkwoord, zwak
spuwen

- kitse - kitste - gekitst

Henk van Rijen - we kitsten em in zene nk - we spuugden hem in zijn nek

Stadsnieuws:  Grote lummels dnke d op de kaaje kitse stoer stao - Grote jongens ... (090610)

WBD III.1.2:254 'kitsen' = braken

WBD III.1.1:191 'kitsen' = spuwen

Verh. KITSEN onov.ww - braken, kotsen

Bont kɪtsə(n), zw.ww.intr. 'kitsen' - braken, overgeven

Biks kitse ww - kotsen, overgeven

WNT KITSEN (IX) klanknabootsende benaming voor: (vocht) straalsgewijze tusschen de tanden door uitspuwen.

 

kittel

zelfstandig naamwoord

ketel

H. van Rijen (1988): ketel

Dialectenqute 1876 - 'ktel'

 

klaacht

zelfstandig naamwoord

klacht

Cees Robben n Stille klaacht... (19580531)

 

klaaj

zelfstandig naamwoord

klei

uitdrukking  - t de klaaj getrkke - lomp

Dialectenqute 1876 - klaairrepels

Die knikkers waren veur de rme lui, die waren gebakken van klaai. Agge der op gongt staon, per ongeluk, waren et k ineens gin knikkers mr. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006) [bedoeld is de knikker die ►kaajscheut werd genoemd

WBD III.2.3:204 'klei' = niet doorbakken brood, ook 'klef', 'derf'

WBD III.4.4:155 'gele klei' = kwartszand;

WBD III.4.4:156 'klei' = zavel

 

klaajboer

zelfstandig naamwoord

kleiboer

boer die op kleigrond zijn bedrijf uitoefent

Audioregistratie 1978 - In den orlog was d goud wrd, witte nie! Die klaajboere in de klaaj wast en n al kolzaod! En d brcht veul op! Der kwaam ast goej kolzaod was, drieduuzend kieloow van enen buunder! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

handelaar die met kar of wagen langs de deuren gaat om aardappelen te verkopen

Elie van Schilt - De gruunte en de melkboer heb ik al genoemd, mar dan hadden we ook nog de vis en de ksboer, de kolen en de klaaiboer, de klaaiboer kwaam mee erepel. (Uit: Alles is aanders; CuBra ca. 2000)

 

klaank, klank

zelfstandig naamwoord.

klank

'k Steek men aawe breeje klaanke

noot meer onder stoel' en baanke,

'k zal oe zinge, stug en stoer,

klaor en open as 'nen boer! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Moedertaol, 1938)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  p et Gurke waor de klaank zat, in de stad waor de staank zat (RL'53) - uitvaart en klokkegelui op het Goirke, waarna begrafenis in de stad

WBD (III.3.3:85) klaank = klank v.e. klok, ook: ton, klkketon

 

klaavere

werkwoord, zwak
WBD III.1.2:165 'klaveren' = klauteren

... as aopen klaoveren ze tege die ketels omhoog... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Toen ik zo in de helft van Maai is op mn fietske was geklaoverd... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

De Peer h en goei nutje op/ n wo nr bd toe gaon/ hij klaoverde oover de trap/ kwaam bekaant boovenaon./ De liste treej was em te veul/ den afstaand was te grot/ hij laazerde bots-boem omleg/ n ie braak zene pot. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aaventoe liege maag...)

 

klaaw, klw

zelfstandig naamwoord.

WBD hoef van de koe, ook 'klw' of 'voet' genoemd

WBD klw - gedeelte v.d. huid dat een poot bedekte (II 594)

Dialectenqute 1876 - klouw (au = ou in: blouw, grouw, klouw,...)

WBD III.4.4:17 'klauwlucht' = bewolkt

 

klaawe

werkwoord, zwak

klaawe - klaawde - geklaawd

WBD (v.e. paard) harkend over de grond klauwen met de voorbenen, in de Hasselt 'klawe' genoemd, elders ook 'kimme'

WBD (III.2.1:506) 'klauwen' = krabben v.e. kat; ook genoemd: krabben, krabbelen, kratselen

 

klabak
klanknabootsing
geluid dat de weefspoel maakt bij het schieten door het weefraam
Cees Robben Zingt t spoeleke zn lieke/ links klabots.. en rechts klabak.. (19560630)
 

klabbttere

werkwoord, zwak

alleen aangetroffen bij Leo Heerkens; mogelijk samenhangend met 'klabots'; hoe dan ook een klanknabootsend werkwoord

En de spoelen [van het weefgetouw] klabetterden: retteketet

van krijg-de-colre, van retteketet (Leo Heerkens; uit De kinkenduut (Piet Heerkens), n Weeverke schoot..., 1940)

 

klabots

zelfstandig naamwoord.

1. proppenschieter

Daamen - Handschrift 1916:  "klabots - vroeger kinderspeelgoed met elzenproppen"

Et vrke t de kooi op de plots lokken. De slachter zette dan zenne klabots tegen de kop van et vrke, hij drukte em in en pang daor laag ie te spartelen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.4.4:252 'klabats', 'klawats' = hevige slag; ook 'klawemmes'

Verh. KLABOTS, v. klapbus, proppenschieter, gemaakt van vlierhout

Bont KLABTS, tussenw. en znw. 1) tussenw.: gezegd v.h. afschieten v.e. zwaar-geladen geweer. 2) znw.vr. klapbus, z.a.

Antw. KLABOTS znw.m. - Versterking van 'bots', harde en doffe slag.

Biks 'klabts' zn - proppenschieter

WNT KLABOTS (I) schietwerktuig, klakkebus, proppenschieter

2. snel reagerende vrouw

Daamen - Handschrift 1916:  "klabots - vrouw die wat snel van zeggen en doen is"

klanknabootsing; mogelijk uit klap en bots

WNT lemma KLABOTS II - Harde, doffe slag of val, bots.

Cees Robben Oew schtje kwaamp rejaol rcht klabots (...) op (...) den paol... (19630517)  [voetbal tegen de paal van het doel.]

● geluid dat de weefspoel maakt bij het schieten door het weefraam

Cees Robben Zingt t spoeleke zn lieke/ links klabots.. en rechts klabak.. (19560630)

 

klad

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.2:241 'klad' = fluim, rochel

WBD III.3.2:265 'kladje' = restje bier, ook 'kwakje'

 

kladderwolk, kladderwollek

zelfstandig naamwoord

stapelwolken (?)

De lucht zaat volgestaopeld mee groote kladderwolken, schots en scheef op mekaar, die hoe langer hoe dichter vaastgroeiden. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

 

klak

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.3:182 'klak' = pet; ook: 'klep'

 

klam, klamp, klammig, klamzig, klammes

bijvoeglijk naamwoord

-- iets wat vochtig en tegelijk plakkerig aanvoelt; onder andere witbrood dat met vocht geplet is tussen de vingers en vervolgens gebruikt wordt als aas om vissen te vangen

ook: taaj, taai, week

WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klam & klamp frequent in Tilburg
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klammig - frequent in Tilburg
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klamzig / klamsig Tilburg
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klammes zeldzaam midden Tilburg
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - klef frequent midden van het Tilb. [?]
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - taai zeldzaam in het midden van het Tilb. [?]
WBD III.4.4:211 lemma KLAM = vochtig aanvoelend en een beetje plakkend - week zeldzaam in Tilburg
Kubke Kladder - Uit 't klokhuis van Brabant 3 - 't Begon stillekes aon te donkeren. Uit de klamme grond klom 'n blauwe nevel, die de bosschen dicht spon. (Nieuwe Tilburgsche Courant 23 oktober 1929)

H.A. Sterneberg s.j. - Me trekken treurend deur ons bosschen,/ waor naoktgeplunderd klam en kil/ Och god, die 't nie ontloopen kossen/ nou boom bij boomke sterven wil. (Uit: Een busselke Braobaansch, 1932)
 

klampe

werkwoord, zwak
WBD III.4.2:56 'klampen' - grijpen door roofdieren; ook genoemd: 'vangen' of 'vatten'

 

klamper, klaamper

Ill.: Naumann - klamper - buizerd - Buteo buteo

zelfstandig naamwoord.

WTT 2012 - naam voor diverse roofvogels, zoals buizerd, havik, en sperwer. De naamgeving houdt verband met (vast)klampen, klemmen, het met de klauwen vangen van de prooi. (zie lemma Klamper in Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Klaas J.  Eigenhuis; 2004)

In Tilburgs gebruikt voor de sperwer (Accipiter nisus), cf. Daamen, Handschrift 1916: "klaampvogel - sperwer"

 

Accipter nisus

'Nen klaamper *) die viet z'en *) -noot van Sterneberg bij dit woord: sperwer
die heej ze [de duif] vermoord,
en nou dwerlen nog ennigte veeren;
die doen aon d'r denke' as
zo'n hil enkeld woord
aon gedachten, die noit niemir keeren. (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Vluchtende gedaachten, 1932)
WBD III.4.1:196 'klamper' - sperwer (Accipiter nisus), ook 'klampvogel' of 'schietklamperd' genoemd

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 94) as de kiepe ene klamper zien zn ze bang

Kees en Bart:  klamper

Cees Robben - Toen was't de beurt aon smellekes.../ Aon klampers en dn uil (19600708) (19600708)

WBD III.4.1:198 'klamper', 'klamperd' - buizerd (Buteo buteo buteo)

WNT KLAMPER - In Vl. Belgi de alg. naam der dagroofvogels, zooals sperwers valken, haviken enz.

Hees klamper (II:17)

Bont klampvogel, havik

WNT KLAMPER. In Vlaamsch Belgi de algemeene naam der dagroofvogels, zooals sperwers, valken, haviken enz.

Antw. KLAMPER znw.m. -Algemeene benaming voor de dagroofvogels, zooals sperwers, valken, haviken, enz.

Biks klamper(t) zn - sperwer, havik

WBD III.4.1:200 'klamper', 'klamperd' - torenvalk (Falco tinnunculus)

Falco tinnunculus

WBD III.4.1:200/201 'klamper', 'klamperd' - roofvogel (algemeen)

 

klamtrkke

werkwoord, sterk

WBD klam trekken (teken van drachtigheid van een koe)

WBD klamtrkker - klamvaars (drachtige koe)

Verhoeven - KLAMTREKKER m. - koe die klam trekt, waarbij vocht uit de spenen komt ten teken dat zij drachtig is.

Bont klamtrekər, znw.m. 'klamtrekker' - maal die enige tijd drachtig is, zgn. 'gewonnen heeft'.

 

klander

zelfstandig naamwoord.

verkorting van kalander; ook genoemd: 'mijt' of 'wemel'

WBD III 4,2:158 lemma Kevers - De kalander (Calandra granaria, een snuitkever die in meel of graan leeft) heet in het Kempenlands Wb. 1 en het Noordmeierijs Wb. wemel.

WBD III 4,2:235 lemma Mijt - De mijten (Acari) vormen een zeer uitgebreide familie van kleine spinachtige diertjes, die veelal schadelijk zijn. Sommige leven parasitair op andere organismes en voeden zich aan hun gastheer, anderen leven van producten van de mens, zoals meel en kaas.
mijt Tilburg
wemel zeldzaam in Noorden van Tilburg
kalander, klander Tilburg
 

klaoge

werkwoord, zwak
klagen

B klaoge - klaogde - geklaogd

MP gez. Klaoge meej geznde ben.

Cees Robben: tis godgeklaogd;

WBD III.3.1:275 'klagen' = idem

Bont zw.ww.intr. - klagen

 

klaoger

zelfstandig naamwoord.

klager

Henk van Rijen: n klaogers gin nod, n zwtsers gin brod - geen medelijden met klagers en snoevers (ontspoord spreekwoord! WS)

 

klaor

klaar

bijvoeglijknaamwoord, bijwoord

1. klaar, gereed

R.J. klaor te krge

Cees Robben En mee Possemis klaor... [namelijk het nieuwe kostuum] - (19550402)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ene mees moet vur zen vrou klr staon - de man moet zijn vrouw beschermen

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 '... vurd k kl(a)or z' (blz. 95)

2. helder; louter

W-d-is den hemel naa toch klaor,

persies van glas, - 't is wezelijk waor! (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Naacht, 1938)

Cees Robben Zeg kende gij d brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood... (19600624)

Henk van Rijen van waoter drinke krde ne klaoren hals - ... word je niet dronken

Frans Verbunt: klaoren blom - duidelijkheid, heldere zaak

Mar wij leerde van ons moeder: As r twee deure teegenoover mekaare oope staon, moeter en dicht doen. En zo ist. Dan was alles wir klaoren blom en dikke mik. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

WBD III.4.4:8 'klaar' = onbewolkt, ook 'helder'

Verh. KLAAR (klaor) 1. bijvoeglijk naamwoord  - gereed, voltooid; als nw-deel v.h. gez. uitsluitend; 2) bw.- louter en alleen, puur: 't is klaor boter. (toch BN?)

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klaor (krt.94); blz. 40: vocaalverkorting in 'klaor' (?) 

Biks klaor bw, bijvoeglijk naamwoord  - puur, enkel

 

klaorbraoje

werkwoord, zwak

Frans Verbunt: klaarmaken, presteren

Stadsnieuws:  W braojde me naa tch klaor? - wat flik je me nou? (200906)

 

klaore

zelfstandig naamwoord.

klare (heldere) jenever

Kees en Bart:  en glske klaore; jenever is een heldere, 'klare' sterkedrank.

Naa moppert ons Sjaan wl: Ds niks mir vur jou/ nao de twidde klaore is oewe kokkerd al blauw. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Kk zeej aauwe Giel)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  sinte Peetrus weende bitter, zi drnke Piet, dan zal ie k wl klaore gelust hbbe (Daamen - Handschrift 1916) zeispreuk

Piet van Beers Sil... Haauw de bintjes strak: Eene raod z ik toch wille geven./ Vur d ge s'aoves slaope gt./ Vat dan unne goeie borrel klaore,/ tegen de wurrem en de mot. (With Love; 1982-1987)

WBD III.2.3:272 'klare' = brandewijn

Buuk: jonge jenever.

 

klaormaoke, klrmaoke

werkwoord, zwak

klaarmaken, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd

Met de vocaalkrimpingen conform maoke: mkte, gemkt.

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: De tafel voor de maaltijd gereed maken. De tafel krijgt eventueel een tafellaken en wordt voorzien van borden, bestek en glazen.

Waardering voor Tilburg door WBD: algemeen.

Zie ook Opdkke, Opztte, Klaorztte, Tffel

- Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): klrmaoke

- WBD 'klaormaoke' (II:948) - klaarmaken

- WBD 'getaaw klaorztte ' (II:948) - getouw klaarzetten

- Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 ik zal et klrmaoke - ik maok et klaor (42: kwalitatieve mutatie)

 

klaorztte

werkwoord, zwak

klaarzetten, in het bijzonder: de tafel voor de maaltijd

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: De tafel voor de maaltijd gereed maken. De tafel krijgt eventueel een tafellaken en wordt voorzien van borden, bestek en glazen.

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

Zie ook Opdkke, Klaormaoke, Opztte, Tffel

- WBD 'getaaw klaorztte' (II:948) - getouw klaarzetten

- WBD 'klaorztte' (II:999) - klaarzetten (v.d. ketting); ook: pztte of beume genoemd

- WBD 'klaorztter' (II:948) - klaarzetter

 

klaovere

werkwoord, zwak
klauteren

► zie klaavere
 

klaoze

werkwoord, zwak
V stuntelen

- alleen als infinitief gebruikt

- wsch. afleiding van 'klaas' - onbeholpen persoon

WBD III.1.4:150 'klaas' = prutser

WNT KLAZIG = sullig

zelfstandig naamwoord

meervoud van klaos, klaas, hier: sinterklaas

Cees Robben Siendereklaos d is iemand/ die bang is vur niemand.../ Hij stao boven alle partijen.../ Hij haauwt nie van klaozen/ Die raozen en daozen.../ D paast nie in deez dure tijen! (19541127) Met de tekening en klaozen verwijst Robben naar de ongewenste situatie dat er in Tilburg Noord en Zuid een apart sinterklaascomit was met ieder een eigen Sinterklaas.

 

klap-kas-afzak

uitdrukking

variant op het bokspring-spel

Cees Robben: Mar z as wij kosse kasse

 

klapbus

zelfstandig naamwoord.

proppenschieter

WBD (III.3.2:128) klapbus, klapbuks, klabots, propschieter = proppenschieter

 

klapmuts

zelfstandig naamwoord.

slaapmuts

MP gez. Et klinkt nt f dgge meej en klapmuts p enen houteren drpel slaot.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  meej en klapmuts p enen houteren drpel slaot - et klinkt asf ... (Daamen - Handschrift 1916) - spreekwoordelijke vergelijking: het klinkt slecht.

WNT KLAPMUTS - naam v.e. hoofddeksel voor mannen; overdrachtelijk: iemand met een klapmuts

 

klappaaj

zelfstandig naamwoord.

klappei, vrouw die veel kletst, babbelt; iem. die kwaadspreekt 

Daamen - Handschrift 1916:  "klappij of klappaai - verklikster"

WNT KLAPPEI - 1) Min of meer smadelijke naam voor een klapachtige, babbelachtige, praatzieke vrouw; een babbelaarster

 

klappe

werkwoord, zwak
klappen (in de handen)

klappe - klapte - geklapt

R Klap et nie, dan bots et (mar) (uitroep: 'op hoop van zegen') 

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  Klap et nie dan bts et (Daamen - Handschrift 1916) - raakt het niet dan botst het: stemt het niet overeen, dan stuit het maar.

 

klappees

zelfstandig naamwoord.

