INHOUD WTT
HOME

Het Woordenboek van de Tilburgse Taal wordt mede mogelijk gemaakt door

Het Tilburgs Alfabet (Van aajkes tt zaandkl) werd geschreven door Jace van de Ven.

Klik hier voor de letters die niet tot de officile spelling behoren:

C

Q

X

Y

A

B

D

E

F

G

H

I

J

K

L

M

N

O

P

R

S

T

U

V

W

Z

Wil Sterenborg

Van ha tot huw

 

ha
verleden tijd van hbbe
had
Cees Robben Dek praot genog h... (19590912)
Cees Robben En as Nordje t gekund h (19660429)
Dossier 'hbbe' - alle vormen

 

haacht

zelfstandig naamwoord

WBD haachte - strengen (trektouwen, -riemen, -kettingen v.h. paard)(Hasselt)

WBD haachte: ijzeren strengen (Hasselt)

Handschrift Daamen 1916: "haagten - de ijzeren kettingen waarmede de paarden aangespannen worden"

WNT HACHT - elk der beide (ijzeren) kettingen waaraan het paard (in plaats van aan touwen strengen) de kar trekt.

De Bont: haacht, zelfstandig naamwoord vr.- hacht, "elk der beide ijzeren kettingen waaraan het paard de kar trekt"

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HACHT zelfstandig naamwoordv. - ketting, keten

Bijwoord

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): t Is ummers zoo haacht nie; doe ge t mergen op staoi Daar geannoteerd met: haacht, druk ; van hach [gevaar]. - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als: haastig, presseerend.

- WNT kent alleen een zelfstandig naamwoord:  lemma HACH II, 3; in ouder vorm HACHT znw. vr. en soms onz.: Gevaarlijke onderneming, waagstuk.

 

haaft

bijvoeglijk naamwoord

druk

Handschrift Daamen 1916: "haaft - hij hee get haaft (druk; of: 't is haaft: er is haast bij)"

WBD III.4.4:282 'haaft' = van belang

Haor HAAFT dringend "'t is haaft (er is haast bij)"

 

haaj

zelfstandig naamwoord

hei(de)

en nd lope dur de haaj

Och neej ! mar kk dan toch,/ is d nie fraai !/ Kende g' iets schoonders nog/ dan onze haai? ((H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, 1932)

Cees Robben Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Ln of Beek.... (19540508)
Cees Robben d bepaolt de haai... (19560630)
Cees Robben Peer van Dun was unne dwaoler (...) die de haai in den blende kos belpe (19570119)
Cees Robben Wij zn uit t laand van febrieke en haai (19580308)
Cees Robben Ons drpke leej rontom/ In maast en haai gevangen (19600909)
Cees Robben Dan hakket hier gelk gehad... W, hakket hakket... As ge haai had gegeten.. Dan hadde na trf gescheten... (19830812)

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Van de toemaot nr de haaj lope.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Had, had haaj gefreete dan hadde trf gescheete.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Hak hooj gegeete, dan hak trf gescheete.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Iemand wsmaoke d nze Lieven Heer Hndrik hiet n in de haaj peeje stao te steeke.

Kernkamp, Dialectenquete 1879: op de haai

WBD III.4.3:368 haaj (Calluna vulgaris) struikhei; ook genoemd: bissemhaaj of buunderhaaj

 

WBD III.4.3:368 dphaaj - dophei (Erica tetralix), ook genoemds haaj

WBD III.3.1:329 'gemeentehei' - gemeenteheide

in tegenstelling tot 'stad'

In Tilburg ging d presies etzllefde! As hier in de haaj, iemand vrder in de haaj iemand wonde, dan brchte zem ok nr de stad toe! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Dan wier zon zandkar meej prd n waoge, wier zon lk op zon zandkar geleejegeztn dan ginge der nkele femielieleeje, ginge der rondom op zon kar zitte n dan brnge ze oe van t de haaj t, zak zgge, dsse oe nr et drp toe brnge! Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

Haaj, de

toponiem

de Campina

Interview Jolen - 1978 En ik hb ng in, in, in, in de haaj ok en bietje gewrkt, nou weet ik tch niemer w, wllek d d isin de haaj zgge ze vruugerds die kaant ammel t h, boove Hilverenbeek n zo hAcht Zaalegheede j. (transcriptie Hans Hessels, 2013)

► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

haajbissem, -bssem

zelfstandig naamwoord

bezem van heide of brem

WBD (III.2.1:303) haajbissem - heibezem

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HEIBESSEM zelfstandig naamwoord mannelijk: - heidebezem, bezem van heide gemaakt.

 

Haajkaant

Heikant

toponiem (bep. wijk, de noordelijkste van Tilburg)

Audioregistratie 1978 - Et is hier mar hil lichte zandgrond hier n de Haajkaant want et hiet nie vur niks Haajkaant! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): den Haajkaant

-- op et Krvel f int Zaand,/ den Haajkaant ft Kednt. (Henritte Vunderink, Tilbrg trakteert, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

 

Haajkaants

zelfstandig naamwoord

Heikants, het dialect van de Heikant; meestal in de uitdrukking 'stads meej Haajkaants', gezegd als een dialectspreker de standaardtaal wil spreken maar daar niet goed in slaagt.

Ik neem mn ontslag. Zaoterdag ben ik hier vur et list en ge ziet mar degget stelt, sprak mn Lia in stads meej heikaants (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WTT 2012 - door humoristen gebruikte voorbeelden van 'stads mee haajkaants' zijn:

- De fabrikantennaam Swagemakers foutief uitgesproken als Swaogemakers of als Swagemaokers; juist is: Swaogemaokers

- het woord tafelkleed, foutief uitgesproken als tafelkled of als tffelkleed; juist is: tffelkled.

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

bijvoeglijk naamwoord

uit het stadsdeel de Heikant
Cees Robben Unne Haaikaantse meens liep w hers en w geens (19550618)
 

Haajke

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

zelfstandig naamwoord, eigennaam, toponiem.

centraal stadsdeel = 't Heike

Frans Verbunt: de Haajkese krk durt strtje van Bronsgist - een moeilijke bevalling

As getrouwe kattelieken waare we irst amml op et Haaike nr de mis gewist. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

Haajkese toore
naam
de toren van de kerk van het Heike
Cees Robben We draaien de klok op van den Haaikese toren... (datum onbekend)
Cees Robben Ik heb liever degge den Haaikese toren omstt as degge menne borrel leeg kwaanselt.. taotolf... (19820402)
(19820402)

 

haajkneuter

zelfstandig naamwoord

klein boertje, oorspr. op heidegrond

WBD III.4.1:137 'heikneuter', kneuter, kreuter - kneu (Carduelis cannabina)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): haajkneuter zelfstandig naamwoord- heidekneutje (vogeltje, Acanthis)

WNT kneuterboer: jongere vervorming van keuterboer.

Keuter: eig. bewoner van een kote, een kleine (boeren)woning; vandaar: kleine boer. Keuterboer: boer van of op een keuterij; in 't alg.: boer met een klein bedrijf.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
HEIKNEUTER zelfstandig naamwoord mannelijk:- kneuter; vlasvink; fig. iemand die eenzaam in de heide woont.

 

Gryllus campestris - Zwarte veldkrekel

haajkriek

zelfstandig naamwoord

Gryllus campestris - Zwarte veldkrekel

N. Daamen (handschrift 1916) --  "haaikriek - krekel"

WBD III.4.2:217 'heikriek' of 'kriek'

WNT HEIKREKEL

 

Carduelis cannabina

haajmaawerek

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: kneu (Carduelis cannabina)

 

haajslangeske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD III.4.2:105 'heislangeske' - hagedis (Lacerta vivipara)

Gravure van Bathasar van der Ast - 17de eeuw

 

haand

► hndje

zelfstandig naamwoord

hand

het meervoud = haand of haande

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Den timmerman zen schaand is den schilder zen haand.

(= De schilder moet de fouten v.d. timmerman bedekken)

R.J. der was iets n de haand

KAREL. Jao mar: iedereen kan toch mee zn haande vatte dechche het staon te liege. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

De Wijs - Hij kan mee zn 2 linkse haande nog behoorlijk uit de voete (17-10-1972)

Cees Robben - In de schnste stad van t laand/ kwaam... En mee gin lege haand/ Tntje... [Prent over de geboorte van de 127.000ste Tilburger, genaamd Tntje van Zundert. De schonste stad van et laand is de volksnaam voor Tilburg.] (19540213)
Cees Robben En mee t aai in baai zn haand... (19560428)
Cees Robben Mn haande vol blne... (19570309)
Cees Robben Hij vruutte meej zn haand in t zaand (19600219)
Cees Robben En heddet t ter haand gehad (19600624)
Cees Robben Dur n vrouwehaand bedisseld... (19700220)
Cees Robben t Schilt mar amper haand of keer (19710129) [Het scheelt maar een klein beetje; haand en keer zijn waarschijnlijk commandos die de voerman aan zijn paard geeft]
Cees Robben t Schou mar haand of kr (19620518)

gezegde: Pierre van Beek -- Et ha mar haand f keer geschouwd - het was op het nippertje.(Tilburgse Taalplastiek 170)

Wettie mee zun haande rgt zet, stt ie mee zun kont wir om! (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

n as mene vriend d wir perbeerde,/ zgt dan: "Haawt oew haande ts". (Henritte Vunderink; Mene listen biecht; k Zal van oe blve haawe, 2007)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: Hij haaudt 'nen dikken stok in de haand

Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge vouwt er de haande van saome (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - uitroep van verbazing

Brabantse spreekwoorden (Mandos): gin weeren in de haande krge (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1972) - 'n hekel aan werk hebben

Frans Verbunt: oopaa wrre kunde meej oew haanden in oew zakke

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992) - 'hand' zelfstandig naamwoord- hand; mv. 'hande'

Brod vatte in oew haand om op te eeten en gin enkele sneekes mar dubbele bottramme, die waaren ok beter in oew haande te vatten. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Meervoud: naast haande ook haand:

Ons moeder zeej dan aaltij, as we in de sneuw bezig waren: Krgde gullie naa not gin kaaw haand, doe toch un paor handschoenen aon. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ons haand hn we allen asser un krs gemaokt moes wrre, t onze zak gehaold. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
 

-derhaand

suffix

-(d)erlei

twidderhaand, driederhaand, ffderhaand, zisderhaand

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): twidderhaande

Zoo kank wel honderterandere vurbilde aonhaole (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

 

haands

bijvoeglijk naamwoord

WBD vur de haands ketier - rechtervoorkwartier v.d. koeie-uier

WBD van de haandse kaant, van de haand - rechterkant van het paard

WBD van de haandse kaant, b de haand; (Hasselt) ndehaand linkerkant van het paard

 

haandvat

zelfstandig naamwoord

WBD handvat van de ploegstaart (Hasselt)

 

haandvijsje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Henk van Rijen: 'haandvjsje ' - kleine lijmklem

 

haandwaoter

zelfstandig naamwoord

Handschrift Daamen 1916: "haandwoater - zoo goed as d? 't heet [heeft] er gin haandwoater bij (het lijkt er nog niet op)"

ES (2012) - Het is opmerkelijk dat Daamen in 1916 deze zeer oude uitdrukking nog optekent. 'Iemand handwater geven' betekende: iemand water aanbieden om de handen te wassen alvorens de maaltijd te beginnen (vergelijk de handwassing in de katholieke eucharistie). In overdrachtelijke zin kwam de uitdrukking in gebruik om rangen, standen, en kwaliteiten te vergelijken: aanbieding van het handwater geschiedde alleen door aan elkaar gelijkwaardige personen.

Daamens uitdrukking bedoelt te zeggen dat het hier twee zaken betreft die niet aan elkaar gelijkwaardig zijn. Die betekenis vinden we in het WNT in het lemma 'handwater': '"Bij" iemand of iets (niet) in vergelijking komen, (niet) vergeleken kunnen worden, wordt uitgedrukt door: bij iemand of iets (geen) handwater geven. Hy sey dat Don Rodrigo of de Cid, wel een goet Ridder was geweest, maer dat hy evenwel by die van het brandende Swaert geen hantwater gaf, die enz., V. BOS, Don Quichot 1, 11. (Geen) handwater geven (bij) werd vervolgens nog verder verbasterd tot (geen) handwater hebben bij...

 

haawdoe, houdoe

tussenwerpsel, afscheidsgroet

Cees Robben Kom haauw-doe war... en t biste... (19600415)

Henk van Rijen: hou je, tot ziens, vaarwel

►houdoe

 

Anti-hondenpoepoactie van de gemeente Tilburg. Kromhoutpark 2016.

 

haawe

werkwoord (sterk)

houden

haawe - hiel - gehaawe;

Boutkan: : haawe - hield - gehaawe

B ook: haawde

Geen vocaalkrimping

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - haawe (blz.14); verleden tijd 'hiel' (kaart 73)

...en Teun kos weer nie goed begrijpen, d die [trein] nie efkes ho kos haawen om hum over te laoten stappen... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

- uitdrukking wg haauwe; lang weg blijven;
Cees Robben Hij haauwt lang weg (19671215)
- Hij waar der gehaawe en geslaon, zas d hiete. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Tis er ene van Kleef, daor haawe ze meer van den hb as van de geef.

WBD b den hngst haawe - de merrie bij de hengst brengen (ter dekking)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hij haauwdt 'nen dikken stok in de haand; haauwe

WBD haawe (II :1003) - houden (v.d. ketting)

WBD III.4.1:53 'houwen' - wonen van vogels, ook 'nestelen' of 'zitten'

WBD III.3.1:364 'houden(met)' = samenspannen

 

haawer

zelfstandig naamwoord

houder

WBD kttinghaawer, vasthaawer (II:1004) kettinghouder;

ook wel kttingspanner genoemd

 

haawke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

peultje, peulerwt, 'skerrt', 'pultje', peul

WBD III.2.3:81 'hauwke' = peulerwt

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOUW, HOUWKEN - peul, peultie.

Kiliaen: 'houde', Plantijn: 'Houwe'.

De Bont: h.u, zelfstandig naamwoord vr. "houw', 'hauw' - peul; verkleinwoord 'hwke(n)'

Bosch hauwkes - peultjes

 

haawknd

zelfstandig naamwoord

kind dat het ouderlijk huis niet verlaat; zorgenkind; iemand die veel over de vloer komt

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): de tram zal aaltij en haawkiendje blve

Cees Robben k Heb alle bij mekaare tien kender gehad... aacht goei en twee kaoi... En dan hak nog un hauwknd.. D was munne man... (19610526)
Cees Robben [Moeder over baby:] Ik denk dettie iets onder de lee-hee.. Ast mar gin haauwknd wordt... (19740308)

WNT HOUKIND - een kind dat bij vreemden wordt uitbesteed om te worden grootgebracht, z.a.

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): haawknd zelfstandig naamwoord- kind dat borstvoeding krijgt

De Bont: zelfstandig naamwoordo.'houwkind" - persoon of dier die (dat) men niet kwijt kan worden.

 

haawmaaw

zelfstandig naamwoord

wervelwind

Cees Robben ...krek-lek unne haauw-maauw (19560428)
Cees Robben W maauwde van unne haauw-maauw.. maauwer... (19570631)
Cees Robben Diejen haauw-maauw komt me krek van paas... (19760514)

Van Beek - 't Dorp Haaren werd in 1957 door een grote windhoos verrast, waarbij enkele kippenhokken het moesten ontgelden, terwijl tientallen bomen werden ontworteld. Toen sprak men van een "haauwmaaw". Als 's zomers 't hooi in oppers staat en de wind schiet er onder, dan komt dat door een "haauwmaaw", even goed als vroeger in 't najaar als 't Bosse Veld blank stond en het water werd de lucht ingecirkeld. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

WBD III.4.4:111 'houwmouw' = rukwind; 113 'houwmouw' = windhoos

Stadsnieuws (rubriek): Diejen haawmaaw van vleeje week heej veul schaoj gebrcht (291106)

C. Verhoeven: HAUWMAUW (haawmaaw) m. wervelwind, orkaan. Geluidsnabootsing? Z.a.

De Bont: zelfstandig naamwoordvr. 'haauwmaauw' - wervelwind, windhoos

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HOUW, zelfstandig naamwoordv. -wervelwind, draaiwind

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992)- haawmaaw zelfstandig naamwoord- windhoos

Str. - haawmaaw (2:65)

 

haawvaast, van den zn
uitdrukking
gierig zijn
Cees Robben Ik heb nog nt unne interessaantere meens gezien as die daor lpt... Gierig.. vuil.. van den haauwvaast.. eene van penning zistien... (19840127)
WNT lemma HOUVAST 1.1 - Iemand die vast houdt, die niet gemakkelijk loslaat, t.w. die niet gemakkelijk van zijn geld afstapt, een vrek. Verg. houvast, bnw. en vasthoudend voor: gierig. Houd-vast, tayaerd. Homo tenax, avarus, KIL. [1599].
 

habbetjap

bijwoord, spotnaam

gek

De Wijs -- (gehoord bij de kapper:) hllie pa is wouws, hllie moe is appetjoek en, d kunde wel naogaon, zellef is ie habbetjap (16-01-1975)

 

hadder
samentrekking
had je er
Cees Robben Hoeveul hadder op..? (19870703)
Dossier 'hbbe' - alle vormen

 

haffel

zelfstandig naamwoord

verkorting van 'handvol'

- door assimilatie ontstaan uit 'handvol'

m.b.t. telbare dingen, gewoonlijk letterlijk een hand vol, dan wel op de vingers van een hand te tellen

- en haffel trf - een handvol tarwe

Cees Robben Vur n haffel dolders... (19851122)
Cees Robben Hier n haffeltje zaand (19580405)

WBD (II:708) haffel - handvol spijkers

Henk van Rijen: 'H viet unnen haffel tref'

WBD III.2.3:79 'haffel', 'haffeltje' = bundel groenten

WBD III.4.4:261'haffel' = onbepaalde hoeveelheid

Stadsnieuws (rubriek): Kom mar mnneke, dan krde en haffeltje ollienutjes van de taante

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

WBD III.4.4:277 'haffel(tje)' = handvol

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992) - haffel zelfstandig naamwoord- handvol

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAFFEL -handvol.

C. Verhoeven: HAFFEL v. door assim. ontstaan uit handvol en dus vrouwelijk: hoeveelheid die men in de hand heeft, in de hand kan houden of op de vingers van een hand kan tellen; nooit m.b.t. vloeistof, meestal v. kleine hanteerbare voorwerpen.

De Bont: haffel - handvol

 

haffele

werkwoord (zwak)

voortdurend in de handen nemen

haffele - haffelde - gehaffeld

W staode er tch meej te haffele. - Wat hou je het toch onhandig vast.

WBD III.1.2:110 'haffelen' = handvollen, doelloos friemelen

WBD III.1.2:111 'handvollen' = aanhoudend bepoetelen

WNT HAFFELEN 2) frommelen, poedelen, dauwelen (t.w. voortdurend of telkens met de hand betasten)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): haffele ww - liefkozen

C. Verhoeven: HAFFELEN onovergankelijk werkwoord, gewoonlijk verbonden met vz.'met'; liefkozend op de hand of in de armen nemen, meestal kinderen of kleine dieren.

De Bont: haffele(n) zw.ww.intr. - voortdurend of telkens met de hand betasten, veel in handen nemen, sollen.

 

haffelkatje

zelfstandig naamwoord, verkleind

kind dat aangehaald en verwend wordt; stoeipoes

Henk van Rijen: 1 haffelktje

Stadsnieuws (rubriek): Onze Sjaarel is wir meej d haffelkatje van hiernffe op rep; as d mar nie t de haand lopt! - Mijn broer Karei is weer met die stoeipoes van de buren de hort op; als dat maar niet uit de hand loopt.' (151008)

Verh. HAFFELKAT, v. poesje om mee te haffelen; kind dat aangehaald en verwend wordt

De Bont: hafelkt'je(n), zelfstandig naamwoord o. - haffelkatje, katje waarmee veel gehaffeld wordt

 

haggeter
samentrekking
had het er
Cees Robben Jaanse haggeter nie op... (19700918)
 

hak

zelfstandig naamwoord

hak

WBD achterknie v.e. paard

Brabantse spreekwoorden (Mandos): zt er de hakken nder (Handschrift Daamen 1916) - steek je voeten onder de tafel; ga aanzitten

WBD III.1.1:174 'hak' = hiel

Boutkan: (55) meervoud hakke; meej oew hakkes oover de slot

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HAK zelfstandig naamwoord mannelijk: - hiel, Fr. talon

WBD I:1454 'hak' - aanaardhak (om aardappels aan te aarden)

samentrekking

had ik

Cees Robben Dan hak ze vort te hoesten... (19650326)

Cees Robben Hak vleeje week from oew stee mar gekocht... (19830812)

 

hakbel, hakbltje

zelfstandig naamwoord

hakbijl, kleine bijl

WvM 'en h is den hakbl, die is vur het hout'

 

hakbrege

zelfstandig naamwoord

kinderspel

Van Delft - Nog speelde men "hakbergen". Dat geschiedde met "haktollen" (draaitollen). Deze tollen waren van ander model dan de tegenwoordige. Zij werden bij "Vrenske Appels" in den Veldhovenschen hoek gedraaid; door de smid werd er nog een pin ingezet en klaar was Kees. Men trok een cirkel op den grond en daar moesten dan de haktollen ingezet worden. Kwam de tol niet in den ring, dan moest hij er in gelegd worden. Stond hij in den ring te tollen, doch draaide hij op 't eind niet den cirkel uit, zoo moest ook deze er in blijven liggen. De anderen mochten nu met hun tol probeeren om er tusschen te hakken en sprongen de inliggenden dan van elkaar buiten den kring, zoo mocht de eigenaar van den vrijgekomene weer mee hakken. Alweer een spelletje "zonder eind". (Nwe Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 106; 23 maart 1929)

 

Drijftol

 

Drijftol

 

hakdl

zelfstandig naamwoord

haktol, priktol

Mee in jaor of vier is t al wir aanders, dan worrut in autoped en norvenaant het seizoen nen vlieger, kaaischeuten, drf of hakdollen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)Anoniem 1959
en toen zeej de klne Kees:
"Vadder, ik heb naau wel unne hakdol,
mar 'k heb gin stukske pees."
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie rikkemendaosie.htm

H.A. Sterneberg S.J. --

Mijnen bromtol

 

Ielke tol hee eigen nommer,

mer mijn bromtol nommer n.

Daor haolt niks bij mijnen brommer,

eikenhout en staolen teen!

 

Toen 'k hum straf haai upgewonden

en ik zwooi 'm zuiver nir,

wier hi gauw alleen gevonden,

zeg, waor bleven d'ullie wir!

Klik hier voor het volledige gedicht en toelichting

Jo van Tilborg -- Ok haktollen ging hl goed. Ge sloegt meej enne pees aon un stkske gebonden tegen enne tol, die ge irst meej oew haande liet draaien. Deur dieje tol elke keer goed te raoke meej dieje pees, blf ie draaien. Al w zonne tol, assie un te harde lel verkocht krg, ok wel ens deur un raom vliegen. D kwaam naa wir nie zoveul veur. (Kosset, 2006)
WBD (III.3.2:72) hakdl= priktol

WBD (III.3.2:81) hakdl, drfdl, drftl, draajtl = drijftol

S&S (Onder rddol - dwerg): Het lijkt ons voor de hand liggend aansluiting te zoeken bij dol in de betekenis van tol (soort kinderspeelgoed) Blz.17

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992) - 'hakdol' zelfstandig naamwoord- haktol

 

hakdlle

werkwoord (zwak)

tollen

Ok haktollen ging hl goed. Ge sloegt meej enne pees aon un stkske gebonden tegen enne tol, die ge irst meej oew haande liet draaien. Deur dieje tol elke keer goed te raoke meej dieje pees, blf ie draaien. Al w zonne tol, assie un te harde lel verkocht krg, ok wel ens deur un raom vliegen. D kwaam naa wir nie zoveul veur. (Jo van Tilborg)
De Wijs -- Zumme proeme of wilde liever haktolle, tis nog te vruug om te vliegere (09-07-1967)

Cees Robben Zumme naa is gaon proeme of doede liever hakdolle... (19670908)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- en hakdlle en stintje kltse, stltlope n mitje steeke (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

WBD (III.3.2:75) 'haktollen'

WBD (III.3.2:84) 'hakdollen' = met de priktol spelen, ook: hakdollen

met de drijftol spelen

 

hakdllekes

zelfstandig naamwoord, meervoud, verkleind

haktolletjes; kinderspeelgoed: haktol, priktol, een tol waaromheen een pees werd gedraaid om de tol te werpen, ook hakken genoemd omdat het de uitdaging was met de punt van de geworpen tol de tol van de tegenstander te splijten.

Cees Robben [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkpte sewle nog drfdllekes meej n zwipke en hakdllekes meej n piske... (19800418)

►drfdllekes

 

hakke

werkwoord (zwak)

hakken

WBD I: 1458 'hakke' - onkruid bestrijden met de hak

 

hakkefietje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

akkevietje

N. Daamen (handschrift 1916) --  "hakkevietje - -n' kleinigheid"

WNT AKEFIETJE - In de algemeene taal wordt het stellig niet met een f maar met een v uitgesproken, en met een open d (gewoonlijk ook geaspireerd tot ha). Onaangenaam werkje; karweitje in het algemeen.

 

hakker

samentrekking

had ik er

Cees Robben Op dn duur hakker dorst van gekrege... (19590801)

 

hakket

samentrekking

had ik het

Cees Robben Dan hakket hier gelk gehad... W, hakket hakket... As ge haai had gegeten.. Dan hadde na trf gescheten... (19830812) [Gedane zaken nemen geen keer]

 

hakketener

zelfstandig naamwoord, spotnaam

iemand die gehaast loopt

 

hakkum

samentrekking

had ik hem

Cees Robben Akkum geraokt ha... Dan hakkum wel dd kunne slaon.. (19730706)

 

haksel

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: zult, hoofdkaas

WBD III,2.3:68 'haksel ' = hoofdkaas, zult

 

half

telwoord, bijvoeglijk naamwoord

half

De Wijs -- Ik knutsel gre mar halluf zunne td hekker ginne td veur! (20-07-1962)

Henk van Rijen: half zene td is ie nie op td - meestal komt hij te laat

Henk van Rijen: tis amml halleven bak, wttie doe - het is allemaal half werk...

WBD III.2.2:73 'halve broer / halfbroer' = stiefbroer; 'halve zuster / halfzuster = stiefzuster

 

halfdmswrk

zelfstandig naamwoord

halfduimswerk

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Ge moet gin halfdmswrk leevere.(= onvolledig, slecht werk: vroeger werkte men met duimse planken)

 

halflf

bijvoeglijk naamwoord

Frans Verbunt: het hoofd een beetje schuin houdend

 

halfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

halve-centstuk

HALFKE Pierre van Beek Wanneer iemand "z'n geld aon z'n hart gewaasen is" zijn we niet ver meer van de vrek uit de buurt en men kan er vast van op aan, dat zo iemand wel "'n halfke kan durbten (doorbijten) al was 't d-t-ie van awerdom op z'n taandvlees liep". Men heeft nu eenmaal van die "vuil meense" - zelfs in Tilburg. Het woord vuil heeft hier niet de betekenis van smerig maar van gierig. (Tilburgse taalplastiek 7 Nieuwe Tilburgse Courant zaterdag 18 maart 1950

Cees Robben Gin hallefke mir in de knip... (19641204)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): van en halfke is den boer rk gewrre (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970)-let op de kleintjes.

WBD III.3.1 :151 'halfje (halfke)' = halve-centstuk

WBD III.4.4:297 'halfke' = kwart liter, ook 'neuker' of 'uppie'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
HALFKEN zelfstandig naamwoordo. - kleine borrel

 

halfketoen

zelfstandig naamwoord

WBD halfkatoen (II:868), weefsel van linnen en katoen

 

halflnne

zelfstandig naamwoord

WBD II.4. p. 867 Weefsel van linnen en katoen" (Van Dale).

halfkatoen: hallefketoen, K 183 (= Tilburg) . [lange oe!]

 

half om half

uitdrukking, spotnaam

Van Delft - "Wat een ferm kindje ligt daar in de wieg", zei ik. "Ja, ja," was 't antwoord "en 't is er eene van half om half! De vrouw komt uit 't Turkenland en ik ben van de stad." Hiermede werd bedoeld, dat het ouderpaar onderscheidenlijk van benoorden en bezuiden de spoorlijn afkomstig is. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 109; 13 april 1929)

 

halfwaas

zelfstandig naamwoord

halfwas, aankomende of onvolwassen hulp

Henk van Rijen: 'hallefwaas krwaogentje' - klein ding

WBD III.2.2:44 'een halfwasse' = puber, ook 'aankomeling'

WBD III.2.3 :163 'halfwas' = onvolgroeide vrucht

 

halsbaand

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt): halster (hoofdstel, bestaande uit een ronde band om de neus v.h. paard en daaraan een band bevestigd om de nek, waarmee het paard in de stal is vastgebonden)

(Hasselt) stalband (de band om de nek v.h. paard, waarmee men het op

stal vastbindt

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HALSBAND zelfstandig naamwoord mannelijk: - halsboord, boord: bij landb.: band rond den hals, waarmede de beest op stal staat.

 

halvenbak

bijwoord

halfbakken, slordig, onvolmaakt

Et waar mistal mar halvenbak as hij iets ha moete zette. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

►bak

 

ham

zelfstandig naamwoord

ham

Achterbout van een dier
Kernkamp, Dialectenquete 1879 - haam en spk - ham en spek

Schilderij van Laurens Craen (detail) - 17e eeuw - 'Stilleven met ham'

Kubke Kladder Irst kregen we vleeschsoep mee bollekes. Daornao gekookte ham, gin gewone zooas ge in de winkels koopt, n ham die bij den bakker 'n wijltje in den oven gesmoord h, half en half gebraojen zood 't er 'nen geur afsloeg om waoterachtig van te worren. (ps. van Pierre van Beek; in: Uit 't Klokhuis van Brabant, Nieuwe Tilburgsche Courant, 22-2-1930.)

Kubke Kladder Dan plant-ie 't mes door de malsche zwaard [zwoerd] henen in de rood-doorregen ham en sneed er 'nen fermen homp af. (ps. van Pierre van Beek; uit: MIJN VOLK, Een schets uit het Brabantsche boerenleven, Nieuwe Tilburgsche Courant, 31-7-1930.)

Cornelis van Dale - gravure - 1612

A.J.A.C. van Delft (over het lied Achter de hemeldeur van de Tilburgse straatmuzikant Jan Viool)

Ach vrienden, luister naar mijn lied,

Het is een droom, die ik u ga vertellen,

Ik droomde laatst, dat ik gestorven was,

Ik zag den hemel en... de helle!

Ik zag den Rechter in de groote zaal,

En hoorde Hem met vele menschen spreken,

Maar ik durfde er niet binnen gaan,

'k Heb mij toen achter de deur versteken.

Aan de deur daar hing een groote ham,

Waar elke notaris van moest eten

Vrdat hij den hemel binnenkwam,

Maar... er was nog niet ns van gebeten.

Is het dan geen treurig spel?

WTT 2013 - Rolf Janssen noteerde een jongere versie van dit lied van Jan Viool met de volgende muzieknotatie, opgetekend in Goirle, en die dus niet per se de melodie was waarop Jan Viool het lied zong.

Jan Jaansen - Verder ha ze 'n schoon stuk ham gekookt en 'nen worst van ik weet nie hoeveul ellen lengte gebraoie! (ps. van Piet Heerkens svd; uit: Oome Teun in den trein, Nieuwe Tilburgsche Courant 16-9-1939)

Lechim - 'n Oosterwkse koffietaofel/ Mee boeremik en zult en ham. (ps. van Michel van de Ven; uit: En mar rgene; ongedateerd knipsel uit de Tilburgse Koerier; ca. 1970)

Rauwe en ruwe ham - hypercorrectie

Cornelis Verhoeven - Er zijn mensen die in een wat sjieke winkel geen 'rauwe' ham durven te bestellen, omdat zij weten dat de juffrouw hen met een schamper lachje zal verbeteren en 'ruwe' ham zal brengen. Het gebeurt heel dikwijls dat mensen uit louter behoefte om toch maar geen dialect te spreken, allerlei fouten maken uit hypercorrectheid. (Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978)

Cornelis Verhoeven - Alleen bij de vleeswaren sta ik wat sterker, want zodra ik 'rauwe ham' bestel, wordt dat altijd met 'ruwe ham' vertaald, en dan weet ik, dat ik het goed zeg en de deftige dame fout. (Herinneringen aan mijn moedertaal, 1978)

Ad Haans - De Hilversumse aanstellerij is niets anders dan domme distinctiedrang. Dat is altijd het geval bij hypercorrecties. Wie ruwe ham zegt als hij rauwe ham bedoelt, geeft blijk van een leemte in zijn kennis n van angst om door de mand te vallen. (uit: De Hilversumse angst voor de S en de F, in: En jaar lief en leed columns uit het Brabants Dagblad, 2003)

Wim van Boxtel - Waor hangt nog d'n ham, en 't spek, in de schaaw? (uit: Onzen eigen aord, Brabants Bont Sprokkels, 1981)

Willy van Rooy - ... 'n Paor flinke sneeje malse melktarwe van Wimme mee 'ne klats aaier-mee-ham in de pan... en dan naor buite. (uit: Op mn eendje, Schn en lilluk, 1983)

Piet Brock - Spek in de pan./ Gerkte ham./ Krp of kermenaoj./ Wrreme balkebraoj. (in: Kuus, Vuurstintjes ketse, 1990)

Elie van Schilt - Hil de femielie bleef mee eten, uyt de mis brooikus mee allemal dingen erop die we mistal nie aten, gekokte ham, ouwe ks, jonge ks, rookvls. (uit: As ge katteliek geboren wierd dan hadde toch veul te doen en te laoten; www.cubra, ca. 2003)

WTT 2013 - Beide teksten zijn een vervolg op een niet uitgesproken verlangen. Woordspeling met 'ha'm', hadden we maar, en vleeswaar ham. Vergelijk dooddoeners als 'as' = 'als' -> 'as is verbaande trf'.

houtere ham 1

In Tilburgse bronnen meestal verklaard als:

WNT lemma HAM III,2,d: De houten ham komt daar op tafel: men houdt in dat gezin voor 't uiterlijk een stand op, terwijl men zich in 't noodigste bekrimpt en krom ligt. (1898)

Jozef Cornelissen - HOUTEN HAMMEN - Er bestaat een spreekwoord toepasselijk op 's Gravenhage, dat zegt: de houten ham komt daar op tafel. Dat beteekent: ze moeten zich bekrimpen en toch hun stand ophouden. Van daar de spotnaam. (Nederlandsche volkshumor, 1930)

Jozef Cornelissen -  KULWORSTEN: Vermoedelijk schijnworsten. Vgl . 't is flauwe kul en Haagsche houten hammen.

houtere ham 2

Mogelijk is de verklaring echter niet aan zuinigheid of schijn verwant maar juist aan feestelijkheid, en wel bij het bouwen van een huis:

- K. ter Laan - 2. De mei [een meiboom] op een huis in aanbouw, wanneer de kapspanten zijn opgericht, dus bij het richtfeest. In Groningerland hangt aan die meitak aan de ene zijde een fles en aan de andere kant een houten ham, beide aanwijzingen dat er flink getrakteerd moet worden. De fles moet worden stukgeschoten.

Vergelijk de gewoonte om de vlag in top te steken als het hoogste punt wordt bereikt van een gebouw. Vergelijk: vlaggebier, de traktatie bij die gelegenheid.

achterwerk, bil, billen van een mens

WBD III.1.1. lemma  bil c.q. dij ham, ook in Tilburg

 

ham

samentrekking

had hem

En toen ham d jaogertje al gaaw ingehold natuurluk. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 6 april 1945)

 

hamme

werkwoord, persoonsvorm, samentrekking

hadden we

Samentrekking uit 'hadden' + 'we', via 'hadde me' door assimilatie.

eerste persoon meervoud, verleden tijd van hbbe = han, samengetrokken met voornaamwoord we

Cees Robben Hamme mar ham... (19540313)

 

han
verleden tijd meervoud van hbbe
hadden
Cees Robben Wij wiessen precies weffer srt d we han... (19570525)
Cees Robben De ouden van dagen han wir is zonne aauwerwetsen aovend bij Tntjes in de Lancierstraot (19571221)
Cees Robben - We han capecientjes en bekkerkes... (19570525)
Cees Robben Ze [twee vrienden] han saome gepesjonkeld/ En te veul van t goei gehad... (19620504)
Cees Robben Mar zo ze han geleerd,/ wier irst den roozenkraans gebid (19670428)
Cees Robben Vruuger han jong snotneuze.. en tirreswrrig hebben snotneuze vort jong... (19790817)
 

handelesaosie

zelfstandig naamwoord

-hantering, het omgaan met, handelwijze, inzicht

Paf [staan] van al die handelizaosie... (Piet Heerkens; uit: Brabant, Harritje, 1941)

Henk van Rijen: hij heeter gin handelesaosie van - hij weet er niet mee om te gaan

Henk van Rijen: 'H hee-t-ur gin haandelesaosie van!' - Hij weet niet hoe het moet

CiT (38) 'Hij heeter niks gin handelesaosie van

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HANDELEZATIE zelfstandig naamwoordv. - handeling, goede manier om eenig werk te verrichten. Die lomperik he' nieverans geen handelezatie van.

 

handketaaw

zelfstandig naamwoord

handweefgetouw

WBD handketaaw/ haandgetaaw (II:944)

 

handpr

zelfstandig naamwoord

handpeer

Boutkan: (blz.28) ntp -> mp: haampeer

 

handvat, handvatsel

zelfstandig naamwoord

Elk veurjaor kreeg zon fietske is in goei burt, wier ze w afgeschuurd en opgelakt, hier en daor inne nuuwe speek ingezet, soms nuuw spatbordjes en handvatsels... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WBD (II:2375) 'handvat' - een v.d. knoppen waartussen een zaagblad van een spanzaag bevestigd wordt

 

handvger

zelfstandig naamwoord

handveger

paoter handvger - onhandig iemand

WBD (III. .1:307) handvger - stoffer

snor

Ga zitten, zeej enne vent in vol ornaat meej ene flinke handvger onder zen neus, tegen mn. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

 

handwrk

zelfstandig naamwoord

handwerk

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HANDWERK - zelfstandig naamwoordo. - arbeid die met de hand verricht wordt

 

handwver

zelfstandig naamwoord

handwever

WBD handwver, haandwver (II:941) handwever, wever die thuis met de hand weefde (op het handweefgetouw).

WBD 'haandwve' (II:949)

 

hange

werkwoord (sterk)

hangen

B hange - hng - gehange

Boutkan: hange - hing - gehange

Van Delft - Tegen iemand, die tot haast aanmaant, heet het: "Nou, nou, hangen hee gin host." (Men behoeft zich niet te haasten om zelf iets te doen, dat minder aangenaam is, i.c. opgehangen worden.) (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

Mar hij hong te vaast aon zn systeem... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun als opvoeder; feuilleton in 6 afl. in NTC 2-3-1940 6-4-1940)
...et hong ok nie mee z'n punten slap en futloos naor beneje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

HANGE Pierre van Beek Om iets te doen wat niet aangenaam is, behoeft men zich - althans volgens de volksmond - niet te haasten. Men geeft dit aan met de woorden: "Nou, nou, hangen heej gin host (haast)." Opgehangen worden is namelijk een van die onaangename zaken. (Tilburgse taalplastiek 13 Nieuwe Tilburgse Courant donderdag 11 mei 1950)

Wie hilt jaor den bist uithong/ die viel et wl w teege./ Hij heej ommers van Zwarte Piet/ alleen en roei gekreege. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Spulgoed)

Twee kln pepieren ngeltjes,/ die in de Krstbom hnge. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et goei van drd )

Brabantse spreekwoorden (Mandos): de maand in den hf hbben hange (NB'78) - op korte termijn een kind verwachten (uit de bijenhouderij: Men hangt een korf in de tuin, als men een bijenzwerm verwacht.)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): heetie et gestoole, dan moetie hange (N. Daamen (handschrift 1916) -- ) - hij moet de gevolgen van zijn misdaad maar ondergaan

Er hongen k nog un paor schilderijkes en tkeningen aon de muur. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Appels van enne bom plukken, waorvan de takken over de heg hongen. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

... want stof hong der zat en d waar toen al nie gezond. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.4.4:27 'hangend weer' = bestendig weer, ook 'staand weer

 

hangstrtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hangstaartje

Henk van Rijen: staartmees (Aegithalus caudatus)

 

hank

zelfstandig naamwoord

WBD dakspar

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hank - dakspar (rond Tilburg)

 

hannebroek

zelfstandig naamwoord

Naumann - gaai

Henk van Rijen: gaai (Garrulus glandarius)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hannebroek zelfstandig naamwoord - Vlaamse gaai

De Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hanikbroek' Z.a. (blz.797)

WBD III.4.1:148 broekhannek - gaai

WNT HANNEKE 4) verouderde benaming voor sommige vogels

 

hannek

zelfstandig naamwoord

ekster (pica pica)

Afb.: Naumann - pica pica

Cees Robben - ...hanneken/ die huizen in de maast. (19600708

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HANNEK, HANNIK (uitspr. hannak) zelfstandig naamwoord m. - tamme ekster; ook 'hannen'

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - annek, hannik ekster, roek, Vlaamse gaai

lomperik, onhandige man

WNT HANNEKE 1) zwak en onnoozel man of echtgenoot..

- door Robben gebruikt voor een mager kind; waarschijnlijk in navolging van de volksnaam voor de ekster: hannek

Cees Robben W bende toch unne maogere hannik (19610901)

 

hanneke

werkwoord, zwak

aarzelen

WBD III.1.4:54 'hanniken' = aarzelen

 

hannekeskst

zelfstandig naamwoord

hannekenskost

ES (2012) - Het WNT geeft onder 'Hanneke' als tweede betekenis, en als eerste voor Zuid-Nederland: 'nuchter kalf', dat wil zeggen 'mager kalfsvlees' of vlees van jonge kalveren.

Van Delft - "Hoe ziet hij er uit?" "Och, hij heeft al zijn leven hannekekost gegeten, dan weet ge 't wel." Dit is: Hij blijkt uiterlijk niet te stammen uit een gezeten burgerfamilie. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929) [ES 2012: ofwel: hij is erg mager, hij is dus van lagere komaf; zie volgende]

Pierre van Beek Er zijn echter mensen, die men - ook al zijn ze maatschappelijk vooruitgegaan - hun afkomst soms nog van het gezicht kan lezen. Men zegt dan, dat ge zien kunt, dat hij "al z'n lve hannekenkost gegeten heej". Zo iemand stamt derhalve niet uit een burgerfamilie. (Tilburgse taalplastiek 14 Nieuwe Tilburgse Courant dinsdag 23 mei 1950)

Pierre van Beek -- Wanneer van iemand gezegd werd, dat hij "al z'n leven hannekenkost had gegeten", dan zag hij er niet te best uit en was hij niet uit een gezeten burgerfamilie voortgekomen. (Tilburgse Taalplastiek 24-6-1964)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): aaltij hannekeskst gegeeten hbbe (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1964) - onvoldoende, slechte, vaak gekregen kost hebben gegeten en daardoor mager zijn.

WNT - Samenst. (in de bet. 2) Hannekensvleesch, te Antwerpen een gewoon woord voor: nuchterenkalfsvleesch (Eenen beenhouwer wiens klanten bijzonder op hannekensvleesch gesteld waren, SLEECKX 14, 82 [1868]).
 

hannet
samentrekking
hadden het
Cees Robben Peer van Dun en Maontje Mne... / Hannet wir is schn versierd (19701120) (19701120)
 

hansjee, anzjeej

zelfstandig naamwoord

Hachee met rode kool en aardappelpuree

Henk van Rijen: hachee

Bosch hansjee - hachee

 

hanne-sjpke

zelfstandig naamwoord verkleinwoord van hanne-sjp

hansopje mogelijk kindertaal

Cees Robben Krgt ie irst van men n baordje../ Dan zn hanne-sjpke aon... (19581122)

 

haogel

zelfstandig naamwoord

hagel

WBD III.4.4:103 'hagelsteen', 'hagelkorrel' = hagelsteen

 

haogele

werkwoord (zwak)

hagelen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAGELEN onp.ww - heeft soms 'ze' en 'dat' als onderwerp

 

haok, hkske

zelfstandig naamwoord

haak

WBD puthaok (ook in Hasselt) - puthaak (stok welke scharnierend of d.m.v. een ketting opgehangen is aan de putzwengel)

WBD schphaok - ijzeren haak aan de puthaak

WBD gerilhaoke (Hasselt) - z.a.

WBD (Hasselt) eeghaok - egstok (dienend om de eg op te lichten)

WBD mishaok - mesthaak (gereedschap om mest uit de stal of van de kar te trekken)

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): nie in den haok

WBD (II:72l) schoenmakersterm: niet vermeld

Kernkamp, Dialectenquete 1879: haok - hukske (u van 'mulder' = mlder)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej de kl in den haok hange ('7l) niet weten hoe het hoofd boven water te houden

Brabantse spreekwoorden (Mandos): haoke krmmen al vruug (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1969)- een jong mens moet geleid worden: later lukt dat niet meer.

WBD (II:2699) 'verstkhaok' - verstekhaak

WBD (III.1.3:125 'broekshaak' = gesp v.e. broek

 

haoke

werkwoord (zwak)

haken; manier van handwerken waarbij met een metalen pen met een weerhaak een lussenweefsel wordt vervaardigd

B haoke - hkte - gehkt

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping; gij/hij hkt

 

haol

Boven en onder: zaoghaol; midden: kttinghaol; eind 18e, begin 19e eeuw

 

zelfstandig naamwoord

WBD haal (instrument waaraan men de kookketel boven het open vuur hangt)

WBD 'haal' naast 'haol' (?)

WBD kttinghaol - haal in kettingvorm

WBD zaoghaol - haal met zaagvormig blad

WBD (kln) hltje - kettingvormig verlengstuk onder aan de haal, langhaal

De Bont: hool zelfstandig naamwoord vr. - haal, "het getakte ijzer waaraan ketel of pot over het vuur wordt gehangen" (WNT).

 

haole

werkwoord (zwak)

halen

haole - hlde - gehld: (B): haole - haolde - gehaold

in tegenwoordige tijd ook vocaalkrimping: g+/h+ hlt

Cees Robben: we hlde hst gin ssem? hij ztter enen haole; waoter haole;

Cees Robben: fkes en frisse neus haole; mdk de gouwe(brlft) tch nie haol;

Henk van Rijen: 'As ie hlt, dan hlt ie ut' - Als hij holt, dan haalt hij het.

WBD III.1.2:80 'halen' = trekken

WBD III.1.2:88 'halen' = pakken, voor de dag halen; ook 'vatten'

 

haom, hmke

zelfstandig naamwoord

haam, ook volgens WBD (Hasselt), leren of houten juk om de hals van

trekpaarden

WBD nderhaom (Hasselt) - vilten haam (of twee met elkaar verbonden kussens die het paard om de nek draagt onder het haam, indien dit te groot is in de Hasselt ook genoemd 'ndergeril'

Cees Robben: et kooper van de haome blnk

Cees Robben: (tegen de pastoor): ge ht oewen haom nie aon (de stola)

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HAAM noemt men hier het juk, 't welk op de voorschiften der paarden of ossen gelegd wordt. Z.a.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAEM: een gedeelte van het tuig van een karpaard. Z.a.

De Bont: haom zelfstandig naamwoord mannelijk: haam, kraagvormig halsjuk van trekpaarden

 

haomer, haomerke

zelfstandig naamwoord

hamer

R.J. 'de smid zwaaide meej den haomer'

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): enen houteren haomer

WBD (II:2730) 'spkhaomer' - voorhamer/ speekhamer

WBD (II:2727) 'kluufhaomer' - kliefhamer

WBD (III.3.3:84) haomer = klepel v.e. klok

WBD (III.4.4:18) 'hamerslag' = kleine wolkjes

 

haon

zelfstandig naamwoord - verkleinwoord = ►hntje

haan

Jan Jaansen - Ze had al 'n partijke haonen geslacht en er waar groote verslaogenheid in et kippenhok, want, och jao, de haontjes zijn wel 'ns laastig veur de kiepkes, mar as ze d'r nie zijn, of al te weinig, dan is 't ok nie goed, d snapte! (uit het feuilleton 'Oome Teun in den trein' van Piet Heerkens;)
Lechim - Mee 'n stuk of vf zis koeikes/ 'n Haffel kiepe en 'nen haon/ Hai alles we 'ne meens kan wille/ Hij keutelde z mar w aon. (Ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, ca. 1970)

Lechim - En ze di'n mee hoge fiste [hoogtijdagen]/ Mee virtien man van nen haon... (Ongedateerd knipsel uit Tilburgse Koerier, ca. 1970)

Piet van Beers - In de Lnse Moer daor wonde / onzen ome Adriaon. / Hij ha zeuve zwarte kiepe n unne groten zwarten haon. (uit: Aaajer f jong; CuBra)

Piet van Beers - Ziede m daor gaon/ z fier n frt, zn borst flink brd/ n lken dag zn biste kleere aon./ Hij schudt zene kop/ zn vre glimme/ n z nou n dan/ ziedem kwansuis n kiep beklimme. (uit: 'Den haon'; CuBra, ca. 2007)

Elie van Schilt - Ge wiert wakker dur ut kraaien van dun haon van dun buurman, ut getok van de kiepen, hl uitgelaoten as ze un aai hadden gelee. (Uit: 'Vruuger heurde wij aanders'; CuBra, circa 2002)
1. mannelijke kip (Gallus gallus)

1.1 Metafoor voor seksualiteit

De haan speelt meestal een rol is spreekwoorden en gezegden die betrekking hebben op seksualiteit en voortplanting

De Wijs -- (Twee ouwe vrijsters kopen bij de boer 4 kippetjes maar willen er (voor de orde) ook 4 haantjes bij hebben. De Boer: ) D is nie nodig, 4 haontjes bij 4 kiepen (Een van de vrijsters:) J, mar wij weten w wochten is. (10-03-1967)

Cees Robben: Dnkte naa dk van znne stmmen haon ng en aaj wil tbroeje.

Brabantse spreekwoorden (Mandos): nen goejen haon die brngt er den buk n brsten aon (Handschrift Daamen 1916) - een goede echtgenoot maakt een vrouw zwanger)

Frans Verbunt: ne goejen haon is nie vt

Piet van Beers - Den haon komt vur de middag scharrele/ n dan gaoget wir van " HUPSAKEE ". (uit: 'De Aodelukke kiep'; CuBra, ca. 2007)

Tony Ansems - Kaka Diedel Dee, kraaide den haon/ Kaka Diedel Dee, z'heej overspel gedaon/ Kaka Diedel Dee, van heur kan'k niks op aon/ Waar komt dat Russisch ei, onder der gat vandaon? (Van de cd Tilburgse Liedjes - American Style, 2007)

1.2 Eigenschappen van de haan

1.2.1  Meeloper

Van Beek - "'Haontje van den toren was zenne leermister". - Hij draaide met alle winden mee. Hij was niet flink; hield er geen eigen mening op na. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

1.2.2 Verwaandheid

Cees Robben: Hij is z verwond as enen haon die dnkt d de zn pkmt mde hij kraajt

Lechim - Ik waar zo frd as unnen haon/ Mar de blk nie zo schraander/ Want toen 't bal laot tne was/ Vertrok ze mee 'n aander. (Ongedateerd knipsel; Tilburgse Koerier, ca. 1970)

Frans Verbunt: lopen as enen haon meej stront n zen pote - bekakt, parmantig

WNT - lemma Snoeshaan - Iemand die luidruchtig of aanmatigend optreedt, opschepper. Veelal met de gedachte aan iemand die een losbandig leven leidt of iemand die krijgshaftigheid ten toon spreidt. (...) Uit: Hoogduits schnauzhahn, eigenlijk kalkoensche haan.

1.2.3 Ongenaakbaar

Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge bnt nog nie van mn aaf, zi den haon teege de pier, n hij had em al half p (D'16) gezegd tegen iemand die ten onrechte meent aan gestelde eisen te voldoen.

Bijnamenboek Karel de Beer: de gebraojen haon = Jozef Janssen (blz.45)

1.2.4 Gulzigheid

Informant Raaijmakers -  Hij vloog erop aaf as nen haon op ne knoezelbos.

WTT 2013 - Deze vergelijking lijkt afkomstig uit de duivensport. De enige andere vindplaats van deze uitdrukking is het in Tilburg bekende lied 'Daor komt mene witpn aon' van Jo Hoogendoorn, opgetekend door Rolf Janssen: 'En is 't concours [de duivenwedstrijd] ten end/ en d'n tslag wordt bekend/ gaon ze [de duivenmelkers] op de lsten los/ a's 'nen haon op 'ne knoezelbos/ eene roept er dan vol lol/ zeg, doet 'm nog es vol... (We hebben gezongen en niks gehad; 1984)

2 Ander mannelijk gevogelte

2.1 mannelijke kalkoen (Meleagris gallopavo)

Jan Jaansen - Den Sik wier zoo rood as 'nen kalkoenschen haon (uit: 'Den Sik van Baozel'; feuilleton van Piet Heerkens naar een tekst van Wibbelt; Nieuwe Tilburgsche Courant 1939)
WBD I.6. Kleinvee - lemma Mannelijke kalkoen - haon - mannelijke kalkoen

2.2 mannelijke zangvogel

WBD III,4.1:25 'haan' (=haon) - mannelijke zangvogel, ongeacht de vogelsoort - als 'man' of 'mannetje' ('mnneke') frequent in Tilburg; als  'haan': zeldzaam in het midden van het Tilburgse, ook in Gilze.

2.3 mannelijke fazant (Phasianus colchicus)

WBD III.4.1:183 'haan' - mannelijke fazant; verspreid in Tilburg

2.4 Korhoen ((Lyrurus tetrix of Tetrao tetrix)

WBD III.4.1:185 'korhaan' - korhoen (Tetrao tetrix), ook 'korhoen'; zeldzaam in Tilburg

 

haoneg

bijvoeglijk naamwoord

vrouwziek

WBD III.2.2:109 'hanig' = vrouwziek

 

haonekaam - haonekam

zelfstandig naamwoord

hanenkam

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hoanekaam

 

haonekrulleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

teelballetje v.e. haan

Brabantse spreekwoorden (Mandos): et schilt mar en haonekrulleke (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1972) - het scheelt heel weinig

 

haonenbalk

zelfstandig naamwoord

WBD hanebalk (horizontale (bovenste) verbinding dwars door het huis)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HAANSBALKEN, zie Hoogstraten

 

haonenk

zelfstandig naamwoord

hanennek; neerhangende vel van de onderkin

Cees Robben Mee oewe haonenek... (19810410)

 

haonepote

zelfstandig naamwoord, meervoud

hanenpoten; slecht handschrift

Jo van Tilborg - Ineens hak et toch te pakken en kos ik de juffrouw alles vurlezen, w ons moeder op et briefke ha geschreven, meej die haonepte van der. Waor die schrve ha geleerd! (Tilborg, Jo van - Kosset den brne eiqeluk wel trekken I, 2006)

 

haonetrap

zelfstandig naamwoord

WBD - hanetred (eigenaardige onwillekeurige beweging van een of beide achterbenen v. e. paard), ook genoemd 'haonenspat'

De Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hanetred', krampachtige beweging der achterbeenen (v.e. paard), waarbij het spronggewricht sterk en krampachtig bewogen wordt. (WNT)

 

haoneschreej

zelfstandig naamwoord

de schrede van een haan; figuurlijk: een zeer korte afstand, de uitersten liggen heel dicht bij elkaar

Cees Robben Van schreuwe tot laage.../ Van hemel naor hel.../ Van engel naor duvel.../ Van waereld naor cel... (...) W zn we toch tobbers.../ unne haoneschreej... (19570112)

 

haopere

werkwoord (zwak)

haperen

haopere - haoperde - gehaoperd

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): haopere

Brabantse spreekwoorden (Mandos): in Haopert haooer(t) et aaltij (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1972) - woordspeling

WBD III.4.4:311 'hapering' = stoornis

Ant. - HAPEREN - aan iets blijven vastzitten. Mijn kleed haperde aan 'nen nagel.

 

haor, hrke, meervoud: haor

zelfstandig naamwoord

haar, haartje, haren

R gezegde: (Als iemand iets doms gezegd of gedaan heeft, vergoelijkend, spottend): Lt ze mar kamme die gin haor hbbe!

B meej hangende haor - met hangende haren

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Dan moeste de oore, daor moeste vur oppaase. Ast te het waoter was dan krulde ze op n dan braande die haor derin n zo wast meej en varke presies inder. Ast te het was dan braande die haor drin n dan hadde soodemieters veul wrk want dan koste ze nie schonkrge die rtzakke! (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Audio-opname 1978 -- En dan hadde van die krnge bij, j, dieter zon haor op hadde staon! Hadde die mense die niks dinne dan in die td dt slachten was, dan vur te zoute vur de boere, die ginge hil die boere ginge die aaf, war, mar dan trokke ze wl der haore! (Interview met dhr. Bertens; transcriptie Hans Hessels 2013)

KLIK HIER om het bestand te beluisteren  

Naa zo alles praachtig gegaon zn, mar dr kwaam in haor in de boter... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Van Beek - "De haren van zijn ziel verbranden". (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

gezegde: Pierre van Beek -- - et haor krge = boos worden. Er bestaat ook in Nederland een gewestelijke uitdrukking 'het haart in de keel krijgen'. 'Haart' betekent: een scherp of branderig gevoel, b.v. door rook of mist of van scherpe spijs of drank, waardoor men aan het kuchen raakt.(Tilburgse Taalplastiek 152).

N.B. 'haart' niet in WNT. M.b.t. 'et haor krge' zou verband met WNT HADER, in samengetrokken vorm 'haar' = twist, krakeel, kunnen bestaan

gezegde: - zen haor trughaole - wraak nemen

Tekening: Cees Robben uit 3 jaar voetbal concentratie van A.P.M. v.d. Ven jr., 1946

Brabantse spreekwoorden (Mandos): beeter rooj haor dan blnd p en eezelskont ('71)

WBD I:1467 haore - baard, stekels v.e. aar

WBD [?] wilde haor -witte vlekken (bij een paard), ook genoemd 'gedrukt'

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): haor zelfstandig naamwoord- haar; ge moet oe haor trughaole z.n.

 

haorbaand

zelfstandig naamwoord

WBD koot v.e. paard, ook 'koogel', (Hasselt) 'koowgel' genoemd

WBD kroon (v.e. paardehoef), ook genoemd (Hasselt) 'hrbaand' of 'kron', elders 'kronraand'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAARBAND zelfstandig naamwoord mannelijk: - het gedeelte van den voet eens peerds boven den hoef.

 

haore

Schilderij: Ernest Chateignon, Het binnenhalen van de oogst; 19e

 

J.F. Millet - De maaier; 1867

werkwoord (zwak)

scherpen (van snijdend gereedschap)

-haore - haorde - gehaord; geen vocaalkrimping

Van Beek - "Hij wet op een zeissie, die 't horre nie kan verdraogen", zegt men tegen iemand, die zit te zeuren en te kletsen. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): haore ww - scherpen

C. Verhoeven: HAREN (haore) overgankelijk werkwoord, een zeis of zicht scherp maken door met een spec. hamer het randje te pletten. Hiervoor werd een haargetouw gebruikt; z.a.

WNT HAREN III - snijdend gereedschap - bepaaldelijk zeisen en zichten (pikken) - scherpen, door de snede op een aanbeeld met een hamertje uit te kloppen. Z.a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAREN- 'de snede van eene pik of zeisen scherp en dun kloppen met eenen haarhamer op eene haarkruin.

 

Maaier haart zijn zeis - Tekening Jan Wiegman uit Katholieke Illustratie 1926

 

Haorhs

Toponiem in de wijk Oerle

1879 Houtverkoop ten behoeve van den Arme te Tilburg - Burgemeester en Wethouders van Tilburg zullen op Woensdag den 15 Januari 1879, des avonds te 6 uren, ten Koffiehuize van J. B. MARINUS, ten behoeve van den Grooten of Heiligen Geest Arme, den hoogstbiedenden publiek verkoopen, als: (...) 5 koopen idem [= kanadaboomen] te Oerle aan het Haarhuis.

 

Tilburgsche Courant 1 januari 1871

 

haorinder

bijvoeglijk naamwoord

precies hetzelfde, net eender, op een haar na hetzelfde

De mskes han en haorinder kleeken aon. - De meisjes hadden precies

Cees Robben W trekt ie [het kind] toch op dn aauwe, war/ Haoreender de weergaoi... (19840217)

C. Verhoeven: HAAREENDER (haorinder) bijvoeglijk naamwoord op een haar na eender, hetzelfde

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): haarinder bijwoord - haareender, precies hetzelfde

 

haorplukke

werkwoord

Van Beek - Da's tegen de duvel gehorplukt. - Dat is een nutteloos werk gedaan. - Vergeefse moeite. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

Henk van Rijen: ruzie maken

 

haorspl, hrspl

zelfstandig naamwoord

haarspeld

WBD III.4.4:229 'haarpin' = scherpe bocht

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAARSPEL (Kemp. haorspl), mrv. haarspellen, vklw. haarspelleke(n)

 

haorzakke

werkwoord (zwak)

Van Beek - "Lig niet te haarzakken." Verveel me niet. (Nwe. Tilb. Courant; Uit Tilburgs folklore; 18 juli 1958)

 

Ill.: Rolf Janssen

 

haos, hske

zelfstandig naamwoord

haas (lepus europaeus)

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): enen vtten haos

 

- Van Beek - "Ik weet wel, waar den haos in de peper le." Hiermee werd bedoeld: Ik weet er alles van. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgse uitdrukkingen afl. ?; 29 augustus 1959)

- Cees Robben De wreld is nie dur unne haos gedekt... (19780217) [haastige spoed is zelden goed]

- Kernkamp, Dialectenquete 1879: hoaze - hazen

- Brabantse spreekwoorden (Mandos): 'ge winnet, stloor', zi den boer teege den haos toen ie em nie ks krge (N. Daamen (handschrift 1916) -- )

- Henk van Rijen: ek z nie dur nen haos gedkt - Rustig, ik kan niet alles tegelijk

- Frans Verbunt: haozelr onder zen schoene hbbe - hard lopen

Stuk vlees uit de lenden van een rund.

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: Stuk vlees uit de lenden van een rund.

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

Beschrijving van het WBD: Van de haas; Tilburg.

Zie ook: Filet, ossehaos, runderhaos.

 

haoske [hske]

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van haos, haasje.

- Cees Robben of pruuft dan eens van t haoske (19550205)

 

haote

werkwoord (zwak)

haten

B haote - haotte - gehaot

- ook in tegenwoordige tijd geen vocaalkrimping

 

haotelek

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen: hatelijk

 

Piushaven - Tilburg - ets: De Laat

haove

zelfstandig naamwoord

haven - het meervoud is 'haoves'

Cees Robben We hebben n haoven mee waoter dr in.../ Mee zaand... en veul aauw ijzer (19540515)

 

Corylus avellana

haover

zelfstandig naamwoord

haver

WBD haovervoor (Hasselt) - havervoor (bij het ploegen)

Cees Robben: om den haoverklap

Bredt vertlde ie et bezuuk/ van haoverre toe gort,/ hoe en ongeluk ie ha gehad/ daor... op de wntersprt. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Aaventoe liege maag...)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hoaverkiest

WBD I:1404 'haover' - haver

WBD III.2.3:141 'haver(e)moutsepap', 'haver(e)moutepap= idem

 

haozelnoot, haozenoot

zelfstandig naamwoord

hazelnoot (Corylus avellana)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: haozelntte - hazelnoten

 

haozelwrm

zelfstandig naamwoord

hazelworm (Anguis fragilis), een hagedis uit de familie hazelwormen (anguidae).

In Tilburg niet als zodanig opgetekend maar als ►sallemander

 

haozenhak

zelfstandig naamwoord

WBD mouw (gewrichtsziekte bij jonge paarden), ook genoemd 'mwke' of 'mk'

 

haozepeeper

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: hazepeper

 

happe

werkwoord, zwak

eten (kindertaal)

- happe - hapte - gehapt

C. Verhoeven: HAPPEN overgankelijk werkwoord (tegen kinderen gezegd) eten. Z.a.

 

hapsnap

bijwoord

1974 (ca.) - hapsnap dialect = in een oogwenk iets doen = in een vloek en een zucht = in overhaast iets doen - 't is in 'n "hapsnap"' gebeurd." - is een uitdrukking van de combinatie "happen" en snappen = direct reageren (Pierre van Beek typoscript Archief Pierre van Beek)

 

Typoscript - Archief Pierre van Beek

 

Henk van Rijen: et gong ammol mar hapsnap - het ging allemaal zo maar vlugjes

WBD III.1.4:378 'hapsnap', 'hapsnaps' = in alle haast

De Bont: hapsnap(s) bijwoord - in alle haast;

Tuerl. en Corn-Vervl. 'haps-snaps'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAPS, APS bijwoord - in groote haast, met de gauwte

 

hard

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

hard

Handschrift Daamen 1916: "ze zn hard (arm)"

WBD (Hasselt) weerstand biedend (gezegd v.e. paard); elders spreekt men van harden bk'

gezegde: Henk van Rijen: et er hard p hbbe - erop gebrand zijn

Kernkamp, Dialectenquete 1879: haard wrreke is z'n zoak nie - hard werken is zijn zaak niet

Brabantse spreekwoorden (Mandos): z hard as nen duuvel p zene kp (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1957) - spreekwoordelijke vergelijking

Brabantse spreekwoorden (Mandos): z hard zn d den duuvel oe nie wil (N. Daamen (handschrift 1916) -- )

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hard bijwoord - hard; hij is hard ziek - erg ziek

 

hardfietse

werkwoord, zwak, maar vrijwel uitsluitend als infinitief of gesubstantiveerd (et hardfietse)

wielrennen

Irst hardfietse op de TeeVee. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ast ene sleur gao worre)

 

hardlveg

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

De Wijs -- Ik geleuf al zn lve dek van mun lve nog nie zo hardlvig z gewist, Mijnheer Dokter. (10-03-1967)

 

hardstenkapperij

zelfstandig naamwoord

steenhouwerij

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n dan hadde die hardstenkapperij van, van Petit, d was daor ammel enen hoek mar ds, hil et zaakje is daor ammel wg vort, hds ammel vort wg Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

hardzak

zelfstandig naamwoord

iemand die het moeilijk heeft

Handschrift Daamen 1916: "hardzak - armen drommel"

 

harnasketaaw

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: machinaal weefgetouw (ook: staolketaaw)

 

hars en dwars

uitdrukking

Van Beek - 't Lag hars en dwars dooreen. - Schots en scheef. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

Cees Robben Des me k n rouw ketier (...) alles lee schots en scheef en hars en dwars dur mekaare... (19840210)

 

harses, harsens

zelfstandig naamwoord, meervoud tant.

hersenen, verstand, hoofd

- Gebrk toch oew harses

- Meej et bsse kreg ik en pr op men harses. - Bij het schudden kreeg ik een peer op mijn hoofd.