WBD legger (bep. gewrichtsziekte bij een paard), ook genoemd 'legger', 'gal' en (Hasselt) 'ligger'

 

klappere

Werkwoord, zwak
doorvertellen; van klappen = praten

...die klapperde alles daolijk et drp deur... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 8; NTC 19-11-1938)

 

klappinkere

Werkwoord, zwak
kinderspel

Van Delft - "Willen we gaan klappinkeren?" vraagt een jongen voor een spelletje, dat elders "sjennien" genoemd wordt en in Loon op Zand "janejen" heet. Wil men deze woorden verklaren, dan zou het kunnen zijn, doordat het opgeklapte (opgewipte) houtje ja (j) of neen (nie) het doel bereikt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

Van Delft - Een ander eenvoudig spelletje was het "klappinkeren" (elders ook "sjennien" genoemd). De attributen hiervoor bestonden uit een mooi sterk knuppeltje dat handig te hanteeren was en een tweede slechts 15 centimeter lang eindje hout, dat aan beide einden spits gesneden was. Dit korte puntige stokje werd in een schuin, ondiep kuiltje in den grond gelegd. Er werd eens flink met den voet op gestampt, zoodat het wat vastlag en met het knuppeltje werd met zekere handigheid en elan op het opstekende puntje geslagen, waardoor het "sjennie" door de lucht omhoogschoot en een heel eind verder belandde. Wie het verste zoodoende dit stukje hout door de lucht wist te doen slingeren, was de matador. De medespeler moest tijdens het spel den "klappinker" (het houtje sjennie) om te winnen in den kring kunnen gooien, waarin het kuiltje gemaakt was, doch hij mocht als handig slager ook tijdens het door de lucht vliegen den klappinker wel met zijn stok een terugslag geven. Als het reeds op den grond lag, mocht hij vandaar af ook den klappinker wel terugklappinkeren. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 104; 16 maart 1929)

 

klaps(e)

bijvoeglijk naamwoord, eponiem

- een gekweekte peersoort: 'Clapp's Favourite', wereldwijd populair geworden

WTT - 2012: De peer die onder de handelsnaam Clapps Favourite bekend is, werd gekweekt door Thaddeus Clapp uit Dorchester (Mass) U.S.A. in 1860. Sinds 1867 verspreid.

Cees Robben Ik heb mlpre, suikerpre, juutepre en klapse... en dan hek nog Glse vringpre, mar die zen enkelt goed vur de stoof... (19850927)

 

 

De 'klapse peer' heeft zijn eigen monument en wel in Dorchester, een stadje nabij Boston.

 

klapskoord

zelfstandig naamwoord.

WBD einde v.h. snoer v.d. zweep (voor een paard)

 

klapspaon

zelfstandig naamwoord

Van Beek - "Een tong als een klapspaan" (Lazarusklep) zegt men van een zegvrije of brutale vrouw. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

klapzaand

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): onsamenhangend, leemachtig geel zand

WBD III.4.4:151: 'klapzand' = stuifzand, ook 'vliegzand'

WNT KLAPZAND - een soort van zeer fijn zand, ook kwel-, loop- en welzand genoemd.

 

klapzuur

zelfstandig naamwoord.

gez. Pierre van Beek --  zen ge et klapzuur wrke - z dat men er bijna bij neervalt (Tilburgse Taaklplastiek 173) et klapzuur krge -

Biks klapzuur zelfstandig naamwoord. - heel hevig, beroerd

 

klasjeneere

werkwoord, zwak
klasjeneere - klasjeneerde - geklasjeneerd

-- druk praten (over gewichtige zaken, maar ook over zaken die slechts in schijn gewichtig zijn)

-- verbastering van 'collationeren' > uit het Frans: collationner > met  betekenisverschuiving naar 'babbelen', 'gezellig praten'

WTT 2012 -  'Collationner' heeft van oorsprong (ca. 1200) betrekking op de lezing die 's avonds gehouden werd tijdens de maaltijd van kloosterlingen, en de daaropvolgende bespreking van de voorgelezen tekst.

Begin van de Collationes van Cassianus

Het woord is gebaseerd op de Collationes (Gesprekken) van Johannes Cassianus (4de of 5de eeuw), geschreven in de vorm van gesprekken tussen kluizenaars en monniken. (Rey, Dictionnaire historique de la langue franaise; 1998)

WTT 2012 - de Tilburgse uitspraak is zeer uitlopend opgetekend.

Klasjeneere

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klasjenere - kletsen (nbrab.) = fr. collationner

Naarus - Lst hak innen Bossenaer bij mn en daor hak gezellig mee kunnen klasjeneeren. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Stadsnieuws:  meej de geminteraodsverkiezinge stonne ze op den Heuvel vur de kraant aatij oover den tslag te klasjeneere (070307)

Piet van Beers De Aaw Warand: Mistal zn ' t de zelfde krels/ die ge klasjeneere ziet. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Klasjionneere

Jaansen - Iederen dag waar ie er te zien en klasjionneerde druk op mee Pietjes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Klassieoneere

Daamen - Handschrift 1916:  "klassioneeren - wij zullen 't soamen wel kl. (uit de war doen)"

Klassionneere

Jaansen - ...en d-t-er druk geklassionneerd wier... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

Klasjonneere

Jaansen - ...daor moeste em over heurre klasjonere! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Jaansen - "Goei dingen gebeure nie in eentweedrie van je hupsakee, meneer Petit, daor mot over geklasjonneerd worre... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

Klazineere

Kees en Bart, Tilburgsche Post ca. 1930 - 'klazineeren'

Kubke Kladder - Na h'k 't daor meer dan eens meegemokt, d'k aachter 'n paor meskes liep, die druk on 't klazineeren waren - net as zullie d kunnen - zoo gewoon op z'n Tilburgsch en potdome z gaaw as ze in de gaote krege d't er iemand aachter hullie was, begossen ze ineens in 't "hoog Hollandsch" za'k mar zegge. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
...ik h daor [op de krantenredactie] w geklazineerd mee den redacteur (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 1; 9-10-1929)

Klazieneere

Cees Robben Heurt ze toch is klazieneeren... (19590228)

Piet van Beers Parads: Waor meens meej mekaore klazieneere en toch ieder in zen ge wrde lot. (Het zeventiende boekje, 2010)

Vunderink - W verderop en tffel, waoraon jongere meense stonne,/ die zoo te zien meej veul gebaor goed klazieneere konne. (Henritte Vunderink, Fist?, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

Klazjeneere

Piet van Beers Hoe gaoget: We klazjeneere hil w aaf oover allerhaande zaoke. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Andere bronnen

C. Verhoeven - KLASJENEREN onov.ww. druk redenerend en gewichtig praten over zaken van wereldbelang. Z.a.

A.P. de Bont kla'sine.rə(n) zw.ww.intr, 'klassineren' - redeneren, kletsen, praten.

Jan Naaijkens - D's Biks - klazieneere ww - kletsen, eindeloos praten

Bosch - klasjenere - druk redeneren, gewichtig praten

 

klaviere
zelfstandig naamwoord, meervoud
handen
Cees Robben Laot die schaol (...) nie uit oew klaviere valle... (19690613)
 

kldderiedtse

werkwoord, zwak
kliederen

Frans Verbunt: knoeien

WBD III.4.4.209 'kledder' = dril, ook -dedder' of -druddel

Stadsnieuws:
 D waar gin vreve wttie di, d waar mar en bietje kldderiedtse (291008)

 

kled

zelfstandig naamwoord.

kledingstuk, kleed, in het bijzonder een jurk; ook vloerkleed

► zie kleeke, kler, kleraozie

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 54) kled, plur. kleeje

Meej de Paose krgt ze en nuuw kled. - Met Pasen krijgt ze een nieuwe jurk

Naa wil ik wl es en nuu kled./ zeej Taante Bt spontaon./ Want hil de tdde diek naa hb/ doek dees jaor nie mir aon. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: AST MAR NUUT IS.)

n ze w gre dan en kled/ meej blote schouwers aon. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Dan maag et)

Piet van Beers Euwig sund: Gesminkt, n krontjes op derre kop/ gehuld in toffelkleeje. (t lfde buukske, 2010)

Dialectenqute 1876 - w vur 'n kld haad de bruid oan? (zie opm. bij steene)

- (bij 'steene' staat toegelicht: Voor de ee is moeilijk in andere talen een aequivalent te vinden; 'steejne' ware wellicht juister)

WBD III.1.3:63 'kleed' = jurk

Antw. KLEED znw.o., vklw. kleken. Zie wdb.

Biks 'kld' zn - kleed, jurk

Etym. G ? D. Kleid N. kleed, T. kled

 

Kleef

zelfstandig naamwoord., eigennaam; gebruikt om gierigheid aan te duiden

Kleef

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  tisser ene van Kleef, daor haawe ze meer van den hb dan van de geef (Daamen - Handschrift 1916) (z. a. onder Geffen)

 

kleje

Werkwoord, zwak
kleden

B kleje - kleedde - gekleed - geen vocaalkrimping

Bont kle.jə(n) zw.ww.tr. - kleden

 

kleeke

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord
 ► zie kled, kler, kleraozie

1. (niet al te dure, eenvoudige) jurk

R.J. ''n helder kleejke'

[Vrouwe] besteeje d'r advies veul liever aon 't koope van schoon kleekes en

leuke huudjes. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Ze slep em gaaw mee nr de stad/ Om en kleeke te gn kope. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den dubbeltjespt)

Naa zon ze nr de Schouwburg gaon/ Trees kocht en zwart-grs kleeke/ omd die kleure zo op de haor/ van durre meens geleeke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D kos nie)

Ze dcht: as ik daor meej men kleeke/ strak oover den Heuvel gao/ dan lope alle knappe jnges/ me vanges aachternao. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Annekes kleeke)

Sjaan heej en smrreg kleeke... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ene schraole trost)

Piet van Beers Nie gre stadte: n d schoon kleeke, d blft nog wl hange. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Ik weet ng, dk en schon nuuw kleeke droeg... (Henritte Vunderink, Bewaarschool, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

2. klein vloer- of tafelkleed

Witte kleekes oover de tffels kunne der ok niemer aaf, mar we zinge wl liekes t en buukske. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2003)

3. textiel

WBD kleejke (II:937) - lattendoek (voor de wolmolen)

4. Herenkleding

Antw KLEKE(N) znw.o. - vklw. van kleed. - Zwarte mansrok, kleed, pitteleer; Fr. habit. 'Kleed' gebruikt men nooit in dezen zin.

 

kln, klnder, klnst

bijvoeglijk naamwoord .

klein

- Met epenthetische d in comparatief; vocaalkrimping in comp. en superlatief.

Kees en Bart: 'veul kleinder'

Cees Robben Dn klne man (19600422)

Telangeliste zeej de paa:/ Merie ik rust en bietje./ ene pils, citroen n vur de kln/ aacht ranjas meej en rietje. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)

Dialectenqute 1876 - z'nen klnzon - zijn kleinzoon

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  ik kcht vur de klne en trm; et is en klntje mar en fntje

De Wijs -- (In de straat gehoord) (17-10-1966) - Ze zegge wellis: hij lkt op um as unne druppel waoter mar dr, hij is t gelk in ut kln (17-10-1966)

Frans Verbunt: we woone rm kln, zittie

Cees Robben:10 (blz. 25) 'in die hille klne benkskes'
Stadsnieuws:  Ik z laoter getrouwd: mn knder zn klnder dan de jouw. (291109)

WvM 'De q van het quken, da doen de kln jong'

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 'kln mar fn' (zin 115, blz. 100)

WBD III.1.1:10 'klein', 'klein van stuk' = klein van gestalte 

WBD III.2.2:7 'een kleine krijgen' = bevallen

WBD III.2.2:38 'een kleine', 'het klein' = kind

Bont kl.n, bijvoeglijk naamwoord  - klein

Goem. KLEIN - kla:n bijvoeglijk naamwoord  (klndər, klnst)

 

Kln Amsterdam

zelfstandig naamwoord, toponiem

Klein Amsterdam, volksnaam voor een buurtschap in Tilburg met de [huidige] Houtstraat als centrale locatie

1896 - Mijnheer de Redacteur, Ik verzoek u een bescheiden plaatsje voor het volgende :
Sedert eenigen tijd heeft zich in klein Amsterdam" of daaromtrent gevestigd, de beruchte Stams, die, toerekenbaar of niet, geheel 't Goirke in rep en roer brengt.
Donderdag-namiddag verwoestte hij bijna het geheele politie-wachthuis en werd daarna door een agent geboeid naar 't stadhuis gebracht.
Ik vraag UEd.: is dat nu een doen , zoo'n woest sujet een half uur ver mede-slepen en de halve stad in oproer brengen?
Zou het niet mogelijk zijn, dat aan geenen kant" een gevangenis werd gebouwd, of een huis gehuurd, dat werd ingericht tot cachot, onder toezicht van een veldwachter, dan zoude veel rust voor Veldhoven , Hasselt en Goirke ontstaan , vooral des Zondags.
Mag ik dit den heer Commissaris ter lezing en overweging aanbevelen ?
X. (Ingezonden brief aan Tilburgsche Courant, 5-1-1896)

1904 In de buurt Klein Amsterdam was Zaterdagmiddag de goeie vriendschap veranderd in gramschap tusschen een paar buurjongens, S. en v. d. L. Zij gingen elkaar te lijf en sloegen elkaar gaten in het hoofd. (Tilburgsche Courant, 31-3-1904, volledige bericht)
1905 - Zaterdagavond werd de gemeente-politie te hulp geroepen in de Houtstraat alhier, z. g. Klein Amsterdam waar een viertal slungels in de herberg van F. meer kabaal maakten dan de welvoeglijkheid toelaat. De politie dreef hen de herberg uit, doch nam tegelijkertijd n hunner den bekenden G. S. in arrest wijl deze eenige oogenblikken te voren met een stok zekeren J. E. zoodanig op het hoofd gebeukt had, dat de man in het politiebureau aan de Veldhoven moest worden verbonden. (Nieuwe Tilburgsche Courant, 27-3-1905)
1908 - Stroopers gearresteerd. Een tweetal politie agenten op surveillance zijnde in Klein Amsterdam slaagden er daar in eenige stroopers, waarvan een in 't bezit van een geweer terwijl zij op de duivenjacht waren, te verrassen. Proces verbaal is opgemaakt. (Nieuwe Tilburgsche Courant 7-12-1908 volledige bericht)
1911 Levensgevaarlijke verwonding - Een nieuw drama, het tweede binnen een week tjjd komt weer een huisgezin in diepen rouw dompelen en oneer doen aan den naam onzer goede stad. Gisterenavond te 8 uur omstreeks is zekere P. Geboers, huiswever, oud 59, wonende in de Houtstraat, een buurt bijgenaamd Klein Amsterdam, door J. M. Versteden, straatmaker wonende in de Prinses-Sophiastraat, met een mes in den buik gestoken, zoodat hij levensgevaarlijk verwond werd. Hedenmorgen was de toestand van Geboers nog steeds uiterst zorgelijk, zoodat voor zijn leven gevreesd wordt. (Tilburgsche Courant 19-12-1911)
 

klne
zelfstandig naamwoord, mannelijk en vrouwelijk
de kleine, een klein kind, baby in de luiers
Cees Robben Jan.. wilde gij dn klne efkes unne vorse luur aonspeeten... (19691219)
Cees Robben Dn ijsco lokt klnen... (19580524)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Asser ene, ene klne kwaam hier f daor, onverschilleg, dan ging zon vroedvrouw, die ging er meej, h, omgewikkeld in den rem meej en paor (??) erooverheene n dan ging ze der meej nr de krk n dan wier zon kind gedopt n dan kwaam et wir ts! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

klneghd

zelfstandig naamwoord.

kleinigheid

Bijnamenboek Karel de Beer - et klneghdje = M. de Rooij (blz. 69)

 

klnklutjesmrt

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: kindermarkt tijdens oranjefeesten

 

klnmanne

zelfstandig naamwoord meervoud

kinderen, zowel jongens als meisjes

Zodde de klnmanne nie tslaote? - Zou je de kinderen niet thuislaten?

Kees en Bart:  'de klein-mannen'; 'klein mannen'

Och jao, ge moet de kln manne allis iets geve asser om vraoge (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Frans Verbunt: de klnmanne zn nie geboore om de grote in der kont te kke

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 'de klmanne bleeve de mister veur'

Verh. KLEINMANNEN (klmanne) - kinderen (zie blz. 56)

WS - De ingelaste p is vermoedelijk afkomstig uit het presens: tussen de nasale labiaal 'm' en de explosieve denteel 't' voegt zich een labiale explosief 'p', eufonisch perfect: hij kompt als hij kampt.

 

klnpielekesweer

zelfstandig naamwoord.

koud weer

Stadsnieuws: Schotse n klnpielekesweer gao mistal saome - Als je kunt schaatsen, is het meestal koud; dat is in bepaalde situaties niet zo handig. (030110)

Buuk - koud weer

 

kler

zelstandig naamwoord meervoud

kleding, kleren

ook 'klere' komt voor

► zie kled, kleeke, kleraozie

Hij [de pastoor op de preekstoel] h 't over bloote nekken, vleeschkleurige kouskes, te duur kleer, polka haor enz., afijn, hij w eigenlijk zeggen d 't er vul te veul geneuk in de wereld is. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)
...zonder fatsoenlijke kleer' aon 't lijf in et waoter te ligge! 'nen Meensch is toch ginnen visch. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
..[ik] trok m'n Zondagsche kleer' aon... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Naor oome Teun; NTC 24-2-1940)
En 't waar 'n schoon duifke in d'r witte kleer' en ze zong as 'nen nachtegaol! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938)
En kleere! Ammaol van d spinnekoppe-goedje, floddertuig, slap en dun! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Cees Robben kost en kleer. (19540213)
Un goeij stuk kleer zal nie zo gaaw lebbere... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

 

kleraozie

zelfstandig naamwoord.

klerage, kleren

WNB III.1.3:1 ' klerage' = kleren, kledij

► zie kled, kler, kleeke

"Ze mos niks hebben van swiet en kaskenaode mr vur de kleeraozie kwaam ze op. We moesten er pront opstaon." (A.J.A.C. van Delft, uit: Toen Tilburg nog dorps was: Een heel typisch dialect; Nieuwe Tilburgsche Courant, 17 juli 1956)

H. van Rijen (1988): 'kliraozie'

Cees Robben - W d ons moeder toch moes spaoren/ vur de swiet... de kaskenade.../ De kleeraozie... de seklade... (19560512) [De prent behandelt het feest van de Eerste Communie en de kosten daarvan, die ook voor het oog van het kerkvolk gemaakt werden.]

Van Dale - klerage - (gew.) kleren

WNT KLEERAGE zie 'kleedage' KLEEDAGE - met overgang v. d. intervoc. d tot j: klee(j)age, znw.vr. - 1) Coll. benaming voor kleeren, kleedij; 2) Met dez. bett. zeker jongere, populaire bijvorm KLEERAGE, zeer gewoon in vele dialecten.