D wil zeggen: hij ha harsens genog, mar hij kos er nie mee overweg... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)

Ge flapt er alles mar uit, w't er in oe harsens opkomt! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun en de dames; NTC 20-1-1940)

d'r harses die werkte nie als te fel... (Piet Heerkens; uit Vertesselkes, De boeren van Baokel, 1944)

Hij gao mee zun harsus dur de muur, j. (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Frans Verbunt: dnken is vur de prde, want die hbbe grote harses

Stadsnieuws (rubriek): Hij viel meej sen harses op de kaajbaand n was gelk van sene susserd (250209) - Hij viel .... en was helemaal van de wijs, van streek, in de war.

WBD III.1.1:37 'harsens' = hoofd

WBD III.1.1 :178 'harsens' = hersenen

WBD III.2.3:64 'harses' = gekookte hersenen

WBD III.1.4:23 'hersens' = verstand

WNT Aanv. II:3804 HARSES informeel mv. voor hersens.

 

hart

zelfstandig naamwoord

hart

Kernkamp, Dialectenquete 1879: in 't haart - in het hart

Brabantse spreekwoorden (Mandos): hbbe ze et nie nt hart, dan hbbe ze et n de start (Handschrift Daamen 1916) - ze voelen altijd wel iets, zijn altijd wel een beetje ziek

Brabantse spreekwoorden (Mandos): in iemes zen hart begraove liggen as en boereknt in en turkslre broek (Handschrift Daamen 1916) - in iemands hart gesloten zijn

Brabantse spreekwoorden (Mandos): km n men hart, want ge ruukt nr sneevel (Handschrift Daamen 1916) - Schertsende liefdesverklaring van een drinker aan zijn glas

Brabantse spreekwoorden (Mandos): et pinneke van zen hart hangt in de strnt (N. Daamen (handschrift 1916) -- ) - antwoord op de vraag 'Waarom is hij zo klein?'

WBD III.1.3:132 'hartje' = borststuk v.e. schort

WBD III.1.3:262 'hartje' = medaillon; ook 'kastje'

WBD III.1.4:185 'hart' = gemoed

 

harte

werkwoord, zwak

Henk van Rijen: harden

 

hartelek

bijvoeglijk naamwoord

hartig [bij vergissing uit hartelijk]

Cees Robben   n bammeke mee n harteluk stukske vorse worst... (19840615)

Handschrift Daamen 1916: "hartelik - in plaats van hartig (krachtig, zout)"

Bosch hartelek - kruidig van smaak, hartig (zout)

 

harte(s)

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen: harten(s) (bij kaartspel)

WBD (III.3.2:175) hartes = harten (v.e. kaartspel)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): hartes - zelfstandig naamwoord: harten (kaartterm)

 

hartjesbrod

zelfstandig naamwoord

hartjesbrood

- compact bruinbrood, van overwegend rogge, met zuurdesem, aan de bovenzijde voorzien van een ingebakken hartjesmerk

Cees Robben Zeg kende gij d brooike nog/ Van klaoren blom.. van enkelt rog/ t hartjesbrood... (19600624)

Frans Verbunt - hartjesbrood - zelfstandig naamwoord- soort klassiek bruinbrood met een hartje gemerkt (Frans Verbunt)

Henk van Rijen - hartjesbroot - zelfstandig naamwoord- brood van roggebloem aan de bovenkant gemerkt met een hartje. (Henk van Rijen)

Cees Robben - Ik viel op een middag na schooltijd bij tante Jana binnen. Ze bekruiste net een groot Hartjesbrood en sneed er het korstje af. In het binnenste van het aangesneden brood groef zij een diep pijpje en zij vulde de ontstane ruimte met malse boter. (Cees Robben)

WTT 2013 - Het hartjesbrood geldt tegenwoordig als een specialiteit van de warme bakker. In tijden waarin de broodprijzen door de lokale overheid - het college van zetters - werden vastgesteld, lijkt hartjesbrood geen bijzondere culinaire verdienste te hebben gehad maar wel een bepaalde bereidingswijze. Hartjesbrood was in die tijd een vrij goedkope broodvorm, getuige deze advertenties uit Tilburgse kranten:

 

Nieuwe Tilburgsche Courant, maart 1924

 

Nieuwe Tilburgsche Courant, februari 1921

 

Tilburgsche Courant, februari 1928

- Wim van Boxtel - ... Mar smergens vruug,/ kreege ze op toffel,/ vier pillen van 't hartjesbrood./ besmeert mee niks,/ belee mee suiker,/
mar, och, ge gongter nie van dood... (uit: 'Toe de nok omhoog', geciteerd in De Brabantse Koffietafel, Cor Swanenberg & Nelleke de Laat, 2000)

WBD III.2.3:189 lemma Half en half - Brood van tarwemeel met roggemeel vermengd - hartjesbrood: opgetekend voor Tilburg, Goirle en Lage Mierde.

WBD III.2.3:191 lemma zemelenbrood - 'hartjesbrood' = zemelenbrood - Tilburg, Goirle en Lage Mierde

WBD III.2.3:191 lemma roggebrood - 'hartjesbrood' = roggebrood - uitsluitend opgetekend in Tilburg.

► mik

► mlkmik

► rggebrod

► brod

 

hartlap

zelfstandig naamwoord

Van Dale - hartelap = lieveling

't Gaaf allemol niks (...) hij mos en z Anna's hebben. Naaw hij hee ze gekrege! En toen waren ze mee drien blij: de kster, omd-t-ie z'ne hartlap gewonnen h, Anna omd ze 'ne meensch h en den awen Door zelf omd't-ie eindelijk toch een van z'n dochters kwijt was. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)

 

hartwrm

zelfstandig naamwoord

hartworm

WNT - spoelworm, ingewandsworm; fig. de eene of andere, de rust van het gemoed bedervende, storende zaak

Brabantse spreekwoorden (Mandos): tis goed vur den hartwrm (N. Daamen (handschrift 1916) -- )- excuus als een borreltje genomen wordt.

 

hasjee

zelfstandig naamwoord

hachee

Piet van Beers Praaj: "Breng dan w Praaje meej./ Tweej dikke, vur den Ertesoep/ n w vur den Hasjee" (Spoeje doemmeniemer; 2009)

►hansjee

 

hasse

samentrekking

had ze

Cees Robben Spulle hasse zisse... (19781027)

 

hatjutbm
samentrekking
had hij het bij zich
Cees Robben (19670217)
 

hatsjieje

werkwoord (zwak)

niesen

 

hattie
samentrekking
had hij
Cees Robben meer hattie nie.. (19580913)

 

hattum

samentrekking

had hem

Cees Robben - Ik zeg vattum.. en hij viet.. en hij hattum... (19690214)

 

hb

zelfstandig naamwoord, vrouwelijk

het hebben, bezit hebben

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Tis er ene van Kleef, daor haawe ze meer van den hb as van de geef.

 

hbbe

werkwoord (sterk)

hebben

hbbe - ha/h - gehad

Boutkan: : hbbe - ha/had - gehad

Praesens: ik hb - gij ht - hij heej ; imp. : heb

► voor een totaaloverzicht van de vormen van hebben, zie het dossier

De Wijs -- Hj gezee dettiejum bijm h? (feb. 1962)

De Wijs -- (bij oplossing van n puzzle) t hee hil w dn veur d ge dr it komt (17-08-1964)

Cees Robben: Ik h wl gezien ...; ik moet van Piete niks hbbe;

Cees Robben: Ge ht gin gelk, mar ge krget wl ... ik hbbes zat...

Gezegde: Henk van Rijen: et er hard p hbbe - erop gebrand zijn

Henk van Rijen: kh oe nie gezien - ik heb je niet gezien

Henk van Rijen: ze hn er lillek tegenngerst - ze h. een flink pak slaag gegeven

WvM 'en dao hek schon mesiek geheurt' - 'in B. hann ze un schon kerk'

WBD III.2.2:4 'het hebben' = menstrueren

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HEBBEN, HEMMEN - had, hod, haai, ha - gehad

 

Gehad hbbe

- WTT - mei april 2019: 'gehad' versterkt hier een voltooide tijd met 'hebben'. Dit lijkt een variant op het gebruik van 'gehad' als 'perfectum remotius' ofwel 'verwijderd voleindigde tijd' (zie volgende onderdeel). Opmerkelijk is dat de constructie in enige voorbeelden een gebeurtenis die nog moet plaatsvinden reeds als voltooid weergeeft.

"'k Zu gren Vinken 'ns efkes gesproken gehad hebbe", zee oome Teun... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

"J, kk, 't zit zoo: ik moes eigenlijk 'ns mee Anneke van hier tegenover gesproken gehad hebbe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

Gehad als perfectum remotius

- WTT - april 2019 - Het betreft hier het verschijnsel dat in de taalkunde 'participium perfectum' wordt genoemd of 'participium remotius' of 'verwijderd voleindigde tijd'. De cconstructie versterk de voltooide tijd nog meer als verleden tijd. De Bont beschrijft het met vele dialectische voorbeelden in 445 van deel 1 van 'Dialekt van Kempenland'.

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - n daor hbbek lang saome meej gewrkt gehad Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Ik heb toen bij Jantje Brouwers gewrrekt gehad in den ollgstd want toen bn ik meej, meej wrkverlf gekoome... Klik hier om dit bestand te beluisteren

- Mar j, die hbbe ze fIeej week opgelaoie gehad (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Kaffee Bar Dnsing Bodega 't Bmstrunkste on de Ringbaon Oost. D is 'n tdje dicht gewist, omd ze w probleme gehad hadde gehad meej laastige bezoekers.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

-Ik ston pasgeleje bij de pin-automaat, want ik moes geld hbbe. Ik wies nie f er nog wddt z koome, want de soos ha al ene hille td niks mir gestort gehad.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

hebben gebruikt in plaats van zijn

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Ze hadden omgevallen'; 'Hdde wiste kijken?'

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Verbild oe is desse gas hadden gaon betrekken van de mijnen.'

- Hij heeter, toen ie van school kwaam, k nog un paor weken in vaaste dienst gewist. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

- WTT april 2019 - Het is niet duidelijk in welke mate deze verwisseling van de hulpwerkwoorden in het Tilburgs geweest is. De Bont beschrijft het met vele dialectische voorbeelden in 445 van deel 1 van 'Dialekt van Kempenland', alwaar de constructie blijkbaar zeer gangbaar was, of zoals De Bont het zegt 'dat een zekere voorliefde voor hebben bestaat' (1962).

 

hbbedingske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

- Van Dale -  hebbeding - voorwerp waarmee men niets weet aan te vangen, waar men geen naam voor weet, zonderling, raar ding

- Handschrift Daamen 1916: "hebbe-dingske 't is mar 'n hebbedingske (een klein meisje, een niemendalletje)"

- WNT HEBBEDING - Eene zaak, een voorwerp waarmede men niets kan uitrichten of niets weet aan te vangen, waar men geen naam voor weet, of waarvan men den naam op 't oogenblik niet in staat of gezind is te noemen.

 

hbberd

zelfstandig naamwoord

inhalig, gierig persoon

 

hbberdegrieks

bijvoeglijk naamwoord

Brabantse spreekwoorden (Mandos): iets hbberdegrieks (HM) '70

 

Van Hbscheute

zelfstandig naamwoord, eigennaam

fantasie-eigennaam

Cees Robben: 'Van Hpscheute'

 

hbstijn

inhalig, hebberig iemand

Informant Vromans -  Naar jodennaam Ebstein

 

hdde

persoonsvorm van 'hbbe' met samengetrokken voornaamwoord

- heb je, hebt ge/gij, hebt u, hebben jullie Persoonsvorm 'hebt' geassimileerd met enclitisch pronomen 'ge'.

WTT 2013 - 'Hdde' wordt vaak, maar niet uitsluitend, in de vragende vorm gebruikt. In zowel de vragende als de stellende vorm kan herhaling van het voornaamwoord plaatsvinden (zie onder).

 

Tweede persoon - gij, ge, je, jij

- Gerard van Leyborgh (=ps. van Lambert de Wijs) - Mar Harrie hedde gin brievekpke in oewe zak, want dan mot ik toch nog effe weg schrve. (Nieuwe Tilburgsche Courant - 24 oktober 1925; Tilburgsche Schetsen: Ceciliafeest)
- 1999 Jan Naaijkens - Wie kende niet het vraagspelletje: "Hedde gij d mndje (mandje) nog? Welk mndje? Waor Mozes in gescheten h." (Het dorp van onze jeugd; 1999)
- Pierre van Beek - "Marie, ik kan een schoon stukske leer goeikoop overnemen. Hedde 'n paar gulden veur me?" Marie schoot af, het leer verwisselde van eigenaar en er was geld voor een borrel. (Het Nieuwsblad van het Zuiden - woensdag 21 mei 1969; Gebrs. Van Houtum zadelmakers)
- A.J.A.C. van Delft - Hup mr Jaans, den beer ies los,/ Heddum nie hoore brulle?/ Snijd um z'n neus en oore aaf,/ Dan hedde nog w te smulle. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 18 mei 1929
Van vroeger dagen 115: Op zn Pallieters)
- Anoniem (wsch. Pierre van Beek) - "Hedde naauw ot zo gezien" bezigt men bij tegenspraak, zogoed als: "lopt naor de maon", hoepelt op! (Nieuwe Tilburgse Courant - vrijdag 28 maart 1958; Typisch Tilburgs en Tilburgse typen 13; Spreekwijzen in dialect.)

- Cees Robben - Moeder heeft haar Wimke verteld van het jonge leven dat zich in haar lichaam ontwikkelt en ze vraagt 'm: w hedde naa 't liefste Wimke, unne jongen of 'n meske...?' 'Nou moeder, as 't jou nie te veul moeite kost... gift men dan mar 'n fietske...' (Robben en Rooms, Dn ooievaar; 1981)
- Cees Robben Monseigneur, ik vat de pen op,/ want ik kan 't niemer aon.../ Hedde nie ter assistentie/ unne nuuwe kapelaon...? (Robben en Rooms, t Meske...; 1981)
- Kubke Kladder (=ps. van Pierre van Beek) - 'n Klokhuis hedde in 'n appel, d is 't middelste, waor de pitjes inzitten. Tilburg mee z'ne kraans van durpen is 't binnenste van Brabant; en er zitten k pitjes in, w ik oe smoes. (Kubke Kladder, Uit 't klokhuis van Brabant 1, Nieuwe Tilburgsche Courant 9 oktober 1929 - Uit 't Klokhuis van Brabant)
- Piet Heerkens - M'n twee vurrige busselkes "rgel" en "Mus" wieren over et algemeen heel goed onthaold en hier hedde dan busselke drie "de kinkenduut", oftewel de kikvorsch. (Voorwoord in De Kinkenduut, 1940)
- 2013 Aaf Brandt Corstius - De verplegers en verpleegsters kennen ook iedereen. Ze doen steeds de groetjes, en gaan op een fijne, familiaire wijze met hun patinten om. 'Hedde kramp?' hoorde ik een broeder tegen een oudere patint zeggen. Dat is toch veel prettiger dan dat formele: 'Heeft u pijnlijke spiersamentrekkingen, mevrouw?' (Column Tilburg, in de Volkskrant, 25 februari 2013)

- Henk van Rijen: hdde swls niks mir geheurd? / hdde kaaw, kom mar gaaw

- Cees Robben: Hdde dan nie en of aander zieke kiep vur mn zieke vrouw?

- J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEDDE voor hebt gij? HED voor den tweeden pers. enk. van den tegenw. tijd.

HEDDER voor 'hebt gij er?' Z.a.

- C. Verhoeven: -DE (hedde e.d.) zie aldaar.

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HEDDE - samentr. van 'hebde', 'hebt-de', - hebt gij

 

Tweede persoon - idem, maar met herhaling / versterking van het voornaamwoord

Cees Robben: Dan hdde gij al veul aachter de rug.

Cees Robben: Hdde gij dan van mn geheurd wk list van jou geheurd hb?

 

Tweede persoon - idem, maar met herhaling / versterking van het voornaamwoord in de tweede persoon meervoud - jullie

Cees Robben: Wn schon knder hdde gllie.

 

Hebben als hulpwerkwoord waar 'zijn' grammaticaal verwacht wordt

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): Hdde wiste kke? - Ben je wezen kijken?

Gerard van Leyborgh (=ps. van Lambert de Wijs) - "Hedde wiste klottere" zegt de eene buurvrouw tegen de andere, wanneer zij met pakken en pakjes beladen elkander tegen komen. (Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 5 december 1925 - Klottermarkt)

 

hdde me nie gezien

bijwoord

Cees Robben gebruikt het als eufemisme om de borstomvang van een vrouw aan te duiden.

Cees Robben Dan heese-me-nogal-w... J zeker, z van dtteme van die-kom-sa van hedde-me-nie-gezien. (19710424)

 

heebreuws

bijvoeglijk naamwoord

M hebreeuws

De Bont: zelfstandig naamwoord o.- Hebreeuws, onverstaanbare taal.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HEBREEWS(CH) bvw. - Dat is Hebreeuws veur mij - dat versta ik niet

 

-heedes

meervoudsvorm bij woorden op -heid

IJdelheid van d'ijdelhedes... (Piet Heerkens; uit: De Mus, Architekt, 1939)

 

hge

werkwoord, zwak

hijgen

B hge - hgde - gehgd

- geen vocaalkrimping

Henk van Rijen: hij hgt van muugeghd - hij hijgt van vermoeidheid

Cees Robben: n Drik begs te hge: hij hgden as en meuleprd;

Cees Robben: naa hangde te hge nr en bietje lucht

Frans Verbunt: hgen as en spurriekoej - kortademig zijn

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): GEHEGEN: 3e hoofdvorm van 'hijgen'; HEEG: 2e hoofdvorm.

 

heeget

persoonsvorm van hbbe + voornaamwoord (of lidwoord) het

heeft het

Hij heeget aaltij gezeej.

Cees Robben: Die heeget van iemes die et k geheurd heej. Ze heeget zeeker wir nie;

Cees Robben: Die et veugeltje vnt die heeget nie, mar die et thlt.

3e pers.enk. 'hee(j) + 'et'

Cees Robben: ns Sieleke heeget himml nie p mansvlk begreepe;

Cees Robben: den oopaa heeget bij mekaar geschrpt;

fonetisch hiaat dat ontstond tussen 'hee(j)' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g'. (Zie Schuurmans: Enclit.pron.,blz.22)

Henk van Rijen: hij heeget er hard op - hij staat er erg op te kijken

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HEGET: samentr. van 'heeft het'

 

heej

werkwoord, persoonsvorm .

heeft

Hij heej oope miezr

Cees Robben: W heej oew vrouw daor naa wir p? Den dokter heej me nderzcht;

Cees Robben: den dkter die mn dees verbje heej;

Kernkamp, Dialectenquete 1879: diejen boer heed'n luien kncht -die boer heeft een luien knecht

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hij heej gezeej dttie n me zal dnke; de pestoor heej goeje wn

tegenwoordige tijd sing. 3e pers. van 'hbbe'

 

heeje

bijwoord

Henk van Rijen: heden

 

heekel

zelfstandig naamwoord

Van Delft - "Hij zou wel stront uit een hekel likken": Hij is een krentenkakker. Hij is zuinig op het gierige af. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

hel

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

geheel, gans; geheeld;

Cees Robben: et ben is wir hel; d lstert hel naaw;

Etymologie: Got. heila, D. heil, N. heel, T. hel

 

hele

werkwoord (zwak)

Henk van Rijen: helen

- met vocaal krimping: hilt, hilde, gehild

 

heemel

zelfstandig naamwoord

hemel

Kernkamp, Dialectenquete 1879: himmel en rde

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): den heemel

Frans Verbunt: as den heemel valt zn alle bonstaoke kept

Boutkan: 'den eemel' (blz.95)

WBD III.2.2:32 'hemelen' = dood

WBD III.4.4:8 'hemel' = lucht (.alg.)

 

heemelde

verleden tijd van zwak werkwoord heemele

hemelen, naar de hemel gaan, overlijden

Cees Robben Ik w dek te naacht nog hemelde.. (19870925)

 

heemelzaod

zelfstandig naamwoord

bladluizen

N. Daamen (handschrift 1916) --  "Hemelzaad - noemen de boeren en ook wel de burgers: bladluizen"

WBD III.4.2:225 'hemelzaad' - bladluis (Aphididae)

Stadsnieuws (rubriek): Asser heemelzaod in de bome zit, gn ze druppe (010707)

Jan Naaijkens, Ds Biks - 1992 - heemelzaod zelfstandig naamwoord- zwarte luis

WNT HEMELZAAD - naam voor plantluizen (in de Meierij)

 

heene

bijwoord

heen

Daor gaotie heene - Daar gaat hij

R.J. 'wanneer ik henen gao'

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): daor durheene

Bosch hene - heen: vooruit

 

heengns, heensgns

bijwoord

Henk van Rijen: op de heenweg

 

hning

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) afrastering

WBD afhne - afrasteren (Hasselts)

WBD III.2.1:470 hning, c.q. hkken = hek

 

heer, hirke

zelfstandig naamwoord

heer

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Iemand wsmaoke d nzen Lieven Heer Hendrik hiet n in de haaj peeje stao te steeke.

R.J. Vur nze Lieven Heer

Brabantse spreekwoorden (Mandos): den Heer had genoeg gesjouwd; drm zn Keulen n Aaken nie p enen dag gebouwd (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1973): uitbreiding van het AN-spreekwoord

Brabantse spreekwoorden (Mandos): vat ze Heer zooas ze zn, aanders krder gin ('73) - stel de eisen niet te hoog, anders kom je bedrogen uit.

Brabantse spreekwoorden (Mandos): tis nze Lieven Heer int wild ('54) - gezegd van iemand die heilig lijkt, mooi kan praten; iemand met lange haren en een baard.

Brabantse spreekwoorden (Mandos): nze Lieven Heer die snijdt de koek zooas Hij wil (Kn'50)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): nze Lieven Heer die houdt nie van raoze (Si'67)verontschuldiging als iets langzaam gebeurt

Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge moet nze Lieven Heer nie wakker maoke (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1973) - gezegd als het voor de wind gaat: men houdt rekening met latere tegenslag.

C. Verhoeven: HEER m. man van stand, speciaal gezegd v.e. priester: 'ne zaachten heer - een zachtmoedige priester. Ook als voorvoegsel in de aanduiding van familierelaties met geestelijken: hirbruur. hirnf, e.d.

WBD (III.3.2:177) heer = koning in het kaartspel

 

hr

tussenwerpsel

Henk van Rijen: links (voermanstaal)

Henk van Rijen: Ht nr hr - heen en weer: van links naar rechts

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): hr - bijwoord - links (voermanstaal)

 

Uit Kroniek van de Kempen - 1990

hrd, ►hrd

zelfstandig naamwoord

haard; woonruimte

Pierre van Beek -- Den hrd kre. - De woonruimte vegen.

WBD hrd - woonvertrek v.h.boerenhuis met vuurhaard

WBD hrd - vloer van het woonvertrek (v.e. boerenhuis)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hrd met van Fr. mme; haard, schoorsteen; ook 'schaauw'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HRD zelfstandig naamwoord m. - haard, vuurstee; bij uitbr. beteekent 'hrd' de vloer v. h. woonhuis: den hrd opkren; hij staat hier alle dagen op den hrd.

 

heerejeej

zelfstandig naamwoord

heisa

Frans Verbunt: ds nie zonnen heerejeej - zoveel werk is dat nou ook weer niet

WNT HEEREJEE - Verbastering van 'Heere Jezus'.

 

heerom

zelfstandig naamwoord

heeroom; aanspreektitel voor een geestelijke in de familie; ook binnen het gezin werd een geestelijke door ouders, broers en zusters 'heeroom' genoemd.

Frans Verbunt: tis amml nie zo schon as heeroom prikt

WTT 2013 - Een vrouwelijke geestelijke in de familie  (een kloosterzuster ofwel non) werd 'taante zuster' gebruikt. ► taante zuster

 

hes

bijvoeglijk naamwoord

hees

WBD III.4:251 'hees' = gedempt (van geluid

Etym.Got.haisa D.heiser, N.hees, T. hes

 

hse

werkwoord, sterk

hijsen

B hse - hes - geheese - geen vocaalkrimping

 

het, heter, hitst

bijvoeglijk naamwoord

heet

R.J. tis hier z het

Handschrift Daamen 1916: "heeten-bliksem - appelen en aardappelen ondereen gestoofd ('appelenprol')"

Henk van Rijen: 'K-h vur heter vuure gestaon'-Ik heb grotere problemen gekend.

Frans Verbunt: en zkske het - een zakje sambal van de afhaalchinees

Frans Verbunt: et is zo het dgge in mene naovel kunt zwmme

Laoter is komen vast te staon det den hitste zomer van de 20e euw is gewist. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

WBD III.1.4:380 'heet staan' = gehaast zijn

WBD III.2.2:108 'heet' = geil, wellustig manziek; 109 = vrouwziek

Boutkan: (blz.35) superlatief: hetst, maar hitste

Etymologie: Got. haita, D. heisz, N. heet, T. het

 

heete liege

uitdrukking: iemand met nadruk en openlijk verklaren dat hij liegt (met verzwijging van de persoon: iets heete liege = zeggen dat het onwaar is.)

Br loochenen

B Ik kan et nie heete liege - ik mag het niet loochenen

WNT: Heeten liegen. In de volgende uitdrukkingen:

a) Iemand (4e nv) heeten liegen, iemand met nadruk en openlijk verklaren dat hij liegt;

b) jonger gebruik: iemand iets heeten liegen;

c) met verzwijging van de persoon: Iets heeten liegen = beweren dat het onwaar is;

d) Iets gelogen heeten liegen

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEETEN LIEGEN voor 'loochenen'; reeds zeer oud; z.a.

 

heetjemop

samentrekking

heeft hij hem op

Cees Robben Vur de wossum aon de zulder is heetjemop... (19711217) [Zeer snel eten, schrokken; het voedsel opgegeten hebben voordat het de kans heeft af te koelen]

 

het lope

uitdrukking

dronken worden

Ondertusschen hadden die twee al enkelde borreltjes op, en ze waren dus dubbeld vlug heet geloope... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938)

 

heeveleugske

zelfstandig naamwoord

heveloogje

WBD 'heejvelchskes' (II:974) heveloogjes, ook: ge

 

heevelgaore

zelfstandig naamwoord

bep. soort dun touw (heeveltouw), o.a. gebruikt voor vliegers

WNT HEVEL D) In de weverij: Elk der draden (lissen, oogen enz.) waardoor een draad van den ketting geregen is en door middel waarvan deze bij 't weven wordt omhoog getrokken. Zie Boekenoogen, Corn.-Vervl.;

Samenst.: heveldraad.

 

heeveltouw

zelfstandig naamwoord

bep. soort dun touw (zie: heevelgaore)

WBD taowkesheejvels (II:973) - touwtjeshevels (v.e.weefgetouw)

WBD staole heejvels (II:973) - stalen hevels

Henk van Rijen: 'heeveltaaw'

 

Kaartspelers - onbekende kunstenaar

 

hffe

werkwoord (zwak)

heffen, tillen

de kaorte hffe - nadat ze geschud zijn de stapel couperen

R.J. 'hij hefte heur rkskes'

Cees Robben: chrm menen rm van al d hffe;

B hffe - hfte - gehft

Boutkan: hffe - hief - geheeve

WBD (III.3.2:171) hffe of afhffe = couperen (van kaarten)

WBD (III.1.2:81) 'heffen,heften' = optillen

C. Verhoeven: HEFFEN overgankelijk werkwoord - tillen; in 'er af heffen' - tot een goed einde brengen

De Bont: zw.ww. 'heffen', tr. en intr. -heffen; ... de kaort heffe - afheffen (voor het rondgeven enige kaarten v.h. spel aflichten en die onderaan leggen)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 GEHOFFEN: 3e hoofdvorm van 'heffen'

 

hg

zelfstandig naamwoord

heg

Cees Robben ...onder de heg = op het kerkhof liggen (19540925)

 

hgget

werkwoord, persoonsvorm van hbbe met voornaamwoord het

- hebt het

- 2e pers. van 'hbbe' gevolgd door 'et', met infix g

Cees Robben: Gij hgget aaltij oover en aander

Cees Robben: ... n hgget hart nie dgge verzoope tskomt !

Stadsnieuws (rubriek): Gij hgget aatij oover en aander, mar kkt ok es nor oewge. (120907)

 

hgmlder

zelfstandig naamwoord

1) rondtrekkende molenaarsknecht

Pierre van Beek -- aan lager wal geraakte molenaar die baanloos rondzwerft van molen tot molen om losse baantjes op te knappen; derderangs molenaar

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HEGMULDER een molenaar die geen Vasten Molen heeft, en langs het land reist. Zie Kiliaen: op 'Haegh-Pape'.

WNT: idem

De Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk: 'hegmulder' 1) molenaar die failliet is gegaan en andere molenaars om onderhoud moet bedelen; 2) meikever.

Lowie van Dorrus Misters - Nog iets anders uit de oude muldersdoos. Wie heeft er ooit gehoord van "hegmulders"? Ja, zullen ze in Tilburg zeggen, die hebben we in onze jeugd met dozen vol uit de heggen geschud. Accoord, wij ook, maar die worden er toch niet mede bedoeld. Een andere vraag, die de meeste lezeressen en lezers wl zullen kunnen beantwoorden. Wat is een "wanderbursche"? In Duitsland vond men die vroeger nog al veel. Het waren reizende vaklui, die geen vast werk hadden en van de ene plaats naar de andere reisden en bij hun vakgenoten werk vroegen. () Van Nederlandse wandelknechts in het algemeen hoorden we nimmer. Maar wel echter in het molenaarsvak. Deze noemde men "hegmulders". De benaming is begrijpelijk, omdat zij evenals de meikever van de ene "haag" op de andere vliegen, zij van de ene mulder naar een volgende trokken. Bij onze oud-buurman hebben wij ze wel eens gezien als ze 's morgens na een nacht vrij logies en ontbijt met wat reisgeld verder trokken. In Tilburg en omgeving hadden ze een goed terrein, want er waren hier veel mulders. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 20 Over mulders en molens; NTC 4-10-1952)

 

Meer over meikevers in het WTT...

► bkker ► bkkerke ► kappesien 2 ► kappesientje ► konningske

► meikever-document ► mnneke 9 ► mlder 2 ► tlle

 

hgwuw

zelfstandig naamwoord

moeder van buitenechtelijk kind, ongehuwde moeder (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1963)

WBD III.2.2:112 'hegweeuw' = concubine

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hoagwuw, hoakwuw - ongehuwde moeder

De Bont: zelfstandig naamwoordvr. 'haakweeuw' resp. 'haagweeuw' - schampere benaming voor eene ongehuwde moeder. Vgl. WNT 1 haagweduwe.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAAGWEEP (zachte e), in N. Kemp haagweeuw; zelfstandig naamwoordv. - ongehuwde moeder

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hgweuw zelfstandig naamwoord- hegweduwe; ongehuwde moeder

WNT hegweduwe - ongehuwde moeder (in de Meierij)

 

-hei, -hdje, -heid, - hedes, - heen, -heeje

achtervoegsel '- heid' in zeer uiteenlopende uitspraken en spellingen

vurzichteghei, wrkeloshei, vlleghei

Cees Robben: verveelendeghei; gerchtegheid; kaojeghd;

"Gij bent me 'n schoon stuk Veurzienighei, gij! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
...asof er z'n ziel en zaolighei van afhong... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
In z'n onneuzelhei gaaf oome Teun 'm et buukske... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
Ik heb oe al in 'n euwighei nie mir gezien. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
...en z'n luihei naam ok al toe mee de jaore; (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
...d kan ik mee geen meensemeugelijkhei goedkeure. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
Geen kans van 'n meugelijkhei mir. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
...dan kossen de buitenlui [...] toch impersaant mee zien, d-t-er grutsighei zaat in et plaotske. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; n Staandbild in Baozel; feuilleton in 4 afl. in de NTC 20-5-1939 17-6-1939)
...en naa was 't wel 'n bizunderhei detter in Baozel langen tijd geen stommigheden veurkwamen... mar daorover wier natuurlijk nie geriddeneerd. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938)
...et is enkeld en alleenig mar verlegenighei... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
...en Kareltje verschoot ineens van z'nen overmoed, wier rood van verlegenighei... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; 'Kareltje Vinken'; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)

De Bestuursmeensche die ut daor op aon laote kome laoie 'n verantwoordelukhei op d'r ge die meer dan verschrikkeluk is! (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 25 mei 1945)

Mar op de allerirste plots: publicatie van de naome van meensche die erges de verantwoordelukhei van hebbe. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Waor holde die verwndighei ineens vandaon? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

Dan haj misschien zoveul broerdighei nie in de wereld gebracht. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Meervoud

...zukke dommighedes (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun naor zee; NTC 18-11-1939)
...ze brengt ons nog in moeilijkhedes! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Den Sik van Baozel; feuilleton in 8 afl. in de NTC 25-2-1939 18-4-1939)
...hij hield erg van zuutighedes... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Kareltje Vinken; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 24-8-1940)
- zuutigheen... (H.A. Sterneberg s.j., Een Busselke Braobaansch, uit: Troostweeg, 1932)

KAREL. Overal is iets op te vne, Sjarel. Moeilukheeje zen er om te worre overwonne. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

Mar daor hoefde gij oe ge toch niks van aon te trekken over de stommigheeje die aander meensche uithaole!? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

transportmoeilukheeje (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

Mar daor hoefde gij oe ge toch niks van aon te trekken over de stommigheeje die aander meensche uithaole!? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

 

heilzaom

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord

Boutkan: (blz. 34) hlzaom of heilzaom
 

Heintje Pik

naam

de Dood

Cees Robben ...kwaamp Heintje Pik de kaomer in... (19610922)

 

hkker
samentrekking
heb ik er
Cees Robben [Vader van drie kinderen spreekt:] Praot me nie van perbeere, Filippus.. Van perbeere hekker drie overgehaauwe... (19720107)
 

hkken

zelfstandig naamwoord

WBD afrastering

WBD hk, (Hasselt)'hkke' - poort van de weide

WBD draajhkke (Hasselt) - draaiend weidehek

WBD draodhkke (Hasselt) - sluitdraad voor een weide-ingang

WBD III.2.1:469 hkken = hek, ook genoemd hning

De Bont: zelfstandig naamwoord. o. 'hekken' - hek; mv.'hekkes'

 

hkkendam

zelfstandig naamwoord

Brabantse spreekwoorden (Mandos): der is dees week nen hkkedam (Handschrift Daamen 1916:) - een week met een feestdag (z.a.)

N. Daamen (handschrift 1916) --  'hekkendam' - Er is van de week 'nen hekkendam (week met een feestdag)

 

hkkes

zelfstandig naamwoord

afscheiding of omheining uit staken, staven of palen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HEKKEN zelfstandig naamwoordo., soms v. - hek! mrv. hekke(n)s

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - Banhekkens: zekere hekkens op den weg, om beesten uit de velden te houden.

 

hksemaast

zelfstandig naamwoord

Van Dale - volksnaam voor de zee-den (Pinus pinaster)

Handschrift Daamen 1916: "heksenmast - mast, heele grove naalden"

 

hl

zelfstandig naamwoord

hel

Frans Verbunt: zo donker as et bakkes van de hl

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Daor hadde ng zonne schone bij, n d was Denie van Lon, die was vur gin hl f duuvel bang (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

bijvoeglijk naamwoord

hl, hller, hlst

PM helder van geest

WBD (III.2.1:395) hl, op = wakker

WBD (III.1.2:182) 'hel' = gezond

WBD (III.1.4:26) 'hel' = schrander; (3l) 'hel' = vlug van begrip

WBD (III.1.4 :143) 'hel' = flink

WBD (III.4.4:235; 'hel' = helder

C. Verhoeven: HEL (hl) bijvoeglijk naamwoord - helder van geest, (nog) goed bij zijn positieven; dikwijls van oudere mensen gezegd: nog goed hl.

De Bont: hl, bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 'hel' l) helder; 2) gezond, wakker, vlug, levendig

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):  HEL bvw. - wakker, levendig, gezond naar lichaam en geest.

 

hlder

bijvoeglijk naamwoord

helder

Brabantse spreekwoorden (Mandos): z hlder as braand (Handschrift Daamen 1916) - spreekwoordelijke vergelijking

Handschrift Daamen 1916: "zoo helder as 'nen braand"

WBD III.1.4:31 'helder' = vlug van begrip

WBD III.4.4:8 'helder' = onbewolkt, ook 'klaar'

WBD III.4.4:235 'helder = idem

 

hlleg

heilig

1. zelfstandig naamwoord, onzijdig

Henk van Rijen: sptte meej et hllig - met iets ernstigs spotten

2. bijvoeglijk naamwoord

et hlleg Pirke - de heilige Petrus (Donders)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hellig

vR den hllege gist - de heilige geest

Piet Heerkens - Oo, hellige ziel, wie zal oe zaolig prijze?! (uit De knaorrie, Oo, hellige ziel, 1949)

Cees Robben Nie z-mar op t hellig g.. t moet persies op maot zn... (19800328) ['het Heilig oog' is waarschijnlijk het alziend oog van God dat op devotieprenten afgebeeld stond.]

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): helligendag: 'hlligen'

Pierre van Beek --- Wie "soep mee den heiligen pollepel" at, moest zich ook met heel dunne soep tevreden stellen. Het feit, dat de pollepel "geheiligd" was, vergoedde uiteraard, wel iets! Wanneer van iemand gezegd werd, dat hij "al z'n leven hannekenkost had gegeten", dan
zag hij er niet te best uit en was hij niet uit een gezeten burgerfamilie voortgekomen. (Tilburgsche taalplastiek 24-6-1964)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Mar nt as in Orscht daor bn ik ok verschillende keere nr toe gewist toen in dieje td, in dieje td, d was den Hllegen Ek! n Esbeek d was vur de, vur de, de nilles, vur de kinkhoest! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- D zn ammel veul dinge die ammel t den booze zn vort, h. Nt as Keevelr, j, daor heurde ng wel es ene keer van n nt as Schrepenheuvel n zo n nt as Pirke Donders n nt as den Hllegen k in, in, in, in Orscht n den Hllege Kenilles (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

D waar enen helen hndige hllege, dieje Sintantooniejes. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009

Volgens mn hattie der mar ene opgevoed, dieje hellige Sint Jozef en die waar van zen ge al hellig (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

3. Bijvoeglijk naamwoord - figuurlijk; heilig = precies

Handschrift Daamen 1916: "hellig oog - op 't heilig (hellig) oog / 't goa z mar op 't hellig oog

Henk van Rijen: hlleg vat znder bjem - gezegd van iemand die overdreven bidt, vaak zonder dat zelf te beseffen; hlleg vat - schijnheilige

... en Hlge bild... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wtter was)

Toen wonde bij t pleintje ok ng Virginie Doorakkers. Die waar bijna hllig, zoveul rozehuukes as die had vurgebeeje in de kepl. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

Dus vraog ik oe van krk toe krk:/ Verheur tch mn gebd./ Dan zulle wij beneej hier zrrege, d Gij in krte td,/ nie allen mar zaoleg, mar ok ng es hlleg zt. (Henritte Vunderink, Gebd toe Peerke Donders, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

4. Allerheiligen

N.B. 'alderheilege' behoudt de ei (hagiofobie?) [Deze bewering nog onderzoeken - zie Lechim, hieronder]

Vruuger krk op en november/ ene nuuwen ooverjas./ J, d was zo de gewonte/ asset Allerhllige was. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Allerhllige)

 5. Caf

Henk van Rijen: hlleg hske - herberg, caf

Jan Naaijkens, Ds Biks - 1992 - hllighoske zelfstandig naamwoord-schertsende benaming voor herberg

6. Bijnaam

Bijn - et hlleg drverke = pastoor Van Oort (blz.58)

 

hllege

zelfstandig naamwoord, de heilige

R Ter eere van wlken hllege? - voor welke gelegenheid ..

R.J. den hlege! veuraon rijdt d'n hllege man

Van Delft - "Eer elken heilige z'n lichtje heeft, schiet Ons Lief Vrouwke er over." Dit is: Voordat elk het zijne gehad heeft, schiet er niets meer voor de allernoodzakelijkste uitgaven over. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

Cees Robben As hier elken hellige zn lichtje heej... zit ons Lief-Vrouwke in dn donkere... (19661202) [Iedereen heeft het zijne gehad, maar degene die daarvoor heeft gezorgd staat met lege handen; daarmee wordt een gevoel van miskenning uitgedrukt]

Cees Robben Lpt naor de hel (...) Dan lpte gin hellege om... (19730608) [... dan kun je niets verkeerd doen]

Cees Robben Elke hellige krgt zn kerske.. (19871126)

Henk van Rijen: ge kunt van enen hllege nie verwchte dttie aachterbekaare en wonder doe - je kunt geen topprestaties verwachten van een nieuwe werkkracht

Piet van Beers Bvert: En zo, waare der overal pestoors/ die unnen hellige op stal han staon./ Op zon bvert wier flink/ mee de schaol rondgegaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

D waar enen helen hndige hllege, dieje Sintantooniejes. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)
 

hllegendag

zelfstandig naamwoord

heiligendag

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hlligendag

Uitdrukking: de hllegendaoge afzgge - gezegd van iemand wiens komst als overbodig beschouwd wordt wegens de nutteloosheid ervan

Henk van Rijen: meervoud hllegedaoge

WBD III.5.3:207 - hllegendag = heiligendag

WBD III.5.3:212 afgezette heiligendag (zonder mis-verplichting)

GD 06 - vur den volgenden hllegendag

De Bont - zelfstandig naamwoord mannelijk: 'heiligendag' - heiligedag

Antw. -  AFGEZET - Afgezette heiligdag - heiligdag waarop men niet meer als vroeger verplicht is mis te hooren (enz.)

 

hlleg hart
zelfstandig naamwoord
het Heilig Hart van Jezus; object van katholieke verering
Cees Robben Sint Jussep onder n stlp en t hellig hart op unne pietestalleke. (19851129)

hlleghd

zelfstandig naamwoord

heiligheid

De Wijs -- (gehoord van de ene dame tegen de ander voor het winkelraam bij uitverkoop van religieuze artikelen: ) kk, daor toch, al die hellight, daor blve ze schn mee zitte (09-07-1967)

 

hllepe

werkwoord (sterk)

helpen

-- hlpe - geholpe

-- hllepe - holp - geholpe

GD94 hij heej geholpe meej de waas

Boutkan: (blz.96) ze heetem irst zen gld hllepen opmaoke

Boutkan: hllepe - hielep - gehllepe

Cees Robben -- 10 (blz. 27) 'dan hellep't nie'

 

hlm

zelfstandig naamwoord

helm

WBD nageboorte v.h. paard

 

hloore, hlheure

werkwoord (zwak)

de voelhorens uitsteken

hloore - hloorde - gehloord

N. Daamen (handschrift 1916) --  "hel-ooren - ge mot irst is hel-ooren / eerst vooruit een stilletjes informeren"

- Lowie van Dorrus Misters, Nieuwe Tilburgse Courant - 1 februari 1950: Een onzer vrienden, ook vreemdeling en thans ook niet meer in Tilburg woonachtig, noemde het klotteren in de St. Nicolaastijd klodderen. Toen wij eens van hem afscheid namen na een zakelijk onderhoud, zei hij: "We zullen wel eens heil-oren" in plaats van hel-oren en was stellig in de verbeelding dat hij het nu eens goed zei, maar bewees daardoor, dat hij het woord hel-oren absoluut niet verstond.

Henk van Rijen: ek zal er es gn hloore - ik zal er eens poolshoogte gaan nemen

Stadsnieuws (rubriek): Jantje gao es hleure of de mister der al nkomt - ga eens kijken of ... (220709)

CiT (42) 'Kzarris gaon helloore' [Ik zal er eens gaan hel-oren...]

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
HELOOREN - de ooren spitsen, scherp toeluisteren

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hloore ww - poolshoogte nemen

 

hlzaom

bijvoeglijk naamwoord

Boutkan: hlzaom - heilzaam, met vocaalkrimping (blz.34)

 

hem

voornaamwoord

hem

hem zen zuster knne wij wl (vernederlandst: Hm z'n zuster)

 

hm, hmmeke

zelfstandig naamwoord

hemd

Hamme mar hmme = hadden we maar hemden

Hmme gin hmme?

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Schrft et mar p oewen bk; dan kundet meej oewen hmslip tvge.

Pierre van Beek Sommige mensen hebben een eigenaardige manier van lopen, die de indruk van voorzichtigheid maakt. Van dezulken zegt men: "Den dieje lpt op aaier (eieren)" en ook wel "Hemmeke raok m'n gotje nie!" (Tilburgse taalplastiek 15 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 5 juni 1950)

Van Beek - Een "kakmadamme" is een opschepster, terwijl men van 'n meisje of vrouw, die een trotse houding heeft en heel voorzichtig loopt, zegt: "hemmeke rokt m'n gatje nie". Dat zal wel een "semmeltrien" zijn, heet het dan. Wil men zeggen: schiet toch een beetje op!, of treuzel zo niet, dan klinkt het: "semmeltrien!". (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge moet gin hmmekes plichte (Si'59) - geen kwaadspreken

Brabantse spreekwoorden (Mandos): hmmeke rk men gatje nie - op eieren lopen; verwaand zijn

Henk van Rijen: 'K-mot gin pestoorshm in munne teej ' - ik wil geen vellen in mijn thee

Apocope van finale stemloze dentaal (als in ik wr, hij doe)

WBD III.2.2:96 'doodshemd' = doodskleed

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HEM voor hemd, ... reeds bij Meyer verouderd. Z.a.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hm (kaart 44)

De Bont: zelfstandig naamwoordo. hemd; hemslip - hemdslip

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HEM zelfstandig naamwoordo. - hemd, vklw.'hemmeken'

Hees: m, mmeke (VI:8)

WNT HEMD - hem (Brab.)

 

hmme

samentrekking

hebben we

Cees Robben D hemme zat gehad... (19591017)
Cees Robben Hoem-pap-hemme...? (19590502)

Interview met de heer De Kok (1978) Mar toen meej diejen bond hmme hil veul laast meej gehad want die kwaam, die kwaame betaole n ze zaate n dan kwaame ze zo ene keer hier, h腔 (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

 

hmmekaar

samentrekking

hebben we elkaar

- Boovendien hmmekaar tch niks te vertlle. (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

hn

persoonsvorm

WTT 2012 - waarschijnlijk alleen als eerste persoon meervoud in de voltooide tijd van 'hebben'

Henk van Rijen: 'W-hn nat zat gehat' - We hebben regen genoeg gehad.

 

hndeg

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

gemakkelijk, moeiteloos

Cees Robben Die z hendig trekt en jaogt.. [namelijk een handboog] (19560714)
Cees Robben Z proper, z hendig... (19570216)

Frans Verbunt: men hndege - een handig iemand

WBD III.1.4:5 'handig zijn' = iets beheersen

WBD III.1.4:27 'handig' = verstandig;

WBD III.1.4:31 'handig'= vlug van begrip

WBD III.1.4:148 'handig' = bijdehand;

WBD III.1.4:354 'handig' = gemakkelijk

Bosch hndig - gemakkelijk: handig, handzaam

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): hndig, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord - handig, gemakkelijk

De Bont: bijvoeglijk naamwoord en bijwoord 'hendig - handig, gemakkelijk

C. Verhoeven: HANDIG (hndig) bijvoeglijk naamwoord + bijwoord, nooit in de zin van 'bijdehand, maar altijd passief: 1. handzaam, gemakkelijk te hanteren; 2. gemakkelijk in de omgang, niet veeleisend; 3. het zich gemakkelijk makend, niet actief: ge zt ok 'nen hndige; 4. vlot,gemakkelijk,zonder moeite; d kan ik hndig.

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HENDIG, HENDIGHEID - handig, handigheid. Hier vandaan: behendig. Z.a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HENDIG - handig

 

hndeghd

zelfstandig naamwoord

handigheid

 

hndje

►haand

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van haand

handje

verkleinwoord van 'haand', met umlaut

Boutkan: hndje (archasch); hiernaast handje (blz. 20) en blz. 30 en 32

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hendjes en vuutjes

Gez. em en hndje geeve = de handen uit de mouwen steken (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1969)

Uitdrukking: hndje peepermuntje - twee gelieven met verstrengelde handen

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'W is er aon 't hendje ?

Cees Robben [vader tegen een kind] Alleej... Gift dn me is n hendje... (19580510)
Cees Robben As zn hendjes zn gewaase (19581122)

Giender op en bngske zitten al en tdje/ hndje in hndje ene jonge meej en mdje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et vurjaor komt)

Gif ze mar en hndje, zi ons moeder teege mn. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2004)

Masturberen hiete d volgens menne biechtvadder, die ik vroeg hoe d kwaam. Ik ha ziets ok nog not bij et hendje gehad. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Ons moeder aaltij de kalmte zelf, pakte un washendje en waaste zenne kop aaf. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Ziets han wij nog not bij et hendje gehad. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Ik dcht dan, isser naa ginnen ene die drft te zeggen, ik ben oewe kncht nie, of ge het zelf toch ok twee hndjes. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Piet van Beers Enen aawen bom: Ik zie me dan, rm zeuventig jaor geleeje/ n moeders hndje ok nr zon school toegaon. (Het zeventiende boekje, 2010)

Mar we moesen assie binnekwaam/ netjes en hndje geeve... (Henritte Vunderink; De Pestoor; k Zal van oe blve haawe, 2007)

WBD III.4.4:277 'handje' = handvol

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): Kinderen moeten 'n schn of 'n goej hndje geejve.

 

hndjesgegeef

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: handengeverij

 

hngel

zelfstandig naamwoord

WBD (III.2.1:141) hengel = hengsel; ook 'oor'

 

hngselmndje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

De Wijs -- (n vrijend paartje) Ge ligt net in mnnen rrem als n hengselmendje. (15-06-1963)
 

hngst

zelfstandig naamwoord

WBD hengst, ongesneden mannelijk paard

WBD klphngst, klaphingst - slecht gesneden hengst, in Hasselt: 'piet'

WBD gebrooken hngst - hengst waarbij door het castreren een darmuitstulping optreedt

WBD hngstvlle, hngstvulletje - mannelijk jong van een paard

WBD krhngst - lomp paard

WBD b den hngst haawe vv.e.merrie) - bij de hengst brengen (ter dekking)

WBD III.1.2:34 'hengst' = slag; ook: 'peer, fleer,'enz.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HENGST zelfstandig naamwoord mannelijk: - Zuren hengst - zuur roggebrood

 

hngsteg

bijvoeglijk naamwoord

WBD geneigd tot paren (v.e. merrie),

WBD (Hasselt) kaod hngsteg staon -ook genoemd 'prdeg' of 'prdeg' v. e. merrie hengstig zijn

 

hngstegebit

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) gebroken bit (een bit dat een stang uit twee delen heeft)

De Bont: hngstegebit - stevig gebit met een beugel i.p.v. een kinketting onder de onderkaak, dat men een hengst en in het algemeen een lastig paard aandoet.

 

hnneke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

WBD vrouwelijk kuiken (Hasselt)

WBD jonge kip (Hasselt), ook genoemd 'poel' of 'jng hn'

 

hnnekegemof

zelfstandig naamwoord

gerecht, gemaakt van het eerste 'slachtafval' na de varkensslacht

Bernard van Dam - Lever, longen en hart gingen in een emmer en werden direct aan de zorgen van de huisvrouw overgegeven. De ingewanden, hier algemeen genoemd het hennekegemof.

WTT 2012 - Van Dam voegt eraan toe: Wie van onze dialect-specialisten verklaart mij de afkomst van dat woord? - Bernard van Dam, Oud-brabants dorpsleven, wonen en werken op het Brabantse platteland; Eindhoven 1972.
► Dossier Varken Culinair

 

Hnsen

zelfstandig naamwoord, eigennaam

Hensen, Jan

Brabantse spreekwoorden (Mandos): aachter Jan Hnse ligge ('87) - dood en begraven zijn (het Heikantse kerkhof lag vroeger achter de boerderij van ene Jan Hensen)

 

hrbrgpilaor

zelfstandig naamwoord

Van Beek - "Herbergpilaar te zijn is 'n lelijk ding", klinkt het van een drinker. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

 

Uit Kroniek van de Kempen - 1990

hrd, ►hrd

zelfstandig naamwoord

1 het woon- dan wel leefvertrek in de boerderij, rond de haard

WBD woonvertrek (eigenlijk woonvertrek v.h. boerenhuis, gekenmerkt door de aanwezigheid van een haardvuur)

WBD de vloer van het woonvertrek (v.h. boerenhuis)

of daor stint al innen ambtenaar over den herd. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 20 april 1945)

Ik stapte nor binnen bij Barte, waor k de kuster op den herd zaat... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

Den boer en de boerin zaten toen saomen bij den herd in de groote, halfdonkere keuken; (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Pierre van Beek -- bij iemand oover den hrd koome - over de vloer komen (Tilburgse Taalplastiek 142)

Pierre van Beek -- Een jongeman die 'b d'aawers oover den hrd komt' vrijt thuis. (Tilburgse Taalplastiek 142)

Cees Robben Van t schapraaike naor dn herd... (19590307)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): midden dur den hrd gaon (De '59) - verwaand zijn

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - herd, hrd - woonvertrek (brab.) = nl. haard 'stookplaats'

2 de haard, dan wel de kachel in het woonvertrek

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):
 den hrd - de haard (stookgelegenheid)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hrd, den - zelfstandig naamwoord- de haard, ook het vertrek

Lowie van Dorrus Misters - Dan kwam de haard. Nu moeten de lezeressen zich geen moderne kamerkachel, met deze naam, voorstellen. Neen, de boerenhaard was heel wat eenvoudiger. Het was gewoon een ring van rond staafijzer met een diameter van ca. een halve meter, die steunde op vier ijzeren pootjes van bandijzer, al of niet met boven en onder een krulletje, waardoor de ring op ca. 15 cm van de vloer kwam te liggen. Rond en boven deze haard was dan de wijde schoorsteen. Beneden de zoldering had deze een breedte van plusminus 2 meter, dan werd hij steeds smaller en eindigde in het rookkanaal. () De haard is echter toch meestal vervangen door de plattebuiskachel. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 16 Rond de boerenhaard 1; NTC 27-6-1952)

Den boer zaat aon den heerd en pookte in et vuur; (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

hrdgang

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: akkerdorp, zelfstandige agrarisch-economische en administratieve eenheid

-- zie Actum Tilliburgis jg. 7 (1976) blz. 24 (M. de Bruijn)

MnW (deel III) HERTGANC - Hetzelfde als meent. Het gedeelte van eene dorpsgemeente, waarop het vee gezamenlijk weidt.

► zie: Taalkundig magazijn III (l840), blz.306 en Tijdschrift Heemkundekring Tilborgh, april 1970

 

hrkaawe

werkwoord (zwak)

herkauwen

WBD ' herkwu', 'nirke' - herkauwen

hrkaawe - hrkaawde - hrkaawd

 

hrdlaaj

Zelfstandig naamwoord

Uit hrd (haard, huis) en leiden, binnenleiden.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867): Ge weet ummers, det ti mergen ten herdlaai is geneuid? Daar geannoteerd als: Het ingeleide van een nieuwen dienstbode, met gevolgelijke vermakelijkheden.  - In Van de Schelde tot de Weichsel (deel 1, 1882) geannoteerd als:  boerenfeest, dat gegeven wordt als er een nieuwe knecht of eene nieuwe meid in dienst komt. 't Jonge volkje uit de buurt komt bijeen en leidt den dienstbode over den haard. Wien de eer te beurt valt, trakteert.

- WTT 2017 De Bont geeft een andere invulling van deze feestelijkheid: Weg [verdwenen] is den herdlaai, waarbij de jonge echtgenoot resp. echtgenote over een bezem moest dansen... Een huwelijksfeest dus.

 

hermandientje
zelfstandig naamwoord; woordspeling met hermandad = politieagent; vrouwelijke politieagent
Cees Robben Vur hermandientje (19720324) [Titel van de prent]
 

hrmenie

zelfstandig naamwoord

harmonie

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hrmenie; meervoud 'hermenies'/'hermenien'

...toen den brawer kwaam vertellen d-t vergadering van de hermonie was gewist (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 2; 16-10-1929)

Cees Robben n schn hermenie.. Die Capelle Sint Jan... (19581206)

Interview Jolen - 1978 - Ja, dan moeste meej, war, dan moeste meejmeej de hrmenie! (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - in de aoola hier van, van et hs, dan was ok zon, zon  hrmenieke van die aaw manne die ok ammel bij de meziek gewist waare vruuger n naa meej de aaw manne bij mekaare gebleeve zn n dan geeve ze hier f daor zon, zon konsrtje, hEt Hrmenieke noeme ze derge, hDs leuk! Klik hier om dit bestand te beluisteren

Frans Verbunt: 'de Hrmenie' - de Nieuwe Koninklijke Harmonie

Bijnamenboek Karel de Beer: Fraans hrmenie = Frans Mutsaers (blz.56)

Vruuger was onze Pa bij de herremenie, bij Capelle St.Jan. (Nel Timmermans; D heb ik mee Tilburg; CuBra; 200?)

Cees Robben - omslag van Tilburgs Prentebuukske 3 (detail)

Kort daornao had ie wir w aanders, toen zeetie: we krge van den beschermheer 'nen mascot, en daor moete we nog iemand vur hebbe om mee te lpe, ds wel iets vur jouw. Ik was toen 'n jaor of virtien , vftien, denk ik. Mar toen ik heurde ddieje mascot 'nen bok was mee van die grte gekrulde hres, bedankte ik toch vur de eer. As jong meske zaag ik mn al lpe mee diejen bok en mee 't zot Wimke, want die liep k aaltij mee. (Nel Timmermans; D heb ik mee Tilburg; CuBra; 200?)

Elie van Schilt - Unne kiosk waor regelmaotig un hermenie zaat te speulen... (uit: Un paor momentjes vur wet ouw monumentjes; CuBra, ca. 2000)

WBD (III.3.2:320) hrmenie = fanfare

Gedicht De heiremenie van H.A. Sterneberg s.j. (ca. 1935)

Ad Haans over het Tilburgs lied 'Et hrmenieke'

WTT 20120922 - Harmonieorkesten hadden vaak een bok als mascotte; het dier liep mee tijdens optredens.

Kees, de bok van de harmonie van het Koninklijk Huis, met de prinsessen

Kees, op tournee op de Molukken

Overlijdensakte van bok Waggie van de harmonie in Heeswijk Dinther

Willem II 60 jaar geleden kampioen van Nederland
Goede herinneringen moet je koesteren. En dat doe ik ook, want op 15 juni is het op de kop af zestig jaar geleden dat ik Willem II kampioen van Nederland zag worden. Als de dag van gisteren herbeleef ik nog steeds de wedstrijd van zondag 15 juni 1952 in het Olympisch stadion in Amsterdam. De Tricolores versloegen Ajax met 2-1. Het is tot nu toe de enige overwinning van de club in de hoofdstad waarbij van Ajax werd gewonnen. Maar wel een historische want we werden kampioen van Nederland.
Met nog enkele duizenden Tilburgers zat ik op de tribune en keek naar een spannend duel. De doelpuntenmakers waren Sjel de Bruyckere en Jan van Roessel, uit een penalty. De ontlading na afloop was groot. De supporters stormden het veld op en droegen de spelers hoog op de schouders naar de kleedkamer. De fans hadden dan wel geen vlaggen, vanen, spandoeken en rood-wit-blauwe shirts, zoals dat tegenwoordig het geval is, maar het enthousiasme was er niet minder om. De aankomst van de spelers op de Oude Bosscheweg sloeg alles. De mensen stonden daar al rijen dik. Toen moest de open wagen met de spelers, de autos met de VIPs, de harmonie met een bok als mascotte en een rits in het rood-wit-blauw gestoken jeugdspelers nog beginnen aan een triomftocht door de overvolle binnenstad. Burgemeester en wethouders stonden klaar om de spelers en het bestuur te huldigen in het Paleis-raadhuis. De spelers lieten zich op het bordes door de duizenden mensen op het Willemsplein toejuichen en het feest werd daarna voortgezet op de Heuvel en in het befaamde hotel restaurant Riche waar een uitzinnige vreugde heerste. Heel Nederland moest weten dat Willem II haar tweede landstitel behaalde. (Peter Anne; website Willem II, 2012)

Naar het begin van de pagina

Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home

hrp

zelfstandig naamwoord

Daamen Handschrift 1916: "herp - een flinke, bij de handte, niet verlegen meid"

ES (2012) Mogelijk afgeleid (en afgezwakt) uit 'harpij'; voor de klankwisseling van 'harp' naar 'herp' zie het WNT onder 'Harp'.

 

Haringverkoopster in de Anna Pauwlonastraat (Koningswei) - ca. 1935

Advertentie in Nieuwe Tilburgsche Courant 20-8-1918

hrring

zelfstandig naamwoord

haring

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'herring'

Kernkamp, Dialectenquete 1879: herring

Brabantse spreekwoorden (Mandos): daor waor den hrring braojt ('35) -daar waar het iemand bevalt

WBD hringbot (II:917) - herringbone (eng.) als dessin voor weefsels

Cees Robben Jao ik mot nog vier-honderd herringen op t ptje zette... [Over een vishandelaar die voor de Kermis haringen op potjes zet] (19640724)

Henk van Rijen: zo blank as ne nuuwen hrring - zo onschuldig als 'n pasgeboren kind

Hij heej toen onderweege nog/ drie hrringe gevat... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin zin mir...)

Frans Verbunt: hrringhappe - haring eten op Aswoensdag

Elie van Schilt - Ut was in de td det ur van alles nog langs de deur kwaam, de visboer riep toen nog kaai hard Nuuwe herring, drie vur un dubbeltje mar ge moest wel mee unne halve herring oe zis sneeie brd op eten. (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

Elie van Schilt - Ge mocht op Vrijdag ok gin vls eten, dus vur die ut betaolen konnen was ut dan herring of un gebakken scholleke, dun duurdere vis was vur dun betere staand. (Uit: As ge katteliek geboren wierd; CuBra ca. 2000)

Den hille oorlog han we amper enne vis gezien. Hoe herring smokte, daor wiesen we niks van... (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

CiT (7) 'H h, wen hrringbraoierij is d toch!'

WBD III.1.4:241 'haringkullen' = kibbelen

WBD III.2.3:70 'haring' = gerookte haring

De Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk: 'herring' - haring

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HRING, HRINK, HERREK (toonl. e) - haring

Schilderij van de Tilburgse schilder Adriaan de Lelie - Voorbreidingen voor het verkopen van haring

Dossier Hrring

 

hrringbraojerij

zelfstandig naamwoord

geknoei

Henk van Rijen: h h, wn hrringbraojerij is d toch - ... wat een knoeierij ...

Stadsnieuws (rubriek): Moete de geut naa tch es zien: wn hrringbraojerij - knoeiboel (21020)

 

hrringhappe

werkwoord, zwak

traditionele traktatie op (gratis) haring in het caf op Aswoensdag

 

Hrringsnd

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

zelfstandig naamwoord, toponiem

Haringseind

WTT 2012: - daar waar de Zomerstraat, komend vanaf de Schouwburgring, zich splitst in (rechts) Korvelseweg, en (links) Trouwlaan; die splitsing heeft, zo men wil, de vorm van een vissenstraat, de staart, en dus het einde van een haring.

Hij ha himmol vant Hrringsnd/ gedokkeld dur de sneuw... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Zosse en ugske op em hebbe?)

Bijnamenboek Karel de Beer: et hrringsnd = St.Annaplein - Korvelseweg

- Op kaart van Verhees uit 1790: Harinseynt

 

Haringseind (tegenwoordig Korvelseweg met links St. Annaplein) - Bron: Stadsmuseum Tilburg

Een gedicht over het Hrringsnd door Wim van Boxtel

 

Tilburgsche Courant - 9 april 1871

 

Weekblad van Tilburg 20 april 1867

 

Weekblad van Tilburg 22 december 1866

 

Tilburgsche Courant 10 januari 1912

 

hrs

bijwoord

ook wel: hrres

hierheen

Bs herwaarts

Km es hrs! - Kom eens hier(heen)

N. Daamen (handschrift 1916) --  "hers of herris - Kom is hers (Kom eens naar hier)"

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'viezevershers' - vice versa

Cees Robben Allee, kom is hers..! (19551015)
Cees Robben Alleej kom mar hers (19640522)
Cees Robben En [we] zen toen op staonde voet hers gekomen... (19730413)
- geleden
Cees Robben Virtien daog-hers (19831111)

Van Beek - Hij ging herris en geens in 2 uur. - Heen en terug. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 6 december 1958)

De Wijs -- W rittereerde gij toch ammaol hers en geens (onrustig heen en weer lopen) (20-03-1968)

Ge moest vant kasje nr de muur/ et was van hrs nr geens... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daklos)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hrs bijwoord - hier

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HERS, HERRIS - herwaards, hier heen.