Antw. KLEERAGE (uitspr. kliereuzzə) znw.v. - kleeding

Bont kle'ra'zi znw.vr. klerazie - klerage, kleren (in collectieve zin)

WNT KLEERAGE, kleedage - kleeding, kleedij

Haor KLERAZIE - kleding

 

kleever, klver

zelfstandig naamwoord

klaver

- de uitspraak varieert tussen [kleever] en [klver] zowel voor de plant als de kleur in het kaartspel

1. klaver (plant)

klaver, veldklaver (Trifolium)

Meer dan 300 soorten uit het plantengeslacht Trifolium. De botanische naam Trifolium verwijst naar de bladeren, die meestal uit drie deelblaadjes zijn samengesteld (Latijn: tres is drie en folium is blad).

Bij de witte klaver komt zeer soms een vierbladig exemplaar voor; de zeldzaamheid wil dan ook dat het vinden van een klavertjevier geluk brengt.

Trifolium - Klavertje vier

Witte klaver

Rode klaver

Dialectenqute 1876 - klever - klaver (Trifolium)

Cees Robben [de stier spreekt] Ik (...) snoepte van dn  zwiers en t gras/ Dn klver en dn rme... (19600415)

WBD I:1409 steenklaver: 'stinkklver, witte klver, blklver

WBD I:1410 rode klaver: (Hasselt) 'roojə klvər'

WBD III.4.3.262 kleeverzurkel - witte klaverzuring

WBD I:1409 steenklaver: 'stinkklver; witte klaver: (Hasselt) 'witte klver'; bolklavers (Hasselt) 'blklver'

Bont kle.ver, znw.m. - klaver 

Antw. KLVER znw.m. - klaver

2. klaveren (kaartspel)

klveres - klaveren, kaart met het teken 'klaver'

M klaver (in het kaartspel)

in het kaartspel ook:  kleeveres - klaveren

Bont kle.ver - znw.m. klaver kle.veres znw.mv. (minder vaak 'ene klevere') - kleverens - klaveren

CuBra - Brabants kaartspel

 

klffere

werkwoord, zwak

waarschijnlijk van 'klepperen'

...in de week iederen mrgen om kwart veur aachte op de zwartgelakte klumpkes nor de kerk klefferen... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

 

klmbakkes

zelfstandig naamwoord.

kaakklem (trismus), krampachtige samentrekking van de kauwspieren als gevolg v.e. infectie, waardoor de mond niet meer geopend kan worden

- wordt toegewenst aan iemand die te veel praat. [bron/bewijsplaats niet bekend]

► zie volgende

 

klmmond

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.2:364 'klemmond' = tetanus

WTT 2013 - de bacterile infectie tetanus veroorzaakt verlamming van de spieren, te beginnen met die in het aangezicht.

► zie vorige

 

klnder

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap

kleiner

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 35) klnder (met vocaalreductie en d-epenthesis)

Met epenthetische d, naast 'kln'; met vocaalkrimping.

Klnder hskes ziede nrgeraand. - Kleinere huisjes zie je nergens.

Henk van Rijen hdde gin klndere? - hebt u ze niet kleiner?

Goem. klndər

 

klnneghd, -hei

zelfstandig naamwoord

kleinigheid

Antw. KLEINIGHEID znw.v. zonder mrv. - Het vleesch v.e. geslacht verken, ter uitzondering van den kop, de hespen en het spek; ook kleine moeskruiden zooals salade, wortelen, peterselie, kervel, porrei enz.

 

klns

bijwoord

uitdrukking  van klns af aon - van kindsbeen af

Van klns af aon sukkeldenie

Van klns af aon hakkeldenie - van kindsbeen af stotterde hij

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Van klnsaf aon zk opgebrcht van Krvel Klik hier om dit bestand te beluisteren

Bont Van kleins af aan

 

klnst

bijvoeglijk naamwoord, overtreffende trap

kleinst

Van 'kln', met vocaalkrimping.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  'de klnste zn de biste', zi de begijn, n ze naam de dikste ('72) - uiting van valse bescheidenheid

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): (blz. 35) klnst (van 'kln' met vocaalreductie)

 

klp

zelfstandig naamwoord.

klep (met name van de broek), ook in de bet. 'deksel'

Iemand vur zen klp schuppe. - Iemand onder het gat schoppen.

MP gez. Et paast as en klp p en gaanzekooj (Iets klopt goed, of twee zaken komen goed bij elkaar.)

Pierre van Beek -- Met het woord "klep" alleen is het ook een beetje zonderling gesteld in onze contreien. Behalve het stijve gedeelte van een pet wordt hiermede ook wel de hele pet aangeduid. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950)

gez.: op de klp valle - onverwacht binnenkomen (ontl. aan duivensport)

Piet van Beers Jonges, lster is: Hij valt hier aaltij p de klep... (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): pt f klp = pet

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  d klopt as en pliesiemuts znder klp (Pierre van Beek --  TT-64)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  et paast as en klp p en gaanzekooj (Pierre van Beek --  TT '69) - gezegd als twee zaken goed bij elkaar komen.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  en klp p en gaanzekooj ('69) - antwoord op de vraag 'Wat ben je aan het maken?

Frans Verbunt: op de klp valle (duivensport) - onaangekondigd op bezoek komen

Bijnamenboek Karel de Beer - de klp (= ... Mutsaers) (blz. 56)

Bont znw.vr. I muts, pet; II (plat gezegd voor) mond

Biks klp zn - klep, mond, smoel

WBD III.1.3:182 'klep' = pet

 

klpbroek

zelfstandig naamwoord.

bep. mannenbroek, lijkend op de tirolerbroek

Daamen - Handschrift 1916: "klepbroek - scheldnaam voor geestelijken"

Pierre van Beek -- "Klepbroeken" kent de jeugd van tegenwoordig niet meer. Wij echter weten, dat dit een thans niet meer in zwang zijnde mannenbroek was, die van voren met een ruim overslaand stuk sloot. "Klep" schijnt hier de betekenis van "deksel" gehad te hebben. Het wordt als zodanig wel meer gebruikt. De platte uitdrukking "iemand voor zijn klep schoppen" kan o.i. hiermede wel verband gehouden hebben. (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

Pierre van Beek - "Klepbroeken" kent onze huidige samenleving niet meer. Het was weleer een mannenbroek, die van voren met een ruim overslaand stuk sloot zoals men dat nu nog aan de gemsleren Tiroler broeken kent. "Klep" schijnt hier de betekenis van "deksel" gehad te hebben. In die zin wordt het trouwens wel meer gebruikt: "doe er de klep (het deksel) maar op !"... De platte uitdrukking: "Iemand voor zijn klep schoppen" kan o.i. hiermee wel verband gehouden hebben. Militaire instructeurs hadden vroeger - en misschien ng wel - het woord "menageklep" in hun vocabulaire, waarmee wel zeer plastisch "mond" werd aangeduid. De associatie met "deksel" dringt zich ook hier op. En tot slot: In de periode van de "klepbroek" deden de oude vrouwkes het met een "open-toe-broek". De inrichting daarvan moet ge maar eens aan uw grootmoeder vragen... [Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 5 mei 1964]

Biks klepbroek zn klepbroek

 

klpke
zelfstandig naamwoord verkleinwoord van klap

klapje
Cees Robben Hier n douwke.. Daor n klepke (19580726)
 

klpkrf

zelfstandig naamwoord.

van klepdeksel voorziene mand die aan een arm gedragen werd

 

klpmeule

zelfstandig naamwoord.

GG klappermolen (kleine windmolen met een ratelwerk, gebruikt als vogelverschrikker), iemand met veel praats

 

klppe

werkwoord, zwak
klppe - klpte - geklpt

vangen, betrappen; te grazen nemen, beetnemen ; klikken, (verklappen)

Mn klppe ze nie.

Ze zullen ns naa niemer klppe; ik dcht: hij zal me nie klppe;

Cees Robben Mar ze kleppe me nie... (19570720)

 

klpper

zelfstandig naamwoord.

WBD (Hasselt) - langbenig paard, elders 'klippel' genoemd of 'hoge'

WBD III.1.3:226 'klepper' = houten sandaal

WBD III.4.4:221 'klepper' = iets groots in zijn soort; ook 'bonk', 'joekel', 'kanjer', ' knoert', 'kadee'

Antw. KLEPPER znw.m. - ... Buitengewone jongen, iemand die zich onderscheidt door geleerdheid, verstand, bekwaamheid, stoutmoedigheid, deugnietenstreken enz. 'Ne geleerde klepper; 'ne felle klepper.

 

klpschouw

bijvoeglijk naamwoord .

verlegen, schuw, schichtig

Uit de duivensport: een duif die bang is, of treuzelt, om 'op de klep te vallen'

H. van Rijen (1988): 'klpschaaw' - met drempelvrees, verlegen

Verh. klepschouw, bijvoeglijk naamwoord . schichtig, verlegen, te bang om te praten (kleppen)? vooral gezegd van iemand die gentimideerd is.

Biks klpschaaw bijvoeglijk naamwoord  - schuw, verlegen

 

klptiet

zelfstandig naamwoord.

klikspaan

Hij kwaam et aaltij te weeten, aaltij waar der wel intje, die vur kleptiet spulde. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Stadsnieuws:  Ge moet oppaase as hij in de buurt is; tis en chte klptiet (270607)

Verhoeven - lultiet, v. (van 'lullen', kletsen, en 'tiet', kip) kletsmajoor, ook lulbroek, - kous, -muts, -kont en -meier.

Biks klptuut zn - klikspaan

 

klpzweper

zelfstandig naamwoord

De Wijs -- (n rijdende bazaar komt langs) Moeder, hedde w noodig, daor komt weer unne klepzweeper (27-12-1968)

WTT 2013 - mogelijk van 'klapzweeper': iemand die de zweep laat klappen om het paard dat de kar trekt aan te sporen.

 

kls

zelfstandig naamwoord.

WBD III.4.3:376 kls - klit of klis (Arctium)

WTT-2012: zie WNT lemma Klisse I, waarin wordt uiteengezet dat de benaming een verbastering is van 'Klis' of 'Klisse' -- "inzonderheid in Z.-Nederl." -- omdat de bloem zich gemakkelijk hecht aan kleding en ook in haar. ► WNT KLES (I). Vergelijk 'klitten'.

 

klts, kltske

zelfstandig naamwoord.

klets

1. verkoudheid

- uitdrukking  en klts vatte - kou vatten, een verkoudheid oplopen

...en d'r moeder gooide gaaw 'nen doek om d'ren langen hals, d ze geen klets zou vatten... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

WBD III.1.2:295 'een klets te pakken hebben' = een verkoudheid hebben

WBD III.1.2:296 'een klets vatten' = idem;

WBD III.1.2:299 'klets' = verkoudheid

Hees 'n klets pakke (VII:20)

Antw. KLETS znw.v. -  En klets pakken - eene verkoudheid of wat ergers opdoen.

2. samenstellingen met kletsen = praten

► kltskoek, kltskop

► kltse

Cees Robben: W heej jllie zjuuleke tch ene kltskp!

WBD III. 3.1:280 'klets', 'kletserd, kletswijf' = kletswijf

3. kleine hoeveelheid, kliekje

kZaag in de kaast zon viertal flsse,/ meej w kltskes derin, staon./ Omdk et sund vond wg te goje,/ hk et bij mekaar gedaon. (Henritte Vunderink, Wn?, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD III.2.3:126 'kletsje' = kleine hoeveelheid eten

WBD III.4.4:262 'klats', 'kletsje' = scheut

WBD III.4.4:265 'klets', 'kletske' = klein overschot

Antw. KLETS znw.v. - KLETS, kletsken - kleine hoeveelheid die in een glas, eenen pot, eene mand of een vat overschiet; eene kleine hoeveelheid graan, en [ontbrekend woord?]

4. klap

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KLETS: Iemand de klets geven: slaan of wonden, i.a.

Antw. KLETS znw.v. - Fr. coup, soufflet.

Cornelis Verhoeven - KLETS (klts) 1) m. kletspraat; 2) v. verkoudheid: 'n klts vatte.

 

kltse

werkwoord, zwak
ketsen - in de zin van 'kaatsen'

bijvoorbeeld het ketsen van steentjes op het water (spel)

- dan gonken we vaoren, schotsenrijers vangen, steentje kletsen en spatten en poelien (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

kltskoek

zelfstandig naamwoord.

kletskoek, kletspraat, onzin

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  kltskoek p en stkske verkope (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1971) - onzin vertellen

 

kltskp

H. van Rijen (1988): schurftig hoofd

Cees Robben: w heej jllie zjuuleke tch ene kltskp!

WBD III.1.4:116 'kletswijf' = vrouw die graag kwaadspreekt

WNT KLETSKOP - benaming voor een door het hoofdzeer (favus) aangetast hoofd; benaming voor deze ziekte; z.a.

 

klf, klfke

zelfstandig naamwoord.

kluif

Verh. KLEUF (kleu:f) m. gekliefde blok hout, gereed voor het gebruik in de kachel.

 

kleure

Werkwoord, zwak
kleuren; zegswijze in kaartspel

Van Beek - "Kleuren is geld beuren" zegt men, als men een medespelende aas vraagt van dezelfde kleur als waarin men troef maakt; dus rood bij rood, zwart bij zwart.  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

 

kls
zelfstandig naamwoord
kluis; in de betekenis: klooster
Cees Robben De klaore vrome stilte/ Van n aauw vergeten kluis... (19700417)
 

klurke
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van kleur
kleurtje
Cees Robben W krge ze n kleurke... (19571207)
 

klt, kltje

zelfstandig naamwoord.

kluit, kloot

Ge vernukt de klt = Je belazert de boel

t de klte geschoote - uit de kluiten gewassen

WBD III.2.3:145 'kluit boter' = klomp boter; ook: 'wigt', 'weg', 'klotje'

Verh. KLOT m. kluit (kltje) - homp: 'ne klot boter.

 

kleutergat

zelfstandig naamwoord.

klein kind

Daamen - Handschrift 1916:  "kleutergat - klein kindje, aardig klein kindje"

 

kleuve

werkwoord, zwak

klieven

WBD III.1.2:77 'kleuven ' = klieven, verdelen

WBD III.1.2:355 'kleuven' = kloven; ook 'klieven'

 

kleviere

zelfstandig naamwoord, meervoud

handen, klauwen

GG blft er meej oew kleviere vanaaf

Stadsnieuws:
 Blft er meej oe kleviere vanaaf, d zn de mn - Blijf er met je tengels af; die zijn van mij (250508)

Cees Robben:10 (blz. 65) 'Laot die schaol nie uit oew klaviere valle'

 

klies

zelfstandig naamwoord.

klit = verwarde, verstrikte massa - 'tis hier in noord eene klies

EWN 'klit', Mnl. clithe 'klis'

 

klimme

werkwoord, sterk

klimmen, ook: stijgen, rijzen, klaveren

WBD III.1.2:8 'klimmen' = omhooggaan

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): klimme - klm - geklmme

 

klink

zelfstandig naamwoord.

WBD schede van een rund

WBD uitwendig zichtbaar geslachtsdeel v.d. merrie

WBD sluiting aan de ovendeur (in een bakkerij)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  de klink van de deur ng nie vaast hbbe (Daamen - Handschrift 1916) - nog niet van plan zijn weg te gaan

Bont I - znw.vr. klink - uitwendig geslachtsdeel v. merries

Bont II - znw.vr. klink - ijzeren voorwerp dienende ofwel om de stof v.d. wever gespannen te houden, ofwel om ze op de onderloper te winden.

Antw. KLINK znw.v. - bilnaad van dieren

 

klinke

werkwoord, sterk

klinken

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 klinke - klnk - geklnke

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 27) in 2e pers. en 3e pers. enk. presens wordt in het cluster nkt de k verzwegen klingt

 

klinkerd

1. zelfstandig naamwoord

Kees en Bart:  p den Klinkert

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  hij had ene kaoter gestrikt p de klinkert ('58) - een rijk huwelijk gesloten (klinkert = klinkerweg)

WBD III.3.1:397 'klinkerd' = openbare weg, ook genoemd: 'weg, baan'

WBD III.3.1:403 'klinkerd' = straat; ook genoemds: 'klinkerweg, klinkerpad, keiweg, straat'

2.toponiem

Lange Nieuwstraat

 

klinkklaor

zelfstandig naamwoord.

finaal

Cees Robben: 'ik stao wir klinkklaor tep'

 

klippel

zelfstandig naamwoord

knuppel

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  meej alle klippels kunne slaon (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1968) - met alle knuppels kunnen slaan = van alle markten thuis zijn

Daamen - Handschrift 1916:  "klippel - knuppel"

WBD III.1.2:66 'klippel' = knuppel, knots; ook: 'knoest'

WNT o. a. knuppel

Stadsnieuws:  'Hij was zo bang snaachs, der ston ene klippel nffe zen bd' (141107)

Hees klippel (V:64,67)

Verh.KLIPPEL m. - knuppel; lomperd

Bont klɪpəl , znw.m. 'klippel' - 1) stok; 2) langbenig paard; 3) penis.

Antw. KLIPPEL znw.m. - knuppel, Fr. bton

Biks klippel zn - knuppel

WBD langbenig paard, ook genoemd 'hoge', of (Hasselt) 'klpper'

 

klippels

bijwoord

de etymologie is onduidelijk; waarschijnlijk is er een verband met klepel in de betekenis klepel van een kerkklok

Cees Robben Den onzen [mijn man] is net z kerks as unne hond klippels... (19651105)

 

klirbrsel

zelfstandig naamwoord.

kleerborstel

GG vat de klirbrsel es t de klirkaast

WBD (III.2.1:305) klirbrsel - kleerborstel

 

klirkaast

zelfstandig naamwoord.

kleerkast

WBD (III.2.1:107) 'Kleerkast'

 

klirkes

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
plur.

kleertjes

R.J. 'oew kleurige kleerkes', moeder moet er oew klirkes nog driegen'

verkleinwoord van 'kleere', met vocaalkrimping

 

klirmaoker

zelfstandig naamwoord.

kleermaker

R Alles meej maote, zi de klirmaoker, en hij sloeg zen vrouw meej d'el.

Daamen - Handschrift 1916:
 "wij hebben de kleermaker in de wan (de kleermaker aan huis om te komen snijderen, voor een klein daggeldje en de kost (of dat nog bestaat?)"

 

kliske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
H. van Rijen (1988): restje

Biks 'klis' zn - rookvlees aan het stuk

 

Klisstk

Kaart Topografische atlas; ca. 1900

toponiem

Quirijnstok

Audioregistratie 1978 -- n zo ging hij et Lijnsheike n zo ging hij, war, ik zal zgge dur Klisstk n daor ooveral heene n zo noeme wij de wg nr Waalwijk toe. FvI: Waor hdde d woord nouw wir? Klisstk? Ds eigenlijk Quirijnstok?  J, mar gij wilt toch hbbe d ikja, ja, ja (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

Audioregistratie 1978 - die Quirijnstok die hier nouw genoemd wrt hi, d was vroeger de Klisstk, niks aanders, die knde niemand aanders as de Klisstk. En ik ok, aatij, de Klisstk n die was nie daor mar die was daor! Nr den Uudenhout toe (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

klocht

zelfstandig naamwoord.

zwerm, troep, vlucht, klucht

van Ned. 'klucht', vlucht, troep

Kees en Bart:  'de klocht loopjongens'; "n klocht ganzen'

Cees Robben t Is unne streup... n heele klocht... (19580531)

Moeders meej hel klchte knder... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aovendvierdaogse)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  asser rges en kraaj neerstrkt, laandt er sebiet en hele klcht (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1972) - waar aas is, verzamelen de gieren zich.

Henk van Rijen en klocht knder - veel kinderen

Stadsnieuws:  De mister heej aatij en hil klocht jong om em heene. (020510)

Verh. KLUCHT (klocht), v. - zwerm vogels, toom biggen, menigte mensen, groot aantal kinderen: 'n hil klocht.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klcht (krt.107); zie ook blz. 182/183.

Bont klcht, waarnaast zeldzamer: kloecht, znw.vr. - troep

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klocht, klucht, kluft, kloft - troep (bv. van vogels)

WBD troep (gezegd van dieren); ook 'klcht' genoemd

en klcht duve; en klcht knder;

WBD klcht - kudde volwassen varkens, ook genoemd 'hop' of 'staaw'

WBD 'klcht' of 'kloocht' - kudde (m.b.t. schapen)

WBD 'klcht' - troep kippen; III,4.1:180 'klocht' - groep patrijzen

WBD 'klcht' - troep ganzen; III.4.1:33 'klocht' - zwerm vogels

 

kloek

bijvoeglijk naamwoord .

wijs

van Dale. (gewestelijk: verstandig, wijs)

Daamen -Handschrift 1916: "ik kan er mar nie kloek uit worren (wijs)"

 

kloeke

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): gezellig bij elkaar klitten (zitten)

 

klfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kluifje

- verkleinde vorm van 'klf'

Cees Robben - Pietje.. lustte iets van t kuuske../ Platte ribben.. zult of spek.../ Kaoikes.. balkenbrei [sic] of klfkes.../ Kienebak soms uit de nek...  (19550205)

 

kljster

zelfstandig naamwoord

kluister

WBD blok (ketting met een blok aan een been v.e. paard om te beletten dat het uit de wei springt), buiten de Hasselt 'springblok' genoemd

Bont znw.vr. 'klouster' - kluister, hangslot

 

klk

zelfstandig naamwoord.

1. de klok, uurwerk

Van Beek - Als kinderen lelijke gezichten trekken of zeuren, zegt moeder: "Als ge 't klokske van Rome hoort slaan, blijft ge z kijken!" (Als de kleine de fopperij niet snapt, zal hij wel een ander gezicht zetten.) (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)

WBD II.1.2:245 'de klok optrekken' = snotteren

WBD III.3.3:75 torenklok, 'kerkklok';

WBD III.3.3:76 kerkenklokje

2. kip

WBD hen met kuikens, ook 'kloek' genoemd

WBD broedende kip die men op eieren heeft gezet

Biks 'klok' - kloek zelfstandig naamwoord, broedende kip

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KLOEK noemt men hier eene kloekhen. Men leidt het af van 'glocire';

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - klk (krt.18 en blz. 165)

Bont klk znw.vr. - kloek (hen)

 

Ill.: Thom - vaccinium myrtillus - bosbes - klkkebaaj

klkkebaaj

zelfstandig naamwoord.

bosbes - Vaccinium myrtillus, gewone of blauwe bosbes

WBD: De blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus) is een klein struikje uit de heidefamilie. Het is een bodembedekker in bossen op zure grond met fijn getande, lichtgroene blaadjes, met bleekpaarse bolvormige bloempjes en met blauw bestoven besjes met kenmerkend blauw sap. In Tilburg ook: Klokkebei, Klokkebeien, Sint-jansbezem.
Biks moerbeejzem zn - blauwe bosbes

Daamen - Handschrift 1916:
 "klokkebaai - Boschbessen"

...daor groeien de klokkebaaie mee duuzende kilos. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Wieste, d bosbessen in ons tltje/ klkkebaaje hiete? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Stadsnieuws:
 Klkkebaaje vnde op pltse in et bos waor et en bietje donkerder is (280109)

WBD III.4.3:178 klkkebaaj - blauwe bosbes, ook bosbes genoemd of sint-jansbeezem

WBD III.4:200 klkkebaaj - vrucht van de sneeuwbes

WBD III.2.3:223 'klokkenbezinvlaai' = bosbessenvlaai

WNT KLOKKEBEI, -beier - Westbrab. benaming voor de blauwe boschbes, Vaccinium Myrtillus

Hees klokkebaaje (1:18)

Antw. KLOKKEBEIER znw.v. - kraakbes KLOKKEBEIS znw.v. - kraakbes, blauwbes, boschbezie (klokkebeier)

Biks 'klokkebaaje ' zn - bosbessen

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klokkebaai - bosbes (wnbr)

Str. klokkebaaje (2:20)

 

klkske

zelfstandig naanwoord, verkleinwoord
klokje

1. bloem

akelei - Aquilegia vulgaris - wilde akelei

In Tilburg ook: akelei, klokjesbloem, klokskesblom, soms pantoffelbloem (WBD)

WBD: De akelei (Aquilegia vulgaris) wordt 30 tot 80 cm hoog. De stengels groeien rechtop en zijn bovenaan vertakt. De bladeren zijn meestal 3-tallig met brede, diep gekartelde blaadjes. De bloemen zijn groot en hangend, blauw of donkerviolet van kleur (soms roze of wit); de kroonbladeren zijn trechtervormig, met aan de top een naar binnen
gebogen spoor. Akelei bloeit van mei tot juni en groeit vrij zeldzaam in
lichte bossen, aan oevers en in weiden.
WBD III.4.3:240 klkskesblom - akelei (Aquilegia vulgaris)

WTT - 2012: De minder gangbare maar typisch Tilburgse naam 'pantoffelbloem' heeft mogelijk betrekking op de vorm van de bloem met bladeren die opkrullen, overeenkomstig de neus van marokkaanse en turkse sloffen.

Foto: Leo Michels

2. klokje

as 't klukske klept drie keeren... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Maonnaacht , 1932)

't Klkske rikketikt op taoffel (Piet Heerkens; uit: De Mus, Tijd en nood, 1939)

tik-tik-tik as van n klkske... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Naachtegaol, 1941)

Cees Robben In mn kaomer tikt n klkske (19700220)

WBD III.3.3:81 klkske, kln klkske, bimmelebom = klepklok

Biks klkske - klokje

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal

CuBra Home

klomp

Ill.: Tijs Dorenbosch

zelfstandig naamwoord.

klomp

 

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

...daogs dr nao rgenden ut aauw wve op klumpkes... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  k meej klmpen aon kunde wd koome, mar dan meuder nie meej klssenbakke (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.

Henk van Rijen de klomp thaole - eruit halen wat Sinterklaas erin gelegd heeft

WBD (II:2956) 'klomp' (I83a); 'kloomp' (183c)

WBD (III.1.3:224) 'klompschoen' = klompschoen

 

Nieuwe Tilburgsche Courant 1944

 

De jonge klompenmaker - Henry Ossawa Tanner

 

klompeschlp

zelfstandig naamwoord.

bovenste deel van een klomp

 

klonterbrojke

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord
Frans Verbunt: zoet witbroodje met kandijklontjes bestrooid

WBD III.2.3:197 'klontebrooike' = wittebroodje

 

kloojoow

zelfstandig naamwoord.

stuntelaar: onhandig, kwaadaardig

Henk van Rijen hdde ot zone kloojoow gezien? ... stuntelaar

- Eufemistische variant op 'klooier', of samentrekking van 'klootjong'?

Bakker (OT 54:147) Een kluns is nog geen klojo.

Laps (Nat. Scheldwdb) KLOJO - onhandige figuur die alles laat mislukken

WNT KLOOI verzachting van 'kloot' = sul, stuntelaar

 

kloris

zelfstandig naamwoord

man, vrijer

De Wijs -- Zal ik veur jou is naor unne goeije kloris uitkke [?] - N, veur men ginnen opgesolferde (13-07-1966)

Laoter hk geheurd d ons Nelleke meej de klorus waor ze toen verliefd op waar, tien meter verder tussen et riet ha geleegen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

klot

Dialectenqute 1876 - kloot, klutje

1. zelfstandig naamwoord

1.1. man, manspersoon, mens, gewone man

Cees Robben: Et prakkezeere is tgevnde dur enen reme klot.

- goeje klot - goedig iemand, goedzak

Cees Robben: wiebelklot d ge zt

Cees Robben: zit nie zo te knlle, dabklot

WBD III.1.4:36 'slome kloot' = ezelachtig persoon

n ome Jan, dieje goeje klot,/ die klaogde toen es zene nod. (Henritte Vunderink, Taante Aldegond, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

1.2 kloot, kloten, teelbal

WBD III.1.1:224 'kloten' = teelballen

Hees oot over kloot (VI:40) [?]

Antw. KLOOT znw.m. Fr. testicule; wordt in de allerlaagste spreektaal veel gebruikt

NB. KLOOTVEGER is opgenomen in Nationaal scheldwoordenboek (= misselijke kerel);

Verh. KLOOT (kloo:t) m, veel gehanteerd woord, zelden = teelbal; meestal = manspersoon: 'n goeje kloo:t - goedaardige sul. Als achtervoegsel z.a.

Goem. KLOOT - kluət, znw.m., verkleinwoord - klutə - teelbal; nen van een vent

WBD III.2.3:258 'een stuk in zijn kloten hebben' = dronken zijn

WBD kloote (Hasselt) - teelballen of testes v.d. hengst, ook genoemd 'blle'

1.3 kloot - als eerste lid in samenstellingen - iets kleins, iets dat minder belangrijk is

WBD III.4.4:224 'klootding' = iets kleins in zijn soort, ook 'geneuk'

WBD III.4.4:284 'klootding' = iets onbelangrijks

►klotjong, klotkrel, klotvger

1.4 kloot - als tweede lid in samenstellingen met de betekenis als onder 1.1.

Cees Robben Zit nie z te pitse.. pie-lie-klt.. (19800718)

Cees Robben Mopperklt... (19800510)

Cees Robben Zit toch nie z te knelle, dabklt... (19841130)

Cees Robben Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

2. bijwoord

Pierre van Beek --  tis klote meej den bk - het draait op een fiasco uit

GG ik z himml nie goed, ik vuul menge klote, ik voel me allerbelabberdst z.a.

De Wijs -- As ge Opa bent is t goed klote aon den bok (23-02-1972

Cees Robben: Meej mn ist aaltij klote

Cees Robben: de zaok nor de klote;

Henk van Rijen tis klote meej den bok - het verloopt niet naar verwachting

Henk van Rijen lopt nr de klote - loop naar de maan

Daamen - Handschrift 1916: "lopt nor de klooten (naar den drommel)"

Daamen - Handschrift 1916:  '"t is klooten ('t is mis, 't is huilen)"

Cees Robben: Meej mn ist aaltij klote

 

klote, kloje

werkwoord, zwak

Daamen - Handschrift 1916:  "ze zullen me nie klooten (bedriegen)"

dwarsdrijven, mislopen

klote - klotte - geklot

n agge onhaandeg beezeg zt,/ dgge zit te kloje? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD III.1.4:52 'kloten' = aarzelen

WBD III.1.4:289 'kloten' = er zich niets van aantrekken

WBD III.1.4:367 'kloten' = iets slordig doen

WBD III.1.4:412 'kloten' = bedriegen

Goem. KLOOTEN wkw (klutə, gəklut) - foppen, tergen

Antw. KLOOTEN - foppen, bedriegen

Biks 'klte' zelfstandig naamwoord, ww - kloot, kloten

 

kloteg

bijvoeglijk naamwoord .

onbenullig

Cees Robben ...die kltig aacht percent... (19660401)

 

klootere

werkwoord, zwak
klutsen

klootere - klooterde - geklooterd

... en geklooterd aaj, n d dur mekaare

 

kloterij

zelfstandig naamwoord.

bedriegerij

Daamen - Handschrift 1916:
 "klooterij - bedriegerij"

Stadsnieuws:
 ch, d zeegeltjesplkke, ds amml mar kloterij as puntje bij pltje komt, betldet tch zlf (260709)

 

klotjong

zelfstandig naamwoord

vervelend kind, rakker

ook het meervoud is 'klotjong'

GG die klotjong van hiernffe waare wir vliegende braanweer nt speule

n d klotjong tch w/ leuker klinkt as deugeniete? (Henritte Vunderink; Wieste..?; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

klotkrel

rotvent

Daamen - Handschrift 1916:
 "klootkairel (een beroerde vent)"

 

klotvger

zelfstandig naamwoord, scheldwoord

misselijke kerel

Cees Robben Klt-vger die ge zd... (19780623)

Cees Robben Dieje kltvger was k niks vur jou (19840629)

Cees Robben Munne zoon (...) is unne echte kltvger... (19801121)

Frans Verbunt: ook: 'klotjavaan'

Elie van Schilt - Zplap, zatlap, schnsmarcheerder, klootveger en hij dugt van gin kaanten, waren toen gewone woorden... (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

Nat. Scheldwdb.: KLOOTVEGER - misselijke kerel

Bont klo'tfe.gər znw.m. 'klootveger' - sul, hannes; synoniemen: klootvent, kloothannes, klootzak, dorus, gathannes enz.

Biks kltveejger

 

klphngst

zelfstandig naamwoord.

WBD slecht gesneden hengst, ook 'klaphingst' en in Hasselt 'piet' genoemd

 

klpkaaj

zelfstandig naamwoord.

WBD klopkei: de steen waarop het leer v.d. bovenzool wordt geklopt (II:757)

Antw. KLOPSTEEN znw.m. - bij schoenmakers: steen waar men het leder op effen klopt

 

klppe

Werkwoord, zwak
kloppen, overeenstemmen

Pierre van Beek -- "Dat klopt als een politiemuts zonder klep." Een muts kende men vroeger blijkbaar als hoofddeksel zonder klep, waarbij onder klep dan wordt verstaan het stijve gedeelte, dat tot het afnemen dient, zoals men dit aan een pet aantreft. Zou een muts een klep gedragen hebben dan ware ze geen muts meer geweest. Eerst zonder klep was ze als muts in orde. Dan klopte het. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950)
Pierre van Beek -- Van oudere mensen vangt men wel eens op: "Dat klopt als een zwerende vinger." Ieder weet, dat een hevig zwerende vinger een pijn veroorzaakt, die op kloppen gelijkt. Erg zweren en dit soort "kloppen" is onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Als de vinger flink "klopt" is het zweren op zich in orde. Wat niet wegneemt dat de patint wel kan menen, dat het met zijn vinger toch helemaal niet in orde is... Het geestige in deze zegswijze is, dat in de uitdrukking het werkwoord "kloppen" in letterlijke zin gebruikt wordt terwijl het uiteindelijk een figuurlijke rol vervult. (Tilburgse taalplastiek 1 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 4 februari 1950)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  d klpt as en pliesiemuts znder klp (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1964)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  et klopt as twaalf aajer meej nen mikken btteram (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1970)

 

klpper

zelfstandig naamwoord.

garde

WBD (III.2.1:169) 'klopper' = garde

 

Kloris, Kloores

de eigennaam Kloris

figuurlijk: arme sukkel, sympathieke sufferd

WNT lemma KLORIS - Oorspronkelijk, bij de Ouden, een godinne- en vandaar een meisjesnaam (...) vervolgens is het als soortnaam gebezigd om , min of meer schertsend, den uitverkorene van een in het verband genoemd of bedoeld meisje aan te duiden. Dit gebruik vindt zijn oorsprong in de groote bekendheid van het kluchtspel met zang en dans De Bruiloft van Kloris en Roosje, dat sedert de eerste helft der 18de eeuw in het begin van ieder jaar na de opvoering van Vondel's Gysbreght van Aemstel in den Amsterdamschen Schouwburg wordt vertoond; zie over dit, en andere zangspelen waarin een persoon Kloris optreedt, vooral TE WINKEL, Ontwikkelingsg. 4, 520 volgg.

Cees Robben Zal ik vur jou is naor unne goeie kloris uitkke...? (19660819) [Een lieve, zorgzame man voor je zoeken?]

Cees Robben Heiligen Isedoris/ Wil mij arme kloris/ Lekker laten p...../ Nu we u aan gaan roepen... (19740104)

Cees Robben [Kloris:] Moette we naa deeze kaant in... [zijn vrouw:] N Kloris... geene kaant uit... (19800425)

 

klrmaoke

Zie klaormaoke

 

klrztte

Zie klaorztte

Werkwoord, zwak
 

kls
Anoniem 1959
Nillus ha de klosse over laote loope
en daor haddet gatverjuw,
Dieje zuukert, de meulesteller,
stond bezije de contenu.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm
 

klsbraaje

werkwoord, zwak

punniken

Onze Co, aaltij goed gewist in punniken, d toen nog klosbraaie hiete, ha un prdetg gemaokt. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

klske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
klosje

WBD klske (II:985) - klosje: trekklos

WBD klskes (II:1050) - klosjes (v.h. lenggaren)

 

klsse

Werkwoord, zwak
Frans Verbunt: in de biljartsport: twee ballen die elkaar ongewenst raken en daardoor het scoren van een carambole verhinderen

WBD III.1.2:154 'klossen' = sloffen

 

klssebakke

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): sloffen

Frans Verbunt: luidruchtig aan komen lopen

WBD III.1.2:154 'klossebakken' = sloffen

 

klssembak

zelfstandig naamwoord. (lett. bak waarin garenklossen werden gedeponeerd) lomperd, lomperik, onhandig iemand (bijz.m.b.t. gedrag en beweging)

in  geschreven vorm altijd 'klssenbak'

Pierre van Beek --  sullig, traag, weinig intelligent persoon, 'laobes', 'gaoper'

Vur dieje klssenbak stao alles in de weeg.