C. Verhoeven: HERS (hrs), bijwoord- deze kant in, hierheen; hij komt hers; ook 'hers op ir, in deze richting; minder archasch in de uitdrukking 'hrs en giens'.

De Bont: hrs, resp.(zeldzaam)bijwoord 'hers' resp. 'herres' -herwaarts, hierheen.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HERRES uitgespr. - herwaarts

 

hrs n geens

bijwoord. Uitdrukking: op en neer, heen en weer

- iedren dag hrs n geens nr Gol

- hrs f geens - hier of daar, hierheen of daarheen

- Hij ks nie hrs f geens - hij kon geen kant meer op

...en z'nen buik zwaaide en schokte van emotie op en neer en hers en geens. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe dokter; feuilleton in 4 afl. in NTC 27-1-1940 17-2-1940)
As zotten vlogen we aachter 't veugeltje, d nog zotter dee dan wij. De koffiepot wier van de kachel gestooten, stoelen rolden ondersteboven, de toffel schuurde hers en geens over de plavuizen... (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 8; 31-12-29)

Anoniem 1959


Nillus probeerde van alle kaante,
liep van hers naor geens,
Hij ha goei haande aon z'n lf,
stond bekend als unne prompte meens.
(Nieuwe Tilburgse Courant - donderdag 19 november 1959; Uit Tilburgs folklore - 'n Kaoi rikkemedaosie)
► voor de volledige tekst zie http://www.cubra.nl/wtt/documentlemmas/rikkemendaosie.htm

De stikkedoor sjouwt hrs n geens/ vurt witte van de klder... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Konsternaosie om de rinnevaosie)
Ze roetst de gang van hrs nr geens/ hil den dag op n neer. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op de latte)
Meej ene zaddoek om der haore/ rttereert ze hrs n geens. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vlak vur Paose)
...mar van d hrs n geens gerits/ zk naa ng waogeziek. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vur den aawe prs)

Cees Robben En dan langs de Blaok zmar hers en geens (19551119)

Cees Robben Geens-gaons gonget beter as hers... (19870501)

Cees Robben W rettereerde gij toch ammol hers en geens .. (19720630)

Cees Robben Unne Haaikaantse meens liep w hers en w geens (19550618)

Cees Robben En den Haaikaantse meens schoof zn pruim hers en geens... (19550618)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hers en gndsch (: vgl. gte - geiten) - hier en gindsch

Twas ene kompleete tverkop/ meej veul hrs n geens gesjouw... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ge kunt nie weete... )

Anneke van nze Tiestom/ ha en nuu kleeke gehad./ Daor wosse lkker mee flanre/ hrs n geens, dwars dur de stad. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Annekes kleeke...)

hij liep as en kiepke zonder kop,/ verslaoge hrs n geens. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: enen dag allen)

Henk van Rijen: hij liep toepertoe hrs n geens - hij liep almaar heen en weer

Henk van Rijen: 'lleken dag hrs n geens nr Gol' -iedere dag heen en weer n. Goirle

 

hrslt

zelfstandig naamwoord

WBD (Hasselt) hoornslot (geheel leren deel v.h. paardetuig, met dezelfde functie als het hoofdstel).

 

hrsop

Voornaamwoordelijk bijwoord

Samentrekking Van hrs + op: deze kant op, hierheen.

- Een roestpraatje (Weekblad van Tilburg, 5 oktober 1867) - Komt hersop, in 't huukske

 

Hrstalse straat

toponiem

 

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

Zie Valkhoff 'De expansie v.h. Ned.' blz.47+49

 

hrt

zelfstandig naamwoord

hart

Kernkamp, Dialectenquete 1879:  - mi hert en ziel - met hart en ziel

 

Hesse

fantasiewerkwoord, afgeleid van de naam Rudolf Hess

KAREL. 't Is te hope. 'k Gleuf nie detter veul van die sinjeure nog de kaans krge om er tusschenuit te Hesse. En des mar goed ook. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 4 mei 1945) [Hess was uit nazi-Duitsland naar Engeland gevlucht.]

 

ht

werkwoord, persoonsvorm

hebt, voorafgegaan door 'gij/ge'

Cees Robben: agger mar rg in ht; ge ht en schon kiendje;

Cees Robben: ge ht geng n oewge; ge ht ngal geaffeseerd;

Cees Robben: (imper.) ht mar ginne bange, moeder; ge ht meepesaant oew verzt;

Cees Robben: dan zde nie wrd d ge em ht; ge ht gin gelk;

van de inf. 'hbbe', met assimilatie van de b

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HED voor den 2den pers. enk. v.d. tegenw. tijd.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HET - hebt (2e pers. tegenw. tijd van 'hebben')

 

heu

zelfstandig naamwoord

hoogte

WTT 2017: namelijk een kar met twee wielen, waarvan het voorste deel (de burries) omhoog staat (bijvoorbeeld om de lading te lossen). Henk van Rijen: kop; N. Daamen (handschrift 1916) "heu - de kar uit de heu stooten"; Henk van Rijen: naogels meej heu maoke - spijkers met koppen slaan; Henk van Rijen: 'te heuj stote' leegkieperen.

 

hb

zelfstandig naamwoord

huig; uil

Brabantse spreekwoorden (Mandos): iemes den hb trkke (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 197l) - Kwakzalversbehandeling toepassen tegen benauwdheid op de borst; het slachtoffer krachtig bij een bosje haar

Brabantse spreekwoorden (Mandos): 'ds vur nzen Huib', zi de jnge n hij staak ene pad in zene zak (Handschrift Daamen 1916)

Woordspeling met de naam Huib = Hubertus/ uil

Henk van Rijen: 'hpke' - steenuil (Athene noctus)

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - huib, uibik,hp - uil

Hees: oepke (II:25)

WNT HUIBEN - vogelnaam die op klanknabootsing berust: uil

 

heubrd, hubberd

zelfstandig naamwoord

- verticale voorkant van een boerenaardkar, kopschot

CiT (47) 'Gemnlek schfte-n-ie op 't hubbert van de kr'

De Bont: h'b'rt zelfstandig naamwoordo. - hoofdbord: 1) vaste, naar het rad toegekeerde zijde v.e. kruiwagen; 2) vertikaal voor- of achterschot v.e. lage boerenkar, zgn. rdkaar.

 

hchele

werkwoord (zwak)

huichelen

WBD III.1.4:428 'huichelen' = idem

 

hchelr

zelfstandig naamwoord

huichelaar

WBD III.1.4:87 'huichelaar' = idem

 

hd

zelfstandig naamwoord

huid

- meervoud huj of ►huije

- van een vrucht ook- vl, vlleke, schl, schil

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'D schnd mekare de huid vol'

Gezegde - n zen hd zitte: te pakken nemen. Audioregistratie 1978 - Mar ge had hier vruuger ok nt as op de Vfhze, as daor zo iemand was zak zgge die bevobbeld die boere zon bietje zaat te koejeneere dan waarde ng nie gelukkeg, hr! Want ptverdoorie ir d d spulleke afgewrkt was han ze dieje knaap n zen hd gezeete tt n mt, hr! Meej allemlle! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

WBD schaopehd - schapehuid

WBD vl - huid; schaopevl - schapevel

WBD III.1.1:31 'huid' = huid, opperhuid: vkw. hdje

WBD III.2.3:152 'huid' = schil, ook 'vel(letje)'

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HUID. Iemand op de huid geven, voor: slagen geven. Iemand de huid vol schelden, voor: met scheldwoorden overladen. In Neder-Saks. algemeen

 

hfkr

zelfstandig naamwoord

huifkar

Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej de hfkr rije (N. Daamen (handschrift 1916) -- )-met de knien omhoog in bed zitten

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- nt as nr Keevelr, Handel n Keevelr, meej de hfkrbn ik ok meejgewist, dikkels genogvant dinge, d, d, d vertrok aatij daor bij Vskes , bij Voskens daor vertrokke ze aatij snaachs n dan blefde vf daoge wg! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

WBD (II:2785) 'hfkr' - huifkar

 

hg

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: 'hg' -huig

 

hge

werkwoord (zwak)

Pierre van Beek -- huigen (?), met meer dan gewone kracht lucht uitademen met de bedoeling condens of een warme aanslag op een kouder oppervlak te voorschijn te roepen, b.v. op een spiegel om die gemakkelijker schoon te kunnen vegen.

Henk van Rijen: uithijgen; met de mond bewasemen

Niet in WNT, noch in Mnl.wdb.

 

heuj

zelfstandig naamwoord

hoed

Cees Robben Ik heb munne heuj op (19671013)

 

heukr

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: kipkar (hoogkar)

 

heul

zelfstandig naamwoord

WBD III.4.3:282 heul - slaapbol (Papaver somniferum)

 

hle

werkwoord (zwak)

huilen

B he - hlde - gehld

ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij hlt

 

heup

zelfstandig naamwoord

heup

Brabantse spreekwoorden (Mandos): ge moet ze aaltij boove de heup vatte, dan bevle z'oe nie (Handschrift Daamen 1916)

 

hp

zelfstandig naamwoord

M massa (minder frequent dan hop)

 

Ill.: Naumann - athena noctua

hp

zelfstandig naamwoord

vD. huiben = steenuil

Handschrift Daamen 1916: "huip - klein, grauw steenuiltje"

WBD III.4.l:189 'huib' - steenuil (Athene noctua), ook: 'uil', 'huipke' of 'smelleken' genoemd

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - huib, uibik, hp - uil (zvl. limb. brab)

 

hpe

werkwoord (zwak)

huichelen, schijnheilig doen

hpe - hpte - gehpt (met vocaalkrimping)

- hij hpt (in tegenwoordige tijd eveneens vocaalkrimping)

Van Delft - - Hij die voorzichtig speelt "zit te huipen" en iemand, die stilletjes een teeken geeft, terwijl de ander het ziet, krijgt de aanmaning: "Maok nou gin pergestikus" (gestes).(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- en dus mosse we naauw irst gaauw gaon huipen (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): zitte te hpe (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1969) - zitten te hopen (kaartterm;: op winst spelen

Henk van Rijen: ene keer int jaor hpe - eens per jaar zondigen (mag)

Stadsnieuws (rubriek): Den dieje dugt vur ginne snt, mar hpe kannie wl - Die man deugt voor geen meter, maar hij kan zich wel aardig voordoen. (170208)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HUIBEN zelfstandig naamwoord mannelijk: -uil, nachtuil, Fr.hibou

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'hipe' ww - huichelen

 

hperd

zelfstandig naamwoord

huichelaar

As ge hum gelk gift, zde nen hperd. -Als je hem gelijk geeft, ben je een huichelaar.

Naa maag ie vur ene keer hier wel ene bottram meej eete bij ons, war vadder?, zi den hperd, die Hannie. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

In dieje zin waar ik et toen nog meej onze paa eens, dgge gin katteliek en socialist tegelk kost zn want dan waarde in zn oge ene hpert. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): 'hipert' - huichelaar

 

heur

bezittelijk voornaamwoord, persoonlijk voornaamwoord 

haar

B heure voogel, heur kat, heur knd, heur boeke; den heure, de heur

Cees Robben Ik vn heur wel n aorig medje... (19860328)

De Wijs -- Heur heur (nou moet je haar horen) (16-01-1975)
De Wijs -- Of ge naa hem heurt of ge heurt heur, t is twee haande op nnen buk. (09-07-1967)

Cees Robben En ons Mien zigget heur (19850222)

Sinds zij is verdwene/ Is zij al lang over hum hene/ Mar hij heget nog steeds over heur. (Tony Ansems, Hij heget nog steeds over heur; van de cd Tilburgse Liekes American Style; 2008)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HEUR - vn. - haar, hun 'Die mens(ch)en heur huis'

 

heure

werkwoord (zwak)

horen

heure - heurde geheurd

B: heure - hurde - gehurd

met vocaalkrimping in imp. 'hurt'

B tegenwoordige tijd: vocaalkrimping: gij/hij hurt

Kernkamp, Dialectenquete 1879: heure

ik heur geluk in 't ritsele van de blaoier... (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, Geluk, 1941)

● horen
- infinitief
Cees Robben Ik wil t niemer heure (19661021)
Cees Robben d kosse ze wel heure... (19790803)
Cees Robben Ik heb list heure zegge (19820409)
- verleden tijd:
Cees Robben Ik heurde van dn tuureluut/ van takkeling en waol (19600708)
Cees Robben k Heurde n geflsterd lied (19600715)
- samentrekking van heure en je
Cees Robben [Moeder roept kind:] heurde-me-nie dve kwartel... (19680621)
Cees Robben Theresia.. (...) heurde d, Trees...? (19840420)
● behoren
Cees Robben En z heuret... (19811113) [samentrekking: hoort het]
● behoren tot, deel uitmaken van
Cees Robben Meej al mn zrgen en slameur,/ Heur ik toch bij de rke... (19580705)
Cees Robben D heurt bij onzen staand... (19600715)
Cees Robben ... heurde thuis in de Rt... (19640522)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: Wie nie heure wil, mot vule

Henk van Rijen: 'van heure zgge is unne slchte raodgeever' -

Je mag niet altijd op geruchten afgaan.

Boutkan: verleden tijd hurde naast heurde (blz.39);(37) 2/3 enk.'hrt / heurt

WBD (III.3.3:108) heure = (de mis) horen, naar de mis gaan

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - heure, met umlaut (kaart 48)

WBD III.1.1:249 'scherp horen' = goed,scherp luisteren

 

heure, heurre, hrre

tussenwerpsel

hoor, hoor je, hoor je me

►zie ook hurre

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'heure' naast 'heurre' passim

In den regel in finale positie.

De dubbele r bij Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): accentueert vermoedelijk de krimpende stamklinker, zodat de schrijfwijze 'hurre' de rele uitspraak benadert.

...As ze nie gaaw komt dan begiene me mar zonder heur, heurre!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

"Ik smeer 'm heurre! ... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)

...en nie verongelukken, heurre! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun in den trein; NTC 16-9-1939)

Naaw is de maot vol, heurre. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 11; NTC 10-12-1938)

Goddaank et oratorium waar opgevoerd - et waar veurbij, heurre! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938)
Kzot nie trugwille, hrre, dieje td... (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

 

heurem
samentrekking
hoor hem
Cees Robben Ik zieget al.. Ik heurem... (19870313)
 

hs, hske

zelfstandig naamwoord

huis

den hs = grote woonruimte in boerderij met breede open schouw

den hs kre: de woonruimte uitvegen.

WBD washs, aachterhs - bijkeuken (op de boerderij) ►bakhs - bakhuis (vrijstaand gebouwtje of deel v.h. boerenhuis, waarin de bakoven en de baktrog zich bevinden)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Daor hbbe ze toen hze van, van de Hoeven aaf hbbe ze nkele hzen af moete breeken h腔 Klik hier om dit bestand te beluisteren

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Wl, wl, wl, en hs meej en bl (teken v. maatschappel. vooruitgang)

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: wl, wl, wl, bij Pieternl, en hs meej en bl, bij Piern int strtje.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Twee vrouwen in en hs zn as twee katte meej en ms.

Kernkamp, Dialectenquete 1879: huis (de ui-klank als in fr. Meuse) Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ns aaw hs is afgebraand

Brabantse spreekwoorden (Mandos): gij de hze, ik de lze (Kn'50) - Jij rijk, ik arm.

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hs (kaart 28), meervoud hze (kaart 29)

Henk van Rijen: en hs meej en boojemke - een huis als bezit(? met een perceel)

Henk van Rijen: en hs meej pepiere balleke - een huis met een hypotheek

Boutkan: dur den hs - door het huis (Het gebruik v.h. lidwoord 'den' bij een onzijdig woord wijst op een oude datief enkelvoud.) (blz.56)

Frans Verbunt: op hs aon gaon

Frans Verbunt: wl, wl, wl, en hs meej en bl (dus een deftig huis)

Frans Verbunt: die gld heej kan hze bouwe? die gin gld heej kan stene sjouwe

meervoud - naast hze ook hs

Alle hs han wir glas in de raomen en waren opnuuw opgeschilderd. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Ik zit goed en wel in bad, komt ons Gonnie binnengestrmd aachternao gezeete dur un vrouw van un paor hs verder (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)
 

hsakker

zelfstandig naamwoord

letterlijk: huisakker

de figuurlijke betekenis is niet duidelijk

WBD III.1.1. lemma  achterwerk - huisakker (huisekker), Udenhout.

 

ht

zelfstandig naamwoord

ongemakkelijke vrouw

verbastering van 'hoofd' ? (via hoot)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOOT, HEUT; hoofd. Kiliaen:: 'Hood' Zie Huydek. op Mel. Stoke 3 d. bl. 294.

 

heuve

werkwoord (zwak)

tuinieren

Cees Robben Laot den hof toch ligge, Jan... Ik blf heuven z lang ik kan... (19800516)

WBD (III.2.1:407) 'hoven'= tuinieren

Stadsnieuws (rubriek): ik blf heuve zolang ik kan; ik gao nie aachter de geraaniejums zitte (070508)

heuve - heufde - geheufd (geen vocaalkrimping)

De Bont: - tuinieren;

WNT s.v. 'hoven' Z.a.

Haor HEUVE - tuinieren

 

Heuvel

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

topon.

centrum-plein in Tilburg

R Ist druk p den Heuvel? (tegen iemand die op zijn hoofd krabt)

Stadsnieuws (rubriek): Ist druk op den Heuvel? (260306)

 

hverbl, hverbrojke

zelfstandig naamwoord; afgeleid van de heiligennaam Hubertus; Sint-Hubertusbroodjes; door de pastoor gezegende witte broodjes, die de eter een jaar lang zouden beschermen tegen de gevolgen van een beet van een dolle hond. De traditie (3 november) betaat nog steeds (2012)Men behoorde eerst een Hubertusbroodje droog op te eten alvorens iets anders mocht worden gegeten. De broodjes zijn vierkant maar in Vlaanderen vaak ook rond.

Van 'hvert' + 'bl', waaruit de -t- verdwenen is; ook: huubkes

Cees Robben: Hvert-brojkes - Hubertus-broodjes

Lechim; pseudoniem van Michel van de Ven, ongedateerd knipsel 1960-1980, Tilburgse Koerier:

Gin Hverbroojkes mir

Liepte vruuger is enen beet op
van enen hond, dan gingde dod
Agge nie op drie november
gegeete had vant Hverbrod

Toen ginge de bkkers smrges
nr de krk toe meej en maand
vol meej kln vierkaante broojkes
meej enen blle boovekaant.

Die wiere daor dan gezeegend
n ge waart wir vur en jaor
agge dan zon broojke op had
bte dlle-honds-gevaor.

Mar agge naa is wrd gebeete
dur enen hond of dur en kat
krde van meneer den dkter
rap en sptje in oe gat.

Henk van Rijen: 'hberbrojkes, hberbllekes' - Hubertusbroodjes

WBD (III.3.3:253) 'huibertbollen

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'Huubkesbrikes' zelfstandig naamwoord- Hubertusbroodjes

Str. hvert (2:37)

 

hvereg

bijvoeglijk naamwoord

Henk van Rijen: huiverig

 

hze

werkwoord (zwak)

huizen, wonen

 

hi

tussenwerpsel

h (vragend); wat zeg je?

Cees Robben [vrouw tegen haar man:] Ge mot nie hi zegge akkoewiets vraog... zeg dan toch fesoenluk w motte na toch wir...? (19850315)

 

hiegiejne

zelfstandig naamwoord

hygine

Cees Robben hiegiejne... lfmieljeu (19701016)

Ook als hiegiejeene gehoord:

Mar naa zgge ze van mieljeuw n hiegiejeene. [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

hiel

zelfstandig naamwoord

hiel

De krmenaoj, de platte ribbe, de zult of krp, et zwoert n spk. Toe den hiel aon toe. Durreege spk n ballekebraaj. Et smdderptje. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

WBD (Hasselt) ploegzool (balk die over de grond glijdt)

WBD (Hasselt) ploeghiel (achterste gedeelte van de ploegzool)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej de hielen n de vurkaant geboore zn (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - sloom zijn

Brabantse spreekwoorden (Mandos): op de hiele draaje (Handschrift Daamen 1916) - koket lopen

WBD III.1.3:248 'hiel' = hak v.e. schoen

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - hiel (kaart 90)

 

hiel

werkwoord, persoonsvorm

hield verleden tijd van 'haawe'

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaart 73 geeft 'hiel', met niet ver van T andere vormen: hiew, hief

Door assim. is uit hield > hiel ontstaan (vgl. schelden> schelle).

 

hielep

verleden tijd van hlpe

hielp

Robben speelt in deze prent met woorden waarin een zogenaamde svarabhaktivocaal wordt gehoord in de spreektaal: de invoeging van de stomme e tussen twee letters (door Robben in hielup als u geschreven).

Cees Robben - Cees Robben Ik was vruuger gewoon mar md... Mar ik hielup in t huishaauwe net z veul as twee hullepe na vort hellepe... (19811002)

 

hiendere

werkwoord (zwak)

hinderen

hiendere - hienderde - gehienderd

 

hiepeteek

zelfstandig naamwoord

hypotheek

GD07 wrmeej ze den hiepeteek kunnen afbetaole

 

hier

bijwoord, tussenwerpsel

WBD naar links (commando voor een paard)

WBD 'hierm' - naar links (commando voor een paard)

Bovendien worden voor hetzelfde doel gebruikt: 'aar', 'aarm' en (uitsl. Hasselt:) 'aarewch'

Boutkan: zm meense heure(n) hier nie; (29) ak blf ier (wegval h)

Boutkan: (blz. 29) In allegro-vormen kan een initile h wegvallen als het vorige woord eindigt op een medeklinker: 'ik blf ier slaope'.

WBD III.3.1:29 'mensen van hier' = dorpsgenoten

WBD III.3.1:31 'ene niet van hier'= vreemde

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HIERE bijwoord - hier. Kom eens hiere.

HIERES bijwoord - herwaarts, hierwaarts. Kom wat hieres.

 

hierek

zelfstandig naamwoord

herik, kruisbloemige plant met goudgele bloemkroon (Sinapis arvensis), ook: hederik; taai soort tuinonkruid

WBD III.4.3:309 'hierik' = herik

lange ie

WNT: Hirk zie Herk; Herk zie HEDERIK, meestal in samengetrokken vorm herik, herrik, herk, ook vervormd tot herderik en hering; daarnaast heel gewoon: haderik (harik, harrik), afl. van Lat. glechoma hederacea, aardveil, hondsdraf, enz. z.a.

De Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk:'hirrek; resp.'herring'- hederik

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HIRK, HIRRIK zelfstandig naamwoord mannelijk: - een onkruid, in de wetenschap Raphanus Raphanistri

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HARRIK, herik of herrik - eene wilde olie-plant, alg. bekend onkruid.

 

hierentoe

bijwoord

Van Delft - "Toe hierentoe." Tot hier toe. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929)

 

hierte

bijwoord

hier

Henk van Rijen: van hierte tt daorte - van hier tot daar

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HIE(P)TEN bijwoord - hier, in de uitdrukking: van hie(r)ten tot daa(r)ten

 

hiertunne

bijwoord

hier, hiertoe

Cees Robben Van hiertunne toe daortunne... (19640814)

 

hies

bijvoeglijk naamwoord

heet (kindertaal)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hies bijvoeglijk naamwoord - heet (kindertaal)

Haor HIS - heet v-d. kachel m.b.t. kleine kinderen)

C. Verhoeven: HIES, bijvoeglijk naamwoord - heet; alleen tegen kinderen gebruikt.

De Bont: his, resp. hies bijvoeglijk naamwoord  (kindert.) heet, warm

 

hiete

werkwoord (zwak)

heten

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Iemand wsmaoke d nze Lieven Heer Hndrik hiet n in de Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): e haaj peeje stao te steeke.

R.J. ''t vrouwke deh hiette Mie'; die hiette n1or den aawe

B hiete - hiette - gehiete

Boutkan: hiete - hiet/hiete - geheete

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'en die hiette ...'

Pierre van Beek -- Van wie zde gij er en(e) / intje? - hoe heet je?

Cees Robben In elk pront Tilbrgs hshaawe daor hebbe ze unne frater, n non, n piano en n dochter die Miet hiet... (19690627)

Cees Robben Hoe hiet dieje meens, moeder... / Die hiet nie hiet, mennekes.../ Dat hiet.. heet (19711001)

Cees Robben Ze hiette... k mn Sakkee... (19571123)

Henk van Rijen: hoe hiet ie ok awir?

Henk van Rijen: 'Zo as ze daor un vreke hiete - Zoals ze daar een varken noemen.

Stadsnieuws (rubriek): Ge wit wl, ch kom, hoe hietie naa ok alwir? (170509)

C. Verhoeven: HETEN, 1. ouderwets: hte, htte, geht - de naam hebben, de naam geven; 2. nieuwer: hiete, hiette, (geehee:te?) alleen onov.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HIET 2e hoofdvorm van 'heeten'

 

hikske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

waarschijnlijk: mank lopen; de etymologie van hikske is niet duidelijk

de prent van Robben somt gebreken op: lispelen, loenzen, en lpt op n hikske (19661014)

Handschrift Daamen 1916: "op een hikske loopen - een beetje mank"

WBD III.1.2.382 'op een hikje lopen' = mank lopen

 

hil, hille, hillen

bijwoord

heel, geheel

Cees Robben hil gewichtig. (19540227)

Cees Robben Wer hebben er dn hillen vurrige rlog verlet naor gehad... (19561110)

Cees Robben Den hille dag (19700501)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): d wrdt naaw en hil nuuwe stad

Henk van Rijen: en hil dil - heel veel, een groot aantal

want der is daogeleks nen hillen hoop ellende... (Henritte Vunderink, Heure, zien n zwge, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD III.4.4:273 'heel' = helemaal, geheel

C. Verhoeven: HEEL, bijvoeglijk naamwoord ,bijwoord, de uitspraak varieert van 'hel' of 'hil' tot de langgerekte vorm 'hee:l' al naargelang het volgende woord al dan niet beklemtoond is; als bijwoord altijd lang, in verbogen vorm eveneens lang. Z.a.

 

hillegaans

bijwoord

volledig, heelgans, helemaal

Hillegaans totaol verleerd... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

 

hilles

voornaamwoord

alles

Handschrift Daamen 1916: "hilles - alles"

 

hilleml, himml, himmel

bijwoord

helemaal

Hij digget himmol allen / hij kos et himml alleneg

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): hillemaol (passim)

SJAREL. Des himmel iets aanders. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

Ge heurde die nonnen aaltij al van ver aonkome, deur d gerammel van dieje kraolensnoer [de rozenkrans]. Ze ha k nog enne bril op en haorkes op der kien. Die ha ons moeder himmol nie. (Jo van Tilborg)
Jaonus witte naa himmol niks
D op 'n strkzer remt
Aanders stao'k strak mee de seprieze
Ok wir lilluk in m'n hemd. (Lechim)
"Kom es kke Oopaa" zeej de klne Koen.
"M'n Hamsterke is himmol t zennen doen". (Piet van Beers)
n... naa 't wir Krsmes wort
zt ik 'm meej klt n al
n himmol pgetgd,
bezije munne stal. (Piet van Beers)
Cees Robben: ik stao 'himmel' tp; dan is ie hilleml ...;

Cees Robben: ze heeget himml nie p mansvlk begreepe; himml niks

Cees Robben: daor vond ie hilleml niks;

Cees Robben: himmel (prent v.d. week Nieuwsblad 861114)

...ik z meej de bediening zo/ hillemol nie tevreeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: As de zon schnt...)

Henk van Rijen: 'H kos ut hilleml alleneg'

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens Toen waarder himml meej genaajd, toen moeste vort saoves wchte toed die rijers trugwaare, d was toen saoves en uur f llef, half twaalf (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

Piet van Beers Nie nor Spanje: n ds naa iets waor 'k hillemol niks om geef. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

Dieje frater zette mn bekaant hillemol op de aachterste bank, in de klas. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Stadsnieuws (rubriek): Ge zt ok himml ginne meens vur d wrk. (300809)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HEEMAAL: samentr. van 'heelemaal'

Bosch himmaol - helemaal

 

Hilverenbeek

plaatsnaam

Hilvarenbeek

Want, want Beek as gij in Hilverenbeek vruuger en verbaol kregt dan moeste gij in Orscht vurkoome! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Zie ook: Beek

 

hil-w-din

samentrekking

heel wat in

in de uitdrukking:

Cees Robben 'heej hil-w-din' (19641120) [Het heeft heel wat voeten in de aarde.]

 

himmel

bijwoord

helemaal

Cees Robben Ons Tonia maokt daor himmel ginne gatslag van... (19861124) [maakt daar geen probleem van]

Cees Robben Mar meens ik stao himmel tep... (19730824)

Cees Robben Naa hedde daor himmel gin mlderkes mir... (19570525)

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Sint Job d was Berkel-Enschot, d was himmel nie zo wd h, hier bi,  zo w bi, binnendeur dan waar, dan zder zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

►himml

 

himml
bijwoord
helemaal
Cees Robben Himmol niks... (19800215)
►himmel

 

Sticker van 'JongerenPUNT. Midden-Brabant'. Tilburg, Koningslein 23 maart 2019. Foto: CuBra.
 

himphamp

zelfstandig naamwoord

hap, stuk

N. Daamen (handschrift 1916) --  "himphamp - er waas 'nen hillen himphamp uit ('n hap, 'n stuk)"

WNT Himphamp: Een woord zonder bepaalde bet. (verg. voor de vorming woorden als mikmak, poespas, rompslomp), en van zeer verscheiden toepassing.- 1) kreupele, hinkepink; 2) zeer mager persoon; enz. t/m 7

 

hinkel

zelfstandig naamwoord, van het kinderspel 'hinkele' (zie volgende)

hinkelperk

WBD (III.3.2:113) hinken = hinkelperk: ook genoemd 'hinkeleprk', hinkelbaon of hinkelblk of hinkelstrepe

Cees Robben [Kinderen in een winkeltje:] Meneer, verkpte sewle nog drfdllekes meej n zwipke en hakdllekes meej n piske en goeiekpe stukskes hinkelkrt... (19800418)

 

hinke, hinkele

werkwoord (zwak)

hinken (kinderspel)

D'16 - "hinkelen - kinderspel"

WBD III.1.2:164 'hinkelen' = hinken

WBD III.1.2:583 'hinkelen' manken; ook 'hinkeldepinken','honkelen', kreupelen', 'hompelen', 'strompelen', 'hinken'

C. Verhoeven: HINKELEN onov.ww - niet alleen gebruikt als naam voor het kinderspel, maar ook als aanduiding voor echt kreupel of op n been lopen.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HINKELEN - op n been springen

WBD haorhinkele - haarenkelen (v.e.paard) de enkels kwetsen door ze onder stappen tegen elkaar te schoppen), ook genoemd (Hasselt) 'hrnkele'

 

hipke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

Van Delft - Wat "een vaatje zuur bier" is, zullen de ouwe vrijsters zelf het minst gaarne uitleggen; die zouden mogelijk nog het liefst voor "'n hipje" aangezien worden in de hoop er zoodoende nog een "aan den haak te kunnen slaan". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 117; 5 juni 1929)

 

Hippelpad
zelfstandig naamwoord, toponiem

Volksnaam van een straatje in de wijk Oerle, precieze ligging niet bekend

1929 - Wel hoort men nog praten van "den Notenboom" in de wijk Oerle aan den Hippelpad. Dat die raar vergroeide notenboom het tot plaatsaanduider heeft kunnen brengen, vindt zijn grond in de omstandigheid, dat daar ter plaatse vroeger een herberg "In den Notenboom" gestaan heeft; de boom staat er nog, doch de herberg is verdwenen. (A.J.A.C. van Delft - Nieuwe Tilburgsche Courant - zaterdag 2 november 1929 - Van vroeger dagen 139: De boom in t volksgeloof)
WTT De precieze ligging is niet bekend. Hippelpad was wel een min of meer officile straatnaam, in de Tilburgse adresboeken komt de naam niet voor, wel in krantenpublicaties van gemeentewege afdeling Bevolking:
-- Bevolking. Ingekomen: Cornelia J. H. Damen, fabr. arbeidster, Hippelpad A149 van Tilburg... (Nieuwe Tilburgsche Courant, 6-7-1939)
--- Maria C. de Laat. dienstbode, Hippelpad A 92b, van Oirschot. (Tilburgsche courant, 07-04-1931
 

hirke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

heertje

- verkleinwoord van 'heer', met vocaalkrimping

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HEERKE(N) zelfstandig naamwoordo.- onderpastoor eener parochie

 

hirlek

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord

heerlijk

Boutkan: hirlek, herlek (blz.34)

 

hirschap

zelfstandig naamwoord

heerschap

Boutkan: (blz. 34) hirschap (met vocaalreductie)

 

hisse

werkwoord (zwak)

ophitsen

hisse - histe - gehist

C. Verhoeven: HISSEN overgankelijk werkwoord - ophitsen, vooral v.e. hond gezegd; de hissende kreet is 'hieskies.

De Bont: hisse(n) zw.ww.tr. - (aan)hitsen

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HISSEN, HUSSEN - hitsen, te Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):  'kissen'. Hij huste zijnen hond op mij.