Kees en Bart:  'klossebak'

Van Delft - "'t Is 'ne klossenbak." Dit is: 't Is een sufferd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

Van Beek - Van 'n sufferd zegt men: "'t Is 'n klossenbak".  (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Cees Robben Unne klossenbak van unne vent (19650430)

Et waar rondt enne klossebak. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  k meej klmpen aon kunde wd koome, mar dan meuder nie meej klssenbakke (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1968) - Iemand van gewone komaf kan het ver brengen als hij zijn manieren maar aanpast.

WBD klossenbak (II:943) - bijnaam v.d. wever

n assimileert aan b, wordt dus m (wel uitgesproken)

WBD 'klssəmbk' (II:1032) - klossenbak: pijpenbak v.d. pijpenspoel

WBD 'klssəmbk' (II:1033) - klossenbak: pijpenbak v.h. weefgetouw

Biks 'klossebak' zelfstandig naamwoord. - lompe vent

 

kloster

zelfstandig naamwoord.

klooster

Cees Robben D din [sic] klster blommen bloeien... (19550806)

Audioregistratie 1978 - Nou weet ik wl wrrom d zij zo gk is gewrre! Ja mar, bij Ven Rzewk ts waare tweej Mie was nr et kloster gewist, in Aorendonk, hi. n daor isse van truggestuurd n daor heej zij d van gekreege!  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

GD05 die zaat int kloster n et Fraatersgat

Bont klostər, znw.o. 'klooster' - klooster.

 

klot

persoonsvorm van werkwoord

tegenwoordige tijd enkelvoud van 'klote'

Henk van Rijen - hij klot zo mar aon - hij doet zo maar aan (zonder resultaat)

WBD III.4.4:271 'klot' = kluit, kaanes, kop, hoofd

Frans Verbunt: zene kaanes vlvreete - onbeschoft veel eten

WBD III.1.1:194 'kanes' = maag

WNT VIII:1249 KANIS (II) znw. (m?) 'bargoensche' term, een straatwoord voor 'hoofd; 'kop', 'test'. Kanes, hoofd, Boeventaal

 

klt

zelfstandig naamwoord

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KLOT, voor klomp (een klot aarde, deeg)

KLOTJE, klompje, voornamelijk voor een klotje suikers

 

kltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
kalotje, priestermutsje, vroeger ook door bejaarde mannen binnenshuis gedragen.

WBD III.2.3:145 'klotje boter' = klomp boter; ook: 'wigt', 'kluit'

 

kltje

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord

kluitje
Cees Robben: kltje

Nao en pan gebakke rpel/ meej en kltje vrkesvt/ stuurde ze vruuger de knder/ meej en volle maog te bd.  (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De prs van drpel)

Dialectenqute 1876 - kltje, diminutivum van 'klt' ( = doffe u)

 

kltte

Werkwoord, zwak
WBD III.3.1:70 'klotten' = katten: de verkoper met zijn waar laten zitten.

 

klttere

werkwoord, zwak
klttere - kltterde - gekltterd

1. vallen

Daamen - Handschrift 1916:  "klotteren - vallen"

...en ze klotterde over 'nen eemer mee waoter... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

Cees Robben [Hij] klottert ldrecht naor beneeje../ En valt hil zn vruut kepot.. (19700925)

Cees Robben Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. (19720915)

WBD III.1.2:11 -'klotteren' = struikelen; ook: 'stulperen', 'stronkelen'

1.1 de markt bezoeken op klompen, op klompen lopen

- A.J.A.C. van Delft -- klttere -- 'k Heb nog is geklottert. Mr 't ies toch lang nie, w 't vruger was. () Ge zaagt er nog die echte Tilburgsche meenschen loopen, mist op klompen, die zo lekker op de kaaien kletterden.

- ...en 't geklotter van mijn klompe... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, Inleiding, 1949)

WBD III.3.1:72 'klotteren' = markten (inkoop)

Biks 'klottere' ww - kltteren (v. oorsprong Tilburgs woord)

1.2 de markt op klompen bezoeken, in het bijzonder op de avond voor 5 december

Artikel in Nieuwe Tilbursche Courant - december 1943

 

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - klottere - op de laatste dag sinterklaasinkopen gaan doen (Tilb.)

Dit op Sinterklaasavond opgevangen praatje eischt voor niet-Tilburgers de folkloristische verklaring, dat de Klottermarkt een speciale jaarmarkt te Tilburg is, welke in den avond van vijf December op de Markt gehouden wordt. Haar naam ontleent zij vrijwel zeker aan het "klotteren" (klepperen) der klompen in vroeger dagen van de bezoekers, die meerendeels met holleblokken geschoeid waren. (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929)

Gerard van Leyborgh (=ps. van Lambert de Wijs) - "Hedde wiste klottere" zegt de eene buurvrouw tegen de andere, wanneer zij met pakken en pakjes beladen elkander tegen komen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 5 december 1925 - Klottermarkt)
Ons moeder gong toen al wl klttere in de Heuvelstraot n op de klttermrt, mar d waar meer vur t grot, want die deeje sepries, meej rmkes n alles. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD III.3.2:297 'kloteren' (ook: klotteren) = sinterklaasinkopen doen

 

Tilburgsche Courant 2-12-1918

 

1.3 algemeen: winkelen in het centrum van Tilburg tijdens de dagen voor 6 december

...ik geleuf d alleman ont klttere waar, et waar ommers bekaant Siendereklaos. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

Grote tasse wiere wggedraoge, de meense liepe der van te waggele, zoveul dsse gekltterd han. (Tillie B.: pseudoniem van Nicole van Wagenberg; uit een column van haar website Tilburgs Taolbuuroo, 2012)

 

 

Twee advertenties in het Tilburgs dialect - Nieuwe Tilburgsche Courant van 27 en 30 november 1942

 

Reacties op de website 'Je bent een echte Tilburger als...'

Onderwerp: 'Je bent een echte Tilburger als... je geen sinterklaasinkopen doet maar... gaat klotteren in de ondergrondse!' (gestart 28 februari 2013)

Dennis Masselink - Ik wist gewoon niet beter als dat klotteren 'normaal nederlands' was
Maykel van Antwerpen - Stervensdruk, veel vocht, lange sjokkende rijen, brillen die beslaan....
Ik zou het zo wr doen!
Danielle van Son - En dat sinterklaas op 'tafel reed' dat is in de rest van Nederland niet echt bekend.
Astrid Lamberts - Hahaha, ja klotteren, had t er afgelopen december nog over met mn niet Brabantsche vriend die er niets van begreep!!
Margo Sengers - Ja is cht tilburgs, klotteren! !
Erwin Danklof - Klotteren was briljant, nu is het gewoon koopavond...
Desiree van Doremalen - Klotteren in de parkeergarage heel gezellig. En Sinterklaas die op tafel reed kennen ze behalve in Limburg [Tilburg?-WTT] nergens. Mijn man uit Rotterdam wist niet wat ie hoorde Sint die op tafel rijdt!!! Wat doet ie dan...
Petra Donders - oh ja, de klottermrt! Heb hier nog steeds een houten tekendoos die daar vandaan komt.
Dorri Eijsermans - Ja! Klotteren; n van de leuke dingen van Sinterklaas. Spannend, ook! En, inderdaad, toen wij nog in de Sint geloofden, "reed" hij op tafel. En niet alleen bij ons; hij had ook op oma's tafel gereden! Voor alle kleinkinderen...
Lizette Steijns - Als ik hier in limburg zeg van wij gingen klotteren voor sinterklaas, kijken ze je stom aan. Was altijd gezellig de klotter markt in de garage. Als het er weer zou komen daar, kom ik er wel voor naar tilburg.
Marga Mols - Gezellig klotteren op d'n klottermert!
Marga Mols - Ik woon al jaren in Den Haag, maar een Sint die op tafel rijdt kennen ze hier ook zeer zeker niet!
Resy Smulders - Dat was leuk, samen met je eerste liefde klotteren en benzine snuiven.
Anneke van Vliet - De klottermert!
Anglique Rther- de Liefde - Jaren met mijn vader en broer nootjes verkocht op de klotermert. Je bent een echte Tilburger als je Loeks notenbar kent :))
Monique Thijs-Govers - Heb er nog worstenbroodjes verkocht op de klottermarkt onder het koningsplein
Diana Erkeland - Ojeh stond altijd een bels vrouwke en die had nog van die oudverwetse holle grote suikerbeelden, eej die waren me lekker!
Mieke Damen - ja leuk en lekkere belse chocolade poppen was echt gezellig ja
Jeroen van Ingen - Klotteren...n van de mooiste Brabantse woorden...
Nathalie Michielse - Zooooo leuk, jammer isnie mir, Koningsplein ja, en dan lekker broodjes met worst en zuurkool eten
Suzanne Van Den Abbeelen - Weet iemand de herkomst van het woord? Ik herinner het me ook nog!
Anita Kuijpers - Ik heb pas een aantal jaar geleden ontdekt dat niet iedereen weet wat klotteren is. Voor ons Tilburgers toch zo normaal om voor de feestdagen lekker te slenteren langs de kraampjes en verpakte cadeautjes kopen zonder te weten wat erin zit.
Door van Heesch - Klotteren is wel leuk en warm in de parkeergarage van het koningsplein helaas mag het niet meer i.v.m brandgevaar geloof ik nu is het alleen winkelen in heuvelstraat niks klotteren dat is verleden tijd
Lisseth van Bebber-Versluis Jaren lang op de markt gestaan met kleding. De klotermarkt had altijd wel wat speciaals!
Sander van Rooij - "Klotteren" een echt Brabants woord waar we trots op mogen zijn
Linda Werdmller von Elgg - Ja klotteren dat deed ik meestal op de westermarkt. En mijn ouders trouwens ook.
Kim Wolfs Vd Broek - ooo dat is e[c]ht al weer lang geleden, zelfs ik ken het nog. wat was dat altijd leuk zeg. zo in de donkerte
Noortje Nijs - Alleen het woord klotteren al in den bosch weet men dan alniet waar je het over hebt
Hans van Dongen - Klottermrt, in de parkeergarage onder het koningsplein.

 

Lechim - Gedicht van de week uit de Tilburgse Koerier (1957-1982)

1.4. rondslingeren

Witt. W leej daor te klttere? (rond te slingeren)

Verh. KLOTTEREN, onov.ww., te onderscheiden v.h. door v. Dale genoemde 'kloteren': prutsen, knutselen. 'Klotteren' is: onbeheerd achterblijven, zo maar ergens liggen, meestal gebruikt in de uitdrukkingen: 't ligt te klotteren en laote klotteren; ook: vallen.

Oh, klott'rende klompen


Oh, klott'rende klompen
wijdklinkend van vr;
ik luster naor ullie
ik heur oe zo gir.
Bij kerels, bij keinder,
't is al inderhaand:
Ge zijt 'n muziek van
M'n Braobaansche laand.


Ge klopt bij ons wrken,
ons zweetend gezwuug,
as 't maansvolk te velde,
mot 's mrgens zo vruug.
Traogtreend, traogkloppend,
Dofdreunend in 't zaand:
Zo zingd 'n muziek van
m'n Braobaansche laand.


Ge klottert vol ijver
rond vuurheeten heerd,
as moeder zich zurgzaom
veur 't huishouwen weert;
ge klopt d' ren dribbel,
van rust gin verstaand,
en zingt 'n muziek van
m'n Braobaansche laand.


Ge kloppert en klompert
in driftigen draaf;
de keinder zijn krek van
de schoolbaanken aaf.
Ge rommelt lk trommels
hun daans t' allenkaant,
en zingt 'n muziek van
m 'n Braobaansche laand.


Ge klottert en klompt, en
driesurtig deureen
klopt Zondaags lk klokken
g' ons volk op de been ;
op klompen ter Mis, meej
den beejboek in haand:
Schoon klompenmuziek van
m'n Katteliek laand.

(H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, 1932)

kltterkr

zelfstandig naamwoord.

Daamen - Handschrift 1916: "klotterkair - iemand die gemakkelijk valt"

En wie isser na wir gevlle meej der fiets of van dre trap , n wie heej dan de miste blauwe plkke, J want ge htter klotterkre bij hrre. (Nel Timmermans; Onze klpclub; CuBra; 200?)

 

klttermrt

zelfstandig naamwoord.

markt op sinterklaasavond

Daamen - Handschrift 1916:  "klottermert Sinterklaasavondmarkt (op klompen door arbeiders in de werkuren bezocht)"

Van Delft - De markt op Sinterklaasavond heet "de Klottermrt" en de menschen die deze bezoeken "gaon klotteren" of "ze zn wiste klottere". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

KLIK HIER voor een artikel van A.J.A.C. van Delft uit 1929

De Wijs -- Gao de gij kke naor t uitgepakt / of wochtte op de klottermert? (11-02-1965)

Cees Robben Kunst-klottermert; de Kunst-klottermarkt werd in 1954 voor het eerst georganiseerd; Tilburgse kunstenaars verkochten er hun werk. (19541120)

 

klw

zelfstandig naamwoord

klauw

WBD klw - gedeelte v.e. huid dat een poot bedekte (II 594)

 

Onbekende schilder. De klompen van de jongen zijn opgevuld met stro omdat ze hem eigenlijk nog te groot zijn.

 

klumke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'klomp'

klompje

Cees Robben: bevaore dur en klumpke

H. van Rijen (1988): 'klumke'

-- verkleinwoord  van 'klomp', met umlaut en assimilatie van de 'p'

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Toen moes ik op de klumpkes, smreges op de klumpkes, smreges om zeuven uur beginne, om zeuven uur moes ik beginne op de klumpkes (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Van Delft - "Klompke schuiven" gebeurde eveneens met tien of meer. Men vormde een grooten kring en n moest zich omdraaien. Er werd weer afgeteld, en wie het lot trof, moest uit den kring treden, terwijl de anderen zich op den grond of in de wei met de voeten tegen elkaar gedrukt plaatsten. De klomp liet men nu onder de beenen van den kring doorschuiven en middelerwijl moest hij, die buiten den kring stond, trachten den jongen te pakken bij wie op een gegeven oogenblik de klomp onder het been was. Dit viel niet mee, wijl tijdens het spel de klomp ook opgenomen mocht worden en bijv. naar de overkant geworpen. Daardoor moest dan de tikker den kring weer rond en tegelijkertijd verhuisde de klomp natuurlijk weer naar een ander kind. Gelukte de vangst echter, dan moest hij die getikt was, in zijn plaats treden. Zoo speelde men in 't vrije veld vroolijk voort. (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

klurke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'kleur'
kleurtje

R.J. 'oew fleurige klurkes', 'meej en klurken p zen wang'

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996): (blz. 30) klurke - verkleinwoord van 'kleur', met vocaalkrimping

 

klutje, klutsje

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord van 'klot' d.m.v. umlaut.

-- nog denigrerender dan 'klot' in 'goeie klot' [?]

Dialectenqute 1876 - klutje (met doffe u)

Daamen - Handschrift 1916:  "klutje - 't is zo'n oardig klutje (klein jongetje, manneke)"

...en t klutsje begreep er niks van want hij ha niks gedaon, docht ie. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

k Zeg stil mar klutje... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Ons klutje d strooit... W plezier in t rond... (19561222)
Cees Robben Hedde wir in de Laai te ligge te meutele, dab-klutje... (19790504)

Ik zie en hel schriel maoger klutje/ op de Kop van Jut staon slaon. (Lechim; ps. v.  Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes haauwe)

"Klutje gao tch nr Spanje toe/ of aander wrme laande/ agge hier in en tntje slpt/ ligde te klappertaande". (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: D gaaf den durslag...)

...n langs de kaant stao zonnen aawen Tilbrgse meens meej en kln klutje te kke, n ik heur diejen brak zgge... (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Hoe groter de strp hoe beeter. Ge had toen ok ng veul mer sorte kender dan teegesworreg. Ge had irst platte knder. D waare de kiendjes die ng nie kosse lope. Die wrre dikkels ok haawknder genoemd, omdt moeders ze n de mm moes haawe. Asse dan groter wiere van et zg, dan waare-n-et irst klutjes, dan ploddekes, en dan brakke. Ge had ok ng broekpoeperkes, jungskes, mdjes f durskes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Antw. KLUD znw.v. - sukkel, sloof (N-O der Kempen) 'En goeklud; zij ziet er zoo'n klud uit.

 

klutje-klot

koosnaam

Cees Robben Mn klutje-klt (19751212)

 

klutse

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): 'als tijdens het biljarten de bal waarop gespeeld wordt ongewenst de andere bal raakt'

WBD III.4.4:314 'klutsen' = vermengen

 

kluuve

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): klieven

 

knaaw

zelfstandig naamwoord

iets om op te kauwen, tussendoortje

Moeder kopt bij de pllingkraom/ w knaaw vur onderweege. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Krmes)

 

knaawbon

zelfstandig naamwoord.

tuinboon, 'tnbon', 'lapbon', 'boereten'

WBD III.2.3:84 'knauwboon' = tuinboon - frequent en uitsluitend in Tilburg

►zie dossier tuinboon

Daamen - Handschrift 1916:  "Knaauwboonen - tuinboonen"

Wurrom kunne die jong van de tegesworrige td ok nie mir mee knaauwboone speule? Hoe koom ut d d ut de mode is gegaon? (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben Witte wek-wek.. Wies? ... Knaauwbne... (19580712)

- Soms han ze jun me peestamp/ W knaawbone of bessesap Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

WBD III.2.3:84 'knauwboon' = tuinboon, ook 'labboon', 'flodderboon'

- Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980, Tilburgse Koerier:

Iederen dag w-d- aanders

Sjaan schpte en mndag op
nou, d rook lang nie gk
Ik hb geschraanst tt k niemir kos
van lapbone meej spk.

Dinsdag was et presies gelk
d zaat nie goed bij mn
mar ze zeej: Man, ge ziet tch wl,
dt moffelbone zn.

En woensdag wir dezlfden hap
ik vuulde me genpt
Ons Sjaan riep: Heej schiet op, ik hb
knaawbone opgeschpt.

Toen et vandaog krk inder was
ging ik pas goed te keer,
ze laachte n zeej: Asteblief,
tnbone vur meneer.

knaawe

Werkwoord, zwak
kauwen, knauwen; plat praten

Cees Robben - Ze zeggen.. (...) as detter nie deugt... De meensen nie praoten... Mar knaauwen... (19561006) [Prent ter gelegenheid van Robbens verhuizing van Tilburg naar Goirle]

- Zo zaag ik list ene meneer/ zen brd vol zitte kwakke/ hij knaawde meej enen oope mond/ ge kostem heure smakke. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Risteraosie)

Henk van Rijen ze meugenet haawe; khb liever w te knaawe - ze mogen het houden; ik heb liever iets te eten

WBD III.2.3:5 'knauwen' = kauwen

Bont kna.we(n), zw.ww.tr.+intr. 'knaauwen'

kankeren

Beroepsknaawers kank nie luchte of zien. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

 

knaawer

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): kankeraar, zeurpiet

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

knaawnffepap

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: pruimenpap (pas op voor de pitten!)

 

Knabbele

werkwoord, zwak

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: Druk eten met kleine hapjes.

Waardering voor Tilburg door WBD: verspreid.

Zie ook: Bussele.

 

knaol

zelfstandig naamwoord

kanaal; in het Tilburgse altijd het Wilhelminakanaal

► kenaol

Elie van Schilt - Ons knaol, mee aon swirskaanten unne grte dijk, un smal jaogpad langs ut knaol en aachter dun dijk on de zuidkaant unne breeie slt, die ok dienst hee gedaon bij ut graoven van ut knaol om ut grondwaoter af te voeren. (Uit: Ut knaol; CuBra, ca. 2000)

 

knaop

zelfstandig naamwoord.

knaap

Daamen - Handschrift 1916:  "knoap - de knecht der vroegere gilden en van het koor"

WBD (III.3.2:269) knaop, schildknaop = gildeknecht

WBD (III.4.4:222) 'knaap' = iets groots in zijn soort

 

knapper

zelfstandig naamwoord.

1. zoete kers; Spaanse kers

Prunus avium; ook: Cerasus avium

WBD III.2.3.168: donkerrode kers met grotere pitten

WBD III.2.3:169 'knapper' = zoete kers, ook' vleeskers'

2. verpakkingsvorm van munten

WBD III.3.1:142 'knapper', 'knapperd' = cartouche (voor muntgeld.)

 

knar
zelfstandig naamwoord
hoofd
Cees Robben W bonst munne knar... (19540424)

 

knaspert

zelfstandig naamwoord.

zeer slechte tabak

Daamen - Handschrift 1916:  "knaspert - tabak van het allerminste soort"

 

kncht

zelfstandig naamwoord.

knecht

Cees Robben ...zunne kncht (19591224)

Dialectenqute 1876 - diejen boer heed'n luien kncht - die boer heeft een luien knecht

WBD III.3.1:216 'knecht' = idem

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 20) kncht; (blz. 54.) plur. knchte

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kncht (krt.55)

Bont znw.m. 'knaecht' - knecht

 

knel

zelfstandig naamwoord.

kaneel

 

knelstk

zelfstandig naamwoord.

kaneelstok, bep. snoepgoed in stangvorm

 

Konijn op een beschilderd bord, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

knn, knntje

zelfstandig naamwoord.

konijn, konijntje

langs de knnen aaf - bij de konijnen af, meer dan erg

Kees en Bart:  en jng kernijn; kenijnen

Cees Robben Onze Jan is vegetarier geworre... Hij fret vort mee zn knn uit de ruif... (1810717)

"Jaon, hddet knntje al bestld? / of zdet wir vergeete? / W moette we vant aaw int nuuw/ in godsnaom dan wir eete?" (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zo zmme amml)

Want brod van vier vf daoge oud/ kan niemir lkker zn/ D is lk onzen buurman zeej / Goei voeier vur et knn. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin brod n gin mik)

H. van Rijen (1988): 'kenn, knn'

Frans Verbunt: en knn graoft en hl omdttie gin kooj kan timmere

Riet had giestere 't knn al opgezet gehad. Naa msset wel lekker gaor zn. (Jos Naaijkens; Krsemis meej zonder dn ammarillus;  CuBra, ca 2005)

- Amml hielde ze knne/ Soms ok un vreke in un kot Uit: De wvers van Tilburg, Ad van den Boom, circa 2005

Aachter in et strotje wonde enne meens en die waar nie vies van un kat, net z lekker as knn, zittie aaltij. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)
Et moet gezeej, ons moeder ha echt der biste best gedaon. Van te vurre waar der al om geloterd. Wie krgt dees jaor de kop van et knn. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Wij han, bte de vrkes en kiepen, k knn, daor moese wij dikkels gras en aander gruun veur gaon snijen, die knn wieren vetgemest veur Kerstmis en Nieuwjaor. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

lekker in et bos naor de wilde knentjes kke (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Eerlek gezeej waar ik zo duf as un knn. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

- ...mar bij ons ts waare onze Pa n onze Kees, ds en bruur van mn, k aaltij meej veugeltjes n knne bezig. (Nel Timmermans; Zit t soms in de femilie?; CuBra; 200?)

Piet van Beers Peeje, knne n jonge mt: En Jan die ging te lange liste/ meej z'n kenne nr de mrt./ Ze waare zwaor n vt gewrre./ En vur den haandel hil w wrd. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Piet van Beers De knntjes: 't ls mar goed d de kenne/ vlug vermeenigvuldige./ Drrom vuul ik me, as ik knn eet/ k nie zonne schuldige. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

De knntjes die ge soms ziet springe... (Henritte Vunderink; Bosvreugd; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Bont kərne.n, resp. kne.n, znw. o. "kornijn' resp.'knijn' - konijn

Antw. KNIJN, KERNIJN, KORNIJN znw, o.- konijn, Fr. lapin

 

knnekoj

zelfstandig naamwoord

ook: knnskoj

konijnenkooi

Frans Verbunt: de Tiest ha zen knnskooj geezoleerd meej dubbelt gaos
 

knpe

werkwoord, sterk

knijpen

B knpe - kneep - gekneepe vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij knpt

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 40) verl. tijd knep, maar: knipte gij?

WBD afknpe - castreren, ook 'lubbe', 'snije' of 'afbne' genoemd

WBD III.3.1:200 'knijperd' = gierigaard

 

kneevel

zelfstandig naamwoord.

knevel, bovenlipbaard

WBD bosje haren aan de bovenlip v.e. paard, ook 'snor' genoemd

WBD III.1.1:60 'kneveltje' = snor

 

knze

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): klaren, doorhebben

H. van Rijen (1988): 'D knst ie-j-um wl' - Dat klaart hij wel

 

Kngtel

zelfstandig naamwoord, eigennaam

een bekende Tilburgse slijter, laatstelijk tot ca.1985 in de Heuvelstraat gevestigd.

Buuk Hij heej te veul Kngtel gezien - hij heeft te veel gedronken.

 

knlle

Werkwoord, zwak
R morsen, kliederen

De Wijs -- Zit mee oew eten toch nie z te knelle en te dabbe (17-10-1972)

Cees Robben Zit toch nie z te knelle, dabklt... (19841130)

Zit nie zo te knlle. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 1997)

WBD III.1.2:96 'knellen' = morsen; ook: 'dabben, kliederen, muikelen'

WBD III.1.2:98 'knellen' = plassen met water; ook 'dabben'

WBD III.1.3:212 'knellen' = knellen, gezegd v. schoenen; ook: 'nijpen'

 

knlpestoor

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: kind dat zit te knoeien

Stadsnieuws:
 W zde tch ene knlpestoor
; kom hier dk oe ene slabber ndoe. (250309)

 

knntje

konijntje

zelfstandig naamwoord., verkleinwoord  van knn, d.m.v. vocaalkrimping

 

knttere

werkwoord, zwak

knetteren, een scheet laten

WBD III.1.1. lemma Een wind laten Tilburg [als enige plaats van opgave]

 

kneukel

zelfstandig naamwoord.

1. alikruik, eetbare zeeslak met huisje - Littorina littorea L.

Van 'kreukel'. Zie WNT kreukel II: In Zeeland en in verschillende streken van Z.-Nederl. de benaming voor een geslacht van eetbare zeeslakken, de alikruiken. Men heeft ondersteld dat het dier genoemd is naar den gekronkelden vorm van het horentje.

- Daor hedde bevoorbeeld hulliejen oorne Fons. Vruuger kwaamp ie langs de deur mee innen kreugel, kneukels, krabbe..., 't jukt nie! Uit:  Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

- 'n kreugel" brengt de gedachte aan een kruiwagen. De Noord-Brabantsche Tongval, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930.

- In piepend kreugeltje mee twee maande dr op, en innen meens dr aachter, die riep "kneukels" (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- 'K heb in gin zeuven jaor mir in kneukeltje gepruufd. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Krabben n kneukels riep Boudje Grnaol

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Saoves ging ie aatij meej, meej kneukels n scharre n krabbe liep ie aatij saoves langs de straot zene zoon heej et nog jaore gedaon! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

WBD III.2.3:76 'kneukel', 'kreukel' = eetbare slak

Hees kneukel (III:34), (IV:36)

Zeel. (Ghijsen) kreukel,- eetbare zeeslak, alikruik (littorina littorea)

Etym. (De Vries) alikruik - eerst in 17e eeuw, komt van Zeeland; vgl. Antw. kreukel, 'eetb. zeeslak'; 2e lid kan aanduiding zijn voor de gekronkelde vorm v.h. hoorntje der slak.

Antw. KREUKEL znw.m.+v eetbare zeeslak

2. een lichaamsdeel

WBD III.1.1:46 'kneukel', 'armkneukel' = elleboog

WBD III.1.1:159 'kneukel' = vingerkootje

►zie kneukelvaast

 

kneukelboer

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: venter op zaterdagavond met alikruiken en krabben. Ook: knuukelboer.

 

kneukelvaast

bijvoeglijk naamwoord
van knook (bot) en vast; oorspronkelijk alleen de hand- en vingerbotjes; bij uitbreiding ieder bot, waarbij vast zoveel betekent als gezond
Cees Robben Ik ben niemer z kneukelvaast Willem... n glas bier gao nog, mar krom staon en op mn hukkes zitten desser niemer bij... (19670825)
 

knp, knupke

knoop (sluitingsmiddel, toegehaalde strik, moeilijkheid); navel

Et zit in de knp; dieje knp zit los.

R Zde van Gd verlaoten f hdde gin knpe mir n oew nderbroek? = Denk je dat ik gek ben?

R.J. bij iedere knp zittie ...

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 (blz. 36) meervoud: knpe

Van Delft - "Daor ies gin woord Fraansch bij" zegt men bijv. als iemand nogal in grove taal uitpakt, of "er een knoop oplegt". De Vlaming zegt hiervoor: "Dat is plat Vlaamsch", d.w.z. dat is onbewimpelde taal, dat is duidelijk gesproken. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

...daor zit 'm de kneup!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Pierre van Beek "Hij leet er 'nen kneup op" wordt gezegd van iemand, die zich aan een flinke krachtterm waagt. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

Frans Verbunt: hij ha vier botteramme aachter zene knp (navel)

WBD platte knp (II:1051) - platte knoop, of kattekop; ook wversknp

WBD 'beene knp' (II:1100) - benen knoop

WBD 'haorne knp' (II:1100) - hoornen knoop

WBD 'manelknp' (II:1100) - mangelknoop

WBD 'kneujp' (III:1390) - knoop (als versiering v.e. pet)

WBD III.1.1:119 'knoop' = tepel; ook 'knopje'

Bont kn.p, znw.m. 'kneup' - knoop 1) nodus; 2) vloek;

mv. 1) teelballen; 2) de gezamenlijke spenen v.e. zog.

Bosch kneup - knoop, vloek

WBD III.1.3:82 'knoopschort' = jasschort

WBD III. 1.3:108 'knoop' = knoop

 

knpe

werkwoord, zwak

knopen

B kneupe - knupte - geknupt - ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij knupt

M knpe

Cees Robben Ik kos mn schoene niemer knpe... (19590307)

 

kneut

zelfstandig naamwoord.

margarine

Frans Verbunt: onaangenaam vrouwspersoon: 'en kneut'

Cees Robben [Onderwijzer:] As is zeg.. t land van boter melk en kaas.. W bedoel ik dan... [leerling:] t Laand van de rme den kneut en de lub, mister... [onderwijzer:] Goed, Gijs... (19701030]

...gin goei booter mir op oe brod/ allen mar kneut, of kaoikes. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Oktober... spaormnd)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KNEUTEREN - foppen, bedriegen.

SB Wordt met 'kneut' derhalve bedoeld dat het 'fop-boter', onechte boter

Antw. KNEUT v. kwezel, Fr. devote, bigote; 2) bw - term in het knikkerspel 1) vrouw die nooit tevreden is; bijvoeglijk naamwoord, bijwoord stil, koes

 

kneuter, kreuter

Ill.: Naumanns - kneuter - acanthis cannabina ofwel carduelis cannabina

 

H. van Rijen (1988): kneuter (Carduelis cannabina), zangvogeltje ter grootte van een vink

H. van Rijen (1988): 'kreuter' idem

WBD III.4.1:137 kneuter, 'heikneuter', kreuter - kneu (Carduelis cannabina)

WBD III.4.1:138 'steenkneuter', 'berkkneuter', 'steenkreuter', 'steenvink' benamingen voor de vogel: frater

Bijnamenboek Karel de Beer - de kneuter = Harry Versteynen (blz. 82)

Bijnamenboek Karel de Beer - de kneuter = Van Beurden(blz. 25)

Biks kneuter zn - kneu (zangvogel, Acantis cannabina)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kneuter, knuiter - kneu (Brab., Land v. Hulst)

 

knie, knieke, kniejes

zelfstandig naamwoord

knie

Boutkan - Het stadsdialekt van Tilburg: klank- en vormleer (1996):
 knieje (plur.) 'op oe kniejes' (blz. 55)

Van Delft - "Die meid heeft mos aan der knien (kuiten)."  (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929) = die meid is rijk...

Pierre van Beek een "meid mee mos aon d'r kniejes" ()daaronder verstaan we in Tilburg een bemiddeld meisje. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950)

Cees Robben op zn kniejes (19751024)

Cees Robben Gin mos aon dr kniejes... en toch lief... (19561215) Niet rijk en toch lief.

Ut is un feen weef, de wel de. Gin haor op dur taande mar wel flink mos aon dur knieje... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Onze Paa krpt op zen kniejes rond... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir td vur den hf)

Henk van Rijen -- n zen kniejes trkke - er tussenuit gaan

WBD - knie - knie van een paard, ook genoemd (Hasselt) 'sprnggewref'

Biks - rd on de kniejes hbbe - bij het huwelijk veel meebrengen (de jongen)

 

kniebaand

zelfstandig naamwoord.

WBD ijzeren beugel of ring om de voet van een koe

Bont knibndəl, znw.m. 'kniebendel' - knieband (als boven)

Antw. KNIEBAND znw.m - lederen band aan de knie der peerden, om de knie bij 't vallen niet te bezeeren.

 

knijs

zelfstandig naamwoord.

Frans Verbunt: in de knijs - in de gaten (lopen)

Ik heb lang veur de gek gelopen/ Dikkels in de knijs gelopen... (Tony Ansems, Gin wonder dek zo muug ben; van de cd Tilburgse Liekes American Style 2; 2009)

Stadsnieuws:  Meej zon frllie nffen oe lopte ok goed in de knijs (040710) - Met zo'n juffer naast je loop je ook goed in de gaten.

-- n 'knijzen' (Barg.) in de gaten hebben

WNT KNIJZEN B) in de gaten hebben, kennen, weten, vatten

 

knikngel, knikngeltje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord


engelenbeeld met ingebouwd offerblok, waarvan het hoofd buigt als er geofferd wordt

 

knikker

zelfstandig naamwoord

knikker; figuurlijk: hoofd

Cees Robben Ik ben giestere over unne kaaischeut geklotterd.. Daorvandaon hek naa zonne proem op munne knikker... (19720915)

 

knillesros, kernillesros

zelfstandig naamwoord.

kornelisroos, ook pioenroos - Paeonia officinalis

Hees knillesroos (VI:31,34)

Str. knillesros (2:75)

 

knip

zelfstandig naamwoord.

verende knijper of klem; klap

Van Delft - een "knip" om z'n ooren is een klap;  (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  de knip van de prtemeneej zwrt (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1973) - de portemonnee kan niet open (gezegd als iemand niets wenst te geven)

H. van Rijen (1988): knip - portemonnee of beurs

WBD III.3.1:125 'Knip', 'knipbeurs' = portemonnee

WNT KNIP VII 2) c) - Sluiting van een beurs, en bij uitbreiding, meestal in verkleinvorm, de beurs zelf (ook wanneer er geen veerende sluiting aan zit).

 

knipeugske / knipugske / knipoogske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van knipog

knipoogje

- CuBra 2018 - benaming van een Tilburgs koffielikeurtje

 

Foto: CuBra 2018

 

knipmik

zelfstandig naamwoord.

WBD knipbrood (brood waarin met behulp van schaar of mes een gleuf is aangebracht); = schurmik ?

 

knipmis

zelfstandig naamwoord.

zakmes

WBD (III.2.1:152) 'knipmes', ook zakmes

 

knippe

Werkwoord, zwak
knippen

WBD een gleuf aanbrengen in het deegbrood

knippe - knipte - geknipt

 

knippel

zelfstandig naamwoord

knuppel [?]

- en aaf en toe n knippeltje hout mee in de zkskes gedouwd (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

knipschr

zelfstandig naamwoord.

schaar

contaminatie

Zntw. KNIPSCHR znw.v. - bij goudsmeden: soort van kleine tang met omgebogen stangen, wier platte en scherpe uiteinden dienen om metalen draden door te knippen.

 

knbbelben

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.1:29 'knobbelbeen' = kraakbeen

 

knbbele

werkwoord, zwak

WBD III. 2.3:9 'knobbelen' = knabbelen

WBD III.4.4:231 'knobbel' = bobbel, ook 'bult'

 

knoebele

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): knabbelen

 

knoedel

zelfstandig naamwoord

knoedel [?]