WNT HISSEN = hitsen

 

hit

zelfstandig naamwoord

hit (hitlander)

WBD 'hit', 'hiet', 'hitje', (Hasselt:) 'hit' - ondermaatspaardje

WBD 'dubbelen hit' - dubbele hit

 

hits

zelfstandig naamwoord

hitte

'nen diepen hits die dikkels broeit... (Piet Heerkens; uit De knaorrie, De braand, 1949)

Pierre van Beek -- Den hits kmt ert. - Het begint te onweren

Cees Robben We hn allebaai dn hits in ons lf... (19850607)

Cees Robben W-dis onze pa toch krikkel, moeder... St.. jonge, hij hee den hits in zn lf... (19710611)

Henk van Rijen: den grotsten hits is er wl aaf - hij is nu wel wat bekoeld

Henk van Rijen: 'K kos ut nie haawe van den hits'

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HITSE, voor 'hette, hitte' voornamelijk voor eene lichamelijke hitte. ... uit Duitschland overgekomen. Z.a.

De Bont: hit zelfstandig naamwoordvr. - hitte

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hits, hets - hitte, bronstigheid

WNT HITS - overgenomen uit het Duits (Hitze) - hitte

 

hitst

overtreffende trap van het; de vergrotende trap = heter

heetste

Cees Robben Wie goed is vur de kaauw meneer.../ Is beter nog vur t hitste weer...! (19570706)

Boutkan: (blz.35) 'hetst', maar 'hitste'

 

hittepetitje

zelfstandig naam woord

dienstmeisje, meid in de huishouding van een boer

Ons hittepetitje hee ons verlaote nao zeuven jaor trouwen dienst. (Dialoog Karel en Sjarel, in: Groot Tilburg, 8 december 1944)

 

hobbeleureg

bijvoeglijk naamwoord

WBD III.1.4:219 'hobbeleurig' = wispelturig

 

hobbelkaaj

zelfstandig naamwoord

hobbelkeien; kinderkopjes

De straot, et wegdek op zen Nederlands gezeed, waar vur fietsers un straf, om daor deur te moeten, over die hobbelkaaien. Echte kenderkpkes waren et, ingevoerd vant den Bels. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

 

hd

verleden tijd van 'hbbe', tweede persoon enkelvoud

Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jao, ge hd van die dod, ge hd van die dodsbidders hadde, die kwaame dan. Klik hier om dit bestand te beluisteren

 

hdde

samentrekking

had je, had u, hadt ge/gij

Cees Robben Dan hodde gij toch k gesmoord... (19560804)

Henk van Rijen: hdde gin hogger kaort ?

Ver;leden tijd van 'hbbe' met ronding van de stamklinker (a) en assimilatie van de g van 'gij/ge'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HOD: 2e hoofdvorm van 'hebben'

 

hodeldebodel

bijvoeglijk naamwoord

stapelgek

uit Hebreeuws: awar u wotl

Van Dale: hoteldebotel

De Wijs -- Toentertd dit ie al zo vrmd, mar naa geluf ik dettie hartstikke hodeldebodel is (13-07-1966)

WNT -  Dol, buiten zichzelf, uitzinnig, stapelgek, inz. door woede, drift of ergernis. Mogelijk uit hoteldebotel, dat een verbastering is van jiddisch overlewotel: `heengegaan en verdwenen'.

Bij Robben gebruikt als stapelgek.

Cees Robben t Is aatij al unne juin.. Mar meej karneval is ie hillemol hodeldebodel... (19770114)

 

hdje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

huidje

hoed, meervoud hoej/huuj

 

hoed

zelfstandig naamwoord

Boutkan: 'zuukt is nr menen oed'

WBD (III.3.2:117) hoed c.q. rust = doel bij het hinkelspel

► huudje

 

hoefstal

zelfstandig naamwoord

WBD (II:2108) 'hoefstal' - uit balken bestaand bouwsel waarbinnen een

paard wordt vastgezet als de hoefsmid zijn werk doet

 

hoegenmd

bijwoord

hoegenaamd

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'hoegenaomd nie'

 

hoeget

bijwoord

hoe het

Cees Robben: Hoeget daor toen is verlope

 

Middeleeuwse verluchting van een manuscript - De verkoper van hoeden.

 

hoej, huuj

zelfstandig naamwoord meervoud

hoeden

Zis hoej hj bm

Boutkan: hoej (arch.), hoeje; (29) hoej: (54) hoej (arch.) naast hoeje

...ik wed d den duuvel nog wel kwaod om die groote hoeien is... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HOED, HOET, zelfstandig naamwoord mannelijk:, mrv. hoeien en hoeten

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hoej zelfstandig naamwoord- meerv. van hoed

Mnl.wdb. III:484, r.14 v.o.: 'nog heden is in de volkstaal de vorm hoei bekend'

 

hoejbl

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: papieren hoedezak; ook : huudjesbl

 

hoe-joei

uitroep van vrees of als waarschuwing, verbetering

Cees Robben Hoe-joei n... (19730601)

 

hoek, huukske

zelfstandig naamwoord

hoek

WBD gge meej de lichten hoek - bot eggen (eggen op halve kracht; de tanden v.d. eg staan dan tegen de trekrichting in).

 

hoeke

werkwoord, zwak

hoeken, namelijk vuistvechten

- As er w te hoeke valt dan istie derbij.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

- Dus j, d wier al gaaw hoeke  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

hoem

samentrekking

hoe een; wat voor een

Cees Robben Hoem-pap-hemme...? (19590502)

 

hoeme

werkwoord (zwak)

hoeme - hoemde - gehoemd

R zoemen

fig. een climax aanduidend: dt hoemt - heel hard, intensief iets doen

We hebben er vort zes groote bombardons bij, dus 't zal er hoemen op den Heuvel zee de Vurzitter van De Kikvorsch". Uit het land der Brabantsche week, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930, door W.v.M. = Willem van Mook.

- De stfzger die jaankt n hoemt/ de papegaoi kwkt mee. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Ene rustige snipperdag)

Henk van Rijen: mn oor hoemt zo - ik heb oorsuizingen

Frans Verbunt: ... dt hoemt - dat het tekeergaat

Stadsnieuws (rubriek): As ge nie tschaajt, krde en flr om oew oore dt hoemt. - .. dat ze suizen (041109)

WBD III.1.1:250 'hommen' = suizen v.d. oren; ook: 'toeten','tuiten'

Tekening Staf Rijckers, Nieuwe Tilburgsche Courant 31-07-1930

De bombardon is de voorloper van de sousafoon. Vooral in dorpsfanfares en harmonien was dit instrument populair. Door de bastuba zo te buigen dat hij draagbaar was over de schouder kon dit instrument goed gebruikt worden om mee te lopen. (Wikipedia)

 

hoemel

zelfstandig naamwoord

hommel

...as 'n hoemel op 'n blom. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 10; NTC 3-12-1938)

 

hoempele

werkwoord (zwak)

hompelen

WNT - Gebrekkig, moeilijk, en wel stooterig, met schokken, kleine sprongen of zetten gaan of zich voortbewegen.

Mieke Stok, die op d'r twee krukskes zoo gaa ze kos naor et ven hoempelde... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
...bij 't loopen hoempelde scheeve Jaonus op en neer, op en neer, om de eenvoudige rejen d z'n een been 'n paor duimkes te lang waar, of z'n aander te kort, of allebaai... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)
Hij begos al aorig te hoempelen, al kos et nog nie worre vergeleken mee 't gehoempel van den scheeve Jaonus. (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Oome Teun op collecte; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)
 

hoen

vragend voornaamwoord

hoe een, wat voor een?

in de uitdrukking: van de hoen..?; wat voor..? welke..?

Cees Robben Van de hoen wilde hebben? (19640214)

Cees Robben Hoen huudje hottie op... (19600219)

Cees Robben Hoen brievenbus wilde op oew deur (19840518)

N. Daamen (handschrift 1916) --  "hoenne (hoe eenen)"

Henk van Rijen: de hoen zodde wille?

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HOON (scherpe o), bvw. - hoe een, welke. Hoone man? Hoon vrouw, hoon hui

Haor - HOEN(EN) - wat voor een

 

hoeneer 

bijwoord

wanneer

'hoeneer' misschien gevormd uit 'hoe laat' en 'wanneer', twee tijdsaanduidingen die niet precies hetzelfde betekenen () werd toch hardnekkig als fout afgewezen en als teken van geringe ontwikkeling en gebrek aan taalgevoel beschouwd. (Cornelis Verhoeven)

Cees Robben En hoeneer komde naor ons toe..? (19651224)

Cees Robben Hoeneer komde wir... Beschient n testag-taatemiddeg.. (19760423)

Soms kwaam enen dodsbidder langs om n te zgge hoeneer de begrffenis waar. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2002)

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOENNEER. Wanneer. Zie Kiliaen:

De Bont: hoeneer, bijwoord, (weinig gebruikelijk) wanneer

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hoeneer - wanneer

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hoeneer - wanneer

WNT HOENEER (vragend) - wanneer?

 

hoens

voornaamwoord

Henk van Rijen: wiens

Henk van Rijen: Hoens kiest is d? - Wiens kist is dat?

 

hoepere

werkwoord (zwak)

zittend schokken; huppen, wippen

hoepere - hoeperde - gehoeperd

C. Verhoeven: HOEPEREN onovergankelijk werkwoord, al zittend omhoog bewogen worden, op en neer schokken in een rijtuig, op een kar of op de kermis; d hoepert lkker.

De Bont: hoepere(n) zw.ww.intr. en tr. - op en neer huppen of wippen

Bosch hoepere - op en neer wippen, schokken

 

hoer

zelfstandig naamwoord

hoer

Brabantse spreekwoorden (Mandos): zde hoer, schlm f dief, hdde gld, ik hb oe lief (JM'50) - geld maakt alles goed

Frans Verbunt: beeter en aaw hoer dan en jng znder klaante

WBD III.1.4:109 'hoer' = ondeugende vrouw

 

hoeset

samentrekking

hoe ze het

Cees Robben [Ze] wiese-nie-hoeset han... (19810515)

 

hoeste

werkwoord (zwak)

Henk van Rijen: hoesten, verrekken

- in de uitdrukking iets of iemand te hoeste hbbe; de pot op kunnen

Cees Robben Dan hak ze vort te hoesten... (19650326)

Henk van Rijen: 'Ze hn um te hoeste ' - Ze hadden hem niet nodig.

 

hoevelderhaande

voornaamwoord

hoeveel soorten

Henk van Rijen: hoevelterhaande - hoeveel soorten, hoeveel verschillende

Stadsnieuws (rubriek): Ik wil enen ijskoo van en kwartje; hoevelderaande smaoke hdde? (141009)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): hoevelderhande bijvoeglijk naamwoord - hoeveel soorten

 

hoeveul

telwoord

hoeveel

't is honing en suiker al w ge daor ziet,
en 't stao oe nooit tegen, hoeveul g'ok geniet. (Piet Heerkens)
Ge het er gin gedaacht van hoeveul hout er los in et bos ligt. (Jo van Tilborg)
Rooie, witte, gle wn
Hoeveul, ds nie te ple
Verdwnt temidde van 't pleizier
In duuzend dreuge kele. (Lechim)
Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HOEVEUL bijwoord - hoeveel

 

hf, hfke

zelfstandig naamwoord

de tuin, de hof

Ene groten hf meej veul bome

Cees Robben Daor gienderwd in zunnen hof... (19550129)

In ieder hfke zn ze wir/ nt spaoje n nt plaante/ enen hister hier, en klimros daor/ w kln grut langs de kaante. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Wir td vur den hf)

- Ammol han ze unnen hof Uit: B de wvers n tffel, Ad van den Boom, circa 2005

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): 'hof' - zelfstandig naamwoord - tuin; mv 'heuf'

WBD (III.2.1:399) hf, hfke, tn = tuin

J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HOF: zelden hoort men 'tuin'. Z.a.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HOF zelfstandig naamwoord m. wordt overal gebruikt voor 'tuin', Fr.jardin.

 

hfke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van hf

hofje, achtertuin

Cees Robben Hij gaat op zoek maar t is wel vreemd/ Hij vindt geen Oel of Loven/ Geen Krvels-huukske of t Zaand/ Geen Padde-waaikes en geen Vraand/ Geen hfkes en geen hoven. (19651224) [De prent gaat over de verstedeling van Tilburg waardoor oude wijken en natuur verdwijnen.]

- Door Robben gebruikt in een uitdrukking die bezwangeren betekent

Cees Robben [Vader tegen ongehuwde zoon:] Ge ht nogal geaffeseerd om oew hfke in t zaod te krge... (19810710)

Cees Robben Den pastr is k al koome vraoge of ik mn hfke nog nie in t zaod ha... (19771230)

WBD III.2.2:3 'de hof bezaaid hebben' = zwanger zijn

Brabantse spreekwoorden (Mandos): zit den hf al in et zaod? ('87) - is de vrouw al in verwachting (informatie door de pastoor)

 

hfpad

zelfstandig naamwoord

tuinpad

oover den hfpad - achterom: Ge kmt mar oover den hfpad!

Cees Robben - Ik zie (...)  Mn kiendjes vur slaoi al dn hofpad op gaon... (19570309)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): langs den hfpad gescheeten hbbe ('71) - een wegescheet aan het oog hebben, in Tilburg: pad(de)scheet

Stadsnieuws (rubriek): Vruuger gingde not dur de vurdeur mar aatij oover den hfpad (200607)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HOFPAD - zelfstandig naamwoord mannelijk: - tuinpad

 

hogger

bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap

hoger

Hdde gin hgger kaort? - Had je geen hogere kaarten?

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 De krk is hgger as de toore.

Boutkan: (blz.35) hogger (met vocaalreductie)

comparat. van 'hoog', met vocaalkrimping

 

hgget

werkwoord, persoonsvorm +voornaamwoord/ lw

had het (na gij, hij/zij/et, gullie)

- Hij hgget nie gedcht

- 2e+3e pers.enk. 'h' - 'et'

Het fonetisch hiaat tussen 'h' en 'et' is opgevuld door inlassing van 'g' (Schuurmans: Encl.pron., blz. 22)

Cees Robben Ik hogget kunnen weten... (19651224)

De Bont: 242

 

hogst

bijvoeglijk naamwoord , sup.

hoogst

'hog' met vocaalreductie)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hij is den hogste

Boutkan: (blz.35) hogst (van hog) - superlatief van 'hoog'

 

hogstes

bijwoord

hoogstens, op z'n hoogst

 

hogte

zelfstandig naamwoord

hoogte

WBD III.4.4:138 'hoogte' = heuvel

Boutkan: (blz.34) hogte (met vocaalkrimping)

 

hoj, haj

werkwoord, persoonsvorm + pron.

had hij

Hj ginnen td mir? - Had hij geen tijd meer?

Henk van Rijen: hij ht nie gedcht - hij had het niet gedacht

Henk van Rijen: 'H-j-oe? - Had hij je te pakken?

3e pers.enk. verledentijd van 'hbbe', met d-apocope en samensmelting met enclitisch pronomen (ie), en klinkerronding ()

 

hkkeling

zelfstandig naamwoord

WBD jong rund, ook 'pink' genoemd of 'graskalf'

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HOKKELING zelfstandig naamwoord mannelijk:-bij landb.: eenjarig kalf (nooit vr.)

WNT HOKKELING - eenjarig kalf; iemand die pas komt kijken

 

hkkoe
samentrekking
had ik je
Cees Robben W hokkoe gezee.. (19560526)
 

hknld

zelfstandig naamwoord

haaknaald

Henk van Rijen: hk mar en hknld - had ik maar een haaknaald

 

hks

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

haaks

WBD 'haoks lope' - (v.e.paard) bij het stappen de voeten naar binnen keren,ook genoemd 'in zen hakke draaje"

WBD III.1.1:171 'hoks' = knieholte

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HAAKS(CH) - in den haak, rechthoekig, Fr.d'querre; fig.dwars, wederstrevend. Gij zijt altijd zoo haaks(ch)

 

hkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

haakje

Interview Hermans - 1978 - n dan hadde van die zerdraojkes meej midde en gske derin, dan wier daor meej zon kln handvatje deraon, meej en pinneke deraon, en hkske, war, dan zaat de vrouw veur n hij eraachter n dan gaaf hij den draod aon n die sloege ze om d hkske n dan trok zij em dur die ogen vur en. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

WBD kamhkske (II:1015) - kamhaakje: inrijghaak (voor weefkam); ook: rgnld of rghaok genoemd

Boutkan: (blz.53) haok - hkske

 

hkske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hokje

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hukske (haok) (u als in 'mulder' = mlder)

Boutkan: (blz.32) hkske

verkleinwoord van 'h', met vocaalkrimping

 

hl

hol

1. bijvoeglijk naamwoord, leeg

WBD III.2.3:183 'hol' = leeg (v.e. noot), ook 'loos'

WBD (Hasselt) slecht van bouw (gezegd v.e. paard)

2. zelfstandig naamwoord van werkwoord hollen

WBD p hl slaon - op hol gaan (v.e. paard), ook genoemd 'er tussent gaon'

3. kont, aars

WBD III.1.1. lemma  aars hol, ook in Tilburg

WBD III.1.1. lemma  aars holletje, Tilburg

 

hlbaor

bijvoeglijk naamwoord

haalbaar

Boutkan: (blz.34) hlbaor (met klinkerverkorting)

 

Ill. uit Naumann - columba oenas = hldf = holenduif

hldf

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: 'hldf' - holenduif (Columba oenas)

WBD III.4.1: 'holduif' - holenduif (Columba oenas)

WNT HOLDUIF - eene der benamingen van Columba palumbus.L.

 

hlleke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

holletje; verkleinwoord van 'hl', met umlaut

Uitdrukking: hlleke oover blleke hals over kop

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: En ms heej meer dan en hlleke. (Het is altijd gemakkelijk over meer dan n mogelijkheid te kunnen beschikken.)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): tis en moord in en hlleke / in en maand (Handschrift Daamen 1916) het is een te verwaarlozen zaak

 

hllewaaj

zelfstandig naamwoord

vrouwelijke losbol

Handschrift Daamen 1916 "hollewaai - 't is zo'n hollewaai (een ongegeneerde vrouw)"

Cees Robben: 'ze gonk te veld, de hollewaai' (19600219)

Stadsnieuws (rubriek): Die hllewaaj kan ginne manskrel meej rust laote. (051106)

Leid. hollewaai - vrolijke, luchthartige vrouw (etym. onzeker)

Hees: ollewaai (I:28, IV:6l)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'hollewaaj ' - zelfstandig naamwoord hollewaai (bep. vrouwspersoon)

C. Verhoeven: HOLLEWAAI (hollewj) v., luidruchtig en brutaal vrouwspersoon, niet al te fijn gebouwd.

De Bont: hollewaai zelfstandig naamwoordvr. - een vrouwspersoon die wild en zot is en weinig verstand toont

WNT hollewouter (alleen in toepassing op vrouwen?) Men hoort (te Leiden) ook gelijkbet. 'hollewaai' zie VI:886

Bij Corn.Vervl. ook: hollemoier en hollegriet.

 

hllie

persoonsvorm /bezittelijk voornaamwoord

hun, hen

Cees Robben Hllie taante Sjoow... (19600219)

Henk van Rijen: zllie verdiene meer op llie, as gllie op hllie

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HLLIE, HLLE(N), vrnw. en bvw. Datief of accusatief van 'zllie'

(zijlie) - hun, ze; ook bijv. w. : Hllie deur was vast.

 

hlp

werkwoord, persoonsvorm

hielp

Henk van Rijen: 'K-hllep un n beeter wrek

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):  HOLP - 2e hoofdvorm van 'helpen'

 

hlppke

zelfstandig naamwoord

WBD holpijpje: een stalen staafje dat van onderen in een scherp gerand kokertje uitloopt, waarmee men gaatjes in het leer kan slaan (II:725)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAALPIJP - zelfstandig naamwoordv. - bij schoenmakers: klein eenvoudig werktuig om koperen ringskens in de rijggaten v.d. schoenen te vestigen.

 

hlrol

zelfstandig naamwoord

holrol

term uit de zangkanariesport; klanknabootsing om een bepaalde zang van een kanarie weer te geven.

Cees Robben - 19570126

 

hlstnder

zelfstandig naamwoord

R onrustig iemand

 

hlt

werkwoord

haalt, holt

Henk van Rijen: assie hlt, dan hltie et- als hij hard loopt, haalt hij het -tegenwoordige tijd 2e + 3e pers.enk. van 'haole' (met vocaalkrimping)

 

hlt, hlde

werkwoord, persoonsvorm

huilt, huilde

tegenwoordige tijd/verleden tijd van 'hle', met vocaalkrimping

 

hom

tussenwerpsel

WBD opzij! (commando voor een paard), ook 'm' genoemd

C. Verhoeven: HOM uitroep! opzij, tegen een koe gezegd.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HOM (uitspr. hoem) telwoord - bij landb.: uitroep om koeien of geiten te doen omstaan.

Haor HOM - opzij (bij het melken gezegd tegen de kosj

 

hmkusse

zelfstandig naamwoord

haamkussen

WBD hmkusses (Hasselt) - haamkussens (de vilten binnenbekleding v.h. haam)

 

hommele

werkwoord (zwak)

Handschrift Daamen 1916: hommelen - Ze zen hiernost an't hommelen (de WC aan 't ruimen)

 

hmsklippel

zelfstandig naamwoord

WBD haamhout (een voor aan het trekstuk v.d. ploeg bevestigde dwarsbalk)

 

hmspaon(e)

zelfstandig naamwoord, meervoud

WBD (Hasselt) beide pluralisvormen worden evenals de dito 'gerilspaon(e)gebruikt voor: haamspanen, de twee houten hoofdbestanddelen v.h. haam

 

hn, han

werkwoord, persoonsvorm

had(den)

Daor hn ze nie n gedcht. - Daar hadden ze niet aan gedacht.

Cees Robben n plekske/ waor blom hn gestaon (19590822)
Cees Robben Wrrom zum daor hn neergezet (19590912)
Henk van Rijen: 'Ze hn niks op f aon' - Ze waren naakt.

Henk van Rijen: zllie hn meer as wij

Henk van Rijen: daor hn ze nie n gedcht

A.A. Weijnen; Onderzoek dialectgrenzen in Noord-Brabant (1937) - kaart 72 geeft de ongeronde vorm: ha(n).

 

Jongen met hond - Giacomo Ceruti


Illustratie: Rolf Janssen

hond, hundje

zelfstandig naamwoord

hond

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Hij is krks as nen hnd klippels.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Den nzen is nt z krks as nen hnd klippels.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Hoe klder/ grtter hnd, hoe meer vloje.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: En prd n enen hnd, die hinkt van ene strnt.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Wie b den hnd slpt, krgt vloje.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: As g'ene vrmden hnd zene start licht, wrdervan bescheete.

Deze en de twee volgende tekeningen: Cees Robben - details uit Prent van de Week

En daansen as ze kan! Ze wit van gin uitschaaien en ze sjouwt oe aaf as 'nen hond in 'nen botermeulen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30)

Pierre van Beek "Wie bij den hond slaopt, krijgt vlooien" is ons equivalent voor "Wie met pek omgaat, wordt er door besmet." (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant maandag 17 april 1950)
Pierre van Beek De volkse wijsheid "hoe kaolder hond hoe meer vlooien" past gewoonlijk ook wel bij de branieschopper. Degene, die zelf het minst betekent of presteert, meent vaak de meeste eisen te mogen stellen.
 

Pierre van Beek -- gezegde: Hij zit erp te wchten as nen hnd p en zieke koej. (Tilburgse Taalplastiek 136)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: de poote vaan 'nen hond

Brabantse spreekwoorden (Mandos): nt enen hnd die van zenen halsbaand is lsgebrooke ('71) - wild, luidruchtig, uitbundig

Brabantse spreekwoorden (Mandos): z blij as enen hnd meej twee strte('82)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): zoo gelukkeg as nen hnd die p zene verjaordag verzoope wrdt (Handschrift Daamen 1916) - ironisch voor: ongelukkig

Variant: ge ziet ert as ene jngen hnd die op zene verjaordag verzoope wrdt ('69)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): den hnd moet t de stoel (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - als vader met het weekgeld thuiskomt, heeft hij recht op de beste plaats

Brabantse spreekwoorden (Mandos): in den hnd geraoke (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1973) - in moeilijkheden raken

Brabantse spreekwoorden (Mandos): hoe grtter hnd, hoe meer vloje ('7l) - hoe groter het bedrijf, hoe meer zorgen; wie zelf niets presteert, heeft vaak veel eisen

Brabantse spreekwoorden (Mandos): liever meej aander hnde jaoge (Kn'50) - iemand mijden omdat hij te veel weet.

Henk van Rijen: wnne kaojen hond; hij bt aachterbekaare

Frans Verbunt: laagen as enen hnd die mosterd heej gevreete

Frans Verbunt: meej den hnd int hk, de vrouw in hs n de meens int cafeej hdde en gereegeld hshaawe

Boutkan: blz.59: menen ond (<hond)

Dansende hondjes - Louis Leopold Boilly.

 

hondekr

zelfstandig naamwoord

hondenkar

WBD broodkar met hond eronder

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- n Keej de Plder die daor bij et krthske wonde, witte gij d ng in den Brndk f in de Oerlesestraot was d toenn dan ginge ze rije op en hondekr want zij was zon hil dikke! (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HONDEKAAR en HON(D)SKAAR (Nederl. a) - kar met een of meer honden bespannen

Afbeelding uit Kroniek van de Kempen - 1990

 

hondekt

zelfstandig naamwoord

hogehoed

vD 'hondenkot' - gew. hogehoed

WBD III.1.3:171 'hondenkot' = hoed (spotnaam,); ook: 'hoge zije '

WBD III.1.3:.77 'hondenkooi' = hoge hoed

 

hondepriester

zelfstandig naamwoord

PM liefhebber, verzorger, event. fokker van honden

C. Verhoeven: -PRIESTER woord dat min of meer vermeden wordt, maar bij voorkeur als tweede lid in samenstellingen gebruikt, waar het ongeveer betekent: goede verzorger, liefhebber van klein, ongevaarlijk vee, bv. in hennenpriester, konijnenpriester.

De Bont: hndepriester, zelfstandig naamwoord mannelijk: - groot kenner en liefhebber van honden

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HONDEPASTOOR (scherpl. o) zelfstandig naamwoordm - liefhebben v. honden, hondengek.

 

honderd

telwoord

honderd

gezegde: Hnderd p enen hop - te veel om op te noemen (?)

Cees Robben: Dieje meens is al meer as hnderd jaor dod.

Brabantse spreekwoorden (Mandos): oover honderd jaor hbbe we tch ene gtekp (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) - over honderd jaar zijn we allemaal dood

WBD riet van hnderd (II :10l7)- riet van honderd: rietkam met honderd rietstaven per kwart el (l7 1/2 cm)

Henk van Rijen: 'In-t volle hondert' - In het openbaar

 

honderd zakke grt vur de nonne

bastaardvloek

klanknabootsing van de vloekklanken nonde, sakker, godver en nonde (ju)

Elie van Schilt - Honderd zakken gort vur de nonnen... (Uit: Ge heurt et niemir, Plat Tilburgs van vroeger; CuBra ca. 2000)

 

honderste

telwoord

honderdste

Boutkan: . (blz. 90) honderste

 

honderteraante / honderterandere

telwoord

Henk van Rijen: honderd verschillende

Zoo kank wel honderterandere vurbilde aonhaole (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 23 maart 1945)

 

hondsbndje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hondebandje

Boutkan: (blz. 27) uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

Brabantse spreekwoorden (Mandos): meej en hndsbndje m (RL'48) - met een boord om (in de Hasselt was een witte boord geen alledaags verschijnsel)

 

hondsgezk

zelfstandig naamwoord

hondsgezeik

bij lk hndsgezk - telkens weer, om ieder wissewasje

Cees Robben: vur alle 'hondsgezeike' moet ik de pt p;

Henk van Rijen: ieder hndsgezk stin diejen hond te zke - om de haverklap

WBD III.4.4:131 'hondsgezeik' = ogenblikje

WBD III.4.4:284 'hondsgezeik' = iets onbelangrijks

Stadsnieuws (rubriek): Ge moet mn nie vur lk hndsgezk van men wrk afhaole (140908)

Boutkan: (blz. 27) uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'hondsgezeik' zelfstandig naamwoord- futiliteit, kleinigheid

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899) - HON(D)S- GEZEIKEN zelfstandig naamwoord,  onzijdig, meervoud: alle hon(d)sgezeiken- alle oogenblikken, gedurig. Hij is alle hondsgezeiken hier, ziek.

C. Verhoeven: Honsgezke, in de uitdrukking 'alle honsgezke', alle gedurigte, zo dikwijls als een hond urineert, om de haverklap, met hinderlijke frequentie.

De Bont: hns.k, zelfstandig naamwoord m. 'hondszeik': 't Is mr lierelw (bv.koffie), t is krk of et honszaek is.

De Bont: zelfstandig naamwoordo.'hondsgezeik' (in de veelgebr. zegswijze: 'Ds alle honsgezaek te doewn' - Dat is ieder ogenblik te doen, om de haverklap.

 

hondsknbbenhout

zelfstandig naamwoord

hondsknbbehout

Boutkan: (blz. 27) uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

 

hondsmrt

zelfstandig naamwoord

hondenmarkt

Boutkan: (blz. 27) uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

Brabantse spreekwoorden (Mandos): dan hdde aaltij hndsmrt vur de deur (Kn'50) - als er jonge meisjes in het gezin zijn, is er veel aanloop van jongens

 

hondsneus

zelfstandig naamwoord

hondenneus

Boutkan: (blz. 27) uit het cluster nds wordt de d verzwegen: honsbndje, honsgezk, hons....

Brabantse spreekwoorden (Mandos): hndsneuzen n kattepoten n gebraajde/gebraoje (?) friekandlle ('84) - antwoord op de vraag 'Wat eten we vandaag?'

 

hong

werkwoord, persoonsvorm

hing

verleden tijd van 'hange'

Cees Robben Daor hong w weemoed in mn hart..

Cees Robben En boven deze soeppot hong (...) Mistal n locht van smr (19701016)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HING, HINK, HONG, HONK : 2e hoofdvorm van 'hangen'

 

honger

zelfstandig naamwoord

honger

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Ge meut wl p en aander hnger krge, as ge ts mar komt eete. (= Je mag best naar een vreemd meisje kijken, maar verder...)

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: Et is nie rg as ge nderweg honger krgt, agge mar ts it.

Brabantse spreekwoorden (Mandos): hnger hbben as en heimouwerik (NTC'59) - erge honger hebben [WNT: heimourik, kneutje, Fringilla cannabina]

 

hongeraagtig

bijvoeglijk naamwoord

hongerachtig, honger hebbend

- Bron: Woordenboek van de Brabantse dialecten III, 2, 3 Eten en drinken (2004)

Beschrijving van het WBD: Honger hebbend.

Waardering voor Tilburg door WBD: zeldzaam.

 

hons

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

honds

Boutkan: (blz.27) nts > ns hons

 

honsblaos

zelfstandig naamwoord

nagelbedontsteking; fijt; nagelriemontsteking

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens .op dere vinger f dere dm hasse zogezeej zon honsblaos derop staon nt asse zinne.ik zal es en stukske ruggestrngmrg meejbrngen en uur ndderaand wast oopegebrooke. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

WTT 2013 -- deze benaming voor fijt is voor Tilburg niet opgetekend in net WBD maar dus -- zie audio Bertens -- wel zeker in gebruik geweest. Voor een dergelijke ontsteking noteerde het WBD voor Tilburg wel: hondsblein en blein (WBD III.1.2 lemma nagelbedontsteking) Dit pijnlijke ongemak is vooral bekend als een kwaal van honden.

 

honsgezk

zelfstandig naamwoord

hondsgezeik; figuurlijk gebruikt: wissewasje, het minste of geringste

Cees Robben Vur alle honsgezeike mot ik er op uit (19671006)

Cees Robben [zieke vrouw:] Vur alle hondsgezke moet ik de pot op... (19831216)

Cees Robben Hij is allegedurige ziek en blft vur elk hondsgezk thuis (19870320)

 

honsknbbehout

zelfstandig naamwoord

WNT hondsknopperenhout (in N-Brabant): hondsboom

Brabantse spreekwoorden (Mandos): femielie van hndsknbbenhout zn (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1965) - rood haar en zomersproeten hebben (Hondsknobben = vuilboom of sporkehout, Frangula alnus)

Henk van Rijen: 'honsknbbe' zelfstandig naamwoord- vuilboom, sporkehout (Frangula alnus)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): 'hndsknoppehout' zelfstandig naamwoord - vuilboom

R bep. soort riet met zwarte bast en witte spikkels, dat werd gespleten

en ineengevlochten, daarna met leem besmeerd (in de primitieve bouw)

Henk van Rijen: 'honsknbbe' - vuilboom, sporkehout (Frangula alnus)

Frangula alnus/ wegedoorn

WNT - zie hondskopperenhout en vuilboom

 

honsros

zelfstandig naamwoord

Rosa canina (egelantier) - wilde bottelroos

Afbeelding: Thom

WBD III.4.3 :153 honsros - wilderoos, hondsroos, egelantier ook genoemd: stuikroos of wilde roos of wild roosje

 

hntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

haantje

verkleinwoord van 'haon', met vocaalkrimping

WBD hntje - mannelijk kuiken

WBD (III.3.3:77) hntje - haantje, torenhaan

 

hog, hogger, hogst

bijvoeglijk naamwoord /bijwoord

hoog of hog vlk - beter gesitueerden

en brlft meej veul hog vlk

WBD hoge - langbenig (gezegd v.e. peerd), ook genoemd 'klippel' (Hasselt) 'klpper'

Cees Robben Van hg toe lg (19651224)

WBD hoge ketting (II:1010) - dicht, gezegd v.e. ketting

WBD hoger hange (II:1010) - de weefkam hoger hangen

WBD III.1.4:167 'hoog' = deftig

 

hoogaatie

zelfstandig naamwoord, mannelijk.

Samentrekking uit 'hoog gaat hij'.

Volksnaam voor een reuzenrad op de kermis.

- Paa, meugeme naa in den hoog-gaatie?

- Interview Van den Aker (1978), transcriptie door Hans Hessels (2014) - Jaaa ene mallemeule n enen hoogaatie n ene ootoosktters n zo Klik hier om dit bestand te beluisteren

- n toen in den hooggaatie... (Henritte Vunderink; 'Krmes'; k Zal van oe blve haawe, 2007)

- Stadsnieuws (rubriek): Booven in den hooggaatie kunde de mskes gemak zat kusse - (090510) - boven in het reuzenrad laten de meisjes zich gewillig zoenen.

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

 

Uitspraak en spelling

- 2019 - Ed Schilders - Aangetroffen in diverse spellingen: hooggaatie, hoog-gaat-ie, hoog-gaatie, hoogatie. De spelling 'hoogaatie' lijkt de beste aangezien er slechts n g wordt uitgesproken. In de spelling met een dubbele g ligt de klemtoon bovendien op 'hoog', en dat is in de uitspraak van de volksnaam niet het geval; dan ligt de klemtoon op 'gaat': 'Gaode meej in den hoogaatie?'

 

Geschiedenis

- 2019 - Ed Schilders - 'Hoogaatie' is nog steeds een algemene aanduiding voor 'reuzenrad' door Tilburgers. Waarschijnlijk verscheen deze kermisattractie in 1926 voor het eerst op de Tilburgse kermis, getuige een advertentie

 

Nieuwe Tilburgsche Courant, 1 september 1926. Bron: Delpher.

 

'Hoogaatie' is dan blijkbaar een begrip dat algemeen bekend is. Mogelijk hebben er al eerder hoogaaties op de Tilburgse kermis gestaan maar daarvan heb ik geen gedrukte bronnen gevonden. Toch bleek de volksnaam nog ouder dan ik dacht, want de oudste bewijsplaats in de krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek, Delpher, geeft bij de zoekterm 'hooggaatie' een bericht uit de Nieuwe Tilburgsche Courant van 9 juli 1899. Het is dan kermis in... Goirle:

 

 

Daaruit blijkt dat de Goirlese kermis in 1898 een grote publiekstrekker was geworden door de aanwezigheid van onder andere '2 draaimolens' en 'een Hoog-gaat-ie, zoals men het hier noemt'. En daarmee is meteen de volkse komaf van het woord bewezen, want officieel was de naam van zo'n reuzenrad 'Deensche hoogvaart', een benaming die soms ook in de kranten gebruikt wordt maar die vooral voorkomt in de officile gemeentelijk berichten over de aanbestedingen van de kermisattracties.

 

Nieuwe Tilburgsche Courant". Tilburg, 30 augustus 1928.

 

Over de herkomst van 'Deense hoogvaart' ben ik niet zeker, maar het lijkt aannemelijk dat de naam gekozen is in het voetspoor van een topattractie in het pretpark Tivoli in Kopenhagen, geopend in 1844. Hoewel dit oudste reuzenrad zich nauwelijks kan meten met de spanwijdte en hoogte van moderne reuzenraderen was het in zijn tijd een sensatie en publiekstrekker.

 

Het 'reuzenrad' in Tivoli, Denemarken. Bron: Wikipedia.

 

Op de foto is te zien hoe de 19de-eeuwse tractatie het midden hield tussen gondels met zitplaatsen en luchtballonnen, tussen zee- en luchtvaart. Aan die verbeelding moeten we ook denken als we over hoogaaties lezen in de eerste helft van de 20ste eeuw. Zie bijvoorbeeld deze vroege foto van een 'Deensche hoogvaart' uit het tijdschrift Het Leven (Bron: Delpher).

 

 

Hoe een Tilburgse hoogaatie er in 1957 uitzag is te zien in deze prent van Cees Robben, gepubliceerd in weekblad Rooms Leven:

Prentbriefkaart ter promotie van de 'Jaozeetie', een populair tentoonstellingsproject  waarbij opmerkelijke gebeurtenissen (waar of niet waar?) uit de Tilburgse geschiedenis in kijkkasten worden uitgebeeld. In 2019 stond de expositie in het teken van de Tilburgse kermis. Afbeelding facebook.com/dejaozeetie, 2019.

 

hogbinder

zelfstandig naamwoord

WBD koe met hoge poten, ook genoemd 'langbinder', 'lochte koej ' of ondiepe koe

2e lid = 'bener', met vocaalkrimping en epenthetische 'd'

 

hogendries

toponiem

Kaart: Diederik Zijnen (1760)

'den Hoogendries' in het oosten van de stad

Dan slpen zoe karkasje nor den hoogen Dries... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

Pierre van Beek -- nr den Hoogendries brnge - in ongewijde grond begraven (het kerkhof v.d. par. Heuvel ligt op den Hogendries)

De Bont: zelfstandig naamwoord mannelijk: (eigenn.): de(n) Hoogendries, terrein tussen Zitterd en Zand-Oerle

 

Hogevnsestraot

toponiem, straatnaam

Hoogvensestraat

Audioregistratie 1978 - ik hb et gedaon vur Drikka Kools meej zon grote maand erop waor dan ppe in moese! Gienderwd nr Bartje Braans gebrcht, Bartje Braans, de Hogevnsestraot as ge die wit, meej de kreugel, dan waarde bkaaf as ge trugkwaamt! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

 

hogezije

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: 'hogezje' - hogehoed, cilinderhoed

WBD III.1.3:172 'hoge zijden' = hogehoed; ook 'hondek1ot' of 'kachelpp'

WBD III.1.3:176 'hoge zijden' = hoge hoed; ook:'kachelbuis', 'hondenkooi '

WBD III.1.3:185 'hoge zijden' = hoge pet met opstaand bovenstuk

WBD III.2.2:99 'hoge zijden' = rouwhoed, hoge hoed

 

hooggaatie, hoog-gaat-ie

zelfstandig naamwoord

kermisattractie: het reuzenrad (uit: hoog gaat hij)

Zie hoogaatie, hierboven

 

hoghaaj

zelfstandig naamwoord

'hoge heide'

Brabantse spreekwoorden (Mandos): nr de Hoghaaj gaon n de schuup meeneemen m plagge te steeke (Si'72) - kaartterm

ES 2012 - De aantekening van Sterenborg 'hoge heide' lijkt niet de juiste verklaring, gezien de uitdrukking bij Mandos. 'Hoghaaj' lijkt hier veeleer een uitspraak van 'hoogheden', namelijk de 'hoge' kaarten in een spel. De uitspraak 'haaj' voor het meervoud' van '-heid' -- dus '-heden'- is in het Tilburgs ongebruikelijk. Uiteraard is in de uitdrukking die Mandos signaleert wel een woordspeling te ontdekken: hoge kaarten hebben maar dan toch met de lage kaarten (de plaggen) verliezen. Mogelijk duidt 'de schuup' ook op kaartspel waarbij een 'maat' (die de ontbrekende lage kaarten heeft) als medespeler betrokken moet worden.

 

hoghllaans

Henk van Rijen: bijvoeglijk naamwoord : hooghollands

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): 'Hghollands ' zelfstandig naamwoord- Algemeen Beschaafd

 

hogkr

zelfstandig naamwoord

hoogkar

Tilburgsche Courant 8-9-1879

Lowie van Dorrus Misters - De vaste voerlui op deze verschillende plaatsen kon men al in de verte herkennen. Het was wel wat men vroeger noemde een "hoogkar" als tegenstelling tegen de "aardkar", de gewone boerenkar met smalle bodem en schuin opstaande zijwanden en gewoonlijk achter zonder schot. Maar de voermanskar was gewoonlijk wel iets groter van bouw, dus met grotere bodemoppervlakte voor het beladen, iets grotere wielen voor het makkelijker rijden en dan meestal de huifrepen er op met de huif opgedraaid, vanaf de staarteinden tot aan de burries er overheen getrokken, zodat bij regen onderweg deze er over kon worden uitgespreid, men behoefde ze maar uit elkaar te draaien en opnieuw aan de burries vast te maken, zodat de voerman zelf en de goederen die hij had geladen droog konden worden gehouden. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 21 Tilburg had een respectabele lijst; NTC 4-2-1954)

Henk van Rijen: hoge boerenkar op twee wielen voor vervoer van hooi en stro en ook in gebruik als huifkar

J.J. Veyrassat - Het laden van de hooikar

Buuk benaming voor een categorie uit de opstoet, vroeger 'grote wagens' genoemd (m.b.t. carnaval)

Mar et schonste van Karneval vn ik den opstoet. Meej al die hogkre, n die strpe. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): 'hgkr' zelfstandig naamwoord- hoogkar

 

hogop

bijwoord

Henk van Rijen: hoogstens, ten hoogste

 

hogtij

zelfstandig naamwoord

Pierre van Beek -- den hogtij - de liste mis - de hoogmis

WBD III.4.4:191 'hoogwater' = vloed

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 GOOGTIJD zelfstandig naamwoordo. en niet m. - grote kerkelijke feestdag

 

hoohaawe

werkwoord, sterk

halt houden; van het commando van de koetsier aan het paard; hoo = halt!

Cees Robben Z hield ie aaltij hoow... (19600219)

 

hoohaawer

zelfstandig naamwoord

Frans Verbunt: rem

 

schilderij van Desir Thomassin - 'Hooiers'

 

hoj

zelfstandig naamwoord

hooi

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Ast hoj nr de waoge kmt, zn de hojvrke goejekop.

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Hak hoj gegeete, dan hak trf gescheete.

Van Beek - "Hooi dorsen", is nutteloos werken. (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

WBD hojbrg - veldschuur (vrijstaande open bergplaats), ook 'hojmt'

Frans Verbunt: geluk bij en ongeluk, zi den boer, mar et hoj is op (ok 'schlf' genoemd)

WBD hojzlder - zolder in stal of schuur, ook genoemd 'balke', 'schoor'

Cees Robben: hij zaat as enen eezel tusse twee brge hoj;

Kernkamp, Dialectenquete 1879: hoilaand; hoi en stroi (hooi, juister hoi)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952):
 et hoj (sic) is ng gruun (korte uu)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): as et hoj nr de waoge kmt, zn de hojvrke goejekop ('70) - gezegd van meisjes die jongens nalopen

 

hoje

werkwoord (zwak)

hooien

Van Beek - "Ge hoeft niet te gaan hooien", ge behoeft zo'n haast niet te maken (met weg gaan). (Nwe. Tilb. Courant; Typische zegswijzen afl. 5; 25 augustus 1959)

Schilderij van Julien Dupr - 'Hooien'

 

hojmt

zelfstandig naamwoord

hooimijt

WBD veldschuur (vrijstaande, van alle zijden open bergplaats, met op en neer beweegbaar dak, bestemd voor overwegend hooi), ook 'schlf' of 'hojbrg' genoemd

 

hop, hupke

zelfstandig naamwoord

hoop, stapel

WBD troep, gezegd van dieren: ook 'klcht', ' klcht', 'troep', 'kudde', 'kooj' of 'staw' genoemd

- nen hillen hop

WBD hop - kudde volwassen varkens, ook genoemd 'klcht' of 'staaw'

R Den duuvel scht aaltij p enen hop (m.b.t. mensen met veel geluk)

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'onder 'nen hoop erd'

Cees Robben: meej hope (= bij de vleet?)

Cees Robben: der kwaampe der meej hope

Et wier un renie van alle nichten en nve, de grotste hop waar der. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

WBD III.4.4:255 'hoop' = menigte, troep;

WBD III.4.4:259 'hoop' = boel

WBD III.4.4:260 'hoop' = grote hoeveelheid;

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HOOP zelfstandig naamwoord mannelijk:-tas, stapel, menigte. Met den hoop - bij hoopen, overvloedig

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): 'hp' zelfstandig naamwoord- hoop; honderd p 'nen hp

 

hoope

werkwoord, zwak.

hopen

Cees Robben: ik hoop dgge dees medllie ng lang meugt draoge;

B hoope - hopte - gehopt

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij hopt

 

hope

werkwoord (zwak)

hopen, ophopen (entasser), 'taase'

B hope - hopte - gehopt

ook vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij hopt

 

hoore

zelfstandig naamwoord

hoorn

Brabantse spreekwoorden (Mandos): veul p zen hoores hbbe ('56) - veel praats hebben

Henk van Rijen: 'Dr wr de horene dl van' - daar word je stapelgek van.

mannelijke duif

Interview Jolen - 1978 - Ene dofferenen hoore, enen hoore zgge wijja (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

 

hoorentje, hoorntje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hoorentje ofwel gehoorentje speule - verstoppertje spelen (de zoeker gaat op het gehoor af)

Daamen Handschrift 1916: "horentje - kinderspel, een soort van verstoppertje"

- doolhoven en idiale schuilplaotsen om hoorntje te doen. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)
- Irst dimme in bietje hoorntje. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

n hoorentje din wij vruuger h, hoorentje doen. D was verstoppertje speule. Wij zin aaltij hoorentje doen, hi!? [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

WBD (III.3.2:47) hoorntje, hoorntje doen = verstoppertje spelen;

ook genoemd: piepele, piepelenbrege of piepelenbrg

gehoorentje

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hoorntje zelfstandig naamwoord- verstoppertje

 

hos

zelfstandig naamwoord

hoos, windhoos

 

op hooterdekooter

uitdrukking

op goed geluk

 

hoovrreg

bijvoeglijk naamwoord

hovaardig

Henk van Rijen: 'hoovreg, hoovrdeg' - hovaardig

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HOOVRIG - hovaardig

 

hoow

tussenvoegsel

WBD (Hasselt) langzamer: (commando voor een paard)

 

hoowhaawe

werkwoord (sterk)

Henk van Rijen: stopppen, stilstaan

Cees Robben: 'zo hield ie aaltij hoow ...'

 

hoze

werkwoord (zwak)

hozen

 

hopkont

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: iemand die blijft hopen

Henk van Rijen: 'Hop mar toe, hopkont' = Blijf maar hopen, onnozele gans.

 

hopt(e)

werkwoord, persoonsvorm

hoopt(e)

Henk van Rijen: hop mar toe, hopkont - blijf maar hopen, goedgelovige

tegenwoordige tijd/verleden tijd van zowel 'hoope' als 'hope', met vocaalkrimping

 

hpt(e)

werkwoord, persoonsvorm

huichelt, huichelde

2e + 3e pers. enkelvoud van 'hpe'

resp. verleden tijd van 'hpe', met vocaalkrimping

 

hr

zelfstandig naamwoord

hekel, tegenzin, afkeer

Van Beek - Ze kreeg 't hor aan. - Ze begon kwaad te worden. (Nwe. Tilb. Courant; Dialect en spreekwijzen; 10 januari 1959)

Cees Robben Men vrouw die krgt t hor dan aon/ Bij t minste gaot-er-op (19650507)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): et hr nkrge ('69) - kwaad worden

Henk van Rijen: 'Ge zo-t-ur ut hr van krge' - Je zou er een hekel aan krijgen.

 

hr

Tussenwerpsel

hoor!

Interview met de heer De Kok (1978) Schoenmaaker van beroep! Mar ik hb ng meer fakke gehad hr! (transcriptie Hans Hessels 2014; KLIK HIER om de audiobestanden van dit interview te beluisteren )

Ook gehoord als 'hor':

..Twas ene goeje man hor, mar hij dronk veul! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

 

hrnkele

werkwoord (zwak)

WBD (Hasselt) - (v.e.paard) de enkels kwetsen door ze onder het stappen tegen elkaar te schoppen), ook genoemd 'haorhinkele'

Henk van Rijen: kkt is nr men ketaaw, et hrnkelt zo - ... het slaat steeds over

Henk van Rijen: overslaan, beentje lichten, tegen je(eigen) enkels schoppen

MTV 'Kkt us n-me ketaaw, ut hrnkelt zo' - ... het slaat steeds over.

WBD III.3.1:237 'haarenkelen' = bekvechten

CiT (8) 'Kektis nme ketaaw, ut hrenkelt zo!'

WBD III.1.2:389 'haarenkelen' = haarenkelen

De Bont: zw.ww.intr.'haarenkelen', met een v.d. voeten tegen de enkel v.d. andere voet schoppen onder het gaan (v. mensen en paarden)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAARENKELEN - bij 't gaan den eenen enkel tegen den anderen slaan of stooten (Kemp.)

 

hrgetg

zelfstandig naamwoord

Van Beek - Een maaier heeft een zeis en als wetgereedschap een hamer, een vijl, een aambeeldje en een wetsteen. Dit wetgereedschap bij elkaar noemt men "het horgetuig". (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958)

► haore

 

hrk

zelfstandig naamwoord

oude vrouw (pej.)

Boutkan: (blz.22) hrk

 

hrke

zelfstandig naamwoorddim

haartje

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): gin hrke beter

verkleinwoord van 'haor', met vocaalkrimping

 

hrke

werkwoord (zwak)

PM (af)luisteren

WBD III.3.1:264 'horken' = afluisteren

hrke - hrkte - gehrkt

C. Verhoeven: HORKEN (hrke) onov.ww - luisteren, speciaal naar gesprekken waarmee men niets te maken heeft; akoestische tegenhanger van 'blieken'. Ook vooral in de samenstelling 'thrke' - door onbescheiden vragen iets te weten willen komen.

 

hrpl

zelfstandig naamwoord

haartje

- Der zit nen hrpl p oewe jas

- Stadsnieuws (rubriek): Et schouw mar enen hrpl of de penantie ha gezeete (271206)

tautologies haor + (lat.) pilus

- Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
HAARPIJL zelfstandig naamwoordo. - haartje, Fr. brin de cheveu

PIJL zelfstandig naamwoord mannelijk: - haarpijl, Fr. un cheveu, un poil

 

hrre

tussenwerpsel; samengesteld uit hre en persoonlijk voornaamwoord je:

hoor je?

Cees Robben Isser d eene van t Gurke Tonia...? Nee hrre... dr wordt bij ons ginne Turk vermist... (19560303)

Audioregistratie 1978 --  D waare buiteweevers, die hadde en groot huis n daor stond en hil ouw ketaaw in j, die, die, die naome d weet ik ammel zozeer niemer hrre! (interview met dhr. Hermans, transcriptie door Hans Hessels)

 

hrrelevoet

zelfstandig naamwoord

WBD III.1.2:384 'horrelevoet', 385 'horrelepoot ' = horrelvoet

 

hrsdrg

bijvoeglijk naamwoord

M zeer droog, kurkdroog

Pierre van Beek -- hrsdrg - heel droog

Cees Robben de ekkers in de Vloed/ Liggen horsdrg in den gloed... (19570704)

C. Verhoeven: HORS in de combinatie 'horsdreu:g zeer droog, breekbaar van droogte'.

 

hrspl

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: haarspeld

Stadsnieuws (rubriek): En kntje wier meej grote hrsplle op zen plts gehaawe - een haardot werd met grote haarspelden op zijn plaats gehouden. (280609)

 

hrst

zelfstandig naamwoord

WBD hoogte in het (akker- of wei-)land (Hasseltse term); ook 'bult'

 

hrt

zelfstandig naamwoord

hort, horde

WNT een uit met rijs omvlochten staken bestaand, plat vlechtwerk dat hetzij los en verplaatsbaar is, hetzij, gelijk b.v. bij militaire versterkingen, ter plaatse om in den grond gestoken palen wordt gebreid.

2) Raamwerk dat over het land gesleept wordt om kluiten te breken of om modder en mest te slechten.

3) Ruit- of traliewerk tot het ziften van kleine aardappels, grind, sintels e.d. enz. z.a.

BrSp. z drg as en hrt (HM'70) - zo droog als een horde, erg droog (Hort, horde, - plat vlechtwerk van tenen)

WBD III.4:131 'hortje' = poosje

 

hrt

zelfstandig naamwoord

Uitdrukking: den hrt op gaon - de straat op gaan, er vandoor gaan/zijn, m.n. met een ander dan de eigen partner

Cees Robben: ze waare den hrt op

WBD III.3.1:43 'de hrt opgaan', op stap gaan, uitgaan, aan de zwier gaan, 'op sjanturnel gaan', zwalken, dweilen = uitgaan

GD08 ze gin den hrt op n sewle op sjanternl

WNT HORT III - hurt - in de uitdrukking 'op de(n) hort' en 'de(n) hort op', weg, 'vort', aan de haal, of: er van door.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'hort' zelfstandig naamwoord - op stap, even.

Hees: d'n ort op (II:36)

 

hrt, hurt

gebiedende wijs van 'hre'

hoort!

waarschijnlijk een verkorting van 'hoor het!'

Cees Robben Hrt d bist toch is te keer gaon... (19590905)
Cees Robben Hrt.. dn moor zingt al... (19870213)
 

hrtene

werkwoord (zwak)

Frans Verbunt: klonteren

 

hrtje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

poosje

R.J. vur en hrtje, nie te lang

WNT HORT I, 6,b,: Poosje; Wat ben je 'en hort weg geweest! Opprel: Blijft nog en hortje, Ald. Eveneens b.v. op Goeree (hortje) en te Deventer (hrtjen).

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - hortje - poosje (div.dialecten)

 

hrzak

zelfstandig naamwoord

valsspeler

WBD (III.3.2:32) hrzak, judas, valsspeler

A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - haarzak, aassak - wie ruzie zoekt, vitterig iemand. Eerste deel is wsch. Hoogduits hader 'twist'. Z.A.
Goem. aaszak - heaft met 'haarzak' niets te maken (zie blz. 15).
Ghijs. 'aer(e)zak - naarling, in 't bijz. vrek; ook aarzakker.
De Bont: hrzak - persoon die met iedereen overhoop ligt en ruzie maakt.
WNT V:l462 HAARZAK (II), aarzak - gewestelijke, althans niet overal bekende benaming voor een twistgierig, kijfachtig persoon, iemand die verschil, ruzie maakt over eene kleinigheid, inzonderheid om er zijn voordeel mede te doen.
Waas haarzak - die zeurt of bedriegt in 't spel.

DeBo HAARZAKER, haarzaak, haarzak - Haarkliever, vitter, fr. chicaneur iemand die, iets gekocht hebbende, moeilijkheden maakt ...
Potische definitie door Frans Hoppenbrouwers; uit: Kempische Karakters (CuBra 2012):

Horzak

Een horzak kan ontzettend pesten,
hij treitert meestal heel gemeen
ook daarom staat hij vaak alleen:
jouw grenzen zal hij niet meer testen

hrzakke

werkwoord (zwak)

vervelen, dwarsliggen

-- hrzakke - hrzakte - gehrzakt

Pierre van Beek -- Schaaj tch is t meej d gehrzak (Tilburgse Taalplastiek 176)

- Stadsnieuws (rubriek): Schaaj toch es t meej d gehrzak - .. met dat vervelende gedoe (280410)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.3.1:235 'haarzakken', 'kampen, krabben, meppen, schoppen, slaan, krakelen, bakkeleien' = ruzin

WBD III.3.2:33 hrzakkerij = vals spel

De Bont: hrsak zelfstandig naamwoord mannelijk: 'horszak' - jongen/meisje die/dat spoedig boos wordt (bijvoegsel:) persoon die met iedereen overhoop ligt en ruzie maakt.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HAARZAKKEN - bedrog doen in 't spel, Fr. tricher. Gij ht gehaarzakt!

WNT V:1462 HAARZAKKEN, aarzakken, haarzaken - Van 'haarzak' - verschil zoeken; moeite maken, ook bedrog plegen, onheusch doen bij 't spel.

 

hshaawe

zelfstandig naamwoord

huishouden

Cees Robben In elk pront Tilbrgs hshaawe daor hebbe ze unne frater, n non, n piano en n dochter die Miet hiet... (19690627)

Interview Hermans - 1978 - Want agge dan mskes ht, war, die en jaor f neege zn n ge ht en grot hshaawe, war, dan moese ze veul meejwrke. (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

 

hskaomer

zelfstandig naamwoord

huiskamer

 

hske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

haasje

Bijnamenboek Karel de Beer: et hske = voetballer Hazendonk (blz.4l)

 

hske

Foto: Regionaal Historisch Centrum / Stadsmuseum Tilburg

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

1. huisje, daar waar men zijn behoefte deed; plee

-- Hij zit al en ketier op et hske

Et hske lichte = de beerpot van de W.C. leeghalen

Handschrift Daamen 1916: "hske - op 't hske zitten (op de WC)"

RJ. 'a's Mieke lang op 't hske zit'

Dtter veul srte meense zn/ lkent wl klaore taol/ Mar as ge op et hske zit/ Dan ruukte alleml egaol. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Gin verschil)

Aachter in den hof bij de smid stond het huiske. Vruuger stonden de huiskes ammel aachter in den hof, as ge s naachts buikpent kreeg koste in oe vaon, mee of zonder heldere maon, over den hofpad daor nor toe waandelen. [BRON]

De Wijs -- As ge meteen nao oew eten naor t huske gaot, noemen wij d laojen en lossen (16-01-1975)

Van Beek - Wat "'t huske" of "de beste kamer" is, weet ge. (Nwe. Tilb. Courant; Tilburgse Typen afl. XIII; 28 maart 1958)

Cees Robben [na het kerstdiner:] Gao irst dn hof is in../ Naor t hske... (19611221)

Cees Robben t Hske.. of wel t sekreet (19601104)

Cees Robben Ik licht naa t hske... en rij meej de ton... (19570309) [Als de beerput onder het huisje vol was, werd die gelicht ofwel leeggeschept; de mest werd overgeheveld in een andere ton.]

Cees Robben En vur t hske maoket niks uit of ge reerug of peestamp het gegeete.. (19870417)

Et hske zin ze vruuger, war. Nou n d was aachter was en grot gat f veur. Irst de plangk eraaf! D was en grot gat [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

K [ik] vloog et hske op n aaf./ K moes van rmoej nr den dkter/ die me en remeedie gaaf. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De weekes aachteraaf)

Ze zin: De hskes van ons hs/ die stn ng ammol bte/ n drom kan den hsbaos fn/ nr huurverhoging flte. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De biste-kaomer)

...en hier op ut hske hoef ik alln mar nor mun ge gezk te lstere... (Hein Quinten, Tilburgse spreuken; ca. 1990)

Piet van Beers t Hske: Vruuger....bij ons ths/ hadde we ok 'n hske./ D wier nnigte keere per jaor/ dur unnen boer leeggehld./ Den boer kreeg dan aaltij/ geld van onze Vadder./ Wij kreege dan "staank vur daank" (Brabants Bont -- 1; z.j., ca. 2005)

Stadsnieuws (rubriek): wcht fkes, vur we gn moet ik nog op et hske - ... naar het toilet. (160510)

Frans Verbunt: de plaanke vant hske schte

As de tillevisie zomar stopt

of t hske stevig durlpt,

liefst op zondag in de naacht,

dan zuke-ziemand die kan kome

en ast kan vur niks,

die d vlug en netjes oplost.

(Lauran Toorians; Ik z ne sul; CuBra; 200?)

 

De Poepdos
Vruuger han de rme meense
gin van allen n W.C.
Martoen zaate ze te kakke
op t Hske of de Plee.


Mistal wast n houte kietje
meej n plaanke hartjesdeur
Op t dak daor laage panne
n er hing unne strke geur.
 

Op de plts waor ge gingt zitte
was er middenin n gat.
Wgge daor dan poept of pieste
viel onmiddelek in n vat.
 

Aon de muur zaat unne spker
n ennen hele rits papier
van de kraant gescheurd in vllekes
die ge dan kost leeze hier.
 

As zon vat of ton dan vol was
wier d dur ennen boer geligt.
k Z daor wl es nr gan kke
Marik nep mn neus wl dicht.
 

Zeuventig jaor ist al geleeje
mar toch dnk ik er nog ot aon
ask de boere stront zie rije
die derre stal hbbe gedaon.
 

(Piet van Beers; www.CuBra)

WBD (III.2.1:112) 'huiske' ,c.q. 'gemak' = wc: ook 'plee' genoemd

verkleinwoord van 'hs', met vocaalkrimping

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): (1992): 't hske - bistekaomer, plee, nummer 100

2. huisje, verkleinwoord van huis

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: D zn daor zn lege hskes dgge wl plat mt praote; aanders kunde nie binne.

Brabantse spreekwoorden (Mandos): hdde is en hske nr oewe zin, dan krpt er gaaw en aander in (Handschrift Daamen 1916:) - Als je het naar je zin begint te krijgen, ga je dood.

Een huisje volgens Pieter Breugel

Schilderij van Pieter Breugel de oudere - Winterlandschap (1565)

 

Het huisje van Van Gogh?

Uit een korte reportage van de Engelse krant The Guardian, waarin de verslaggever een bezoek brengt aan het huis in het Londense stadsdeel Brixton waar Vincent van Gogh woonde op zijn achttiende jaar. Vanuit dit huis schreef hij een brief aan zijn broer Theo, de enige brief waarin hij Tilburg noemt, waar hij op de HBS gezeten heeft. De reportage sluit af in de tuin waar ook het huisje staat.

 

Onbekende tekenaar-dichter; circa 1970

Woorden in beeld - Het Huisje in de schilder- en prentkunst

 

hskeslof

huisjesloof - donderbaard - sempervivum tectorum

zelfstandig naamwoord

huislook (Sempervivum tectorum)

vetplantje dat in de buurt of op het dak van een apart staande of tegen het huis gebouwde W.C. (hske) groeide, en een bekend geneesmiddel was tegen ontstekingen in de mond. De plant werd ook een bescherming geacht tegen de inslag van bliksem.

Sempervivum tectorum

Cees Robben [Vrouw tegen dokter:] Hl oe lzzen-meel en kalmoes/ saovieblad... kemille-thee/ hskes-lf en hoest-sjuup-sjuupkes../ Dingen... waor ie [de patint] niks aon hee... (19551217)

Elie van Schilt - De irste plee men nog bekent, die stond buiten in dun hof, un vierkaant houten geval, un schuin dakske mee hollandse pannen, daorop mistal as sierplaant huiskeslk. Un deur mee un hartje eruit gestoken, waormee grte meessen konden kken hoe dun hof erbij stond. (uit: 'De plee', www.cubra, ca. 2002)

WBD III.4.5:363 hskeslof (Sempervivum) - huislook

 

hskesmlker

zelfstandig naamwoord

huisjesmelker

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HUIZEMELKER - iemand die veel huizen, meest werkmanshuizen bezit en leeft van 'tgeen de huur dier huizen hem opbrengt.

 

hskesmist, hskesmis

zelfstandig naamwoord

faeces, menselijke uitwerpselen

Van Delft - - "We hebben dan tegelijk veul mis voor ons eirepullaand, want huskemis deugt nie daorveur." "D witte, war?" (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

Audioregistratie 1978 - Drrom ginge wij ok hskesmis haole, zimme vruuger, [uit] weejseejs haole int stad. Hskesmis om de weilande en alles te bemisse n as we gruun moese zaaje!  (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels)

De Bont: zelfstandig naamwoord o. 'huiskensmest' - faecalin uit het huiske (geheim gemak)

 

hsse

werkwoord (zwak)

WBD III.1.2:6 'hossen' = hotsen; ook: hutselen, hobbelen, kwakken, stolpen

 

hst

zelfstandig naamwoord/bijwoord

de haast / haast, bijna

Mk mar gin hst, want ge zt er hst. - Je hoeft geen haast te maken, want je bent er bijna.

Cees Robben: Ik mkte not gin hst.

Cees Robben: verblikte bilde, hst vergaon; we hbbe gin hst;

Cees Robben: oover hst heetie not gesprooke; ze zakt hst dur der knieje

...hst gin meens. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Daklos)

- Host hilt verkeer d gong toen nog/ Doodgewoon mee prd en kr Uit: Unnen droom, Ad van den Boom, circa 2005.

 

hste

werkwoord (zwak)

haasten

zen ge hste

Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden -
 gezegde: Ge hoeft oe nie te hste: ge zit ginnen boer in zen vnster.