Op de grond dommelden paddestoelen van wel tienderhaande sort: heel kleine knoedeltjes, rood mee witte pikskes er op. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929)

WNT Knoedel - meelbal, deegspijs

 

knoeperd

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.1:3 'knoeperd' = man

WBD III.4.4:222 'knoeperd' iets groots in zijn woort, ook 'kadee', 'klepper'

Dichterlijke definitie door Frans Hoppenbrouwers (CuBra), uit: Kempische karakters:


Knoepert

Een knoepert is heel grof gebouwd,
hij is haast als een stier zo sterk,
doet met plezier het lomper werk,
of hij nou spaait of maait of sjouwt.
 

knoerselbintje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
van Dale: knoers(t) - (stuk) kraakbeen

Nicolaas Daamen - handschrift 1916 "knoerselbeentje - kraakbeen"

Bosch knoerzel - stukjes kraakbeen in vlees

 

knoest

zelfstandig naamwoord.

boomstronk, datgene wat achterblijft na het omhakken/omzagen v.e. boom

H. van Rijen (1988): koppig persoon, boomstronk

WBD III.4.3:57 knoest - korte dikke wortel; ook genoemd: knol, mllestrt of dikke wortel

WBD III.4.3:77 knoest - tak; ook genoemd rangel

WBD III.4.3:125 knoest - stronk v.d. wilg; ook genoemd: knsje of stomp

WBD III.1.2:67 'knoest' = knuppel, knots; ook: 'klippel'

WBD III.4.3:68 'knoest' = knoest in het hout

Bont knoest znw.m. - groot onbehouwen stuk, bonkig onhandelbaar persoon: 'ene stijve knoest'

 

knoet

zelfstandig naamwoord.

kluwen

WBD (III.2.1:579) knoet, bl

 

knoezel

zelfstandig naamwoord.

kruisbes (Ribes uva-crispa; ook: Ribes grossularia)

Zn de knoezels b llie al rp?

Daamen - Handschrift 1916:
 "knoezelen of kroezelen - kruisbessen"

Van Delft - - Wij plukken "brem bezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD III.2.3:175 'knoezel', 'kroezel' = kruisbes; ook 'knoersel'

Bosch kroesel - kruisbes

Hees knoezel, kroezel (IV:20)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - kroesel, kroezel, knoesel, knoezel, knoerzel, kroensel - aalbes, kruisbes

Biks knoezel - zn - kruisbes

Antw. KNOESEL zelfstandig naamwoord.v.- stekelbezie, vrucht v.d. Ribes Uva-Crispa

Goem. KNOESEL - znw.vr. stekelbezie, meest in 't mv.

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - KROEZELS worden, aan den Meijerijschen kant, de kruisbezin genaamd, in het overige gedeelte der Baronie 'kruisdoorns'. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - KROESEL - kruisbes. Kiliaen heeft kroes-besie, kroeselbesie.

Verh KNOERZEL v., ook wel 'knoezel'; kroezel, kruisbes.

Bont knurzəl/knursəl znw.vr. knoerzel/knoersel' - kruisbes 'knuzəl' gehoord in Esbeek.

WNT KNOESEL - Bij vergelijking - tenzij het woord in dezen zin een vervorming is van KROESEL - een benaming in verschillende streken ten Z. van den Moerdijk voor de kruisbes en vervolgens ook voor de kruisbessenstruik, Ribes grossularia.

 

knoezelben

zelfstandig naamwoord.

WBD III.1.1:29 'knoezelbeen' = kraakbeen; ook 'knobbelbeen'

 

knoezelbos

zelfstandig naamwoord.

kruisbessenstruik; onverzorgd kapsel

Informant Raaijmakers - Hij vlog erop aaf as nen haon op ne knoezelbos.

Kees en Bart:  ...vlog op ... as enen haon p ene knoezelbs.

Ge kunt beter 'n paor knoezelbuskes minder hebbe dan d de spinne aon oe neus hange,of d oe maogsap bevriest. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

H. van Rijen (1988): 'Mn haor ziet ur vort t as unne knoezelbos' - gon ze derop los as enen haon op ene knoezelbos

Bont knursələnbs znw.m. 'knoerselenbos' kruisbessestruik.

Antw. KNOESELBOS znw.m. - stekelbessenstruik

 

knl

WNT KNOL (I) A, 7) b) bepaaldelijk een groot horloge (oudtijds waren de horloges gewoonlijk in het midden vrij dik). In gemeenzame taal [►knlraop]

WBD III.1.3:242 'knol', 'gat' of 'Kot' = gat in een kous

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  as gewilt gn vrije, dan moete ene knl p zak hbbe (Daamen - Handschrift 1916: zie aldaar onder Made)

WBD III.1.3:261 'knol' = zakhorloge

WBD III.2.3:108 'knol' = meiraap

 

knldk

zelfstandig naamwoord.

kanaaldijk, ook straatnaam

zie: kenaoldk

 

knlderedske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
radijsje (Raphanus)

H. van Rijen (1988): knldereds, knlderedske

WBD III.2.3:109 'knolderradijs'; ook 'radijsje'

 

knlderaop

zelfstandig naamwoord

Brassica oleracea

Piet van Beers t og moet ok w hbbe: Nst Bontjes slaoj n knlderaop,/ spinzzie praaj n jn. / Hek ok ng hil w blomme staon/ d og gift n de tn. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Biks 'knolderaop' zn koolraap

► knlraop

 

knlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'knl', met umlaut
meiraap

'keel', 'knl'; lief meisje

Dialectenqute 1876 - knol, knulleke (u = fr. oeu)

Daamen - Handschrift 1916: "knolleke - 't is toch zo'n lief knlleke, lief meisje"

WBD III.2.3:108 'knolletje' = meiraap

 

knllerads

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
radijsje (Raphanus)

As 't naa nog gegaon ha over asperges of knollerads! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

 

knlliekoj
zelfstandig naamwoord
kanariekooi
Cees Robben Ons menneke (...) zit op zn hukkes vur de knollie-kooi... (19791109)
►knrriekoj
 

Knolraap oogsten - Robert Cree Crawford (detail)

 

knlraop

zelfstandig naamwoord

Brassica oleracea

► knlderaop

koolraap, koolrabi, 'knlleraop', 'knlraop'

WBD I:1420 knoprapen; 'knlraopə', enkelv. 'knlraop'

H. van Rijen (1988): 'knlraop'

Frans Verbunt: 'knlraop' - koolrabi

WBD III.2.3:106 'knolraap' = koolraap, ook 'knolderraap', 'knollerraap'

WBD III.2.3:108 'knolraap' = meiraap

Antw. KOOLDERAAP (scherpe o) znw.v.- soort v. knolplant voor het vee

Bont znw.vr. 'knolderaap' - 1) knopraap; 2) (schertsende benaming voor) groot lomp horloge.

 

knook

zelfstandig naamwoord.

bot, been

R.J. enen s moet wl geknkt zn

Cees Robben: ene knook vur nzen hnd

WBD III.1.1:28 'knook' = been, beenderen

Antw. KNOOK znw.v. - spr.: zijn knoken stijf en krom werken.

WNT KNOOK - 2) been, bot, hetzij afzonderlijk of als deel van het skelet beschouwd.

 

knootwilg

zelfstandig naamwoord.

WBD III.4.3:123 knootwilg - geknotte wilg; ook genoemd kpwilg of wilg

 

knpke

zelfstandig naamwoord.

knopje

WBD ' knpkes' (II:1057) - kno(o)pjes

WBD III.1.1:119 'knopje' = tepel

WBD III.1.3:264 'knopje', '(oor)knop(je) oorknop; ook: 'oorbel(letje)'

 

knppe

zelfstandig naamwoord, meervoud, geen enkelvoud

knoppen, metafoor voor de borsten van een vrouw

- En die vriendin van jou heeter ok 'n paor geve knppe op staon.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

knppert

zelfstandig naamwoord.

joviale benaming voor mannelijke personen

H. van Rijen (1988): kerel, kanjer, flinke knaap

Laps KNOEPERT - (ouwe - ) rare oude man

 

knrft

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): knurft, lomperd, onbehouwen iemand

Biks knrft zn - pummel, kinkel

WNT KNURF - Bij overdracht als gewestelijke benaming met verschillende gevoelswaarde voor een persoon, in gunstigen zowel als ongunstigen zin.

 

knrrie

zelfstandig naamwoord.

kanarie; serinus canaria domesticus

Gevange vogel in gouwe cel,

w klinken oe liekes helder en fel!

 

Hoe komde gij aon oe gelukkig geluid?

W lierde gij blij en w haolde diep uit!

 

W fraozelde zuut en w leuterde vlot,

W zingde gij, zingde gij, zingde gij zot!

 

W schokkelde, klingelde en kloekte gij vol

mee tie-tie-fluiten en waoterrol!

 

Gekooide zanger, as goud zo geel,

'k bewonder oe hartjen, oe liekes, oe keel!

(Piet Heerkens; uit De knaorrie, De knaorrie, 1949)

Piet Heerkens - De knaorrie - 1949

H. van Rijen (1988): knllie, knrrie

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD (III.2.1:514) 'kanarie', 'kanarievogel', 'kanollievogel', 'kanariepiet'

Biks 'knorrie' zn - kanarie

►knrriepiet

►knrrievoogel

 

knrriekoj

zelfstandig naamwoord.

kanariekooi

Cees Robben Unne handoek over de knorrie-kooi... (19690110)

En knrriekooi... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wtter was)

Bijnamenboek Karel de Beer - de knrriekoj = Antoon de Rooij (blz. 69)

Stadsnieuws:
 Hij h in et schp en knrriekoj meej en paor poppe n aoreg w manne die schon kosse zinge (140307)

►knlliekoj

 

knrriepiet

zelfstandig naamwoord.

kanariepiet(je)

R.J. ''t knorriepietje in z'n kooike'

't Knorrie-pietjen in z'n kooike (Piet Heerkens; uit: Dn rgel, Stilleeve, 1938)

En juffrouw Jaanse ha gezien, d den nuuwen kapelaon ook al 'n kanarieveugeltje ha, zooals zijzelf. "Hij hee 'n kanaoriepietje, 't zal wel 'nen goeien meens zijn, aanders hield ie nie van veugeltjes." (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)

Cees Robben Tilburgse knorrie-pietjes en keurmeester op zang naor Lissabon (19570126) [In Lissabon werd een wedstrijd gehouden]

Et knrriepietje stao op zulder/ den hond leej jaankend in et schp... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Den hrt op)

Ik heb ene knorriepiet gerven/ en mnneke, ng wl w jng... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Oopas Pietje)

As es moeder de gerdne waast/ witte nie wgge ziet/ Niemand heej dan nog aord in hs/ nog nie de knorriepiet. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de gerdne gewaasse worre)

Bij ons op school zit ok nne knrriepiet. (Jos Naaijkens; Mn voljre; CuBra)

 

knrrievoejer

zelfstandig naamwoord.

kanarievoer, -zaad

 

knrrievoogel, knrrieveugel

zelfstandig naamwoord.

kanarie(vogel)

Kees en Bart:
 'knorrievogel'

..."hier in Baozel zitten zooveul veugeltjes, d'r moeten wel enkelde nachtegaoltjes en kanaorieveugeltjes onder zitte! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 4; NTC 22-10-1938)

Mienen knorrievogel zingt veul schonder as ie ooit hee gedaon... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - voogeltjes hk ok aatij gehad, knrrievoogeltjes, zeebravinkskes n zo.. Klik hier om dit bestand te beluisteren

WBD (III.2.1:514) 'kanarievogel' = kanarie

Bont znw.m. 'ke(r)narievogel' - kanarievogel

 

knrrievoogeltungskes

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

kanarievogeltongetjes

"Hartje-wat-lus-je?" - Kanaorrietonge!

"Tafeltje-dek-je!" - Ge pruft hoe ze zonge!

(Piet Heerkens; uit: De Mus, Geld, 1939)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  we zullen oe knrrievoogeltungskes te eete geeve (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1964) - gezegd tegen een opschepper die kieskeurig is bovendien: we zullen je tevredenstellen (verband met de nachtegaaltongetjes die voor de Romeinen een delicatesse waren?)

 

knsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
knuistje, vuistje, hoofdje

verkleinwoord van 'knst', met uitstoting van de t.

ook: WBD III.4.3:125 knsje - stronk v.d. wilg; ook genoemd: knoest of stomp

 

knst

zelfstandig naamwoord.

1. lichaamsdeel: knuist, vuist, kop, hoofd

Daamen - Handschrift 1916: " 'k zal oe tegen oe knst sloan (hoofd)"

Waast oewe knst onderhaand marrus, get aommol schieffeltjes op oewe tebbus! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Cees Robben - ...zonne kaole gladde knst... (19730223)

Verh. KNUIST (knst) m. - lomp wezen; lelijke kop.

Stadsnieuws:  Dieje knrft heej gin harses in zene knst - die lomperik ... in zijn hoofd (170110)

WBD III.1.4:179 'knuist' = stijfkop

WNT KNUIST - 4) Grove, harde, sterke hand of vuist.

1.1. grote, sterke handen

Alleen meervoudig gebruikt

Cees Robben D zn pas knste... (19620608)

2. boomstronk

WBD III.4.3:59 knst - boomstronk, ook genoemd: post, strk, gatnd of kontnd

Verh. KNUIST (knst) m. - knoest, stronk v.e. boom met kleine takken eraan; weerbarstig stuk hout; lomp wezen; lelijke kop.

Biks knst zn - knoest, lomperik, hoofd

 

knsteg

bijvoeglijk naamwoord .

Frans Verbunt: knoestig

 

knstks

zelfstandig naamwoord.

hoofdkaas

Daamen - Handschrift 1916: "knstkais - hoofdkaas"

 

knudde

bijwoord

waardeloos, droevig, het lijkt naar niets; etymologie onbekend (Van Dale)

 

kntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van knt

Der haor in en kntje... (Henritte Vunderink; Ons Moeder; k Zal van oe blve haawe, 2007)

 

knupke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van 'knp', met vocaalkrimping
knoopje

Cees Robben Ge peutert t paoterke t knupke van zunnen toog los... (19550514) (Prent bij een inzamelingsactie bij het honderdjarig bestaan van de missionarissen MSC, in Tilburg ►Rooie Harten genoemd. In plaats van collectebussen hadden de collectanten een pop in de vorm van een missionaris van MSC, en moest de bijdrage onder de toog gedaan worden.)

 

knuppel

zelfstanadig naamwoord

Van Delft - "Hij heeft een knuppel ingeslikt" zegt men van iemand, die overdreven recht en stijf loopt. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

knupsgat, knupsgtje

zelfstandig naamwoord.

knoopsgat

Kees en Bart:  knupsgat

Henk van Rijen gimme et knupsgaoterschrken es

Hij moes meej enne kraant in zen rechterhaand tkke naor un dame, die gekleed waar in un blauw maantelpekske meej un anjer in et linkerknupsgat van der jeske. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Want die aander vf, die hbben ok gin mundje as en knupsgtje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

knut, knutje

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): knot, kluwen

WBD III.1.3:226 'knut' = haarwrong

 

knutje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
bosje ineengedraaid en opgestoken haar

WBD III.1.3:226 'knutje' = haarwrong

van Dale KNOT - bosje ineengedraaid en opgestoken haar

Antw. KNOD, KNODDE anw.m. - knobbel, knoop, knop, knoest

 

knutse

Werkwoord, zwak
H. van Rijen (1988): kneuzen, botsen

Biks knutse ww - kneuzen, stoten

WNT KNUTSEN bedr. en onz. zw.ww: A) Bedr.: door slaan of stooten stuk maken, verbrijzelen of kneuzen; B) Onz.: stooten, botsen

 

koebak

zelfstandig naamwoord.

houten voerbak voor de koeien

Bont kubak znw.m. - koebak, houten bak voor het voeren van koeien

WNT KOEBAK - ter bewaring van veevoeder

 


Schilderij van Willem Roelofs - Koeien drenken (detail)

koej

Tijs Dorenbosch - Vignetten uit De Mus en D'n rgel van Piet Heerkens (1939 & 1938)

zelfstandig naamwoord.

koe

meervoud: koej, koeje

De meervoudsuitgang blijft vaak onuitgesproken.

Pierre van Beek Vastberadenheid spreekt er uit: "Ik doe 't al liepen de koeien in de kool." In zo'n geval gaat de zaak absoluut door en is niets in staat het genomen besluit te veranderen. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)

KOEJ Pierre van Beek Waar de Latinisten met hun "Quod licet Jovi, non licet bovi" (Wat Jupiter mag doen, is een os niet geoorloofd) komen aandragen, zeggen onze mensen: "De ene maag een koe stelen en de aander nog nie op stal kijken!" (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)

Dhr. Bertens En as naa dieje man, dieje dieje kommies die koej takseerde n der stond en briefke zak zgge meej de prs op dttie zeej, nouw die e die houw ik, d kos ok n dan hadde niks te zgge, dan koste gij wir gewoon en aander koej vur kope n dan koste gij wir n de gang gaon (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Audioregistratie 1978 -- Asse daor en koej nie verkcht hn dan ginge ze nr de Bosse mrt, die Tilburgse boere (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

WBD koej - koeien

-- De koej stn in de waaj.

WBD kalfkoej - koe die kalven moet, ook kalfvrs genoemd

WBD jnge koej, aftaandse koej - koe die meermalen gekalfd heeft

WBD vleinamen v.d. koe: koej, kouke, koejke; et koejke, ns koejke

WBD roepnamen v.d. koe: koej, koes, kuus

Henk van Rijen en blauw koej - hiervan is sprake als de melk te opvallend is aangelengd met water

Dialectenqute 1876 - koei koeien

Biks koej zn - koe

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  de rome spt t den jer van de koej

Goem. KOE - kuj, znw.vr.

Antw. KOĔI znw.v., mrv.'koei' koĕi

WvM 'De k ziede by 't kallef en ok by de koe'

WBD III.1.4:36 'koe' = ezelachtig persoon

Stadsnieuws:  mlk van de blaaw koej - waarbij te veel water gegoten is (030506)

 

Ill.: Rolf Janssen

Gezegden

MP De biste koej stn p stal... De mkskes vnde ooveral. (m = kalfjes)

MP Fltende mskes n brullende koej zn zlde goej.

MP Hij heeter nt zveul verstaand aaf as en koej van saffraon eete.

MP Ksters koej maag pt krkhf waaje.