B hste - hstte - gehst

 

hsteg / hstig

bijwoord, bijvoeglijk naamwoord

haastig, gehaast

SJAREL. Ge bent wir te hostig, ge moet me laote uitpraote. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 26 januari 1945)

Cees Robben: nie z hsteg;

 

hstum hstum

bijwoordelijke uitdrukking

Pierre van Beek -- Wat hostum hostum geschiedt, gebeurt in grote haast

 

hot

tussenwerpsel

Van Delft - - Een boer rijdt "zen prt mee een lent en haauwt bij het uitwijken hot (rechts) of aar (links) aon". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

WBD naar rechts (commando voor een paard)

WBD 'htm', 'htum (Hasselt:) huutewg' - naar rechts (idem)

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): (1992): 'hot': hr is links, ht is rechts

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HOT bijwoord - bij voerlieden: roepwoord om paard naar rechts te doen draaien

K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - HOT: rechts, ter rechterhand. Z.a.

C. Verhoeven: HOT, bijwoord (tegen een paard geroepen) naar rechts; ook: hotteweg, of, als er niet vlug genoeg gehoorzaamd werd: hotteweg, hoort. Z.a.

 

htjsse

werkwoord (zwak)

Henk van Rijen: swingen (Eng. hot jazz)

 

ht nr hr

Uitdrukking:

ongeveer heen en weer, zig-zag

WBD 'ht naor hr' (lope) - gezegd v.e. paard: zwijmelen (lopen zonder vaste gang, her en der over de weg, van links naar rechts), ook genoemd 'bllie'

Frans Verbunt: ht n hr - Uitdrukking: een voerman gebruikte de woorden bij het sturen van het paard: 'ht' is naar links, 'hr' is naar rechts. Later sprak men van 'van ht nr hr' - van hier naar daar.

GG ht n h()r - een voerman gebruikte de woorden bij het sturen van het paard; ht is naar links, hr is naar rechts

van ht nr h()r - van hier naar daar, op en neer

 

htpns

zelfstandig naamwoord

Eng: hot pants

Cees Robben: 9 (blz. 49) 'ik wil hotpens, pa'

 

hotsel

zelfstandig naamwoord

WBD III.2.3 :138 'hotsel' = idem; ook 'gekotteld'

 

httie

samentrekking van verleden tijd van hbbe met persoonlijk voornaamwoord hij

had hij

Cees Robben Hoen huudje hottie op... (19600219)

 

houdoe, haawdoe

tussenwerpsel, afscheidsgroet

hou je, vaarwel (afscheidsgroet)

 

Tilburg, Nieuwbouw in wijk Jeruzalem, 2017. Foto: Margriet Bekkers

 

1836 - Hoeufft -- ... Een bij het volk zeer gewone wensch is: 'houd u wel', d.i. het Latijnsche: cura, ut valeas.

1929 - Van Delft - en bij het heengaan was het "Allah, kom hauwdoe, en det ge bedaankt zeit det witte. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

1930 - Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Haaw doe' (passim)

1938 - ...Alla, kom-haaw-doe-war-saomen! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton Bad Baozel, 8 afl. in NTC 31-12-1938 18-2-1939)
1939 - ...en oome Teun zee: "Alla kom, haawdoe war, en d ge bedaankt bent d witte wel! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; t Briefke van duuzend; NTC 5-10-1939)

1945 Maar allee kom-haauwdoe war (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

1945 KAREL. Haawdoe war. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 18 mei 1945)

1958 -- Cees Robben Houdoe schaopkes... [bij het overlijden van pastoor Klein van parochie Westend] (19580215)

1958 -- Cees Robben Houdoe en vergit me niet... [bij het overlijden van pastoor Klein van parochie Westend] (19580215)

1972 -- Jan Stroop, Sprekend een Westbrabander 1; Amsterdam 1979.. 2; Oudoe (blz.117)

1978 -- C. Verhoeven: HOUDOE telwoord hou je... 1. (bij afscheid) vaarwel; 2. (geroepen naar een paard...) Z.a.

1988 -- Hans Heestermans, Witte nog?; 8 dln.; Roosendaal 1988-1994. I Oudoe (blz.14)

1992 -- Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 -- houdoe - hou je goed

2003 -- A.A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek -- HOUDOE afscheidsgroet (brab.) = nl. houd u (goed)

2007 -- Karel de Beer - website Bijnamenboek Tilburg "h", zik, "Ha d mar irder gezeej. Bedankt n houdoe, Pirke!"

2007 - Lodewijk van den Bredevoort [=Jo van Tilborg] -- Nou doet em dan mar de groeten, houdoe. (Uit: Kosset den bruine eegeluk wel trekken)

2007 - Lodewijk van den Bredevoort [=Jo van Tilborg] -- Asse dan zonder fetsoenlek houdoe te zegge de deur t zn, vertel ik tegen Lia wtter gebeurd is. (Uit: Kosset den bruine eegeluk wel trekken)
2010 -- Stadsnieuws (rubriek): Alleej kom houdoe war! - Nou vooruit tot ziens maar weer eens! (030310)

2013 -- Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet - 'Houdoe nou, houdoe! Schrijf wat ik zei af/En zeg Jan, Piet en Klaas dat 'k herrees uit het graf/Ik vlieg van nature naar de hemelpoort toe/Het tocht op Calvarie - Houdoe, nou, houdoe!' Vertaling van: 'Goodbye, now, goodbye. Write down all I said/And teil Tom, Dick and Harry I rose from the dead,/Whats bred in the bone cannot fail me to fly/And Olivet's breezy - Goodbye, now, goodbye.' Uit: Ulixes, nieuwe vertaling van Ulysses, James Joyce. (Uit: Brabant spreekt woordje mee in de wereldliteratuur: houdoe!, Henri van der Steen; in: Brabants Dagblad, 21 maart 2013.)
Onze taal 61:278

 

T-shirt anno 2017; internet.

 

Steven Brunswijk, voorheen 'De Braboneger', cabaretier uit Tilburg, in de televisiereclame voor All Secur autoverzekeringen, december 2018. De actie van All Secur is opgezet onder de noemer 'Doei Doei-weken' waarin automobilisten worden uitgenodigd over te stappen naar All Secur. Iedereen in de commercial roept dus 'Doei Doei'... behalve Brunswijk. Bron: YouTube.

 

Speciaalbier. 2019.

 

hout

zelfstandig naamwoord

hout

Pierre van Beek -- Van zen houtje valle - bewusteloos raken

WBD lzenhout - elzehout (geschikt als bakkershout)

Brabantse spreekwoorden (Mandos): krm hout braandt eeve goed as rcht (Pierre van Beek -- Tilburgse Taalplastiek 1970) ook mindere kwaliteit kan voldoen; men hoeft het niet steeds in hogere rang of stand te zoeken

Frans Verbunt: hout p hout zaogt nie (gezegd van kussende mannen)

Henk van Rijen: 'hawt' (vkw. 'haawtje')

 

houtere

bijvoeglijk naamwoord

houten, van hout

Stofnaam

- en houtere schaansmuur

- Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): enen houteren haomer

- Hedde dan nie in de kraant geleze detter in de Veldstraot n houteren poort is weggehold van drie meter breed en eenen meter hoog? (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 15 december 1944)

- Interview Hermans - 1978 - vroeger ammel houtere walse eiken iepe (transcriptie Hans Hessels, 2013)► KLIK HIER om het interview te beluisteren

- Interview Jolen - 1978 - daor ene pin aon, hdie gingk in de grond n dan hadde d hoek en gat n d en gat n dan hadde ene beugel in hout, in plank, j, hoe zak die naa ttnoeme? Die was zo en bietje schefaon n onder dicht n zo diep n moeste meej die beugelblle, hadde houtere blle, schppe n nr die ringe goje (transcriptie Hans Hessels, 2013) ► KLIK HIER om naar de pagina met de audiobestanden van dit interview te gaan

- Van Delft - - Wij plukken "brem bezemen" en "knoesels" en spreken van "eenen houteren haomer", die in eenen "euregel" klopt, daarmede bedoelend braambessen, kruisdorens, een houten hamer en een orgel.(Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929)

- ...mee innen zak houtere blokken; (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- We weeven goei goed op ons houter getouw... (Piet Heerkens; uit: Brabant, Aaw weeverlieke, 1941)

Cees Robben Unne vent mee unne houteren pt (19740208)

Interview dhr. Van den Aker -- 1978 -- die meej die houtere pothoe hiete die daor ok wir (transcriptie Hans Hessels 2014) ► Klik hier voor audiofragment

De vaader van mn vaader, h, die zaat tuis meej en houtere ketaaw te weeve! Bij ons heej acht, achtien jaor en houtere ketaaw in huis gestaan! [Interview (audio) uit 1978 met het echtpaar Staps; transcriptie Hans Hessels, 2015]

Overdrachtelijk gebruik

houtere klaos - een onbeholpen stijf mens

- Henk van Rijen: nen houtere klaos - een onbeholpen stijf mens

houtere jas - doodskist

- Mar agge meej en honderdfftig/ de maacht over oe stuur verliest,/ hdde et gaasthuis niemir nodig/ dan krde rap en houtere kiest. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Op staikes aon)

- en ...dan staode vort zoo onder den Burgelike Staand as znde vertrokke, mee den houteren jas aon. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

- Der komt vur ons alleml ene td dmme den houtere jas nkrge, fwl daor aachter et Zaand de pp t gaon. (G. Steijns; Grot Dikteej van de Tilburgse Taol 2008)

- GD08 Der komt vur ons alleml ene td dmme den houtere jas nkrge

houtere ks

- Ik hoefde nie lang nao te dnke oover mn schonste Tilburgse spreuk. Die gao zo: Kwok ham ha. Dan aat ik aajer meej ham. Ak aajer ha. Schon war? Mar ok n bietje zieleg hor. Dan moet ik dnke n die reme Tilburgers van vruuger, n dan schiet mn gemoed vol. Zo rum waare sommegte Tilburgers dsse gineens gin kiepe hadde n gin vreke. Gin aajke, gin ham, allenig honger. Witte wsse dan zinne? Dan zinne ze dsse unnen houtere ham op tffel han. f unne houtere ks. (Ed Schilders; W zeetie?; Website Brabants Dagblad Tilburg Plus; 2009)

houtere kp

- n 's aanderendaogs ha ik enen houtere kop, d wilde nie gelve.  (Uit: F. van der Meer, Ferry van de Zaande, verhalen van een echte Tilburger, 2010.)

 

Houthem

toponiem, gebruikt om gierigheid aan te duiden

- "Oo-zoo! Hier krijgde niks, d spel ik oe op oew vesje, d's De Smet, 'nen rijken stinkert mar 'van Houthem'!" (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; 'Oome Teun op collecte'; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 26-8-1939)

 

houtje

zelfstandig naamwoordverkleinwoord

kleerhanger

 

Ill.: Naumann - lullula arborea - houtleuwerik

houtleuwerik

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: boomleeuwerik (hawtleuwerik) (Lullula arborea)

Dossier Leeuwerik - Brabantse namen, dialectkaarten, afbeeldingen - citaten

 

houtraoper

zelfstandig naamwoord

houtraper, iemand die hout steelt

Van Delft - "Vruuger zaten ze naacht en daag in de bosschen van onzen grutvadder." Dit is: Vroeger gingen ze dag op dag sprokkelen in de gemeentebosschen. Het sprokkelen en door de bosschen zwerven is voor sommige Tilburgers van behoeftigen komaf een soort levensbehoefte geweest. Vandaar mogelijk de geijkte Tilburgsche uitdrukking, die kort als parlementaire taal in de raadzaal gebezigd werd: "Hij liegt als een houtraper." (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 108; 6 april 1929)

Pierre van Beek -- "Hij liegt as 'nen houtraper" zegt men van iemand, die er "ongegeneerd" op los liegt. Dus "liegt dat-ie zwart zie", zoals Lowie van Dorrus Misters zei. Waarom het nu juist de houtrapers waren, die om hun liegen berucht schenen, is ons niet duidelijk. Wl weten we, dat het houtrapen of houtsprokkelen door de arme bevolking in Tilburg vroeger mr beoefend werd dan thans. . (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)

 

hugt

zelfstandig naamwoord

hoogte, heuveltje

Hij [de boom] stao boven op n hugt, durom komt ie nog beter uit. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra)

WBD III.4.4:138 'hoogte' = heuvel

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): 'hucht' zelfstandig naamwoord- hoogte

 

huije

zelfstandig naamwoord, meervoud van hd

huiden

Audio-opname 1978 Dhr. Bertens dan hadde ng teegenoover de prttestante krk in de Zoomerstraot.. daor wonde zogezeej ok en stl Jodjes n die stl Jodjes dinne niks as in huije n in bene n ze kchte zak zgge de gte die verkchte ze wir n zo. (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels ► Klik hier voor audiofragment)

 

huiske
zelfstandig naamwoord, verkleinwoord van hs
huisje, in het bijzonder een wc-huisje op het erf of in de tuin
Cees Robben As t huiske wir is was gelicht... (19701016)
►hske
 

hukke

werkwoord, zwak

hurken

Piet van Beers De stinpst: Ik kan nie zitte, ik kan nie ligge/ ik kan nie "hukke", ik kan nie gaon. (Spoeje doemmeniemer; 2009)

 

hukkele

werkwoord (zwak)

(gezellig) dicht bij elkaar gaan zitten; wiebelen

hukkele - hukkelde - gehukkeld

al hukkelend op z'n hakke. (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, De paoter en de kinkenduut, 1941)

Henk van Rijen: op je hakken lopen

WBD III.1.2:383 'hukkelen' = manken

De Wijs -- Moeder, hedde niet unne feftiger waant de taofel stao hil de td te hukkele en mn kumke stao k al te wiemele (rijksdaalder onder tafelpoot leggen) (13-07-1966)

Cees Robben De taofel stao hil de td te hukkele... (19660826)

 

hukkes

zelfstandig naamwoord, meervoud (geen enkelvoud)

hurken

Boutkan: (55) 'op oe hukkes'

Gao mar p oew hukkes zitte

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): p men hukkes

Cees Robben Hij zaat op zn hukkes (19551119)

Cees Robben Ik ben niemer z kneukelvaast Willem... n glas bier gao nog, mar krom staon en op mn hukkes zitten desser niemer bij... (19670825)

Cees Robben Ons menneke (...) zit op zn hukkes vur de knollie-kooi... (19791109)

Frdags zit ik op men hukkes/ al vruug te wchte op de kraant/ want ik vn de prnt van Keese/ iedere week wir intressaant. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Vfntwintig jaor: De prnt van Keese)

CiT (92) 'Vruit ammel op oe hukkes'

WBD III.1.2:167 'op zijn hukkes gaan zitten' = hurken

WBD III.1.2:168 'op zijn hukken zitten'; 169 'op zijn hukkes zitten'

Bosch huiketjes - hurken: Gao's op oew huiketjes zitte.

Hees: 'osse op oe ukke' (I:42)

WNT WNT: Huiken, zw.ww., onz.; verwant met 'hukken'. 1) Eig. Bene in een gedokene houding aannemen door de knieen te buigen; hukken, hurken

C. Verhoeven: HUKKES mv. hurken: op z'n hukkes zitten.

De Bont: hkkes zelfstandig naamwoord mv. hukken, hurken

Goem. HUKKEN - zelfstandig naamwoord mannelijk: mv. van huks op zijne hukken zitten

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
HUKKEN zelfstandig naamwoordv.mrv. - hurken. Op zijn hukken zitten.

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hukkes zelfstandig naamwoord, mv - hurken

 

hukkum

tussenwerpsel

de herkomst is niet duidelijk; hukkum wordt door Cees Robben gebruikt als een dooddoener in de zin van maar niet heus (19580315 & 19710409)

 

hul

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: door-de-weekse boerinnenmuts

gezegde: Henk van Rijen: hul oover trul - hals over kop

De Bont: hol, zelfstandig naamwoordvr., hul, daagse muts van een boerin, ook 'hulmuts' geheten.

.... Blijkens de vbb. heeft 'hul' in ons dialect de waarde gekregen van een vreemde, te grote, totaal versleten vrouwenmuts. Z.a.

Bosch hul - kont, gat, hol

 

hulleketeut

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: fantasievogel als boeman voor de kinderen

 

hullie, hullieje

bezittelijk of persoonlijk voornaamwoord

hun, hen

Zdde hullie hullien hakdl nie teruggeeve? - Zou je hun hun priktol niet teruggeven?

R.J. 'deh hllien vadder men nie' ziet'

Flaneur (pseudoniem van Antoon Arts) - Ja, die jongens van Flaneur waren rakkers, maar wat ze zeker nooit aan hulli pa" hebben durven vertellen is, dat ze gingen vuurke stooke" in den Ekker aachter moeder van Lierup" waar de koeien in de waai" stonden (nu de Mariastraat) en dat ze dat vuurke" stookten met solfter"... (Uit: Zonder opschrift; Nieuwe Tilburgsche Courant zaterdag 16 april 1904)

- Daor hedde bevoorbeeld hulliejen oome Fons. Vruuger kwaamp ie langs de deur mee innen kreugel, kneukels, krabbe..., 't jukt nie! Uit:  Mos... mos... mosselen Schets uit het Tilburgsche leven door KRATS, Nieuwe Tilburgsche Courant 28 mei 1926.

Cees Robben Vlee jaor hebbe wij hullie n kaortje gestuurd mar zullie ons nie... (19801031)

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hullieje mnd is drg van den dorst

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): ik z blij dk nie meej hullie meegegaon z

Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant (1952): hullieje vader heetem zis jaor laank nr school laote gaon

Hullie waren ok nie op school. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Hullie, [de ouders] of liever zij, [de moeder] maokte den dienst t. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Boutkan: (blz.59) hullie bruur, hulliejen oopaa, hullie/hullieje paa

Hulli pa waar in ieder geval wel veul van hs. (Jos Naaijkens; Vruuger bij ons in de Mister Stormstraot; CuBra, ca 2005)

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HULLIE, HOELIE - steenkool (!)

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992) - hullie vn - hun, hen

 

Hullie gullie

zelfstandig naamwoord (m)

1 - kermisattractie, vernoemd naar een populaire dans, de 'hully gully'.

 

Foto: Wikicommons. Hully Gully in pretpark De Waarbeek te Hengelo (Ov).

 

- Wikipedia (2018) - De Hully Gully [...] is een ouderwets attractietype dat vroeger veelvuldig voorkwam op kermissen. De Hully Gully kan min of meer beschouwd worden als opvolger van de rupsbaan. Net zoals in de rupsbaan draaien gondels rond in een carrousel. Het verschil hier is echter, dat de gehele carrousel als de attractie eenmaal draait aan n zijde hydraulisch omhoog wordt getild. De carrousel met haar gondels komt zo schuin te staan. Bezoekers van de attractie draaien op deze manier niet alleen rond, maar maken ook hoogteverschillen doordat de middelbouw met de hydraulische cilinder ook ronddraait. [...] Toen de Hully Gully rond 1970 verscheen, was hij erg populair op kermissen. Dit kwam vooral omdat hij net weer wat heftiger was dan de al bestaande Rupsbaan en Muziek-express. Sommige Hully-Gully's rijden naast vooruit ook achteruit. [...] De naam is net zoals bij veel andere attractietypes ontleend aan een dans, in dit geval de gelijknamige Hully Gully-dans. De Hully Gully staat heden ten dage niet vaak meer op kermissen.[...] Enkele pretparken hebben nog wel een Hully Gully in hun park staan, waaronder Octopus in Walibi Belgium en Hully Gully in De Waarbeek te Hengelo (Ov). Op de Nederlandse kermissen reist er anno 2013/2014 nog maar n rond.

2 - Tilburgse sterke drank, vernoemd naar (1) de kermisattractie

 


 

hulte

zelfstandig naamwoord

Cees Robben Niks dan hulten en bult (19590822)

Henk van Rijen: holte, gat, kuil

Henk van Rijen: 'Hulte n bulte' - Gaten en bobbels (in wegen)

 

hum, em

1. persoonlijk voornaamwoord

hem (met nadruk)

Ds van hum? tis nie vur jou mar vur hum.

Knde gij em? Hum nie mar heur wl.

Cees Robben hum vn ik mar unne aorige... (19860328)

Henk van Rijen: 'Toen gonge ze nr hum ts' - Toen gingen ze naar hem thuis.

Henk van Rijen: hurt hum - hoor hem eens

Boutkan: Persoonlijk voornaamwoord, 3e m. sing.: hum; preclitisch em

Stadsnieuws (rubriek): Diejen hond is van hum; ik hb em dermeej zien lope (200606)

2. bezittelijk voornaamwoord

zijn

Hum mske zo op donderdag op visite koome. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007)

Toen gnge ze nr hum hs, meej hummen autoo

B humme voogel - hum vogel ; hum knd - hum kind

B den hunne, et hun

Ok hum febriek is naa geslote... (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Et heej nie geholpe. )

Henk van Rijen: hurt hum - hoor hem eens

Hum kedoo waar der nog nie bij, hum plekske waar nog leeg. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Boutkan: Geaccentueerd bez.vn: m. sing: hun zen(e); meervoud: f+n. sing: hum (zen)

Zelfst. bezittelijk voornaamwoord , 3e pers. sing: hume, hum

Bosch humme - van hem

 

hummeke

zelfstandig naamwoord

Henk van Rijen: hommetje van de vis

 

Schilderij van Giacomo Ceruti

hundje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hondje

Boutkan: (blz.50) hundje verkleinwoord van 'hnd', met umlaut

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): et hundje naam ne rmpscheut

Kernkamp, Dialectenquete 1879: 'n hundje en 'n ketje

Cees Robben llieje Sjennie is n nch hundje... D-wel.. Hij is vernoemt flnich.. (19600122)

Bttie akkum aaj? Hdden hundje? Dan zuldem wl snappe. Vur wie gin Tilburgs hundje heej, zg ik r mar bij hoe d d in t Neederlaans gezeejd wrt: Bijt hij als ik hem aai? Meese, d klingt tch van gin kaante?! Wk wil zgge is dees: as t bske Tilburgs prt, dan verstao zunnen hond ok allenig mar Tilburgs. cht waor. D lstert hel naaw meej hundjes. (Ed Schilders; W zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009)

WBD (III.2.1:475) 'hondje' of 'does' = hond

Jan Naaijkens, Ds Biks (1992): hundje zelfstandig naamwoord- hondje

 

hunkere

werkwoord (zwak)

WBD hinneken (v.e. paard), ook genoemd 'hinneke', 'briense' of 'kwkke'

hunkere - hunkerde - gehunkerd

 

hunnepetrie

zelfstandig naamwoord

gerecht voor fijnproevers van de vroegste delen bij de varkensslacht

Jef Paijmans - Herinneringen - Ome Herman en tante Bertha mestten elk jaar een varken en wij namen dan als het geslacht werd, een helft over. In het late najaar maakte moeder dan zult en balkenbrij, smolt het vet tot kaaikes en vader kreeg hunnepetrie. Dat waren de hersenen van het pas geslachte varken. Het werd gebraden in een ijzeren pannetje

► Zie Dossier Varken Culinair

 

hupke

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hoopje

WBD (Hasselt) mishupke -mesthoopje

Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): en hupke

Cees Robben: der is gin hupke in Tilburg waor hij nie gescheeten heej;

Gezegde, Van Beek: Hupke km bij - Hoe meer zielen hoe meer vreugd. (Tilburgse Taalplastiek 169)

verkleinwoord van 'hop', met umlaut

 

huppe

werkwoord (zwak)

WBD III.1.2 :164 'huppen' = hinken;ook:'hippen,hopperen,hinkelen'

 

hupsvol

bijvoeglijk naamwoord

overvol, meer dan vol, vol met een toren erbovenop

Henk van Rijen: hij heej tweej hupsvolle brde nr binne gespaojd

CiT (32) 'Hij hee twee hupsvolle borde nor binne gespaoid'

 

hur

tussenwerpsel

hoor

Henk van Rijen: khb hum deur, hur! - ik heb hem door, hoor

 

hur, hurre, heure

tussenwerpsel

hoor

►zie ook heure

't Is zund hurre, want daor hedde w gemist. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

Henk van Rijen: ds ginnen onbeschaaje meens, hurre

Henk van Rijen: ge slot nie meej d zwiemke, hurre

Jan Naaijkens, Ds Jan Naaijkens - D's Biks -- - 1992 --
(1992): hurre tussenwerpsel - hoor je, versta je

 

hurt

werkwoord, persoonsvorm

hoort

Cees Robben: hurt heur ... ze zeej d ...

R.J. 'Hurt em flte m ns hs'

Henk van Rijen: hurt hum - hoor hem eens

Boutkan: (blz.37) doublet 2/3 p.sing.'hurt/ hrt' (hoort)

tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'heure', met vocaalkrimping

 

husse

tussenwerpsel

Henk van Rijen: husse meej sinjoore - dat moet je maar afwachten (als antwoord op de vraag: wat eten we vandaag?)

ES husse meej oe neuzertusse (Tilburg, jaren '60)

 

David Teniers II - The hustle-cap (17de eeuw). Boeren spelen een dobbelspel. De dobbelsteen wordt in de hoed gehusseld (gehutseld).

 

hussele

werkwoord (zwak)

Frans Verbunt: schudden (van b.v. kaarten)

Enqute over Je favoriete Tilburgse woord op Facebookpagina Je bent een echte Tilburger als... maart 2013 -

WBD III.1.2:6 'hutselen'= hotsen; ook: hossen, hobbelen, kwakken, stolpen

WBD III.4.4:310 'verhusseld' = in de war

WBD IIl.4.4:314 'husselen' = vermengen

Bosch hussele - door elkaar gooien, mengen, schudden

WNT HUTSELEN - schudden, dooreenroeren

WNT onder HUTSEN: Hoe de steenen (dobbelsteenen) gehutst en geworpen moeten werden...

 

hutje goje 

Uitdrukking:

spel: met centen gooien

Henk van Rijen: 'huutje goje' = mitje steeke

 

huts

zelfstandig naamwoord

huts

WNT Wsch. de stam van 'hutsen' als zelfstandig naamwoord gebruikt; vooral in Z-Nederl. in de uitdrukking 'Met den huts' - in overvloed, bij de vleet, voor 't opscheppen, en ook: geheel, niet bij deelen.

Brabantse spreekwoorden (Mandos): ze meej den huts hbbe (Handschrift Daamen 1916) volop hebben, met hopen

N. Daamen (handschrift 1916) -- "huts - hij hee ze mar mit den huts (met den hoop, volop)"

 

huubrtsbrojkes

zelfstandig naamwoord, meervoud

ook: hvertsbrojkes, huupkes, hpkes, hverbolle, hvert, hpkes, huibertbollen, huibkesbrood, huiverbrood

- hubertusbroodjes, door een priester op 3 november, de feestdag van Sint Hubertus, gezegende broodjes; het eten van de broodjes werd beschouwd als een voorzorg tegen hondsdolheid.

- WBD (III.3.3:253) 'hubertusbroodjes', 'hubertusbrood', 'huibertbollen'

- Lowie van Dorrus Misters - Onlangs vierden wij de feestdag van St. Hubertus. Dan wordt in alle kerken het Hubertusbrood gewijd. Dit brood is tegenwoordig ongedroogde beschuit. De bakkers nemen van tevoren bij hun klanten de bestellingen op. De broodjes worden dan direct na de wijding thuisbezorgd en direct genuttigd. Vroeger was dit een beetje anders. Bij de wijding waren niet alleen de bakkers met beschuitbollen, maar ook huismoeders of grotere kinderen en niet te vergeten leden van de boerengezinnen met een heel of half wittebrood of ook wel roggebrood aanwezig. Na de wijding werd hiervan wel iets gegeten, maar het overige ging in de kast om bewaard te worden. Ging men op reis, zoals wij boven, dan werd hiervan een gedeelte meegenomen om het zo nodig onderweg te kunnen eten. Wij hebben het echter nooit meegemaakt, dat er gebruik van moest worden gemaakt; die tijd dat het wel moest, lag echter toch niet zo ver achter ons. Wij hebben er oudere mensen, die het ondervonden hadden, meermalen over horen spreken. De boeren hadden steeds gewijd brood in huis om in tijd van nood hiervan ook aan het vee te kunnen geven. Op de door ons veelvuldig bezochte dorpen hoorden wij ook wel eens spreken over St. Hubertussleutels, die in sommige families van geslacht op geslacht overgingen. Hiermede werd het vee voor de kop gebrandmerkt, wanneer dolle of razende honden in de omtrek waren. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Uit onze Tilburgse folklore, afl. 18 Oude gebruiken en de Beekse doornboom; NTC 5-12-1952)

- Elie van Schilt - Daor wier toen wet afgebid. Tot dun heilige Jozuf vur unnen zaolige dd, dun heilige Antonius om iets trug te vnen, dun heilige Hubertus om nie hondsdol te worren, daor aten we ok ne keer per jaor ' Hubertusbrooikus ' veur. Ur wier ok gebeeen om kiendjes te krgen, mar ok om ur nie meer te krgen. (CuBra)

- Jan Naaijkens - Huubkesbrikes zelfstandig naamwoord Hubertusbroodjes. Kleine, vierkante broodjes die werden gebakken en gewijd op de feestdag van Sint Hubertus (3 nov.), de patroon van de jagers. Hij werd aangeroepen tegen de hondsdolheid. Wie zo'n gewijd brooike gegeten had, aldus het volksgeloof, liep weinig of geen risico deze ziekte op te lopen... (Jan Naaijkens, Ds Biks, 1992)

 

Ill.: Tijs Dorenbosch

huudje

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hoedje

Ze ztte liever en huudjen p as de grote muts. - Ze zetten liever een hoedje op dan de grote muts.

...zoo zat as n huudje... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; Boere-Profeet; feuilleton in 5 afl. in de NTC 1-7-1939 29-7-1939)

De groote muts blijft in de kaast: die is te zwaor, daor krge ze vort koppent van - zeggen ze - en darrum zette ze liever 'n huudje op. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit t klokhuis van Brabant 5; 7 en 14-11-1929)

[Vrouwe] besteeje d'r advies veul liever aon 't koope van schoon kleekes en

leuke huudjes. (Karel en Sjarel, dialoog in Groot Tilburg, 27 april 1945)

Alln et huudje, d waar toen al gin mode mir, han ze mar weggelaote. (Lodewijk van den Bredevoort ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: huke

Cees Robben Meej zn goeikp huudje op... (19600116)

Cees Robben Hoen huudje hottie op... (19600219)

Cees Robben Ik zie d huudje k z nooi (19831209)

Cees Robben Des n schn vre-huudje... (19860530)

As ik op prinsjesdag teeveej gao zitte kke/ n in de Ridderzaol dan al die huudjes zie... (Henritte Vunderink, Huudjes periekele, uit: Tis de moejte wrd; 2011)

WBD III.3.1:365 'onder n hoedje spelen' = idem verkleinwoord van 'hoed', met umlaut

Bosch huujke - hoedje

Cees Robben - Prent van de week 30-05-1986

 

Ed Schilders over hoeden, huudjes en hoej bij Cees Robben

Nieuwe Tilburgsche Courant 17-9-1932

 

huuhaawe

werkwoord (sterk)

Henk van Rijen: stoppen (= hoowhaawe)

 

huuj, hoej

zelfstandig naamwoord, meervoud

Henk van Rijen: hoeden

CiT (78) 'Strooihuui ziede host nootniemir'

 

huuje

werkwoord (zwak)

hoeden, bewaken

huuje - huujde - gehuujd

B: huuje-huude-gehuud

B: ik huu; gij/hij huut

Korte uu

Handschrift Daamen 1916: kaortspeulen is gin schaophuuje

De Bont: huuje(n) zw.ww.tr.+wederk. - hoeden

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HU(D)EN - hoeden, fr. garder.

 

huukske

zelfstandig naamwoord, verkleinwoord

hoekje

verkleinwoord van 'hoek', met umlaut

Boutkan: (blz.32) huukske

Cees Robben In n huukske.. meej n buukske (19601118) [Naar Thomas a Kempis]

Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - gezegde: As plddeke-vl de kaomer doe, dan stinken alle huukskes.

WBD hoek, huukske - hoek bij de haard (bestemd voor brandhout e.d.)

Kernkamp, Dialectenquete 1879: huukske

 

huuptruug

tussenwerpsel

WBD achteruit! (voermansterm om een paard te doen achteruitgaan), ook als 'huuptruujg' uitgesproken, en (uitsl. in de Hasselt) 'truughuup': voor hetzelfde doel zijn 'truug' en 'truugp' in gebruik

De Bont: huuptruug, bijwoord (voermanst.) hup terug

 

huurboerderij

zelfstandig naamwoord

WBD pachtboerderij

 

huutewg

tussenwerpsel

WBD (Hasselt) naar rechts (commando voor een paard), waarvoor ook gebruikt worden: 'ht', 'htm', en (elders) 'htum'

De Bont: huutewg bijwoordelijke verbinding (voermanstaal), hetz. als 'hteweg': naar rechts.

Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899):
 HUTWEG telwoord = HUT = HOI; hut-hut = schuins rechts

 

huuwelek

zelfstandig naamwoord

huwelijk

Kernkamp, Dialectenquete 1879: huwelik

korte uu

 

huw

tussenwerpsel

WBD stilstaan: (commando voor een paard)


Naar het begin van de pagina
Inhoud Woordenboek Tilburgse Taal
CuBra Home