Pierre van Beek --  Hij zit erp te wchten as nen hnd p en zieke koej. (Tilburgse Taaklplastiek 136)

Pierre van Beek --  Dan wordt et kalf grtter as de koej. = de kosten wegen niet op tegen het resultaat (Tilburgse Taaklplastiek 143)

Van Beek - "De leste koe maakt het hek toe". (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)
Van Beek - Fluitende vrouwen en brullende koeien zijn zelden goei, zegt men tot of over meisjes, die fluiten. (Nwe. Tilb. Courant; Onze folklore afl. 4; 19 maart 1959)
Van Beek - Men gaf door: "De beste koeien worden op stal verkocht" in de betekenis van: de degelijkste meisjes vinden haar man niet op straat of in de balzaal. Als pendant kwam hierop: "'t Is goed, als ge de schoorsteen kunt zien roken." 't Werd een jongeman toegevoegd, die een meisje uit eigen dorp (of streek) gekozen had. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  As nze kat en koei was, dan knde gij ze mlke (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1964) reactie op herhaalde bezwaren (ja maar, als ...)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  daor gaoget heene, zi den boer, n zen ske d bisde (Nicolaas Daamen - handschrift 1916) - Men is geneigd elkander na te lopen.

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  'wie de koej trouwt, heej et kalf ok' zi den boer, n d sloeg p en gedwngen huuwelek ('70)

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  ksters koej maag pt krkhf waaje ('50) die heeft een streepje voor.

 

koejeneere

werkwoord, zwak
Frans: couillonner - uitkloten

Mar nie dek me van n bietje nat laot koeijeneere... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
Iemes die ons goei vuraawerkes platgebraand en doodgekoeieneerd hee... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Cees Robben ...stiekem koeieneren... (19600415)
- Iemand koeieneren. - Plagen, pesten. (A.J.A.C. van Delft; 1961; in: Nieuwe Tilburgse Courant, Bekoring van dialect; Typische zegswijzen uit onze streek; uit de volksmond opgetekend)

Audioregistratie 1978 - Mar ge had hier vruuger ok nt as op de Vfhze, as daor zo iemand was zak zgge die bevobbeld die boere zon bietje zaat te koejeneere dan waarde ng nie gelukkeg, hr! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

koejetaand

zelfstandig naamwoord

tand van een koe

Van Beek - "Een koeientand en een vrouwenhand mogen nooit stil staan", wordt gezegd om aan te duiden, dat vrouwen en meisjes steeds in 't huishouden bezig behoren te zijn. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

koejhaomer

zelfstandig naamwoord.

WBD tuierhamer (grote houten hamer met lange steel om de tuierpaal in de grond te slaan)

WBD koejhaomer; Hasselt: koejhaomer

Antw. KOEIHAMER znw.m. - klophout, hout dat dient om de tuierstaken voor koeien in den grond te slaan.

 

Koejmrt

toponiem

gedeelte van de Heuvel tussen Spoorlaan en Telegraafstraat

 

koejmis

zelfstandig naamwoord.

koemest

WBD (Hasselt) koemest

Antw. KOEIMES, in 't N. 'koeimis'

 

koejstal

zelfstandig naamwoord.

WBD koestal (deel v.h. boerenhuis waar het rundvee verblijft), ook genoemd: 'koejestal' of 'stal'

 

koejstaok

zelfstandig naamwoord.

WBD (Hasselt) tuierpaal (ijzeren of houten paal, die met een tuierhamer in de grond wordt gedreven)

Antw. KOEISTAAK znv.m. - tuierstaak

WNT KOESTAAK - 1. koepaal; 2. staak waaraan de koe in de weide wordt vastgebonden.

 

Koejstraot

toponiem, straatnaam; Koestraat (van het huidige NS Plein tot Molenbochtplein

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Van de Koejstraot nr, irst op vfendrteg hbbe we gewond n toen vvenssteg, teegenoover de Molenbochtstraot.  (transcriptie Hans Hessels 2014 ► Klik hier voor audiofragment

 

koejstrf

zelfstandig naamwoord.

koestront

Kees en Bart: koejstruf

 

koek, kuukske

zelfstandig naamwoord.

koek

H. van Rijen (1988): koek, bierviltje

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  van koek zn (Daamen - Handschrift 1916) - raak zijn, in orde zijn; zwak zijn

Daamen - Handschrift 1916:  "koek - hij is van koek - het is raak, het is in orde"

Cees Robben: 'aaltij gin koek en aai'

In de kuukskestrommel zaat genoeg om iederen iets te geeve. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

koeke

verhaspeling

'van gin koeke gin blaoze weete' - van toeten noch blazen weten

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- Wnne praot dsse tsln! Die zn veul wzer as wij vruuger waare! Ik weet wl d toen ik nt vrije ging dk van gin koeke gin blaoze () wies hor!  (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

 

koekebak

zelfstandig naamwoord

pannenkoeken

Soms bakte ons moeder dan ok koekebak, laoter heurde wij d d pannekoeken waren, mar ons moeder zeej aaltij koekebak. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

koekert

zelfstandig naamwoord

dwaas

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

koekwous

zelfstandig naamwoord.

koekebakker, koekert; dwaas, dromer

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WNT KOEKEBAKKER De opvatting van sommigen dat het bereiden van zoetigheden een bedrijf is, een flink man onwaardig, gaf aanleiding tot het gebruik van koekebakker voor: onmanlijk persoon, knoeier, prutser; in het bijzonder: slecht zeeman.

 

koelschip

zelfstandig naamwoord.

WBD koelbak (kuip of platte bak waarin, in een brouwerij, de (gekookte) 'wort' wordt afgekoeld)

Antw. KOELBAK znw.m. - bij brouwers: houten bak waar het bier uit den ketel op getrokken wordt om af te koelen.

 

koeprd

zelfstandig naamwoord.

WBD roodbont paard, ook 'rojbnt' of 'vsbnt prd/prd' genoemd

WNT KOEPAARD - bruin paard met groote witte vlekken

 

koeponneke

zelfstandignaamwoord, verkleinwoord
couponnetje

WBD koepnneke (II:918) - couponnetje, stuk (afgesneden) weefsel

 

koer

zelfstandig naamwoord.

speelplaats; uit het Franse 'cour', binnenplaats

WBD III.3.1:447 'koer' speelplaats

 

koes

zelfstandig naamwoord.

WBD roepnaam v.e. koe, ook ' kuus' of 'koej'

WBD roep- of loknaam v.h. kalf; ook 'koes koes koes' of 'kalf'

 

koesjee
bijwoord
uit Frans coucher, slapen; naar bed
Cees Robben t Was alle daoge vruug koesjee (19670428)

 

koeter

zelfstandig naamwoord.

iemand die alsmaar heen en weer loopt

ook: koeterkont; onrustig, bedrijvig persoon

 

koetere

Werkwoord, zwak
(onrustig) heen en weer lopen

koetere - koeterde - gekoeterd

Cees Robben Ze muikelt en koetert in t rond (19700102)

WBD III.1.2:18 'koeteren- = mompelend heen en weer draaien; ook: muikelen

WBD III.1.2:145 'koeteren' = ijsberen

Bont bijvoeglijk naamwoord  koeterig; tochtig, geil (van mannen en sommige mannelijke dieren als rammelaars gezegd).

 

koeterkont, koeter

zelfstandig naamwoord

iemand die alsmaar heen en weer loopt

Cees Robben Omd ge zon koeterkont zd... (19790302)

Stadsnieuws: Ons taante Nl waar en chte koeterkont: ze kos nie stilzitte (060906)

En taante van me, Aldegond,/ d was en chte koeterkont./ Hil den dag liep ze mar rond,/ omdsse nrges rust tch vond. (Henritte Vunderink, Taante Aldegond, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

koeverkoot

zelfstandig naamwoord

PM halflange overjas van betr. lichte stof, met onder ca. vijf naden

Van Eng. 'cover' + 'coat' (covered coat = jagers-, ruitersjasje)

► kooverkooke

 

koewe

Werkwoord, zwak
koewe - koede - gekoed -- lange oe

Pierre van Beek --  roepen bij het kinderspel verstoppertje, nl. wanneer men zich veilig waant en de zoeker mag starten; vermoedelijk werd er 'Koe-oe-oe' geroepen.

Antw. KOEWEN - iemand in de verte roepen met 'koe' te schreeuwen.

 

koezemm

zelfstandig naamwoord.

kamperfoelie, haagkers, geitenblad - Lonicera periclymenum; volgens Linnaeus: Lonicera caprifolium

Daamen - Handschrift 1916:
 "koezememmen - kamperfoelie, geitenblad"

 

Handschrift Damen 1916

 

WBD III.4.3:234 koezemmme - kamperfoelie (Lonicera periclymenum)

Etymologisch

ES 2012 - De Nederlandse naam 'kamperfoelie' is een verbastering van de middeleeuwse naam (7de eeuw) 'caprifolium'.

- Caprifolium betekent letterlijk 'geitenblad' (Philippa e.a. Etymologisch woordenboek van het Nederlands 2003-2009).

- Het woorddeel 'kamper' is een verbastering van het Latijnse 'caper', geit; 'capri' betekent: 'van de geit'; 'foelie' is van 'folium', blad.

- De bloem van kamperfoelie vertoont (zie foto) in haar typische buisvormige bloeiwijze een visuele overeenkomst met de contouren van de spenen van geiten.

- Het tweede lid van de Tilburgse volksnaam - 'mm' - is zonder twijfel in de volksmond gekozen om een speen aan te duiden. ►zie mm

- Het eerste lid van de Tilburgse volksnaam - 'koeze' - is mogelijk voortgekomen uit 'kuuze', tweede naamval van 'kuus', in de betekenis 'koe'; dus: men van de koe.

Voorlopige conclusie: Kamperfoelie werd in het Tilburgs 'koezemm' genoemd omdat de buisvormige bloeiwijze deed denken aan de speen, dan wel spenen, van een koe.

 

 

- De vele volksnamen voor kamperfoelie laten er geen twijfel over bestaan dat we te maken hebben met een naam die gebaseerd is op zogen, uiers, en spenen.

- Heukels (Woordenboek der Nederlandsche volksnamen van planten - 1907) noemt onder andere:

-- onder Lonicera: Mammekenskruid, Mammetjes, Zoegertjes, Zuiger, Zuigertjes, Mammekers.

-- onder Lonicera Periclymenum : Memmekensbloem, Memmekenskruid.

- WBD III.4.3: Flora, geeft de volgende bewijsplaatsen met 'koe' en 'mem': koesmemmen: Reusel; koezenmemmen (ook koesememmen): Tilburg; Kempenland.

- IDEM: dat het woorddeel 'mem' breed verbreid is geweest in Brabant:

mempoes: Hooge Mierde,
memmenkruid: Veldhoven; Antwerps
memmetjeskruid (memmekeskruid): Mechelen; Antwerps
memmetjes (memmekens, memmekes): Wechelderzande; Antwerps
memzuiger: Kaatsheuvel.
memzuigers (ook mamzuigers): Roosendaal, Hoeven en Kaatsheuvel; zuigers: Deurne in de Peel.
zuigertjes: Nispen.
honingzuigers (honikzukers): Cuijk.
honingbloem (ook honingblom): Baarle-Nassau en Retie.
- IDEM: dat verschuiving van het beeld niet ongewoon is, mag blijken uit de benoemingen van kamperfoelie als zijnde van de geit, de koe, de poes, de haan (en diens kam), en de haas.

 

kffer

zelfstandig naamwoord

koffer

et kffer is te zwaor (onz.; ABN: m.)

 

Koffiekopje, aangetroffen bij archeologisch onderzoek naar het Kasteel van de Hasselt. Ill. uit: Graven naar het kasteel van Tilburg, H. Stoepker 1986

 

kffie

zelfstandig naamwoord.

koffie

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  de kffie is daor mar koud (Pierre van Beek --  Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd van een koele vrouw

Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) -  hete vrouwen n kaawe kffie is tdwinst ( '72) - ironische opmerking van mannen: bij beide komt men sneller tot het gewenste doel.

lichte maaltijd

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: Tussendoortje tussen het middag- en het avondmaal. Vroeger at men dan meestal een boterham.

Waardering voor Tilburg door WBD: verspreid.

 

kffiedrinke

werkwoord, sterk

Praktisch uitsluitend als infinitief in gebruik; meestal ondersteund door het hulpww. 'gaon' of 'moete'. Verbuiging leidt tot letterlijke interpretatie.

-- de broodmaaltijd gebruiken (eventueel zonder koffie, doch met thee)

- Cees Robben: Ist koffiedrinken of truste?

- As we ths kwamen, ha onze vadder zen brod al op en koffiegedronken. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WBD III.4.4:125 'koffiedrinken' = koffietijd

- Stadsnieuws: Blfde ng meej kffiedrinke, f gaode vur den dnkere nr hs? (25020)

- Bont znw.o. - koffiedrinken, ook gebruikt voor 'ontbijt'

 

kffiedrup

zelfstandig naamwoord

drup is waarschijnlijk een verkorting van druppel

- WBD III.1.1:32 'koffiedrup' = moedervlek

 

kffievs

zelfstandig naamwoord.

WBD (Hasselt) bep. donkerrood paard, elders 'dnkere vs' genoemd

WNT KOFFIEVOS - koffiekleurig vaspaard

 

kfke

zelstandig naamwoord, verkleinwoord
kuifje

verkleinwoord  van 'kf', met vocaalkrimping

 

kg

zelfstandig naamwoord.

WBD III.4.4:271 ' kog' = brok

 

kojboj

zelfstandig naamwoord.

cowboy

met regressieve afstandsassimilatie: w > j

- n dan draog ik daorbij 'n fftig Ampre gaawe ring n kojboj-lrze. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Hees kojboj (V:40)

 

kjeghd, -hei

zelfstandig naamwoord.

kwaadheid, boosheid

WBD huidschimmelziekte (bij koeien), ook 'nrf' genoemd

H. van Rijen (1988): 'kojjeght/-hj, kaojeght, -hj

 

kkse

zelfstandig naamwoord, altijd meervoud

residu (slakken) van uitgebrande cokes, nog bruikbaar voor huiselijke verwarming

Kees en Bart:  kksen

Meej ons moeder meej, om kokse te gaon raope op de gasfebriek. Ge krgt dan zon harkske in oew haand, daormee moeste gij tussen de sintels de nog gloeiende kokse apart rve. Asse afgekoeld of bekaant koud waren, moeste ze in enne baole zak doen. Ons moeder kosse wij nie bijhaawe. Fn wrk waar et k nie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- Hlde gllie zlf oew kkse p et gasfebriek? - Halen jullie zelf je cokes bij de gasfabriek?

- en stm as ene kkseklpper

 

Advertentie voor de verkoop van cokes door de 'gasfabriek'; NTC 1905

 

Bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant, 16-1-1920 [H.L. = hectoliter]

 

Advertentie uit de Nieuwe Tilburgsche Courant - 3-12-1921

 

Ingezonden brief over de prijs van cokes in Tilburgsche Courant 13-2-1902

 

kkseklppersstm

zelfstandig naamwoord.

H. van Rijen (1988): zware stem

Van Dale: onaangename, rauwe stem

 

kkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord
H. van Rijen (1988): kaakje

 

kokt

werkwoord, persoonsvorm

kookt

2e + 5e pers. enk. tegenwoordige tijd van 'kooke'

Cees Robben: Et waoter kkt al.

Cees Robben: Mn vrouw kkt van kaojeghd ak zat nkoom

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):  twaoter kkt al

 

kl, kol

zelfstandig naamwoord.

WBD witte vlek op het voorhoofd van een koe (zowel kl als kl)

WBD 'kol', (Hasselt:) 'kol' - wit stervormig vlekje op het voorhoofd van een paard, ook 'drpkl' genoemd

Bont znw.m. 'kl' - kleine witte plek aan het voorhoofd v.e. donkerharig paard.

WNT KOL (II) - 1) voorhoofd of voorhoofdsbeen v.e. paard of rund 2) witte plek op het voorhoofd v.donkerharige paarden of runderen

 

Ill.: Naumann - klder

klder

zelfstandig naamwoord.

vogel: wulp (Numenius arquata)

Daamen - Handschrift 1916:
 "kuilder - groote vogel uit de heide; hij legt eieren juist als die van de kievit maar viermaal zoo groot; bij het vliegen roept hij 'Tuureluut'"

zie tuureluut

 

Cees Robben - ...klders die bij vennekes/ w vruuten in t vuil... (19600708)

WBD III.4.1:222 'kuilder' of 'wulp' - wulp (Numenius arquata) ook 'tureluut' genoemd. De wulp (Numenius arquata) is een grote waadvogel van 55 cm, die gemakkelijk te herkennen is aan de lange
omlaag gebogen snavel. Hij heeft een grijs-beige verenkleed en in de vlucht een opvallend witte driehoek op de rug. De zang klinkt jodelend. De wulp komt vrij algemeen voor in vochtig heideland en in moerassen en legt zijn eieren in een kuiltje.
Sch. KUILAART, een vogel in Westvl., ook nog zeesnep genoemd, en in de Kempen: kuilder, kluiter of kluter en zandlooper; in het Fr. heet hij: courli of pluvier dor.

Biks klder zn - wulp (numenius): Rond de Flaes stikte het vroeger
van de klders. Ze legden meestal vier eieren in een kltje. Daarvan
is de naam afgeleid.

Pierre van Beek: in: Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 4 mei 1968, 'Eendegoor en Zwartven'. Over het Zwartven:

"...dan spreidt daar plotseling het grotendeels door bos omringde
Zwartven zijn waterspiegel voor u uit. (...) Het ven is ondiep
en valt menigmaal helemaal droog in de zomermaanden. Zolang dit niet het geval is, houdt er nog de kievit zijn vliegoefeningen, stappen er de kluut en de wulp op hoge poten langs de oever en roept in de lucht de grutto zijn eigen naam."

 

klder, klst

bijvoeglijk naamwoord .

kaler, kaalst

gez. MP Hoe klder/grtter hnd, hoe meer vlooje

comparat./superlat. van 'kaol, met vocaalkrimping

 

kldf

zelfstandig naamwoord.

Houtduif - Columba palumbus palumbus

H. van Rijen (1988): houtduif (Columba palumbus)

ES 2012: Tilburg: vliegende rat

 

kljakker, kaoljakker

zelfstandig naamwoord.

onbemiddelde man die dit poogt te verbergen door heer te spelen

WNT kaaljager (kaoljaoger), aanmatigende arme duivel (Molema)

Verh. KAALJAKKER (koljakker) m. kale neet, opschepper. Z.a.

Biks koljakker zn - kale meneer, kaalhans

 

kollesaol

bijvoeglijk naamwoord

kolossaal

K-B kollesaol

Cees Robben: ene kollesaole niemendal

 

Klleverse
bijvoeglijk naamwoord van het toponiem Krvel
Korvelse
Cees Robben Swels dn lleger spulde/ stlperdenie over den dlleper van de Klleverse kerk.. (19651015)

 

klloosieke<